summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29144-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '29144-8.txt')
-rw-r--r--29144-8.txt3370
1 files changed, 3370 insertions, 0 deletions
diff --git a/29144-8.txt b/29144-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..6f3f3df
--- /dev/null
+++ b/29144-8.txt
@@ -0,0 +1,3370 @@
+Project Gutenberg's Licht en Leven: Dubbele Twee. I., by Jac. van der Klei
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Licht en Leven: Dubbele Twee. I.
+
+Author: Jac. van der Klei
+
+Release Date: June 17, 2009 [EBook #29144]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT EN LEVEN: DUBBELE TWEE. I. ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan |
+ | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
+ | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. |
+ | |
+ | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het |
+ | origineel zijn gecorrigeerd. |
+ | |
+ | De illustraties zijn alleen beschikbaar in de html-versie |
+ | van dit boek. (zie http://www.gutenberg.org) |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ LICHT EN LEVEN
+
+ LEESBOEK VOOR HET
+ VIERDE LEERJAAR
+
+ DOOR JAC. v. d. KLEI
+ HOOFD EENER SCHOOL TE OOSTERWOLDE (F.)
+
+
+ I. DUBBELE TWEE.
+
+ [Illustratie: ANNO 1863
+ Waeksaem In Thyme's Eedel Cruyt]
+
+ ZUTPHEN.--W. J. THIEME & C^{IE}.--1915.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Hoofdstuk. Bldz.
+
+ I. Twee levenmakers. 1
+ II. Moe wordt ziek. 5
+ III. Een verrassing. 11
+ IV. Naar buiten. 15
+ V. Jo en Nel ontdekken buurtjes. 19
+ VI. Jo en Klaas maken kennis. 25
+ VII. Kousvoeteling. 29
+ VIII. »Dubbele Twee.« 35
+ IX. Klaas kent geen bedotter. 40
+ X. Als je mekaar fopt.... 45
+ XI. Dina en de muis. 47
+ XII. Arm moedertje! 52
+ XIII. Moeilijke oogenblikken. 58
+ XIV. Het witje. 63
+ XV. Vogelgeluk. 67
+ XVI. Nestje. 72
+ XVII. Kinderverdriet. 73
+ XVIII. Hoera! daar gaan ze. 77
+ XIX. Meesters voorspelling. 83
+ XX. Niet in z'n bloote velletje. 89
+ XXI. Twee neuzen zoek. 94
+ XXII. De terugkomst. 99
+ XXIII. Terugkomst. 103
+
+
+
+
+I.
+
+Twee levenmakers.
+
+
+'t Was in 't laatst van November.
+
+De dagen waren al kort. En ze leken nog korter, doordat de lucht
+meestal met donkere wolken was bedekt.
+
+Mevrouw Veenhof zat in de slaapkamer op een stoel, waarop ze even
+neergevallen was. Ze had hard gewerkt, want Dina, de meid, was er
+niet. Die bracht een bezoek aan haar jarige moeder, een paar uren
+buiten de stad. Nu had mevrouw het werk alleen moeten doen en daardoor
+gevoelde ze zich moe.
+
+»Hé, dat Johan en Nelly nog niet thuis zijn! De school is nu toch wel
+uit«, dacht ze.
+
+Ze keek op de klok.
+
+»Kwart over vier! Ik dacht, dat het later was; 't is al zoo donker.
+Maar nu zullen de kinderen er toch wel gauw zijn. Wacht, hoor ik ze
+daar niet?«
+
+Haastige voetstappen klonken op de straat voor de woning. Daarna ging
+de deur open en klapte met een luiden slag weer toe.
+
+De deur van de huiskamer piepte eventjes.
+
+»Moe!« riep een meisjesstem.
+
+Mevrouw Veenhof lachte en hield zich stil.
+
+[Illustratie]
+
+»Moe!« riep de stem nog eens. En toen nog eens en nog eens:
+
+»Moe! Moe!«
+
+»Waar zou ze zijn, Nel?« vroeg een jongensstem.
+
+»Ik weet het niet, Jo! Toe, roep jij eens!«
+
+Toen schreeuwde een luide, hooge stem: »Moe, waar is u?«
+
+»Ik zal ze maar niet laten zoeken«, dacht mevrouw.
+
+»Hier«, riep ze, »in de slaapkamer!«
+
+Maar och, och, wat speet het haar, dat ze dat gezegd had.
+
+»Bom, bom, bom, bom!«
+
+Met een vreeselijk lawaai stormden Jo en Nel de trap op.
+
+»Je schoenen, je schoenen!« riep mevrouw.
+
+»Schoon«, riepen de kinderen, »honderd maal geveegd!«
+
+»Ja, ja, dat zie ik. Kijk eens, de stukken modder vliegen achter jelui
+uit. Ondeugende kinders, dat je bent....«
+
+Meer kon ze niet zeggen. Want Nel pakte haar van den eenen kant aan
+en Jo van den anderen.
+
+»Waarom is u weggekropen? Nu zullen we u eens eventjes mores leeren!«
+
+»Maar ik....«
+
+»Nee, u mag niet tegenspreken; u is wel weggekropen; u wou ons foppen!
+Foei!«
+
+En de ondeugden trokken aan de lachende moeder, en duwden haar, dat
+het schande was. Maar de moeder zelf vond het geen schande. Nee hoor,
+ze had de grootste pret. Ze liet wat met zich sollen, maar toen zei ze
+ineens:
+
+»Dag Jo, dag Nel!«
+
+Hé ja, dat hadden de wildzangen vergeten.
+
+»Dag moe«, zeiden ze. En meteen gaven ze moe, wat haar toekwam.
+
+»En nu gaan we naar beneden, hoor! Wel foei, wat heb je me moe
+gemaakt. Vandaag heb ik nog wel zoo hard moeten werken! Jelui had je
+arme moeder wat moeten sparen.«
+
+»Gaat die arme moeder nu straks met ons naar het station?« vroeg Jo.
+
+»Ja, arme moeder?« vroeg Nel.
+
+»Ik geloof, dat het beter is, dat ik thuis blijf.«
+
+»Dat meent u toch niet?« riepen twee stemmen verschrikt.
+
+»Dat meen ik nu wèl«, zei moe. »Ik voel me niet erg lekker; ik ben
+moe en huiverig.«
+
+»Och toe, laten we pa van den trein halen! Wat zal die anders wel
+zeggen?«
+
+»Hij zal wel thuis komen, kinderen. Echt waar, 't is beter, dat ik
+binnen de deur blijf.«
+
+»Dan mogen wij ook niet«, zuchtte Nel. »En we hadden er nog wel op
+gerekend. Als u uw diksten mantel aantrekt....«
+
+Mevrouw dacht even na. Ze begreep wel, dat het voor de kinderen een
+heele teleurstelling was, als ze hun vader niet van den trein mochten
+halen.
+
+»Dan moet het maar gebeuren«, zei ze eindelijk. »Ik zal er me goed
+instoppen.«
+
+
+
+
+II.
+
+Moe wordt ziek.
+
+
+Een uurtje later liepen een dame en twee kinderen door de bijna
+verlaten straten. De wind woei om de hoeken heen met zooveel kracht,
+dat het drietal er met moeite tegenin kon komen. En de wolken lieten
+droppels vallen; eerst enkele, maar weldra meer en meer.
+
+»Wat een weer«, zuchtte mevrouw Veenhof. »Waren we maar niet gegaan,
+of hadden we tenminste maar een rijtuig genomen!«
+
+[Illustratie]
+
+Jo en Nel zeiden niets. Ze vonden 't weer ook wel heel leelijk, maar
+ze verlangden erg naar hun vader. Ze hadden hem in een week niet
+gezien.
+
+Een kwartier later hadden ze hem weer bij zich. Jo hing aan zijn
+eenen en Nel aan zijn anderen arm.
+
+»Hoe durfde je er door?« vroeg meneer Veenhof.
+
+»Och, de kinderen«, zei z'n vrouw.
+
+»'t Is immers geen weer om te loopen. We nemen een rijtuig, hoor!«
+
+»Heerlijk«, riepen Jo en Nel. »Dat winnen we d'r bij.«
+
+Eenige minuten later reden ze gezellig door den stormwind. Gezellig,
+want ze zaten zoo welbeschut, nu buiten het rijtuig de wind gierde.
+
+Spoedig waren ze thuis.
+
+»Hè, foei, dat was me straks een tochtje«, zei mevrouw, toen ze goed
+en wel op den stoel zat. »Ik heb er waarlijk pijn in de zij van
+gekregen.«
+
+Meteen hoestte ze en trok rimpels in haar gezicht.
+
+»Wat mankeert er aan?« vroeg meneer.
+
+»Het hoesten doet me pijn.«
+
+»In de zij?«
+
+Mevrouw knikte.
+
+»'t Was ook geen weer om uit te gaan«, zei meneer. »Ik hoop, dat het
+maar gauw wat opknapt.«
+
+De kinderen gingen om acht uur naar bed.
+
+Pa en moe bleven nog een poos praten, maar vroeger dan gewoonlijk
+schoven ze ook maar onder de dekens.
+
+Moe hoestte en rilde en was voortdurend wakker.
+
+En den volgenden morgen kon ze niet opstaan.
+
+»Jo, loop eens naar dokter Thijssen, en vraag, of hij dadelijk wil
+komen«, zei pa.
+
+»Ja, pa!«
+
+Jo liep zoo hard hij kon; want z'n moeder was immers ziek!
+
+O, wat speet het hem, dat hij en Nel haar gisteren overgehaald hadden
+naar het station te gaan.
+
+Nooit, nooit zou hij 't weer doen.
+
+Terwijl hij zoo dacht, liep hij als een haas.
+
+Gelukkig, de dokter was thuis.
+
+»Over een kwartier ben ik bij jelui«, zei hij.
+
+En dat was hij ook. Toen hij hun woning verlaten had, hoorden de
+kinderen, wat moe scheelde.
+
+»Longontsteking«, zei pa.
+
+En z'n gezicht stond heel ernstig.
+
+De ziekte van mevrouw Veenhof verergerde snel. Na een paar dagen was
+de arme vrouw erg zwak geworden. Ze leed aan hevige koortsen en ijlde
+dikwijls.
+
+Vol zorg keek haar man dan naar de zieke.
+
+En Jo? En Nel?
+
+Jo had nergens plezier in. Zijn beste vrienden konden hem niet mee
+krijgen. Als de school uitgegaan was, liep hij op een draf naar huis.
+Dan keek hij naar z'n moe en ging voor haar bed zitten. Maar lang
+hield hij dat nooit vol. Na korten tijd stond hij op en zwierf door
+het geheele huis. En dan ging hij opnieuw naar de ziekenkamer en zette
+zich doodstil neer.
+
+Nel was bijna altijd bij moe. Dat wil zeggen, als ze mocht. Want pa
+wou het niet altijd hebben. Maar als ze mocht, zat ze voor het
+ledikant. En dan nam ze moe's hand in de hare. En dan gaf ze moe, wat
+die noodig had: drinken of een stukje sinaasappel, of een lepel uit
+het medicijnfleschje. Dat laatste vooral deed ze heel graag. Want dat
+moest moe genezen.
+
+Nu, gelukkig kwam er na een dag of tien beterschap. De koortsen bleven
+weg en moe herstelde, langzaam aan.
+
+Ja, langzaam aan; eigenlijk te langzaam.
+
+De hoest wou maar niet verdwijnen en moe's wangen bleven bleek. En d'r
+handen waren nog zoo dun en wit.
+
+Maar eindelijk mocht ze toch weer in den stoel voor het raam zitten.
+
+Dat was een feest voor de kinderen.
+
+Jo droeg een leuningstoel aan en Nel legde er een paar kussens in.
+
+»Want moe moet gemakkelijk zitten«, dacht ze.
+
+[Illustratie]
+
+En toen keken de beide kinderen stil als muisjes toe, hoe pa moe
+steunde.
+
+Voetje voor voetje ging het.
+
+Gelukkig, daar zat moe.
+
+Toen klopten de hartjes van Jo en Nel erg blij. Want nu hadden ze hun
+lief moedertje terug; nu zat ze voor het raam en lachte.
+
+Ze gingen elk aan een kant van den leunstoel staan en toen...
+
+Ja, toen zeiden ze niets en toen deden ze niets.
+
+Ze hadden gedacht, dat ze een danspartij zouden houden. En nu waren ze
+stil en hielden elk een vermagerde hand vast.
+
+Toch vonden ze 't niets vreemd.
+
+Toch waren ze erg, èrg blij!
+
+
+
+
+III.
+
+Een verrassing.
+
+
+Mevrouw Veenhof kon in de stad maar niet herstellen.
+
+'t Werd Februari; 't werd Maart; doch ze bleef maar zwak.
+
+»U moet naar buiten, mevrouw«, zei dokter Thijssen. »Als de mooie
+dagen komen, moet u naar den zandgrond. Naar de bosschen om frissche
+lucht te happen.«
+
+Dat zei hij ook tegen meneer Veenhof.
+
+En weet je, wat die deed?
+
+Hij sprak er met z'n broer over.
+
+Meneer Veenhof en z'n broer waren kooplieden. Samen dreven ze handel
+en op hun winkelramen stond: »Gebroeders Veenhof.«
+
+»Als de dokter het zegt, moet het gebeuren«, zei de broer.
+
+»Maar m'n vrouw kan toch niet alleen gaan!«
+
+»Wel, ga dan met je heele huishouding. Huur een woning in Overijsel of
+in Friesland. Dan kun jij daar voor onze zaak werken, terwijl ik hier
+in Amsterdam blijf.«
+
+»Dat zou kunnen«, zei meneer Veenhof. »Daaraan had ik niet gedacht.
+Ik ga vandaag gauw een paar advertentie's schrijven, waarin ik een
+woning te huur vraag.«
+
+Denzelfden dag deed hij het ook nog en twee weken later was de zaak
+voor elkaar.
+
+Op een middag kwam meneer thuis.
+
+»Waar zijn Jo en Nel?« vroeg hij.
+
+»Die doen even een boodschap, maar ze komen gauw terug. Heb je ze
+noodig?«
+
+»Ja«, zei meneer en hij lachte.
+
+»Wat kijk je vroolijk, man«, zei mevrouw.
+
+»Ik ben ook vroolijk.«
+
+»Waarom? Toe, vertel het me eens.«
+
+»O, ongeduldige vrouw! Nee, je moet wachten tot Jo en Nel teruggekeerd
+zijn.«
+
+Nu, die kwamen spoedig.
+
+»Dag, pa!« zei Jo.
+
+»Dag, pa!« zei Nel.
+
+»Dag, jongens!«
+
+»Zijn jelui daar eindelijk«, zei mevrouw lachend.
+
+»Eindelijk, moe? We hebben hard geloopen.«
+
+»Maar ik heb op jullie gewacht. Pa heeft een nieuwtje en dat moest
+jullie ook hooren. Ik mocht het niet eerder weten. En 't is zeker goed
+nieuws; kijkt maar eens, hoe pa lacht.«
+
+»Wat is het, pa?« vroeg Nel haastig.
+
+»Ja, kind, als je dat eens wist!«
+
+»Hoe gauwer u 't vertelt, hoe gauwer ik 't weet.«
+
+»Wel, wel, hoor me zoo'n heks eens aan. En als je 't weet, wat doe je
+dan?«
+
+»Hoe kan ik dat nou zeggen, plaaggeest!«
+
+Nel ging op pa's knie zitten en trok hem eens aan z'n knevel.
+
+»Als u 't niet gauw zegt....«, dreigde ze.
+
+Pa deed precies, of hij schrok.
+
+»Nee, nee«, zei hij, »maak geen Chinees van me. Ik zal je alles
+vertellen. We.... gaan.... Nou, raadt eens! Moe eerst!«
+
+»Eten«, zei moe.
+
+»Ja, dat ook; maar dat bedoel ik niet.«
+
+»Naar de bioscoop«, riep Jo.
+
+»Mis, mannetje. Nou jij nog, kleine heks!«
+
+»Een uitstapje maken naar Haarlem.«
+
+»Ook niet. Dan zal ik 't maar zeggen. Jelui bent toch niet slim genoeg
+om het te raden. We gaan.... verhuizen.«
+
+»Verhuizen?« vroeg Nel.
+
+»Verhuizen?« riep Jo.
+
+»Verhuizen?« herhaalde moe.
+
+En alle drie keken ze pa verwonderd aan.
+
+»Maar we hebben immers een best huis«, zei Moe. »Waarvoor zullen we
+al die drukte maken? Je meent het toch niet, man?«
+
+»Zeker, zeker, ik meen het.«
+
+»Dat spijt me; waar heb je dan een huis gehuurd?«
+
+»Ja pa, waar? In welke straat komen we nu te wonen?«
+
+»In de hoofdstraat, moe; in de hoofdstraat, kindertjes In de
+hoofdstraat van het dorp Breedega. Want we gaan naar buiten: ons
+moedertje moet heelemaal genezen.«
+
+
+
+
+IV.
+
+Naar buiten.
+
+
+»Hoera, dat is echt!« riep Jo.
+
+»Nou, of!« zei Nel.
+
+Ze wipte van pa's knie en klapte in de handen. En toen pakte ze Jo
+vast en danste met hem in 't rond. Precies een paar dolle kinderen.
+
+[Illustratie]
+
+»Ik zou wel tot den zolder willen springen, zoo blij ben ik«, riep Jo.
+
+»Ik wel tot het haantje van den toren,« lachte Nel.
+
+»Nou, zeg, als je dan neerviel.....«
+
+»En wat zegt moe er van?« vroeg pa.
+
+»Ik vind het heerlijk; maar ik had niet gedacht, dat het kon.«
+
+»Het kàn, hoor! M'n broer blijft hier en wij gaan naar Friesland. Daar
+zul je wel gauw heelemaal opknappen, moedertje!«
+
+»Ik meende, dat het er nat en laag was«, zei mevrouw.
+
+»In 't oosten niet; daar is de bodem hoog en zandig. En wij gaan naar
+Breedega, en dat ligt in 't oosten. Ik heb er een huis gehuurd met
+drie kamers en een keuken. En dan is boven nog een logeerkamertje.«
+
+»Wanneer gaan we er heen, pa?«
+
+»Als 't Mei is, Nel.«
+
+»Dat duurt nog zoo lang«, zei 't meisje.
+
+»Maar ruim drie weken meer.«
+
+»Dat is erg lang; wat zeg jij, Jo?«
+
+»IJselijk lang,« antwoordde Jo. »Hoe lang blijven we er, pa?«
+
+»Tot de mooie dagen voorbij zijn. Als de herfststormen waaien, gaan we
+naar Amsterdam terug.«
+
+»Wat een lange tijd! En gaan we dan bij de boeren wonen?
+
+En moeten we daar dan ook naar school? En hebben we een tuin; en
+krijgen we konijnen; en mogen we visschen; en zijn er appelboomen;
+en....«
+
+»Ho, ho, ho,« lachte pa. »Wilden jullie de heele wereld misschien ook
+hebben?«
+
+»Nee pa, maar....«
+
+»Ja, ja, je wou liefst alles hebben, en dan nog wat.«
+
+Jo lachte en Nel lachte. D'r oogen schitterden van blijdschap. Ineens
+grepen ze elkaar weer vast en sprongen opnieuw de kamer rond.
+
+Daar zag Nel de piano.
+
+»Moe, nou moet u spelen: »Naar buiten.« Dat hebben we zoo vaak
+gezongen, als we in de stad bleven. En nou gaan we echt naar buiten.«
+
+»Ja, moe; u spelen en wij zingen«, riep Jo.
+
+Moe speelde den laatsten tijd niet veel: ze had er meestal weinig lust
+in. Maar nu was ze ook vroolijk. Ze ging voor de piano zitten en
+weldra klonk het:
+
+[Illustratie: Naar Buiten.]
+
+ Naar Buiten.
+
+ Naar buiten, naar buiten,
+ De zon is in 't veld!
+ Ze trekt nu de spruiten
+ Door klonters en kluiten,
+ Ze lacht in de ruiten;
+ Naar buiten,
+ Naar buiten,
+ Naar buiten gesneld!
+
+ Naar buiten, naar buiten,
+ De lucht is zoo klaar!
+ De wind en de schuiten
+ Zijn blijde kornuiten;
+ De merelkens fluiten:
+ Naar buiten,
+ Naar buiten,
+ Hoe heerlijk is 't daar!
+
+ Naar buiten, naar buiten,
+ De wei is zoo groen!
+ De grasjes ontspruiten;
+ De bloemkens ontsluiten
+ De blaadjes: daar buiten,
+ Daar buiten,
+ Daar buiten,
+ Wat is er te doen?
+
+
+
+
+V.
+
+Jo en Nel ontdekken buurtjes.
+
+
+De Mei was gekomen en had bloemen en bladeren gebracht. En ze had de
+familie Veenhof doen verhuizen. Vader en moeder woonden nu met hun
+kindertjes en Dina, de meid, in Breedega.
+
+'t Was een heele reis geweest van Amsterdam naar het kleine dorpje.
+Gelukkig was de woning heelemaal klaar, toen de familie kwam. Dina was
+een paar dagen te voren vooruit gegaan. Ze had het huis schoongemaakt
+en de meubels een plaats gegeven. Veel kasten en tafels en stoelen
+waren er niet; de meeste waren in Amsterdam gebleven. In de woning van
+meneer z'n broer waren ze onderdak gebracht.
+
+»Wel, Dina, wat heb je alles keurig netjes«, zei moe.
+
+»Vindt u, mevrouw?«
+
+»Ja, hoor; wat zeg jij d'r van, man?«
+
+»Dina heeft eer van haar werk«, zei pa.
+
+Nel en Jo vonden het huis ook mooi. Die vonden alles mooi. Ze waren
+moe van de reis, maar toch stormden ze den tuin in.
+
+»Wat een groote«, riep Jo. »Kijk eens Nel, boomen ook! Wat bloeien ze
+mooi!«
+
+»Prachtig! Wat zouden 't zijn?«
+
+»Ik wed, appelboomen.«
+
+»Maar 't kunnen ook wel pereboomen zijn!«
+
+»Zullen we eens vragen?«
+
+Jo liep al hard weg; Nel volgde hem.
+
+»Pa, wat voor boomen staan er in den tuin? Ze zijn heelemaal wit van
+bloesems.«
+
+»Vruchtboomen«, zei pa.
+
+»Ja, dat weten wij ook wel. Maar welke?«
+
+Pa liep even mee naar buiten.
+
+»Kijk, dat is een appelboom, en dat ook, en dat zijn een paar
+pereboomen. En daar staat een uitgebloeide kerseboom.«
+
+»Heerlijk; wat zullen we smullen«, riep Nel.
+
+»Zoover is 't nog niet, juffertje. Je zult nog wel wat geduld moeten
+hebben.«
+
+»Dat heb ik wel, pa. Als ik maar vast, vast, vast weet, dat die
+lekkere appels en peren en kersen komen.«
+
+»Dan is het goed.«
+
+Pa ging naar binnen.
+
+Maar Nel en Jo vonden 't in den tuin veel te mooi. Ze ontdekten een
+prieeltje met een bank er in. Het was bijna geheel verborgen onder
+wilde hop. En welk een heerlijk grasveld was er! Daar kon je naar
+hartelust in om en om-rollen; vuil werd je niet.
+
+»Zeg Jo, kom eens hier!« riep Nel.
+
+»Waar ben je?«
+
+»Hier, bij de heg.«
+
+Jo ging naast z'n zusje staan.
+
+»Wat is er?« vroeg hij.
+
+»Kijk daar eens; wat een paar leuke huisjes.«
+
+»Wat klein zijn ze; zulke zie je in Amsterdam niet.«
+
+»Wie zouden er wonen?«
+
+»Hoe zou ik dat nou weten!«
+
+Dat was waar. Maar Dina kwam juist den tuin in. Misschien wist die het
+wel.
+
+»Dina«, vroeg Nel, »wie wonen er in die leuke huisjes?«
+
+»Aardige menschen«, zei Dina. »Twee vaders, twee moeders en zeven
+kinderen. Ik ken ze al. In dat huisje woont de familie Veen en in dat
+andere de familie Zwart.«
+
+»Ik wou, dat ik eens iemand zag«, fluisterde Nel.
+
+Pas had ze dat gezegd, of twee kinderen kwamen naar buiten. Verbaasd
+bleven die even staan. Ze hadden Jo en Nel ontdekt. Met verwonderde
+oogen keken ze de stedelingen aan. De monden gingen een beetje open en
+de armen hingen slap neer.
+
+[Illustratie]
+
+Toen stoven ze ineens naar d'r huisjes terug. Zeker wilden ze het
+groote nieuws vertellen, dat ze buren hadden gekregen.
+
+»Hoe heeten ze, Dina?« vroeg Nel.
+
+»Die jongen heet Klaas Veen, en dat meisje Kee Zwart«, zei Dina.
+
+[Illustratie]
+
+»Hoe oud zouden ze zijn?«
+
+»Dat weet ik niet. Misschien een jaar of acht, negen.«
+
+Nel was bijna tien jaar en Jo haast negen.
+
+»Dan zouden we met ze kunnen spelen«, zei Jo.
+
+»Wel zeker«, zei Dina, »'t zijn heel aardige kinderen.«
+
+Dina ging weer naar binnen, en Jo en Nel bleven dus alleen.
+
+Ze wachtten en wachtten of Klaas en Kee ook opnieuw zouden
+verschijnen.
+
+Ja, hoor, daar kwamen ze aan; daar stonden ze al.
+
+»Zullen we ze roepen?« vroeg Jo zacht.
+
+»Durf jij?« fluisterde Nel terug.
+
+Geen van de twee durfde.
+
+En Klaas en Kee durfden zeker ook niets te zeggen.
+
+Zoo stonden de beide paartjes ongeveer twintig meters van elkaar. Ze
+keken en keken en ze wilden graag met elkaar praten. Maar ze deden het
+niet!
+
+Daar verscheen pa.
+
+»Domme kinders«, lachte hij, »je eet mekaar toch niet op.« »Komt hier
+eens heen«, riep hij tegen Klaas en Kee.
+
+En weet je wat die deden? Ze keken dien vreemden meneer eens aan en
+toen...... Toen schuifelden ze zachtjes aan achteruit, en verdwenen om
+den hoek van het eene kleine huis.
+
+Voor zoo'n meneer met een wit vest aan waren ze bang.
+
+Meneer Veenhof lachte en ging met Jo en Nel naar binnen.
+
+»'t Zal wel veranderen«, lachte hij; »'t zal wel veranderen.«
+
+
+
+
+VI.
+
+Jo en Klaas maken kennis.
+
+
+Den volgenden middag gingen Jo en Nel naar de dorpsschool.
+
+Ongeveer zeventig kinderen vermaakten zich op de speelplaats. Ze
+maakten een lawaai, dat iemand hooren en zien verging.
+
+Maar toen de twee stedelingen kwamen, werd alles stil.
+
+»Daar zijn ze; daar zijn ze!«
+
+Zoo klonk het van alle kanten.
+
+Nieuwsgierig keken jongens en meisjes Jo en Nel aan. Die vonden het
+niets prettig. Ze gingen dicht bij de deur staan, en ze hoopten, dat
+de meester maar gauw kwam. Maar die was bezig de borden te beschrijven
+en bleef dus in school.
+
+Daar kwam een dikke jongen aanstappen.
+
+»Dag«, zei hij; »ik ken je wel!«
+
+Hij zette z'n beenen een eind van elkaar en stak de handen in z'n
+broekzakken.
+
+»Hoe heet je?« vroeg hij.
+
+»Jo«, zei Jo.
+
+»Jo? Wat een gekke naam! Ik heet Klaas.«
+
+[Illustratie]
+
+Hij keek net, of hij zeggen wou: »Dat is een heel andere naam,
+kereltje!«
+
+»Hoe oud ben je?« vroeg hij toen.
+
+»Acht jaar«, zei Jo.
+
+»Ik ben ook acht. Wil je met me spelen? Ik woon naast je.«
+
+Het leek Jo erg begeerlijk. Maar hij durfde zich nog niet goed te
+bewegen. En hij kon Nel toch ook niet laten staan, alleen tusschen al
+die vreemde kinderen! Dien dikken jongen herkende hij nu wel. Hij had
+hem gisteren immers gezien over de haag heen.
+
+»Ik kan niet«, zei hij. »Dan blijft Nel alleen staan.«
+
+»Nou, wat hindert dat«, riep Klaas. »Toe, doe maar mee; we zullen
+juist tikkertje doen!«
+
+Maar Jo wou bij zijn zusje blijven.
+
+»Wat flauw«, mopperde Klaas, toen hij opnieuw spelen ging.
+
+Eindelijk kwam de meester buiten. 't Was een lange man met een bril
+op. Hij praatte een poosje met Jo en Nel. En toen wist hij alles, wat
+hij weten moest.
+
+De school begon.
+
+En weet je, waar Jo nu zitten moest? Naast Klaas, in de vierde klasse.
+
+»Jelui zijn immers buren«, zei meester.
+
+Klaas had een kleur als vuur. Hij had al gehoopt, dat de nieuweling
+bij hem mocht zitten. En nou gebeurde dat ook.
+
+Nel werd in de vijfde klasse geplaatst, naast een meisje, dat Jantje
+heette.
+
+Daarna konden de vierde en de vijfde klasse beginnen met het
+rekenwerk, dat op het bord stond. En meester ging naar de hoogste
+afdeeling, waarin »de geleerden« zaten.
+
+Klaas begon verwoed te rekenen. Ook Jo deed z'n best.
+
+Zoo ging het ruim een half uurtje. Toen kon Klaas het niet langer
+uithouden.
+
+»Zeg, kom je vanmiddag bij me?« vroeg hij.
+
+»Ik weet het niet«, fluisterde Jo.
+
+»Doe 't maar; ik heb ook jonge konijnen.«
+
+»Hoeveel?«
+
+»Vijf. Nou, kom je?«
+
+»Ik denk het wel«, zei Jo.
+
+»Ze zijn al veertien dagen, en er is één wit bij.«
+
+Dat moest Jo bepaald zien.
+
+»Ik ga mee«, zei hij. »Hoe laat gaat de school uit?«
+
+»Om half vier.«
+
+»O, en we eten....«
+
+Dit gesprek werd zacht fluisterend gevoerd. Maar meester scheen aan
+alle kanten oogen en ooren te hebben.
+
+»Klaas....,« riep hij, »kom eens hier!«
+
+Schoorvoetend kwam Klaas nader.
+
+»Waar had je 't over, m'n ventje. 't Was zeker over een zaak van
+gewicht.«
+
+Klaas zweeg.
+
+»Vooruit nou, waar praatte je over?«
+
+»Over m'n konijnen, meester«, zei de jongen fluisterend.
+
+»Over dat mooie witje?«
+
+»Ja meester.«
+
+»Zal ik je eens wat zeggen, Klaas? Je mag dat mooie witje wel present
+geven aan Jo. Maar je mag er hier in school niet over babbelen.
+Begrepen?«
+
+»Ja, meester.«
+
+»Ga dan maar terug naar je plaats.«
+
+
+
+
+VII.
+
+Kousvoeteling.
+
+
+»Dat kun je begrijpen; ik zal m'n mooie witje weggeven«, dacht Klaas.
+»Ik zou gek zijn, als ik 't deed.«
+
+Hij ging op z'n plaats zitten en zei niets meer.
+
+Ook Jo zweeg.
+
+Stilletjes werkten ze door. Een paar keeren maar gedurende den
+geheelen middag fluisterden ze een woordje.
+
+Maar toen de klok half vier had geslagen, waren ze blij. Vlug borgen
+ze de schriften weg.
+
+»Ga je nou mee?« riep Klaas, toen ze buiten de school waren.
+
+»Graag«, antwoordde Jo. »Kom Nel«, riep hij.
+
+Met z'n drieën liepen ze vlug den weg op. En weldra hadden ze de
+woning van Klaas bereikt.
+
+Daar achter, op een grasveldje, stond een hok met traliën.
+
+Maar er was geen bodem onder aan den eenen kant.
+
+»'t Is de loop«, zei Klaas. »Hier kunnen ze gras eten.«
+
+[Illustratie]
+
+Hij deed het hok aan den achterkant open. Nel en Jo keken nieuwsgierig
+naar binnen. Daar zagen, ze in een wollig nestje vijf jonge
+konijntjes liggen. Vier er van waren grijsbont, maar 't vijfde was
+spierwit. Klaas legde z'n pet op den grond en vlijde de beestjes er
+in. Maar het witje nam hij in z'n handen.
+
+»Kijk eens, wat een mooi velletje; en wat een mooie oogen. Zie je wel,
+dat ze rood zijn?«
+
+»Och, wat snoezige diertjes«, riep Nel.
+
+Jo zei niets. Maar z'n oogen schitterden.
+
+»Heb je wel eens mooier gezien?« vroeg Klaas met trots.
+
+»Nee, nooit«, zei Jo.
+
+Hij streek met z'n vingers over 't donzige kopje en lichtte de fijne
+oortjes even op.
+
+»Ik wou, dat ik er ook zoo een had.«
+
+»Ik wil het toch niet missen«, zei Klaas.
+
+Dat begrepen Jo en Nel best.
+
+»Maar dit zijn toch ook lieve diertjes«, zei Nel. »Kijk ze eens bij
+mekaar kruipen. Ze worden koud.«
+
+Daar kwam nog een kijkster aan. 't Was een leuk meisje met aardige
+krulletjes. Die vielen over haar rug heen; net allemaal
+kurketrekkertjes.
+
+»Zeg Kee, ze zijn al weer gegroeid«, riep Klaas.
+
+»Wie is dat?« vroeg Nel.
+
+»Dat is Kee; ken je Kee niet? Die woont hiernaast, in dat huis.«
+
+Het meisje zei niets, maar ze keek de drie kinderen met vriendelijke
+oogjes aan.
+
+Eindelijk legde Klaas de konijnen weer in d'r nestje en sloot het hok.
+
+»Over veertien dagen zijn ze groot«, zei hij. »Dan kunnen ze bij de
+oude vandaan.--Zullen we nou spelen?«
+
+Jo en Nel wilden graag, maar ze moesten 't even thuis vragen.
+
+Nu, pa en moe vonden het goed, dat ze kennis maakten met d'r buurtjes.
+
+»Maar om half zes thuis wezen, hoor; anders vind je den hond in den
+pot. En weest voorzichtig!«
+
+»Ja moe«, riepen de twee kinderen en weg vlogen ze.
+
+Een poosje later was de pret in vollen gang.
+
+Twee jongens en twee meisjes liepen zoo hard ze konden om de beide
+kleine huisjes heen. Ze deden tikkertje.
+
+Klaas trok z'n klompen uit, dan kon hij harder loopen. Nu kon Jo hem
+niet tikken.
+
+»Loop ook op je kousen«, zei Klaas.
+
+»Ik weet niet, of het wel mag; in Amsterdam deed ik het nooit«,
+antwoordde Jo.
+
+»O, 't gras is zoo zacht; 't doet heelemaal geen pijn, als je er over
+loopt.«
+
+Jo wou toch de schoenen maar niet uittrekken.
+
+»Durf je niet?« vroeg Klaas.
+
+»O, zeker wel.«
+
+»Nou, doe het dan! Anders zeg ik, dat je niet durft.«
+
+Ja, nu moest Jo z'n moed wel toonen.
+
+Hij maakte de veters los en even later.... daar sprong hij heen. Wat
+liep dat leuk; zoo licht, zoo gemakkelijk!
+
+En het mooiste was: nu kon hij harder loopen dan Klaas.
+
+Toen Nel zag, dat Jo op z'n kousen liep, zei ze: »Dat mag je niet
+doen.«
+
+»'t Hindert ook wat; we doen 't hier allemaal«, zei Klaas.
+
+»Ik doe straks m'n schoenen weer aan«, dacht Jo. »Moe ziet er toch
+niets van.«
+
+[Illustratie]
+
+Maar dat kwam anders uit.
+
+Want toen het half zes was, kon Jo z'n schoenen niet aan de voeten
+krijgen. Die waren door de warmte veel te veel gezwollen. En de
+schoenen waren niet ruim.
+
+Hoe nu?
+
+Een poosje later keerde Nel naar huis terug. Achter haar liep Jo met
+z'n schoenen in de hand. Hij hoopte, dat moe hem niet zou zien; dan
+zou hij vlug een paar pantoffels aantrekken.
+
+Maar moe zag hem wel.
+
+»Wat is dat?« zei ze verwonderd.
+
+Jo vertelde, wat er gebeurd was.
+
+»'t Is wat moois«, mopperde moe. »Laat je kousen eens zien!«
+
+Jo tilde z'n eenen voet op; hij schrok zelf van 't geen hij zag.
+
+Onder den voet zat een dikke laag groenachtige modder.
+
+Vijf minuten later zat hij met z'n voeten in 't bad en een paar
+schoone kousen lagen naast hem.
+
+En voor hem stond z'n moeder en zei streng: »'t Mag volstrekt niet
+weer gebeuren, hoor!«
+
+»Nee moe«, zei Jo.
+
+En z'n stem klonk wel een beetje benauwd.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+VIII.
+
+»Dubbele twee.«
+
+
+Jo en Nel voelden zich al gauw thuis in Breedega.
+
+Ze konden het met de andere schoolkinderen best vinden. Maar groote
+vrienden werden ze met hun buurtjes: Klaas en Kee. Na veertien dagen
+zag men Jo nooit zonder Klaas en Nel nooit zonder Kee. En heel vaak
+waren ze met d'r vieren.
+
+[Illustratie]
+
+Een van de grootste schooljongens had een aardigen naam voor hen
+gevonden.
+
+»Kijk«, zei hij op een keer, »daar komt »dubbele twee« ook weer aan.«
+
+Alle kinderen, die 't hoorden, lachten.
+
+En na dien tijd noemden ze ons viertal altijd »dubbele twee.«
+
+Het was een gepaste naam, nietwaar?
+
+Klaas leidde Jo overal rond. Na korten tijd kende de stedeling niet
+alleen het dorp, maar ook de omgeving. Vooral de bosschen en het water
+vond hij mooi. En de weilanden ook met al die kleurige bloemen, en de
+akkers....
+
+Och, eigenlijk vond hij alles mooi. En hij vond het erg aardig, dat
+Klaas hem zooveel liet zien en hem zooveel vertelde.
+
+Maar Klaas fopte hem ook wel eens!
+
+Op een middag waren ze een weiland ingegaan. Daarin liep het schaap,
+dat toebehoorde aan den vader van Klaas. Maar dat vertelde de guit
+niet.
+
+»Wacht«, dacht hij, »nu zullen we eens een grap hebben.«
+
+Hij en Jo liepen een heel eind de weide in. Eindelijk waren ze dicht
+bij het schaap gekomen. Het dier herkende Klaas en kwam naar de
+jongens toe.
+
+Toen deed Klaas, alsof hij vreeselijk bang werd.
+
+»Help, help«, schreeuwde hij, en meteen zette hij het op een loopen.
+
+Jo werd zoo verschrikt, dat hij z'n vriend op een draf volgde.
+
+[Illustratie]
+
+»Loop«, schreeuwde Klaas; »als het je pakt....«
+
+Jo rilde en versnelde z'n vaart.
+
+Het schaap liep achter de jongens aan.
+
+»Bê, bê«, riep het. Net of 't zeggen wou: »Maar wacht dan toch eens
+eventjes.«
+
+»Loop, daar komt het aan«, schreeuwde Klaas. Och, och, wat repten de
+jongens hun beenen. 't Was precies, of Jo nu veel harder kon loopen
+dan z'n vriend. Hij raakte voor, al meer en meer. Maar hij had geen
+tijd om eventjes om te zien.
+
+Daardoor merkte hij niet, dat Klaas stil bleef staan, en toen
+lekkertjes in het gras ging liggen.
+
+'t Leek grappig, zooals Jo vluchtte. Klaas moest er hartelijk om
+lachen. Kijk eens aan, hij liep maar door.
+
+Eindelijk meende Jo, dat hij 't gevaar ontkomen was.
+
+Hij draaide zich om en--, daar begreep hij niets van. Hij zag z'n
+vriend liggen en 't schaap stond naast hem.
+
+»Ben je gevallen«, schreeuwde hij. »Bijt het ook?«
+
+Klaas stond op en danste als een dolle om het schaap heen. Allerlei
+vreemde geluiden stootte hij uit.
+
+[Illustratie]
+
+»Wat mankeert dien jongen toch?« dacht het dier zeker. Het werd bang
+en maakte, dat het weg kwam.
+
+»Hoera«, schreeuwde Klaas, »de vijand vlucht.«
+
+Toen rolde hij opnieuw onderst-boven en lachte, dat zijn wangen paars
+werden.
+
+»Ik heb 't gewonnen, de vijand is verslagen«, riep hij.
+
+Eindelijk stond hij op en ging naar Jo toe.
+
+»Hè«, zei Jo, »ik was zoo bang, dat het je kwaad zou doen. Viel je?«
+
+»Ja«, antwoordde Klaas met een ernstig gezicht. »Maar heb je wel
+gezien, dat ik het aandurfde? Ik ben nergens bang voor.«
+
+Jo kreeg grooten eerbied voor zijn vriend. Maar toen hij later merkte,
+dat die hem zoo mooi gefopt had, dacht hij: »Wacht maar, mannetje.
+Leer om leer; pak je mij, ik pak je weer.«
+
+
+
+
+IX.
+
+Klaas kent geen bedotter.
+
+
+Den volgenden dag ging Klaas naar Jo. Hij was nu volstrekt niet meer
+bang voor meneer Veenhof, ook niet al had die een wit vest aan. En de
+moe van Jo vond hij erg aardig. Bijna geen dag ging voorbij, of Klaas
+kwam op »de villa«, zooals hij en Kee de woning van hun buren noemden.
+
+Eerst hadden de twee kinderen met groote oogen alles bezien. Wat een
+mooie stoelen, en wat een pracht van een tafel! En dan die
+vloerkleeden en die gordijnen! Ze waren er stil van geworden.
+
+Maar nu waren ze daaraan al gewend en Klaas was even luidruchtig als
+Jo; en Kee babbelde niet minder hard dan Nel.
+
+»De ooren tuiten me d'r van«, zei meneer Veenhof soms.
+
+»Levenmakers«, riep hij, »wil je eens wat stil wezen!«
+
+Dan stond hij op en liep op een draf achter de kinderen aan, de kamer
+uit, de gang door, den tuin in.
+
+En dan zat mevrouw in een gemakkelijken stoel voor 't open raam en
+lachte hartelijk.
+
+Ze begon zich al wat beter te gevoelen; ze was opgeruimder geworden,
+en dat is voor een zieke al heel wat waard.
+
+Nu was Klaas dan weer bij Jo.
+
+Ze speelden samen wat in den tuin, en plaagden toen Nel een beetje.
+
+Maar die had er niet veel aardigheid aan.
+
+[Illustratie]
+
+»Laat me met rust, plaaggeesten«, riep ze. Maar de plaaggeesten lieten
+haar niet met rust. En toen ging Nel naar de kamer, waarin moe zat.
+Want ze was bezig met een handwerkje en dat moest af; het mòest.
+
+»Wat zullen we nou doen?« vroeg Klaas.
+
+Daar schoot Jo plotseling wat in de gedachten. Klaas had hem gisteren
+gefopt; wacht eens eventjes....
+
+»Heb je onzen bedotter al gezien?« vroeg hij.
+
+»Jullie bedotter?! Wat is dat voor een ding?« vroeg Klaas verwonderd.
+
+Jo sloeg de handen in elkaar.
+
+»Of ken je nog geen bedotter«, riep hij uit.
+
+»Nee, wat is dat dan?«
+
+»Bij ons in Amsterdam zijn er wie weet hoeveel. En hier bij jullie
+geen een? Ik kan 't haast niet gelooven. Maar we hebben er een
+meegebracht. Wil je hem eens zien?«
+
+»Graag«, zei Klaas.
+
+»Nou, kom dan maar!«
+
+Jo liep naar binnen; Klaas volgde hem.
+
+In een van de kamers stond een pendule. Het klokje werd gedragen door
+een man, een reus.
+
+»Daar staat hij«, zei Jo.
+
+»Dat? Nou, dat is een klok!«
+
+»Maar geen gewone, mannetje! Zie je dien reus?«
+
+»Ja, wat zou die?«
+
+»Als die de klok hoort slaan, draait hij z'n hoofd om.«
+
+Daar hoorde Klaas verwonderd van op.
+
+»Is dat waar?« vroeg hij.
+
+»Zoo waar, zoo waar, als....«
+
+»Nou, als....«
+
+»Net zoo waar, als dat twee keer twee vier is.«
+
+Dat was erg waar, vond Klaas.
+
+»Wil je 't zien?« vroeg Jo.
+
+»Graag, hoor!«
+
+»Laten we dan tien minuten wachten; dan slaat de klok.«
+
+[Illustratie]
+
+De jongens gingen zitten. Klaas keek met groote pogen naar het
+uurwerk. De wijzers gingen hem veel te langzaam.
+
+Jo bleef niet lang zitten.
+
+»Ik moet even weg; ik kom gauw terug«, zei hij.
+
+En meteen stoof hij de deur uit, want hij moest eens uitproesten.
+
+»O, moe, o, Nel«, riep hij in de andere kamer. »Wat heb ik Klaas nou
+mooi te pakken!«
+
+En toen vertelde hij, hoe z'n vriendje er op zat te wachten, dat Atlas
+zijn hoofd draaide.
+
+»Hoe kom je er bij, jongen«, lachte moe.
+
+»Nou, moe; hij heeft mij gisteren ook zoo voor 't lapje gehouden. Ga
+je mee kijken, Nel?«
+
+Natuurlijk ging Nel mee.
+
+Op de teenen slopen ze naar de andere kamer en keken door de reet
+tusschen deur en kozijn.
+
+Klaas zat maar geduldig te wachten.
+
+»Nog eventjes«, hoorden Jo en Nel hem zeggen.
+
+Daar sloeg de klok: een--twee--drie--vier--
+
+[Illustratie]
+
+Klaas schrok er haast van, al had hij er ook op zitten wachten.
+
+»Pas op«, dacht hij, »nou komt het.«
+
+Maar er gebeurde niets. Atlas bleef even krom staan als te voren en
+z'n hoofd bleef onbeweeglijk.
+
+Mopperend gleed Klaas van den stoel.
+
+»D'r is niks van an«, zei hij, en meteen stapte hij de gang in.
+
+En toen had je de pret!
+
+Jo en Nel gierden het uit van lachen.
+
+»Gekken«, zei Klaas, »waarom lach je zoo?«
+
+»Om jou.... om dien mooien bedotter.... Vond je hem niet prachtig....
+Ja, mannetje, leer om leer, fop je mij....«
+
+Klaas begreep het nog niet. En Jo en Nel lieten hem even wijs. Maar
+toen de jongen 's avonds aan z'n vader en moeder en de andere
+huisgenooten de geschiedenis vertelde, toen.... Ja, toen begreep hij,
+wie eigenlijk een bedotter was.
+
+Atlas niet, maar......
+
+
+
+
+X.
+
+Als je mekaar fopt....
+
+
+[Illustratie]
+
+ Dat je mekaar eens fopt, dat mag;
+ Maar laat het foppen blijven!
+ Nooit moet je scherts, hoe grappig ook,
+ Tot spot gaan overdrijven.
+ Wat als een ander jou bespot,
+ Om jou luid staat te schaat'ren,
+ En jij haast huilt.... zeg, wou je 'm dan
+ Niet om z'n ooren klaat'ren?
+
+ Maar fopt een ander jou soms fijn,--
+ Zoo'n echte, slimme rakker,--
+ Kijk dan niet zuur, lach mee, en denk:
+ »Pas op, baas, blijf maar wakker!
+ Jij pakte mij, ik pak jou weer,
+ Daar kun jij op vertrouwen;
+ Is 't heden niet, dan morgen vast;
+ Ik zal jou naam onthoûen.«
+
+ Dat je mekaar voor 't lapje houdt,
+ Wie zal daar over vitten?
+ Wie zal niet graag, om mee te doen,
+ In jullie kring gaan zitten?
+ Maar eerlijk moet je altijd zijn,
+ Ook bij het grappigst plagen;
+ Want spot,--je weet het drommels goed,--
+ Doet vaak méér pijn dan slagen.
+
+
+
+
+XI.
+
+Dina en de muis.
+
+
+Klaas en Jo konden het best met elkaar vinden, dat weten we; maar Kee
+en Nel niet minder. Die hadden te zamen al heel wat gewandeld en al
+heel wat bekeken. En ook hadden ze te zamen al grappige avontuurtjes
+beleefd.
+
+Hoort maar eens.
+
+Kee had een muis. 't Was geen echte; neen, 't was er een van hout en
+ze had oogjes, die kralen waren. Die muis had vroeger kunnen springen,
+maar dat kon ze nu niet meer.
+
+[Illustratie]
+
+»'t Lijkt precies«, zei Nel; »hoe kom je er aan?«
+
+»Van vader gekregen, toen ik jarig was.«
+
+»Schrok je niet, toen je ze kreeg?«
+
+»Wel nee, ik ben niet bang voor een muis.«
+
+»Nou, ik wel hoor! En Dina dan; die is er zoo bang voor, als....
+als...., nog erger dan ik.«
+
+Toen kwam Nel wat grappigs in den zin.
+
+»Zeg, weet je wat we moesten doen?« riep ze.
+
+»Nee; wat dan?«
+
+»Dina bang maken. Dan zetten we de muis in de keuken op de tafel en
+als Dien dan komt....«
+
+»Ja, laten we dat doen«, zei Kee.
+
+En weet je, wat de beide schelmen nu deden? Ze bonden een zwarten
+draad om den kop van het houten muisje, en zetten het zoo op de tafel.
+De draad ging onder 't openstaande raam door naar buiten. En daar,
+beneden het kozijn, lagen Nel en Kee te luisteren.
+
+[Illustratie]
+
+Korten tijd daarna kwam Dina de keuken binnen. Ze liep naar de tafel
+en....
+
+»O!« schreeuwde ze opeens.
+
+En meteen sprong ze wel drie meter achteruit.
+
+»Wat is dat? Een muis? Foei, foei!«
+
+Het muisje bleef onbeweeglijk zitten. Daardoor werd Dina een beetje
+moediger.
+
+»Kss, kss, kss«, riep ze.
+
+Maar het diertje ging niet op de vlucht.
+
+»Wat een brutale muis«, dacht Dina.
+
+Ze nam den stoffer en zwaaide er mee. 't Gaf niets.
+
+Toen sloeg ze er mee op den vloer, maar de muis bleef zitten.
+
+Eindelijk trommelde Dina zelfs op het vuilnisblik, maar niets baatte.
+
+»Kss, kss, kss,« riep ze nog eens.
+
+Nel en Kee hadden pret voor zes. Maar Dina begreep er niets van. Ze
+sloeg de rokken stijf om haar beenen en toen deed ze een stap vooruit,
+en toen nog een halven stap.
+
+»Kss, kss, weg dan toch,« riep ze.
+
+De muis keek haar met glinsterend zwarte oogjes stilletjes aan.
+
+»Naar dier, vooruit, of ik sla je dood,« riep Dina.
+
+Ze wist zelf wel, dat ze het toch niet durfde doen. Maar ze dacht:
+»Nou zal ze wel schrikken.«
+
+Maar het muisje schrok niet.
+
+Dina deed nog een stap vooruit, en toen...... rrtts......
+
+Daar sprong de muis een heel eind weg.
+
+»Help, help, mevrouw, mevrouw.... een muis....!«
+
+Dina vloog de keuken uit, de gang door, de kamer in.
+
+»Een muis«.... hijgde ze, »een muis....«
+
+»Kom, kom, ze bijt je niet,« zei mevrouw. »Waar is het diertje?«
+
+»In de keuken, mevrouw..... het zat op de tafel..... En het sprong in
+eens op me aan en wou me bijten....«
+
+Dina's beenen trilden nog van den schrik.
+
+»Ik zal eens even gaan kijken,« zei mevrouw.
+
+»Wat is mevrouw toch dapper,« dacht Dina. Ze liep achter haar
+meesteres aan naar de keuken toe.
+
+En toen ze daar kwam....
+
+Daar stond mevrouw te lachen, en Nel lachte, en Kee lachte....
+
+En de beide meisjes riepen: »Sliep uit, sliep uit!«
+
+[Illustratie]
+
+»O jullie deugnieten,« zei Dina. »Ik zal....«
+
+Maar ze was nog niet eens uitgesproken, toen ze schreeuwde:
+
+»O, nòg een, nòg een! Kijk eens....!«
+
+Op een drafje liep ze naar buiten, en Nel....?
+
+Wel die liep achter haar aan en schreeuwde even hard:
+
+»Help, help, een muis!«
+
+Want terwijl ze Dina stond uit te lachen, holde er eensklaps een
+muisje over den vloer.
+
+En dat was nu geen houten, maar een van vleesch en bloed.
+
+»Help, help, een muis....« schreeuwden de twee heldinnen buiten de
+deur.
+
+Maar mevrouw Veenhof en Kee bleven rustig staan en lachten en riepen:
+»Sliep uit, sliep uit!«
+
+
+
+
+XII.
+
+Arm Moedertje!
+
+
+»Zeg, Jo, ga je mee?« riep Klaas over de heg heen.
+
+»Waarheen?«
+
+»Ik moet even een boodschap doen voor moe. Toe, ga mee, 't is maar een
+kwartiertje loopen.«
+
+»Ik zit in Dik Trom te lezen; 't is zoo mooi,« riep Jo terug.
+Eigenlijk wou hij wel graag blijven lezen. Maar Klaas liet hem niet
+met rust.
+
+»Je kunt immers vanmiddag wel verder lezen,« zei hij. »Toe, ga nou
+mee! Misschien vinden we ook nog wel een vogelnest.«
+
+»Weet je er een?«
+
+Jo flapte het boek dicht. Een nest! Dat wou hij graag zien!
+
+»Nee, maar er zijn er genoeg.«
+
+»Ik ga mee, hoor!«
+
+»Mag ik ook mee?« vroeg Nel.
+
+Jo keek naar Klaas, en Klaas keek naar Jo.
+
+»Om mij wel,« zei de eerste eindelijk.
+
+»Om mij ook wel,« zei de andere.
+
+»Dan ga ik Kee vragen, of ze ook mee gaat,« riep Nel.
+
+Jo en Nel vroegen moe, of ze met Klaas mee mochten, en moe vond het
+goed.
+
+Een poosje later waren de vier kinderen al op weg.
+
+»Dubbele twee,« riep Jan Bos, een jongen uit de vierde klasse.
+
+»Dubbele twee,« riep Piet Boers, z'n kameraad.
+
+»Komt maar hier,« riep Klaas, en hij stak z'n vuist in de hoogte.
+
+Daar moesten Jan en Piet niets van hebben. Ze staken even d'r tong uit
+en toen maakten ze, dat ze weg kwamen.
+
+»Dat zijn een paar echte flauwerds!« zei Klaas.
+
+Het viertal verliet weldra den straatweg en sloeg een zandpad in. Dat
+volgden ze een heel eind en toen moesten ze door een boschje. En
+daarna gingen ze langs een heel smal paadje, waar ze achter elkaar
+moesten loopen. Eindelijk had Klaas de woning bereikt, waarheen z'n
+moeder hem met een boodschap had gezonden. Jo en Nel en Kee bleven
+achter, terwijl hun vriendje op een drafje naar het kleine
+boerderijtje liep. Geen vijf minuten later was de jongen reeds terug.
+
+»En nou gaan we naar het boschje; daar kunnen we heerlijk spelen,«
+riep hij.
+
+»Ja, ja,« zei Kee, »je kunt je daar zoo fijn verschuilen.
+Verstoppertje, dat ken jelui toch wel?«
+
+Of Jo en Nel het kenden! Maar in zoo'n boschje zou het nog eens echt
+zijn; zij hadden zich nooit beter kunnen verschuilen dan achter een
+stoel of in een kast.
+
+'t Was wel heet, maar toch liepen de vier kinderen op een draf naar
+het koele boschje. Maar voor ze begonnen te spelen, wilden ze eerst
+even op het mos uitrusten.
+
+Weldra lagen ze languit onder een eik, die nog heel jonge blaadjes
+had.
+
+»Kijk,« riep Klaas ineens, »daar zit een gat in den stam. Daar kan
+best een nest in zitten.«
+
+Hij stond op en Jo eveneens. Klaas nam een stok en sloeg tegen den
+stam: klets, klets, klets....
+
+»Rrrrrrr,« ging het plotseling en een musch vloog uit het gat.
+
+»Zag je dat?« schreeuwde Jo. »D'r zit vast een nest in. Zullen we eens
+kijken?«
+
+Hij beproefde in den boom te klimmen, maar dat kunstje kende hij niet.
+Telkens gleed hij onderuit. Wel duwde Klaas hem op, maar 't gaf niet
+genoeg.
+
+»Laat mij eens probeeren,« zei Klaas.
+
+Hij sloeg z'n beenen om den stam en daar ging hij langzaam omhoog.
+Eindelijk was z'n gezicht voor het nest.
+
+»Er liggen eitjes in,« schreeuwde hij. Maar meteen gleed hij naar
+beneden, want hij kon zich niet langer vasthouden.
+
+»Hoeveel?« riepen de drie andere kinderen.
+
+»Dat weet ik niet; maar ik geloof wel een stuk of zes.«
+
+Het gezicht van Jo glom van vreugde.
+
+»Hoe krijgen we ze d'r uit?« vroeg hij.
+
+»Ga maar staan, zóó, met je rug tegen den boom. En dan je handen
+vouwen, zóó!« riep Klaas.
+
+Jo deed het, en nu zette Klaas z'n eenen voet in de samengevouwen
+handen; daarna ging de tweede op Jo's schouder en toen de eerste ook.
+
+»Kun je me dragen?«
+
+»O, best hoor!«
+
+Klaas keek nu in 't gat.
+
+»Zeven eitjes,« riep hij.
+
+»Haal ze d'r uit,« zei Kee.
+
+»Ja, toe, haal ze d'r uit,« zei Nel.
+
+»Piet, tjiet--piet, tjiet,« smeekte het muschje. Het borstje van het
+vogeltje ging snel op en neer. Maar geen van het viertal, die het zag.
+
+»Piet, tjiet--piet, tjiet,« bad het diertje. Maar de kinderen
+verstonden de vogeltaal niet.
+
+[Illustratie]
+
+En toch was die taal zoo gemakkelijk te verstaan; want het was
+dezelfde, die de moeders van de vier kinderen spraken.
+
+»Piet, tjiet--piet, tjiet....!«
+
+Arm moedertje, je bidt tevergeefs; wat geven deze kinderen om jou
+liefde! Jij bent maar een musch, maar een klein dier, begrijp je dat!
+
+
+
+
+XIII.
+
+Moeilijke oogenblikken.
+
+
+»M'n hand is te dik; ze kan er niet in,« riep Klaas naar beneden.
+
+»Och, wat jammer,« zei Nel.
+
+»Zal ik eens probeeren?« vroeg Jo. »Misschien zijn mijn handen wel
+kleiner dan die van jou.«
+
+Klaas klauterde naar beneden en toen vergeleken de jongens hun handen.
+
+»Zie je wel, de mijne zijn kleiner! Ga jij nou eens staan!«
+
+»Goed,« en Klaas steunde met z'n rug tegen den boom. Even later stond
+Jo voor het gat. Het was toch erg klein, hoor! De jongen wrong en
+wrong...., ha, daar ging z'n hand.
+
+»Ik ben d'r in,« juichte hij, »en ik voel de eitjes!«
+
+»Pas op, knijp ze niet kapot: ze zijn zoo teer,« riep Klaas.
+
+Jo nam een paar eitjes uit het nest en wou z'n hand om hoog trekken.
+Maar dat ging niet.
+
+»Nou kan mijn hand ook niet door de opening,« zei hij.
+
+Hij liet een eitje vallen, maar de vuist was nog te dik.
+
+»Ben je haast klaar?« riep Klaas. »Je hebt je schoenen aan de voeten
+gehouden en die doen me zeer op m'n schouders.«
+
+Opnieuw liet Jo een eitje vallen. Nu had hij nog één in de hand. En
+nog was die te dik.
+
+»Ik kan er geen een uitkrijgen; als ik m'n vingers krom doe, is 't gat
+te klein.«
+
+»Laat ze dan maar liggen,« zuchtte Klaas. »Maar je moet naar beneden
+komen, want ik kan je niet langer dragen. O, mijn schouders!«
+
+Ja, dan moesten de eitjes maar blijven liggen. Jo trok z'n hand
+terug...., wat was dat....! Ze was toch niet dikker geworden?
+
+De jongen trok en wrong en draaide en rukte, alles tevergeefs.
+
+»O, ik zit vast,« riep hij vol angst uit; »ik kan m'n hand niet terug
+trekken.«
+
+»Toe, gauw, m'n schouders!« steunde Klaas.
+
+»Ik kan niet, ik kan niet...., blijf staan, Klaas!«
+
+»Maar ik kan je niet meer dragen; verzet dan je voeten een beetje....«
+
+Jo deed het en 't gaf z'n vriend wat opluchting.
+
+»Probeer nu gauw los te komen, Jo!« riep Nel. Ze werd ongerust over
+haar broertje. Daar stond ze nu dicht bij hem en ze kon hem niet
+helpen.
+
+Opnieuw rukte en wrong Jo, maar 't baatte niet. Z'n hand begon hem
+vreeselijk pijn te doen, maar ze bleef gevangen.
+
+Nu sprongen er tranen uit de oogen van den armen jongen, tranen van
+angst. En onder zijn voeten steunde en zuchtte z'n kameraad....
+
+»Help, help!« schreeuwde Jo ineens.
+
+Toen werden Kee en Nel zoo verschrikt, dat ze riepen: »Wij gaan hulp
+halen in dat huis van straks.«
+
+[Illustratie]
+
+Zoo hard ze konden liepen ze naar 't kleine boerderijtje toe. Gelukkig
+was 't maar een klein eindje en nog gelukkiger was het, dat de
+eigenaar juist thuis gekomen was.
+
+De man nam vlug een laddertje op z'n schouder en volgde de twee
+meisjes.
+
+»Help, help, help....!« hoorden ze Jo roepen. Aan z'n stem konden ze
+wel merken, dat hij schreide.
+
+Maar hij niet alleen!
+
+Klaas schreide ook; ten eerste om Jo, die zoo akelig gevangen zat, en
+ten tweede om de pijn, die hij zelf gevoelde. Z'n vriend werd hoe
+langer hoe zwaarder, naar 't scheen. Klaas beet op z'n tanden.....
+Neen, hij mocht niet neervallen, hij moest blijven staan.... Maar z'n
+knieën trilden...., z'n schouders verdoofden.... »Blijf staan,« dacht
+hij, en hij sloeg z'n armen achter zich om den boom. En intusschen
+biggelden dikke tranen hem over de wangen.
+
+In Klaas z'n heele leven was dat nog geen vijf keer gebeurd.
+
+De boer schoof het laddertje onder de voeten van Jo. Nu kon Klaas z'n
+plaats verlaten. De jongen deed een paar stappen vooruit en viel toen
+neer op het mos.
+
+Maar Jo was nog niet bevrijd. Dat kostte heel wat moeite.
+
+De boer beproefde wel de hand uit het gat te trekken, maar 't gelukte
+hem evenmin als het den jongen zelf gelukt was.
+
+»Ik zal je los moeten snijden,« zei de man eindelijk.
+
+Jo rilde; hij dacht.... iets vreeselijks.
+
+Maar gelukkig dacht hij verkeerd. Z'n helper sneed heel voorzichtig
+wat hout uit den boom, zoodat de opening ruimer werd. Het duurde heel
+lang, maar eindelijk....
+
+»Probeer nou nog eens,« zei de man.
+
+Jo trok, en...., gelukkig, daar schoot z'n hand naar buiten. Nog nooit
+in z'n leven was de jongen zoo blij geweest, als op dat oogenblik.
+
+Met tranen in de pogen bedankte hij z'n redder.
+
+»Ja, ja, al lang goed. Je moet ook geen vogelnestjes uithalen, 't is
+zonde,« zei de goede man. En meteen keerde hij terug naar z'n woning.
+
+[Illustratie]
+
+De kinderen dachten aan geen spelen meer; stilletjes keerden ze naar
+het dorp terug.
+
+Af en toe voelde Klaas eens naar z'n schouders, maar nog vaker keek
+hij naar de hand van Jo.
+
+Die was vreeselijk rood en dik.
+
+»Mijn schuld,« dacht Klaas, »mijn schuld....!«
+
+
+
+
+XIV.
+
+Het witje.
+
+
+Eindelijk waren de vier kinderen weer thuis.
+
+Nel deed een opgewonden verhaal over wat gebeurd was.
+
+»Die kinderen, je kunt ze haast geen oogenblik vertrouwen,« zei moe,
+terwijl ze druk bezig was Jo's hand te betten met koud water.
+
+Ze had diep medelijden met haar jongen.
+
+Pa ook wel, maar die zei niet veel. Hij mompelde iets van »kwaad, dat
+zich zelf straft.«
+
+Nel hoorde het. En die had toch ook zoo'n medelijden met Jo!
+
+»Nou, pa,« zei ze een beetje snibbig, »Jo deed toch geen kwaad. 't Was
+een musschennest, en musschen zijn schadelijke vogels.«
+
+»Dat zijn ze.«
+
+Meteen stond pa op en ging den tuin in.
+
+En wien trof hij daar aan bij de achterdeur? Klaas!
+
+Maar de jongen was niet alleen. Op z'n arm droeg hij een snoezig
+beestje, een konijntje, z'n mooie witje.
+
+»Meneer....,« stotterde hij, »'t was.... was.... mijn.... mijn
+schuld. En nou wou..... wou ik..... Jo dit.....«
+
+[Illustratie]
+
+»Hoe kom je er bij, ventje. Jo is toch even oud als jij, en jij
+behoeft niet op hem te passen!«
+
+Dat was waar en toch.... toch gevoelde Klaas schuld. Hij kon het niet
+zeggen, maar zie je.... Jo was hier vreemd en kende geen nesten en
+geen boomen.... En dan had Klaas hem ook meegelokt.... bij z'n Dik
+Trom vandaan....
+
+»Toe meneer, mag ik hem dit geven?« vroeg hij smeekend.
+
+Meneer Veenhof keek den jongen even ernstig aan.
+
+»Wou je 't werkelijk graag doen, en mag het van je vader en moeder?«
+
+»Ja, meneer, ik heb het gevraagd. En ik wil het graag missen....«
+
+Toen hij dat zei, kreeg Klaas een hoogroode kleur.
+
+»Kleine jokkebrok,« dacht meneer, »je hebt je konijntje veel te lief
+om het weg te geven.«
+
+»Neem het maar weer mee, Klaas,« zei hij. »En zet het maar in z'n
+hokje.«
+
+Toen sprongen er een paar tranen in de oogen van den jongen.
+
+Meneer zag het.
+
+»Wacht even«, zei hij. En meteen riep hij naar binnen:
+
+»Jo, kom eens hier!«
+
+Jo kwam. Of de jongen ook verwonderd was, toen Klaas hem het mooie
+witje aanbood. Hij vroeg niet: »Wil je 't wel missen?«
+
+Met z'n handen nam hij 't diertje van Klaas over en drukte het tegen
+z'n wangen. O, wat voelden die fijne haartjes heerlijk zacht! En wat
+keken die roode oogjes vriendelijk en wat ging dat beweeglijke neusje
+leuk heen en weer!
+
+»Dat vind ik mooi van je«, riep hij. »Ik wou het al zoo lang héél
+graag hebben.«
+
+En opnieuw drukte hij 't beestje tegen z'n gezicht; en hij vergat z'n
+pijnlijke hand en z'n pa en Klaas.... Hij liep met z'n schat naar
+binnen.
+
+[Illustratie]
+
+»Moe, Nel, zie eens!«
+
+Moe vond het een prachtig geschenk en Nel werd bijna jaloersch.
+
+En Dina dan!
+
+Dina vond het witje het mooiste konijntje van de heele wereld.
+
+»Dat is het ook«, dacht Jo, en hij danste weer naar buiten.
+
+»Nu moeten we een hokje voor 't diertje maken«, zei pa. »Morgen zullen
+we er mee beginnen; vandaag kun je 't wel in dit bakje zetten.«
+
+Maar Jo dacht er nog niet aan. Hij liep met z'n konijntje heen en weer
+en zette het dan weer eens in het gras. En hij kon haast niet
+verdragen, dat Nel het ook even droeg.
+
+»Pas op, pas op, je doet het pijn«, riep hij dan. »Och, dat arme
+beestje, kijk eens, 't is bang voor jou! Zie z'n haartjes nou eens
+zitten!«
+
+En toch had Nel heel zachte vingers.
+
+Maar Jo had z'n konijntje erg lief.
+
+»Ik had het nooit weggegeven«, zei Nel tegen Klaas.
+
+»Och....«, zei Klaas.
+
+Toen keek hij naar de dikke, bloedroode hand van Jo.
+
+En hij voelde geen spijt, dat hij z'n liefste konijntje aan z'n
+vriendje gegeven had. Hij hield nog vier bonte over, en Jo had zich
+zoo bezeerd....
+
+
+
+
+XV.
+
+Vogelgeluk.
+
+
+Meneer Veenhof had een nestje gevonden. 't Zat verscholen in een
+hazelaar heel achter in den tuin, en er lagen vijf jongen in. 't Was
+een aardig gezicht, dat wriemelende goedje.
+
+»Dat moest »dubbele twee« nu eens zien«, dacht hij. »Wacht, daar zijn
+de kinderen juist.«
+
+Hij wenkte met de handen en daar kwamen ze aanhollen.
+
+»Wat is er, pa; wat is er, meneer?«
+
+»Sst, sst«, en meneer hief waarschuwend den vinger op.
+
+»Voorzichtig zijn, heel zachtjes loopen«, zei hij.
+
+Op de teenen kwamen de kinderen nader.
+
+»Wat is er, pa«, fluisterde Nel.
+
+»Zie eens hier!«
+
+En pa schoof voorzichtig een takje op zij.
+
+»Och, een nestje. Wat leuk!«
+
+»Je ziet alleen wat kopjes en wat nestharen, hé? En kijk, de pennen
+van de vleugels beginnen te groeien.«
+
+»Ze zijn heelemaal geel om den bek«, fluisterde Jo.
+
+»Piep«, zei Klaas met z'n lippen.
+
+[Illustratie]
+
+Ineens gingen de geelomrande bekjes de hoogte in.
+
+»Piep-piep-piep«, riepen de vogeltjes.
+
+Ze dachten, dat d'r moeder gekomen was met voer.
+
+»Laten we nu een beetje op zij gaan; misschien komt de moeder dan wel
+naar d'r kindertjes toe. Kijk, daar zit ze. Ze is erg onrustig.«
+
+De vijf menschen stapten bij het boompje weg. Maar kort duurde het of
+»pjiet« zei het vogeltje en daar vloog het een beetje nader bij het
+nestje.
+
+»Pjiet, pjiet!«
+
+En toen hipte 't weer een paar takjes verder.
+
+De kleine kraaloogjes gluurden haastig wat rond en toen ineens....
+rrrrt.... daar zat 't vogeltje bij het nest.
+
+»Hoort dat jonge goed nu eens druk wezen«, zei pa.
+
+»Krijgen ze nu wat, pa?« vroeg Nel.
+
+»Ja, zag je dan niet, dat de oude wat in den snavel had?« riep Jo.
+
+»Kijk«, riep Klaas ineens, »daar heb je 't mannetje ook!«
+
+»Wat is het leuk goedje«, zei Nel.
+
+De andere kinderen vonden 't ook. Zoo'n vogelhuishouding was toch maar
+gezellig. Nog langen tijd bleven ze staan kijken; en toen de oude
+vogels weer weggevlogen waren, gluurden ze ook nog even in 't nestje.
+
+»Piep, piep!«
+
+En dan kwamen de kopjes allemaal vlug in de hoogte. Maar toen de
+bekjes te vergeefs naar voedsel zochten, kropen de naakte lichaampjes
+weer dicht tegen elkaar aan.
+
+Alle dagen gingen de vier kinderen het nest bespieden. Ze zagen de
+jongen al grooter en grooter worden. En ze bemerkten, hoe gelukkig de
+ouders waren met d'r kindertjes; hoe goed ze er op pasten.
+
+»Die vinkenfamilie achter in den tuin moet ook maar eens opgeruimd
+worden«, zei pa op zekeren dag.
+
+»Opgeruimd?« vroegen vier kinderstemmen tegelijk.
+
+»Ja, natuurlijk; 't zijn schadelijke vogels, wat doen we er mee?«
+
+»U wilt ze toch geen kwaad doen?« riep Nel angstig uit.
+
+»Wat hindert dat; 't zijn immers schadelijke vogels!«
+
+»Maar ze doen ons geen kwaad, ze moeten toch eten.... U mag ze niet
+hinderen, dat zou.... zou....«
+
+Jo kon haast geen woorden vinden, zoo opgewonden werd hij.
+
+»Wat zeg jij, Kee«, vroeg pa, »moet het nest hier blijven?«
+
+»Ja, meneer«, antwoordde het meisje.
+
+»En jij Klaas?«
+
+»Ja, meneer!«
+
+»Kijk, dat begrijp ik niet. Weet je nog wel van dat musschennest?
+Waarom wou jelui die vogeltjes dan wel plagen en ongelukkig maken?«
+
+De kinderen zwegen alle vier.
+
+Maar ze dachten wel wat. Nou vonden ze gemeen, wat ze toen hadden
+willen doen. Gelukkig, dat ze de eitjes niet hadden kunnen rooven....
+
+ * * * * *
+
+»Ga jelui mee naar dien boom met het musschennest?« vroeg Klaas een
+poosje later. »Ik ben er nooit weer geweest, maar ik wou wel eens
+zien, of er ook jongen in liggen.«
+
+»Ja, dat doen we!« riepen de andere drie.
+
+Twintig minuten later beurde Jo Klaas op. De jongen keek in het gat en
+zag de eitjes nog liggen.
+
+»De vogels hebben 't nest verlaten«, zei hij.
+
+'t Was een groote teleurstelling voor de vier kinderen.
+
+Ze gevoelden, dat ze veel geluk hadden verstoord. Toen ze terug
+keerden, waren ze een heelen tijd erg stil.
+
+
+
+
+XVI.
+
+Nestje.
+
+
+ In 't hazelarenhout
+ Daar is een nest gebouwd
+ Van mos en veer en strootjes;
+ 't Schuilt onder 't groene dak,
+ 't Rust op een slanken tak,
+ 't Wiegt boven 't blanke vlak
+ Der sloot--met lichte stootjes.
+
+ Het is een koningshuis
+ Bij 't zachte windgeruisch,
+ Dat gaat door struik en boomen;
+ Vijf koningskindren gaan
+ Zacht deinend af en aan,
+ Terwijl vier oogen staan
+ Te waken voor hun droomen.
+
+
+
+
+XVII.
+
+Kinderverdriet.
+
+
+In de schoolkast van meester Fransen stond een blikken sigarenkistje.
+Als meester 't opnam en even schudde, rammelde het verschrikkelijk.
+Want er zat geld in, veel geld: guldens en dubbeltjes, maar vooral
+centen.
+
+»Ik ben maar goed af«, zei meester. »De kinderen zorgen, dat ik een
+vetten spaarpot krijg.«
+
+»Dat zou u wel willen, dat hij van u was«, zei dan soms zoo'n brutale
+jongen. »Maar hij is lekkertjes van ons.«
+
+En dat was de waarheid ook. De kinderen spaarden voor een
+schoolreisje: elke week gaven ze een halven stuiver.
+
+Dit jaar zouden ze naar Zwolle gaan.
+
+En--wat het mooiste was--, alle kinderen gingen mee. Niet één behoefde
+er thuis te blijven, omdat vader en moeder geen halven stuiver konden
+missen.
+
+Dat meende de meester, en dat meenden de kinderen ook allemaal. En
+toch dachten ze verkeerd.
+
+Want op een morgen, toen meester bezig was de borden te beschrijven,
+kwam er een meisje het lokaal binnen.
+
+Ze schreide.
+
+»Wat mankeert er aan, Roelofje?« vroeg meester.
+
+[Illustratie]
+
+»Meester...., ik wou.... wou.... graag mijn geld.... terug hebben«,
+snikte ze.
+
+»Je geld terug, wàt geld?«
+
+»Van het schoolreisje...., en dat van Jacob ook, meester.«
+
+»Ga jelui dan niet mee naar Zwolle?«
+
+»Nee meester; we mogen niet.... Vader is ziek, en.... nu heeft moeder
+'t geld noodig.«
+
+Meester wist wel, dat de vader van Roelofje en Jacob ziek was. De man
+had longontsteking gehad en was nog niet heelemaal genezen. Hij
+begreep best, dat de vrouw nu 't reisgeld voor haar kindertjes niet
+missen kon.
+
+Hij reikte Roelofje 't geld over en vroeg: »Wat zegt de dokter van je
+vader?«
+
+»Vader moet nog een paar weken rust nemen, meester.«
+
+»Zoo, zoo; nu ik zal eens bij jelui aanloopen, hoor!«
+
+Denzelfden dag wist de heele school al, dat twee kinderen niet mee
+gingen naar Zwolle. De tranen van Roelofje en van Jacob hadden 't half
+verteld, de twee stakkers zelf de rest.
+
+En iedereen begreep wel, waarom ze niet mee mochten. 't Huisgezin was
+arm, en nu de vader ziek!
+
+»Hè, wat jammer«, fluisterden een paar stemmen.
+
+Menig gezichtje stond ernstig, omdat er nu twee thuisblijvers zouden
+zijn. O, er waren ook wel kinderen, die alleen aan zich zelf dachten!
+Maar de meesten hadden graag de helft van d'r pleizier aan Roelofje en
+Jacob willen geven.
+
+Als 't maar gekund had.
+
+Toen Jo en Nel des middags thuis kwamen, vertelden ze alles aan moe.
+Pa was voor zaken op reis en zou een paar dagen in de provincie
+Groningen vertoeven.
+
+»Vindt u 't niet naar, moe, dat ze nou moeten thuisblijven?« vroeg Jo.
+
+»Ja, dat is wel naar«, zei moe. »Nu gaan jelui allemaal pret maken, en
+zij alleen mogen niet mee.«
+
+»Meester kon ze ook wel zoo laten, meegaan, zonder betalen«, meende
+Nel.
+
+»'t Zou kunnen«, zei moe, »maar 't is toch beter, dat ze wel betalen.«
+
+»Maar dat kunnen ze niet«, riep Jo. En toen keek hij moe ineens
+ernstig aan en zei: »Toe moe, laten wij ze helpen.«
+
+»Ja, toe moe«, vleide Nel met haar liefste stemmetje. »Geef ons straks
+geld mee, dan zullen wij dat aan den meester geven.«
+
+»Nee, daar kan niets van komen«, zei moe.
+
+Over de gezichten van Jo en Nel gleed een schaduw; en d'r oogen werden
+een beetje vochtig.
+
+»Dwaze kinderen, vertrouw je nu je eigen moeder niet meer?«
+
+Moe lachte.
+
+»'t Komt wel goed, hoor; weest maar gerust!«
+
+'t Kwam goed.
+
+Des middags wandelde moe naar het huisje, waarin de ouders van
+Roelofje en Jacob woonden.
+
+Wat ze er deed?
+
+Niemand, die het gewaar werd. Maar alle kinderen uit het lokaal van
+meester Fransen zouden Zwolle zien: Roelofje en Jacob ook. En als
+later de moeder van dat tweetal over mevrouw Veenhof sprak, weet je
+wat ze dan zei?
+
+»Beter mensch is er niet; vraag dat maar eens aan mijn man en mijn
+kinderen!«
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+XVIII.
+
+Hoera! daar gaan ze.
+
+
+'t Was nog vroeg in den morgen.
+
+Toch was het erg druk op het schoolplein. Daar hadden zich alle
+kinderen uit de hoogste klassen verzameld. En daar stonden ze nu, en
+maakten lawaai en wachtten--ja, wachten deden ze vooral.
+
+»Daar komt er een; daar komt er een«, klonk het ineens.
+
+»Waar, waar?« gilden enkele stemmen.
+
+»Kijk, daar om den hoek!«
+
+Ja, daar kwam een wagen aanrollen.
+
+»Wie is het?« vroeg Jo.
+
+»Jan Harms; kijk de bruine eens loopen,« zei Klaas.
+
+Snel naderde de wagen; daar ging hij over de brug met een vreeselijk
+geweld.
+
+»Ho«, riep Harms, en Bruin bleef snuivend staan.
+
+»Hoera!« riepen de kinderen.
+
+»Harms, wat heb je den wagen mooi versierd!«
+
+»Vind je?« lachte de boer.
+
+»Prachtig,« riepen de kinderen.
+
+»Daar komt er weer een aan!« schreeuwden een paar stemmen.
+
+»En van dien kant ook een,« klonk het.
+
+»Allebei versierd; kijk toch eens, wat mooi!«
+
+De boeren hadden werkelijk d'r best gedaan om hun wagens mooi te
+maken. Met groen en bloemen waren ze getooid en de paarden droegen
+kleurige kwasten aan het hoofdstel en strikken op den staart.
+
+Elke wagen werd door de kinderen met luide »hoera's« begroet.
+Eindelijk waren er zes.
+
+[Illustratie]
+
+»Nou komt de meester niet,« riepen een paar ongeduldige kinderen. »Als
+hij zich maar niet verslaapt....«
+
+»En de juffrouw is er ook nog niet. We komen nog te laat aan den
+trein.«
+
+Nu, daar behoefden ze niet bang voor te zijn.
+
+Daar was de meester al.
+
+»Wat ben jelui allemaal vroeg,« zei hij. »We hadden immers afgesproken
+zes uur, en 't is er nog tien minuten voor. En de wagens zijn ook al
+present?«
+
+»Ja meester, wij komen op tijd,« zei Harms. »De bruine wordt al
+ongeduldig; zullen we maar beginnen met die bengels in te laden?«
+
+»Gaat je gang maar, mannen!«
+
+Toen liet meester de kinderen bij groepjes van vijf of zes door 't hek
+gaan. Zoo ging het ordelijk en ieder kreeg een plaats.
+
+Klaas en Jo en Nel en Kee bleven naast elkaar staan en zoo raakten ze
+in denzelfden wagen.
+
+»Gelukkig, we zitten bij Harms,« zei Klaas.
+
+»Waarom gelukkig?« vroeg Jo zacht.
+
+»Nou, dat is zoo'n aardige man; ik wed, dat we straks ook wel eens
+mogen mennen.«
+
+Daar kwam de juffrouw aan.
+
+»Bijna te laat, juffrouw,« riep Harms.
+
+»Mooi op tijd, Harms,« zei ze. En meteen stapte ze bij hem in den
+wagen.
+
+»Alles klaar, ja?« vroeg de meester. »Vooruit dan maar!«
+
+De paarden bogen de halzen voorover en zetten aan.
+
+[Illustratie]
+
+»Hoera, hoera!« riepen de kinderen Ze wuifden met handen en zakdoeken
+naar familieleden en vrienden, die achter bleven.
+
+Daar ging het heen in fikschen draf.
+
+»Zingen, jongens!« riep Harms.
+
+De kinderen zongen hun hoogste lied. Maar hun stemmen bibberden zoo op
+den stootenden wagen, dat ze gauw moe werden.
+
+Daar gingen ze voorbij het huis van meneer Veenhof.
+
+»Hoera, hoera!« riep »dubbele twee.«
+
+»Veel plezier,« hoorden ze meneer en mevrouw roepen.
+
+Daar stonden de kleine huisjes, waarin Klaas en Kee woonden.
+
+»Hoera, hoera!« klonk het opnieuw.
+
+»Hoera!« schreeuwden de broertjes en zusjes terug, en ze wuifden,
+evenals de ouders, met de handen.
+
+Joelend, lachend, zingend reden de kinderen naar het naaste station.
+
+En, wat het mooiste was: de jongens mochten mennen ook.
+
+Bruin was erg mak en liep rustig achter den voorgaanden wagen. En
+Harms hield in elk geval 't eind van 't leidsel vast. Hij was er toch
+niet zeker van, dat de kleine handen het niet even zouden laten
+glippen.
+
+'t Was een heerlijke tocht, die reis naar 't station.
+
+De zon scheen helder, de morgen was frisch, en de blaadjes glommen van
+den dauw.
+
+In de struiken en boomen langs den weg hipten en wipten de vogels.
+
+In de weilanden sprongen paarden en koeien en schapen verschrikt weg,
+als ze de ratelende wagens hoorden.
+
+'t Was een pracht van een tocht, dien de kinderen maakten.
+
+En toch waren ze ook al weer blij, toen ze de spoorlijn zagen. Want
+nu.... ja, nu zouden ze met den trein reizen, met den trein, die er
+zoo holderdebolder van door ging....!
+
+Dat was nog wat anders dan met een wagen; nou, of!
+
+
+
+
+XIX.
+
+Meesters voorspelling.
+
+
+»Hoera, hoera!« jubelden alle kinderen, toen de trein het station
+verliet.
+
+»Dag Harms, tot van avond!« riepen twee jongens- en twee
+meisjesstemmen.
+
+»Veel plezier!« schreeuwde de boer. Maar de kinderen verstonden hem
+niet meer.
+
+»Daar gaan we heen,« zei Nel, en haar oogen schitterden. Het landschap
+scheen voorbij te vliegen.
+
+Alle kinderen keken naar de telegraafpalen en de draden. Wat bogen die
+prachtig; kijk, tot onder de raampjes. Maar dan ineens: roef, daar
+glierden ze de hoogte in.
+
+De zon scheen heerlijk boven de lage graslanden, waarin bonte koeien
+langzaam liepen. Ze holden niet op een drafje weg: ze waren al gewend
+aan den rammelenden trein.
+
+Elk station werd door de kinderen met gejubel begroet. De reizigers,
+die in- of uitstapten, lachten en wuifden met de handen. Ze waren
+allemaal even aardig; en de conducteur niet minder. Zelfs de
+courantenjongen trok een grappig gezicht.
+
+[Illustratie]
+
+»Wat is het toch heerlijk om zoo te reizen; vind je niet?« vroeg Kee.
+
+»Nou!« antwoordde Nel.
+
+Samen stonden ze voor een portierraam.
+
+»Voorzichtig, Kee; straks waaien je krullen weg,« zei meester. Meteen
+voelde hij eens, of 't portier wel goed gesloten was.
+
+»Hoe vind je de wereld?« vroeg hij.
+
+»Mooi, prachtig, heerlijk,« riepen eenige stemmen door elkaar.
+
+»Maar Jo moet een beetje z'n hoofd naar binnen trekken. Kom eens hier,
+kameraad!« zei meester.
+
+Jo kwam.
+
+»Geef me je hand eens! Ja, dat had je niet gedacht, hé, dat ik de
+toekomst voorspellen kon.«
+
+»Dat kan u ook niet,« lachte Jo.
+
+Een stuk of wat neuzen werden naar meester en Jo toegedraaid.
+
+»Of ik dat kan! Je hebt een verkeerde lijn in je hand, baasje. Je
+verliest je geld, of je scheurt je broek, of je loopt in een sloot....
+Wees maar voorzichtig!«
+
+De kinderen lachten.
+
+»U weet er niets van,« riepen ze.
+
+»'t Gebeurt vast,« zei meester. Maar hij trok daarbij zoo'n lachend
+gezicht, dat toch niemand hem geloofde.
+
+»Kijk, nu gaan we om Zwolle heen; daar heb je den watertoren!«
+
+Alle oogen gluurden weer naar buiten.
+
+De trein draaide, en draaide, maar eindelijk stoomde hij tusschen een
+massa rails door.
+
+»Rrrrrrr« deden de remmen. Een schok en »Zwolle, Zwolle«, riep de
+conducteur.
+
+Even later stonden meester en juffrouw met d'r kinderen op het perron.
+En nog wat later trokken ze door de stad. »Mooi«, riepen de jongens en
+meisjes, en ze bewonderden de Sassenpoort.
+
+»Mooi«, herhaalden ze, en ze wandelden door de Diezerstraat. Toen ze
+de stad bekeken hadden, kuierden ze naar buiten. Want ze wilden naar
+den IJsel.
+
+Ze gingen door een prachtig park: het Engelsche werk heette het.
+Allemaal vijvers en brugjes en eilandjes en boomen!
+
+Daar kwamen ze op een hoogte aan.
+
+»Om 't hardst, jongens; wie 't eerst bij dat brugje is!«
+
+En meteen zette Jo het op een loopen; en Klaas volgde hem en al de
+andere jongens ook. Zelfs sommige meisjes holden achter hen aan.
+
+Dat was me een gedraaf!
+
+En schreeuwen, dat de bengels deden!
+
+Jo bleef voor. Vlak achter zich hoorde hij z'n kameraden hijgen en
+razen.
+
+Nog een paar stappen, dan had hij 't gewonnen.
+
+»Hoera!« riep hij, en meteen zou hij de leuning van het brugje
+grijpen.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik kwam z'n voet tegen den grasrand. Hij
+struikelde, verloor het evenwicht, en....
+
+»Ploemp«, klonk het in den vijver.
+
+»Help!« schreeuwde een jongensstem.
+
+»Help, help!« riepen al de andere, zoodat de meester en de juffrouw op
+een draf kwamen aanloopen.
+
+Gelukkig was de vijver erg ondiep.
+
+Jo scharrelde overeind, terwijl hij een deuntje huilde.
+
+Het kroos plekte op z'n kleeren en kleefde aan z'n haren.
+
+Klaas stak hem een hand toe, en trok hem tegen den graswal op.
+
+Het water droop den jongen overal uit; geen wonder, hij was kopjen
+onder geweest.
+
+»Daar staan we nu«, zei meester. »Wat nu?«
+
+[Illustratie]
+
+Ja, wat moesten ze nu doen?
+
+De een keek den ander aan, maar niemand wist het.
+
+Zoo stonden ze rondom den druipenden drenkeling heen.
+
+En die drenkeling keek wèl zoo bedroefd. Al zijn plezier was
+verdwenen.
+
+
+
+
+XX.
+
+Niet in z'n bloote velletje.
+
+
+»'t Best zal wel zijn, dat je alles uittrekt«, zei meester eindelijk.
+
+»En dan in je bloote velletje met ons mee«, riep een van de jongens.
+
+Nou, dat was toch al te gek, vonden de kinderen. En allemaal lachten
+ze, zoo hard ze konden. Jo zelf kon zich niet goed houden; hij
+proestte het ineens uit. Maar dadelijk keek hij weer ernstig, want het
+geval was naar genoeg.
+
+»Nee«, zei meester, en hij lachte ook eventjes, »dat niet. Maar als Jo
+z'n kleeren uittrekt daar achter dat boschje, dan kan ik ze voor hem
+uitwringen. Als ze dan een uurtje in de zon liggen, zijn ze droog.
+Jullie kunt wel doorgaan, want de juffrouw kent den weg evengoed als
+ik.«
+
+»Ja«, zei de juffrouw, »zoo kan het. En dan komen we straks weer hier
+bij u langs.«
+
+»Maar meester, dan ziet Jo den IJsel niet«, riep Klaas.
+
+»Nee, maar 't kan niet anders, ventje!«
+
+»Hij kan mijn jas wel aandoen, meester. Ik draag er nog een blouse
+onder, zie maar!«
+
+Klaas trok z'n jasje los.
+
+»Aan een jas alleen heeft hij niet veel.«
+
+Dat was waar.
+
+»Maar als een ander hem nou ook wat geeft!«
+
+Dat was een idee!
+
+»Wie heeft wat over?« vroeg meester.
+
+Een jongen was er, die z'n vestje wel een poos missen kon. Ook was er
+een, die twee paar kousen droeg, omdat z'n schoenen wat groot waren.
+
+»Maar een broek?«
+
+Ja, die had niemand te veel.
+
+»Als we deze goed uitwringen, kan ik ze wel dragen,« zei Jo.
+
+»Laten we beginnen,« riep meester. »Geeft op, wat jullie over hebt.«
+
+Toen gebeurde er wat vreemds. Een paar jongens trokken d'r kleeren
+gedeeltelijk uit, net of ze naar bed gingen.
+
+Even later verdween meester met Jo achter een boschje.
+
+'t Was een prachtig kleedkamertje. Zoo een had Jo nog nooit gehad.
+
+Daar verscheen 't gezicht van meester om een hoekje.
+
+»Maak z'n schoenen wat droog,« riep hij; »hier zijn ze.«
+
+Klaas veegde ze met gras zoo goed mogelijk uit.
+
+En een andere jongen droogde Jo's hoed wat af.
+
+Daar kwam meester aan.
+
+»Kan ook een van de meisjes haar schort missen?«
+
+»Ik wel, meester,« riepen tien stemmen.
+
+»O, Nel is er immers bij. Geef jij me jou schort maar!«
+
+Nel deed het en meester verdween opnieuw in het groene kleedkamertje.
+
+»Daar komen we aan,« riep hij na een poosje.
+
+»Hoera!« riep een jongen.
+
+»Hoera!« schreeuwden alle kinderen hem na.
+
+En toen lachten ze, dat ze schudden.
+
+Erg verlegen kwam Jo te voorschijn met z'n geleende kousen, z'n natte
+broek, z'n te ruime jas. Maar het mooist was de schort, die hij droeg.
+Die had meester om hem heen geslagen en nu kwamen de kantjes boven den
+kraag van het jasje uit.
+
+»Wat ben je deftig«, lachte Klaas.
+
+»Een piekfijn heertje«, riep een groote jongen.
+
+»Loop heen,« bromde Jo.
+
+Maar al spoedig lachte hij met z'n reisgenooten mee.
+
+»Maar nu de natte kleeren,« zei meester. »Weet je wat, we nemen elk
+iets mee, en dan leggen we dat straks op den IJseldijk. Daar willen
+jullie toch wel graag een poosje spelen, en dan kunnen de natte
+kleeren intusschen droog worden.«
+
+Zoo gebeurde het.
+
+Een jongen liep met Jo's kousen, en een ander met z'n hemd, en nog een
+ander met z'n jas.... 't Was een prachtige optocht, waarbij vroolijk
+gezongen werd.
+
+En weet je wat ze zongen?
+
+Een liedje, dat ze zelf gemaakt hadden.
+
+ »Niet in z'n bloote velletje,
+ Maar in de schort van Nelletje,
+ Ha--hi, ha--ha, ha--hi, ha--ha,
+ Ha--hi, ha--ha!«
+
+Op den dijk langs den IJsel lag spoedig alles uitgespreid. Het
+zonnetje brandde er lekker op los en na korten tijd waren de kleeren
+droog.
+
+[Illustratie]
+
+Jo dacht er niet eens meer aan. Hij speelde en joelde en draafde met
+de anderen mee.
+
+En daarbij staken hem steeds de kanten van Nels schort deftig boven
+z'n jaskraag uit.
+
+Meester en juffrouw zaten lekker in het gras. Toen Jo moe was, rolde
+hij naast hen neer.
+
+»Hè, ik zweet er van,« zuchtte hij.
+
+»Wees maar wat rustig, anders gebeuren er nog meer ongelukken,« zei
+meester. »Laat me je hand nog eens zien.«
+
+»Nee, nee,« lachte Jo, en meteen rolde hij den dijk af.
+
+»Maar ik heb toch gelijk gekregen,« riep meester.
+
+»Dat hebt u,« zei Jo, »dat hebt u.«
+
+En hij wentelde zich al verder en verder naar beneden, terwijl hij
+zong:
+
+ »Niet in z'n bloote velletje,
+ Maar in de schort van Nelletje,
+ Ha--hi, ha--ha, ha--hi, ha--ha,
+ Ha--hi, ha--ha!«
+
+
+
+
+XXI.
+
+Twee neuzen te zoek.
+
+
+Toen de kinderen den IJseldijk een poosje op- en afgerend waren,
+gingen ze naar het Katerveer. Ze voeren ook even over de rivier heen.
+
+»Nu staan we op de Veluwe,« zei meester.
+
+»Leuk,« dachten de kinderen. »Nou zijn we daar ook geweest.«
+
+En meteen stormden ze weer naar de pont.
+
+Even later waren ze teruggekeerd in Overijsel.
+
+In een speeltuin dronken ze chocolade en toen speelden ze er een paar
+uren. En Jo verwisselde er van kleeren en gaf terug, wat hij geleend
+had.
+
+Ziezoo, nu was alles weer in orde!
+
+»Vooruit«, riep meester eindelijk, »naar Zwolle terug. We moeten de
+groote kerk nog zien.«
+
+Het gebeurde en alle kinderen stonden verbaasd over den mooien
+preekstoel. En nog meer over de wonderbaarlijke trap, die er was.
+
+»Brr«, zei Nel, »'t lijkt wel een afgrond. Ik zou door zoo'n koker
+niet graag omhoog klimmen.«
+
+»Dat mag je ook niet eens«, zei Kee. »Nietwaar, meester?«
+
+»Ik denk ook van niet. En als de koster 't hebben wou, dan stond ik
+het nog niet toe. 't Is veel te gevaarlijk, en ik wil jullie mee terug
+nemen naar Breedega, hoor!«
+
+»Geloof maar niet, dat wij achterblijven«, riep Nel.
+
+»Dus bevalt het je nog al in Breedega?«
+
+»Nou, òf!«
+
+De tijd schoot intusschen op.
+
+»Kinderen, we moeten naar huis terug«, zei meester. »Als we nu nog een
+paar straten bezien, komen we op tijd aan 't station.«
+
+Allemaal verlieten ze de kerk en gingen in de richting van de
+spoorlijn. Na een klein half uur bereikten ze het station.
+
+Gelukkig, de trein stond gereed. Maar er was tijd genoeg, om een
+plaatsje te zoeken.
+
+»Haast u maar niet«, zei een conducteur. »'t Duurt nog wel een minuut
+of tien voor we vertrekken.«
+
+Meester telde z'n kindertjes eens na. Hij wist wel, dat er niet een
+ontbrak, maar toch.... Je kon nooit weten!
+
+Dus telde hij.
+
+Wat was dat? Twee te weinig?
+
+Nog eens geteld!
+
+Opnieuw telde meester twee neuzen minder, dan er moesten zijn.
+
+Hij schrok.
+
+»Juffrouw, telt u ook eens! Er ontbreken twee kinderen, geloof ik.«
+
+»Dat zult u wel mis hebben. Ik heb altijd goed opgelet, maar niemand
+bleef achter, of ging vooruit.«
+
+De juffrouw telde.... Twee te weinig!
+
+Het zweet brak den meester uit.
+
+»Wie mist er?« riep hij. »Die moet den vinger opsteken! Och nee....,
+toe kinderen, kijkt eens goed rond!«
+
+Nu zocht en telde iedereen.
+
+»Meester, Nel is er niet,« schreeuwde Jo zoo hard hij kon.
+
+»En Kee ook niet,« riep Klaas.
+
+De oogen van meester en juffrouw gleden over het groepje kinderen
+heen. Geen Nel.... geen Kee!
+
+»Meneer, 't wordt tijd om in te stappen,« zei de conducteur.
+
+Meester wist niet, wat hij doen zou.
+
+»Kinderen, stapt in,« riep hij eindelijk. »Vlug!«
+
+Heel ordelijk ging alles toe. Zelfs de drukste jongen was nu onder een
+pijpedopje te vangen. Want iedereen dacht: »Hoe zal dat afloopen?«
+
+»Juffrouw, nu gaat u met deze kinderen naar huis,« zei meester. »Ik ga
+de stad in om Kee en Nel te zoeken. Als ik ze gevonden heb, stuur ik
+dadelijk een telegram. En dan komen we met den laatsten trein terug.«
+
+»Klets, klets,« deden de portieren.
+
+[Illustratie]
+
+»Past er op; klets, klets!«
+
+De conducteur zette z'n fluitje aan de lippen....
+
+En wie kwamen daar op het aller-laatste oogenblik nog aanstormen....?
+
+Nel en Kee!
+
+»Gelukkig!« riep meester.
+
+»Gelukkig!« zuchtten een heele boel monden.
+
+»Vlug wat!« riep de conducteur. Hij ontsloot een portier, meester en
+de twee meisjes stapten in, en....
+
+Daar gilde het fluitje, daar steunde de locomotief, en daar reed de
+trein heen.
+
+»Waar komen jullie van daan?« vroeg meester. Hij was kwaad.
+
+Kee begon te stotteren: »Meester...., we...., we....«
+
+»Vooruit, zeg op!«
+
+»We.... we.... zijn in een.... winkel geweest....«
+
+»In een winkel! Schaam je je niet? Begrijp je niet, hoe ongerust we
+waren? En jij.... jij....«
+
+Meester begon ook te stotteren.
+
+»En wat moest je in dien winkel? Snoepen?«
+
+»Nee, meester,« klonk het zacht en half schreiend.
+
+»Ja, nou zit je allebei met tranen in je oogen. Nou heb je spijt; maar
+je had eerder moeten nadenken. 't Is geen manier van doen. Maar je
+hebt nog niet geantwoord: wat moest je in dien winkel?«
+
+»We hadden..... hadden..... nog..... niets..... voor moeder..... en
+toen..... toen..... hebben we.....«
+
+»Nou, nou, houd maar op, ik hoor het al,« zei meester.
+
+Een poosje nog bleef het stil en drukkend in den wagen.
+
+Toen zei meester: »Nu praten we er maar niet meer over....., omdat het
+voor jullie moeders was..... Vooruit kinders, zingen!« Hij zelf zette
+in en weldra stroomde een krachtig gezang uit de openstaande
+portierramen.
+
+
+
+
+XXII.
+
+De terugkomst.
+
+
+Bij het station stonden de wagens al gereed.
+
+De kinderen zagen ze in de verte reeds staan.
+
+»Hoera, hoera, hoera!« riepen ze en ze wuifden tegen de wachtende
+boeren.
+
+Daar knarsten de remmen, een schok--en de trein stond stil.
+
+»Welkom thuis,« zei Harms. »Hebben jullie plezier gehad?«
+
+»Ja,« riepen verscheiden monden. En toen haastten alle kinderen zich
+een plaats te zoeken.
+
+»Wij komen weer bij u,« zei Jo tegen Harms.
+
+»Wel, wel, halve dubbele twee, dat doet me plezier. Is de andere helft
+misschien verloren gegaan?«
+
+»Nee,« zei Kee, »hier zijn we al.«
+
+En meteen stapte ze in den wagen.
+
+»Ze waren bijna in Zwolle gebleven, Harms.« En Klaas vertelde, wat er
+gebeurd was.
+
+»Jonge, jonge, jonge,« zei de boer. »Zulke ondeugende nesten. Ja, ja,
+die dames....!«
+
+En hij schudde het hoofd,--maar hij lachte meteen.
+
+Alle kinderen hadden een plaats gevonden.
+
+»Klaar?« vroeg meester. »Ja! Vooruit dan maar!«
+
+Meteen wipte hij op een wagen en daar ging het heen.
+
+'t Was een prachtige rit in den stillen avond.
+
+De zon naderde de kimmen en bescheen alles met een rood licht.
+
+Zelfs de weiden leken niet groen meer.
+
+Het rosse licht flikkerde in de ruiten van de huizen langs den weg.
+
+'t Was eenig mooi.
+
+En daarbij streelde een frisch windje de warme gezichten van de
+kinderen.
+
+»Hoe komt het, zal er niet gezongen worden? Of zijn jullie treurig,
+omdat je naar huis teruggaat?« vroeg Harms.
+
+»Nee, dat niet«, riepen de kinderen.
+
+[Illustratie]
+
+En, ze zongen op den stootenden, ratelenden, wagen tot ze niet meer
+konden.
+
+Eindelijk bereikten ze Breedega. Het geheele dorp was op de been.
+Want iedereen wou zien, hoe vroolijk de kinderen terugkeerden.
+
+Voor elke woning bijna werd »hoera« geroepen. En de dorpelingen riepen
+even luid terug: »hoera, hoera!«
+
+»Ziezoo, we zijn er«, zei Harms.
+
+Alle wagens bleven stil staan en de kinderen stapten op den grond.
+
+»Allemaal op de speelplaats«, riep meester. »We willen nog één liedje
+zingen.«
+
+Een paar minuten later stonden jongens en meisjes in twee groepen en
+zongen met vroolijke stemmen een lied.
+
+»Terugkomst« heette het.
+
+En toen dat uit was, riep meester:
+
+»Nu bedanken we nog even de mannen, die ons gebracht en gehaald
+hebben.«
+
+Daar daverde het heen:
+
+ »Lang zullen ze leven,
+ Lang zullen ze leven,
+ Lang zullen ze leven in de gloria.«
+
+En toen zocht elk kind z'n eigen huis op, moe--maar tevreden.
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+XXIII.
+
+Terugkomst.
+
+
+ Hoera, hoera, daar zijn we weer;
+ Geen onzer, die er mist:
+ De meester, die ons telde, heeft
+ Zich stellig niet vergist.
+ De juffrouw is steeds voorgegaan,
+ De meester, die kwam achteraan;
+ Zoo trokken wij vol blijden zin
+ De wijde wereld in.
+
+ Hoera, hoera, daar zijn we weer;
+ Wij hebben pret gehad:
+ Het weer was goed, de lucht was klaar,
+ En prachtig was de stad.
+ Wij hadden alles graag gekocht,
+ Wat daar te zamen was gezocht;
+ Maar meester zei: »Dat 's al te kras,
+ Zoiets komt niet te pas.«
+
+ Hoera, hoera, daar zijn we weer,
+ Vol chocolade en koek;
+ Geen onzer heeft, geloof het maar,
+ Een vlek op schort of broek.
+ Precies als we zijn heengegaan,
+ Zoo komen we hier bij u aan;
+ Ons mist geen nagel of geen haar,
+ 't Is eerlijk, eerlijk waar.
+
+ Hoera, hoera, daar zijn we weer,
+ Blij na deez' blijden dag;
+ Straks zeggen w' in ons eigen huis,
+ Wat elk wel hoorde en zag.
+ Hebt nog een oogenblik geduld,
+ Wij wedden, dat ge hooren zult:
+ »'t Was eenig mooi; een volgend keer
+ Dan gaan we graag eens weer.«
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Plaats Bron Correctie |
+ | |
+ | Regel 141 ' « |
+ | Regel 461 ' « |
+ | Regel 803 [Niet in bron] . |
+ | Regel 1316 toen.. toen.... |
+ | Regel 2549 , . |
+ | Regel 2780 we, , we |
+ | Regel 2787 [Niet in bron] « |
+ | |
+ +------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Licht en Leven: Dubbele Twee. I., by
+Jac. van der Klei
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LICHT EN LEVEN: DUBBELE TWEE. I. ***
+
+***** This file should be named 29144-8.txt or 29144-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/9/1/4/29144/
+
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.