diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 29429-0.txt | 9094 | ||||
| -rw-r--r-- | 29429-0.zip | bin | 0 -> 168121 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29429-8.txt | 9106 | ||||
| -rw-r--r-- | 29429-8.zip | bin | 0 -> 166381 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29429-h.zip | bin | 0 -> 259536 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29429-h/29429-h.htm | 9439 | ||||
| -rw-r--r-- | 29429-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 77484 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29429-h/images/hr.png | bin | 0 -> 777 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
11 files changed, 27655 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/29429-0.txt b/29429-0.txt new file mode 100644 index 0000000..9cddc5c --- /dev/null +++ b/29429-0.txt @@ -0,0 +1,9094 @@ +The Project Gutenberg EBook of Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr. + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Papieren Kinderen + +Author: Justus Van Maurik Jr. + +Release Date: July 17, 2009 [EBook #29429] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN *** + + + + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de | + | bijbehorende alinea. Bladzijde-nummering is verwijderd. | + | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn | + | stilzwijgend hersteld. | + | | + | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is | + | in dit e-boek weergegeven als _uitgespatieerd_. | + | | + | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het | + | origineel zijn bijna allemaal gecorrigeerd. Uitzondering | + | zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. | + | | + +--------------------------------------------------------------+ + + + + + PAPIEREN KINDEREN + + + + + PAPIEREN KINDEREN + + NOVELLEN EN SCHETSEN + + DOOR + + JUSTUS VAN MAURIK Jr. + + AMSTERDAM + + Tj. VAN HOLKEMA + + 1888 + + + + +_EEN BENEFIET_. + + + + +EEN BENEFIET. + + +I. + +Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen. + +Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen +gleed, zei hij in zichzelf: „Hier moet ’t zijn,” en keek oplettend +naar de zwarte letters op ’t porseleinen naambordje aan den deurpost. + +„W. F. Hostein” ’t stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand +beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop +aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel +de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de +garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te +trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers. + +Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan. + +„M’neer thuis?” + +„Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier binnenshuis +woont?” + +„Meneer Hostein!” + +„Jawel, die is thuis, maar.....” + +„Niet te spreken misschien?” + +„Meneer is aan ’t studeeren voor van avond en....” + +„O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of ’t schikt dat ik weerom kom.” +Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het +meisje zeggen: „Wacht u dan maar effentjes.” + +Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: „Adriaan Walten, +tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den +ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een +oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn +linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen +hing. + +Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit ’t portaal een +welluidende mannenstem: „Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar +boven komen.” + +„Neen, meneer; ’t is een...” ’t Woord „heer” wilde niet vlot over +Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: „’t +Is zoo’n raar persoon, weet u, zoo’n...” Zij reikte ’t kaartje over. + +Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den +linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige +rechterhand een paar droppels van ’t hooge voorhoofd, terwijl hij in +de spiegelruit van de tochtdeur, die op ’t haakje was vastgezet, +trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten. + +„Kom boven, meneer Walten!” klonk van het portaal af de mannenstem; ’t +meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk +hijgend door ’t haastige trap op- en af snellen: „Gaat u maar naar +m’neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien.” + + * * * * * + +In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de +gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht +in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond, +gladgeschoren gezicht; op ’t kort gesneden haar draagt hij een roode +Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte +pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding. +Den bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: „Pas op ’t +drempeltje, ouwe heer: ’t is een beetje duister op ’t portaal.” + +De „ouwe heer” nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem +een: „voorzichtig!” tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van +sigarettenrook de woorden: „Leef je nog, papa Walten?—Kom binnen.” + +Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een +bijna schuwen blik, vóórdat hij antwoordt. + +’t Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden +eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk +ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt +eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich +merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit. + +„’t Is hier mooi, fijn!” zegt hij zacht, zóó zacht dat de andere ’t +niet verstaat en vriendelijk vraagt: + +„Zei je wat, Walten?” + +„U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik +u erg kom hinderen, maar....” + +„Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje +over.” + +„Dat dacht ik wel, meneer Hostein.” + +„Hé?” + +„Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein.” + +„Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: „Meneer”—en dàt tegen +mij, je ouwen leerling Willem?” + +„Ja, maar meneer Hostein...” + +„Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik +heet?” + +Een glans van vreugde glijdt bij ’t hooren van dien hartelijken toon +als een zonneschijntje over ’t gelaat van den ouden Walten, en als +toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt +hij beide handen uit naar den vóór hem staanden jongen man, terwijl +een: „Willem, beste jongen!” zijn mond ontsnapt. + +„Zoo! dàt mag ik hooren!” Hartelijk drukt Hostein Waltens magere +handen, terwijl hij vraagt: „Waarmee kan ik je dienen, papa?” + +Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met +doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met: + +„Ik ben zoo ongelukkig, Willem!” + +Hostein werpt vluchtig een blik op ’t oude beduimelde kaartje, dat hij +in de hand houdt, leest de woorden: „Tooneelspeler a/d K. S.” en +terwijl hij denkt: „Aan den Koninklijken Schouwburg,—dat’s heel lang +geleden, arme vent!” zegt hij met een kleine trilling in zijn stem: +„Is ’t waarachtig?” + +„Ja, ik weet nu geen raad meer.” + +„Arme ouwe kerel!” + +„’t Is hard, hé! dat ik zóó voor jou moet komen staan! Maar....” + +„Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.—Is ’t alleen dàt?” Hostein +maakt de beweging van geld tellen. + +„Niet alleen; maar—toch....” + +„Zit je weer in den brand?” + +„Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.—Ik +wou, hum!—’t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je? +Waarachtig niet, want ik kan ’t nooit teruggeven en....” + +„Dat is ook niet noodig.” + +„Neen! Willem, dàt wil ik niet. Maar ik—hum! ik wou nog één ding +probeeren en daartoe....” + +„Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere +collega’s je met alle liefde wat assisteeren willen en....” + +„Ja! ja! dat weet ik wel,” knikt Walten; „maar ik begeer niets te +hebben; ik....” + +„Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!” + +„Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers +wel, dat ik nu dan toch....” + +„Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.—Ga nu +eerst eens bedaard zitten, dáár in dien fauteuil.—Wil je rooken?—Hier +staan sigaren.—Niet?—’n Sigaret?—Ook niet?—’n Glas port dan?—Kom! dat +zou ik nemen, dat geeft ’n beetje toon in de maag.—Wil je niet?—Nu +wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten nog wel!”—Hostein +schelt, en als ’t meisje een oogenblik later is binnengetreden, zegt +hij: „Haal eens een kop bouillon, hiernaast in ’t café—en ’n paar +beschuitjes.” + +„Wat heb je dat goed onthouden, Willem?” Een lachje begeleidt die +woorden. + +„Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag +bouillon. ’t Is bepaald een behoud voor de stem.” + +„Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en....” Plotseling houdt +Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psyché, +die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen +door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo +fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de +bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en +droevig zegt: „’k Ben ijselijk oud geworden, hé? De laatste jaren +hebben me kapotgemaakt, en hum!—’k zie er zoo echt sjofel uit.—Neen! +zeg maar niet, dat ik ’t me verbeeld; ’t is de waarheid,—ik word +langzaam aan oud; dat voel ik wel.” + +„Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar....” + +„Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb ’t ook zoo +hard gehad in den laatsten tijd.” + +„Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?” + +„Ook al, Willem; maar dat was ’t ergste niet: ’k heb eeuwig en altijd +„Pech” gehad in de laatste jaren.” + +„Ja! voor den wind is ’t je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom +sprak je niet?” + +„Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig +vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu....” Walten +zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van +den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart. + +„Heb je niets om handen op ’t oogenblik?” + +„Niets, Willem. Je weet immers ’t ongeluk, dat mij trof met mijn +schouwburgtent?” + +„’k Heb er destijds van gehoord.” + +„Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk +brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde +en.....” + +„Je was toch geassureerd?” + +„Ja natuurlijk! maar....” Eensklaps worden Waltens oogen rood en +vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn +wangen rolt, glinsterend in ’t zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder +verlicht, vraagt hij zachtkens: „Je weet immers, hoe ik toen bestolen +ben?” + +„Hum ja! ik herinner me wel zoo iets.” + +„Ik heb geen cent van ’t geld gezien.” + +„Dat ’s een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?” + +„Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar....” + +„O! nu herinner ik ’t me weer, ’t is waar ook; dat ’s een ellendige +historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak +geven; die gemeene schoelje had haar ’t leven toch al zuur genoeg +gemaakt.—Zij is onlangs gestorven, hé?” + +„Ruim een jaar geleden. Tot zóólang heb ik haar en haar kinderen ook +nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in ’t weeshuis.” + +„En hij?” + +„Zit ergens in Australië, geloof ik.” + +„Zoo’n schoelje!—En—Annette, je tweede meisje?” + +„Die is nog altijd ’tzelfde.” + +„Dus totaal....?” Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd. + +„Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar ’t wordt gaandeweg erger, +de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik....” + +„Jammer, doodjammer van ’t arme schepsel. Ze had wel wat talent, hé?” + +„Of ze talent had? Kerel, Willem!”—Waltens oogen worden minder +dof—„ik heb nooit zoo’n talent gezien als van dàt kind, ’n geboren +tragédienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer +die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er +alles van. Wat ’n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de +Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor ’t eerst +optrad? Wat ’n stem, hé? Sonoor, mooi en fluweelig.—O! dat geluid +heeft ze nog, maar—’t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm +is,—zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,—zit ze met de +handen over mekaâr en zegt niets.” Walten wacht even, en als spreekt +hij tot zichzelf, herhaalt hij: „Niets, bijna geen stom woord. Die +vervloekte kale mof met z’n gladde tong had m’n arme Netje totaal +ingepakt en....” + +„En ’t kind, is dat blijven leven?” + +„’t Is drie jaren geworden; toen is ’t goddank gestorven. Wonderlijk, +hé! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was ’t bepaald alsof ze ’t +niet kende. Ja! dàt was al een raar verschijnsel.” + +„’t Is treurig.—O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop +maar neer, voor meneer.—Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed +is.—Ja ’t is een droevig geval met je dochter.” + +„Ja waarachtig, wel is ’t dat! Dadelijk na haar bevalling is ’t al +eens mis geweest, maar ’t liep er toen niet zoo erg door; ze beterde +en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een +paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor +mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs ’t kleinste +werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig—en dan toch weer +oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in +orde. Ja, ’t is ’n ellende! Die muzikant met z’n sentimenteele oogen +heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem +gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij +haar heeft laten zitten was nog ’t ergste niet, dat gebeurt meer; maar +dat zij door die hum!—die geschiedenis aan ’t malen is geraakt, dat ’s +fataal.” Walten drinkt langzaam een paar teugen en vervolgt dan: „’t +Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo +allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; en daarom heb +ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald, +dat ze geholpen kan worden, maar—ze moet goede verpleging en rust +kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in ’n gesticht en....” + +„Zou je dat waarlijk denken, Walten?” + +„Waarachtig! Maar gauw zal ’t niet gaan. Jongens, Willem, als ze van +die talentbuien heeft—zoo noem ik ze, weet je?—dan moest je eens +hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed +zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God! +wat ’n jammer, dat ze zoo....” + +„’t Is zonderling!” + +„Ja, wel is ’t dàt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder +behandeling te krijgen; lukt me dàt, dan kan ik voor mij altijd nog +wel hier of daar „emplooi” vinden.” Een min of meer ijdel lachje +glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: „Als ik +wil, kan ik ’t nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat +begrijp je; maar „père noble”, dat zou best gaan; ik zou nog menig +„jonkie” een lesje kunnen geven.” + +Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze ’t merkt, +met medelijden aan en antwoordt; „Ja, je hebt van de piek op gediend, +je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als +ik....” + +„Als je niet zoo’n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen, +artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb ’t je dikwijls +gezegd: je zult carrière maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je +pakken moet.” En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij +vervolgt: „’k Heb eer met jou ingelegd—en ik heb je altijd graag mogen +lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe vrinden—daarom kom +ik nu ook bij jou om hulp.” + +„Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?” + +„Ik wou probeeren om ’n benefiet te geven!” + +„Ei! Ei!” + +„Ik weet wel, Willem, dat ’t moeilijk zal gaan bij deze directie, want +die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad, +maar—dat ’s al lang geleden. Nu dacht ik, dat ’t misschien gaan zou, +als jij mijn voorspraak woudt zijn.” + +„Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik ’t wel voor je in orde speel.” + +„Zou je denken?—Maar, Willem, ’t moet ’n benefiet zijn, waar ik goed +wat van overhoud; ik heb bij ’t vorige, een jaar of vier geleden, maar +’n kleine tweehonderd gulden gemaakt.” + +„Dat’s weinig!” + +„Och! je begrijpt, ’t ging voor ’t derde, na aftrek van de +avondkosten; ik was toen al blij, dat ’k ’t kreeg, al had de Directie +er per saldo ook ’n „goeien” avond aan, want ’t was in den slappen +tijd, en daarom deden ze ’t. De zaal was goed bezet, we hadden ook +hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat +negenhonderd gulden; daar ging ’n groote driehonderd gulden af voor +armengeld en avondkosten. Ik kreeg één derde: reken dus maar zelf na.” + +„Ja, dat’s akkoord!” + +„En toen ik ’t geld in handen had, was ’t dadelijk geblazen, want +iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren +zelfs lui, die geld van me moesten hebben, ’s avonds aan den +schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet.” + +„Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je +opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal ’t wel +zóó voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de +avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over.” + +„Zou ’t lukken, Willem? Zie je, ’t is wel hard om zoo’n +armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar—och! +’t is voor Netje, en daarom....” De oude man zucht diep bij die +woorden. + +[1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant. + +„’t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms „en attendant” ’n pop of tien +hebben?” + +„Graag! Van jou neem ik dat aan; ’k zal ’t dadelijk weerom geven na +mijn benefiet.” + +„Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen +kan.... Hier heb je een muntje.” + +„Dank je, Willem!—Wanneer zou je denken, dat ’k hooren kan of ’t +lukt?” + +„’k Zal er morgen dadelijk over spreken.” + +„Wil ’k dan overmorgen komen hooren?” + +„’k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?” + +„Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan.” En na +een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door +Hostein, die hem aan de trap nog naroept: „’k Zal ’t wel voor je +klaren.” + + * * * * * + +Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan, +hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten +komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo. + +Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij +zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een +notaris-kantoor geplaatst, waar ’t droge, iederen dag regelmatig +terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De +kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de +brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het +tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog +kleiner salaris begon. + +Allengs „kwam hij op”, zooals men dat in de tooneelwereld noemt en +binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten +speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op ’t affiche bleek +voldoende om een stuk te doen „trekken.” + +Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega’s +in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega’s, en +niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te +gaarne: zijn „geluk” bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en +zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet hebben kunnen +tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen +leeftijd nòg fladderend, in ’t net van een Fransche danseuse was +gevlogen, die „le beau Valten” zoodanig de baas werd, dat hij zijn +rug—misschien met een zucht—eindelijk onder Hymens juk kromde. Of hij +’t geduldig droeg, blijft de vraag. + +Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem +de eerste schreden deden zetten op ’t hellende vlak, waarop hij +langzaam, maar zeker, omlaaggleed. + +Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde „Madame la Directrice” heeten—en +ze deed hem vallen. + +„Een eigen troep” was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde +die droom niet lang; ’t ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig. + +„De troep” bestond eenigen tijd, werd toen een „troepje” en na veel +tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw „een troep”, +maar in de andere beteekenis van ’t woord. + +Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te +vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap +te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd +verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de +kermistent voerde. + +Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die +vrouw, die hem, als ’t ware met magnetische kracht vasthield en +beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn +ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde, +misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed +het niet; Walten was, zooals men ’t heet, een goeie vent, een +artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter, +toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen +dáár, waar ’t hem inspanning kostte zijn wil door te drijven. + +’t Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed, +en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een +tijdstip kwam, waarop eenige vrienden—gedachtig aan ’t geen hij +vroeger was en rekening houdend met ’t geen hij nog kón zijn—hem een +fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang, +was ’t alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen zóó hoog te +stellen, dat men die niet kon toestaan. + +Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur, +zich lavend en bedwelmend door de bravo’s en toejuichingen van een +publiek, dat àl te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn +oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan, +speelde alles, wanneer ’t slechts „DE ROL” was van ’t stuk; ’t +handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals +de flesch aan den dronkaard. + +Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond, +zorg en kommer knakten in hem den „artist” voordat de „mensch” Walten +oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof +geworden, zij zagen slechts schemerend ’t licht der kunst en straalden +’t niet meer uit. ’t Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde, +was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer +van „den drank”, en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog +veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald. + +Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was +hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen—misschien ook in die van +anderen—een „gentleman” gebleven; hij „voelde” zich, niettegenstaande +hij niets meer was. + +Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep +hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in +allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult +en juicht, als ’t degens en dolken ziet, en dat samenvalt van ’t +lachen, als ’t hansworsterij aanschouwt. Walten was de ruïne van een +kunstenaar,—een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden +hoe schoon het geheel eenmaal was. + +Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven; +zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was +’t gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn +zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter, +zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was +geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken. + +Dat „zoeken” vond echter een groot beletsel in de omstandigheid, +dat Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was, +die wist hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van +verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte, +verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door +schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij +zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste +acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij ’t publiek. + + * * * * * + +Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit ’t venster +hem na en zei in zichzelf: „Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik +kan”. + +Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van +den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer +bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort +een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na +aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn +van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten. + + +II. + +’t Is even na den middag. ’t Is koud en guur winterweer, zonder +sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend +kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje +een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat +der achterbuurt, waar Walten woont, maar ’t is geen zonneschijn die, +weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, ’t is alleen een +teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt +als komt. + +Op ’t open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten +de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft, +staat een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan +de waschtobbe! ’t Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar +goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige +herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan +helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een +klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn +kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee ’t +plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er +uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij +bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er +bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend +luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en +„’t lawaai” haar te erg wordt. „Stil, Keesie!” zegt ze, hem even met +den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de +achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar +galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en +bevelender: „Stil dan toch, joggie!” + +[1] Turf- en houtverkooper. + +Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf, +het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor +zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den +grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op +eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel +mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn, +wanneer niet, door de openstaande deur van ’t kleine keukentje het +volle daglicht binnenviel. + +Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite +woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het +bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar: +„Stil dan toch, Keesie” en klimt behoedzaam op ’t bankje. Nu reikt ze +met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar +binnen in de kamer kan zien. + +„Hum!” mompelt zij, „de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch +net effetjes zien.” Zij stapt van ’t bankje af en luistert opnieuw, +want binnen klinkt de stem al luider en luider. + +„Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; ’n mensch kan niks niet +hoore, als jij aldoor zingt; ’t wordt nou net persies mooi.” Zij doet +een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: „Juffrouw +Jaling! Juffro-ou-w!—toe Keesie, hou je mond nou—juffrouw, kom nou +gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere, +vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!” + +Uit de openstaande achterdeur van ’t naburig huis, dat eveneens op ’t +erf uitkomt, klinkt een heesch: „Ik kom al!” en dadelijk daarop +waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar +buiten. + +Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om +’t lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren +pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken, +als zij nadert. + +„Benne ze weer bezig?” vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze +een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande ’t +koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt. + +„Nou! uwé komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; ’t is posetief ’n +extratje vandaag. Uwé kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat +u maar op ’t bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in +de kamer zien; ’t eene raam staat een êndje ope, dat tref je. Je mot +nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht ’k zal je +helpe.—Komaan dan!—Ho!—Huup! Eén ootje, twee ootje, mensch! mensch +wat ben je toch dikkig: als m’n bankie ’t maar uithoudt—drie ootje! +oepla!—Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.—Nou ben je d’r.—Zie je +wat?” + +„Gut, lieve ziel, wacht effies!—’k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor +’n dikkig persoon is ’t een heele toer om op zoon bankie te komme; ik +ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik +zien.” + +„Zie je wat?” + +„Nou!” + +„Wat dan?—Zeg ’t me maar zoetjes.” + +„Kristemensch! wat is ’r ’n herrie in die kamer.” + +„Nou hé!” + +„Alles leit overhoop; zij zit op ’t bed. O! Gossie! wat ziet ze ’r +raar uit, en hij maakt grimassies voor d’r. Hij buigt. Hè! hè! hè! +hè!” + +„Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie ’t!” + +„Dat’s allemachtig kemiek: hij zoent ’r hand.—Zeg, ’k kan ommers niet +valle, juffrouw Daters?—Hij doet ’t bij wijs alsof ie ’n onderdaan is +of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit ’n soortement vers op.” + +„Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, hé?” + +„Stil dan, mensch, laat me nou hoore.” + +„Vertel dan ereis, wat ie zeit?” + +„Nou persies kan ’k ’t niet verstaan, maar.... Hè! hè! hè! hij gaat op +z’n eene knie legge en zij—o, groote Gerritje, dat’s grappig—zij +vliegt op en pakt die ouwe kerel om z’n hals. Sjuut! nou ken ’k ’r +verstaan. Jij ook?” + +„Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!” + +Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk: + + „.... Hernani! ’k beef.... In ’s hemels naam, + Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zaâm.” + +en Waltens stem, antwoordt: + + „Te zaâm?—Neen! neen!.... Hélaas! dat uur is heengevaren, + Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren; + Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m’ uw liefde boodt, + Mocht ik u bieden, wat mijne armoê overschoot.” + +„Zeg,” fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, „hij heit ’t +over z’n armoê. Nou! dat ’s geen wonder: ’t is daar ’t noordermarkie +wel.” + +„Nou hé?—Pas op dat je niet om valt; ’t bankie is zwak; je mot +stilstaan, hoor!—Wat ’n malle mensche om zoo met mekaar in d’r eentje +komedie te doen.” + +„Nou!” + +Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als +eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt: + + „Neen, ’k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen; + ’k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen.” + +zegt juffrouw Jaling zachtkens: „Wat ’n mooie stem heit ze’.” + +„Jawel, maar luister nou liever, m’n goeie mensch.” + +Walten antwoordt: + + ....... Laat mij alleen ontvluchten! + +„Gaat ie ’r van door?” vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere, +die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet. + +„Wel, mensch, ’t is ommers allemaal spul!—Nou begint zij weer, hoor je +wel?” + + ..... „Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind + Zijn leven te offeren aan den een’gen, dien men mint, + En, weggestooten, nog ’t geluk te moeten derven + Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven.” + +Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd +geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen, +gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de +andere zegt: „’k Heb met ’r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je +gaat er niet voor naar de komedie, hoor; ’t is waar wat je zei—hè! +dat’s jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt ’t zoo donker dat +’k bekans niets zie—maar hoore kan ’k wel.” + +„Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is ’t niet?” + +„Nou! Maar hij is van de tand—dat hoor je wat goed.” + +„’t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als +ie praat. Je ken ’m haast niet verstaan tusschenbeie.—O! daar beginne +ze weer; maar....” + +Krak! krak! doet ’t bankje en meteen: „Groote Gerritje, daar heb je ’t +nou,” vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar +tegen en helpt haar veilig op den grond. ’t Bankje is door „de +dikkigheid” van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot +het uiterste gebracht en bezweken. + +Met een: „Da’s nog net bijtijds” blijft de zwaarlijvige juffrouw een +oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte +japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat, +vraagt ze: + +„En is daar nou alle dage weêr-an zoo’n spektakel?” + +„Alle dage, ten minste in den laatsten tijd.” + +„Heere, Heere!—’k Wou dat ’k hier eerder was komme wone; ’t +verdiverteert me wel.” + +„M’n man is ereis op z’n kamer geweest.” + +„Kom?” + +„Waarentig!—’n Rommel, m’n goeie mensch, een rommel, van alles en nog +wat!” + +„Wel, wel!” + +„En speult ie nou nog op den Schouwburg?” + +„Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel.” + +„Wat je zegt!” + +„’t Mot vroeger anders ’n baas zijn geweest.” + +„Zoo!” + +„Jawel, ’n eerste kemiekeling!” + +„Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt; +anders is z’n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je ’m zoo +ziet.” + +„Nou!” + +„Zoo’n beetje verloopen ook, hé?” + +„Nou! ’t is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien +zeit ie toch nog wel ereis ’n grappie.” + +„Och kom!” + +„Ja, als Pietersen komt.” + +„Wie is Pietersen?” + +„O! ken je dien nog niet?” + +„Neen!” + +„’t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie +vroeger bij ’n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie +zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat’s zoo’n mirakel +van ’n vent. Hij heit nog één haar en één tand en de rest is beentjes +met ’n jas van „dankie meneer” er over. ’n Liefhebber van een slokkie, +erg! Maar vinnig, als ’t er op ankomt ook.” + +„Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg ’m +maar weg achter je stropdas.” Juffrouw Jaling maakt met twee vingers +van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt. + +„Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie +niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om +’n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.—O Pietersen!—O! +Pie-ie-ietersen!” + +„Mensch, wat begin je?” + +„Nou! mot je ’m niet ereis zien? ’t Is wat ’n smakelijke poelepetaat; +misschien krijgt ie nog idee in je; zoo’n dikke weduwvrouw zonder +kindere zou ’m nog wel lijke.—Dag, Pietersen; hoe gaat ’t?” + +De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling +type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knieën loopend, ziet +hij er uit alsof hij op ’t punt is om door te breken. + +Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel +als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier +geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en +’t is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan +sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins +scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een +groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn +jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of +anderen menschenvriend. + +Door ’t bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan +dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn +stem een klank, die aan ’t klokken van een flesch, die uitgeschonken +wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig +was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die +eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze ’t voortdurend zijn. +Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des +alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een +zoogenaamde „pleizierige bui”, die zich bij hem aankondigt door een +kleine moeilijkheid bij ’t uitspreken van enkele woorden en letters. +Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat +heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog +knipt hij niet vaker dan anders. + +De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want +Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een +zoogenaamden „ui” op haar lachspieren te werken; hij is de schim van +een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een +eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van +overwicht bezorgt. „Hij is vroeger een heer geweest,” zeggen ze, en +hoewel ze hem zoodra ze kunnen in ’t ootje nemen, gaan ze nooit te +ver; „dat ken je niet met ’m risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig +beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt,” beweert +vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen +ernst: + +„Rr-oept u, schoone dame?” + +„Ja, Pietersen!” + +„Meneer Pietersen, als ik u verz—zoeken mag!” + +Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: „Nou, voor +mijn part mag je „meheer” wezen, maar ’n meheer met angst ben je toch, +ha! ha! ha!” + +„Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?” + +„Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch ’n oud mirakel.” + +„Wanneer u me roept om geridicu—cu—liseerd te worden, beminnelijke, +dan vertrek ik liever vóór ik arriveer, Donna mia.” + +Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw +Daters: „Hij heit ’m te pakke van middag!” en luid zegt ze: „Ouwe +graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je +te wachte. Ha! ha! ’n mooi spannetje voor ’n bokkewage die twee.” + +„Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protège!” +Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen +toon: „Verdikke! die wasch—tobbe ko—kon je wel ergens anders hebben +gezet, lieveling!” + +Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is +gestruikeld, zijn hoed uit ’t zeepsop opvischt en, tegen den muur +leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft. + +„Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe,” lacht vrouw Daters, en +juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam +was, voegt er bij: „Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers +niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! ’t is de pijne waard om te zien.” + +Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat +Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur, +die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is +door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe +uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd. + +„Canaille-pak,” zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat, +keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende +buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: „Au revoir, mes anges”. + +Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen +binnensmonds en gaat dan de trap op. + +’t Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen, +maar hij wacht toch even in ’t enge donkere portaal, vóórdat hij naar +boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit +de kamer: + + „Ik volg u!” + +„Dat’s Annette,” zegt hij in zich zelf. „Och Heere! zou ’t weer mis +wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar.” + + „De hertog heeft het al, geluk en goud en eer,” + +klinkt boven hem Waltens stem. + +„Jongens! jongens! ’t is toch ’n ding voor Walten,” vervolgt hij +hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt +hij de treden op. + +Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere +bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe +lichtstreep onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas +een weinig naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en +strijkt de enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad. + +„Binnen!” roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft +aangeklopt. + +Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat hij +zwijgen moet. + +Zijn „me voilà monsieur le Directeur” besterft hem op de lippen, als +hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe: +„Geen grappen, hoor je! ’t Is heelemaal mis, o, zoo erg! ’k Heb ’n +nachtje gehad!—Ze is nu Donna Sol. Begrepen?” + +Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en slaat +dan langs zijn rooden neus een meêwarigen blik op de vrouw, die op ’t +bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze +langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te +herkennen en zegt: + + „Wij gaan op morgen saam—ik wil niets anders meer. + Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven.” + +Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen naderen +moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten hem haastig toe: „Maar +ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!” + +Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor ’t +bed, kust de hem toegestoken hand en zegt: + + „Ik nader, Donna Sol, ik plaats me aan uw voeten.” + +Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend, +vervolgt Waltens dochter: + + „O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven. + Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven? + Geliefde! ’k weet het niet, maar zeker is ’t, o ja! + _Ik_, ik ben uw slavin. Ga wáár gij wilt, ik ga. + Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen. + Waarom?... ’t Is m’ onbewust... Met u noch angst noch vreezen, + Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat, + Is ’t of mijn hart niet meer in d’engen boezem slaat. + Hernani! spreek dan toch.....” + +Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik +tegen de deur van ’t keukentje leunend, de zonderlinge groep dáár voor +hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: „Zeg +maar wat, als ze je de „de wacht”[1] geeft; anders wordt ze zoo +ongeduldig.” + +[1] „Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler invallen +moet. + +Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet ’t nu uit +verlegenheid, antwoordt Pietersen: + +„’k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde Donna Sol.” + +Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast haar +zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar kalm: +„Je kent je rol niet; dàt staat er niet. Ha! ha! ha!—wat ’n leelijke +Hernani—maar dat’s minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je niet.” + + „Tot morgen Hernani, te middernacht! ’k Zal waken. + ’t Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken. + Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken; + Aan ’t venster wacht ik u......” + +Pietersen, die niet meer weet wàt hij antwoorden moet, ziet met een +angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de +armen om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend, +op innigen toon vraagt: + + „Weet gij thans wie ik ben?” + +Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur, die +met een meêwarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een hoek +van ’t vertrek zwijgend blijft staan kijken. + +’t Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder, tusschen +de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt enkele +malen een flauw, roodgele zonnestraal op ’t vergroende goudgalon van +den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon hangt; +ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en ’t verguldsel +van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en dan een +ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de +koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna +Sol prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw +met een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken ’t +zonlicht onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele +lichtstreep langs de kozijnen heen op den houten vloer der kamer, +blijft daar afwisselend flauwer en helderder een korte poos met de +kwasten en naden van ’t hout spelen en verdwijnt dan, allengs +verbleekend, geheel en al. + +’t Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten en door +de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In +de kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle +voorwerpen dommelen weg in één mistigen, vaalgrauwen toon. + + * * * * * + +Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het „een rommel” noemde +wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door. + +De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den +naam van „ameublement” aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een +latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat +uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen +hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en +geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de +onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite +caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om +in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die +nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen +zaken, die òf uit de onderste lade zijn gevallen òf daarvoor moeite +doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een +geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een +kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder +oor te bedekken. + +Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den wand +leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud afgedragen +Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest zijn einde +verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die onder den +stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden schepter en +een parapluie, die er eendrachtig uitkijken. + +Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan een kapstok +ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van +verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en +grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen. + +Op de tafel, midden in ’t vertrek, liggen in kunstvolle wanorde +allerlei voorwerpen, die bij het toilet van een actrice noodig kunnen +zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met +benoodigdheden voor ’t grimeeren en blanketten; verschillende +haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal +armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een +kapmantel, die half over de tafel is gehangen. + +Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje +vol rouge de théâtre, met een hazenpootje er in, en een groote +krulstok ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een +halve boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn +duim in een half leeggedronken glas met melk doopt. + +Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder +en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen +eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien. + +Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder twijfel +’t beste meubelstuk dat er aanwezig is. ’t Schijnt òf uit beter tijden +te stammen òf bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn +gekomen, want ’t is een zoogenaamd „Lit trône” met een hemel van +donker gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende +gordijnen zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar +toch met een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel +over ’t bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad +iets troonachtigs aan ’t geheel, vooral nu op die roode deken de +rijzige gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon +op ’t hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud +geborduurde Turksche muiltjes steken en even van onder het witte +nachtkleed zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te +vergrooten. + +In den tegenovergestelden hoek van ’t vertrek naast een bedstede staat +een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond is +verspreid. + +Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over een +paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een +Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander +liggen op ’t vuilwitte Pierrotpak, dat te zamen met een duffelsche jas +uit den koffer hangt. + +Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk in +de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen +beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te +verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en +dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die +hier zoo akelig werkelijkheid wordt. + +Pietersen, moe van ’t staan, heeft zonder gedruisch te maken een stoel +genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de +ellebogen op de knieën en de handen onder ’t hoofd naar Walten en +Annette, die samen „voortspelen,” te kijken. + +„Kom, lieveling,” zegt de oude man op zacht, overredenden toon „houd +op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!” en zeer +voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets +beters te doen, dan deel te nemen aan ’t applaudissement; hij richt +zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij +luidkeels „Bravo! Bravissimo!” roept. + +„Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders schrikt ze,” +fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe. + +„O! dat wist ik niet!” + +„Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze ’t graag.—Zóó,—ja +zóó doe je ’t goed.” + +De ongelukkige ziet met strakke oogen vóór zich uit, rijst op van haar +bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond +vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee- of driemaal, +als voor een onzichtbaar publiek. + +„Zie je wel, m’n lieve, dat ze tevreden zijn?—Kom! ga nu wat liggen; +je bent moê, dat zie ik!” smeekt Walten met angstige blikken zijn kind +aanziende. + +Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge +huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de +handen tegen de borst gedrukt. + +„Zoo m’n kind! zóó is ’t goed. Ben je nu tevreden? Ja hé?—Dan nu +rusten. Kom! doe ’t maar!” + +Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande doet +zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die een +schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en +langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen +voortdurend op één punt staart. + +Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door ’t vertrek; ademloos +hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt: + + „Onder ’t loof der boomen, + In het donkere woud, + Is mijn lief gekomen, + Heb ik hem vertrouwd: + Hoe ’k hem heb geschonken + Heel mijn ziel en hart, + En hoe trouw mijn liefde + Storm en onweêr tart.” + +„Neen, neen! Stil! niet doen,” fluistert Walten haastig tot Pietersen, +die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen. „Stil! De +bui loopt op z’n einde; als ze gaat zingen, is ’t gauw gedaan.—Wat ’n +geluid, hé? God! hoe jammer toch van ’t kind!—Dat lied is nog ’n +herinnering aan dien—hm! dien moffen-muzikant—dien hm!—Dàt vergeet ze +niet; hij heeft ’t op muziek gezet, weet je?” + +Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een +waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde +goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de +nachtjapon steken, op de maat van ’t lied sierlijk heen en weder. + +De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend +aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon +hij haar bewegingen en gebaren vindt. + +Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette, +die nu ’t tweede couplet van ’t lied meer neuriet dan zingt, hoort het +niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze +op de maat der melodie op- en neer beweegt. Walten daarentegen is naar +den hoek der kamer gegaan, van waar ’t knorrend geluid komt, schopt +met den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt +Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: „Wil jij je bek wel eens +houden?” + +’t Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een +hevig gestommel in de kist. + +De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt +met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan +Walten: „Wat is dàt daar?” + +Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort +naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met +een eerbiedige beweging aanneemt en kust. Zij slaat haar eenen arm om +zijn hals en zingt luider: + + „Zeg hem luid, gij bloemen, + Hoe mijn hart verlangt, + Hoe mijn ziel, mijn leven, + Aan zijn leven hangt.” + +Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn +schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij +vleiend: „Ja, ja! ma chérie, dat is zoo.—Zeg! Walten, wat heb je toch +in die kist? ’t Lijkt waarachtig wel een....” + +„Stil dan toch!” + +„Och, ze hoort ’t immers niet.—Ja! ja! m’n beste, je zingt subliem. +Ja! ja! we zullen gaan zitten, hé?—Ze is heelemaal abnormaal zie je +dat niet?” + +„Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom....” + +„’k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.—Wel sacristie! wat ’n +gestommel en ’n geknor; ’t is of dáár een varken in zit. Heb je +soms....?” + +„Stil! ’t is een big.” + +„Hè?” + +„Ja! een big.—Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten, +gauw!” + +„Kom! dan,” herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de +krankzinnige plaats nemen op ’t bed; zij omklemt krampachtig zijn hand +en staart opnieuw vóór zich op den grond. + +„’t Is een biggetje,” herhaalt Walten, steeds moeite doende om het +dier stil te houden. „Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom +.... je weet wel....?” + +„Ja!” knikt de andere, „ze hebben er zulk goed oranjebitter.” + +„In de Zwaan,” vervolgt Walten, „heb ik ’t gisterenavond getrokken op +’n lootje van ’n kwartje.” + +„Ei!” + +„Och! ’t was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de zestien +en ’t guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen.” + +„En?” + +„Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een +lootje nemen. Jij een lootje op ’t zwijntje, en wij lootjes op je +benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes +helpen; voor m’n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne +lui raak ik die plaatsen niet kwijt.—Kijk naar Annette, +Pietersen.—Stil dan toch beest!” + +„Ik nam ’t mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb +ik ’t hier zoolang in die kist ge....” + +„Ha! Ha! Ha! Ha!” lacht Pietersen plotseling overluid. + +„Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen.” + +„O, dat’s waar ook!—Stil! ze snapt ’t niet,—ja toch wel.” + +De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen, +opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden +nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, zóó +akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar +beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig +verdraait. + +Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt, +stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen +en met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar +lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard +met zenuwschokken, die haar achterover op ’t bed doen vallen. + +Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn +dochter vast. „Water, geef water!” roept hij. De souffleur grijpt +haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen +en polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk +voort; in de kist stommelt al knorrend de big.—Walten roept zijn kind +met angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en +akelig lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar +nieuwsgierige mannen en vrouwen, die tusschen en onder de +gordijnfranje door naar binnen trachten te zien en lachend de hoofden +bijeensteken om elkander toe te fluisteren: „Nou is de kemedie goed ân +den gang; hoor ze nou ereis angaan. Wat ’n spul! Wat ’n spul!” + + * * * * * + +„De kemedie” is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half uur +is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen, vermoeid +en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor kneuzingen +van hoofd of lichaam te bewaren, bij ’t bed, waarop de ongelukkige +vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te slapen. +Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine schuimblaasjes +van de lippen en eenige kille droppels van ’t voorhoofd, dan brengt +hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu en dan +schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de +oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is +voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering +aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt. + +Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw, +die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om +den mond stil blijft liggen. + +„Dat’s me een baantje geweest,” zegt Pietersen, die met zijn mouw +langs zijn voorhoofd strijkt. „Heb je niet een druppeltje van een of +ander in huis, Walten?” + +„’k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet.” + +„Hum! dàt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wèl.” + +„Dat’s juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent, als +je maar niet zoo....” + +„Pimpelde, hé?—Och! spaar je Philippica’s, die kennen we; ik weet wel, +dat je ’t goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo’n +likkebroêr, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig +niks,—niemendal?” + +„Neen!” + +„Niks ter wereld, rien du tout?” Pietersen ziet den ouden man zóó +doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en +guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: „Hum! +misschien heb ik nog een druppeltje brandy; ’k heb laatst een flesch +cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou +drinken.” + +„C’est tout ce qu’il me faut, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat +voor me zoudt opduiken, hè hè hè!” + +„Nou ja, maar....” + +„Geen excuses, mon Directeur; voor den dag er mee.” + +Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds, +voor _zijn_ doen, _te_ lang nuchteren geweest. + +Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch +te voorschijn, vult ’t eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het +voor den souffleur neer met de woorden: „Daar dan; meer krijg je in +geen geval.” + +Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot +grijpen vooruitgestoken, naar ’t glaasje, dat hij knipoogend toelacht; +maar op ’t oogenblik dat hij ’t aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk, +met een licht kuchje: „Et vous, mon Directeur? Neem je niet zoo’n +klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit.” + +„Ik ben niet koud, maar ’k voel me al dagen lang ongesteld duizelig, +onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar ’k ben niets wèl.” + +„Dan moet je juist zoo’n cognac fine nemen. Une petite goutte, mon +Prince.—Après vous dan!” + +„Neen! ga jij je gang maar!” + +„Jamais de ma vie!” Pietersen schuift met ware zelfverloochening het +glaasje naar Walten. + +„Och zanik nou niet; drink uit.” + +„Neen!” Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt: „Ik +begrijp je: geen glaswerk meer in huis, hé?—Qui se gêne est gêné; dáár +is raad voor.” En vóór Walten recht weet wat de andere wil, grijpt +deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met +vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt ’t vluchtig af +met de slip van zijn jas, giet den inhoud van ’t glaasje er in over en +zegt lachend: „Voilà! dee’z beker is voor mij.—A vous!” + +Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult ’t +glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet +met de woorden: „’k Word er misschien wat pleizieriger door; hè! ’k +ben zoo rillerig.” + +„Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad.” + +„Ja!” + +„En hoe is ’t nu met de lijsten, mon Directeur? Wanneer krijg ik die?” + +„Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn.” + +„Magnifique! Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me +sterk, dat ik ’t geheele parterre en ’t amphitheater voor je verkoop; +ik zal er wel een broodje uithalen.” + +„Tien percent voor jou, Pietersen.” + +„Akkoord! Misschien kan ik nog wat loges ook plaatsen.” + +„’t Is te wenschen! Ik moet, vóórdat ik mijn benefiet bepaald +annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten.” + +„Hoeveel?” + +„Driehonderd gulden!” + +„Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.—Zeg! die cognac is délicaat. +Smaakt ze jou niet?” + +„Ik hou er niet erg van.” + +„Ik wèl!” Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het +schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend: +„Da capo, mon Prince.” + +„Neen! je hebt genoeg; ’t deugt je niet.” + +„Kom!—’n Halfie dan?” + +„Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan ’n half.” + +„Bon! maar ’n slordig halfie, hé? Dan werk ik morgen met meer ambitie +en dubbel hard.” + +„Onverbeterlijke nathals, dáár dan!” + +„Merci!—Op je gezondheid, hoor!” + +„Vader!” klinkt uit ’t bed Annettes stem. „Vader! Een glas water +asjeblieft!” + +Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg, +gaat naar ’t bed en vraagt: „Ben je wakker lieveling? Wou je drinken? +Ben je weer beter?” + +„Ik ben zoo moe, ’k heb zoo’n dorst, zoo’n hoofdpijn.” + +„Je hebt ook weer ’n toeval gehad, m’n kind; ’t is geen wonder, dat je +arme hoofd dan klopt. Wil ’k er een doek met water op leggen?” + +„Nog niet; eerst wat drinken, vader!” + +„Goed, Netje! Hier, drink dan maar.” + +Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich op +en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der +tafel is gaan zitten, bemerkend: „Wie zit daar?” + +„Pietersen.” + +„O! zoo, Pietersen.” + +„Dag, juffrouw! Is ’t ’n beetje over?—Jongens, jongens, wat had je ’t +benauwd daar straks.” + +„Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand, +laat me slapen.” + +„Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is ’t zóó goed?” + +„Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil ’k +niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?” + +„Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart.” + +„En die kroon,—wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?” + +„Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je.” + +„Deed ik?” + +„Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!....” + +„’k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand, vader; +hou m’n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!” + +Walten zit op een stoel, naast ’t bed en omsluit met zijn rechterhand +Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht +liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die +zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken. + +Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en +kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat +wordt rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna +onmerkbaar gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem. + +Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de koffer +plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de +handen om de opgetrokken knieën samengevouwen, zit hij doodstil vader +en dochter aan te zien en mompelt: „Wonderlijk! nu gaat ze slapen, +rustig en kalm; ’t is toch een allerzonderlingste historie: ’k +begrijp er niks van.—Slaapt ze nu, Walten?” + +„St!” + +Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in ’t vertrek, alleen +nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken van de +big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt of +heen en weer schurkt. + +Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne +glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan +een der cretonnen draperieën los, zoodat ’t gordijn de slapende vrouw +halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf: + +„Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust.” + +„Heeft die bui dezen keer lang geduurd?” vraagt de souffleur +opstaande. + +„Van gisterennacht tot nu.” + +„Dat’s lang, zoo’n heele nacht.” + +„Ik ben ook doodop; ’k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al niet +richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik t’huis +kwam. Ze begon met Ophélia te wezen.” + +„Mon Dieu!—En jij?” + +„Ik was Hamlet natuurlijk.” + +„Heelemaal buiten je emplooi,” merkt Pietersen aan, met ’t ernstigst +gelaat der wereld. + +Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: „Toen werd +ze in eens Ines de Castro en later Donna Sol.—Dat was ze nog, toen jij +kwaamt en....” + +„Ja!—’t Is toch ongelukkig voor je, Walten!” + +„Wel is ’t dat,” zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een traan +uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: „En voor haarzelf ’t +ergst.” + +„Nu is ze zoo goed, als ’t maar hoeft,—merkwaardig goed, mon +Directeur!” + +„Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden jaar +heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien.....” + +„Jawel, van ’t gesticht.” + +„Juist!—Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze +voortdurend geobserveerd moest worden.” + +„C’est clair!—Zeg! dat beestje in die kist is geen eau de cologne. Je +hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat’s me ’t +zelfde.” + +„Neen! ik rook al sedert lang niet meer.” + +„Och kom! en je was vroeger zoo’n liefhebber.” + +„Ja! maar Netje kon er niet meer tegen.” + +„O!” + +Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt dan: +„Als ik nu maar ’t geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt, dat +’k haar kan laten genezen, dan.....” + +„Hoeveel moet er wezen?” + +„’n Goeie vijfhonderd, op z’n minst.” + +„Hm! die blijven er wel over, als ’t een beetje vol loopt.” + +„Zoo reken ik ook, Pietersen.—Och! als ik haar maar eerst van den +vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,—ik kan nog best +mee;—dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en.....” + +Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog Walten +strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als wilde +hij zeggen: „Dat zal er nog om spannen.” + +De andere vervolgt: „’t Is wel niet pleizierig om ondergeschikte +rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al +niet voor je kind? Wie weet wanneer zij weer heelemaal in orde is, of +ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig +veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is ’t niet zoo?” + +„Zeker, mon Prince, zeker!” Pietersen spreekt schijnbaar in vollen +ernst. + +„En wat ’n geluid, hé?” + +„Kolossaal!” + +„En wat ’n verschijning!” + +„Kapitaal!” + +„Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar +als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op ’t tooneel een +schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog +„goed” was.” + +„Oui, mon directeur!” + +Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch +Walten, noch Pietersen hebben ’t gehoord, en daarom zien beiden +verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren +zeggen: „Pin jelui hier toof? ’k Hèv wol dreimaal jeklopft.” + +„Wâblief!” vragen beiden ongeveer te gelijk. + +Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig +witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een +oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: „Wer von +jelui ist Walten?” + +„Ik! En u is meneer Träger!” + +„So! ja noe herken ik je; ’t wordt hier al doenkel.” + +„Wat wenscht u?” + +„Was ich will?—Noe das soll jij wol begrijpen” en terwijl de dikke man +zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt, zegt +hij: „Ich will de couleur von jou centen ’r is zien.” + +„Ik heb waarachtig niets op ’t oogenblik, baas Träger; maar wees niet +bang: je geld zul je hebben.” + +„So! soll je denken?” + +„Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je....” + +„Papperlapap! ’n benefiz—so’n praatje kennen wir; das heb jijlui +komödianten-volk immer bij der hand; wann’s voorbij ist, krijg jelui +gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op.” + +„Maar baas Träger, ik heb je toch altijd eerlijk betaald.” + +„Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om je +das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet.” + +Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn +lippen trillen, als hij antwoordt: „Ik ben een eerlijk man, baas +Träger, en als ik ’t had, zou je dadelijk geld krijgen; maar....” + +„Maar noe hèv je ’t nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von +de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die +is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil +’k nicht nehmen weil je kind krank ist.—Oend noen basta! overmorjen +verhuis je,—versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig +blijven; dat doe ich omdat jij „Walten” bint, waaroem ich vroeger so +dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.—Noe! +bin je zoefrieden?” + +Schamper lachend, antwoordt Walten: „O! volkomen”. + +„Komân, dat’s joet; dan kennen wir als vrinden sjeiën. Jij bint +allezeit ’n fatsoenlicher kerl geweest oend....” + +„Dáárom moet ik met m’n zieke kind op straat? ’t Is mooi, baas +Träger.” + +„Kan d’r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die ’n +puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d’r over klagen das +jijlui zoo spektakelt.” + +„Maar, Träger! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang +je ’t zeker en....” + +„Das ist mir ejaal. Hèv je jeld?” + +„Neen!” + +„Dan overmorjen von die kamer af—verschta je?” + +Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord, +vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt +daarom op tamelijk gezwollen toon: „Mijnheer! ’t is een crime om een +fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert, +dat zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen +spekslagersziel. Je hart is gevoelig!—Is ’t niet zoo?” + +„Nein! ich will blos jeld.” + +„Kom, kom! mon Prince, je meent ’t niet! Nog een wijl geduld en alles +komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil +garant blijven, dat....” + +„Kottorie! das waar noch besser!” De spekslager ziet Pietersen aan en +nolens volens moet hij lachen. + +„Qui rit, est desarmé,” zegt Pietersen, maar bij Walten komt +plotseling de oude trots weer boven. + +„Pietersen voor mij borg blijven? Ba!” denkt hij, „’t is al te akelig; +zóó ver is ’t dus met me gekomen.” Hij heft het hoofd hooger op, doet +een pas vooruit en zegt: „Ik zal je betalen, baas Träger, morgen aan +den dag. Hoeveel ben ’k je schuldig?” + +„Acht-oen-vierzig joelden!” + +„Kom ze morgenavond halen!” + +„Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich +dadelich wat op afrekening jeeft, dan....” De spekslager houdt +eensklaps op met spreken, steekt ’t hoofd vooruit en luistert, want +uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid +op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de +kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.—Ja! ’t is een +gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. „Maar hoe is ’t +mogelijk”, denkt hij, „hier?” + +Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen, +knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den +wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven: +„Daar krijg ik op eens een idee” en is met twee stappen bij de kist. + +Voordat baas Träger eigenlijk weet wàt hem gebeurt, voelt hij den +snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij +schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat +Pietersen met één greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen +drukt met de woorden: „Il te connait, beau masque! Dáár! neem dat op +afrekening; dat’s voor jou contant geld, mon Prince!” + +„Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt,” roept +verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van ’t vak, de +big, binnensmonds zeggend: „’n Feines diercke, joet soort, moess nog +fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig.” + +Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de +andere er in slaande, roept de souffleur: „Voor vier ben je koopman!” + +„Drei!” + +„Vier!” + +„Noen in Kottesnamen, ’t is jekocht.” + +„Mooi!” En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem +wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: „Neem ’t mee, baas Träger! +Maar zal u ’t goed behandelen? ’t Is zoo’n lief beestje.” En met een +traan in de stem voegt hij er bij: „We waren er al zoo aan gehecht, +niet waar Walten?” + +Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af. + +„Noen, soll ich’s mitnemen voor ’n tientje?” + +„Ja, ja! maar laat ’t in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!” Walten +ziet angstig naar ’t bed, waarop zijn dochter rust. + +„Sjreeuwen thoen al die ferkens; da’s die natoer.” + +„En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M’n dochter ligt daar ziek +achter dat gordijn en dus...” Met een tamelijk trotsche beweging wijst +Annettes vader naar de deur. + +„Kott im Himmel! armoeth hèvt ’n hooge broest ooch nog; allemaal +Komödiantenbluf. Hà! Hà! Hà! Hà!” + +„Lach niet, kerel, of...!” + +„Maak je niet boos. Dat ’s heelemaal verkeerd, mon Directeur!” zegt +Pietersen, die ’t onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar zóó tegen +zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend, +vervolgt hij soetsappig: „Meneer Träger, je moet dat zoo hoog niet +opnemen: hij meent ’t zóó niet.—’n Fijn varkentje, hé?” + +„Wie er ’s nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das +overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze +rataplan op de jroote schteenen.” + +Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar +onverstaanbare woorden. + +Walten ziet angstig naar ’t bed en zegt kalm, bijna fluisterend: „Je +_zult_ ’t hebben, baas.” + +„Joet, maar noen verder?” + +„Verder?” + +„Jawol, denk jij dat ich jou op ’s nieuw drei monate zal laten wonen +oend....?” + +„’k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik +je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om ’t hardst, en mijn +arme Netje _moet_ rust hebben.” + +„Jou Netchen kan mir jestohlen worden.” + +Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den +grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas +Träger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe: + +„Breng me niet tot ’t uiterste; ga heen, man!” + +Er ligt iets in Waltens blik, in ’t heesche geluid van zijn stem dat +den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat +gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn +dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer +bewegend: „Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen. +Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit, +macht samen vieroendfünfzig. Wenn jij die morjenabend vóór negen uur +nich hev’t; logier jij verder in ’s Hôtel blauwe lucht, verschta +je?—Adjé!” + + * * * * * + +Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op +den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs +het lijf hangend, het hoofd vóórovergebogen, in doffe moedeloosheid +voor zich zit te staren: „Jij bent en blijft toch altijd onpractisch, +Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen +met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zóóver +gekregen, dat hij....” + +„Ik wil van zoo’n vent niets hebben, geen consideratie, geen....” + +„Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je +benefiet niet veel over. Betaal je morgen hém, dan weet overmorgen de +heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve +dàt zal ’t nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden +voorschot wil geven op je....” + +„Pietersen, hou je in godsnaam stil!” + +„Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?” + +„Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je +hebt zoo’n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?—Ga +nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. ’t Zijn eerste galerijen; +die kun je hier en daar wel plaatsen.” + +„Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.—Hm! heb je soms niet +een versleten gulden voor me ter leen?—” + +„Neen!” + +„’n Paar kwartjes dan?” + +„Och!” + +„Nou één dan?” + +„Enfin! daar heb je er één. Maak nu dat je wegkomt.” + +„Mon Prince! waar er één is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje +bij; ik heb m’n portemonnaie thuis gelaten.” + +„Dáár dan!—En nu....” + +„„Vertrek, heer graaf,”” zooals Egmond zegt. „Adieu!” + + * * * * * + +Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel +en ziet naar ’t flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de +groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is. + +De avond valt; ’t is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met +een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje +lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die +hij zóó op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen +kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt +rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt +hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er +voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand +over ’t zacht bedauwde voorhoofd der slapende. + +Langzaam knielt hij neder bij ’t bed, legt zijn wang tegen Annettes +hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang—heel lang. + + +III. + +„Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de +Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een +portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem +staat. + +„Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?” + +„Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in +Arthur of zestien jaren later.” + +„Hm! die rol is niet groot voor ’n beneficiant.” + +„Wat dunkt u dan van „De Vrek?” Die heb’k altijd met succes gespeeld.” + +„Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar +seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—„hm! +wanneer je die rol nog aandurft.” + +„Nòg...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft. + +„Ja! je wordt een dagje ouder en ’t is een zware rol.” + +„O, ik ken ze nog wel op mijn duim. ’t Is een van mijn beste creatiën; +ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een +engagement te zoeken. ’t Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had, +die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel +weer willen optreden.” + +In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden +man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende +verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen: +„Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, ’t is niet zoo, je houdt mij +voor ’t lapje.” + +’t Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er +snel bij: „Ik meen ’t in vollen ernst: als u me kunt emploieeren...” + +„Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst +eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?” + +„’t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten +bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder +met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: _’t +Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt._” + +„Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer +succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen +heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van ’t tooneel; +ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en +daarom....” + +Walten wordt bleek; dat gezegde: „Enkelen zullen zich jou nog wel +herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige +waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de +herinnering van enkelen; den Walten van ’t heden kent men nauwelijks +meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen, +wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan +antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: „’k Heb al een paar oude +kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen; +maar—als u ’t niet kwalijk neemt, meneer Schröder, wou ’k wel gaan +zitten, want....” + +„Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden, +excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een stoel, die +onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten. + +Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale +bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een +congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. „Ik +weet niet wat mij mankeert, meneer Schröder, maar in den laatsten tijd +heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....” + +„Wel, m’n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.” + +„Dank u; ’t gaat nu alweer over. ’t Is een alleronaangenaamst angstig +gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben, dan +draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen.” + +„Dat’s niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?” + +„O, als u ’t bij de hand heeft, graag.” + +Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is +het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te +zien, dat hij nog niet geheel normaal is. + +„Ik denk, dat ’t van ’t heen en weer loopen en draven komt,” zegt hij: +„ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb ’k weinig nachtrust gehad +in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw +achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken +vrij. ’t Is treurig, erg treurig.” + +„We willen ’t beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde +behandeling komt,” troost de Directeur. + +„Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in ’t gesticht zou ze....” + +„Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds +herhaalde malen ’t relaas van den vader heeft gehoord; en om een +andere wending aan ’t gesprek te geven, vervolgt hij: „Hoe sta je met +de artisten?” + +„Goed!” + +„Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt +krijgen, des te beter.” + +„Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andrée +zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.” + +„Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op ’t oogenblik „the grand +attraction.”” + +„Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou. +Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat _ik_ wel begrijpen zou, +dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi +vallend, kon aannemen.” + +„Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo +goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar +aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is +erg van ’t hondje gebeten, nogal over ’t paard getild.... Binnen!” + +Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en +rijst werktuiglijk op van zijn stoel. + +„Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te +gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer +intelligent en prettig voorkomen, om ’t hoekje van de deur. + +„Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!” +antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende +dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten +en neemt op den haar aangeboden stoel plaats. + +„U komt als geroepen, mevrouw!” + +„Waarom?” + +„Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn +stoel staat,—„Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen +of....” + +„Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En vriendelijk +lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem +zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: „Ga eerst weer +zitten, collega. ’k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu +zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit. +Ben je ziek geweest?” + +„’k Voel me niet wel, mevrouw!” + +„Dat’s verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den +laatsten tijd.... hm! hoe zal ik ’t zeggen....” + +„Dat ik oud word, mevrouw! Zeg ’t maar.” + +„Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je +benefiet te geven?” + +„Ik hoop „De Vrek”.” + +„Ei! dat’s geen kleinigheid. Ben ik er ook in?” + +„Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; ’k had u +beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....” + +„Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.” + +„Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe. + +„Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?” + +„Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw +emplooi....” + +„Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan; +geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een +collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik +alles. Als ’t niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als +je mijn naam graag op ’t programma wil hebben,” voegt zij er met een +klein vleugje van ijdelheid bij. + +„Wat is u goed, mevrouw Groote!” + +„Zie je, Walten, daar spreekt nu ’t artistenbloed,” zegt de Directeur; +en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: „Juffrouw Andrée is +minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.” + +„Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid +in haar stem. „Nu, zoo’n grrroote artiste mag haar kuif ook wel +opzetten. Zoo’n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben, +is ’t niet zoo?” + +„Ja, mevrouw.” + +„’t Is om te lachen,—zoo’n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een +mooi figuurtje,—dat ’s waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij +niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel +komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze +geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?” + +„Nog geen rol; ’t was maar bij voorbaat, dat zij....” + +„Wel goeie hemel! wat ’n drukte voor niemendal!—Luister eens, Walten, +ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?” + +„Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als ’t niet in haar...” + +„Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!” +En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener +coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende +stem: „’t Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet.... +Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen +loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur ’t +goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles—ik heb ’t land aan dat +creatuur—en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol. +Dat’s een aardig eenvoudig kind met ’n snoepje van ’n gezichtje en met +meer talent dan die „grrhoote juffrrrhouw Andrrhée.” Dan zetten we op +’t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw +Groote.—Wat zeg je daar van, meneer Schröder?” + +„Nu, dat ’s nog zoo kwaad niet,” merkt Schröder, die eigenlijk +juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan. „’n Debuut met ’n +benefiet samen is een goed idee.” + +„Mevrouw, ’k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.” + +„Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote wrijft +zich eventjes in de handen, „ik ben heusch in m’n schik, dat we die +Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan +haar niet zetten; ze heeft zoo’n paar opera-maniertjes, die ’t publiek +aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit +de stalles, ’t balcon enz. Voilà tout! Voor ’t overige zit alles er +dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen +dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen....” + +„Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo _heel lang_ en beter +kende, zou ik werkelijk denken, dat hier ’n beetje „jalousie de +métier” in ’t spel was,” hervat Schröder, lachend mevrouw Grootes +woordenvloed stuitend. + +„Kom, Schrödertje! dat weet je wel beter; _ik_ heb me waarachtig niet +te beklagen, _ik_ heb succes genoeg gehad”—en met een zelfgenoegzaam +lachje—„en nog succes! Begrijp je, dat’s veel gezegd, als men bijna +vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik zie, dat je heen wilt +gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en +repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens +flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil ’k ook ’n +beetje eer met ’r inleggen.” + +„Wanneer dunkt u dan, meneer Schröder?” + +„’k Zal er met den régisseur over spreken; overmorgen weet u ’t.” + +„Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed. + +„Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet +na „De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische +rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien +hebben en die zoo’n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de +zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos +worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?” + +Walten antwoordt kortaf met een zucht: „Neen Mevrouw!” + +„Dat’s jammer; anders zou ik je proponeeren: „’t Huishouden van den +schoenlapper” of „De Behanger”.” + +De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en +denkt: „Sic transit.” + +„Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. „Geef als toegift: „De +dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat kun +je best, en ik zal de Cathérine spelen; dat ’s altijd een +glansrolletje voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om +aan die Andrée met al haar drukte te laten zien, dat _ik me nog jong +kan_ maken, als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den +Directeur even aan. + +„Is dat een pique sous l’eau, mevrouw?” + +„Onder of boven water, meneer Schröder, zoo je ’t nemen wilt,” lacht +mevrouw Groote en vervolgt: „Nu, Walten, wat denk je daarvan?” + +„’k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt ’t +weer. O!” + +„Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog +juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen +behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar +geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. „Vadertje wat wordt +je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is ’t al weer +over? Jongens! jongens! je moet er ’n dokter over spreken; dat ’s geen +gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk, +Walten?” + +„Duizelig, flauw, ’k werd wee!” + +„Zenuwen!—Hier! drink eens.” + +„Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van ’t glas, dat mevrouw +Groote hem heeft aangegeven. + +„Zenuwen zijn ’t, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in +de lucht. Wil ’k met je meegaan?” + +„Neen! neen! dank u.” + +„Zeg, Schröder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?” Mevrouw +Groote vraagt ’t fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en +zegt haastig: + +„Och! asjeblieft niet; ’t is nu heelemaal over. Ik begrijp ’t wel: ik +ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet +geweest, en.....” + +„Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat +kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe! +ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. Hé, ja, laten wij eens samen +„lunchen”, als ouwe collega’s, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren +mag je niet, hoor kameraad!” + +Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als +zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur +zegt: „Excuseer ons, Schröder; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks +wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan, beau cavalier, +je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo’n tête +à tête gunnen.” + +Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: „Als jij refuseert, +refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om +je te schaken.” + +Schröder ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op ’t +hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: „Heb je nog wat?” De +oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt +geleid, knikt „ja” zonder dat zij ’t ziet. Daarom roept de Directeur +hem met: „Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets +zeggen”, terug. + +„Gauw dan; ik wacht hier”, zegt de actrice. + +Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt Schröder: „Wat wou je +me vragen?” + +„Meneer Schröder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... ’k Heb +dringend geld noodig; ’t is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik +moet van avond huur betalen; anders....” + +„Heb je veel noodig?” + +„’n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: ’k heb nog +een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet ’n honderd gulden voorschot +willen geven?” + +„Hum!” Schröder denkt even na. + +„’k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft +gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....” + +„Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?” + +„Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent +de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten +teekenen.—Zou u....?” + +„Enfin! ’k zal je maar helpen.” + +„Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!” + +„Dadelijk, mevrouw!” + +De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van ƒ25 uit, +geeft die aan Walten en zegt: „Ziedaar dan, maar meer dan dit geef ik +in geen geval.” + + * * * * * + +Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en +gebruiken met smaak een eenvoudige „lunch.” + +Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij +het noemt, „op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt, +laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel +deelnemend woord, een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen +tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te +ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij +merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden +ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de +andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling +vraagt zij: „En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?” + +„Zeker!” + +„Voorgoed?” + +„Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is; +dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.” + +„Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben +gedaan met eten, laten we opstappen.” + +„U bij mij aan huis? Neen! dàt kan niet.” + +„Waarom niet?” + +„Neen! Neen!” + +„Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je +soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te +zeggen, dat jij „dames seuls” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan, +kameraad.” + +„Neen, mevrouw, ’t is onmogelijk.—Aannemen!” + +„Wou je nog iets gebruiken?” + +„Neen!—U?” + +„Ik ben voldaan!” + +„Ik ook.—Hoeveel is ’t, Jan?” + +„Twee gulden zeventig, meneer!” + +„Hier, wissel me dat bankje eens; ’n dubbeltje voor jou.” + +„Maar, Walten, wat doe je?” + +„Ik betaal, mevrouw!” + +„Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?” + +„De eer aangedaan met mij koffie te drinken.” + +„Goeie hemel! wat ’n vent!” + +„Ik ken Goddank m’n wereld nog wel, mevrouw!” + +„Je bent ’n gek, ’n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch +ben je n’ aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je huis +gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.” + +„’t Kan niet, waarachtig niet!” + +Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling: +„Kom! ’t is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit +Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.” + +Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: „Ja, +dat’s waar, dàt doet ze eenig; maar—van wien heeft u ’t gehoord?” + +„Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van +Pietersen, den souffleur.” + +Walten heeft ’t oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote +zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: „Ja, dat kan wel; +die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was. +’n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!” + +„Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met +een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op +Waltens arm. „Dat pleiziertje doe je me wel, hé?” + +„Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—„dat was vroeger; nu +doet ze ’t niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij +me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!” + +„Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol +zei of een fragment en....” + +„Neen! alleen als ze....” + +Mevrouw Groote ziet hem zóó medelijdend en met een licht hoofdschudden +aan, dat hij onwillekeurig zwijgt. + +„Laat me haar toch maar eens zien, Walten!” + +„’t Is zoo’n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo’n hevigen aanval +heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekaâr; en je _moet_ ’t +kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt, +met zoo’n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....” + +„Wat ’n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel +gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot +in dat kleine gebouwtje „de Variétés” speelden; ik was toen negentien +en pas bij ’t vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of +zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om +complimenten te maken.” + +„Nu, dan in Godsnaam, omdat u ’t _wil_!” + + +IV. + +’t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want +’t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht +zwaar. + +„Oude heer,” had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem +gemoedelijk op den schouder klopte, „ik vertrouw, dat je ’t +verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me, +wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen +teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de lijst +laat aanbieden.” Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op Waltens +gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen hij zoo +ondoordacht zei: „Wanneer ze jou zien.” + +’t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een +geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder +zelf, die zijn toestand maar al te goed kende. + +Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook +Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een +fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn +bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. ’t +Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en +verviel; de vermoeienis van ’t loopen bracht er misschien ook nog toe +bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk ’t ook scheen, toch volkomen +geschikt was om medelijden op te wekken. + +De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen +daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van +’t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden +kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke +gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks +blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en +oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat +iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee +hij zijn korte aanspraak bij ’t aanbieden van de benefiet-lijst +begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen. + + * * * * * + +Over ’t algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn: +„Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”, +bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden. +Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel +dáár waar hij die ’t minste verwacht had. Oude goede kennissen, +begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens +droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening +op of gaven door een kort: „’k Heb al TE VEEL van die dingen aan de +hand” te kennen, dat ze „er niet aan deden”. Een rijk geworden +kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van „de kunst” +te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en +zei: „Wel, wel! ben jij nou Walten?—Manlief, ’t doet me plezier, dat +ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om +jou motte lache, m’n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke +pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn +en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; ’k zal je +maar vooruit betale, want om de duite is ’t toch te doen. Dat ’s nege +rikse, hé? Daar heb je een bankie van ƒ25.—; voor dat ééne achterwiel, +dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, hoor!” + +O! ’t was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die ’t hart zoo hoog +droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl +de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met +moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar——’t was vijf en twintig +gulden op eens, en—hij was zoo moe van ’t loopen, van ’t vragen. „’t +Schijnt bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem ’t bloed naar ’t hoofd +schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te +uiten. + +Hier en daar werd hij kortaf met: „Dank je, ik zal er niet van +profiteeren,” afgewezen; ’t deed hem minder smartelijk aan dan de +woordenrijkheid van „den ploert,” die zoo royaal was. + +Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke +stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend, +op zijn vraag antwoordde: „Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer +Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou ’t u niet vergeven hebben, als u mij +had vergeten, want ik heb u niet vergeten; ’k heb veel genot en +ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog +eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u „De Vrek?” ’n Mooi stuk, een +van uw beste rollen. En den Nikolaas in ’t blijspel „De dochter van +Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik me +op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef me +maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort +zullen komen.” + +Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede +tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen. +Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand +uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te +gemoet kwam. + +Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts +een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den +vorm van: „Meneer is niet thuis” of: „We houën hier niet van comedie”, +herhaaldelijk ondervond. + +Toch kon hij tevreden zijn, want ’t aantal genomen plaatsen was vrij +aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als +uitverkocht. + +Pietersen liep, zooals hij ’t zelf eigenaardig uitdrukte, „en tempête” +de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met +spiritueus genot afwisselde,—„’t hoorde er onvermijdelijk bij”, +beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters +„exploiteerde”,—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden +welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien +hij had binnengehaald. + +Ook aan ’t bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de +aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar +welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden +gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den +vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op +den speelavond zelf nog wat publiek „inliep”, er een batig saldo voor +hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot, +voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht +te verzekeren. + + * * * * * + +Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat „de rommel” bij +Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder +diezelfde vrouw voorloopig als „gezelschap” bij de ongelukkige Annette +gelaten, omdat zij vond, dat „de stumperd” zoo akelig alleen en +verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan +en had gezegd: „Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis +geweest; ’t is daar een echt treurige boel, veel armoediger en +ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de +handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man +heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.—’t Is waar, hij was +vroeger ’n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo +heeft iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de +lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem +dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een +lauwerkrans gebonden.—Wat dunkt je?” + +„Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel ’n +beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. „Maar hoe is ’t op ’t oogenblik? +Hij heeft een voorschot, hé?” + +„Och, beste vrind! ’t was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur +enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat +gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij ’t graag aan, zoo’n +beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in +huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me mee; +ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. ’n Mooie vrouw is ’t +zeker, ’n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij +zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van +dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner, +was ’t verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?” + +Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: „Ieder denkt zijn +uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook +niet geschikt om.....” + +„Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. „Je kunt op hem niet +veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen +loopt. Op de repetitie’s was ’t niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_ +kreeg ’t benauwd voor hem; ’k geloof nooit, dat hij ’t er goed +afbrengt.” + +„Kom! ’t is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij ’t +wel,—hij kent de trucs!” + +„Neen, waarachtig, ’t was brabbelen wat hij deed.” + +„Was ’t zóó slecht?” + +„Abominabel! Hij is op,—totaal op!” + + * * * * * + +„’t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is +gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vóór het benefiet +tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt. + +„C’est clair, mon Prince!” antwoordt Pietersen, en met een schuinschen +blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: „En is ’t nu wat +beter gegaan op de repetitie?” + +„Hoe bedoel je?” + +„Wel, zit „De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het boekje, +waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit „De dochter van Dominique” +overhoort, op zijn voorhoofd. + +„Ik geloof ’t wel, maar ’k heb nog altijd last van die duizeligheid, +vooral als ik me inspan bij ’t spelen. Zou dat zwakte zijn?” + +„Misschien?—’t Is ook een zware rol.” + +„’k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er +niet goed meer in. Ik begrijp ’t niet: ik kon „De Vrek” vroeger als +mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik +telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.” + +„Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij ’t boekje opnemend zegt: +„Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel +maar weer „de wacht” geven. ’t Is een echte lachrol, die Nikolaas.” + +„Ja! maar ’t lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin +maar.” + +Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de +souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder ’t +hoofd, zit te souffleeren wat „Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt +hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die +somber voor zich uit ziende, op den rand van ’t bed zit en in hetgeen +in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen. + +„Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij +zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt. + +„Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende +ochtendjapon. + +„Waarom is die vrouw weg?” + +„Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!” + +„Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.” + +„Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?” + +„Niets, mon Prince!—St! ze zal ’t in haar hoofd hebben.” + +„Bonst ’t weer in je hoofd, kindlief?” + +„’t Is zoo warm, dáár, dáár,” en met krampachtig gekromde vingers +grijpt Annette boven op haar kruin. + +„Wil je een doek met water erop hebben?” + +„Neen!” + +„Hindert ’t je, als we spreken?” + +„Neen! maar die muziek buiten wèl.” + +„Muziek? Er is geen muziek; ’t is doodstil!—God! Pietersen, ze zal +toch niet weer...?” + +„Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!” + +„Maar lieve Netje, ’t is....” + +„Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.” + +„Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw +Groote je gebracht.—Pietersen! ’t wordt weer mis: wat moet ik +beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan. + +„’k Weet het niet, mon Directeur! maar ’t is niet in orde met haar, +cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?” Pietersen +slaat ’t boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af. + +„Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een wilden, +zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en +hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich +angstig aan Walten vast. + +„Als je haar eens ’n klein tikkie cognac liet drinken; wil ’k je de +flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn +breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar +worden. + +Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn +stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein +meisje was. + +„Kijk! zoo’n half kelkje—c’est un tonique!—dat zal ’r waarachtig +goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en +Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt +terugdeinst, bij ’t hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig +snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de +flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren. + +Zoo’n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft +Pietersen ’t restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige +flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even, +veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: „Ze lacht +leelijk van avond; ’t zal een krasse bui worden. Wil ’k ook even naar +den dokter loopen?” + +„Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo +meteen neervalt. Stil! ’t gaat wat over.” + +Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig, +hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en +Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is +genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem +toesnauwt: „Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet +lachen.” + +Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den +souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: „Lach!” + +„Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten. + +Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en +als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders +arm. „Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!” + +Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de +oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij +stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt +half zittend voorover op ’t bed. + +Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als +van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en +glazig de groote oogen, werpt ’t hoofd trots in den nek en zegt op +bevelenden toon: „_Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn +hermelijn!_” + +Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst: +„Daar is ’t weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien +morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen +avond spelen?” Hij huivert en snikt. + +Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch +cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt +glimlachend: „Waar is je alma-viva dan, m’n wijfje?” + +Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend +over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik +tegen zijn lippen. + +Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil +midden in de kamer. + +„_Zet mij de kroon op ’t hoofd en blijf hier naast mij staan!_” +Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast. + +„Toe! Pietersen, gauw de kroon!” + +„De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook +aan?—Verdijd! daar stoot ik m’n elleboog.—Dat bordpapieren ding is er +niet; ’n mooi l—lorrr!” + +„Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze +niet? Dáár!” + +„Ja, ja! nou zie ’k ze wel; hou je gem—mak, mon P—prince; ik heb ze +al. Tout doucem—ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch—oone D—donna.” En +vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken. + +„God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb +je...? Je bent bez....” + +„Dronken? Waarachtig niet, m—mon Général; ’n beetje tipsy maar, +legèr—re—m—ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha! +ha! Annette, mon—id—ôle, je zit daar heel leuk. ’n Mooie troon, dat +onopgemaakte mandje!” + + „Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder + En luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!” + +declameert de ongelukkige luid en krachtig. + +„Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest +en dan is ze straks niet te houwen.” + +„H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo +naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart, r—reine de mon +c—c—coeur?” + +„God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!” + +„Hé?” + +„Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan +haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet +slapen!” + +„Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was +zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten +van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de +hand van haar vader vasthoudend verder declameert. + + +V. + +Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van ’t +stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich „in ’t +pak te steken”[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht +genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in ’t hoofd +en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk, +hoe vermoeid en afgemat hij was. + +[1] Tooneelterm voor costumeeren. + +„Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins +kaptafel neerviel en met ’t hoofd vóórovergebogen, de handen slap +langs ’t lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. „Willem, ik kan niet +meer!—Zoo erg heeft Netje ’t nog nooit gehad, en die aanval hield maar +niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, met +haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik ben +dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?” + +Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast +hem zittenden man, lei ’t stuk „vetschmink”, waarmede hij zijn wangen +bestreek, neer en zei: „’t Is verschrikkelijk;” maar toen de oude man +opkeek en hem aanzag, terwijl ’t licht der gasvlam vol op zijn ontdaan +gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: „God! Walten wat +zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je +maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is ’t +uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk, +dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan ’t waarachtig niet +helpen, ik dacht alleen om ’t stuk, en jij zit daar precies, even +verslagen, als Harpagon in ’t derde bedrijf, laatste tooneel.” + +Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: „Ik ken je immers +Willem; je meent ’t goed.” + +„Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.—Je +„pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever +aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben zóó +terug; ’k zal een hartversterking voor je halen.” + +„Och neen! ik kan toch niets gebruiken.” + +„Dat zul je wel!” + +Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok +zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op +den stoel, dien de andere verlaten had. + +Een blik in ’t heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven +glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag +naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en +de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus. + +„Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: „ik heb geen grime noodig.” + +Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met +een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon +langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in +den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn +beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de +tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn +wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel +weerkaatst en hij wischte ze niet af. ’t Kwam hem voor alsof hij in +dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch ’t +zijne was; ’t scheen hem als hoorde hij een stem, die hem +toefluisterde: „Die man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel +van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer +terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en +vervallen terug te vinden. + +Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons +kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken +viel hem moeielijk; ’t bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een +donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk ’t hoofd weer +ophief en rondzag. + +„’k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei +hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze +haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren +streek. „Maar komaan, ’t is eenmaal de traditie zóó!” Hij zette de +pruik op en „schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van +huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar +zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn +wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige +wangen. „’k Ben sedert drie dagen niet geschoren. ’k Heb ’t glad +vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel +wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: „’t Past nu goed in de rol; +hum! ik zal....” + +„Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu +eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein +hem een glas melk met geklutste eieren voor. + +„Je bent toch een goeie kerel, Willem!” + +„Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel rum +in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.” + +Onder ’t drinken even ophoudend, zei Walten: „Ik kan ’t haast niet +inkrijgen; ’t is alsof ik ’n stuk in mijn keel heb, dat ’k niet +doorslikken kan.” + +„Kom, kom! allemaal gekheid! ’t Moet erin.” + +„Heelemaal?” + +„Achter elkaar, anders helpt ’t niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je +daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je +heelemaal. ’k Heb zoo’n voorgevoel, dat je van avond een succes zult +hebben.” + +Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar ’t goede hart, dat hij +zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. „Hum!” ging hij +voort, „ik heb van morgen nog van Schröder gedaan weten te krijgen, +dat de souffleur vanavond vrijaf heeft.” + +„Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een +ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend +bijvoegde: „We spelen „De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven, +zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat....” + +„Hè, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend. + +„En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl hij +„Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij: +„Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—’k ben van jou +school, papa Walten—maar ik heb van Schröder gedaan gekregen, dat +Pietersen van avond souffleert.” + +„Pietersen?” + +„Ja! ’k Heb ’t om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en +ik dacht....” + +„Dank je, Willem! Ja, ’t is waar—’k heb hèm liever als dien anderen; +hij kent me beter. Maar.... zeg?” + +„Wat?” + +„Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles +gedaan is?” + +„’t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!” + +„Daar wordt geklopt, Hostein.” + +„Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes +vriendelijke stem. + +„Entrez!” + +Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer in +en wendde zich tot Walten, met de woorden: „’k Wou eens even komen +kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat ’t +weer mis is bij je thuis. ’n Ellendige historie voor je, arme vent! En +is ze nu alleen?” + +„Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.” +fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe. + +„Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?” + +„Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.” + +„O!—En?” + +„Die blijft totdat ik terugkom van avond.” + +„Goed!—Jongens, jongens! wat ’n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je +nog eens goed, hé? Heb je al door ’t scherm gekeken? ’t Is stampvol. +De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je +nu van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! „Heb ik +me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, ’k doe ’t voor +jou; anders speelde ik „de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed, +hoor!—Heb je vandaag nog kunnen leeren?” + +„Ik?—Groote God! wat ’n vraag!” + +„Och, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar +hengelen,[1] ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd, +maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst +en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag +uitdrukte: „Hoe zal dat afloopen?” + +[1] Op den souffleur spelen. + +„’k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte +Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten +schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de +kleedkamers loopend, riep: „Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den +aanvang!” + +Vóór het gewone: „_van ’t tooneel_” en „_aan ’t gordijn!_” van den +inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even +de hand, klopte hem op den schouder en zei: „Wees nu maar kalm en +bedaard. Hoe is ’t mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo’n +ouwe „troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan ’t eind +van ’t tweede bedrijf bij je „sortie” nog even ’t hoofd om de deur +steekt, om me „_tot wederziens_” toe te roepen; dan kan ik beter mijn +claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de +verte toeroep: + +„_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!_”—Denk +er asjeblieft om, want op de repititie heb je ’t telkens vergeten. En +nu: goed succes.—O ja! nog iets, in ’t vierde bedrijf, wanneer ik dat +gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik „af” moet, nog even +terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,—je +maakt zoo’n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een +woedend gezicht en maak nog een nijdige „dienaresse”; daar heeft ’t +publiek pret in, begrijp je? ’t Is anders zoo’n ellendige „sortie”, +zóó mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar +komt; en ik _wil_ applaus hebben van avond, alléén omdat Andrée ’t +bepaald _niet_ krijgt in haar rol als Elize.—’t Verwondert me nog, dat +ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen, +vat je?” + +Daar klonk op eens het schelletje en de roep „Halen!” ’t Scherm ging +omhoog en ’t stuk was begonnen. + + * * * * * + +’t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het „schellinkie” en „de +tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk „De +Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet +afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren. + +Misschien ook heeft Waltens naam op ’t affiche—men had hem immers +vroeger, toen hij nog in zijn kermistent „alles” speelde, zoowel in +„Rolla”, als in „de komiekigheid” bewonderd—er ’t meest toe +bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten. + +Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de +spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde +tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem +moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de +hand van den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich +toefluisteren: „Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk +aan u.” + +’t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt +zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat +en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter +de schermen moet spreken, pakt „Laflèche”, die naast hem wacht, bij +den schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en—dan draait en +duizelt alles hem voor de oogen. + +Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de +woorden: „_Voort! ’t huis uit, zonder tegenspraak, op ’t oogenblik, +voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!_” waarmee zijn rol +begint in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt, +verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn +geluid reeds is bij dien eersten volzin. + +Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare +handen op ’t tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor +gezorgd, omdat zij meende: „’t Zal den ouwen stumperd een riem onder +’t hart steken, als hij goed wordt ontvangen.” + +Het „Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt +hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor +zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich +eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor ’t +publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige „St! +St’s” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot +de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op, +ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en +voor eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende; +de artist in hem wordt wakker—hij is „Harpagon de Vrek!” + +Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken +onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en +als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met +grappige verwondering uitroept: + +„_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen +zijn ’t; de politie moest zulke zakken verbieden,_” + +Gaat er een luid gelach op uit ’t parterre. + +„Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw +haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het +hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: „Ja, maar hij spreekt toch +erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je ’m niet.” + +„Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch +dadelijk „den artist””, zegt in de stalles de verslaggever van een der +bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen +brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend +antwoordt + +„’t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog +zóó natuurlijk, bepaald alsof ’t geheel en al zijn eigen gezicht is. +Kijkt u zelf maar eens, meneer!” + +„’k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe +tooneelrot”, zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die +naast haar staande, achter „den manteau d’arlequin”[1] verborgen, +evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat. + +[1] De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is. + +„’t Valt me geducht mee”, antwoordt Schröder en klapt met zijn +rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij +Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch +gezegde woorden: „_Wat ’n juweel van ’n knecht!—’n Gelukkig mensch, +die er zóó een heeft en zóó goedkoop._” + + +VI. + +In ’t derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant +niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van +vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: „Hij is +totaal op, méér dan op” en van „’t Schellinkie” klinkt nu en dan een +afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor +hun geld. + +„Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met +minder toegefelijkheid dan ’t overige publiek, opmerkt, dat Walten +zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten. + +Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem, +zooals men dat noemt, „er door te sleepen”, ’t baat niet; hij raakt +hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet +meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in ’t geheel niet +meer wat hij zeggen moet. + +Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de +tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een +vergefelijk iets voor iemand van haar talent en temperament—eenigszins +knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten geheel en al vergeet, haar +aan ’t einde van dat tooneel terug te roepen. Daardoor mist zij het +applausje dat zij begeert en zegt zij in zich zelf: „’t Is een +treurige boel,—’k heb geen lust om er verder naar te zien.” + +In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten +tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor +hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en +trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken +worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend: + +„_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben +bestolen!_” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt +het tooneel op. + +Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot +de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn +schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen +wil om den schuldige te ontdekken. + +Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer +over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht +hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: „_Ik ben bestolen. +Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om +den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of ’k mezelf +pakken moet of een ander en...._” Plotseling blijft hij stokstijf +stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan +zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand +die door een hevigen schrik bevangen wordt. + + * * * * * + +„Dat speelt hij waarlijk niet slecht; ’t is wel een zonderlinge +opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends +in” zegt fluisterend een dame in ’t balcon tot een heer naast haar, +die even zachtjes antwoordt: „Ik geloof bepaald dat hij blijft steken, +mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.” + +„Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot +Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de +woorden souffleert: „_nu is het uit met mij; uit, gedaan!_” + +„’t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de +kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met +wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts +doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op +smartelijken toon herhaalt. „_Nu is het uit met mij._” + +„Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan ’t niet langer +aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de +medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op +haar programma blijft kijken. + +Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van ’t +hoofd en drukt dien voor zijn gelaat. + +„Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van „’t schellinkie” iemand die, in +die akelig wanhopende beweging „spel” meent te zien en als Walten +nogmaals dof en droevig herhaalt: „_uit! uit!_” klinken zelfs een paar +bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen. + +’t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en ’t komt zoo in de rol +te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de +ontdekking dat ’t zuiver „natuur” is wat het aanschouwt. + +Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in ’t +souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor +’t hoofd. + +’t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes +zegt hij: „Enfoncé mon Directeur” en, zich zoo ver mogelijk +oprichtend, roept hij, halfluid: „Walten! Walten! luister dan +toch:—_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat ’t weg +is_—alles is weg!” + +„_Weg! alles is weg!_” herhaalt de oude man en als versteend blijft +hij staan, vlak voor ’t voetlicht; hij beeft aan alle leden. + +Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit +Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van +medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor. + +’t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die, +wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat, +allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend +uitroept: „ik ben alles kwijt, alles vergeten!” + +„Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een +beschonkene heen en weder. + +„Hij is vet”, roept er een van ’t „schellinkie.” + +„Hij heit ’em om, hoor!” gilt een ander. + +Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal +opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat +zich met de pruik herhaaldelijk in ’t gelaat en is op het punt van +neer te vallen op ’t tooneel. + +De muzikanten staan op in ’t orchest, en rekken de halzen uit om te +zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer +op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. ’t +Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle +toeschouwers komt—’t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder +gebeuren zal. + + * * * * * + +„Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige stem +een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog +juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem +onder de armen vast te houden en van ’t tooneel te brengen. + +Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts, +met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen „den +beneficiant”, die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en +verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht, +is neêrgevallen. + +Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand, +krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen, +vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze +haren die zijn kruin bedekken. + +„Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, ’t is het sein voor ’t +begin van ’t 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer +wordt gegeven. + +„God! ’t vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar +valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen +voor de oogen slaat. + +„Klaar voor ’t vijfde?” roept een stem uit de verte. + +„Neen! neen!” schreeuwt Laflèche terug. „’t Doek moet vallen, roep den +inspiciënt!” + +Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw +begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het +hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn +omgeving. + +Als ’t beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar +te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten +met onverschillige, oogen aanstaren. + +Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld +en allen vragen dooréén: „Wat is er? Wat is er gebeurd?” + +Er heerscht op ’t tooneel een verwarring, die zich allengs verder +uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig +aanloopen, terwijl hij vraagt: „Is er iets niet in orde?” + +„Laat ’t scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu +hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als +vernietigd. + +„Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert +Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: „Doek vallen, +dadelijk! En ’t orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan +worden!” + +„Hij was niet meer te redden,” fluistert Laflèche, zijn plaats bij +Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig, +in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen. + +„Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg ’t mij maar? Stumperd, snik +zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet +rusten. + +Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van +mevrouw Grootes stem. „Kom!” herhaalt zij, „huil zoo niet, ouwe vrind; +kom ’t zal wel zoo erg niet wezen.” + +„Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man zijn +armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, zenuwachtig +schokkend, heen en weer. + +„Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu +ook nog gebeuren op je ouwen dag?” + +„O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een +verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen, +applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt. + +„Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de Directeur. +„Hoor ’t publiek eens aangaan.” + +Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt. + +Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw +Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: „Luister er maar +niet naar, m’n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé? +Maar ’t kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.” + +Plotseling richt Walten zich op. „’k Moet ’t toch uit—spelen—ik moet, +ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles is +weg!” + +„Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je +weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—„Luister!—Hostein is voor ’t +voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door een +plotselinge ongesteldheid bent overvallen, ’t gevolg van treurige +familie-omstandigheden.—Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes. +Zie je, dat wil zeggen: Och! dat’s ongelukkig. Neen, hou nou op met +schreien, dàt kan ik niet zien. Och! ’t is zoo erg niet, Walten, zoo +iets is immers wel meer gebeurd.” + +„Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de +handen voor ’t gelaat. + +De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl +maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere +acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van „De Vrek” kent, +verklaart zich oogenblikkelijk bereid „Harpagon” verder te spelen. + +[1] Achter de schermen aanwezig. + +In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als ’t gaat gecostumeerd en +gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze +doen of laten moeten, wordt ’t laatste bedrijf afgespeeld. + + * * * * * + +’t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had „de annonce” met een +gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate +voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig +bijvalsbetoon aan ’t eind van ’t stuk den Directeur aanleiding gaf om +tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler +aanzag, te zeggen: „Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik +dacht; we zullen hem in de volgende maand „De Vrek” eens geheel en al +laten spelen.” + +Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den +Schouwburg, want een nastukje met „één gelezen rol[1]” er in, is niet +aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw +Groote, die de „Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was niet +voldoende om het blijspel te redden. + +[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest. + +Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en +mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij +waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene. + +„Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen”, zei Schröder, en Hostein +voegde er met een weemoedigen blik bij: „Wat ’n eind voor ’n artist; +’t is om ’t te besterven!” + +„Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. „We +hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; ’t zou zoo’n aardige +kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, hé, +Schröder?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en +vroeg toen aan Hostein: „Zou je ’t couvert er maar niet zoolang +afnemen. Er zit ’n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij +mekaâr geklopt.” + +„Geef maar hier Hostein, dan zal ik ’t zoolang in mijn brandkast +sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen +den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans +en ’t couvert te geven, hé?—’n Kleine troost voor zoo’n grooten val! A +propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?” + +„Een van de tooneelknechts.” + +„O, Zoo!” + +„Waarom deed jij zelf ’t niet even Hostein?” + +„M’n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; ’t was hier zoo’n +eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn +kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes +uitgeknepen.” + +„Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,’k moest me kleeden voor +’t nastukje.—Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?” + +„Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, ’k heb gauw een +vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te +zijn dat hij goed thuis kwam.” + +„Zei hij nog wat Hostein?” + +„Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.” + +„Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder.” + +„Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als ’t hem troosten kan, +dat ik, globaal berekend, behalve ’t voorschot dat hij ontving, een +zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden +die jelui hebt, is ’t toch een kleine achthonderd, die hij in ’t +handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in +behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man +in ’s hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! ’t Zal +weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.” + + +VII. + +De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In ’t oosten +kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in +strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette +wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn +en leven. + +Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht +en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg +zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen +vergaan. + + * * * * * + +In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de +gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over ’t bed, waarop +Annette in diepen slaap verzonken ligt. + +Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen +aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en +herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling. + +Voor ’t bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend, +ligt Walten, nog in ’t kostuum van den „vrek”, onbewegelijk stil. +Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er +niet van. + +De zon komt hooger, ’t wordt al lichter en lichter; de schoone, +frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal +verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze +hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en +glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze +een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar +bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t’huiskomst, in +der haast neergeworpen. + +Zóó was het ook. + +Terwijl alles op ’t tooneel in rep en roep was en Walten alleen in +Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd, +dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en +hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart +onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, ’t klamme +zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een +krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte. +Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: „Hij, Walten! de +eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor +altijd!” Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor ’t +hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den +schouwburg verlaten. + +Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet +alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij ’t +eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem +de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een „van +harte ’t beste meheer Walten!” + +Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen. + +De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar +zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met +olie brandend, op tafel stond. + +Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem +lodderig aan en vroeg: „Is uwes daar; veel pleizier gehad?” + +Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit +de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: „Je kunt—wel +heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij +schaamde zich voor die vrouw! + +Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn +overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen +bleef hij een oogenblik gebogen staan over ’t bed, kuste zijn dochter +zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de +knieën voor ’t ledikant. + +„Morgen heb ik toch ’t geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte zijn +brandende oogen tegen haar op ’t dek rustende hand. + +Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar +eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee, +drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe +vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen. + +Zóó bleef hij liggen. + +’t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in ’t glas +was verbrand, ’t pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en +streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het, +met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door ’t +vertrek—en toen ging ’t uit. + +Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer; +hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te +hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch. + +„Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in ’t duister met +haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even +aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: „Slaap je, vader?” + +Geen antwoord. + +„Och! hij slaapt,” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en +dommelde weer in. + + * * * * * + +„Niet ankomme! M’n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de +polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat ’n geval,” roept juffrouw +Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren +in Waltens kamer staat bij ’t bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk +in dezelfde houding, ligt. + +’t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot +in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de +werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast, +met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar +bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken. + +„Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel ’n kouwe voete krijge,” zegt +een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt +Netjes voeten daarin, met de woorden: „Hoe kan je zoo’n schepsel nou +zóó op ’n stoel zetten?” + +„’k Was al blij, dat ze zat; ’t was me ook een geschiedenis,” +antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: „Zit je zóó +goed, kind?” + +„Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe, +dat ie....” + +„Blijf jelui nou toch met je handen van ’m af! Hij mot blijve legge +zoo as ie leit, anders heb je ’r gedoe mee. Is er nou al iemand om de +polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters. + +„Jawel! Pieterse haalt ’n agent,” antwoordt de werkster. + +„Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op ’t bed legge of op ’n +stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept +dadelijk: „Hoor die dikke nou? Wel nee! da’s teugens de wet!” + +„Maar ’k zou toch zeggen, dat....” + +„Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de +schrik zit me nog in me knieën.” Juffrouw Daters gaat even op een +stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken: +„Wat zeg jelui er wel van? Wat ken ’n mensch er toch gauw uit weze!” + +Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en +daardoor onverstaanbaar, geven ’t antwoord op juffrouw Daters’ vraag. + +„Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die +mooiïgheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die +doodkalm antwoord: „’t Is wat moois, ’t lijkt wel niks.” + +„O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling bij +de deur. + +De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet +gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend, +duwend en vloekend op de trap en in ’t portaal verdringen, komen de +kamer in. + +„Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen. + +„Wat is hier te doen?” vraagt de politieman. + +„’n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig voegt +zij er bij: „Zóó morsdood naast ’t bed gevonde bij dat gekke mensch; +we binne d’r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei.” + +„Hoe lang ben jelui hier al?” + +„’n Groot kertier, meheer!” + +„En heb jelui dien man zóó laten liggen?” + +„We hebben d’r geen hand an gehad!” + +„Dat’s dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!” + +„Niet? Nou, as ’n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer +staat. „’k Heb ’m evetjes over z’n hoofd gevoeld en an z’n hande +gepakt: hij is al koud en stijf.” + +„Allo! pak eens meê aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar +anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op ’t +bed neer te leggen. + +„Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas, terwijl +hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt, +terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen. + +„Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn +gezicht vrij.” + +„Hij is dood, meheer de agent, ’k versikureer ’t je. ’k Heb zooveel +dooien gezien van m’n leven. Dek z’n gezicht maar gerust toe,” +antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van ’t laken over ’t +gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu ’t +volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt, +door ’t „schmink” en de onafgewasschen grimeerlijnen. + +„Wat ziet ie er raar uit: z’n gezicht is beschilderd!” roept er een +uit den hoop. + +„Wie is ’t?” vraagt de agent. + +„Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas. +„Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van +Annette staande, zwijgend toekijkt, „zeg! jij zelt er wel ’t fijne van +weten?” + +„’k Zal ’t uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en tot +een van de buren gewend: „Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik +zeggen wat ’r gebeurd is.” + +„Wie ben jij?” + +„Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die +vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou +nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had +z’n benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin ’r nog besturve +van; zoo’n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo +sebiet is toch....” + +„Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat +’r gebeurd is.” + +Niemand verroert zich, want allen willen hooren „hoe ’t geval +eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: „Allo, gauw!” en +een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: „Ga jij +dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.” + +Brommend verwijdert zich de man. + +„En nou verder. Hoe heet jij?” + +„Ikke? Grietje Bruin!” + +De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt +zij angstig: „Ik kan d’r toch geen kwaad bij?” + +„Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor ’t +proces-verbaal.” + +„’k Weet van die dinge niet af, want ’k bin ’n fatsoenlijke vrouw, +ziet uwee, en ik zal met ’n woord van waarachtigheid getuige wat ’k +gezien heb.” + +„Vooruit dan, vrouwtje!” + +„Van morgen was ik ’n beetje later dan anders, ’k heb zelf nog ’n +huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges ’n uur of twalef, en ik +dacht ook zoo bij m’n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest +van z’n benefiesie en zal misschien ’n glaassie wijn gedronke hebbe: +hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig +gelijk met Pietersen, hier voor de deur.” + +„Ho! Pietersen, wie is dat?” + +„Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw +Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: „Hij is ’n mirakel van ’n +vent, ’n sefleur, en....” + +„Stilte! laat die vrouw verder vertellen.” + +„Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m’n drie +gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was ’t mooi? zeg ik +zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? ’t Was ’n... Nou, toen +zei ie ’n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie +wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt +hij an. Ook geen antwoord. ’k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was +niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei +sliepe.—’k Vond ’t wel raar, dat ie nog zóó in z’n konstuum lei, maar +ik dacht er niks niet bij.” + +„Verder!” + +„Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, ’t is twalef uur. Maar zij +werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d’r +posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen +aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork ’t ’t eerst en zei weer +wat op z’n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit +z’n lije. Z’n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik +natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo +koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit +ze nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide ’t raam ope, om de bure te +roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.” + +„Zoo! en waar is die man dan nu?” + +„Da’ kan ’k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid +weggeloope, of uit z’n eige zelve naar ’n dokter gegaan.—Pieterse is +nogal gevat, weet u?” + + * * * * * + +Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward +gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: „Menschen, +gaat wat op zij; daar komt ’n dokter an. Laat de heeren passeeren!” + +Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan +onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te +snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te +gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn +koetsje en staande gehouden, de kamer binnen. + +Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat ’t bed nadert, +waarop Walten is neêrgelegd. + +„Hou jelui stil—St!—’t is de dokter”, zeggen fluisterend eenige buren. + +Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant +staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te +hebben geworpen, kortaf zegt: „Dood?” + +Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van +spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk +haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik +op den „Harpagon” van gisteren neerziet: + +„Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien +overleden.” + +„Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich de +tranen van de wangen. + +„’k Vermoed een plotselinge stilstand van ’t hart, hij heeft NIET +geleden.” + +„Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt +zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud +voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over +het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht: + +„_Hij is op ’t veld van eer in ’t harrenas gestorven._”[1] + +[1] Vondel, Gijsbrecht. + +—„Arme ouwe vrind!” + +Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt +langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig +naar den doode en fluistert: „Den krans van gisterenavond zullen we nu +toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt +hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op +Annette—worden?” + +„Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen +zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand +op ’t lijk—„hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.” + + + + +EEN MASSAGEKUUR. + + + + +EEN MASSAGEKUUR. + + +I. + +Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrück was met een tamelijk goed +pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den +Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente +„Frau Gemahlin” en zijn „Fräulein Tochter,” een spichtige, +achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen +eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien +mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn +pijnlijke kwaal te vinden. + +Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den +„Kochbrunnen” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een +oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een +„Himmeldonnerwetter” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende +onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op +den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een +stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige +verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vóórdat de klok +in de Kurhalle acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en +Beiersch bier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas +warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere +teug de woorden: „Grässlich,” „Abscheulich” of „Verdammtes Zeug” te +doen hooren. + +Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop +koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo’s aan +gewicht te verliezen; en „Fräulein Tochter” slurpte met een paar +bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat, +omdat zij wel eens had gehoord, dat ’t Wiesbadener water dikker maakte +en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte. + +’t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte, +want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na ’t +gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen +bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan +naar de beroemde table-d’hôte in ’t Hôtel Dahlheim. Met een zucht van +verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig +welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden +neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van +allerlei spijs en gebraad. + +Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden „Hôtel +Garni”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table +d’hôte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer +uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per +hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was ’t dan ook maar +om den hôtelier de eer te geven die hem toekwam. + +Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige +jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte +en gebraden spijs. Papa, die waarschijnlijk het geldelijke evenwicht +voor den hôtelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en +verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend +voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje +uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte, +dat „der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der Kanone +teufelmässig, niederträchtig gemeines Zeug” was. + +Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap +met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden Bourgogne en +geholpen door een Hochheimer-mousseux, waarvan Mama en dochter echter +ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die +beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met Nuits, Château la +Rose of Johannisberger, die hem na ’t diner steeds een hoogere +gelaatskleur, een slaapje en bij ’t ontwaken een knorrige luim +bezorgden. + +’t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor ’t in- en +uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van +zijn vrienden Bourgogne en Rijnwijn, om weerom te komen, niet +weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien table d’hôte, op +een morgen in zijn kamer „als een blok” in zijn stoel en met zijn hand +op de heup te kermen. + +Een dag later brulde en tierde hij zóó geweldig, dat Mama uit +medelijden tranen met tuiten huilde en Fräulein Tochter het op haar +zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van +haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg +onfatsoenlijk te vinden. + +„Himmelhöllenhund Sakrement! dat’s te erg. Schwefelelement! laat een +dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor +zijn bataillon. + +„Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw. + +„’t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo’n ouwen pruik, +zoo’n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een +specialiteit heb... Au! Schwerenoth! ’k word nog gek van de pijn. O, +sakkrrrement! die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis +van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde: + +„O! papa, u bezondigt je heusch!” + +„Dat’s wel mogelijk!—maar ’t kan me niet schelen. Au! +Himmeldonnerwetter!” + +Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den +besten dokter te doen roepen. + + * * * * * + +Een paar passen verder in de straat dan het Hôtel Garni stond op een +koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis: + +„Dr. Otto Druff, Special-Artz für Massage, etc.” + +De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel +af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den +medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem +op zijn vraag: „Dokter, of u dadelijk in ons Hôtel wil komen? Overste +von Hattersdorff zu Wiesenbrück, heeft zoo’n verschrikkelijken aanval +van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde: + +„Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: „Ik versta je immers goed: ’t +is Overste von Hattersdorff?” schitterde er plotseling iets in het oog +van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden, +indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder +edele aandoening verheven zijn. + +„Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste.” + +„Uitstekend, Dokter!” + + +II. + +Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26. + +Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: „Binnen!” + +Op den drempel verscheen de dokter en boog. + +„O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als ’t u blieft! O, mijn man +heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke +dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: „Mijn dochter +Ildegard,—ook ’n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend en +erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.” + +De dokter boog even voor de spichtige Ildegard, die zeer voornaam een +nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een +schaamachtig onderzoekenden blik op Dr. Otto Druff sloeg, zuchtte zij +in stilte: „O! wat ’n lief mensch schijnt dat te zijn.” + +„Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.” + +„Gaarne, Mevrouw!” + +De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde, +vloekte en raasde afwisselend. + +„Herr Oberst!” + +„Herr Doktor!” + +Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen +hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje +boosaardigheid weer een ondeelbaar oogenblik in des dokters oogen en +bewogen zijn lippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met +deelnemende stem vroeg: + +„U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?” + +„O! om er helsch van te worden, Dokter!” + +„Maar lieve man!” + +„O foei, Papa!” + +„Wees zoo goed eens even op te staan.” + +„Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man! +ben je dol? en herhaalde: „Opstaan?—Onmogelijk!” + +„’t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van +uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en klagend +werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog, +totdat hij met dikke angstdroppels op ’t voorhoofd, op één been +balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus +smeekend aanzag. + +De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar +beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de +Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht +kermend: „Jezus-Maria-Joseph”, in den stoel terugzonk. + +Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan +staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne +Ildegard zweefde nader, ten einde papa’s kloppende slapen met wat Eau +de Cologne te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden +lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op +bevelenden toon zei: „Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij +de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een +vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: „Zulk een +woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!” + +Mama nam Ildegards plaats in en hielp haar gemaal bij ’t ontkleeden +zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: „Zóó is ’t genoeg.—Ga nu +eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.” + +Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus ’t been, ’t +heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met +klem: + +„Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.” + +„Zoo! En die zijn, Dokter?” + +„1º. Totale onderwerping aan het diëet, dat ik u voorschrijven zal.” + +„2º. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch +moed?” + +Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij +antwoordde: + +„Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden +hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar +dan onder chloroform, asjeblieft.” + +„O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend. + +Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; ’t sleutelplaatje viel +plotseling neer voor ’t slot der porte-brisée, waardoor ten +duidelijkste bleek, dat Ildegard uit de andere kamer door ’t +sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en +verstaan. + +„Snijden?” vroeg de dokter lachend. „Geen kwestie van, +Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. Mezger uit +Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; _’t is het eenige +middel_, waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.” + +Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman, terwijl hij nog +steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn +baard bromde: „Anders niet? Maakt de kerel daar zoo’n drukte over?”—en +luid voegde hij den dokter toe: „Dan maar dadelijk, Dokter; hoe +eerder, hoe beter. Knijp dan maar!” + +„Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok +zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw von +Hattersdorff verschrikt vroeg: „Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?” +viel hij haar lachend in de rede met: „Pardon! ik maak ’t me alleen +maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo’n +massage.” Druff knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen +op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg: +„Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? ’k Gebruik anders cold +cream, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....” + +„O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig cold cream op haar +toilet.—Ildegard! geef de cold cream eens!” + +De porte-brisée werd zoover geopend, dat Ildegard, die nog +voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de +andere met het potje cold cream er in, om het hoekje kon steken, +terwijl zij fluisterde: „Hier, Mama!” + +„Als ’t u blieft, Dokter!” + +„Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik zal +u helpen; zoo!” + +„Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!” + +„Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we +er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!” + +„Wil ik ook liever weggaan, Dokter?” + +„Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand +bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....” + +„Goed, Dokter; best!” + +„Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr. Druff, terwijl +hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en +de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef. + +„Integendeel, dat doet me goed; ’t is aangenaam. Als je zóó doorgaat, +Dokter, dan.... Au! Himmelhöllensakrement—Au!—Hou op!—Hou op! Neen, +Dokter, zóó niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De Overste +rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus +had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder +handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen +der kunst. + +„O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een +afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een +tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen +kromde als een worm, dokter Druff zijn behandeling besloot met een +allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten +heup, zoodat de patiënt bijna opsprong en brulde: „Gottsdonnerwetter, +dat is àl te erg!” + +„’t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en wischte +zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen. + +„O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer +zoover was aangekleed, dat Ildegard, zonder schaamrood te worden, haar +papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk: + +„Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! ’t is geen aangename gewaarwording, +Overste; maar ’t eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw +diëet praten.” + +Met matte stem antwoordde de Freiherr: + +„’k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! ’t was of ik sterven +zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandeling de ware is; ’t is alsof +ik nu al een weinig soulagement gevoel!—En wat moet ik nu al zoo +vermijden, Dokter?” + +„Alles, Overste!” + +„Alles?—Hongerlijden?” + +„Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr. Druff. „Neen! zóó erg is ’t +niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water +kan u drinken ad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diëet +gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer, +dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert, +terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.” + +„Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, „dat is heel +erg, Dokter!” + +„Ischias is nog veel erger, Overste!” + +„’t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn; +’k zal doen wat u zegt.” + +„U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: finis coronat opus.” + +„Blijf me met dat potjes-latijn van ’t lijf, Dokter! Dat versta ik +niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden +door die ranselpartij.” + +„Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch +met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde +hij: „Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest, +_moet_—en hij drukte op dat woord—_moet_ u zorgen, dat de Overste zijn +diëet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw dochter?” + +„Neen, Dokter, nooit!” + +„Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr. +Druff nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot +eensklaps den inhoud uit ’t venster in den tuin—„verwijderen.—Adieu! +Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen.” + +Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen dan +te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in +zichzelven: „’n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en +drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn +behandeling mij wel zal bevallen; maar die ééne slag was—hum!—zoo—hum! +voor een officier zoo vernederend.” + +Voordat Dr. Druff het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met +Ildegard en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden. + +Op mevrouws vraag: „Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde hij +met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig +rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles +wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor +zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen +andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als +versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien +dagen. + + +III. + +Geregeld elken dag, ’s morgens om tien uren verscheen de medicus in +het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de +verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een +bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter +gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen. + +Hoeveel „Donnerwetters” en „Sakkrrrements” de oude krijgsheld in de +wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het +einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die +verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en +herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: „Die Druff +is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. En +weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien laatsten, +geweldigen slag, dien hij me na elke massage op mijn—hum!—op mijn—hum! +geeft. ’t Is alsof de vent een os dollen wil! Die ééne vervloekte slag +gaat me door merg en been.” + +„Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, „’t is verschrikkelijk—ik kan +er ten minste niet meer naar zien; ’t is heusch, alsof Dr. Druff al +zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...” + +„Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; ’t is dan ook alsof er een +stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu +laat welgevallen, omdat ik _moet_, omdat ik aan dien Druff op genade +of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen +dag iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste zette een +gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één grooten hap +had willen verslinden—„anders zou ik bij hoog en bij laag—me zoo’n +vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den d—nder niet.” + +„Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat’s niet fijn”, riep +Ildegard verbleekend. + +„Neen! zoo’n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er aan +denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en +behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!” + +„Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet ’t toch uit +bestwil, omdat ’t noodig is voor...” + +„Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn; +in mijn heup zit het, nergens anders...” + +„Och, papa! ’t is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.” + +„Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders +piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag +in, dag uit, een slag op uw...” + +„O, foei! papa, wat ’n ordinaire suppositie.” + +Ildegard keerde zich verontwaardigd om. + +„Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er +samen eens met den Dokter over spreken—niet waar, Ildegard?” + +„Spreekt u er liever alléén over, mama!” + +„Nu, goed, dan zal ik ’t doen—ik durf wel.” + + * * * * * + +Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een +oogenblik met Dr. Druff alleen was: „Dokter, is die laatste slag +bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen +op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?” + +Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr. +Druff: „Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; ’t is wel +onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er +niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke +behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe. + +Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk +papa’s lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame +van haar kennis, in ’t zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd: +„Dokter, ’t is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met +dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papa wordt er zoo door +gedépraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat +men bij een massagekuur den patiënt zoo’n verschrikkelijken slag op, +hum—” zij durfde ’t eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus +blozend: „op de heup toedient?” + +Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: „Neen, Freule, +gewoonlijk niet. ’t Is wel zonderling, maar mijn collega Druff is een +door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de +massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal ’t dus bepaald noodig +oordeelen voor ’t heil van uw papa.” + +Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste, door +eenstemmig te verklaren, dat zij ’t volste vertrouwen in Dr. Druff +hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en +noodig voor hem was. + + * * * * * + +Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von +Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen +was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het +verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de +kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer +violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden +helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen. + +„Overste!” zei Dr. Druff na den achttienden dag, „ik kom afscheid van +u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u tevreden?” + +„Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig +dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden +kerel weer een jongen vent gemaakt.” + +Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: „O, Dokter! +nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!” + +Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken +uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen, +fluisterde zachtkens: + +„O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en +zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen: +„Spreek met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word +voor eeuwig Frau Doctorin....” + +„Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen, +Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den +stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte. + +„O, Dokter!” klonk het in trio. + +„Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam +verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid +te wenschen.” + +„Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij: +„Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen +zenden, want ik reis spoedig naar huis?” + +„Mijn declaratie?” vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij +glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen +kon. + +„Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet +met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik +u schuldig ben....” antwoordde de Freiherr. + +„Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.” + +„Wa-a-at?” + +„Wij zijn nu quitte, Overste.” + +Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: „De +arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij ’t +hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: „Quitte? Hoe—be-doelt u dat?” + +„Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?” + +„U, Dokter?—’k Had vóór deze dagen nog nooit de eer....” + +„Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff; ik +heb in ’70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein +was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig +recruut en vrij weerspannig. ’t Ging streng toe in den oorlogstijd, en +daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen +arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...” + +„Alle donders!” riep de Overste, opspringend, „’t is waar; nu herinner +ik mij: ’t was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen +surveilleerden.” + +„Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn +betrekkelijk klein vergrijp; maar ’t was oorlogstijd, en daarom heb +ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts +vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.” + +Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde +Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen ’t dikste +gedeelte der heup wreef: „Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de +kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we +quitte!” + +„Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op +mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel +en, naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—sans +rancune!” + +Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit. + +„Bombenschwerenoth!” riep de Overste lachend, „wat een kranige vent! +Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—„’n beetje minder hard had +hij toch wel kunnen slaan!” + + + + +_BIJOU_. + + + + +_BIJOU_. + + +I. + +’t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als +voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te +betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe +mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen. + +Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige +helderblauwe oogen in de wereld had gekeken. + +Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature +„sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed +zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar +blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg +tot een gezellig „embonpoint”—in de verre toekomst verrieden. + +Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de +donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de +neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament +te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar +werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die +’t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van +tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al +naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed +langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek +zien, wanneer ’t een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig +maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie +was „een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein +telkens tegen Frits, haar man, beweerde. + +Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van „’n schoone +kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en +gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan +wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van +levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn +frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den +spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te +gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen. + +Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje +rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme +gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes +in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes, +voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij +Marie in den volsten zin des woords „vergoodde.” + + * * * * * + +„Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en +kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een +dag, dat hij de Stralings bezocht en ’t echtpaar met een breeden +genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat +nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking +half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: „’k Heb +van mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen, +zie je, maar zóó als jullie hebben wij ’t toch nooit beetgehad.” + +Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke +ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen +uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die +ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat +noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman „op” +en antwoordde lachend: + +„Ja, maar tante Jans was ook zoo’n dot niet als mijn Marie. Was ze +wel, oom?” + +„Nou, dat ’s maar zooals je ’t nemen wilt, jongen,” zeide oom; „’t was +een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat +was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat ’s nog +wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig +moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er +bij: „Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf +en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn +wijf zoo’n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He! +Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan +was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar +gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk.” + +„Oom, oom, ’t loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te +gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer +wilde verlaten, om terug te komen. + +„Wàt, wàt? ’t Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie, +geef me maar een hand; ik ben ’n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik +meen ’t goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als +_ik_ jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven +laten,—om den dood niet.” + +„Maar, oom! foei wat ’n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn +hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend. + +„Gekheid! ik bedoel immers niet, dat ’t aan jou zou gelegen hebben, +maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me +wel, jongen!” + +Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch +was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de +kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te +geven, door te zeggen: „Jelui woont hier toch als in Abrams schoot, +hoor!—eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die ’t +breed heeft, laat ’t breed hangen. ’t Is tegenwoordig ’n heel andere +thee dan vroeger. Toen ik met m’n Jans onder zeil ging, was ik machtig +blij, dat ’k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie kooi voor +mij en m’n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie Gods een +canapé; een latafel en een chiffonnière voor de losse bagage; een pot +en een pan,—en klaar was Kees!” + +„Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer comfort +en....” + +„Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, ’t is allemaal gekheid; +zooals ’n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel +minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten +niet beter of ’t hoorde zóó.—Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe +jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo’n paar flinke gezonde +lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben +nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral +m’n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw +op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... Hè?” + +Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering, +dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn +nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich +plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits, +die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te +bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar +zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en +sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: „Kom, +Marie! wees niet dwaas; trek je zoo’n grof woord van oom Harmsen niet +zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal +hem....” + +„Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar +oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel +met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing +tusschen oom en neef voorkomen. + +De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat +hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor +min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was, +besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te +leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk +niet goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had +en... Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in ’t zelfde oogenblik +lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de +tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg: + +„Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet me dat niet zoo kwalijk +nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum! zoo +satansch kitteloorig was en....” + +„Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig +verdriet is, dat ze geen....” + +„Akkoord, jongen! nou begrijp ik ’t, maar ’k wist het niet.—Zeg aan je +„dot”, dat ’t me allemachtig spijt dat ’k haar hinderde; maar, goeie +God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk is.—Kom! +kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet altijd +afstel; Sarah kreeg op ’r negentigste jaar nog wel ’n kleintje.—Ha! +daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch niet boos op +me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom ereis langs zij +en laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, Frits.—Hè! dat +doet ’n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je niet boos +geweest?—Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te worden +ook.—Nou! kinderen, ’t wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en compliment van +oom Harmsen en als dàt nou ’t eenige is wat jelui ontbreekt, dan niet +getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel ik je. Dag „dot”; +niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik kom er wel uit.—’t +Ga jelui goed; dag kinderen!”—en weg was oom Harmsen. + + +II. + +Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets +wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen, +als ’t kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de +jonge vrouw, die ’t mocht bezitten. + +En ’t kwam niet,—’t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te +verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren. + + * * * * * + +In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle +jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig +en lang, maar altijd tevergeefs. + +Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van +humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid +gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich +zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat +’t zóó was en niet anders, en dat ’t wel zoo verkieslijk was. Maar +toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar +venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan, +met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar +en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor +Frits; hij had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig met +het denkbeeld „geen kinderen te hebben” verzoend. ’t Verwonderde haar +wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat zij er +nog altijd onder leed. + +En hij?—Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit met +kinderen van anderen; ’t scheen zelfs alsof hij minder van kinderen +hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle +voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig +tegen Marie zeggen: „Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens +meer aan kunnen wennen. ’t Is nog veel beter geen één, dan zoo’n half +dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld.” + +Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een +paar malen gezegd: „Wat heb jij toch heerlijke kinderen!—Hum! ik zou +misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo +hard voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en +tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken, +gingen altijd _te samen_ uit en kwamen altijd _samen_ weer te huis om, +zonder dat zij ’t elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de +ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid +maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk zoo +veel van elkaar hielden. + +’t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder +kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of +een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan +gewoonlijk min of meer despotisch regeert. + +Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends, +dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat noemt—„een +aanspraak” hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan ook +slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen +en beantwoorden. + +Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in +het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de +gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond. + +Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl ’t regende dat ’t +goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en, +medelijdend van aard als hij was, ’t kleine diertje binnengebracht en +aan de meid gegeven, om ’t in de keuken wat te doen opdrogen. + +Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje „den +leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk +afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen, om hem +den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar ’t zou heel anders +gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje +had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar +opzag, als vroeg het bevend: „Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet +besluiten om Jaantjes raad te volgen en „het mormel aan den dijk te +zetten”. Integendeel zij bekeek „het mormel” oplettend, vond dat het +aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje +kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om ’t arme dier weer in +zijn vroegere ellende terug te stooten. + +Frits had er niets tegen, dat ’t hondje bleef, en met onderling +goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten, +dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar +den naam van „Bijou” te luisteren had. + +De naam „Bijou” was een „bon mot” van Frits, die, toen hij lachend +zijn toestemming gaf tot de opneming van ’t diertje, er bij had +gevoegd: „Dan zou ik hem „Bijou” noemen, want ik geloof, dat hij een +juweel van leelijkheid zal worden.” + +Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat ’t +nog nestharen waren, die ’t hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn +naam alle eer zou aandoen. + +Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en +beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, „dat ’t volk tegenwoordig +maar persies deê wat ’t wou, en dat ’t voor een fersoenlijke +dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de +akefietjes van zoo’n mormeldier te moeten redderen.” + + +III. + +Bijou was, ’t bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder +plebeïschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit gekend—was +vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar +menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te +hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze +haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald +schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart +en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die +van een fik te stomp waren. + +Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog +niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in +Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het +oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin, +vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen +van Bijou op rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven. +Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond +een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes +in ’t hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een +vaste plaats te veroveren. + +Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den +beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was +hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op +het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter +op den duur, zoo ook Bijou aan zijn halsband. + +Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke +manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij ’t +kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking van „’t half geschoren +worden” had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond +geworden, dat hij op een Zondagmiddag na ’t dessert aan oom Harmsen, +die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld. + +„Wel, oom!” vroeg Marie, toen Bijou de kamer intrippelde, „is ’t geen +aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, hé! En schrander +is hij, o!” + +Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen „het +aardige diertje” in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong +vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele +haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken +en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de +gedenkwaardige woorden uitte: „’t Is een monster!” + +Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam +Bijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op +haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half +lachend, zei: „Kom jij maar hier, m’n beestje; ik vind je lief, hoor! +Stoor je maar niet aan oom Bullebak!—Dáár heb je een koekje van de +vrouw.” + +Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te +lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: „Ieder zijn meug.” + +’t Dient ter eere van Bijou gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd +en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van „de +vrouw” te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij +was, was ook hij en met stoïcijnsche gelatenheid liet hij zich +herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij +den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vóór hij +holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld. + +Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op ’t kussen in de +vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar +neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl +hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit +voortbracht. In Maries schoot vergat Bijou gewoonlijk des avonds de +vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals +alleen een verwend schoothondje droomen kan. + +Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich +tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even +gek te worden op „’t monster”, dat van zijn kant die toenadering +waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap „den baas” begroette als +„de vrouw”. + +„’t Is om je te bedoen,” verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen +haar vertrouwelinge, de werkster: „daar zit me nou ’s middags dat +mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig +als ik hier voor je sta, m’n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond, +maar nou moet ik, God beter’t, al een stoel voor ’m klaarzetten ’s +middags. ’t Mankeert er nog maar aan, dat ’k voor ’m dekken moet ook.” + +Inderdaad het was zoo, Bijou had het ver gebracht, zéér ver: hij zat +deftig ’s middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op +als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was +ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; ’t was zoo grappig om +te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo +vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn +buren wendde. ’t Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen, +die hem ’t eerst wat gaf. + +Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die +onvermoeid was in ’t dankbaar aannemen. + +’t Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag kan bevatten, +en Bijou was zóó dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn +doodgebleven dan één enkele bete te weigeren, die Maries slanke +vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen +naijver op te wekken zijn siësta beurtelings bij „den baas” en bij „de +vrouw”, die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich +geduldig onder zijn schepter kromden. + + * * * * * + +Bijou regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar—niet +overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want +Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon „het mormel”, +volgens haar eigen getuigenis, „niet luchten of zien, en zou hem”—’t +waren haar eigen woorden—„wel ereis geknauwd hebben, als ze maar +gedurfd had vanwegens ’t volk.” Was ’t alleen de herinnering aan de +talrijke „akefietjes,” die Bijou haar eertijds bezorgd had, waardoor +het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte? +O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een +geldiger oorzaak:—de cavalerie! + +Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke +verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van +den k’rnèl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van +sterken drank, des Zondagsavonds, als ’t Jaantjes thuisblijfdag was, +in de keuken mocht komen om....? + +Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm +kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren, +voornamelijk op avonden dat ’t stil is en rustig in huis en „’t volk” +boven zit te schemeren. + +Waarschijnlijk was het een gevolg van Bijou’s bloedmenging of een +erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen +afkeer had van de cavalerie-uniform. Reeds bij zijn eerste intrede in +Stralings huis, in ’t prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de +doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de +vetleeren laarzen van den „finaal-vrijen dragonder” aan te vliegen en +daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen: +„Geef hem ’n doodschop, Tienus!” + +De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand +grootmoedig, tilde Bijou eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in +’t kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter +ontsnapping eindelijk huilend en jankend in ’t gruis ter ruste legde, +om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te +voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op +den hals te halen. + +Bijou kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit +vergeten; zijn hondenhart zon op wraak. + +De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen +inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn +eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te +durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort, +knorrig brommen, wanneer hij ’s Zondagsavonds de nadering van Jaantjes +vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de +kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren +gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was. + +Juist die „verraaierlijkheid” kon Jaantje niet verdragen, zij deed +haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige +malen door Bijou’s vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw „een +compelement” had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de +gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over +ettelijke kliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held: +„Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een +Besjoe gewoon z’n nek om.” + +„’k Zal ’m bij gelegenheid wel ereis waarnemen,” was ’t antwoord +geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de +overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde, +om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te +laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat „die stinkende +hond” boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde +te komen zien, of Bijoutje ’t weer bij ’t rechte eind had. + +Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen +en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: „Ziet uwé +nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?” + + +IV. + +’t Was stil in Stralings woning; ’t had er iets van alsof er een doode +in huis was,—zóó droevig zagen èn Marie èn Frits er uit. Zij zat met +een bekommerd gelaat op de canapé in de huiskamer, en hij stond naast +haar met zijn hoed op en een demi-saison aan. + +„Niets? Heb je niets van hem gehoord,” vroeg Marie tragisch; en toen +Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: „Niets, +beste, niemendal,” zuchtte ’t lieve vrouwtje diep en smartelijk, +terwijl ze zei: „Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is.” + +Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat +de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde. + +Sedert vier dagen was Bijou plotseling verdwenen, spoorloos +verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran +heengegaan. Waarheen?—Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog +niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds +uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was +tot dusver zonder eenig gevolg gebleven. + +Jaantje was, haar bekende afkeer van Bijou in aanmerking genomen, door +Straling scherp verhoord en menig „’t is zonde, meheer” of „hoe kan +uwee nou zoo ies veronderstellen” was met diepe verontwaardiging aan +haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden, +dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan Bijou’s +raadselachtige verdwijning. + +Met de hand op ’t hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar +gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: „’k Zal hier staande +sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee +alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje +uit de buurt stoeide, als ik ’m uitliet; maar met een woord van +waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat ’k hem juistement dáárom +in den laatsten tijd nooit anders dan aan ’t touwetje heb uitgelaten.” + +„En weet Tienus er niets van?” vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die +onwillekeurig bij ’t noemen van dien naam de oogen neersloeg, +doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met +geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den +stoeren dragonder, Bijou’s antipathie, voor den geest. + +„Tienus?” riep Jaantje bijna verontwaardigd. „Tienus, meheer! die is +de goeïgheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an, +die zou ’m subiet hebben weerom gebracht, als hij ’m iewers had +ontmoet.” + +Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond was en bleef +weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder één enkel +gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we +over Bijou’s afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft +wonderlijke gangen en ’t past den redelijken mensch niet om ’t +redelooze dier te veroordeelen, dáár waar het zondigt—uit liefde. + +Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de +Stralings was komen aanwippen, werd—zooals vanzelf spreekt—het geheele +verhaal van Bijou’s vlucht in geuren en kleuren door Marie medegedeeld +en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de wangen van „’t +dotje” vertoonde. + +Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van ’s +vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij +er „waarlijk veel weet van had,” een verzekering, die oom Harmsens +lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man +eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten. + +„’t Is bij mijn ziel om te stikken,” riep de oude zeekapitein, terwijl +hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. „Jelui bent allebei +groote kinderen, hoor! ’t Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de +familie is: dáár zitten me nu twee groote menschen met gezichten van +een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een +schuinsmarscheerder, die ’t verzuipen niet waard is. Ben jelui wel +goed frisch, allebei?—Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn +poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid.” + +„Ik heb zoo’n idee, dat hij t’ avond of te morgen wel terugkomt,” +bracht Frits in ’t midden; maar oom viel hem in de rede, door aan +Marie te vragen: „En zou je dan dien doordraaier weer in huis +nemen?—Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo’n lieve dot +was, zou ik je eens onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat, +als je man je zoo’n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem +niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!” + +„Oom, oom! je slaat weer door,” riep Frits lachend, en Marie schoot +insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een +tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de +woorden: „Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan.” + +„Ouwe barbaar!” zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar +oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen +Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg, +een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: „Met uw +permissie, oom,” riep de vroolijke zeeman: „Zóó mag ik het zien. +Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al +wijzer wordt.—Kijk nu zoo’n paar lui eens aan: ze zouën waarachtig om +zoo’n leelijk misbaksel van ’n hond vergeten, dat ze mekaâr nog +hebben. Als één van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, à la +bonne heure, dan zou ik ’t natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek +schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal +ik je een van de mijne geven; ’k heb nog vier jonge fikken +thuis,—mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie.” + + * * * * * + +Veertien dagen later verscheen Bijou op een morgen onverwachts aan de +voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met +open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den +staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde, +aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte +een doordringend: „Daar is ie!—daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw +beneden; Besjoe is weerom!” + +Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid +voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof „en négligé” de +trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat +kwispelstaartend, maar min of meer schuw—zelfs een hond heeft +gewetenswroegingen—haar langzaam naderde. + +Was dat Bijou? + +„Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is +effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien,” zei +Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den +teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. „’k Zal ’m maar eerst +meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want +uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z’n oogen ereis, +en z’n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is +ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt.” + +Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen +hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen +zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen +likte, maar—met zijn despotieke heerschappij was ’t voorgoed gedaan; +hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens +grillen slechts dan werden geëerbiedigd, als ze niet in tegenspraak +waren met de grondwet. + +Frits en Marie waren beiden door ’t zien van Bijou’s verloopen +uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid, +dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen +genezen zijn. Ze overlegden, dat ’t best zou kunnen gebeuren, dat hun +lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze +voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dáár, waar +hij vroeger werd vergood en vertroeteld. + +Arme Bijou! Beklagenswaardig slachtoffer van „de liefde.” + + +V. + +Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering +ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en +roer; er zweefde als ’t ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de +lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den +invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar +eenigszins kon, en ’t was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat +voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde +vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met +angstige spanning verbeidde. + +Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een +groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte +katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje +pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk +verrichtte: „Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt +me nou al de keel uit. Zoo’n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze +d’r eigen wel?” + +Het „mensch”, dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in +de slaapkamer met Mevrouw aan ’t onderhandelen en verzekerde op +stelligen toon: „dat ’t vandaag posetief nog gebeuren zou en dat +meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen.” + +Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en +geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en ’t blonde haar +„en bandeaux” langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht +gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag. + +In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig, +maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in +de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van „den +Ooievaar” voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de +onderhandeling stoorde met een: „Alles is in orde, mijn schat”, wenkte +Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen +peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend +zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op +zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed +kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: „Zou ’k waarachtig zóó +gelukkig zijn,—een jongen?” bracht. + +Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden, +half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf: +„Dat geeft minstens een gouden tientje, als ’t heusch een jongen is.” + + * * * * * + +En...? + +’t Was een jongen! En wel „een dikke gezonde knaap, als uit meheers +gezicht geformeerd,” zooals op den avond van dienzelfden dag de baker +met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der +Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna, +stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met +ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand +gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te +goochelen. + +Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld +wel willen omarmen,—de oude baker incluis.—Een zoon was hij rijk! Wat +kon hij meer verlangen? + +Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger +wordend protest eens even om ’t hoekje der kamer kijken, waar Marie, +schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in ’t sierlijke +ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar +eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de +zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was. + +In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk +verspreid geworden; ’t hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar +’t de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en ’t hield den al te +snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch +de kalmte mocht verstoren. + + * * * * * + +Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag, +ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: ’t waren Bijou en +Jaantje! + +Bijou was reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak +neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en +huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden +met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert +lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over +zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk +een oude gewoonte gevolgd. + +Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu +des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries +schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans +tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van +Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was. + +Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot +vrienden gemaakt. + +Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó! + +Enkele dagen na Bijou’s verbanning naar ’t sousterrain had de +brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht +van Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was +overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want +haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had +gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de +keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met +bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had +genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen +cavalerist te lezen. „’t Volk” zat nog aan ’t dessert, en daarom had +ze tijd genoeg, vóórdat er gescheld werd om af te nemen. + +Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de +bloemkoolsaus. ’t Was een portret,—haar eigen beeltenis. Zij had nog +vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van ’t half dozijn, dat de +photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus. + +Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei: +„Jaan, wat gebeurt je nou” en likte met kloppend hart „haar beeltenis” +haastig af. + +Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te +beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik +niets hoorde of zag. + +Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op +een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der +keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij +zich over de bloemkool, en eerst toen hij „niet meer kon”, bleef hij +tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus’ +brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten +roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een „bravo” toe over ’t +volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk +aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn +overbuur, alsof hij zeggen wilde: „Wat mankeert jou?” + +Wat haar mankeerde?—Alles!—Zij had den brief gelezen en haar minnend +hart was op ’t punt van te breken; hevig zwoegde onder ’t opgespelde +eva’tje de eerlijke boezem, waarop Tienus’ hoofd in een doublé +medaillon nog altijd schommelde. + +’t Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot +bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke +druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de +heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus’ schrijven +langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken. + +Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot +zijn oor, als wilde hij zeggen: „Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid +voor je.” Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek +onbescheiden mee in den brief.—„Mejuvfrou”, schreef Tienus. Ach! dat +ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje _alles_ gezegd; +vroeger schreef hij immers: „Zwaar beminde Jaan,” en nu: „Mejuvfrou.” +O! ’t was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van +den epistel gaf haar den genadeslag. + + „Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de + Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis + bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft, + dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik + heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en + vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft + verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te + wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient + + vroeger u minnaar + MARTINUS PLUIT. + + P.S. hartelijke Groetenis!” + +Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had, +veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van ’t +fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouëerend zonder +dat ze ’t wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden Bijou bij +zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en +snikte: „Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas +naar z’n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou +ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche +hond; voor mijn part vreten ze ’m derekt op in den Oost—zoo’n Judas! +Verleden week stuurde ik ’m nog een guldens postwissel.” + +Van af dien gedenkwaardigen middag waren Bijou en Jaantje trouwe +bondgenooten, onafscheidelijke kameraads. + + +VI. + +’t Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen +gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en +gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige +„bonbon” in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de +deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had +op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje „kiele kiele!” gedaan en +op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het +hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot +de opmerking verleidde: „’n Stem als een klok, hoor!” en den dominee, +die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: „’t +Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen +hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven.” + +„Wat ’n wonder!” riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol, +noch ledig liet staan, „’t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg, +want je hebt ’m hartelijk toegesproken, dominee.” En toen de predikant +min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde: +„Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens.” voegde de joviale +zeeman er bij: „Ja, tusschenbeide is zoo’n tukkie in de kerk niet +onlekker.—Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen +je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een +paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van ’n wijf—Marie, +dat ’s een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!” hij dronk even +een glas Moët—„hartelijk te feliciteeren. ’t Heeft wel vijf jaren +geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, maar ’t ziet +er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang zal het leven! +Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen ophouden aan is. +Frits!—Marie!” + +Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge +ouders te klinken. + +„Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één voor +één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep, +Hiep! Hoera!” + + * * * * * + +„Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat ’n herrie om zoo’n wurm!—Dat +mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed +slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien,” pruttelde Jaantje, die +in de keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig +staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een +glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart, +zij lustte geen „sampanje”, want in haar ziel was ’t nacht, +stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar +hart had gebroken. + +Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: „Jou kunnen ze nou ook +missen als kiespijn, arme sukkel!” Met een blik vol weemoedig +verlangen keek de hond naar ’t bord met taart, als dacht hij: „Tienus +had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is ’t te groot, maar ’k +zou toch mijn best doen, als ’k mocht.”—„Daar, stumperd, proef maar +eens: ’t is roomtaart,” zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij +Bijou’s verlangen, hem een stukje van ’t gebak vereerde. + +Haar gramschap over Tienus’ ontrouw had zich langzamerhand opgelost in +een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan +die tijden van Olim, waarin haar ’t kletteren van sporen en zwaard als +muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet +vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk +gemeende pogingen zij ook aanwendde. + +Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van +haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van de +dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan +de deur van het onderhuis een „ko’praal” verschenen, die aan „juffrouw +Jaantje” met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis, +aan hem „gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor ’n milletèr.” + +„’t Is in ’t geheel geen onknap persoon,—is ’t wel Besjoe?—maar ’n +piot—daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten,” zei de gevoelige +keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot +knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en +behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze ’t woord tot +hem richtte. + +„’k Zal ’m nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij +mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t’avond of te morgen +verhuis,—want ’t wordt me hier veelste druk met dien +schreeuwleelijk,—dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd.” In een +aanval van teederheid greep zij een van Bijou’s voorpooten en drukte +dien als ware ’t een vriendenhand. + +De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn +vriendin deed zeggen: „’t Is zonde, da’s waar ook, je heit een zeeren +poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z’n +eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m’n beessie, ik zal je +ereis wrijven; dan wordt ’t beter.—Zóó, m’n hondje, zóó! Dat doet je +goed, hé?” + +Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren +lieveling wreedaardig een schop te geven? + +Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding +had verdiend. + +Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn +achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken +had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had +weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu +letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier +zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid +had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het +sousterrain verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk +ondernomen. + +Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij +staan en stak zijn kop nieuwsgierig om ’t hoekje van de deur. + +Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande +te maken. + +Daar zat „de vrouw,” stralend van geluk, blozend van gezondheid in den +fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op +zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen, +dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend +toesprak. + +Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een +kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij ’t zelf wist, en met +een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien +verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem +ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en +vinnig toe te blaffen: „Jij was ’t dus, jij! Om jou ben ik +verstooten.” + +„Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou ’t kind weg!” +riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande, +diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller +ijl de kamer deed verlaten. + +Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind +niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid +kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien. + +„Als ’t niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet +hij weg, de deur uit,” bromde Frits tegen Jaantje, die als goede +kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: „Dat kan uwes geen +meenens wezen, meheer; ’t stomme dier heit er toch geen part of deel +an, dat er ’n kleintje gekommen is.” Die logische opmerking ontwapende +Frits’ gramschap en behoedde Bijou voor ’t wegjagen. + +De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat +zij eens gezegd had: „’t is de peine nog al waard om over zoo’n +paarderijer zoo te kremieten”, hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe +langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de +beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des +avonds, als ze „uit ’r werk was”, op den schoot en kamde hem met haar +eigen kam, omdat „’t beessie er zóó boschduvelig uitzag, dat ’t +rejeel schande was voor ’n deftig huis”; en terwijl ze zijn geele +haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en +zuchtend vertelde ze aan Bijou van die „ondankbare honden van +cavalleristen”. Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan ’t +geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren +van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om +haar droefheid te lenigen. + +Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes +bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem. + +Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de +tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste +hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam +ontluikende nieuwe sympathieën, waartoe door een beminnend individu de +eerste kiem met geduld is gelegd. + +Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met +ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, „dat zij zooveul als een +voorbeschikking had om in ’t Milletère verkeering te hebben.” De +sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid +rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven +belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en +bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie. + +Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en +„ko’praal bij ’t 6e.” + +Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk +als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde +hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger +verre overtrof. + +Bijou beschouwde, van den dag af dat „de ko’praal” zijn eerste kliek +aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend +tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des +krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus +onthaalde hem op een „allo vort!” en verklaarde, al kauwend, aan zijn +uitverkorene, „dat hij ’t zuur ân honden had.” + +Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met ’t +egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes +genegenheid en al naarmate haar liefde voor „den ko’praal” grooter +werd, verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die +eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in ’t sousterrain +ronddoolde. Zijn mand met ’t stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep +dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter ’t fornuis, +en soms wentelde hij zich grimmig in ’t kolengruis, als wilde hij zich +in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?—Hij stal het. O! +’t was ver, zeer ver met hem gekomen! + +Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een +Peri aan de poorten van ’t paradijs nog eens die verloren heerlijkheid +te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als +wilde hij vragen: „Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch +ééns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij +zijn?” + + * * * * * + +Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor Bijou +tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd +hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de +vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het +kleine menschje, dat hem—den viervoeter—zoo natuurlijk nabootste en nu +en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen +Mama lachend: „Ma-Ma,” stamelde. + +Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en +afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de +herinnering aan Frits’ bottine hem niet had teruggehouden; daarom +bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd +tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te +brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te +doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de +jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en +toenadering doen. + +Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou’s lot +kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat +een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht. + +Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje +het maakte, en de goede man verheugde zich met „Mama” over de +omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om „het +staan”, dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen. + +„Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer +recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt,” riep +vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat ’t jonge +mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die +van de canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen. + +„Hij is er! Dat’s ’n kerel als Cats.—Marie, ik feliciteer je.” + +„Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom; +toe dan!” + +„Komaan maat, zeil maar voor ’t lapje weg,” riep oom en stak de handen +uit. + +„Waf!—waf! waf!” Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon ’t nu +niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem +zoo aardig toescheen, ’t kostte dan wat het kostte! En hij stormde +eensklaps naar binnen. + +Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien +schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den +grond en rolde over Bijou heen. + +„O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij +zal ’t kind kwaad doen,” gilde Marie haastig opspringend. + +„Da!—da!” riep de kleine lachend, en in ’t minst niet verschrikt of +angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond +krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van +den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte. + +„Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond, +hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; ’n verduiveld aardig +gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien +kleinen rakker hem eens in z’n wammes nemen. Nou, ’t is een lobbes van +’n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat +ze maar gerust met mekaar spelen.—Toe dan, Bijou, hou je goed,—pak +ze.—Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z’n kop,” riep oom +Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend +voegde hij er bij: „Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat +’t mormel dan eerst eens wasschen.” + +„Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal ’t kind +bezeeren”, riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in +’t hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en ’t kind +te scheiden. + +„Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort, +Bijou!—Ze laten elkaar niet los.—Oom, kom dan toch?” + +„Waarom? Laat ze maar begaan.” + +„Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama—’t is nu genoeg”—zei Marie, +en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen. + +Maar neen!—de jongeheer had er nog niet „genoeg” van, hij zette een +keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo +vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel +toegeven moest en de twee speelmakkers met een: „Nu, ga dan in +Godsnaam jelui gang maar”, te zamen op den grond zette. + +Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op ’t vloerkleed +dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen +om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep +hij vroolijk: „Zoo is ’t goed. Toe maar, jongens!—Marie, wat dunkt je: +zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade +aannemen?” + + * * * * * + +Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig +op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend, +die op Mama’s schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen +zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen +aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch, +groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood: +„Janus, ik ga verhuizen; ’t is hier reëel in huis niet meer uit te +houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. ’t +Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, ’s middags zitten Besjoe en +’t kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies +kan geen fatsoenlijke meid verdragen!” + + + + +HENRI DE SNOEPER. + + + + +HENRI DE SNOEPER. + + +AMSTERDAMSCH TYPE. + +Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,—vrede zij zijne +assche!—maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren, dat „de +Snoeper” lang Amstels straten liep, als de schaduw van een man, die ’t +eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, zal +ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen „Henri” +den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot +voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan +stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord „meheer +kauwbeen” of „snoeper” nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend +van kwaadheid te roepen: „Kwède jongens, indien ge mij nog lènger +insoleert, zèl ik ’n ègent hèlen!” + +Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met +een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De +sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing +als ’t ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte +stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer, +zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip vereenigde zich met +de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven +geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele +profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op +de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en +ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het +menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen, +wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord. + +Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die +gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men +in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat +hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of +meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de +slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes +vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen—wanneer +men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die +de haarlooze en roodgerande openingen vulde, zóó kan noemen—waren +steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite +onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig +vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat „de Snoeper” +zeer slecht van gezicht was. + +Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote +hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders +eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee +damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines +bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen +te vallen. Zijn kleeding was „shabby genteel” in de vijfde macht en +bestond ’s zomers uit twee, ’s winters uit een drietal jassen zoodanig +over elkander aangetrokken, dat de ondereinden, de panden, +amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs +goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen +weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden +over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; ’t +was rijp voor den papiermolen. + +Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die +eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als ’t +ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik +in de knieën loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje +in evenwicht hield, zoodra ’t glad was of glibberig op straat. Iets +was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve „shabby” ook +„genteel” maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en +een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn +sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals +omsloot. Wáár hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven +en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als ’t nog +steeds in ’t duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte +manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de +glacé-handschoenen die hij droeg, winter en zomer. + +Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel +waren ze niet van ’t nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal +zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige +negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn +vingertoppen door ’t leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw +waren over ’t verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren +die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij +links een zwarten, rechts een bruinen of gelen Jouvin; daarop lette +hij niet zoo heel nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht +gezicht daarbij een part. + +Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit, +want ’t had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de +behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri—hij zag +hem op straat aan een schaafbank werken—gevraagd had: „Och! vrind, zèg +me eens twee centimeters vèn dit stokje èf.” Een vriendelijke +blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd +de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een +zekere „chic” droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of +over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op +zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in ’t barre jaargetij +gebruikte hij het als balanceerstok. + +Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat +daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer +werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of +iets groens,—waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van +Flora, dat hij gevonden had. + +In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit +versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het +leven zuur maakte en „meheer kauwbeen!” riep. + +Met de grandezza van een Castiliaanschen Hidalgo en stoïcijnsch als +een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende +epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of +andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en +bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of +hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en +riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig valsch pathos: +„Kwède jongens,” „insolente jongens”, of „onbeschèmd rèpèlje!” + +Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die ’s +avonds van te voren veel Chambertin heeft gedronken of lichtelijk +verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins +geaffecteerd, ietwat „Hègsch.” Meestal volgde bij de jeugd een +uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op, +dat hem schouderophalend deed zeggen: „Onbeschèfd en dom tuig! Dèr is +niets vèn te wèchten.” Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg. + +Waarvan hij leefde? + +Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dàt +was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van +deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit +en aan niemand. + +Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die—gedachtig aan de dagen van +Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die +hij „en garçon” bewoonde, gastreerden—hem wekelijks een kleine toelaag +gaven. + +Wanneer de arme man geen „passies” had gehad, zou die toelaag, met +eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of +iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed +niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft. +Helaas! hij had wèl passies, de ongelukkige,—en die hartstochten +waren: _beminnen_ en _smullen_. + +Toen hij nog „le beau petit Henri” en „in bonis” was, had hij veel +liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een +veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk +gereden, totdat hij moede van ’t overwinnen zich rust had gegund bij +een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die +hem zonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans +of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg +gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en +een lichte aandoening van ’t ruggemerg, die hem beverig en +schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan ’t hart +gelegen, zóó na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om +verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte +hem dit in ’t gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene +hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en +toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd +minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde +evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem +gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden. + +Uit vermogende ouders geboren, opgevoed—neen! juist niet opgevoed, +maar verwend—door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg weduwe +werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk patriciër zich +kan en mag veroorloven. Vóór den tijd meerderjarig verklaard, na +moeders dood, en in ’t bezit gekomen van een vrij goed fortuin, was +hij door goede vrienden, zoowel als door lieve vriendinnen, die +volgens eigen zeggen „trotsch op hem waren”, geworden hetgeen hij was: +een doeniet, een „noceur” die nimmer één enkelen cent had weten te +verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, totdat zijn +passiva de activa verre overtroffen. + +„En privé!” zoo geheel „onder onsjes” was Henri toen „over den kop +gegaan”; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot +beredderd, en toen hij „schoongemaakt” was, zooals de vrienden zeiden, +bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en—zijn passies! + +De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg geweest; ze +hadden hem van alles beloofd—en waren toen hun eigen weg gegaan, en +zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken +kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet +met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te +gevoelig georganiseerd. + +„Pauvre petit Henri!” zei de laatste, die met hem had gesoupeerd. +„Pauvre garçon, probablement nous ne nous reverrons jamais!” Zij sprak +slechts Fransch—die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed. + +Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad, +die Fransch spraken, een „pâté aux truffes de Périgord” wisten te +waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen Volnay en +Château du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten +opgeven. + +Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer, +de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in +beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in +de stem, dat zij hem „gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden +ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers, +diners en soirées van vroeger te réciproceeren, maar ... hum!—zij +hoopten niet, dat hij ’t kwalijk zou nemen—hun vrouwen hadden de reuke +van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre vernomen en +daarom ... hum! hum! ’t Speet hun ijselijk en ’t lag heusch alleen aan +de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus misschien—altijd zonder +hem te beleedigen—konden assisteeren met een tientje of een bankje, +dat hij later kon teruggeven, als ’t hem convenieerde, dan .... hum! +van harte, hoor!—van harte!” + +Henri was een goeie jongen, in ’t geheel niet trotsch; hij voelde zich +in ’t minst niet gekrenkt of beleedigd door dat aanbod; hij zou ’t +immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en—zonder +blozen deed hij zoo’n tientje of meer in zijn toen nog elegante +portemonnaie verdwijnen. + +Slechts één enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden +plaats op zijn kantoor aangeboden; ’t salaris was wel is waar niet +groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de +tering naar de nering zette. + +Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den +kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten +bediende rijk, dat was alles. + +De chefs konden er niet beter „gesoigneerd” en „fijner” uitzien dan +Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn +passies—hoewel min of meer gewijzigd—met nieuwe kracht voelde +ontwaken. + +Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht +gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij +er niet was. + +Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg +was om het _te kunnen doen_, zich bleef uitstrekken over Henri’s +hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool +begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals ’t ging, +totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand. + +„Er was niets met dien panier percé aan te vangen”, beweerden de +patroons, en gedachtig aan het „en leid ons niet in verzoeking” +verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een „douceur” als +afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers, +maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu +en dan aanhankelijkheid had getoond. + +Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van vreemden bodem, +maar had bij een der Françaises, die Henri vroeger kende, „meheer wel +ereis ontmoet, als zij bij ’t schoonmaken hielp”. Zij was niet jong +meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal „kennisjes”, +die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting +hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje +van gezellig verkeer; maar toen ook de douceur, ja zelfs de opbrengst +van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren +omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest +vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de +straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar—ze waren er dan +ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren +verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in ’t +gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover +gekomen was. + +Sedert jaren reeds had hij ’t werkwoord beminnen niet meer in ’t +Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er +voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de +voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent. + +Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op! + +Hij was de ruïne van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder, +voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan +bescheen zijn bouwval. + +Kil en koud sloop hij verder door ’t leven. In ’t gewoel der groote +stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd +verscholen—onder water—totdat op zekeren dag bij een van de oude, +gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de +schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de +doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende +wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,—om brood! + +Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van +voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein +wekelijksch inkomen tot stand voor Henri—met zijn passie: want één +passie was hem nog trouw gebleven, namelijk „het smullen.” + +„Le beau petit Henri des dames” was in ’t gasthuis en in het +straatvuil overleden,—het Amsterdamsche type „Henri de Snoeper”, alias +„meheer Kauwbeen” was geboren. + + +II. + +„Bonjour, m’nèr!” zegt „de Snoeper”, in een der voornaamste +Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend. + +Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker +voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de +tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil +hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: „Morgen, +m’neer!” maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde +kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat „de +Snoeper” de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren +„en fin connaisseur” in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken—en +o, die handen......! + +„Èngenèm weer vèndèg”, klinkt het verder uit den mond des bezoekers, +die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet, +terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank +doet leunen. + +Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze +zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en +dan, uiterst beleefd, vervolgt: „Ik wenschte wel, dèt u mij eens een +pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents ’t stuk, mèr met +Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk +zwèr.” + +Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant +geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren +eenige stuks voor en wacht. + +Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt „de Snoeper” +achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op, +ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van ’t dekblad +te onderkennen en vraagt: + +„Welken nèm hebben ze?” + +„Flor de Sevilla, Conchas.” + +„Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet +slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?” + +„Cuba es mi Patria.” + +„Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een nemen +èls monster.—Zes cent, niet wèr?” + +„Pardon, acht cent!” + +„O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr ’t is zoo, ik +herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren: +wènneer ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben.” + +De sigaar wordt opgestoken en met een: „Au revoir, m’nèr” zet „de +Snoeper” zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een +trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel, +medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne +had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal +geprobeerd, en toen hij zeide: „Houd het geld maar, u kunt de sigaar +toch wel opsteken”, trots ten antwoord gekregen: „Merci! ik kom èls +klènt, niet èls bedelèr.” + +Sedert dien tijd behandelt hij „de Snoeper”, niettegenstaande diens +afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende +onderscheiding. + +Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een +comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot +giegelend den winkeljongen aan, als „Kauwbeen” binnenkomt. Ook daar +neemt hij „gentlemanlike” den hoed af, maar zet dien niet op de +toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: „Meneer! de toonbank +is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten.” Die +comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat! + +„Geef mij eens een ons gèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd het +goed in te wikkelen in pèpier.” Begeerig snuift hij in dat magazijn de +lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne, +Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te +komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen, +bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt +langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om +gemakkelijker het geld te kunnen tellen—of om tijd te winnen. ’t Is +alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn +neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar +malen, als kon hij door ’t inademen dier vluchtige deelen van kaas en +vleesch verzadigd worden. + +Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel. + +Met den bakker maakt hij weinig omslag; ’t artikel brood is ook te +gewoon. Met den hoed op ’t hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij +twee „pains de luxe”, maar vraagt: „In pèpier, s’il vous plait!” + +De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot +aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn, +want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels +met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten ’t bereik van den klant, +die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te +bevingeren. + +„Wil u de beleefdheid hebben, mij ’n pèr zèndtèrtjes te geven?” vraagt +hij, na te zijn binnengetreden. + +„Van ’n stuiver ’t stuk?” klinkt het min of meer ondeugend van de +lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord: + +„Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn ’n hèlven stuiver.” + +Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een +confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de +toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij ’t +noemt, haar hart vasthoudt dat er op ’t oogenblik, dat „meheer +Kauwbeen” er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt +niet en praat al etend met de winkeldochter: „Ik heb indertijd +dikwijls vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr +hèd de pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren,” zegt +hij, kruimken voor kruimken kauwend. „Ik woonde toen ter tijd op +kèmers op ’t Rokin; ’t is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of +meer moest ... hum!... Enfin! ik heb...” Daar komen eenige dames +binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord, +zegt eensklaps: „Ik krijg zeven en een halven cent van u!”—„Oui, +Voilè!” De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke +buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een +glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: „Sèlut à +lè beauté!” + +Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange +wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor +een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met +zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft +hij ten minste, de rest van zijn geld; ’t bedrag valt hem zeker mede, +want in plaats van het „koffie- en chocolaadhuis” binnen te gaan, +keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt +daar—niemand ziet het immers—een ons zoetemelksche kaas en twee +gesmeerde kadetjes, maar beide „in pèpier.” + +In ’t chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij +binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: „Zoo, papa Kauwbeen! +ben je daar weer? Kom je schaften?” Hij antwoordt niets, maar ziet hen +met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk +van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: „Een kop +chocolèd!” + +Dan ontvouwt hij het „pèpier”, belegt met zijn vingers de twee +kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet +met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug +melk-chocolade. + +„Zeg, Snoeper!” schreeuwt een van de werklieden, die, met beide +ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke +boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, „zeg, waar heb jij nou +weer die kaas opgedoken?” + +„Och, laat hem zitten, hé!” vraagt de bedienende kastelein, en +glimlachend voegt hij er bij: „Meneer doet jou immers niks!” + +„Meneer? ’n Mooie meneer!” grinnikte de werkman. „’k Wou om de dood +niet graag zoo’n heer wezen.” + +„Och hij is halfsuf, laat ’m zitten, Karel; hij is toch vroeger ’n +heer geweest,” zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er +bij: „Hij is van voornaam komaf, maar z’n femielie is sjofel geworden +net als hij zelf; ’t is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift +leven moet.” + +„Wat weêrga, laat ’m dan gaan werken: wij moeten ’t toch ook doen.” + +„Hij werken? Kijk ’m ereis goed an: daar is ie veel te petieterig +voor.” + +„Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.—Afijn laat ’m +voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met ’m ruilen met al +zijn komaf.” + +Intusschen eet de Snoeper, die ’t gesprek niet gehoord heeft, zijn +broodjes; de laatste kruimeltjes, die op ’t papier liggen, tipt hij +één voor één met een vingertop op en ’t laatste druppeltje chocolaad +heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd. + +Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt +zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt +hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat. + +De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op +den weg; want—hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder +verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt +hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en +heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn +kaken werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile. + +Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na +te gaan en te volgen, zonder dat hij ’t wist. Wat ik verder over hem +vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning, +maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg +zijn financiën voor ’t oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende +manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette, +die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem +staande en zei: „Hé bonjour! Hoe mèk je ’t? ’k Hèd in leng ’t +genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht, +mèr—c’est triste a dire—mijn gèrderobe is op ’t oogenblik niet premier +choix. Ik heb hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik +fètsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu èlleen ’n kleine lijfrente +wèrvèn ik existeer; wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of +èndere betrekking, die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren +door me te recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb ’t zeer noodig, +ik kèn je èls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dèt ik ’t hoog +noodig, zelfs zeer hoog noodig heb.” + +Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des „Snoepers” ellendig +uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand +wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: „Pèrdon! zóó wès ’t +niet mijn intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je +genoegen mee doe, wil ik ’t momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt +ik ’t je, zoodrè ’t me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop +me spoedig te revèncheeren.” + +Van dat „revèncheeren” is nooit iets gekomen—alleen de natuur nam +„revanche” op de afwijkingen van „Kauwbeen”, want vóór zijn 48e jaar +stierf hij in ’t Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent +hem, niemand verliest iets aan hem—want hij had voor niemand geleefd +dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling +straattype is verdwenen—ziedaar zijn grafschrift! + + + + +DIRK DE SNORDER. + + + + +DIRK DE SNORDER. + + +Een bitter koude, donkere winteravond! + +Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed +om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de +scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht. + +Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik +inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen, +die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog +strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed, +en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat +bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden +krans, naar de wereld onder haar. + +Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte +plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin +de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift, +als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast. + +Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale +plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot één +vormeloozen, zwarten klomp, nauwelijks te onderscheiden van de dikke, +zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken. + +Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken +op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister; +’t zijn de verlichte vensters van de huizen. + +Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte +massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek +helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de +ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de +houten trappen van het gebouw glinsteren. + +Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links +van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de +reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen. + +’t Is kwartier voor elven. + +Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal +de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw +heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast. + +De koetsiers van „de aapjes” en vigilantes trappelen op en neer naast +de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu +en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn +hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van +zijn meester nadoen. + +De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats +gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit +naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau +zal kunnen verwisselen. + +Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar +vigilantes, die telkens, als een passagier instapt, beven en sidderen +voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels +met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om +binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of +best rookvleesch. + +’t Zijn een paar „snorders”, zooals men te Amsterdam dat soort van +vervoermiddel noemt. + +De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene +maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al +naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers, +die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten +rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat +zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen. +Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje +een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem +niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De +„snorder” daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die één +of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde +knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is +gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd +en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op +straat komt en in ’t duister ontsnapt aan ’t valkenoog der inspecteurs +van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren +menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen. + +Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of +vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden, +die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in +de Nes. + +De „snorder”, die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat, +hoewel geen sport, toch iets hooger op de ladder van ’t voerwezen. +Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen +der maatschappij en der grootere stalhouders. ’t Is in zeker opzicht +een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een +tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die +geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan +hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te +snorren. + +’t Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas +betaalt hoogstens 4 à 5 gulden ’s weeks en laat verder zijn koetsier +aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo’n knecht niet eerlijk, +dan... Doch ’t is plicht te gelooven, dat ieder mensch als „goud” is, +en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden +winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en +weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den +politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in +alle deelen opkomen zooals ’t behoort. + +„’t Is weerlichts koud van avond”, zegt de een tot den ander, die +evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen. + +„Nou sicuur, hoor! M’n beenen vallen haast af.—Zeg, Bobberd! heb je +nog tabak?” is ’t antwoord. + +„Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?” De Bobberd +spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met +kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen +woorden. „Viegelantje, meheer?” + +„De manke” biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met +een: „Rijtuig, meheer?” of „Viegelant assieblieft?” aan de enkele +menschen aan, die iemand of iets van ’t station moeten halen en die +zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een +sukkeldrafje de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt: +„’N doossie lucifers, heeren?” + +„Zeg, Bobberd?” + +„Nou?” + +„Er staan een boel gestationneerden van avond; ’t is bepaald weer mis; +’k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele +sigaar: ’n kale boel. Ba!” + +De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen +bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem antwoordt de +Bobberd: + +„Ik ook niet, ’k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren +plentie: ’k rij nogal veel heeren, weet je?” + +„Ja, jij bent gelukkig,—je hebt haast altijd volk; maar ik—ik veeg[1] +gewoonlijk. ’t Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe langer +hoe schrieler.” + +[1] Geen volk opdoen om te rijden. + +„Dat komt door de algemeene melaise, manke!” + +„Wat is dat?” + +„Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal ’t wel waar +wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van +handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, ’t is benauwd +tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met +fooien en al.” + +„’k Wou, dat ’k ze maar alle weken had”, antwoordt de manke met een +zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er +uit alle macht op blaast. + +„Wat heb jij vast bij je baas?” + +„Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!” + +„Blikslagers! dan ben jij ’t heertje, hoor! Dan heb jij een halven +gulden meer dan ik.—Daar moet ’k mijn baas ereis over +aanspreken.—Prrr! knol sta stil!” + +„’k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden sloeg die ouwe +dragonder—je hebt hem wel gekend, ’t was een witvoet, een nijdige +rakkerd zoo oud als hij was,—m’n linkerbeen stuk. ’k Heb dertien weken +in ’t Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me twee +kwartjes verhooging.” + +„Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat +’s vijftig centen per week waard.” + +Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd zóó, dat zijn breede, +tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. „En ben +je er nou al rijk door? Neen, hé? Je bent even sjofel als ik; vroeger +had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog +geen vijf.” + +„Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en ’k geloof +waarachtig, dat ’k van deze week ze niet eens haal.” + +„Klagers hebben geen nood, manke!—Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen; +we gaan zoo naar stal.—Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers +getrouwd, hé?” + +„Ja, natuurlijk!” + +„Kinderen?” + +„Zeven!” + +„Godzegenme!—Satansche knol! wat mankeert jou van avond?—Een hok vol. +Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen.” + +„Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?” + +„Omdat ’k geen vrouw heb; ’k ben een vrije jongen!” + +„Ja, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog +over den slechten tijd?” + +„’n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd +mensch.” + +„Ei!” + +„Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een +mensch toch....” + +Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den aankomenden +trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den +bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn +paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht +hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de +hand, tot zijn collega: „Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg +is.” + +Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de +trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het +station, alles in beweging. + +Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de +locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn +vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een +vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van +verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook +de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden +winternacht. + +„Bagasie, heeren! Bagasie!—Niemand bagasie?” roepen de langs de +waggons snellende kruiers. + +Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van ’t +station de reizigers met: „Hôtel du Doelen, Rondeel! Bible-Hôtel! +Hôtel Central! Pays-Bas!” enz. + +In bouffanten en cachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken +gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en +huiverende eerste- en tweede-klasse passagiers door den uitgang. +Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle +plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer +anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen. + +In draf rijden de verschillende „gestationneerden” de snorders +voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers, hoe ’t eene +rijtuig na ’t andere, met koffers op bok of imperiaal, hen +voorbijrolt. + +Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen: +„Viegelant?” de passagiers zijn voor hen, naar ’t schijnt, niet +aangekomen. + +’t Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant. +Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet +van den manke, die hem naroept: „Gelukkige vent, jij bent er alweer +uit met een prijs!” Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de +reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen. + +Eindelijk zijn al de rijtuigen voor ’t station verdwenen; hij wacht +nog even, dan rijdt hij zachtjes voor ’t plein op en neer: misschien +komt er ook nog iemand voor hem. + +Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den +manke geen vrachtje. + +„Zou ’k van avond alweer vegen?” mompelt hij verdrietig, terwijl hij +de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat +om gevoel in de vingertoppen te krijgen. „In godsnaam dan, vort! Brrr! +wat is het koud.” + +’t Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en ’t +snijden van de vorst. + +„Hort, bles! dan maar naar stal.” + +Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: „Hola, koetsier! stop!” +hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok, +ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem +toe komen. + +„Viegelant?” roept hij hun vragend tegen. + +„Ja! keer maar om!” + +Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor +zijn paard en ’t rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk +herhaalt hij zijn vraag: „Viegelant?” + +Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: „Jawel! hier +heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden. +Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar ’t Amstel-Hôtel.” + +De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij: +„’k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.—Dank je, +conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de +voorbank. Ziedaar, dat’s voor je moeite.” + +„Dank u, mijnheer!—Beterschap!—Vooruit, koetsier!” + +De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve +beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort. + +„Dat valt mee,” denkt hij onder weg, „’n goeie fooi, hm! misschien +maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe +jongen.—’k Zal de Kalverstraat nemen,” zegt hij bij zichzelven, „dat +rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te +veel gegeten en pijn in z’n lijf. Och! wat kan ’t ons schelen, hé, +bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is ’t me +onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook....” + +Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt +even op; de passagier steekt zijn hoofd uit ’t portier en vraagt +knorrig: „Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat +rijdt?” + +„Naar ’t Amstel-Hôtel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de +Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch +dat asphalt zachter en....” + +„O, zoo! is ’t daarom; dat’s wat anders, dank je. Wat is je nummer?” + +„Honderd een en tachtig, meneer!—Doorrijen?” + +„Ja, asjeblieft!” + +„Hort, bles!—Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer? +Ik heb hem toch niet veraffronteerd,—is ’t wel, ouwe bles? Nou, ’t zal +mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij zei: +„Dank je!” Blikslagers, misschien recommandeert hij No. 181 als een +geschikt persoon. Ook goed!—Kom, bles, vooruit dan, we moeten, allebei +naar stal.” + +’t Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te +praten, als hij rijdt; misschien doet hij ’t, zonder dat hij ’t zelf +weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. „Komaan!” +vervolgt hij, „daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de +zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; ’k zal.... +Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m’n viegelant? +Phu-u-u-t!” de koetsier fluit tusschen de tanden. + +Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat +er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn +hoed, als hij vraagt: „Neem me niet verkwalijk, meneer, maar.... +Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en ’t koffertje met ’t +valies leit naast hem.” + +„Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet goed?—Dat’s +een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik gesjochten voor +mijn vracht.” + +Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den +manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten. +Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een +zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: „’k Werd—weer—zoo +benauwd; rij in Godsnaam voort!” + +„Zou uwé ’t dan nou zóó kennen rooien?” + +„Ja! ja! rij gauw weg.—Wat doen die mannen hier?” + +„Ze hebben zooveel als een handje geholpen.” + +„O, zoo!—Dank jelui.” + +’t Portier wordt dichtgeslagen en een „vooruit!” van den koetsier +brengt de vigilante weer op weg. + +Eenige minuten later is het Amstel-Hôtel bereikt en wordt de zieke man +door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort +hem zeggen: „Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!” ziet +hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets +later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vóórdat hij +dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart +het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: „Hé, portier, +de ouwe heer heit nog wat vergeten,” reikt hij de reistasch over, +klimt op den bok en rijdt weg. + +„Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.—’n Gulden fooi! Zeker en +bepaald een fijn mensch.—Kom! dat’s een meevallertje; even een hapje +nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af.” + +’t Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan +draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want ’t paard +weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en +laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om +dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan. + +Bij de brug, die van ’t Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert, +wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen +een lantarenpaal leunt. + +„Hé! Hola, koetsier!” + +„Phu-u-ut! Prrr!—Ho, bles!—Wou uwé rijen?” + +„Ja! Ben je vrij?” + +„Om je te dienen, meneer.” + +Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in +vroolijke stemming, neemt de kruk van ’t portier in de hand en vraagt +met min of meer bezwaarde tong: + +„Schroef jij ’s avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! ’t Beest valt +om, als je niet oppast. Zeg, Autómedon! zou je me nog zonder +ongelukken naar Kras kunnen rijen?” + +„’t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar ’t is dubbel tarief na +elven. Weet u ’t?” + +„Daar vraag ik je niet na, Autómedon.” + +„Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet.” + +„Die is goed. Ha! ha! Heel goed!” + +„Kom, stap nou maar in, ’t is al mooi laat.” + +„Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou ’m recht, kerel! Dat’s +zot, dat’s—hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!” + +„Wil ik je ook even helpen, meneer?” + +„Neen! ’t Is in orde.—’n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady. +Zóó, ik zit. Vooruit!” + +Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag +dicht. Een „hort, bles!” en het rijtuig komt in beweging. + +Onder weg zegt de snorder tot zijn paard: + +„Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan +te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!” + + +II. + +’t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd +„de manke”, met zijn groot gezin wordt bewoond. + +Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de +Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit één vertrek, met een +klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast. + +De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster +laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende +wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom, +maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren +en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw +houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand. + +Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van +oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee +kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te +slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien +en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige +kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten. +Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op +den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een +mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje +van drie jaren sluimeren. + +Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende +potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en +aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje +niet frisscher wordt door de uitwaseming van ’t snerkende eten. Bij de +kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel +vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het +jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als +stripjongen reeds eenige stuivers verdient. + +Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; ’t vroegtijdig +gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken +van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is de +uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek +van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen +met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet. + +Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks +in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen +gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des +volks ontsproten. + +Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met +een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en +gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk +jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd. + +Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat; +haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug +geworden door arbeid en door ’t rondom haar sluimerende zevental, dat +zij ’t levenslicht schonk. + +„Wat is er dan, Jan?” vraagt zij, over ’t bed gebogen, met een licht +Overijsselsch accent. „Heb je pijn in je mondje? Ben je koud, +kereltje? Kom dan maar bij moeder.” Zij wikkelt het kind vaster in den +doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met +melk en sust het, totdat ’t al kreunend weer indommelt. + +Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw; +daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten. + +’t Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt +zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan, +haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar ’t kind, +dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje, +onrustig slaapt. + +„Hij is niet goed; ’k geloof, dat ’t schaap koorts heeft; wat gloeit +hij,” zegt ze tot zichzelve; „dat moet er nog bijkomen!”—Zij luistert, +want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. „Dat ’s Dirk,” +denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later wordt +opengedaan. + +’t Is de „manke”, die thuis komt. + +Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel +mogelijk afschudt. + +„Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in,” roept de +vrouw hem te gemoet. + +„’k Snapte daar net een bui.—’n Avond, Mijntje! Ben je nog op?” + +„Ja; ’k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op +’t fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; ’t is vinnig weer +buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel +weer aangelegd; ’k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is ’t +vandaag geweest?” + +Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij +opgeruimd: + +„’k Dacht eerst, dat ’t vandaag weer miserabel zou wezen, maar de +avond heeft ’t goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en +een dubbeltje. ’k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn +eten, ’k heb trek.” + +„Ik kan niet opstaan, Dirk: ’t kind ligt op mijn schoot; hij is niet +goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: ’k +wou, dat je ze alle dagen meebracht!” + +„Dat schaap is dan erg aan ’t sukkelen, vrouw; zouën ’t de tanden +wezen?” antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar +kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te +verorberen. + +Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar ’t Amstel-Hôtel +moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij +van het aangeschoten jongmensch. „Zie je, Mijn, hij had een flink stuk +in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij +ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: „We bennen er, meneer!” Maar ’k +moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan +met een paar lodderige oogen en zei: „Goeie morgen! Ik heb ’n +verduivelden dorst!—Die rammelkast van jou is geen cent waard,” maar +hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn +spul vindt. ’k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig +verval gehad.” + +Zuchtend antwoordt de vrouw: „Dat heb ’k gemerkt.” + +Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: „Zeg, Dirk!” + +„Nou?” + +„Kierssen is er geweest.” + +„Hm!” + +„Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is.” + +„Hm!” + +„’t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver.” + +„’k Weet het wel, maar ’k heb het niet, vrouw!” + +„En ook niets meer om „weg te brengen.”[1] Kierssen zei, dat hij, als +Vrijdag ’t geld er niet was...” + +[1] Naar den lommerd brengen. + +„Nou, wat dan?” + +„Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: „Meneer Kierssen, je weet wel, +dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur +betaald, maar nou ’t zoo slecht is van den winter met de verdiensten, +moest je nog wat geduld hebben en...”” + +„En wat zei hij?” + +„Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: „Ik zou je wel willen +laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit; +laat je man zelf eens naar hem toe gaan.”” + +„Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te +woord.” + +„Maar als Kierssen ’t nou toch zeit, Dirk?” + +„Praatjes! ze steken samen onder één deken.—Breng morgen dien daalder +maar aan den opzichter op afrekening; dat zal...” + +„Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en ’k heb al overal op de +lat[1] gehaald: ’k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten +hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft +ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen...” + +[1] Op crediet. + +„Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan ’t niet van mijn +lijf snijen.” Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje +onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt. + +„Dat zal me een nachtje geven,” bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt. +Met de woorden: „’k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch +stil, Mijn!” stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de +oude, dunne dekens. + +„Leg mijn jas er nog maar op: ’t is vervloekt koud en de kachel heeft +gênacht gezeid,” zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine +in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de +slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje, +en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel +zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft. + +Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen +weigeren haar dienst bij ’t aankleeden. + +Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de +vrouw, met ’t zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen +neerleggen. + +Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te +spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de +stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan +juist vóór dien tijd soms een vrachtje krijgen. + +’t Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in ’t +keukentje; vóórdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om +half acht op de sigarenfabriek moet wezen. + +Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem +zegt: „Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel +aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal +gedaan heb, rij ik wel even aan om m’n boterham te halen.” + + * * * * * + +Buiten is ’t nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen +haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die +glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid. + +De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige +jongen, die zoo wat „handje voor alles” is, heeft al een paar +oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden. + +„Gêmorgen, Dirk!—Satans koud!” roept de baas hem tegen. + +„Nou, baas!” + +In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de +kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een +bok, die nijdig naar Dirk stoot, als hij naast den uit de ruif +etenden bles gaat staan en zegt: „Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we +jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb +je nou nog je bekomst niet, vreetzak?” + +Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot +den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: „Allo, Jaapie! +geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen +schoonmaken.” + +Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de +waterleidingkraan, zóó langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde +koetshuis gaat, hem toeroept: „Kun je nog langzamer?” + +„Jawel!” is ’t brutale antwoord. + +„’k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!—Waar is de schuier?” + +„Vraag ’t hem zelf!” + +Gelukkig voor Jaapie, hoort de „manke” deze laatste vriendelijke +woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds +begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de +mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die +uit. + +Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog +niet had opgemerkt; ’t is een klein zwart lederen taschje. + +„Hé! wat is dat?” zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die +den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd +omdraait en vraagt: + +„Wat mot je?” + +„Niks!” + +„’k Dacht, dat je riep.” + +„Neen!—Kijk naar je emmer.” + +Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te +bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien borstrok en doet dan, alsof +er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een +deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt. + +Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets +van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door ’t hoofd: +„Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?” Hij tracht zich zoo +onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets +ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem +toeroept: + +„Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen.” + +„Ik, baas?” + +„Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben ’k niet van je gewend.” + +„Hm! Ja! Neen! ’k fluit, omdat ’k zoo koud ben, baas.” + +„Zoo!” + +Een oogenblik denkt Dirk: „Je moet dat taschje aan den baas geven om +te bewaren,” maar dadelijk overlegt hij er bij: „Gekheid! eerst kijken +wat er inzit; is ’t de moeite waard, dan breng jij ’t liever zelf +terug aan den... Blikslagers! van wien zou ’t wezen? Van dien zieken +heer voor ’t Amstel-Hôtel, of van dien jongen snuiter, die den prins +gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of....” + +In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar, +dat de baas het ziet en—zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi +aan. + +Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. ’t Begint te +schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op +straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met +haast naar de stations spoeden. + +Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te +rijden. + +’t Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den +dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den +voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en +hem even toeknikt als antwoord op zijn groet. + +Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de +leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te +voorschijn. + +Voorzichtig doet hij ’t open en houdt den inhoud, een pakje papier, +tusschen zijn vingers. + +„Waarachtig! ’t zijn bankies,” zegt hij in zichzelf, en terwijl hij +met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: „Dat’s een vondst! +Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig! +drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat’s al zeshonderd.—Godzegenme, +één van duizend!” + +Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want +zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. „Zestienhonderd en +vijf gulden samen! Geen bagatel,” denkt hij, en als hij verder niets +hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op +en bergt schielijk een en ander weg,—nu echter tusschen zijn baaien +hemd en het bloote lijf: daar is ’t zekerder! Terwijl hij verder rijdt +en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: „Wie zou dat +verloren hebben?” Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn +vigilante lag, toen hij ’s avonds te voren aan het station ging staan, +want even vóór dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw +op lag, nog uitgeschud. ’t Moet dus van een der twee laatste +passagiers zijn. + +Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar ’t bureau van politie +brengen? „Hum!” overlegt hij bij zichzelf, „’k zal zoo dwaas niet weer +wezen; ’k heb eenmaal een gouden ring gevonden en naar het +politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en +zelfs geen fooitje is er voor „den manke” overgeschoten; dat doe ik +nooit weer.—Maar wat dan? ’t Geld houden, nu en dan een bankje +wisselen?” Hij is ’t nog niet met zichzelven eens. „Een bankje van +vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar +dat van duizend, dat’s te gevaarlijk! En....” + +Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij +nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam +reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op +zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje +met bankpapier ontstaat; ’t is alsof hij zich telkens opnieuw wil +overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft. + +„Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij ’t hoort”, denkt +hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij +glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: „Dadelijk naar ’t +bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst”, en—zijn hart klopt: +zóóveel geld en zóó arm! + + +III. + +Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier +in ’t bezit van „den manke”. Hij was, na lang beraad met zichzelven, +tot het besluit gekomen om ’t geld zoolang te houden, totdat er +navraag in de kranten kwam. + +Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk +moeite om het terug te krijgen, en zet ’t allereerst een advertentie +in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen. + +Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te +wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo +rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel +één of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten. + +Elken avond had hij in „’t Vroolijke Schuttertje”, een kroeg waar +gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder +gevolg. + +Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van ’t Schuttertje, +toen hij Dirk zoo aandachtig het _Handelsblad_ en ’t _Nieuws van den +Dag_ zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: „Lees jij +tegenwoordig de kranten?” + +„Ik? Hoe zoo?” + +„Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een +paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je +kar?” + +Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo +eensklaps? ’t Zweet brak hem uit, want ’t kwam hem voor, dat hij hem +zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend +antwoordde hij: „Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?” + +„Nou! ik dacht het maar zoo, manke!” + +„Waarom?” + +Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de +Bobberd: „Wel! ’t is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; ’t was +maar een bagatel, ’n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik +ook gekeken naar de advertenties.” + +„En?” + +„’k Zag er eindelijk een staan, maar ’k had de duiten al op. Ha! ha! +ha! ’t was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een +gulden of acht in; ’k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je, +als ’t nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon +ook m’n vingers niet branden, want geld is geld, ’t is allemaal even +rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of +van jou.” + +„Ja! hm! maar Bobberd, ’t was toch niet....!” + +„Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou ’t +evengoed hebben gehouwen als ik.—Je begrijpt, ’t portemonnaietje had +ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar.” + +„Maar als ’t nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de +lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren.” + +„Gekheid! ’k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal niet, +hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van +de Voorzienigheid, dan _moet_ hij ’t hebben, ten minste als ’t niet +zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend? +Dat ’s een praatje. Ja!—de menschen schrijven daar op, welke nummers +ze in d’r zak hebben, kun je begrijpen! Als ’t een loterijbriefie is, +dan is ’t wat anders; maar bankies,—gekheid!—Sakkerloot, manke! wat +kijk je me raar an.—Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er eentje +gesnapt hebt, al was ’t er ook een van honderd gulden, geef maar hier! +Voor een rijksdaalder zal ik ’t wel voor je wisselen.—Nou! biecht maar +ereis op: wat heb je?” + +„Niks! Je kletst.—Gênacht!” + + * * * * * + +Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd, +en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn +pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: „Geld is geld, ’t is +allemaal even rond en....” Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder +in de gedachten: ’t was zoo’n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor +een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan +haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. ’t +Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij +nu plotseling aan die herinnering? ’t Is toch bepaald vreemd, want hij +kan het niet van zich afzetten; ’t komt hem voor, alsof hij haar +eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel +zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; ’t is alsof hij de kracht +van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was, +wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht. +Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in +zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan ’t +werk. + +„Gênavond, moeder!” zegt hij binnenkomend. + +„Gênavond, Dirk.” + +„Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?” + +„Ach, God! weet je ’t nog niet? We moeten er uit; in de andere week +al.” + +„Wat zeg je daar? Is ’t waarachtig?” + +„Kierssen is er weer geweest, van morgen. ’k Had geen cent meer en van +middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon +geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we +verhuizen.” + +„Zoo! hm!” Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje. + +„’t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen +naar toe?” + +„Zoo’n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje.” + +„Wist ik maar raad, Dirk!” Opnieuw barst zij in tranen uit. + +Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen +heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: „Huil +niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n’alterasie om +zoo’n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we +zoeken een andere woning; een betere, hoor!” + +„Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?” + +„Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar ’k zal den baas om voorschot vragen +en....” + +„Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig.” + +’t Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig +woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: „Ben je +niet goed, man? Slaap je nog niet?” + +Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; ’t +was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die +huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter +treffen; ’t geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en +rechts, maar ’t wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk +kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: „als een arm +mensch wat vindt, dan is ’t een bestiering, dan moet hij het hebben.” +Waarachtig, ’t scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van +vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand. + +Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun +regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem +snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur +gemaakt. + +„Arme ziel!” dacht Dirk, „je hebt toch ook je portie; ’k zal zorgen, +dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo’n rijke kerel, die ’t +verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en +ik...” Hij sliep in. + +Den volgenden dag wisselde „de manke” bij een winkelier in de buurt +een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer. + +Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij ’s +avonds „Het Vroolijke Schuttertje” binnen. De Bobberd was er nog niet; +gauw dus de kranten nog eens nagezien! + +„Alweer niets. Komaan! dat gaat goed,” dacht Dirk; „er schijnt geen +navraag naar te komen; ’k zal nog een dag of wat wachten en dan...” +Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje +deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest +iets verzinnen, een leugen;—ze zou natuurlijk vragen van waar +plotseling dat geld kwam; en zonder ’t zelf te weten, zat hij te +soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk +niet. Waarom stond er nu niet zoo’n eenvoudig „Verloren” in, dat +betrekking had op zijn vondst? + +Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had +getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een +briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als +hij, en—nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een... + + * * * * * + +Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij +plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de +Bobberd houdt hem terug met de woorden: „Wou je nu al heengaan, manke? +Zijn de centjes alweer op?” + +„Wat bedoel je?” Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te +hebben omgekeken, zijn ondervrager aan. + +„Niks bijzonders, ouwe jongen!” grinnikt de dikke, en met zijn +waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: „Je hebt van morgen bij +Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. ’k Stond juist in ’t +opkamertje,—dat dacht je niet, hé?—ik dronk even een kommetje troost +bij de juffrouw.” + +De manke verbleekt en stottert! „Zoo! ei!—Nou! en wat zou dat?” + +„Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo’n +stiekemerd was om ’t voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een +pennetje[1] hadt gehad.” + +[1] Fortuintje (volksuitdrukking). + +„Wie zeit je dan, dat ’t zoo is?” + +„Hè! hè! hè! hè! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je...” + +„Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen.” + +„Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar +een paar proppies[1] moet je geven, hoor! Anders ben je een kale +jakhals.” + +[1] Borreltjes. + +„Nou, als ’t daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder +een klare, van die dubbelgebeide, hoor!” + +„Met suiker!” roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt +hij: „Kom, manke, ’n spulletje?” + +„Neen! ’k ga naar huis.” Dirk staat op. + +„Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?” Uitdagend lachend ziet de +Bobberd hem aan. + +„Neen! maar....” + +„Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw ’t niet hebben? +Als ik zoo’n vent was als jij, zou ’k me waarachtig niet aan een +spulletje laten kennen,—Kobus! geef de kaarten ereis!—vooral niet als +je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! daar +komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken.” + +Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe ’t komt, maar hij +blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een +vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer +geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De +manke durft het voorgeslagen „pandoertje” niet weigeren, neemt +langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen, +te spelen. + +Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande +hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de +Bobberd hem er over in ’t ootje nemen en de laatste eindelijk, met een +reeds bezwaarde tong, hem toevoegt: + +„Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?” + +’t Is lang over eenen, als hij ’t Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim +twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan; +geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en +worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met +eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust +over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen, +zoodat zij verschrikt opstaat en ’t licht aansteekt, bij de woorden: +„Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je +gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?” + +Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar +hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan +zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt, +snorkt hij spoedig zwaar en luid. + +De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen +aan, zucht: „Moet dat er nou nog bijkomen!” en weent zich eindelijk in +slaap. + + * * * * * + +Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij had zwaar +gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de +kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor +zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor +was hij met den uitroep: „Blijf er af, valsche hond!” wakker geworden +en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil +verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn +koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den +stal, waar de baas hem met een: „Wat mankeert jou van morgen?” +ontving. + +Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij ’t +zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen. + +Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet +beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te +hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: „’t Is weer vegen +vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond +wat werk.” + +„Wat zal Mijntje zeggen?” dacht hij onder ’t naar huis gaan; ’t drukte +hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem ’s morgens geen enkel verwijt had +gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest +als altijd; dat hinderde hem. „Had ze maar opgespeeld, was ze maar +begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... ’t Is toch een goed +wijf!—Verdord! waarom heb ’k nou op eens geen courage meer om nog +zoo’n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou, +als ze vraagt waar ’t geld vandaan komt, dan deed ik ’t wel,” mompelde +hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde. + + * * * * * + +Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij +de gedachte: „’k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen, +dat....” Daar hoort hij Mijntjes stem. ’t Is alsof zij ongenoegen met +iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan +gewoonlijk. + +Daarom blijft hij staan en luistert. + +Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: „Hoe kom je er aan? Ik wil +het weten; geef antwoord, Gerrit!” + +„Gekregen, moeder!” ’t Is Gerrits stem, die antwoordt. + +„Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed, +dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van +vijf en twintig, en met zoo’n mooi lint er om, dat is niet +zuiver!—Allo! zul je antwoord geven?” + +De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den +jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk +doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de +rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan. + +„Gekregen”, herhaalt Gerrit, „van den meesterknecht gekregen”. + +„Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?—Je krijgt een +kleur, je liegt!” + +„Zoo maar, moeder, voor een aardigheid.” + +„Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat ’t niet waar is.” + +„Gerust, moeder, ik heb ze....” + +„Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om +dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze +weggenomen. Kind! ’t is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn +Gerrit een dief....!” + +„Neen, moeder! ’k ben geen dief!” + +„Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, ’t +is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is +precies hetzelfde.” + +„Maar, moeder....” + +„Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet zien. Ga uit mijn +oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint +met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal ’t....” + +„Moeder, ik heb ’t waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!” +schreit de knaap. + +Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij +Mijntjes woorden: „Ga uit mijn oogen, leelijke dief!” Hij heeft +gebeefd en is op ’t punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te +ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk +gestolen heeft, en daar valt ’t hem ook als een pak van ’t hart, als +hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: „Ik ben geen dief.” + +Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt, +dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu +minder luid en heftig. + +„Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren, +en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als ’t een eerlijke zaak +was, hoefde je dàt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo +goed met je. Kom! zeg het moeder maar.” + +„Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in ’t portaal bij +de sorteerkamer.—Neen! moeder, huil nou niet. ’k Ben toch geen dief, +moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid, +geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.—Toe, moeder, huil niet zoo; ik +ben toch niet slecht, maar....” + +„Kind! kind! waarom loog je dan? Is ’t wel wezenlijk waar?” + +„Gerust, moeder! ze leiên op ’t portaal; een van de sorteerders zal ze +verloren hebben en de....” + +„Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel? +Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht, Gerrit? Dat had je +moeten doen, dat was je plicht geweest.” + +„Ja, moeder, maar...” + +Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij +zijn hand op de plaats, waar ’t taschje verborgen is; ’t kost hem +moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw +weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt: + +„En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze +verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en...” + +„Maar ik dacht....” + +„Foei, kind!—Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je +zeggen?” + +„De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en +nageteld, en...” + +„Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom +en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je ’t pak sigaren al +twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je ’t al; nou moet je +alweer liegen, omdat...” + +„Maar, moeder!” + +„Zeg dan maar, dat je ’t mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!... +Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo’n +ding!—Wat zal ik zeggen?” + +„Och, moeder!” + +„Zeg, dat je vader ’t je had afgenomen en opgeborgen en dat je ’t +daardoor niet eerder kon...” + +„Vader?” + +„Neen! zeg maar niets. ’k Zal er zelf heengaan; ik zal ’t dan wel voor +je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe ’t in Godsnaam +nooit weer—en houd je maar stil, doodstil voor je vader.” + +„Zal u ’t ’m dan ook niet zeggen, moe?” + +„Neen, jongen! ’k zal mijn mond houwen. Geef ’t pakje maar hier; ik +zal ’t wegbergen tot morgen, want als je vader ’t wist, dan zou je wat +beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee +dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,—hij sloeg je +halfdood!” + +„Och God, moeder! zeg ’t hem dan niet; ik zal ’t nooit weer doen; maar +ik dacht, ’t zijn maar sigaren, en....” + +Meer hoort de manke niet, want ’t is hem draaierig in ’t hoofd +geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die +slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur. + +Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de +keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met +geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden: +„de man is zoo eerlijk als goud,” klinken hem zóó duidelijk, zóó luid +in de ooren, als vernam hij ze pas op ’t oogenblik zelf. + +„Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de +advertenties nagekeken, en ’t geld is er immers nog? Die vervloekte +Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben +geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten +zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien ’t is? +Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren +verloren en...”—„Als dief aangezien door jou schuld!”—„Wat weêrga! wie +zei dat daar?” mompelt Dirk in zich zelf: „’t Is precies alsof ik ’t +iemand hoorde zeggen,” denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld van +het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed, +voor den geest. „Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; ’t +zou toch kunnen zijn, dat zoo’n jongmensch voor zijn patroon geld +ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, ’t verloren had.—Neen! +maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wien +het was! Hm! ’k Had toch wel eens aan ’t Amstel-Hôtel kunnen vragen +naar dien zieken heer, die.... Wat weêrga! wat belet me, dat ik ’t nog +doe, dadelijk?” + + * * * * * + +Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Hôtel en +zegt tot den portier: + +„’k Heb een dag of tien geleden, ’s avonds van den laatsten trein, +hier een passagier gebracht....” + +„Dat’s wel mogelijk; ’t is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet.” + +Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den +welgedanen portier, die met een zeker „air” hem van het hoofd tot de +voeten opneemt, als wilde hij zeggen: „Wat moet die armoedige snorder +hier?” + +„En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is.” + +„Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?” + +„Neen!”—de manke glimlacht even—„’t Is die passagier, die ziek +aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!” + +Eenigszins gevleid door ’t beleefde „U”, antwoordt de portier iets +vriendelijker: + +„O! zoo! ja—’k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou je?” + +„Goddank!” denkt Dirk, en Mijntjes woorden: „Dan is ’t nog niet te +laat,” komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit +zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl +hij zegt: „’k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?” + +„Ja! maar....” + +„Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is.” + +„Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de +baron wel te spreken is.” + +„Is ’t een baron, portier?” + +„Natuurlijk!—’t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de beterhand.” + +„Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed ’s avonds; +onder weg had hij nog zoo’n soort van flauwte. Och kom! is hij toen +naarder geworden?” + +„Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.—Kom dus liever eens +terug,—later.” + +„Neen! dat kan ik niet,” antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: „’k Durf +Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vóórdat de zaak in orde +is.” Daarom herhaalt hij nog eens dringend: „’t Heeft haast, portier! +Ik zal den baron niet lang ophouden—Och! doe me ’t plezier en vraag of +ik....” + +„Nu, goed dan, ik zal je helpen,” en zich tot den kleinen groom, die +in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de +portier: „Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te +spreken is voor dien snorder.” + +„Voor No. 181,” roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen +opwipt, nog na. + +Terwijl de groom zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier, +die op ’t oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een +praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van +der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in ’t hotel, ernstig +ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die +telegraphisch werd ontboden, is verpleegd. + +„’t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat ’t +een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan +heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van +voornaamheid,” zegt de portier op ’t oogenblik dat de groom +terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij: +„Wel?” + +„Boven komen”, is ’t lakonieke antwoord. + +„Dat tref je!—Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12.” + +„Kom dan maar mee!” zegt knorrig de groom en gaat vóór Dirk de trappen +op. + +Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar +zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt +hij, na een zacht: „Binnen!” door een vrouwenstem geuit, het vertrek +in. + +Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit +zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en +ziet rond. + +Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij +heeft hem ook alleen maar ’s avonds gezien, en dan nog wel in een +dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: „Ben jij No. 181?” +herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: „Jongens! +Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,”—en als schaamde hij zich +plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: „Dat viel er zoo +uit, meneer, neem me niet kwalijk,” en blijft verder zwijgend staan, +totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem vriendelijk +toevoegt: „Wat wenscht u?” + +„Mevrouw—juffrouw—ik .... hm! ik....” stottert de manke, nog altijd +eenigermate verward door de vreemde omgeving: „ik ben de snorder, die +den baron ’s avonds hier heeft gebracht en ik wou....” + +„Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den +portier of....” + +„O, neen! meneer,” valt Dirk snel in, „dat is ’t ’m niet; ’k blijf u +nog wel dankbaar voor dien gulden, maar ’t is een heel andere +zaak.—Heeft u bij geval ook iets verloren?” + +„Goddank! ’t woord is er uit,” denkt de manke, en alsof ’t hem nu +gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: „Iets van waarde +verloren?” + +„Ik?—Niet dat ik weet, beste vriend!” + +„Och God! zou hij ’t nou toch niet wezen?” denkt Dirk; maar hij +vervolgt: „’k Heb wat in m’n viegelant gevonden, een kleine zwarte +tasch met....” + +„Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in +en...?” + +„Juist, meneer! juist!—Hier is ’t, asjeblieft!” + +De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die ’t +nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en +oplettend aanziet. + +„Wanneer vond je dat?” + +„’s Morgens vroeg, toen ik m’n wagon schoonmaakte. Als ik maar had +geweten, dat ’t van u was, zou ik ’t dadelijk hebben teruggebracht, +maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uwés verlof, ’n +beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij ’t laten +vallen. Ik wist ook niet wie ’t was en ’k dacht: eerst hier +informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik....” Dirk verwart +zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: „Wat zal ik zeggen, +waarom ik ’t zoo lang gehouden heb?”—’t Is een akelig ding, dat die +woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door ’t hoofd spoken. + +De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen: + +„Ja!—’t is van mij; ’t is geld, dat ik pas van mijn notaris had +ontvangen,” en tot de freule: „Zie je, Constance, ik heb door mijn +ziekte er in ’t geheel niet meer aan gedacht. ’t Zat in mijn valiesje; +dat sloot niet goed en....” + +„Dat kan wel wezen, meneer; dan is ’t er uitgevallen, toen u +uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb +’t nog dichtgeknipt, voordat ik ’t aan den portier gaf. ’t Taschje had +ik niet gezien; anders....” + +„Zoo!—dus je vondt ’t ’s morgens en je zaagt, dat er geld in zat.” +Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en +ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den +hoed in de hand voor hem staat, aan. „’k Weet niet juist meer hoeveel +geld er in was, goeie vrind, maar ’t zal wel akkoord wezen.” + +In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de +gedachte: „Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te +zeggen van dat vijf-en-twintigje.” Maar ’t is alsof een inwendige stem +hem toefluistert: „Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je +werk niet ten halve,” en, eer hij ’t zelf weet, zijn hem de woorden +ontsnapt: „Neen, meneer, ’t is niet in orde.” En hij kleurt als een +jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: „Kijkt u maar goed na, dan +zal u wel zien dat ik—hm!—’t spijt me wel—maar...” + +De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te +hebben gedacht, zegt hij: „Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie +vriend?” + +„Vijf en twintig gulden, meneer!” + +„Hum!” De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt +met een zweem van misnoegen in zijn stem: „En waarom deed je dat?” + +Een oogenblik is het doodstil in ’t vertrek, dan zucht de manke +hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan +zachtjes, met trillende stem: + +„Ik ben zoo arm!” + +Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat +daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke +traan in ’t oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek +den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij ’t +merkt, trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op +den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met +alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien. + +„Ben je getrouwd?” vraagt zij zacht. + +„Ja, juffrouw!” + +„En heb je kinderen?” + +„Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben ’t van de winter hard genoeg +want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen +en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat ’t geen +vetpot is....” + +„Ja dàt kan ’k begrijpen,” de freule ziet medelijdend hoofdschuddend +den snorder en dan, vragend, haar vader aan. + +„De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den +winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dàt kon ik +niet;—vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik hoop +dus dat u ’t me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam—maar ik +dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik ’t weerom breng. +Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en +toen...” + +„Kom eens hier, man! Hoe heet je?” roept eensklaps de baron, het +verhaal van Dirk afbrekend. + +„No. 181; och, neen! Dirk de Vries,” is ’t verwarde antwoord. + +„Kom hier, kerel!” Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt +zenuwachtig: „Kom dan!” + +Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule, +verlegen aan. + +„Maar kom dan toch bij me!” + +De manke nadert. + +„Geef me je hand, De Vries! Zoo! ’n fermen handdruk. Zoo! jij bent een +eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou plaats ’t wel zóó had +getracteerd.—Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.—Je +hebt zeker een brave vrouw, hé?” + +„Ja, meneer, die heb ik Goddank. ’t Is een best wijf, die m’n kinderen +grootbrengt met God en met eere,” antwoordt de manke, uit de volheid +zijns harten. + +„Dat dacht ik wel.—Constance, schel eens om wat port; laat den man een +stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.—Kom, vrind! vertel me nu +alles eens. Wat verdien je wel en...?” + +Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij +verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van +Bles—dat dier ligt hem na aan ’t hart. „Wil u wel gelooven meneer! dat +hij me als een hondje naloopt, aardig hé? Dat deden alle paarden die +ik gehad heb.” Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij vervolgt: +„’k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog +ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde, +dat beloof ik je—maar wat krijg je bij zoo’n snorder onderhanden? Ouwe +dragonders, een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja! als +ik weer eens een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen, zou +ik nog eens kunnen laten zien, dat ’k weet wat ’n paard is en wat het +toekomt.” + +Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel +geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met +over paarden en rijtuigen te spreken—telkens weer opnieuw uitgelokt +door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat +niet maar Freule Constance wèl; zij knikt, achter den snorder staande, +een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: „Ik +begrijp u papa—’t is goed wat je wilt doen.” + +Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt +die even aan ’t voorhoofd en zegt tot den snorder:—„En nu, goeie +vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; ’k +voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel +goedgedaan.—Ziedaar! neem dat mee, dat’s voor den eerlijken vinder; +doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van +Overijssel, dat ik een landsman van haar ben—maar pak dan toch aan, +man—dat ’s om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat ze +een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren +zal—Adieu!” Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en +verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een +banknoot in zijn hand—nauwelijks gelooft hij zijn oogen. + +„Godallemachtig! Honderd gulden!—Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat +zal ’t wijf blij zijn!” + +Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt +deze, uit zijn hokje ziende: „Heb je den baron gesproken?” + +„Nou! dat zou ’k je verzoeken.—Dag, portier!” + +Dirk maakt, dat hij wegkomt. + +Of de baron woord hield? + +Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende +het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het +buitengoed „Weijdenstein” boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond +is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er +is altijd genoeg. + +Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij: +„Vrouw! ’t is eigenlijk jou schuld, dat we ’t nu zoo goed hebben”, en +zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: „Neem een voorbeeld aan +jelui’s vader: die is zoo eerlijk als goud!” + + + + +DE FASHIONABELE DINEUR. + + + + +DE FASHIONABELE DINEUR. + + +Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de +beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen +naam. + +„De fatsoenlijke eter”? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.—„De +deftige gast”? Evenmin!—„De tafelvriend van goeden huize”? Misschien +zou die naam iets beter zijn, maar ’t is toch de rechte niet. Neen! er +is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te +toonen, wat ik met „den fashionabelen dineur” bedoel. + +’t Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt +noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik +op ’t oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij +oorspronkelijk een „niet inheemsch” type is, maar—ik ben er zeker +van—velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar +hebben ontmoet. + +Wellicht wisten zij vóór dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast, +dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen +zij, na ’t lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst +beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun +over- of nabuur was, tot het gild der „dineurs” behoorde. + +Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,—ik +houd mij aanbevolen om dien over te nemen. + + * * * * * + +De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd, +ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik +heb er zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal +regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die +familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als +kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren. + +Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen, +zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met +een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje +om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of +ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk: +„Hoe meer ik u aanzie, hoe meer ’t mij frappeert, dat u sprekend +gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron +Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van +Daelens?—Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon frappant, +kolossaal!” + +Een tweeden niet onhandigen „truc” gebruikte hij, wanneer er geen +gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. ’t +Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de +soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar +men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende +wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij ’t op de +hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos: +„Liefdadige instellingen, Mevrouw?—Ik acht en vereer ze; maar! .... +mij hebben ze drie ton gekost.—U lacht? Neen! ’t is parôle d’honneur, +de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik +beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst, +geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder. +Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.—Wat blijkt nu na +haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen +vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van +Brijnen,—notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten! +Ridicuul!—Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek.” + +In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn +naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en +afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots +jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vóór +het „summa cum laude” afscheid van de universiteit te nemen. Familie +en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat +hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende +betrekking; ’t was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn +afstamming, niet maar ’t eerste ’t beste baantje aannemen. + +Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis, +die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd +hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in ’t worstelperk des +huwelijks, als célibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te +wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard +hem terug van Hymens boot; hij was immers lang „jongeheer” geweest +en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wàt hem +terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige +beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is +te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn. + +Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor ’t eerst +ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te +kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door ’t +onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men ’t wel eens +vulgair uitdrukt, „zijn kostje hier en daar op te halen.” + +Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm +nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige +verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij +de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert. + +Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of +anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in ’t adresboek +komt hij daardoor onder de rubriek „particulieren” of „renteniers” +voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst +fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en +vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds +overtuigd, dat alles wat naar ’t ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd +is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing +brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten +dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij +gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een +zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander +familie-diner de pianino ziet openen, dat hij „au beau milieu de sa +jeunesse” veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij +ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is +die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot zingen(?) +te verleiden.—Wee u, zoo ge u laat vangen! + +„J’ai dit la romance”, vertelt hij aan een ieder, die ’t hooren wil; +en wanneer hij dat zachte woordje: „dit” met een soort van zoetelijken +glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet +suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van +voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en +burchtdames stem en speeltuig liet klinken. + +„De romance moet niet _gezongen_ worden”, beweert hij; „il faut la +dire.” Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou +’t u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook +dadelijk „volkomen vergeving van zonden” verzekeren. Ge kunt u immers +zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond +geen „Rêve parfum au frais murmure” voorstellen, evenmin als ge u +verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer +dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te +vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld. + +Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien, +de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en +door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd. + +In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij „een +gentleman” van top tot teen. Of niet nu en dan door de poriën van zijn +volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en +bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in +allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van +Jockey-club of New-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek +tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand +neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te +betten, als hij, na de vermoeiende bezigheid van het dineeren, van +tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij „gecharmeerd is van uw +alleraangenaamst gezelschap”. + +Met tact weet hij des winters na ’t diner, zonder dat iemand hem ook +maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen, +het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte +virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje +Regalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl +hij zijn koffie „savoureert”, geniet hij „als kenner” die Havana, +zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan +te doen. Hij zou iemand „lastig zijn?” O, foei! dat is onmogelijk. Hij +is—vraag het maar aan al de dames, die hij kent—de meest galante, de +beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle +vrouwen—mits fatsoenlijke—een kleinen dienst overheeft, een dienstje +soms zóó klein, dat een „gewoon heer” het niet zou durven bewijzen. +Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen „en amitié”. Hij zegt het +zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want—jokken, neen! daarvoor is +hij veel te fashionabel. + +Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van ’t een of ander een +niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat +het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om—„en amitié” te +blijven; waar ’t doel goed is, wordt ook voor hem ’t middel spoedig +heilig. + +Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit ’t oog verliest +bij families, waar hij zijn „vasten dag” heeft, en treffend is het om +te aanschouwen, hoe hij op die „vaste dagen” prijs stelt. Ontvalt hem +zoo’n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar +een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden +van vrienden in te leiden met een: „Veroorlooft u mij Mevrouw, dat ik +u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam +gezelschap, dat....” + +Meestal gelukt hem die manoeuvre, want ’t is voor veel familiën, die +nogal eens diners geven, wel iets waard iemand „au besoin” te hebben: +meestal toch doen de heeren opgeld. + +Ook als „_veertiende_” komt de „dineur” niet zelden uitmuntend te +stade; terwijl hij als „chapeau” voor dames van een zekeren leeftijd, +die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid, +veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in ’t geheel niet +komt. + + * * * * * + +’t Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een +lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met +ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der +wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of +smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn +hoedanigheid van „dineur” optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij +verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas „om te +zuigen” is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te +ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid +vermaalt. + +Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de +doperwtjes „superber” en „délicaat” zijn, schaamt ge u, dat ge een +oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven. + +Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna +zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze, +waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en +halsboord steekt; hij doet dat zóó handig, zóó zorgvuldig en „chic”, +dat ge onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als „Dineur”, hoe +ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk +dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; ’t is met volkomen +meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn +wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd +rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij +zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid +hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers +voor hem te doen is. Aan ’t dessert zoekt hij zijn wederga in ’t +ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei +aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met +zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar +donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge +ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende „Oeil de +Perdrix”, die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen +toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk één of, als +de champagne bijzonder goed is, twee „uien” van zijn répertoire ten +beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo’n „uitstekend +nette vent” is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten, +al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vóórdat hij begint te +vertellen te zeggen: „Misschien kennen de heeren en dames deze +aardigheid al, maar...” + +Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van +hem leeren; hij verstaat het „dineeren”, zooals niemand anders. Geen +wonder: ’t is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige +waarmee hij zijn leven verslijt—neen! in stand houdt. + + * * * * * + +Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker uiterst +leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk +leeren wil, hoe men onder ’t eten zijn dame moet bezighouden. Opéra’s, +concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn +beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact +over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder +dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z +leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze +of gene zangeres of acteur, soms zelfs zóó apodictisch, dat men +dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben +medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder +verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt +zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het +toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng +orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met dominé Heiler of vindt de +preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de +coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem +als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van „robes +Présidente, coiffure à la Japonnaise” en „plissés en biais;” wanneer +ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge—indien ge hem niet als +„medegast” kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden, +dat hij een dames-kleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt. +Doet hij—in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven +man daarvoor—als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem niet +naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, op +wien ’t minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd +occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn +nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of +clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen; +hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het +gebieden. + +Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en +niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal +zóó gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; ’t +hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt ’s +winters, na ’t diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het +servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk +een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der +kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met +haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch +oneindig veel beter is: er géén, dan zoo „plebeïsch veel” te hebben. + +Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en +hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem „een +aangenaam welopgevoed mensch”, namelijk zoolang men hem aan eet- en +speeltafel ontmoet. + +Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts +voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren. + +Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en +geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn +mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik, +die beter dan woorden zegt: „Ik tart een ieder om mij te overtreffen.” + +Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en +zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als ’t +groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een +zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn +overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande +boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit +ontmoet. + +Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van +circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het +sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat. + +’t Is een lust om zijn „au fainéant” of „au chinois” gegroeide en +gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand, +gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze +volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke +reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots +uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen +dan ’t onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of ’t +allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat +zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo +onbarmhartig kunnen martelen. + +Wáár de „dineur” zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet +bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een +kunstwerk kan verrichten, _al te veel_ te doen krijgen, immers met een +loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren +de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op ’s mans gelaat als +tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg +had tot een baard. + +Dat hij „rouge de théâtre” of „carmin des bayadères” gebruikt, is niet +met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u +ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der +kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn +over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de +maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals +de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het +alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op +de punt van zijn regelmatig gevormden neus, en om de zinnelijk +gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond. + +Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun +buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in +verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een +mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. ’t Zwarte +haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste +gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog; +maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar +genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man +inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte +wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de +kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of +de „teinture capillaire”, die hij verkoopt, wel overal met even goed +gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter +hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een pince-nez, +die er „gedistingeerd” uitziet; en wanneer ge den „fashionabelen +dineur” over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op +en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of +daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge +onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk +vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in +plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden. + + * * * * * + +Ziehier dan het beeld van den „fashionabelen dineur” geschetst, +wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er +uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plicht hem niet meer roept, zal +ik trachten nog met korte woorden mee te deelen. + +’t Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt +vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen, +voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten +vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen +herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien +ameublement dommelt in ’t gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam +kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na, +als ge u langs een tafel—waarop eenige boeken liggen, die eertijds in +prachtband werden gebonden—naar de achterkamer begeeft. + +Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in ’t heilige der heiligen! +Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de +fashionabele kennissen en vrienden des „dineurs” den voet zette. Ge +zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en +zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u—omdat ge +onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd „UIT.” +Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden +en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de +voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de +advokaten borrel, die hij—ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt +hebt—’s morgens zelf heeft gemaakt, „omdat hij dan zeker is dat er +alles in komt.” Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien +nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we +zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok, +dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest, +verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tweeën +gevouwen vleit zich de pantalon op den stoel er naast, tegen het +onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning +bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden +knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de +reet der deur doorsluipt.—Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar +van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den +stoel verscholen, zich, alleen door één van haar glimmende neusjes +verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de +waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen +inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor +den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge +hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn +horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft neêrgelegd. Hij +is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen +van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem +plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken. Houd u dood—doodstil +en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot nog toe niet +opgemerkte zijdeur, wenkt. + +Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant +zich onbespied. In ’s hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien +ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij +instinct—als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien +verdwijnen; en .. ’t is heusch de moeite waard om hem gade te slaan. + +Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?—Wat +ziet ge dan? Zeg ’t mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het +noodig is. + +Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet +om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito +onderbroek met loshangende bandjes, twee somber afhangende sokken te +verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken. + +Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat, +dat over ’t voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk +burgerlijke pluimmuts voelt streelen. + +Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het +wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan „in zijn vak” ontmoet en in +huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in +„gala.” Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, ’t +diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de +Bourgogne was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich +nooit „heel lekker” op den volgenden dag—’t kan echter niet anders, +zijn vak brengt dergelijke kleine „misères” mede. + +Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar ’t geen hij doet. + +Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum +van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich +uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt +naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht—waarachtig! we zijn in +een keukentje verzeild—staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met +alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen +scheren....? + +Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft +immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan.... + +Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat; +wie weet! misschien is de „fashionable dineur” een verkapt alchimist +die, in zijn vrijen tijd, naar „’t levens Elixir” of naar „den steen +der wijzen” zoekt. + +St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van keukentje sluipen? ’t +Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij. +Ha! dáár bewaart hij zijn ingrédiënten, dáár in dat geheime kastje in +den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter, +hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig +uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge wel dat hij +in de andere een blikken busje houdt? + +Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe; +nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in ’t pannetje +werpt.—Ga een eindje met mij achter uit. ’t Mocht eens gevaarlijk goed +zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en..... + +Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in ’t pannetje en .... +heusch! hij proeft van—de hemel mag weten, wàt—hij kookt. + +Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet? + +Och ’t is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender +in de voorkamer. + +Nu, welken datum? + +Acht en twintig Maart! + +Juist, ’t is in ’t laatst van de maand: dan houdt hij om geldige +redenen niet van restauratie of table d’hôte en—toevallig heeft hij +heden geen uitnoodigingen. + +O!..... + +Vat ge ’t nu? + +Ik geloof het wel, arme fashionabele man! + + + + +HOE JETJE GEZOEND WERD. + + + + +HOE JETJE GEZOEND WERD. + + +’t Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig, +weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk, +wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet +besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche +schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar +nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te +houden, of in den deurpost staande, naar ’t vroolijke zonnetje en de +voorbijgangers te kijken. + +Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle +brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens. + + * * * * * + +Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een +ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een +vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op ’t hoofd, +achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even +oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en +andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te +verkoopen. + +Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader en wel van een +Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe +oogen en kastanjebruin haar als „mooi Jetje” bekend, door de jongelui, +die in de nabijheid woonden, meer bijzonder „’t lachebekje” werd +genoemd, omdat ze zoo’n vriendelijk rood mondje had, dat met twee +schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig +lachte, als deze of gene klant, generis masculini, met haar een grapje +maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een +luchtje schepte. + +Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht +Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en +gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui +bijzonder in trek kwamen, zóó zelfs dat Jan de winkelknecht er zich +over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: „Ik +geloof, dat die spreeuwen”—Jans geliefkoosde benaming voor de spes +patriae—„een stuk leer in d’r mond hebben in plaats van ’n tong; want +als ze die bokkies lekker vinden, dan....” Jan liet den volzin +onvoltooid en ’t was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord +meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en +bracht meteen den prijs der „bokkies” van zes op vier voor een +dubbeltje. „Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze +nemen ze toch”, zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf: +„Smakelijk rooken!” en hij dacht er bij: „Als Jetje in den winkel is, +kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen.” ’t Was geen onlogische +Jan! + + * * * * * + +Vlak tegenover Bommers’ winkel, woonde op een kamer van de eerste +verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij +niet studeerde, zijn beenen en pantoffels op de vensterbank voor ’t +publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten +stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en +vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och! +eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen. +Zóó beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had +gevraagd: „Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel? +Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, zóó was je an ’t +kijken.” ’t Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw +Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel +in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen, +Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien. +Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte—uit louter +buurschap—hem toe. + +’t Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de +vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden, +buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld +drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder +voor één dubbeltje Puantos Infamos van de vier, zwaar of licht, naar +dat ’t zoo uitkwam,—’t was hun om ’t even. De winkelknecht had reeds +een paar malen bescheiden aangemerkt: „Ze heeten Upmann-sigaren, +heeren!” Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens +zijn vrienden, geantwoord: „O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de +communicatie, ’t is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien +naam en zeggen dus kortheidshalve: „Puantos Infamos”.” Jan zweeg +tegenover dit argument. + +De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in +sigaren iederen dag toenam, maar toch kon hij zich niet ontveinzen, +dat die Puantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem, +maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig +altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar +in ’t bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was. + +Met schrik en een vaderlijke hartklopping—ook een kruidenier heeft een +gevoelig hart—zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op één dag +zich aan de Infamos te goed deed, en eens zelfs had Bommers, zonder +dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het +oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan +patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te +omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is +waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den +schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en +zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien +dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met +een: „Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen”, te +verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier, +maar vroeg te gelijk met ’t leukste gezicht van de wereld: „Opsteken, +meneer?” en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over ’t +doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den +klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich +herhaaldelijk een: „Vade retro, Satanas!”—dat hij niet begreep—op den +hals haalde. + +Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers, +nam het debiet der Puantos Infamos niet meer toe, want nadat ’t +herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra „de heeren” zich +vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden +allerlei aanmerkingen te maken, en noemden met een zekere minachting, +de heerlijke Puantos „bokkies”, een woord dat den winkelbediende een +heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: „Ge komt langzaam +aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!” + +’t Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was +leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze „voor de acht” kregen, +omdat het—zooals Bommers zei—een opruiming was, besloot de kruidenier +den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan alleen tot +’t Koloniale vak te bepalen. + +Nauwelijks was de laatste der Infamos verdwalmd tusschen de lippen van +een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een +half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te +voorschijn in den winkel. + +Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een +plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen. + +Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch +mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk, +informeerden altijd naar den staat van „meneers gezondheid”, prezen +zijn goede waar en kochten elken dag à contant een zekere hoeveelheid +vijgen of rozijnen. + +Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij +belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl +Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De +kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een +woord, dat naar „zoetekauwen” of „snoepende jongens” zweemde. De +studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte, +eerst aan Jan en daarna aan den patroon, met de woorden: „Geneert +jelui niet; proeft maar eens mee!” en kwamen den volgenden dag terug +met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar +konden krijgen en dat ’t hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef. + +Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te +geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje +voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot +de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad +belet te vragen en haar uit logeeren te zenden. + +Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan +men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend, +neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen +zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar ’t station +ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit ’t venster stak en met groote +verwonderde oogen ’t meisje naziende, zuchtend uitriep: „Dag Jet—dag +engel—goeie reis! Denk aan me!” + +Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dàt +hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank +staan en meesmuilde: „Dat valt je tegen, hé knaapie!” En toen een +oogenblik daarna een paar van de vijgen-habitués binnenkwamen, woog +hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: „Pas ontvangen, ’n versche +zending, heeren,—echt Smirnaasch goed!” + + * * * * * + +Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke +rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna +onzichtbaar en deden de lamp walmen, zóó erg, dat ’t zelfs voor +studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote +vertrek. Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk +eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. „Kerels!” +riep hij: „luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open, +want waarachtig de lamp gaat anders uit.” + +’t Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij, +op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een +presidentshamer, stilte gebiedend: „Mannen, broeders! wat moeten we +met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij +mijn Helena, vulgo Jetje, ontroofde?” + +„Laat ’m Puantos Infamos rooken tot in eeuwigheid, dat ’s straf +genoeg!” riep er een. + +„Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!” schreeuwde een ander. + +„Doe ’m hertrouwen, dat’s nog erger!” meende een derde. + +„Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan „zoetekauw”,” +lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming +aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het +geraas zóó sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte +moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: „Mijne heeren! +ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op +exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die ’t pronkjuweel der +schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.—Ja! meneeren, +de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij +gedoogde niet, dat ik zijn spruit—de hemel weet, hoe hij zulk een lief +dochtertje gekregen heeft—kuste. Een kus in eeren, mag niemand +weren!—Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks te +doen. De smaad, mij en mijn commilitones aangedaan, eischt wraak,—niet +waar, mijne heeren?—Wraak!” + +„Wraak! Wraak!” klonk het in koor, begeleid door een gestamp en +gestommel, zóó hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven +en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: „Meheeren, breekt den boel +asjeblieft niet af!”—Juist op dat oogenblik gilde een van de acht: +„Zij zal gezoend worden, dat zweren we!”—een eedsaflegging, die de +oude hospita met een: „’t Is zonde—wat zal me nou overkomen!” eerst de +handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig +voor de oogen te brengen. + +Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de +vriendelijke woorden: „Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij +zijn geen antiquaren.” + +„We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne +individuen,” riep een ander. En Herman voegde er bij: + +„Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen +in vrede.” En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken: +„Jelui bent nog niet droog achter je ooren,” vertrokken was, vervolgde +hij: + +„Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend +worden.” + +„Dat zweren wij!” brulde ’t koor. + +„Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!” + +„Wij zweren!” + +De vergadering ging over in geheime zitting. + + * * * * * + +Sedert ruim drie weken was in Bommers’ winkel geen enkele vijg of +amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en +met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na, +dat ’t in zijn winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan +vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: „’t Is +toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier +den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te +reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een +vrindelijk gezicht: „Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!” Dan weer +vroegen ze beleefd: „Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke +vader van Jetje?” Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn +en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo’n +klandizie wegblijven.” En in stilte dacht hij er bij: „De +jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal ’t lieve leven wel weer +van voren af aan beginnen.” Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de +handen en—verkocht koloniale waren. + + * * * * * + +Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren +bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en +zou ’s avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den +kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader +Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van ’t station te +gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig, +ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg: + +„Heb ik ’t genoegen meneer Bommers te zien?” + +„Om U te dienen.” + +„U handelt in koloniale waren?” + +„Natuurlijk!” + +„Ook en-gros?” + +„Zeker!” + +„Kan ik U een oogenblik spreken?” + +„Ja, hm!.... ik sta op ’t punt om uit te gaan.” + +„’t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid, +die geen uitstel duldt.” + +„Hum! Hum! ik moet iemand van ’t spoor halen, maar..” Bommers keek op +zijn horloge, „een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus....” + +„In ’n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. ’t Spijt +me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. ’t Was anders een zaak +geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een +spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan +toevertrouwen. Enfin! als ’t u onmogelijk is, dan....” + +Het jongmensch zag er zóó bedaard en fatsoenlijk uit, sprak zóó kalm, +overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en +verlegen werd. + +Wat te doen?—Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn +hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in ’t spaarzame +grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: „’t Is meer dan +hoog tijd,” en zei toen luid tot den winkelknecht: „Jan! ga jij dan +maar met de vigilante naar ’t station en haal de jongejuffrouw; dan +zal ik dezen heer te woord staan.” Bommers zag niet, hoe een fijn +glimlachje van voldoening over ’t gelaat van zijn bezoeker vloog. + +Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn +patroon op en holde den winkel uit; onder ’t heengaan wierp hij nog +een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: „’t Is me toch +precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien.” + +Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: „Nu, meneer?” + +Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: „Meneer! laat me +in de eerste plaats u beleefdelijk dank zeggen voor de heusche, +gentlemanlike manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven +hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen +afstaan.” + +De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde +iets als: „O! volstrekt niet, integendeel,” enz. Hij stond met zijn +rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige +vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen +keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even +bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door +een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om ’t hoekje van de deur +in den winkel werd gezet. + +„Meneer Bommers,” zei ’t beleefde jongmensch, „ik ben hier gekomen om +met u over ’t artikel stroop te spreken.” + +„Over stroop?” + +„Juist meneer, over stroop—s-t-r-o-o-p!” + +„Maar had dat dan zoo’n haast, dat u...?” + +„Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst +heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt: +secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft....” + +„Maar meneer!” + +„Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld—dat wil zeggen +de menschen—zijn allen vatbaar voor stroop; die ’t meest met den +strooppot loopt, komt ’t snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde +Judels in zijn onovertreffelijke chansonnette S-t-r-o-o-p, dat ieder +mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete +voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook +een philosoof.—O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt, +hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe....” + +De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn +toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan, +als wilde hij zeggen: „Ik geloof, dat jij niet goed bent,” en toen de +deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, ’t nut +en de aanwending daarvan in ’t maatschappelijk leven, zich daarbij in +vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke +hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers +angstig, want zulke taal was voor hem te machtig, en ’t zweet brak hem +uit, toen hij zijn bezoeker hoorde zeggen: „_Stroop_, meneer Bommers, +is de melk der samenleving, de quintessence der beschaving en de +hefboom waarmee het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p +geeft in zes letters de oplossing van ’t moeielijk probleem: vrijheid, +gelijkheid en broederschap.” + +„Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt,” dacht +de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom, die hem +dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te vragen: +„Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?” + +Weer wenkte een hand om ’t hoekje van de deur, maar de kruidenier zag +het niet; ’t jongmensch wèl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer +herhalend, zei: „Wat wou u nu eigenlijk?” klonk het antwoord hem als +een donderslag in de ooren: „Vijf pond beste stroop, als ’t u blieft!” + +„Vijf pond str-o-o-p?—Waarin?” + +„In dezen hoed, waarde heer.” Met een snelle wending had de jonkman +den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op +de toonbank gezet. + +„In dien h-oe-d?” + +„Juist!—Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht +hebben,” en de klant zag hem dreigend aan. + +Bommers’ oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als +theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan. +Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: ’t was +ongetwijfeld zóó, als hij reeds had gedacht,—een gek. Bliksemsnel +vloog hem de gedachte door ’t hoofd: met zulke menschen moet men +voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn +gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een +verwend knaapje: + +„’n Aardig idee, meneer,—stroop in een hoed.” + +„Ja, hé? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in +een hoed haal!” + +Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond stroop +er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins somberen +toon: + +„’t Is een drama, meneer!—neen! een tragédie.—Zal u goed wegen, vijf +pond?” + +„Ja! ja!—Kijk maar, ruim gewogen!” en de winkelier zette den hoed met +stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met beide +handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon +verder: „’t Ruikt bijna als bloed!”—Bommers verschoot van kleur.—„Weet +u wat de Nemesis is?—Niet?—O, neen! u is immers niet klassiek +ontwikkeld.—Luister dus.—Een vriend van mij, een boezemvriend, is +doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen vaderlijk wezen, dat +Amor in ’t gezicht slaat en Venus haat.—O! meneer! dat eischt wraak! +Wrr-a-a-k!” + +Bommers kreeg ’t nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want ’t +jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij „stapel” was. Plotseling +wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er op en zei: +„Daar ligt geld, meneer,—’t slijk der aarde”, en toen plotseling +vriendelijk lachend: „Ik krijg ƒ1.50 terug asjeblieft.” + +Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om ’t +hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps +zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds +bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn +klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep: + +„Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn +vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!” + +Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; ’t denkbeeld, iemand +met zoo’n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er niet om +te lachen, en giegelend riep hij: + +„Origineel! heel origineel! Dat ’s een koopje voor wien ’t treft—hè! +hè! hè! hè!”—Bommers lachte, dat hij schudde. + +„Ja, edele vriend! dat is ’t zeker!” antwoordde ’t jongmensch; hij +liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne +met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade. + +Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en +gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield +stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een +reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig +geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die +met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed. + +Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol +verwondering zag Bommers op,—om zijn dochter te zien.—Neen!—plotseling +zakten vijf pond stroop hem door de haren en over de oogen en dreef +een krachtige slag den ouden „kachelpijp” over zijn neus. De arme +vader zei juist: „Genadige hemel! daar is...” ’t Woord Jetje stierf +reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte, maar toch kon hij +nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem daemonisch lachend zijn +eigen woorden teruggaf: „Origineel! heel origineel! Een koopje voor +wien ’t treft!” + +Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank +gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd—o! +snoodheid—achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen! +in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later +na veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op +die „vervloekelingen” schold, totdat Jan hem toevoegde: „Meheer, neem +me niet kwalijk, maar je zag d’r toch effetief komiek uit!” Toen +stortten de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen +winkelknecht en eerst ’s avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn +winkeliers- neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem +vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch +en echt van trouwen sprak en—niet met stroop liep. + + + + +INHOUD. + + + Blz. + + EEN BENEFIET 1. + EEN MASSAGEKUUR 101. + BIJOU 119. + HENRI DE SNOEPER 155. + DIRK DE SNORDER 173. + DE FASHIONABELE DINEUR 217. + HOE JETJE GEZOEND WERD 235. + + + + + +------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Plaats Bron Correctie | + | | + | Regel 78 [Niet in bron] „ | + | Regel 79 [Niet in bron] ” | + | Regel 85 [Niet in bron] ” | + | Regel 126 ochtenkleeding ochtendkleeding | + | Regel 143 „ [Verwijderd] | + | Regel 160 ” [Verwijderd] | + | Regel 172 ontstapt ontsnapt | + | Regel 211 collegas collega’s | + | Regel 214 . | + | Regel 239 , [Verwijderd] | + | Regel 295 [Niet in bron] ” | + | Regel 324 mekâar mekaâr | + | Regel 335 ” [Verwijderd] | + | Regel 346 [Niet in bron] , | + | Regel 346 muziekant muzikant | + | Regel 666 [(alinea-break)] [Verwijderd] | + | Regel 668 „ [Verwijderd] | + | Regel 676 [Niet in bron] ” | + | Regel 684 [Niet in bron] ” | + | Regel 694 [Niet in bron] ” | + | Regel 696 [Niet in bron] ” | + | Regel 764 [Niet in bron] ” | + | Regel 787 ” [Verwijderd] | + | Regel 836 ’N liefhebber ’n Liefhebber | + | Regel 989 [Niet in bron] ” | + | Regel 1278 Walter Walten | + | Regel 1434 [Niet in bron] ” | + | Regel 1792 Ha Hà | + | Regel 1800 [Niet in bron] ” | + | Regel 1869 [Niet in bron] ” | + | Regel 1897 lâtafel latafel | + | Regel 1944 Walter Walten | + | Regel 1997 ” [Verwijderd] | + | Regel 2070 [Niet in bron] ” | + | Regel 2133 [Niet in bron] „ | + | Regel 2163 regisseur régisseur | + | Regel 2174 Walter Walten | + | Regel 2177 [Niet in bron] ” | + | Regel 2230 colléga’s collega’s | + | Regel 2238 [Niet in bron] ” | + | Regel 2281 [Niet in bron] ” | + | Regel 2452 [Niet in bron] „ | + | Regel 2597 [Niet in bron] „ | + | Regel 3034 aplaudissement applaudissement | + | Regel 3051 oogenblikben oogenblikken | + | Regel 3070 [Niet in bron] ” | + | Regel 3157 [Niet in bron] „ | + | Regel 3216 Balkons Balcons | + | Regel 3216 Loge’s Loges | + | Regel 3249 Laflêche Laflèche | + | Regel 3277 Laflêche Laflèche | + | Regel 3318 applaudiseeren applaudisseeren | + | Regel 3324 ” [Verwijderd] | + | Regel 3349 [Niet in bron] ” | + | Regel 3384 [Niet in bron] „ | + | Regel 3387 [Niet in bron] ” | + | Regel 3452 Hostein’s Hosteins | + | Regel 3460 [Niet in bron] ” | + | Regel 3516 [Niet in bron] , | + | Regel 3531 ” [Verwijderd] | + | Regel 3536 [Niet in bron] ” | + | Regel 3543 ïe ie | + | Regel 3551 Zouen Zouën | + | Regel 3558 kniëen knieën | + | Regel 3560 [Niet in bron] „ | + | Regel 3569 [Niet in bron] „ | + | Regel 3581 [Niet in bron] ’ | + | Regel 3611 ” [Verwijderd] | + | Regel 3676 Jalink Jaling | + | Regel 3792 Himmel-donnerwetter Himmeldonnerwetter | + | Regel 3899 [Niet in bron] ” | + | Regel 3936 ondeel baar ondeelbaar | + | Regel 4228 word wordt | + | Regel 4731 siesta siësta | + | Regel 5078 beeldtenis beeltenis | + | Regel 5128 [Niet in bron] ” | + | Regel 5224 [Niet in bron] „ | + | Regel 5251 sous-terrain sousterrain | + | Regel 5296 ” [Verwijderd] | + | Regel 5341 sous-terrain sousterrain | + | Regel 5388 ” [Verwijderd] | + | Regel 5922 [Niet in bron] „ | + | Regel 6101 mench mensch | + | Regel 6135 andwoordt antwoordt | + | Regel 6244 tweede klasse tweede-klasse | + | Regel 6334 n N | + | Regel 6441 [Niet in bron] . | + | Regel 6500 Overijselsch Overijsselsch | + | Regel 6548 zouen zouën | + | Regel 7263 [Niet in bron] ” | + | Regel 7496 [Niet in bron] . | + | Regel 7525 [Niet in bron] ” | + | Regel 7526 [Niet in bron] „ | + | Regel 7576 [Niet in bron] is | + | Regel 7996 , . | + | Regel 8051 we wel | + | Regel 8052 houd houdt | + | Regel 8056 [Niet in bron] . | + | | + +------------------------------------------------------+ + + + + + + +End of Project Gutenberg's Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr. + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN *** + +***** This file should be named 29429-0.txt or 29429-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/4/2/29429/ + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/29429-0.zip b/29429-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a5e5f06 --- /dev/null +++ b/29429-0.zip diff --git a/29429-8.txt b/29429-8.txt new file mode 100644 index 0000000..4f0dcb1 --- /dev/null +++ b/29429-8.txt @@ -0,0 +1,9106 @@ +The Project Gutenberg EBook of Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr. + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Papieren Kinderen + +Author: Justus Van Maurik Jr. + +Release Date: July 17, 2009 [EBook #29429] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN *** + + + + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de | + | bijbehorende alinea. Bladzijde-nummering is verwijderd. | + | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn | + | stilzwijgend hersteld. | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | + | Deze zijn respectievelijk aangegeven als aanhalingstekens". | + | | + | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is | + | in dit e-boek weergegeven als _uitgespatieerd_. | + | | + | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het | + | origineel zijn bijna allemaal gecorrigeerd. Uitzondering | + | zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. | + | | + +--------------------------------------------------------------+ + + + + + PAPIEREN KINDEREN + + + + + PAPIEREN KINDEREN + + NOVELLEN EN SCHETSEN + + DOOR + + JUSTUS VAN MAURIK Jr. + + AMSTERDAM + + Tj. VAN HOLKEMA + + 1888 + + + + +_EEN BENEFIET_. + + + + +EEN BENEFIET. + + +I. + +Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen. + +Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen +gleed, zei hij in zichzelf: Hier moet 't zijn," en keek oplettend +naar de zwarte letters op 't porseleinen naambordje aan den deurpost. + +W. F. Hostein" 't stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand +beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop +aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel +de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de +garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te +trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers. + +Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan. + +M'neer thuis?" + +Wie bedoelt u? Menheer,--of meneer Hostein, die hier binnenshuis +woont?" + +Meneer Hostein!" + +Jawel, die is thuis, maar....." + +Niet te spreken misschien?" + +Meneer is aan 't studeeren voor van avond en...." + +O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of 't schikt dat ik weerom kom." +Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het +meisje zeggen: Wacht u dan maar effentjes." + +Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: Adriaan Walten, +tooneelspeler a/d. K. S." en onwillekeurig keek zij even om naar den +ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een +oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn +linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen +hing. + +Vrdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit 't portaal een +welluidende mannenstem: Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar +boven komen." + +Neen, meneer; 't is een..." 't Woord heer" wilde niet vlot over +Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: 't +Is zoo'n raar persoon, weet u, zoo'n..." Zij reikte 't kaartje over. + +Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den +linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige +rechterhand een paar droppels van 't hooge voorhoofd, terwijl hij in +de spiegelruit van de tochtdeur, die op 't haakje was vastgezet, +trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten. + +Kom boven, meneer Walten!" klonk van het portaal af de mannenstem; 't +meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk +hijgend door 't haastige trap op- en af snellen: Gaat u maar naar +m'neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien." + + * * * * * + +In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de +gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht +in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond, +gladgeschoren gezicht; op 't kort gesneden haar draagt hij een roode +Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte +pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding. +Den bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: Pas op 't +drempeltje, ouwe heer: 't is een beetje duister op 't portaal." + +De ouwe heer" nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem +een: voorzichtig!" tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van +sigarettenrook de woorden: Leef je nog, papa Walten?--Kom binnen." + +Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een +bijna schuwen blik, vrdat hij antwoordt. + +'t Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden +eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk +ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt +eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich +merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit. + +'t Is hier mooi, fijn!" zegt hij zacht, z zacht dat de andere 't +niet verstaat en vriendelijk vraagt: + +Zei je wat, Walten?" + +U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik +u erg kom hinderen, maar...." + +Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje +over." + +Dat dacht ik wel, meneer Hostein." + +H?" + +Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein." + +Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: Meneer"--en dt +tegen mij, je ouwen leerling Willem?" + +Ja, maar meneer Hostein..." + +Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik +heet?" + +Een glans van vreugde glijdt bij 't hooren van dien hartelijken toon +als een zonneschijntje over 't gelaat van den ouden Walten, en als +toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt +hij beide handen uit naar den vr hem staanden jongen man, terwijl +een: Willem, beste jongen!" zijn mond ontsnapt. + +Zoo! dt mag ik hooren!" Hartelijk drukt Hostein Waltens magere +handen, terwijl hij vraagt: Waarmee kan ik je dienen, papa?" + +Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met +doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met: + +Ik ben zoo ongelukkig, Willem!" + +Hostein werpt vluchtig een blik op 't oude beduimelde kaartje, dat hij +in de hand houdt, leest de woorden: Tooneelspeler a/d K. S." en +terwijl hij denkt: Aan den Koninklijken Schouwburg,--dat's heel lang +geleden, arme vent!" zegt hij met een kleine trilling in zijn stem: +Is 't waarachtig?" + +Ja, ik weet nu geen raad meer." + +Arme ouwe kerel!" + +'t Is hard, h! dat ik z voor jou moet komen staan! Maar...." + +Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.--Is 't alleen dt?" Hostein +maakt de beweging van geld tellen. + +Niet alleen; maar--toch...." + +Zit je weer in den brand?" + +Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.--Ik +wou, hum!--'t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je? +Waarachtig niet, want ik kan 't nooit teruggeven en...." + +Dat is ook niet noodig." + +Neen! Willem, dt wil ik niet. Maar ik--hum! ik wou nog n ding +probeeren en daartoe...." + +Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere +collega's je met alle liefde wat assisteeren willen en...." + +Ja! ja! dat weet ik wel," knikt Walten; maar ik begeer niets te +hebben; ik...." + +Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!" + +Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers +wel, dat ik nu dan toch...." + +Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.--Ga nu +eerst eens bedaard zitten, dr in dien fauteuil.--Wil je +rooken?--Hier staan sigaren.--Niet?--'n Sigaret?--Ook niet?--'n Glas +port dan?--Kom! dat zou ik nemen, dat geeft 'n beetje toon in de +maag.--Wil je niet?--Nu wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten +nog wel!"--Hostein schelt, en als 't meisje een oogenblik later is +binnengetreden, zegt hij: Haal eens een kop bouillon, hiernaast in 't +caf--en 'n paar beschuitjes." + +Wat heb je dat goed onthouden, Willem?" Een lachje begeleidt die +woorden. + +Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag +bouillon. 't Is bepaald een behoud voor de stem." + +Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en...." Plotseling houdt +Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psych, +die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen +door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo +fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de +bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en +droevig zegt: 'k Ben ijselijk oud geworden, h? De laatste jaren +hebben me kapotgemaakt, en hum!--'k zie er zoo echt sjofel +uit.--Neen! zeg maar niet, dat ik 't me verbeeld; 't is de +waarheid,--ik word langzaam aan oud; dat voel ik wel." + +Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar...." + +Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb 't ook zoo +hard gehad in den laatsten tijd." + +Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?" + +Ook al, Willem; maar dat was 't ergste niet: 'k heb eeuwig en altijd +Pech" gehad in de laatste jaren." + +Ja! voor den wind is 't je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom +sprak je niet?" + +Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig +vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu...." Walten +zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van +den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart. + +Heb je niets om handen op 't oogenblik?" + +Niets, Willem. Je weet immers 't ongeluk, dat mij trof met mijn +schouwburgtent?" + +'k Heb er destijds van gehoord." + +Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk +brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde +en....." + +Je was toch geassureerd?" + +Ja natuurlijk! maar...." Eensklaps worden Waltens oogen rood en +vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn +wangen rolt, glinsterend in 't zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder +verlicht, vraagt hij zachtkens: Je weet immers, hoe ik toen bestolen +ben?" + +Hum ja! ik herinner me wel zoo iets." + +Ik heb geen cent van 't geld gezien." + +Dat 's een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?" + +Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar...." + +O! nu herinner ik 't me weer, 't is waar ook; dat 's een ellendige +historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak +geven; die gemeene schoelje had haar 't leven toch al zuur genoeg +gemaakt.--Zij is onlangs gestorven, h?" + +Ruim een jaar geleden. Tot zlang heb ik haar en haar kinderen ook +nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in 't weeshuis." + +En hij?" + +Zit ergens in Australi, geloof ik." + +Zoo'n schoelje!--En--Annette, je tweede meisje?" + +Die is nog altijd 'tzelfde." + +Dus totaal....?" Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd. + +Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar 't wordt gaandeweg erger, +de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik...." + +Jammer, doodjammer van 't arme schepsel. Ze had wel wat talent, h?" + +Of ze talent had? Kerel, Willem!"--Waltens oogen worden minder +dof--ik heb nooit zoo'n talent gezien als van dt kind, 'n geboren +tragdienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer +die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er +alles van. Wat 'n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de +Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor 't eerst +optrad? Wat 'n stem, h? Sonoor, mooi en fluweelig.--O! dat geluid +heeft ze nog, maar--'t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm +is,--zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,--zit ze met de +handen over mekar en zegt niets." Walten wacht even, en als spreekt +hij tot zichzelf, herhaalt hij: Niets, bijna geen stom woord. Die +vervloekte kale mof met z'n gladde tong had m'n arme Netje totaal +ingepakt en...." + +En 't kind, is dat blijven leven?" + +'t Is drie jaren geworden; toen is 't goddank gestorven. Wonderlijk, +h! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was 't bepaald alsof ze 't +niet kende. Ja! dt was al een raar verschijnsel." + +'t Is treurig.--O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop +maar neer, voor meneer.--Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed +is.--Ja 't is een droevig geval met je dochter." + +Ja waarachtig, wel is 't dat! Dadelijk na haar bevalling is 't al +eens mis geweest, maar 't liep er toen niet zoo erg door; ze beterde +en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een +paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor +mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs 't kleinste +werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig--en dan toch weer +oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in +orde. Ja, 't is 'n ellende! Die muzikant met z'n sentimenteele oogen +heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem +gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij +haar heeft laten zitten was nog 't ergste niet, dat gebeurt meer; maar +dat zij door die hum!--die geschiedenis aan 't malen is geraakt, dat +'s fataal." Walten drinkt langzaam een paar teugen en vervolgt dan: +'t Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo +allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; en daarom heb +ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald, +dat ze geholpen kan worden, maar--ze moet goede verpleging en rust +kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in 'n gesticht en...." + +Zou je dat waarlijk denken, Walten?" + +Waarachtig! Maar gauw zal 't niet gaan. Jongens, Willem, als ze van +die talentbuien heeft--zoo noem ik ze, weet je?--dan moest je eens +hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed +zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God! +wat 'n jammer, dat ze zoo...." + +'t Is zonderling!" + +Ja, wel is 't dt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder +behandeling te krijgen; lukt me dt, dan kan ik voor mij altijd nog +wel hier of daar emplooi" vinden." Een min of meer ijdel lachje +glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: Als ik +wil, kan ik 't nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat +begrijp je; maar pre noble", dat zou best gaan; ik zou nog menig +jonkie" een lesje kunnen geven." + +Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze 't merkt, +met medelijden aan en antwoordt; Ja, je hebt van de piek op gediend, +je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als +ik...." + +Als je niet zoo'n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen, +artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb 't je dikwijls +gezegd: je zult carrire maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je +pakken moet." En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij +vervolgt: 'k Heb eer met jou ingelegd--en ik heb je altijd graag +mogen lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe +vrinden--daarom kom ik nu ook bij jou om hulp." + +Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?" + +Ik wou probeeren om 'n benefiet te geven!" + +Ei! Ei!" + +Ik weet wel, Willem, dat 't moeilijk zal gaan bij deze directie, want +die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad, +maar--dat 's al lang geleden. Nu dacht ik, dat 't misschien gaan zou, +als jij mijn voorspraak woudt zijn." + +Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik 't wel voor je in orde speel." + +Zou je denken?--Maar, Willem, 't moet 'n benefiet zijn, waar ik goed +wat van overhoud; ik heb bij 't vorige, een jaar of vier geleden, maar +'n kleine tweehonderd gulden gemaakt." + +Dat's weinig!" + +Och! je begrijpt, 't ging voor 't derde, na aftrek van de +avondkosten; ik was toen al blij, dat 'k 't kreeg, al had de Directie +er per saldo ook 'n goeien" avond aan, want 't was in den slappen +tijd, en daarom deden ze 't. De zaal was goed bezet, we hadden ook +hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat +negenhonderd gulden; daar ging 'n groote driehonderd gulden af voor +armengeld en avondkosten. Ik kreeg n derde: reken dus maar zelf na." + +Ja, dat's akkoord!" + +En toen ik 't geld in handen had, was 't dadelijk geblazen, want +iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren +zelfs lui, die geld van me moesten hebben, 's avonds aan den +schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet." + +Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je +opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal 't wel +z voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de +avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over." + +Zou 't lukken, Willem? Zie je, 't is wel hard om zoo'n +armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar--och! +'t is voor Netje, en daarom...." De oude man zucht diep bij die +woorden. + +[1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant. + +'t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms en attendant" 'n pop of tien +hebben?" + +Graag! Van jou neem ik dat aan; 'k zal 't dadelijk weerom geven na +mijn benefiet." + +Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen +kan.... Hier heb je een muntje." + +Dank je, Willem!--Wanneer zou je denken, dat 'k hooren kan of 't +lukt?" + +'k Zal er morgen dadelijk over spreken." + +Wil 'k dan overmorgen komen hooren?" + +'k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?" + +Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan." En na +een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door +Hostein, die hem aan de trap nog naroept: 'k Zal 't wel voor je +klaren." + + * * * * * + +Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan, +hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten +komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo. + +Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij +zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een +notaris-kantoor geplaatst, waar 't droge, iederen dag regelmatig +terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De +kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de +brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het +tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog +kleiner salaris begon. + +Allengs kwam hij op", zooals men dat in de tooneelwereld noemt en +binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten +speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op 't affiche bleek +voldoende om een stuk te doen trekken." + +Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega's +in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega's, en +niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te +gaarne: zijn geluk" bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en +zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet hebben kunnen +tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen +leeftijd ng fladderend, in 't net van een Fransche danseuse was +gevlogen, die le beau Valten" zoodanig de baas werd, dat hij zijn +rug--misschien met een zucht--eindelijk onder Hymens juk kromde. Of +hij 't geduldig droeg, blijft de vraag. + +Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem +de eerste schreden deden zetten op 't hellende vlak, waarop hij +langzaam, maar zeker, omlaaggleed. + +Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde Madame la Directrice" +heeten--en ze deed hem vallen. + +Een eigen troep" was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde +die droom niet lang; 't ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig. + +De troep" bestond eenigen tijd, werd toen een troepje" en na veel +tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw een troep", +maar in de andere beteekenis van 't woord. + +Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te +vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap +te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd +verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de +kermistent voerde. + +Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die +vrouw, die hem, als 't ware met magnetische kracht vasthield en +beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn +ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde, +misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed +het niet; Walten was, zooals men 't heet, een goeie vent, een +artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter, +toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen +dr, waar 't hem inspanning kostte zijn wil door te drijven. + +'t Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed, +en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een +tijdstip kwam, waarop eenige vrienden--gedachtig aan 't geen hij +vroeger was en rekening houdend met 't geen hij nog kn zijn--hem een +fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang, +was 't alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen z hoog te +stellen, dat men die niet kon toestaan. + +Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur, +zich lavend en bedwelmend door de bravo's en toejuichingen van een +publiek, dat l te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn +oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan, +speelde alles, wanneer 't slechts DE ROL" was van 't stuk; 't +handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals +de flesch aan den dronkaard. + +Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond, +zorg en kommer knakten in hem den artist" voordat de mensch" Walten +oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof +geworden, zij zagen slechts schemerend 't licht der kunst en straalden +'t niet meer uit. 't Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde, +was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer +van den drank", en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog +veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald. + +Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was +hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen--misschien ook in die van +anderen--een gentleman" gebleven; hij voelde" zich, niettegenstaande +hij niets meer was. + +Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep +hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in +allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult +en juicht, als 't degens en dolken ziet, en dat samenvalt van 't +lachen, als 't hansworsterij aanschouwt. Walten was de rune van een +kunstenaar,--een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden +hoe schoon het geheel eenmaal was. + +Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven; +zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was +'t gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn +zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter, +zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was +geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken. + +Dat zoeken" vond echter een groot beletsel in de omstandigheid, +dat Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was, +die wist hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van +verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte, +verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door +schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij +zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste +acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij 't publiek. + + * * * * * + +Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit 't venster +hem na en zei in zichzelf: Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik +kan". + +Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van +den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer +bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort +een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na +aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn +van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten. + + +II. + +'t Is even na den middag. 't Is koud en guur winterweer, zonder +sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend +kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje +een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat +der achterbuurt, waar Walten woont, maar 't is geen zonneschijn die, +weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, 't is alleen een +teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt +als komt. + +Op 't open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten +de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft, +staat een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan +de waschtobbe! 't Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar +goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige +herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan +helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een +klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn +kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee 't +plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er +uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij +bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er +bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend +luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en +'t lawaai" haar te erg wordt. Stil, Keesie!" zegt ze, hem even met +den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de +achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar +galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en +bevelender: Stil dan toch, joggie!" + +[1] Turf- en houtverkooper. + +Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf, +het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor +zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den +grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op +eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel +mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn, +wanneer niet, door de openstaande deur van 't kleine keukentje het +volle daglicht binnenviel. + +Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite +woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het +bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar: +Stil dan toch, Keesie" en klimt behoedzaam op 't bankje. Nu reikt ze +met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar +binnen in de kamer kan zien. + +Hum!" mompelt zij, de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch +net effetjes zien." Zij stapt van 't bankje af en luistert opnieuw, +want binnen klinkt de stem al luider en luider. + +Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; 'n mensch kan niks niet +hoore, als jij aldoor zingt; 't wordt nou net persies mooi." Zij doet +een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: Juffrouw +Jaling! Juffro-ou-w!--toe Keesie, hou je mond nou--juffrouw, kom nou +gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere, +vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!" + +Uit de openstaande achterdeur van 't naburig huis, dat eveneens op 't +erf uitkomt, klinkt een heesch: Ik kom al!" en dadelijk daarop +waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar +buiten. + +Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om +'t lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren +pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken, +als zij nadert. + +Benne ze weer bezig?" vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze +een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande 't +koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt. + +Nou! uw komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; 't is posetief 'n +extratje vandaag. Uw kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat +u maar op 't bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in +de kamer zien; 't eene raam staat een ndje ope, dat tref je. Je mot +nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht 'k zal je +helpe.--Komaan dan!--Ho!--Huup! En ootje, twee ootje, mensch! mensch +wat ben je toch dikkig: als m'n bankie 't maar uithoudt--drie ootje! +oepla!--Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.--Nou ben je d'r.--Zie +je wat?" + +Gut, lieve ziel, wacht effies!--'k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor +'n dikkig persoon is 't een heele toer om op zoon bankie te komme; ik +ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik +zien." + +Zie je wat?" + +Nou!" + +Wat dan?--Zeg 't me maar zoetjes." + +Kristemensch! wat is 'r 'n herrie in die kamer." + +Nou h!" + +Alles leit overhoop; zij zit op 't bed. O! Gossie! wat ziet ze 'r +raar uit, en hij maakt grimassies voor d'r. Hij buigt. H! h! h! +h!" + +Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie 't!" + +Dat's allemachtig kemiek: hij zoent 'r hand.--Zeg, 'k kan ommers niet +valle, juffrouw Daters?--Hij doet 't bij wijs alsof ie 'n onderdaan is +of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit 'n soortement vers op." + +Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, h?" + +Stil dan, mensch, laat me nou hoore." + +Vertel dan ereis, wat ie zeit?" + +Nou persies kan 'k 't niet verstaan, maar.... H! h! h! hij gaat op +z'n eene knie legge en zij--o, groote Gerritje, dat's grappig--zij +vliegt op en pakt die ouwe kerel om z'n hals. Sjuut! nou ken 'k 'r +verstaan. Jij ook?" + +Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!" + +Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk: + + .... Hernani! 'k beef.... In 's hemels naam, + Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zam." + +en Waltens stem, antwoordt: + + Te zam?--Neen! neen!.... Hlaas! dat uur is heengevaren, + Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren; + Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m' uw liefde boodt, + Mocht ik u bieden, wat mijne armo overschoot." + +Zeg," fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, hij heit 't +over z'n armo. Nou! dat 's geen wonder: 't is daar 't noordermarkie +wel." + +Nou h?--Pas op dat je niet om valt; 't bankie is zwak; je mot +stilstaan, hoor!--Wat 'n malle mensche om zoo met mekaar in d'r eentje +komedie te doen." + +Nou!" + +Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als +eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt: + + Neen, 'k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen; + 'k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen." + +zegt juffrouw Jaling zachtkens: Wat 'n mooie stem heit ze'." + +Jawel, maar luister nou liever, m'n goeie mensch." + +Walten antwoordt: + + ....... Laat mij alleen ontvluchten! + +Gaat ie 'r van door?" vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere, +die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet. + +Wel, mensch, 't is ommers allemaal spul!--Nou begint zij weer, hoor +je wel?" + + ..... Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind + Zijn leven te offeren aan den een'gen, dien men mint, + En, weggestooten, nog 't geluk te moeten derven + Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven." + +Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd +geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen, +gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de +andere zegt: 'k Heb met 'r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je +gaat er niet voor naar de komedie, hoor; 't is waar wat je zei--h! +dat's jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt 't zoo donker dat +'k bekans niets zie--maar hoore kan 'k wel." + +Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is 't niet?" + +Nou! Maar hij is van de tand--dat hoor je wat goed." + +'t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als +ie praat. Je ken 'm haast niet verstaan tusschenbeie.--O! daar beginne +ze weer; maar...." + +Krak! krak! doet 't bankje en meteen: Groote Gerritje, daar heb je 't +nou," vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar +tegen en helpt haar veilig op den grond. 't Bankje is door de +dikkigheid" van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot +het uiterste gebracht en bezweken. + +Met een: Da's nog net bijtijds" blijft de zwaarlijvige juffrouw een +oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte +japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat, +vraagt ze: + +En is daar nou alle dage wer-an zoo'n spektakel?" + +Alle dage, ten minste in den laatsten tijd." + +Heere, Heere!--'k Wou dat 'k hier eerder was komme wone; 't +verdiverteert me wel." + +M'n man is ereis op z'n kamer geweest." + +Kom?" + +Waarentig!--'n Rommel, m'n goeie mensch, een rommel, van alles en nog +wat!" + +Wel, wel!" + +En speult ie nou nog op den Schouwburg?" + +Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel." + +Wat je zegt!" + +'t Mot vroeger anders 'n baas zijn geweest." + +Zoo!" + +Jawel, 'n eerste kemiekeling!" + +Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt; +anders is z'n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je 'm zoo +ziet." + +Nou!" + +Zoo'n beetje verloopen ook, h?" + +Nou! 't is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien +zeit ie toch nog wel ereis 'n grappie." + +Och kom!" + +Ja, als Pietersen komt." + +Wie is Pietersen?" + +O! ken je dien nog niet?" + +Neen!" + +'t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie +vroeger bij 'n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie +zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat's zoo'n mirakel +van 'n vent. Hij heit nog n haar en n tand en de rest is beentjes +met 'n jas van dankie meneer" er over. 'n Liefhebber van een slokkie, +erg! Maar vinnig, als 't er op ankomt ook." + +Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg 'm +maar weg achter je stropdas." Juffrouw Jaling maakt met twee vingers +van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt. + +Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie +niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om +'n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.--O Pietersen!--O! +Pie-ie-ietersen!" + +Mensch, wat begin je?" + +Nou! mot je 'm niet ereis zien? 't Is wat 'n smakelijke poelepetaat; +misschien krijgt ie nog idee in je; zoo'n dikke weduwvrouw zonder +kindere zou 'm nog wel lijke.--Dag, Pietersen; hoe gaat 't?" + +De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling +type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knien loopend, ziet +hij er uit alsof hij op 't punt is om door te breken. + +Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel +als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier +geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en +'t is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan +sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins +scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een +groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn +jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of +anderen menschenvriend. + +Door 't bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan +dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn +stem een klank, die aan 't klokken van een flesch, die uitgeschonken +wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig +was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die +eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze 't voortdurend zijn. +Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des +alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een +zoogenaamde pleizierige bui", die zich bij hem aankondigt door een +kleine moeilijkheid bij 't uitspreken van enkele woorden en letters. +Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat +heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog +knipt hij niet vaker dan anders. + +De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want +Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een +zoogenaamden ui" op haar lachspieren te werken; hij is de schim van +een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een +eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van +overwicht bezorgt. Hij is vroeger een heer geweest," zeggen ze, en +hoewel ze hem zoodra ze kunnen in 't ootje nemen, gaan ze nooit te +ver; dat ken je niet met 'm risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig +beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt," beweert +vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen +ernst: + +Rr-oept u, schoone dame?" + +Ja, Pietersen!" + +Meneer Pietersen, als ik u verz--zoeken mag!" + +Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: Nou, voor +mijn part mag je meheer" wezen, maar 'n meheer met angst ben je toch, +ha! ha! ha!" + +Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?" + +Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch 'n oud mirakel." + +Wanneer u me roept om geridicu--cu--liseerd te worden, beminnelijke, +dan vertrek ik liever vr ik arriveer, Donna mia." + +Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw +Daters: Hij heit 'm te pakke van middag!" en luid zegt ze: Ouwe +graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je +te wachte. Ha! ha! 'n mooi spannetje voor 'n bokkewage die twee." + +Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protge!" +Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen +toon: Verdikke! die wasch--tobbe ko--kon je wel ergens anders hebben +gezet, lieveling!" + +Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is +gestruikeld, zijn hoed uit 't zeepsop opvischt en, tegen den muur +leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft. + +Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe," lacht vrouw Daters, en +juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam +was, voegt er bij: Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers +niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! 't is de pijne waard om te zien." + +Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat +Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur, +die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is +door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe +uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd. + +Canaille-pak," zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat, +keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende +buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: Au revoir, mes anges". + +Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen +binnensmonds en gaat dan de trap op. + +'t Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen, +maar hij wacht toch even in 't enge donkere portaal, vrdat hij naar +boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit +de kamer: + + Ik volg u!" + +Dat's Annette," zegt hij in zich zelf. Och Heere! zou 't weer mis +wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar." + + De hertog heeft het al, geluk en goud en eer," + +klinkt boven hem Waltens stem. + +Jongens! jongens! 't is toch 'n ding voor Walten," vervolgt hij +hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt +hij de treden op. + +Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere +bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe +lichtstreep onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas +een weinig naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en +strijkt de enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad. + +Binnen!" roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft +aangeklopt. + +Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat hij +zwijgen moet. + +Zijn me voil monsieur le Directeur" besterft hem op de lippen, als +hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe: +Geen grappen, hoor je! 't Is heelemaal mis, o, zoo erg! 'k Heb 'n +nachtje gehad!--Ze is nu Donna Sol. Begrepen?" + +Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en slaat +dan langs zijn rooden neus een mewarigen blik op de vrouw, die op 't +bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze +langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te +herkennen en zegt: + + Wij gaan op morgen saam--ik wil niets anders meer. + Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven." + +Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen naderen +moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten hem haastig toe: Maar +ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!" + +Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor 't +bed, kust de hem toegestoken hand en zegt: + + Ik nader, Donna Sol, ik plaats me aan uw voeten." + +Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend, +vervolgt Waltens dochter: + + O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven. + Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven? + Geliefde! 'k weet het niet, maar zeker is 't, o ja! + _Ik_, ik ben uw slavin. Ga wr gij wilt, ik ga. + Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen. + Waarom?... 't Is m' onbewust... Met u noch angst noch vreezen, + Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat, + Is 't of mijn hart niet meer in d'engen boezem slaat. + Hernani! spreek dan toch....." + +Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik +tegen de deur van 't keukentje leunend, de zonderlinge groep dr voor +hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: Zeg +maar wat, als ze je de de wacht"[1] geeft; anders wordt ze zoo +ongeduldig." + +[1] Stichwort"--'t laatste woord, waarop de andere speler invallen +moet. + +Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet 't nu uit +verlegenheid, antwoordt Pietersen: + +'k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde Donna Sol." + +Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast haar +zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar kalm: +Je kent je rol niet; dt staat er niet. Ha! ha! ha!--wat 'n leelijke +Hernani--maar dat's minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je niet." + + Tot morgen Hernani, te middernacht! 'k Zal waken. + 't Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken. + Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken; + Aan 't venster wacht ik u......" + +Pietersen, die niet meer weet wt hij antwoorden moet, ziet met een +angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de +armen om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend, +op innigen toon vraagt: + + Weet gij thans wie ik ben?" + +Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur, die +met een mewarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een hoek +van 't vertrek zwijgend blijft staan kijken. + +'t Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder, tusschen +de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt enkele +malen een flauw, roodgele zonnestraal op 't vergroende goudgalon van +den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon hangt; +ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en 't verguldsel +van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en dan een +ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de +koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna +Sol prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw +met een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken 't +zonlicht onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele +lichtstreep langs de kozijnen heen op den houten vloer der kamer, +blijft daar afwisselend flauwer en helderder een korte poos met de +kwasten en naden van 't hout spelen en verdwijnt dan, allengs +verbleekend, geheel en al. + +'t Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten en door +de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In +de kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle +voorwerpen dommelen weg in n mistigen, vaalgrauwen toon. + + * * * * * + +Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het een rommel" noemde +wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door. + +De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den +naam van ameublement" aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een +latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat +uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen +hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en +geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de +onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite +caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om +in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die +nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen +zaken, die f uit de onderste lade zijn gevallen f daarvoor moeite +doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een +geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een +kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder +oor te bedekken. + +Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den wand +leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud afgedragen +Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest zijn einde +verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die onder den +stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden schepter en +een parapluie, die er eendrachtig uitkijken. + +Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan een kapstok +ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van +verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en +grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen. + +Op de tafel, midden in 't vertrek, liggen in kunstvolle wanorde +allerlei voorwerpen, die bij het toilet van een actrice noodig kunnen +zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met +benoodigdheden voor 't grimeeren en blanketten; verschillende +haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal +armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een +kapmantel, die half over de tafel is gehangen. + +Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje +vol rouge de thtre, met een hazenpootje er in, en een groote +krulstok ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een +halve boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn +duim in een half leeggedronken glas met melk doopt. + +Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder +en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen +eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien. + +Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder twijfel +'t beste meubelstuk dat er aanwezig is. 't Schijnt f uit beter tijden +te stammen f bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn +gekomen, want 't is een zoogenaamd Lit trne" met een hemel van +donker gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende +gordijnen zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar +toch met een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel +over 't bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad +iets troonachtigs aan 't geheel, vooral nu op die roode deken de +rijzige gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon +op 't hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud +geborduurde Turksche muiltjes steken en even van onder het witte +nachtkleed zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te +vergrooten. + +In den tegenovergestelden hoek van 't vertrek naast een bedstede staat +een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond is +verspreid. + +Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over een +paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een +Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander +liggen op 't vuilwitte Pierrotpak, dat te zamen met een duffelsche jas +uit den koffer hangt. + +Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk in +de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen +beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te +verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en +dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die +hier zoo akelig werkelijkheid wordt. + +Pietersen, moe van 't staan, heeft zonder gedruisch te maken een stoel +genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de +ellebogen op de knien en de handen onder 't hoofd naar Walten en +Annette, die samen voortspelen," te kijken. + +Kom, lieveling," zegt de oude man op zacht, overredenden toon houd +op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!" en zeer +voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets +beters te doen, dan deel te nemen aan 't applaudissement; hij richt +zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij +luidkeels Bravo! Bravissimo!" roept. + +Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders schrikt ze," +fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe. + +O! dat wist ik niet!" + +Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze 't +graag.--Z,--ja z doe je 't goed." + +De ongelukkige ziet met strakke oogen vr zich uit, rijst op van haar +bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond +vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee- of driemaal, +als voor een onzichtbaar publiek. + +Zie je wel, m'n lieve, dat ze tevreden zijn?--Kom! ga nu wat liggen; +je bent mo, dat zie ik!" smeekt Walten met angstige blikken zijn kind +aanziende. + +Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge +huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de +handen tegen de borst gedrukt. + +Zoo m'n kind! z is 't goed. Ben je nu tevreden? Ja h?--Dan nu +rusten. Kom! doe 't maar!" + +Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande doet +zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die een +schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en +langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen +voortdurend op n punt staart. + +Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door 't vertrek; ademloos +hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt: + + Onder 't loof der boomen, + In het donkere woud, + Is mijn lief gekomen, + Heb ik hem vertrouwd: + Hoe 'k hem heb geschonken + Heel mijn ziel en hart, + En hoe trouw mijn liefde + Storm en onwer tart." + +Neen, neen! Stil! niet doen," fluistert Walten haastig tot Pietersen, +die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen. Stil! De +bui loopt op z'n einde; als ze gaat zingen, is 't gauw gedaan.--Wat 'n +geluid, h? God! hoe jammer toch van 't kind!--Dat lied is nog 'n +herinnering aan dien--hm! dien moffen-muzikant--dien hm!--Dt vergeet +ze niet; hij heeft 't op muziek gezet, weet je?" + +Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een +waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde +goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de +nachtjapon steken, op de maat van 't lied sierlijk heen en weder. + +De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend +aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon +hij haar bewegingen en gebaren vindt. + +Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette, +die nu 't tweede couplet van 't lied meer neuriet dan zingt, hoort het +niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze +op de maat der melodie op- en neer beweegt. Walten daarentegen is naar +den hoek der kamer gegaan, van waar 't knorrend geluid komt, schopt +met den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt +Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: Wil jij je bek wel eens +houden?" + +'t Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een +hevig gestommel in de kist. + +De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt +met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan +Walten: Wat is dt daar?" + +Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort +naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met +een eerbiedige beweging aanneemt en kust. Zij slaat haar eenen arm om +zijn hals en zingt luider: + + Zeg hem luid, gij bloemen, + Hoe mijn hart verlangt, + Hoe mijn ziel, mijn leven, + Aan zijn leven hangt." + +Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn +schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij +vleiend: Ja, ja! ma chrie, dat is zoo.--Zeg! Walten, wat heb je toch +in die kist? 't Lijkt waarachtig wel een...." + +Stil dan toch!" + +Och, ze hoort 't immers niet.--Ja! ja! m'n beste, je zingt subliem. +Ja! ja! we zullen gaan zitten, h?--Ze is heelemaal abnormaal zie je +dat niet?" + +Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom...." + +'k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.--Wel sacristie! wat 'n +gestommel en 'n geknor; 't is of dr een varken in zit. Heb je +soms....?" + +Stil! 't is een big." + +H?" + +Ja! een big.--Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten, +gauw!" + +Kom! dan," herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de +krankzinnige plaats nemen op 't bed; zij omklemt krampachtig zijn hand +en staart opnieuw vr zich op den grond. + +'t Is een biggetje," herhaalt Walten, steeds moeite doende om het +dier stil te houden. Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom +.... je weet wel....?" + +Ja!" knikt de andere, ze hebben er zulk goed oranjebitter." + +In de Zwaan," vervolgt Walten, heb ik 't gisterenavond getrokken op +'n lootje van 'n kwartje." + +Ei!" + +Och! 't was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de zestien +en 't guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen." + +En?" + +Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een +lootje nemen. Jij een lootje op 't zwijntje, en wij lootjes op je +benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes +helpen; voor m'n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne +lui raak ik die plaatsen niet kwijt.--Kijk naar Annette, +Pietersen.--Stil dan toch beest!" + +Ik nam 't mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb +ik 't hier zoolang in die kist ge...." + +Ha! Ha! Ha! Ha!" lacht Pietersen plotseling overluid. + +Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen." + +O, dat's waar ook!--Stil! ze snapt 't niet,--ja toch wel." + +De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen, +opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden +nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, z +akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar +beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig +verdraait. + +Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt, +stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen +en met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar +lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard +met zenuwschokken, die haar achterover op 't bed doen vallen. + +Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn +dochter vast. Water, geef water!" roept hij. De souffleur grijpt +haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen +en polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk +voort; in de kist stommelt al knorrend de big.--Walten roept zijn kind +met angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en +akelig lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar +nieuwsgierige mannen en vrouwen, die tusschen en onder de +gordijnfranje door naar binnen trachten te zien en lachend de hoofden +bijeensteken om elkander toe te fluisteren: Nou is de kemedie goed n +den gang; hoor ze nou ereis angaan. Wat 'n spul! Wat 'n spul!" + + * * * * * + +De kemedie" is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half uur +is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen, vermoeid +en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor kneuzingen +van hoofd of lichaam te bewaren, bij 't bed, waarop de ongelukkige +vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te slapen. +Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine schuimblaasjes +van de lippen en eenige kille droppels van 't voorhoofd, dan brengt +hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu en dan +schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de +oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is +voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering +aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt. + +Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw, +die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om +den mond stil blijft liggen. + +Dat's me een baantje geweest," zegt Pietersen, die met zijn mouw +langs zijn voorhoofd strijkt. Heb je niet een druppeltje van een of +ander in huis, Walten?" + +'k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet." + +Hum! dt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wl." + +Dat's juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent, als +je maar niet zoo...." + +Pimpelde, h?--Och! spaar je Philippica's, die kennen we; ik weet +wel, dat je 't goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo'n +likkebror, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig +niks,--niemendal?" + +Neen!" + +Niks ter wereld, rien du tout?" Pietersen ziet den ouden man z +doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en +guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: Hum! +misschien heb ik nog een druppeltje brandy; 'k heb laatst een flesch +cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou +drinken." + +C'est tout ce qu'il me faut, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat +voor me zoudt opduiken, h h h!" + +Nou ja, maar...." + +Geen excuses, mon Directeur; voor den dag er mee." + +Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds, +voor _zijn_ doen, _te_ lang nuchteren geweest. + +Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch +te voorschijn, vult 't eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het +voor den souffleur neer met de woorden: Daar dan; meer krijg je in +geen geval." + +Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot +grijpen vooruitgestoken, naar 't glaasje, dat hij knipoogend toelacht; +maar op 't oogenblik dat hij 't aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk, +met een licht kuchje: Et vous, mon Directeur? Neem je niet zoo'n +klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit." + +Ik ben niet koud, maar 'k voel me al dagen lang ongesteld duizelig, +onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar 'k ben niets wl." + +Dan moet je juist zoo'n cognac fine nemen. Une petite goutte, mon +Prince.--Aprs vous dan!" + +Neen! ga jij je gang maar!" + +Jamais de ma vie!" Pietersen schuift met ware zelfverloochening het +glaasje naar Walten. + +Och zanik nou niet; drink uit." + +Neen!" Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt: Ik +begrijp je: geen glaswerk meer in huis, h?--Qui se gne est gn; +dr is raad voor." En vr Walten recht weet wat de andere wil, +grijpt deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met +vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt 't vluchtig af +met de slip van zijn jas, giet den inhoud van 't glaasje er in over en +zegt lachend: Voil! dee'z beker is voor mij.--A vous!" + +Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult 't +glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet +met de woorden: 'k Word er misschien wat pleizieriger door; h! 'k +ben zoo rillerig." + +Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad." + +Ja!" + +En hoe is 't nu met de lijsten, mon Directeur? Wanneer krijg ik die?" + +Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn." + +Magnifique! Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me +sterk, dat ik 't geheele parterre en 't amphitheater voor je verkoop; +ik zal er wel een broodje uithalen." + +Tien percent voor jou, Pietersen." + +Akkoord! Misschien kan ik nog wat loges ook plaatsen." + +'t Is te wenschen! Ik moet, vrdat ik mijn benefiet bepaald +annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten." + +Hoeveel?" + +Driehonderd gulden!" + +Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.--Zeg! die cognac is dlicaat. +Smaakt ze jou niet?" + +Ik hou er niet erg van." + +Ik wl!" Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het +schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend: +Da capo, mon Prince." + +Neen! je hebt genoeg; 't deugt je niet." + +Kom!--'n Halfie dan?" + +Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan 'n half." + +Bon! maar 'n slordig halfie, h? Dan werk ik morgen met meer ambitie +en dubbel hard." + +Onverbeterlijke nathals, dr dan!" + +Merci!--Op je gezondheid, hoor!" + +Vader!" klinkt uit 't bed Annettes stem. Vader! Een glas water +asjeblieft!" + +Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg, +gaat naar 't bed en vraagt: Ben je wakker lieveling? Wou je drinken? +Ben je weer beter?" + +Ik ben zoo moe, 'k heb zoo'n dorst, zoo'n hoofdpijn." + +Je hebt ook weer 'n toeval gehad, m'n kind; 't is geen wonder, dat je +arme hoofd dan klopt. Wil 'k er een doek met water op leggen?" + +Nog niet; eerst wat drinken, vader!" + +Goed, Netje! Hier, drink dan maar." + +Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich op +en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der +tafel is gaan zitten, bemerkend: Wie zit daar?" + +Pietersen." + +O! zoo, Pietersen." + +Dag, juffrouw! Is 't 'n beetje over?--Jongens, jongens, wat had je 't +benauwd daar straks." + +Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand, +laat me slapen." + +Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is 't z goed?" + +Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil 'k +niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?" + +Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart." + +En die kroon,--wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?" + +Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je." + +Deed ik?" + +Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!...." + +'k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand, vader; +hou m'n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!" + +Walten zit op een stoel, naast 't bed en omsluit met zijn rechterhand +Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht +liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die +zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken. + +Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en +kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat +wordt rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna +onmerkbaar gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem. + +Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de koffer +plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de +handen om de opgetrokken knien samengevouwen, zit hij doodstil vader +en dochter aan te zien en mompelt: Wonderlijk! nu gaat ze slapen, +rustig en kalm; 't is toch een allerzonderlingste historie: 'k +begrijp er niks van.--Slaapt ze nu, Walten?" + +St!" + +Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in 't vertrek, alleen +nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken van de +big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt of +heen en weer schurkt. + +Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne +glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan +een der cretonnen draperien los, zoodat 't gordijn de slapende vrouw +halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf: + +Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust." + +Heeft die bui dezen keer lang geduurd?" vraagt de souffleur +opstaande. + +Van gisterennacht tot nu." + +Dat's lang, zoo'n heele nacht." + +Ik ben ook doodop; 'k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al niet +richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik t'huis +kwam. Ze begon met Ophlia te wezen." + +Mon Dieu!--En jij?" + +Ik was Hamlet natuurlijk." + +Heelemaal buiten je emplooi," merkt Pietersen aan, met 't ernstigst +gelaat der wereld. + +Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: Toen werd +ze in eens Ines de Castro en later Donna Sol.--Dat was ze nog, toen +jij kwaamt en...." + +Ja!--'t Is toch ongelukkig voor je, Walten!" + +Wel is 't dat," zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een traan +uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: En voor haarzelf 't +ergst." + +Nu is ze zoo goed, als 't maar hoeft,--merkwaardig goed, mon +Directeur!" + +Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden jaar +heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien....." + +Jawel, van 't gesticht." + +Juist!--Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze +voortdurend geobserveerd moest worden." + +C'est clair!--Zeg! dat beestje in die kist is geen eau de cologne. Je +hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat's me 't +zelfde." + +Neen! ik rook al sedert lang niet meer." + +Och kom! en je was vroeger zoo'n liefhebber." + +Ja! maar Netje kon er niet meer tegen." + +O!" + +Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt dan: +Als ik nu maar 't geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt, dat +'k haar kan laten genezen, dan....." + +Hoeveel moet er wezen?" + +'n Goeie vijfhonderd, op z'n minst." + +Hm! die blijven er wel over, als 't een beetje vol loopt." + +Zoo reken ik ook, Pietersen.--Och! als ik haar maar eerst van den +vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,--ik kan nog best +mee;--dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en....." + +Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog Walten +strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als wilde +hij zeggen: Dat zal er nog om spannen." + +De andere vervolgt: 't Is wel niet pleizierig om ondergeschikte +rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al +niet voor je kind? Wie weet wanneer zij weer heelemaal in orde is, of +ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig +veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is 't niet zoo?" + +Zeker, mon Prince, zeker!" Pietersen spreekt schijnbaar in vollen +ernst. + +En wat 'n geluid, h?" + +Kolossaal!" + +En wat 'n verschijning!" + +Kapitaal!" + +Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar +als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op 't tooneel een +schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog +goed" was." + +Oui, mon directeur!" + +Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch +Walten, noch Pietersen hebben 't gehoord, en daarom zien beiden +verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren +zeggen: Pin jelui hier toof? 'k Hv wol dreimaal jeklopft." + +Wblief!" vragen beiden ongeveer te gelijk. + +Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig +witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een +oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: Wer von +jelui ist Walten?" + +Ik! En u is meneer Trger!" + +So! ja noe herken ik je; 't wordt hier al doenkel." + +Wat wenscht u?" + +Was ich will?--Noe das soll jij wol begrijpen" en terwijl de dikke +man zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt, +zegt hij: Ich will de couleur von jou centen 'r is zien." + +Ik heb waarachtig niets op 't oogenblik, baas Trger; maar wees niet +bang: je geld zul je hebben." + +So! soll je denken?" + +Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je...." + +Papperlapap! 'n benefiz--so'n praatje kennen wir; das heb jijlui +komdianten-volk immer bij der hand; wann's voorbij ist, krijg jelui +gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op." + +Maar baas Trger, ik heb je toch altijd eerlijk betaald." + +Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om je +das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet." + +Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn +lippen trillen, als hij antwoordt: Ik ben een eerlijk man, baas +Trger, en als ik 't had, zou je dadelijk geld krijgen; maar...." + +Maar noe hv je 't nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von +de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die +is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil +'k nicht nehmen weil je kind krank ist.--Oend noen basta! overmorjen +verhuis je,--versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig +blijven; dat doe ich omdat jij Walten" bint, waaroem ich vroeger so +dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.--Noe! +bin je zoefrieden?" + +Schamper lachend, antwoordt Walten: O! volkomen". + +Komn, dat's joet; dan kennen wir als vrinden sjein. Jij bint +allezeit 'n fatsoenlicher kerl geweest oend...." + +Drom moet ik met m'n zieke kind op straat? 't Is mooi, baas +Trger." + +Kan d'r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die 'n +puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d'r over klagen das +jijlui zoo spektakelt." + +Maar, Trger! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang +je 't zeker en...." + +Das ist mir ejaal. Hv je jeld?" + +Neen!" + +Dan overmorjen von die kamer af--verschta je?" + +Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord, +vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt +daarom op tamelijk gezwollen toon: Mijnheer! 't is een crime om een +fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert, +dat zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen +spekslagersziel. Je hart is gevoelig!--Is 't niet zoo?" + +Nein! ich will blos jeld." + +Kom, kom! mon Prince, je meent 't niet! Nog een wijl geduld en alles +komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil +garant blijven, dat...." + +Kottorie! das waar noch besser!" De spekslager ziet Pietersen aan en +nolens volens moet hij lachen. + +Qui rit, est desarm," zegt Pietersen, maar bij Walten komt +plotseling de oude trots weer boven. + +Pietersen voor mij borg blijven? Ba!" denkt hij, 't is al te akelig; +z ver is 't dus met me gekomen." Hij heft het hoofd hooger op, doet +een pas vooruit en zegt: Ik zal je betalen, baas Trger, morgen aan +den dag. Hoeveel ben 'k je schuldig?" + +Acht-oen-vierzig joelden!" + +Kom ze morgenavond halen!" + +Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich +dadelich wat op afrekening jeeft, dan...." De spekslager houdt +eensklaps op met spreken, steekt 't hoofd vooruit en luistert, want +uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid +op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de +kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.--Ja! 't is een +gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. Maar hoe is 't +mogelijk", denkt hij, hier?" + +Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen, +knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den +wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven: +Daar krijg ik op eens een idee" en is met twee stappen bij de kist. + +Voordat baas Trger eigenlijk weet wt hem gebeurt, voelt hij den +snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij +schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat +Pietersen met n greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen +drukt met de woorden: Il te connait, beau masque! Dr! neem dat op +afrekening; dat's voor jou contant geld, mon Prince!" + +Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt," roept +verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van 't vak, de +big, binnensmonds zeggend: 'n Feines diercke, joet soort, moess nog +fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig." + +Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de +andere er in slaande, roept de souffleur: Voor vier ben je koopman!" + +Drei!" + +Vier!" + +Noen in Kottesnamen, 't is jekocht." + +Mooi!" En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem +wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: Neem 't mee, baas Trger! +Maar zal u 't goed behandelen? 't Is zoo'n lief beestje." En met een +traan in de stem voegt hij er bij: We waren er al zoo aan gehecht, +niet waar Walten?" + +Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af. + +Noen, soll ich's mitnemen voor 'n tientje?" + +Ja, ja! maar laat 't in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!" Walten +ziet angstig naar 't bed, waarop zijn dochter rust. + +Sjreeuwen thoen al die ferkens; da's die natoer." + +En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M'n dochter ligt daar ziek +achter dat gordijn en dus..." Met een tamelijk trotsche beweging wijst +Annettes vader naar de deur. + +Kott im Himmel! armoeth hvt 'n hooge broest ooch nog; allemaal +Komdiantenbluf. H! H! H! H!" + +Lach niet, kerel, of...!" + +Maak je niet boos. Dat 's heelemaal verkeerd, mon Directeur!" zegt +Pietersen, die 't onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar z tegen +zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend, +vervolgt hij soetsappig: Meneer Trger, je moet dat zoo hoog niet +opnemen: hij meent 't z niet.--'n Fijn varkentje, h?" + +Wie er 's nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das +overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze +rataplan op de jroote schteenen." + +Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar +onverstaanbare woorden. + +Walten ziet angstig naar 't bed en zegt kalm, bijna fluisterend: Je +_zult_ 't hebben, baas." + +Joet, maar noen verder?" + +Verder?" + +Jawol, denk jij dat ich jou op 's nieuw drei monate zal laten wonen +oend....?" + +'k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik +je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om 't hardst, en mijn +arme Netje _moet_ rust hebben." + +Jou Netchen kan mir jestohlen worden." + +Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den +grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas +Trger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe: + +Breng me niet tot 't uiterste; ga heen, man!" + +Er ligt iets in Waltens blik, in 't heesche geluid van zijn stem dat +den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat +gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn +dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer +bewegend: Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen. +Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit, +macht samen vieroendfnfzig. Wenn jij die morjenabend vr negen uur +nich hev't; logier jij verder in 's Htel blauwe lucht, verschta +je?--Adj!" + + * * * * * + +Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op +den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs +het lijf hangend, het hoofd vrovergebogen, in doffe moedeloosheid +voor zich zit te staren: Jij bent en blijft toch altijd onpractisch, +Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen +met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zver +gekregen, dat hij...." + +Ik wil van zoo'n vent niets hebben, geen consideratie, geen...." + +Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je +benefiet niet veel over. Betaal je morgen hm, dan weet overmorgen de +heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve +dt zal 't nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden +voorschot wil geven op je...." + +Pietersen, hou je in godsnaam stil!" + +Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?" + +Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je +hebt zoo'n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?--Ga +nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. 't Zijn eerste galerijen; +die kun je hier en daar wel plaatsen." + +Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.--Hm! heb je soms niet +een versleten gulden voor me ter leen?--" + +Neen!" + +'n Paar kwartjes dan?" + +Och!" + +Nou n dan?" + +Enfin! daar heb je er n. Maak nu dat je wegkomt." + +Mon Prince! waar er n is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje +bij; ik heb m'n portemonnaie thuis gelaten." + +Dr dan!--En nu...." + +Vertrek, heer graaf,"" zooals Egmond zegt. Adieu!" + + * * * * * + +Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel +en ziet naar 't flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de +groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is. + +De avond valt; 't is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met +een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje +lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die +hij z op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen +kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt +rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt +hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er +voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand +over 't zacht bedauwde voorhoofd der slapende. + +Langzaam knielt hij neder bij 't bed, legt zijn wang tegen Annettes +hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang--heel lang. + + +III. + +Hoe staan we er nu mede, Walten?" vraagt den volgenden dag de +Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een +portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vr hem +staat. + +Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?" + +Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jrme Duflou in +Arthur of zestien jaren later." + +Hm! die rol is niet groot voor 'n beneficiant." + +Wat dunkt u dan van De Vrek?" Die heb'k altijd met succes gespeeld." + +Niet kwaad, ten minste wanneer je..." de Directeur zwijgt een paar +seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan--hm! +wanneer je die rol nog aandurft." + +Ng...?" Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft. + +Ja! je wordt een dagje ouder en 't is een zware rol." + +O, ik ken ze nog wel op mijn duim. 't Is een van mijn beste creatin; +ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een +engagement te zoeken. 't Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had, +die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel +weer willen optreden." + +In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden +man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende +verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen: +Jij?--Zoek jij nog een engagement? Neen, 't is niet zoo, je houdt mij +voor 't lapje." + +'t Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er +snel bij: Ik meen 't in vollen ernst: als u me kunt emploieeren..." + +Daar zullen we later wel over spreken. Walten.--Vertel me nu eerst +eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?" + +'t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten +bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder +met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: _'t +Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt._" + +Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer +succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen +heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van 't tooneel; +ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en +daarom...." + +Walten wordt bleek; dat gezegde: Enkelen zullen zich jou nog wel +herinneren" heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige +waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de +herinnering van enkelen; den Walten van 't heden kent men nauwelijks +meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen, +wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan +antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: 'k Heb al een paar oude +kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen; +maar--als u 't niet kwalijk neemt, meneer Schrder, wou 'k wel gaan +zitten, want...." + +Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden, +excuseer mijn lompheid!" En snel opspringend, neemt hij een stoel, die +onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten. + +Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale +bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een +congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. Ik +weet niet wat mij mankeert, meneer Schrder, maar in den laatsten tijd +heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om...." + +Wel, m'n goeie man, geneer je niet, neem je gemak." + +Dank u; 't gaat nu alweer over. 't Is een alleronaangenaamst angstig +gevoel; tusschenbeide weet ik n oogenblik niet waar ik ben, dan +draait me alles voor de oogen en zou ik z neer kunnen vallen." + +Dat's niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?" + +O, als u 't bij de hand heeft, graag." + +Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is +het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te +zien, dat hij nog niet geheel normaal is. + +Ik denk, dat 't van 't heen en weer loopen en draven komt," zegt hij: +ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb 'k weinig nachtrust gehad +in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw +achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken +vrij. 't Is treurig, erg treurig." + +We willen 't beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde +behandeling komt," troost de Directeur. + +Juist! dt heeft ze hoog noodig; in 't gesticht zou ze...." + +Ja, ja!" valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds +herhaalde malen 't relaas van den vader heeft gehoord; en om een +andere wending aan 't gesprek te geven, vervolgt hij: Hoe sta je met +de artisten?" + +Goed!" + +Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt +krijgen, des te beter." + +Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andre +zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt." + +Hoezoo?--Die moet je vooral hebben, die is op 't oogenblik the grand +attraction."" + +Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou. +Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat _ik_ wel begrijpen zou, +dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi +vallend, kon aannemen." + +Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo +goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar +aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is +erg van 't hondje gebeten, nogal over 't paard getild.... Binnen!" + +Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en +rijst werktuiglijk op van zijn stoel. + +Is er belet?" vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te +gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer +intelligent en prettig voorkomen, om 't hoekje van de deur. + +Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!" +antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende +dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten +en neemt op den haar aangeboden stoel plaats. + +U komt als geroepen, mevrouw!" + +Waarom?" + +Hier is"--de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn +stoel staat,--Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen +of...." + +Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!" En vriendelijk +lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem +zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: Ga eerst weer +zitten, collega. 'k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu +zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit. +Ben je ziek geweest?" + +'k Voel me niet wel, mevrouw!" + +Dat's verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den +laatsten tijd.... hm! hoe zal ik 't zeggen...." + +Dat ik oud word, mevrouw! Zeg 't maar." + +Nu, nu! dat bedoel ik z niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je +benefiet te geven?" + +Ik hoop De Vrek"." + +Ei! dat's geen kleinigheid. Ben ik er ook in?" + +Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; 'k had u +beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om...." + +Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf." + +Ja?" Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe. + +Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?" + +Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw +emplooi...." + +Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan; +geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een +collega en vooral voor iemand zooals jij, die z getobd heeft, doe ik +alles. Als 't niet anders kan, figureer ik zelfs mee,--ten minste als +je mijn naam graag op 't programma wil hebben," voegt zij er met een +klein vleugje van ijdelheid bij. + +Wat is u goed, mevrouw Groote!" + +Zie je, Walten, daar spreekt nu 't artistenbloed," zegt de Directeur; +en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: Juffrouw Andre is +minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd." + +Wel! wel!" antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid +in haar stem. Nu, zoo'n grrroote artiste mag haar kuif ook wel +opzetten. Zoo'n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben, +is 't niet zoo?" + +Ja, mevrouw." + +'t Is om te lachen,--zoo'n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een +mooi figuurtje,--dat 's waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij +niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel +komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! drvan heeft ze +geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?" + +Nog geen rol; 't was maar bij voorbaat, dat zij...." + +Wel goeie hemel! wat 'n drukte voor niemendal!--Luister eens, Walten, +ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, h?" + +Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als 't niet in haar..." + +Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dt kennen we!" +En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener +coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende +stem: 't Spijt me menrrh Walten, mrrh wanneerrh de rrhol niet.... +Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen +loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur 't +goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles--ik heb 't land aan dat +creatuur--en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn lve, een goeie rol. +Dat's een aardig eenvoudig kind met 'n snoepje van 'n gezichtje en met +meer talent dan die grrhoote juffrrrhouw Andrrhe." Dan zetten we op +'t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, lve van Mevrouw +Groote.--Wat zeg je daar van, meneer Schrder?" + +Nu, dat 's nog zoo kwaad niet," merkt Schrder, die eigenlijk +juffrouw Andre ook niet goed lijden kan, aan. 'n Debuut met 'n +benefiet samen is een goed idee." + +Mevrouw, 'k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb." + +Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.--Kijk!" Mevrouw Groote wrijft +zich eventjes in de handen, ik ben heusch in m'n schik, dat we die +Andre er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan +haar niet zetten; ze heeft zoo'n paar opera-maniertjes, die 't publiek +aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit +de stalles, 't balcon enz. Voil tout! Voor 't overige zit alles er +dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen +dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen...." + +Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo _heel lang_ en beter +kende, zou ik werkelijk denken, dat hier 'n beetje jalousie de +mtier" in 't spel was," hervat Schrder, lachend mevrouw Grootes +woordenvloed stuitend. + +Kom, Schrdertje! dat weet je wel beter; _ik_ heb me waarachtig niet +te beklagen, _ik_ heb succes genoeg gehad"--en met een zelfgenoegzaam +lachje--en nog succes! Begrijp je, dat's veel gezegd, als men bijna +vijf en dertig jaren op de planken is.--Maar ik zie, dat je heen wilt +gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en +repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens +flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil 'k ook 'n +beetje eer met 'r inleggen." + +Wanneer dunkt u dan, meneer Schrder?" + +'k Zal er met den rgisseur over spreken; overmorgen weet u 't." + +Best!"--Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed. + +Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog n raad geven. Je moet +na De Vrek" een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische +rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien +hebben en die zoo'n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de +zuster van Jocrisse.--Ja, hm! voor Jocrisse ben je--hm! niet boos +worden!--een beetje af-tandsch. Maar--zing je nog?" + +Walten antwoordt kortaf met een zucht: Neen Mevrouw!" + +Dat's jammer; anders zou ik je proponeeren: 't Huishouden van den +schoenlapper" of De Behanger"." + +De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en +denkt: Sic transit." + +Ik weet wat," gaat mevrouw Groote voort. Geef als toegift: De +dochter van Dominique"; dan speel jij voor Nicolaas den knecht--dat +kun je best, en ik zal de Cathrine spelen; dat 's altijd een +glansrolletje voor me geweest,--al zou ik dat nu alleen maar doen om +aan die Andre met al haar drukte te laten zien, dat _ik me nog jong +kan_ maken, als mij dat blieft"; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den +Directeur even aan. + +Is dat een pique sous l'eau, mevrouw?" + +Onder of boven water, meneer Schrder, zoo je 't nemen wilt," lacht +mevrouw Groote en vervolgt: Nu, Walten, wat denk je daarvan?" + +'k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt 't +weer. O!" + +Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?" roept mevrouw Groote, die nog +juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen +behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar +geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. Vadertje wat wordt +je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?--Duizelig?--Zoo, is 't al +weer over? Jongens! jongens! je moet er 'n dokter over spreken; dat 's +geen gewone toestand.--Ben je nu weer klaar?--Wat voelde je eigenlijk, +Walten?" + +Duizelig, flauw, 'k werd wee!" + +Zenuwen!--Hier! drink eens." + +Ja!" Waltens tanden klapperen tegen den rand van 't glas, dat mevrouw +Groote hem heeft aangegeven. + +Zenuwen zijn 't, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in +de lucht. Wil 'k met je meegaan?" + +Neen! neen! dank u." + +Zeg, Schrder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?" Mevrouw +Groote vraagt 't fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en +zegt haastig: + +Och! asjeblieft niet; 't is nu heelemaal over. Ik begrijp 't wel: ik +ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet +geweest, en....." + +Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat +kan den besten gebeuren.--Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe! +ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. H, ja, laten wij eens samen +lunchen", als ouwe collega's, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren +mag je niet, hoor kameraad!" + +Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als +zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur +zegt: Excuseer ons, Schrder; wij gaan koffiedrinken.--Ik kom straks +wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.--Komaan, beau cavalier, +je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo'n tte + tte gunnen." + +Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: Als jij refuseert, +refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om +je te schaken." + +Schrder ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op 't +hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: Heb je nog wat?" De +oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt +geleid, knikt ja" zonder dat zij 't ziet. Daarom roept de Directeur +hem met: Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets +zeggen", terug. + +Gauw dan; ik wacht hier", zegt de actrice. + +Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt Schrder: Wat wou je +me vragen?" + +Meneer Schrder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... 'k Heb +dringend geld noodig; 't is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik +moet van avond huur betalen; anders...." + +Heb je veel noodig?" + +'n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: 'k heb nog +een paar kwartjes in huis.--Zou u me niet 'n honderd gulden voorschot +willen geven?" + +Hum!" Schrder denkt even na. + +'k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft +gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en...." + +Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?" + +Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent +de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten +teekenen.--Zou u....?" + +Enfin! 'k zal je maar helpen." + +Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!" + +Dadelijk, mevrouw!" + +De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van [f]25 +uit, geeft die aan Walten en zegt: Ziedaar dan, maar meer dan dit +geef ik in geen geval." + + * * * * * + +Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en +gebruiken met smaak een eenvoudige lunch." + +Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij +het noemt, op zijn gemak" te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt, +laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel +deelnemend woord, een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen +tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te +ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig--hij +merkt het niet--en met klimmende belangstelling en innig medelijden +ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de +andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling +vraagt zij: En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?" + +Zeker!" + +Voorgoed?" + +Voorgoed!--U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is; +dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld." + +Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.--Kom! we hebben +gedaan met eten, laten we opstappen." + +U bij mij aan huis? Neen! dt kan niet." + +Waarom niet?" + +Neen! Neen!" + +Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je +soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te +zeggen, dat jij dames seuls" ontvangt? Ha! ha! ha!--Vooruit dan, +kameraad." + +Neen, mevrouw, 't is onmogelijk.--Aannemen!" + +Wou je nog iets gebruiken?" + +Neen!--U?" + +Ik ben voldaan!" + +Ik ook.--Hoeveel is 't, Jan?" + +Twee gulden zeventig, meneer!" + +Hier, wissel me dat bankje eens; 'n dubbeltje voor jou." + +Maar, Walten, wat doe je?" + +Ik betaal, mevrouw!" + +Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?" + +De eer aangedaan met mij koffie te drinken." + +Goeie hemel! wat 'n vent!" + +Ik ken Goddank m'n wereld nog wel, mevrouw!" + +Je bent 'n gek, 'n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch +ben je n' aardige kerel, ouwe heer!--Kom! laten we nu even naar je +huis gaan. Toe! laat me je dochter eens zien." + +'t Kan niet, waarachtig niet!" + +Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling: +Kom! 't is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit +Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet." + +Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: Ja, +dat's waar, dt doet ze eenig; maar--van wien heeft u 't gehoord?" + +Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?--Hm! hm! O, ja! van +Pietersen, den souffleur." + +Walten heeft 't oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote +zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: Ja, dat kan wel; +die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was. +'n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!" + +Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!" En met +een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op +Waltens arm. Dat pleiziertje doe je me wel, h?" + +Maar...." en Waltens blik wordt diep treurig--dat was vroeger; nu +doet ze 't niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij +me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!" + +Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol +zei of een fragment en...." + +Neen! alleen als ze...." + +Mevrouw Groote ziet hem z medelijdend en met een licht hoofdschudden +aan, dat hij onwillekeurig zwijgt. + +Laat me haar toch maar eens zien, Walten!" + +'t Is zoo'n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo'n hevigen aanval +heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekar; en je _moet_ 't +kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt, +met zoo'n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar...." + +Wat 'n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel +gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot +in dat kleine gebouwtje de Varits" speelden; ik was toen negentien +en pas bij 't vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of +zes ouder.--Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om +complimenten te maken." + +Nu, dan in Godsnaam, omdat u 't _wil_!" + + +IV. + +'t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want +'t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht +zwaar. + +Oude heer," had de Directeur Schrder hem gezegd, terwijl hij hem +gemoedelijk op den schouder klopte, ik vertrouw, dat je 't +verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me, +wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen +teekenen,--eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de +lijst laat aanbieden." Dit laatste zei Schrder er bij, omdat hij op +Waltens gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen +hij zoo ondoordacht zei: Wanneer ze jou zien." + +'t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een +geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald--aan den lijder +zelf, die zijn toestand maar al te goed kende. + +Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook +Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een +fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn +bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. 't +Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en +verviel; de vermoeienis van 't loopen bracht er misschien ook nog toe +bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk 't ook scheen, toch volkomen +geschikt was om medelijden op te wekken. + +De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen +daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van +'t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden +kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke +gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks +blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en +oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat +iets z diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee +hij zijn korte aanspraak bij 't aanbieden van de benefiet-lijst +begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen. + + * * * * * + +Over 't algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn: +Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.", +bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden. +Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel +dr waar hij die 't minste verwacht had. Oude goede kennissen, +begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens +droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening +op of gaven door een kort: 'k Heb al TE VEEL van die dingen aan de +hand" te kennen, dat ze er niet aan deden". Een rijk geworden +kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van de kunst" +te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en +zei: Wel, wel! ben jij nou Walten?--Manlief, 't doet me plezier, dat +ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om +jou motte lache, m'n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke +pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn +en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; 'k zal je +maar vooruit betale, want om de duite is 't toch te doen. Dat 's nege +rikse, h? Daar heb je een bankie van [f]25.--; voor dat ne +achterwiel, dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, +hoor!" + +O! 't was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die 't hart zoo hoog +droeg, om dt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl +de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met +moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar----'t was vijf en twintig +gulden op eens, en--hij was zoo moe van 't loopen, van 't vragen. 't +Schijnt bijna bedelen," dacht hij, terwijl hem 't bloed naar 't hoofd +schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te +uiten. + +Hier en daar werd hij kortaf met: Dank je, ik zal er niet van +profiteeren," afgewezen; 't deed hem minder smartelijk aan dan de +woordenrijkheid van den ploert," die zoo royaal was. + +Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke +stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend, +op zijn vraag antwoordde: Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer +Walten?--Wel zeker, gaarne! Ik zou 't u niet vergeven hebben, als u +mij had vergeten, want ik heb u niet vergeten; 'k heb veel genot en +ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog +eens weer te zien spelen.--Ei zoo! geeft u De Vrek?" 'n Mooi stuk, +een van uw beste rollen. En den Nikolaas in 't blijspel De dochter +van Dominique" toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dr spits ik +me op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef +me maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort +zullen komen." + +Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede +tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen. +Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand +uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te +gemoet kwam. + +Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts +een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den +vorm van: Meneer is niet thuis" of: We houn hier niet van comedie", +herhaaldelijk ondervond. + +Toch kon hij tevreden zijn, want 't aantal genomen plaatsen was vrij +aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als +uitverkocht. + +Pietersen liep, zooals hij 't zelf eigenaardig uitdrukte, en tempte" +de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met +spiritueus genot afwisselde,--'t hoorde er onvermijdelijk bij", +beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters +exploiteerde",--kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden +welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien +hij had binnengehaald. + +Ook aan 't bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de +aanplakbiljetten, de advertentin in de kranten en een paar +welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schrder hadden +gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den +vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op +den speelavond zelf nog wat publiek inliep", er een batig saldo voor +hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot, +voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht +te verzekeren. + + * * * * * + +Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat de rommel" bij +Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder +diezelfde vrouw voorloopig als gezelschap" bij de ongelukkige Annette +gelaten, omdat zij vond, dat de stumperd" zoo akelig alleen en +verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan +en had gezegd: Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis +geweest; 't is daar een echt treurige boel, veel armoediger en +ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de +handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man +heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.--'t Is waar, hij was +vroeger 'n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo +heeft iedereen wat.--Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de +lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem +dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een +lauwerkrans gebonden.--Wat dunkt je?" + +Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel 'n +beetje opwarmen," antwoordde Hostein. Maar hoe is 't op 't oogenblik? +Hij heeft een voorschot, h?" + +Och, beste vrind! 't was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur +enzoovoort. Maar enfin! dr is al voor gezorgd: ik heb hem wat +gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij 't graag aan, zoo'n +beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in +huis.--Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me +mee; ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. 'n Mooie vrouw is +'t zeker, 'n goed tooneelfiguur; maar wr dat talent zit, waarvan hij +zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd pris geweest van +dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner, +was 't verder niets buitengewoons.--Wat dunkt jou?" + +Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: Ieder denkt zijn +uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook +niet geschikt om....." + +Och ja!" viel mevrouw Groote hem in de rede. Je kunt op hem niet +veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen +loopt. Op de repetitie's was 't niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_ +kreeg 't benauwd voor hem; 'k geloof nooit, dat hij 't er goed +afbrengt." + +Kom! 't is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij 't +wel,--hij kent de trucs!" + +Neen, waarachtig, 't was brabbelen wat hij deed." + +Was 't z slecht?" + +Abominabel! Hij is op,--totaal op!" + + * * * * * + +'t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is +gegaan; de zaal wordt vol," zegt Walten op den avond vr het benefiet +tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt. + +C'est clair, mon Prince!" antwoordt Pietersen, en met een schuinschen +blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: En is 't nu wat +beter gegaan op de repetitie?" + +Hoe bedoel je?" + +Wel, zit De Vrek" er weer goed in?" Pietersen wijst met het boekje, +waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit De dochter van Dominique" +overhoort, op zijn voorhoofd. + +Ik geloof 't wel, maar 'k heb nog altijd last van die duizeligheid, +vooral als ik me inspan bij 't spelen. Zou dat zwakte zijn?" + +Misschien?--'t Is ook een zware rol." + +'k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er +niet goed meer in. Ik begrijp 't niet: ik kon De Vrek" vroeger als +mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik +telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed." + +Geweest!" denkt de souffleur, terwijl hij 't boekje opnemend zegt: +Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel +maar weer de wacht" geven. 't Is een echte lachrol, die Nikolaas." + +Ja! maar 't lachen gaat me niet natuurlijk meer af.--Enfin! begin +maar." + +Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de +souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder 't +hoofd, zit te souffleeren wat Nikolaas" zeggen moet, dan weer loopt +hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die +somber voor zich uit ziende, op den rand van 't bed zit en in hetgeen +in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen. + +Heb je weer hoofdpijn, kind?" vraagt Walten bezorgd, terwijl hij +zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt. + +Neen!" Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende +ochtendjapon. + +Waarom is die vrouw weg?" + +Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!" + +Neen! ze maakt leven, buiten op de trap." + +Zij? Wel neen, Netje.--Hoor jij wat, Pietersen?" + +Niets, mon Prince!--St! ze zal 't in haar hoofd hebben." + +Bonst 't weer in je hoofd, kindlief?" + +'t Is zoo warm, dr, dr," en met krampachtig gekromde vingers +grijpt Annette boven op haar kruin. + +Wil je een doek met water erop hebben?" + +Neen!" + +Hindert 't je, als we spreken?" + +Neen! maar die muziek buiten wl." + +Muziek? Er is geen muziek; 't is doodstil!--God! Pietersen, ze zal +toch niet weer...?" + +Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!" + +Maar lieve Netje, 't is...." + +Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer." + +Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw +Groote je gebracht.--Pietersen! 't wordt weer mis: wat moet ik +beginnen?" Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan. + +'k Weet het niet, mon Directeur! maar 't is niet in orde met haar, +cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, h?" Pietersen +slaat 't boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af. + +Vader! vader! laat ze uitscheien." Annettes oogen krijgen een wilden, +zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en +hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich +angstig aan Walten vast. + +Als je haar eens 'n klein tikkie cognac liet drinken; wil 'k je de +flesch eens aangeven?" vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn +breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar +worden. + +Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn +stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein +meisje was. + +Kijk! zoo'n half kelkje--c'est un tonique!--dat zal 'r waarachtig +goeddoen." Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en +Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt +terugdeinst, bij 't hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig +snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de +flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren. + +Zoo'n proefje smaakt naar meer, en vrdat Walten het bemerkt, heeft +Pietersen 't restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige +flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even, +veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: Ze lacht +leelijk van avond; 't zal een krasse bui worden. Wil 'k ook even naar +den dokter loopen?" + +Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo +meteen neervalt. Stil! 't gaat wat over." + +Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig, +hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en +Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is +genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem +toesnauwt: Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet +lachen." + +Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den +souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: Lach!" + +Lach! In Godsnaam, lach dan toch!" fluistert Walten. + +Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en +als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders +arm. Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!" + +Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de +oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij +stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt +half zittend voorover op 't bed. + +Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als +van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en +glazig de groote oogen, werpt 't hoofd trots in den nek en zegt op +bevelenden toon: _Mijn mantel!--Don Alfons, breng mij mijn +hermelijn!_" + +Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst: +Daar is 't weer! Nu blijft ze z weer den geheelen nacht, misschien +morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen +avond spelen?" Hij huivert en snikt. + +Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch +cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt +glimlachend: Waar is je alma-viva dan, m'n wijfje?" + +Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend +over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik +tegen zijn lippen. + +Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil +midden in de kamer. + +_Zet mij de kroon op 't hoofd en blijf hier naast mij staan!_" +Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast. + +Toe! Pietersen, gauw de kroon!" + +De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k--kroon ook +aan?--Verdijd! daar stoot ik m'n elleboog.--Dat bordpapieren ding is +er niet; 'n mooi l--lorrr!" + +Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dr, op de latafel; zie je ze +niet? Dr!" + +Ja, ja! nou zie 'k ze wel; hou je gem--mak, mon P--prince; ik heb ze +al. Tout doucem--ment. Z, zet ze op drie haren, sch--oone D--donna." +En vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken. + +God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb +je...? Je bent bez...." + +Dronken? Waarachtig niet, m--mon Gnral; 'n beetje tipsy maar, +legr--re--m--ment mu. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha! +ha! Annette, mon--id--le, je zit daar heel leuk. 'n Mooie troon, dat +onopgemaakte mandje!" + + Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder + En luister ned'rig naar mijn Koninklijk bevel!" + +declameert de ongelukkige luid en krachtig. + +Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest +en dan is ze straks niet te houwen." + +H--houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo +naar je zin ma--majesteit, koningin van mijn hart, r--reine de mon +c--c--coeur?" + +God! hij slaapt in.--Pietersen, word wakker!" + +H?" + +Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan +haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet +slapen!" + +Dokter? Jawel, akkoord, mdecin malgr lui, Molire. De cognac was +zuiv--ver sterk...." De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten +van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de +hand van haar vader vasthoudend verder declameert. + + +V. + +Toen Walten den volgenden avond een half uur vr den aanvang van 't +stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich in 't +pak te steken"[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht +genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in 't hoofd +en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk, +hoe vermoeid en afgemat hij was. + +[1] Tooneelterm voor costumeeren. + +Willem," zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins +kaptafel neerviel en met 't hoofd vrovergebogen, de handen slap +langs 't lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. Willem, ik kan niet +meer!--Zoo erg heeft Netje 't nog nooit gehad, en die aanval hield +maar niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, +met haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik +ben dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?" + +Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast +hem zittenden man, lei 't stuk vetschmink", waarmede hij zijn wangen +bestreek, neer en zei: 't Is verschrikkelijk;" maar toen de oude man +opkeek en hem aanzag, terwijl 't licht der gasvlam vol op zijn ontdaan +gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: God! Walten wat +zie je er uit!--Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je +maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is 't +uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk, +dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan 't waarachtig niet +helpen, ik dacht alleen om 't stuk, en jij zit daar precies, even +verslagen, als Harpagon in 't derde bedrijf, laatste tooneel." + +Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: Ik ken je immers +Willem; je meent 't goed." + +Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.--Je +pak" hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever +aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,--ik ben z +terug; 'k zal een hartversterking voor je halen." + +Och neen! ik kan toch niets gebruiken." + +Dat zul je wel!" + +Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok +zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op +den stoel, dien de andere verlaten had. + +Een blik in 't heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven +glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag +naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en +de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus. + +Ja! Willem heeft gelijk," mompelde hij: ik heb geen grime noodig." + +Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met +een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon +langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in +den spiegel vr hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn +beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de +tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn +wangen biggelen, hij zag ze n ondeelbaar oogenblik in den spiegel +weerkaatst en hij wischte ze niet af. 't Kwam hem voor alsof hij in +dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch 't +zijne was; 't scheen hem als hoorde hij een stem, die hem +toefluisterde: Die man is Walten immers niet?" en hij had het gevoel +van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer +terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en +vervallen terug te vinden. + +Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons +kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken +viel hem moeielijk; 't bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een +donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk 't hoofd weer +ophief en rondzag. + +'k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig," zei +hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze +haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren +streek. Maar komaan, 't is eenmaal de traditie z!" Hij zette de +pruik op en schminkte" zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van +huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar +zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn +wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige +wangen. 'k Ben sedert drie dagen niet geschoren. 'k Heb 't glad +vergeten," dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel +wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: 't Past nu goed in de rol; +hum! ik zal...." + +Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu +eens achter mekaar uit," en met een vriendelijken lach hield Hostein +hem een glas melk met geklutste eieren voor. + +Je bent toch een goeie kerel, Willem!" + +Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar n lepel rum +in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen." + +Onder 't drinken even ophoudend, zei Walten: Ik kan 't haast niet +inkrijgen; 't is alsof ik 'n stuk in mijn keel heb, dat 'k niet +doorslikken kan." + +Kom, kom! allemaal gekheid! 't Moet erin." + +Heelemaal?" + +Achter elkaar, anders helpt 't niet. Z! Je zult eens zien, hoe je +daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je +heelemaal. 'k Heb zoo'n voorgevoel, dat je van avond een succes zult +hebben." + +Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar 't goede hart, dat hij +zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. Hum!" ging hij +voort, ik heb van morgen nog van Schrder gedaan weten te krijgen, +dat de souffleur vanavond vrijaf heeft." + +Wat zeg je daar?" Met schrik zag de oude acteur hem aan en een +ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend +bijvoegde: We spelen De Vrek" achter mekaar af, de vijf bedrijven, +zonder scherm neer en we zijn z rolvast, dat...." + +H, jij zonder souffleur, Hostein?" zei Walten, even glimlachend. + +En jij zonder souffleur?" gaf de andere lachend terug. En terwijl hij +Harpagon" vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij: +Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten--'k ben van jou +school, papa Walten--maar ik heb van Schrder gedaan gekregen, dat +Pietersen van avond souffleert." + +Pietersen?" + +Ja! 'k Heb 't om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en +ik dacht...." + +Dank je, Willem! Ja, 't is waar--'k heb hm liever als dien anderen; +hij kent me beter. Maar.... zeg?" + +Wat?" + +Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles +gedaan is?" + +'t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!" + +Daar wordt geklopt, Hostein." + +Mag ik binnenkomen?" klonk buiten de deur mevrouw Grootes +vriendelijke stem. + +Entrez!" + +Dadelijk daarop kwam de actrice--als Frosine gekleed--Hosteins kamer +in en wendde zich tot Walten, met de woorden: 'k Wou eens even komen +kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat 't +weer mis is bij je thuis. 'n Ellendige historie voor je, arme vent! En +is ze nu alleen?" + +Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig." +fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe. + +Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?" + +Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw." + +O!--En?" + +Die blijft totdat ik terugkom van avond." + +Goed!--Jongens, jongens! wat 'n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je +nog eens goed, h? Heb je al door 't scherm gekeken? 't Is stampvol. +De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je +nu van mij?" Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! Heb ik +me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, 'k doe 't voor +jou; anders speelde ik de koppelaarster" niet.--Hou je nu goed, +hoor!--Heb je vandaag nog kunnen leeren?" + +Ik?--Groote God! wat 'n vraag!" + +Och, dat 's waar ook, daar dacht ik niet aan.--Nu, dan maar +hengelen,[1] ouwe heer!" Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd, +maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst +en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag +uitdrukte: Hoe zal dat afloopen?" + +[1] Op den souffleur spelen. + +'k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond," zuchtte +Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten +schrik de stem van den inspicint vernam, die, in de gang tusschen de +kleedkamers loopend, riep: Tot den aanvang, dames en heeren!--Tot den +aanvang!" + +Vr het gewone: _van 't tooneel_" en _aan 't gordijn!_" van den +inspicint weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even +de hand, klopte hem op den schouder en zei: Wees nu maar kalm en +bedaard. Hoe is 't mogelijk, dat je z zenuwachtig kunt wezen, zoo'n +ouwe troupier" als jij...? En denk er vooral om, dat je aan 't eind +van 't tweede bedrijf bij je sortie" nog even 't hoofd om de deur +steekt, om me _tot wederziens_" toe te roepen; dan kan ik beter mijn +claus zeggen--en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de +verte toeroep: + +_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!_"--Denk +er asjeblieft om, want op de repititie heb je 't telkens vergeten. En +nu: goed succes.--O ja! nog iets, in 't vierde bedrijf, wanneer ik dat +gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik af" moet, nog even +terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je z met je hand,--je +maakt zoo'n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een +woedend gezicht en maak nog een nijdige dienaresse"; daar heeft 't +publiek pret in, begrijp je? 't Is anders zoo'n ellendige sortie", +z mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar +komt; en ik _wil_ applaus hebben van avond, alln omdat Andre 't +bepaald _niet_ krijgt in haar rol als Elize.--'t Verwondert me nog, +dat ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de +anderen, vat je?" + +Daar klonk op eens het schelletje en de roep Halen!" 't Scherm ging +omhoog en 't stuk was begonnen. + + * * * * * + +'t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het schellinkie" en de +tien" zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk De +Vrek" heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet +afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren. + +Misschien ook heeft Waltens naam op 't affiche--men had hem immers +vroeger, toen hij nog in zijn kermistent alles" speelde, zoowel in +Rolla", als in de komiekigheid" bewonderd--er 't meest toe +bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten. + +Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de +spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde +tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem +moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de +hand van den inspicint op zijn schouder en hoort hij zich +toefluisteren: Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk +aan u." + +'t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt +zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat +en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter +de schermen moet spreken, pakt Laflche", die naast hem wacht, bij +den schouder, duwt hem vr zich uit op het tooneel en--dan draait en +duizelt alles hem voor de oogen. + +Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de +woorden: _Voort! 't huis uit, zonder tegenspraak, op 't oogenblik, +voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!_" waarmee zijn rol +begint in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt, +verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn +geluid reeds is bij dien eersten volzin. + +Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare +handen op 't tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor +gezorgd, omdat zij meende: 't Zal den ouwen stumperd een riem onder +'t hart steken, als hij goed wordt ontvangen." + +Het Bravo" dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt +hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor +zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich +eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor 't +publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige St! +St's" uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot +de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op, +ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en +voor eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende; +de artist in hem wordt wakker--hij is Harpagon de Vrek!" + +Het tooneel met Laflche, waarin hij diens handen en zakken +onderzoekt, wordt inderdaad goed--fijn comisch--door hem gespeeld, en +als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met +grappige verwondering uitroept: + +_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen +zijn 't; de politie moest zulke zakken verbieden,_" + +Gaat er een luid gelach op uit 't parterre. + +Hij is toch nog allemachtig komiek," fluistert een burgerjuffrouw +haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het +hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: Ja, maar hij spreekt toch +erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je 'm niet." + +Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch +dadelijk den artist"", zegt in de stalles de verslaggever van een der +bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen +brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend +antwoordt + +'t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog +z natuurlijk, bepaald alsof 't geheel en al zijn eigen gezicht is. +Kijkt u zelf maar eens, meneer!" + +'k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe +tooneelrot", zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die +naast haar staande, achter den manteau d'arlequin"[1] verborgen, +evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat. + +[1] De draperie, die vr de zijschermen geplaatst is. + +'t Valt me geducht mee", antwoordt Schrder en klapt met zijn +rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij +Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch +gezegde woorden: _Wat 'n juweel van 'n knecht!--'n Gelukkig mensch, +die er z een heeft en z goedkoop._" + + +VI. + +In 't derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant +niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van +vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: Hij is +totaal op, mr dan op" en van 't Schellinkie" klinkt nu en dan een +afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor +hun geld. + +Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit," roept er een, die, met +minder toegefelijkheid dan 't overige publiek, opmerkt, dat Walten +zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten. + +Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem, +zooals men dat noemt, er door te sleepen", 't baat niet; hij raakt +hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet +meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in 't geheel niet +meer wat hij zeggen moet. + +Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door +de tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat +eindelijk--een vergefelijk iets voor iemand van haar talent en +temperament--eenigszins knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten +geheel en al vergeet, haar aan 't einde van dat tooneel terug te +roepen. Daardoor mist zij het applausje dat zij begeert en zegt zij in +zich zelf: 't Is een treurige boel,--'k heb geen lust om er verder +naar te zien." + +In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten +tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor +hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en +trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken +worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend: + +_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben +bestolen!_" werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt +het tooneel op. + +Hij moet nu de groote scne spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot +de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn +schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen +wil om den schuldige te ontdekken. + +Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer +over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht +hij dr hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: _Ik ben bestolen. +Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om +den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of 'k mezelf +pakken moet of een ander en...._" Plotseling blijft hij stokstijf +stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan +zwijgend, strak op n punt starend, vr zich uit, even als iemand +die door een hevigen schrik bevangen wordt. + + * * * * * + +Dat speelt hij waarlijk niet slecht; 't is wel een zonderlinge +opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends +in" zegt fluisterend een dame in 't balcon tot een heer naast haar, +die even zachtjes antwoordt: Ik geloof bepaald dat hij blijft steken, +mevrouw!--kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit." + +Bedaar Arie, blijf in je pothuis!" roept een stem van boven tot +Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de +woorden souffleert: _nu is het uit met mij; uit, gedaan!_" + +'t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de +kluts kwijt," fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met +wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts +doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op +smartelijken toon herhaalt. _Nu is het uit met mij._" + +Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan 't niet langer +aanzien, dt moet een marteling zijn voor dien ouden man" herhaalt de +medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op +haar programma blijft kijken. + +Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van 't +hoofd en drukt dien voor zijn gelaat. + +Bravo! Bravo!" schreeuwt lachend van 't schellinkie" iemand die, in +die akelig wanhopende beweging spel" meent te zien en als Walten +nogmaals dof en droevig herhaalt: _uit! uit!_" klinken zelfs een paar +bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen. + +'t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en 't komt zoo in de rol +te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de +ontdekking dat 't zuiver natuur" is wat het aanschouwt. + +Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in 't +souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor +'t hoofd. + +'t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes +zegt hij: Enfonc mon Directeur" en, zich zoo ver mogelijk +oprichtend, roept hij, halfluid: Walten! Walten! luister dan +toch:--_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat 't weg +is_--alles is weg!" + +_Weg! alles is weg!_" herhaalt de oude man en als versteend blijft +hij staan, vlak voor 't voetlicht; hij beeft aan alle leden. + +Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit +Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van +medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor. + +'t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die, +wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat, +allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend +uitroept: ik ben alles kwijt, alles vergeten!" + +Harpagon" hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een +beschonkene heen en weder. + +Hij is vet", roept er een van 't schellinkie." + +Hij heit 'em om, hoor!" gilt een ander. + +Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal +opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat +zich met de pruik herhaaldelijk in 't gelaat en is op het punt van +neer te vallen op 't tooneel. + +De muzikanten staan op in 't orchest, en rekken de halzen uit om te +zien wt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer +op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. 't +Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle +toeschouwers komt--'t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder +gebeuren zal. + + * * * * * + +Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!" roept met angstige stem +een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog +juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem +onder de armen vast te houden en van 't tooneel te brengen. + +Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts, +met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen den +beneficiant", die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en +verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflche aangebracht, +is nergevallen. + +Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand, +krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen, +vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze +haren die zijn kruin bedekken. + +Ting! ting! ting!" doet de electrische schel, 't is het sein voor 't +begin van 't 5e bedrijf, dat door den inspicint van uit de regiekamer +wordt gegeven. + +God! 't vijfde," snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar +valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen +voor de oogen slaat. + +Klaar voor 't vijfde?" roept een stem uit de verte. + +Neen! neen!" schreeuwt Laflche terug. 't Doek moet vallen, roep den +inspicint!" + +Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw +begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het +hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn +omgeving. + +Als 't beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar +te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten +met onverschillige, oogen aanstaren. + +Hostein, Schrder en de rgisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld +en allen vragen doorn: Wat is er? Wat is er gebeurd?" + +Er heerscht op 't tooneel een verwarring, die zich allengs verder +uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspicint komt haastig +aanloopen, terwijl hij vraagt: Is er iets niet in orde?" + +Laat 't scherm vallen, gauw!" roept Hostein, die alles begrijpt, nu +hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als +vernietigd. + +Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld," fluistert +Laflche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: Doek vallen, +dadelijk! En 't orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan +worden!" + +Hij was niet meer te redden," fluistert Laflche, zijn plaats bij +Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig, +in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen. + +Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg 't mij maar? Stumperd, snik +zoo niet?" vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet +rusten. + +Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van +mevrouw Grootes stem. Kom!" herhaalt zij, huil zoo niet, ouwe vrind; +kom 't zal wel zoo erg niet wezen." + +Ik--ik b--ben bl.. blijven st..." Luid schreiend slaat de oude man +zijn armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, +zenuwachtig schokkend, heen en weer. + +Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu +ook nog gebeuren op je ouwen dag?" + +O God! O God!" kreunt Walten, als plotseling uit de verte een +verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen, +applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt. + +Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?" schreeuwt de Directeur. +Hoor 't publiek eens aangaan." + +Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt. + +Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw +Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: Luister er maar +niet naar, m'n goeierd.--Ja, die muziek is nu erg naar voor je, h? +Maar 't kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne." + +Plotseling richt Walten zich op. 'k Moet 't toch uit--spelen--ik +moet, ik moet en--o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles +is weg!" + +Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je +weer beter bent," troost mevrouw Groote.--Luister!--Hostein is voor +'t voetlicht, de muziek houdt op.--Hoor je wat hij zegt? Dat je door +een plotselinge ongesteldheid bent overvallen, 't gevolg van treurige +familieomstandigheden.--Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes. +Zie je, dat wil zeggen: Och! dat's ongelukkig. Neen, hou nou op met +schreien, dt kan ik niet zien. Och! 't is zoo erg niet, Walten, zoo +iets is immers wel meer gebeurd." + +Neen! neen!--nooit gebeurd Mevrouw!" snikt de ongelukkige met de +handen voor 't gelaat. + +De Directeur neemt met Hostein en den rgisseur in allerijl +maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere +acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van De Vrek" kent, +verklaart zich oogenblikkelijk bereid Harpagon" verder te spelen. + +[1] Achter de schermen aanwezig. + +In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als 't gaat gecostumeerd en +gegrimeerd, en vrdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze +doen of laten moeten, wordt 't laatste bedrijf afgespeeld. + + * * * * * + +'t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had de annonce" met een +gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate +voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig +bijvalsbetoon aan 't eind van 't stuk den Directeur aanleiding gaf om +tot den rgisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler +aanzag, te zeggen: Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik +dacht; we zullen hem in de volgende maand De Vrek" eens geheel en al +laten spelen." + +Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den +Schouwburg, want een nastukje met n gelezen rol[1]" er in, is niet +aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw +Groote, die de Dochter van Dominique" uitstekend speelde, was niet +voldoende om het blijspel te redden. + +[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest. + +Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en +mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij +waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene. + +Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen", zei Schrder, en Hostein +voegde er met een weemoedigen blik bij: Wat 'n eind voor 'n artist; +'t is om 't te besterven!" + +Arme stakkerd!" zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. We +hadden nog z ons best gedaan bij de vrinden; 't zou zoo'n aardige +kleine ovatie zijn geweest--en de krans is heel mooi, h, +Schrder?"--Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en +vroeg toen aan Hostein: Zou je 't couvert er maar niet zoolang +afnemen. Er zit 'n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij +mekar geklopt." + +Geef maar hier Hostein, dan zal ik 't zoolang in mijn brandkast +sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen +den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans +en 't couvert te geven, h?--'n Kleine troost voor zoo'n grooten val! +A propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?" + +Een van de tooneelknechts." + +O, Zoo!" + +Waarom deed jij zelf 't niet even Hostein?" + +M'n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; 't was hier zoo'n +eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn +kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes +uitgeknepen." + +Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,'k moest me kleeden voor +'t nastukje.--Wou de stakkerd z heengaan? Och?" + +Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, 'k heb gauw een +vigelant laten halen en hem een van de knechts megegeven, om zeker te +zijn dat hij goed thuis kwam." + +Zei hij nog wat Hostein?" + +Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf." + +Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schrder." + +Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als 't hem troosten kan, +dat ik, globaal berekend, behalve 't voorschot dat hij ontving, een +zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden +die jelui hebt, is 't toch een kleine achthonderd, die hij in 't +handje krijgt; dr kan hij zijn dochter een heele poos voor in +behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man +in 's hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! 't Zal +wer opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken." + + +VII. + +De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In 't oosten +kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in +strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette +wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn +en leven. + +Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht +en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg +zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen +vergaan. + + * * * * * + +In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de +gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over 't bed, waarop +Annette in diepen slaap verzonken ligt. + +Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen +aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en +herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling. + +Voor 't bed geknield, met het hoofd vrover op de armen rustend, +ligt Walten, nog in 't kostuum van den vrek", onbewegelijk stil. +Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er +niet van. + +De zon komt hooger, 't wordt al lichter en lichter; de schoone, +frissche, vroolijke wintermorgen is dr. Een heldere zonnestraal +verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze +hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en +glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze +een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar +bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t'huiskomst, in +der haast neergeworpen. + +Z was het ook. + +Terwijl alles op 't tooneel in rep en roep was en Walten alleen in +Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd, +dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en +hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart +onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, 't klamme +zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een +krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte. +Slechts n gedachte kon hij in zijn brein verwerken: Hij, Walten! de +eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor +altijd!" Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor 't +hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den +schouwburg verlaten. + +Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet +alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij 't +eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem +de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een van +harte 't beste meheer Walten!" + +Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen. + +De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar +zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met +olie brandend, op tafel stond. + +Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem +lodderig aan en vroeg: Is uwes daar; veel pleizier gehad?" + +Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit +de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: Je kunt--wel +heengaan--ik--blijf thuis." Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij +schaamde zich voor die vrouw! + +Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn +overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen +bleef hij een oogenblik gebogen staan over 't bed, kuste zijn dochter +zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de +knien voor 't ledikant. + +Morgen heb ik toch 't geld,--voor jou," fluisterde hij en drukte zijn +brandende oogen tegen haar op 't dek rustende hand. + +Een poos bleef hij z in die houding, roerloos en stil, maar +eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee, +drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe +vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen. + +Z bleef hij liggen. + +'t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in 't glas +was verbrand, 't pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en +streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het, +met een zwakken werschijn, van de opflikkerende vlam, door 't +vertrek--en toen ging 't uit. + +Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer; +hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te +hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch. + +Vader, ik heb dorst!" riep zij zwakjes en tastte in 't duister met +haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even +aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: Slaap je, vader?" + +Geen antwoord. + +Och! hij slaapt," herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en +dommelde weer in. + + * * * * * + +Niet ankomme! M'n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de +polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat 'n geval," roept juffrouw +Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren +in Waltens kamer staat bij 't bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk +in dezelfde houding, ligt. + +'t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot +in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de +werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast, +met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar +bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken. + +Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel 'n kouwe voete krijge," zegt +een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt +Netjes voeten daarin, met de woorden: Hoe kan je zoo'n schepsel nou +z op 'n stoel zetten?" + +'k Was al blij, dat ze zat; 't was me ook een geschiedenis," +antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: Zit je z +goed, kind?" + +Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe, +dat ie...." + +Blijf jelui nou toch met je handen van 'm af! Hij mot blijve legge +zoo as ie leit, anders heb je 'r gedoe mee. Is er nou al iemand om de +polisie?" vraagt nogmaals vrouw Daters. + +Jawel! Pieterse haalt 'n agent," antwoordt de werkster. + +Zoun we den stakkerd toch maar niet liever op 't bed legge of op 'n +stoel zette?" zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept +dadelijk: Hoor die dikke nou? Wel nee! da's teugens de wet!" + +Maar 'k zou toch zeggen, dat...." + +Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed z. Groote Goedheid! de +schrik zit me nog in me knien." Juffrouw Daters gaat even op een +stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken: +Wat zeg jelui er wel van? Wat ken 'n mensch er toch gauw uit weze!" + +Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en +daardoor onverstaanbaar, geven 't antwoord op juffrouw Daters' vraag. + +Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die +mooigheid om," fluistert een van de omstanders tot een ander, die +doodkalm antwoord: 't Is wat moois, 't lijkt wel niks." + +O! daar komt de agent met den hokkebaas!" klinkt het plotseling bij +de deur. + +De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet +gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend, +duwend en vloekend op de trap en in 't portaal verdringen, komen de +kamer in. + +Laat meheer de agent door, menschen!" roepen verschillende stemmen. + +Wat is hier te doen?" vraagt de politieman. + +'n Dooie, meheer de agent!" zegt juffrouw Daters, en haastig voegt +zij er bij: Z morsdood naast 't bed gevonde bij dat gekke mensch; +we binne d'r niet n geweest; hij leit nog net persies as ie lei." + +Hoe lang ben jelui hier al?" + +'n Groot kertier, meheer!" + +En heb jelui dien man z laten liggen?" + +We hebben d'r geen hand an gehad!" + +Dat's dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!" + +Niet? Nou, as 'n pier hoor," roept een man, die achter in de kamer +staat. 'k Heb 'm evetjes over z'n hoofd gevoeld en an z'n hande +gepakt: hij is al koud en stijf." + +Allo! pak eens me aan; we zullen zien." De hokkebaas en een paar +anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op 't +bed neer te leggen. + +Hij is waarachtig al zoo goed als stijf," zegt de hokkebaas, terwijl +hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt, +terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen. + +Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn +gezicht vrij." + +Hij is dood, meheer de agent, 'k versikureer 't je. 'k Heb zooveel +dooien gezien van m'n leven. Dek z'n gezicht maar gerust toe," +antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van 't laken over 't +gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu 't +volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt, +door 't schmink" en de onafgewasschen grimeerlijnen. + +Wat ziet ie er raar uit: z'n gezicht is beschilderd!" roept er een +uit den hoop. + +Wie is 't?" vraagt de agent. + +Hij hiet Walten en speulde op de kemedie," antwoordt de hokkebaas. +Zeg!" hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van +Annette staande, zwijgend toekijkt, zeg! jij zelt er wel 't fijne van +weten?" + +'k Zal 't uwe vertellen, meheer de agent," antwoordt de vrouw, en tot +een van de buren gewend: Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik +zeggen wat 'r gebeurd is." + +Wie ben jij?" + +Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die +vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou +nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had +z'n benefiesie gespeuld, weet u?--Gut, meheer! ik bin 'r nog besturve +van; zoo'n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo +sebiet is toch...." + +Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat +'r gebeurd is." + +Niemand verroert zich, want allen willen hooren hoe 't geval +eigenlijk in mekaar zit". Daarom herhaalt de agent: Allo, gauw!" en +een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: Ga jij +dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter." + +Brommend verwijdert zich de man. + +En nou verder. Hoe heet jij?" + +Ikke? Grietje Bruin!" + +De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt +zij angstig: Ik kan d'r toch geen kwaad bij?" + +Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor 't +proces-verbaal." + +'k Weet van die dinge niet af, want 'k bin 'n fatsoenlijke vrouw, +ziet uwee, en ik zal met 'n woord van waarachtigheid getuige wat 'k +gezien heb." + +Vooruit dan, vrouwtje!" + +Van morgen was ik 'n beetje later dan anders, 'k heb zelf nog 'n +huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges 'n uur of twalef, en ik +dacht ook zoo bij m'n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest +van z'n benefiesie en zal misschien 'n glaassie wijn gedronke hebbe: +hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig +gelijk met Pietersen, hier voor de deur." + +Ho! Pietersen, wie is dat?" + +Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald," roept vrouw +Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: Hij is 'n mirakel van 'n +vent, 'n sefleur, en...." + +Stilte! laat die vrouw verder vertellen." + +Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m'n drie +gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.--Was 't mooi? zeg ik +zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? 't Was 'n... Nou, toen +zei ie 'n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie +wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt +hij an. Ook geen antwoord. 'k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was +niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei +sliepe.--'k Vond 't wel raar, dat ie nog z in z'n konstuum lei, maar +ik dacht er niks niet bij." + +Verder!" + +Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, 't is twalef uur. Maar zij +werd er wakker van, en hij niet; zij was wer zoo wat bij d'r +posetieve,--maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen +aassem meer gaf, op wat we zei. Pieterse mork 't 't eerst en zei weer +wat op z'n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit +z'n lije. Z'n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik +natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo +koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dr gaan zitte en dr zit +ze nou nog.--Ik was erg geschrokke en gooide 't raam ope, om de bure +te roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale." + +Zoo! en waar is die man dan nu?" + +Da' kan 'k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid +weggeloope, of uit z'n eige zelve naar 'n dokter gegaan.--Pieterse is +nogal gevat, weet u?" + + * * * * * + +Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward +gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: Menschen, +gaat wat op zij; daar komt 'n dokter an. Laat de heeren passeeren!" + +Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan +onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te +snellen, komt de actrice--die juist gereedstond om uit te gaan, te +gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn +koetsje en staande gehouden, de kamer binnen. + +Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat 't bed nadert, +waarop Walten is nergelegd. + +Hou jelui stil--St!--'t is de dokter", zeggen fluisterend eenige +buren. + +Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant +staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te +hebben geworpen, kortaf zegt: Dood?" + +Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van +spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk +haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik +op den Harpagon" van gisteren neerziet: + +Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien +overleden." + +Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?" Mevrouw Groote wischt zich de +tranen van de wangen. + +'k Vermoed een plotselinge stilstand van 't hart, hij heeft NIET +geleden." + +Niet geleden? O, dokter! dr zegt u iets, dat....." Snikkend buigt +zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud +voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over +het gelaat van den doode legt, zegt ze wemoedig zacht: + +_Hij is op 't veld van eer in 't harrenas gestorven._"[1] + +[1] Vondel, Gijsbrecht. + +--Arme ouwe vrind!" + +Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt +langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig +naar den doode en fluistert: Den krans van gisterenavond zullen we nu +toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt +hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar--hij wijst op +Annette--worden?" + +Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen +zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij"--en zij legt even haar hand +op 't lijk--hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend." + + + + +EEN MASSAGEKUUR. + + + + +EEN MASSAGEKUUR. + + +I. + +Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrck was met een tamelijk goed +pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den +Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente +Frau Gemahlin" en zijn Frulein Tochter," een spichtige, +achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen +eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien +mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn +pijnlijke kwaal te vinden. + +Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den +Kochbrunnen" vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een +oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een +Himmeldonnerwetter" scheen te zullen rollen, indien hij ze opende +onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op +den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een +stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige +verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vrdat de klok +in de Kurhalle acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en +Beiersch bier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas +warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere +teug de woorden: Grsslich," Abscheulich" of Verdammtes Zeug" te +doen hooren. + +Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop +koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo's aan +gewicht te verliezen; en Frulein Tochter" slurpte met een paar +bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat, +omdat zij wel eens had gehoord, dat 't Wiesbadener water dikker maakte +en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte. + +'t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte, +want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na 't +gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen +bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan +naar de beroemde table-d'hte in 't Htel Dahlheim. Met een zucht van +verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig +welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden +neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van +allerlei spijs en gebraad. + +Op zijn kamers--hij woonde met de zijnen in een bescheiden Htel +Garni"--leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table +d'hte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer +uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per +hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was 't dan ook maar +om den htelier de eer te geven die hem toekwam. + +Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige +jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte +en gebraden spijs. Papa, die waarschijnlijk het geldelijke evenwicht +voor den htelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en +verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend +voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje +uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte, +dat der Wein famos,--das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der +Kanone teufelmssig, niedertrchtig gemeines Zeug" was. + +Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap +met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden Bourgogne en +geholpen door een Hochheimer-mousseux, waarvan Mama en dochter echter +ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die +beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met Nuits, Chteau la +Rose of Johannisberger, die hem na 't diner steeds een hoogere +gelaatskleur, een slaapje en bij 't ontwaken een knorrige luim +bezorgden. + +'t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor 't in- en +uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van +zijn vrienden Bourgogne en Rijnwijn, om weerom te komen, niet +weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien table d'hte, op +een morgen in zijn kamer als een blok" in zijn stoel en met zijn hand +op de heup te kermen. + +Een dag later brulde en tierde hij z geweldig, dat Mama uit +medelijden tranen met tuiten huilde en Frulein Tochter het op haar +zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van +haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg +onfatsoenlijk te vinden. + +Himmelhllenhund Sakrement! dat's te erg. Schwefelelement! laat een +dokter komen!" bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor +zijn bataillon. + +Maar welken dokter, lieve man?" vroeg sidderend mevrouw. + +'t Dondert niet! den eerste den besten,--maar niet zoo'n ouwen pruik, +zoo'n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een +specialiteit heb... Au! Schwerenoth! 'k word nog gek van de pijn. O, +sakkrrrement! die satansche heup," schreeuwde de Overste tot ergernis +van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde: + +O! papa, u bezondigt je heusch!" + +Dat's wel mogelijk!--maar 't kan me niet schelen. Au! +Himmeldonnerwetter!" + +Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den +besten dokter te doen roepen. + + * * * * * + +Een paar passen verder in de straat dan het Htel Garni stond op een +koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis: + +Dr. Otto Druff, Special-Artz fr Massage, etc." + +De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel +af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den +medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem +op zijn vraag: Dokter, of u dadelijk in ons Htel wil komen? Overste +von Hattersdorff zu Wiesenbrck, heeft zoo'n verschrikkelijken aanval +van jicht, op No. 26," onmiddellijk antwoordde: + +Zeker, zeer gaarne!" En toen hij vroeg: Ik versta je immers goed: 't +is Overste von Hattersdorff?" schitterde er plotseling iets in het oog +van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden, +indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder +edele aandoening verheven zijn. + +Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste." + +Uitstekend, Dokter!" + + +II. + +Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26. + +Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: Binnen!" + +Op den drempel verscheen de dokter en boog. + +O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als 't u blieft! O, mijn man +heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd," zei de zenuwachtige, dikke +dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: Mijn dochter +Ildegard,--ook 'n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend +en erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn." + +De dokter boog even voor de spichtige Ildegard, die zeer voornaam een +nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een +schaamachtig onderzoekenden blik op Dr. Otto Druff sloeg, zuchtte zij +in stilte: O! wat 'n lief mensch schijnt dat te zijn." + +Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer." + +Gaarne, Mevrouw!" + +De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde, +vloekte en raasde afwisselend. + +Herr Oberst!" + +Herr Doktor!" + +Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen +hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje +boosaardigheid weer een ondeelbaar oogenblik in des dokters oogen en +bewogen zijn lippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met +deelnemende stem vroeg: + +U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?" + +O! om er helsch van te worden, Dokter!" + +Maar lieve man!" + +O foei, Papa!" + +Wees zoo goed eens even op te staan." + +Opstaan?" De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man! +ben je dol? en herhaalde: Opstaan?--Onmogelijk!" + +'t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van +uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?" Kermend en klagend +werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog, +totdat hij met dikke angstdroppels op 't voorhoofd, op n been +balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus +smeekend aanzag. + +De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar +beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de +Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht +kermend: Jezus-Maria-Joseph", in den stoel terugzonk. + +Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan +staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne +Ildegard zweefde nader, ten einde papa's kloppende slapen met wat Eau +de Cologne te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden +lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op +bevelenden toon zei: Komaan! kleed u nu maar eens uit." Toen nam zij +de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een +vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: Zulk een +woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!" + +Mama nam Ildegards plaats in en hielp haar gemaal bij 't ontkleeden +zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: Z is 't genoeg.--Ga nu +eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste." + +Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus 't been, 't +heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met +klem: + +Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden." + +Zoo! En die zijn, Dokter?" + +1. Totale onderwerping aan het diet, dat ik u voorschrijven zal." + +2. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch +moed?" + +Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij +antwoordde: + +Moed?--Ik ben soldaat, Dokter!--Maar aan pijn heb ik een verd.mden +hekel. Moet ik soms geopereerd worden?--Ga je gang maar, Dokter; maar +dan onder chloroform, asjeblieft." + +O God--neen! niet snijden!" steunde mevrouw, doodsbleek wordend. + +Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; 't sleutelplaatje viel +plotseling neer voor 't slot der porte-brise, waardoor ten +duidelijkste bleek, dat Ildegard uit de andere kamer door 't +sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en +verstaan. + +Snijden?" vroeg de dokter lachend. Geen kwestie van, +Mevrouw!--Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. Mezger uit +Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; _'t is het eenige +middel_, waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen." + +Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman, terwijl hij nog +steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn +baard bromde: Anders niet? Maakt de kerel daar zoo'n drukte +over?"--en luid voegde hij den dokter toe: Dan maar dadelijk, Dokter; +hoe eerder, hoe beter. Knijp dan maar!" + +Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen". De dokter trok +zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw von +Hattersdorff verschrikt vroeg: Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?" +viel hij haar lachend in de rede met: Pardon! ik maak 't me alleen +maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo'n +massage." Druff knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen +op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg: +Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? 'k Gebruik anders cold +cream, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik...." + +O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig cold cream op haar +toilet.--Ildegard! geef de cold cream eens!" + +De porte-brise werd zoover geopend, dat Ildegard, die nog +voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de +andere met het potje cold cream er in, om het hoekje kon steken, +terwijl zij fluisterde: Hier, Mama!" + +Als 't u blieft, Dokter!" + +Dank u!--Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik +zal u helpen; zoo!" + +Au!--Autsch!--O! Sakkerrrrr!" + +Kalm maar aan, Overste! Zoo--oo--oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we +er; houd u nu maar rustig. Zoo--oo!" + +Wil ik ook liever weggaan, Dokter?" + +Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand +bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus...." + +Goed, Dokter; best!" + +Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?" vroeg Dr. Druff, terwijl +hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en +de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef. + +Integendeel, dat doet me goed; 't is aangenaam. Als je z doorgaat, +Dokter, dan.... Au! Himmelhllensakrement--Au!--Hou op!--Hou op! Neen, +Dokter, z niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!"--De Overste +rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus +had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder +handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen +der kunst. + +O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een +afschuwelijke marteling," snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een +tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen +kromde als een worm, dokter Druff zijn behandeling besloot met een +allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten +heup, zoodat de patint bijna opsprong en brulde: Gottsdonnerwetter, +dat is l te erg!" + +'t Is voor vandaag gedaan," zei doodbedaard de geneesheer, en wischte +zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen. + +O, Goddank!" kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer +zoover was aangekleed, dat Ildegard, zonder schaamrood te worden, haar +papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk: + +Ziezoo, nu zit u goed.--Ja! Ja! 't is geen aangename gewaarwording, +Overste; maar 't eind zal goed zijn.--En nu zullen wij eens over uw +diet praten." + +Met matte stem antwoordde de Freiherr: + +'k Ben doodaf!--O, God! die laatste slag! 't was of ik sterven +zou.--Maar ik geloof toch, dat uw behandeling de ware is; 't is alsof +ik nu al een weinig soulagement gevoel!--En wat moet ik nu al zoo +vermijden, Dokter?" + +Alles, Overste!" + +Alles?--Hongerlijden?" + +Dat zou u slecht bekomen," glimlachte Dr. Druff. Neen! z erg is 't +niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar--zonder boter; en water +kan u drinken ad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diet +gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer, +dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert, +terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn." + +Veertien dagen op water en brood," zuchtte de kolonel, dat is heel +erg, Dokter!" + +Ischias is nog veel erger, Overste!" + +'t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn; +'k zal doen wat u zegt." + +U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: finis coronat opus." + +Blijf me met dat potjes-latijn van 't lijf, Dokter! Dat versta ik +niet.--Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden +door die ranselpartij." + +Port?--Water! bedoelt u," zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch +met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde +hij: Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest, +_moet_--en hij drukte op dat woord--_moet_ u zorgen, dat de Overste +zijn diet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw +dochter?" + +Neen, Dokter, nooit!" + +Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje"--Dr. +Druff nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot +eensklaps den inhoud uit 't venster in den tuin--verwijderen.--Adieu! +Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen." + +Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen +dan te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde +in zichzelven: 'n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! +en drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat +zijn behandeling mij wel zal bevallen; maar die ne slag +was--hum!--zoo--hum! voor een officier zoo vernederend." + +Voordat Dr. Druff het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met +Ildegard en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden. + +Op mevrouws vraag: Dokter, wat dunkt u van mijn man?" schilderde hij +met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig +rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles +wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor +zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen +andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als +versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien +dagen. + + +III. + +Geregeld elken dag, 's morgens om tien uren verscheen de medicus in +het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de +verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een +bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter +gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen. + +Hoeveel Donnerwetters" en Sakkrrrements" de oude krijgsheld in de +wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het +einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die +verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en +herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: Die Druff +is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,--maar--een beul. +En weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien +laatsten, geweldigen slag, dien hij me na elke massage op +mijn--hum!--op mijn--hum! geeft. 't Is alsof de vent een os dollen +wil! Die ne vervloekte slag gaat me door merg en been." + +Ja, manlief!" had Mevrouw geantwoord, 't is verschrikkelijk--ik kan +er ten minste niet meer naar zien; 't is heusch, alsof Dr. Druff al +zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste..." + +Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; 't is dan ook alsof er een +stuk ijzer op me neer komt.--Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu +laat welgevallen, omdat ik _moet_, omdat ik aan dien Druff op genade +of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen +dag iets beter maakt, anders, als militair"; en de overste zette een +gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in n grooten hap +had willen verslinden--anders zou ik bij hoog en bij laag--me zoo'n +vernederende aanraking niet laten welgevallen.--Om den d--nder niet." + +Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat's niet fijn", riep +Ildegard verbleekend. + +Neen! zoo'n slag op je--hum!--op je corpus, is fijn.--O! als ik er +aan denk, dat ik daar, als een schooljongen, vr dien vent leg en +behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!" + +Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet 't toch uit +bestwil, omdat 't noodig is voor..." + +Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn; +in mijn heup zit het, nergens anders..." + +Och, papa! 't is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat." + +Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders +piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag +in, dag uit, een slag op uw..." + +O, foei! papa, wat 'n ordinaire suppositie." + +Ildegard keerde zich verontwaardigd om. + +Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er +samen eens met den Dokter over spreken--niet waar, Ildegard?" + +Spreekt u er liever alln over, mama!" + +Nu, goed, dan zal ik 't doen--ik durf wel." + + * * * * * + +Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een +oogenblik met Dr. Druff alleen was: Dokter, is die laatste slag +bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen +op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?" + +Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr. +Druff: Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; 't is wel +onpleizierig voor den Overste, dt geef ik gewonnen, maar ik kan er +niets aan doen," en, met kalme wreedheid diende hij, na elke +behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe. + +Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk +papa's lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame +van haar kennis, in 't zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd: +Dokter, 't is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met +dergelijke zaken bemoei,--maar och! mijn goede papa wordt er zoo door +gedpraveerd weet u,--daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat +men bij een massagekuur den patint zoo'n verschrikkelijken slag op, +hum--" zij durfde 't eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus +blozend: op de heup toedient?" + +Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: Neen, Freule, +gewoonlijk niet. 't Is wel zonderling, maar mijn collega Druff is een +door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de +massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal 't dus bepaald noodig +oordeelen voor 't heil van uw papa." + +Derhalve troostten n moeder n dochter den gepijnigden Overste, door +eenstemmig te verklaren, dat zij 't volste vertrouwen in Dr. Druff +hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en +noodig voor hem was. + + * * * * * + +Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von +Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patint volkomen genezen +was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het +verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de +kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer +violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden +helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen. + +Overste!" zei Dr. Druff na den achttienden dag, ik kom afscheid van +u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.--Is u tevreden?" + +Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig +dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden +kerel weer een jongen vent gemaakt." + +Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: O, Dokter! +nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!" + +Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken +uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen, +fluisterde zachtkens: + +O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter," en +zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen: +Spreek met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word +voor eeuwig Frau Doctorin...." + +Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen, +Overste," zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den +stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte. + +O, Dokter!" klonk het in trio. + +Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam +verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid +te wenschen." + +Hum! Hum!" zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij: +Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen +zenden, want ik reis spoedig naar huis?" + +Mijn declaratie?" vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij +glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen +kon. + +Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet +met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik +u schuldig ben...." antwoordde de Freiherr. + +Honorarium, Overste? Volstrekt niet.--U is mij niets schuldig." + +Wa-a-at?" + +Wij zijn nu quitte, Overste." + +Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: De +arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij 't +hoofd;" en papa vroeg met onvaste stem: Quitte? Hoe--be-doelt u +dat?" + +Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?" + +U, Dokter?--'k Had vr deze dagen nog nooit de eer...." + +Toch wel, Overste!--Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff; ik +heb in '70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein +was. Ik was destijds--nu wil ik het wel bekennen--een nogal lastig +recruut en vrij weerspannig. 't Ging streng toe in den oorlogstijd, en +daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen +arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn--hum..." + +Alle donders!" riep de Overste, opspringend, 't is waar; nu herinner +ik mij: 't was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen +surveilleerden." + +Juist!--Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn +betrekkelijk klein vergrijp; maar 't was oorlogstijd, en daarom heb +ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts +vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven." + +Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde +Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen 't dikste +gedeelte der heup wreef: Himmelhllenelement, Dokter! jij bent de +kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we +quitte!" + +Volkomen!--U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op +mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel +en, naar ik geloof, met succes gebruikt.--Adieu! Overste,--sans +rancune!" + +Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit. + +Bombenschwerenoth!" riep de Overste lachend, wat een kranige vent! +Maar"--en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk--'n beetje minder hard +had hij toch wel kunnen slaan!" + + + + +_BIJOU_. + + + + +_BIJOU_. + + +I. + +'t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als +voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te +betwijfelen, zoodra hij slechts nmaal het genoegen had te zien, hoe +mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen. + +Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige +helderblauwe oogen in de wereld had gekeken. + +Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature +sierlijk" in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed +zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar +blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg +tot een gezellig embonpoint"--in de verre toekomst verrieden. + +Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de +donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de +neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament +te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar +werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die +'t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van +tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al +naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed +langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek +zien, wanneer 't een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig +maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in n woord Marie +was een dotje van een wijfje," zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein +telkens tegen Frits, haar man, beweerde. + +Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van 'n schoone +kaerel" hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en +gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan +wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van +levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn +frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den +spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te +gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen. + +Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje +rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme +gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes +in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes, +voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij +Marie in den volsten zin des woords vergoodde." + + * * * * * + +Jelui bent nog precies een paar gengageerde lui: dat koekeloert en +kirt me waarachtig als een paar duiven" zei oom Harmsen eens op een +dag, dat hij de Stralings bezocht en 't echtpaar met een breeden +genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat +nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking +half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: 'k Heb +van mijn Jans--God hebbe haar arme ziel--ook weerlichts veel gehouwen, +zie je, maar z als jullie hebben wij 't toch nooit beetgehad." + +Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke +ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen +uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die +ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat +noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman op" +en antwoordde lachend: + +Ja, maar tante Jans was ook zoo'n dot niet als mijn Marie. Was ze +wel, oom?" + +Nou, dat 's maar zooals je 't nemen wilt, jongen," zeide oom; 't was +een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat +was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;--zie je, dat 's nog +wel zoo goed voor een zeemansvrouw." En met een knipoogje, dat guitig +moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er +bij: Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf +en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn +wijf zoo'n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He! +Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?--dan +was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar +gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk." + +Oom, oom, 't loopt er bepaald overheen," zei Frits lachend en te +gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer +wilde verlaten, om terug te komen. + +Wt, wt? 't Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie, +geef me maar een hand; ik ben 'n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik +meen 't goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als +_ik_ jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven +laten,--om den dood niet." + +Maar, oom! foei wat 'n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn +hand los; je bent akelig, hoor!" zei Marie, hem beknorrend. + +Gekheid! ik bedoel immers niet, dat 't aan jou zou gelegen hebben, +maar aan.... Och--sakkerloot--ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me +wel, jongen!" + +Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch +was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de +kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te +geven, door te zeggen: Jelui woont hier toch als in Abrams schoot, +hoor!--eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die +'t breed heeft, laat 't breed hangen. 't Is tegenwoordig 'n heel +andere thee dan vroeger. Toen ik met m'n Jans onder zeil ging, was ik +machtig blij, dat 'k een bovenhuis met drie kamers had,--een goeie +kooi voor mij en m'n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie +Gods een canap; een latafel en een chiffonnire voor de losse bagage; +een pot en een pan,--en klaar was Kees!" + +Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden n van meer comfort +en...." + +Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, 't is allemaal gekheid; +zooals 'n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel +minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten +niet beter of 't hoorde z.--Ja! propos nichtje Marie, dr doe +jelui niet aan, h, aan kindertjes? Kijk me zoo'n paar flinke gezonde +lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben +nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral +m'n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw +op eens?--Hum?--ik--heb toch niet... H?" + +Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering, +dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn +nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich +plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits, +die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te +bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar +zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en +sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: Kom, +Marie! wees niet dwaas; trek je zoo'n grof woord van oom Harmsen niet +zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal +hem...." + +Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar +oom.--Ik ben niet boos op hem, hoor!" voegde zij glimlachend, hoewel +met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing +tusschen oom en neef voorkomen. + +De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat +hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor +min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was, +besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te +leggen en te zeggen.... Ja! wt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk +niet goed vraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had +en... Dr kwam Frits de kamer weer binnen en in 't zelfde oogenblik +lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de +tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg: + +Er is toch geen kwaad aan boord?--Jelui moet me dat niet zoo kwalijk +nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!--zoo hum! zoo +satansch kitteloorig was en...." + +Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig +verdriet is, dat ze geen...." + +Akkoord, jongen! nou begrijp ik 't, maar 'k wist het niet.--Zeg aan +je dot", dat 't me allemachtig spijt dat 'k haar hinderde; maar, +goeie God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk +is.--Kom! kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet +altijd afstel; Sarah kreeg op 'r negentigste jaar nog wel 'n +kleintje.--Ha! daar is ze weerom.--Kom ereis hier, Marie! Je bent toch +niet boos op me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom +ereis langs zij en laat ik je af zoenen.--Zoo!.... met je permissie, +Frits.--H! dat doet 'n ouwen kerel nog ereis goed.--O! zoo, ben je +niet boos geweest?--Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te +worden ook.--Nou! kinderen, 't wordt tijd dat ik ga.--Saluut! en +compliment van oom Harmsen en als dt nou 't eenige is wat jelui +ontbreekt, dan niet getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel +ik je. Dag dot"; niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik +kom er wel uit.--'t Ga jelui goed; dag kinderen!"--en weg was oom +Harmsen. + + +II. + +Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets +wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen, +als 't kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de +jonge vrouw, die 't mocht bezitten. + +En 't kwam niet,--'t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te +verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren. + + * * * * * + +In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle +jonggehuwden, illusin gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig +en lang, maar altijd tevergeefs. + +Marie was een tijd lang stil, zr stil geworden, toen korzelig van +humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid +gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich +zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat +'t z was en niet anders, en dat 't wel zoo verkieslijk was. Maar +toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar +venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan, +met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar +en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor +Frits; hij had zich immers--zoo kwam het haar voor--al zeer spoedig +met het denkbeeld geen kinderen te hebben" verzoend. 't Verwonderde +haar wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat +zij er nog altijd onder leed. + +En hij?--Och! hij was altijd in n humeur en bemoeide zich nooit met +kinderen van anderen; 't scheen zelfs alsof hij minder van kinderen +hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle +voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig +tegen Marie zeggen: Wijfjelief! we zoun er nu misschien niet eens +meer aan kunnen wennen. 't Is nog veel beter geen n, dan zoo'n half +dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld." + +Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een +paar malen gezegd: Wat heb jij toch heerlijke kinderen!--Hum! ik zou +misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo +hard voor?" Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en +tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken, +gingen altijd _te samen_ uit en kwamen altijd _samen_ weer te huis om, +zonder dat zij 't elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de +ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets--een kleinigheid +maar--ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk +zoo veel van elkaar hielden. + +'t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder +kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of +een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan +gewoonlijk min of meer despotisch regeert. + +Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends, +dat om haar heen zich beweegt; zij moet--zooals men dat noemt--een +aanspraak" hebben, in n woord een wezen, dat, zij het dan ook +slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen +en beantwoorden. + +Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in +het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de +gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond. + +Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl 't regende dat 't +goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en, +medelijdend van aard als hij was, 't kleine diertje binnengebracht en +aan de meid gegeven, om 't in de keuken wat te doen opdrogen. + +Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje den +leelijken straathond" opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk +afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen, om hem +den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar 't zou heel anders +gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje +had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar +opzag, als vroeg het bevend: Och jaag me niet weer weg!" kon zij niet +besluiten om Jaantjes raad te volgen en het mormel aan den dijk te +zetten". Integendeel zij bekeek het mormel" oplettend, vond dat het +aardige, snuggere oogjes had en z vriendelijk met zijn kort staartje +kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om 't arme dier weer in +zijn vroegere ellende terug te stooten. + +Frits had er niets tegen, dat 't hondje bleef, en met onderling +goedvinden--Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde--werd besloten, +dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar +den naam van Bijou" te luisteren had. + +De naam Bijou" was een bon mot" van Frits, die, toen hij lachend +zijn toestemming gaf tot de opneming van 't diertje, er bij had +gevoegd: Dan zou ik hem Bijou" noemen, want ik geloof, dat hij een +juweel van leelijkheid zal worden." + +Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat 't +nog nestharen waren, die 't hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn +naam alle eer zou aandoen. + +Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en +beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, dat 't volk tegenwoordig +maar persies de wat 't wou, en dat 't voor een fersoenlijke +dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de +akefietjes van zoo'n mormeldier te moeten redderen." + + +III. + +Bijou was, 't bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder +plebeschen oorsprong. Zijn vader--hij had hem nooit gekend--was +vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar +menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te +hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze +haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald +schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart +en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die +van een fik te stomp waren. + +Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog +niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in +Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het +oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin, +vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen +van Bijou op rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven. +Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond +een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes +in 't hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een +vaste plaats te veroveren. + +Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den +beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was +hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op +het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter +op den duur, zoo ook Bijou aan zijn halsband. + +Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke +manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij 't +kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking van 't half geschoren +worden" had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond +geworden, dat hij op een Zondagmiddag na 't dessert aan oom Harmsen, +die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld. + +Wel, oom!" vroeg Marie, toen Bijou de kamer intrippelde, is 't geen +aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, h! En schrander +is hij, o!" + +Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen het +aardige diertje" in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong +vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele +haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken +en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de +gedenkwaardige woorden uitte: 't Is een monster!" + +Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam +Bijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op +haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half +lachend, zei: Kom jij maar hier, m'n beestje; ik vind je lief, hoor! +Stoor je maar niet aan oom Bullebak!--Dr heb je een koekje van de +vrouw." + +Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te +lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: Ieder zijn meug." + +'t Dient ter eere van Bijou gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd +en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van de +vrouw" te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij +was, was ook hij en met stocijnsche gelatenheid liet hij zich +herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij +den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vr hij +holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld. + +Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op 't kussen in de +vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar +neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl +hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit +voortbracht. In Maries schoot vergat Bijou gewoonlijk des avonds de +vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals +alleen een verwend schoothondje droomen kan. + +Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich +tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even +gek te worden op 't monster", dat van zijn kant die toenadering +waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap den baas" begroette als +de vrouw". + +'t Is om je te bedoen," verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen +haar vertrouwelinge, de werkster: daar zit me nou 's middags dat +mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig +als ik hier voor je sta, m'n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond, +maar nou moet ik, God beter't, al een stoel voor 'm klaarzetten 's +middags. 't Mankeert er nog maar aan, dat 'k voor 'm dekken moet ook." + +Inderdaad het was zoo, Bijou had het ver gebracht, zr ver: hij zat +deftig 's middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op +als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was +ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; 't was zoo grappig om +te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo +vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn +buren wendde. 't Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen, +die hem 't eerst wat gaf. + +Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die +onvermoeid was in 't dankbaar aannemen. + +'t Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag kan bevatten, +en Bijou was z dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn +doodgebleven dan n enkele bete te weigeren, die Maries slanke +vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen +naijver op te wekken zijn sista beurtelings bij den baas" en bij de +vrouw", die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich +geduldig onder zijn schepter kromden. + + * * * * * + +Bijou regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar--niet +overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want +Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon het mormel", +volgens haar eigen getuigenis, niet luchten of zien, en zou hem"--'t +waren haar eigen woorden--wel ereis geknauwd hebben, als ze maar +gedurfd had vanwegens 't volk." Was 't alleen de herinnering aan de +talrijke akefietjes," die Bijou haar eertijds bezorgd had, waardoor +het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte? +O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een +geldiger oorzaak:--de cavalerie! + +Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke +verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van +den k'rnl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van +sterken drank, des Zondagsavonds, als 't Jaantjes thuisblijfdag was, +in de keuken mocht komen om....? + +Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm +kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren, +voornamelijk op avonden dat 't stil is en rustig in huis en 't volk" +boven zit te schemeren. + +Waarschijnlijk was het een gevolg van Bijou's bloedmenging of een +erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen +afkeer had van de cavalerie-uniform. Reeds bij zijn eerste intrede in +Stralings huis, in 't prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de +doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de +vetleeren laarzen van den finaal-vrijen dragonder" aan te vliegen en +daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen: +Geef hem 'n doodschop, Tienus!" + +De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand +grootmoedig, tilde Bijou eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in +'t kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter +ontsnapping eindelijk huilend en jankend in 't gruis ter ruste legde, +om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te +voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op +den hals te halen. + +Bijou kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit +vergeten; zijn hondenhart zon op wraak. + +De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen +inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn +eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te +durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort, +knorrig brommen, wanneer hij 's Zondagsavonds de nadering van Jaantjes +vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de +kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren +gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was. + +Juist die verraaierlijkheid" kon Jaantje niet verdragen, zij deed +haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige +malen door Bijou's vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw een +compelement" had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de +gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over +ettelijke kliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held: +Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een +Besjoe gewoon z'n nek om." + +'k Zal 'm bij gelegenheid wel ereis waarnemen," was 't antwoord +geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de +overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde, +om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te +laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat die stinkende +hond" boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde +te komen zien, of Bijoutje 't weer bij 't rechte eind had. + +Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen +en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: Ziet uw +nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?" + + +IV. + +'t Was stil in Stralings woning; 't had er iets van alsof er een doode +in huis was,--z droevig zagen n Marie n Frits er uit. Zij zat met +een bekommerd gelaat op de canap in de huiskamer, en hij stond naast +haar met zijn hoed op en een demi-saison aan. + +Niets? Heb je niets van hem gehoord," vroeg Marie tragisch; en toen +Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: Niets, +beste, niemendal," zuchtte 't lieve vrouwtje diep en smartelijk, +terwijl ze zei: Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is." + +Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat +de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde. + +Sedert vier dagen was Bijou plotseling verdwenen, spoorloos +verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran +heengegaan. Waarheen?--Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog +niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds +uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was +tot dusver zonder eenig gevolg gebleven. + +Jaantje was, haar bekende afkeer van Bijou in aanmerking genomen, door +Straling scherp verhoord en menig 't is zonde, meheer" of hoe kan +uwee nou zoo ies veronderstellen" was met diepe verontwaardiging aan +haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden, +dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan Bijou's +raadselachtige verdwijning. + +Met de hand op 't hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar +gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: 'k Zal hier staande +sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee +alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje +uit de buurt stoeide, als ik 'm uitliet; maar met een woord van +waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat 'k hem juistement drom +in den laatsten tijd nooit anders dan aan 't touwetje heb uitgelaten." + +En weet Tienus er niets van?" vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die +onwillekeurig bij 't noemen van dien naam de oogen neersloeg, +doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met +geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den +stoeren dragonder, Bijou's antipathie, voor den geest. + +Tienus?" riep Jaantje bijna verontwaardigd. Tienus, meheer! die is +de goegheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an, +die zou 'm subiet hebben weerom gebracht, als hij 'm iewers had +ontmoet." + +Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond was en bleef +weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder n enkel +gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we +over Bijou's afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft +wonderlijke gangen en 't past den redelijken mensch niet om 't +redelooze dier te veroordeelen, dr waar het zondigt--uit liefde. + +Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de +Stralings was komen aanwippen, werd--zooals vanzelf spreekt--het +geheele verhaal van Bijou's vlucht in geuren en kleuren door Marie +medegedeeld en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de +wangen van 't dotje" vertoonde. + +Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van 's +vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij +er waarlijk veel weet van had," een verzekering, die oom Harmsens +lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man +eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten. + +'t Is bij mijn ziel om te stikken," riep de oude zeekapitein, terwijl +hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. Jelui bent allebei +groote kinderen, hoor! 't Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de +familie is: dr zitten me nu twee groote menschen met gezichten van +een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een +schuinsmarscheerder, die 't verzuipen niet waard is. Ben jelui wel +goed frisch, allebei?--Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn +poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid." + +Ik heb zoo'n idee, dat hij t' avond of te morgen wel terugkomt," +bracht Frits in 't midden; maar oom viel hem in de rede, door aan +Marie te vragen: En zou je dan dien doordraaier weer in huis +nemen?--Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo'n lieve dot +was, zou ik je eens onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat, +als je man je zoo'n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem +niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!" + +Oom, oom! je slaat weer door," riep Frits lachend, en Marie schoot +insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een +tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de +woorden: Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan." + +Ouwe barbaar!" zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar +oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen +Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg, +een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: Met uw +permissie, oom," riep de vroolijke zeeman: Z mag ik het zien. +Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al +wijzer wordt.--Kijk nu zoo'n paar lui eens aan: ze zoun waarachtig om +zoo'n leelijk misbaksel van 'n hond vergeten, dat ze mekar nog +hebben. Als n van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, la +bonne heure, dan zou ik 't natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek +schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal +ik je een van de mijne geven; 'k heb nog vier jonge fikken +thuis,--mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie." + + * * * * * + +Veertien dagen later verscheen Bijou op een morgen onverwachts aan de +voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met +open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den +staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde, +aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte +een doordringend: Daar is ie!--daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw +beneden; Besjoe is weerom!" + +Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid +voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof en nglig" de +trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat +kwispelstaartend, maar min of meer schuw--zelfs een hond heeft +gewetenswroegingen--haar langzaam naderde. + +Was dat Bijou? + +Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is +effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien," zei +Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den +teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. 'k Zal 'm maar eerst +meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want +uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z'n oogen ereis, +en z'n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is +ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt." + +Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen +hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen +zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen +likte, maar--met zijn despotieke heerschappij was 't voorgoed gedaan; +hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens +grillen slechts dan werden geerbiedigd, als ze niet in tegenspraak +waren met de grondwet. + +Frits en Marie waren beiden door 't zien van Bijou's verloopen +uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid, +dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen +genezen zijn. Ze overlegden, dat 't best zou kunnen gebeuren, dat hun +lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze +voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dr, waar +hij vroeger werd vergood en vertroeteld. + +Arme Bijou! Beklagenswaardig slachtoffer van de liefde." + + +V. + +Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering +ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en +roer; er zweefde als 't ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de +lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den +invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar +eenigszins kon, en 't was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat +voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde +vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met +angstige spanning verbeidde. + +Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een +groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte +katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje +pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk +verrichtte: Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt +me nou al de keel uit. Zoo'n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze +d'r eigen wel?" + +Het mensch", dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in +de slaapkamer met Mevrouw aan 't onderhandelen en verzekerde op +stelligen toon: dat 't vandaag posetief nog gebeuren zou en dat +meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen." + +Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en +geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en 't blonde haar +en bandeaux" langs de slapen gelegd en van achteren tot n vlecht +gestrengeld had haar nog nooit z goed gestaan als op dien dag. + +In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig, +maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in +de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van den +Ooievaar" voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de +onderhandeling stoorde met een: Alles is in orde, mijn schat", wenkte +Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen +peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend +zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op +zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed +kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: Zou 'k waarachtig z +gelukkig zijn,--een jongen?" bracht. + +Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden, +half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf: +Dat geeft minstens een gouden tientje, als 't heusch een jongen is." + + * * * * * + +En...? + +'t Was een jongen! En wel een dikke gezonde knaap, als uit meheers +gezicht geformeerd," zooals op den avond van dienzelfden dag de baker +met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der +Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna, +stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met +ongevenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand +gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te +goochelen. + +Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld +wel willen omarmen,--de oude baker incluis.--Een zoon was hij rijk! +Wat kon hij meer verlangen? + +Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger +wordend protest eens even om 't hoekje der kamer kijken, waar Marie, +schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in 't sierlijke +ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar +eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de +zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was. + +In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk +verspreid geworden; 't hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar +'t de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en 't hield den al te +snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch +de kalmte mocht verstoren. + + * * * * * + +Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag, +ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: 't waren Bijou en +Jaantje! + +Bijou was reeds eenige weken vrdat de ooievaar op Stralings dak +neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en +huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden +met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert +lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over +zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk +een oude gewoonte gevolgd. + +Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu +des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries +schoot of op de knien van Frits zijn sista hield, moest zich thans +tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van +Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was. + +Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot +vrienden gemaakt. + +Hoe dat gekomen was? Eenvoudig z! + +Enkele dagen na Bijou's verbanning naar 't sousterrain had de +brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht +van Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was +overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want +haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had +gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de +keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met +bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had +genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen +cavalerist te lezen. 't Volk" zat nog aan 't dessert, en daarom had +ze tijd genoeg, vrdat er gescheld werd om af te nemen. + +Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de +bloemkoolsaus. 't Was een portret,--haar eigen beeltenis. Zij had nog +vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van 't half dozijn, dat de +photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus. + +Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei: +Jaan, wat gebeurt je nou" en likte met kloppend hart haar beeltenis" +haastig af. + +Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te +beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik +niets hoorde of zag. + +Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op +een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der +keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij +zich over de bloemkool, en eerst toen hij niet meer kon", bleef hij +tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus' +brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten +roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een bravo" toe over 't +volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk +aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn +overbuur, alsof hij zeggen wilde: Wat mankeert jou?" + +Wat haar mankeerde?--Alles!--Zij had den brief gelezen en haar minnend +hart was op 't punt van te breken; hevig zwoegde onder 't opgespelde +eva'tje de eerlijke boezem, waarop Tienus' hoofd in een doubl +medaillon nog altijd schommelde. + +'t Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot +bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke +druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de +heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus' schrijven +langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken. + +Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot +zijn oor, als wilde hij zeggen: Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid +voor je." Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek +onbescheiden mee in den brief.--Mejuvfrou", schreef Tienus. Ach! dat +ne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje _alles_ gezegd; +vroeger schreef hij immers: Zwaar beminde Jaan," en nu: Mejuvfrou." +O! 't was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van +den epistel gaf haar den genadeslag. + + Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de + Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis + bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft, + dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik + heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en + vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft + verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te + wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient + + vroeger u minnaar + MARTINUS PLUIT. + + P.S. hartelijke Groetenis!" + +Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had, +veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van 't +fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouerend zonder +dat ze 't wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden Bijou bij +zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en +snikte: Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas +naar z'n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou +ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche +hond; voor mijn part vreten ze 'm derekt op in den Oost--zoo'n Judas! +Verleden week stuurde ik 'm nog een guldens postwissel." + +Van af dien gedenkwaardigen middag waren Bijou en Jaantje trouwe +bondgenooten, onafscheidelijke kameraads. + + +VI. + +'t Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen +gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en +gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige +bonbon" in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de +deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had +op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje kiele kiele!" gedaan en +op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het +hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot +de opmerking verleidde: 'n Stem als een klok, hoor!" en den dominee, +die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: 't +Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen +hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven." + +Wat 'n wonder!" riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol, +noch ledig liet staan, 't wurm sliep als een marmot; jammer genoeg, +want je hebt 'm hartelijk toegesproken, dominee." En toen de predikant +min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde: +Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens." voegde de joviale +zeeman er bij: Ja, tusschenbeide is zoo'n tukkie in de kerk niet +onlekker.--Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen +je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een +paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van 'n +wijf--Marie, dat 's een lijntje part met jou, hoor! Daar ga je!" hij +dronk even een glas Mot--hartelijk te feliciteeren. 't Heeft wel +vijf jaren geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, +maar 't ziet er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang +zal het leven! Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen +ophouden aan is. Frits!--Marie!" + +Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge +ouders te klinken. + +Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; n voor +n asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep, +Hiep! Hoera!" + + * * * * * + +Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat 'n herrie om zoo'n wurm!--Dat +mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed +slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien," pruttelde Jaantje, die +in de keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig +staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een +glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart, +zij lustte geen sampanje", want in haar ziel was 't nacht, +stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar +hart had gebroken. + +Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: Jou kunnen ze nou ook +missen als kiespijn, arme sukkel!" Met een blik vol weemoedig +verlangen keek de hond naar 't bord met taart, als dacht hij: Tienus +had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is 't te groot, maar 'k +zou toch mijn best doen, als 'k mocht."--Daar, stumperd, proef maar +eens: 't is roomtaart," zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij +Bijou's verlangen, hem een stukje van 't gebak vereerde. + +Haar gramschap over Tienus' ontrouw had zich langzamerhand opgelost in +een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan +die tijden van Olim, waarin haar 't kletteren van sporen en zwaard als +muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet +vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk +gemeende pogingen zij ook aanwendde. + +Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van +haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van de +dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan +de deur van het onderhuis een ko'praal" verschenen, die aan juffrouw +Jaantje" met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis, +aan hem gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor 'n milletr." + +'t Is in 't geheel geen onknap persoon,--is 't wel Besjoe?--maar 'n +piot--daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten," zei de gevoelige +keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot +knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en +behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze 't woord tot +hem richtte. + +'k Zal 'm nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij +mekaar blijven, h stom dier! En als ik t'avond of te morgen +verhuis,--want 't wordt me hier veelste druk met dien +schreeuwleelijk,--dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd." In een +aanval van teederheid greep zij een van Bijou's voorpooten en drukte +dien als ware 't een vriendenhand. + +De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn +vriendin deed zeggen: 't Is zonde, da's waar ook, je heit een zeeren +poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z'n +eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m'n beessie, ik zal je +ereis wrijven; dan wordt 't beter.--Z, m'n hondje, z! Dat doet je +goed, h?" + +Was dt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren +lieveling wreedaardig een schop te geven? + +Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding +had verdiend. + +Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn +achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken +had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had +weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu +letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier +zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid +had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het +sousterrain verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk +ondernomen. + +Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij +staan en stak zijn kop nieuwsgierig om 't hoekje van de deur. + +Wat hij dr aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande +te maken. + +Daar zat de vrouw," stralend van geluk, blozend van gezondheid in den +fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op +zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen, +dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend +toesprak. + +Dat was te veel, te tergend; met n sprong was hij in de kamer. Een +kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij 't zelf wist, en met +een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien +verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem +ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en +vinnig toe te blaffen: Jij was 't dus, jij! Om jou ben ik +verstooten." + +Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou 't kind weg!" +riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande, +diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller +ijl de kamer deed verlaten. + +Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind +niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid +kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien. + +Als 't niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet +hij weg, de deur uit," bromde Frits tegen Jaantje, die als goede +kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: Dat kan uwes geen +meenens wezen, meheer; 't stomme dier heit er toch geen part of deel +an, dat er 'n kleintje gekommen is." Die logische opmerking ontwapende +Frits' gramschap en behoedde Bijou voor 't wegjagen. + +De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat +zij eens gezegd had: 't is de peine nog al waard om over zoo'n +paarderijer zoo te kremieten", hechtte zich uit verfijnd egosme hoe +langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de +beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des +avonds, als ze uit 'r werk was", op den schoot en kamde hem met haar +eigen kam, omdat 't beessie er z boschduvelig uitzag, dat 't +rejeel schande was voor 'n deftig huis"; en terwijl ze zijn geele +haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en +zuchtend vertelde ze aan Bijou van die ondankbare honden van +cavalleristen". Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan 't +geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren +van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om +haar droefheid te lenigen. + +Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes +bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem. + +Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de +tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste +hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam +ontluikende nieuwe sympathien, waartoe door een beminnend individu de +eerste kiem met geduld is gelegd. + +Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met +ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, dat zij zooveul als een +voorbeschikking had om in 't Milletre verkeering te hebben." De +sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid +rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven +belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en +bezette dr het vroegere kwartier van de cavalerie. + +Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en +ko'praal bij 't 6e." + +Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk +als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde +hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger +verre overtrof. + +Bijou beschouwde, van den dag af dat de ko'praal" zijn eerste kliek +aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend +tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des +krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus +onthaalde hem op een allo vort!" en verklaarde, al kauwend, aan zijn +uitverkorene, dat hij 't zuur n honden had." + +Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met 't +egosme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes +genegenheid en al naarmate haar liefde voor den ko'praal" grooter +werd, verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die +eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in 't sousterrain +ronddoolde. Zijn mand met 't stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep +dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter 't fornuis, +en soms wentelde hij zich grimmig in 't kolengruis, als wilde hij zich +in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?--Hij stal het. +O! 't was ver, zeer ver met hem gekomen! + +Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een +Peri aan de poorten van 't paradijs nog eens die verloren heerlijkheid +te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als +wilde hij vragen: Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch +ns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij +zijn?" + + * * * * * + +Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor Bijou +tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd +hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de +vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het +kleine menschje, dat hem--den viervoeter--zoo natuurlijk nabootste en +nu en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen +Mama lachend: Ma-Ma," stamelde. + +Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en +afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de +herinnering aan Frits' bottine hem niet had teruggehouden; daarom +bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd +tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te +brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te +doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de +jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en +toenadering doen. + +Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou's lot +kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat +een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht. + +Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje +het maakte, en de goede man verheugde zich met Mama" over de +omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om het +staan", dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen. + +Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer +recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt," riep +vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat 't jonge +mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die +van de canap haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen. + +Hij is er! Dat's 'n kerel als Cats.--Marie, ik feliciteer je." + +Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom; +toe dan!" + +Komaan maat, zeil maar voor 't lapje weg," riep oom en stak de handen +uit. + +Waf!--waf! waf!" Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon 't nu +niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem +zoo aardig toescheen, 't kostte dan wat het kostte! En hij stormde +eensklaps naar binnen. + +Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien +schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den +grond en rolde over Bijou heen. + +O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij +zal 't kind kwaad doen," gilde Marie haastig opspringend. + +Da!--da!" riep de kleine lachend, en in 't minst niet verschrikt of +angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond +krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van +den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte. + +Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond, +hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; 'n verduiveld aardig +gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien +kleinen rakker hem eens in z'n wammes nemen. Nou, 't is een lobbes van +'n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat +ze maar gerust met mekaar spelen.--Toe dan, Bijou, hou je goed,--pak +ze.--Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z'n kop," riep oom +Harmsen, die schik had in de evolutin van hond en petekind en lachend +voegde hij er bij: Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat +'t mormel dan eerst eens wasschen." + +Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal 't kind +bezeeren", riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in +'t hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en 't kind +te scheiden. + +Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort, +Bijou!--Ze laten elkaar niet los.--Oom, kom dan toch?" + +Waarom? Laat ze maar begaan." + +Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama--'t is nu genoeg"--zei +Marie, en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen. + +Maar neen!--de jongeheer had er nog niet genoeg" van, hij zette een +keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo +vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel +toegeven moest en de twee speelmakkers met een: Nu, ga dan in +Godsnaam jelui gang maar", te zamen op den grond zette. + +Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vr zich op 't vloerkleed +dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen +om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep +hij vroolijk: Zoo is 't goed. Toe maar, jongens!--Marie, wat dunkt +je: zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade +aannemen?" + + * * * * * + +Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig +op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend, +die op Mama's schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen +zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen +aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch, +groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood: +Janus, ik ga verhuizen; 't is hier reel in huis niet meer uit te +houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van n. 't +Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, 's middags zitten Besjoe en +'t kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies +kan geen fatsoenlijke meid verdragen!" + + + + +HENRI DE SNOEPER. + + + + +HENRI DE SNOEPER. + + +AMSTERDAMSCH TYPE. + +Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,--vrede zij +zijne assche!--maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren, +dat de Snoeper" lang Amstels straten liep, als de schaduw van een +man, die 't eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, +zal ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen +Henri" den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot +voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan +stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord meheer +kauwbeen" of snoeper" nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend +van kwaadheid te roepen: Kwde jongens, indien ge mij nog lnger +insoleert, zl ik 'n gent hlen!" + +Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met +een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De +sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing +als 't ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte +stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer, +zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip vereenigde zich met +de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven +geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele +profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op +de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en +ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het +menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen, +wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord. + +Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die +gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men +in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat +hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of +meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de +slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes +vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen--wanneer +men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die +de haarlooze en roodgerande openingen vulde, z kan noemen--waren +steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite +onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig +vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat de Snoeper" +zeer slecht van gezicht was. + +Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote +hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders +eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee +damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines +bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen +te vallen. Zijn kleeding was shabby genteel" in de vijfde macht en +bestond 's zomers uit twee, 's winters uit een drietal jassen zoodanig +over elkander aangetrokken, dat de ondereinden, de panden, +amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs +goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen +weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden +over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; 't +was rijp voor den papiermolen. + +Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die +eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als 't +ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik +in de knien loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje +in evenwicht hield, zoodra 't glad was of glibberig op straat. Iets +was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve shabby" ook +genteel" maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en +een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn +sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals +omsloot. Wr hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven +en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als 't nog +steeds in 't duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte +manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de +glac-handschoenen die hij droeg, winter en zomer. + +Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel +waren ze niet van 't nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal +zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige +negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn +vingertoppen door 't leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw +waren over 't verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren +die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij +links een zwarten, rechts een bruinen of gelen Jouvin; daarop lette +hij niet zoo heel nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht +gezicht daarbij een part. + +Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit, +want 't had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de +behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri--hij zag +hem op straat aan een schaafbank werken--gevraagd had: Och! vrind, +zg me eens twee centimeters vn dit stokje f." Een vriendelijke +blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd +de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een +zekere chic" droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of +over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op +zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in 't barre jaargetij +gebruikte hij het als balanceerstok. + +Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat +daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer +werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of +iets groens,--waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van +Flora, dat hij gevonden had. + +In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit +versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het +leven zuur maakte en meheer kauwbeen!" riep. + +Met de grandezza van een Castiliaanschen Hidalgo en stocijnsch als +een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende +epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of +andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en +bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of +hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en +riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig valsch pathos: +Kwde jongens," insolente jongens", of onbeschmd rplje!" + +Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die 's +avonds van te voren veel Chambertin heeft gedronken of lichtelijk +verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins +geaffecteerd, ietwat Hgsch." Meestal volgde bij de jeugd een +uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op, +dat hem schouderophalend deed zeggen: Onbeschfd en dom tuig! Dr is +niets vn te wchten." Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg. + +Waarvan hij leefde? + +Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dt +was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van +deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit +en aan niemand. + +Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die--gedachtig aan de dagen van +Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die +hij en garon" bewoonde, gastreerden--hem wekelijks een kleine +toelaag gaven. + +Wanneer de arme man geen passies" had gehad, zou die toelaag, met +eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of +iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed +niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft. +Helaas! hij had wl passies, de ongelukkige,--en die hartstochten +waren: _beminnen_ en _smullen_. + +Toen hij nog le beau petit Henri" en in bonis" was, had hij veel +liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een +veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk +gereden, totdat hij moede van 't overwinnen zich rust had gegund bij +een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die +hem zonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans +of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg +gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en +een lichte aandoening van 't ruggemerg, die hem beverig en +schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan 't hart +gelegen, z na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om +verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte +hem dit in 't gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene +hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en +toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd +minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde +evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem +gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden. + +Uit vermogende ouders geboren, opgevoed--neen! juist niet opgevoed, +maar verwend--door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg +weduwe werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk +patricir zich kan en mag veroorloven. Vr den tijd meerderjarig +verklaard, na moeders dood, en in 't bezit gekomen van een vrij goed +fortuin, was hij door goede vrienden, zoowel als door lieve +vriendinnen, die volgens eigen zeggen trotsch op hem waren", geworden +hetgeen hij was: een doeniet, een noceur" die nimmer n enkelen cent +had weten te verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, +totdat zijn passiva de activa verre overtroffen. + +En priv!" zoo geheel onder onsjes" was Henri toen over den kop +gegaan"; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot +beredderd, en toen hij schoongemaakt" was, zooals de vrienden zeiden, +bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en--zijn passies! + +De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg geweest; ze +hadden hem van alles beloofd--en waren toen hun eigen weg gegaan, en +zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken +kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet +met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te +gevoelig georganiseerd. + +Pauvre petit Henri!" zei de laatste, die met hem had gesoupeerd. +Pauvre garon, probablement nous ne nous reverrons jamais!" Zij sprak +slechts Fransch--die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed. + +Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad, +die Fransch spraken, een pt aux truffes de Prigord" wisten te +waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen Volnay en +Chteau du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten +opgeven. + +Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer, +de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in +beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in +de stem, dat zij hem gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden +ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers, +diners en soires van vroeger te rciproceeren, maar ... hum!--zij +hoopten niet, dat hij 't kwalijk zou nemen--hun vrouwen hadden de +reuke van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre +vernomen en daarom ... hum! hum! 't Speet hun ijselijk en 't lag +heusch alleen aan de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus +misschien--altijd zonder hem te beleedigen--konden assisteeren met een +tientje of een bankje, dat hij later kon teruggeven, als 't hem +convenieerde, dan .... hum! van harte, hoor!--van harte!" + +Henri was een goeie jongen, in 't geheel niet trotsch; hij voelde zich +in 't minst niet gekrenkt of beleedigd door dat aanbod; hij zou 't +immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en--zonder +blozen deed hij zoo'n tientje of meer in zijn toen nog elegante +portemonnaie verdwijnen. + +Slechts n enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden +plaats op zijn kantoor aangeboden; 't salaris was wel is waar niet +groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de +tering naar de nering zette. + +Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den +kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten +bediende rijk, dat was alles. + +De chefs konden er niet beter gesoigneerd" en fijner" uitzien dan +Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn +passies--hoewel min of meer gewijzigd--met nieuwe kracht voelde +ontwaken. + +Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht +gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij +er niet was. + +Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg +was om het _te kunnen doen_, zich bleef uitstrekken over Henri's +hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool +begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals 't ging, +totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand. + +Er was niets met dien panier perc aan te vangen", beweerden de +patroons, en gedachtig aan het en leid ons niet in verzoeking" +verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een douceur" als +afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers, +maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu +en dan aanhankelijkheid had getoond. + +Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van vreemden bodem, +maar had bij een der Franaises, die Henri vroeger kende, meheer wel +ereis ontmoet, als zij bij 't schoonmaken hielp". Zij was niet jong +meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal kennisjes", +die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting +hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje +van gezellig verkeer; maar toen ook de douceur, ja zelfs de opbrengst +van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren +omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest +vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de +straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar--ze waren er dan +ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren +verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in 't +gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover +gekomen was. + +Sedert jaren reeds had hij 't werkwoord beminnen niet meer in 't +Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er +voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de +voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent. + +Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op! + +Hij was de rune van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder, +voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan +bescheen zijn bouwval. + +Kil en koud sloop hij verder door 't leven. In 't gewoel der groote +stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd +verscholen--onder water--totdat op zekeren dag bij een van de oude, +gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de +schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de +doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende +wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,--om +brood! + +Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van +voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein +wekelijksch inkomen tot stand voor Henri--met zijn passie: want n +passie was hem nog trouw gebleven, namelijk het smullen." + +Le beau petit Henri des dames" was in 't gasthuis en in het +straatvuil overleden,--het Amsterdamsche type Henri de Snoeper", +alias meheer Kauwbeen" was geboren. + + +II. + +Bonjour, m'nr!" zegt de Snoeper", in een der voornaamste +Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend. + +Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker +voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de +tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil +hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: Morgen, +m'neer!" maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde +kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat de +Snoeper" de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren +en fin connaisseur" in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken--en +o, die handen......! + +ngenm weer vndg", klinkt het verder uit den mond des bezoekers, +die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet, +terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank +doet leunen. + +Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze +zijn glac-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en +dan, uiterst beleefd, vervolgt: Ik wenschte wel, dt u mij eens een +pr soorten sigren liet zien vn zes cht cents 't stuk, mr met +Hvn-dek; nders kn ik ze niet rooken, en, ls u ze heeft, tmelijk +zwr." + +Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant +geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren +eenige stuks voor en wacht. + +Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt de Snoeper" +achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op, +ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van 't dekblad +te onderkennen en vraagt: + +Welken nm hebben ze?" + +Flor de Sevilla, Conchas." + +h j! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wren niet +slecht, mr wt heel zwr. En die nderen?" + +Cuba es mi Patria." + +Uitstekend! Die heb ik ltijd grne gerookt; ik zl drvn een nemen +ls monster.--Zes cent, niet wr?" + +Pardon, acht cent!" + +O! ik ws in den wn, dt ze zestig gulden wren; mr 't is zoo, ik +herinner me, ze wren vn tchtig. Ik zl deze eerst probeeren: +wnneer ze me bevllen, wil ik er wel meer vn hebben." + +De sigaar wordt opgestoken en met een: Au revoir, m'nr" zet de +Snoeper" zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een +trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel, +medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne +had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal +geprobeerd, en toen hij zeide: Houd het geld maar, u kunt de sigaar +toch wel opsteken", trots ten antwoord gekregen: Merci! ik kom ls +klnt, niet ls bedelr." + +Sedert dien tijd behandelt hij de Snoeper", niettegenstaande diens +afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende +onderscheiding. + +Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een +comestibelen-magazijn; ook dr kent men hem, en de juffrouw stoot +giegelend den winkeljongen aan, als Kauwbeen" binnenkomt. Ook daar +neemt hij gentlemanlike" den hoed af, maar zet dien niet op de +toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: Meneer! de toonbank +is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten." Die +comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat! + +Geef mij eens een ons glntine aux truffes, mr wees zoo beleefd het +goed in te wikkelen in ppier." Begeerig snuift hij in dat magazijn de +lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne, +Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te +komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen, +bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt +langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om +gemakkelijker het geld te kunnen tellen--of om tijd te winnen. 't Is +alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn +neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar +malen, als kon hij door 't inademen dier vluchtige deelen van kaas en +vleesch verzadigd worden. + +Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel. + +Met den bakker maakt hij weinig omslag; 't artikel brood is ook te +gewoon. Met den hoed op 't hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij +twee pains de luxe", maar vraagt: In ppier, s'il vous plait!" + +De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot +aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn, +want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels +met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten 't bereik van den klant, +die zich niet ontziet om ze, vrdat hij ze koopt, liefkoozend te +bevingeren. + +Wil u de beleefdheid hebben, mij 'n pr zndtrtjes te geven?" vraagt +hij, na te zijn binnengetreden. + +Van 'n stuiver 't stuk?" klinkt het min of meer ondeugend van de +lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord: + +Prdon! voor ditml mr vn 'n hlven stuiver." + +Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een +confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vr de +toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij 't +noemt, haar hart vasthoudt dat er op 't oogenblik, dat meheer +Kauwbeen" er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt +niet en praat al etend met de winkeldochter: Ik heb indertijd +dikwijls vn die ctelettes en robe de chmbre hier vndn gehd; dr +hd de ptroon bepld slg vn om ze pptissnt te prpreeren," zegt +hij, kruimken voor kruimken kauwend. Ik woonde toen ter tijd op +kmers op 't Rokin; 't is onngenm voor me, dt ik me lter min of +meer moest ... hum!... Enfin! ik heb..." Daar komen eenige dames +binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord, +zegt eensklaps: Ik krijg zeven en een halven cent van u!"--Oui, +Voil!" De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke +buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een +glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: Slut +l beaut!" + +Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange +wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor +een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met +zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft +hij ten minste, de rest van zijn geld; 't bedrag valt hem zeker mede, +want in plaats van het koffie- en chocolaadhuis" binnen te gaan, +keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt +daar--niemand ziet het immers--een ons zoetemelksche kaas en twee +gesmeerde kadetjes, maar beide in ppier." + +In 't chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij +binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: Zoo, papa Kauwbeen! +ben je daar weer? Kom je schaften?" Hij antwoordt niets, maar ziet hen +met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk +van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: Een kop +chocold!" + +Dan ontvouwt hij het ppier", belegt met zijn vingers de twee +kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet +met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug +melk-chocolade. + +Zeg, Snoeper!" schreeuwt een van de werklieden, die, met beide +ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke +boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, zeg, waar heb jij nou +weer die kaas opgedoken?" + +Och, laat hem zitten, h!" vraagt de bedienende kastelein, en +glimlachend voegt hij er bij: Meneer doet jou immers niks!" + +Meneer? 'n Mooie meneer!" grinnikte de werkman. 'k Wou om de dood +niet graag zoo'n heer wezen." + +Och hij is halfsuf, laat 'm zitten, Karel; hij is toch vroeger 'n +heer geweest," zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er +bij: Hij is van voornaam komaf, maar z'n femielie is sjofel geworden +net als hij zelf; 't is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift +leven moet." + +Wat werga, laat 'm dan gaan werken: wij moeten 't toch ook doen." + +Hij werken? Kijk 'm ereis goed an: daar is ie veel te petieterig +voor." + +Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.--Afijn laat 'm +voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met 'm ruilen met al +zijn komaf." + +Intusschen eet de Snoeper, die 't gesprek niet gehoord heeft, zijn +broodjes; de laatste kruimeltjes, die op 't papier liggen, tipt hij +n voor n met een vingertop op en 't laatste druppeltje chocolaad +heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd. + +Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt +zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt +hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat. + +De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op +den weg; want--hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder +verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt +hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en +heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn +kaken werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile. + +Z was de Snoeper, z zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na +te gaan en te volgen, zonder dat hij 't wist. Wat ik verder over hem +vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning, +maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg +zijn financin voor 't oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende +manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette, +die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem +staande en zei: H bonjour! Hoe mk je 't? 'k Hd in leng 't +genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht, +mr--c'est triste a dire--mijn grderobe is op 't oogenblik niet +premier choix. Ik heb hls! veel geld verloren, mr juist doordien ik +ftsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu lleen 'n kleine lijfrente +wrvn ik existeer; wnneer je dus eens iets voor me hoort, de een of +ndere betrekking, die niet dshonorbel is, dn zul je me obligeeren +door me te recommndeeren; wnt, sns bdinge, ik heb 't zeer noodig, +ik kn je ls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dt ik 't hoog +noodig, zelfs zeer hoog noodig heb." + +Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des Snoepers" ellendig +uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand +wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: Prdon! z ws 't +niet mijn intentie; ik ben goddnk nog geen bedelr, mr ls ik er je +genoegen mee doe, wil ik 't momenteel wel ccepteeren, op conditie dt +ik 't je, zoodr 't me convenieert, in dnk restitueer. dieu! ik hoop +me spoedig te revncheeren." + +Van dat revncheeren" is nooit iets gekomen--alleen de natuur nam +revanche" op de afwijkingen van Kauwbeen", want vr zijn 48e jaar +stierf hij in 't Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent +hem, niemand verliest iets aan hem--want hij had voor niemand geleefd +dan voor zichzelf. Een onnut leven is geindigd, een zonderling +straattype is verdwenen--ziedaar zijn grafschrift! + + + + +DIRK DE SNORDER. + + + + +DIRK DE SNORDER. + + +Een bitter koude, donkere winteravond! + +Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed +om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de +scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht. + +Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik +inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen, +die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog +strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed, +en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat +bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden +krans, naar de wereld onder haar. + +Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte +plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin +de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift, +als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast. + +Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale +plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot n +vormeloozen, zwarten klomp, nauwelijks te onderscheiden van de dikke, +zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken. + +Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken +op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister; +'t zijn de verlichte vensters van de huizen. + +Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte +massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek +helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de +ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de +houten trappen van het gebouw glinsteren. + +Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links +van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de +reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen. + +'t Is kwartier voor elven. + +Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal +de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw +heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast. + +De koetsiers van de aapjes" en vigilantes trappelen op en neer naast +de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu +en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn +hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van +zijn meester nadoen. + +De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats +gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit +naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau +zal kunnen verwisselen. + +Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar +vigilantes, die telkens, als een passagier instapt, beven en sidderen +voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels +met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om +binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of +best rookvleesch. + +'t Zijn een paar snorders", zooals men te Amsterdam dat soort van +vervoermiddel noemt. + +De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene +maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al +naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers, +die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten +rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat +zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen. +Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje +een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem +niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De +snorder" daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die n +of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde +knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is +gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd +en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op +straat komt en in 't duister ontsnapt aan 't valkenoog der inspecteurs +van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren +menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen. + +Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of +vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden, +die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in +de Nes. + +De snorder", die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat, +hoewel geen sport, toch iets hooger op de ladder van 't voerwezen. +Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen +der maatschappij en der grootere stalhouders. 't Is in zeker opzicht +een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een +tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die +geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan +hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te +snorren. + +'t Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas +betaalt hoogstens 4 5 gulden 's weeks en laat verder zijn koetsier +aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo'n knecht niet eerlijk, +dan... Doch 't is plicht te gelooven, dat ieder mensch als goud" is, +en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden +winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en +weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den +politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in +alle deelen opkomen zooals 't behoort. + +'t Is weerlichts koud van avond", zegt de een tot den ander, die +evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen. + +Nou sicuur, hoor! M'n beenen vallen haast af.--Zeg, Bobberd! heb je +nog tabak?" is 't antwoord. + +Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?" De Bobberd +spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met +kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen +woorden. Viegelantje, meheer?" + +De manke" biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met +een: Rijtuig, meheer?" of Viegelant assieblieft?" aan de enkele +menschen aan, die iemand of iets van 't station moeten halen en die +zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een +sukkeldrafje de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt: +'N doossie lucifers, heeren?" + +Zeg, Bobberd?" + +Nou?" + +Er staan een boel gestationneerden van avond; 't is bepaald weer mis; +'k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele +sigaar: 'n kale boel. Ba!" + +De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen +bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem antwoordt de +Bobberd: + +Ik ook niet, 'k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren +plentie: 'k rij nogal veel heeren, weet je?" + +Ja, jij bent gelukkig,--je hebt haast altijd volk; maar ik--ik +veeg[1] gewoonlijk. 't Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe +langer hoe schrieler." + +[1] Geen volk opdoen om te rijden. + +Dat komt door de algemeene melaise, manke!" + +Wat is dat?" + +Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal 't wel waar +wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van +handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, 't is benauwd +tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met +fooien en al." + +'k Wou, dat 'k ze maar alle weken had", antwoordt de manke met een +zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er +uit alle macht op blaast. + +Wat heb jij vast bij je baas?" + +Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!" + +Blikslagers! dan ben jij 't heertje, hoor! Dan heb jij een halven +gulden meer dan ik.--Daar moet 'k mijn baas ereis over +aanspreken.--Prrr! knol sta stil!" + +'k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden sloeg die ouwe +dragonder--je hebt hem wel gekend, 't was een witvoet, een nijdige +rakkerd zoo oud als hij was,--m'n linkerbeen stuk. 'k Heb dertien +weken in 't Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me +twee kwartjes verhooging." + +Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat +'s vijftig centen per week waard." + +Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd z, dat zijn breede, +tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. En ben +je er nou al rijk door? Neen, h? Je bent even sjofel als ik; vroeger +had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog +geen vijf." + +Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en 'k geloof +waarachtig, dat 'k van deze week ze niet eens haal." + +Klagers hebben geen nood, manke!--Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen; +we gaan zoo naar stal.--Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers +getrouwd, h?" + +Ja, natuurlijk!" + +Kinderen?" + +Zeven!" + +Godzegenme!--Satansche knol! wat mankeert jou van avond?--Een hok +vol. Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen." + +Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?" + +Omdat 'k geen vrouw heb; 'k ben een vrije jongen!" + +Ja, dat 's waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog +over den slechten tijd?" + +'n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd +mensch." + +Ei!" + +Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een +mensch toch...." + +Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den aankomenden +trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den +bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn +paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht +hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de +hand, tot zijn collega: Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg +is." + +Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de +trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het +station, alles in beweging. + +Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de +locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn +vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een +vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van +verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook +de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden +winternacht. + +Bagasie, heeren! Bagasie!--Niemand bagasie?" roepen de langs de +waggons snellende kruiers. + +Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van 't +station de reizigers met: Htel du Doelen, Rondeel! Bible-Htel! +Htel Central! Pays-Bas!" enz. + +In bouffanten en cachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken +gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en +huiverende eerste- en tweede-klasse passagiers door den uitgang. +Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle +plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer +anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen. + +In draf rijden de verschillende gestationneerden" de snorders +voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers, hoe 't eene +rijtuig na 't andere, met koffers op bok of imperiaal, hen +voorbijrolt. + +Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen: +Viegelant?" de passagiers zijn voor hen, naar 't schijnt, niet +aangekomen. + +'t Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant. +Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet +van den manke, die hem naroept: Gelukkige vent, jij bent er alweer +uit met een prijs!" Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de +reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen. + +Eindelijk zijn al de rijtuigen voor 't station verdwenen; hij wacht +nog even, dan rijdt hij zachtjes voor 't plein op en neer: misschien +komt er ook nog iemand voor hem. + +Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den +manke geen vrachtje. + +Zou 'k van avond alweer vegen?" mompelt hij verdrietig, terwijl hij +de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat +om gevoel in de vingertoppen te krijgen. In godsnaam dan, vort! Brrr! +wat is het koud." + +'t Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en 't +snijden van de vorst. + +Hort, bles! dan maar naar stal." + +Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: Hola, koetsier! stop!" +hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok, +ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem +toe komen. + +Viegelant?" roept hij hun vragend tegen. + +Ja! keer maar om!" + +Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor +zijn paard en 't rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk +herhaalt hij zijn vraag: Viegelant?" + +Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: Jawel! hier +heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden. +Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar 't Amstel-Htel." + +De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij: +'k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.--Dank je, +conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de +voorbank. Ziedaar, dat's voor je moeite." + +Dank u, mijnheer!--Beterschap!--Vooruit, koetsier!" + +De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve +beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort. + +Dat valt mee," denkt hij onder weg, 'n goeie fooi, hm! misschien +maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe +jongen.--'k Zal de Kalverstraat nemen," zegt hij bij zichzelven, dat +rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te +veel gegeten en pijn in z'n lijf. Och! wat kan 't ons schelen, h, +bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is 't me +onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook...." + +Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt +even op; de passagier steekt zijn hoofd uit 't portier en vraagt +knorrig: Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat +rijdt?" + +Naar 't Amstel-Htel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de +Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch +dat asphalt zachter en...." + +O, zoo! is 't daarom; dat's wat anders, dank je. Wat is je nummer?" + +Honderd een en tachtig, meneer!--Doorrijen?" + +Ja, asjeblieft!" + +Hort, bles!--Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer? +Ik heb hem toch niet veraffronteerd,--is 't wel, ouwe bles? Nou, 't +zal mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij +zei: Dank je!" Blikslagers, misschien recommandeert hij No. 181 als +een geschikt persoon. Ook goed!--Kom, bles, vooruit dan, we moeten, +allebei naar stal." + +'t Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te +praten, als hij rijdt; misschien doet hij 't, zonder dat hij 't zelf +weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. Komaan!" +vervolgt hij, daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de +zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; 'k zal.... +Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m'n viegelant? +Phu-u-u-t!" de koetsier fluit tusschen de tanden. + +Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat +er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn +hoed, als hij vraagt: Neem me niet verkwalijk, meneer, maar.... +Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en 't koffertje met 't +valies leit naast hem." + +Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet +goed?--Dat's een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik +gesjochten voor mijn vracht." + +Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den +manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten. +Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een +zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: 'k Werd--weer--zoo +benauwd; rij in Godsnaam voort!" + +Zou uw 't dan nou z kennen rooien?" + +Ja! ja! rij gauw weg.--Wat doen die mannen hier?" + +Ze hebben zooveel als een handje geholpen." + +O, zoo!--Dank jelui." + +'t Portier wordt dichtgeslagen en een vooruit!" van den koetsier +brengt de vigilante weer op weg. + +Eenige minuten later is het Amstel-Htel bereikt en wordt de zieke man +door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort +hem zeggen: Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!" ziet +hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets +later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vrdat hij +dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart +het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: H, portier, +de ouwe heer heit nog wat vergeten," reikt hij de reistasch over, +klimt op den bok en rijdt weg. + +Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.--'n Gulden fooi! Zeker en +bepaald een fijn mensch.--Kom! dat's een meevallertje; even een hapje +nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af." + +'t Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan +draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want 't paard +weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en +laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om +dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan. + +Bij de brug, die van 't Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert, +wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen +een lantarenpaal leunt. + +H! Hola, koetsier!" + +Phu-u-ut! Prrr!--Ho, bles!--Wou uw rijen?" + +Ja! Ben je vrij?" + +Om je te dienen, meneer." + +Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in +vroolijke stemming, neemt de kruk van 't portier in de hand en vraagt +met min of meer bezwaarde tong: + +Schroef jij 's avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! 't Beest valt +om, als je niet oppast. Zeg, Autmedon! zou je me nog zonder +ongelukken naar Kras kunnen rijen?" + +'t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar 't is dubbel tarief na +elven. Weet u 't?" + +Daar vraag ik je niet na, Autmedon." + +Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet." + +Die is goed. Ha! ha! Heel goed!" + +Kom, stap nou maar in, 't is al mooi laat." + +Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou 'm recht, kerel! Dat's +zot, dat's--hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!" + +Wil ik je ook even helpen, meneer?" + +Neen! 't Is in orde.--'n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady. +Z, ik zit. Vooruit!" + +Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag +dicht. Een hort, bles!" en het rijtuig komt in beweging. + +Onder weg zegt de snorder tot zijn paard: + +Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan +te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!" + + +II. + +'t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd +de manke", met zijn groot gezin wordt bewoond. + +Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de +Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit n vertrek, met een +klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast. + +De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster +laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende +wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom, +maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren +en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw +houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand. + +Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van +oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee +kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te +slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien +en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige +kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten. +Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op +den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een +mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje +van drie jaren sluimeren. + +Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende +potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en +aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje +niet frisscher wordt door de uitwaseming van 't snerkende eten. Bij de +kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel +vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het +jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als +stripjongen reeds eenige stuivers verdient. + +Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; 't vroegtijdig +gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken +van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is de +uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek +van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen +met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet. + +Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks +in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen +gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des +volks ontsproten. + +Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met +een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en +gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk +jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd. + +Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat; +haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug +geworden door arbeid en door 't rondom haar sluimerende zevental, dat +zij 't levenslicht schonk. + +Wat is er dan, Jan?" vraagt zij, over 't bed gebogen, met een licht +Overijsselsch accent. Heb je pijn in je mondje? Ben je koud, +kereltje? Kom dan maar bij moeder." Zij wikkelt het kind vaster in den +doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met +melk en sust het, totdat 't al kreunend weer indommelt. + +Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw; +daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten. + +'t Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt +zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan, +haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar 't kind, +dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje, +onrustig slaapt. + +Hij is niet goed; 'k geloof, dat 't schaap koorts heeft; wat gloeit +hij," zegt ze tot zichzelve; dat moet er nog bijkomen!"--Zij +luistert, want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. Dat +'s Dirk," denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later +wordt opengedaan. + +'t Is de manke", die thuis komt. + +Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel +mogelijk afschudt. + +Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in," roept de +vrouw hem te gemoet. + +'k Snapte daar net een bui.--'n Avond, Mijntje! Ben je nog op?" + +Ja; 'k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op +'t fabriek komen. H! wat breng je een kou mee; 't is vinnig weer +buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel +weer aangelegd; 'k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is 't +vandaag geweest?" + +Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij +opgeruimd: + +'k Dacht eerst, dat 't vandaag weer miserabel zou wezen, maar de +avond heeft 't goed gemaakt. Dr heb je een gulden, twee kwartjes en +een dubbeltje. 'k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn +eten, 'k heb trek." + +Ik kan niet opstaan, Dirk: 't kind ligt op mijn schoot; hij is niet +goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: 'k +wou, dat je ze alle dagen meebracht!" + +Dat schaap is dan erg aan 't sukkelen, vrouw; zoun 't de tanden +wezen?" antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar +kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te +verorberen. + +Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar 't Amstel-Htel +moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij +van het aangeschoten jongmensch. Zie je, Mijn, hij had een flink stuk +in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij +ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: We bennen er, meneer!" Maar 'k +moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan +met een paar lodderige oogen en zei: Goeie morgen! Ik heb 'n +verduivelden dorst!--Die rammelkast van jou is geen cent waard," maar +hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn +spul vindt. 'k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig +verval gehad." + +Zuchtend antwoordt de vrouw: Dat heb 'k gemerkt." + +Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: Zeg, Dirk!" + +Nou?" + +Kierssen is er geweest." + +Hm!" + +Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is." + +Hm!" + +'t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver." + +'k Weet het wel, maar 'k heb het niet, vrouw!" + +En ook niets meer om weg te brengen."[1] Kierssen zei, dat hij, als +Vrijdag 't geld er niet was..." + +[1] Naar den lommerd brengen. + +Nou, wat dan?" + +Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: Meneer Kierssen, je weet wel, +dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur +betaald, maar nou 't zoo slecht is van den winter met de verdiensten, +moest je nog wat geduld hebben en..."" + +En wat zei hij?" + +Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: Ik zou je wel willen +laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit; +laat je man zelf eens naar hem toe gaan."" + +Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te +woord." + +Maar als Kierssen 't nou toch zeit, Dirk?" + +Praatjes! ze steken samen onder n deken.--Breng morgen dien daalder +maar aan den opzichter op afrekening; dat zal..." + +Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en 'k heb al overal op de +lat[1] gehaald: 'k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten +hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft +ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen..." + +[1] Op crediet. + +Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan 't niet van mijn +lijf snijen." Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje +onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt. + +Dat zal me een nachtje geven," bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt. +Met de woorden: 'k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch +stil, Mijn!" stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de +oude, dunne dekens. + +Leg mijn jas er nog maar op: 't is vervloekt koud en de kachel heeft +gnacht gezeid," zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine +in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de +slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje, +en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel +zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft. + +Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen +weigeren haar dienst bij 't aankleeden. + +Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de +vrouw, met 't zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen +neerleggen. + +Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te +spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de +stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan +juist vr dien tijd soms een vrachtje krijgen. + +'t Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in 't +keukentje; vrdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om +half acht op de sigarenfabriek moet wezen. + +Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem +zegt: Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel +aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal +gedaan heb, rij ik wel even aan om m'n boterham te halen." + + * * * * * + +Buiten is 't nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen +haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die +glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid. + +De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige +jongen, die zoo wat handje voor alles" is, heeft al een paar +oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden. + +Gmorgen, Dirk!--Satans koud!" roept de baas hem tegen. + +Nou, baas!" + +In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de +kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een +bok, die nijdig naar Dirk stoot, als hij naast den uit de ruif +etenden bles gaat staan en zegt: Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we +jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb +je nou nog je bekomst niet, vreetzak?" + +Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot +den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: Allo, Jaapie! +geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen +schoonmaken." + +Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de +waterleidingkraan, z langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde +koetshuis gaat, hem toeroept: Kun je nog langzamer?" + +Jawel!" is 't brutale antwoord. + +'k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!--Waar is de +schuier?" + +Vraag 't hem zelf!" + +Gelukkig voor Jaapie, hoort de manke" deze laatste vriendelijke +woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds +begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de +mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die +uit. + +Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog +niet had opgemerkt; 't is een klein zwart lederen taschje. + +H! wat is dat?" zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die +den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd +omdraait en vraagt: + +Wat mot je?" + +Niks!" + +'k Dacht, dat je riep." + +Neen!--Kijk naar je emmer." + +Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te +bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien borstrok en doet dan, alsof +er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een +deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt. + +Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets +van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door 't hoofd: +Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?" Hij tracht zich zoo +onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets +ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem +toeroept: + +Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen." + +Ik, baas?" + +Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben 'k niet van je gewend." + +Hm! Ja! Neen! 'k fluit, omdat 'k zoo koud ben, baas." + +Zoo!" + +Een oogenblik denkt Dirk: Je moet dat taschje aan den baas geven om +te bewaren," maar dadelijk overlegt hij er bij: Gekheid! eerst kijken +wat er inzit; is 't de moeite waard, dan breng jij 't liever zelf +terug aan den... Blikslagers! van wien zou 't wezen? Van dien zieken +heer voor 't Amstel-Htel, of van dien jongen snuiter, die den prins +gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of...." + +In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar, +dat de baas het ziet en--zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi +aan. + +Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. 't Begint te +schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op +straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met +haast naar de stations spoeden. + +Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te +rijden. + +'t Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den +dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den +voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en +hem even toeknikt als antwoord op zijn groet. + +Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de +leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te +voorschijn. + +Voorzichtig doet hij 't open en houdt den inhoud, een pakje papier, +tusschen zijn vingers. + +Waarachtig! 't zijn bankies," zegt hij in zichzelf, en terwijl hij +met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: Dat's een vondst! +Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig! +drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat's al zeshonderd.--Godzegenme, +n van duizend!" + +Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want +zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. Zestienhonderd en +vijf gulden samen! Geen bagatel," denkt hij, en als hij verder niets +hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op +en bergt schielijk een en ander weg,--nu echter tusschen zijn baaien +hemd en het bloote lijf: daar is 't zekerder! Terwijl hij verder rijdt +en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: Wie zou dat +verloren hebben?" Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn +vigilante lag, toen hij 's avonds te voren aan het station ging staan, +want even vr dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw +op lag, nog uitgeschud. 't Moet dus van een der twee laatste +passagiers zijn. + +Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar 't bureau van politie +brengen? Hum!" overlegt hij bij zichzelf, 'k zal zoo dwaas niet weer +wezen; 'k heb eenmaal een gouden ring gevonden en naar het +politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en +zelfs geen fooitje is er voor den manke" overgeschoten; dat doe ik +nooit weer.--Maar wat dan? 't Geld houden, nu en dan een bankje +wisselen?" Hij is 't nog niet met zichzelven eens. Een bankje van +vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar +dat van duizend, dat's te gevaarlijk! En...." + +Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij +nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam +reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op +zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje +met bankpapier ontstaat; 't is alsof hij zich telkens opnieuw wil +overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft. + +Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij 't hoort", denkt +hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij +glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: Dadelijk naar 't +bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst", en--zijn hart klopt: +zveel geld en z arm! + + +III. + +Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier +in 't bezit van den manke". Hij was, na lang beraad met zichzelven, +tot het besluit gekomen om 't geld zoolang te houden, totdat er +navraag in de kranten kwam. + +Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk +moeite om het terug te krijgen, en zet 't allereerst een advertentie +in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen. + +Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wr of aan wien zich te +wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo +rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel +n of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten. + +Elken avond had hij in 't Vroolijke Schuttertje", een kroeg waar +gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder +gevolg. + +Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van 't Schuttertje, +toen hij Dirk zoo aandachtig het _Handelsblad_ en 't _Nieuws van den +Dag_ zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: Lees jij +tegenwoordig de kranten?" + +Ik? Hoe zoo?" + +Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een +paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je +kar?" + +Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo +eensklaps? 't Zweet brak hem uit, want 't kwam hem voor, dat hij hem +zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend +antwoordde hij: Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?" + +Nou! ik dacht het maar zoo, manke!" + +Waarom?" + +Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de +Bobberd: Wel! 't is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; 't was +maar een bagatel, 'n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik +ook gekeken naar de advertenties." + +En?" + +'k Zag er eindelijk een staan, maar 'k had de duiten al op. Ha! ha! +ha! 't was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een +gulden of acht in; 'k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je, +als 't nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon +ook m'n vingers niet branden, want geld is geld, 't is allemaal even +rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of +van jou." + +Ja! hm! maar Bobberd, 't was toch niet....!" + +Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou 't +evengoed hebben gehouwen als ik.--Je begrijpt, 't portemonnaietje had +ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar." + +Maar als 't nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de +lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren." + +Gekheid! 'k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! z mal niet, +hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van +de Voorzienigheid, dan _moet_ hij 't hebben, ten minste als 't niet +zveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend? +Dat 's een praatje. Ja!--de menschen schrijven daar op, welke nummers +ze in d'r zak hebben, kun je begrijpen! Als 't een loterijbriefie is, +dan is 't wat anders; maar bankies,--gekheid!--Sakkerloot, manke! wat +kijk je me raar an.--Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er +eentje gesnapt hebt, al was 't er ook een van honderd gulden, geef +maar hier! Voor een rijksdaalder zal ik 't wel voor je wisselen.--Nou! +biecht maar ereis op: wat heb je?" + +Niks! Je kletst.--Gnacht!" + + * * * * * + +Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd, +en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn +pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: Geld is geld, 't is +allemaal even rond en...." Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder +in de gedachten: 't was zoo'n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor +een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan +haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. 't +Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij z aan haar denkt. Hoe komt hij +nu plotseling aan die herinnering? 't Is toch bepaald vreemd, want hij +kan het niet van zich afzetten; 't komt hem voor, alsof hij haar +eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel +zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; 't is alsof hij de kracht +van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was, +wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht. +Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in +zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan 't +werk. + +Gnavond, moeder!" zegt hij binnenkomend. + +Gnavond, Dirk." + +Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?" + +Ach, God! weet je 't nog niet? We moeten er uit; in de andere week +al." + +Wat zeg je daar? Is 't waarachtig?" + +Kierssen is er weer geweest, van morgen. 'k Had geen cent meer en van +middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon +geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we +verhuizen." + +Zoo! hm!" Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje. + +'t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen +naar toe?" + +Zoo'n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje." + +Wist ik maar raad, Dirk!" Opnieuw barst zij in tranen uit. + +Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen +heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: Huil +niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n'alterasie om +zoo'n lamme vent, h? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we +zoeken een andere woning; een betere, hoor!" + +Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?" + +Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar 'k zal den baas om voorschot vragen +en...." + +Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig." + +'t Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig +woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: Ben je +niet goed, man? Slaap je nog niet?" + +Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; 't +was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die +huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter +treffen; 't geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en +rechts, maar 't wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk +kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: als een arm +mensch wat vindt, dan is 't een bestiering, dan moet hij het hebben." +Waarachtig, 't scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van +vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand. + +Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun +regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem +snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur +gemaakt. + +Arme ziel!" dacht Dirk, je hebt toch ook je portie; 'k zal zorgen, +dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo'n rijke kerel, die 't +verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en +ik..." Hij sliep in. + +Den volgenden dag wisselde de manke" bij een winkelier in de buurt +een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer. + +Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij 's +avonds Het Vroolijke Schuttertje" binnen. De Bobberd was er nog niet; +gauw dus de kranten nog eens nagezien! + +Alweer niets. Komaan! dat gaat goed," dacht Dirk; er schijnt geen +navraag naar te komen; 'k zal nog een dag of wat wachten en dan..." +Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje +deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest +iets verzinnen, een leugen;--ze zou natuurlijk vragen van waar +plotseling dat geld kwam; en zonder 't zelf te weten, zat hij te +soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk +niet. Waarom stond er nu niet zoo'n eenvoudig Verloren" in, dat +betrekking had op zijn vondst? + +Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had +getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een +briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als +hij, en--nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een... + + * * * * * + +Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij +plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de +Bobberd houdt hem terug met de woorden: Wou je nu al heengaan, manke? +Zijn de centjes alweer op?" + +Wat bedoel je?" Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te +hebben omgekeken, zijn ondervrager aan. + +Niks bijzonders, ouwe jongen!" grinnikt de dikke, en met zijn +waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: Je hebt van morgen bij +Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. 'k Stond juist in 't +opkamertje,--dat dacht je niet, h?--ik dronk even een kommetje +troost bij de juffrouw." + +De manke verbleekt en stottert! Zoo! ei!--Nou! en wat zou dat?" + +Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo'n +stiekemerd was om 't voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een +pennetje[1] hadt gehad." + +[1] Fortuintje (volksuitdrukking). + +Wie zeit je dan, dat 't zoo is?" + +H! h! h! h! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je..." + +Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen." + +Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar +een paar proppies[1] moet je geven, hoor! Anders ben je een kale +jakhals." + +[1] Borreltjes. + +Nou, als 't daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder +een klare, van die dubbelgebeide, hoor!" + +Met suiker!" roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt +hij: Kom, manke, 'n spulletje?" + +Neen! 'k ga naar huis." Dirk staat op. + +Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?" Uitdagend lachend ziet de +Bobberd hem aan. + +Neen! maar...." + +Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw 't niet hebben? +Als ik zoo'n vent was als jij, zou 'k me waarachtig niet aan een +spulletje laten kennen,--Kobus! geef de kaarten ereis!--vooral niet +als je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! +daar komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken." + +Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe 't komt, maar hij +blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een +vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer +geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De +manke durft het voorgeslagen pandoertje" niet weigeren, neemt +langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen, +te spelen. + +Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande +hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de +Bobberd hem er over in 't ootje nemen en de laatste eindelijk, met een +reeds bezwaarde tong, hem toevoegt: + +Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?" + +'t Is lang over eenen, als hij 't Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim +twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan; +geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en +worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met +eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust +over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen, +zoodat zij verschrikt opstaat en 't licht aansteekt, bij de woorden: +Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je +gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?" + +Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar +hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan +zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt, +snorkt hij spoedig zwaar en luid. + +De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen +aan, zucht: Moet dat er nou nog bijkomen!" en weent zich eindelijk in +slaap. + + * * * * * + +Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij had zwaar +gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de +kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor +zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor +was hij met den uitroep: Blijf er af, valsche hond!" wakker geworden +en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil +verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn +koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den +stal, waar de baas hem met een: Wat mankeert jou van morgen?" +ontving. + +Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij 't +zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen. + +Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet +beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te +hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: 't Is weer vegen +vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond +wat werk." + +Wat zal Mijntje zeggen?" dacht hij onder 't naar huis gaan; 't drukte +hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem 's morgens geen enkel verwijt had +gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest +als altijd; dat hinderde hem. Had ze maar opgespeeld, was ze maar +begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... 't Is toch een goed +wijf!--Verdord! waarom heb 'k nou op eens geen courage meer om nog +zoo'n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou, +als ze vraagt waar 't geld vandaan komt, dan deed ik 't wel," mompelde +hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde. + + * * * * * + +Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij +de gedachte: 'k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen, +dat...." Daar hoort hij Mijntjes stem. 't Is alsof zij ongenoegen met +iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan +gewoonlijk. + +Daarom blijft hij staan en luistert. + +Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: Hoe kom je er aan? Ik wil +het weten; geef antwoord, Gerrit!" + +Gekregen, moeder!" 't Is Gerrits stem, die antwoordt. + +Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed, +dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van +vijf en twintig, en met zoo'n mooi lint er om, dat is niet +zuiver!--Allo! zul je antwoord geven?" + +De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den +jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk +doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de +rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan. + +Gekregen", herhaalt Gerrit, van den meesterknecht gekregen". + +Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?--Je krijgt een +kleur, je liegt!" + +Zoo maar, moeder, voor een aardigheid." + +Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat 't niet waar is." + +Gerust, moeder, ik heb ze...." + +Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om +dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze +weggenomen. Kind! 't is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn +Gerrit een dief....!" + +Neen, moeder! 'k ben geen dief!" + +Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, 't +is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is +precies hetzelfde." + +Maar, moeder...." + +Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet zien. Ga uit mijn +oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint +met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal 't...." + +Moeder, ik heb 't waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!" +schreit de knaap. + +Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij +Mijntjes woorden: Ga uit mijn oogen, leelijke dief!" Hij heeft +gebeefd en is op 't punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te +ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk +gestolen heeft, en daar valt 't hem ook als een pak van 't hart, als +hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: Ik ben geen dief." + +Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt, +dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu +minder luid en heftig. + +Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren, +en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als 't een eerlijke zaak +was, hoefde je dt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo +goed met je. Kom! zeg het moeder maar." + +Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in 't portaal bij +de sorteerkamer.--Neen! moeder, huil nou niet. 'k Ben toch geen dief, +moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid, +geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.--Toe, moeder, huil niet zoo; +ik ben toch niet slecht, maar...." + +Kind! kind! waarom loog je dan? Is 't wel wezenlijk waar?" + +Gerust, moeder! ze lein op 't portaal; een van de sorteerders zal ze +verloren hebben en de...." + +Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel? +Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht, Gerrit? Dat had je +moeten doen, dat was je plicht geweest." + +Ja, moeder, maar..." + +Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij +zijn hand op de plaats, waar 't taschje verborgen is; 't kost hem +moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw +weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt: + +En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze +verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en..." + +Maar ik dacht...." + +Foei, kind!--Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je +zeggen?" + +De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en +nageteld, en..." + +Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom +en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je 't pak sigaren al +twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je 't al; nou moet je +alweer liegen, omdat..." + +Maar, moeder!" + +Zeg dan maar, dat je 't mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!... +Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo'n +ding!--Wat zal ik zeggen?" + +Och, moeder!" + +Zeg, dat je vader 't je had afgenomen en opgeborgen en dat je 't +daardoor niet eerder kon..." + +Vader?" + +Neen! zeg maar niets. 'k Zal er zelf heengaan; ik zal 't dan wel voor +je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe 't in Godsnaam +nooit weer--en houd je maar stil, doodstil voor je vader." + +Zal u 't 'm dan ook niet zeggen, moe?" + +Neen, jongen! 'k zal mijn mond houwen. Geef 't pakje maar hier; ik +zal 't wegbergen tot morgen, want als je vader 't wist, dan zou je wat +beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee +dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,--hij sloeg je +halfdood!" + +Och God, moeder! zeg 't hem dan niet; ik zal 't nooit weer doen; maar +ik dacht, 't zijn maar sigaren, en...." + +Meer hoort de manke niet, want 't is hem draaierig in 't hoofd +geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die +slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur. + +Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de +keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met +geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden: +de man is zoo eerlijk als goud," klinken hem z duidelijk, z luid +in de ooren, als vernam hij ze pas op 't oogenblik zelf. + +Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de +advertenties nagekeken, en 't geld is er immers nog? Die vervloekte +Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben +geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten +zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien 't is? +Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren +verloren en..."--Als dief aangezien door jou schuld!"--Wat werga! +wie zei dat daar?" mompelt Dirk in zich zelf: 't Is precies alsof ik +'t iemand hoorde zeggen," denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld +van het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed, +voor den geest. Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; 't +zou toch kunnen zijn, dat zoo'n jongmensch voor zijn patroon geld +ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, 't verloren had.--Neen! +maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wien +het was! Hm! 'k Had toch wel eens aan 't Amstel-Htel kunnen vragen +naar dien zieken heer, die.... Wat werga! wat belet me, dat ik 't nog +doe, dadelijk?" + + * * * * * + +Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Htel en +zegt tot den portier: + +'k Heb een dag of tien geleden, 's avonds van den laatsten trein, +hier een passagier gebracht...." + +Dat's wel mogelijk; 't is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet." + +Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den +welgedanen portier, die met een zeker air" hem van het hoofd tot de +voeten opneemt, als wilde hij zeggen: Wat moet die armoedige snorder +hier?" + +En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is." + +Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?" + +Neen!"--de manke glimlacht even--'t Is die passagier, die ziek +aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!" + +Eenigszins gevleid door 't beleefde U", antwoordt de portier iets +vriendelijker: + +O! zoo! ja--'k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou +je?" + +Goddank!" denkt Dirk, en Mijntjes woorden: Dan is 't nog niet te +laat," komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit +zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl +hij zegt: 'k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?" + +Ja! maar...." + +Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is." + +Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de +baron wel te spreken is." + +Is 't een baron, portier?" + +Natuurlijk!--'t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de +beterhand." + +Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed 's avonds; +onder weg had hij nog zoo'n soort van flauwte. Och kom! is hij toen +naarder geworden?" + +Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.--Kom dus liever eens +terug,--later." + +Neen! dat kan ik niet," antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: 'k Durf +Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vrdat de zaak in orde +is." Daarom herhaalt hij nog eens dringend: 't Heeft haast, portier! +Ik zal den baron niet lang ophouden--Och! doe me 't plezier en vraag +of ik...." + +Nu, goed dan, ik zal je helpen," en zich tot den kleinen groom, die +in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de +portier: Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te +spreken is voor dien snorder." + +Voor No. 181," roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen +opwipt, nog na. + +Terwijl de groom zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier, +die op 't oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een +praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van +der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in 't hotel, ernstig +ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die +telegraphisch werd ontboden, is verpleegd. + +'t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat 't +een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan +heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van +voornaamheid," zegt de portier op 't oogenblik dat de groom +terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij: +Wel?" + +Boven komen", is 't lakonieke antwoord. + +Dat tref je!--Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12." + +Kom dan maar mee!" zegt knorrig de groom en gaat vr Dirk de trappen +op. + +Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar +zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt +hij, na een zacht: Binnen!" door een vrouwenstem geuit, het vertrek +in. + +Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit +zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en +ziet rond. + +Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij +heeft hem ook alleen maar 's avonds gezien, en dan nog wel in een +dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: Ben jij No. 181?" +herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: Jongens! +Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,"--en als schaamde hij +zich plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: Dat viel er +zoo uit, meneer, neem me niet kwalijk," en blijft verder zwijgend +staan, totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem +vriendelijk toevoegt: Wat wenscht u?" + +Mevrouw--juffrouw--ik .... hm! ik...." stottert de manke, nog altijd +eenigermate verward door de vreemde omgeving: ik ben de snorder, die +den baron 's avonds hier heeft gebracht en ik wou...." + +Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den +portier of...." + +O, neen! meneer," valt Dirk snel in, dat is 't 'm niet; 'k blijf u +nog wel dankbaar voor dien gulden, maar 't is een heel andere +zaak.--Heeft u bij geval ook iets verloren?" + +Goddank! 't woord is er uit," denkt de manke, en alsof 't hem nu +gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: Iets van waarde +verloren?" + +Ik?--Niet dat ik weet, beste vriend!" + +Och God! zou hij 't nou toch niet wezen?" denkt Dirk; maar hij +vervolgt: 'k Heb wat in m'n viegelant gevonden, een kleine zwarte +tasch met...." + +Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in +en...?" + +Juist, meneer! juist!--Hier is 't, asjeblieft!" + +De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die 't +nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en +oplettend aanziet. + +Wanneer vond je dat?" + +'s Morgens vroeg, toen ik m'n wagon schoonmaakte. Als ik maar had +geweten, dat 't van u was, zou ik 't dadelijk hebben teruggebracht, +maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uws verlof, 'n +beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij 't laten +vallen. Ik wist ook niet wie 't was en 'k dacht: eerst hier +informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik...." Dirk verwart +zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: Wat zal ik zeggen, +waarom ik 't zoo lang gehouden heb?"--'t Is een akelig ding, dat die +woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door 't hoofd spoken. + +De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen: + +Ja!--'t is van mij; 't is geld, dat ik pas van mijn notaris had +ontvangen," en tot de freule: Zie je, Constance, ik heb door mijn +ziekte er in 't geheel niet meer aan gedacht. 't Zat in mijn valiesje; +dat sloot niet goed en...." + +Dat kan wel wezen, meneer; dan is 't er uitgevallen, toen u +uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb +'t nog dichtgeknipt, voordat ik 't aan den portier gaf. 't Taschje had +ik niet gezien; anders...." + +Zoo!--dus je vondt 't 's morgens en je zaagt, dat er geld in zat." +Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en +ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den +hoed in de hand voor hem staat, aan. 'k Weet niet juist meer hoeveel +geld er in was, goeie vrind, maar 't zal wel akkoord wezen." + +In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de +gedachte: Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te +zeggen van dat vijf-en-twintigje." Maar 't is alsof een inwendige stem +hem toefluistert: Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je +werk niet ten halve," en, eer hij 't zelf weet, zijn hem de woorden +ontsnapt: Neen, meneer, 't is niet in orde." En hij kleurt als een +jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: Kijkt u maar goed na, dan +zal u wel zien dat ik--hm!--'t spijt me wel--maar..." + +De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te +hebben gedacht, zegt hij: Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie +vriend?" + +Vijf en twintig gulden, meneer!" + +Hum!" De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt +met een zweem van misnoegen in zijn stem: En waarom deed je dat?" + +Een oogenblik is het doodstil in 't vertrek, dan zucht de manke +hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan +zachtjes, met trillende stem: + +Ik ben zoo arm!" + +Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat +daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke +traan in 't oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek +den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij 't +merkt, trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op +den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met +alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien. + +Ben je getrouwd?" vraagt zij zacht. + +Ja, juffrouw!" + +En heb je kinderen?" + +Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben 't van de winter hard genoeg +want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen +en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat 't geen +vetpot is...." + +Ja dt kan 'k begrijpen," de freule ziet medelijdend hoofdschuddend +den snorder en dan, vragend, haar vader aan. + +De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den +winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dt kon ik +niet;--vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik +hoop dus dat u 't me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam--maar +ik dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik 't weerom breng. +Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en +toen..." + +Kom eens hier, man! Hoe heet je?" roept eensklaps de baron, het +verhaal van Dirk afbrekend. + +No. 181; och, neen! Dirk de Vries," is 't verwarde antwoord. + +Kom hier, kerel!" Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt +zenuwachtig: Kom dan!" + +Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule, +verlegen aan. + +Maar kom dan toch bij me!" + +De manke nadert. + +Geef me je hand, De Vries! Zoo! 'n fermen handdruk. Zoo! jij bent een +eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou plaats 't wel z had +getracteerd.--Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.--Je +hebt zeker een brave vrouw, h?" + +Ja, meneer, die heb ik Goddank. 't Is een best wijf, die m'n kinderen +grootbrengt met God en met eere," antwoordt de manke, uit de volheid +zijns harten. + +Dat dacht ik wel.--Constance, schel eens om wat port; laat den man +een stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.--Kom, vrind! vertel me +nu alles eens. Wat verdien je wel en...?" + +Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij +verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van +Bles--dat dier ligt hem na aan 't hart. Wil u wel gelooven meneer! +dat hij me als een hondje naloopt, aardig h? Dat deden alle paarden +die ik gehad heb." Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij +vervolgt: 'k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog +ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde, +dat beloof ik je--maar wat krijg je bij zoo'n snorder onderhanden? +Ouwe dragonders, een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja! +als ik weer eens een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen, +zou ik nog eens kunnen laten zien, dat 'k weet wat 'n paard is en wat +het toekomt." + +Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel +geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met +over paarden en rijtuigen te spreken--telkens weer opnieuw uitgelokt +door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat +niet maar Freule Constance wl; zij knikt, achter den snorder staande, +een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: Ik +begrijp u papa--'t is goed wat je wilt doen." + +Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt +die even aan 't voorhoofd en zegt tot den snorder:--En nu, goeie +vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; 'k +voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel +goedgedaan.--Ziedaar! neem dat mee, dat's voor den eerlijken vinder; +doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van +Overijssel, dat ik een landsman van haar ben--maar pak dan toch aan, +man--dat 's om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat +ze een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren +zal--Adieu!" Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en +verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een +banknoot in zijn hand--nauwelijks gelooft hij zijn oogen. + +Godallemachtig! Honderd gulden!--Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat +zal 't wijf blij zijn!" + +Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt +deze, uit zijn hokje ziende: Heb je den baron gesproken?" + +Nou! dat zou 'k je verzoeken.--Dag, portier!" + +Dirk maakt, dat hij wegkomt. + +Of de baron woord hield? + +Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende +het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het +buitengoed Weijdenstein" boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond +is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er +is altijd genoeg. + +Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij: +Vrouw! 't is eigenlijk jou schuld, dat we 't nu zoo goed hebben", en +zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: Neem een voorbeeld aan +jelui's vader: die is zoo eerlijk als goud!" + + + + +DE FASHIONABELE DINEUR. + + + + +DE FASHIONABELE DINEUR. + + +Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de +beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen +naam. + +De fatsoenlijke eter"? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.--De +deftige gast"? Evenmin!--De tafelvriend van goeden huize"? Misschien +zou die naam iets beter zijn, maar 't is toch de rechte niet. Neen! er +is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te +toonen, wat ik met den fashionabelen dineur" bedoel. + +'t Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt +noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik +op 't oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij +oorspronkelijk een niet inheemsch" type is, maar--ik ben er zeker +van--velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar +hebben ontmoet. + +Wellicht wisten zij vr dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast, +dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen +zij, na 't lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst +beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun +over- of nabuur was, tot het gild der dineurs" behoorde. + +Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,--ik +houd mij aanbevolen om dien over te nemen. + + * * * * * + +De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd, +ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik heb er +zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal +regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die +familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als +kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren. + +Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen, +zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met +een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje +om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of +ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk: +Hoe meer ik u aanzie, hoe meer 't mij frappeert, dat u sprekend +gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron +Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van +Daelens?--Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon +frappant, kolossaal!" + +Een tweeden niet onhandigen truc" gebruikte hij, wanneer er geen +gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. 't +Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de +soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar +men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende +wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij 't op de +hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos: +Liefdadige instellingen, Mevrouw?--Ik acht en vereer ze; maar! .... +mij hebben ze drie ton gekost.--U lacht? Neen! 't is parle d'honneur, +de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik +beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst, +geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder. +Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.--Wat blijkt nu na +haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen +vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van +Brijnen,--notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten! +Ridicuul!--Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek." + +In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn +naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en +afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots +jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vr +het summa cum laude" afscheid van de universiteit te nemen. Familie +en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat +hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende +betrekking; 't was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn +afstamming, niet maar 't eerste 't beste baantje aannemen. + +Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis, +die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd +hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in 't worstelperk des +huwelijks, als clibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te +wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard +hem terug van Hymens boot; hij was immers lang jongeheer" geweest +en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wt hem +terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige +beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is +te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn. + +Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor 't eerst +ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te +kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door 't +onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men 't wel eens +vulgair uitdrukt, zijn kostje hier en daar op te halen." + +Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm +nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige +verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij +de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert. + +Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of +anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in 't adresboek +komt hij daardoor onder de rubriek particulieren" of renteniers" +voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst +fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en +vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds +overtuigd, dat alles wat naar 't ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd +is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing +brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten +dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij +gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een +zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander +familie-diner de pianino ziet openen, dat hij au beau milieu de sa +jeunesse" veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij +ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is +die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot zingen(?) +te verleiden.--Wee u, zoo ge u laat vangen! + +J'ai dit la romance", vertelt hij aan een ieder, die 't hooren wil; +en wanneer hij dat zachte woordje: dit" met een soort van zoetelijken +glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet +suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van +voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en +burchtdames stem en speeltuig liet klinken. + +De romance moet niet _gezongen_ worden", beweert hij; il faut la +dire." Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou +'t u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook +dadelijk volkomen vergeving van zonden" verzekeren. Ge kunt u immers +zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond +geen Rve parfum au frais murmure" voorstellen, evenmin als ge u +verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer +dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te +vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld. + +Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien, +de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en +door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd. + +In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij een +gentleman" van top tot teen. Of niet nu en dan door de porin van zijn +volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en +bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in +allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van +Jockey-club of New-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek +tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand +neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te +betten, als hij, na de vermoeiende bezigheid van het dineeren, van +tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij gecharmeerd is van uw +alleraangenaamst gezelschap". + +Met tact weet hij des winters na 't diner, zonder dat iemand hem ook +maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen, +het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte +virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje +Regalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl +hij zijn koffie savoureert", geniet hij als kenner" die Havana, +zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan +te doen. Hij zou iemand lastig zijn?" O, foei! dat is onmogelijk. Hij +is--vraag het maar aan al de dames, die hij kent--de meest galante, de +beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle +vrouwen--mits fatsoenlijke--een kleinen dienst overheeft, een dienstje +soms z klein, dat een gewoon heer" het niet zou durven bewijzen. +Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen en amiti". Hij zegt het +zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want--jokken, neen! daarvoor +is hij veel te fashionabel. + +Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van 't een of ander een +niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat +het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om--en amiti" te +blijven; waar 't doel goed is, wordt ook voor hem 't middel spoedig +heilig. + +Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit 't oog verliest +bij families, waar hij zijn vasten dag" heeft, en treffend is het om +te aanschouwen, hoe hij op die vaste dagen" prijs stelt. Ontvalt hem +zoo'n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar +een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden +van vrienden in te leiden met een: Veroorlooft u mij Mevrouw, dat ik +u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam +gezelschap, dat...." + +Meestal gelukt hem die manoeuvre, want 't is voor veel familin, die +nogal eens diners geven, wel iets waard iemand au besoin" te hebben: +meestal toch doen de heeren opgeld. + +Ook als _veertiende_" komt de dineur" niet zelden uitmuntend te +stade; terwijl hij als chapeau" voor dames van een zekeren leeftijd, +die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid, +veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in 't geheel niet +komt. + + * * * * * + +'t Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een +lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met +ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der +wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of +smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn +hoedanigheid van dineur" optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij +verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas om te +zuigen" is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te +ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid +vermaalt. + +Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de +doperwtjes superber" en dlicaat" zijn, schaamt ge u, dat ge een +oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven. + +Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna +zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze, +waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en +halsboord steekt; hij doet dat z handig, z zorgvuldig en chic", +dat ge onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als Dineur", hoe +ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk +dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; 't is met volkomen +meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn +wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd +rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij +zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid +hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers +voor hem te doen is. Aan 't dessert zoekt hij zijn wederga in 't +ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei +aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met +zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar +donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge +ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende Oeil de +Perdrix", die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen +toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk n of, als +de champagne bijzonder goed is, twee uien" van zijn rpertoire ten +beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo'n uitstekend +nette vent" is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten, +al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vrdat hij begint te +vertellen te zeggen: Misschien kennen de heeren en dames deze +aardigheid al, maar..." + +Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van +hem leeren; hij verstaat het dineeren", zooals niemand anders. Geen +wonder: 't is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige +waarmee hij zijn leven verslijt--neen! in stand houdt. + + * * * * * + +Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker uiterst +leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk +leeren wil, hoe men onder 't eten zijn dame moet bezighouden. Opra's, +concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn +beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact +over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder +dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z +leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze +of gene zangeres of acteur, soms zelfs z apodictisch, dat men +dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben +medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder +verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt +zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het +toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng +orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met domin Heiler of vindt de +preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de +coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem +als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van robes +Prsidente, coiffure la Japonnaise" en plisss en biais;" wanneer +ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge--indien ge hem niet als +medegast" kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden, +dat hij een dameskleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt. +Doet hij--in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven +man daarvoor--als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem +niet naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, +op wien 't minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd +occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn +nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of +clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen; +hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het +gebieden. + +Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en +niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal +z gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; 't +hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt 's +winters, na 't diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het +servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk +een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der +kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met +haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch +oneindig veel beter is: er gn, dan zoo plebesch veel" te hebben. + +Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en +hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem een +aangenaam welopgevoed mensch", namelijk zoolang men hem aan eet- en +speeltafel ontmoet. + +Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts +voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren. + +Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en +geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn +mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik, +die beter dan woorden zegt: Ik tart een ieder om mij te overtreffen." + +Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en +zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als 't +groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een +zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn +overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande +boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit +ontmoet. + +Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van +circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het +sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat. + +'t Is een lust om zijn au fainant" of au chinois" gegroeide en +gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand, +gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze +volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke +reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots +uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen +dan 't onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of 't +allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat +zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo +onbarmhartig kunnen martelen. + +Wr de dineur" zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet +bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een +kunstwerk kan verrichten, _al te veel_ te doen krijgen, immers met een +loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren +de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op 's mans gelaat als +tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg +had tot een baard. + +Dat hij rouge de thtre" of carmin des bayadres" gebruikt, is niet +met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u +ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der +kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn +over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de +maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals +de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het +alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op +de punt van zijn regelmatig gevormden neus, en om de zinnelijk +gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond. + +Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun +buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in +verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een +mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. 't Zwarte +haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste +gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog; +maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar +genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man +inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte +wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de +kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of +de teinture capillaire", die hij verkoopt, wel overal met even goed +gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter +hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een pince-nez, +die er gedistingeerd" uitziet; en wanneer ge den fashionabelen +dineur" over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op +en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of +daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge +onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk +vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in +plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden. + + * * * * * + +Ziehier dan het beeld van den fashionabelen dineur" geschetst, +wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er +uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plicht hem niet meer roept, zal +ik trachten nog met korte woorden mee te deelen. + +'t Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt +vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen, +voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten +vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen +herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien +ameublement dommelt in 't gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam +kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na, +als ge u langs een tafel--waarop eenige boeken liggen, die eertijds in +prachtband werden gebonden--naar de achterkamer begeeft. + +Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in 't heilige der heiligen! +Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de +fashionabele kennissen en vrienden des dineurs" den voet zette. Ge +zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en +zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u--omdat ge +onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd UIT." +Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden +en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de +voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de +advokaten borrel, die hij--ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt +hebt--'s morgens zelf heeft gemaakt, omdat hij dan zeker is dat er +alles in komt." Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien +nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we +zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok, +dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest, +verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tween +gevouwen vleit zich de pantalon op den stoel er naast, tegen het +onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning +bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden +knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de +reet der deur doorsluipt.--Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar +van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den +stoel verscholen, zich, alleen door n van haar glimmende neusjes +verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de +waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen +inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor +den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge +hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn +horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft nergelegd. Hij +is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen +van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem +plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken. Houd u +dood--doodstil en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot +nog toe niet opgemerkte zijdeur, wenkt. + +Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant +zich onbespied. In 's hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien +ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij +instinct--als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien +verdwijnen; en .. 't is heusch de moeite waard om hem gade te slaan. + +Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?--Wat +ziet ge dan? Zeg 't mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het +noodig is. + +Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet +om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito +onderbroek met loshangende bandjes, twee somber afhangende sokken te +verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken. + +Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat, +dat over 't voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk +burgerlijke pluimmuts voelt streelen. + +Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het +wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan in zijn vak" ontmoet en in +huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in +gala." Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, 't +diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de +Bourgogne was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich +nooit heel lekker" op den volgenden dag--'t kan echter niet anders, +zijn vak brengt dergelijke kleine misres" mede. + +Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar 't geen hij doet. + +Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum +van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich +uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt +naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht--waarachtig! we zijn in +een keukentje verzeild--staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met +alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen +scheren....? + +Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft +immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan.... + +Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat; +wie weet! misschien is de fashionable dineur" een verkapt alchimist +die, in zijn vrijen tijd, naar 't levens Elixir" of naar den steen +der wijzen" zoekt. + +St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van keukentje sluipen? 't +Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij. +Ha! dr bewaart hij zijn ingrdinten, dr in dat geheime kastje in +den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter, +hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig +uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge wel dat hij +in de andere een blikken busje houdt? + +Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe; +nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in 't pannetje +werpt.--Ga een eindje met mij achter uit. 't Mocht eens gevaarlijk +goed zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en..... + +Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in 't pannetje en .... +heusch! hij proeft van--de hemel mag weten, wt--hij kookt. + +Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet? + +Och 't is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender +in de voorkamer. + +Nu, welken datum? + +Acht en twintig Maart! + +Juist, 't is in 't laatst van de maand: dan houdt hij om geldige +redenen niet van restauratie of table d'hte en--toevallig heeft hij +heden geen uitnoodigingen. + +O!..... + +Vat ge 't nu? + +Ik geloof het wel, arme fashionabele man! + + + + +HOE JETJE GEZOEND WERD. + + + + +HOE JETJE GEZOEND WERD. + + +'t Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig, +weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk, +wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet +besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche +schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar +nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te +houden, of in den deurpost staande, naar 't vroolijke zonnetje en de +voorbijgangers te kijken. + +Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle +brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens. + + * * * * * + +Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een +ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een +vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op 't hoofd, +achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even +oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en +andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te +verkoopen. + +Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader en wel van een +Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe +oogen en kastanjebruin haar als mooi Jetje" bekend, door de jongelui, +die in de nabijheid woonden, meer bijzonder 't lachebekje" werd +genoemd, omdat ze zoo'n vriendelijk rood mondje had, dat met twee +schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig +lachte, als deze of gene klant, generis masculini, met haar een grapje +maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een +luchtje schepte. + +Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht +Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en +gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui +bijzonder in trek kwamen, z zelfs dat Jan de winkelknecht er zich +over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: Ik +geloof, dat die spreeuwen"--Jans geliefkoosde benaming voor de spes +patriae--een stuk leer in d'r mond hebben in plaats van 'n tong; want +als ze die bokkies lekker vinden, dan...." Jan liet den volzin +onvoltooid en 't was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord +meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en +bracht meteen den prijs der bokkies" van zes op vier voor een +dubbeltje. Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze +nemen ze toch", zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf: +Smakelijk rooken!" en hij dacht er bij: Als Jetje in den winkel is, +kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen." 't Was geen onlogische +Jan! + + * * * * * + +Vlak tegenover Bommers' winkel, woonde op een kamer van de eerste +verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij +niet studeerde, zijn beenen en pantoffels op de vensterbank voor 't +publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten +stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en +vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och! +eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen. +Z beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had +gevraagd: Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel? +Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, z was je an 't +kijken." 't Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw +Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel +in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen, +Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien. +Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte--uit louter +buurschap--hem toe. + +'t Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de +vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden, +buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld +drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder +voor n dubbeltje Puantos Infamos van de vier, zwaar of licht, naar +dat 't zoo uitkwam,--'t was hun om 't even. De winkelknecht had reeds +een paar malen bescheiden aangemerkt: Ze heeten Upmann-sigaren, +heeren!" Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens +zijn vrienden, geantwoord: O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de +communicatie, 't is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien +naam en zeggen dus kortheidshalve: Puantos Infamos"." Jan zweeg +tegenover dit argument. + +De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in +sigaren iederen dag toenam, maar toch kon hij zich niet ontveinzen, +dat die Puantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem, +maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig +altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar +in 't bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was. + +Met schrik en een vaderlijke hartklopping--ook een kruidenier heeft +een gevoelig hart--zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op +n dag zich aan de Infamos te goed deed, en eens zelfs had Bommers, +zonder dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het +oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan +patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te +omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is +waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den +schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en +zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien +dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met +een: Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen", te +verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier, +maar vroeg te gelijk met 't leukste gezicht van de wereld: Opsteken, +meneer?" en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over 't +doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den +klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich +herhaaldelijk een: Vade retro, Satanas!"--dat hij niet begreep--op +den hals haalde. + +Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers, +nam het debiet der Puantos Infamos niet meer toe, want nadat 't +herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra de heeren" zich +vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden +allerlei aanmerkingen te maken, en noemden met een zekere minachting, +de heerlijke Puantos bokkies", een woord dat den winkelbediende een +heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: Ge komt langzaam +aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!" + +'t Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was +leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze voor de acht" kregen, +omdat het--zooals Bommers zei--een opruiming was, besloot de +kruidenier den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan +alleen tot 't Koloniale vak te bepalen. + +Nauwelijks was de laatste der Infamos verdwalmd tusschen de lippen van +een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een +half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te +voorschijn in den winkel. + +Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een +plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen. + +Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch +mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk, +informeerden altijd naar den staat van meneers gezondheid", prezen +zijn goede waar en kochten elken dag contant een zekere hoeveelheid +vijgen of rozijnen. + +Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij +belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl +Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De +kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een +woord, dat naar zoetekauwen" of snoepende jongens" zweemde. De +studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte, +eerst aan Jan en daarna aan den patroon, met de woorden: Geneert +jelui niet; proeft maar eens mee!" en kwamen den volgenden dag terug +met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar +konden krijgen en dat 't hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef. + +Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te +geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje +voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot +de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad +belet te vragen en haar uit logeeren te zenden. + +Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan +men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend, +neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen +zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar 't station +ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit 't venster stak en met groote +verwonderde oogen 't meisje naziende, zuchtend uitriep: Dag Jet--dag +engel--goeie reis! Denk aan me!" + +Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dt +hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank +staan en meesmuilde: Dat valt je tegen, h knaapie!" En toen een +oogenblik daarna een paar van de vijgen-habitus binnenkwamen, woog +hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: Pas ontvangen, 'n versche +zending, heeren,--echt Smirnaasch goed!" + + * * * * * + +Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke +rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna +onzichtbaar en deden de lamp walmen, z erg, dat 't zelfs voor +studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote +vertrek. Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk +eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. Kerels!" +riep hij: luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open, +want waarachtig de lamp gaat anders uit." + +'t Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij, +op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een +presidentshamer, stilte gebiedend: Mannen, broeders! wat moeten we +met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij +mijn Helena, vulgo Jetje, ontroofde?" + +Laat 'm Puantos Infamos rooken tot in eeuwigheid, dat 's straf +genoeg!" riep er een. + +Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!" schreeuwde een ander. + +Doe 'm hertrouwen, dat's nog erger!" meende een derde. + +Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan zoetekauw"," +lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming +aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het +geraas z sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte +moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: Mijne heeren! +ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op +exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die 't pronkjuweel der +schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.--Ja! meneeren, +de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij +gedoogde niet, dat ik zijn spruit--de hemel weet, hoe hij zulk een +lief dochtertje gekregen heeft--kuste. Een kus in eeren, mag niemand +weren!--Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks +te doen. De smaad, mij en mijn commilitones aangedaan, eischt +wraak,--niet waar, mijne heeren?--Wraak!" + +Wraak! Wraak!" klonk het in koor, begeleid door een gestamp en +gestommel, z hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven +en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: Meheeren, breekt den boel +asjeblieft niet af!"--Juist op dat oogenblik gilde een van de acht: +Zij zal gezoend worden, dat zweren we!"--een eedsaflegging, die de +oude hospita met een: 't Is zonde--wat zal me nou overkomen!" eerst +de handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig +voor de oogen te brengen. + +Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de +vriendelijke woorden: Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij +zijn geen antiquaren." + +We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne +individuen," riep een ander. En Herman voegde er bij: + +Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen +in vrede." En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken: +Jelui bent nog niet droog achter je ooren," vertrokken was, vervolgde +hij: + +Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend +worden." + +Dat zweren wij!" brulde 't koor. + +Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!" + +Wij zweren!" + +De vergadering ging over in geheime zitting. + + * * * * * + +Sedert ruim drie weken was in Bommers' winkel geen enkele vijg of +amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en +met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na, +dat 't in zijn winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan +vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: 't Is +toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier +den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te +reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een +vrindelijk gezicht: Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!" Dan weer +vroegen ze beleefd: Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke +vader van Jetje?" Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn +en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo'n +klandizie wegblijven." En in stilte dacht hij er bij: De +jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal 't lieve leven wel weer +van voren af aan beginnen." Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de +handen en--verkocht koloniale waren. + + * * * * * + +Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren +bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en +zou 's avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den +kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader +Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van 't station te +gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig, +ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg: + +Heb ik 't genoegen meneer Bommers te zien?" + +Om U te dienen." + +U handelt in koloniale waren?" + +Natuurlijk!" + +Ook en-gros?" + +Zeker!" + +Kan ik U een oogenblik spreken?" + +Ja, hm!.... ik sta op 't punt om uit te gaan." + +'t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid, +die geen uitstel duldt." + +Hum! Hum! ik moet iemand van 't spoor halen, maar.." Bommers keek op +zijn horloge, een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus...." + +In 'n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. 't Spijt +me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. 't Was anders een zaak +geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een +spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan +toevertrouwen. Enfin! als 't u onmogelijk is, dan...." + +Het jongmensch zag er z bedaard en fatsoenlijk uit, sprak z kalm, +overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en +verlegen werd. + +Wat te doen?--Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn +hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in 't spaarzame +grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: 't Is meer dan +hoog tijd," en zei toen luid tot den winkelknecht: Jan! ga jij dan +maar met de vigilante naar 't station en haal de jongejuffrouw; dan +zal ik dezen heer te woord staan." Bommers zag niet, hoe een fijn +glimlachje van voldoening over 't gelaat van zijn bezoeker vloog. + +Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn +patroon op en holde den winkel uit; onder 't heengaan wierp hij nog +een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: 't Is me toch +precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien." + +Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: Nu, meneer?" + +Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: Meneer! laat me +in de eerste plaats u beleefdelijk dank zeggen voor de heusche, +gentlemanlike manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven +hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen +afstaan." + +De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde +iets als: O! volstrekt niet, integendeel," enz. Hij stond met zijn +rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige +vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen +keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even +bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door +een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om 't hoekje van de deur +in den winkel werd gezet. + +Meneer Bommers," zei 't beleefde jongmensch, ik ben hier gekomen om +met u over 't artikel stroop te spreken." + +Over stroop?" + +Juist meneer, over stroop--s-t-r-o-o-p!" + +Maar had dat dan zoo'n haast, dat u...?" + +Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst +heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt: +secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft...." + +Maar meneer!" + +Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld--dat wil zeggen +de menschen--zijn allen vatbaar voor stroop; die 't meest met den +strooppot loopt, komt 't snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde +Judels in zijn onovertreffelijke chansonnette S-t-r-o-o-p, dat ieder +mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete +voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook +een philosoof.--O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt, +hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe...." + +De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn +toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan, +als wilde hij zeggen: Ik geloof, dat jij niet goed bent," en toen de +deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, 't nut +en de aanwending daarvan in 't maatschappelijk leven, zich daarbij in +vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke +hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers +angstig, want zulke taal was voor hem te machtig, en 't zweet brak hem +uit, toen hij zijn bezoeker hoorde zeggen: _Stroop_, meneer Bommers, +is de melk der samenleving, de quintessence der beschaving en de +hefboom waarmee het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p +geeft in zes letters de oplossing van 't moeielijk probleem: vrijheid, +gelijkheid en broederschap." + +Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt," dacht +de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom, die hem +dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te vragen: +Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?" + +Weer wenkte een hand om 't hoekje van de deur, maar de kruidenier zag +het niet; 't jongmensch wl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer +herhalend, zei: Wat wou u nu eigenlijk?" klonk het antwoord hem als +een donderslag in de ooren: Vijf pond beste stroop, als 't u blieft!" + +Vijf pond str-o-o-p?--Waarin?" + +In dezen hoed, waarde heer." Met een snelle wending had de jonkman +den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op +de toonbank gezet. + +In dien h-oe-d?" + +Juist!--Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht +hebben," en de klant zag hem dreigend aan. + +Bommers' oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als +theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan. +Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: 't was +ongetwijfeld z, als hij reeds had gedacht,--een gek. Bliksemsnel +vloog hem de gedachte door 't hoofd: met zulke menschen moet men +voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn +gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een +verwend knaapje: + +'n Aardig idee, meneer,--stroop in een hoed." + +Ja, h? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in +een hoed haal!" + +Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond stroop +er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins somberen +toon: + +'t Is een drama, meneer!--neen! een tragdie.--Zal u goed wegen, vijf +pond?" + +Ja! ja!--Kijk maar, ruim gewogen!" en de winkelier zette den hoed met +stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met beide +handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon +verder: 't Ruikt bijna als bloed!"--Bommers verschoot van +kleur.--Weet u wat de Nemesis is?--Niet?--O, neen! u is immers niet +klassiek ontwikkeld.--Luister dus.--Een vriend van mij, een +boezemvriend, is doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen +vaderlijk wezen, dat Amor in 't gezicht slaat en Venus haat.--O! +meneer! dat eischt wraak! Wrr-a-a-k!" + +Bommers kreeg 't nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want 't +jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij stapel" was. Plotseling +wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er op en zei: +Daar ligt geld, meneer,--'t slijk der aarde", en toen plotseling +vriendelijk lachend: Ik krijg [f]1.50 terug asjeblieft." + +Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om 't +hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps +zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds +bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn +klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep: + +Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn +vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!" + +Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; 't denkbeeld, iemand +met zoo'n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er niet om +te lachen, en giegelend riep hij: + +Origineel! heel origineel! Dat 's een koopje voor wien 't treft--h! +h! h! h!"--Bommers lachte, dat hij schudde. + +Ja, edele vriend! dat is 't zeker!" antwoordde 't jongmensch; hij +liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne +met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade. + +Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en +gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield +stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een +reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig +geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die +met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed. + +Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol +verwondering zag Bommers op,--om zijn dochter te +zien.--Neen!--plotseling zakten vijf pond stroop hem door de haren en +over de oogen en dreef een krachtige slag den ouden kachelpijp" over +zijn neus. De arme vader zei juist: Genadige hemel! daar is..." 't +Woord Jetje stierf reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte, +maar toch kon hij nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem +daemonisch lachend zijn eigen woorden teruggaf: Origineel! heel +origineel! Een koopje voor wien 't treft!" + +Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank +gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd--o! +snoodheid--achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen! +in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later +na veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op +die vervloekelingen" schold, totdat Jan hem toevoegde: Meheer, neem +me niet kwalijk, maar je zag d'r toch effetief komiek uit!" Toen +stortten de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen +winkelknecht en eerst 's avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn +winkeliers- neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem +vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch +en echt van trouwen sprak en--niet met stroop liep. + + + + +INHOUD. + + + Blz. + + EEN BENEFIET 1. + EEN MASSAGEKUUR 101. + BIJOU 119. + HENRI DE SNOEPER 155. + DIRK DE SNORDER 173. + DE FASHIONABELE DINEUR 217. + HOE JETJE GEZOEND WERD 235. + + + + + +------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Plaats Bron Correctie | + | | + | Regel 81 [Niet in bron] | + | Regel 82 [Niet in bron] " | + | Regel 88 [Niet in bron] " | + | Regel 129 ochtenkleeding ochtendkleeding | + | Regel 146 [Verwijderd] | + | Regel 163 " [Verwijderd] | + | Regel 175 ontstapt ontsnapt | + | Regel 214 collegas collega's | + | Regel 217 . | + | Regel 242 , [Verwijderd] | + | Regel 298 [Niet in bron] " | + | Regel 327 mekar mekar | + | Regel 338 " [Verwijderd] | + | Regel 349 [Niet in bron] , | + | Regel 349 muziekant muzikant | + | Regel 669 [(alinea-break)] [Verwijderd] | + | Regel 671 [Verwijderd] | + | Regel 679 [Niet in bron] " | + | Regel 687 [Niet in bron] " | + | Regel 697 [Niet in bron] " | + | Regel 699 [Niet in bron] " | + | Regel 767 [Niet in bron] " | + | Regel 790 " [Verwijderd] | + | Regel 839 'N liefhebber 'n Liefhebber | + | Regel 992 [Niet in bron] " | + | Regel 1281 Walter Walten | + | Regel 1437 [Niet in bron] " | + | Regel 1795 Ha H | + | Regel 1803 [Niet in bron] " | + | Regel 1872 [Niet in bron] " | + | Regel 1900 ltafel latafel | + | Regel 1947 Walter Walten | + | Regel 2000 " [Verwijderd] | + | Regel 2073 [Niet in bron] " | + | Regel 2136 [Niet in bron] | + | Regel 2166 regisseur rgisseur | + | Regel 2177 Walter Walten | + | Regel 2180 [Niet in bron] " | + | Regel 2233 collga's collega's | + | Regel 2241 [Niet in bron] " | + | Regel 2284 [Niet in bron] " | + | Regel 2455 [Niet in bron] | + | Regel 2601 [Niet in bron] | + | Regel 3038 aplaudissement applaudissement | + | Regel 3055 oogenblikben oogenblikken | + | Regel 3074 [Niet in bron] " | + | Regel 3162 [Niet in bron] | + | Regel 3221 Balkons Balcons | + | Regel 3221 Loge's Loges | + | Regel 3254 Laflche Laflche | + | Regel 3282 Laflche Laflche | + | Regel 3323 applaudiseeren applaudisseeren | + | Regel 3329 " [Verwijderd] | + | Regel 3354 [Niet in bron] " | + | Regel 3389 [Niet in bron] | + | Regel 3392 [Niet in bron] " | + | Regel 3457 Hostein's Hosteins | + | Regel 3465 [Niet in bron] " | + | Regel 3521 [Niet in bron] , | + | Regel 3536 " [Verwijderd] | + | Regel 3541 [Niet in bron] " | + | Regel 3548 e ie | + | Regel 3556 Zouen Zoun | + | Regel 3563 knien knien | + | Regel 3565 [Niet in bron] | + | Regel 3574 [Niet in bron] | + | Regel 3586 [Niet in bron] ' | + | Regel 3616 " [Verwijderd] | + | Regel 3681 Jalink Jaling | + | Regel 3798 Himmel-donnerwetter Himmeldonnerwetter | + | Regel 3905 [Niet in bron] " | + | Regel 3942 ondeel baar ondeelbaar | + | Regel 4235 word wordt | + | Regel 4740 siesta sista | + | Regel 5087 beeldtenis beeltenis | + | Regel 5137 [Niet in bron] " | + | Regel 5233 [Niet in bron] | + | Regel 5260 sous-terrain sousterrain | + | Regel 5306 " [Verwijderd] | + | Regel 5350 sous-terrain sousterrain | + | Regel 5397 " [Verwijderd] | + | Regel 5932 [Niet in bron] | + | Regel 6111 mench mensch | + | Regel 6145 andwoordt antwoordt | + | Regel 6254 tweede klasse tweede-klasse | + | Regel 6344 n N | + | Regel 6451 [Niet in bron] . | + | Regel 6510 Overijselsch Overijsselsch | + | Regel 6558 zouen zoun | + | Regel 7274 [Niet in bron] " | + | Regel 7509 [Niet in bron] . | + | Regel 7538 [Niet in bron] " | + | Regel 7539 [Niet in bron] | + | Regel 7589 [Niet in bron] is | + | Regel 8009 , . | + | Regel 8064 we wel | + | Regel 8065 houd houdt | + | Regel 8069 [Niet in bron] . | + | | + +------------------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr. + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN *** + +***** This file should be named 29429-8.txt or 29429-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/4/2/29429/ + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/29429-8.zip b/29429-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..dac62d4 --- /dev/null +++ b/29429-8.zip diff --git a/29429-h.zip b/29429-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7679fe4 --- /dev/null +++ b/29429-h.zip diff --git a/29429-h/29429-h.htm b/29429-h/29429-h.htm new file mode 100644 index 0000000..92c328d --- /dev/null +++ b/29429-h/29429-h.htm @@ -0,0 +1,9439 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Papieren Kinderen, by Justus van Maurik Jr. + </title> + <style type="text/css"> + +body {margin-left: 10%; margin-right: 10%;} + +h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; font-size: 300%;} +h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 3em; margin-bottom: 2em; font-size: 150%;} +h2.verhaal {font-size: 167%; margin-top: 3em; margin-bottom: 2em;} +h3 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em;} + +.tpv {margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} +.titelinfo {text-align: center; text-indent: 0; margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} +.drukinfo {text-align: center; text-indent: 0;} + +p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;} + +hr {width: 33%; clear: both; + margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +hr.tb {border-style: none;} +hr.chend {width: 15%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} +hr.chbegin {width: 10%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;} +hr.hr20 {width: 20%; margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em;} +hr.fnsep {width: 15%; margin-top: 0.5em; margin-bottom: 1em; margin-left: 0; margin-right: 0; text-align: left;} + +table {margin-left: auto; margin-right: auto;} +table.toc {margin-left: auto; margin-right: auto;} + td.tdleft {text-align: left; padding-left: 2em; padding-right: 2em;} + td.tdright {text-align: right; padding-left: 2em; padding-right: 2em;} + +.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; + font-size: smaller; text-align: right; letter-spacing: 0;} +.blockquot {margin-left: 5%; margin-right: 10%;} + +.clear {clear: both;} +.center {text-align: center;} +.right {text-align: right;} +.noi {text-indent: 0em;} +.mixcap {font-variant: small-caps;} +.smcap {font-size: 80%;} + +sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;} +.gesperrt {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-style: normal;} +span.corr {border-bottom: 1px dotted red;} + +/* Images */ +.figcenter {margin: auto; text-align: center;} + +/* Footnotes */ +.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} +.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} +.fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;} + +/* Poetry */ +.poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; text-align: left;} +.poem br {display: none;} +.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + +.poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} +.poem span.i1 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} +.poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} +.poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + +.ri3 {padding-right: 3em;} +.sigbox {text-align: right; float: right; width: auto;} + +.TNbox {margin: 5% 15% 5% 15%; border: 1px solid; padding: 1em; background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} +.TNbox h1 {font-variant: small-caps; font-size: 150%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;} +.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} +.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} +.TNbox th {text-align: left; font-style:normal;} +.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} +td.td2 {width: 20%;} +td.td4 {width: 40%;} + + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr. + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Papieren Kinderen + +Author: Justus Van Maurik Jr. + +Release Date: July 17, 2009 [EBook #29429] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN *** + + + + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="TNbox"> + <h1>Opmerkingen van de bewerker</h1> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p> + + <p>De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.</p> + + <p>Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het origineel + zijn bijna allemaal gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <span class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</span>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. + Uitzondering zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/cover.jpg" width="400" height="600" alt="voorkant boek" title="voorkant boek" /> +</div> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_i">[i]</a></span></p> + +<h3>PAPIEREN KINDEREN</h3> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_ii">[ii]</a></span><br /> +<span class="pagenum"><a id="p_iii">[iii]</a></span></p> + +<div class="tpv"> + +<h1><span class="mixcap">Papieren Kinderen</span></h1> + +<p class="titelinfo" style="font-size: 120%;">NOVELLEN EN SCHETSEN</p> + +<p class="titelinfo" style="font-size: 67%;">DOOR</p> + +<p class="titelinfo gesperrt" style="font-size: 135%;">JUSTUS VAN MAURIK Jr.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 365px ;margin-bottom: 3em;"> +<img src="images/hr.png" width="365" height="23" alt="" title="" /> +</div> + +<p class="drukinfo" style="font-size: 90%;">AMSTERDAM</p> + +<p class="drukinfo" style="font-size: 120%;">Tj. VAN HOLKEMA</p> + +<p class="drukinfo" style="font-size: 90%;">1888</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_iv">[iv]</a></span></p> + +</div> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_1">[1]</a></span></p> + +<h2 class="verhaal"><a id="EEN_BENEFIET"></a><span class="gesperrt">EEN BENEFIET</span>.</h2> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_2">[2]</a></span><br /> +<span class="pagenum"><a id="p_3">[3]</a></span></p> + +<h2>EEN BENEFIET.</h2> + +<hr class="chbegin" /> + +<h3>I.</h3> + +<p>Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen.</p> + +<p>Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen +gleed, zei hij in zichzelf: „Hier moet ’t zijn,” en keek oplettend +naar de zwarte letters op ’t porseleinen naambordje aan den deurpost.</p> + +<p>„W. F. Hostein” ’t stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand +beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop +aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel +de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de +garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te +trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers.</p> + +<p>Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan.</p> + +<p>„M’neer thuis?”</p> + +<p><span class="corr" id="corr01" title="Bron: ">„</span>Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier +binnenshuis woont?<span class="corr" id="corr02" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Meneer Hostein!”</p> + +<p>„Jawel, die is thuis, maar.....”</p> + +<p>„Niet te spreken misschien?<span class="corr" id="corr03" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Meneer is aan ’t studeeren voor van avond en....”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_4">[4]</a></span></p> +<p>„O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of ’t schikt dat ik weerom kom.” +Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het +meisje zeggen: „Wacht u dan maar effentjes.”</p> + +<p>Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: „Adriaan Walten, +tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den +ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een +oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn +linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen +hing.</p> + +<p>Vrdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit ’t portaal een +welluidende mannenstem: „Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar +boven komen.”</p> + +<p>„Neen, meneer; ’t is een...” ’t Woord „heer” wilde niet vlot over +Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: „’t +Is zoo’n raar persoon, weet u, zoo’n...” Zij reikte ’t kaartje over.</p> + +<p>Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den +linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige +rechterhand een paar droppels van ’t hooge voorhoofd, terwijl hij in +de spiegelruit van de tochtdeur, die op ’t haakje was vastgezet, +trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten.</p> + +<p>„Kom boven, meneer Walten!” klonk van het portaal af de mannenstem; ’t +meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk +hijgend door ’t haastige trap op- en af snellen: „Gaat u maar naar +m’neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien.”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de +gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht +in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond, +gladgeschoren gezicht; op ’t kort<span class="pagenum"><a id="p_5">[5]</a></span> gesneden haar draagt hij een roode +Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte +pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn +<span class="corr" id="corr04" title="Bron: ochtenkleeding">ochtendkleeding</span>. +Den bezoeker afwachtend, roept +hij hem vroolijk toe: „Pas op ’t drempeltje, ouwe heer: ’t is een +beetje duister op ’t portaal.”</p> + +<p>De „ouwe heer” nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem +een: „voorzichtig!” tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van +sigarettenrook de woorden: „Leef je nog, papa Walten?—Kom binnen.”</p> + +<p>Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een +bijna schuwen blik, vrdat hij antwoordt.</p> + +<p>’t Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden +eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk +ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt +eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich +merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit.</p> + +<p>„’t Is hier mooi, <span class="corr" id="corr05" title="Bron: „"></span>fijn!” zegt hij zacht, z zacht dat +de andere ’t niet verstaat en vriendelijk vraagt:</p> + +<p>„Zei je wat, Walten?”</p> + +<p>„U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik +u erg kom hinderen, maar....”</p> + +<p>„Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje +over.”</p> + +<p>„Dat dacht ik wel, meneer Hostein.”</p> + +<p>„H?”</p> + +<p>„Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein.”</p> + +<p>„Maar Walten, ben je nou heelemaal.....?<span class="corr" id="corr06" title="Bron: ”"></span> Zeg je: +„Meneer”—en dt tegen mij, je ouwen leerling Willem?”</p> + +<p>„Ja, maar meneer Hostein...”</p> + +<p>„Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik +heet?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_6">[6]</a></span> +Een glans van vreugde glijdt bij ’t hooren van dien hartelijken toon +als een zonneschijntje over ’t gelaat van den ouden Walten, en als +toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt +hij beide handen uit naar den vr hem staanden jongen man, terwijl +een: „Willem, beste jongen!” zijn mond <span class="corr" id="corr07" title="Bron: ontstapt">ontsnapt</span>.</p> + +<p>„Zoo! dt mag ik hooren!” Hartelijk drukt Hostein Waltens magere +handen, terwijl hij vraagt: „Waarmee kan ik je dienen, papa?”</p> + +<p>Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met +doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met:</p> + +<p>„Ik ben zoo ongelukkig, Willem!”</p> + +<p>Hostein werpt vluchtig een blik op ’t oude beduimelde kaartje, dat hij +in de hand houdt, leest de woorden: „Tooneelspeler a/d K. S.” en +terwijl hij denkt: „Aan den Koninklijken Schouwburg,—dat’s heel lang +geleden, arme vent!” zegt hij met een kleine trilling in zijn stem: +„Is ’t waarachtig?”</p> + +<p>„Ja, ik weet nu geen raad meer.”</p> + +<p>„Arme ouwe kerel!”</p> + +<p>„’t Is hard, h! dat ik z voor jou moet komen staan! Maar....”</p> + +<p>„Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.—Is ’t alleen dt?” Hostein +maakt de beweging van geld tellen.</p> + +<p>„Niet alleen; maar—toch....”</p> + +<p>„Zit je weer in den brand?”</p> + +<p>„Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.—Ik +wou, hum!—’t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je? +Waarachtig niet, want ik kan ’t nooit teruggeven en....”</p> + +<p>„Dat is ook niet noodig.”</p> + +<p>„Neen! Willem, dt wil ik niet. Maar ik—hum! ik wou nog n ding +probeeren en daartoe....”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_7">[7]</a></span> +„Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere +<span class="corr" id="corr08" title="Bron: collegas">collega’s</span> +je met alle liefde wat assisteeren willen en....”</p> + +<p>„Ja! ja! dat weet ik wel,” knikt Walten; „maar ik begeer niets te +hebben; ik...<span class="corr" id="corr09" title="Bron: ">.</span>”</p> + +<p>„Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!”</p> + +<p>„Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers +wel, dat ik nu dan toch....”</p> + +<p>„Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.—Ga nu +eerst eens bedaard zitten, dr in dien fauteuil.—Wil je +rooken?—Hier staan sigaren.—Niet?—’n Sigaret?—Ook niet?—’n Glas +port dan?—Kom! dat zou ik nemen, dat geeft ’n beetje toon in de +maag.—Wil je niet?—Nu wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten +nog wel!”—Hostein schelt, en als ’t meisje een oogenblik later is +binnengetreden, zegt hij: „Haal eens een kop bouillon, hiernaast in ’t +caf—en ’n paar beschuitjes.”</p> + +<p>„Wat heb je dat goed onthouden, Willem?” Een lachje begeleidt die +woorden.</p> + +<p>„Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag +bouillon. ’t Is bepaald een behoud voor de stem.”</p> + +<p>„Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en....” Plotseling houdt +Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psych, +die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen +door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn +beeld<span class="corr" id="corr10" title="Bron: ,"></span> zoo fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met +een zucht over de bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin +bedekken, heenstrijkt en droevig zegt: „’k Ben ijselijk oud geworden, +h? De laatste jaren hebben me kapotgemaakt, en hum!—’k zie er zoo +echt sjofel uit.—Neen!<span class="pagenum"><a id="p_8">[8]</a></span> zeg maar niet, dat ik ’t me verbeeld; ’t is +de waarheid,—ik word langzaam aan oud; dat voel ik wel.”</p> + +<p>„Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar....”</p> + +<p>„Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb ’t ook zoo +hard gehad in den laatsten tijd.”</p> + +<p>„Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?”</p> + +<p>„Ook al, Willem; maar dat was ’t ergste niet: ’k heb eeuwig en altijd +„Pech” gehad in de laatste jaren.”</p> + +<p>„Ja! voor den wind is ’t je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom +sprak je niet?”</p> + +<p>„Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig +vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu....” Walten +zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van +den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart.</p> + +<p>„Heb je niets om handen op ’t oogenblik?”</p> + +<p>„Niets, Willem. Je weet immers ’t ongeluk, dat mij trof met mijn +schouwburgtent?”</p> + +<p>„’k Heb er destijds van gehoord.”</p> + +<p>„Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk +brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde +en.....”</p> + +<p>„Je was toch geassureerd?”</p> + +<p>„Ja natuurlijk! maar....” Eensklaps worden Waltens oogen rood en +vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn +wangen rolt, glinsterend in ’t zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder +verlicht, vraagt hij zachtkens: „Je weet immers, hoe ik toen bestolen +ben?”</p> + +<p>„Hum ja! ik herinner me wel zoo iets.”</p> + +<p>„Ik heb geen cent van ’t geld gezien.”</p> + +<p>„Dat ’s een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?”</p> + +<p>„Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar....”</p> + +<p>„O! nu herinner ik ’t me weer, ’t is waar ook; dat ’s<span class="pagenum"><a id="p_9">[9]</a></span> een ellendige +historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak +geven; die gemeene schoelje had haar ’t leven toch al zuur genoeg +gemaakt.—Zij is onlangs gestorven, h?<span class="corr" id="corr11" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Ruim een jaar geleden. Tot zlang heb ik haar en haar kinderen ook +nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in ’t weeshuis.”</p> + +<p>„En hij?”</p> + +<p>„Zit ergens in Australi, geloof ik.”</p> + +<p>„Zoo’n schoelje!—En—Annette, je tweede meisje?”</p> + +<p>„Die is nog altijd ’tzelfde.”</p> + +<p>„Dus totaal....?” Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd.</p> + +<p>„Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar ’t wordt gaandeweg erger, +de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik....”</p> + +<p>„Jammer, doodjammer van ’t arme schepsel. Ze had wel wat talent, h?”</p> + +<p>„Of ze talent had? Kerel, Willem!”—Waltens oogen worden minder +dof—„ik heb nooit zoo’n talent gezien als van dt kind, ’n geboren +tragdienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer +die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er +alles van. Wat ’n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de +Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor ’t eerst +optrad? Wat ’n stem, h? Sonoor, mooi en fluweelig.—O! dat geluid +heeft ze nog, maar—’t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm +is,—zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,—zit ze met de +handen over <span class="corr" id="corr12" title="Bron: mekar">mekar</span> en zegt niets.” Walten wacht +even, en als spreekt hij tot zichzelf, herhaalt hij: „Niets, bijna +geen stom woord. Die vervloekte kale mof met z’n gladde tong had m’n +arme Netje totaal ingepakt en....”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_10">[10]</a></span> +„En ’t kind, is dat blijven leven?”</p> + +<p>„’t Is drie jaren geworden; toen is ’t goddank gestorven. Wonderlijk, +h! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was ’t bepaald alsof ze ’t +niet kende. Ja! dt was al een raar verschijnsel.”</p> + +<p>„’t Is treurig.<span class="corr" id="corr13" title="Bron: ”"></span>—O! ben je daar met de bouillon, +Antje? Zet den kop maar neer, voor meneer.—Kom, papa Walten, proef nu +eens of ze goed is.—Ja ’t is een droevig geval met je dochter.”</p> + +<p>„Ja waarachtig, wel is ’t dat! Dadelijk na haar bevalling is ’t al +eens mis geweest, maar ’t liep er toen niet zoo erg door; ze beterde +en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een +paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor +mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs ’t kleinste +werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig—en dan toch weer +oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in +orde. Ja<span class="corr" id="corr14" title="Bron: ">,</span> ’t is ’n ellende! +Die <span class="corr" id="corr15" title="Bron: muziekant">muzikant</span> met z’n +sentimenteele oogen heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal +voor hem gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! +dat hij haar heeft laten zitten was nog ’t ergste niet, dat gebeurt +meer; maar dat zij door die hum!—die geschiedenis aan ’t malen is +geraakt, dat ’s fataal.” Walten drinkt langzaam een paar teugen en +vervolgt dan: „’t Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze +niet eens zoo allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; +en daarom heb ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik +geloof bepaald, dat ze geholpen kan worden, maar—ze moet goede +verpleging en rust kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in ’n +gesticht en....”</p> + +<p>„Zou je dat waarlijk denken, Walten?”</p> + +<p>„Waarachtig! Maar gauw zal ’t niet gaan. Jongens, Willem, als ze van +die talentbuien heeft—zoo noem ik ze,<span class="pagenum"><a id="p_11">[11]</a></span> weet je?—dan moest je eens +hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed +zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God! +wat ’n jammer, dat ze zoo....”</p> + +<p>„’t Is zonderling!”</p> + +<p>„Ja, wel is ’t dt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder +behandeling te krijgen; lukt me dt, dan kan ik voor mij altijd nog +wel hier of daar „emplooi” vinden.” Een min of meer ijdel lachje +glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: „Als ik +wil, kan ik ’t nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat +begrijp je; maar „<span xml:lang="fr">pre noble</span>”, dat zou best gaan; ik zou nog menig +„jonkie” een lesje kunnen geven.”</p> + +<p>Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze ’t merkt, +met medelijden aan en antwoordt; „Ja, je hebt van de piek op gediend, +je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als +ik....”</p> + +<p>„Als je niet zoo’n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen, +artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb ’t je dikwijls +gezegd: je zult carrire maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je +pakken moet.” En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij +vervolgt: „’k Heb eer met jou ingelegd—en ik heb je altijd graag +mogen lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe +vrinden—daarom kom ik nu ook bij jou om hulp.”</p> + +<p>„Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?”</p> + +<p>„Ik wou probeeren om ’n benefiet te geven!”</p> + +<p>„Ei! Ei!”</p> + +<p>„Ik weet wel, Willem, dat ’t moeilijk zal gaan bij deze directie, want +die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad, +maar—dat ’s al lang geleden. Nu dacht ik, dat ’t misschien gaan zou, +als jij mijn voorspraak woudt zijn.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_12">[12]</a></span> +„Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik ’t wel voor je in orde speel.”</p> + +<p>„Zou je denken?—Maar, Willem, ’t moet ’n benefiet zijn, waar ik goed +wat van overhoud; ik heb bij ’t vorige, een jaar of vier geleden, maar +’n kleine tweehonderd gulden gemaakt.”</p> + +<p>„Dat’s weinig!”</p> + +<p>„Och! je begrijpt, ’t ging voor ’t derde, na aftrek van de +avondkosten; ik was toen al blij, dat ’k ’t kreeg, al had de Directie +er per saldo ook ’n „goeien” avond aan, want ’t was in den slappen +tijd, en daarom deden ze ’t. De zaal was goed bezet, we hadden ook +hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat +negenhonderd gulden; daar ging ’n groote driehonderd gulden af voor +armengeld en avondkosten. Ik kreeg n derde: reken dus maar zelf na.”</p> + +<p>„Ja, dat’s akkoord!”</p> + +<p>„En toen ik ’t geld in handen had, was ’t dadelijk geblazen, want +iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren +zelfs lui, die geld van me moesten hebben, ’s avonds aan den +schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet.”</p> + +<p>„Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je +opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal ’t wel +z voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de +avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over.”</p> + +<p>„Zou ’t lukken, Willem? Zie je, ’t is wel hard om zoo’n +armoe-benefiet<a id="FNa_1_1" href="#FN_1_1" class="fnanchor" title="Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant.">[1]</a> +te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar—och! +’t is voor Netje, en daarom....” De oude man zucht diep bij die +woorden.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_13">[13]</a></span> +„’t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms „<span xml:lang="fr">en attendant</span>” ’n pop of tien +hebben?”</p> + +<p>„Graag! Van jou neem ik dat aan; ’k zal ’t dadelijk weerom geven na +mijn benefiet.”</p> + +<p>„Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen +kan.... Hier heb je een muntje.”</p> + +<p>„Dank je, Willem!—Wanneer zou je denken, dat ’k hooren kan of ’t +lukt?”</p> + +<p>„’k Zal er morgen dadelijk over spreken.”</p> + +<p>„Wil ’k dan overmorgen komen hooren?”</p> + +<p>„’k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?”</p> + +<p>„Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan.” En na +een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door +Hostein, die hem aan de trap nog naroept: „’k Zal ’t wel voor je +klaren.”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan, +hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten +komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo.</p> + +<p>Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij +zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een +notaris-kantoor geplaatst, waar ’t droge, iederen dag regelmatig +terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De +kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de +brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het +tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog +kleiner salaris begon.</p> + +<p>Allengs „kwam hij op”, zooals men dat in de tooneelwereld noemt en +binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten +speelde was de schouwburg<span class="pagenum"><a id="p_14">[14]</a></span> eivol; zijn naam op ’t affiche bleek +voldoende om een stuk te doen „trekken.”</p> + +<p>Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega’s +in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega’s, en +niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te +gaarne: zijn „geluk” bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en +zeker zou hij evenals <span xml:lang="es">Don Juan</span> zijn veroveringen niet hebben kunnen +tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen +leeftijd ng fladderend, in ’t net van een Fransche danseuse was +gevlogen, die „<span xml:lang="fr">le beau Valten</span>” zoodanig de baas werd, dat hij zijn +rug—misschien met een zucht—eindelijk onder Hymens juk kromde. Of +hij ’t geduldig droeg, blijft de vraag.</p> + +<p>Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem +de eerste schreden deden zetten op ’t hellende vlak, waarop hij +langzaam, maar zeker, omlaaggleed.</p> + +<p>Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde „<span xml:lang="fr">Madame la Directrice</span>” +heeten—en ze deed hem vallen.</p> + +<p>„Een eigen troep” was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde +die droom niet lang; ’t ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig.</p> + +<p>„De troep” bestond eenigen tijd, werd toen een „troepje” en na veel +tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw „een troep”, +maar in de andere beteekenis van ’t woord.</p> + +<p>Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te +vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap +te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd +verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de +kermistent voerde.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_15">[15]</a></span> +Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die +vrouw, die hem, als ’t ware met magnetische kracht vasthield en +beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn +ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde, +misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed +het niet; Walten was, zooals men ’t heet, een goeie vent, een +artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter, +toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen +dr, waar ’t hem inspanning kostte zijn wil door te drijven.</p> + +<p>’t Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed, +en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een +tijdstip kwam, waarop eenige vrienden—gedachtig aan ’t geen hij +vroeger was en rekening houdend met ’t geen hij nog kn zijn—hem een +fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2<sup>en</sup> +rang, was ’t alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen z +hoog te stellen, dat men die niet kon toestaan.</p> + +<p>Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur, +zich lavend en bedwelmend door de bravo’s en toejuichingen van een +publiek, dat l te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn +oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan, +speelde alles, wanneer ’t slechts „<span class="smcap">DE ROL</span>” was van ’t stuk; ’t +handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals +de flesch aan den dronkaard.</p> + +<p>Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond, +zorg en kommer knakten in hem den „artist” voordat de „mensch” Walten +oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof +geworden, zij zagen slechts schemerend ’t licht der kunst en straalden +’t niet meer uit. ’t Eenige wat hem voor geheelen ondergang<span class="pagenum"><a id="p_16">[16]</a></span> behoedde, +was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer +van „den drank”, en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog +veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald.</p> + +<p>Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was +hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen—misschien ook in die van +anderen—een „<span xml:lang="en">gentleman</span>” gebleven; hij „voelde” zich, niettegenstaande +hij niets meer was.</p> + +<p>Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep +hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in +allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult +en juicht, als ’t degens en dolken ziet, en dat samenvalt van ’t +lachen, als ’t hansworsterij aanschouwt. Walten was de rune van een +kunstenaar,—een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden +hoe schoon het geheel eenmaal was.</p> + +<p>Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven; +zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was +’t gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn +zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter, +zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was +geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken.</p> + +<p>Dat „zoeken” vond echter een groot beletsel in de omstandigheid, dat +Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was, die wist +hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van +verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte, +verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door +schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij +zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste<span class="pagenum"><a id="p_17">[17]</a></span> +acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij ’t publiek.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit ’t venster +hem na en zei in zichzelf: „Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik +kan”.</p> + +<p>Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van +den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer +bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort +een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na +aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn +van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten.</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> +<p><a id="FN_1_1" href="#FNa_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<h3>II.</h3> + +<p>’t Is even na den middag. ’t Is koud en guur winterweer, zonder +sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend +kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje +een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat +der achterbuurt, waar Walten woont, maar ’t is geen zonneschijn die, +weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, ’t is alleen een +teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt +als komt.</p> + +<p>Op ’t open erf, achter het huis van den +hokkebaas<a id="FNa_1_2" href="#FN_1_2" class="fnanchor" title="Turf- en houtverkooper.">[1]</a>, waarvan Walten +de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft, +staat een vrouw van middelbare<span class="pagenum"><a id="p_18">[18]</a></span> leeftijd met opgestroopte mouwen aan +de waschtobbe! ’t Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar +goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige +herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan +helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een +klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn +kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee ’t +plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er +uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij +bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er +bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend +luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en +„’t lawaai” haar te erg wordt. „Stil, Keesie!” zegt ze, hem even met +den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de +achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar +galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en +bevelender: „Stil dan toch, joggie!”</p> + +<p>Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf, +het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor +zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den +grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op +eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel +mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn, +wanneer niet, door de openstaande deur van ’t kleine keukentje het +volle daglicht binnenviel.</p> + +<p>Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite +woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het +bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar: +„Stil dan toch, Keesie” en klimt behoedzaam op ’t bankje. Nu reikt ze +met<span class="pagenum"><a id="p_19">[19]</a></span> haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar +binnen in de kamer kan zien.</p> + +<p>„Hum!” mompelt zij, „de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch +net effetjes zien.” Zij stapt van ’t bankje af en luistert opnieuw, +want binnen klinkt de stem al luider en luider.</p> + +<p>„Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; ’n mensch kan niks niet +hoore, als jij aldoor zingt; ’t wordt nou net persies mooi.” Zij doet +een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: „Juffrouw +Jaling! Juffro-ou-w!—toe Keesie, hou je mond nou—juffrouw, kom nou +gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere, +vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!”</p> + +<p>Uit de openstaande achterdeur van ’t naburig huis, dat eveneens op ’t +erf uitkomt, klinkt een heesch: „Ik kom al!” en dadelijk daarop +waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar +buiten.</p> + +<p>Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om +’t lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren +pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken, +als zij nadert.</p> + +<p>„Benne ze weer bezig?” vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze +een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande ’t +koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt.</p> + +<p>„Nou! uw komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; ’t is posetief ’n +extratje vandaag. Uw kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat +u maar op ’t bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in +de kamer zien; ’t eene raam staat een ndje ope, dat tref je. Je mot +nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht ’k zal je +helpe.<span class="corr" id="corr16" title="Bron: (alinea-break)"></span>—Komaan +dan!—Ho!—Huup! En ootje, twee ootje,<span class="pagenum"><a id="p_20">[20]</a></span> mensch! mensch wat ben je +toch dikkig: als m’n bankie ’t maar uithoudt—drie ootje! oepla!—Zoo! +Hou je nou stiekum! Zachies prate.—<span class="corr" id="corr17" title="Bron: „"></span>Nou ben je +d’r.—Zie je wat?”</p> + +<p>„Gut, lieve ziel, wacht effies!—’k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor +’n dikkig persoon is ’t een heele toer om op zoon bankie te komme; ik +ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik +zien.”</p> + +<p>„Zie je wat?<span class="corr" id="corr18" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Nou!”</p> + +<p>„Wat dan?—Zeg ’t me maar zoetjes.”</p> + +<p>„Kristemensch! wat is ’r ’n herrie in die kamer.”</p> + +<p>„Nou h!<span class="corr" id="corr19" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Alles leit overhoop; zij zit op ’t bed. O! Gossie! wat ziet ze ’r +raar uit, en hij maakt grimassies voor d’r. Hij buigt. H! h! h! +h!”</p> + +<p>„Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie ’t!”</p> + +<p>„Dat’s allemachtig kemiek: hij zoent ’r hand.—Zeg, ’k kan ommers niet +valle, juffrouw Daters?—Hij doet ’t bij wijs alsof ie ’n onderdaan is +of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit ’n soortement vers op.<span class="corr" id="corr20" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, h?<span class="corr" id="corr21" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Stil dan, mensch, laat me nou hoore.”</p> + +<p>„Vertel dan ereis, wat ie zeit?”</p> + +<p>„Nou persies kan ’k ’t niet verstaan, maar.... H! h! h! hij gaat op +z’n eene knie legge en zij—o, groote Gerritje, dat’s grappig—zij +vliegt op en pakt die ouwe kerel om z’n hals. Sjuut! nou ken ’k ’r +verstaan. Jij ook?”</p> + +<p>„Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!”</p> + +<p>Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„.... Hernani! ’k beef.... In ’s hemels naam,<br /></span> +<span class="i0">Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zam.”<br /></span> +</div></div> + +<p class="noi"><span class="pagenum"><a id="p_21">[21]</a></span> +en Waltens stem, antwoordt:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Te zam?—Neen! neen!.... Hlaas! dat uur is heengevaren,<br /></span> +<span class="i0">Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren;<br /></span> +<span class="i0">Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m’ uw liefde boodt,<br /></span> +<span class="i0">Mocht ik u bieden, wat mijne armo overschoot.”<br /></span> +</div></div> + +<p>„Zeg,” fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, „hij heit ’t +over z’n armo. Nou! dat ’s geen wonder: ’t is daar ’t noordermarkie +wel.”</p> + +<p>„Nou h?—Pas op dat je niet om valt; ’t bankie is zwak; je mot +stilstaan, hoor!—Wat ’n malle mensche om zoo met mekaar in d’r eentje +komedie te doen.”</p> + +<p>„Nou!”</p> + +<p>Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als +eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Neen, ’k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen;<br /></span> +<span class="i0">’k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen.”<br /></span> +</div></div> + +<p class="noi">zegt juffrouw Jaling zachtkens: „Wat ’n mooie stem heit ze’.”</p> + +<p>„Jawel, maar luister nou liever, m’n goeie mensch.”</p> + +<p>Walten antwoordt:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">....... Laat mij alleen ontvluchten!<br /></span> +</div></div> + +<p>„Gaat ie ’r van door?” vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere, +die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet.</p> + +<p>„Wel, mensch, ’t is ommers allemaal spul!—Nou begint zij weer, hoor +je wel?”</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i4">..... „Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind<br /></span> +<span class="i0">Zijn leven te offeren aan den een’gen, dien men mint,<br /></span> +<span class="i0">En, weggestooten, nog ’t geluk te moeten derven<br /></span> +<span class="i0">Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven.”<br /></span> +</div></div> + +<p>Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel<span class="pagenum"><a id="p_22">[22]</a></span> gezegd +geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen, +gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de +andere zegt: „’k Heb met ’r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je +gaat er niet voor naar de komedie, hoor; ’t is waar wat je zei—h! +dat’s jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt ’t zoo donker dat +’k bekans niets zie—maar hoore kan ’k wel.”</p> + +<p>„Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is ’t +niet?<span class="corr" id="corr22" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Nou! Maar hij is van de tand—dat hoor je wat goed.”</p> + +<p>„’t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als +ie praat. Je ken ’m haast niet verstaan tusschenbeie.—O! daar beginne +ze weer; maar....”</p> + +<p>Krak! krak! doet ’t bankje en meteen: „Groote Gerritje, daar heb je ’t +nou,” vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar +tegen en helpt haar veilig op den grond. ’t Bankje is door „de +dikkigheid” van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot +het uiterste gebracht en bezweken.</p> + +<p>Met een: „Da’s nog net bijtijds” blijft de zwaarlijvige juffrouw een +oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte +japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat, +vraagt ze:</p> + +<p>„En is daar nou alle dage wer-an zoo’n spektakel?”</p> + +<p>„Alle dage, ten minste in den laatsten tijd.”</p> + +<p>„Heere, Heere!<span class="corr" id="corr23" title="Bron: ”"></span>—’k Wou dat ’k hier eerder was komme +wone; ’t verdiverteert me wel.”</p> + +<p>„M’n man is ereis op z’n kamer geweest.”</p> + +<p>„Kom?”</p> + +<p>„Waarentig!—’n Rommel, m’n goeie mensch, een rommel, van alles en nog +wat!”</p> + +<p>„Wel, wel!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_23">[23]</a></span> +„En speult ie nou nog op den Schouwburg?”</p> + +<p>„Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel.”</p> + +<p>„Wat je zegt!”</p> + +<p>„’t Mot vroeger anders ’n baas zijn geweest.”</p> + +<p>„Zoo!”</p> + +<p>„Jawel, ’n eerste kemiekeling!”</p> + +<p>„Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt; +anders is z’n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je ’m zoo +ziet.”</p> + +<p>„Nou!”</p> + +<p>„Zoo’n beetje verloopen ook, h?”</p> + +<p>„Nou! ’t is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien +zeit ie toch nog wel ereis ’n grappie.”</p> + +<p>„Och kom!”</p> + +<p>„Ja, als Pietersen komt.”</p> + +<p>„Wie is Pietersen?”</p> + +<p>„O! ken je dien nog niet?”</p> + +<p>„Neen!”</p> + +<p>„’t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie +vroeger bij ’n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie +zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat’s zoo’n mirakel +van ’n vent. Hij heit nog n haar en n tand en de rest is beentjes +met ’n jas van „dankie meneer” er over. +<span class="corr" id="corr24" title="Bron: ’N liefhebber">’n Liefhebber</span> +van een slokkie, erg! Maar vinnig, als ’t er op ankomt +ook.”</p> + +<p>„Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg ’m +maar weg achter je stropdas.” Juffrouw Jaling maakt met twee vingers +van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt.</p> + +<p>„Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie +niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om +’n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.—O Pietersen!—O! +Pie-ie-ietersen!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_24">[24]</a></span> +„Mensch, wat begin je?”</p> + +<p>„Nou! mot je ’m niet ereis zien? ’t Is wat ’n smakelijke poelepetaat; +misschien krijgt ie nog idee in je; zoo’n dikke weduwvrouw zonder +kindere zou ’m nog wel lijke.—Dag, Pietersen; hoe gaat ’t?”</p> + +<p>De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling +type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knien loopend, ziet +hij er uit alsof hij op ’t punt is om door te breken.</p> + +<p>Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel +als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier +geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en +’t is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan +sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins +scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een +groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn +jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of +anderen menschenvriend.</p> + +<p>Door ’t bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan +dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn +stem een klank, die aan ’t klokken van een flesch, die uitgeschonken +wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig +was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die +eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze ’t voortdurend zijn. +Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des +alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een +zoogenaamde „pleizierige bui”, die zich bij hem aankondigt door een +kleine moeilijkheid bij ’t uitspreken van enkele woorden en letters. +Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat +heeft de gewone vervallen comische uitdrukking<span class="pagenum"><a id="p_25">[25]</a></span> en met zijn rechteroog +knipt hij niet vaker dan anders.</p> + +<p>De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want +Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een +zoogenaamden „ui” op haar lachspieren te werken; hij is de schim van +een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een +eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van +overwicht bezorgt. „Hij is vroeger een heer geweest,” zeggen ze, en +hoewel ze hem zoodra ze kunnen in ’t ootje nemen, gaan ze nooit te +ver; „dat ken je niet met ’m risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig +beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt,” beweert +vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen +ernst:</p> + +<p>„Rr-oept u, schoone dame?”</p> + +<p>„Ja, Pietersen!”</p> + +<p>„Meneer Pietersen, als ik u verz—zoeken mag!”</p> + +<p>Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: „Nou, voor +mijn part mag je „meheer” wezen, maar ’n meheer met angst ben je toch, +ha! ha! ha!”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Sans peur et sans reproche!</span> Waarom met angst, schoone f-f-fee?”</p> + +<p>„Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch ’n oud mirakel.”</p> + +<p>„Wanneer u me roept om geridicu—cu—liseerd te worden, beminnelijke, +dan vertrek ik liever vr ik arriveer, <span xml:lang="it">Donna mia</span>.”</p> + +<p>Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw +Daters: „Hij heit ’m te pakke van middag!” en luid zegt ze: „Ouwe +graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je +te wachte. Ha! ha! ’n mooi spannetje voor ’n bokkewage die twee.”</p> + +<p>„Aangenaam kennis te hebben gemaakt. <span xml:lang="fr">Que le bon<span class="pagenum" xml:lang="nl"><a id="p_26">[26]</a></span> Dieu vous protge!</span>” +Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen +toon: „Verdikke! die wasch—tobbe ko—kon je wel ergens anders hebben +gezet, lieveling!”</p> + +<p>Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is +gestruikeld, zijn hoed uit ’t zeepsop opvischt en, tegen den muur +leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft.</p> + +<p>„Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe,” lacht vrouw Daters, en +juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam +was, voegt er bij: „Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers +niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! ’t is de pijne waard om te zien.”</p> + +<p>Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat +Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur, +die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is +door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe +uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd.</p> + +<p>„Canaille-pak,” zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat, +keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende +buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: „<span xml:lang="fr">Au revoir, mes anges”.</span></p> + +<p>Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen +binnensmonds en gaat dan de trap op.</p> + +<p>’t Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen, +maar hij wacht toch even in ’t enge donkere portaal, vrdat hij naar +boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit +de kamer:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Ik volg u!”<br /></span> +</div></div> + +<p>„Dat’s Annette,” zegt hij in zich zelf. „Och Heere! zou<span class="pagenum"><a id="p_27">[27]</a></span> ’t weer mis +wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar.”</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„De hertog heeft het al, geluk en goud en eer,”<br /></span> +</div></div> + +<p class="noi">klinkt boven hem Waltens stem.</p> + +<p>„Jongens! jongens! ’t is toch ’n ding voor Walten,” vervolgt hij +hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt +hij de treden op.</p> + +<p>Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere +bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe +lichtstreep onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas +een weinig naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en +strijkt de enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad.</p> + +<p>„Binnen!” roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft +aangeklopt.</p> + +<p>Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat hij +zwijgen moet.</p> + +<p>Zijn „<span xml:lang="fr">me voil monsieur le Directeur</span>” besterft hem op de lippen, als +hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe: +„Geen grappen, hoor je! ’t Is heelemaal mis, o, zoo erg! ’k Heb ’n +nachtje gehad!—Ze is nu <span xml:lang="it">Donna Sol</span>. Begrepen?”</p> + +<p>Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en slaat +dan langs zijn rooden neus een mewarigen blik op de vrouw, die op ’t +bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze +langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te +herkennen en zegt:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Wij gaan op morgen saam—ik wil niets anders meer.<br /></span> +<span class="i0">Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven.”<br /></span> +</div></div> + +<p>Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen naderen +moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten<span class="pagenum"><a id="p_28">[28]</a></span> hem haastig toe: „Maar +ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!<span class="corr" id="corr25" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor ’t +bed, kust de hem toegestoken hand en zegt:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Ik nader, <span xml:lang="it">Donna Sol</span>, ik plaats me aan uw voeten.”<br /></span> +</div></div> + +<p>Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend, +vervolgt Waltens dochter:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven.<br /></span> +<span class="i0">Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven?<br /></span> +<span class="i0">Geliefde! ’k weet het niet, maar zeker is ’t, o ja!<br /></span> +<span class="i0"><em class="gesperrt">Ik</em>, ik ben uw slavin. Ga wr gij wilt, ik ga.<br /></span> +<span class="i0">Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen.<br /></span> +<span class="i0">Waarom?... ’t Is m’ onbewust... Met u noch angst noch vreezen,<br /></span> +<span class="i0">Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat,<br /></span> +<span class="i0">Is ’t of mijn hart niet meer in d’engen boezem slaat.<br /></span> +<span class="i0">Hernani! spreek dan toch.....”<br /></span> +</div></div> + +<p>Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik +tegen de deur van ’t keukentje leunend, de zonderlinge groep dr voor +hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: „Zeg +maar wat, als ze je de „de +wacht”<a id="FNa_2_3" href="#FN_2_3" class="fnanchor" title="„Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler invallen moet.">[2]</a> +geeft; anders wordt ze zoo ongeduldig.”</p> + +<p>Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet ’t nu uit +verlegenheid, antwoordt Pietersen:</p> + +<p>„’k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde <span xml:lang="it">Donna Sol</span>.”</p> + +<p>Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast haar +zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar kalm: +„Je kent je rol niet; dt staat er niet. Ha! ha! ha!—wat ’n leelijke +Hernani—maar dat’s minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je niet.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_29">[29]</a></span></p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Tot morgen Hernani, te middernacht! ’k Zal waken.<br /></span> +<span class="i0">’t Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken.<br /></span> +<span class="i2">Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken;<br /></span> +<span class="i2">Aan ’t venster wacht ik u......”<br /></span> +</div></div> + +<p>Pietersen, die niet meer weet wt hij antwoorden moet, ziet met een +angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de +armen om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend, +op innigen toon vraagt:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Weet gij thans wie ik ben?”<br /></span> +</div></div> + +<p>Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur, die +met een mewarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een hoek +van ’t vertrek zwijgend blijft staan kijken.</p> + +<p>’t Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder, tusschen +de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt enkele +malen een flauw, roodgele zonnestraal op ’t vergroende goudgalon van +den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon hangt; +ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en ’t verguldsel +van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en dan een +ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de +koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna +Sol prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw +met een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken ’t +zonlicht onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele +lichtstreep langs de kozijnen heen op den houten vloer der kamer, +blijft daar afwisselend flauwer en helderder een korte poos met de +kwasten en naden van ’t hout spelen en verdwijnt dan, allengs +verbleekend, geheel en al.</p> + +<p>’t Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten<span class="pagenum"><a id="p_30">[30]</a></span> en door +de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In +de kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle +voorwerpen dommelen weg in n mistigen, vaalgrauwen toon.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het „een rommel” noemde +wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door.</p> + +<p>De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den +naam van „<span xml:lang="fr">ameublement</span>” aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een +latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat +uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen +hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en +geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de +onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite +caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om +in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die +nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen +zaken, die f uit de onderste lade zijn gevallen f daarvoor moeite +doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een +geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een +kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder +oor te bedekken.</p> + +<p>Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den wand +leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud afgedragen +Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest +zijn einde verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die +onder den stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden +schepter en een parapluie, die er eendrachtig uitkijken.</p> + +<p>Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan<span class="pagenum"><a id="p_31">[31]</a></span> een kapstok +ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van +verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en +grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen.</p> + +<p>Op de tafel, midden in ’t vertrek, liggen in kunstvolle wanorde +allerlei voorwerpen, die bij het tolet van een actrice noodig kunnen +zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met +benoodigdheden voor ’t grimeeren en blanketten; verschillende +haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal +armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een +kapmantel, die half over de tafel is gehangen.</p> + +<p>Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje +vol rouge de thtre, met een hazenpootje er in, en een groote +krulstok ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een +halve boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn +duim in een half leeggedronken glas met melk doopt.</p> + +<p>Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder +en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen +eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien.</p> + +<p>Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder twijfel +’t beste meubelstuk dat er aanwezig is. ’t Schijnt f uit beter tijden +te stammen f bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn +gekomen, want ’t is een zoogenaamd „<span xml:lang="fr">Lit trne</span>” met een hemel van +donker gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende +gordijnen zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar +toch met een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel +over ’t bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad +iets troonachtigs aan ’t geheel, vooral nu op die roode deken de<span class="pagenum"><a id="p_32">[32]</a></span> +rijzige gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon +op ’t hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud +geborduurde Turksche muiltjes steken en even van onder het witte +nachtkleed zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te +vergrooten.</p> + +<p>In den tegenovergestelden hoek van ’t vertrek naast een bedstede staat +een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond is +verspreid.</p> + +<p>Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over een +paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een +Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander +liggen op ’t vuilwitte <span xml:lang="fr">Pierrot</span>pak, dat te zamen met een duffelsche jas +uit den koffer hangt.</p> + +<p>Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk in +de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen +beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te +verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en +dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die +hier zoo akelig werkelijkheid wordt.</p> + +<p>Pietersen, moe van ’t staan, heeft zonder gedruisch te maken een stoel +genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de +ellebogen op de knien en de handen onder ’t hoofd naar Walten en +Annette, die samen „voortspelen,” te kijken.</p> + +<p>„Kom, lieveling,” zegt de oude man op zacht, overredenden toon „houd +op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!” en zeer +voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets +beters te doen, dan deel te nemen aan ’t applaudissement; hij richt +zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij +luidkeels „Bravo! <span xml:lang="it">Bravissimo!</span>” roept.</p> + +<p>„Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders<span class="pagenum"><a id="p_33">[33]</a></span> schrikt ze,” +fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe.</p> + +<p>„O! dat wist ik niet!”</p> + +<p>„Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze ’t +graag.—Z,—ja z doe je ’t goed.”</p> + +<p>De ongelukkige ziet met strakke oogen vr zich uit, rijst op van haar +bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond +vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee- of driemaal, +als voor een onzichtbaar publiek.</p> + +<p>„Zie je wel, m’n lieve, dat ze tevreden zijn?—Kom! ga nu wat liggen; +je bent mo, dat zie ik!” smeekt Walten met angstige blikken zijn kind +aanziende.</p> + +<p>Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge +huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de +handen tegen de borst gedrukt.</p> + +<p>„Zoo m’n kind! z is ’t goed. Ben je nu tevreden? Ja h?—Dan nu +rusten. Kom! doe ’t maar!”</p> + +<p>Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande doet +zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die een +schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en +langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen +voortdurend op n punt staart.</p> + +<p>Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door ’t vertrek; ademloos +hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Onder ’t loof der boomen,<br /></span> +<span class="i1">In het donkere woud,<br /></span> +<span class="i0">Is mijn lief gekomen,<br /></span> +<span class="i1">Heb ik hem vertrouwd:<br /></span> +<span class="i0">Hoe ’k hem heb geschonken<br /></span> +<span class="i1">Heel mijn ziel en hart,<br /></span> +<span class="i0">En hoe trouw mijn liefde<br /></span> +<span class="i1">Storm en onwer tart.”<br /></span> +</div></div> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_34">[34]</a></span> +„Neen, neen! Stil! niet doen,” fluistert Walten haastig tot Pietersen, +die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen. „Stil! De +bui loopt op z’n einde; als ze gaat zingen, is ’t gauw gedaan.—Wat ’n +geluid, h? God! hoe jammer toch van ’t kind!—Dat lied is nog ’n +herinnering aan dien—hm! dien moffen-muzikant—dien hm!—Dt vergeet +ze niet; hij heeft ’t op muziek gezet, weet je?”</p> + +<p>Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een +waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde +goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de +nachtjapon steken, op de maat van ’t lied sierlijk heen en weder.</p> + +<p>De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend +aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon +hij haar bewegingen en gebaren vindt.</p> + +<p>Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette, +die nu ’t tweede couplet van ’t lied meer neuriet dan zingt, hoort het +niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze +op de maat der melodie op- en neer beweegt. Walten daarentegen is naar +den hoek der kamer gegaan, van waar ’t knorrend geluid komt, schopt +met den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt +Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: „Wil jij je bek wel eens +houden?”</p> + +<p>’t Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een +hevig gestommel in de kist.</p> + +<p>De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt +met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan +Walten: „Wat is dt daar?”</p> + +<p>Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort +naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met +een eerbiedige beweging aanneemt<span class="pagenum"><a id="p_35">[35]</a></span> en kust. Zij slaat haar eenen arm om +zijn hals en zingt luider:</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Zeg hem luid, gij bloemen,<br /></span> +<span class="i1">Hoe mijn hart verlangt,<br /></span> +<span class="i0">Hoe mijn ziel, mijn leven,<br /></span> +<span class="i1">Aan zijn leven hangt.”<br /></span> +</div></div> + +<p>Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn +schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij +vleiend: „Ja, ja! <span xml:lang="fr">ma chrie</span>, dat is zoo.—Zeg! Walten, wat heb je toch +in die kist? ’t Lijkt waarachtig wel een....”</p> + +<p>„Stil dan toch!”</p> + +<p>„Och, ze hoort ’t immers niet.—Ja! ja! m’n beste, je zingt subliem. +Ja! ja! we zullen gaan zitten, h?—Ze is heelemaal abnormaal zie je +dat niet?”</p> + +<p>„Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom....”</p> + +<p>„’k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.—Wel sacristie! wat ’n +gestommel en ’n geknor; ’t is of dr een varken in zit. Heb je +soms....?”</p> + +<p>„Stil! ’t is een big.”</p> + +<p>„H?”</p> + +<p>„Ja! een big.—Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten, +gauw!”</p> + +<p>„Kom! dan,” herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de +krankzinnige plaats nemen op ’t bed; zij omklemt krampachtig zijn hand +en staart opnieuw vr zich op den grond.</p> + +<p>„’t Is een biggetje,” herhaalt Walten, steeds moeite doende om het +dier stil te houden. „Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom +.... je weet wel....?”</p> + +<p>„Ja!” knikt de andere, „ze hebben er zulk goed oranjebitter.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_36">[36]</a></span> +„In de Zwaan,” vervolgt <span class="corr" id="corr26" title="Bron: Walter">Walten</span>, „heb ik ’t gisterenavond +getrokken op ’n lootje van ’n kwartje.”</p> + +<p>„Ei!”</p> + +<p>„Och! ’t was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de zestien +en ’t guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen.”</p> + +<p>„En?”</p> + +<p>„Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een +lootje nemen. Jij een lootje op ’t zwijntje, en wij lootjes op je +benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes +helpen; voor m’n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne +lui raak ik die plaatsen niet kwijt.—Kijk naar Annette, +Pietersen.—Stil dan toch beest!”</p> + +<p>„Ik nam ’t mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb +ik ’t hier zoolang in die kist ge....”</p> + +<p>„Ha! Ha! Ha! Ha!” lacht Pietersen plotseling overluid.</p> + +<p>„Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen.”</p> + +<p>„O, dat’s waar ook!—Stil! ze snapt ’t niet,—ja toch wel.”</p> + +<p>De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen, +opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden +nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, z +akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar +beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig +verdraait.</p> + +<p>Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt, +stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen +en met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar +lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard +met zenuwschokken, die haar achterover op ’t bed doen vallen.</p> + +<p>Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn +dochter vast. „Water, geef water!” roept hij. De<span class="pagenum"><a id="p_37">[37]</a></span> souffleur grijpt +haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen +en polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk +voort; in de kist stommelt al knorrend de big.—Walten roept zijn kind +met angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en +akelig lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar +nieuwsgierige mannen en vrouwen, die tusschen en onder de +gordijnfranje door naar binnen trachten te zien en lachend de hoofden +bijeensteken om elkander toe te fluisteren: „Nou is de kemedie goed n +den gang; hoor ze nou ereis angaan. Wat ’n spul! Wat ’n spul!”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>„De kemedie” is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half uur +is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen, vermoeid +en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor kneuzingen +van hoofd of lichaam te bewaren, bij ’t bed, waarop de ongelukkige +vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te slapen. +Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine schuimblaasjes +van de lippen en eenige kille droppels van ’t voorhoofd, dan brengt +hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu en dan +schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de +oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is +voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering +aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt.</p> + +<p>Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw, +die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om +den mond stil blijft liggen.</p> + +<p>„Dat’s me een baantje geweest,” zegt Pietersen, die met zijn mouw +langs zijn voorhoofd strijkt. „Heb je niet een druppeltje van een of +ander in huis, Walten?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_38">[38]</a></span> +„’k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet.”</p> + +<p>„Hum! dt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wl.”</p> + +<p>„Dat’s juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent, als +je maar niet zoo....”</p> + +<p>„Pimpelde, h?—Och! spaar je Philippica’s, die kennen we; ik weet +wel, dat je ’t goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo’n +likkebror, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig +niks,—niemendal?”</p> + +<p>„Neen!”</p> + +<p>„Niks ter wereld, <span xml:lang="fr">rien du tout?</span>” Pietersen ziet den ouden man z +doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en +guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: „Hum! +misschien heb ik nog een druppeltje brandy; ’k heb laatst een flesch +cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou +drinken.”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">C’est tout ce qu’il me faut</span>, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat +voor me zoudt opduiken, h h h!”</p> + +<p>„Nou ja, maar....”</p> + +<p>„Geen excuses, <span xml:lang="fr">mon Directeur</span>; voor den dag er mee.”</p> + +<p>Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds, +voor <em class="gesperrt">zijn</em> doen, <em class="gesperrt">te</em> lang nuchteren geweest.</p> + +<p>Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch +te voorschijn, vult ’t eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het +voor den souffleur neer met de woorden: „Daar dan; meer krijg je in +geen geval.”</p> + +<p>Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot +grijpen vooruitgestoken, naar ’t glaasje, dat hij knipoogend toelacht; +maar op ’t oogenblik dat hij ’t aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk, +met een licht kuchje: „<span xml:lang="fr">Et vous, mon Directeur?</span> Neem je niet zoo’n +klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit.”</p> + +<p>„Ik ben niet koud, maar ’k voel me al dagen lang ongesteld<span class="pagenum"><a id="p_39">[39]</a></span> duizelig, +onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar ’k ben niets wl.”</p> + +<p>„Dan moet je juist zoo’n <span xml:lang="fr">cognac fine</span> nemen. <span xml:lang="fr">Une petite goutte, mon +Prince.—Aprs vous</span> dan!”</p> + +<p>„Neen! ga jij je gang maar!”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Jamais de ma vie!</span>” Pietersen schuift met ware zelfverloochening het +glaasje naar Walten.</p> + +<p>„Och zanik nou niet; drink uit.”</p> + +<p>„Neen!” Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt: „Ik +begrijp je: geen glaswerk meer in huis, h?—<span xml:lang="fr">Qui se gne est gn;</span> +dr is raad voor.” En vr Walten recht weet wat de andere wil, +grijpt deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met +vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt ’t vluchtig af +met de slip van zijn jas, giet den inhoud van ’t glaasje er in over en +zegt lachend: „<span xml:lang="fr">Voil!</span> dee’z beker is voor mij.—<span xml:lang="fr">A vous!</span>”</p> + +<p>Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult ’t +glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet +met de woorden: „’k Word er misschien wat pleizieriger door; h! ’k +ben zoo rillerig.”</p> + +<p>„Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad.”</p> + +<p>„Ja!”</p> + +<p>„En hoe is ’t nu met de lijsten, <span xml:lang="fr">mon Directeur?</span> Wanneer krijg ik die?”</p> + +<p>„Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn.”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Magnifique!</span> Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me +sterk, dat ik ’t geheele <span xml:lang="fr">parterre</span> en ’t amphitheater voor je verkoop; +ik zal er wel een broodje uithalen.”</p> + +<p>„Tien percent voor jou, Pietersen.”</p> + +<p>„Akkoord! Misschien kan ik nog wat <span xml:lang="fr">loges</span> ook plaatsen.<span class="corr" id="corr27" title="Bron: ">”</span></p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_40">[40]</a></span> +„’t Is te wenschen! Ik moet, vrdat ik mijn benefiet bepaald +annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten.”</p> + +<p>„Hoeveel?”</p> + +<p>„Driehonderd gulden!”</p> + +<p>„Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.—Zeg! die cognac is dlicaat. +Smaakt ze jou niet?”</p> + +<p>„Ik hou er niet erg van.”</p> + +<p>„Ik wl!” Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het +schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend: +„<span xml:lang="it">Da capo</span>, <span xml:lang="fr">mon Prince</span>.”</p> + +<p>„Neen! je hebt genoeg; ’t deugt je niet.”</p> + +<p>„Kom!—’n Halfie dan?”</p> + +<p>„Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan ’n half.”</p> + +<p>„Bon! maar ’n slordig halfie, h? Dan werk ik morgen met meer ambitie +en dubbel hard.”</p> + +<p>„Onverbeterlijke nathals, dr dan!”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Merci!</span>—Op je gezondheid, hoor!”</p> + +<p>„Vader!” klinkt uit ’t bed Annettes stem. „Vader! Een glas water +asjeblieft!”</p> + +<p>Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg, +gaat naar ’t bed en vraagt: „Ben je wakker lieveling? Wou je drinken? +Ben je weer beter?”</p> + +<p>„Ik ben zoo moe, ’k heb zoo’n dorst, zoo’n hoofdpijn.”</p> + +<p>„Je hebt ook weer ’n toeval gehad, m’n kind; ’t is geen wonder, dat je +arme hoofd dan klopt. Wil ’k er een doek met water op leggen?”</p> + +<p>„Nog niet; eerst wat drinken, vader!”</p> + +<p>„Goed, Netje! Hier, drink dan maar.”</p> + +<p>Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich op +en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der +tafel is gaan zitten, bemerkend: „Wie zit daar?”</p> + +<p>„Pietersen.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_41">[41]</a></span> +„O! zoo, Pietersen.”</p> + +<p>„Dag, juffrouw! Is ’t ’n beetje over?—Jongens, jongens, wat had je ’t +benauwd daar straks.”</p> + +<p>„Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand, +laat me slapen.”</p> + +<p>„Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is ’t z goed?”</p> + +<p>„Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil ’k +niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?”</p> + +<p>„Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart.”</p> + +<p>„En die kroon,—wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?”</p> + +<p>„Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je.”</p> + +<p>„Deed ik?”</p> + +<p>„Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!....”</p> + +<p>„’k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand, vader; +hou m’n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!”</p> + +<p>Walten zit op een stoel, naast ’t bed en omsluit met zijn rechterhand +Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht +liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die +zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken.</p> + +<p>Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en +kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat +wordt rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna +onmerkbaar gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem.</p> + +<p>Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de koffer +plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de +handen om de opgetrokken knien samengevouwen, zit hij doodstil vader +en dochter aan te zien en mompelt: „Wonderlijk! nu gaat ze slapen, +rustig<span class="pagenum"><a id="p_42">[42]</a></span> en kalm; ’t is toch een allerzonderlingste historie: ’k +begrijp er niks van.—Slaapt ze nu, Walten?”</p> + +<p>„St!”</p> + +<p>Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in ’t vertrek, alleen +nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken van de +big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt of +heen en weer schurkt.</p> + +<p>Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne +glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan +een der cretonnen draperien los, zoodat ’t gordijn de slapende vrouw +halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf:</p> + +<p>„Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust.”</p> + +<p>„Heeft die bui dezen keer lang geduurd?” vraagt de souffleur +opstaande.</p> + +<p>„Van gisterennacht tot nu.”</p> + +<p>„Dat’s lang, zoo’n heele nacht.”</p> + +<p>„Ik ben ook doodop; ’k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al niet +richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik t’huis +kwam. Ze begon met Ophlia te wezen.”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Mon Dieu!</span>—En jij?”</p> + +<p>„Ik was Hamlet natuurlijk.”</p> + +<p>„Heelemaal buiten je emplooi,” merkt Pietersen aan, met ’t ernstigst +gelaat der wereld.</p> + +<p>Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: „Toen werd +ze in eens <span xml:lang="es">Ines de Castro</span> en later <span xml:lang="es">Donna Sol</span>.—Dat was ze nog, toen +jij kwaamt en....”</p> + +<p>„Ja!—’t Is toch ongelukkig voor je, Walten!”</p> + +<p>„Wel is ’t dat,” zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een traan +uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: „En voor haarzelf ’t +ergst.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_43">[43]</a></span> +„Nu is ze zoo goed, als ’t maar hoeft,—merkwaardig goed, <span xml:lang="fr">mon +Directeur!</span>”</p> + +<p>„Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden jaar +heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien.....”</p> + +<p>„Jawel, van ’t gesticht.”</p> + +<p>„Juist!—Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze +voortdurend geobserveerd moest worden.”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">C’est clair!</span>—Zeg! dat beestje in die kist is geen <span xml:lang="fr">eau de cologne</span>. Je +hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat’s me ’t +zelfde.”</p> + +<p>„Neen! ik rook al sedert lang niet meer.”</p> + +<p>„Och kom! en je was vroeger zoo’n liefhebber.”</p> + +<p>„Ja! maar Netje kon er niet meer tegen.”</p> + +<p>„O!”</p> + +<p>Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt dan: +„Als ik nu maar ’t geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt, dat +’k haar kan laten genezen, dan.....”</p> + +<p>„Hoeveel moet er wezen?”</p> + +<p>„’n Goeie vijfhonderd, op z’n minst.”</p> + +<p>„Hm! die blijven er wel over, als ’t een beetje vol loopt.”</p> + +<p>„Zoo reken ik ook, Pietersen.—Och! als ik haar maar eerst van den +vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,—ik kan nog best +mee;—dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en.....”</p> + +<p>Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog Walten +strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als wilde +hij zeggen: „Dat zal er nog om spannen.”</p> + +<p>De andere vervolgt: „’t Is wel niet pleizierig om ondergeschikte +rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al +niet voor je kind? Wie weet wanneer<span class="pagenum"><a id="p_44">[44]</a></span> zij weer heelemaal in orde is, of +ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig +veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is ’t niet zoo?”</p> + +<p>„Zeker, <span xml:lang="fr">mon Prince</span>, zeker!” Pietersen spreekt schijnbaar in vollen +ernst.</p> + +<p>„En wat ’n geluid, h?”</p> + +<p>„Kolossaal!”</p> + +<p>„En wat ’n verschijning!”</p> + +<p>„Kapitaal!”</p> + +<p>„Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar +als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op ’t tooneel een +schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog +„goed” was.”</p> + +<p xml:lang="fr">„Oui, mon directeur!”</p> + +<p>Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch +Walten, noch Pietersen hebben ’t gehoord, en daarom zien beiden +verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren +zeggen: „Pin jelui hier toof? ’k Hv wol dreimaal jeklopft.”</p> + +<p>„Wblief!” vragen beiden ongeveer te gelijk.</p> + +<p>Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig +witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een +oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: „Wer von +jelui ist Walten?”</p> + +<p>„Ik! En u is meneer <span xml:lang="de">Trger</span>!”</p> + +<p>„So! ja noe herken ik je; ’t wordt hier al doenkel.”</p> + +<p>„Wat wenscht u?”</p> + +<p>„Was ich will?—Noe das soll jij wol begrijpen” en terwijl de dikke +man zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt, +zegt hij: „Ich will de couleur von jou centen ’r is zien.”</p> + +<p>„Ik heb waarachtig niets op ’t oogenblik, baas <span xml:lang="de">Trger</span>; maar wees niet +bang: je geld zul je hebben.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_45">[45]</a></span> +„So! soll je denken?”</p> + +<p>„Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je....”</p> + +<p>„Papperlapap! ’n benefiz—so’n praatje kennen wir; das heb jijlui +komdianten-volk immer bij der hand; wann’s voorbij ist, krijg jelui +gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op.”</p> + +<p>„Maar baas <span xml:lang="de">Trger</span>, ik heb je toch altijd eerlijk betaald.”</p> + +<p>„Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om je +das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet.”</p> + +<p>Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn +lippen trillen, als hij antwoordt: „Ik ben een eerlijk man, baas +<span xml:lang="de">Trger</span>, en als ik ’t had, zou je dadelijk geld krijgen; maar....”</p> + +<p>„Maar noe hv je ’t nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von +de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die +is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil +’k nicht nehmen weil je kind krank ist.—Oend noen basta! overmorjen +verhuis je,—versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig +blijven; dat doe ich omdat jij „Walten” bint, waaroem ich vroeger so +dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.—Noe! +bin je zoefrieden?”</p> + +<p>Schamper lachend, antwoordt Walten: „O! volkomen”.</p> + +<p>„Komn, dat’s joet; dan kennen wir als vrinden sjein. Jij bint +allezeit ’n fatsoenlicher kerl geweest oend....”</p> + +<p>„Drom moet ik met m’n zieke kind op straat? ’t Is mooi, baas +<span xml:lang="de">Trger</span>.”</p> + +<p>„Kan d’r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die ’n +puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d’r over klagen das +jijlui zoo spektakelt.”</p> + +<p>„Maar, <span xml:lang="de">Trger</span>! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang +je ’t zeker en....”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_46">[46]</a></span> +„Das ist mir ejaal. Hv je jeld?”</p> + +<p>„Neen!”</p> + +<p>„Dan overmorjen von die kamer af—verschta je?”</p> + +<p>Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord, +vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt +daarom op tamelijk gezwollen toon: „Mijnheer! ’t is een crime om een +fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert, +dat zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen +spekslagersziel. Je hart is gevoelig!—Is ’t niet zoo?”</p> + +<p>„Nein! ich will blos jeld.”</p> + +<p>„Kom, kom! <span xml:lang="fr">mon Prince</span>, je meent ’t niet! Nog een wijl geduld en alles +komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil +garant blijven, dat....”</p> + +<p>„Kottorie! das waar noch besser!” De spekslager ziet Pietersen aan en +nolens volens moet hij lachen.</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Qui rit, est desarm</span>,” zegt Pietersen, maar bij Walten komt +plotseling de oude trots weer boven.</p> + +<p>„Pietersen voor mij borg blijven? Ba!” denkt hij, „’t is al te akelig; +z ver is ’t dus met me gekomen.” Hij heft het hoofd hooger op, doet +een pas vooruit en zegt: „Ik zal je betalen, baas <span xml:lang="de">Trger</span>, morgen aan +den dag. Hoeveel ben ’k je schuldig?”</p> + +<p>„Acht-oen-vierzig joelden!”</p> + +<p>„Kom ze morgenavond halen!”</p> + +<p>„Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich +dadelich wat op afrekening jeeft, dan....” De spekslager houdt +eensklaps op met spreken, steekt ’t hoofd vooruit en luistert, want +uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid +op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de +kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.—Ja! ’t is een +gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. „Maar hoe is ’t +mogelijk”, denkt hij, „hier?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_47">[47]</a></span> +Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen, +knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den +wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven: +„Daar krijg ik op eens een idee” en is met twee stappen bij de kist.</p> + +<p>Voordat baas <span xml:lang="de">Trger</span> eigenlijk weet wt hem gebeurt, voelt hij den +snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij +schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat +Pietersen met n greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen +drukt met de woorden: „<span xml:lang="fr">Il te connait, beau masque!</span> Dr! neem dat op +afrekening; dat’s voor jou contant geld, <span xml:lang="fr">mon Prince!</span>”</p> + +<p>„Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt,” roept +verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van ’t vak, de +big, binnensmonds zeggend: „’n Feines diercke, joet soort, moess nog +fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig.”</p> + +<p>Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de +andere er in slaande, roept de souffleur: „Voor vier ben je koopman!”</p> + +<p>„Drei!”</p> + +<p>„Vier!”</p> + +<p>„Noen in Kottesnamen, ’t is jekocht.”</p> + +<p>„Mooi!” En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem +wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: „Neem ’t mee, baas <span xml:lang="de">Trger</span>! +Maar zal u ’t goed behandelen? ’t Is zoo’n lief beestje.” En met een +traan in de stem voegt hij er bij: „We waren er al zoo aan gehecht, +niet waar Walten?”</p> + +<p>Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af.</p> + +<p>„Noen, soll ich’s mitnemen voor ’n tientje?”</p> + +<p>„Ja, ja! maar laat ’t in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!<span class="pagenum"><a id="p_48">[48]</a></span>” Walten +ziet angstig naar ’t bed, waarop zijn dochter rust.</p> + +<p>„Sjreeuwen thoen al die ferkens; da’s die natoer.”</p> + +<p>„En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M’n dochter ligt daar ziek +achter dat gordijn en dus...” Met een tamelijk trotsche beweging wijst +Annettes vader naar de deur.</p> + +<p>„Kott im Himmel! armoeth hvt ’n hooge broest ooch nog; allemaal +Komdiantenbluf. H! H! H! <span class="corr" id="corr28" title="Bron: Ha">H</span>!”</p> + +<p>„Lach niet, kerel, of...!”</p> + +<p>„Maak je niet boos. Dat ’s heelemaal verkeerd, mon Directeur!” zegt +Pietersen, die ’t onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar z tegen +zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend, +vervolgt hij soetsappig: „Meneer <span xml:lang="de">Trger</span>, je moet dat zoo hoog niet +opnemen: hij meent ’t z niet.—’n Fijn varkentje, h?<span class="corr" id="corr29" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Wie er ’s nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das +overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze +rataplan op de jroote schteenen.”</p> + +<p>Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar +onverstaanbare woorden.</p> + +<p>Walten ziet angstig naar ’t bed en zegt kalm, bijna fluisterend: „Je +<em class="gesperrt">zult</em> ’t hebben, baas.”</p> + +<p>„Joet, maar noen verder?”</p> + +<p>„Verder?”</p> + +<p>„Jawol, denk jij dat ich jou op ’s nieuw drei monate zal laten wonen +oend....?”</p> + +<p>„’k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik +je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om ’t hardst, en mijn +arme Netje <em class="gesperrt">moet</em> rust hebben.”</p> + +<p>„Jou Netchen kan mir jestohlen worden.”</p> + +<p>Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft<span class="pagenum"><a id="p_49">[49]</a></span> eensklaps den +grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas +<span xml:lang="de">Trger</span>, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe:</p> + +<p>„Breng me niet tot ’t uiterste; ga heen, man!”</p> + +<p>Er ligt iets in Waltens blik, in ’t heesche geluid van zijn stem dat +den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat +gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn +dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer +bewegend: „Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen. +Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit, +macht samen vieroendfnfzig. Wenn jij die morjenabend vr negen uur +nich hev’t; logier jij verder in ’s Htel blauwe lucht, verschta +je?—Adj!”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op +den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs +het lijf hangend, het hoofd vrovergebogen, in doffe moedeloosheid +voor zich zit te staren: „Jij bent en blijft toch altijd onpractisch, +Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen +met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zver +gekregen, dat hij....”</p> + +<p>„Ik wil van zoo’n vent niets hebben, geen consideratie, geen....”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Mais, mon Prince!</span> als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je +benefiet niet veel over. Betaal je morgen hm, dan weet overmorgen de +heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve +dt zal ’t nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden +voorschot wil geven op je....”</p> + +<p>„Pietersen, hou je in godsnaam stil!”</p> + +<p>„Maar heb ik geen gelijk, <span xml:lang="fr">mon Directeur?</span>”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_50">[50]</a></span> +„Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je +hebt zoo’n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?—Ga +nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. ’t Zijn eerste galerijen; +die kun je hier en daar wel plaatsen.”</p> + +<p>„Goed! <span xml:lang="fr">Au revoir</span> dan; morgen haal ik de lijsten.—Hm! heb je soms niet +een versleten gulden voor me ter leen?—<span class="corr" id="corr30" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Neen!”</p> + +<p>„’n Paar kwartjes dan?”</p> + +<p>„Och!”</p> + +<p>„Nou n dan?”</p> + +<p>„Enfin! daar heb je er n. Maak nu dat je wegkomt.”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Mon Prince!</span> waar er n is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje +bij; ik heb m’n portemonnaie thuis gelaten.”</p> + +<p>„Dr dan!—En nu....”</p> + +<p>„„Vertrek, heer graaf,”” zooals Egmond zegt. „Adieu!”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel +en ziet naar ’t flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de +groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is.</p> + +<p>De avond valt; ’t is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met +een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje +lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die +hij z op de <span class="corr" id="corr31" title="Bron: ltafel">latafel</span> plaatst, dat het licht de zieke +niet hinderen kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. +Zij ademt rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. +Liefkoozend neemt hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de +zijne, drukt er voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug +zijner hand over ’t zacht bedauwde voorhoofd der slapende.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_51">[51]</a></span> +Langzaam knielt hij neder bij ’t bed, legt zijn wang tegen Annettes +hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang—heel lang.</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> +<p><a id="FN_1_2" href="#FNa_1_2"><span class="label">[1]</span></a> Turf- en houtverkooper.</p> + +<p><a id="FN_2_3" href="#FNa_2_3"><span class="label">[2]</span></a> „Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler +invallen moet.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<h3>III.</h3> + +<p>„Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de +Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een +portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vr hem +staat.</p> + +<p>„Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?”</p> + +<p>„Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jrme Duflou in +Arthur of zestien jaren later.”</p> + +<p>„Hm! die rol is niet groot voor ’n beneficiant.”</p> + +<p>„Wat dunkt u dan van „De Vrek?” Die heb’k altijd met succes gespeeld.”</p> + +<p>„Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar +seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—„hm! +wanneer je die rol nog aandurft.”</p> + +<p>„Ng...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft.</p> + +<p>„Ja! je wordt een dagje ouder en ’t is een zware rol.”</p> + +<p>„O, ik ken ze nog wel op mijn duim. ’t Is een van mijn beste creatin; +ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een +engagement te zoeken. ’t Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had, +die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel +weer willen optreden.”</p> + +<p>In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden +man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende +verwondering; zij zien den sollicitant<span class="pagenum"><a id="p_52">[52]</a></span> aan als wilden zij vragen: +„Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, ’t is niet zoo, je houdt mij +voor ’t lapje.”</p> + +<p>’t Is alsof <span class="corr" id="corr32" title="Bron: Walter">Walten</span> voelt wat de Directeur denkt, want hij +voegt er snel bij: „Ik meen ’t in vollen ernst: als u me kunt +emploieeren...”</p> + +<p>„Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst +eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?”</p> + +<p>„’t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten +bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder +met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: <em class="gesperrt">’t +Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt.</em>”</p> + +<p>„Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer +succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen +heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van ’t tooneel; +ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en +daarom....”</p> + +<p>Walten wordt bleek; dat gezegde: „Enkelen zullen zich jou nog wel +herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige +waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de +herinnering van enkelen; den Walten van ’t heden kent men nauwelijks +meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen, +wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan +antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: „’k Heb al een paar oude +kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele <span xml:lang="fr">loge</span> genomen; +maar—als u ’t niet kwalijk neemt, meneer <span xml:lang="de">Schrder</span>, wou ’k wel gaan +zitten, want....”</p> + +<p>„Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden, +excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een stoel, die +onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten.</p> + +<p>Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl<span class="pagenum"><a id="p_53">[53]</a></span> de vale +bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een +congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. „Ik +weet niet wat mij mankeert, meneer <span xml:lang="de">Schrder</span>, maar in den laatsten tijd +heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....”</p> + +<p>„Wel, m’n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.”</p> + +<p>„Dank u; ’t gaat nu alweer over. ’t Is een alleronaangenaamst angstig +gevoel; tusschenbeide weet ik n oogenblik niet waar ik ben, dan +draait me alles voor de oogen en zou ik z neer kunnen vallen.”</p> + +<p>„Dat’s niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?”</p> + +<p>„O, als u ’t bij de hand heeft, graag.”</p> + +<p>Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is +het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te +zien, dat hij nog niet geheel normaal is.</p> + +<p>„Ik denk, dat ’t van ’t heen en weer loopen en draven komt,” zegt hij: +„ik ben dat niet meer gewend.<span class="corr" id="corr33" title="Bron: ”"></span> Bovendien heb ’k weinig +nachtrust gehad in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter +kwamen zoo gauw achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, +soms zes weken vrij. ’t Is treurig, erg treurig.”</p> + +<p>„We willen ’t beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde +behandeling komt,” troost de Directeur.</p> + +<p>„Juist! dt heeft ze hoog noodig; in ’t gesticht zou ze....”</p> + +<p>„Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds +herhaalde malen ’t relaas van den vader heeft gehoord; en om een +andere wending aan ’t gesprek te geven, vervolgt hij: „Hoe sta je met +de artisten?”</p> + +<p>„Goed!”</p> + +<p>„Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt +krijgen, des te beter.”</p> + +<p>„Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat<span class="pagenum"><a id="p_54">[54]</a></span> juffrouw Andre +zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.”</p> + +<p>„Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op ’t oogenblik „<span xml:lang="en">the grand +attraction.</span>””</p> + +<p>„Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou. +Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat <em class="gesperrt">ik</em> wel begrijpen zou, dat +ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi +vallend, kon aannemen.”</p> + +<p>„Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo +goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar +aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is +erg van ’t hondje gebeten, nogal over ’t paard getild.... Binnen!”</p> + +<p>Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en +rijst werktuiglijk op van zijn stoel.</p> + +<p>„Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te +gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer +intelligent en prettig voorkomen, om ’t hoekje van de deur.</p> + +<p>„Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!” +antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende +dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten +en neemt op den haar aangeboden stoel plaats.</p> + +<p>„U komt als geroepen, mevrouw!”</p> + +<p>„Waarom?”</p> + +<p>„Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn +stoel staat,—„Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen +of....”</p> + +<p>„Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En vriendelijk +lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem +zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: „Ga eerst weer +zitten, collega.<span class="pagenum"><a id="p_55">[55]</a></span> ’k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu +zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit. +Ben je ziek geweest?”</p> + +<p>„’k Voel me niet wel, mevrouw!”</p> + +<p>„Dat’s verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den +laatsten tijd.... hm! hoe zal ik ’t zeggen....”</p> + +<p>„Dat ik oud word, mevrouw! Zeg ’t maar.”</p> + +<p>„Nu, nu! dat bedoel ik z niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je +benefiet te geven?”</p> + +<p>„Ik hoop „De Vrek”.<span class="corr" id="corr34" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Ei! dat’s geen kleinigheid. Ben ik er ook in?”</p> + +<p>„Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; ’k had u +beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....”</p> + +<p>„Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.”</p> + +<p>„Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe.</p> + +<p>„Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?”</p> + +<p>„Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw +emplooi....”</p> + +<p>„Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan; +geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een +collega en vooral voor iemand zooals jij, die z getobd heeft, doe ik +alles. Als ’t niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als +je mijn naam graag op ’t programma wil hebben,” voegt zij er met een +klein vleugje van ijdelheid bij.</p> + +<p>„Wat is u goed, mevrouw Groote!”</p> + +<p>„Zie je, Walten, daar spreekt nu ’t artistenbloed,” zegt de Directeur; +en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: „Juffrouw Andre is +minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.”</p> + +<p>„Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweem<span class="pagenum"><a id="p_56">[56]</a></span> van hatelijkheid +in haar stem. „Nu, zoo’n grrroote artiste mag haar kuif ook wel +opzetten. Zoo’n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben, +is ’t niet zoo?”</p> + +<p>„Ja, mevrouw.”</p> + +<p>„’t Is om te lachen,—zoo’n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een +mooi figuurtje,—dat ’s waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij +niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel +komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! drvan heeft ze +geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?”</p> + +<p>„Nog geen rol; ’t was maar bij voorbaat, dat zij....”</p> + +<p>„Wel goeie hemel! wat ’n drukte voor niemendal!—Luister eens, Walten, +ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, h?”</p> + +<p>„Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als ’t niet in haar...”</p> + +<p>„Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dt kennen we!” +En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener +coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende +stem: „’t Spijt me menrrh Walten, mrrh wanneerrh de rrhol niet.... +Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen +loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur ’t +goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles—ik heb ’t land aan dat +creatuur—en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn lve, een goeie rol. +Dat’s een aardig eenvoudig kind met ’n snoepje van ’n gezichtje en met +meer talent dan die „grrhoote juffrrrhouw Andrrhe.” Dan zetten we op +’t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, lve van Mevrouw +Groote.—Wat zeg je daar van, meneer <span xml:lang="de">Schrder</span>?”</p> + +<p>„Nu, dat ’s nog zoo kwaad niet,” merkt <span xml:lang="de">Schrder</span>, die eigenlijk +juffrouw Andre ook niet goed lijden kan, aan. +<span class="corr" id="corr35" title="Bron: ">„</span>’n Debuut met ’n +benefiet samen is een goed idee.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_57">[57]</a></span> +„Mevrouw, ’k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.”</p> + +<p>„Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote wrijft +zich eventjes in de handen, „ik ben heusch in m’n schik, dat we die +Andre er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan +haar niet zetten; ze heeft zoo’n paar opera-maniertjes, die ’t publiek +aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit +de <span xml:lang="fr">stalles</span>, ’t <span xml:lang="fr">balcon</span> +enz. <span xml:lang="fr">Voil tout!</span> Voor ’t overige zit alles er +dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen +dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen....”</p> + +<p>„Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo <em class="gesperrt">heel lang</em> en beter +kende, zou ik werkelijk denken, dat hier ’n beetje „<span xml:lang="fr">jalousie de +mtier</span>” in ’t spel was,” hervat <span xml:lang="de">Schrder</span>, lachend mevrouw Grootes +woordenvloed stuitend.</p> + +<p>„Kom, <span xml:lang="de">Schrder</span>tje! dat weet je wel beter; <em class="gesperrt">ik</em> heb me waarachtig niet te +beklagen, <em class="gesperrt">ik</em> heb succes genoeg gehad”—en met een zelfgenoegzaam +lachje—„en nog succes! Begrijp je, dat’s veel gezegd, als men bijna +vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik zie, dat je heen wilt +gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en +repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens +flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil ’k ook ’n +beetje eer met ’r inleggen.”</p> + +<p>„Wanneer dunkt u dan, meneer <span xml:lang="de">Schrder</span>?”</p> + +<p>„’k Zal er met den <span class="corr" id="corr36" title="Bron: regisseur">rgisseur</span> over spreken; overmorgen weet u ’t.”</p> + +<p>„Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed.</p> + +<p>„Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog n raad geven. Je moet +na „De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische +rollen; er zijn nog genoeg<span class="pagenum"><a id="p_58">[58]</a></span> lui, die je vroeger in die rollen gezien +hebben en die zoo’n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de +zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos +worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?”</p> + +<p><span class="corr" id="corr37" title="Bron: Walter">Walten</span> antwoordt kortaf met een zucht: „Neen Mevrouw!”</p> + +<p>„Dat’s jammer; anders zou ik je proponeeren: „’t Huishouden van den +schoenlapper” of „De Behanger”.<span class="corr" id="corr38" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en +denkt: „<span xml:lang="la">Sic transit.</span>”</p> + +<p>„Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. „Geef als toegift: „De +dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat +kun je best, en ik zal de Cathrine spelen; dat ’s altijd een +glansrolletje voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om +aan die Andre met al haar drukte te laten zien, dat <em class="gesperrt">ik +me nog jong kan</em> maken, als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, +ziet zij den Directeur even aan.</p> + +<p>„Is dat een <span xml:lang="fr">pique sous l’eau</span>, mevrouw?”</p> + +<p>„Onder of boven water, meneer <span xml:lang="de">Schrder</span>, zoo je ’t nemen wilt,” lacht +mevrouw Groote en vervolgt: „Nu, Walten, wat denk je daarvan?”</p> + +<p>„’k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt ’t +weer. O!”</p> + +<p>„Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog +juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen +behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar +geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. „Vadertje wat wordt +je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is ’t al +weer over? Jongens! jongens! je moet er ’n dokter over spreken; dat ’s +geen gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk, +Walten?”</p> + +<p>„Duizelig, flauw, ’k werd wee!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_59">[59]</a></span> +„Zenuwen!—Hier! drink eens.”</p> + +<p>„Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van ’t glas, dat mevrouw +Groote hem heeft aangegeven.</p> + +<p>„Zenuwen zijn ’t, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in +de lucht. Wil ’k met je meegaan?”</p> + +<p>„Neen! neen! dank u.”</p> + +<p>„Zeg, <span xml:lang="de">Schrder</span>, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?” Mevrouw +Groote vraagt ’t fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en +zegt haastig:</p> + +<p>„Och! asjeblieft niet; ’t is nu heelemaal over. Ik begrijp ’t wel: ik +ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet +geweest, en.....”</p> + +<p>„Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat +kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe! +ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. H, ja, laten wij eens samen +„lunchen”, als ouwe <span class="corr" id="corr39" title="Bron: collga’s">collega’s</span>, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren +mag je niet, hoor kameraad!”</p> + +<p>Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als +zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur +zegt: „Excuseer ons, <span xml:lang="de">Schrder</span>; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks +wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan, <span xml:lang="fr">beau cavalier</span>, +je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo’n <span xml:lang="fr">tte + tte</span> gunnen.<span class="corr" id="corr40" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: „Als jij refuseert, +refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om +je te schaken.”</p> + +<p><span xml:lang="de">Schrder</span> ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op ’t +hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: „Heb je nog wat?” De +oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt +geleid, knikt „ja” zonder dat zij ’t ziet. Daarom roept de Directeur +hem<span class="pagenum"><a id="p_60">[60]</a></span> +met: „Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets +zeggen”, terug.</p> + +<p>„Gauw dan; ik wacht hier”, zegt de actrice.</p> + +<p>Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt <span xml:lang="de">Schrder</span>: „Wat wou je +me vragen?”</p> + +<p>„Meneer <span xml:lang="de">Schrder</span>, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... ’k Heb +dringend geld noodig; ’t is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik +moet van avond huur betalen; anders....”</p> + +<p>„Heb je veel noodig?”</p> + +<p>„’n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: ’k heb nog +een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet ’n honderd gulden voorschot +willen geven?”</p> + +<p>„Hum!” <span xml:lang="de">Schrder</span> denkt even na.</p> + +<p>„’k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft +gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....”</p> + +<p>„Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?”</p> + +<p>„Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent +de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten +teekenen.—Zou u....?”</p> + +<p>„Enfin! ’k zal je maar helpen.”</p> + +<p>„Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!”</p> + +<p>„Dadelijk, mevrouw!<span class="corr" id="corr41" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van ƒ25 +uit, geeft die aan Walten en zegt: „Ziedaar dan, maar meer dan dit +geef ik in geen geval.”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en +gebruiken met smaak een eenvoudige „lunch.”</p> + +<p>Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij +het noemt, „op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt, +laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel +deelnemend woord,<span class="pagenum"><a id="p_61">[61]</a></span> een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen +tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te +ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij +merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden +ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de +andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling +vraagt zij: „En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?”</p> + +<p>„Zeker!”</p> + +<p>„Voorgoed?”</p> + +<p>„Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is; +dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.”</p> + +<p>„Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben +gedaan met eten, laten we opstappen.”</p> + +<p>„U bij mij aan huis? Neen! dt kan niet.”</p> + +<p>„Waarom niet?”</p> + +<p>„Neen! Neen!”</p> + +<p>„Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je +soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te +zeggen, dat jij „<span xml:lang="fr">dames seuls</span>” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan, +kameraad.”</p> + +<p>„Neen, mevrouw, ’t is onmogelijk.—Aannemen!”</p> + +<p>„Wou je nog iets gebruiken?”</p> + +<p>„Neen!—U?”</p> + +<p>„Ik ben voldaan!”</p> + +<p>„Ik ook.—Hoeveel is ’t, Jan?”</p> + +<p>„Twee gulden zeventig, meneer!”</p> + +<p>„Hier, wissel me dat bankje eens; ’n dubbeltje voor jou.”</p> + +<p>„Maar, Walten, wat doe je?”</p> + +<p>„Ik betaal, mevrouw!”</p> + +<p>„Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?”</p> + +<p>„De eer aangedaan met mij koffie te drinken.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_62">[62]</a></span> +„Goeie hemel! wat ’n vent!”</p> + +<p>„Ik ken Goddank m’n wereld nog wel, mevrouw!”</p> + +<p>„Je bent ’n gek, ’n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch +ben je n’ aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je +huis gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.”</p> + +<p>„’t Kan niet, waarachtig niet!”</p> + +<p>Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling: +„Kom! ’t is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit +Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.”</p> + +<p>Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: „Ja, +dat’s waar, dt doet ze eenig; maar—van wien heeft u ’t gehoord?”</p> + +<p>„Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van +Pietersen, den souffleur.”</p> + +<p>Walten heeft ’t oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote +zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: „Ja, dat kan wel; +die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was. +’n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!”</p> + +<p>„Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met +een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op +Waltens arm. „Dat pleiziertje doe je me wel, h?”</p> + +<p>„Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—„dat was vroeger; nu +doet ze ’t niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij +me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!”</p> + +<p>„Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol +zei of een fragment en....”</p> + +<p>„Neen! alleen als ze....”</p> + +<p>Mevrouw Groote ziet hem z medelijdend en met een licht hoofdschudden +aan, dat hij onwillekeurig zwijgt.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_63">[63]</a></span> +„Laat me haar toch maar eens zien, Walten!”</p> + +<p>„’t Is zoo’n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo’n hevigen aanval +heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekar; en je <em class="gesperrt">moet</em> ’t kind +haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt, met +zoo’n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....”</p> + +<p>„Wat ’n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel +gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot +in dat kleine gebouwtje „<span xml:lang="fr">de Varits</span>” speelden; ik was toen negentien +en pas bij ’t vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of +zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om +complimenten te maken.”</p> + +<p>„Nu, dan in Godsnaam, omdat u ’t <em class="gesperrt">wil</em>!”</p> + +<hr class="chend" /> + +<h3>IV.</h3> + +<p>’t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want +’t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht +zwaar.</p> + +<p>„Oude heer,” had de Directeur <span xml:lang="de">Schrder</span> hem gezegd, terwijl hij hem +gemoedelijk op den schouder klopte, „ik vertrouw, dat je ’t +verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me, +wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen +teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de +lijst laat aanbieden.” Dit laatste zei <span xml:lang="de">Schrder</span> er bij, omdat hij op +Waltens gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen +hij zoo ondoordacht zei: „Wanneer ze jou zien.”</p> + +<p>’t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar<span class="pagenum"><a id="p_64">[64]</a></span> woorden een +geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder +zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.</p> + +<p>Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook +Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een +fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn +bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. ’t +Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en +verviel; de vermoeienis van ’t loopen bracht er misschien ook nog toe +bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk ’t ook scheen, toch volkomen +geschikt was om medelijden op te wekken.</p> + +<p>De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen +daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van +’t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden +kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke +gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks +blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en +oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat +iets z diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee +hij zijn korte aanspraak bij ’t aanbieden van de benefiet-lijst +begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Over ’t algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn: +„Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”, +bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden. +Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel +dr waar hij die ’t minste verwacht had. Oude goede kennissen, +begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen<span class="pagenum"><a id="p_65">[65]</a></span> blik op Waltens +droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening +op of gaven door een kort: <span class="corr" id="corr42" title="Bron: ">„</span>’k Heb al <span class="smcap">TE VEEL</span> van die dingen aan +de hand” te kennen, dat ze „er niet aan deden”. Een rijk geworden +kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van „de kunst” +te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en +zei: „Wel, wel! ben jij nou Walten?—Manlief, ’t doet me plezier, dat +ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om +jou motte lache, m’n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke +pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn +en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; ’k zal je +maar vooruit betale, want om de duite is ’t toch te doen. Dat ’s nege +rikse, h? Daar heb je een bankie van ƒ25.—; voor dat ne +achterwiel, dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, +hoor!”</p> + +<p>O! ’t was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die ’t hart zoo hoog +droeg, om dt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl +de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met +moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar——’t was vijf en twintig +gulden op eens, en—hij was zoo moe van ’t loopen, van ’t vragen. „’t +Schijnt bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem ’t bloed naar ’t hoofd +schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te +uiten.</p> + +<p>Hier en daar werd hij kortaf met: „Dank je, ik zal er niet van +profiteeren,” afgewezen; ’t deed hem minder smartelijk aan dan de +woordenrijkheid van „den ploert,” die zoo royaal was.</p> + +<p>Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke +stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend, +op zijn vraag antwoordde: „Of<span class="pagenum"><a id="p_66">[66]</a></span> ik op uw benefiet wil teekenen, meneer +Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou ’t u niet vergeven hebben, als u +mij had vergeten, want ik heb u niet vergeten; ’k heb veel genot en +ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog +eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u „De Vrek?” ’n Mooi stuk, +een van uw beste rollen. En den Nikolaas in ’t blijspel „De dochter +van Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dr spits ik +me op. Welke plaatsen heb je nog over? <span xml:lang="fr">Stalles, balcon</span> of <span xml:lang="fr">loge</span>, geef +me maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort +zullen komen.”</p> + +<p>Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede +tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen. +Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand +uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te +gemoet kwam.</p> + +<p>Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts +een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den +vorm van: „Meneer is niet thuis” of: „We houn hier niet van comedie”, +herhaaldelijk ondervond.</p> + +<p>Toch kon hij tevreden zijn, want ’t aantal genomen plaatsen was vrij +aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als +uitverkocht.</p> + +<p>Pietersen liep, zooals hij ’t zelf eigenaardig uitdrukte, „<span xml:lang="fr">en tempte</span>” +de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met +spiritueus genot afwisselde,—„’t hoorde er onvermijdelijk bij”, +beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters +„exploiteerde”,—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden +welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien +hij had binnengehaald.</p> + +<p>Ook aan ’t bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge<span class="pagenum"><a id="p_67">[67]</a></span> van de +aanplakbiljetten, de advertentin in de kranten en een paar +welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en <span xml:lang="de">Schrder</span> hadden +gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den +vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op +den speelavond zelf nog wat publiek „inliep”, er een batig saldo voor +hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot, +voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht +te verzekeren.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat „de rommel” bij +Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder +diezelfde vrouw voorloopig als „gezelschap” bij de ongelukkige Annette +gelaten, omdat zij vond, dat „de stumperd” zoo akelig alleen en +verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan +en had gezegd: „Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis +geweest; ’t is daar een echt treurige boel, veel armoediger en +ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de +handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man +heeft in <em class="gesperrt">zijn</em> tijd voor menigeen wat overgehad.—’t Is waar, hij was +vroeger ’n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo +heeft iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de +lui op, die <span class="smcap">IK</span> ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem +dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een +lauwerkrans gebonden.—Wat dunkt je?”</p> + +<p>„Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel ’n +beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. „Maar hoe is ’t op ’t oogenblik? +Hij heeft een voorschot, h?”</p> + +<p>„Och, beste vrind! ’t was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur +enzoovoort. Maar enfin! dr is al voor gezorgd: ik<span class="pagenum"><a id="p_68">[68]</a></span> heb hem wat +gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij ’t graag aan, zoo’n +beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in +huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me +mee; ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. ’n Mooie vrouw is +’t zeker, ’n goed tooneelfiguur; maar wr dat talent zit, waarvan hij +zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd <span xml:lang="fr">pris</span> geweest van +dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner, +was ’t verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?”</p> + +<p>Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: „Ieder denkt zijn +uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook +niet geschikt om.....”</p> + +<p>„Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. „Je kunt op hem niet +veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen +loopt. Op de repetitie’s was ’t niet om aan te hooren; wezenlijk, <em class="gesperrt">ik</em> +kreeg ’t benauwd voor hem; ’k geloof nooit, dat hij ’t er goed +afbrengt.”</p> + +<p>„Kom! ’t is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij ’t +wel,—hij kent de trucs!”</p> + +<p>„Neen, waarachtig, ’t was brabbelen wat hij deed.”</p> + +<p>„Was ’t z slecht?”</p> + +<p>„Abominabel! Hij is op,—totaal op!”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>„’t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is +gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vr het benefiet +tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">C’est clair, mon Prince!</span>” antwoordt Pietersen, en met een schuinschen +blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: „En is ’t nu wat +beter gegaan op de repetitie?”</p> + +<p>„Hoe bedoel je?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_69">[69]</a></span> +„Wel, zit „De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het boekje, +waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit „De dochter van Dominique” +overhoort, op zijn voorhoofd.</p> + +<p>„Ik geloof ’t wel, maar ’k heb nog altijd last van die duizeligheid, +vooral als ik me inspan bij ’t spelen. Zou dat zwakte zijn?”</p> + +<p>„Misschien?—’t Is ook een zware rol.”</p> + +<p><span class="corr" id="corr43" title="Bron: ">„</span>’k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen +willen er niet goed meer in. Ik begrijp ’t niet: ik kon „De Vrek” +vroeger als mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie +zat ik telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.”</p> + +<p>„Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij ’t boekje opnemend zegt: +„Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel +maar weer „de wacht” geven. ’t Is een echte lachrol, die Nikolaas.”</p> + +<p>„Ja! maar ’t lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin +maar.”</p> + +<p>Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de +souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder ’t +hoofd, zit te souffleeren wat „Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt +hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die +somber voor zich uit ziende, op den rand van ’t bed zit en in hetgeen +in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.</p> + +<p>„Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij +zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.</p> + +<p>„Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende +ochtendjapon.</p> + +<p>„Waarom is die vrouw weg?”</p> + +<p>„Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_70">[70]</a></span> +„Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.”</p> + +<p>„Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?”</p> + +<p>„Niets, <span xml:lang="fr">mon Prince!</span>—St! ze zal ’t in haar hoofd hebben.”</p> + +<p>„Bonst ’t weer in je hoofd, kindlief?”</p> + +<p>„’t Is zoo warm, dr, dr,” en met krampachtig gekromde vingers +grijpt Annette boven op haar kruin.</p> + +<p>„Wil je een doek met water erop hebben?”</p> + +<p>„Neen!”</p> + +<p>„Hindert ’t je, als we spreken?”</p> + +<p>„Neen! maar die muziek buiten wl.”</p> + +<p>„Muziek? Er is geen muziek; ’t is doodstil!—God! Pietersen, ze zal +toch niet weer...?”</p> + +<p>„Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!”</p> + +<p>„Maar lieve Netje, ’t is....”</p> + +<p>„Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.”</p> + +<p>„Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw +Groote je gebracht.—Pietersen! ’t wordt weer mis: wat moet ik +beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.</p> + +<p>„’k Weet het niet, <span xml:lang="fr">mon Directeur!</span> maar ’t is niet in orde met haar, +cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, h?” Pietersen +slaat ’t boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.</p> + +<p>„Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een wilden, +zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en +hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich +angstig aan Walten vast.</p> + +<p>„Als je haar eens ’n klein tikkie cognac liet drinken; wil ’k je de +flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn +breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar +worden.</p> + +<p>Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt<span class="pagenum"><a id="p_71">[71]</a></span> zijn +stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein +meisje was.</p> + +<p>„Kijk! zoo’n half kelkje—<span xml:lang="fr">c’est un tonique!</span>—dat zal ’r waarachtig +goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en +Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt +terugdeinst, bij ’t hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig +snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de +flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.</p> + +<p>Zoo’n proefje smaakt naar meer, en vrdat Walten het bemerkt, heeft +Pietersen ’t restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige +flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even, +veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: „Ze lacht +leelijk van avond; ’t zal een krasse bui worden. Wil ’k ook even naar +den dokter loopen?”</p> + +<p>„Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo +meteen neervalt. Stil! ’t gaat wat over.”</p> + +<p>Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig, +hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en +Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is +genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem +toesnauwt: „Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet +lachen.”</p> + +<p>Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den +souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: „Lach!”</p> + +<p>„Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten.</p> + +<p>Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en +als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders +arm. „Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!”</p> + +<p>Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen<span class="pagenum"><a id="p_72">[72]</a></span> hem uit de +oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij +stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt +half zittend voorover op ’t bed.</p> + +<p>Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als +van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en +glazig de groote oogen, werpt ’t hoofd trots in den nek en zegt op +bevelenden toon: „<em class="gesperrt">Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn hermelijn!</em>”</p> + +<p>Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst: +„Daar is ’t weer! Nu blijft ze z weer den geheelen nacht, misschien +morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen +avond spelen?” Hij huivert en snikt.</p> + +<p>Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch +cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt +glimlachend: „Waar is je alma-viva dan, m’n wijfje?”</p> + +<p>Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend +over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik +tegen zijn lippen.</p> + +<p>Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil +midden in de kamer.</p> + +<p>„<em class="gesperrt">Zet mij de kroon op ’t hoofd en blijf hier naast mij staan!</em>” +Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.</p> + +<p>„Toe! Pietersen, gauw de kroon!”</p> + +<p>„De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook +aan?—Verdijd! daar stoot ik m’n elleboog.—Dat bordpapieren ding is +er niet; ’n mooi l—lorrr!”</p> + +<p>„Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dr, op de latafel; zie je ze +niet? Dr!”</p> + +<p>„Ja, ja! nou zie ’k ze wel; hou je gem—mak, <span xml:lang="fr">mon<span class="pagenum"><a id="p_73">[73]</a></span> P—prince</span>; ik heb ze +al. <span xml:lang="fr">Tout doucem—ment.</span> Z, zet ze op drie haren, sch—oone D—donna.” +En vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.</p> + +<p>„God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb +je...? Je bent bez....”</p> + +<p>„Dronken? Waarachtig niet, m—<span xml:lang="fr">mon Gnral</span>; ’n beetje tipsy maar, +<span xml:lang="fr">legr—re—m—ment mu</span>. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha! +ha! Annette, <span xml:lang="fr">mon—id—le</span>, je zit daar heel leuk. ’n Mooie troon, dat +onopgemaakte mandje!”</p> + +<div class="poem"><div class="stanza"> +<span class="i0">„Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder<br /></span> +<span class="i0">En luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!”<br /></span> +</div></div> + +<p class="noi">declameert de ongelukkige luid en krachtig.</p> + +<p>„Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest +en dan is ze straks niet te houwen.”</p> + +<p>„H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo +naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart, <span xml:lang="fr">r—reine de mon +c—c—coeur?</span>”</p> + +<p>„God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!”</p> + +<p>„H?”</p> + +<p>„Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan +haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet +slapen!”</p> + +<p>„Dokter? Jawel, akkoord, <span xml:lang="fr">mdecin malgr lui, Molire</span>. De cognac was +zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten +van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de +hand van haar vader vasthoudend verder declameert.</p> + +<hr class="chend" /> + +<h3>V.</h3> + +<p>Toen Walten den volgenden avond een half uur vr den aanvang van ’t +stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar<span class="pagenum"><a id="p_74">[74]</a></span> deze bezig was om zich „in ’t +pak te steken”<a id="FNa_1_4" href="#FN_1_4" class="fnanchor" title="Tooneelterm voor costumeeren.">[1]</a> +voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht +genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in ’t hoofd +en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk, +hoe vermoeid en afgemat hij was.</p> + +<p>„Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins +kaptafel neerviel en met ’t hoofd vrovergebogen, de handen slap +langs ’t lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. „Willem, ik kan niet +meer!—Zoo erg heeft Netje ’t nog nooit gehad, en die aanval hield +maar niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, +met haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik +ben dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?”</p> + +<p>Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast +hem zittenden man, lei ’t stuk „vetschmink”, waarmede hij zijn wangen +bestreek, neer en zei: „’t Is verschrikkelijk;” maar toen de oude man +opkeek en hem aanzag, terwijl ’t licht der gasvlam vol op zijn ontdaan +gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: „God! Walten wat +zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je +maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is ’t +uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk, +dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan ’t waarachtig niet +helpen, ik dacht alleen om ’t stuk, en jij zit daar precies, even +verslagen, als Harpagon in ’t derde bedrijf, laatste tooneel.”</p> + +<p>Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: „Ik ken je immers +Willem; je meent ’t goed.”</p> + +<p>„Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek<span class="pagenum"><a id="p_75">[75]</a></span> helpen.—Je +„pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever +aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben z +terug; ’k zal een hartversterking voor je halen.”</p> + +<p>„Och neen! ik kan toch niets gebruiken.”</p> + +<p>„Dat zul je wel!”</p> + +<p>Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok +zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op +den stoel, dien de andere verlaten had.</p> + +<p>Een blik in ’t heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven +glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag +naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en +de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus.</p> + +<p>„Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: „ik heb geen grime noodig.”</p> + +<p>Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met +een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon +langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in +den spiegel vr hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn +beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de +tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn +wangen biggelen, hij zag ze n ondeelbaar oogenblik in den spiegel +weerkaatst en hij wischte ze niet af. ’t Kwam hem voor alsof hij in +dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch ’t +zijne was; ’t scheen hem als hoorde hij een stem, die hem +toefluisterde: „Die man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel +van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer +terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en +vervallen terug te vinden.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_76">[76]</a></span> +Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons +kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken +viel hem moeielijk; ’t bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een +donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk ’t hoofd weer +ophief en rondzag.</p> + +<p>„’k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei +hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze +haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren +streek. „Maar komaan, ’t is eenmaal de traditie z!” Hij zette de +pruik op en „schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van +huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar +zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn +wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige +wangen. „’k Ben sedert drie dagen niet geschoren. ’k Heb ’t glad +vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel +wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: „’t Past nu goed in de rol; +hum! ik zal....”</p> + +<p>„Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu +eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein +hem een glas melk met geklutste eieren voor.</p> + +<p>„Je bent toch een goeie kerel, Willem!”</p> + +<p>„Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar n lepel rum +in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.”</p> + +<p>Onder ’t drinken even ophoudend, zei Walten: „Ik kan ’t haast niet +inkrijgen; ’t is alsof ik ’n stuk in mijn keel heb, dat ’k niet +doorslikken kan.”</p> + +<p>„Kom, kom! allemaal gekheid! ’t Moet erin.”</p> + +<p>„Heelemaal?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_77">[77]</a></span> +„Achter elkaar, anders helpt ’t niet. Z! Je zult eens zien, hoe je +daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je +heelemaal. ’k Heb zoo’n voorgevoel, dat je van avond een succes zult +hebben.”</p> + +<p>Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar ’t goede hart, dat hij +zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. „Hum!” ging hij +voort, „ik heb van morgen nog van <span xml:lang="de">Schrder</span> gedaan weten te krijgen, +dat de souffleur vanavond vrijaf heeft.”</p> + +<p>„Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een +ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend +bijvoegde: „We spelen „De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven, +zonder scherm neer en we zijn z rolvast, dat....”</p> + +<p>„H, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend.</p> + +<p>„En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl hij +„Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij: +„Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—’k ben van jou +school, papa Walten—maar ik heb van <span xml:lang="de">Schrder</span> gedaan gekregen, dat +Pietersen van avond souffleert.”</p> + +<p>„Pietersen?”</p> + +<p>„Ja! ’k Heb ’t om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en +ik dacht....”</p> + +<p>„Dank je, Willem! Ja, ’t is waar—’k heb hm liever als dien anderen; +hij kent me beter. Maar.... zeg?”</p> + +<p>„Wat?”</p> + +<p>„Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles +gedaan is?”</p> + +<p>„’t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!”</p> + +<p>„Daar wordt geklopt, Hostein.”</p> + +<p>„Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes +vriendelijke stem.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_78">[78]</a></span>„Entrez!”</p> + +<p>Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer +in en wendde zich tot Walten, met de woorden: „’k Wou eens even komen +kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat ’t +weer mis is bij je thuis. ’n Ellendige historie voor je, arme vent! En +is ze nu alleen?”</p> + +<p>„Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.” +fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe.</p> + +<p>„Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?”</p> + +<p>„Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.”</p> + +<p>„O!—En?”</p> + +<p>„Die blijft totdat ik terugkom van avond.”</p> + +<p>„Goed!—Jongens, jongens! wat ’n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je +nog eens goed, h? Heb je al door ’t scherm gekeken? ’t Is stampvol. +De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je +nu van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! „Heb ik +me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, ’k doe ’t voor +jou; anders speelde ik „de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed, +hoor!—Heb je vandaag nog kunnen leeren?”</p> + +<p>„Ik?—Groote God! wat ’n vraag!”</p> + +<p>„Och, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar +hengelen,<a id="FNa_2_5" href="#FN_2_5" class="fnanchor" title="Op den souffleur spelen.">[2]</a> +ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd, +maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst +en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag +uitdrukte: „Hoe zal dat afloopen?”</p> + +<p>„’k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte +Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en<span class="pagenum"><a id="p_79">[79]</a></span> met een lichten +schrik de stem van den inspicint vernam, die, in de gang tusschen de +kleedkamers loopend, riep: „Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den +aanvang!”</p> + +<p>Vr het gewone: „<em class="gesperrt">van ’t tooneel</em>” en „<em class="gesperrt">aan ’t gordijn!</em>” van den +inspicint weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even +de hand, klopte hem op den schouder en zei: „Wees nu maar kalm en +bedaard. Hoe is ’t mogelijk, dat je z zenuwachtig kunt wezen, zoo’n +ouwe „troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan ’t eind +van ’t tweede bedrijf bij je „sortie” nog even ’t hoofd om de deur +steekt, om me „<em class="gesperrt">tot wederziens</em>” toe te roepen; dan kan ik beter mijn +claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de +verte toeroep:</p> + +<p>„<em class="gesperrt">Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!</em>”—Denk er +asjeblieft om, want op de repititie heb je ’t telkens vergeten. En nu: +goed succes.—O ja! nog iets, in ’t vierde bedrijf, wanneer ik dat +gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik „af” moet, nog even +terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je z met je hand,—je +maakt zoo’n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een +woedend gezicht en maak nog een nijdige „dienaresse”; daar heeft ’t +publiek pret in, begrijp je? ’t Is anders zoo’n ellendige „sortie”, +z mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar +komt; en ik <em class="gesperrt">wil</em> applaus hebben van avond, alln omdat Andre ’t +bepaald <em class="gesperrt">niet</em> krijgt in haar rol als Elize.—’t Verwondert me nog, dat +ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen, +vat je?”</p> + +<p>Daar klonk op eens het schelletje en de roep „Halen!” ’t Scherm ging +omhoog en ’t stuk was begonnen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>’t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het „schellinkie” en „de +tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudige<span class="pagenum"><a id="p_80">[80]</a></span> titel van het stuk „De +Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet +afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren.</p> + +<p>Misschien ook heeft Waltens naam op ’t affiche—men had hem immers +vroeger, toen hij nog in zijn kermistent „alles” speelde, zoowel in +„Rolla”, als in „de komiekigheid” bewonderd—er ’t meest toe +bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten.</p> + +<p>Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de +spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde +tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem +moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de +hand van den inspicint op zijn schouder en hoort hij zich +toefluisteren: „Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk +aan u.”</p> + +<p>’t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt +zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat +en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter +de schermen moet spreken, pakt „Laflche”, die naast hem wacht, bij +den schouder, duwt hem vr zich uit op het tooneel en—dan draait en +duizelt alles hem voor de oogen.</p> + +<p>Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de +woorden: „<em class="gesperrt">Voort! ’t huis uit, zonder tegenspraak, op ’t oogenblik, +voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!</em>” waarmee zijn rol +begint in het <span class="corr" id="corr44" title="Bron: aplaudissement">applaudissement</span> en bravo-geroep, dat +hem verwelkomt, verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe +heesch en schor zijn geluid reeds is bij dien eersten volzin.</p> + +<p>Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare +handen op ’t tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor +gezorgd, omdat zij meende:<span class="pagenum"><a id="p_81">[81]</a></span> „’t Zal den ouwen stumperd een riem onder +’t hart steken, als hij goed wordt ontvangen.”</p> + +<p>Het „Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt +hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor +zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich +eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor ’t +publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige „St! +St’s” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot +de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op, +ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en +voor eenige <span class="corr" id="corr45" title="Bron: oogenblikben">oogenblikken</span> vergeet hij alles, alles! +ook zijn ellende; de artist in hem wordt wakker—hij is „Harpagon de +Vrek!”</p> + +<p>Het tooneel met Laflche, waarin hij diens handen en zakken +onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en +als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met +grappige verwondering uitroept:</p> + +<p>„<em class="gesperrt">Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen zijn +’t; de politie moest zulke zakken verbieden,</em>”</p> + +<p>Gaat er een luid gelach op uit ’t <span xml:lang="fr">parterre</span>.</p> + +<p>„Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw +haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het +hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: „Ja, maar hij spreekt toch +erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je ’m niet.”</p> + +<p>„Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch +dadelijk „den artist”<span class="corr" id="corr46" title="Bron: ">”</span>, +zegt in de <span xml:lang="fr">stalles</span> de verslaggever van +een der bladen tot de naast hem zittende dame, die haar <span xml:lang="fr">binocle</span> aan de +oogen brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend +antwoordt<span class="pagenum"><a id="p_82">[82]</a></span></p> + +<p>„’t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog +z natuurlijk, bepaald alsof ’t geheel en al zijn eigen gezicht is. +Kijkt u zelf maar eens, meneer!”</p> + +<p>„’k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe +tooneelrot”, zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die +naast haar staande, achter „den manteau +d’arlequin”<a id="FNa_3_6" href="#FN_3_6" class="fnanchor" title="De draperie, die vr de zijschermen geplaatst is.">[3]</a> +verborgen, evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat.</p> + +<p>„’t Valt me geducht mee”, antwoordt <span xml:lang="de">Schrder</span> en klapt met zijn +rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij +Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch +gezegde woorden: „<em class="gesperrt">Wat ’n juweel van ’n knecht!—’n Gelukkig mensch, +die er z een heeft en z goedkoop.</em>”</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> +<p><a id="FN_1_4" href="#FNa_1_4"><span class="label">[1]</span></a> Tooneelterm voor costumeeren.</p> + +<p><a id="FN_2_5" href="#FNa_2_5"><span class="label">[2]</span></a> Op den souffleur spelen.</p> + +<p><a id="FN_3_6" href="#FNa_3_6"><span class="label">[3]</span></a> De draperie, die vr de zijschermen geplaatst is.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<h3>VI.</h3> + +<p>In ’t derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant +niet meer voort kan. Uit de <span xml:lang="fr">loges</span> en <span xml:lang="fr">stalles</span> ziet menig vriend van +vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: „Hij is +totaal op, mr dan op” en van „’t Schellinkie” klinkt nu en dan een +afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor +hun geld.</p> + +<p>„Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met +minder toegefelijkheid dan ’t overige publiek, opmerkt, dat +Walten zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten.<span class="pagenum"><a id="p_83">[83]</a></span></p> + +<p>Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem, +zooals men dat noemt, „er door te sleepen”, ’t baat niet; hij raakt +hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet +meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in ’t geheel niet +meer wat hij zeggen moet.</p> + +<p>Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de +tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een +vergefelijk iets voor iemand van haar talent en +temperament—eenigszins knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten +geheel en al vergeet, haar aan ’t einde van dat tooneel terug te +roepen. Daardoor mist zij het applausje dat zij begeert en zegt zij in +zich zelf: „’t Is een treurige boel,—’k heb geen lust om er verder +naar te zien.”</p> + +<p>In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten +tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor +hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en +trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken +worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend:</p> + +<p>„<em class="gesperrt">Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben +bestolen!</em>” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt +het tooneel op.</p> + +<p>Hij moet nu de groote scne spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot +de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn +schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen +wil om den schuldige te ontdekken.</p> + +<p>Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer +over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht +hij dr hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: „<em class="gesperrt">Ik ben bestolen. +Wie heeft<span class="pagenum"><a id="p_84">[84]</a></span> mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om +den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of ’k mezelf +pakken moet of een ander en....</em>” Plotseling blijft hij stokstijf +stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan +zwijgend, strak op n punt starend, vr zich uit, even als iemand +die door een hevigen schrik bevangen wordt.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>„Dat speelt hij waarlijk niet slecht; ’t is wel een zonderlinge +opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends +in” zegt fluisterend een dame in ’t <span xml:lang="fr">balcon</span> tot een heer naast haar, +die even zachtjes antwoordt: „Ik geloof bepaald dat hij blijft steken, +mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.”</p> + +<p>„Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot +Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de +woorden souffleert: „<em class="gesperrt">nu is het uit met mij; uit, gedaan!</em>”</p> + +<p><span class="corr" id="corr47" title="Bron: ">„</span>’t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man +is de kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met +wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts +doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op +smartelijken toon herhaalt. „<em class="gesperrt">Nu is het uit met mij.</em>”</p> + +<p>„Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan ’t niet langer +aanzien, dt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de +medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op +haar programma blijft kijken.</p> + +<p>Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van ’t +hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.</p> + +<p>„Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van „’t schellinkie” iemand die, in +die akelig wanhopende beweging „spel” meent<span class="pagenum"><a id="p_85">[85]</a></span> te zien en als Walten +nogmaals dof en droevig herhaalt: „<em class="gesperrt">uit! uit!</em>” klinken zelfs een paar +bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.</p> + +<p>’t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en ’t komt zoo in de rol +te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de +ontdekking dat ’t zuiver „natuur” is wat het aanschouwt.</p> + +<p>Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in ’t +souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor +’t hoofd.</p> + +<p>’t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes +zegt hij: „<span xml:lang="fr">Enfonc mon Directeur</span>” en, zich zoo ver mogelijk +oprichtend, roept hij, halfluid: „Walten! Walten! luister dan +toch:—<em class="gesperrt">mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat ’t weg +is</em>—alles is weg!”</p> + +<p>„<em class="gesperrt">Weg! alles is weg!</em>” herhaalt de oude man en als versteend blijft hij +staan, vlak voor ’t voetlicht; hij beeft aan alle leden.</p> + +<p>Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit +<span xml:lang="fr">Balcons, Stalles</span> en <span xml:lang="fr">Loges</span> en andere rangen gaat een toon van +medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.</p> + +<p>’t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die, +wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat, +allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend +uitroept: „ik ben alles kwijt, alles vergeten!”</p> + +<p>„Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een +beschonkene heen en weder.</p> + +<p>„Hij is vet”, roept er een van ’t „schellinkie.”</p> + +<p>„Hij heit ’em om, hoor!” gilt een ander.</p> + +<p>Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal +opent hij den mond, rukt met de linkerhand<span class="pagenum"><a id="p_86">[86]</a></span> zijn halsdoek af, slaat +zich met de pruik herhaaldelijk in ’t gelaat en is op het punt van +neer te vallen op ’t tooneel.</p> + +<p>De muzikanten staan op in ’t orchest, en rekken de halzen uit om te +zien wt er gebeurt, in de <span xml:lang="fr">Stalles</span> rijst hier en daar een toeschouwer +op en uit <span class="corr" id="corr48" title="Bron: Balkons" xml:lang="fr">Balcons</span>, <span xml:lang="fr">Parterre</span> en +<span class="corr" id="corr49" title="Bron: Loge’s" xml:lang="fr">Loges</span> klinkt een verward gefluister. +’t Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle +toeschouwers komt—’t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder +gebeuren zal.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>„Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige stem +een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog +juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem +onder de armen vast te houden en van ’t tooneel te brengen.</p> + +<p>Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts, +met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen „den +beneficiant”, die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en +verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflche aangebracht, +is nergevallen.</p> + +<p>Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand, +krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen, +vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze +haren die zijn kruin bedekken.</p> + +<p>„Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, ’t is het sein voor ’t +begin van ’t 5<sup>e</sup> bedrijf, dat door den inspicint van uit de +regiekamer wordt gegeven.</p> + +<p>„God! ’t vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar +valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen +voor de oogen slaat.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_87">[87]</a></span> +„Klaar voor ’t vijfde?” roept een stem uit de verte.</p> + +<p>„Neen! neen!” schreeuwt <span class="corr" id="corr50" title="Bron: Laflche">Laflche</span> terug. „’t Doek moet +vallen, roep den inspicint!”</p> + +<p>Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw +begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het +hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn +omgeving.</p> + +<p>Als ’t beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar +te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten +met onverschillige, oogen aanstaren.</p> + +<p>Hostein, <span xml:lang="de">Schrder</span> en de rgisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld +en allen vragen doorn: „Wat is er? Wat is er gebeurd?”</p> + +<p>Er heerscht op ’t tooneel een verwarring, die zich allengs verder +uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspicint komt haastig +aanloopen, terwijl hij vraagt: „Is er iets niet in orde?”</p> + +<p>„Laat ’t scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu +hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als +vernietigd.</p> + +<p>„Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert +Laflche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: „Doek vallen, +dadelijk! En ’t orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan +worden!”</p> + +<p>„Hij was niet meer te redden,” fluistert <span class="corr" id="corr51" title="Bron: Laflche">Laflche</span>, zijn +plaats bij Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, +die haastig, in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen +aansnellen.</p> + +<p>„Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg ’t mij maar? Stumperd, snik +zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet +rusten.</p> + +<p>Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon<span class="pagenum"><a id="p_88">[88]</a></span> van +mevrouw Grootes stem. „Kom!” herhaalt zij, „huil zoo niet, ouwe vrind; +kom ’t zal wel zoo erg niet wezen.”</p> + +<p>„Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man +zijn armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, +zenuwachtig schokkend, heen en weer.</p> + +<p>„Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu +ook nog gebeuren op je ouwen dag?”</p> + +<p>„O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een +verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen, +applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.</p> + +<p>„Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de Directeur. +„Hoor ’t publiek eens aangaan.”</p> + +<p>Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt.</p> + +<p>Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw +Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: „Luister er maar +niet naar, m’n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, h? +Maar ’t kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.”</p> + +<p>Plotseling richt Walten zich op. „’k Moet ’t toch uit—spelen—ik +moet, ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles +is weg!”</p> + +<p>„Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je +weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—„Luister!—Hostein is voor +’t voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door +een plotselinge ongesteldheid bent overvallen, ’t gevolg van treurige +familieomstandigheden.—Hoor! nou <span class="corr" id="corr52" title="Bron: applaudiseeren">applaudisseeren</span> ze heel zachtjes. +Zie je, dat wil zeggen: Och! dat’s ongelukkig. Neen, hou nou op met +schreien, dt kan ik niet zien. Och! ’t is zoo erg niet, Walten, zoo +iets is immers wel meer gebeurd.”</p> + +<p>„Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de +handen voor ’t gelaat.<span class="corr" id="corr53" title="Bron: ”"></span></p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_89">[89]</a></span> +De Directeur neemt met Hostein en den rgisseur in allerijl +maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere +acteurs, die toevallig +achter<a id="FNa_1_7" href="#FN_1_7" class="fnanchor" title="Achter de schermen aanwezig.">[1]</a> is +en de rol van „De Vrek” kent, +verklaart zich oogenblikkelijk bereid „Harpagon” verder te spelen.</p> + +<p>In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als ’t gaat gecostumeerd en +gegrimeerd, en vrdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze +doen of laten moeten, wordt ’t laatste bedrijf afgespeeld.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>’t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had „de annonce” met een +gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate +voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig +bijvalsbetoon aan ’t eind van ’t stuk den Directeur aanleiding gaf om +tot den rgisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler +aanzag, te zeggen: „Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik +dacht; we zullen hem in de volgende maand „De Vrek” eens geheel en al +laten spelen.”</p> + +<p>Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den +Schouwburg, want een nastukje met „n gelezen +rol<a id="FNa_2_8" href="#FN_2_8" class="fnanchor" title="Iemand die de ontbrekende rol voorleest.">[2]</a><span class="corr" id="corr54" title="Bron: ">”</span> er in, +is niet aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van +mevrouw Groote, die de „Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was +niet voldoende om het blijspel te redden.</p> + +<p>Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en +mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij +waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.</p> + +<p>„Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen”, zei <span xml:lang="de">Schrder</span>,<span class="pagenum"><a id="p_90">[90]</a></span> en Hostein +voegde er met een weemoedigen blik bij: „Wat ’n eind voor ’n artist; +’t is om ’t te besterven!”</p> + +<p>„Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. „We +hadden nog z ons best gedaan bij de vrinden; ’t zou zoo’n aardige +kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, h, +<span xml:lang="de">Schrder</span>?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en +vroeg toen aan Hostein: „Zou je ’t couvert er maar niet zoolang +afnemen. Er zit ’n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij +mekar geklopt.”</p> + +<p>„Geef maar hier Hostein, dan zal ik ’t zoolang in mijn brandkast +sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen +den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans +en ’t couvert te geven, h?—’n Kleine troost voor zoo’n grooten val! +<span xml:lang="fr">A propos</span>, wie heeft den ouden man thuis gebracht?”</p> + +<p>„Een van de tooneelknechts.”</p> + +<p>„O, Zoo!”</p> + +<p>„Waarom deed jij zelf ’t niet even Hostein?”</p> + +<p><span class="corr" id="corr55" title="Bron: ">„</span>M’n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; ’t was hier +zoo’n eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in +mijn kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes +uitgeknepen.<span class="corr" id="corr56" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,’k moest me kleeden voor +’t nastukje.—Wou de stakkerd z heengaan? Och?”</p> + +<p>„Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, ’k heb gauw een +vigelant laten halen en hem een van de knechts megegeven, om zeker te +zijn dat hij goed thuis kwam.”</p> + +<p>„Zei hij nog wat Hostein?”</p> + +<p>„Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.”</p> + +<p>„Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, <span xml:lang="de">Schrder</span>.”</p> + +<p>„Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als ’t hem<span class="pagenum"><a id="p_91">[91]</a></span> troosten kan, +dat ik, globaal berekend, behalve ’t voorschot dat hij ontving, een +zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden +die jelui hebt, is ’t toch een kleine achthonderd, die hij in ’t +handje krijgt; dr kan hij zijn dochter een heele poos voor in +behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man +in ’s hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! ’t Zal +wer opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.”</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> +<p><a id="FN_1_7" href="#FNa_1_7"><span class="label">[1]</span></a> Achter de schermen aanwezig.</p> + +<p><a id="FN_2_8" href="#FNa_2_8"><span class="label">[2]</span></a> Iemand die de ontbrekende rol voorleest.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<h3>VII.</h3> + +<p>De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In ’t oosten +kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in +strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette +wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn +en leven.</p> + +<p>Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht +en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg +zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen +vergaan.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de +gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over ’t bed, waarop +Annette in diepen slaap verzonken ligt.</p> + +<p>Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen +aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en +herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.</p> + +<p>Voor ’t bed geknield, met het hoofd vrover op de<span class="pagenum"><a id="p_92">[92]</a></span> armen rustend, +ligt Walten, nog in ’t kostuum van den „vrek”, onbewegelijk stil. +Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er +niet van.</p> + +<p>De zon komt hooger, ’t wordt al lichter en lichter; de schoone, +frissche, vroolijke wintermorgen is dr. Een heldere zonnestraal +verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze +hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en +glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze +een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar +bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t’huiskomst, in +der haast neergeworpen.</p> + +<p>Z was het ook.</p> + +<p>Terwijl alles op ’t tooneel in rep en roep was en Walten alleen in +<span class="corr" id="corr57" title="Bron: Hostein’s">Hosteins</span> kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar +het hoofd, dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in +vuur en hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart +onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, ’t klamme +zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een +krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte. +Slechts n gedachte kon hij in zijn brein verwerken: „Hij, Walten! de +eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor +altijd!<span class="corr" id="corr58" title="Bron: ">”</span> Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor ’t +hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den +schouwburg verlaten.</p> + +<p>Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet +alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij ’t +eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem +de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een „van +harte ’t beste meheer Walten!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_93">[93]</a></span> +Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.</p> + +<p>De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar +zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met +olie brandend, op tafel stond.</p> + +<p>Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem +lodderig aan en vroeg: „Is uwes daar; veel pleizier gehad?”</p> + +<p>Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit +de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: „Je kunt—wel +heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij +schaamde zich voor die vrouw!</p> + +<p>Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn +overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen +bleef hij een oogenblik gebogen staan over ’t bed, kuste zijn dochter +zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de +knien voor ’t ledikant.</p> + +<p>„Morgen heb ik toch ’t geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte zijn +brandende oogen tegen haar op ’t dek rustende hand.</p> + +<p>Een poos bleef hij z in die houding, roerloos en stil, maar +eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee, +drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe +vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.</p> + +<p>Z bleef hij liggen.</p> + +<p>’t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in ’t glas +was verbrand, ’t pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en +streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het, +met een zwakken werschijn, van de opflikkerende vlam, door ’t +vertrek—en toen ging ’t uit.</p> + +<p>Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in<span class="pagenum"><a id="p_94">[94]</a></span> de kamer; +hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te +hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.</p> + +<p>„Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in ’t duister met +haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even +aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: „Slaap je, vader?”</p> + +<p>Geen antwoord.</p> + +<p>„Och! hij slaapt<span class="corr" id="corr59" title="Bron: ">,</span>” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich +om en dommelde weer in.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>„Niet ankomme! M’n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de +polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat ’n geval,” roept juffrouw +Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren +in Waltens kamer staat bij ’t bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk +in dezelfde houding, ligt.</p> + +<p>’t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot +in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de +werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast, +met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar +bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.<span class="corr" id="corr60" title="Bron: ”"></span></p> + +<p>„Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel ’n kouwe voete krijge,” zegt +een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt +Netjes voeten daarin, met de woorden: „Hoe kan je zoo’n schepsel nou +z op ’n stoel zetten?<span class="corr" id="corr61" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„’k Was al blij, dat ze zat; ’t was me ook een geschiedenis,” +antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: „Zit je z +goed, kind?”</p> + +<p>„Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe, dat +<span class="corr" id="corr62" title="Bron: e">ie</span>....”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_95">[95]</a></span> +„Blijf jelui nou toch met je handen van ’m af! Hij mot blijve legge +zoo as ie leit, anders heb je ’r gedoe mee. Is er nou al iemand om de +polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters.</p> + +<p>„Jawel! Pieterse haalt ’n agent,” antwoordt de werkster.</p> + +<p>„<span class="corr" id="corr63" title="Bron: Zouen">Zoun</span> we +den stakkerd toch maar niet liever op ’t bed legge of op ’n +stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept +dadelijk: „Hoor die dikke nou? Wel nee! da’s teugens de wet!”</p> + +<p>„Maar ’k zou toch zeggen, dat....”</p> + +<p>„Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed z. Groote Goedheid! de +schrik zit me nog in me <span class="corr" id="corr64" title="Bron: knien">knien</span>.” Juffrouw Daters gaat even +op een stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig +toekijken: <span class="corr" id="corr65" title="Bron: ">„</span>Wat zeg jelui er wel van? Wat ken ’n mensch er toch +gauw uit weze!”</p> + +<p>Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en +daardoor onverstaanbaar, geven ’t antwoord op juffrouw Daters’ vraag.</p> + +<p>„Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die +mooigheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die +doodkalm antwoord: „’t Is wat moois, ’t lijkt wel niks.”</p> + +<p><span class="corr" id="corr66" title="Bron: ">„</span>O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling +bij de deur.</p> + +<p>De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet +gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend, +duwend en vloekend op de trap en in ’t portaal verdringen, komen de +kamer in.</p> + +<p>„Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen.</p> + +<p>„Wat is hier te doen?” vraagt de politieman.</p> + +<p>„<span class="corr" id="corr67" title="Bron: ">’</span>n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig +voegt zij er bij: „Z morsdood naast ’t bed gevonde<span class="pagenum"><a id="p_96">[96]</a></span> bij dat gekke +mensch; we binne d’r niet n geweest; hij leit nog net persies as ie +lei.”</p> + +<p>„Hoe lang ben jelui hier al?”</p> + +<p>„’n Groot kertier, meheer!”</p> + +<p>„En heb jelui dien man z laten liggen?”</p> + +<p>„We hebben d’r geen hand an gehad!”</p> + +<p>„Dat’s dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!”</p> + +<p>„Niet? Nou, as ’n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer +staat. „’k Heb ’m evetjes over z’n hoofd gevoeld en an z’n hande +gepakt: hij is al koud en stijf.”</p> + +<p>„Allo! pak eens me aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar +anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op ’t +bed neer te leggen.</p> + +<p>„Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas, terwijl +hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt, +terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen.</p> + +<p>„Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn +gezicht vrij.”</p> + +<p>„Hij is dood, meheer de agent, ’k versikureer ’t je. ’k Heb zooveel +dooien gezien van m’n leven.<span class="corr" id="corr68" title="Bron: ”"></span> Dek z’n gezicht maar +gerust toe,” antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van ’t +laken over ’t gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten +oogleden, nu ’t volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige +uitdrukking krijgt, door ’t „schmink” en de onafgewasschen +grimeerlijnen.</p> + +<p>„Wat ziet ie er raar uit: z’n gezicht is beschilderd!” roept er een +uit den hoop.</p> + +<p>„Wie is ’t?” vraagt de agent.</p> + +<p>„Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas. +„Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van +Annette staande, zwijgend toekijkt, „zeg! jij zelt er wel ’t fijne van +weten?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_97">[97]</a></span> +„’k Zal ’t uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en tot +een van de buren gewend: „Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik +zeggen wat ’r gebeurd is.”</p> + +<p>„Wie ben jij?”</p> + +<p>„Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die +vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou +nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had +z’n benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin ’r nog besturve +van; zoo’n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo +sebiet is toch....”</p> + +<p>„Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat +’r gebeurd is.”</p> + +<p>Niemand verroert zich, want allen willen hooren „hoe ’t geval +eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: „Allo, gauw!” en +een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: „Ga jij +dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.”</p> + +<p>Brommend verwijdert zich de man.</p> + +<p>„En nou verder. Hoe heet jij?”</p> + +<p>„Ikke? Grietje Bruin!”</p> + +<p>De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt +zij angstig: „Ik kan d’r toch geen kwaad bij?”</p> + +<p>„Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor ’t +proces-verbaal.”</p> + +<p>„’k Weet van die dinge niet af, want ’k bin ’n fatsoenlijke vrouw, +ziet uwee, en ik zal met ’n woord van waarachtigheid getuige wat ’k +gezien heb.”</p> + +<p>„Vooruit dan, vrouwtje!”</p> + +<p>„Van morgen was ik ’n beetje later dan anders, ’k heb zelf nog ’n +huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges ’n uur of twalef, en ik +dacht ook zoo bij m’n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest +van z’n benefiesie en zal<span class="pagenum"><a id="p_98">[98]</a></span> misschien ’n glaassie wijn gedronke hebbe: +hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig +gelijk met Pietersen, hier voor de deur.”</p> + +<p>„Ho! Pietersen, wie is dat?”</p> + +<p>„Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw +Daters, en juffrouw <span class="corr" id="corr69" title="Bron: Jalink">Jaling</span> voegt er bij: „Hij is ’n +mirakel van ’n vent, ’n sefleur, en....”</p> + +<p>„Stilte! laat die vrouw verder vertellen.”</p> + +<p>„Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m’n drie +gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was ’t mooi? zeg ik +zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? ’t Was ’n... Nou, toen +zei ie ’n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie +wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt +hij an. Ook geen antwoord. ’k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was +niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei +sliepe.—’k Vond ’t wel raar, dat ie nog z in z’n konstuum lei, maar +ik dacht er niks niet bij.”</p> + +<p>„Verder!”</p> + +<p>„Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, ’t is twalef uur. Maar zij +werd er wakker van, en hij niet; zij was wer zoo wat bij d’r +posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen +aassem meer gaf, op wat we zei. Pieterse mork ’t ’t eerst en zei weer +wat op z’n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit +z’n lije. Z’n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik +natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo +koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dr gaan zitte en dr zit +ze nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide ’t raam ope, om de bure +te roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.”</p> + +<p>„Zoo! en waar is die man dan nu?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_99">[99]</a></span> +„Da’ kan ’k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid +weggeloope, of uit z’n eige zelve naar ’n dokter gegaan.—Pieterse is +nogal gevat, weet u?”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward +gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: „Menschen, +gaat wat op zij; daar komt ’n dokter an. Laat de heeren passeeren!”</p> + +<p>Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan +onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te +snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te +gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn +koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.</p> + +<p>Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat ’t bed nadert, +waarop Walten is nergelegd.</p> + +<p>„Hou jelui stil—St!—’t is de dokter”, zeggen fluisterend eenige +buren.</p> + +<p>Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant +staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te +hebben geworpen, kortaf zegt: „Dood?”</p> + +<p>Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van +spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk +haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik +op den „Harpagon” van gisteren neerziet:</p> + +<p>„Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien +overleden.”</p> + +<p>„Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich de +tranen van de wangen.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_100">[100]</a></span> +„’k Vermoed een plotselinge stilstand van ’t hart, hij heeft <span class="smcap">NIET</span> +geleden.”</p> + +<p>„Niet geleden? O, dokter! dr zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt +zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud +voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over +het gelaat van den doode legt, zegt ze wemoedig zacht:</p> + +<p>„<em class="gesperrt">Hij is op ’t veld van eer in ’t harrenas +gestorven.</em>”<a id="FNa_1_9" href="#FN_1_9" class="fnanchor" title="Vondel, Gijsbrecht.">[1]</a></p> + +<p>—„Arme ouwe vrind!”</p> + +<p>Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt +langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig +naar den doode en fluistert: „Den krans van gisterenavond zullen we nu +toch nog voor je gebruiken, <span xml:lang="de">mon pauvre Prince, Adieu!</span> En luider vraagt +hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op +Annette—worden?”</p> + +<p>„Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen +zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand +op ’t lijk—„hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.”</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> +<p><a id="FN_1_9" href="#FNa_1_9"><span class="label">[1]</span></a> Vondel, Gijsbrecht.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_101">[101]</a></span></p> + +<h2 class="verhaal"><a id="EEN_MASSAGEKUUR"></a>EEN MASSAGEKUUR.</h2> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_102">[102]</a></span><br /> +<span class="pagenum"><a id="p_103">[103]</a></span></p> + +<h2>EEN MASSAGEKUUR.</h2> + +<hr class="chbegin" /> + +<h3>I.</h3> + +<p><span xml:lang="de">Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrck</span> was met een tamelijk goed +pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den +Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente +„<span xml:lang="de">Frau Gemahlin</span>” en zijn „<span xml:lang="de">Frulein Tochter</span>,” een spichtige, +achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen +eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien +mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn +pijnlijke kwaal te vinden.</p> + +<p>Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den +„<span xml:lang="de">Kochbrunnen</span>” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een +oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een +„<span class="corr" id="corr70" title="Bron: Himmel-donnerwetter" xml:lang="de">Himmeldonnerwetter</span>” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende +onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op +den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een +stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige +verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vrdat de klok +in de <span xml:lang="de">Kurhalle</span> acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en +Beiersch<span class="pagenum"><a id="p_104">[104]</a></span> bier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas +warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere +teug de woorden: „<span xml:lang="de">Grsslich,” „Abscheulich</span>” of „<span xml:lang="de">Verdammtes Zeug</span>” te +doen hooren.</p> + +<p>Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop +koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo’s aan +gewicht te verliezen; en „<span xml:lang="de">Frulein Tochter</span>” slurpte met een paar +bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat, +omdat zij wel eens had gehoord, dat ’t Wiesbadener water dikker maakte +en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte.</p> + +<p>’t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte, +want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na ’t +gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen +bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan +naar de beroemde <span xml:lang="fr">table-d’hte</span> in ’t Htel <span xml:lang="de">Dahlheim</span>. Met een zucht van +verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig +welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden +neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van +allerlei spijs en gebraad.</p> + +<p>Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden „Htel +<span xml:lang="de">Garni</span>”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table +d’hte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer +uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per +hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was ’t dan ook maar +om den htelier de eer te geven die hem toekwam.</p> + +<p>Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige +jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte +en gebraden spijs. Papa, die<span class="pagenum"><a id="p_105">[105]</a></span> waarschijnlijk het geldelijke evenwicht +voor den htelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en +verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend +voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje +uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte, +dat „<span xml:lang="de">der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der +Kanone teufelmssig, niedertrchtig gemeines Zeug</span>” was.</p> + +<p>Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap +met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden <span xml:lang="fr">Bourgogne</span> en +geholpen door een <span xml:lang="de">Hochheimer</span>-<span xml:lang="fr">mousseux</span>, waarvan Mama en dochter echter +ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die +beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met <span xml:lang="fr">Nuits, Chteau la +Rose</span> of <span xml:lang="de">Johannisberger</span>, die hem na ’t diner steeds een hoogere +gelaatskleur, een slaapje en bij ’t ontwaken een knorrige luim +bezorgden.</p> + +<p>’t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor ’t in- en +uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van +zijn vrienden <span xml:lang="fr">Bourgogne</span> en Rijnwijn, om weerom te komen, niet +weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien <span xml:lang="fr">table d’hte</span>, op +een morgen in zijn kamer „als een blok” in zijn stoel en met zijn hand +op de heup te kermen.</p> + +<p>Een dag later brulde en tierde hij z geweldig, dat Mama uit +medelijden tranen met tuiten huilde en <span xml:lang="de">Frulein Tochter</span> het op haar +zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van +haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg +onfatsoenlijk te vinden.</p> + +<p>„<span xml:lang="de">Himmelhllenhund Sakrement!</span> dat’s te erg. <span xml:lang="de">Schwefelelement!</span> laat een +dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor +zijn bataillon.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_106">[106]</a></span> +„Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw.</p> + +<p>„’t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo’n ouwen pruik, +zoo’n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een +specialiteit heb... <span xml:lang="de">Au! Schwerenoth!</span> ’k word nog gek van de pijn. O, +<span xml:lang="de">sakkrrrement!</span> die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis +van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde:</p> + +<p>„O! papa, u bezondigt je heusch!”</p> + +<p>„Dat’s wel mogelijk!—maar ’t kan me niet schelen. <span xml:lang="de">Au! +Himmeldonnerwetter!</span>”</p> + +<p>Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den +besten dokter te doen roepen.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Een paar passen verder in de straat dan het Htel <span xml:lang="de">Garni</span> stond op een +koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis:</p> + +<p xml:lang="de">„Dr. Otto Druff, Special-Artz fr Massage, etc.”</p> + +<p>De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel +af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den +medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem +op zijn vraag: „Dokter, of u dadelijk in ons Htel wil komen? Overste +<span xml:lang="de">von Hattersdorff zu Wiesenbrck</span>, heeft zoo’n verschrikkelijken aanval +van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde:</p> + +<p>„Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: „Ik versta je immers goed: ’t +is Overste <span xml:lang="de">von Hattersdorff?</span>” schitterde er plotseling iets in het oog +van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden, +indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder +edele aandoening verheven zijn.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_107">[107]</a></span> +„Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den +Overste.<span class="corr" id="corr71" title="Bron: ">”</span></p> + +<p>„Uitstekend, Dokter!”</p> + +<hr class="chend" /> + +<h3>II.</h3> + +<p>Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26.</p> + +<p>Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: „Binnen!”</p> + +<p>Op den drempel verscheen de dokter en boog.</p> + +<p>„O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als ’t u blieft! O, mijn man +heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke +dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: „Mijn dochter +<span xml:lang="de">Ildegard</span>,—ook ’n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend +en erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.”</p> + +<p>De dokter boog even voor de spichtige <span xml:lang="de">Ildegard</span>, die zeer voornaam een +nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een +schaamachtig onderzoekenden blik op <span xml:lang="de">Dr. Otto Druff</span> sloeg, zuchtte zij +in stilte: „O! wat ’n lief mensch schijnt dat te zijn.”</p> + +<p>„Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.”</p> + +<p>„Gaarne, Mevrouw!”</p> + +<p>De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde, +vloekte en raasde afwisselend.</p> + +<p xml:lang="de">„Herr Oberst!”</p> + +<p xml:lang="de">„Herr Doktor!”</p> + +<p>Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen +hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje +boosaardigheid weer een <span class="corr" id="corr72" title="Bron: ondeel baar">ondeelbaar</span> oogenblik +in des dokters oogen en bewogen zijn<span class="pagenum"><a id="p_108">[108]</a></span> lippen zich onmerkbaar tot een +glimlach, terwijl hij met deelnemende stem vroeg:</p> + +<p>„U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?”</p> + +<p>„O! om er helsch van te worden, Dokter!”</p> + +<p>„Maar lieve man!”</p> + +<p>„O foei, Papa!”</p> + +<p>„Wees zoo goed eens even op te staan.”</p> + +<p>„Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man! +ben je dol? en herhaalde: „Opstaan?—Onmogelijk!”</p> + +<p>„’t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van +uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en klagend +werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog, +totdat hij met dikke angstdroppels op ’t voorhoofd, op n been +balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus +smeekend aanzag.</p> + +<p>De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar +beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de +Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht +kermend: „Jezus-Maria-Joseph”, in den stoel terugzonk.</p> + +<p>Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan +staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne +<span xml:lang="de">Ildegard</span> zweefde nader, ten einde papa’s kloppende slapen met wat <span xml:lang="fr">Eau +de Cologne</span> te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden +lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op +bevelenden toon zei: „Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij +de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een +vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: „Zulk een +woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_109">[109]</a></span> +Mama nam <span xml:lang="de">Ildegards</span> plaats in en hielp haar gemaal bij ’t ontkleeden +zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: „Z is ’t genoeg.—Ga nu +eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.”</p> + +<p>Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus ’t been, ’t +heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met +klem:</p> + +<p>„Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.”</p> + +<p>„Zoo! En die zijn, Dokter?”</p> + +<p>„1. Totale onderwerping aan het diet, dat ik u voorschrijven zal.”</p> + +<p>„2. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch +moed?”</p> + +<p>Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij +antwoordde:</p> + +<p>„Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden +hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar +dan onder chloroform, asjeblieft.”</p> + +<p>„O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend.</p> + +<p>Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; ’t sleutelplaatje viel +plotseling neer voor ’t slot der <span xml:lang="fr">porte-brise</span>, waardoor ten +duidelijkste bleek, dat <span xml:lang="de">Ildegard</span> uit de andere kamer door ’t +sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en +verstaan.</p> + +<p>„Snijden?” vroeg de dokter lachend. „Geen kwestie van, +Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. <span xml:lang="de">Mezger</span> uit +Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; <em class="gesperrt">’t is het eenige middel</em>, +waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.”</p> + +<p>Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman,<span class="pagenum"><a id="p_110">[110]</a></span> terwijl hij nog +steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn +baard bromde: „Anders niet? Maakt de kerel daar zoo’n drukte +over?”—en luid voegde hij den dokter toe: „Dan maar dadelijk, Dokter; +hoe eerder, hoe beter. Knijp dan maar!”</p> + +<p>„Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok +zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw <span xml:lang="de">von +Hattersdorff</span> verschrikt vroeg: „Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?” +viel hij haar lachend in de rede met: „Pardon! ik maak ’t me alleen +maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo’n +massage.” <span xml:lang="de">Druff</span> knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen +op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg: +„Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? ’k Gebruik anders <span xml:lang="en">cold +cream</span>, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....”</p> + +<p>„O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig <span xml:lang="en">cold cream</span> op haar +toilet.—<span xml:lang="de">Ildegard!</span> geef de <span xml:lang="en">cold cream</span> eens!”</p> + +<p>De <span xml:lang="fr">porte-brise</span> werd zoover geopend, dat <span xml:lang="de">Ildegard</span>, die nog +voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de +andere met het potje <span xml:lang="en">cold cream</span> er in, om het hoekje kon steken, +terwijl zij fluisterde: „Hier, Mama!”</p> + +<p>„Als ’t u blieft, Dokter!”</p> + +<p>„Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik +zal u helpen; zoo!”</p> + +<p xml:lang="de">„Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!”</p> + +<p>„Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we +er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!”</p> + +<p>„Wil ik ook liever weggaan, Dokter?”</p> + +<p>„Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand +bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....”</p> + +<p>„Goed, Dokter; best!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_111">[111]</a></span> +„Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr. <span xml:lang="de">Druff</span>, terwijl +hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en +de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef.</p> + +<p>„Integendeel, dat doet me goed; ’t is aangenaam. Als je z doorgaat, +Dokter, dan.... <span xml:lang="de">Au! Himmelhllensakrement—Au!</span>—Hou op!—Hou op! Neen, +Dokter, z niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De Overste +rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus +had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder +handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen +der kunst.</p> + +<p>„O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een +afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een +tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen +kromde als een worm, dokter <span xml:lang="de">Druff</span> zijn behandeling besloot met een +allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten +heup, zoodat de patint bijna opsprong en brulde: „<span xml:lang="de">Gottsdonnerwetter</span>, +dat is l te erg!”</p> + +<p>„’t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en wischte +zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen.</p> + +<p>„O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer +zoover was aangekleed, dat <span xml:lang="de">Ildegard</span>, zonder schaamrood te worden, haar +papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk:</p> + +<p>„Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! ’t is geen aangename gewaarwording, +Overste; maar ’t eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw +diet praten.”</p> + +<p>Met matte stem antwoordde de <span xml:lang="de">Freiherr</span>:</p> + +<p>„’k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! ’t was of ik sterven +zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandeling<span class="pagenum"><a id="p_112">[112]</a></span> de ware is; ’t is alsof +ik nu al een weinig <span xml:lang="fr">soulagement</span> gevoel!—En wat moet ik nu al zoo +vermijden, Dokter?”</p> + +<p>„Alles, Overste!”</p> + +<p>„Alles?—Hongerlijden?”</p> + +<p>„Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr. <span xml:lang="de">Druff</span>. „Neen! z erg is ’t +niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water +kan u drinken <span xml:lang="la">ad libitum</span>. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diet +gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer, +dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert, +terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.”</p> + +<p>„Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, „dat is heel +erg, Dokter!”</p> + +<p>„Ischias is nog veel erger, Overste!”</p> + +<p>„’t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn; +’k zal doen wat u zegt.”</p> + +<p>„U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: <span xml:lang="la">finis coronat opus</span>.”</p> + +<p>„Blijf me met dat potjes-latijn van ’t lijf, Dokter! Dat versta ik +niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden +door die ranselpartij.”</p> + +<p>„Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch +met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde +hij: „Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest, +<em class="gesperrt">moet</em>—en hij drukte op dat woord—<em class="gesperrt">moet</em> u zorgen, dat de Overste zijn +diet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw dochter?”</p> + +<p>„Neen, Dokter, nooit!”</p> + +<p>„Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr. +<span xml:lang="de">Druff</span> nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot +eensklaps den inhoud uit ’t venster<span class="pagenum"><a id="p_113">[113]</a></span> in den +tuin—„verwijderen.—Adieu! Overste; tot morgen om tien uur; dan kom +ik u verder behandelen.”</p> + +<p>Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen dan +te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in +zichzelven: „’n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en +drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn +behandeling mij wel zal bevallen; maar die ne slag +was—hum!—zoo—hum! voor een officier zoo vernederend.”</p> + +<p>Voordat Dr. <span xml:lang="de">Druff</span> het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met +<span xml:lang="de">Ildegard</span> en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden.</p> + +<p>Op mevrouws vraag: „Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde hij +met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig +rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles +wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor +zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen +andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als +versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien +dagen.</p> + +<hr class="chend" /> + +<h3>III.</h3> + +<p>Geregeld elken dag, ’s morgens om tien uren verscheen de medicus in +het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de +verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een +bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter +gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen.</p> + +<p>Hoeveel „<span xml:lang="de">Donnerwetters</span>” en „<span xml:lang="de">Sakkrrrements</span>” de oude krijgsheld in de +wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het +einde van iedere dagelijksche<span class="pagenum"><a id="p_114">[114]</a></span> behandeling ontsnapten die +verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en +herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: „Die <span xml:lang="de">Druff</span> +is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. +En weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien +laatsten, geweldigen slag, dien hij me na elke massage op +mijn—hum!—op mijn—hum! geeft. ’t Is alsof de vent een os dollen +wil! Die ne vervloekte slag gaat me door merg en been.”</p> + +<p>„Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, „’t is verschrikkelijk—ik kan +er ten minste niet meer naar zien; ’t is heusch, alsof Dr. <span xml:lang="de">Druff</span> al +zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...”</p> + +<p>„Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; ’t is dan ook alsof er een +stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu +laat welgevallen, omdat ik <em class="gesperrt">moet</em>, omdat ik aan dien Druff op genade of +ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen dag +iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste zette een +gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in n grooten hap +had willen verslinden—„anders zou ik bij hoog en bij laag—me zoo’n +vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den d—nder niet.”</p> + +<p>„Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat’s niet fijn”, riep +<span xml:lang="de">Ildegard</span> verbleekend.</p> + +<p>„Neen! zoo’n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er +aan denk, dat ik daar, als een schooljongen, vr dien vent leg en +behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!”</p> + +<p>„Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet ’t toch uit +bestwil, omdat ’t noodig is voor...”</p> + +<p>„Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn; +in mijn heup zit het, nergens anders...”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_115">[115]</a></span> +„Och, papa! ’t is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.”</p> + +<p>„Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders +piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag +in, dag uit, een slag op uw...”</p> + +<p>„O, foei! papa, wat ’n ordinaire suppositie.”</p> + +<p><span xml:lang="de">Ildegard</span> keerde zich verontwaardigd om.</p> + +<p>„Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er +samen eens met den Dokter over spreken—niet waar, <span xml:lang="de">Ildegard</span>?”</p> + +<p>„Spreekt u er liever alln over, mama!”</p> + +<p>„Nu, goed, dan zal ik ’t doen—ik durf wel.”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Een paar dagen later vroeg Mevrouw <span xml:lang="de">v. Hattersdorff</span>, toen ze een +oogenblik met Dr. <span xml:lang="de">Druff</span> alleen was: „Dokter, is die laatste slag +bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen +op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?”</p> + +<p>Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr. +<span xml:lang="de">Druff</span>: „Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; ’t is wel +onpleizierig voor den Overste, dt geef ik gewonnen, maar ik kan er +niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke +behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe.</p> + +<p>Ook <span xml:lang="de">Ildegard</span>, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk +papa’s lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame +van haar kennis, in ’t zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd: +„Dokter, ’t is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met +dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papa <span class="corr" id="corr73" title="Bron: word">wordt</span> er +zoo door gedpraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd +zoo, dat men bij een massagekuur den patint zoo’n verschrikkelijken +slag op, hum<span class="pagenum"><a id="p_116">[116]</a></span>—” zij durfde ’t eigenlijke woord niet goed zeggen en +zei dus blozend: „op de heup toedient?”</p> + +<p>Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: „Neen, Freule, +gewoonlijk niet. ’t Is wel zonderling, maar mijn collega <span xml:lang="de">Druff</span> is een +door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de +massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal ’t dus bepaald noodig +oordeelen voor ’t heil van uw papa.”</p> + +<p>Derhalve troostten n moeder n dochter den gepijnigden Overste, door +eenstemmig te verklaren, dat zij ’t volste vertrouwen in Dr. <span xml:lang="de">Druff</span> +hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en +noodig voor hem was.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor <span xml:lang="de">Freiherr von +Hattersdorff</span>, verklaarde de dokter, dat zijn patint volkomen genezen +was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het +verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de +kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer +violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden +helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen.</p> + +<p>„Overste!” zei Dr. <span xml:lang="de">Druff</span> na den achttienden dag, „ik kom afscheid van +u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u tevreden?”</p> + +<p>„Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig +dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden +kerel weer een jongen vent gemaakt.”</p> + +<p>Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: „O, Dokter! +nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!”</p> + +<p><span xml:lang="de">Ildegard</span>, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste<span class="pagenum"><a id="p_117">[117]</a></span> blikken +uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen, +fluisterde zachtkens:</p> + +<p>„O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en +zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen: +„Spreek met mama, Dr. <span xml:lang="de">Druff</span>; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word +voor eeuwig <span xml:lang="de">Frau Doctorin</span>....”</p> + +<p>„Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen, +Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den +stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte.</p> + +<p>„O, Dokter!” klonk het in trio.</p> + +<p>„Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam +verblijf te <span xml:lang="de">Wiesbaden</span>, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid +te wenschen.”</p> + +<p>„Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij: +„Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen +zenden, want ik reis spoedig naar huis?”</p> + +<p>„Mijn declaratie?” vroeg Dr. <span xml:lang="de">Druff</span> en onwillekeurig keek hij +glimlachend naar <span xml:lang="de">Ildegard</span>, die dadelijk probeerde of zij ook blozen +kon.</p> + +<p>„Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet +met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik +u schuldig ben....” antwoordde de <span xml:lang="de">Freiherr</span>.</p> + +<p>„Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.”</p> + +<p>„Wa-a-at?”</p> + +<p>„Wij zijn nu quitte, Overste.”</p> + +<p>Mevrouw en <span xml:lang="de">Ildegard</span> zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: „De +arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij ’t +hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: „Quitte? Hoe—be-doelt u +dat?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_118">[118]</a></span> +„Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?”</p> + +<p>„U, Dokter?—’k Had vr deze dagen nog nooit de eer....”</p> + +<p>„Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam is <span xml:lang="de">Otto Druff</span>; ik +heb in ’70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein +was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig +recruut en vrij weerspannig. ’t Ging streng toe in den oorlogstijd, en +daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen +arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...”</p> + +<p>„Alle donders!” riep de Overste, opspringend, „’t is waar; nu herinner +ik mij: ’t was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen +surveilleerden.”</p> + +<p>„Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn +betrekkelijk klein vergrijp; maar ’t was oorlogstijd, en daarom heb +ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts +vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.”</p> + +<p>Schaterend liepen mevrouw en <span xml:lang="de">Ildegard</span> de kamer uit, en de verbaasde +Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen ’t dikste +gedeelte der heup wreef: „<span xml:lang="de">Himmelhllenelement</span>, Dokter! jij bent de +kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we +quitte!”</p> + +<p>„Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op +mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel +en, naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—<span xml:lang="fr">sans +rancune!</span>”</p> + +<p>Dr. <span xml:lang="de">Druff</span> ging vriendelijk groetend de deur uit.</p> + +<p>„<span xml:lang="de">Bombenschwerenoth!</span>” riep de Overste lachend, „wat een kranige vent! +Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—„’n beetje minder hard +had hij toch wel kunnen slaan!”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_119">[119]</a></span></p> + +<h2 class="verhaal"><a id="BIJOU"></a><span class="gesperrt" xml:lang="fr">BIJOU</span>.</h2> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_120">[120]</a></span><br /> +<span class="pagenum"><a id="p_121">[121]</a></span></p> + +<h2><span class="gesperrt" xml:lang="fr">BIJOU</span>.</h2> + +<hr class="chbegin" /> + +<h3>I.</h3> + +<p>’t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als +voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te +betwijfelen, zoodra hij slechts nmaal het genoegen had te zien, hoe +mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen.</p> + +<p>Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige +helderblauwe oogen in de wereld had gekeken.</p> + +<p>Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature +„sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed +zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar +blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg +tot een gezellig „<span xml:lang="fr">embonpoint</span>”—in de verre toekomst verrieden.</p> + +<p>Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de +donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de +neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament +te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar +werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die +’t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van<span class="pagenum"><a id="p_122">[122]</a></span> +tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al +naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed +langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek +zien, wanneer ’t een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig +maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in n woord Marie +was „een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein +telkens tegen Frits, haar man, beweerde.</p> + +<p>Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van „’n schoone +kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en +gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan +wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van +levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn +frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den +spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te +gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen.</p> + +<p>Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje +rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme +gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes +in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes, +voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij +Marie in den volsten zin des woords „vergoodde.”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>„Jelui bent nog precies een paar gengageerde lui: dat koekeloert en +kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een +dag, dat hij de Stralings bezocht en ’t echtpaar met een breeden +genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat +nam<span class="pagenum"><a id="p_123">[123]</a></span> een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking +half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: „’k Heb +van mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen, +zie je, maar z als jullie hebben wij ’t toch nooit beetgehad.”</p> + +<p>Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke +ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen +uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die +ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat +noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman „op” +en antwoordde lachend:</p> + +<p>„Ja, maar tante Jans was ook zoo’n dot niet als mijn Marie. Was ze +wel, oom?”</p> + +<p>„Nou, dat ’s maar zooals je ’t nemen wilt, jongen,” zeide oom; „’t was +een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat +was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat ’s nog +wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig +moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er +bij: „Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf +en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn +wijf zoo’n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He! +Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan +was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar +gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk.”</p> + +<p>„Oom, oom, ’t loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te +gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer +wilde verlaten, om terug te komen.</p> + +<p>„Wt, wt? ’t Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie, +geef me maar een hand; ik ben ’n beetje<span class="pagenum"><a id="p_124">[124]</a></span> ruw, dat weet ik wel, maar ik +meen ’t goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als <em class="gesperrt">ik</em> +jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven +laten,—om den dood niet.”</p> + +<p>„Maar, oom! foei wat ’n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn +hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend.</p> + +<p>„Gekheid! ik bedoel immers niet, dat ’t aan jou zou gelegen hebben, +maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me +wel, jongen!”</p> + +<p>Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch +was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de +kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te +geven, door te zeggen: „Jelui woont hier toch als in Abrams schoot, +hoor!—eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die +’t breed heeft, laat ’t breed hangen. ’t Is tegenwoordig ’n heel +andere thee dan vroeger. Toen ik met m’n Jans onder zeil ging, was ik +machtig blij, dat ’k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie +kooi voor mij en m’n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie +Gods een canap; een latafel en een chiffonnire voor de losse bagage; +een pot en een pan,—en klaar was Kees!”</p> + +<p>„Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden n van meer comfort +en....”</p> + +<p>„Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, ’t is allemaal gekheid; +zooals ’n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel +minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten +niet beter of ’t hoorde z.—Ja! propos nichtje Marie, dr doe +jelui niet aan, h, aan kindertjes? Kijk me zoo’n paar flinke gezonde +lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben +nog niemendal op stapel gezet; jelui<span class="pagenum"><a id="p_125">[125]</a></span> moest je schamen, en jij vooral +m’n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw +op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... H?”</p> + +<p>Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering, +dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn +nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich +plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits, +die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te +bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar +zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en +sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: „Kom, +Marie! wees niet dwaas; trek je zoo’n grof woord van oom Harmsen niet +zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal +hem....”</p> + +<p>„Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar +oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel +met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing +tusschen oom en neef voorkomen.</p> + +<p>De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat +hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor +min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was, +besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te +leggen en te zeggen.... Ja! wt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk +niet goed vraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had +en... Dr kwam Frits de kamer weer binnen en in ’t zelfde oogenblik +lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de +tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg:</p> + +<p>„Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet me<span class="pagenum"><a id="p_126">[126]</a></span> dat niet zoo kwalijk +nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum! zoo +satansch kitteloorig was en....”</p> + +<p>„Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig +verdriet is, dat ze geen....”</p> + +<p>„Akkoord, jongen! nou begrijp ik ’t, maar ’k wist het niet.—Zeg aan +je „dot”, dat ’t me allemachtig spijt dat ’k haar hinderde; maar, +goeie God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk +is.—Kom! kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet +altijd afstel; Sarah kreeg op ’r negentigste jaar nog wel ’n +kleintje.—Ha! daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch +niet boos op me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom +ereis langs zij en laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, +Frits.—H! dat doet ’n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je +niet boos geweest?—Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te +worden ook.—Nou! kinderen, ’t wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en +compliment van oom Harmsen en als dt nou ’t eenige is wat jelui +ontbreekt, dan niet getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel +ik je. Dag „dot”; niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik +kom er wel uit.—’t Ga jelui goed; dag kinderen!”—en weg was oom +Harmsen.</p> + +<hr class="chend" /> + +<h3>II.</h3> + +<p>Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets +wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen, +als ’t kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de +jonge vrouw, die ’t mocht bezitten.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_127">[127]</a></span> +En ’t kwam niet,—’t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te +verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle +jonggehuwden, illusin gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig +en lang, maar altijd tevergeefs.</p> + +<p>Marie was een tijd lang stil, zr stil geworden, toen korzelig van +humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid +gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich +zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat +’t z was en niet anders, en dat ’t wel zoo verkieslijk was. Maar +toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar +venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan, +met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar +en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor +Frits; hij had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig +met het denkbeeld „geen kinderen te hebben” verzoend. ’t Verwonderde +haar wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat +zij er nog altijd onder leed.</p> + +<p>En hij?—Och! hij was altijd in n humeur en bemoeide zich nooit met +kinderen van anderen; ’t scheen zelfs alsof hij minder van kinderen +hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle +voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig +tegen Marie zeggen: „Wijfjelief! we zoun er nu misschien niet eens +meer aan kunnen wennen. ’t Is nog veel beter geen n, dan zoo’n half +dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld.”</p> + +<p>Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een +paar malen gezegd: „Wat heb jij toch heerlijke<span class="pagenum"><a id="p_128">[128]</a></span> kinderen!—Hum! ik zou +misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo +hard voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en +tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken, +gingen altijd <em class="gesperrt">te samen</em> uit en kwamen altijd <em class="gesperrt">samen</em> weer te huis om, +zonder dat zij ’t elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de +ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid +maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk +zoo veel van elkaar hielden.</p> + +<p>’t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder +kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of +een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan +gewoonlijk min of meer despotisch regeert.</p> + +<p>Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends, +dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat noemt—„een +aanspraak” hebben, in n woord een wezen, dat, zij het dan ook +slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen +en beantwoorden.</p> + +<p>Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in +het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de +gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond.</p> + +<p>Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl ’t regende dat ’t +goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en, +medelijdend van aard als hij was, ’t kleine diertje binnengebracht en +aan de meid gegeven, om ’t in de keuken wat te doen opdrogen.</p> + +<p>Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje „den +leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk +afgedroogd en in een mandje<span class="pagenum"><a id="p_129">[129]</a></span> gelegd, met het vaste voornemen, om hem +den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar ’t zou heel anders +gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje +had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar +opzag, als vroeg het bevend: „Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet +besluiten om Jaantjes raad te volgen en „het mormel aan den dijk te +zetten”. Integendeel zij bekeek „het mormel” oplettend, vond dat het +aardige, snuggere oogjes had en z vriendelijk met zijn kort staartje +kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om ’t arme dier weer in +zijn vroegere ellende terug te stooten.</p> + +<p>Frits had er niets tegen, dat ’t hondje bleef, en met onderling +goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten, +dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar +den naam van „<span xml:lang="fr">Bijou</span>” te luisteren had.</p> + +<p>De naam „<span xml:lang="fr">Bijou</span>” was een „<span xml:lang="fr">bon mot</span>” van Frits, die, toen hij lachend +zijn toestemming gaf tot de opneming van ’t diertje, er bij had +gevoegd: „Dan zou ik hem „<span xml:lang="fr">Bijou</span>” noemen, want ik geloof, dat hij een +juweel van leelijkheid zal worden.”</p> + +<p>Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat ’t +nog nestharen waren, die ’t hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn +naam alle eer zou aandoen.</p> + +<p>Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en +beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, „dat ’t volk tegenwoordig +maar persies de wat ’t wou, en dat ’t voor een fersoenlijke +dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de +akefietjes van zoo’n mormeldier te moeten redderen.”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_130">[130]</a></span></p> + +<h3>III.</h3> + +<p><span xml:lang="fr">Bijou</span> was, ’t bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder +plebeschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit gekend—was +vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar +menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te +hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze +haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald +schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart +en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die +van een fik te stomp waren.</p> + +<p>Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog +niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in +Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het +oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin, +vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen +van <span xml:lang="fr">Bijou</span> op rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven. +Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond +een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes +in ’t hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een +vaste plaats te veroveren.</p> + +<p>Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den +beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was +hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op +het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter +op den duur, zoo ook <span xml:lang="fr">Bijou</span> aan zijn halsband.</p> + +<p>Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke +manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij ’t +kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking<span class="pagenum"><a id="p_131">[131]</a></span> van „’t half geschoren +worden” had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond +geworden, dat hij op een Zondagmiddag na ’t dessert aan oom Harmsen, +die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld.</p> + +<p>„Wel, oom!” vroeg Marie, toen <span xml:lang="fr">Bijou</span> de kamer intrippelde, „is ’t geen +aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, h! En schrander +is hij, o!”</p> + +<p>Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen „het +aardige diertje” in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong +vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele +haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken +en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de +gedenkwaardige woorden uitte: „’t Is een monster!”</p> + +<p>Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam +<span xml:lang="fr">Bijou</span>, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op +haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half +lachend, zei: „Kom jij maar hier, m’n beestje; ik vind je lief, hoor! +Stoor je maar niet aan oom Bullebak!—Dr heb je een koekje van de +vrouw.”</p> + +<p>Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te +lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: „Ieder zijn meug.”</p> + +<p>’t Dient ter eere van <span xml:lang="fr">Bijou</span> gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd +en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van „de +vrouw” te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij +was, was ook hij en met stocijnsche gelatenheid liet hij zich +herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij +den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vr hij +holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld.</p> + +<p>Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op ’t<span class="pagenum"><a id="p_132">[132]</a></span> kussen in de +vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar +neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl +hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit +voortbracht. In Maries schoot vergat <span xml:lang="fr">Bijou</span> gewoonlijk des avonds de +vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals +alleen een verwend schoothondje droomen kan.</p> + +<p>Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich +tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even +gek te worden op „’t monster”, dat van zijn kant die toenadering +waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap „den baas” begroette als +„de vrouw”.</p> + +<p>„’t Is om je te bedoen,” verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen +haar vertrouwelinge, de werkster: „daar zit me nou ’s middags dat +mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig +als ik hier voor je sta, m’n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond, +maar nou moet ik, God beter’t, al een stoel voor ’m klaarzetten ’s +middags. ’t Mankeert er nog maar aan, dat ’k voor ’m dekken moet ook.”</p> + +<p>Inderdaad het was zoo, <span xml:lang="fr">Bijou</span> had het ver gebracht, zr ver: hij zat +deftig ’s middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op +als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was +ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; ’t was zoo grappig om +te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo +vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn +buren wendde. ’t Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen, +die hem ’t eerst wat gaf.</p> + +<p>Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die +onvermoeid was in ’t dankbaar aannemen.</p> + +<p>’t Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag<span class="pagenum"><a id="p_133">[133]</a></span> kan bevatten, +en <span xml:lang="fr">Bijou</span> was z dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn +doodgebleven dan n enkele bete te weigeren, die Maries slanke +vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen +naijver op te wekken zijn <span class="corr" id="corr74" title="Bron: siesta">sista</span> beurtelings bij „den baas” en bij „de +vrouw”, die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich +geduldig onder zijn schepter kromden.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p><span xml:lang="fr">Bijou</span> regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar—niet +overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want +Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon „het mormel”, +volgens haar eigen getuigenis, „niet luchten of zien, en zou hem”—’t +waren haar eigen woorden—„wel ereis geknauwd hebben, als ze maar +gedurfd had vanwegens ’t volk.” Was ’t alleen de herinnering aan de +talrijke „akefietjes,” die <span xml:lang="fr">Bijou</span> haar eertijds bezorgd had, waardoor +het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte? +O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een +geldiger oorzaak:—de cavalerie!</p> + +<p>Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke +verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van +den k’rnl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van +sterken drank, des Zondagsavonds, als ’t Jaantjes thuisblijfdag was, +in de keuken mocht komen om....?</p> + +<p>Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm +kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren, +voornamelijk op avonden dat ’t stil is en rustig in huis en „’t volk” +boven zit te schemeren.</p> + +<p>Waarschijnlijk was het een gevolg van <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s bloedmenging of een +erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen +afkeer had van de cavalerie-uniform.<span class="pagenum"><a id="p_134">[134]</a></span> Reeds bij zijn eerste intrede +in Stralings huis, in ’t prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de +doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de +vetleeren laarzen van den „finaal-vrijen dragonder” aan te vliegen en +daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen: +„Geef hem ’n doodschop, Tienus!”</p> + +<p>De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand +grootmoedig, tilde <span xml:lang="fr">Bijou</span> eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in +’t kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter +ontsnapping eindelijk huilend en jankend in ’t gruis ter ruste legde, +om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te +voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op +den hals te halen.</p> + +<p><span xml:lang="fr">Bijou</span> kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit +vergeten; zijn hondenhart zon op wraak.</p> + +<p>De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen +inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn +eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te +durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort, +knorrig brommen, wanneer hij ’s Zondagsavonds de nadering van Jaantjes +vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de +kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren +gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was.</p> + +<p>Juist die „verraaierlijkheid” kon Jaantje niet verdragen, zij deed +haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige +malen door <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw „een +compelement” had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de +gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over +ettelijke<span class="pagenum"><a id="p_135">[135]</a></span> kliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held: +„Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een +Besjoe gewoon z’n nek om.”</p> + +<p>„’k Zal ’m bij gelegenheid wel ereis waarnemen,” was ’t antwoord +geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de +overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde, +om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te +laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat „die stinkende +hond” boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde +te komen zien, of <span xml:lang="fr">Bijou</span>tje ’t weer bij ’t rechte eind had.</p> + +<p>Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen +en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: „Ziet uw +nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?”</p> + +<hr class="chend" /> + +<h3>IV.</h3> + +<p>’t Was stil in Stralings woning; ’t had er iets van alsof er een doode +in huis was,—z droevig zagen n Marie n Frits er uit. Zij zat met +een bekommerd gelaat op de canap in de huiskamer, en hij stond naast +haar met zijn hoed op en een <span xml:lang="fr">demi-saison</span> aan.</p> + +<p>„Niets? Heb je niets van hem gehoord,” vroeg Marie tragisch; en toen +Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: „Niets, +beste, niemendal,” zuchtte ’t lieve vrouwtje diep en smartelijk, +terwijl ze zei: „Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is.”</p> + +<p>Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat +de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde.</p> + +<p>Sedert vier dagen was <span xml:lang="fr">Bijou</span> plotseling verdwenen, spoorloos<span class="pagenum"><a id="p_136">[136]</a></span> +verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran +heengegaan. Waarheen?—Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog +niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds +uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was +tot dusver zonder eenig gevolg gebleven.</p> + +<p>Jaantje was, haar bekende afkeer van <span xml:lang="fr">Bijou</span> in aanmerking genomen, door +Straling scherp verhoord en menig „’t is zonde, meheer” of „hoe kan +uwee nou zoo ies veronderstellen” was met diepe verontwaardiging aan +haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden, +dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s +raadselachtige verdwijning.</p> + +<p>Met de hand op ’t hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar +gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: „’k Zal hier staande +sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee +alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje +uit de buurt stoeide, als ik ’m uitliet; maar met een woord van +waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat ’k hem juistement drom +in den laatsten tijd nooit anders dan aan ’t touwetje heb uitgelaten.”</p> + +<p>„En weet Tienus er niets van?” vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die +onwillekeurig bij ’t noemen van dien naam de oogen neersloeg, +doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met +geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den +stoeren dragonder, <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s antipathie, voor den geest.</p> + +<p>„Tienus?” riep Jaantje bijna verontwaardigd. „Tienus, meheer! die is +de goegheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an, +die zou ’m subiet hebben weerom gebracht, als hij ’m iewers had +ontmoet.”</p> + +<p>Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond<span class="pagenum"><a id="p_137">[137]</a></span> was en bleef +weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder n enkel +gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we +over <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft +wonderlijke gangen en ’t past den redelijken mensch niet om ’t +redelooze dier te veroordeelen, dr waar het zondigt—uit liefde.</p> + +<p>Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de +Stralings was komen aanwippen, werd—zooals vanzelf spreekt—het +geheele verhaal van <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s vlucht in geuren en kleuren door Marie +medegedeeld en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de +wangen van „’t dotje” vertoonde.</p> + +<p>Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van ’s +vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij +er „waarlijk veel weet van had,” een verzekering, die oom Harmsens +lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man +eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten.</p> + +<p>„’t Is bij mijn ziel om te stikken,” riep de oude zeekapitein, terwijl +hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. „Jelui bent allebei +groote kinderen, hoor! ’t Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de +familie is: dr zitten me nu twee groote menschen met gezichten van +een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een +schuinsmarscheerder, die ’t verzuipen niet waard is. Ben jelui wel +goed frisch, allebei?—Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn +poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid.”</p> + +<p>„Ik heb zoo’n idee, dat hij t’ avond of te morgen wel terugkomt,” +bracht Frits in ’t midden; maar oom viel hem in de rede, door aan +Marie te vragen: „En zou je dan dien doordraaier weer in huis +nemen?—Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo’n lieve dot +was, zou ik je eens<span class="pagenum"><a id="p_138">[138]</a></span> onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat, +als je man je zoo’n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem +niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!”</p> + +<p>„Oom, oom! je slaat weer door,” riep Frits lachend, en Marie schoot +insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een +tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de +woorden: „Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan.”</p> + +<p>„Ouwe barbaar!” zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar +oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen +Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg, +een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: „Met uw +permissie, oom,” riep de vroolijke zeeman: „Z mag ik het zien. +Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al +wijzer wordt.—Kijk nu zoo’n paar lui eens aan: ze zoun waarachtig om +zoo’n leelijk misbaksel van ’n hond vergeten, dat ze mekar nog +hebben. Als n van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, la +bonne heure, dan zou ik ’t natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek +schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal +ik je een van de mijne geven; ’k heb nog vier jonge fikken +thuis,—mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie.”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Veertien dagen later verscheen <span xml:lang="fr">Bijou</span> op een morgen onverwachts aan de +voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met +open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den +staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde, +aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte +een doordringend: „Daar is ie!—daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw +beneden; Besjoe is weerom!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_139">[139]</a></span> +Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid +voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof „<span xml:lang="fr">en nglig</span>” de +trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat +kwispelstaartend, maar min of meer schuw—zelfs een hond heeft +gewetenswroegingen—haar langzaam naderde.</p> + +<p>Was dat <span xml:lang="fr">Bijou</span>?</p> + +<p>„Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is +effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien,” zei +Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den +teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. „’k Zal ’m maar eerst +meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want +uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z’n oogen ereis, +en z’n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is +ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt.”</p> + +<p>Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen +hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen +zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen +likte, maar—met zijn despotieke heerschappij was ’t voorgoed gedaan; +hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens +grillen slechts dan werden geerbiedigd, als ze niet in tegenspraak +waren met de grondwet.</p> + +<p>Frits en Marie waren beiden door ’t zien van <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s verloopen +uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid, +dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen +genezen zijn. Ze overlegden, dat ’t best zou kunnen gebeuren, dat hun +lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze +voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dr, waar +hij vroeger werd vergood en vertroeteld.</p> + +<p>Arme <span xml:lang="fr">Bijou</span>! Beklagenswaardig slachtoffer van „de liefde.”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_140">[140]</a></span></p> + +<h3>V.</h3> + +<p>Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering +ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en +roer; er zweefde als ’t ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de +lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den +invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar +eenigszins kon, en ’t was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat +voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde +vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met +angstige spanning verbeidde.</p> + +<p>Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een +groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte +katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje +pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk +verrichtte: „Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt +me nou al de keel uit. Zoo’n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze +d’r eigen wel?”</p> + +<p>Het „mensch”, dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in +de slaapkamer met Mevrouw aan ’t onderhandelen en verzekerde op +stelligen toon: „dat ’t vandaag posetief nog gebeuren zou en dat +meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen.”</p> + +<p>Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en +geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en ’t blonde haar +„<span xml:lang="fr">en bandeaux</span>” langs de slapen gelegd en van achteren tot n vlecht +gestrengeld had haar nog nooit z goed gestaan als op dien dag.</p> + +<p>In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig, +maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in +de kamer heen en weer drentelde<span class="pagenum"><a id="p_141">[141]</a></span> om alles voor de komst van „den +Ooievaar” voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de +onderhandeling stoorde met een: „Alles is in orde, mijn schat”, wenkte +Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen +peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend +zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op +zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed +kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: „Zou ’k waarachtig z +gelukkig zijn,—een jongen?” bracht.</p> + +<p>Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden, +half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf: +„Dat geeft minstens een gouden tientje, als ’t heusch een jongen is.”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>En...?</p> + +<p>’t Was een jongen! En wel „een dikke gezonde knaap, als uit meheers +gezicht geformeerd,” zooals op den avond van dienzelfden dag de baker +met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der +Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna, +stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met +ongevenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand +gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te +goochelen.</p> + +<p>Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld +wel willen omarmen,—de oude baker incluis.—Een zoon was hij rijk! +Wat kon hij meer verlangen?</p> + +<p>Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger +wordend protest eens even om ’t hoekje der kamer kijken, waar Marie, +schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in ’t sierlijke +ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar +eersten droom van<span class="pagenum"><a id="p_142">[142]</a></span> moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de +zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was.</p> + +<p>In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk +verspreid geworden; ’t hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar +’t de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en ’t hield den al te +snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch +de kalmte mocht verstoren.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag, +ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: ’t waren <span xml:lang="fr">Bijou</span> en +Jaantje!</p> + +<p><span xml:lang="fr">Bijou</span> was reeds eenige weken vrdat de ooievaar op Stralings dak +neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en +huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden +met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert +lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over +zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk +een oude gewoonte gevolgd.</p> + +<p>Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu +des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries +schoot of op de knien van Frits zijn sista hield, moest zich thans +tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van +Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was.</p> + +<p>Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot +vrienden gemaakt.</p> + +<p>Hoe dat gekomen was? Eenvoudig z!</p> + +<p>Enkele dagen na <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s verbanning naar ’t sousterrain had de +brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht +van Tienus, die sedert ruim een maand naar<span class="pagenum"><a id="p_143">[143]</a></span> een ander garnizoen was +overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want +haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had +gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de +keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met +bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had +genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen +cavalerist te lezen. „’t Volk” zat nog aan ’t dessert, en daarom had +ze tijd genoeg, vrdat er gescheld werd om af te nemen.</p> + +<p>Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de +bloemkoolsaus. ’t Was een portret,—haar eigen beeltenis. Zij had nog +vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van ’t half dozijn, dat de +photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus.</p> + +<p>Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei: +„Jaan, wat gebeurt je nou” en likte met kloppend hart „haar +<span class="corr" id="corr75" title="Bron: beeldtenis">beeltenis</span>” haastig af.</p> + +<p>Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te +beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik +niets hoorde of zag.</p> + +<p><span xml:lang="fr">Bijou</span> maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op +een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der +keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij +zich over de bloemkool, en eerst toen hij „niet meer kon”, bleef hij +tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus’ +brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten +roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een „bravo” toe over ’t +volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk +aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn +overbuur, alsof hij zeggen wilde: „Wat mankeert jou?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_144">[144]</a></span> +Wat haar mankeerde?—Alles!—Zij had den brief gelezen en haar minnend +hart was op ’t punt van te breken; hevig zwoegde onder ’t opgespelde +eva’tje de eerlijke boezem, waarop Tienus’ hoofd in een doubl +medaillon nog altijd schommelde.</p> + +<p>’t Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot +bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke +druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de +heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus’ schrijven +langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken.</p> + +<p><span xml:lang="fr">Bijou</span> keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot +zijn oor, als wilde hij zeggen: „Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid +voor je.” Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek +onbescheiden mee in den brief.—„Mejuvfrou”, schreef Tienus. Ach! dat +ne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje <em class="gesperrt">alles</em> gezegd; vroeger +schreef hij immers: „Zwaar beminde Jaan,” en nu: „Mejuvfrou.” O! ’t +was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van den +epistel gaf haar den genadeslag.</p> + +<blockquote> +<p>„Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de +Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis +bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft, +dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik +heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en +vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft +verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te +wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient</p> + +<div class="sigbox"> +<span class="ri3">vroeger u minnaar</span><br /> +<p class="right mixcap">Martinus Pluit.</p> +</div> + +<p class="clear">P.S. hartelijke Groetenis!<span class="corr" id="corr76" title="Bron: ">”</span></p> +</blockquote> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_145">[145]</a></span> +Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had, +veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van ’t +fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouerend zonder +dat ze ’t wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden <span xml:lang="fr">Bijou</span> bij +zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en +snikte: „Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas +naar z’n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou +ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche +hond; voor mijn part vreten ze ’m derekt op in den Oost—zoo’n Judas! +Verleden week stuurde ik ’m nog een guldens postwissel.”</p> + +<p>Van af dien gedenkwaardigen middag waren <span xml:lang="fr">Bijou</span> en Jaantje trouwe +bondgenooten, onafscheidelijke kameraads.</p> + +<hr class="chend" /> + +<h3>VI.</h3> + +<p>’t Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen +gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en +gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige +„bonbon” in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de +deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had +op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje „kiele kiele!” gedaan en +op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het +hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot +de opmerking verleidde: „’n Stem als een klok, hoor!” en den dominee, +die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: „’t +Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen +hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven.”</p> + +<p>„Wat ’n wonder!” riep oom Harmsen, die zijn glas<span class="pagenum"><a id="p_146">[146]</a></span> Champagne noch vol, +noch ledig liet staan, „’t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg, +want je hebt ’m hartelijk toegesproken, dominee.” En toen de predikant +min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde: +„Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens.” voegde de joviale +zeeman er bij: „Ja, tusschenbeide is zoo’n tukkie in de kerk niet +onlekker.—Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen +je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een +paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van ’n +wijf—Marie, dat ’s een lijntje part met jou, hoor! Daar ga je!” hij +dronk even een glas Mot—„hartelijk te feliciteeren. ’t Heeft wel +vijf jaren geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, +maar ’t ziet er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang +zal het leven! Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen +ophouden aan is. Frits!—Marie!”</p> + +<p>Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge +ouders te klinken.</p> + +<p>„Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; n voor +n asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep, +Hiep! Hoera!”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>„Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat ’n herrie om zoo’n wurm!—Dat +mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed +slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien,” pruttelde Jaantje, die +in de keuken met <span xml:lang="fr">Bijou</span> op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig +staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een +glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart, +zij lustte geen „sampanje”, want in haar ziel was ’t nacht, +stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar +hart had gebroken.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_147">[147]</a></span> +Met zachte hand liefkoosde zij <span xml:lang="fr">Bijou</span> en sprak: „Jou kunnen ze nou ook +missen als kiespijn, arme sukkel!” Met een blik vol weemoedig +verlangen keek de hond naar ’t bord met taart, als dacht hij: „Tienus +had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is ’t te groot, maar ’k +zou toch mijn best doen, als ’k mocht.”—„Daar, stumperd, proef maar +eens: ’t is roomtaart,” zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij +<span xml:lang="fr">Bijou</span>’s verlangen, hem een stukje van ’t gebak vereerde.</p> + +<p>Haar gramschap over Tienus’ ontrouw had zich langzamerhand opgelost in +een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan +die tijden van Olim, waarin haar ’t kletteren van sporen en zwaard als +muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet +vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk +gemeende pogingen zij ook aanwendde.</p> + +<p>Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van +haar gemoed, want sedert het 6<sup>e</sup> regiment infanterie de plaats van de +dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan +de deur van het onderhuis een „ko’praal” verschenen, die aan „juffrouw +Jaantje” met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis, +aan hem „gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor ’n milletr.”</p> + +<p>„’t Is in ’t geheel geen onknap persoon,—is ’t wel Besjoe?—maar ’n +piot—daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten,” zei de gevoelige +keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot +knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en +behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze ’t woord tot +hem richtte.</p> + +<p><span class="corr" id="corr77" title="Bron: ">„</span>’k Zal ’m nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar +bij mekaar blijven, h stom dier! En als ik t’avond of te morgen +verhuis,—want ’t wordt me hier veelste druk met<span class="pagenum"><a id="p_148">[148]</a></span> dien +schreeuwleelijk,—dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd.” In een +aanval van teederheid greep zij een van <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s voorpooten en drukte +dien als ware ’t een vriendenhand.</p> + +<p>De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn +vriendin deed zeggen: „’t Is zonde, da’s waar ook, je heit een zeeren +poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z’n +eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m’n beessie, ik zal je +ereis wrijven; dan wordt ’t beter.—Z, m’n hondje, z! Dat doet je +goed, h?”</p> + +<p>Was dt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren +lieveling wreedaardig een schop te geven?</p> + +<p>Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat <span xml:lang="fr">Bijou</span> die kastijding +had verdiend.</p> + +<p>Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn +achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken +had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had +weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu +letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier +zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid +had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het +<span class="corr" id="corr78" title="Bron: sous-terrain">sousterrain</span> verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk +ondernomen.</p> + +<p>Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij +staan en stak zijn kop nieuwsgierig om ’t hoekje van de deur.</p> + +<p>Wat hij dr aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande +te maken.</p> + +<p>Daar zat „de vrouw,” stralend van geluk, blozend van gezondheid in den +fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op +zijn plaats, in haar schoot<span class="pagenum"><a id="p_149">[149]</a></span> spartelde een klein rooskleurig wezen, +dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend +toesprak.</p> + +<p>Dat was te veel, te tergend; met n sprong was hij in de kamer. Een +kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij ’t zelf wist, en met +een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien +verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem +ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en +vinnig toe te blaffen: „Jij was ’t dus, jij! Om jou ben ik +verstooten.”</p> + +<p>„Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou ’t kind weg!” +riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande, +diende hij <span xml:lang="fr">Bijou</span> een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller +ijl de kamer deed verlaten.</p> + +<p>Jaloersch! ja, helsch jaloersch was <span xml:lang="fr">Bijou</span>; hij kon het kleine kind +niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid +kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien.</p> + +<p>„Als ’t niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet +hij weg, de deur uit,” bromde Frits tegen Jaantje, die als goede +kameraad voor <span xml:lang="fr">Bijou</span> partij trok door te zeggen: „Dat kan uwes geen +meenens wezen, meheer; ’t stomme dier heit er toch geen part of deel +an, dat er ’n kleintje gekommen is.” Die logische opmerking ontwapende +Frits’ gramschap en behoedde <span xml:lang="fr">Bijou</span> voor ’t wegjagen.</p> + +<p>De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat +zij eens gezegd had: „’t is de peine nog al waard om over zoo’n +paarderijer zoo te kremieten”, hechtte zich uit verfijnd egosme hoe +langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de +beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des +avonds, als ze „uit ’r werk was”, op den schoot en kamde hem met haar +eigen kam, omdat „’t beessie<span class="corr" id="corr79" title="Bron: ”"></span> er<span class="pagenum"><a id="p_150">[150]</a></span> z boschduvelig +uitzag, dat ’t rejeel schande was voor ’n deftig huis”; en terwijl ze +zijn geele haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van +Tienus, en zuchtend vertelde ze aan <span xml:lang="fr">Bijou</span> van die „ondankbare honden +van cavalleristen”. Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan +’t geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren +van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om +haar droefheid te lenigen.</p> + +<p>Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes +bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem.</p> + +<p>Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de +tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste +hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam +ontluikende nieuwe sympathien, waartoe door een beminnend individu de +eerste kiem met geduld is gelegd.</p> + +<p>Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met +ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, „dat zij zooveul als een +voorbeschikking had om in ’t Milletre verkeering te hebben.” De +sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid +rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven +belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en +bezette dr het vroegere kwartier van de cavalerie.</p> + +<p>Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en +„ko’praal bij ’t 6e.”</p> + +<p>Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk +als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde +hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger +verre overtrof.</p> + +<p><span xml:lang="fr">Bijou</span> beschouwde, van den dag af dat „de ko’praal” zijn eerste kliek +aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend +tegen de infanterie-pantalon op<span class="pagenum"><a id="p_151">[151]</a></span> en likte zelfs het zijdgeweer des +krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus +onthaalde hem op een „allo vort!” en verklaarde, al kauwend, aan zijn +uitverkorene, „dat hij ’t zuur n honden had.”</p> + +<p>Opnieuw had de arme <span xml:lang="fr">Bijou</span> gelegenheid om kennis te maken met ’t +egosme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes +genegenheid en al naarmate haar liefde voor „den ko’praal” grooter +werd, verminderde haar vriendschap voor den armen <span xml:lang="fr">Bijou</span>, die +eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in ’t <span class="corr" id="corr80" title="Bron: sous-terrain">sousterrain</span> +ronddoolde. Zijn mand met ’t stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep +dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter ’t fornuis, +en soms wentelde hij zich grimmig in ’t kolengruis, als wilde hij zich +in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?—Hij stal het. +O! ’t was ver, zeer ver met hem gekomen!</p> + +<p>Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een +Peri aan de poorten van ’t paradijs nog eens die verloren heerlijkheid +te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als +wilde hij vragen: „Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch +ns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij +zijn?”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor <span xml:lang="fr">Bijou</span> +tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd +hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de +vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het +kleine menschje, dat hem—den viervoeter—zoo natuurlijk nabootste en +nu en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen +Mama lachend: „Ma-Ma,” stamelde.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_152">[152]</a></span> +<span xml:lang="fr">Bijou</span> zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en +afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de +herinnering aan Frits’ bottine hem niet had teruggehouden; daarom +bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd +tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te +brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te +doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de +jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en +toenadering doen.</p> + +<p>Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in <span xml:lang="fr">Bijou</span>’s lot +kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat +een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht.</p> + +<p>Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje +het maakte, en de goede man verheugde zich met „Mama” over de +omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om „het +staan”, dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen.</p> + +<p>„Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer +recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt,” riep +vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat ’t jonge +mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die +van de canap haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen.<span class="corr" id="corr81" title="Bron: ”"></span></p> + +<p>„Hij is er! Dat’s ’n kerel als Cats.—Marie, ik feliciteer je.”</p> + +<p>„Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom; +toe dan!”</p> + +<p>„Komaan maat, zeil maar voor ’t lapje weg,” riep oom en stak de handen +uit.</p> + +<p>„Waf!—waf! waf!” <span xml:lang="fr">Bijou</span>, die aan de deur had staan, kijken, kon ’t nu +niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem +zoo aardig toescheen, ’t kostte<span class="pagenum"><a id="p_153">[153]</a></span> dan wat het kostte! En hij stormde +eensklaps naar binnen.</p> + +<p>Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien +schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den +grond en rolde over <span xml:lang="fr">Bijou</span> heen.</p> + +<p>„O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij +zal ’t kind kwaad doen,” gilde Marie haastig opspringend.</p> + +<p>„Da!—da!” riep de kleine lachend, en in ’t minst niet verschrikt of +angstig greep hij <span xml:lang="fr">Bijou</span> bij den kop en drukte zijn eigen blond +krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van +den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte.</p> + +<p>„Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond, +hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; ’n verduiveld aardig +gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien +kleinen rakker hem eens in z’n wammes nemen. Nou, ’t is een lobbes van +’n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat +ze maar gerust met mekaar spelen.—Toe dan, <span xml:lang="fr">Bijou</span>, hou je goed,—pak +ze.—Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z’n kop,” riep oom +Harmsen, die schik had in de evolutin van hond en petekind en lachend +voegde hij er bij: „Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat +’t mormel dan eerst eens wasschen.”</p> + +<p>„Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal ’t kind +bezeeren”, riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in +’t hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om <span xml:lang="fr">Bijou</span> en ’t kind +te scheiden.</p> + +<p>„Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort, +<span xml:lang="fr">Bijou</span>!—Ze laten elkaar niet los.—Oom, kom dan toch?”</p> + +<p>„Waarom? Laat ze maar begaan.”</p> + +<p>„Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama—’t is nu<span class="pagenum"><a id="p_154">[154]</a></span> genoeg”—zei +Marie, en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen.</p> + +<p>Maar neen!—de jongeheer had er nog niet „genoeg” van, hij zette een +keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo +vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel +toegeven moest en de twee speelmakkers met een: „Nu, ga dan in +Godsnaam jelui gang maar”, te zamen op den grond zette.</p> + +<p>Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vr zich op ’t vloerkleed +dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen +om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep +hij vroolijk: „Zoo is ’t goed. Toe maar, jongens!—Marie, wat dunkt +je: zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade +aannemen?”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Een paar weken later zat <span xml:lang="fr">Bijou</span>, netjes geschoren en gewasschen, deftig +op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend, +die op Mama’s schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen +zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen +aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch, +groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood: +„Janus, ik ga verhuizen; ’t is hier reel in huis niet meer uit te +houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van n. ’t +Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, ’s middags zitten Besjoe en +’t kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies +kan geen fatsoenlijke meid verdragen!”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_155">[155]</a></span></p> + +<h2 class="verhaal"><a id="HENRI_DE_SNOEPER"></a>HENRI DE SNOEPER.</h2> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_156">[156]</a></span><br /> +<span class="pagenum"><a id="p_157">[157]</a></span></p> + +<h2>HENRI DE SNOEPER.</h2> + +<hr class="chbegin" /> + +<h3>AMSTERDAMSCH TYPE.</h3> + +<p>Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,—vrede zij +zijne assche!—maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren, +dat „de Snoeper” lang Amstels straten liep, als de schaduw van een +man, die ’t eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, +zal ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen +„Henri” den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot +voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan +stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord „meheer +kauwbeen” of „snoeper” nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend +van kwaadheid te roepen: „Kwde jongens, indien ge mij nog lnger +insoleert, zl ik ’n gent hlen!”</p> + +<p>Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met +een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De +sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing +als ’t ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte +stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer, +zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip<span class="pagenum"><a id="p_158">[158]</a></span> vereenigde zich met +de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven +geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele +profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op +de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en +ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het +menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen, +wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord.</p> + +<p>Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die +gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men +in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat +hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of +meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de +slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes +vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen—wanneer +men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die +de haarlooze en roodgerande openingen vulde, z kan noemen—waren +steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite +onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig +vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat „de Snoeper” +zeer slecht van gezicht was.</p> + +<p>Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote +hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders +eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee +damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines +bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen +te vallen. Zijn kleeding was „<span xml:lang="en">shabby genteel</span>” in de vijfde macht en +bestond ’s zomers uit twee, ’s winters uit een drietal jassen zoodanig +over elkander aangetrokken, dat de ondereinden,<span class="pagenum"><a id="p_159">[159]</a></span> de panden, +amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs +goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen +weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden +over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; ’t +was rijp voor den papiermolen.</p> + +<p>Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die +eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als ’t +ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik +in de knien loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje +in evenwicht hield, zoodra ’t glad was of glibberig op straat. Iets +was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve „<span xml:lang="en">shabby</span>” ook +„<span xml:lang="en">genteel</span>” maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en +een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn +sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals +omsloot. Wr hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven +en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als ’t nog +steeds in ’t duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte +manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de +glac-handschoenen die hij droeg, winter en zomer.</p> + +<p>Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel +waren ze niet van ’t nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal +zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige +negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn +vingertoppen door ’t leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw +waren over ’t verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren +die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij +links een zwarten, rechts een bruinen of gelen <span xml:lang="fr">Jouvin</span>; daarop lette +hij niet zoo heel<span class="pagenum"><a id="p_160">[160]</a></span> nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht +gezicht daarbij een part.</p> + +<p>Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit, +want ’t had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de +behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri—hij zag +hem op straat aan een schaafbank werken—gevraagd had: „Och! vrind, +zg me eens twee centimeters vn dit stokje f.” Een vriendelijke +blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd +de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een +zekere „chic” droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of +over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op +zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in ’t barre jaargetij +gebruikte hij het als balanceerstok.</p> + +<p>Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat +daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer +werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of +iets groens,—waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van +Flora, dat hij gevonden had.</p> + +<p>In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit +versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het +leven zuur maakte en „meheer kauwbeen!” riep.</p> + +<p>Met de <span xml:lang="es">grandezza</span> van een Castiliaanschen <span xml:lang="es">Hidalgo</span> en stocijnsch als +een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende +epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of +andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en +bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of +hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en +riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig<span class="pagenum"><a id="p_161">[161]</a></span> valsch pathos: +„Kwde jongens,” „insolente jongens”, of „onbeschmd rplje!”</p> + +<p>Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die ’s +avonds van te voren veel <span xml:lang="fr">Chambertin</span> heeft gedronken of lichtelijk +verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins +geaffecteerd, ietwat „Hgsch.” Meestal volgde bij de jeugd een +uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op, +dat hem schouderophalend deed zeggen: „Onbeschfd en dom tuig! Dr is +niets vn te wchten.” Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg.</p> + +<p>Waarvan hij leefde?</p> + +<p>Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dt +was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van +deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit +en aan niemand.</p> + +<p>Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die—gedachtig aan de dagen van +Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die +hij „<span xml:lang="fr">en garon</span>” bewoonde, gastreerden—hem wekelijks een kleine +toelaag gaven.</p> + +<p>Wanneer de arme man geen „passies” had gehad, zou die toelaag, met +eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of +iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed +niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft. +Helaas! hij had wl passies, de ongelukkige,—en die hartstochten +waren: <em class="gesperrt">beminnen</em> en <em class="gesperrt">smullen</em>.</p> + +<p>Toen hij nog „<span xml:lang="fr">le beau petit Henri</span>” en „<span xml:lang="la">in bonis</span>” was, had hij veel +liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een +veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk +gereden, totdat hij moede van ’t overwinnen zich rust had gegund bij +een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die +hem<span class="pagenum"><a id="p_162">[162]</a></span> zonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans +of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg +gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en +een lichte aandoening van ’t ruggemerg, die hem beverig en +schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan ’t hart +gelegen, z na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om +verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte +hem dit in ’t gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene +hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en +toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd +minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde +evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem +gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden.</p> + +<p>Uit vermogende ouders geboren, opgevoed—neen! juist niet opgevoed, +maar verwend—door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg +weduwe werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk +patricir zich kan en mag veroorloven. Vr den tijd meerderjarig +verklaard, na moeders dood, en in ’t bezit gekomen van een vrij goed +fortuin, was hij door goede vrienden, zoowel als door lieve +vriendinnen, die volgens eigen zeggen „trotsch op hem waren”, geworden +hetgeen hij was: een doeniet, een „<span xml:lang="fr">noceur</span>” die nimmer n enkelen cent +had weten te verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, +totdat zijn passiva de activa verre overtroffen.</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">En priv!</span>” zoo geheel „onder onsjes” was Henri toen „over den +kop gegaan”; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot +beredderd, en toen hij „schoongemaakt” was, zooals de vrienden zeiden, +bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en—zijn passies!</p> + +<p>De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg<span class="pagenum"><a id="p_163">[163]</a></span> geweest; ze +hadden hem van alles beloofd—en waren toen hun eigen weg gegaan, en +zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken +kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet +met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te +gevoelig georganiseerd.</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Pauvre petit Henri!</span>” zei de laatste, die met hem had gesoupeerd. +„<span xml:lang="fr">Pauvre garon, probablement nous ne nous reverrons jamais!</span>” Zij sprak +slechts Fransch—die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed.</p> + +<p>Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad, +die Fransch spraken, een „<span xml:lang="fr">pt aux truffes de Prigord</span>” wisten te +waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen <span xml:lang="fr">Volnay</span> en +<span xml:lang="fr">Chteau du Pape</span>. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten +opgeven.</p> + +<p>Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer, +de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in +beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in +de stem, dat zij hem „gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden +ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers, +diners en soires van vroeger te rciproceeren, maar ... hum!—zij +hoopten niet, dat hij ’t kwalijk zou nemen—hun vrouwen hadden de +reuke van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre +vernomen en daarom ... hum! hum! ’t Speet hun ijselijk en ’t lag +heusch alleen aan de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus +misschien—altijd zonder hem te beleedigen—konden assisteeren met een +tientje of een bankje, dat hij later kon teruggeven, als ’t hem +convenieerde, dan .... hum! van harte, hoor!—van harte!”</p> + +<p>Henri was een goeie jongen, in ’t geheel niet trotsch; hij voelde zich +in ’t minst niet gekrenkt of beleedigd door<span class="pagenum"><a id="p_164">[164]</a></span> dat aanbod; hij zou ’t +immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en—zonder +blozen deed hij zoo’n tientje of meer in zijn toen nog elegante +portemonnaie verdwijnen.</p> + +<p>Slechts n enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden +plaats op zijn kantoor aangeboden; ’t salaris was wel is waar niet +groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de +tering naar de nering zette.</p> + +<p>Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den +kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten +bediende rijk, dat was alles.</p> + +<p>De chefs konden er niet beter „gesoigneerd” en „fijner” uitzien dan +Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn +passies—hoewel min of meer gewijzigd—met nieuwe kracht voelde +ontwaken.</p> + +<p>Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht +gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij +er niet was.</p> + +<p>Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg +was om het <em class="gesperrt">te kunnen doen</em>, zich bleef uitstrekken over Henri’s hoofd, +waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool begonnen +aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals ’t ging, totdat de +aureool verdween te gelijk met de beschermende hand.</p> + +<p>„Er was niets met dien <span xml:lang="fr">panier perc</span> aan te vangen”, beweerden de +patroons, en gedachtig aan het „en leid ons niet in verzoeking” +verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een „<span xml:lang="fr">douceur</span>” als +afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers, +maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu +en dan aanhankelijkheid had getoond.</p> + +<p>Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van<span class="pagenum"><a id="p_165">[165]</a></span> vreemden bodem, +maar had bij een der Franaises, die Henri vroeger kende, „meheer wel +ereis ontmoet, als zij bij ’t schoonmaken hielp”. Zij was niet jong +meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal „kennisjes”, +die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting +hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje +van gezellig verkeer; maar toen ook de <span xml:lang="fr">douceur</span>, ja zelfs de opbrengst +van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren +omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest +vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de +straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar—ze waren er dan +ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren +verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in ’t +gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover +gekomen was.</p> + +<p>Sedert jaren reeds had hij ’t werkwoord beminnen niet meer in ’t +Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er +voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de +voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent.</p> + +<p>Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op!</p> + +<p>Hij was de rune van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder, +voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan +bescheen zijn bouwval.</p> + +<p>Kil en koud sloop hij verder door ’t leven. In ’t gewoel der groote +stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd +verscholen—onder water—totdat op zekeren dag bij een van de oude, +gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de +schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de +doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende<span class="pagenum"><a id="p_166">[166]</a></span> +wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,—om +brood!</p> + +<p>Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van +voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein +wekelijksch inkomen tot stand voor Henri—met zijn passie: want n +passie was hem nog trouw gebleven, namelijk „het smullen.”</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">Le beau petit Henri des dames</span>” was in ’t gasthuis en in het +straatvuil overleden,—het Amsterdamsche type „Henri de Snoeper”, +alias „meheer Kauwbeen” was geboren.</p> + +<hr class="chend" /> + +<h3>II.</h3> + +<p>„<span xml:lang="fr">Bonjour</span>, m’nr!” zegt „de Snoeper”, in een der voornaamste +Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend.</p> + +<p>Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker +voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de +tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil +hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: „Morgen, +m’neer!” maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde +kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat „de +Snoeper” de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren +„<span xml:lang="fr">en fin connaisseur</span>” in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken—en +o, die handen......!</p> + +<p>„ngenm weer vndg”, klinkt het verder uit den mond des bezoekers, +die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet, +terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank +doet leunen.</p> + +<p>Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze +zijn glac-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en +dan, uiterst beleefd, vervolgt: „Ik<span class="pagenum"><a id="p_167">[167]</a></span> wenschte wel, dt u mij eens een +pr soorten sigren liet zien vn zes cht cents ’t stuk, mr met +Hvn-dek; nders kn ik ze niet rooken, en, ls u ze heeft, tmelijk +zwr.”</p> + +<p>Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant +geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren +eenige stuks voor en wacht.</p> + +<p>Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt „de Snoeper” +achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op, +ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van ’t dekblad +te onderkennen en vraagt:</p> + +<p>„Welken nm hebben ze?”</p> + +<p xml:lang="es">„Flor de Sevilla, Conchas.”</p> + +<p>„h j! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wren niet +slecht, mr wt heel zwr. En die nderen?”</p> + +<p xml:lang="es">„Cuba es mi Patria.”</p> + +<p>„Uitstekend! Die heb ik ltijd grne gerookt; ik zl drvn een nemen +ls monster.—Zes cent, niet wr?”</p> + +<p>„Pardon, acht cent!”</p> + +<p>„O! ik ws in den wn, dt ze zestig gulden wren; mr ’t is zoo, ik +herinner me, ze wren vn tchtig. Ik zl deze eerst probeeren: +wnneer ze me bevllen, wil ik er wel meer vn hebben.”</p> + +<p>De sigaar wordt opgestoken en met een: „<span xml:lang="fr">Au revoir</span>, m’nr” zet „de +Snoeper” zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een +<span xml:lang="fr">trois-quarts-parade</span> mee door de lucht en verlaat den winkel, +medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne +had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal +geprobeerd, en toen hij zeide: „Houd het geld maar, u kunt de sigaar +toch wel opsteken”, trots ten antwoord gekregen: „<span xml:lang="fr">Merci!</span> ik kom ls +klnt, niet ls bedelr.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_168">[168]</a></span> +Sedert dien tijd behandelt hij „de Snoeper”, niettegenstaande diens +afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende +onderscheiding.</p> + +<p>Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een +comestibelen-magazijn; ook dr kent men hem, en de juffrouw stoot +giegelend den winkeljongen aan, als „Kauwbeen” binnenkomt. Ook daar +neemt hij „<span xml:lang="en">gentlemanlike</span>” den hoed af, maar zet dien niet op de +toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: „Meneer! de toonbank +is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten.” Die +comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat!</p> + +<p>„Geef mij eens een ons <span xml:lang="fr">glntine aux truffes</span>, mr wees zoo beleefd het +goed in te wikkelen in ppier.” Begeerig snuift hij in dat magazijn de +lucht van <span xml:lang="fr">Fromage de Brie</span>, <span xml:lang="de">Emmenthaler</span>, <span xml:lang="fr">Saucisse de Boulogne</span>, +Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te +komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen, +bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt +langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om +gemakkelijker het geld te kunnen tellen—of om tijd te winnen. ’t Is +alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn +neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar +malen, als kon hij door ’t inademen dier vluchtige deelen van kaas en +vleesch verzadigd worden.</p> + +<p>Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel.</p> + +<p>Met den bakker maakt hij weinig omslag; ’t artikel brood is ook te +gewoon. Met den hoed op ’t hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij +twee „<span xml:lang="fr">pains de luxe</span>”, maar vraagt: +„In ppier, <span xml:lang="fr">s’il vous plait!</span>”</p> + +<p>De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot +aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij<span class="pagenum"><a id="p_169">[169]</a></span> een vaste klant te zijn, +want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels +met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten ’t bereik van den klant, +die zich niet ontziet om ze, vrdat hij ze koopt, liefkoozend te +bevingeren.</p> + +<p>„Wil u de beleefdheid hebben, mij ’n pr zndtrtjes te geven?” vraagt +hij, na te zijn binnengetreden.</p> + +<p>„Van ’n stuiver ’t stuk?” klinkt het min of meer ondeugend van de +lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord:</p> + +<p>„Prdon! voor ditml mr vn ’n hlven stuiver.”</p> + +<p>Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een +confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vr de +toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij ’t +noemt, haar hart vasthoudt dat er op ’t oogenblik, dat „meheer +Kauwbeen” er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt +niet en praat al etend met de winkeldochter: „Ik heb indertijd +dikwijls vn die ctelettes en robe de chmbre hier vndn gehd; dr +hd de ptroon bepld slg vn om ze pptissnt te prpreeren,” zegt +hij, kruimken voor kruimken kauwend. „Ik woonde toen ter tijd op +kmers op ’t Rokin; ’t is onngenm voor me, dt ik me lter min of +meer moest ... hum!... Enfin! ik heb...” Daar komen eenige dames +binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord, +zegt eensklaps: „Ik krijg zeven en een halven cent van u!”—„Oui, +Voil!” De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke +buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een +glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: „Slut +l beaut!”</p> + +<p>Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange +wandeling is hij in een van de achterbuurten<span class="pagenum"><a id="p_170">[170]</a></span> der stad gekomen. Voor +een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met +zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft +hij ten minste, de rest van zijn geld; ’t bedrag valt hem zeker mede, +want in plaats van het „koffie- en chocolaadhuis” binnen te gaan, +keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt +daar—niemand ziet het immers—een ons zoetemelksche kaas en twee +gesmeerde kadetjes, maar beide „in ppier.”</p> + +<p>In ’t chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij +binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: „Zoo, papa Kauwbeen! +ben je daar weer? Kom je schaften?” Hij antwoordt niets, maar ziet hen +met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk +van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: „Een kop +chocold!”</p> + +<p>Dan ontvouwt hij het „ppier”, belegt met zijn vingers de twee +kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet +met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug +melk-chocolade.</p> + +<p>„Zeg, Snoeper!” schreeuwt een van de werklieden, die, met beide +ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke +boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, „zeg, waar heb jij nou +weer die kaas opgedoken?”</p> + +<p>„Och, laat hem zitten, h!” vraagt de bedienende kastelein, en +glimlachend voegt hij er bij: „Meneer doet jou immers niks!”</p> + +<p>„Meneer? ’n Mooie meneer!” grinnikte de werkman. <span class="corr" id="corr82" title="Bron: ">„</span>’k Wou om de +dood niet graag zoo’n heer wezen.”</p> + +<p>„Och hij is halfsuf, laat ’m zitten, Karel; hij is toch vroeger ’n +heer geweest,” zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er +bij: „Hij is van voornaam komaf, maar z’n femielie is sjofel geworden +net als hij zelf; ’t is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift +leven moet.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_171">[171]</a></span> +„Wat werga, laat ’m dan gaan werken: wij moeten ’t toch ook doen.”</p> + +<p>„Hij werken? Kijk ’m ereis goed an: daar is ie veel te petieterig +voor.”</p> + +<p>„Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.—Afijn laat ’m +voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met ’m ruilen met al +zijn komaf.”</p> + +<p>Intusschen eet de Snoeper, die ’t gesprek niet gehoord heeft, zijn +broodjes; de laatste kruimeltjes, die op ’t papier liggen, tipt hij +n voor n met een vingertop op en ’t laatste druppeltje chocolaad +heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd.</p> + +<p>Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt +zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt +hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat.</p> + +<p>De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op +den weg; want—hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder +verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt +hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en +heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn +kaken werktuiglijk heen en weer als een <span xml:lang="la">perpetuum mobile</span>.</p> + +<p>Z was de Snoeper, z zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na +te gaan en te volgen, zonder dat hij ’t wist. Wat ik verder over hem +vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning, +maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg +zijn financin voor ’t oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende +manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette, +die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem +staande en zei:<span class="pagenum"><a id="p_172">[172]</a></span> +„H <span xml:lang="fr">bonjour!</span> Hoe mk je ’t? ’k Hd in leng ’t +genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht, +mr—<span xml:lang="fr">c’est triste a dire</span>—mijn grderobe is op ’t oogenblik niet +<span xml:lang="fr">premier choix</span>. Ik heb hls! veel geld verloren, mr juist doordien ik +ftsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu lleen ’n kleine lijfrente +wrvn ik existeer; wnneer je dus eens iets voor me hoort, de een of +ndere betrekking, die niet dshonorbel is, dn zul je me obligeeren +door me te recommndeeren; wnt, sns bdinge, ik heb ’t zeer noodig, +ik kn je ls ouwen kennis wel <span xml:lang="fr">entre-nous</span> vertellen, dt ik ’t hoog +noodig, zelfs zeer hoog noodig heb.”</p> + +<p>Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des „Snoepers” ellendig +uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand +wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: „Prdon! z ws ’t +niet mijn intentie; ik ben goddnk nog geen bedelr, mr ls ik er je +genoegen mee doe, wil ik ’t momenteel wel ccepteeren, op conditie dt +ik ’t je, zoodr ’t me convenieert, in dnk restitueer. dieu! ik hoop +me spoedig te revncheeren.”</p> + +<p>Van dat „revncheeren” is nooit iets gekomen—alleen de natuur nam +„revanche” op de afwijkingen van „Kauwbeen”, want vr zijn 48<sup>e</sup> jaar +stierf hij in ’t Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent +hem, niemand verliest iets aan hem—want hij had voor niemand geleefd +dan voor zichzelf. Een onnut leven is geindigd, een zonderling +straattype is verdwenen—ziedaar zijn grafschrift!</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_173">[173]</a></span></p> + +<h2 class="verhaal"><a id="DIRK_DE_SNORDER"></a>DIRK DE SNORDER.</h2> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_174">[174]</a></span><br /> +<span class="pagenum"><a id="p_175">[175]</a></span></p> + +<h2>DIRK DE SNORDER.</h2> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>Een bitter koude, donkere winteravond!</p> + +<p>Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed +om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de +scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht.</p> + +<p>Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik +inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen, +die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog +strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed, +en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat +bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden +krans, naar de wereld onder haar.</p> + +<p>Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte +plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin +de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift, +als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast.</p> + +<p>Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale +plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot n +vormeloozen, zwarten klomp,<span class="pagenum"><a id="p_176">[176]</a></span> nauwelijks te onderscheiden van de dikke, +zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken.</p> + +<p>Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken +op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister; +’t zijn de verlichte vensters van de huizen.</p> + +<p>Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte +massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek +helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de +ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de +houten trappen van het gebouw glinsteren.</p> + +<p>Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links +van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de +reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen.</p> + +<p>’t Is kwartier voor elven.</p> + +<p>Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal +de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw +heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast.</p> + +<p>De koetsiers van „de aapjes” en vigilantes trappelen op en neer naast +de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu +en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn +hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van +zijn meester nadoen.</p> + +<p>De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats +gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit +naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau +zal kunnen verwisselen.</p> + +<p>Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar +vigilantes, die telkens, als een passagier<span class="pagenum"><a id="p_177">[177]</a></span> instapt, beven en sidderen +voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels +met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om +binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of +best rookvleesch.</p> + +<p>’t Zijn een paar „snorders”, zooals men te Amsterdam dat soort van +vervoermiddel noemt.</p> + +<p>De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene +maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al +naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers, +die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten +rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat +zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen. +Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje +een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem +niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De +„snorder” daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die n +of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde +knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is +gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd +en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op +straat komt en in ’t duister ontsnapt aan ’t valkenoog der inspecteurs +van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren +menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen.</p> + +<p>Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of +vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden, +die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in +de Nes.</p> + +<p>De „snorder”, die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat, +hoewel geen sport, toch iets hooger op de<span class="pagenum"><a id="p_178">[178]</a></span> ladder van ’t voerwezen. +Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen +der maatschappij en der grootere stalhouders. ’t Is in zeker opzicht +een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een +tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die +geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan +hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te +snorren.</p> + +<p>’t Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas +betaalt hoogstens 4 5 gulden ’s weeks en laat verder zijn koetsier +aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo’n knecht niet eerlijk, +dan... Doch ’t is plicht te gelooven, dat ieder <span class="corr" id="corr83" title="Bron: mench">mensch</span> als +„goud” is, en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den +kouden winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben +heen en weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van +den politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve +bazen in alle deelen opkomen zooals ’t behoort.</p> + +<p>„’t Is weerlichts koud van avond”, zegt de een tot den ander, die +evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen.</p> + +<p>„Nou sicuur, hoor! M’n beenen vallen haast af.—Zeg, Bobberd! heb je +nog tabak?” is ’t antwoord.</p> + +<p>„Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?” De Bobberd +spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met +kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen +woorden. „Viegelantje, meheer?”</p> + +<p>„De manke” biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met +een: „Rijtuig, meheer?” of „Viegelant assieblieft?” aan de enkele +menschen aan, die iemand of iets van ’t station moeten halen en die +zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een +sukkeldrafje<span class="pagenum"><a id="p_179">[179]</a></span> de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt: +„’N doossie lucifers, heeren?”</p> + +<p>„Zeg, Bobberd?”</p> + +<p>„Nou?”</p> + +<p>„Er staan een boel gestationneerden van avond; ’t is bepaald weer mis; +’k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele +sigaar: ’n kale boel. Ba!”</p> + +<p>De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen +bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem +<span class="corr" id="corr84" title="Bron: andwoordt">antwoordt</span> de Bobberd:</p> + +<p>„Ik ook niet, ’k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren +plentie: ’k rij nogal veel heeren, weet je?”</p> + +<p>„Ja, jij bent gelukkig,—je hebt haast altijd volk; maar ik—ik +veeg<a id="FNa_1_10" href="#FN_1_10" class="fnanchor" title="Geen volk opdoen om te rijden.">[1]</a> gewoonlijk. ’t Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe +langer hoe schrieler.”</p> + +<p>„Dat komt door de algemeene melaise, manke!”</p> + +<p>„Wat is dat?”</p> + +<p>„Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal ’t wel waar +wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van +handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, ’t is benauwd +tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met +fooien en al.”</p> + +<p>„’k Wou, dat ’k ze maar alle weken had”, antwoordt de manke met een +zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er +uit alle macht op blaast.</p> + +<p>„Wat heb jij vast bij je baas?”</p> + +<p>„Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!”</p> + +<p>„Blikslagers! dan ben jij ’t heertje, hoor! Dan heb jij een halven +gulden meer dan ik.—Daar moet ’k mijn baas ereis over +aanspreken.—Prrr! knol sta stil!”</p> + +<p>„’k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden <span class="pagenum"><a id="p_180">[180]</a></span>sloeg die ouwe +dragonder—je hebt hem wel gekend, ’t was een witvoet, een nijdige +rakkerd zoo oud als hij was,—m’n linkerbeen stuk. ’k Heb dertien +weken in ’t Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me +twee kwartjes verhooging.”</p> + +<p>„Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat +’s vijftig centen per week waard.”</p> + +<p>Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd z, dat zijn breede, +tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. „En ben +je er nou al rijk door? Neen, h? Je bent even sjofel als ik; vroeger +had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog +geen vijf.”</p> + +<p>„Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en ’k geloof +waarachtig, dat ’k van deze week ze niet eens haal.”</p> + +<p>„Klagers hebben geen nood, manke!—Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen; +we gaan zoo naar stal.—Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers +getrouwd, h?”</p> + +<p>„Ja, natuurlijk!”</p> + +<p>„Kinderen?”</p> + +<p>„Zeven!”</p> + +<p>„Godzegenme!—Satansche knol! wat mankeert jou van avond?—Een hok +vol. Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen.”</p> + +<p>„Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?”</p> + +<p>„Omdat ’k geen vrouw heb; ’k ben een vrije jongen!”</p> + +<p>„Ja, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog +over den slechten tijd?”</p> + +<p>„’n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd +mensch.”</p> + +<p>„Ei!”</p> + +<p>„Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een +mensch toch....”</p> + +<p>Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den<span class="pagenum"><a id="p_181">[181]</a></span> aankomenden +trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den +bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn +paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht +hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de +hand, tot zijn collega: „Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg +is.”</p> + +<p>Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de +trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het +station, alles in beweging.</p> + +<p>Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de +locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn +vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een +vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van +verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook +de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden +winternacht.</p> + +<p>„Bagasie, heeren! Bagasie!—Niemand bagasie?” roepen de langs de +waggons snellende kruiers.</p> + +<p>Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van ’t +station de reizigers met: „<span xml:lang="fr">Htel du Doelen, Rondeel! Bible-Htel! +Htel Central! Pays-Bas!</span>” enz.</p> + +<p>In bouffanten en <span xml:lang="fr">cachenez</span>, pelzen en overjassen, mantels en doeken +gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en +huiverende eerste- en <span class="corr" id="corr85" title="Bron: tweede klasse">tweede-klasse</span> passagiers +door den uitgang. Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te +bereiken, voordat alle plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om +warm te worden; en weer anderen haasten zich naar de gereedstaande +rijtuigen.</p> + +<p>In draf rijden de verschillende „gestationneerden” de snorders +voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers,<span class="pagenum"><a id="p_182">[182]</a></span> hoe ’t eene +rijtuig na ’t andere, met koffers op bok of imperiaal, hen +voorbijrolt.</p> + +<p>Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen: +„Viegelant?” de passagiers zijn voor hen, naar ’t schijnt, niet +aangekomen.</p> + +<p>’t Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant. +Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet +van den manke, die hem naroept: „Gelukkige vent, jij bent er alweer +uit met een prijs!” Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de +reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen.</p> + +<p>Eindelijk zijn al de rijtuigen voor ’t station verdwenen; hij wacht +nog even, dan rijdt hij zachtjes voor ’t plein op en neer: misschien +komt er ook nog iemand voor hem.</p> + +<p>Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den +manke geen vrachtje.</p> + +<p>„Zou ’k van avond alweer vegen?” mompelt hij verdrietig, terwijl hij +de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat +om gevoel in de vingertoppen te krijgen. „In godsnaam dan, vort! Brrr! +wat is het koud.”</p> + +<p>’t Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en ’t +snijden van de vorst.</p> + +<p>„Hort, bles! dan maar naar stal.”</p> + +<p>Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: „Hola, koetsier! stop!” +hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok, +ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem +toe komen.</p> + +<p>„Viegelant?” roept hij hun vragend tegen.</p> + +<p>„Ja! keer maar om!”</p> + +<p>Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor +zijn paard en ’t rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk +herhaalt hij zijn vraag: „Viegelant?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_183">[183]</a></span> +Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: „Jawel! hier +heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden. +Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar ’t Amstel-Htel.”</p> + +<p>De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij: +„’k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.—Dank je, +conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de +voorbank. Ziedaar, dat’s voor je moeite.”</p> + +<p>„Dank u, mijnheer!—Beterschap!—Vooruit, koetsier!”</p> + +<p>De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve +beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort.</p> + +<p>„Dat valt mee,” denkt hij onder weg, „’n goeie fooi, hm! misschien +maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe +jongen.—’k Zal de Kalverstraat nemen,” zegt hij bij zichzelven, „dat +rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te +veel gegeten en pijn in z’n lijf. Och! wat kan ’t ons schelen, h, +bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is ’t me +onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook....”</p> + +<p>Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt +even op; de passagier steekt zijn hoofd uit ’t portier en vraagt +knorrig: „Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat +rijdt?”</p> + +<p>„Naar ’t Amstel-Htel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de +Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch +dat asphalt zachter en....”</p> + +<p>„O, zoo! is ’t daarom; dat’s wat anders, dank je. Wat is je nummer?”</p> + +<p>„Honderd een en tachtig, meneer!—Doorrijen?”</p> + +<p>„Ja, asjeblieft!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_184">[184]</a></span> +„Hort, bles!—Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer? +Ik heb hem toch niet veraffronteerd,—is ’t wel, ouwe bles? Nou, ’t +zal mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij +zei: „Dank je!” Blikslagers, misschien recommandeert hij <span class="corr" id="corr86" title="Bron: n">N</span><sup>o</sup>. +181 als een geschikt persoon. Ook goed!—Kom, bles, vooruit dan, we +moeten, allebei naar stal.”</p> + +<p>’t Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te +praten, als hij rijdt; misschien doet hij ’t, zonder dat hij ’t zelf +weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. „Komaan!” +vervolgt hij, „daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de +zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; ’k zal.... +Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m’n viegelant? +Phu-u-u-t!” de koetsier fluit tusschen de tanden.</p> + +<p>Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat +er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn +hoed, als hij vraagt: „Neem me niet verkwalijk, meneer, maar.... +Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en ’t koffertje met ’t +valies leit naast hem.”</p> + +<p>„Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet +goed?—Dat’s een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik +gesjochten voor mijn vracht.”</p> + +<p>Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den +manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten. +Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een +zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: „’k Werd—weer—zoo +benauwd; rij in Godsnaam voort!”</p> + +<p>„Zou uw ’t dan nou z kennen rooien?”</p> + +<p>„Ja! ja! rij gauw weg.—Wat doen die mannen hier?”</p> + +<p>„Ze hebben zooveel als een handje geholpen.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_185">[185]</a></span> +„O, zoo!—Dank jelui.”</p> + +<p>’t Portier wordt dichtgeslagen en een „vooruit!” van den koetsier +brengt de vigilante weer op weg.</p> + +<p>Eenige minuten later is het Amstel-Htel bereikt en wordt de zieke man +door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort +hem zeggen: „Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!” ziet +hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets +later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vrdat hij +dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart +het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: „H, portier, +de ouwe heer heit nog wat vergeten,” reikt hij de reistasch over, +klimt op den bok en rijdt weg.</p> + +<p>„Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.—’n Gulden fooi! Zeker en +bepaald een fijn mensch.—Kom! dat’s een meevallertje; even een hapje +nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af.”</p> + +<p>’t Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan +draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want ’t paard +weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en +laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om +dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan.</p> + +<p>Bij de brug, die van ’t Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert, +wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen +een lantarenpaal leunt.</p> + +<p>„H! Hola, koetsier!”</p> + +<p>„Phu-u-ut! Prrr!—Ho, bles!—Wou uw rijen?”</p> + +<p>„Ja! Ben je vrij?”</p> + +<p>„Om je te dienen, meneer.”</p> + +<p>Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in +vroolijke stemming, neemt de kruk van<span class="pagenum"><a id="p_186">[186]</a></span> ’t portier in de hand en vraagt +met min of meer bezwaarde tong:</p> + +<p>„Schroef jij ’s avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! ’t Beest valt +om, als je niet oppast. Zeg, Autmedon! zou je me nog zonder +ongelukken naar Kras kunnen rijen?”</p> + +<p>„’t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar ’t is dubbel tarief na +elven. Weet u ’t?”</p> + +<p>„Daar vraag ik je niet na, Autmedon.”</p> + +<p>„Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet.”</p> + +<p>„Die is goed. Ha! ha! Heel goed!”</p> + +<p>„Kom, stap nou maar in, ’t is al mooi laat.”</p> + +<p>„Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou ’m recht, kerel! Dat’s +zot, dat’s—hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!”</p> + +<p>„Wil ik je ook even helpen, meneer?”</p> + +<p>„Neen! ’t Is in orde.—’n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady. +Z, ik zit. Vooruit!”</p> + +<p>Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag +dicht. Een „hort, bles!” en het rijtuig komt in beweging.</p> + +<p>Onder weg zegt de snorder tot zijn paard:</p> + +<p>„Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan +te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!”</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> +<p><a id="FN_1_10" href="#FNa_1_10"><span class="label">[1]</span></a> Geen volk opdoen om te rijden.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<h3>II<span class="corr" id="corr87" title="Bron: ">.</span></h3> + +<p>’t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd +„de manke”, met zijn groot gezin wordt bewoond.</p> + +<p>Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de +Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit<span class="pagenum"><a id="p_187">[187]</a></span> n vertrek, met een +klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast.</p> + +<p>De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster +laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende +wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom, +maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren +en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw +houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand.</p> + +<p>Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van +oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee +kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te +slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien +en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige +kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten. +Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op +den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een +mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje +van drie jaren sluimeren.</p> + +<p>Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende +potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en +aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje +niet frisscher wordt door de uitwaseming van ’t snerkende eten. Bij de +kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel +vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het +jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als +stripjongen reeds eenige stuivers verdient.</p> + +<p>Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; ’t vroegtijdig +gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken +van harden strijd en<span class="pagenum"><a id="p_188">[188]</a></span> afmattende bezigheden, maar toch is de +uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek +van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen +met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet.</p> + +<p>Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks +in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen +gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des +volks ontsproten.</p> + +<p>Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met +een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en +gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk +jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd.</p> + +<p>Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat; +haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug +geworden door arbeid en door ’t rondom haar sluimerende zevental, dat +zij ’t levenslicht schonk.</p> + +<p>„Wat is er dan, Jan?” vraagt zij, over ’t bed gebogen, met een licht +<span class="corr" id="corr88" title="Bron: Overijselsch">Overijsselsch</span> accent. „Heb je pijn in je mondje? Ben +je koud, kereltje? Kom dan maar bij moeder.” Zij wikkelt het kind +vaster in den doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een +teugje water met melk en sust het, totdat ’t al kreunend weer +indommelt.</p> + +<p>Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw; +daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten.</p> + +<p>’t Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt +zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan, +haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar ’t kind, +dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje, +onrustig slaapt.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_189">[189]</a></span> +„Hij is niet goed; ’k geloof, dat ’t schaap koorts heeft; wat gloeit +hij,” zegt ze tot zichzelve; „dat moet er nog bijkomen!”—Zij +luistert, want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. „Dat +’s Dirk,” denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later +wordt opengedaan.</p> + +<p>’t Is de „manke”, die thuis komt.</p> + +<p>Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel +mogelijk afschudt.</p> + +<p>„Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in,” roept de +vrouw hem te gemoet.</p> + +<p>„’k Snapte daar net een bui.—’n Avond, Mijntje! Ben je nog op?”</p> + +<p>„Ja; ’k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op +’t fabriek komen. H! wat breng je een kou mee; ’t is vinnig weer +buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel +weer aangelegd; ’k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is ’t +vandaag geweest?”</p> + +<p>Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij +opgeruimd:</p> + +<p>„’k Dacht eerst, dat ’t vandaag weer miserabel zou wezen, maar de +avond heeft ’t goed gemaakt. Dr heb je een gulden, twee kwartjes en +een dubbeltje. ’k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn +eten, ’k heb trek.”</p> + +<p>„Ik kan niet opstaan, Dirk: ’t kind ligt op mijn schoot; hij is niet +goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: ’k +wou, dat je ze alle dagen meebracht!”</p> + +<p>„Dat schaap is dan erg aan ’t sukkelen, vrouw; +<span class="corr" id="corr89" title="Bron: zouen">zoun</span> ’t de tanden +wezen?” antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar +kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te +verorberen.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_190">[190]</a></span> +Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar ’t Amstel-Htel +moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij +van het aangeschoten jongmensch. „Zie je, Mijn, hij had een flink stuk +in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij +ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: „We bennen er, meneer!” Maar ’k +moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan +met een paar lodderige oogen en zei: „Goeie morgen! Ik heb ’n +verduivelden dorst!—Die rammelkast van jou is geen cent waard,” maar +hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn +spul vindt. ’k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig +verval gehad.”</p> + +<p>Zuchtend antwoordt de vrouw: „Dat heb ’k gemerkt.”</p> + +<p>Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: „Zeg, Dirk!”</p> + +<p>„Nou?”</p> + +<p>„Kierssen is er geweest.”</p> + +<p>„Hm!”</p> + +<p>„Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is.”</p> + +<p>„Hm!”</p> + +<p>„’t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver.”</p> + +<p>„’k Weet het wel, maar ’k heb het niet, vrouw!”</p> + +<p>„En ook niets meer om „weg te +brengen.”<a id="FNa_1_11" href="#FN_1_11" class="fnanchor" title="Naar den lommerd brengen.">[1]</a> Kierssen zei, dat hij, als +Vrijdag ’t geld er niet was...”</p> + +<p>„Nou, wat dan?”</p> + +<p>„Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: „Meneer Kierssen, je weet wel, +dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur +betaald, maar nou ’t zoo slecht is van den winter met de verdiensten, +moest je nog wat geduld hebben en...””</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_191">[191]</a></span> +„En wat zei hij?”</p> + +<p>„Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: „Ik zou je wel willen +laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit; +laat je man zelf eens naar hem toe gaan.””</p> + +<p>„Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te +woord.”</p> + +<p>„Maar als Kierssen ’t nou toch zeit, Dirk?”</p> + +<p>„Praatjes! ze steken samen onder n deken.—Breng morgen dien daalder +maar aan den opzichter op afrekening; dat zal...”</p> + +<p>„Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en ’k heb al overal op de +lat<a id="FNa_2_12" href="#FN_2_12" class="fnanchor" title="Op crediet.">[2]</a> +gehaald: ’k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten +hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft +ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen...”</p> + +<p>„Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan ’t niet van mijn +lijf snijen.” Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje +onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt.</p> + +<p>„Dat zal me een nachtje geven,” bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt. +Met de woorden: „’k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch +stil, Mijn!” stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de +oude, dunne dekens.</p> + +<p>„Leg mijn jas er nog maar op: ’t is vervloekt koud en de kachel heeft +gnacht gezeid,” zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine +in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de +slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje, +en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel +zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_192">[192]</a></span> +Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen +weigeren haar dienst bij ’t aankleeden.</p> + +<p>Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de +vrouw, met ’t zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen +neerleggen.</p> + +<p>Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te +spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de +stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan +juist vr dien tijd soms een vrachtje krijgen.</p> + +<p>’t Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in ’t +keukentje; vrdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om +half acht op de sigarenfabriek moet wezen.</p> + +<p>Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem +zegt: „Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel +aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal +gedaan heb, rij ik wel even aan om m’n boterham te halen.”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Buiten is ’t nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen +haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die +glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid.</p> + +<p>De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige +jongen, die zoo wat „handje voor alles” is, heeft al een paar +oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden.</p> + +<p>„Gmorgen, Dirk!—Satans koud!” roept de baas hem tegen.</p> + +<p>„Nou, baas!”</p> + +<p>In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de +kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een +bok, die nijdig naar Dirk<span class="pagenum"><a id="p_193">[193]</a></span> stoot, als hij naast den uit de ruif +etenden bles gaat staan en zegt: „Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we +jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb +je nou nog je bekomst niet, vreetzak?”</p> + +<p>Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot +den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: „Allo, Jaapie! +geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen +schoonmaken.”</p> + +<p>Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de +waterleidingkraan, z langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde +koetshuis gaat, hem toeroept: „Kun je nog langzamer?”</p> + +<p>„Jawel!” is ’t brutale antwoord.</p> + +<p>„’k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!—Waar is de +schuier?”</p> + +<p>„Vraag ’t hem zelf!”</p> + +<p>Gelukkig voor Jaapie, hoort de „manke” deze laatste vriendelijke +woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds +begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de +mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die +uit.</p> + +<p>Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog +niet had opgemerkt; ’t is een klein zwart lederen taschje.</p> + +<p>„H! wat is dat?” zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die +den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd +omdraait en vraagt:</p> + +<p>„Wat mot je?”</p> + +<p>„Niks!”</p> + +<p>„’k Dacht, dat je riep.”</p> + +<p>„Neen!—Kijk naar je emmer.”</p> + +<p>Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te +bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien<span class="pagenum"><a id="p_194">[194]</a></span> borstrok en doet dan, alsof +er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een +deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt.</p> + +<p>Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets +van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door ’t hoofd: +„Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?” Hij tracht zich zoo +onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets +ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem +toeroept:</p> + +<p>„Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen.”</p> + +<p>„Ik, baas?”</p> + +<p>„Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben ’k niet van je gewend.”</p> + +<p>„Hm! Ja! Neen! ’k fluit, omdat ’k zoo koud ben, baas.”</p> + +<p>„Zoo!”</p> + +<p>Een oogenblik denkt Dirk: „Je moet dat taschje aan den baas geven om +te bewaren,” maar dadelijk overlegt hij er bij: „Gekheid! eerst kijken +wat er inzit; is ’t de moeite waard, dan breng jij ’t liever zelf +terug aan den... Blikslagers! van wien zou ’t wezen? Van dien zieken +heer voor ’t Amstel-Htel, of van dien jongen snuiter, die den prins +gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of....”</p> + +<p>In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar, +dat de baas het ziet en—zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi +aan.</p> + +<p>Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. ’t Begint te +schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op +straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met +haast naar de stations spoeden.</p> + +<p>Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te +rijden.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_195">[195]</a></span> +’t Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den +dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den +voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en +hem even toeknikt als antwoord op zijn groet.</p> + +<p>Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de +leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te +voorschijn.</p> + +<p>Voorzichtig doet hij ’t open en houdt den inhoud, een pakje papier, +tusschen zijn vingers.</p> + +<p>„Waarachtig! ’t zijn bankies,” zegt hij in zichzelf, en terwijl hij +met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: „Dat’s een vondst! +Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig! +drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat’s al zeshonderd.—Godzegenme, +n van duizend!”</p> + +<p>Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want +zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. „Zestienhonderd en +vijf gulden samen! Geen bagatel,” denkt hij, en als hij verder niets +hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op +en bergt schielijk een en ander weg,—nu echter tusschen zijn baaien +hemd en het bloote lijf: daar is ’t zekerder! Terwijl hij verder rijdt +en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: „Wie zou dat +verloren hebben?” Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn +vigilante lag, toen hij ’s avonds te voren aan het station ging staan, +want even vr dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw +op lag, nog uitgeschud. ’t Moet dus van een der twee laatste +passagiers zijn.</p> + +<p>Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar ’t bureau van politie +brengen? „Hum!” overlegt hij bij zichzelf, „’k zal zoo dwaas niet weer +wezen; ’k heb eenmaal een<span class="pagenum"><a id="p_196">[196]</a></span> gouden ring gevonden en naar het +politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en +zelfs geen fooitje is er voor „den manke” overgeschoten; dat doe ik +nooit weer.—Maar wat dan? ’t Geld houden, nu en dan een bankje +wisselen?” Hij is ’t nog niet met zichzelven eens. „Een bankje van +vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar +dat van duizend, dat’s te gevaarlijk! En....”</p> + +<p>Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij +nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam +reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op +zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje +met bankpapier ontstaat; ’t is alsof hij zich telkens opnieuw wil +overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft.</p> + +<p>„Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij ’t hoort”, denkt +hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij +glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: „Dadelijk naar ’t +bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst”, en—zijn hart klopt: +zveel geld en z arm!</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> +<p><a id="FN_1_11" href="#FNa_1_11"><span class="label">[1]</span></a> Naar den lommerd brengen.</p> + +<p><a id="FN_2_12" href="#FNa_2_12"><span class="label">[2]</span></a> Op crediet.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<h3>III.</h3> + +<p>Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier +in ’t bezit van „den manke”. Hij was, na lang beraad met zichzelven, +tot het besluit gekomen om ’t geld zoolang te houden, totdat er +navraag in de kranten kwam.</p> + +<p>Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk +moeite om het terug te krijgen, en zet ’t allereerst een advertentie +in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_197">[197]</a></span> +Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wr of aan wien zich te +wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo +rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel +n of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten.</p> + +<p>Elken avond had hij in „’t Vroolijke Schuttertje”, een kroeg waar +gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder +gevolg.</p> + +<p>Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van ’t Schuttertje, +toen hij Dirk zoo aandachtig het <em class="gesperrt">Handelsblad</em> en ’t <em class="gesperrt">Nieuws van den Dag</em> +zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: „Lees jij tegenwoordig +de kranten?”</p> + +<p>„Ik? Hoe zoo?”</p> + +<p>„Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een +paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je +kar?”</p> + +<p>Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo +eensklaps? ’t Zweet brak hem uit, want ’t kwam hem voor, dat hij hem +zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend +antwoordde hij: „Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?”</p> + +<p>„Nou! ik dacht het maar zoo, manke!”</p> + +<p>„Waarom?”</p> + +<p>Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de +Bobberd: „Wel! ’t is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; ’t was +maar een bagatel, ’n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik +ook gekeken naar de advertenties.”</p> + +<p>„En?”</p> + +<p>„’k Zag er eindelijk een staan, maar ’k had de duiten al op. Ha! ha! +ha! ’t was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een +gulden of acht in; ’k heb<span class="pagenum"><a id="p_198">[198]</a></span> die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je, +als ’t nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon +ook m’n vingers niet branden, want geld is geld, ’t is allemaal even +rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of +van jou.”</p> + +<p>„Ja! hm! maar Bobberd, ’t was toch niet....!”</p> + +<p>„Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou ’t +evengoed hebben gehouwen als ik.—Je begrijpt, ’t portemonnaietje had +ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar.”</p> + +<p>„Maar als ’t nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de +lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren.”</p> + +<p>„Gekheid! ’k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! z mal niet, +hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van +de Voorzienigheid, dan <em class="gesperrt">moet</em> hij ’t hebben, ten minste als ’t niet +zveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend? +Dat ’s een praatje. Ja!—de menschen schrijven daar op, welke nummers +ze in d’r zak hebben, kun je begrijpen! Als ’t een loterijbriefie is, +dan is ’t wat anders; maar bankies,—gekheid!—Sakkerloot, manke! wat +kijk je me raar an.—Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er +eentje gesnapt hebt, al was ’t er ook een van honderd gulden, geef +maar hier! Voor een rijksdaalder zal ik ’t wel voor je wisselen.—Nou! +biecht maar ereis op: wat heb je?”</p> + +<p>„Niks! Je kletst.—Gnacht!”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd, +en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn +pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: „Geld is geld, ’t is +allemaal even rond<span class="pagenum"><a id="p_199">[199]</a></span> en....” Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder +in de gedachten: ’t was zoo’n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor +een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan +haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. ’t +Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij z aan haar denkt. Hoe komt hij +nu plotseling aan die herinnering? ’t Is toch bepaald vreemd, want hij +kan het niet van zich afzetten; ’t komt hem voor, alsof hij haar +eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel +zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; ’t is alsof hij de kracht +van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was, +wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht. +Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in +zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan ’t +werk.</p> + +<p>„Gnavond, moeder!” zegt hij binnenkomend.</p> + +<p>„Gnavond, Dirk.”</p> + +<p>„Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?”</p> + +<p>„Ach, God! weet je ’t nog niet? We moeten er uit; in de andere week +al.”</p> + +<p>„Wat zeg je daar? Is ’t waarachtig?”</p> + +<p>„Kierssen is er weer geweest, van morgen. ’k Had geen cent meer en van +middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon +geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we +verhuizen.”</p> + +<p>„Zoo! hm!” Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje.</p> + +<p>„’t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen +naar toe?”</p> + +<p>„Zoo’n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje.”</p> + +<p>„Wist ik maar raad, Dirk!” Opnieuw barst zij in tranen uit.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_200">[200]</a></span> +Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen +heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: „Huil +niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n’alterasie om +zoo’n lamme vent, h? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we +zoeken een andere woning; een betere, hoor!”</p> + +<p>„Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?”</p> + +<p>„Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar ’k zal den baas om voorschot vragen +en....”</p> + +<p>„Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig.”</p> + +<p>’t Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig +woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: „Ben je +niet goed, man? Slaap je nog niet?”</p> + +<p>Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; ’t +was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die +huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter +treffen; ’t geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en +rechts, maar ’t wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk +kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: „als een arm +mensch wat vindt, dan is ’t een bestiering, dan moet hij het hebben.” +Waarachtig, ’t scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van +vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand.</p> + +<p>Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun +regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem +snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur +gemaakt.</p> + +<p>„Arme ziel!” dacht Dirk, „je hebt toch ook je portie; ’k zal zorgen, +dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo’n rijke kerel, die ’t +verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en +ik...” Hij sliep in.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_201">[201]</a></span> +Den volgenden dag wisselde „de manke” bij een winkelier in de buurt +een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer.</p> + +<p>Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij ’s +avonds „Het Vroolijke Schuttertje” binnen. De Bobberd was er nog niet; +gauw dus de kranten nog eens nagezien!</p> + +<p>„Alweer niets. Komaan! dat gaat goed,” dacht Dirk; „er schijnt geen +navraag naar te komen; ’k zal nog een dag of wat wachten en dan...” +Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje +deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest +iets verzinnen, een leugen;—ze zou natuurlijk vragen van waar +plotseling dat geld kwam; en zonder ’t zelf te weten, zat hij te +soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk +niet. Waarom stond er nu niet zoo’n eenvoudig „Verloren” in, dat +betrekking had op zijn vondst?</p> + +<p>Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had +getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een +briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als +hij, en—nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een...</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij +plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de +Bobberd houdt hem terug met de woorden: „Wou je nu al heengaan, manke? +Zijn de centjes alweer op?”</p> + +<p>„Wat bedoel je?” Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te +hebben omgekeken, zijn ondervrager aan.</p> + +<p>„Niks bijzonders, ouwe jongen!” grinnikt de dikke, en met zijn +waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: „Je hebt van morgen bij +Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. ’k Stond juist in ’t +opkamertje,—dat dacht je<span class="pagenum"><a id="p_202">[202]</a></span> niet, h?—ik dronk even een kommetje +troost bij de juffrouw.”</p> + +<p>De manke verbleekt en stottert! „Zoo! ei!—Nou! en wat zou dat?”</p> + +<p>„Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo’n +stiekemerd was om ’t voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een +pennetje<a id="FNa_1_13" href="#FN_1_13" class="fnanchor" title="Fortuintje (volksuitdrukking).">[1]</a> +hadt gehad.”</p> + +<p>„Wie zeit je dan, dat ’t zoo is?”</p> + +<p>„H! h! h! h! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je...”</p> + +<p>„Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen.”</p> + +<p>„Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar +een paar proppies<a id="FNa_2_14" href="#FN_2_14" class="fnanchor" title="Borreltjes.">[2]</a> +moet je geven, hoor! Anders ben je een kale jakhals.”</p> + +<p>„Nou, als ’t daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder +een klare, van die dubbelgebeide, hoor!”</p> + +<p>„Met suiker!” roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt +hij: „Kom, manke, ’n spulletje?”</p> + +<p>„Neen! ’k ga naar huis.” Dirk staat op.</p> + +<p>„Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?” Uitdagend lachend ziet de +Bobberd hem aan.</p> + +<p>„Neen! maar....”</p> + +<p>„Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw ’t niet hebben? +Als ik zoo’n vent was als jij, zou ’k me waarachtig niet aan een +spulletje laten kennen,—Kobus! geef de kaarten ereis!—vooral niet +als je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! +daar komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken.”</p> + +<p>Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe ’t komt,<span class="pagenum"><a id="p_203">[203]</a></span> maar hij +blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een +vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer +geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De +manke durft het voorgeslagen „pandoertje” niet weigeren, neemt +langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen, +te spelen.</p> + +<p>Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande +hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de +Bobberd hem er over in ’t ootje nemen en de laatste eindelijk, met een +reeds bezwaarde tong, hem toevoegt:</p> + +<p>„Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?”</p> + +<p>’t Is lang over eenen, als hij ’t Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim +twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan; +geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en +worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met +eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust +over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen, +zoodat zij verschrikt opstaat en ’t licht aansteekt, bij de woorden: +„Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je +gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?”</p> + +<p>Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar +hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan +zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt, +snorkt hij spoedig zwaar en luid.</p> + +<p>De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen +aan, zucht: „Moet dat er nou nog bijkomen!” en weent zich eindelijk in +slaap.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij<span class="pagenum"><a id="p_204">[204]</a></span> had zwaar +gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de +kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor +zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor +was hij met den uitroep: „Blijf er af, valsche hond!” wakker geworden +en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil +verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn +koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den +stal, waar de baas hem met een: „Wat mankeert jou van morgen?” +ontving.</p> + +<p>Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij ’t +zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen.</p> + +<p>Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet +beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te +hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: „’t Is weer vegen +vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond +wat werk.”</p> + +<p>„Wat zal Mijntje zeggen?” dacht hij onder ’t naar huis gaan; ’t drukte +hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem ’s morgens geen enkel verwijt had +gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest +als altijd; dat hinderde hem. „Had ze maar opgespeeld, was ze maar +begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... ’t Is toch een goed +wijf!—Verdord! waarom heb ’k nou op eens geen courage meer om nog +zoo’n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou, +als ze vraagt waar ’t geld vandaan komt, dan deed ik ’t wel,” mompelde +hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij +de gedachte: „’k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen, +dat....” Daar hoort hij Mijntjes<span class="pagenum"><a id="p_205">[205]</a></span> stem. ’t Is alsof zij ongenoegen met +iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan +gewoonlijk.</p> + +<p>Daarom blijft hij staan en luistert.</p> + +<p>Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: „Hoe kom je er aan? Ik wil +het weten; geef antwoord, Gerrit!”</p> + +<p>„Gekregen, moeder!” ’t Is Gerrits stem, die antwoordt.</p> + +<p>„Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed, +dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van +vijf en twintig, en met zoo’n mooi lint er om, dat is niet +zuiver!—Allo! zul je antwoord geven?”</p> + +<p>De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den +jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk +doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de +rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan.</p> + +<p>„Gekregen”, herhaalt Gerrit, „van den meesterknecht gekregen”.</p> + +<p>„Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?—Je krijgt een +kleur, je liegt!”</p> + +<p>„Zoo maar, moeder, voor een aardigheid.”</p> + +<p>„Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat ’t niet waar is.”</p> + +<p>„Gerust, moeder, ik heb ze....”</p> + +<p>„Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om +dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze +weggenomen. Kind! ’t is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn +Gerrit een dief....!”</p> + +<p>„Neen, moeder! ’k ben geen dief!”</p> + +<p>„Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, ’t +is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is +precies hetzelfde.”</p> + +<p>„Maar, moeder....”</p> + +<p>„Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet<span class="pagenum"><a id="p_206">[206]</a></span> zien. Ga uit mijn +oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint +met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal ’t....”</p> + +<p>„Moeder, ik heb ’t waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!” +schreit de knaap.</p> + +<p>Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij +Mijntjes woorden: „Ga uit mijn oogen, leelijke dief!” Hij heeft +gebeefd en is op ’t punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te +ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk +gestolen heeft, en daar valt ’t hem ook als een pak van ’t hart, als +hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: „Ik ben geen dief.”</p> + +<p>Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt, +dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu +minder luid en heftig.</p> + +<p>„Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren, +en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als ’t een eerlijke zaak +was, hoefde je dt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo +goed met je. Kom! zeg het moeder maar.”</p> + +<p>„Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in ’t portaal bij +de sorteerkamer.—Neen! moeder, huil nou niet. ’k Ben toch geen dief, +moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid, +geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.—Toe, moeder, huil niet zoo; +ik ben toch niet slecht, maar....”</p> + +<p>„Kind! kind! waarom loog je dan? Is ’t wel wezenlijk waar?”</p> + +<p>„Gerust, moeder! ze lein op ’t portaal; een van de sorteerders zal ze +verloren hebben en de....”</p> + +<p>„Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel? +Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht,<span class="pagenum"><a id="p_207">[207]</a></span> Gerrit? Dat had je +moeten doen, dat was je plicht geweest.”</p> + +<p>„Ja, moeder, maar...”</p> + +<p>Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij +zijn hand op de plaats, waar ’t taschje verborgen is; ’t kost hem +moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw +weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt:</p> + +<p>„En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze +verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en...”</p> + +<p>„Maar ik dacht....”</p> + +<p>„Foei, kind!—Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je +zeggen?”</p> + +<p>„De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en +nageteld, en...”</p> + +<p>„Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom +en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je ’t pak sigaren al +twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je ’t al; nou moet je +alweer liegen, omdat...”</p> + +<p>„Maar, moeder!”</p> + +<p>„Zeg dan maar, dat je ’t mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!... +Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo’n +ding!—Wat zal ik zeggen?”</p> + +<p>„Och, moeder!”</p> + +<p>„Zeg, dat je vader ’t je had afgenomen en opgeborgen en dat je ’t +daardoor niet eerder kon...”</p> + +<p>„Vader?”</p> + +<p>„Neen! zeg maar niets. ’k Zal er zelf heengaan; ik zal ’t dan wel voor +je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe ’t in Godsnaam +nooit weer—en houd je maar stil, doodstil voor je vader.”</p> + +<p>„Zal u ’t ’m dan ook niet zeggen, moe?<span class="pagenum"><a id="p_208">[208]</a></span>”</p> + +<p>„Neen, jongen! ’k zal mijn mond houwen. Geef ’t pakje maar hier; ik +zal ’t wegbergen tot morgen, want als je vader ’t wist, dan zou je wat +beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee +dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,—hij sloeg je +halfdood!”</p> + +<p>„Och God, moeder! zeg ’t hem dan niet; ik zal ’t nooit weer doen; maar +ik dacht, ’t zijn maar sigaren, en....”</p> + +<p>Meer hoort de manke niet, want ’t is hem draaierig in ’t hoofd +geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die +slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur.</p> + +<p>Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de +keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met +geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden: +„de man is zoo eerlijk als goud,” klinken hem z duidelijk, z luid +in de ooren, als vernam hij ze pas op ’t oogenblik zelf.</p> + +<p>„Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de +advertenties nagekeken, en ’t geld is er immers nog? Die vervloekte +Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben +geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten +zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien ’t is? +Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren +verloren en...<span class="corr" id="corr90" title="Bron: ">”</span>—„Als dief aangezien door jou schuld!”—„Wat +werga! wie zei dat daar?” mompelt Dirk in zich zelf: „’t Is precies +alsof ik ’t iemand hoorde zeggen,” denkt hij, en eensklaps komt hem +het beeld van het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar +Kras reed, voor den geest. „Hij zag er zoo wat uit als een +handelsreiziger; ’t zou toch kunnen zijn, dat zoo’n jongmensch voor +zijn patroon geld ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, ’t +verloren had.—Neen! maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. +Wist ik maar van wien<span class="pagenum"><a id="p_209">[209]</a></span> het was! Hm! ’k Had toch wel eens aan ’t +Amstel-Htel kunnen vragen naar dien zieken heer, die.... Wat werga! +wat belet me, dat ik ’t nog doe, dadelijk?”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Htel en +zegt tot den portier:</p> + +<p>„’k Heb een dag of tien geleden, ’s avonds van den laatsten trein, +hier een passagier gebracht....”</p> + +<p>„Dat’s wel mogelijk; ’t is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet.”</p> + +<p>Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den +welgedanen portier, die met een zeker „air” hem van het hoofd tot de +voeten opneemt, als wilde hij zeggen: „Wat moet die armoedige snorder +hier?”</p> + +<p>„En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is.”</p> + +<p>„Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?”</p> + +<p>„Neen!”—de manke glimlacht even—„’t Is die passagier, die ziek +aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!”</p> + +<p>Eenigszins gevleid door ’t beleefde „U”, antwoordt de portier iets +vriendelijker:</p> + +<p>„O! zoo! ja—’k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou +je?”</p> + +<p>„Goddank!” denkt Dirk, en Mijntjes woorden: „Dan is ’t nog niet te +laat,” komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit +zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl +hij zegt: „’k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?”</p> + +<p>„Ja! maar....”</p> + +<p>„Zeg asjeblieft, dat N<sup>o</sup>. 181 er is.”</p> + +<p>„Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de +baron wel te spreken is.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_210">[210]</a></span> +„Is ’t een baron, portier?”</p> + +<p>„Natuurlijk!—’t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de +beterhand.”</p> + +<p>„Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed ’s avonds; +onder weg had hij nog zoo’n soort van flauwte. Och kom! is hij toen +naarder geworden?”</p> + +<p>„Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.—Kom dus liever eens +terug,—later.”</p> + +<p>„Neen! dat kan ik niet,” antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: „’k Durf +Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vrdat de zaak in orde +is.” Daarom herhaalt hij nog eens dringend: „’t Heeft haast, portier! +Ik zal den baron niet lang ophouden—Och! doe me ’t plezier en vraag +of ik....”</p> + +<p>„Nu, goed dan, ik zal je helpen,” en zich tot den kleinen <span xml:lang="en">groom</span>, die +in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de +portier: „Ga eens naar boven, naar N<sup>o</sup>. 12, en vraag of de baron te +spreken is voor dien snorder.”</p> + +<p>„Voor N<sup>o</sup>. 181,” roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen +opwipt, nog na.</p> + +<p>Terwijl de <span xml:lang="en">groom</span> zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier, +die op ’t oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een +praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van +der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in ’t hotel, ernstig +ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die +telegraphisch werd ontboden, is verpleegd.</p> + +<p>„’t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat ’t +een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan +heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van +voornaamheid,” zegt de portier op ’t oogenblik dat de groom +terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij: +„Wel?”</p> + +<p>„Boven komen”, is ’t lakonieke antwoord.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_211">[211]</a></span> +„Dat tref je!—Allo! wijs jij dien man den weg eens naar N<sup>o</sup>. 12.”</p> + +<p>„Kom dan maar mee!” zegt knorrig de <span xml:lang="en">groom</span> en gaat vr Dirk de trappen +op.</p> + +<p>Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar +zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt +hij, na een zacht: „Binnen!” door een vrouwenstem geuit, het vertrek +in.</p> + +<p>Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit +zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en +ziet rond.</p> + +<p>Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij +heeft hem ook alleen maar ’s avonds gezien, en dan nog wel in een +dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: „Ben jij N<sup>o</sup>. 181?” +herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: „Jongens! +Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,”—en als schaamde hij +zich plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: „Dat viel er +zoo uit, meneer, neem me niet kwalijk,” en blijft verder zwijgend +staan, totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem +vriendelijk toevoegt: „Wat wenscht u?”</p> + +<p>„Mevrouw—juffrouw—ik .... hm! ik....” stottert de manke, nog altijd +eenigermate verward door de vreemde omgeving: „ik ben de snorder, die +den baron ’s avonds hier heeft gebracht en ik wou....”</p> + +<p>„Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den +portier of....”</p> + +<p>„O, neen! meneer,” valt Dirk snel in, „dat is ’t ’m niet; ’k blijf u +nog wel dankbaar voor dien gulden, maar ’t is een heel andere +zaak.—Heeft u bij geval ook iets verloren?”</p> + +<p>„Goddank! ’t woord is er uit,” denkt de manke, en alsof ’t hem nu +gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: „Iets van waarde +verloren?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_212">[212]</a></span> +„Ik?—Niet dat ik weet, beste vriend!”</p> + +<p>„Och God! zou hij ’t nou toch niet wezen?” denkt Dirk; maar hij +vervolgt: „’k Heb wat in m’n viegelant gevonden, een kleine zwarte +tasch met....”</p> + +<p>„Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in +en...?”</p> + +<p>„Juist, meneer! juist!—Hier is ’t, asjeblieft!”</p> + +<p>De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die ’t +nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en +oplettend aanziet.</p> + +<p>„Wanneer vond je dat?”</p> + +<p>„’s Morgens vroeg, toen ik m’n wagon schoonmaakte. Als ik maar had +geweten, dat ’t van u was, zou ik ’t dadelijk hebben teruggebracht, +maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uws verlof, ’n +beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij ’t laten +vallen. Ik wist ook niet wie ’t was en ’k dacht: eerst hier +informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik....” Dirk verwart +zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: „Wat zal ik zeggen, +waarom ik ’t zoo lang gehouden heb?”—’t Is een akelig ding, dat die +woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door ’t hoofd spoken.</p> + +<p>De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen:</p> + +<p>„Ja!—’t is van mij; ’t is geld, dat ik pas van mijn notaris had +ontvangen,” en tot de freule: „Zie je, Constance, ik heb door mijn +ziekte er in ’t geheel niet meer aan gedacht. ’t Zat in mijn valiesje; +dat sloot niet goed en....”</p> + +<p>„Dat kan wel wezen, meneer; dan is ’t er uitgevallen, toen u +uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb +’t nog dichtgeknipt, voordat ik ’t aan den portier gaf. ’t Taschje had +ik niet gezien; anders....”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_213">[213]</a></span> +„Zoo!—dus je vondt ’t ’s morgens en je zaagt, dat er geld in zat.” +Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en +ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den +hoed in de hand voor hem staat, aan. „’k Weet niet juist meer hoeveel +geld er in was, goeie vrind, maar ’t zal wel akkoord wezen.”</p> + +<p>In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de +gedachte: „Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te +zeggen van dat vijf-en-twintigje.” Maar ’t is alsof een inwendige stem +hem toefluistert: „Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je +werk niet ten halve,” en, eer hij ’t zelf weet, zijn hem de woorden +ontsnapt: „Neen, meneer, ’t is niet in orde.” En hij kleurt als een +jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: „Kijkt u maar goed na, dan +zal u wel zien dat ik—hm!—’t spijt me wel—maar...”</p> + +<p>De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te +hebben gedacht, zegt hij: „Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie +vriend?”</p> + +<p>„Vijf en twintig gulden, meneer!”</p> + +<p>„Hum!” De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt +met een zweem van misnoegen in zijn stem: „En waarom deed je dat?”</p> + +<p>Een oogenblik is het doodstil in ’t vertrek, dan zucht de manke +hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan +zachtjes, met trillende stem:</p> + +<p>„Ik ben zoo arm!”</p> + +<p>Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat +daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke +traan in ’t oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek +den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij ’t +merkt,<span class="pagenum"><a id="p_214">[214]</a></span> trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op +den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met +alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien.</p> + +<p>„Ben je getrouwd?” vraagt zij zacht.</p> + +<p>„Ja, juffrouw!”</p> + +<p>„En heb je kinderen?”</p> + +<p>„Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben ’t van de winter hard genoeg +want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen +en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat ’t geen +vetpot is....”</p> + +<p>„Ja dt kan ’k begrijpen,” de freule ziet medelijdend hoofdschuddend +den snorder en dan, vragend, haar vader aan.</p> + +<p>„De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den +winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dt kon ik +niet;—vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik +hoop dus dat u ’t me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam—maar +ik dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik ’t weerom breng. +Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en +toen...”</p> + +<p>„Kom eens hier, man! Hoe heet je?” roept eensklaps de baron, het +verhaal van Dirk afbrekend.</p> + +<p>„N<sup>o</sup><span class="corr" id="corr91" title="Bron: ">.</span> 181; och, neen! Dirk de Vries,” is ’t verwarde antwoord.</p> + +<p>„Kom hier, kerel!” Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt +zenuwachtig: „Kom dan!”</p> + +<p>Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule, +verlegen aan.</p> + +<p>„Maar kom dan toch bij me!”</p> + +<p>De manke nadert.</p> + +<p>„Geef me je hand, De Vries! Zoo! ’n fermen handdruk. Zoo! jij bent een +eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou<span class="pagenum"><a id="p_215">[215]</a></span> plaats ’t wel z had +getracteerd.—Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.—Je +hebt zeker een brave vrouw, h?”</p> + +<p>„Ja, meneer, die heb ik Goddank. ’t Is een best wijf, die m’n kinderen +grootbrengt met God en met eere,” antwoordt de manke, uit de volheid +zijns harten.</p> + +<p>„Dat dacht ik wel.—Constance, schel eens om wat port; laat den man +een stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.—Kom, vrind! vertel me +nu alles eens. Wat verdien je wel en...?”</p> + +<p>Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij +verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van +Bles—dat dier ligt hem na aan ’t hart. „Wil u wel gelooven meneer! +dat hij me als een hondje naloopt, aardig h? Dat deden alle paarden +die ik gehad heb.<span class="corr" id="corr92" title="Bron: ">”</span> Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij +vervolgt: <span class="corr" id="corr93" title="Bron: ">„</span>’k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen +ik nog ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span +in orde, dat beloof ik je—maar wat krijg je bij zoo’n snorder +onderhanden? Ouwe dragonders, een enkel afgedankte artillerist, +meestal dampig, ja! als ik weer eens een span goeie Bovenlanders of +Friezen mocht rijen, zou ik nog eens kunnen laten zien, dat ’k weet +wat ’n paard is en wat het toekomt.”</p> + +<p>Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel +geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met +over paarden en rijtuigen te spreken—telkens weer opnieuw uitgelokt +door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat +niet maar Freule Constance wl; zij knikt, achter den snorder staande, +een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: „Ik +begrijp u papa—’t is goed wat je wilt doen.”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_216">[216]</a></span> +Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt +die even aan ’t voorhoofd en zegt tot den snorder:—„En nu, goeie +vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; ’k +voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel +goedgedaan.—Ziedaar! neem dat mee, dat’s voor den eerlijken vinder; +doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van +Overijssel, dat ik een landsman van haar ben—maar pak dan toch aan, +man—dat ’s om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat +ze een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren +zal—Adieu!” Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en +verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een +banknoot in zijn hand—nauwelijks gelooft hij zijn oogen.</p> + +<p>„Godallemachtig! Honderd gulden!—Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat +zal ’t wijf blij zijn!”</p> + +<p>Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt +deze, uit zijn hokje ziende: „Heb je den baron gesproken?”</p> + +<p>„Nou! dat zou ’k je verzoeken.—Dag, portier!”</p> + +<p>Dirk maakt, dat hij wegkomt.</p> + +<p>Of de baron woord hield?</p> + +<p>Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende +het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het +buitengoed „Weijdenstein” boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond +is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er +is altijd genoeg.</p> + +<p>Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij: +„Vrouw! ’t is eigenlijk jou schuld, dat we ’t nu zoo goed hebben”, en +zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: „Neem een voorbeeld aan +jelui’s vader: die <span class="corr" id="corr94" title="Bron: ">is</span> zoo eerlijk als goud!”</p> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"> +<p><a id="FN_1_13" href="#FNa_1_13"><span class="label">[1]</span></a> Fortuintje (volksuitdrukking).</p> + +<p><a id="FN_2_14" href="#FNa_2_14"><span class="label">[2]</span></a> Borreltjes.</p> +</div> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_217">[217]</a></span></p> + +<h2 class="verhaal"><a id="DE_FASHIONABELE_DINEUR"></a>DE FASHIONABELE DINEUR.</h2> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_218">[218]</a></span><br /> +<span class="pagenum"><a id="p_219">[219]</a></span></p> + +<h2>DE FASHIONABELE DINEUR.</h2> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de +beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen +naam.</p> + +<p>„De fatsoenlijke eter”? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.—„De +deftige gast”? Evenmin!—„De tafelvriend van goeden huize”? Misschien +zou die naam iets beter zijn, maar ’t is toch de rechte niet. Neen! er +is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te +toonen, wat ik met „den fashionabelen dineur” bedoel.</p> + +<p>’t Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt +noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik +op ’t oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij +oorspronkelijk een „niet inheemsch” type is, maar—ik ben er zeker +van—velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar +hebben ontmoet.</p> + +<p>Wellicht wisten zij vr dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast, +dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen +zij, na ’t lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst +beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun +over- of nabuur was, tot het gild der „dineurs” behoorde.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_220">[220]</a></span> +Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,—ik +houd mij aanbevolen om dien over te nemen.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd, +ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik heb er +zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal +regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die +familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als +kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren.</p> + +<p>Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen, +zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met +een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje +om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of +ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk: +„Hoe meer ik u aanzie, hoe meer ’t mij frappeert, dat u sprekend +gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron +Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van +Daelens?—Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon +frappant, kolossaal!”</p> + +<p>Een tweeden niet onhandigen „truc” gebruikte hij, wanneer er geen +gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. ’t +Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de +soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar +men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende +wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij ’t op de +hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos: +„Liefdadige instellingen, Mevrouw?—Ik acht en<span class="pagenum"><a id="p_221">[221]</a></span> vereer ze; maar! .... +mij hebben ze drie ton gekost.—U lacht? Neen! ’t is <span xml:lang="fr">parle d’honneur</span>, +de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik +beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst, +geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder. +Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.—Wat blijkt nu na +haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen +vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van +Brijnen,—notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten! +Ridicuul!—Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek.”</p> + +<p>In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn +naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en +afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots +jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vr +het „<span xml:lang="la">summa cum laude</span>” afscheid van de universiteit te nemen. Familie +en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat +hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende +betrekking; ’t was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn +afstamming, niet maar ’t eerste ’t beste baantje aannemen.</p> + +<p>Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis, +die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd +hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in ’t worstelperk des +huwelijks, als clibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te +wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard +hem terug van Hymens boot; hij was immers lang „jongeheer” geweest +en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wt hem +terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige<span class="pagenum"><a id="p_222">[222]</a></span> +beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is +te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn.</p> + +<p>Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor ’t eerst +ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te +kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door ’t +onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men ’t wel eens +vulgair uitdrukt, „zijn kostje hier en daar op te halen.”</p> + +<p>Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm +nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige +verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij +de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert.</p> + +<p>Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of +anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in ’t adresboek +komt hij daardoor onder de rubriek „particulieren” of „renteniers” +voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst +fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en +vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds +overtuigd, dat alles wat naar ’t ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd +is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing +brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten +dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij +gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een +zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander +familie-diner de pianino ziet openen, dat hij „<span xml:lang="fr">au beau milieu de sa +jeunesse</span>” veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij +ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is +die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot<span class="pagenum"><a id="p_223">[223]</a></span> zingen(?) +te verleiden.—Wee u, zoo ge u laat vangen!</p> + +<p>„<span xml:lang="fr">J’ai dit la romance</span>”, vertelt hij aan een ieder, die ’t hooren wil; +en wanneer hij dat zachte woordje: „<span xml:lang="fr">dit</span>” met een soort van zoetelijken +glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet +suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van +voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en +burchtdames stem en speeltuig liet klinken.</p> + +<p>„De romance moet niet <em class="gesperrt">gezongen</em> worden”, beweert hij; „<span xml:lang="fr">il faut la +dire</span>.” Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou +’t u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook +dadelijk „volkomen vergeving van zonden” verzekeren. Ge kunt u immers +zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond +geen „<span xml:lang="fr">Rve parfum au frais murmure</span>” voorstellen, evenmin als ge u +verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer +dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te +vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld.</p> + +<p>Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien, +de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en +door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd.</p> + +<p>In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij „een +<span xml:lang="en">gentleman</span>” van top tot teen. Of niet nu en dan door de porin van zijn +volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en +bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in +allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van +<span xml:lang="en">Jockey-club</span> of <span xml:lang="en">New-mown-hay-essence</span>, die u uit zijn zakdoek +tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand +neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te +betten, als hij, na de vermoeiende<span class="pagenum"><a id="p_224">[224]</a></span> bezigheid van het dineeren, van +tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij „gecharmeerd is van uw +alleraangenaamst gezelschap”.</p> + +<p>Met tact weet hij des winters na ’t diner, zonder dat iemand hem ook +maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen, +het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte +virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje +<span xml:lang="fr">Regalia-comme-il-faut</span>, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl +hij zijn koffie „savoureert”, geniet hij „als kenner” die Havana, +zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan +te doen. Hij zou iemand „lastig zijn?” O, foei! dat is onmogelijk. Hij +is—vraag het maar aan al de dames, die hij kent—de meest galante, de +beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle +vrouwen—mits fatsoenlijke—een kleinen dienst overheeft, een dienstje +soms z klein, dat een „gewoon heer” het niet zou durven bewijzen. +Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen „<span xml:lang="fr">en amiti</span>”. Hij zegt het +zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want—jokken, neen! daarvoor +is hij veel te fashionabel.</p> + +<p>Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van ’t een of ander een +niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat +het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om—„<span xml:lang="fr">en amiti</span>” te +blijven; waar ’t doel goed is, wordt ook voor hem ’t middel spoedig +heilig.</p> + +<p>Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit ’t oog verliest +bij families, waar hij zijn „vasten dag” heeft, en treffend is het om +te aanschouwen, hoe hij op die „vaste dagen” prijs stelt. Ontvalt hem +zoo’n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar +een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden +van vrienden in te leiden met een: „Veroorlooft u mij<span class="pagenum"><a id="p_225">[225]</a></span> Mevrouw, dat ik +u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam +gezelschap, dat....”</p> + +<p>Meestal gelukt hem die manoeuvre, want ’t is voor veel familin, die +nogal eens diners geven, wel iets waard iemand „<span xml:lang="fr">au besoin</span>” te hebben: +meestal toch doen de heeren opgeld.</p> + +<p>Ook als „<em class="gesperrt">veertiende</em>” komt de „dineur” niet zelden uitmuntend te stade; +terwijl hij als „<span xml:lang="fr">chapeau</span>” voor dames van een zekeren leeftijd, die +niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid, veel +dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in ’t geheel niet komt.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>’t Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een +lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met +ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der +wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of +smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn +hoedanigheid van „dineur” optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij +verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas „om te +zuigen” is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te +ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid +vermaalt.</p> + +<p>Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de +doperwtjes „superber” en „dlicaat” zijn, schaamt ge u, dat ge een +oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven.</p> + +<p>Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna +zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze, +waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en +halsboord steekt; hij doet dat z handig, z zorgvuldig en „chic”, +dat ge<span class="pagenum"><a id="p_226">[226]</a></span> onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als „Dineur”, hoe +ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk +dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; ’t is met volkomen +meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn +wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd +rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij +zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid +hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers +voor hem te doen is. Aan ’t dessert zoekt hij zijn wederga in ’t +ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei +aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met +zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar +donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge +ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende „<span xml:lang="fr">Oeil de +Perdrix</span>”, die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen +toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk n of, als +de champagne bijzonder goed is, twee „uien” van zijn rpertoire ten +beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo’n „uitstekend +nette vent” is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten, +al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vrdat hij begint te +vertellen te zeggen: „Misschien kennen de heeren en dames deze +aardigheid al, maar...”</p> + +<p>Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van +hem leeren; hij verstaat het „dineeren”, zooals niemand anders. Geen +wonder: ’t is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige +waarmee hij zijn leven verslijt—neen! in stand houdt.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker<span class="pagenum"><a id="p_227">[227]</a></span> uiterst +leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk +leeren wil, hoe men onder ’t eten zijn dame moet bezighouden. Opra’s, +concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn +beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact +over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder +dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z +leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze +of gene zangeres of acteur, soms zelfs z apodictisch, dat men +dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben +medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder +verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt +zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het +toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng +orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met domin Heiler of vindt de +preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de +coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem +als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van „<span xml:lang="fr">robes +Prsidente, coiffure la Japonnaise</span>” en „<span xml:lang="fr">plisss en biais;</span>” wanneer +ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge—indien ge hem niet als +„medegast” kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden, +dat hij een dameskleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt. +Doet hij—in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven +man daarvoor—als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem +niet naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, +op wien ’t minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd +occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn +nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of +clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen;<span class="pagenum"><a id="p_228">[228]</a></span> +hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het +gebieden.</p> + +<p>Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en +niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal +z gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; ’t +hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt ’s +winters, na ’t diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het +servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk +een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der +kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met +haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch +oneindig veel beter is: er gn, dan zoo „plebesch veel” te hebben.</p> + +<p>Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en +hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem „een +aangenaam welopgevoed mensch”, namelijk zoolang men hem aan eet- en +speeltafel ontmoet.</p> + +<p>Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts +voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren.</p> + +<p>Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en +geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn +mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik, +die beter dan woorden zegt: „Ik tart een ieder om mij te overtreffen.”</p> + +<p>Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en +zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als ’t +groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een +zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn +overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande +boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit +ontmoet.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_229">[229]</a></span> +Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van +circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het +sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat.</p> + +<p>’t Is een lust om zijn „<span xml:lang="fr">au fainant</span>” +of „<span xml:lang="fr">au chinois</span>” gegroeide en +gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand, +gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze +volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke +reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots +uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen +dan ’t onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of ’t +allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat +zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo +onbarmhartig kunnen martelen.</p> + +<p>Wr de „dineur” zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet +bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een +kunstwerk kan verrichten, <em class="gesperrt">al te veel</em> te doen krijgen, immers met een +loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren +de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op ’s mans gelaat als +tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg +had tot een baard.</p> + +<p>Dat hij „<span xml:lang="fr">rouge de thtre</span>” of +„<span xml:lang="fr">carmin des bayadres</span>” gebruikt, is niet +met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u +ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der +kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn +over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de +maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals +de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het +alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op +de punt van zijn regelmatig gevormden<span class="pagenum"><a id="p_230">[230]</a></span> neus, en om de zinnelijk +gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond.</p> + +<p>Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun +buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in +verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een +mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. ’t Zwarte +haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste +gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog; +maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar +genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man +inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte +wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de +kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of +de „<span xml:lang="fr">teinture capillaire</span>”, die hij verkoopt, wel overal met even goed +gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter +hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een <span xml:lang="fr">pince-nez</span>, +die er „gedistingeerd” uitziet; en wanneer ge den „fashionabelen +dineur” over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op +en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of +daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge +onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk +vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in +plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Ziehier dan het beeld van den „fashionabelen dineur” geschetst, +wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er +uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plicht<span class="pagenum"><a id="p_231">[231]</a></span> hem niet meer roept, zal +ik trachten nog met korte woorden mee te deelen.</p> + +<p>’t Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt +vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen, +voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten +vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen +herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien +ameublement dommelt in ’t gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam +kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na, +als ge u langs een tafel—waarop eenige boeken liggen, die eertijds in +prachtband werden gebonden—naar de achterkamer begeeft.</p> + +<p>Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in ’t heilige der heiligen! +Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de +fashionabele kennissen en vrienden des „dineurs” den voet zette. Ge +zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en +zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u—omdat ge +onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd „<span class="smcap">UIT</span>.” +Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden +en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de +voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de +advokaten borrel, die hij—ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt +hebt—’s morgens zelf heeft gemaakt, „omdat hij dan zeker is dat er +alles in komt.” Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien +nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we +zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok, +dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest, +verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tween +gevouwen vleit zich de pantalon op den<span class="pagenum"><a id="p_232">[232]</a></span> stoel er naast, tegen het +onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning +bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden +knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de +reet der deur doorsluipt.—Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar +van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den +stoel verscholen, zich, alleen door n van haar glimmende neusjes +verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de +waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen +inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor +den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge +hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn +horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft nergelegd. Hij +is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen +van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem +plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken<span class="corr" id="corr95" title="Bron: ,">.</span> Houd u +dood—doodstil en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot +nog toe niet opgemerkte zijdeur, wenkt.</p> + +<p>Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant +zich onbespied. In ’s hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien +ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij +instinct—als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien +verdwijnen; en .. ’t is heusch de moeite waard om hem gade te slaan.</p> + +<p>Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?—Wat +ziet ge dan? Zeg ’t mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het +noodig is.</p> + +<p>Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet +om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito +onderbroek met loshangende<span class="pagenum"><a id="p_233">[233]</a></span> bandjes, twee somber afhangende sokken te +verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken.</p> + +<p>Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat, +dat over ’t voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk +burgerlijke pluimmuts voelt streelen.</p> + +<p>Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het +wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan „in zijn vak” ontmoet en in +huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in +„gala.” Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, ’t +diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de +<span xml:lang="fr">Bourgogne</span> was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich +nooit „heel lekker” op den volgenden dag—’t kan echter niet anders, +zijn vak brengt dergelijke kleine „<span xml:lang="fr">misres</span>” mede.</p> + +<p>Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar ’t geen hij doet.</p> + +<p>Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum +van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich +uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt +naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht—waarachtig! we zijn in +een keukentje verzeild—staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met +alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen +scheren....?</p> + +<p>Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft +immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan....</p> + +<p>Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat; +wie weet! misschien is de „<span xml:lang="en">fashionable</span> <span xml:lang="fr">dineur</span>” een +verkapt alchimist die, in zijn vrijen tijd, naar „’t levens Elixir” of +naar „den steen der wijzen” zoekt.</p> + +<p>St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van<span class="pagenum"><a id="p_234">[234]</a></span> keukentje sluipen? ’t +Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij. +Ha! dr bewaart hij zijn ingrdinten, dr in dat geheime kastje in +den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter, +hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig +uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge <span class="corr" id="corr96" title="Bron: we">wel</span> +dat hij in de andere een blikken busje <span class="corr" id="corr97" title="Bron: houd">houdt</span>?</p> + +<p>Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe; +nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in ’t pannetje +werpt<span class="corr" id="corr98" title="Bron: ">.</span>—Ga +een eindje met mij achter uit. ’t Mocht eens gevaarlijk goed +zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en.....</p> + +<p>Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in ’t pannetje en .... +heusch! hij proeft van—de hemel mag weten, wt—hij kookt.</p> + +<p>Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet?</p> + +<p>Och ’t is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender +in de voorkamer.</p> + +<p>Nu, welken datum?</p> + +<p>Acht en twintig Maart!</p> + +<p>Juist, ’t is in ’t laatst van de maand: dan houdt hij om geldige +redenen niet van restauratie of <span xml:lang="fr">table d’hte</span> en—toevallig heeft hij +heden geen uitnoodigingen.</p> + +<p>O!.....</p> + +<p>Vat ge ’t nu?</p> + +<p>Ik geloof het wel, arme fashionabele man!</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_235">[235]</a></span></p> + +<h2 class="verhaal"><a id="HOE_JETJE_GEZOEND_WERD"></a>HOE JETJE GEZOEND WERD.</h2> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_236">[236]</a></span><br /> +<span class="pagenum"><a id="p_237">[237]</a></span></p> + +<h2>HOE JETJE GEZOEND WERD.</h2> + +<hr class="chbegin" /> + +<p>’t Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig, weduwnaar +en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk, wanneer +hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet besluiten +kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche +schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar +nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te +houden, of in den deurpost staande, naar ’t vroolijke zonnetje en de +voorbijgangers te kijken.</p> + +<p>Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle +brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een +ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een +vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op ’t hoofd, +achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even +oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en +andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te +verkoopen.</p> + +<p>Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader<span class="pagenum"><a id="p_238">[238]</a></span> en wel van een +Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe +oogen en kastanjebruin haar als „mooi Jetje” bekend, door de jongelui, +die in de nabijheid woonden, meer bijzonder „’t lachebekje” werd +genoemd, omdat ze zoo’n vriendelijk rood mondje had, dat met twee +schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig +lachte, als deze of gene klant, <span xml:lang="la">generis masculini</span>, met haar een grapje +maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een +luchtje schepte.</p> + +<p>Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht +Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en +gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui +bijzonder in trek kwamen, z zelfs dat Jan de winkelknecht er zich +over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: „Ik +geloof, dat die spreeuwen”—Jans geliefkoosde benaming voor de <span xml:lang="la">spes +patriae</span>—„een stuk leer in d’r mond hebben in plaats van ’n tong; want +als ze die bokkies lekker vinden, dan....” Jan liet den volzin +onvoltooid en ’t was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord +meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en +bracht meteen den prijs der „bokkies” van zes op vier voor een +dubbeltje. „Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze +nemen ze toch”, zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf: +„Smakelijk rooken!” en hij dacht er bij: „Als Jetje in den winkel is, +kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen.” ’t Was geen onlogische +Jan!</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Vlak tegenover Bommers’ winkel, woonde op een kamer van de eerste +verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij +niet studeerde, zijn beenen en<span class="pagenum"><a id="p_239">[239]</a></span> pantoffels op de vensterbank voor ’t +publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten +stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en +vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och! +eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen. +Z beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had +gevraagd: „Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel? +Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, z was je an ’t +kijken.” ’t Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw +Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel +in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen, +Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien. +Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte—uit louter +buurschap—hem toe.</p> + +<p>’t Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de +vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden, +buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld +drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder +voor n dubbeltje <span xml:lang="es">Puantos Infamos</span> van de vier, zwaar of licht, naar +dat ’t zoo uitkwam,—’t was hun om ’t even. De winkelknecht had reeds +een paar malen bescheiden aangemerkt: „Ze heeten Upmann-sigaren, +heeren!” Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens +zijn vrienden, geantwoord: „O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de +communicatie, ’t is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien +naam en zeggen dus kortheidshalve: „<span xml:lang="es">Puantos Infamos</span>”.” Jan zweeg +tegenover dit argument.</p> + +<p>De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in +sigaren iederen dag toenam, maar toch kon<span class="pagenum"><a id="p_240">[240]</a></span> hij zich niet ontveinzen, +dat die <span xml:lang="es">Puantos</span>-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem, +maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig +altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar +in ’t bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was.</p> + +<p>Met schrik en een vaderlijke hartklopping—ook een kruidenier heeft +een gevoelig hart—zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op +n dag zich aan de <span xml:lang="es">Infamos</span> te goed deed, en eens zelfs had Bommers, +zonder dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het +oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan +patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te +omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is +waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den +schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en +zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien +dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met +een: „Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen”, te +verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier, +maar vroeg te gelijk met ’t leukste gezicht van de wereld: „Opsteken, +meneer?” en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over ’t +doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den +klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich +herhaaldelijk een: „<span xml:lang="la">Vade retro, Satanas!</span>”—dat hij niet begreep—op +den hals haalde.</p> + +<p>Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers, +nam het debiet der <span xml:lang="es">Puantos Infamos</span> niet meer toe, want nadat ’t +herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra „de heeren” zich +vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden +allerlei aanmerkingen<span class="pagenum"><a id="p_241">[241]</a></span> te maken, en noemden met een zekere minachting, +de heerlijke <span xml:lang="es">Puantos</span> „bokkies”, een woord dat den winkelbediende een +heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: „Ge komt langzaam +aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!”</p> + +<p>’t Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was +leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze „voor de acht” kregen, +omdat het—zooals Bommers zei—een opruiming was, besloot de +kruidenier den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan +alleen tot ’t Koloniale vak te bepalen.</p> + +<p>Nauwelijks was de laatste der <span xml:lang="es">Infamos</span> verdwalmd tusschen de lippen van +een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een +half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te +voorschijn in den winkel.</p> + +<p>Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een +plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen.</p> + +<p>Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch +mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk, +informeerden altijd naar den staat van „meneers gezondheid”, prezen +zijn goede waar en kochten elken dag contant een zekere hoeveelheid +vijgen of rozijnen.</p> + +<p>Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij +belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl +Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De +kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een +woord, dat naar „zoetekauwen” of „snoepende jongens” zweemde. De +studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte, +eerst aan Jan en daarna aan den patroon,<span class="pagenum"><a id="p_242">[242]</a></span> met de woorden: „Geneert +jelui niet; proeft maar eens mee!” en kwamen den volgenden dag terug +met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar +konden krijgen en dat ’t hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef.</p> + +<p>Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te +geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje +voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot +de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad +belet te vragen en haar uit logeeren te zenden.</p> + +<p>Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan +men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend, +neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen +zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar ’t station +ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit ’t venster stak en met groote +verwonderde oogen ’t meisje naziende, zuchtend uitriep: „Dag Jet—dag +engel—goeie reis! Denk aan me!”</p> + +<p>Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dt +hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank +staan en meesmuilde: „Dat valt je tegen, h knaapie!” En toen een +oogenblik daarna een paar van de vijgen-<span xml:lang="fr">habitus</span> binnenkwamen, woog +hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: „Pas ontvangen, ’n versche +zending, heeren,—echt Smirnaasch goed!”</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke +rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna +onzichtbaar en deden de lamp walmen, z erg, dat ’t zelfs voor +studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote +vertrek.<span class="pagenum"><a id="p_243">[243]</a></span> Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk +eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. „Kerels!” +riep hij: „luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open, +want waarachtig de lamp gaat anders uit.”</p> + +<p>’t Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij, +op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een +presidentshamer, stilte gebiedend: „Mannen, broeders! wat moeten we +met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij +mijn Helena, <span xml:lang="la">vulgo</span> Jetje, ontroofde?”</p> + +<p>„Laat ’m <span xml:lang="es">Puantos Infamos</span> rooken tot in eeuwigheid, dat ’s straf +genoeg!” riep er een.</p> + +<p>„Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!” schreeuwde een ander.</p> + +<p>„Doe ’m hertrouwen, dat’s nog erger!” meende een derde.</p> + +<p>„Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan „zoetekauw”,” +lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming +aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het +geraas z sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte +moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: „Mijne heeren! +ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op +exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die ’t pronkjuweel der +schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.—Ja! meneeren, +de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij +gedoogde niet, dat ik zijn spruit—de hemel weet, hoe hij zulk een +lief dochtertje gekregen heeft—kuste. Een kus in eeren, mag niemand +weren!—Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks +te doen. De smaad, mij en mijn <span xml:lang="es">commilitones</span> aangedaan, eischt +wraak,—niet waar, mijne heeren?—Wraak!”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_244">[244]</a></span> +„Wraak! Wraak!” klonk het in koor, begeleid door een gestamp en +gestommel, z hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven +en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: „Meheeren, breekt den boel +asjeblieft niet af!”—Juist op dat oogenblik gilde een van de acht: +„Zij zal gezoend worden, dat zweren we!”—een eedsaflegging, die de +oude hospita met een: „’t Is zonde—wat zal me nou overkomen!” eerst +de handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig +voor de oogen te brengen.</p> + +<p>Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de +vriendelijke woorden: „Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij +zijn geen antiquaren.”</p> + +<p>„We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne +individuen,” riep een ander. En Herman voegde er bij:</p> + +<p>„Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen +in vrede.” En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken: +„Jelui bent nog niet droog achter je ooren,” vertrokken was, vervolgde +hij:</p> + +<p>„Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend +worden.”</p> + +<p>„Dat zweren wij!” brulde ’t koor.</p> + +<p>„Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!”</p> + +<p>„Wij zweren!”</p> + +<p>De vergadering ging over in geheime zitting.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Sedert ruim drie weken was in Bommers’ winkel geen enkele vijg of +amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en +met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na, +dat ’t in zijn<span class="pagenum"><a id="p_245">[245]</a></span> winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan +vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: „’t Is +toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier +den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te +reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een +vrindelijk gezicht: „Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!” Dan weer +vroegen ze beleefd: „Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke +vader van Jetje?” Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn +en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo’n +klandizie wegblijven.” En in stilte dacht hij er bij: „De +jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal ’t lieve leven wel weer +van voren af aan beginnen.” Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de +handen en—verkocht koloniale waren.</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p>Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren +bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en +zou ’s avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den +kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader +Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van ’t station te +gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig, +ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg:</p> + +<p>„Heb ik ’t genoegen meneer Bommers te zien?”</p> + +<p>„Om U te dienen.”</p> + +<p>„U handelt in koloniale waren?”</p> + +<p>„Natuurlijk!”</p> + +<p>„Ook <span xml:lang="fr">en-gros</span>?”</p> + +<p>„Zeker!”</p> + +<p>„Kan ik U een oogenblik spreken?”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_246">[246]</a></span> +„Ja, hm!.... ik sta op ’t punt om uit te gaan.”</p> + +<p>„’t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid, +die geen uitstel duldt.”</p> + +<p>„Hum! Hum! ik moet iemand van ’t spoor halen, maar..” Bommers keek op +zijn horloge, „een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus....”</p> + +<p>„In ’n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. ’t Spijt +me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. ’t Was anders een zaak +geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een +spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan +toevertrouwen. Enfin! als ’t u onmogelijk is, dan....”</p> + +<p>Het jongmensch zag er z bedaard en fatsoenlijk uit, sprak z kalm, +overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en +verlegen werd.</p> + +<p>Wat te doen?—Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn +hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in ’t spaarzame +grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: „’t Is meer dan +hoog tijd,” en zei toen luid tot den winkelknecht: „Jan! ga jij dan +maar met de vigilante naar ’t station en haal de jongejuffrouw; dan +zal ik dezen heer te woord staan.” Bommers zag niet, hoe een fijn +glimlachje van voldoening over ’t gelaat van zijn bezoeker vloog.</p> + +<p>Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn +patroon op en holde den winkel uit; onder ’t heengaan wierp hij nog +een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: „’t Is me toch +precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien.”</p> + +<p>Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: „Nu, meneer?”</p> + +<p>Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: „Meneer! laat me +in de eerste plaats u beleefdelijk dank<span class="pagenum"><a id="p_247">[247]</a></span> zeggen voor de heusche, +<span xml:lang="en">gentlemanlike</span> manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven +hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen +afstaan.”</p> + +<p>De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde +iets als: „O! volstrekt niet, integendeel,” enz. Hij stond met zijn +rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige +vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen +keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even +bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door +een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om ’t hoekje van de deur +in den winkel werd gezet.</p> + +<p>„Meneer Bommers,” zei ’t beleefde jongmensch, „ik ben hier gekomen om +met u over ’t artikel stroop te spreken.”</p> + +<p>„Over stroop?”</p> + +<p>„Juist meneer, over stroop—s-t-r-o-o-p!”</p> + +<p>„Maar had dat dan zoo’n haast, dat u...?”</p> + +<p>„Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst +heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt: +secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft....”</p> + +<p>„Maar meneer!”</p> + +<p>„Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld—dat wil zeggen +de menschen—zijn allen vatbaar voor stroop; die ’t meest met den +strooppot loopt, komt ’t snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde +Judels in zijn onovertreffelijke <span xml:lang="fr">chansonnette</span> S-t-r-o-o-p, dat ieder +mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete +voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook +een philosoof.—O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt, +hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe....”</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_248">[248]</a></span> +De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn +toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan, +als wilde hij zeggen: „Ik geloof, dat jij niet goed bent,” en toen de +deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, ’t nut +en de aanwending daarvan in ’t maatschappelijk leven, zich daarbij in +vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke +hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers +angstig, want zulke taal was voor hem te machtig, en ’t zweet brak hem +uit, toen hij zijn bezoeker hoorde zeggen: „<em class="gesperrt">Stroop</em>, meneer Bommers, is +de melk der samenleving, de quintessence der beschaving en de hefboom +waarmee het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p geeft +in zes letters de oplossing van ’t moeielijk probleem: vrijheid, +gelijkheid en broederschap.”</p> + +<p>„Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt,” dacht +de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom, die hem +dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te vragen: +„Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?”</p> + +<p>Weer wenkte een hand om ’t hoekje van de deur, maar de kruidenier zag +het niet; ’t jongmensch wl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer +herhalend, zei: „Wat wou u nu eigenlijk?” klonk het antwoord hem als +een donderslag in de ooren: „Vijf pond beste stroop, als ’t u blieft!”</p> + +<p>„Vijf pond str-o-o-p?—Waarin?”</p> + +<p>„In dezen hoed, waarde heer.” Met een snelle wending had de jonkman +den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op +de toonbank gezet.</p> + +<p>„In dien h-oe-d?”</p> + +<p>„Juist!—Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht +hebben,” en de klant zag hem dreigend aan.</p> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_249">[249]</a></span> +Bommers’ oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als +theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan. +Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: ’t was +ongetwijfeld z, als hij reeds had gedacht,—een gek. Bliksemsnel +vloog hem de gedachte door ’t hoofd: met zulke menschen moet men +voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn +gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een +verwend knaapje:</p> + +<p>„’n Aardig idee, meneer,—stroop in een hoed.”</p> + +<p>„Ja, h? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in +een hoed haal!”</p> + +<p>Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond stroop +er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins somberen +toon:</p> + +<p>„’t Is een drama, meneer!—neen! een tragdie.—Zal u goed wegen, vijf +pond?”</p> + +<p>„Ja! ja!—Kijk maar, ruim gewogen!” en de winkelier zette den hoed met +stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met beide +handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon +verder: „’t Ruikt bijna als bloed!”—Bommers verschoot van +kleur.—„Weet u wat de Nemesis is?—Niet?—O, neen! u is immers niet +klassiek ontwikkeld.—Luister dus.—Een vriend van mij, een +boezemvriend, is doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen +vaderlijk wezen, dat Amor in ’t gezicht slaat en Venus haat.—O! +meneer! dat eischt wraak! Wrr-a-a-k!”</p> + +<p>Bommers kreeg ’t nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want ’t +jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij „stapel” was. Plotseling +wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er op en zei: +„Daar ligt geld, meneer,—’t slijk der aarde”, en toen plotseling<span class="pagenum"><a id="p_250">[250]</a></span> +vriendelijk lachend: „Ik krijg ƒ1.50 terug asjeblieft.”</p> + +<p>Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om ’t +hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps +zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds +bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn +klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep:</p> + +<p>„Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn +vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!”</p> + +<p>Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; ’t denkbeeld, iemand +met zoo’n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er niet om +te lachen, en giegelend riep hij:</p> + +<p>„Origineel! heel origineel! Dat ’s een koopje voor wien ’t treft—h! +h! h! h!”—Bommers lachte, dat hij schudde.</p> + +<p>„Ja, edele vriend! dat is ’t zeker!” antwoordde ’t jongmensch; hij +liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne +met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade.</p> + +<p>Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en +gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield +stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een +reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig +geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die +met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed.</p> + +<p>Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol +verwondering zag Bommers op,—om zijn dochter te +zien.—Neen!—plotseling zakten vijf pond stroop hem door de haren en +over de oogen en dreef een krachtige slag den ouden „kachelpijp” over +zijn neus. De arme vader<span class="pagenum"><a id="p_251">[251]</a></span> zei juist: „Genadige hemel! daar is...” ’t +Woord Jetje stierf reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte, +maar toch kon hij nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem +daemonisch lachend zijn eigen woorden teruggaf: „Origineel! heel +origineel! Een koopje voor wien ’t treft!”</p> + +<p>Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank +gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd—o! +snoodheid—achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen! +in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later +na veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op +die „vervloekelingen” schold, totdat Jan hem toevoegde: „Meheer, neem +me niet kwalijk, maar je zag d’r toch effetief komiek uit!” Toen +stortten de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen +winkelknecht en eerst ’s avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn +winkeliers- neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem +vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch +en echt van trouwen sprak en—niet met stroop liep.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum"><a id="p_inhoud">[-]</a></span></p> +<h2 class="gesperrt"><a id="INHOUD"></a>INHOUD.</h2> + +<table class="toc" summary="inhoudsopgave"> +<tbody> +<tr><td class="tdleft"></td><td class="tdright">Blz.</td></tr> +<tr><td class="tdleft"><a href="#EEN_BENEFIET"><span class="smcap">EEN BENEFIET</span></a></td><td class="tdright"><a href="#p_1">1</a>.</td></tr> +<tr><td class="tdleft"><a href="#EEN_MASSAGEKUUR"><span class="smcap">EEN MASSAGEKUUR</span></a></td><td class="tdright"><a href="#p_101">101</a>.</td></tr> +<tr><td class="tdleft"><a href="#BIJOU"><span class="smcap">BIJOU</span></a></td><td class="tdright"><a href="#p_119">119</a>.</td></tr> +<tr><td class="tdleft"><a href="#HENRI_DE_SNOEPER"><span class="smcap">HENRI DE SNOEPER</span></a></td><td class="tdright"><a href="#p_155">155</a>.</td></tr> +<tr><td class="tdleft"><a href="#DIRK_DE_SNORDER"><span class="smcap">DIRK DE SNORDER</span></a></td><td class="tdright"><a href="#p_173">173</a>.</td></tr> +<tr><td class="tdleft"><a href="#DE_FASHIONABELE_DINEUR"><span class="smcap">DE FASHIONABELE DINEUR</span></a></td><td class="tdright"><a href="#p_217">217</a>.</td></tr> +<tr><td class="tdleft"><a href="#HOE_JETJE_GEZOEND_WERD"><span class="smcap">HOE JETJE GEZOEND WERD</span></a></td><td class="tdright"><a href="#p_235">235</a>.</td></tr> +</tbody> +</table> + +<div class="TNbox"> +<a id="correctie"></a> + +<h1>Overzicht aangebrachte correcties</h1> +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr01">Blz. 3</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr02">Blz. 3</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr03">Blz. 3</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr04">Blz. 5</a></td><td class="td4">ochtenkleeding</td><td class="td4">ochtendkleeding</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr05">Blz. 5</a></td><td class="td4">„</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr06">Blz. 5</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr07">Blz. 6</a></td><td class="td4">ontstapt</td><td class="td4">ontsnapt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr08">Blz. 7</a></td><td class="td4">collegas</td><td class="td4">collega’s</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr09">Blz. 7</a></td><td class="td4"> </td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 7</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 9</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 9</a></td><td class="td4">mekar</td><td class="td4">mekar</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 10</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 10</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 10</a></td><td class="td4">muziekant</td><td class="td4">muzikant</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 19</a></td><td class="td4">[<i>(alinea-break)</i>]</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 20</a></td><td class="td4">„</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr21">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr22">Blz. 22</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr23">Blz. 22</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr24">Blz. 23</a></td><td class="td4">’N liefhebber</td><td class="td4">’n Liefhebber</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr25">Blz. 28</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr26">Blz. 36</a></td><td class="td4">Walter</td><td class="td4">Walten</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr27">Blz. 39</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr28">Blz. 48</a></td><td class="td4">Ha</td><td class="td4">H</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr29">Blz. 48</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr30">Blz. 50</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr31">Blz. 50</a></td><td class="td4">ltafel</td><td class="td4">latafel</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr32">Blz. 52</a></td><td class="td4">Walter</td><td class="td4">Walten</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr33">Blz. 53</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr34">Blz. 55</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr35">Blz. 56</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr36">Blz. 57</a></td><td class="td4">regisseur</td><td class="td4">rgisseur</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr37">Blz. 58</a></td><td class="td4">Walter</td><td class="td4">Walten</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr38">Blz. 58</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr39">Blz. 59</a></td><td class="td4">collga’s</td><td class="td4">collega’s</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr40">Blz. 59</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr41">Blz. 60</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr42">Blz. 65</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr43">Blz. 69</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr44">Blz. 80</a></td><td class="td4">aplaudissement</td><td class="td4">applaudissement</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr45">Blz. 81</a></td><td class="td4">oogenblikben</td><td class="td4">oogenblikken</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr46">Blz. 81</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr47">Blz. 84</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr48">Blz. 86</a></td><td class="td4">Balkons</td><td class="td4">Balcons</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr49">Blz. 86</a></td><td class="td4">Loge’s</td><td class="td4">Loges</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr50">Blz. 87</a></td><td class="td4">Laflche</td><td class="td4">Laflche</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr51">Blz. 87</a></td><td class="td4">Laflche</td><td class="td4">Laflche</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr52">Blz. 88</a></td><td class="td4">applaudiseeren</td><td class="td4">applaudisseeren</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr53">Blz. 88</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr54">Blz. 89</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr55">Blz. 90</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr56">Blz. 90</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr57">Blz. 92</a></td><td class="td4">Hostein’s</td><td class="td4">Hosteins</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr58">Blz. 92</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr59">Blz. 94</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr60">Blz. 94</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr61">Blz. 94</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr62">Blz. 94</a></td><td class="td4">e</td><td class="td4">ie</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr63">Blz. 95</a></td><td class="td4">Zouen</td><td class="td4">Zoun</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr64">Blz. 95</a></td><td class="td4">knien</td><td class="td4">knien</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr65">Blz. 95</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr66">Blz. 95</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr67">Blz. 95</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">’</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr68">Blz. 96</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr69">Blz. 98</a></td><td class="td4">Jalink</td><td class="td4">Jaling</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr70">Blz. 103</a></td><td class="td4">Himmel-donnerwetter</td><td class="td4">Himmeldonnerwetter</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr71">Blz. 107</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr72">Blz. 107</a></td><td class="td4">ondeel baar</td><td class="td4">ondeelbaar</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr73">Blz. 115</a></td><td class="td4">word</td><td class="td4">wordt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr74">Blz. 133</a></td><td class="td4">siesta</td><td class="td4">sista</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr75">Blz. 143</a></td><td class="td4">beeldtenis</td><td class="td4">beeltenis</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr76">Blz. 144</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr77">Blz. 147</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr78">Blz. 148</a></td><td class="td4">sous-terrain</td><td class="td4">sousterrain</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr79">Blz. 149</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr80">Blz. 151</a></td><td class="td4">sous-terrain</td><td class="td4">sousterrain</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr81">Blz. 152</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr82">Blz. 170</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr83">Blz. 178</a></td><td class="td4">mench</td><td class="td4">mensch</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr84">Blz. 179</a></td><td class="td4">andwoordt</td><td class="td4">antwoordt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr85">Blz. 181</a></td><td class="td4">tweede klasse</td><td class="td4">tweede-klasse</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr86">Blz. 184</a></td><td class="td4">n</td><td class="td4">N</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr87">Blz. 186</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr88">Blz. 188</a></td><td class="td4">Overijselsch</td><td class="td4">Overijsselsch</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr89">Blz. 189</a></td><td class="td4">zouen</td><td class="td4">zoun</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr90">Blz. 208</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr91">Blz. 214</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr92">Blz. 215</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr93">Blz. 215</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr94">Blz. 216</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">is</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr95">Blz. 232</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr96">Blz. 234</a></td><td class="td4">we</td><td class="td4">wel</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr97">Blz. 234</a></td><td class="td4">houd</td><td class="td4">houdt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr98">Blz. 234</a></td><td class="td4">[<i>Niet in bron</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's Papieren Kinderen, by Justus Van Maurik Jr. + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN *** + +***** This file should be named 29429-h.htm or 29429-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/4/2/29429/ + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/29429-h/images/cover.jpg b/29429-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..218e472 --- /dev/null +++ b/29429-h/images/cover.jpg diff --git a/29429-h/images/hr.png b/29429-h/images/hr.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3e161cd --- /dev/null +++ b/29429-h/images/hr.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..89d29b9 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #29429 (https://www.gutenberg.org/ebooks/29429) |
