diff options
Diffstat (limited to '29144-8.txt')
| -rw-r--r-- | 29144-8.txt | 3370 |
1 files changed, 3370 insertions, 0 deletions
diff --git a/29144-8.txt b/29144-8.txt new file mode 100644 index 0000000..6f3f3df --- /dev/null +++ b/29144-8.txt @@ -0,0 +1,3370 @@ +Project Gutenberg's Licht en Leven: Dubbele Twee. I., by Jac. van der Klei + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Licht en Leven: Dubbele Twee. I. + +Author: Jac. van der Klei + +Release Date: June 17, 2009 [EBook #29144] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT EN LEVEN: DUBBELE TWEE. I. *** + + + + + + + + + + +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan | + | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | + | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. | + | | + | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het | + | origineel zijn gecorrigeerd. | + | | + | De illustraties zijn alleen beschikbaar in de html-versie | + | van dit boek. (zie http://www.gutenberg.org) | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. | + | | + +--------------------------------------------------------------+ + + + + + LICHT EN LEVEN + + LEESBOEK VOOR HET + VIERDE LEERJAAR + + DOOR JAC. v. d. KLEI + HOOFD EENER SCHOOL TE OOSTERWOLDE (F.) + + + I. DUBBELE TWEE. + + [Illustratie: ANNO 1863 + Waeksaem In Thyme's Eedel Cruyt] + + ZUTPHEN.--W. J. THIEME & C^{IE}.--1915. + + + + +INHOUD. + + + Hoofdstuk. Bldz. + + I. Twee levenmakers. 1 + II. Moe wordt ziek. 5 + III. Een verrassing. 11 + IV. Naar buiten. 15 + V. Jo en Nel ontdekken buurtjes. 19 + VI. Jo en Klaas maken kennis. 25 + VII. Kousvoeteling. 29 + VIII. »Dubbele Twee.« 35 + IX. Klaas kent geen bedotter. 40 + X. Als je mekaar fopt.... 45 + XI. Dina en de muis. 47 + XII. Arm moedertje! 52 + XIII. Moeilijke oogenblikken. 58 + XIV. Het witje. 63 + XV. Vogelgeluk. 67 + XVI. Nestje. 72 + XVII. Kinderverdriet. 73 + XVIII. Hoera! daar gaan ze. 77 + XIX. Meesters voorspelling. 83 + XX. Niet in z'n bloote velletje. 89 + XXI. Twee neuzen zoek. 94 + XXII. De terugkomst. 99 + XXIII. Terugkomst. 103 + + + + +I. + +Twee levenmakers. + + +'t Was in 't laatst van November. + +De dagen waren al kort. En ze leken nog korter, doordat de lucht +meestal met donkere wolken was bedekt. + +Mevrouw Veenhof zat in de slaapkamer op een stoel, waarop ze even +neergevallen was. Ze had hard gewerkt, want Dina, de meid, was er +niet. Die bracht een bezoek aan haar jarige moeder, een paar uren +buiten de stad. Nu had mevrouw het werk alleen moeten doen en daardoor +gevoelde ze zich moe. + +»Hé, dat Johan en Nelly nog niet thuis zijn! De school is nu toch wel +uit«, dacht ze. + +Ze keek op de klok. + +»Kwart over vier! Ik dacht, dat het later was; 't is al zoo donker. +Maar nu zullen de kinderen er toch wel gauw zijn. Wacht, hoor ik ze +daar niet?« + +Haastige voetstappen klonken op de straat voor de woning. Daarna ging +de deur open en klapte met een luiden slag weer toe. + +De deur van de huiskamer piepte eventjes. + +»Moe!« riep een meisjesstem. + +Mevrouw Veenhof lachte en hield zich stil. + +[Illustratie] + +»Moe!« riep de stem nog eens. En toen nog eens en nog eens: + +»Moe! Moe!« + +»Waar zou ze zijn, Nel?« vroeg een jongensstem. + +»Ik weet het niet, Jo! Toe, roep jij eens!« + +Toen schreeuwde een luide, hooge stem: »Moe, waar is u?« + +»Ik zal ze maar niet laten zoeken«, dacht mevrouw. + +»Hier«, riep ze, »in de slaapkamer!« + +Maar och, och, wat speet het haar, dat ze dat gezegd had. + +»Bom, bom, bom, bom!« + +Met een vreeselijk lawaai stormden Jo en Nel de trap op. + +»Je schoenen, je schoenen!« riep mevrouw. + +»Schoon«, riepen de kinderen, »honderd maal geveegd!« + +»Ja, ja, dat zie ik. Kijk eens, de stukken modder vliegen achter jelui +uit. Ondeugende kinders, dat je bent....« + +Meer kon ze niet zeggen. Want Nel pakte haar van den eenen kant aan +en Jo van den anderen. + +»Waarom is u weggekropen? Nu zullen we u eens eventjes mores leeren!« + +»Maar ik....« + +»Nee, u mag niet tegenspreken; u is wel weggekropen; u wou ons foppen! +Foei!« + +En de ondeugden trokken aan de lachende moeder, en duwden haar, dat +het schande was. Maar de moeder zelf vond het geen schande. Nee hoor, +ze had de grootste pret. Ze liet wat met zich sollen, maar toen zei ze +ineens: + +»Dag Jo, dag Nel!« + +Hé ja, dat hadden de wildzangen vergeten. + +»Dag moe«, zeiden ze. En meteen gaven ze moe, wat haar toekwam. + +»En nu gaan we naar beneden, hoor! Wel foei, wat heb je me moe +gemaakt. Vandaag heb ik nog wel zoo hard moeten werken! Jelui had je +arme moeder wat moeten sparen.« + +»Gaat die arme moeder nu straks met ons naar het station?« vroeg Jo. + +»Ja, arme moeder?« vroeg Nel. + +»Ik geloof, dat het beter is, dat ik thuis blijf.« + +»Dat meent u toch niet?« riepen twee stemmen verschrikt. + +»Dat meen ik nu wèl«, zei moe. »Ik voel me niet erg lekker; ik ben +moe en huiverig.« + +»Och toe, laten we pa van den trein halen! Wat zal die anders wel +zeggen?« + +»Hij zal wel thuis komen, kinderen. Echt waar, 't is beter, dat ik +binnen de deur blijf.« + +»Dan mogen wij ook niet«, zuchtte Nel. »En we hadden er nog wel op +gerekend. Als u uw diksten mantel aantrekt....« + +Mevrouw dacht even na. Ze begreep wel, dat het voor de kinderen een +heele teleurstelling was, als ze hun vader niet van den trein mochten +halen. + +»Dan moet het maar gebeuren«, zei ze eindelijk. »Ik zal er me goed +instoppen.« + + + + +II. + +Moe wordt ziek. + + +Een uurtje later liepen een dame en twee kinderen door de bijna +verlaten straten. De wind woei om de hoeken heen met zooveel kracht, +dat het drietal er met moeite tegenin kon komen. En de wolken lieten +droppels vallen; eerst enkele, maar weldra meer en meer. + +»Wat een weer«, zuchtte mevrouw Veenhof. »Waren we maar niet gegaan, +of hadden we tenminste maar een rijtuig genomen!« + +[Illustratie] + +Jo en Nel zeiden niets. Ze vonden 't weer ook wel heel leelijk, maar +ze verlangden erg naar hun vader. Ze hadden hem in een week niet +gezien. + +Een kwartier later hadden ze hem weer bij zich. Jo hing aan zijn +eenen en Nel aan zijn anderen arm. + +»Hoe durfde je er door?« vroeg meneer Veenhof. + +»Och, de kinderen«, zei z'n vrouw. + +»'t Is immers geen weer om te loopen. We nemen een rijtuig, hoor!« + +»Heerlijk«, riepen Jo en Nel. »Dat winnen we d'r bij.« + +Eenige minuten later reden ze gezellig door den stormwind. Gezellig, +want ze zaten zoo welbeschut, nu buiten het rijtuig de wind gierde. + +Spoedig waren ze thuis. + +»Hè, foei, dat was me straks een tochtje«, zei mevrouw, toen ze goed +en wel op den stoel zat. »Ik heb er waarlijk pijn in de zij van +gekregen.« + +Meteen hoestte ze en trok rimpels in haar gezicht. + +»Wat mankeert er aan?« vroeg meneer. + +»Het hoesten doet me pijn.« + +»In de zij?« + +Mevrouw knikte. + +»'t Was ook geen weer om uit te gaan«, zei meneer. »Ik hoop, dat het +maar gauw wat opknapt.« + +De kinderen gingen om acht uur naar bed. + +Pa en moe bleven nog een poos praten, maar vroeger dan gewoonlijk +schoven ze ook maar onder de dekens. + +Moe hoestte en rilde en was voortdurend wakker. + +En den volgenden morgen kon ze niet opstaan. + +»Jo, loop eens naar dokter Thijssen, en vraag, of hij dadelijk wil +komen«, zei pa. + +»Ja, pa!« + +Jo liep zoo hard hij kon; want z'n moeder was immers ziek! + +O, wat speet het hem, dat hij en Nel haar gisteren overgehaald hadden +naar het station te gaan. + +Nooit, nooit zou hij 't weer doen. + +Terwijl hij zoo dacht, liep hij als een haas. + +Gelukkig, de dokter was thuis. + +»Over een kwartier ben ik bij jelui«, zei hij. + +En dat was hij ook. Toen hij hun woning verlaten had, hoorden de +kinderen, wat moe scheelde. + +»Longontsteking«, zei pa. + +En z'n gezicht stond heel ernstig. + +De ziekte van mevrouw Veenhof verergerde snel. Na een paar dagen was +de arme vrouw erg zwak geworden. Ze leed aan hevige koortsen en ijlde +dikwijls. + +Vol zorg keek haar man dan naar de zieke. + +En Jo? En Nel? + +Jo had nergens plezier in. Zijn beste vrienden konden hem niet mee +krijgen. Als de school uitgegaan was, liep hij op een draf naar huis. +Dan keek hij naar z'n moe en ging voor haar bed zitten. Maar lang +hield hij dat nooit vol. Na korten tijd stond hij op en zwierf door +het geheele huis. En dan ging hij opnieuw naar de ziekenkamer en zette +zich doodstil neer. + +Nel was bijna altijd bij moe. Dat wil zeggen, als ze mocht. Want pa +wou het niet altijd hebben. Maar als ze mocht, zat ze voor het +ledikant. En dan nam ze moe's hand in de hare. En dan gaf ze moe, wat +die noodig had: drinken of een stukje sinaasappel, of een lepel uit +het medicijnfleschje. Dat laatste vooral deed ze heel graag. Want dat +moest moe genezen. + +Nu, gelukkig kwam er na een dag of tien beterschap. De koortsen bleven +weg en moe herstelde, langzaam aan. + +Ja, langzaam aan; eigenlijk te langzaam. + +De hoest wou maar niet verdwijnen en moe's wangen bleven bleek. En d'r +handen waren nog zoo dun en wit. + +Maar eindelijk mocht ze toch weer in den stoel voor het raam zitten. + +Dat was een feest voor de kinderen. + +Jo droeg een leuningstoel aan en Nel legde er een paar kussens in. + +»Want moe moet gemakkelijk zitten«, dacht ze. + +[Illustratie] + +En toen keken de beide kinderen stil als muisjes toe, hoe pa moe +steunde. + +Voetje voor voetje ging het. + +Gelukkig, daar zat moe. + +Toen klopten de hartjes van Jo en Nel erg blij. Want nu hadden ze hun +lief moedertje terug; nu zat ze voor het raam en lachte. + +Ze gingen elk aan een kant van den leunstoel staan en toen... + +Ja, toen zeiden ze niets en toen deden ze niets. + +Ze hadden gedacht, dat ze een danspartij zouden houden. En nu waren ze +stil en hielden elk een vermagerde hand vast. + +Toch vonden ze 't niets vreemd. + +Toch waren ze erg, èrg blij! + + + + +III. + +Een verrassing. + + +Mevrouw Veenhof kon in de stad maar niet herstellen. + +'t Werd Februari; 't werd Maart; doch ze bleef maar zwak. + +»U moet naar buiten, mevrouw«, zei dokter Thijssen. »Als de mooie +dagen komen, moet u naar den zandgrond. Naar de bosschen om frissche +lucht te happen.« + +Dat zei hij ook tegen meneer Veenhof. + +En weet je, wat die deed? + +Hij sprak er met z'n broer over. + +Meneer Veenhof en z'n broer waren kooplieden. Samen dreven ze handel +en op hun winkelramen stond: »Gebroeders Veenhof.« + +»Als de dokter het zegt, moet het gebeuren«, zei de broer. + +»Maar m'n vrouw kan toch niet alleen gaan!« + +»Wel, ga dan met je heele huishouding. Huur een woning in Overijsel of +in Friesland. Dan kun jij daar voor onze zaak werken, terwijl ik hier +in Amsterdam blijf.« + +»Dat zou kunnen«, zei meneer Veenhof. »Daaraan had ik niet gedacht. +Ik ga vandaag gauw een paar advertentie's schrijven, waarin ik een +woning te huur vraag.« + +Denzelfden dag deed hij het ook nog en twee weken later was de zaak +voor elkaar. + +Op een middag kwam meneer thuis. + +»Waar zijn Jo en Nel?« vroeg hij. + +»Die doen even een boodschap, maar ze komen gauw terug. Heb je ze +noodig?« + +»Ja«, zei meneer en hij lachte. + +»Wat kijk je vroolijk, man«, zei mevrouw. + +»Ik ben ook vroolijk.« + +»Waarom? Toe, vertel het me eens.« + +»O, ongeduldige vrouw! Nee, je moet wachten tot Jo en Nel teruggekeerd +zijn.« + +Nu, die kwamen spoedig. + +»Dag, pa!« zei Jo. + +»Dag, pa!« zei Nel. + +»Dag, jongens!« + +»Zijn jelui daar eindelijk«, zei mevrouw lachend. + +»Eindelijk, moe? We hebben hard geloopen.« + +»Maar ik heb op jullie gewacht. Pa heeft een nieuwtje en dat moest +jullie ook hooren. Ik mocht het niet eerder weten. En 't is zeker goed +nieuws; kijkt maar eens, hoe pa lacht.« + +»Wat is het, pa?« vroeg Nel haastig. + +»Ja, kind, als je dat eens wist!« + +»Hoe gauwer u 't vertelt, hoe gauwer ik 't weet.« + +»Wel, wel, hoor me zoo'n heks eens aan. En als je 't weet, wat doe je +dan?« + +»Hoe kan ik dat nou zeggen, plaaggeest!« + +Nel ging op pa's knie zitten en trok hem eens aan z'n knevel. + +»Als u 't niet gauw zegt....«, dreigde ze. + +Pa deed precies, of hij schrok. + +»Nee, nee«, zei hij, »maak geen Chinees van me. Ik zal je alles +vertellen. We.... gaan.... Nou, raadt eens! Moe eerst!« + +»Eten«, zei moe. + +»Ja, dat ook; maar dat bedoel ik niet.« + +»Naar de bioscoop«, riep Jo. + +»Mis, mannetje. Nou jij nog, kleine heks!« + +»Een uitstapje maken naar Haarlem.« + +»Ook niet. Dan zal ik 't maar zeggen. Jelui bent toch niet slim genoeg +om het te raden. We gaan.... verhuizen.« + +»Verhuizen?« vroeg Nel. + +»Verhuizen?« riep Jo. + +»Verhuizen?« herhaalde moe. + +En alle drie keken ze pa verwonderd aan. + +»Maar we hebben immers een best huis«, zei Moe. »Waarvoor zullen we +al die drukte maken? Je meent het toch niet, man?« + +»Zeker, zeker, ik meen het.« + +»Dat spijt me; waar heb je dan een huis gehuurd?« + +»Ja pa, waar? In welke straat komen we nu te wonen?« + +»In de hoofdstraat, moe; in de hoofdstraat, kindertjes In de +hoofdstraat van het dorp Breedega. Want we gaan naar buiten: ons +moedertje moet heelemaal genezen.« + + + + +IV. + +Naar buiten. + + +»Hoera, dat is echt!« riep Jo. + +»Nou, of!« zei Nel. + +Ze wipte van pa's knie en klapte in de handen. En toen pakte ze Jo +vast en danste met hem in 't rond. Precies een paar dolle kinderen. + +[Illustratie] + +»Ik zou wel tot den zolder willen springen, zoo blij ben ik«, riep Jo. + +»Ik wel tot het haantje van den toren,« lachte Nel. + +»Nou, zeg, als je dan neerviel.....« + +»En wat zegt moe er van?« vroeg pa. + +»Ik vind het heerlijk; maar ik had niet gedacht, dat het kon.« + +»Het kàn, hoor! M'n broer blijft hier en wij gaan naar Friesland. Daar +zul je wel gauw heelemaal opknappen, moedertje!« + +»Ik meende, dat het er nat en laag was«, zei mevrouw. + +»In 't oosten niet; daar is de bodem hoog en zandig. En wij gaan naar +Breedega, en dat ligt in 't oosten. Ik heb er een huis gehuurd met +drie kamers en een keuken. En dan is boven nog een logeerkamertje.« + +»Wanneer gaan we er heen, pa?« + +»Als 't Mei is, Nel.« + +»Dat duurt nog zoo lang«, zei 't meisje. + +»Maar ruim drie weken meer.« + +»Dat is erg lang; wat zeg jij, Jo?« + +»IJselijk lang,« antwoordde Jo. »Hoe lang blijven we er, pa?« + +»Tot de mooie dagen voorbij zijn. Als de herfststormen waaien, gaan we +naar Amsterdam terug.« + +»Wat een lange tijd! En gaan we dan bij de boeren wonen? + +En moeten we daar dan ook naar school? En hebben we een tuin; en +krijgen we konijnen; en mogen we visschen; en zijn er appelboomen; +en....« + +»Ho, ho, ho,« lachte pa. »Wilden jullie de heele wereld misschien ook +hebben?« + +»Nee pa, maar....« + +»Ja, ja, je wou liefst alles hebben, en dan nog wat.« + +Jo lachte en Nel lachte. D'r oogen schitterden van blijdschap. Ineens +grepen ze elkaar weer vast en sprongen opnieuw de kamer rond. + +Daar zag Nel de piano. + +»Moe, nou moet u spelen: »Naar buiten.« Dat hebben we zoo vaak +gezongen, als we in de stad bleven. En nou gaan we echt naar buiten.« + +»Ja, moe; u spelen en wij zingen«, riep Jo. + +Moe speelde den laatsten tijd niet veel: ze had er meestal weinig lust +in. Maar nu was ze ook vroolijk. Ze ging voor de piano zitten en +weldra klonk het: + +[Illustratie: Naar Buiten.] + + Naar Buiten. + + Naar buiten, naar buiten, + De zon is in 't veld! + Ze trekt nu de spruiten + Door klonters en kluiten, + Ze lacht in de ruiten; + Naar buiten, + Naar buiten, + Naar buiten gesneld! + + Naar buiten, naar buiten, + De lucht is zoo klaar! + De wind en de schuiten + Zijn blijde kornuiten; + De merelkens fluiten: + Naar buiten, + Naar buiten, + Hoe heerlijk is 't daar! + + Naar buiten, naar buiten, + De wei is zoo groen! + De grasjes ontspruiten; + De bloemkens ontsluiten + De blaadjes: daar buiten, + Daar buiten, + Daar buiten, + Wat is er te doen? + + + + +V. + +Jo en Nel ontdekken buurtjes. + + +De Mei was gekomen en had bloemen en bladeren gebracht. En ze had de +familie Veenhof doen verhuizen. Vader en moeder woonden nu met hun +kindertjes en Dina, de meid, in Breedega. + +'t Was een heele reis geweest van Amsterdam naar het kleine dorpje. +Gelukkig was de woning heelemaal klaar, toen de familie kwam. Dina was +een paar dagen te voren vooruit gegaan. Ze had het huis schoongemaakt +en de meubels een plaats gegeven. Veel kasten en tafels en stoelen +waren er niet; de meeste waren in Amsterdam gebleven. In de woning van +meneer z'n broer waren ze onderdak gebracht. + +»Wel, Dina, wat heb je alles keurig netjes«, zei moe. + +»Vindt u, mevrouw?« + +»Ja, hoor; wat zeg jij d'r van, man?« + +»Dina heeft eer van haar werk«, zei pa. + +Nel en Jo vonden het huis ook mooi. Die vonden alles mooi. Ze waren +moe van de reis, maar toch stormden ze den tuin in. + +»Wat een groote«, riep Jo. »Kijk eens Nel, boomen ook! Wat bloeien ze +mooi!« + +»Prachtig! Wat zouden 't zijn?« + +»Ik wed, appelboomen.« + +»Maar 't kunnen ook wel pereboomen zijn!« + +»Zullen we eens vragen?« + +Jo liep al hard weg; Nel volgde hem. + +»Pa, wat voor boomen staan er in den tuin? Ze zijn heelemaal wit van +bloesems.« + +»Vruchtboomen«, zei pa. + +»Ja, dat weten wij ook wel. Maar welke?« + +Pa liep even mee naar buiten. + +»Kijk, dat is een appelboom, en dat ook, en dat zijn een paar +pereboomen. En daar staat een uitgebloeide kerseboom.« + +»Heerlijk; wat zullen we smullen«, riep Nel. + +»Zoover is 't nog niet, juffertje. Je zult nog wel wat geduld moeten +hebben.« + +»Dat heb ik wel, pa. Als ik maar vast, vast, vast weet, dat die +lekkere appels en peren en kersen komen.« + +»Dan is het goed.« + +Pa ging naar binnen. + +Maar Nel en Jo vonden 't in den tuin veel te mooi. Ze ontdekten een +prieeltje met een bank er in. Het was bijna geheel verborgen onder +wilde hop. En welk een heerlijk grasveld was er! Daar kon je naar +hartelust in om en om-rollen; vuil werd je niet. + +»Zeg Jo, kom eens hier!« riep Nel. + +»Waar ben je?« + +»Hier, bij de heg.« + +Jo ging naast z'n zusje staan. + +»Wat is er?« vroeg hij. + +»Kijk daar eens; wat een paar leuke huisjes.« + +»Wat klein zijn ze; zulke zie je in Amsterdam niet.« + +»Wie zouden er wonen?« + +»Hoe zou ik dat nou weten!« + +Dat was waar. Maar Dina kwam juist den tuin in. Misschien wist die het +wel. + +»Dina«, vroeg Nel, »wie wonen er in die leuke huisjes?« + +»Aardige menschen«, zei Dina. »Twee vaders, twee moeders en zeven +kinderen. Ik ken ze al. In dat huisje woont de familie Veen en in dat +andere de familie Zwart.« + +»Ik wou, dat ik eens iemand zag«, fluisterde Nel. + +Pas had ze dat gezegd, of twee kinderen kwamen naar buiten. Verbaasd +bleven die even staan. Ze hadden Jo en Nel ontdekt. Met verwonderde +oogen keken ze de stedelingen aan. De monden gingen een beetje open en +de armen hingen slap neer. + +[Illustratie] + +Toen stoven ze ineens naar d'r huisjes terug. Zeker wilden ze het +groote nieuws vertellen, dat ze buren hadden gekregen. + +»Hoe heeten ze, Dina?« vroeg Nel. + +»Die jongen heet Klaas Veen, en dat meisje Kee Zwart«, zei Dina. + +[Illustratie] + +»Hoe oud zouden ze zijn?« + +»Dat weet ik niet. Misschien een jaar of acht, negen.« + +Nel was bijna tien jaar en Jo haast negen. + +»Dan zouden we met ze kunnen spelen«, zei Jo. + +»Wel zeker«, zei Dina, »'t zijn heel aardige kinderen.« + +Dina ging weer naar binnen, en Jo en Nel bleven dus alleen. + +Ze wachtten en wachtten of Klaas en Kee ook opnieuw zouden +verschijnen. + +Ja, hoor, daar kwamen ze aan; daar stonden ze al. + +»Zullen we ze roepen?« vroeg Jo zacht. + +»Durf jij?« fluisterde Nel terug. + +Geen van de twee durfde. + +En Klaas en Kee durfden zeker ook niets te zeggen. + +Zoo stonden de beide paartjes ongeveer twintig meters van elkaar. Ze +keken en keken en ze wilden graag met elkaar praten. Maar ze deden het +niet! + +Daar verscheen pa. + +»Domme kinders«, lachte hij, »je eet mekaar toch niet op.« »Komt hier +eens heen«, riep hij tegen Klaas en Kee. + +En weet je wat die deden? Ze keken dien vreemden meneer eens aan en +toen...... Toen schuifelden ze zachtjes aan achteruit, en verdwenen om +den hoek van het eene kleine huis. + +Voor zoo'n meneer met een wit vest aan waren ze bang. + +Meneer Veenhof lachte en ging met Jo en Nel naar binnen. + +»'t Zal wel veranderen«, lachte hij; »'t zal wel veranderen.« + + + + +VI. + +Jo en Klaas maken kennis. + + +Den volgenden middag gingen Jo en Nel naar de dorpsschool. + +Ongeveer zeventig kinderen vermaakten zich op de speelplaats. Ze +maakten een lawaai, dat iemand hooren en zien verging. + +Maar toen de twee stedelingen kwamen, werd alles stil. + +»Daar zijn ze; daar zijn ze!« + +Zoo klonk het van alle kanten. + +Nieuwsgierig keken jongens en meisjes Jo en Nel aan. Die vonden het +niets prettig. Ze gingen dicht bij de deur staan, en ze hoopten, dat +de meester maar gauw kwam. Maar die was bezig de borden te beschrijven +en bleef dus in school. + +Daar kwam een dikke jongen aanstappen. + +»Dag«, zei hij; »ik ken je wel!« + +Hij zette z'n beenen een eind van elkaar en stak de handen in z'n +broekzakken. + +»Hoe heet je?« vroeg hij. + +»Jo«, zei Jo. + +»Jo? Wat een gekke naam! Ik heet Klaas.« + +[Illustratie] + +Hij keek net, of hij zeggen wou: »Dat is een heel andere naam, +kereltje!« + +»Hoe oud ben je?« vroeg hij toen. + +»Acht jaar«, zei Jo. + +»Ik ben ook acht. Wil je met me spelen? Ik woon naast je.« + +Het leek Jo erg begeerlijk. Maar hij durfde zich nog niet goed te +bewegen. En hij kon Nel toch ook niet laten staan, alleen tusschen al +die vreemde kinderen! Dien dikken jongen herkende hij nu wel. Hij had +hem gisteren immers gezien over de haag heen. + +»Ik kan niet«, zei hij. »Dan blijft Nel alleen staan.« + +»Nou, wat hindert dat«, riep Klaas. »Toe, doe maar mee; we zullen +juist tikkertje doen!« + +Maar Jo wou bij zijn zusje blijven. + +»Wat flauw«, mopperde Klaas, toen hij opnieuw spelen ging. + +Eindelijk kwam de meester buiten. 't Was een lange man met een bril +op. Hij praatte een poosje met Jo en Nel. En toen wist hij alles, wat +hij weten moest. + +De school begon. + +En weet je, waar Jo nu zitten moest? Naast Klaas, in de vierde klasse. + +»Jelui zijn immers buren«, zei meester. + +Klaas had een kleur als vuur. Hij had al gehoopt, dat de nieuweling +bij hem mocht zitten. En nou gebeurde dat ook. + +Nel werd in de vijfde klasse geplaatst, naast een meisje, dat Jantje +heette. + +Daarna konden de vierde en de vijfde klasse beginnen met het +rekenwerk, dat op het bord stond. En meester ging naar de hoogste +afdeeling, waarin »de geleerden« zaten. + +Klaas begon verwoed te rekenen. Ook Jo deed z'n best. + +Zoo ging het ruim een half uurtje. Toen kon Klaas het niet langer +uithouden. + +»Zeg, kom je vanmiddag bij me?« vroeg hij. + +»Ik weet het niet«, fluisterde Jo. + +»Doe 't maar; ik heb ook jonge konijnen.« + +»Hoeveel?« + +»Vijf. Nou, kom je?« + +»Ik denk het wel«, zei Jo. + +»Ze zijn al veertien dagen, en er is één wit bij.« + +Dat moest Jo bepaald zien. + +»Ik ga mee«, zei hij. »Hoe laat gaat de school uit?« + +»Om half vier.« + +»O, en we eten....« + +Dit gesprek werd zacht fluisterend gevoerd. Maar meester scheen aan +alle kanten oogen en ooren te hebben. + +»Klaas....,« riep hij, »kom eens hier!« + +Schoorvoetend kwam Klaas nader. + +»Waar had je 't over, m'n ventje. 't Was zeker over een zaak van +gewicht.« + +Klaas zweeg. + +»Vooruit nou, waar praatte je over?« + +»Over m'n konijnen, meester«, zei de jongen fluisterend. + +»Over dat mooie witje?« + +»Ja meester.« + +»Zal ik je eens wat zeggen, Klaas? Je mag dat mooie witje wel present +geven aan Jo. Maar je mag er hier in school niet over babbelen. +Begrepen?« + +»Ja, meester.« + +»Ga dan maar terug naar je plaats.« + + + + +VII. + +Kousvoeteling. + + +»Dat kun je begrijpen; ik zal m'n mooie witje weggeven«, dacht Klaas. +»Ik zou gek zijn, als ik 't deed.« + +Hij ging op z'n plaats zitten en zei niets meer. + +Ook Jo zweeg. + +Stilletjes werkten ze door. Een paar keeren maar gedurende den +geheelen middag fluisterden ze een woordje. + +Maar toen de klok half vier had geslagen, waren ze blij. Vlug borgen +ze de schriften weg. + +»Ga je nou mee?« riep Klaas, toen ze buiten de school waren. + +»Graag«, antwoordde Jo. »Kom Nel«, riep hij. + +Met z'n drieën liepen ze vlug den weg op. En weldra hadden ze de +woning van Klaas bereikt. + +Daar achter, op een grasveldje, stond een hok met traliën. + +Maar er was geen bodem onder aan den eenen kant. + +»'t Is de loop«, zei Klaas. »Hier kunnen ze gras eten.« + +[Illustratie] + +Hij deed het hok aan den achterkant open. Nel en Jo keken nieuwsgierig +naar binnen. Daar zagen, ze in een wollig nestje vijf jonge +konijntjes liggen. Vier er van waren grijsbont, maar 't vijfde was +spierwit. Klaas legde z'n pet op den grond en vlijde de beestjes er +in. Maar het witje nam hij in z'n handen. + +»Kijk eens, wat een mooi velletje; en wat een mooie oogen. Zie je wel, +dat ze rood zijn?« + +»Och, wat snoezige diertjes«, riep Nel. + +Jo zei niets. Maar z'n oogen schitterden. + +»Heb je wel eens mooier gezien?« vroeg Klaas met trots. + +»Nee, nooit«, zei Jo. + +Hij streek met z'n vingers over 't donzige kopje en lichtte de fijne +oortjes even op. + +»Ik wou, dat ik er ook zoo een had.« + +»Ik wil het toch niet missen«, zei Klaas. + +Dat begrepen Jo en Nel best. + +»Maar dit zijn toch ook lieve diertjes«, zei Nel. »Kijk ze eens bij +mekaar kruipen. Ze worden koud.« + +Daar kwam nog een kijkster aan. 't Was een leuk meisje met aardige +krulletjes. Die vielen over haar rug heen; net allemaal +kurketrekkertjes. + +»Zeg Kee, ze zijn al weer gegroeid«, riep Klaas. + +»Wie is dat?« vroeg Nel. + +»Dat is Kee; ken je Kee niet? Die woont hiernaast, in dat huis.« + +Het meisje zei niets, maar ze keek de drie kinderen met vriendelijke +oogjes aan. + +Eindelijk legde Klaas de konijnen weer in d'r nestje en sloot het hok. + +»Over veertien dagen zijn ze groot«, zei hij. »Dan kunnen ze bij de +oude vandaan.--Zullen we nou spelen?« + +Jo en Nel wilden graag, maar ze moesten 't even thuis vragen. + +Nu, pa en moe vonden het goed, dat ze kennis maakten met d'r buurtjes. + +»Maar om half zes thuis wezen, hoor; anders vind je den hond in den +pot. En weest voorzichtig!« + +»Ja moe«, riepen de twee kinderen en weg vlogen ze. + +Een poosje later was de pret in vollen gang. + +Twee jongens en twee meisjes liepen zoo hard ze konden om de beide +kleine huisjes heen. Ze deden tikkertje. + +Klaas trok z'n klompen uit, dan kon hij harder loopen. Nu kon Jo hem +niet tikken. + +»Loop ook op je kousen«, zei Klaas. + +»Ik weet niet, of het wel mag; in Amsterdam deed ik het nooit«, +antwoordde Jo. + +»O, 't gras is zoo zacht; 't doet heelemaal geen pijn, als je er over +loopt.« + +Jo wou toch de schoenen maar niet uittrekken. + +»Durf je niet?« vroeg Klaas. + +»O, zeker wel.« + +»Nou, doe het dan! Anders zeg ik, dat je niet durft.« + +Ja, nu moest Jo z'n moed wel toonen. + +Hij maakte de veters los en even later.... daar sprong hij heen. Wat +liep dat leuk; zoo licht, zoo gemakkelijk! + +En het mooiste was: nu kon hij harder loopen dan Klaas. + +Toen Nel zag, dat Jo op z'n kousen liep, zei ze: »Dat mag je niet +doen.« + +»'t Hindert ook wat; we doen 't hier allemaal«, zei Klaas. + +»Ik doe straks m'n schoenen weer aan«, dacht Jo. »Moe ziet er toch +niets van.« + +[Illustratie] + +Maar dat kwam anders uit. + +Want toen het half zes was, kon Jo z'n schoenen niet aan de voeten +krijgen. Die waren door de warmte veel te veel gezwollen. En de +schoenen waren niet ruim. + +Hoe nu? + +Een poosje later keerde Nel naar huis terug. Achter haar liep Jo met +z'n schoenen in de hand. Hij hoopte, dat moe hem niet zou zien; dan +zou hij vlug een paar pantoffels aantrekken. + +Maar moe zag hem wel. + +»Wat is dat?« zei ze verwonderd. + +Jo vertelde, wat er gebeurd was. + +»'t Is wat moois«, mopperde moe. »Laat je kousen eens zien!« + +Jo tilde z'n eenen voet op; hij schrok zelf van 't geen hij zag. + +Onder den voet zat een dikke laag groenachtige modder. + +Vijf minuten later zat hij met z'n voeten in 't bad en een paar +schoone kousen lagen naast hem. + +En voor hem stond z'n moeder en zei streng: »'t Mag volstrekt niet +weer gebeuren, hoor!« + +»Nee moe«, zei Jo. + +En z'n stem klonk wel een beetje benauwd. + +[Illustratie] + + + + +VIII. + +»Dubbele twee.« + + +Jo en Nel voelden zich al gauw thuis in Breedega. + +Ze konden het met de andere schoolkinderen best vinden. Maar groote +vrienden werden ze met hun buurtjes: Klaas en Kee. Na veertien dagen +zag men Jo nooit zonder Klaas en Nel nooit zonder Kee. En heel vaak +waren ze met d'r vieren. + +[Illustratie] + +Een van de grootste schooljongens had een aardigen naam voor hen +gevonden. + +»Kijk«, zei hij op een keer, »daar komt »dubbele twee« ook weer aan.« + +Alle kinderen, die 't hoorden, lachten. + +En na dien tijd noemden ze ons viertal altijd »dubbele twee.« + +Het was een gepaste naam, nietwaar? + +Klaas leidde Jo overal rond. Na korten tijd kende de stedeling niet +alleen het dorp, maar ook de omgeving. Vooral de bosschen en het water +vond hij mooi. En de weilanden ook met al die kleurige bloemen, en de +akkers.... + +Och, eigenlijk vond hij alles mooi. En hij vond het erg aardig, dat +Klaas hem zooveel liet zien en hem zooveel vertelde. + +Maar Klaas fopte hem ook wel eens! + +Op een middag waren ze een weiland ingegaan. Daarin liep het schaap, +dat toebehoorde aan den vader van Klaas. Maar dat vertelde de guit +niet. + +»Wacht«, dacht hij, »nu zullen we eens een grap hebben.« + +Hij en Jo liepen een heel eind de weide in. Eindelijk waren ze dicht +bij het schaap gekomen. Het dier herkende Klaas en kwam naar de +jongens toe. + +Toen deed Klaas, alsof hij vreeselijk bang werd. + +»Help, help«, schreeuwde hij, en meteen zette hij het op een loopen. + +Jo werd zoo verschrikt, dat hij z'n vriend op een draf volgde. + +[Illustratie] + +»Loop«, schreeuwde Klaas; »als het je pakt....« + +Jo rilde en versnelde z'n vaart. + +Het schaap liep achter de jongens aan. + +»Bê, bê«, riep het. Net of 't zeggen wou: »Maar wacht dan toch eens +eventjes.« + +»Loop, daar komt het aan«, schreeuwde Klaas. Och, och, wat repten de +jongens hun beenen. 't Was precies, of Jo nu veel harder kon loopen +dan z'n vriend. Hij raakte voor, al meer en meer. Maar hij had geen +tijd om eventjes om te zien. + +Daardoor merkte hij niet, dat Klaas stil bleef staan, en toen +lekkertjes in het gras ging liggen. + +'t Leek grappig, zooals Jo vluchtte. Klaas moest er hartelijk om +lachen. Kijk eens aan, hij liep maar door. + +Eindelijk meende Jo, dat hij 't gevaar ontkomen was. + +Hij draaide zich om en--, daar begreep hij niets van. Hij zag z'n +vriend liggen en 't schaap stond naast hem. + +»Ben je gevallen«, schreeuwde hij. »Bijt het ook?« + +Klaas stond op en danste als een dolle om het schaap heen. Allerlei +vreemde geluiden stootte hij uit. + +[Illustratie] + +»Wat mankeert dien jongen toch?« dacht het dier zeker. Het werd bang +en maakte, dat het weg kwam. + +»Hoera«, schreeuwde Klaas, »de vijand vlucht.« + +Toen rolde hij opnieuw onderst-boven en lachte, dat zijn wangen paars +werden. + +»Ik heb 't gewonnen, de vijand is verslagen«, riep hij. + +Eindelijk stond hij op en ging naar Jo toe. + +»Hè«, zei Jo, »ik was zoo bang, dat het je kwaad zou doen. Viel je?« + +»Ja«, antwoordde Klaas met een ernstig gezicht. »Maar heb je wel +gezien, dat ik het aandurfde? Ik ben nergens bang voor.« + +Jo kreeg grooten eerbied voor zijn vriend. Maar toen hij later merkte, +dat die hem zoo mooi gefopt had, dacht hij: »Wacht maar, mannetje. +Leer om leer; pak je mij, ik pak je weer.« + + + + +IX. + +Klaas kent geen bedotter. + + +Den volgenden dag ging Klaas naar Jo. Hij was nu volstrekt niet meer +bang voor meneer Veenhof, ook niet al had die een wit vest aan. En de +moe van Jo vond hij erg aardig. Bijna geen dag ging voorbij, of Klaas +kwam op »de villa«, zooals hij en Kee de woning van hun buren noemden. + +Eerst hadden de twee kinderen met groote oogen alles bezien. Wat een +mooie stoelen, en wat een pracht van een tafel! En dan die +vloerkleeden en die gordijnen! Ze waren er stil van geworden. + +Maar nu waren ze daaraan al gewend en Klaas was even luidruchtig als +Jo; en Kee babbelde niet minder hard dan Nel. + +»De ooren tuiten me d'r van«, zei meneer Veenhof soms. + +»Levenmakers«, riep hij, »wil je eens wat stil wezen!« + +Dan stond hij op en liep op een draf achter de kinderen aan, de kamer +uit, de gang door, den tuin in. + +En dan zat mevrouw in een gemakkelijken stoel voor 't open raam en +lachte hartelijk. + +Ze begon zich al wat beter te gevoelen; ze was opgeruimder geworden, +en dat is voor een zieke al heel wat waard. + +Nu was Klaas dan weer bij Jo. + +Ze speelden samen wat in den tuin, en plaagden toen Nel een beetje. + +Maar die had er niet veel aardigheid aan. + +[Illustratie] + +»Laat me met rust, plaaggeesten«, riep ze. Maar de plaaggeesten lieten +haar niet met rust. En toen ging Nel naar de kamer, waarin moe zat. +Want ze was bezig met een handwerkje en dat moest af; het mòest. + +»Wat zullen we nou doen?« vroeg Klaas. + +Daar schoot Jo plotseling wat in de gedachten. Klaas had hem gisteren +gefopt; wacht eens eventjes.... + +»Heb je onzen bedotter al gezien?« vroeg hij. + +»Jullie bedotter?! Wat is dat voor een ding?« vroeg Klaas verwonderd. + +Jo sloeg de handen in elkaar. + +»Of ken je nog geen bedotter«, riep hij uit. + +»Nee, wat is dat dan?« + +»Bij ons in Amsterdam zijn er wie weet hoeveel. En hier bij jullie +geen een? Ik kan 't haast niet gelooven. Maar we hebben er een +meegebracht. Wil je hem eens zien?« + +»Graag«, zei Klaas. + +»Nou, kom dan maar!« + +Jo liep naar binnen; Klaas volgde hem. + +In een van de kamers stond een pendule. Het klokje werd gedragen door +een man, een reus. + +»Daar staat hij«, zei Jo. + +»Dat? Nou, dat is een klok!« + +»Maar geen gewone, mannetje! Zie je dien reus?« + +»Ja, wat zou die?« + +»Als die de klok hoort slaan, draait hij z'n hoofd om.« + +Daar hoorde Klaas verwonderd van op. + +»Is dat waar?« vroeg hij. + +»Zoo waar, zoo waar, als....« + +»Nou, als....« + +»Net zoo waar, als dat twee keer twee vier is.« + +Dat was erg waar, vond Klaas. + +»Wil je 't zien?« vroeg Jo. + +»Graag, hoor!« + +»Laten we dan tien minuten wachten; dan slaat de klok.« + +[Illustratie] + +De jongens gingen zitten. Klaas keek met groote pogen naar het +uurwerk. De wijzers gingen hem veel te langzaam. + +Jo bleef niet lang zitten. + +»Ik moet even weg; ik kom gauw terug«, zei hij. + +En meteen stoof hij de deur uit, want hij moest eens uitproesten. + +»O, moe, o, Nel«, riep hij in de andere kamer. »Wat heb ik Klaas nou +mooi te pakken!« + +En toen vertelde hij, hoe z'n vriendje er op zat te wachten, dat Atlas +zijn hoofd draaide. + +»Hoe kom je er bij, jongen«, lachte moe. + +»Nou, moe; hij heeft mij gisteren ook zoo voor 't lapje gehouden. Ga +je mee kijken, Nel?« + +Natuurlijk ging Nel mee. + +Op de teenen slopen ze naar de andere kamer en keken door de reet +tusschen deur en kozijn. + +Klaas zat maar geduldig te wachten. + +»Nog eventjes«, hoorden Jo en Nel hem zeggen. + +Daar sloeg de klok: een--twee--drie--vier-- + +[Illustratie] + +Klaas schrok er haast van, al had hij er ook op zitten wachten. + +»Pas op«, dacht hij, »nou komt het.« + +Maar er gebeurde niets. Atlas bleef even krom staan als te voren en +z'n hoofd bleef onbeweeglijk. + +Mopperend gleed Klaas van den stoel. + +»D'r is niks van an«, zei hij, en meteen stapte hij de gang in. + +En toen had je de pret! + +Jo en Nel gierden het uit van lachen. + +»Gekken«, zei Klaas, »waarom lach je zoo?« + +»Om jou.... om dien mooien bedotter.... Vond je hem niet prachtig.... +Ja, mannetje, leer om leer, fop je mij....« + +Klaas begreep het nog niet. En Jo en Nel lieten hem even wijs. Maar +toen de jongen 's avonds aan z'n vader en moeder en de andere +huisgenooten de geschiedenis vertelde, toen.... Ja, toen begreep hij, +wie eigenlijk een bedotter was. + +Atlas niet, maar...... + + + + +X. + +Als je mekaar fopt.... + + +[Illustratie] + + Dat je mekaar eens fopt, dat mag; + Maar laat het foppen blijven! + Nooit moet je scherts, hoe grappig ook, + Tot spot gaan overdrijven. + Wat als een ander jou bespot, + Om jou luid staat te schaat'ren, + En jij haast huilt.... zeg, wou je 'm dan + Niet om z'n ooren klaat'ren? + + Maar fopt een ander jou soms fijn,-- + Zoo'n echte, slimme rakker,-- + Kijk dan niet zuur, lach mee, en denk: + »Pas op, baas, blijf maar wakker! + Jij pakte mij, ik pak jou weer, + Daar kun jij op vertrouwen; + Is 't heden niet, dan morgen vast; + Ik zal jou naam onthoûen.« + + Dat je mekaar voor 't lapje houdt, + Wie zal daar over vitten? + Wie zal niet graag, om mee te doen, + In jullie kring gaan zitten? + Maar eerlijk moet je altijd zijn, + Ook bij het grappigst plagen; + Want spot,--je weet het drommels goed,-- + Doet vaak méér pijn dan slagen. + + + + +XI. + +Dina en de muis. + + +Klaas en Jo konden het best met elkaar vinden, dat weten we; maar Kee +en Nel niet minder. Die hadden te zamen al heel wat gewandeld en al +heel wat bekeken. En ook hadden ze te zamen al grappige avontuurtjes +beleefd. + +Hoort maar eens. + +Kee had een muis. 't Was geen echte; neen, 't was er een van hout en +ze had oogjes, die kralen waren. Die muis had vroeger kunnen springen, +maar dat kon ze nu niet meer. + +[Illustratie] + +»'t Lijkt precies«, zei Nel; »hoe kom je er aan?« + +»Van vader gekregen, toen ik jarig was.« + +»Schrok je niet, toen je ze kreeg?« + +»Wel nee, ik ben niet bang voor een muis.« + +»Nou, ik wel hoor! En Dina dan; die is er zoo bang voor, als.... +als...., nog erger dan ik.« + +Toen kwam Nel wat grappigs in den zin. + +»Zeg, weet je wat we moesten doen?« riep ze. + +»Nee; wat dan?« + +»Dina bang maken. Dan zetten we de muis in de keuken op de tafel en +als Dien dan komt....« + +»Ja, laten we dat doen«, zei Kee. + +En weet je, wat de beide schelmen nu deden? Ze bonden een zwarten +draad om den kop van het houten muisje, en zetten het zoo op de tafel. +De draad ging onder 't openstaande raam door naar buiten. En daar, +beneden het kozijn, lagen Nel en Kee te luisteren. + +[Illustratie] + +Korten tijd daarna kwam Dina de keuken binnen. Ze liep naar de tafel +en.... + +»O!« schreeuwde ze opeens. + +En meteen sprong ze wel drie meter achteruit. + +»Wat is dat? Een muis? Foei, foei!« + +Het muisje bleef onbeweeglijk zitten. Daardoor werd Dina een beetje +moediger. + +»Kss, kss, kss«, riep ze. + +Maar het diertje ging niet op de vlucht. + +»Wat een brutale muis«, dacht Dina. + +Ze nam den stoffer en zwaaide er mee. 't Gaf niets. + +Toen sloeg ze er mee op den vloer, maar de muis bleef zitten. + +Eindelijk trommelde Dina zelfs op het vuilnisblik, maar niets baatte. + +»Kss, kss, kss,« riep ze nog eens. + +Nel en Kee hadden pret voor zes. Maar Dina begreep er niets van. Ze +sloeg de rokken stijf om haar beenen en toen deed ze een stap vooruit, +en toen nog een halven stap. + +»Kss, kss, weg dan toch,« riep ze. + +De muis keek haar met glinsterend zwarte oogjes stilletjes aan. + +»Naar dier, vooruit, of ik sla je dood,« riep Dina. + +Ze wist zelf wel, dat ze het toch niet durfde doen. Maar ze dacht: +»Nou zal ze wel schrikken.« + +Maar het muisje schrok niet. + +Dina deed nog een stap vooruit, en toen...... rrtts...... + +Daar sprong de muis een heel eind weg. + +»Help, help, mevrouw, mevrouw.... een muis....!« + +Dina vloog de keuken uit, de gang door, de kamer in. + +»Een muis«.... hijgde ze, »een muis....« + +»Kom, kom, ze bijt je niet,« zei mevrouw. »Waar is het diertje?« + +»In de keuken, mevrouw..... het zat op de tafel..... En het sprong in +eens op me aan en wou me bijten....« + +Dina's beenen trilden nog van den schrik. + +»Ik zal eens even gaan kijken,« zei mevrouw. + +»Wat is mevrouw toch dapper,« dacht Dina. Ze liep achter haar +meesteres aan naar de keuken toe. + +En toen ze daar kwam.... + +Daar stond mevrouw te lachen, en Nel lachte, en Kee lachte.... + +En de beide meisjes riepen: »Sliep uit, sliep uit!« + +[Illustratie] + +»O jullie deugnieten,« zei Dina. »Ik zal....« + +Maar ze was nog niet eens uitgesproken, toen ze schreeuwde: + +»O, nòg een, nòg een! Kijk eens....!« + +Op een drafje liep ze naar buiten, en Nel....? + +Wel die liep achter haar aan en schreeuwde even hard: + +»Help, help, een muis!« + +Want terwijl ze Dina stond uit te lachen, holde er eensklaps een +muisje over den vloer. + +En dat was nu geen houten, maar een van vleesch en bloed. + +»Help, help, een muis....« schreeuwden de twee heldinnen buiten de +deur. + +Maar mevrouw Veenhof en Kee bleven rustig staan en lachten en riepen: +»Sliep uit, sliep uit!« + + + + +XII. + +Arm Moedertje! + + +»Zeg, Jo, ga je mee?« riep Klaas over de heg heen. + +»Waarheen?« + +»Ik moet even een boodschap doen voor moe. Toe, ga mee, 't is maar een +kwartiertje loopen.« + +»Ik zit in Dik Trom te lezen; 't is zoo mooi,« riep Jo terug. +Eigenlijk wou hij wel graag blijven lezen. Maar Klaas liet hem niet +met rust. + +»Je kunt immers vanmiddag wel verder lezen,« zei hij. »Toe, ga nou +mee! Misschien vinden we ook nog wel een vogelnest.« + +»Weet je er een?« + +Jo flapte het boek dicht. Een nest! Dat wou hij graag zien! + +»Nee, maar er zijn er genoeg.« + +»Ik ga mee, hoor!« + +»Mag ik ook mee?« vroeg Nel. + +Jo keek naar Klaas, en Klaas keek naar Jo. + +»Om mij wel,« zei de eerste eindelijk. + +»Om mij ook wel,« zei de andere. + +»Dan ga ik Kee vragen, of ze ook mee gaat,« riep Nel. + +Jo en Nel vroegen moe, of ze met Klaas mee mochten, en moe vond het +goed. + +Een poosje later waren de vier kinderen al op weg. + +»Dubbele twee,« riep Jan Bos, een jongen uit de vierde klasse. + +»Dubbele twee,« riep Piet Boers, z'n kameraad. + +»Komt maar hier,« riep Klaas, en hij stak z'n vuist in de hoogte. + +Daar moesten Jan en Piet niets van hebben. Ze staken even d'r tong uit +en toen maakten ze, dat ze weg kwamen. + +»Dat zijn een paar echte flauwerds!« zei Klaas. + +Het viertal verliet weldra den straatweg en sloeg een zandpad in. Dat +volgden ze een heel eind en toen moesten ze door een boschje. En +daarna gingen ze langs een heel smal paadje, waar ze achter elkaar +moesten loopen. Eindelijk had Klaas de woning bereikt, waarheen z'n +moeder hem met een boodschap had gezonden. Jo en Nel en Kee bleven +achter, terwijl hun vriendje op een drafje naar het kleine +boerderijtje liep. Geen vijf minuten later was de jongen reeds terug. + +»En nou gaan we naar het boschje; daar kunnen we heerlijk spelen,« +riep hij. + +»Ja, ja,« zei Kee, »je kunt je daar zoo fijn verschuilen. +Verstoppertje, dat ken jelui toch wel?« + +Of Jo en Nel het kenden! Maar in zoo'n boschje zou het nog eens echt +zijn; zij hadden zich nooit beter kunnen verschuilen dan achter een +stoel of in een kast. + +'t Was wel heet, maar toch liepen de vier kinderen op een draf naar +het koele boschje. Maar voor ze begonnen te spelen, wilden ze eerst +even op het mos uitrusten. + +Weldra lagen ze languit onder een eik, die nog heel jonge blaadjes +had. + +»Kijk,« riep Klaas ineens, »daar zit een gat in den stam. Daar kan +best een nest in zitten.« + +Hij stond op en Jo eveneens. Klaas nam een stok en sloeg tegen den +stam: klets, klets, klets.... + +»Rrrrrrr,« ging het plotseling en een musch vloog uit het gat. + +»Zag je dat?« schreeuwde Jo. »D'r zit vast een nest in. Zullen we eens +kijken?« + +Hij beproefde in den boom te klimmen, maar dat kunstje kende hij niet. +Telkens gleed hij onderuit. Wel duwde Klaas hem op, maar 't gaf niet +genoeg. + +»Laat mij eens probeeren,« zei Klaas. + +Hij sloeg z'n beenen om den stam en daar ging hij langzaam omhoog. +Eindelijk was z'n gezicht voor het nest. + +»Er liggen eitjes in,« schreeuwde hij. Maar meteen gleed hij naar +beneden, want hij kon zich niet langer vasthouden. + +»Hoeveel?« riepen de drie andere kinderen. + +»Dat weet ik niet; maar ik geloof wel een stuk of zes.« + +Het gezicht van Jo glom van vreugde. + +»Hoe krijgen we ze d'r uit?« vroeg hij. + +»Ga maar staan, zóó, met je rug tegen den boom. En dan je handen +vouwen, zóó!« riep Klaas. + +Jo deed het, en nu zette Klaas z'n eenen voet in de samengevouwen +handen; daarna ging de tweede op Jo's schouder en toen de eerste ook. + +»Kun je me dragen?« + +»O, best hoor!« + +Klaas keek nu in 't gat. + +»Zeven eitjes,« riep hij. + +»Haal ze d'r uit,« zei Kee. + +»Ja, toe, haal ze d'r uit,« zei Nel. + +»Piet, tjiet--piet, tjiet,« smeekte het muschje. Het borstje van het +vogeltje ging snel op en neer. Maar geen van het viertal, die het zag. + +»Piet, tjiet--piet, tjiet,« bad het diertje. Maar de kinderen +verstonden de vogeltaal niet. + +[Illustratie] + +En toch was die taal zoo gemakkelijk te verstaan; want het was +dezelfde, die de moeders van de vier kinderen spraken. + +»Piet, tjiet--piet, tjiet....!« + +Arm moedertje, je bidt tevergeefs; wat geven deze kinderen om jou +liefde! Jij bent maar een musch, maar een klein dier, begrijp je dat! + + + + +XIII. + +Moeilijke oogenblikken. + + +»M'n hand is te dik; ze kan er niet in,« riep Klaas naar beneden. + +»Och, wat jammer,« zei Nel. + +»Zal ik eens probeeren?« vroeg Jo. »Misschien zijn mijn handen wel +kleiner dan die van jou.« + +Klaas klauterde naar beneden en toen vergeleken de jongens hun handen. + +»Zie je wel, de mijne zijn kleiner! Ga jij nou eens staan!« + +»Goed,« en Klaas steunde met z'n rug tegen den boom. Even later stond +Jo voor het gat. Het was toch erg klein, hoor! De jongen wrong en +wrong...., ha, daar ging z'n hand. + +»Ik ben d'r in,« juichte hij, »en ik voel de eitjes!« + +»Pas op, knijp ze niet kapot: ze zijn zoo teer,« riep Klaas. + +Jo nam een paar eitjes uit het nest en wou z'n hand om hoog trekken. +Maar dat ging niet. + +»Nou kan mijn hand ook niet door de opening,« zei hij. + +Hij liet een eitje vallen, maar de vuist was nog te dik. + +»Ben je haast klaar?« riep Klaas. »Je hebt je schoenen aan de voeten +gehouden en die doen me zeer op m'n schouders.« + +Opnieuw liet Jo een eitje vallen. Nu had hij nog één in de hand. En +nog was die te dik. + +»Ik kan er geen een uitkrijgen; als ik m'n vingers krom doe, is 't gat +te klein.« + +»Laat ze dan maar liggen,« zuchtte Klaas. »Maar je moet naar beneden +komen, want ik kan je niet langer dragen. O, mijn schouders!« + +Ja, dan moesten de eitjes maar blijven liggen. Jo trok z'n hand +terug...., wat was dat....! Ze was toch niet dikker geworden? + +De jongen trok en wrong en draaide en rukte, alles tevergeefs. + +»O, ik zit vast,« riep hij vol angst uit; »ik kan m'n hand niet terug +trekken.« + +»Toe, gauw, m'n schouders!« steunde Klaas. + +»Ik kan niet, ik kan niet...., blijf staan, Klaas!« + +»Maar ik kan je niet meer dragen; verzet dan je voeten een beetje....« + +Jo deed het en 't gaf z'n vriend wat opluchting. + +»Probeer nu gauw los te komen, Jo!« riep Nel. Ze werd ongerust over +haar broertje. Daar stond ze nu dicht bij hem en ze kon hem niet +helpen. + +Opnieuw rukte en wrong Jo, maar 't baatte niet. Z'n hand begon hem +vreeselijk pijn te doen, maar ze bleef gevangen. + +Nu sprongen er tranen uit de oogen van den armen jongen, tranen van +angst. En onder zijn voeten steunde en zuchtte z'n kameraad.... + +»Help, help!« schreeuwde Jo ineens. + +Toen werden Kee en Nel zoo verschrikt, dat ze riepen: »Wij gaan hulp +halen in dat huis van straks.« + +[Illustratie] + +Zoo hard ze konden liepen ze naar 't kleine boerderijtje toe. Gelukkig +was 't maar een klein eindje en nog gelukkiger was het, dat de +eigenaar juist thuis gekomen was. + +De man nam vlug een laddertje op z'n schouder en volgde de twee +meisjes. + +»Help, help, help....!« hoorden ze Jo roepen. Aan z'n stem konden ze +wel merken, dat hij schreide. + +Maar hij niet alleen! + +Klaas schreide ook; ten eerste om Jo, die zoo akelig gevangen zat, en +ten tweede om de pijn, die hij zelf gevoelde. Z'n vriend werd hoe +langer hoe zwaarder, naar 't scheen. Klaas beet op z'n tanden..... +Neen, hij mocht niet neervallen, hij moest blijven staan.... Maar z'n +knieën trilden...., z'n schouders verdoofden.... »Blijf staan,« dacht +hij, en hij sloeg z'n armen achter zich om den boom. En intusschen +biggelden dikke tranen hem over de wangen. + +In Klaas z'n heele leven was dat nog geen vijf keer gebeurd. + +De boer schoof het laddertje onder de voeten van Jo. Nu kon Klaas z'n +plaats verlaten. De jongen deed een paar stappen vooruit en viel toen +neer op het mos. + +Maar Jo was nog niet bevrijd. Dat kostte heel wat moeite. + +De boer beproefde wel de hand uit het gat te trekken, maar 't gelukte +hem evenmin als het den jongen zelf gelukt was. + +»Ik zal je los moeten snijden,« zei de man eindelijk. + +Jo rilde; hij dacht.... iets vreeselijks. + +Maar gelukkig dacht hij verkeerd. Z'n helper sneed heel voorzichtig +wat hout uit den boom, zoodat de opening ruimer werd. Het duurde heel +lang, maar eindelijk.... + +»Probeer nou nog eens,« zei de man. + +Jo trok, en...., gelukkig, daar schoot z'n hand naar buiten. Nog nooit +in z'n leven was de jongen zoo blij geweest, als op dat oogenblik. + +Met tranen in de pogen bedankte hij z'n redder. + +»Ja, ja, al lang goed. Je moet ook geen vogelnestjes uithalen, 't is +zonde,« zei de goede man. En meteen keerde hij terug naar z'n woning. + +[Illustratie] + +De kinderen dachten aan geen spelen meer; stilletjes keerden ze naar +het dorp terug. + +Af en toe voelde Klaas eens naar z'n schouders, maar nog vaker keek +hij naar de hand van Jo. + +Die was vreeselijk rood en dik. + +»Mijn schuld,« dacht Klaas, »mijn schuld....!« + + + + +XIV. + +Het witje. + + +Eindelijk waren de vier kinderen weer thuis. + +Nel deed een opgewonden verhaal over wat gebeurd was. + +»Die kinderen, je kunt ze haast geen oogenblik vertrouwen,« zei moe, +terwijl ze druk bezig was Jo's hand te betten met koud water. + +Ze had diep medelijden met haar jongen. + +Pa ook wel, maar die zei niet veel. Hij mompelde iets van »kwaad, dat +zich zelf straft.« + +Nel hoorde het. En die had toch ook zoo'n medelijden met Jo! + +»Nou, pa,« zei ze een beetje snibbig, »Jo deed toch geen kwaad. 't Was +een musschennest, en musschen zijn schadelijke vogels.« + +»Dat zijn ze.« + +Meteen stond pa op en ging den tuin in. + +En wien trof hij daar aan bij de achterdeur? Klaas! + +Maar de jongen was niet alleen. Op z'n arm droeg hij een snoezig +beestje, een konijntje, z'n mooie witje. + +»Meneer....,« stotterde hij, »'t was.... was.... mijn.... mijn +schuld. En nou wou..... wou ik..... Jo dit.....« + +[Illustratie] + +»Hoe kom je er bij, ventje. Jo is toch even oud als jij, en jij +behoeft niet op hem te passen!« + +Dat was waar en toch.... toch gevoelde Klaas schuld. Hij kon het niet +zeggen, maar zie je.... Jo was hier vreemd en kende geen nesten en +geen boomen.... En dan had Klaas hem ook meegelokt.... bij z'n Dik +Trom vandaan.... + +»Toe meneer, mag ik hem dit geven?« vroeg hij smeekend. + +Meneer Veenhof keek den jongen even ernstig aan. + +»Wou je 't werkelijk graag doen, en mag het van je vader en moeder?« + +»Ja, meneer, ik heb het gevraagd. En ik wil het graag missen....« + +Toen hij dat zei, kreeg Klaas een hoogroode kleur. + +»Kleine jokkebrok,« dacht meneer, »je hebt je konijntje veel te lief +om het weg te geven.« + +»Neem het maar weer mee, Klaas,« zei hij. »En zet het maar in z'n +hokje.« + +Toen sprongen er een paar tranen in de oogen van den jongen. + +Meneer zag het. + +»Wacht even«, zei hij. En meteen riep hij naar binnen: + +»Jo, kom eens hier!« + +Jo kwam. Of de jongen ook verwonderd was, toen Klaas hem het mooie +witje aanbood. Hij vroeg niet: »Wil je 't wel missen?« + +Met z'n handen nam hij 't diertje van Klaas over en drukte het tegen +z'n wangen. O, wat voelden die fijne haartjes heerlijk zacht! En wat +keken die roode oogjes vriendelijk en wat ging dat beweeglijke neusje +leuk heen en weer! + +»Dat vind ik mooi van je«, riep hij. »Ik wou het al zoo lang héél +graag hebben.« + +En opnieuw drukte hij 't beestje tegen z'n gezicht; en hij vergat z'n +pijnlijke hand en z'n pa en Klaas.... Hij liep met z'n schat naar +binnen. + +[Illustratie] + +»Moe, Nel, zie eens!« + +Moe vond het een prachtig geschenk en Nel werd bijna jaloersch. + +En Dina dan! + +Dina vond het witje het mooiste konijntje van de heele wereld. + +»Dat is het ook«, dacht Jo, en hij danste weer naar buiten. + +»Nu moeten we een hokje voor 't diertje maken«, zei pa. »Morgen zullen +we er mee beginnen; vandaag kun je 't wel in dit bakje zetten.« + +Maar Jo dacht er nog niet aan. Hij liep met z'n konijntje heen en weer +en zette het dan weer eens in het gras. En hij kon haast niet +verdragen, dat Nel het ook even droeg. + +»Pas op, pas op, je doet het pijn«, riep hij dan. »Och, dat arme +beestje, kijk eens, 't is bang voor jou! Zie z'n haartjes nou eens +zitten!« + +En toch had Nel heel zachte vingers. + +Maar Jo had z'n konijntje erg lief. + +»Ik had het nooit weggegeven«, zei Nel tegen Klaas. + +»Och....«, zei Klaas. + +Toen keek hij naar de dikke, bloedroode hand van Jo. + +En hij voelde geen spijt, dat hij z'n liefste konijntje aan z'n +vriendje gegeven had. Hij hield nog vier bonte over, en Jo had zich +zoo bezeerd.... + + + + +XV. + +Vogelgeluk. + + +Meneer Veenhof had een nestje gevonden. 't Zat verscholen in een +hazelaar heel achter in den tuin, en er lagen vijf jongen in. 't Was +een aardig gezicht, dat wriemelende goedje. + +»Dat moest »dubbele twee« nu eens zien«, dacht hij. »Wacht, daar zijn +de kinderen juist.« + +Hij wenkte met de handen en daar kwamen ze aanhollen. + +»Wat is er, pa; wat is er, meneer?« + +»Sst, sst«, en meneer hief waarschuwend den vinger op. + +»Voorzichtig zijn, heel zachtjes loopen«, zei hij. + +Op de teenen kwamen de kinderen nader. + +»Wat is er, pa«, fluisterde Nel. + +»Zie eens hier!« + +En pa schoof voorzichtig een takje op zij. + +»Och, een nestje. Wat leuk!« + +»Je ziet alleen wat kopjes en wat nestharen, hé? En kijk, de pennen +van de vleugels beginnen te groeien.« + +»Ze zijn heelemaal geel om den bek«, fluisterde Jo. + +»Piep«, zei Klaas met z'n lippen. + +[Illustratie] + +Ineens gingen de geelomrande bekjes de hoogte in. + +»Piep-piep-piep«, riepen de vogeltjes. + +Ze dachten, dat d'r moeder gekomen was met voer. + +»Laten we nu een beetje op zij gaan; misschien komt de moeder dan wel +naar d'r kindertjes toe. Kijk, daar zit ze. Ze is erg onrustig.« + +De vijf menschen stapten bij het boompje weg. Maar kort duurde het of +»pjiet« zei het vogeltje en daar vloog het een beetje nader bij het +nestje. + +»Pjiet, pjiet!« + +En toen hipte 't weer een paar takjes verder. + +De kleine kraaloogjes gluurden haastig wat rond en toen ineens.... +rrrrt.... daar zat 't vogeltje bij het nest. + +»Hoort dat jonge goed nu eens druk wezen«, zei pa. + +»Krijgen ze nu wat, pa?« vroeg Nel. + +»Ja, zag je dan niet, dat de oude wat in den snavel had?« riep Jo. + +»Kijk«, riep Klaas ineens, »daar heb je 't mannetje ook!« + +»Wat is het leuk goedje«, zei Nel. + +De andere kinderen vonden 't ook. Zoo'n vogelhuishouding was toch maar +gezellig. Nog langen tijd bleven ze staan kijken; en toen de oude +vogels weer weggevlogen waren, gluurden ze ook nog even in 't nestje. + +»Piep, piep!« + +En dan kwamen de kopjes allemaal vlug in de hoogte. Maar toen de +bekjes te vergeefs naar voedsel zochten, kropen de naakte lichaampjes +weer dicht tegen elkaar aan. + +Alle dagen gingen de vier kinderen het nest bespieden. Ze zagen de +jongen al grooter en grooter worden. En ze bemerkten, hoe gelukkig de +ouders waren met d'r kindertjes; hoe goed ze er op pasten. + +»Die vinkenfamilie achter in den tuin moet ook maar eens opgeruimd +worden«, zei pa op zekeren dag. + +»Opgeruimd?« vroegen vier kinderstemmen tegelijk. + +»Ja, natuurlijk; 't zijn schadelijke vogels, wat doen we er mee?« + +»U wilt ze toch geen kwaad doen?« riep Nel angstig uit. + +»Wat hindert dat; 't zijn immers schadelijke vogels!« + +»Maar ze doen ons geen kwaad, ze moeten toch eten.... U mag ze niet +hinderen, dat zou.... zou....« + +Jo kon haast geen woorden vinden, zoo opgewonden werd hij. + +»Wat zeg jij, Kee«, vroeg pa, »moet het nest hier blijven?« + +»Ja, meneer«, antwoordde het meisje. + +»En jij Klaas?« + +»Ja, meneer!« + +»Kijk, dat begrijp ik niet. Weet je nog wel van dat musschennest? +Waarom wou jelui die vogeltjes dan wel plagen en ongelukkig maken?« + +De kinderen zwegen alle vier. + +Maar ze dachten wel wat. Nou vonden ze gemeen, wat ze toen hadden +willen doen. Gelukkig, dat ze de eitjes niet hadden kunnen rooven.... + + * * * * * + +»Ga jelui mee naar dien boom met het musschennest?« vroeg Klaas een +poosje later. »Ik ben er nooit weer geweest, maar ik wou wel eens +zien, of er ook jongen in liggen.« + +»Ja, dat doen we!« riepen de andere drie. + +Twintig minuten later beurde Jo Klaas op. De jongen keek in het gat en +zag de eitjes nog liggen. + +»De vogels hebben 't nest verlaten«, zei hij. + +'t Was een groote teleurstelling voor de vier kinderen. + +Ze gevoelden, dat ze veel geluk hadden verstoord. Toen ze terug +keerden, waren ze een heelen tijd erg stil. + + + + +XVI. + +Nestje. + + + In 't hazelarenhout + Daar is een nest gebouwd + Van mos en veer en strootjes; + 't Schuilt onder 't groene dak, + 't Rust op een slanken tak, + 't Wiegt boven 't blanke vlak + Der sloot--met lichte stootjes. + + Het is een koningshuis + Bij 't zachte windgeruisch, + Dat gaat door struik en boomen; + Vijf koningskindren gaan + Zacht deinend af en aan, + Terwijl vier oogen staan + Te waken voor hun droomen. + + + + +XVII. + +Kinderverdriet. + + +In de schoolkast van meester Fransen stond een blikken sigarenkistje. +Als meester 't opnam en even schudde, rammelde het verschrikkelijk. +Want er zat geld in, veel geld: guldens en dubbeltjes, maar vooral +centen. + +»Ik ben maar goed af«, zei meester. »De kinderen zorgen, dat ik een +vetten spaarpot krijg.« + +»Dat zou u wel willen, dat hij van u was«, zei dan soms zoo'n brutale +jongen. »Maar hij is lekkertjes van ons.« + +En dat was de waarheid ook. De kinderen spaarden voor een +schoolreisje: elke week gaven ze een halven stuiver. + +Dit jaar zouden ze naar Zwolle gaan. + +En--wat het mooiste was--, alle kinderen gingen mee. Niet één behoefde +er thuis te blijven, omdat vader en moeder geen halven stuiver konden +missen. + +Dat meende de meester, en dat meenden de kinderen ook allemaal. En +toch dachten ze verkeerd. + +Want op een morgen, toen meester bezig was de borden te beschrijven, +kwam er een meisje het lokaal binnen. + +Ze schreide. + +»Wat mankeert er aan, Roelofje?« vroeg meester. + +[Illustratie] + +»Meester...., ik wou.... wou.... graag mijn geld.... terug hebben«, +snikte ze. + +»Je geld terug, wàt geld?« + +»Van het schoolreisje...., en dat van Jacob ook, meester.« + +»Ga jelui dan niet mee naar Zwolle?« + +»Nee meester; we mogen niet.... Vader is ziek, en.... nu heeft moeder +'t geld noodig.« + +Meester wist wel, dat de vader van Roelofje en Jacob ziek was. De man +had longontsteking gehad en was nog niet heelemaal genezen. Hij +begreep best, dat de vrouw nu 't reisgeld voor haar kindertjes niet +missen kon. + +Hij reikte Roelofje 't geld over en vroeg: »Wat zegt de dokter van je +vader?« + +»Vader moet nog een paar weken rust nemen, meester.« + +»Zoo, zoo; nu ik zal eens bij jelui aanloopen, hoor!« + +Denzelfden dag wist de heele school al, dat twee kinderen niet mee +gingen naar Zwolle. De tranen van Roelofje en van Jacob hadden 't half +verteld, de twee stakkers zelf de rest. + +En iedereen begreep wel, waarom ze niet mee mochten. 't Huisgezin was +arm, en nu de vader ziek! + +»Hè, wat jammer«, fluisterden een paar stemmen. + +Menig gezichtje stond ernstig, omdat er nu twee thuisblijvers zouden +zijn. O, er waren ook wel kinderen, die alleen aan zich zelf dachten! +Maar de meesten hadden graag de helft van d'r pleizier aan Roelofje en +Jacob willen geven. + +Als 't maar gekund had. + +Toen Jo en Nel des middags thuis kwamen, vertelden ze alles aan moe. +Pa was voor zaken op reis en zou een paar dagen in de provincie +Groningen vertoeven. + +»Vindt u 't niet naar, moe, dat ze nou moeten thuisblijven?« vroeg Jo. + +»Ja, dat is wel naar«, zei moe. »Nu gaan jelui allemaal pret maken, en +zij alleen mogen niet mee.« + +»Meester kon ze ook wel zoo laten, meegaan, zonder betalen«, meende +Nel. + +»'t Zou kunnen«, zei moe, »maar 't is toch beter, dat ze wel betalen.« + +»Maar dat kunnen ze niet«, riep Jo. En toen keek hij moe ineens +ernstig aan en zei: »Toe moe, laten wij ze helpen.« + +»Ja, toe moe«, vleide Nel met haar liefste stemmetje. »Geef ons straks +geld mee, dan zullen wij dat aan den meester geven.« + +»Nee, daar kan niets van komen«, zei moe. + +Over de gezichten van Jo en Nel gleed een schaduw; en d'r oogen werden +een beetje vochtig. + +»Dwaze kinderen, vertrouw je nu je eigen moeder niet meer?« + +Moe lachte. + +»'t Komt wel goed, hoor; weest maar gerust!« + +'t Kwam goed. + +Des middags wandelde moe naar het huisje, waarin de ouders van +Roelofje en Jacob woonden. + +Wat ze er deed? + +Niemand, die het gewaar werd. Maar alle kinderen uit het lokaal van +meester Fransen zouden Zwolle zien: Roelofje en Jacob ook. En als +later de moeder van dat tweetal over mevrouw Veenhof sprak, weet je +wat ze dan zei? + +»Beter mensch is er niet; vraag dat maar eens aan mijn man en mijn +kinderen!« + +[Illustratie] + + + + +XVIII. + +Hoera! daar gaan ze. + + +'t Was nog vroeg in den morgen. + +Toch was het erg druk op het schoolplein. Daar hadden zich alle +kinderen uit de hoogste klassen verzameld. En daar stonden ze nu, en +maakten lawaai en wachtten--ja, wachten deden ze vooral. + +»Daar komt er een; daar komt er een«, klonk het ineens. + +»Waar, waar?« gilden enkele stemmen. + +»Kijk, daar om den hoek!« + +Ja, daar kwam een wagen aanrollen. + +»Wie is het?« vroeg Jo. + +»Jan Harms; kijk de bruine eens loopen,« zei Klaas. + +Snel naderde de wagen; daar ging hij over de brug met een vreeselijk +geweld. + +»Ho«, riep Harms, en Bruin bleef snuivend staan. + +»Hoera!« riepen de kinderen. + +»Harms, wat heb je den wagen mooi versierd!« + +»Vind je?« lachte de boer. + +»Prachtig,« riepen de kinderen. + +»Daar komt er weer een aan!« schreeuwden een paar stemmen. + +»En van dien kant ook een,« klonk het. + +»Allebei versierd; kijk toch eens, wat mooi!« + +De boeren hadden werkelijk d'r best gedaan om hun wagens mooi te +maken. Met groen en bloemen waren ze getooid en de paarden droegen +kleurige kwasten aan het hoofdstel en strikken op den staart. + +Elke wagen werd door de kinderen met luide »hoera's« begroet. +Eindelijk waren er zes. + +[Illustratie] + +»Nou komt de meester niet,« riepen een paar ongeduldige kinderen. »Als +hij zich maar niet verslaapt....« + +»En de juffrouw is er ook nog niet. We komen nog te laat aan den +trein.« + +Nu, daar behoefden ze niet bang voor te zijn. + +Daar was de meester al. + +»Wat ben jelui allemaal vroeg,« zei hij. »We hadden immers afgesproken +zes uur, en 't is er nog tien minuten voor. En de wagens zijn ook al +present?« + +»Ja meester, wij komen op tijd,« zei Harms. »De bruine wordt al +ongeduldig; zullen we maar beginnen met die bengels in te laden?« + +»Gaat je gang maar, mannen!« + +Toen liet meester de kinderen bij groepjes van vijf of zes door 't hek +gaan. Zoo ging het ordelijk en ieder kreeg een plaats. + +Klaas en Jo en Nel en Kee bleven naast elkaar staan en zoo raakten ze +in denzelfden wagen. + +»Gelukkig, we zitten bij Harms,« zei Klaas. + +»Waarom gelukkig?« vroeg Jo zacht. + +»Nou, dat is zoo'n aardige man; ik wed, dat we straks ook wel eens +mogen mennen.« + +Daar kwam de juffrouw aan. + +»Bijna te laat, juffrouw,« riep Harms. + +»Mooi op tijd, Harms,« zei ze. En meteen stapte ze bij hem in den +wagen. + +»Alles klaar, ja?« vroeg de meester. »Vooruit dan maar!« + +De paarden bogen de halzen voorover en zetten aan. + +[Illustratie] + +»Hoera, hoera!« riepen de kinderen Ze wuifden met handen en zakdoeken +naar familieleden en vrienden, die achter bleven. + +Daar ging het heen in fikschen draf. + +»Zingen, jongens!« riep Harms. + +De kinderen zongen hun hoogste lied. Maar hun stemmen bibberden zoo op +den stootenden wagen, dat ze gauw moe werden. + +Daar gingen ze voorbij het huis van meneer Veenhof. + +»Hoera, hoera!« riep »dubbele twee.« + +»Veel plezier,« hoorden ze meneer en mevrouw roepen. + +Daar stonden de kleine huisjes, waarin Klaas en Kee woonden. + +»Hoera, hoera!« klonk het opnieuw. + +»Hoera!« schreeuwden de broertjes en zusjes terug, en ze wuifden, +evenals de ouders, met de handen. + +Joelend, lachend, zingend reden de kinderen naar het naaste station. + +En, wat het mooiste was: de jongens mochten mennen ook. + +Bruin was erg mak en liep rustig achter den voorgaanden wagen. En +Harms hield in elk geval 't eind van 't leidsel vast. Hij was er toch +niet zeker van, dat de kleine handen het niet even zouden laten +glippen. + +'t Was een heerlijke tocht, die reis naar 't station. + +De zon scheen helder, de morgen was frisch, en de blaadjes glommen van +den dauw. + +In de struiken en boomen langs den weg hipten en wipten de vogels. + +In de weilanden sprongen paarden en koeien en schapen verschrikt weg, +als ze de ratelende wagens hoorden. + +'t Was een pracht van een tocht, dien de kinderen maakten. + +En toch waren ze ook al weer blij, toen ze de spoorlijn zagen. Want +nu.... ja, nu zouden ze met den trein reizen, met den trein, die er +zoo holderdebolder van door ging....! + +Dat was nog wat anders dan met een wagen; nou, of! + + + + +XIX. + +Meesters voorspelling. + + +»Hoera, hoera!« jubelden alle kinderen, toen de trein het station +verliet. + +»Dag Harms, tot van avond!« riepen twee jongens- en twee +meisjesstemmen. + +»Veel plezier!« schreeuwde de boer. Maar de kinderen verstonden hem +niet meer. + +»Daar gaan we heen,« zei Nel, en haar oogen schitterden. Het landschap +scheen voorbij te vliegen. + +Alle kinderen keken naar de telegraafpalen en de draden. Wat bogen die +prachtig; kijk, tot onder de raampjes. Maar dan ineens: roef, daar +glierden ze de hoogte in. + +De zon scheen heerlijk boven de lage graslanden, waarin bonte koeien +langzaam liepen. Ze holden niet op een drafje weg: ze waren al gewend +aan den rammelenden trein. + +Elk station werd door de kinderen met gejubel begroet. De reizigers, +die in- of uitstapten, lachten en wuifden met de handen. Ze waren +allemaal even aardig; en de conducteur niet minder. Zelfs de +courantenjongen trok een grappig gezicht. + +[Illustratie] + +»Wat is het toch heerlijk om zoo te reizen; vind je niet?« vroeg Kee. + +»Nou!« antwoordde Nel. + +Samen stonden ze voor een portierraam. + +»Voorzichtig, Kee; straks waaien je krullen weg,« zei meester. Meteen +voelde hij eens, of 't portier wel goed gesloten was. + +»Hoe vind je de wereld?« vroeg hij. + +»Mooi, prachtig, heerlijk,« riepen eenige stemmen door elkaar. + +»Maar Jo moet een beetje z'n hoofd naar binnen trekken. Kom eens hier, +kameraad!« zei meester. + +Jo kwam. + +»Geef me je hand eens! Ja, dat had je niet gedacht, hé, dat ik de +toekomst voorspellen kon.« + +»Dat kan u ook niet,« lachte Jo. + +Een stuk of wat neuzen werden naar meester en Jo toegedraaid. + +»Of ik dat kan! Je hebt een verkeerde lijn in je hand, baasje. Je +verliest je geld, of je scheurt je broek, of je loopt in een sloot.... +Wees maar voorzichtig!« + +De kinderen lachten. + +»U weet er niets van,« riepen ze. + +»'t Gebeurt vast,« zei meester. Maar hij trok daarbij zoo'n lachend +gezicht, dat toch niemand hem geloofde. + +»Kijk, nu gaan we om Zwolle heen; daar heb je den watertoren!« + +Alle oogen gluurden weer naar buiten. + +De trein draaide, en draaide, maar eindelijk stoomde hij tusschen een +massa rails door. + +»Rrrrrrr« deden de remmen. Een schok en »Zwolle, Zwolle«, riep de +conducteur. + +Even later stonden meester en juffrouw met d'r kinderen op het perron. +En nog wat later trokken ze door de stad. »Mooi«, riepen de jongens en +meisjes, en ze bewonderden de Sassenpoort. + +»Mooi«, herhaalden ze, en ze wandelden door de Diezerstraat. Toen ze +de stad bekeken hadden, kuierden ze naar buiten. Want ze wilden naar +den IJsel. + +Ze gingen door een prachtig park: het Engelsche werk heette het. +Allemaal vijvers en brugjes en eilandjes en boomen! + +Daar kwamen ze op een hoogte aan. + +»Om 't hardst, jongens; wie 't eerst bij dat brugje is!« + +En meteen zette Jo het op een loopen; en Klaas volgde hem en al de +andere jongens ook. Zelfs sommige meisjes holden achter hen aan. + +Dat was me een gedraaf! + +En schreeuwen, dat de bengels deden! + +Jo bleef voor. Vlak achter zich hoorde hij z'n kameraden hijgen en +razen. + +Nog een paar stappen, dan had hij 't gewonnen. + +»Hoera!« riep hij, en meteen zou hij de leuning van het brugje +grijpen. + +Maar op hetzelfde oogenblik kwam z'n voet tegen den grasrand. Hij +struikelde, verloor het evenwicht, en.... + +»Ploemp«, klonk het in den vijver. + +»Help!« schreeuwde een jongensstem. + +»Help, help!« riepen al de andere, zoodat de meester en de juffrouw op +een draf kwamen aanloopen. + +Gelukkig was de vijver erg ondiep. + +Jo scharrelde overeind, terwijl hij een deuntje huilde. + +Het kroos plekte op z'n kleeren en kleefde aan z'n haren. + +Klaas stak hem een hand toe, en trok hem tegen den graswal op. + +Het water droop den jongen overal uit; geen wonder, hij was kopjen +onder geweest. + +»Daar staan we nu«, zei meester. »Wat nu?« + +[Illustratie] + +Ja, wat moesten ze nu doen? + +De een keek den ander aan, maar niemand wist het. + +Zoo stonden ze rondom den druipenden drenkeling heen. + +En die drenkeling keek wèl zoo bedroefd. Al zijn plezier was +verdwenen. + + + + +XX. + +Niet in z'n bloote velletje. + + +»'t Best zal wel zijn, dat je alles uittrekt«, zei meester eindelijk. + +»En dan in je bloote velletje met ons mee«, riep een van de jongens. + +Nou, dat was toch al te gek, vonden de kinderen. En allemaal lachten +ze, zoo hard ze konden. Jo zelf kon zich niet goed houden; hij +proestte het ineens uit. Maar dadelijk keek hij weer ernstig, want het +geval was naar genoeg. + +»Nee«, zei meester, en hij lachte ook eventjes, »dat niet. Maar als Jo +z'n kleeren uittrekt daar achter dat boschje, dan kan ik ze voor hem +uitwringen. Als ze dan een uurtje in de zon liggen, zijn ze droog. +Jullie kunt wel doorgaan, want de juffrouw kent den weg evengoed als +ik.« + +»Ja«, zei de juffrouw, »zoo kan het. En dan komen we straks weer hier +bij u langs.« + +»Maar meester, dan ziet Jo den IJsel niet«, riep Klaas. + +»Nee, maar 't kan niet anders, ventje!« + +»Hij kan mijn jas wel aandoen, meester. Ik draag er nog een blouse +onder, zie maar!« + +Klaas trok z'n jasje los. + +»Aan een jas alleen heeft hij niet veel.« + +Dat was waar. + +»Maar als een ander hem nou ook wat geeft!« + +Dat was een idee! + +»Wie heeft wat over?« vroeg meester. + +Een jongen was er, die z'n vestje wel een poos missen kon. Ook was er +een, die twee paar kousen droeg, omdat z'n schoenen wat groot waren. + +»Maar een broek?« + +Ja, die had niemand te veel. + +»Als we deze goed uitwringen, kan ik ze wel dragen,« zei Jo. + +»Laten we beginnen,« riep meester. »Geeft op, wat jullie over hebt.« + +Toen gebeurde er wat vreemds. Een paar jongens trokken d'r kleeren +gedeeltelijk uit, net of ze naar bed gingen. + +Even later verdween meester met Jo achter een boschje. + +'t Was een prachtig kleedkamertje. Zoo een had Jo nog nooit gehad. + +Daar verscheen 't gezicht van meester om een hoekje. + +»Maak z'n schoenen wat droog,« riep hij; »hier zijn ze.« + +Klaas veegde ze met gras zoo goed mogelijk uit. + +En een andere jongen droogde Jo's hoed wat af. + +Daar kwam meester aan. + +»Kan ook een van de meisjes haar schort missen?« + +»Ik wel, meester,« riepen tien stemmen. + +»O, Nel is er immers bij. Geef jij me jou schort maar!« + +Nel deed het en meester verdween opnieuw in het groene kleedkamertje. + +»Daar komen we aan,« riep hij na een poosje. + +»Hoera!« riep een jongen. + +»Hoera!« schreeuwden alle kinderen hem na. + +En toen lachten ze, dat ze schudden. + +Erg verlegen kwam Jo te voorschijn met z'n geleende kousen, z'n natte +broek, z'n te ruime jas. Maar het mooist was de schort, die hij droeg. +Die had meester om hem heen geslagen en nu kwamen de kantjes boven den +kraag van het jasje uit. + +»Wat ben je deftig«, lachte Klaas. + +»Een piekfijn heertje«, riep een groote jongen. + +»Loop heen,« bromde Jo. + +Maar al spoedig lachte hij met z'n reisgenooten mee. + +»Maar nu de natte kleeren,« zei meester. »Weet je wat, we nemen elk +iets mee, en dan leggen we dat straks op den IJseldijk. Daar willen +jullie toch wel graag een poosje spelen, en dan kunnen de natte +kleeren intusschen droog worden.« + +Zoo gebeurde het. + +Een jongen liep met Jo's kousen, en een ander met z'n hemd, en nog een +ander met z'n jas.... 't Was een prachtige optocht, waarbij vroolijk +gezongen werd. + +En weet je wat ze zongen? + +Een liedje, dat ze zelf gemaakt hadden. + + »Niet in z'n bloote velletje, + Maar in de schort van Nelletje, + Ha--hi, ha--ha, ha--hi, ha--ha, + Ha--hi, ha--ha!« + +Op den dijk langs den IJsel lag spoedig alles uitgespreid. Het +zonnetje brandde er lekker op los en na korten tijd waren de kleeren +droog. + +[Illustratie] + +Jo dacht er niet eens meer aan. Hij speelde en joelde en draafde met +de anderen mee. + +En daarbij staken hem steeds de kanten van Nels schort deftig boven +z'n jaskraag uit. + +Meester en juffrouw zaten lekker in het gras. Toen Jo moe was, rolde +hij naast hen neer. + +»Hè, ik zweet er van,« zuchtte hij. + +»Wees maar wat rustig, anders gebeuren er nog meer ongelukken,« zei +meester. »Laat me je hand nog eens zien.« + +»Nee, nee,« lachte Jo, en meteen rolde hij den dijk af. + +»Maar ik heb toch gelijk gekregen,« riep meester. + +»Dat hebt u,« zei Jo, »dat hebt u.« + +En hij wentelde zich al verder en verder naar beneden, terwijl hij +zong: + + »Niet in z'n bloote velletje, + Maar in de schort van Nelletje, + Ha--hi, ha--ha, ha--hi, ha--ha, + Ha--hi, ha--ha!« + + + + +XXI. + +Twee neuzen te zoek. + + +Toen de kinderen den IJseldijk een poosje op- en afgerend waren, +gingen ze naar het Katerveer. Ze voeren ook even over de rivier heen. + +»Nu staan we op de Veluwe,« zei meester. + +»Leuk,« dachten de kinderen. »Nou zijn we daar ook geweest.« + +En meteen stormden ze weer naar de pont. + +Even later waren ze teruggekeerd in Overijsel. + +In een speeltuin dronken ze chocolade en toen speelden ze er een paar +uren. En Jo verwisselde er van kleeren en gaf terug, wat hij geleend +had. + +Ziezoo, nu was alles weer in orde! + +»Vooruit«, riep meester eindelijk, »naar Zwolle terug. We moeten de +groote kerk nog zien.« + +Het gebeurde en alle kinderen stonden verbaasd over den mooien +preekstoel. En nog meer over de wonderbaarlijke trap, die er was. + +»Brr«, zei Nel, »'t lijkt wel een afgrond. Ik zou door zoo'n koker +niet graag omhoog klimmen.« + +»Dat mag je ook niet eens«, zei Kee. »Nietwaar, meester?« + +»Ik denk ook van niet. En als de koster 't hebben wou, dan stond ik +het nog niet toe. 't Is veel te gevaarlijk, en ik wil jullie mee terug +nemen naar Breedega, hoor!« + +»Geloof maar niet, dat wij achterblijven«, riep Nel. + +»Dus bevalt het je nog al in Breedega?« + +»Nou, òf!« + +De tijd schoot intusschen op. + +»Kinderen, we moeten naar huis terug«, zei meester. »Als we nu nog een +paar straten bezien, komen we op tijd aan 't station.« + +Allemaal verlieten ze de kerk en gingen in de richting van de +spoorlijn. Na een klein half uur bereikten ze het station. + +Gelukkig, de trein stond gereed. Maar er was tijd genoeg, om een +plaatsje te zoeken. + +»Haast u maar niet«, zei een conducteur. »'t Duurt nog wel een minuut +of tien voor we vertrekken.« + +Meester telde z'n kindertjes eens na. Hij wist wel, dat er niet een +ontbrak, maar toch.... Je kon nooit weten! + +Dus telde hij. + +Wat was dat? Twee te weinig? + +Nog eens geteld! + +Opnieuw telde meester twee neuzen minder, dan er moesten zijn. + +Hij schrok. + +»Juffrouw, telt u ook eens! Er ontbreken twee kinderen, geloof ik.« + +»Dat zult u wel mis hebben. Ik heb altijd goed opgelet, maar niemand +bleef achter, of ging vooruit.« + +De juffrouw telde.... Twee te weinig! + +Het zweet brak den meester uit. + +»Wie mist er?« riep hij. »Die moet den vinger opsteken! Och nee...., +toe kinderen, kijkt eens goed rond!« + +Nu zocht en telde iedereen. + +»Meester, Nel is er niet,« schreeuwde Jo zoo hard hij kon. + +»En Kee ook niet,« riep Klaas. + +De oogen van meester en juffrouw gleden over het groepje kinderen +heen. Geen Nel.... geen Kee! + +»Meneer, 't wordt tijd om in te stappen,« zei de conducteur. + +Meester wist niet, wat hij doen zou. + +»Kinderen, stapt in,« riep hij eindelijk. »Vlug!« + +Heel ordelijk ging alles toe. Zelfs de drukste jongen was nu onder een +pijpedopje te vangen. Want iedereen dacht: »Hoe zal dat afloopen?« + +»Juffrouw, nu gaat u met deze kinderen naar huis,« zei meester. »Ik ga +de stad in om Kee en Nel te zoeken. Als ik ze gevonden heb, stuur ik +dadelijk een telegram. En dan komen we met den laatsten trein terug.« + +»Klets, klets,« deden de portieren. + +[Illustratie] + +»Past er op; klets, klets!« + +De conducteur zette z'n fluitje aan de lippen.... + +En wie kwamen daar op het aller-laatste oogenblik nog aanstormen....? + +Nel en Kee! + +»Gelukkig!« riep meester. + +»Gelukkig!« zuchtten een heele boel monden. + +»Vlug wat!« riep de conducteur. Hij ontsloot een portier, meester en +de twee meisjes stapten in, en.... + +Daar gilde het fluitje, daar steunde de locomotief, en daar reed de +trein heen. + +»Waar komen jullie van daan?« vroeg meester. Hij was kwaad. + +Kee begon te stotteren: »Meester...., we...., we....« + +»Vooruit, zeg op!« + +»We.... we.... zijn in een.... winkel geweest....« + +»In een winkel! Schaam je je niet? Begrijp je niet, hoe ongerust we +waren? En jij.... jij....« + +Meester begon ook te stotteren. + +»En wat moest je in dien winkel? Snoepen?« + +»Nee, meester,« klonk het zacht en half schreiend. + +»Ja, nou zit je allebei met tranen in je oogen. Nou heb je spijt; maar +je had eerder moeten nadenken. 't Is geen manier van doen. Maar je +hebt nog niet geantwoord: wat moest je in dien winkel?« + +»We hadden..... hadden..... nog..... niets..... voor moeder..... en +toen..... toen..... hebben we.....« + +»Nou, nou, houd maar op, ik hoor het al,« zei meester. + +Een poosje nog bleef het stil en drukkend in den wagen. + +Toen zei meester: »Nu praten we er maar niet meer over....., omdat het +voor jullie moeders was..... Vooruit kinders, zingen!« Hij zelf zette +in en weldra stroomde een krachtig gezang uit de openstaande +portierramen. + + + + +XXII. + +De terugkomst. + + +Bij het station stonden de wagens al gereed. + +De kinderen zagen ze in de verte reeds staan. + +»Hoera, hoera, hoera!« riepen ze en ze wuifden tegen de wachtende +boeren. + +Daar knarsten de remmen, een schok--en de trein stond stil. + +»Welkom thuis,« zei Harms. »Hebben jullie plezier gehad?« + +»Ja,« riepen verscheiden monden. En toen haastten alle kinderen zich +een plaats te zoeken. + +»Wij komen weer bij u,« zei Jo tegen Harms. + +»Wel, wel, halve dubbele twee, dat doet me plezier. Is de andere helft +misschien verloren gegaan?« + +»Nee,« zei Kee, »hier zijn we al.« + +En meteen stapte ze in den wagen. + +»Ze waren bijna in Zwolle gebleven, Harms.« En Klaas vertelde, wat er +gebeurd was. + +»Jonge, jonge, jonge,« zei de boer. »Zulke ondeugende nesten. Ja, ja, +die dames....!« + +En hij schudde het hoofd,--maar hij lachte meteen. + +Alle kinderen hadden een plaats gevonden. + +»Klaar?« vroeg meester. »Ja! Vooruit dan maar!« + +Meteen wipte hij op een wagen en daar ging het heen. + +'t Was een prachtige rit in den stillen avond. + +De zon naderde de kimmen en bescheen alles met een rood licht. + +Zelfs de weiden leken niet groen meer. + +Het rosse licht flikkerde in de ruiten van de huizen langs den weg. + +'t Was eenig mooi. + +En daarbij streelde een frisch windje de warme gezichten van de +kinderen. + +»Hoe komt het, zal er niet gezongen worden? Of zijn jullie treurig, +omdat je naar huis teruggaat?« vroeg Harms. + +»Nee, dat niet«, riepen de kinderen. + +[Illustratie] + +En, ze zongen op den stootenden, ratelenden, wagen tot ze niet meer +konden. + +Eindelijk bereikten ze Breedega. Het geheele dorp was op de been. +Want iedereen wou zien, hoe vroolijk de kinderen terugkeerden. + +Voor elke woning bijna werd »hoera« geroepen. En de dorpelingen riepen +even luid terug: »hoera, hoera!« + +»Ziezoo, we zijn er«, zei Harms. + +Alle wagens bleven stil staan en de kinderen stapten op den grond. + +»Allemaal op de speelplaats«, riep meester. »We willen nog één liedje +zingen.« + +Een paar minuten later stonden jongens en meisjes in twee groepen en +zongen met vroolijke stemmen een lied. + +»Terugkomst« heette het. + +En toen dat uit was, riep meester: + +»Nu bedanken we nog even de mannen, die ons gebracht en gehaald +hebben.« + +Daar daverde het heen: + + »Lang zullen ze leven, + Lang zullen ze leven, + Lang zullen ze leven in de gloria.« + +En toen zocht elk kind z'n eigen huis op, moe--maar tevreden. + +[Illustratie] + + + + +XXIII. + +Terugkomst. + + + Hoera, hoera, daar zijn we weer; + Geen onzer, die er mist: + De meester, die ons telde, heeft + Zich stellig niet vergist. + De juffrouw is steeds voorgegaan, + De meester, die kwam achteraan; + Zoo trokken wij vol blijden zin + De wijde wereld in. + + Hoera, hoera, daar zijn we weer; + Wij hebben pret gehad: + Het weer was goed, de lucht was klaar, + En prachtig was de stad. + Wij hadden alles graag gekocht, + Wat daar te zamen was gezocht; + Maar meester zei: »Dat 's al te kras, + Zoiets komt niet te pas.« + + Hoera, hoera, daar zijn we weer, + Vol chocolade en koek; + Geen onzer heeft, geloof het maar, + Een vlek op schort of broek. + Precies als we zijn heengegaan, + Zoo komen we hier bij u aan; + Ons mist geen nagel of geen haar, + 't Is eerlijk, eerlijk waar. + + Hoera, hoera, daar zijn we weer, + Blij na deez' blijden dag; + Straks zeggen w' in ons eigen huis, + Wat elk wel hoorde en zag. + Hebt nog een oogenblik geduld, + Wij wedden, dat ge hooren zult: + »'t Was eenig mooi; een volgend keer + Dan gaan we graag eens weer.« + + + + + +------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Plaats Bron Correctie | + | | + | Regel 141 ' « | + | Regel 461 ' « | + | Regel 803 [Niet in bron] . | + | Regel 1316 toen.. toen.... | + | Regel 2549 , . | + | Regel 2780 we, , we | + | Regel 2787 [Niet in bron] « | + | | + +------------------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Licht en Leven: Dubbele Twee. I., by +Jac. van der Klei + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT EN LEVEN: DUBBELE TWEE. I. *** + +***** This file should be named 29144-8.txt or 29144-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/9/1/4/29144/ + + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
