diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:46:37 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:46:37 -0700 |
| commit | 0af23d07be596baa9334eab97e330d5ac9d5d384 (patch) | |
| tree | c19969df76a7356acf18f0c98d6a8cbac18afc7f | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 29044-8.txt | 9321 | ||||
| -rw-r--r-- | 29044-8.zip | bin | 0 -> 178680 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29044-h.zip | bin | 0 -> 198677 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 29044-h/29044-h.htm | 11632 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
7 files changed, 20969 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/29044-8.txt b/29044-8.txt new file mode 100644 index 0000000..786820c --- /dev/null +++ b/29044-8.txt @@ -0,0 +1,9321 @@ +The Project Gutenberg EBook of Een Meisje-Studentje, by Annie Salomons + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een Meisje-Studentje + +Author: Annie Salomons + +Release Date: June 5, 2009 [EBook #29044] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN MEISJE-STUDENTJE *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Een meisje-studentje + + Door + + Annie Salomons + + + Tweede druk + + Uitgegeven door C.A.J. van Dishoeck + Te Bussum in het jaar MCMVII * * * + + + + + + + + Drukkerij "De Phoenix"--Nijmegen + + + + + + +VOORBERICHT TOT DEN TWEEDEN DRUK. + + +De nieuwe oplage was bijna gereed, toen ik Annie Sillevis' brochure: +"Een meisje-student over een meisje-studentje" ontving; en ik was +blij hierin 'n aanleiding te vinden, na de uiteenloopende meeningen +over de "strekking" van het boek, zelf eens even te vertellen, waarom +ik het eigenlijk geschreven heb. Juffrouw Sillevis zegt 't volkomen +juist op blz. 7: "eenvoudig-weg, alleen om verhaaltjes te schrijven," +en ik hoor daarbij iets minachtends in haar stem. + +Inderdaad zou 't, uit maatschappelijk oogpunt, zeer nuttig geweest zijn +'n brochure of tendenz-roman vóór of tegen studeeren van meisjes te +schrijven; maar juffrouw Sillevis zegt, alweer terecht, dat ik maar +een eerstejaars was, toen ik 't schreef, en dus nog heel weinig van de +kwestie kon afweten; en daar ik nu eenmaal tot de klasse van menschen +behoor, die verhaaltjes-schrijven op-zich-zelf en om-zich-zelf heel +belangrijk vinden, schreef ik er een over één "meisje-studentje"; +niet over "vrouwelijke studenten", want die kende ik te weinig, +en daar stond ik te ver van af. + +En, om artistieke redenen, maakte ik dat kind, dat eerste-jaartje, +een erg "meisjesachtig" meisje; 'n kind, zooals één der critici +terecht zei "in zich volmaakt maar zonder tact"; en bracht haar zoo +in voortdurend conflict met haar omgeving; ik liet haar zoeken, zich +vergissen, teleurgesteld worden; dwalen, zooals zoo'n kind dwalen +zál, tot ze aan 't eind, geholpen door 'n "vrouwelijke studente", +iets voelt van 'n komende harmonie. + +Maar nu ráákte m'n verhaaltje 'n "question brûlante", waarvan +maatschappelijke menschen de oplossing zoeken, terwijl ik, als +schrijfster, juist 't conflict wilde; en al wie maar de gelegenheid +wachtte, zich eens uit te spreken, heeft mijn "Go" als bewijs of +aanvalspunt voor z'n stelling genomen. + +Zoo professor Blok; zoo Annie Sillevis. + +Als stuk-op-zichzelf, als raadgeving aan jongeren, als ik, vind ik +de brochure van 'n meisje-student voortreffelijk, kranig, leerzaam, +en als studentje breng ik m'n oudere zuster gaarne m'n dank voor haar +wijs inzicht. + +Maar als schrijfster van het "Meisje-Studentje" strijd ik voor +m'n boek, dat geeft, wat de titel belooft,--de ondervindingen van +'n heel jong meisje--, en dat zwijgt over de dingen, die nog buiten +haar kring liggen. + + + Annie Salomons. + + + + + + +HOOFDSTUK I. + + +Else lag achterover op het "bakbeest van 'n canapé", en speelde +peinzend met haar dunne vingers in de gaatjes van een der gehaakte +ster-antimakassers, die de juffrouw ter versiering aan de twee hoeken, +en in 't midden op het rood-satijnen kussen bevestigd had. Margo zat +op den grond, leunde 't hoofd tegen de houten lambriseering, beenen +recht-uit gestrekt van over-moeheid. Zoo keken ze samen zwijgend de +schemerende kamer in, terwijl ook van buiten geen geluid hun stemming +breken kwam. + +Het oudste dochtertje van de juffrouw had, nerveus-onhandig om de +nieuwigheid--ze hadden nog altijd heeren op kamers gehad, dames +nooit--zooeven de tafel afgenomen, en na veel gerammel van glazen +en vorken de servetten en 't laken in de ouderwetsche bonheur du +jour geborgen. Nu lag de groote tafel, zonder kleed, ongezellig te +glanzen in 't grijze licht, de vier stoelen, netjes recht er onder +geschoven, gaven 'n onaangenamen indruk van onbewoondheid, nog +vergroot door de vochtige lucht, die in de kamer hing van 't lang +gesloten zijn geweest. Want toen ze 'n middag in Augustus--Go en +Else en Else's Vader en Moeder--na den heelen warmen, zonnigen dag +de stad in alle richtingen doorkruist te hebben, met stijve halzen +van 't opkijken naar de huurbordjes, en doove beenen van 't trappen +klimmen--eindelijk op het stille grachtje waren gekomen, bij het oude, +hooge huis, toen waren alle groene blinden toe geweest, en de juffrouw +had verzekerd, dat ze ze toe hield, tot ze kwamen, "om 't verschieten +ziet u, dames." En ofschoon de groenig-trijpen stoelen den goeden +zorgen geen eer aandeden, het weeïge vochtluchtje, dat vooral uit de +hoeken en kasten opsteeg, gaf het bewijs, dat ze woord had gehouden. + +Al was de herfstavond frisch, Go had toch beide ramen 'n eindje +opengezet en de wind deed de groene overgordijnen zachtjes bewegen. Uit +zuinigheid, zonder nog eenig idee te hebben, wát alles kostte, hadden +ze geen licht aangestoken, omdat je in 't donker evengoed uitrusten +kon, en, dicht bij elkaar, maar, ofschoon nichtjes, vreemd voor +elkaars gedachten, doorleefden ze ieder-voor-zich den voorbijen dag, +den eersten van hun nieuwe zelfstandige leven. + +Voor Else, die veel gereisd had en veel uit was geweest--eenig +dochtertje van rijke, in-weelde-levende ouders--had de nieuwe +omgeving meer iets grappigs om de burgerlijkheid van deze huurkamer, +dan dat ze zich hevig door de verandering voelde geschokt. Besloten +om te studeeren, omdat 't haar wel 'n aardig leventje leek en ze 'n +helder hoofd had, wetend, dat ze ophouden kon, zoodra 't haar niet +beviel, voelde ze zich in het oude huis, als in 'n vreemd pension, +waar ze eerst even moest wennen, dacht verder gewoon door aan haar +leventje in Den Haag, waar ze zich zoo dichtbij wist, waar ze bij +bleef behooren, al was ze volgens 't verhuisbiljet nu ook inwoonster +van Leiden geworden. + +Voor Go was 't alles zoo anders, zooveel ingrijpender in haar +leven. Zij was de oudste van 'n groot gezin, waarvan ieder zich-zelf +'n weg zou moeten banen, en de jaren op 't gymnasium had ze gewerkt +en geleerd om toch eenmaal hiér te kunnen komen. Daarvan had ze +alles en alles verwacht, en 't had haar vaak zóó heerlijk geschenen, +dat ze dacht, 't wel nooit te zullen bereiken: heelemaal vrij zijn, +jong onder jongen, studeerend onder studeerenden, die allemaal 't +zelfde wilden, 't zelfde zochten; en dan: àlle bronnen van geleerdheid +voor haar open; college-kunnen-loopen, bij wie ze maar wilde, àlles, +wat haar interesseerde, kunnen volgen. + +Toen was ze geslaagd voor haar eindexamen, en 'n zonnigen ochtend +naar Den Haag gespoord; daar waren Oom en Tante en Else in de coupé +gekomen en met hun vieren waren ze naar Leiden getrokken om "kamers te +zien". Oom en Tante vonden goed, dat Else, die wel wat àl te verwend +was, met Go zou samenwonen, omdat deze zooveel minder behoeften kende, +terwijl ze er op aandrongen beiden hetzelfde zakgeld te mogen geven. + +Maar Go was zéker geweest, dat er in heel Leiden geen kamers voor hen +te krijgen zouden zijn, en toen eindelijk 'n geschikt verblijf gevonden +en alles afgesproken was, dacht ze nog: "Maar er komt natuurlijk wat +tusschen, het kàn niet, het kàn niet, 't zou te heerlijk zijn." + +Tot ze dien ochtend wakker was geworden, en op eens rechtop in bed +had gezeten en geweten had: dat 't zoo wàs. + +Toen had ze zich nerveus-vlug aangekleed, in 't koele, vreemde licht, +plots niet blij meer, maar báng voor de vervulling van haar hevig +wenschen. En beneden was alles ook ongewoon en plechtig geweest: de +kinderen waren al binnen en stiller en liever dan gewoonlijk. Vader +had er zoo ernstig uitgezien, of hij haar nog veel goeie raad wilde +meegeven, maar hij had niets gezegd; en moeder liep al maar heen en +weer om allerlei kleinigheden nog in haar handkoffertje te pakken: +"Kijk, Go, je overschoenen--en hier 'n pak chocolaad, ook voor Elsi--en +je staalpillen; vergeet vooral niet ze in te nemen, kind",--Marietje +had boterhammen gesneden; die werd nu de oudste; zij was de eerste, +die de wereld in-ging. + +En al zei ze zich telkens, dat 't onzin was, al die plechtigheid en +droefheid; en al noemde ze zich zelf de dwaaste van allen, toen ze, +wild-snikkend, haar zakdoek tusschen de tanden geklemd, in den lichten +ochtend naar 't station liep, telkens weer opnieuw uitbarstend, als +ze zich 't bleek-vertrokken moedergezicht voorstelde, dat toch flink +kijken wilde, de bevende lippen, de oogen, die lachten en vol tranen +liepen--m'n hemel, ze kwam toch Vrijdag weer thuis; wat was nou 'n +afscheid van vijf dagen--tóch voelde ze: dit was het uitgaan uit 't +ouderlijk huis, 'n periode lag achter haar, afgesloten, waarin ze veel +liefs en vertrouwelijks liet. Moeder en Vader en de kinderen bleven +bij elkaar: het gezin; zij begon 't nieuwe, onbekende leven, alleen. + +En dát gevoel--dat de komende jaren over haar heele toekomst +beslissen zouden, dat haar "leven" in de kleine, onbekende stad +zou worden gemáákt,--had ze weer en sterker gehad, toen Else en +zij samen uit 't station waren gekomen, en even stil waren blijven +staan, koffer-beladen, om te kijken, naar wat haar nog heelemaal +vreemd was. Dat oogenblik stond in haar hoofd gebrand, als iets, +dat nooit vergeten kán worden: "hier wacht me het groote geluk of +'t groote verdriet." + +Toen waren ze, onzeker van den weg, hier en daar kamers herkennende, +die ze hadden "gezien", naar hun eigen tehuis gesjouwd, waar de groote +koffers met kleeren en kamer-versieringen, de meeste van Else, hun +al te wachten stonden; en den heelen dag hadden ze niets gedaan dan +bukken, lichten, heen en weer loopen van kamer tot kamer, telkens +zich weer vergissend met de deur, struikelend over de ongelijke +traptreden. Nu konden ze niet meer, óp van inspanning en emotie, en +in de steeds meer donkerende kamer, waarin 'n lantaarn wat lichtglans +wierp, zaten ze zonder bewegen. + +"Zeg", zei Else eindelijk droomerig, met 'n langen zucht, "ben je +wakker, Go?" + +"Ja, en ook wel 'n beetje uitgerust." + +"Weet je, waar ik zoo aan lig te denken? Wat die laatste student, +die hier gewoond heeft, voor 'h man zou zijn geweest." + +"De juffrouw zei: 'n volmaakte, keurige, knappe, aardige meneer.--Maar +dat zijn alle meneeren in de oogen van hun juffrouwen. Pa zegt: +"de "meneer" is 't ideaal van z'n ploerterij." Bovendien weet je, +dat hij bretels droeg, en wit-beenen overhemdknoopjes." + +Else lachte, en zette zich een beetje rechtop: "Hoe mal eigenlijk, +dat de juffrouw al dien tijd nooit in de waschtafella gekeken heeft, +wie weet, wat we nog meer van onzen voorganger vinden, behalve die +toiletartikelen, vanmiddag." + +Ze zwegen even: toen zei ze langzaam: + +"Ik vind 't zoo'n vreemd idee, hè, al die jongens, die hier al hebben +gewoond en geleefd.... ze verhuren wel al vijf-en-twintig jaar, +zei de juffrouw, éérst 'r moeder, nu zij." + +"Ja, en de eene "meneer" is nu dominee, en de ander gesjeesd, en nog +'n ander misschien minister.... en...." + +"En wij, over een jaar of acht?" peinsde Else; maar Go wilde +ontvluchten 't angstgevoel voor 't onbekende; fantaseerde door: +"ze hebben allemaal aan dezelfde tafel gezeten, dezelfde stoelen +gebruikt; op die canapé gelegen...." + +"Veel smaak hadden ze dan niet, als ze zoo'n omgeving verdragen +konden.... We zijn nu veel te moe van 't uitpakken, maar morgen +moeten we hier 's grondige opruiming houden, hoor!" en om te +beginnen trok Else de anti-makassers van de canapé, spreidde ze +met komische voorzichtigheid over haar knieën: "In de eerste plaats +deze kunstwerken." + +"Maar zou de juffrouw daar niet boos over zijn?" Go's respect voor +de hospita was zóó onbegrensd, dat iedere opdracht in haar mond tot +'n smeekbede werd, en ze niets zoozeer vreesde, als háár te mishagen. + +"Maar Go, 't zijn toch ónze kamers. Bovendien verslijten haar bullen +dan niet, kan ze alles weer als nieuw ophangen voor onzen opvolger. We +zullen morgen heel wat moeten koopen om de kamers wat dragelijk te +maken.--Gelukkig heeft vader ons carte blanche gegeven." + +Ja, maar je moet niet overdrijven, Elsi. Ik vind 't niet prettig in +zoo'n weelde te zitten, als ze thuis eigenlijk...." + +"Egoïst," hield Else zich boos. "Of ik 't prettig vind in 'n schunnig +boeltje te zitten, komt er niet op aan, hè?" + +Go voelde haar oogen warm worden, toen ze opstond; ze ging aan 't +voeteneinde van de canapé zitten, legde haar hand over Else's handen: +"Wat kennen we elkaar eigenlijk nog weinig, hè! En nu zijn we opeens +samen 'n huishouden. Ik hoop zoo, dat 't goed gaan zal; ik zal m'n +best doen." + +Else hield niet van scènes, was 't ook niet gewoon. Dat je uiterlijk +nooit moet laten blijken, wat je innerlijk voelt, had ze van klein +kind af, veel onder vreemden, geleerd. Ze maakte haar handen zachtjes +los en stond op: "'t Zal wel wennen," zei ze eenvoudig, "de eerste +dagen is alles vreemd. Kom, laten we 't licht opsteken en de gordijnen +dicht doen." + +"Ja, ik wou nog naar huis schrijven," zei Go week en ze keek naar +haar schrijftafel waar--'t eenige hoekje, dat al in orde was--de +portretten van vader en moeder en al de broertjes en zusjes stonden. + +"Ik ook, en dan gaan we slapen," besloot Else. + + + + + + +HOOFDSTUK II. + + +Dien dag onder 't eten hadden ze bijna geen oogenblik rust gehad: +den heelen ochtend en middag hadden ze inkoopen gedaan, vooral voor +Go's kamer; want toen Else al haar rijkdommen had uitgestald, stak de +andere kamer daar treurig bij af, en dat kon Else niet hebben. Overal +hadden ze toen rondgezocht om heel veel moois bij elkaar te krijgen: +kussens voor de canapé, 'n tafelkleed, 'n theetafel, sarongs, +'n kachelscherm, stijlvolle stoelen--en telkens bij 't uitgaan van +den winkel had Else gezegd: "Stuurt u er dan mee--om 'n uur of vijf; +dan zijn we thuis; mèt de kwitantie." + +Nu leek 't 'n lawine, en de juffrouw had er even over gedacht om +boos te worden over "dat eeuwige gebel." Maar juist had Else toen +háár raad bij 't kiezen van 'n klokje ingeroepen, en--gevleid--was +ze toen mee vroolijk gaan doen, zette telkens 'n gezicht, of 't háár +geschenk was, wanneer ze weer iets binnenbracht met grapjes van: +"Gunst, 't lijkt heusch wel Sinterklaas." "Wanneer zouën ze nou's +wat voor mijn brenge?" "Mevróuw Gerzon; dat moet zeker ù verbeele..." + +Else had gebloosd, toen ze 't geld neerlegde, en 'n beetje strak +gezegd, strakker dan Go ooit zou kunnen of durven: "Wilt u na 't +eten deze stoelen maar meenemen, juffrouw? U kunt ze misschien ergens +anders gebruiken. We hebben liever onze eigen meubelen." + +"Zeg," had Go angstig gefluisterd, toen de versmade stoelen harder, +dan wel noodig was, in de gang werden neergezet, met stooten tegen +de deurposten. "Zeg, Elsi; ik geloof, dat je 'r boos hebt gemaakt." + +Dat had haar even de vreugde over haar nieuwe schatten bedorven; maar +toen 't stil was geworden in de gang--de juffrouw was zwaar-langzaam +de trap opgestommeld--en ze al 't mooie om haar heen had zien +liggen, wachtend om opgehangen en geschikt te worden, had ze, in +'n overstelpende blijdschap, Else opeens om 't middel gepakt, en als +dol hadden ze samen de ontredderde kamer doorgedanst, onder zachte +kreetjes van verrukking. + +Toen waren ze aan 't werk getrokken, grondig en met toewijding: +"al duurt 't tot twee uur in den nacht, we zullen eerst alles in +orde maken," had Else gezegd; en die stond nu op de schrijftafel, +die met veel moeite naar den schoorsteen gesjouwd was, sarongs om den +ouden spiegel te drapeeren, terwijl Go op den grond zat, omringd door +'n muur van laden, die ze uit alle kamers bij elkaar hadden gehaald, +om ze van kastepapier te voorzien. + +De canapé hadden ze voor de deur geschoven, opdat ze geen onverwachten +inval van de juffrouw behoefden te vreezen en volkomen zich aan hun +werk zouden kunnen wijden. Else deed alles met schwung en gratie, +liep telkens 'n endje op de schrijftafel achteruit om 't effect van +'n draperie te zien, zuchtte alleen, als ze weer 'n spijker in 't +hout moest werken met 't heft van 'n mes, want ze hadden de juffrouw +geen hamer durven vragen. + +Go ging langzamer en consciëntieuzer te werk; van elke la nam ze +zorgvuldig met 'n centimeter de binnenmaat, zette deze uit op 't +papier, trok dan langs een liniaal de streep, waarlangs ze moest +omvouwen. + +"Wat is er in 'n huishouden toch veel te doen, hè?" zei ze +peinzend. "Als je nu alleen maar 's rekent alle laden en kasten in +'n huis van papier voorzien, wat toch maar 'n zoo klein onderdeeltje +is, dat ik er moeder nooit over heb hooren spreken." + +"Ja," antwoordde Else verstrooid, "denk je, dat ie zoo goed zit, +zeg? Jij kunt er beter over oordeelen, van beneden af." + +"Ja, ik vind 't prachtig. Dat zal den spiegel opknappen, zoo'n +omlijsting." + +"Geef me dan die zwarte met bruin 'es aan." + +Go zwierde de sarong door de lucht, die juist neerkwam over Else's dik, +blond haar: "Hè, waarachtig, 't zou aardig staan, zoo'n doek over je +hoofd; wat 'n kleuren toch, hè?" bewonderde ze zich in den spiegel. + +Daar werd geklopt. + +Go, die juist 'n streep trok, liet met 'n zenuwschok 't potlood uit +haar hand vallen; Else stond als verstard, de sarong beschermend +tegen haar borst gedrukt. + +"De juffrouw," bewogen Go's lippen, zonder geluid te geven: ze zag zich +al op straat gezet; de krassen, die Else's hakken op de schrijftafel +hadden gemaakt, dansten voor haar oogen. + +"Binnen," klonk 't toen, wanhoops-moedig. + +De deur werd langzaam opengewerkt, de canapé verschoof 'n endje; +om den hoek kwam een lachend jongensgezicht, dat naar den chaos op +tafel, de vreemde figuur in de hoogte, de ladenpyramide keek en toen +verlegen begon: "O, excuseer, ik kom, geloof ik, niet erg gelegen...." + +Maar de beschermende vestingwerken stortten met donderend geweld +ineen, Go viel met beide handen uitgestrekt over de canapé naar den +weifelaar toe en jubelde in verrukking: "O, Han, ben jij 't? Wat ben +ik vreeselijk blij! We dachten, dat 't de juffrouw was; kom toch +binnen--hoe heerlijk--dat is Elsi, je kent 'er toch.... moeder's +nichtje.... m'n neef Henri." + +"Niet zóó," bracht Han in 't midden, en nu brák de spanning: Else +wierp de sarong af, liet zich neervallen op den schoorsteen en +barstte in 'n onbedaarlijk lachen uit; Go liep heen en weer, van +den eenen kant naar den anderen, telkens weer wat afgooiend, wat 'n +nieuwe proestbui veroorzaakte, en Han, wat vaderlijk, want hij was +al vierde-jaars, keek naar de uitgelaten, knappe, gezonde kinderen, +zachtjes meelachend, en dan weer zeggend: "Maar bedaar toch; wat is +er nu eigenlijk gebeurd? Wat voer jullie uit? Zal ik weggaan?" + +"Nee, nee," schudde Go, "we zijn juist blij, dat je er bent.... maar +we schrikten zoo vreeselijk; we dachten, dat 't de juffrouw was.... wat +zou die wel gezegd hebben!" + +"Maar m'n hemel: de ploerterij! Wat komt dat er nou op aan!" vroeg Han, +die nog altijd de "clou" niet begreep. + +"Elsi heeft krassen gemaakt in haar tafel, en we willen haar boeltje +er uit hebben, en alles veranderen." + +"Mag ik dan misschien meehelpen?" bood Han aan, z'n handschoenen +uittrekkend. "Als u van die hoogte afkomen wilde, juffrouw Gerzon, zou +ik den spiegel kunnen drapeeren. Dat is geen werk voor meisjeshanden." + +"O, dol, ja," zei Go, "als jij helpt, zal 't opschieten.... maar vin-je +'t niet vervelend? Dat je nu net zoo'n rommel treft...." + +"Ik vind 't prettig, wezenlijk," en hij hielp Else voorzichtig naar +beneden, "dan dien ik toch nog 's ergens voor." + +"Maar hoe kom je hier? Hoe wist je ons adres?" Go had zich nooit zoo +heel veel aan dien neef gelegen laten liggen, had 'm fattig gevonden en +blasé. Nu, hier, in deze stad van louter vreemde menschen, voelde ze 'n +innige vriendschap, 'n groote dankbaarheid voor z'n hartelijkheid. Hij +bracht haar in herinnering de familieavondjes thuis, bij verjaardagen +in het ouderwetsche salon, met de piano in den hoek; hij stond in +verband met het lieve, vertrouwde leven, dat ze nu verlaten had. + +"Moeder schreef me, dat je vader bij hen was geweest, en je adres +had opgegeven.--Ze vroeg of 'k eens wilde gaan kijken, hoe je +'t maakte...." + +"Schrijf niks van den rommel," lachte Go, "want dan rijzen m'n keurige +moesje de haren te berge." + +"Ik zal hun vertellen, hoe je kamer er uitziet, als ze in orde is." + +Go was nu klaargekomen met de laden, en zat ringetjes aan de +tochtdekens te naaien. Else schikte beukeblaren en Judaspenningen +in de vazen, legde kleedjes over de kleine tafeltjes, stil-gracieus +in haar bewegingen, met 'n verhoogde kleur van opwinding. Ze hield +anders niet van de familie van Go's vader, 't waren burgerlijke, +stijve menschen, waar ze niet mee opschieten kon, maar déze neef was +aardig, 'n gentleman, nette manieren, aangenaam uiterlijk; z'n stem +zelfs iets geaffecteerd, maar prettig om naar te luisteren, en hij +praatte zoo makkelijk.... + +"Toen 'k de juffrouw naar m'n nichtje vroeg, zei ze dadelijk, dat ik +maar door moest gaan.... daardoor kwam 'k zoo binnenvallen...." + +"We kennen nog heelemaal niemand hier, daarom is 't zoo heerlijk +'n bekend gezicht," zei Go. + +"Maar je hebt toch wel al college gehad.... letteren, hè?... ja, +ik ken bijna alleen juristen--maar hoe bevallen je de menschen? En +de proffen?" + +"Och, van de studie kan ik natuurlijk nog niets zeggen." + +"'t Eerste jaar niet," onderbrak hij. + +"Maar de omgeving, de menschen vallen me vreeselijk tegen.... Ik had me +altijd voorgesteld 'n groote, hooge, witte zaal met oploopende banken, +en de professor op 'n soort preekstoel....en dan heel veel beschaafde +heeren, en 'n enkel meisje, die allemaal zaten te luisteren...." + +"En luisteren ze niet?" + +"Ik heb 't eerste college níet kunnen luisteren van de +teleurstelling.... daar zaten we in 'n gewone leelijke kamer, +met gebloemd behangselpapier, allemaal aan tafeltjes met +stoelen....onnoemlijk veel meisjes, en wat schunnige jongetjes...." + +"Ja, letteren hebben in de Kloksteeg....maar u studeert rechten, is +'t niet juffrouw Gerzon; u bent dus in de universiteit." + +"Ja, en die is wel mooi.... ik vind 't binnenkomen er altijd prettig: +zoo koel en zoo rustig." + +"Ik denk, dat u wel gauw 't buiten-komen nóg prettiger zult +vinden.... Ach ja, 't blijft 'n school, alleen met gróóte kinderen." + +"Maar ieder studeert nu toch z'n lievelingsvak," wierp Go tegen. "Dat +is op school heel anders; daar moeten talen-menschen wiskunde +leeren, en wiskunde-hoofden worden met talen volgepropt. Hier kies +je zelf. Nee, ik verheug er me wel op...." + +"Jeugdig enthousiasme hoor," zei Han, de schrijftafel op z'n plaats +sjouwend. Je blijft hier net zoo goed gedwongen allerlei dingen te +leeren, die je niet schelen kunnen, als vroeger.... Kijk: ik verlang +advocaat te worden, met hart en ziel.... ik vind 't iets prachtigs. En +toch zijn er colleges, die 'k graag met tien spiegel-draperieën af +zou koopen." + +"Hij is beeldig," bewonderde Else. "Nu is 't heusch in orde." + +"Heb je ooit zoo'n pracht van 'n kamer gezien!" riep Go, terwijl Else +voorzichtig 'n paar beeldjes en vaasjes van de juffrouw in de gang +zette, meteen 't oudste meisje opdragend "'n ons lekkere koekjes" +te halen. + +"Nu krijg je voor belooning, wat thee en gezelligheid," praatte Go +door, "je bent onze eerste gast." + +En toen Else, even later, rondging met de koekjes op 'n mooi kristallen +schaaltje uitgespreid, voelde ze voor 't eerst de aangename emotie +van het zelf-ontvangen in eigen huishouden. + + + + + + +HOOFDSTUK III. + + +"Os en ui," constateerde Go, die de schaaltjes geïnspecteerd had, +zoodra de juffrouw de deur achter zich had gesloten. + +"Maar dat kan ik niet eten, die ellendige uien, en dat vleesch is zoo +zwart en onsmakelijk, dat je al náár wordt van 't zien: 't is nu al +de derde keer van de week, dat we dit menu krijgen!" + +"Nijdas," plaagde Go, die, thuis gewend aan eenvoudig eten en met +'n nooit falenden, gezonden honger, onverschilliger op dit punt +was. "U moet weten: de n is hier anorganisch; Duitsch eidachs.... heel +interessant woord. Zie Franck of m'n dictaatcahier van dezen middag." + +"Hou hier je goeje humeur maar 's bij," bromde Else nog, "als de +kachel er niet was, waarachtig--ik zou wanhopig worden." + +De troostende kachel was 'n gezellig open haardje, dat den vorigen +Zaterdag, toen ze naar huis waren, was gezet. Else had er dadelijk +groote beuken blokken voor besteld, en nu stond 't te knetteren en +te vlammen, dat 't 'n lust was, alle muffe vochtigheid uit de kamer +verdrijvend. + +"Zou je er niet bij gaan zitten?" vroeg Go na 'n poosje, toen Else met +'n somber gezicht ijsbeeren bleef van den eenen hoek van de kamer +naar den anderen, telkens met afkeer 'n klein stukje vleesch of +'n schepje aardappel-met-ui van haar bord oppikkend. + +"Nee, voor zóó'n maaltijd niet,"--en toen schuivend met 'r +pantoffeltjes over 't zeil om de kachel--"voor 't spatten van de +vonken," had de juffrouw gezegd--"da's glad, zeg, zeker gewreven." En +ze gleed er langzaam overheen. + +"Hé...., leuk--laat 's voelen," en Go sprong op, al +etende. "Lekker--laten we glijbaantje spelen, Elsi, dan smaakt 't +eten meteen beter." + +"Jij niet met je laarzen; dat maakt krassen." + +"Nee, 'k zal ze uitdoen.--Zoo, jij eerst.... neem 'n aanloop." + +In 'n oogenblik waren ze er "in": hun wangen begonnen te gloeien; +lachend en jolig gleden ze dicht achter elkaar, vielen soms bijna, +balanceerden langs den kachelgloed. + +"Dat zeil hoeft in weken niet gewreven te worden; wij politoeren het." + +"Neem nog 'n stukje vleesch; dat vorige is al lang verteerd bij +zooveel beweging." + +"Verbeeld je toch, dat iemand ons zóó eens zag," proestte Else +'t opeens uit, die in Den Haag altijd 't keurigste dametje van de +wereld was, en nu de neerzakkende haren vergeefs in de hoogte trachtte +te houden. + +"En wat zouden ze thuis zeggen," zei Go, 'n beetje peinzend, zich op +'t lage stoeltje neerlatend. + +Het verwonderde haar zelf, dat ze in 'n paar weken zich hier al zoo +heelemaal ingeleefd voelde, zoo gewoon vertrouwelijk met Else en +gewend aan hun levenswijze. Den eersten Vrijdag, dat ze naar huis +was geweest, had 't weerzien haar 'n hevige emotie gegeven; ze had +'t gevoel gehad, weken lang weg te zijn geweest, had druk van alles +door elkaar verteld, zich vergissend met de dagen, alles dooreen +haspelend, en al maar willen weten, wat thuis gebeurd was, niet +kunnende begrijpen, dat alles z'n gewone gang bleef gaan--en 's nachts +was ze wakker geworden van moeder, die over haar heen gebogen stond +en met zachte, innige zoenen haar kuste over haar heele gezicht... + +Maar dien tweeden Maandag was 't afscheid heel rustig en veel minder +pijnlijk geweest; de nieuwe dingen, de nieuwe menschen namen haar +aandacht in beslag; alleen soms, in schemer, of 's nachts, als ze in +de groote, donkere kamer lag... + +"Zeg," zei Else, de kammen in haar haar vaststekend, "ik heb nog +honger. Wat hebben we nog in de kast?" + +"Kaakjes, maar die zijn oudbakken en vochtig.... en flikjes." + +"We kunnen de kaakjes wel roosteren in de kachel.... op 'n vork--en +de flikjes ook." + +"Maar je schroeit van de hitte." Go hield haar servet voor haar +gezicht, de arm zoover mogelijk uitgestrekt. "Pas op, de jouwe valt." + +"'t Smaakt lekker," keurde Else, voorzichtig kleine hapjes nemend +van de heete kaak; "een eigenaardig smaakje.... vanille of zoo, +komt er aan." + +"Maar we kunnen er toch ons maal niet mee doen," zuchtte Go, 'n slap +flikje in haar mond latend glijden. Ze zag purper van den gloed, en +de zware, zwarte krullen, die uit haar kapsel springend over haar +slapen hingen, wuifden heen en weer door de trilling van de heete +lucht. "We lijken wezenlijk wel stokers--en de juffrouw zal niet +begrijpen, wat ons bezielt. 't Is al half zeven." + +"Zeg, laten we naar Ceres gaan. 't Is dichtbij." + +"Ceres.... nou.... maar heb-je dan nog trek in boonen of zoo?" + +"Nee, 'n toespijs, ommelet of zoo iets.... Bij ons op college zijn +er meisjes, die er altijd eten; 't moet er goed zijn." + +"Maar zou de juffrouw 't niet gek vinden.... niets begrijpen...." + +"Maar m'n hemel, de ploerterij!" praatte Else Han na. "Kom, trek gauw +je laarzen aan; 't is niet ver." + +Even later liepen ze samen op 't donkere grachtje; ze waren nog nooit +'s avonds uit geweest, doorlevend als thuis, waar meisjes dat ook +niet deden. Maar dien middag, geanimeerd door 't uitgelaten spel, +tintelend van levenslust en jeugd, proefden ze de zoetheid van hun +heelemaal-vrij-zijn; en, Go's arm grijpend in 'n warme verrukking, +zei Else opeens: "Dol toch, hè, zoo saampjes; en te kunnen doen, +wat je wilt." + +Het was stil op straat, nog stiller dan gewoonlijk: de meeste menschen +waren thuis, aan den maaltijd. Onder den lichten, ster-witten hemel +stonden de kale boomen, waar nog slechts hier en daar 'n welkend +blad aan hing, onbeweeglijk met uitgestrekte takken. De huizen +waren dichte, doode dingen. Maar op 't water, daar leefden rillend +de lantaarnschijnsels en de roode lichten der booten; daar kwam 'n +donkere, puffende motorboot langzaam doorheen hijgen, wegduikend onder +'t oude ophaalbrugje, dat tooverachtig lichtte tegen den donkeren +huizenachtergrond. + +"Wat mooi," zei Go zacht, "wat 'n beeldig oud grachtje!" + +Er kwam 'n jongen aan, rinkelend met z'n stok; 'n paar huizen van +haar af bleef hij staan, begon te fluiten; 'n verlicht raam werd +opgeschoven, 'n jongensstem riep: "Hallo!" + +"Laat je de sleutel neer?" + +"Nee, kom maar boven, de deur staat aan." + +"Daar woont 'n student," zei Else, nog 's even omkijkend, "'t is +dicht bij ons.... dat was zeker hun clubfluitje, hè?" + +"Ja; wat klonk 't leuk!" + +Ze waren nu bij 't lichte huis op de Breestraat gekomen, gingen naar +binnen, onzeker en 'n beetje verlegen. 'n Onaangename etenslucht kwam +hun in de gang al in den neus: "Hier ook ui, hoor," lachte Else. Maar +'t zaaltje binnen, vriendelijk met wit tafelgoed, bloemen en eenvoudige +muurversieringen deed haar prettig aan, en 't gedempte stemmengerucht +gaf 'n warm gevoel van intimiteit. + +Terwijl ze 'n tafeltje zochten, fluisterde Else opeens blozend: +"Kijk 's; Han." + +"Waar?" en Go wilde dadelijk op 'm afstappen, maar hij zat met 'n +clubje vrienden, groette vormelijk-beleefd, waarna de anderen de +hoofden tot 'm overbogen, zacht praatten, en daarna zijdelings naar +hen bleven gluren. + +Ze bestelden een ommelet, maar hadden eigenlijk alleen belangstelling +voor hun omgeving; overal zaten clubjes studenten te eten, niet met +gezichten, zooals ze zich op college hielden, maar levendig en jolig, +met klaterende lachbuien en doorklinkende uitroepen. + +"Wat zijn jongens toch leuk en gezellig met elkaar," zuchtte Else, +terwijl ze langzaam 't hoofd van Han's clubje afwendde. "Je kunt zoo +zien: ze hebben allemaal aan zich-zelf genoeg." + +"Nu, dat hebben wij toch óók wel; denk maar 's aan die glijpartij." + +"Ja," peinsde Else, "zou Han hier altijd eten?" + +"'k Weet niet; misschien alleen in tijden van geldgebrek." + +"'t Smaakt heel goed; we konden wel 's meer hier gaan, hè?" vroeg +Else, 't hoofd dieper buigend, want eenige jongens waren opgestaan, +fixeerden haar in 't langs-gaan met bewonderende blikken. Go zag 't, +zei eenvoudig: "Die vinden je mooi, zeg, gaan bepaald informeeren, +wie je bent," en merkte niet, dat uit 't andere zaaltje algemeen de +aandacht werd gewijd aan háár sprekend, frisch gezicht, waarin de +groote grijs-blauwe oogen levenslustig straalden. + +"Ze gaan weg," zei Else zachtjes, de vork neerleggend. Maar nu kwam +Han naar haar toe. + +"Eet u vandaag hier, dames?" vroeg hij verwonderd. "Heeft de juffrouw +u dan tòch weggejaagd?" + +"Nee, alleen maar op rantsoen gesteld," lachte Else, "we hadden nog +honger, en zijn daarom nog even 'n ommelet komen eten." + +"O, dus u bent al klaar; 'n paar vrienden van me wilden graag aan u +voorgesteld worden, ook om 'n verzoek.... zoudt u dat goed vinden?" + +"Uitstekend," zei Else verward, terwijl Go ging betalen. + +Even later stonden ze, allemaal 'n beetje verlegen, voor de stoep +van Ceres, in 'n clubje. + +"Vinden jullie goed, als we 'n endje oploopen, dan praten we +makkelijker," zei Han, "nee, niet allemaal op 'n rijtje." En hij ging +met Else vooruit. + +"Heerlijk, de Breestraat bij avond," zuchtte Go bewonderend. "Ik heb +nooit 'n straat als de Breestraat gezien.... Dat is nu zoo iets, waar +je altijd heelemaal in 't midden moet loopen, met al die groote huizen +aan twee kanten ver van je af.... dat geeft zoo'n koninklijk gevoel." + +De blonde jongen naast haar--Leeden geloofde ze, dat Han zei--lachte +met 'n kort, nerveus lachje. Hij had 'n forsche, hooge gestalte, en +'n stoere, rustige Germanekop, zooals ze zich altijd Ferdinand Huyck +had voorgesteld; z'n oogen waren vriendelijk en open, al meende ze +nu ook: "wat 'n echt kind" er in te lezen. + +"Het stadhuis is heel mooi, 's avonds," zei hij met z'n scherpe stem. + +"Het stadhuis, o, dat is heerlijk, en het carillon! Maar één ding +heeft me vreeselijk teleurgesteld. U moet weten, Han had heel vroeger, +toen hij pas hier was, me eens verteld, dat hier 'n torenwachter was, +die 's nachts om twaalf uur naar alle windhoeken op z'n hoorn blies; +daar had ik me wonderen van voorgesteld.... Ik was toen pas op 't +gymnasium, maar altijd als ik aan Leiden dacht, kwam die torenwachter +er bij.... ik vond 't zoo sprookjesachtig.... en ik was vast van +plan één van de eerste nachten hier om twaalf uur op de Breestraat te +gaan staan, om 't te hooren.... En nu, toen ik hier kwam, hoorde ik, +dat hij er niet meer was...." + +Aan haar anderen kant liepen 'n slanke, veerkrachtige jongen, dien de +blonde: Elders noemde, en 'n smalle, zwak-uitziende droomer-figuur, +die met z'n melancolieke oogen door z'n lorgnet haar, terwijl ze sprak, +dwepend fixeerde. + +"Dat idealisme zal hier wel gauw vertrapt worden," mompelde hij voor +zich heen; waarna Elders, zonder zich aan zijn woorden te storen, +levendig inviel: + +"Maar laten we nu tot ons eigenlijk doel komen en juffrouw Herderts +vragen, wat ze van ons plan denkt. We zijn namelijk allen lid, Han +is zelfs praeses van 'n letterkundige club: "Laborando vincimus." + +"Het is geen faculteitsvereeniging," vulde Leeden aan, "maar we +trachten de superieure elementen uit alle faculteiten bij elkaar +te brengen..." + +"Anders dan genieën worden er niet geduld," verzekerde Elders. + +"Vooral ook, omdat de verschillende studierichtingen de zekerste +waarborg zijn tegen eenzijdigheid," ging de scherpe stem onverstoorbaar +voort. "Er ontbreekt in onze vereeniging maar één ding." + +"Een gróót ding," zei de droomer. + +Go keek met haar groote oogen ze een voor een angstig aan; ze voelde +'t komen en was bang en gevleid. + +"We hebben geen meisjes." + +"Ons ontbreekt de vrouw." + +"Na elke vergadering moet de ploerterij 'n nieuw tafelkleed geven, zóó +is er met bier en thee gemorst," spotte Elders, maar Leeden schudde +afkeurend 't hoofd. "Daarom is 't niet," zei hij eenvoudig. "'t Is, +omdat 't dwaas en verkeerd is, zoo'n vereeniging alleen onder jongens +te houden; omdat voor ons zeker, en we hopen ook voor de meisjes, +'t veel beter en prettiger zijn zou, wanneer we samen leerden werken." + +"Col-laboratie," vulde de in-zich-tevreden Elders aan. + +"Eén meisje, dat Hoefman kende,"--de dichterlijke droomer keek +trotsch maar bescheiden--"heeft 't lidmaatschap van ons dispuut willen +aannemen; maar ik geloof zeker; ze vindt 't niet prettig alleen te +zijn, met acht jongens.... Nu heeft Herderts ons van u beiden verteld +en wagen we u te vragen, of 't u aangenaam zou zijn, als we u eens +te hospiteeren vroegen, opdat we wederzijds beter kennis kunnen maken." + +"Sprekend 'n huwelijksadvertentie," bromde 't weer aan den anderen +kant. + +"En..." hij zweeg, keek Go even afwachtend aan: haar wangen waren +blozend van opwinding en verlegenheid, en hakkelend begon ze: + +"Ik begrijp niet, hoe u op 't idee van ons komt.... van Else wil +'k niets zeggen, maar ik heb heelemaal niets, geen talenten of zoo, +en geen meeningen, en ik weet nergens iets van; u zou wezenlijk niets +met me kunnen beginnen." + +"U hebt vizie," zei de droomer met 'n plechtige stem; waarop ze niets +terugzeggen durfde. + +Maar Leeden lachte en trachtte te kalmeeren: "U stelt 't u allemaal +veel te erg voor. Natuurlijk streven we er ernstig naar, om iets te +praesteeren, maar gewoonlijk komt er toch nog maar zoo weinig van +terecht. En u denkt nu, dat u niets te zeggen zult hebben, maar u +weet niet, hoe gauw dat oefent. En trouwens wij allemaal...." + +"Komen toch ook nog maar pas kijken." + +"Jij tenminste, Hans," viel Leeden licht-geërgerd uit. "U moet ook +denken: hospiteeren is niet iets bindends; we kunnen kijken, hoe +'t gaat. Maar zeg dan, of u dat tenminste wilt probeeren." + +"Ja graag, als Elsi ook wil," zei Go dapper. + +"Daar zal Herderts wel voor zorgen. U krijgt dan nog 'n convocatie, +wanneer de eerstvolgende vergadering is." + + + +'n Half uurtje later kwamen ze stralend en opgewonden thuis. Else +bleef in de gang haar handen wasschen, terwijl Go de deur van haar +kamer openstootte. Het was er pik-donker. Ze waren met den sleutel +binnengekomen, de juffrouw had ze niet gehoord, er was niemand, die +verwelkomde, of helpen wilde. Ze was 's avonds nog nooit uitgeweest, +had heelemaal nog niet aan zoo'n thuiskomst gedacht. Tastend zocht +ze op den schoorsteen naar lucifers, toen over de tafel--ze stootte +tegen de pan met melk, die de juffrouw op 'n bord al voor haar neer +had gezet: 'n plomp, gevoelloos ding. + +En opeens, in de hooge zenuwspanning van haar opwinding, zag ze, hoe +'t thuis altijd 's avonds was, wanneer ze uit was geweest: de lichte +gang, de lichte kamer, en moeder met 't naaiwerk, die 'r zoende, +en vroeg, of 't prettig was geweest. + +En neerbonzend met haar hoofd op de tafel, barstte ze in een wild +snikken uit. + +Zoo vond Else haar, die glunder kwam vertellen, dat Han en zij elkaar +al bij den naam noemden. + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + + +Het was op de eerste groote vergadering van de +vrouwelijke-studenten-vereeniging, in de pauze. Ze hadden allemaal +in 'n grooten kring zitten luisteren naar de lezing over "De +kinderwetten," de meesten in schommelstoeltjes, anderen op den grond, +gestut door hun knieën; maar nadat 't groote, blonde meisje met 't +rustig-verstandige gezicht ook de debatteerenden nog even kort maar +overtuigend had geantwoord, had de opgewekte praeses de vergadering +geschorst: "om limonade te schenken, en nader kennis te maken," +en met vroolijk geraas van opgelucht-zijn, omdat de ernst van 'n +"vergadering" toch altijd iets drukkends had, waren alle lichte +figuren opgestaan, op elkaar toegeloopen, dooreen gedwarreld, het +statige bestuur had z'n plaats achter de groene tafel verlaten en +zich onder 't "vulgus profanum" gemengd, er werd gelachen, geplaagd, +ijverige huismoedertjes gingen rond met de limonade en de taartjes die +op het biljart klaar stonden "ter eere van de hospitanten," terwijl +nu en dan één achter 't scherm, dat de lekkernij-voorraad verborg, +omwipte, om er ééntje te snoepen, waarbij ze meestal in flagranti +werd betrapt en luidruchtig gehoond. + +De zaal had een kleurig, levendig aanzien, met al die vroolijke, +licht-gekleede jeugd. Zelf sober en rustig met donker-effen behangsel, +waarop foto's van klassieke beelden, een eenvoudig, smaakvol meubilair +en warm-tintige rustbanken in de hoeken--werd door niets het harmonisch +lijn- en kleurenbeweeg van de onbezorgd-vroolijke, in 't oogenblik +levende jonge vrouwen gestoord. En Go, die, 'n beetje achteraf, +tegen den muur leunde, en stil toekeek, hoe geanimeerd de gesprekken +waren, hoe levendig en uitdrukkingsvol de meeste frissche gezichten, +moest onwillekeurig glimlachen, als ze dacht, hoe de menschen vaak +"meisjesstudenten" nog beschouwden--als leelijke, onvrouwelijke, +bleeke stumperts--terwijl ze hen hier zag, elegant en bloeiend als +weelde-artikel-meisjes, maar met een bezieling en overtuiging in haar +stemmen en oogen, die ze maakte tot bewuste vol-menschen. + +Aan den overkant van de zaal stond Else met 'n clubje +rechten-collega's,meest Haagsche meisjes, met de gemakkelijke manieren +en van-zelf-glijdende conversatie, van die veel uitgaan. + +Go voelde zich daaronder wel een beetje beklemd; zij had altijd te +veel in haar groote familie geleefd, te zeer waren haar bezoeken +tot ooms en tantes beperkt gebleven, om zich tegenover vreemden, +die niet van thuis, en niet van familie-omstandigheden wisten, vrij +en open te voelen. + +Eerst toen ze 'n meisje van college ook alleen zag staan, ging ze +er schuchter naar toe, stak haar hand uit. "Je heet Lize hè.... Lize +Schermer?" + +"Ja," zei de ander, verbaasd en niet te vriendelijk. Ze +had een bizonder leelijk, melancoliek gezicht: met haar +breed-vooruitspringenden mond, wijkenden neus en diepliggende, donkere +oogen, deed ze denken aan een aap, en het berustende heimweh, dat uit +haar heele verschijning sprak, was hetzelfde, dat de uit 't zonnige +zuiden naar dit koude land overgeplaatste dieren zoo roerend maakt. + +"Maar jij bent hier toch niet voor 't eerst," praatte Go door, +"je bent toch al tweede jaars." + +"Ik ben er voor 't laatst; 'k ga er uit." + +"Hé, vin-je 't hier dan niet prettig? Ik krijg zoo'n mooien indruk +vanavond, en 't is toch goed...." + +"Ik heb geen tijd om er altijd naar toe te gaan, en dan kan ik m'n +geld wel beter gebruiken.... Ik studeer niet voor de aardigheid. Ik +moet later voor mezelf zorgen." + +"Ik ook," zei Go eenvoudig. "Maar je kunt toch niet altijd werken, +zonder ophouden, en dan lijkt dit me juist zoo'n uitstekende +ontspanning: ontwikkelend, gezellig...." + +"Nou, zet gezellig maar voorop. Ontwikkeling zul-je hier niet veel +halen. De meeste meisjes studeeren zoo weinig ernstig. 't Is maar +'n pretje, 'n afleiding. Vroeger maakten ze handwerkjes om den +tijd te dooden, en nu komen ze studeeren, omdat dat toch wel zoo +vermakelijk is." + +"Maar de meesten doen 't toch wezenlijk uit overtuiging, roeping!" Go +had een kleur gekregen, en voelde zich pijnlijk-opgewonden worden +onder de afbrekende woorden van het sombere vrouwtje. + +"Roeping! Maar m'n hemel, wie doet dáár tegenwoordig nog aan! Denk je +wezenlijk, dat één van de meisjes, die je hier ziet, alleen uit roeping +haar vak gekozen heeft, en iedere levensverandering zou afwijzen, omdat +haar studie haar boven alles gaat.... Maar dat is trouwens bij mannen +meestal 't zelfde; alleen die drijft tenminste de noodzakelijkheid, +'t heilige moeten, dat de menschen tot heel wat hoogs en groots brengen +kan. Maar nu ook díe prikkel ontbreekt bij bijna alle vrouwen...." + +Op het hamergeklop van de praeses was Go naar haar plaats geloopen; er +zou nog 'n stelling verdedigd worden, met gelegenheid tot debatteeren. + +Maar telkens moest ze het verdere gedeelte van den avond even 't hoofd +wenden naar den hoek, waar Lize Schermer zat, den bitteren trek om de +hard-gesloten lippen, het heimweh in haar oogen naar 'n zonniger land. + + + +Om half elf, nadat ze de glazen en kopjes 'n beetje opgeruimd hadden, +gingen ze in clubjes naar huis. Go was nog even naar Lize toegegaan, +om, in 'n warm meelijden, te vragen, of ze denzelfden kant uit moest, +maar ze had kort geantwoord, dat ze heelemaal buiten woonde, was toen +in 'n donkere regenmantel met verkleurende strepen, weggegleden als +'n schim. + +Toen waren Else en zij met vier ouderejaars de stille stad +doorgetrokken. Ze zouden eerst een meisje wegbrengen, dat op 't +Noordeinde woonde, en liepen nu het plechtig-zwijgende Rapenburg +langs. De hooge huizen stonden onbeweeglijk en ook het water kabbelde +niet. Het was, of alles in 'n oogenblik van volmaaktheid was verstard, +en vanzelf temperden ze hun overmoedig-luide voetstappen. + +"Jullie worden toch allebei lid van de club zeker?" vroeg één der +oudere meisjes. + +"Ja, ik geloof, dat het er prettig is, 'n hartelijke geest heerscht +er, en alles is aardig ingericht...." + +"Ik vind," zei 'n andere oudere weer, "dat je dán eerst er over +oordeelen kunt, wat ons studentenleven is, als je ons clubleven +hebt meegemaakt. Als je je terugtrekt, alleen college loopt, is +je leven niet zoo heel verschillend van dat van onderwijzeressen +of zoo. 't Is juist ons samenleven, ons vereenigings-leven, +dat van 't gewone vrouwenbestaan afwijkt. We staan in verbinding +met de zustervereenigingen aan andere universiteiten, we zenden +afgevaardigden, als er feest is.... en alles onder meisjes." + +"Dat vind ik nu juist jammer," kwam Go opeens, met haar heldere, +besliste stem. Ze had den heelen avond bijna niets gezegd, ook nu +onder weg niet, en alle hoofden bogen verwonderd en belangstellend +naar haar kant, nu ze, zonder eerst in lichtere gesprekken zich 'n +beetje te hebben doen kennen, opeens met 'n overtuiging kwam. "Ik +meen, dat we zoo heelemaal niets met 't corps te maken hebben, dat +we twee gescheiden vereenigingen zijn.... Ik had gedacht...." + +"Op de kroeg wordt geen enkele vrouw toegelaten," viel Mary Bruining, +'n ernstig, donker meisje, in, "en ik geloof, dat ze gelijk hebben +en dat de maatregel meer is genomen uit angst voor de ongebondenheid +der heeren--, dan uit afkeer voor de dames-studenten. Omdat voor +ons dergelijke bezwaren niet bestonden, hebben we introductie voor +jongens mogelijk, ofschoon niet makkelijk gemaakt. De studenten zijn +voorloopig niet zóó, dat we van houding veranderen kunnen." + +"Maar komt 't een niet door 't ander?" riep Go levendig, en haar +kinderlijk-geëmotioneerde stem stak sterk af bij de rustige zekerheid +van haar bestrijdster. "Was 't niet onze plicht méér voor de jongens +te zijn, en zou dan niet vanzelf alles anders worden? Nu ik zelf op +kamers woon--en ik heb toch nog altijd Else--begrijp ik 't pas, hoe +vreeselijk 't voor jongens, die altijd thuis zijn geweest, moet wezen, +hier opeens in eenzaamheid op een ongezellige kamer te land te komen, +hoe ze 't er niet uit kunnen houden, en naar de kroeg of naar vrienden +moeten loopen,--en dan weer niet naar huis willen, omdat ze weten, dat +'t er koud en donker zal zijn...." En rillend dacht ze even aan haar +eigen thuiskomst laatst, toen ze de lucifers niet had kunnen vinden, +en er niemand was om haar te helpen. + +"Ik geloof, dat je overdrijft," zei Mary rustig. "Zooals je daar +'t kamer-leven van jongens voorstelt, zoo voel jij 't, en zoo zullen +meer meisjes 't voelen, omdat 'n meisje veel meer aan haar huis, haar +familie en de gezelligheid is gehecht. De jongens, die hier hun corps, +hun clubs, hun vrienden hebben, genieten meer van hun vrijheid, dan +dat ze over eenzaamheid klagen. Vind-je, dat 'n student gewoonlijk 't +meelijden opwekt? Zie je hem niet veel meer als één op 't hoogtepunt +van z'n kracht, z'n verwachtingen, z'n levensvreugde? Maar àls er nu +inderdaad eens jongens waren, die er onder leden, wat zouden we dan +nóg kunnen?" + +"Onze vrouwelijkheid, onze zachtheid in hun leven brengen. Dat +ontbreekt hun 't meest, en dat kunnen wij, die bovendien hun collega's +zijn, hun 't beste geven. Dat is toch geen co-educatie, die zich +beperkt tot 't in dezelfde zaal college loopen, dezelfde studie +volgen. Ik had me alles zoo anders, zooveel hartelijker voorgesteld, +en 't zou voor ons allemaal zoo goed zijn. Alle meisjes vinden toch +niets heerlijker dan gezelligheid te kunnen geven, en zooveel meisjes +zijn eenzaam, en voor de jongens.... we zouden elkaar aanvullen." + +"Ik geloof dat hier weer één van de moderne dwaalbegrippen bestreden +moet worden," oreerde nu 'n klein, in haar mantel gedoken wezentje, met +de scherp-geaccentueerde stem van iemand, die gewend is te betoogen: +"nl. dat veel menschen de co-educatie zóó op de spits willen drijven, +dat 'n meisje alleen nog maar vrienden, 'n jongen alleen vriendinnen +hebben wil, dit ultra-modern principe grondend op 'n lang-overwonnen +meening: dat de eigenschappen van man en vrouw elkaar aanvullen. Er is +al meermalen met klem betoogd, dat specifiek vrouwelijke of mannelijke +eigenschappen, eigenschappen uit kracht van hun geslacht, maar fictie +zijn, tenminste in 't gewone leven. Dat die volkomen 't gevolg zijn +van individueele aanleg, herediteit, omgeving, enz. Daar meisjes, +die komen studeeren, gewoonlijk boven de middelmaat staan, zullen er +zeer uiteenloopende, sterksprekende karakters onder zijn. Die brengt +de club bij elkaar. Ieder kan zoeken, bij wie ze zich aansluiten wil; +welke eigenschappen elkaar aanvullen.... Wat de jongens betreft, +die hebben eveneens hun corps." + +"Waar ze níet vinden, wat ze noodig hebben," verweet Go. "Ik weet +'t zeker. Misschien hebben wij ze niet noodig; zij ons wel." + +"Dat zijn idealen, droomen, waarmee menig eerste-jaartje hier al +aangekomen is. Dat slijt wel mettertijd, omdat je gauw staat voor de +onmogelijkheid. De jongens moeten hun eigen weg vinden, net als wij. We +zijn niet in de jaren elkaar tot rustigen steun te kunnen zijn." + +Ze waren nu juist bij de kroeg, waar 't licht door de neergelaten +gordijnen siepelde. 'n Paar jongens liepen pratend de hardsteenen +stoep op, en onwillekeurig volgde Go ze met verlangende oogen en dacht: +"Als ik nu 's ze na ging, naar binnen, en aan allemaal m'n evangelie +van verbroedering verkondigde?" + +Mary had den blik uit de groote, open oogen gezien. Ze was niet gerust +over dat vertrouwende, gevoelige kind. + +"Kom 's bij me praten," zei ze hartelijk bij 't afscheid, "ik zou +'t prettig vinden, als we elkaar beter leerden kennen." + +En Go beloofde 't: "Ja graag, want ik ben hier nog zoo alleen." + + + + + + +HOOFDSTUK V. + + +Go liep met groote, krachtige stappen over het Rapenburg, hield 't +hoofd 'n beetje achterover, dat de zon in haar blij-open oogen scheen, +en lachte telkens eventjes van prettig herdenken. Het was 'n heerlijk +bezoek geweest. En ze had er juist zoo tegenop gezien. Naar de andere +professoren waren ze met hun drieën gegaan, Lou, Coba en zij, alle +drie eerste-jaars. En dan was 't vooruit meer grappig dan angstig +geweest: ze hadden onder elkaar afgesproken, wat ieder zeggen zou, +en in welke volgorde, en wie 't sein tot opstaan zou geven, en dan +na de visite hadden ze nog meer plezier gehad, omdat bijna niets +van de voorgenomen officiëele conversatie was gekomen, en ze zóó +genoeglijk en vertrouwelijk met den professor hadden zitten praten, +dat ze slechts met moeite hadden kunnen weg komen. + +Maar naar professor De Ruiter had Go dadelijk besloten alleen te gaan; +ze vond 't wel heel griezelig en gewaagd, en had vooruit geen zinnetje +kunnen bedenken, dat ze tegen zoo'n geleerden man zou durven zeggen, +maar op de colleges had hij haar zóó bizonder sympathiek geleken, +dat ze toch deze gelegenheid 'm alleen te spreken niet ongebruikt +had willen laten, en met bevende hand aan het groote, ouderwetsche +huis had aangescheld. + +Door plechtig-stille gangen, langs 'n gebeeldhouwde trap, was ze door +de zwijgende dienstbode tot de deur van professor's kamer geleid--ze +had even met haar heele ziel gewenscht, dat ze dit ongelukkige bezoek +nóóit had ondernomen--maar, nauwelijks binnen, was al haar angst +geweken voor 'n heerlijk gevoel van harmonie: de kamer was groot en +rustig; drie wanden bedekt met boeken-planken tot aan de zoldering; +in de vierde groote hooge ramen, die uitzagen op den tuin. + +Bij een dier ramen stond de magere, gebogen mannefiguur; het licht +viel op z'n zachte, witte haar en z'n door werken gekromden rug; op 'n +standaard vóór hem lag 'n dik boek met vreemde letters; daar was z'n +smal gezicht in weggedoken, 'n trek van verlangenden speurzin om z'n +saamgetrokken mond; toen hij de deur hoorde gaan, had hij opgekeken, +en, dadelijk zich losscheurend van z'n boeiende studie, was hij naar Go +toegekomen, had haar hand genomen,'n makkelijk stoeltje aangeschoven +bij de kachel, en was óver haar gaan zitten, de handen tusschen de +knieën, de heldere, blauwe oogen achter de brilleglazen naar 'r toe. + +O, ze zou 't nooit vergeten, zooals hij daar gezeten had, mager, +bleek; wat 't lichaam betrof uitgeleefd en eigenlijk geen man meer, +omdat de wetenschap z'n jeugd, z'n gezondheid, z'n kracht, àlles had +opgeëischt, maar met een glans in z'n oogen van eeuwig jong-zijn. Ze +had 't nog nooit gezien: de passie voor de wetenschap, het weg-zijn +er in. Ze had altijd gedacht, dat het erg-vele weten hard moest maken +en koud en dogmatisch. En deze man--o, aan z'n woorden hoorde je, hoe +jeugdig van geest hij was, en blijven zou door z'n groote liefde. "Het +is zoo dwaas, dat de menschen taalstudie voor iets droogs houden; +er is niets zoo romantisch; elk oogenblik kun-je wat ontdekken," +had hij gezegd. Romantisch! ja, dat voelde ze nu ook; en dat, op een +hooger levensplan, kunst en wetenschap elkaar ontmoetten. Eigenlijk +wás De Ruiter 'n kunstenaar. Wat zou ze niet gegeven hebben, als ze +'m op het oogenblik had kunnen teekenen, toen hij haar een Russisch +gedicht voorlas om het mooie metrum, en ze hem juist en profil zag: +het scherpe, fijne vossengezicht vooruitgedoken; de rond-gebogen, lange +rug; en de lange, witte handen, die soms bewogen in langzaam gebaar. + +Hij had 'n prachtige stem; daarin trilde àl z'n bewondering, àl z'n +liefde, voor wat hij las. Hij was heen en weer gegaan van de eene +kast naar de andere, als 'n priester, die 'n vreemdeling inwijdt in +de geheimen van z'n heiligdom; allerlei wonderlijke boeken had hij +haar voorgelegd, met voor haar onbegrijpelijke letterteekens, en +telkens weer had z'n mooie stem 'n paar regels gezegd, van klanken, +die ze niet begreep, maar die haar heftig ontroerden, zacht haar +wiegend in vreemden kadans. + +Klein had ze zich gevoeld, heelemaal niets, bij dien man, voor wien +Sanskrit en Russisch en Arabisch en veel meer, vertrouwde dingen +waren. En toch ook trotsch, omdat hij haar wel wat van z'n rijkdommen +had willen toonen, blij om haar belangstelling. + +Wat zou ze nu gaan werken! Wat was er veel, ontzettend veel te +doen. Verbeeld-je, dat ze niet eens Italiaansch kende. Dat was iets, +aan welks mogelijkheid De Ruiter niet kon denken! En dat ze nog wel +'s moeite had met 'n Grieksch werkwoord! O, 't was goéd, dat ze hier +was gekomen, in deze stad van wetenschap. Hier leerde je inzien, +hoe onontwikkeld, hoe arm aan kennis je was; en hier kreeg je ook +den prikkel om dat te veranderen, om je in de boeken te storten, de +wijsheid tot je te trekken. Daar was haar kamer, haar huis: hoe zou +ze daar nu werken gaan, studeeren; zich wijden aan de "romantische" +taalstudie, aan de wetenschapskunst! + +"Elsi!" kwam ze binnenstuiven. Maar Han zat op de canapé, leunde +elegant met z'n arm op de kussens, en luisterde glimlachend naar Elsi, +die, met 'n blozend gezichtje, op 'n laag stoeltje druk te beweren zat. + +"O," zei Go langzaam, dadelijk voelend, dat ze stoorde: "ben jij +er Han?" + +"Ja, ik kwam de convocaties voor "Laborando vincimus" maar zelf even +brengen, om er nog 's over te praten. 't Is Vrijdag." + +"O, best," zei Go, en 't kon haar opeens niet meer zooveel schelen, +zóó was ze van haar bezoek vervuld. + +"Maar wat wou je eigenlijk zeggen: je stoof zoo in?" vroeg Else. + +"Ik wou zeggen...." Go vond 't gek in dit milieu; die twee menschen +dachten aan zoo heel andere dingen; "ik meende.... Ruiter was zoo +aardig." + +Het was 'n niets-zeggend zinnetje, viel ook niet op. + +"Zoo. Lize is straks even hier geweest" + +"Wat wou ze? Heeft ze geen boodschap gegeven?" + +"Nee, 'k ging naar 'r toe.... ze zei, dat 't 'r erg speet, dat je er +niet was.... Wat is ze vreeselijk leelijk." + +"O; kan ik nog even gaan voor 't eten.... 't is nu vier; ja, dat gaat +wel. Je excuseert me, Han.... ze heeft misschien wat bizonders." + +"Stoor je niet aan mij.... ik ben geen officiëele visite," verzekerde +Han, opstaande, "'k ga zelf ook dadelijk...." + +"Eerst nog 'n kopje thee," drong Else; en Go glimlachte, terwijl +ze de deur achter zich sloot: Han en Else vonden elkaar erg aardig; +Else zag er zoo opgewonden en stralend uit, als hij er was.... kleine +Elsi.... En toen ze langs 't raam kwam, zag ze Else's krullig haar, +heen en weer wuivend met druk beweeg van haar demonstreerend hoofdje. + + + +Lize woonde heelemaal bij de Rijn-en-Schiekade, en Go stapte stevig +door om op tijd voor 't eten weer thuis te zijn. Herinneringen aan +het mooie professorsbezoek, de groeiende intimiteit tusschen Han +en Else, en wat Lize haar te zeggen zou kunnen hebben, vormden den +ondergrond van haar gedachten, terwijl ze intusschen toch rondkeek, +en genoot van het schilderachtige stadje in de ondergaande zon. + +Ze vond 't zoo wonderlijk, dat ze hier nu alleen liep, en niemand, +die vroeg, waarheen ze ging, niemand, die zich bemoeide, met wat +ze deed. Ze dacht aan het drukke Rotterdam, met z'n sleeperswagens +en zware karren, met den rook van booten en fabrieken--en dan vond +ze deze straten zoo dorps-stil, met niets dan wat rustige menschen, +spelende kinderen; soms 'n enkel rijtuig of 'n postkar, wat 'n heele +opschudding gaf. + +Hier hoorde je telkens 't blije geluid van kinderstemmen of +melancolieke pianoklank uit 'n huis: ginds werden alle lieve geluiden +door handelslawaai, machinegedreun, overstemd. + +En toch was er niets kleins, niets bekrompens in de rust van de +oude huizen, in de kalmte van de menschen. Het geestelijk leven, +werkend in stilte, bloeiend in stilte, gaf iedere daad en beweging +hier diepere beteekenis. Twaalfhonderd jonge menschen leerden hier +van de grootste mannen van het land hun wijsheid en levenskennis. Op +hun stille kamers in 't bleeke daglicht, en meer nog 's avonds bij de +suizende lamp zaten ze als vrome monniken over hun boeken gebogen, +werden ze ingewijd in het heilig geheim van de wetenschap. Ze had +op dit oogenblik geen medelijden met hun eenzaamheid; ze vond er +iets zoo moois in, alleen te zijn met je lieve boeken, waar zooveel +wichtigs in staat; ze voelde 't zoo'n voorrecht voor hen allen--en +haar studeeren-om-later-voor-zichzelf-te-kunnen-zorgen leek haar nu +niet 'n drukkende plicht, maar genade. + +"Lize," zei ze levendig, toen ze de kamer binnenkwam, "ik kom dadelijk +nog even naar je toe.... Else zei.... maar wat is 't hier al donker." + +"Ja, dat is 't hier altijd zoo vroeg--dat komt door dien muur." En Lize +wees op 'n hoogen grijzen muur, die 'n klein, triestig binnenplaatsje +omsloot. + +Go keek even vlug de kamer door; ze was karig maar niet smakeloos +gemeubeld; de muren waren bijna kaal, boven de schrijftafel hing +alleen 'n sombere Napoleonkop. De tafel was al gedekt, zag er akelig, +lijkkleed-achtig uit in het schemerige licht; één bordje, één glas, één +mes, één vork en 'n paar tinnen opscheplepels, donkerden in 't midden. + +"Ik hou je toch niet op met eten--'t staat alles al zoo klaar.... eet +je altijd alleen?" + +"Nee, ik heb nog den tijd.... De kok heeft 't eten nog niet gebracht; +ik eet altijd van den kok. 't Is goed, en niet heel duur." + +"O, kookt je juffrouw niet voor je?" + +"Nee, 'k heb 'n kamer zonder bediening, dat wil zeggen, ze doet geen +boodschappen voor me, maakt m'n slaapkamer niet in orde--afwasschen +wèl; 't is 'n goeiig mensch." + +"Maar ik zou toch liever in Ceres gaan eten, als ik jou was, of aan +'n studententafel... Dat altijd alleen-eten lijkt me nou zoo suf." En +Go dacht even: zou 'k haar vragen bij ons--de juffrouw zal 't wel +goed vinden--toch weer niet durvend om Else, die haar zoo leelijk, +en zeker ook te burgerlijk, vond. + +"Nee, uitgaan om te eten kost me wezenlijk veel te veel tijd--het +breekt je heelen avond." + +"Maar vinden ze bij je thuis nou goed, dat je zoo onmenschelijk veel +werkt, en zoo ongezond leeft?" + +Go dacht aan moeder, en al haar raadgevingen voor haar gezondheid van +niet te lang werken, iederen dag flink loopen, en zorgen, dat ze niet +te gebogen zat, als ze schreef. + +"Maar 'k moet 't juist om thuis doen. Vader is er altijd vreeselijk +tegen geweest, dat ik zou studeeren. De heele familie trouwens--me +moeder is dood--en hij heeft 't pas toegestaan, toen belangstellende +menschen me 'n beurs wilden bezorgen. Dat wou die niet; daar was hij +te trotsch voor. Nu zal hij vijf jaar lang me 'n klein jaargeld geven, +waarmee 'k rondkomen moet. En dan moet 'k voor mezelf zorgen.... Nou +wil ik, zie je, het móet: dat ik na vijf jaar promoveer. Maar soms +kom 'k niet met m'n geld toe; moet vertaalwerk er bij doen en zoo; +dat houdt erg op. En dan de colleges, waar alles op langeren tijd +is ingericht...." + +Go was op de tafel gaan zitten, stilletjes en verslagen. Waar bleef +nu haar opgewonden verhaal over de romantische studie, waarmee ze +ook Lize had willen opwekken, en verheugen? Waar wàs nu de glans, +die ze zich had gedroomd om 'n mensch, die alleen in 'n kamer zat, +en werkte, werkte? Deze was altijd alleen; deze werkte aan één stuk +door, tot haar oogen dof en pijnlijk waren, en haar hoofd versuft. Was +hier iets liefs en warms? + +Hier dreef de harde noodzakelijkheid langs den nauwen weg van de +nuttige, of ten minste noodige examenkennis naar het hevig-begeerde +doel van: onafhankelijk-zijn. Hier was geen zijsprongetje, geen +afdwalen van het smalle pad geoorloofd; nooit mocht er stilgestaan +worden, om 't land te overzien, om bewust te worden, waar men +eigenlijk ging.... deze werkster zou ondanks al haar zwoegen nooit +de hoogere wetenschap begrijpen, niet verder komen dan feitenkennis, +jaartallen- en handschriften-kennis; nooit de philosophie, de kern +van alles vatten. + +"Maar waarom wilde je per se studeeren?" vroeg Go eindelijk. + +"Omdat dat 't eenige is, waarvoor 'k geschikt ben, en ik me thuis +niet langer als huishoudster kòn laten gebruiken. Ik heb even weinig +aanleg voor huishoudwerk als de meeste mannen."--Go dacht even aan +de argumenteering van het kleine wezentje in den grooten mantel; +hier kreeg ze gelijk,--"maar voor vader is iedere vrouw aangewezen +huisslaaf; nu nóg, als 'k in de vacantie thuis ben, hóe ik me ook +verzet, ik moet goed-verstellen, huishoudboodschappen doen, en al +zulke dingen meer. En ik vind 't afschuwelijk." + +De juffrouw klopte even, zette toen zwijgend 'n bus om den hoek van +de deur. + +"Wat is dat?" vroeg Go. + +"Dat is m'n eten.... maar 't blijft wel even warm; ga nog niet weg." + +"Waarom kwam-je eigenlijk bij me.... zoo maar 's? Je moest 't nog +eens doen, maar 't dan vooruit zeggen op college." + +"Nee, 't was, omdat ik 'n convocatie van 'n dispuut: L. V. heb +gekregen, met 'n brief er bij, of ik wilde komen hospiteeren, en dat +jij en je nichtje ook waren gevraagd.... Ik denk, dat jij me aanbevolen +hebt, en nu wou 'k je zeggen, dat je dat niet hadt moeten doen; je +bedoeling zal wel goed geweest zijn--maar ik kan me natuurlijk niet +met zulke dingen inlaten.... ik hoor er niet bij." + +"Hè, neem je 't niet aan? Nee, geen tijd zeker; maar da's +jammer.... Aan die uitnoodiging ben 'k anders heelemaal onschuldig, +hoor; dat moet van de jongens zijn uitgegaan. Ik heb niet eens over +je gesproken." + +"Dat 's vreemd; wie kan dan op 't idee zijn gekomen? Ik ken geen +jongens." Ze zat even stil met gefronsde wenkbrauwen, 't papier +bestarend. Toen stond ze op: "In elk geval heb ik 't al afgeschreven," +besliste ze kort; stak Go de hand toe: "Ik ben blij, dat je bij me +bent geweest; ik hoop, dat je nog 's zult komen." + +Het was al donker, toen Go buiten kwam: de lantaarns brandden, en +hier en daar viel ook uit de huizen een lichtschijn op straat. "Het +is telkens heelemaal anders," peinsde ze ernstig, terwijl ze vlug +doorliep, in angst, dat Else ongeduldig worden zou, "m'n gedachten +zijn telkens anders, het uitzien van de stad verandert steeds.... Wat +beleef je hier toch veel.... wat 'n stemmingen op één middag: +eerst de inwijding in 't begrijpen van de zuivere wetenschap, en +dan vlak er na twee categorieën van menschen ontmoeten, die door twee +tegenover-elkaar-staande beletsels die waarheid nooit begrijpen kunnen: +Han en Else niet om hun opgaan in de weelde, en hun prettige dingen +van alle dag; Lize niet om den zwaren financiëelen druk, om den dwang, +wat te worden in de maatschappij. En zou 't zoo niet zijn bij bijna +alle studenten; zijn 't niet allemaal fuivers of blokkers, met slechts +'n o, zoo enkele, enkele, die wezenlijk de diepere waarde van studie +begrijpt? Zou ik-zelf het begrijpen, als ik bezig ben? Nu weet ik nog +niets, is alles geheim en aantrekkelijk, maar als ik eenmaal er in +ben, zou ik dan niet ondergaan in 't klein geleer van verbuiginkjes +en jaartallen.... zou ik 't romantische blijven voelen?" + +Ze dacht aan 't kind, dat nu alleen aan de leege tafel in de schemerige +kamer zat, ongezellig etend uit 'n bus, onhuiselijk, kok-bereid eten, +en dat dag in dag uit, nog jaren.... Zoo onrechtvaardig bevoorrecht +voelde ze zich met haar lief tehuis, haar hartelijke familie, met haar +gezellige kamer hier, op 't oude grachtje, waar 't licht op zou zijn, +en de tafel genoeglijk gedekt, en Else met haar opgewekt gezichtje. + +Het carillon speelde voor half zes, toen Go den sleutel in 't slot +stak: zoo laat al, 'n half uur over den tijd; wat zou Else boos zijn! + +Maar Elsi stond, met haar warme voorhoofd tegen 't raam geleund, +droomend naar de stille schepen te staren, zonder zich iets om 't +koud-wordend eten te bekommeren.... + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + + +"Nu beginnen we er goed in te komen," zei Else opgewekt, toen ze +samen over de donkere Breestraat liepen. "Visites, vergaderingen, +colleges--onze dagen zijn heelemaal gevuld." + +"Maar dit is iets nieuws en heel bizonders," antwoordde Go, en ze +had weer dat vreemde angstgevoel, hoe het toch gaan zou vanavond. De +vergadering van "Laborando vincimus" was bij 'n meneer Van Neerwinden +op 't eind van 't Rapenburg, om kwart over achten werden ze verwacht; +maar wat zou er dan in vredesnaam verder gebeuren, en hoe zouden zij, +meisjes, die nooit gedebatteerd hadden, 'n woord mee durven zeggen? + +Else had veel werk van haar toilet gemaakt, droeg 'n licht-beige voile +japonnetje met mat-groene strikken, maar toen ze op 't punt waren +te gáán, had ze Go, die maar één avondjapon had van fijn laken met +'n kanten kraag, opeens angstig gevraagd, of ze niet "gek-mooi" was, +en of je je eigenlijk voor een dispuut wel zoo zou kleeden. Maar ze +had er toch maar niets meer aan veranderd, ofschoon Go had gezegd, +dat 'n zóó schitterende verschijning niet bevorderlijk kon zijn voor +de aandacht der jonge lieden in de ernstige vergadering-zaken. + +Er sprankelde verwachting in Else's oogen, en ze dacht niet aan de +wichtigheid, die Go zoo drukte. Ze voelde, dat ze niet gevraagd kon +zijn, omdat men van haar zooveel wijsheid verwachtte; ze wist haar +meisjes-bekoorlijkheid, en, minder wuft dan vroeger op bals, wanneer +ze altijd iedereen had willen boeien, dacht ze nu aan Henri alleen, +voelde, dat hij haar snoezig vinden moest, en lachte stilletjes bij +die heerlijke gedachte. + +Go had aldoor loopen denken, wat ze tegen de juffrouw zeggen +moesten, die open deed, maar die liet ze dadelijk met 'n gezicht van +er-alles-van-weten binnen, nam hoeden en mantels af, en hing ze aan +den al vollen kapstok. + +"'t Is net een partijtje," zei Else, haar haar glad-strijkend, maar +Go hoorde 't niet; ze had de deur van een der kamers open zien gaan, +en 'n lange, donkere figuur, die nader kwam, deed haar blozen in +'n vreemde verwarring. + +"Mag ik me even voorstellen.... Van Neerwinden.... ik ben bizonder +blij, dat u vanavond gekomen bent; de voorvergadering is nog aan den +gang; zoudt u zoolang even in de achterkamer willen komen?" + +Go keek er dadelijk belangstellend en onderzoekend rond; ze +was benieuwd, wat deze man voor kamers zou hebben, en hoe hij ze +ingericht had. Maar haar eerste indruk was teleurstellend; het was +er zoo rommelig en ongezellig, de muren hingen zoo vreeselijk vol; +prenten gescheurd uit tijdschriften, rare karikaturen, waaiers, +wapens, draperieën. + +Toen begon ze meer te onderscheiden, vond 'n paar mooie Steinlen's, +'n portret van Zola, 'n Holbein, en in 'n hoek, waar 't opeens héél +stil leek, 'n teer melancolieke Madonna van Botticelli. Ze liep +er heen, bleef er lang vóór staan; er was iets fascineerends in de +starende oogen, die zoo zacht droef-en-gelukkig voor zich uitstaarden, +die, weifelend tusschen opperste smart en hoogste zaligheid, onzeker +glimlachend in tranen, droomden van het kindje en de toekomst. En het +oneindig-teer gebaar van de lange, witte handen, die als stervende +bloemen waren, ontroerde haar wonderlijk, zoodat ze zich afwendde, +bleek van emotie, en recht in Neerwinden's oogen keek, die achter haar +was gaan staan: ze waren diep en zacht, ze was er eventjes heelemaal +weg in; toen schoof hij haar 'n stoeltje aan, begon gewoon met Else +te praten,.... de betoovering was voorbij. + +Else was teleurgesteld, dat ze niet dadelijk binnen was gelaten, +praatte nonchalant en verveeld haar makkelijke conversatiezinnetjes +door, zonder zich veel om haar toehoorder te bekommeren. Hij +stond tegen de tafel geleund, half naar Else toe, en Go kon hem zoo +prettig-rustig op zitten nemen, nu hij niet naar haar keek, hem weer +beschouwend als 'n gewone, knappe jongen, die haar wel sympathiek +toescheen. Haar verwarring van zooeven schreef ze op rekening van +haar nerveuze angst, en ze plaagde zichzelf, dat er tot nu toe niets +vreeselijks met haar was gebeurd. + +Hij was van meer dan middelmatige lengte, flink maar toch fijn gebouwd, +en droeg z'n hoofd heel rechtop, zoodat 't bijna aanmatigend was. Hij +had zacht, dof-zwart haar, nog al lang, dat hij met 'n schuine +scheiding langs z'n voorhoofd geborsteld droeg. Z'n donker-blauwe +oogen waren sterk en rustig, als hij gewoon praatte, maar ze wist, +dat ze diepe afgronden konden worden; z'n neus was fijn en scherp, z'n +lippen dun, en daar trokken moeë, melancolieke streepen langs, als hij +even zweeg. Z'n tint was bleek, met 'n nerveus blosje onder z'n oogen, +waar de jukbeenderen wat uitstaken, door het magere wangenvleesch, +en de hand, waarmee hij telkens, als 't gesprek hokte, even over +z'n hoog voorhoofd streek, of hij z'n gedachten moest verzamelen, +had die wassig-doorschijnende witheid, van nooit anders dan 'n pen +te hebben aangeraakt. + +Z'n kleeren waren modieus en verzorgd, maar hij droeg ze met een zoo +waardige gratie, dat niemand de details er van opmerkte, zonder er +bepaald op te letten; de algemeene indruk was van 'n volkomen harmonie, +waarbij niets hinderlijk op den voorgrond trad, en Go vergeleek +hem onwillekeurig met Han, van wien je altijd dadelijk dacht: wat +'n mooie das heeft hij aan; wat 'n fijn vest. + +Nu werden de gordijnen van de suite opengetrokken, en de vergaderkamer +lag als 'n tooneel voor hen open: Go zag dadelijk, dat die kamer kalmer +en ordelijker was, dan die, waarin zij zaten, maar toch ontbrak er +iets: 'n eenheid, 'n richting; ze wist niet precies wat; misschien was +'t ook alleen de vrouwelijke gezelligheid. + +In het midden van den kring, als praeses, zat Han, den hamer +in de hand, 'n plechtige uitdrukking op z'n gezicht, die echter +vervluchtigde, toen hij Else zag, versmolt in 'n blij-oplichtend +lachen, terwijl hij opstond, om de meisjes te begroeten en voor +te stellen. + +Naast hem zat de donkere, kleine Rolands, met z'n glanzend gezichtje, +stil en ernstig, als 'n oostersch afgodsbeeldje, en aan z'n anderen +kant was 'n stoel open voor Van Neerwinden, die ab-actis was, in +'t bezit van alle reliquieën en kostbaarheden van het dispuut. + +Gerard Leeden, die, zonder functie, dichter bij de deur zat, begroette +Go met groote hartelijkheid, en de dichterlijke Louis Hoefman, wiens +sombere, magere kop vreemd naast Gerard's welgedaanheid afstak, bracht +groote verwarring door al met stoelen te gaan sleepen, terwijl het +voorstellen nog aan den gang was. + +Er waren drie jongens, die ze nog niet kenden: Frits Rolands, Wim de +Veer en Otto Beerenstijn; en ook het meisje, Frieda Vervoort, was +Else alleen wel 's tegengekomen in de gang van de universiteit. Ze +was candidaat in de rechten en studeerde ook oude talen, ze had 'n +smal, mannelijk-belijnd, verstandig gezicht, tusschen laag opgemaakt +glad-bruin haar. Go vond, dat ze leek op romeinsche jongenskoppen, +zooals ze in de gang van hun gymnasium hingen, en beantwoordde stevig +haar flinke, openhartige handdruk. Op de vacht voor de glimmend +gepoetste vulkachel lag 'n slanke bruin-zwarte setter, de oogen goedig +half-dicht, de lange ooren naar beneden. Go knielde er dadelijk naast, +streelde hem en vroeg, hoe hij heette, blij, dat hij haar liefkoozingen +toeliet, slechts dralend opstaand, toen Rolands haar 'n stoel bracht. + +Het duurde lang, vóór allen weer rustig gezeten waren, en de eigenlijke +vergadering beginnen kon. Han had gezegd, dat ze nu 'n beetje 'n bonte +rij konden maken, en Else naast zich weten te krijgen, tusschen hem +en Rolands, die quaestor was, in, ofschoon de gewoonte was, dat 't +bestuur bij elkaar aan 't hoofdeinde van de kamer zat. Go zat naast +Eduard van Neerwinden, en voortdurend ging die naam in z'n heerlijke +kadans door haar hoofd: wat 'n vreemde naam, wat 'n prachtig-mooie +naam; echt 'n boeken-naam, en toch niet vervelend romantisch. Wat +paste hij goed bij hem; ze had eigenlijk wel kunnen weten, dat hij +zoo heeten moest: Eduard van Neerwinden; natuurlijk. + +De juffrouw was in de achterkamer binnengekomen, had thee geschonken +in de lange rij witte kopjes, die klaar stonden. In een oogenblik was +Go op, vroeg, of ze even mocht helpen met ronddienen; Else kwam achter +haar aan met melk en suiker, en de jongens lachten onder elkander, +voelend, hoe met deze meisjes het echt-vrouwelijk element in hun +vergadering was gekomen, met deze kinderen, zóó van huis, waar ze ook +niets dan "meisjes" waren geweest; en ze vonden 't allemaal grappig +en prettig, behalve Otto Beerenstijn, die vóór alles 'n werker was, +donker naar de klok keek, die al bij negen wees, en bromde, dat hij +wel had voorspeld, dat 't kinderspel zou worden, zoodra je er zoo'n +paar weeldeartikelen inhaalde. + +"Stil nou, kerel," kalmeerde Han, "'t is immers de eerste keer, er is +nog niets geregeld, en op 'n hospitanten-vergadering wordt nooit hard +gewerkt. Willen de dames nu gaan zitten?" gebood hij, president-deftig, +en Else liep dadelijk gedwee naar haar stoel, maar Go zei: "'k moet +nog even opschenken, Han," tot uitbundige vreugde der vergadering, +"omdat zoo'n meisje geen idee had van subordinatie aan den praeses." + +En toen ze terugkwam, vertelde ze nog aan Eduard, "dat ze zelf wel +verder schenken zou, hè, dan hoefde de juffrouw niet meer te komen, +en deed ze toch ook wat," totdat Han, ten einde met z'n geduld, +den hamer kletterend vallen liet, en Gootje opschrok, als 'n op +ondeugendheid betrapt kind, haar angstige oogen naar hem toekeerde, +en zonder bewegen luisterde naar het deftige speechje, waarmee de +meisjes werden welkom geheeten in hun midden. + +Eduard keek haar telkens van ter zijde aan, en vond 't een aardig, +gezellig kind. Else was mooier en eleganter, maar veel meer neutraal: +een knap, gevierd meisje, van goeie familie. Go was eenvoudiger, +kinderlijker eigenlijk, en toch niet onbenullig, of onnoozel. Dat +ze zoo dadelijk naar die madonna was toegeloopen, en er toen niets +over had gezegd, zoo maar stil was blijven kijken, was 'm enorm +meegevallen. Je kon 't ook eigenlijk wel zien aan haar gezicht, dat er +kracht en diepte in haar was, al lag ook in de open, eerlijke oogen, +dat ze nog nooit in haar leven iets had "doorgemaakt". + +Han had z'n speech uit, en Go had even angstig naar Else gekeken: zouën +ze nu eigenlijk wat moeten antwoorden?--maar dadelijk na 't applaus +was hij weer doorgegaan: "his feliciter peractis, transeamus ad...." + +"Dol," zei Go tegen Eduard, "zoo'n wezenlijke vergadering."--en toen +er: "ad theam" was geroepen, ging ze met stralende oogen om de kopjes +rond, vragend aan Gerard: "Wat zal er nu gebeuren?" dan weer tegen Han: +"Ik vind 't heerlijk, en we hoeven niets te zeggen, hè?" + +Er was 'n studie over George Moore van Otto Beerenstijn, maar Go +had nooit iets van hem gelezen, zat met stil ontzag te luisteren, +bang, dat ze haar domheid dadelijk zou moeten bekennen. Eduard had +de kritiek, prees warm Beerenstijn's grondig oordeel, en de meisjes +keken eerbiedig naar den plompen jongen met den harden, breeden kop +en de diep-liggende oogen, die ze allebei antipathiek hadden gevonden, +instinctmatig voelend, dat hij niet hun vriend was. + +Toen las de kleine indischman verzen voor, met z'n dof, droef +stemmetje, vreemd opklinkend uit zijn altijd-lachend gezicht, en de +regels rolden van z'n lippen, als 'n lang aangehouden klacht, of hij +las over lente en geluk, of over droefenis. + +Er kwam 'n levendig debat over, hoe verzen gelezen moeten worden, en +iedereen maakte zich warm met veel gesticuleeren, ze bogen voorover op +hunne stoelen, vielen opgewonden elkaar in de rede, zoodat de praeses +aftikken moest, terwijl het stille ventje weer onbeweeglijk op zijn +stoel zat, de beentjes recht naast elkaar, de fijne bruine handjes +gevouwen, en de stage glimlach op z'n glanzend, bruin gezichtje, als +'n Bouddha-beeldje. + +In de pauze verzorgde Go de menschen met bier en limonade. Eduard, als +gastheer, hielp haar en wees haar den weg in z'n kast; ze genoot van +dat huisvrouwelijk doen, lette voortdurend op, of ieder wel had, wat +hij wilde, ging telkens rond met de koekjes, deelde kleine gunsten uit. + +"Maar u vergeet uzelf," zei Gerard, die zich bij Han en Else +overcompleet had gevoeld, en zich verveelde bij 't literatuur-gesprek +van de anderen. "Mag ik u wat limonade inschenken?" + +"En dan houden we de verdere vergadering de kattetongetjes bij ons. U +houdt toch van koekjes?" vroeg Eduard. + +"O, verschrikkelijk," en hij had er plezier in, te zien, hoe ze onder +de vertaling--'n stuk uit Balsac--en later onder de memorisatie over +"den invloed van Hegel op onze literatuur" telkens weer 'r hand naar +de schaal uitstak, en dan, aandachtig luisterend, langzaam het dunne +koekje opknabbelde met haar kleine, witte tanden, of Bruno bij zich +lokte, de lekkernij in de hoogte, 'n glans van moederlijke zachtheid +in haar oogen, en ze hem dan langzaam opeten liet, telkens stukjes +afbrekend, en ze hem voorhoudend in de holte van haar rechterhand, +de andere licht op z'n kop geleund. En als 't op was, legde ze, +voordat ze 'm gáán liet, telkens even haar armen om z'n opgeheven nek, +en drukte haar wang tegen z'n haarvacht. + +Om half twaalf werd de vergadering gesloten en met druk geloop en +gezoek naar mantels en jassen begon men afscheid te nemen. Eduard +bleef thuis, omdat bij hem het "nabroodje" was voor de jongens, +en Hoefman bood aan hem te helpen. + +"Nee, beste kerel, je meent 't goed, maar ga jij mee, en droom wat +in de maneschijn, want jij loopt me wezenlijk maar in den weg met je +onhandigheid. Als Beerenstijn wil blijven--die geeft toch niet om +de wandeling." Maar toen hij in Louis' oogen zag, dat hij gegriefd +was, legde hij even de hand op z'n schouder: "Zeg, we hebben 'er +gevraagd, hoor, je vriendin... eh... juffrouw Schermer.... maar ze +heeft bedankt." + +Go hoorde 't, begreep opeens; maar Beerenstijn viel in: "Maar goed +ook, anders werd 't hier 'n meisjesschool--en die is bovendien +affreus leelijk!" + +"Heeft ze bedankt zonder reden?" + +"Geen tijd, schreef ze. Nu, dat is geen reden, hè?" En Eduard stak +z'n hand uit naar Go, die al even wachtte. + +"Ik hoop u nog dikwijls te zien," zeide hij hartelijk. + +"Ik heb 't heerlijk gevonden, maar ik voel me zoo klein, bij al die +geleerdheid." + +"Dat komt, omdat we vandaag allemaal ons beste beentje hebben +voorgezet; u zult gauw door het vernisje heen zien." + +Hij groette nog na bij de deur, waar ze zich dadelijk in groepjes +verdeelden. De Veer en Hoefman brachten Frieda naar huis, die op +de Jan v. Goyenkade woonde; Han en Else trachtten samen vooruit +te loopen, maar Rolands bleef bij ze, kinderlijk-onbewust van de +minder-wenschelijkheid van z'n gezelschap. + +Go liep zalig tusschen Gerard en Hans Elders in; ze was dankbaar, +volkomen voldaan; ze leefde in 't oogenblik, genoot van de stille +straten, van haar sterke beschermers, de vroolijke gesprekken, haar +warm, veilig gevoel. Ze sprak niet veel mee, dacht over de twee jongens +aan haar zij, van wier leven ze nog zoo weinig wist, aan de anderen, +die ze vanavond had leeren kennen, en die misschien eens haar vrienden +zouden zijn. + +"Het is zoo heerlijk," zei ze opeens, "hier zooveel menschen te leeren +kennen, en allemaal jong te zijn, en veel voor elkaar te kunnen doen." + +Als 'n antwoord klonk het carillon sterk en jubelend door den stillen +nacht; de klanken vielen over hen heen als 'n regen van geluid, +en Go was blijven staan, met geheven hoofd. Ze zag den hemel, de +wolken door maanglans verzilverd, ze voelde den nacht om zich heen, +en sloot even de oogen: het was, of 'n golf van het groote, heerlijke +leven voor 't eerst over haar heen geslagen was. + +Na de twaalf plechtige bonzen liepen ze weer door, en harder, om +de voorloopers in te halen; Go dacht aan thuis, en hoe moeder zou +kijken, als ze vertelde, dat ze na middernacht van een vergadering was +gekomen. Haar vroolijkheid zocht 'n uitweg in steeds sneller beweging, +tot ze eindelijk in een huppelenden draf oversloeg. "Stap nu allemaal +op 't midden van de brug," hijgde ze, toen ze bij 't oude ophaalbrugje +gekomen waren, "dan veert 't zoo heerlijk." + +Ze véérden; lachten luid; en toen ze er af danste en in 'n vaart de +hol af naar het oude huis toeliep, waarvan Han de deur al met Else's +sleutel had geopend, zei Gerard tegen Hans: "Dat kind lijkt net +'n vogel, in dien wijden, grijzen mantel--'n wilde vogel." + +En Hans zei, dat dat 'n beeld was om Louis in verrukking te brengen. + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + + +Tegelijk met het officiëele bericht, dat ze als lid van "Laborando +vincimus" waren aangenomen, werd drie dagen na de vergadering 'n +briefje van Gerard bezorgd, met 't verzoek, of de dames den volgenden +middag bij hem wilden komen koffiedrinken--neef Henri en Hans Elders +waren ook gevraagd. + +"Natuurlijk gáán we," zei Else dadelijk, dankbaar bedenkend, dat ze +juist deze week haar beste japon van huis mee had genomen. + +"Ja; wat aardig van Gerard," antwoordde Go, en ze kreeg een +heerlijk gevoel, of ze tóch wel de jongens eens zou bereiken; of +de teleurstelling over het gescheiden-zijn maar iets tijdelijks +blijken zou. + +"Ik kan 'm dan meteen nog wat over m'n responsie vragen," overlegde +ze verder, "hij zal er nog wel alles van weten." Ze was nu al 'n week +dag aan dag met haar naderende responsie bezig, kende de bladzij van +Reinaert, die zij te lezen zou krijgen, al heelemaal uit 't hoofd. + +"Lieve kind, hou toch op over die responsie. Je weet er zeker nu al +meer van dan de prof zelf... verbeeld je 's, dat je iederen keer er +zoo voor zwoegen moest; je hadt geen leven meer." + +"Nee, maar den éérsten keer," zuchtte Go, en verheugde zich op Gerard's +candidaat-vertrouwbare inlichtingen. "Van zoo'n eersten indruk hangt +'n massa af." + +Ze hadden dien ochtend allebei tot elf uur college gehad, en gingen +dadelijk naar Gerard's kamer, want ze zouden vroeg koffiedrinken, +omdat Go 's middags weer weg moest. Het was 'n regenachtige, druilige +dag; de bruine blaren rotten nat en vuil op den glibberigen grond, +en de schuiten, die door het water gleden, hadden geen kleur en geen +bekoring onder den doffen hemel. Hij woonde over de Korenbrug, en +'t was een ouderwetsch, stil-diep huis; op een portaal, groot en +vierkant als 'n kamer, kwamen Gerard en Henri hen tegemoet, namen +mantels en hoeden in ontvangst met geanimeerde toewijding. + +"Wat 'n vreeselijk leuk huis hebt u," bewonderde Go, "wat 'n zalig +portaal.... en zoo glad.... hè Els, wat zouën we hier goed kunnen +glijën." + +"Of dansen," zei Gerard, "ik denk er over, hier nog 's 'n bal te +organiseeren van "Laborando vincimus"--maar komt u nu toch binnen." + +Het was 'n aardige suite met matgeel behangsel; daar kwamen de +reproducties van Dürer, De Hoogh, Rembrandt en Van Dijck zoo rustig +op uit, dat Go in verrukking staan bleef, de handen in elkaar. + +"O, wat mooi," zei ze eindelijk, "dat is nou de eerste mooie kamer, +die ik zie.... hoe heerlijk ingericht, hoe gezellig." + +"Dat komt, omdat m'n moeder me heeft geïnstalleerd," antwoordde Gerard +trotsch, "dat werkt nog altijd na; bijna alles is gebleven, zooals zij +'t gezet heeft." + +"En wat hebt u mooie bloemen," bewonderde Else, met de handen in de +chrysanten woelend. + +"Dat is ter eere van 't hooge gezelschap; behalve moeder heb ik hier +nooit vrouwelijk bezoek gehad. Het spijt me alleen, dat u geen zonnetje +in de kamer ziet. Dan is alles zoo veel mooier." + +Intusschen was Hans binnengekomen, had dadelijk in de achterkamer +'n paar druiven van de tafel gesnoept. Onder Gerard's laatste woorden +kwam hij naar voren loopen en knikte. + +"Toen ik klein was," zei hij, "bad ik altijd, als ik uit zou gaan, +of als er 'n feestje zou zijn den volgenden dag: "ons lieven Heertje, +laat het morgen mooi weer zijn," en als 't dan stortregende, zei ik: +"er waren zeker meer menschen, die om leelijk weer vroegen; of ze +hebben beter gebeden dan ik," en dan was ik tevreden.... En als 't +nu beroerd weer is, troost ik me nog altijd: "Het zal wel voor een +heeleboel andere dingen goed zijn." + +Daarna kwam hij ieder een hand geven, opgewekt en hartelijk, en ging +toen in de vensterbank zitten. + +Het was 'n teer-gebouwde, magere jongen, met 'n intelligent gezicht: +boven z'n hoog voorhoofd, waarin bij de slapen kuilen vielen, stond in +'n recht kuifje het stugge bruine haar, z'n oogen waren hartelijk en +eerlijk, maar zwierven nerveus rond, wat niet paste bij z'n kalme, +vriendelijke stem, waarmee hij alles zoo eenvoudig en pretensieloos +zei, dat 't tegelijk aantrekkelijk en roerend was. Gerard was dol op +'m, noemde 'm schertsend Leberecht Hühnchen, en kwam, in 'n sombere +bui, altijd 't eerste bij hem, om zich te laten troosten. Nu ook werd +zijn gezicht lichter, en met dringende hartelijkheid in z'n stem vroeg +hij: "Waar ben je vanochtend heen geweest Hans? Heeft Beerenstijn je +de boeken gebracht?" + +"In orde, ja; maar gaan we nog niet beginnen? Die tafel daar ziet er +aanlokkelijk uit.... juffrouw Herderts zal bepaald na dezen maaltijd +nog hooger idee van den smaak van ons dispuut krijgen." + +"Goed.... komen jullie?" riep Gerard tegen Herderts en Else, die, +dicht naast elkaar de geïllustreerde "Rêve" stonden te bekijken, +en opschrikten bij de luide stem. + +"Mag ik 't doen?" vroeg Go, toen ze Gerard het broodmes zag nemen. + +"Nu, graag als u wilt," en Hans en hij keken elkaar éven prettig aan, +omdat het zoo'n allerliefst, eenvoudig meisje was, en zoo heerlijk, die +zoo's gewoon op je kamer te hebben. Hans ging er zachtjes van fluiten, +haalde intusschen de bus met chocoladepoeder en het koffie-extract +uit de kast, waar hij evengoed den weg wist als de bezitter zelf, en +hielp toen Han en Else, die samen op den grond zaten, om 't keteltje +in evenwicht te houden, dat niet op 't komfoortje paste. + +"Hier, zet die ijzeren staafjes aan dezen kant, kerel, dan balanceert +'t wel--en draai de kraan heelemaal open, anders ben jullie nog niet +klaar met je water, als juffrouw Herderts al boterhammen genoeg heeft +voor 'n heel weeshuis." + +"O, haast je maar niet," zei Go, op 't chocoladebusje studeerend, +"want ik begrijp voorloopig heelemaal niet, hoe ik chocolademelk +maken moet... en jullie willen toch geen waterchocolaad niet? Voor +chocolademelk moet ik warme melk hebben..." + +"Nu, dat kàn," en Gerard zette vlug-bereidwillig de flesch op de +kachel. + +"Kerel, ben je...." Hans slikte en gaf 'm 'n vriendschappelijke +klap, "op die manier krijgen we 'n melkweg in de kamer, maar geen +chocolademelk in onze koppen. Die springt natuurlijk." + +"Ons water kookt," juichte Else triomfantelijk. + +"Over zelfs," en Henri draaide de kraan dicht. + +"Nu, kom maar hier met den ketel; ik zal chocolade-water-melk maken, +nieuw mengsel; voorzichtig schenken! Och, meneer Leeden, roert u even +in dat kopje." + +Ze stonden aandachtig met z'n vijven bij elkaar: Else schonk, terwijl +Han met z'n zakdoek het deksel op de ketel drukte: Go keek toe en +keurde, wanneer 't genoeg was; Gerard roerde met toewijding in de +klonterig-bruine pap, terwijl Hans de koppen met melk vulde. + +"Weet je, wàt dit nu wordt?" zei hij, trotsch-zeker. "We bereiden +hier de nieuwste en smakelijkste drank: fosco." + +"'t Smaakt heerlijk," keurde Go, "dat gaan wij ook doen, hè Els?" + +"Ik vind 't zoo leuk, zoo wat te knoeien," zei Else tegen Han, +"kunnen we niet nóg wat doen.... brood roosteren?" + +"Nee, nou gaan we heusch beginnen.... kom Hans, maak jij dit blik +eens open." + +"Wat is er toch enorm veel te doen, vóór je kunt gaan eten," +filosofeerde Gerard. + +"Voor 'n vrouw moet 't prettig zijn, als 'r man op kamers gewoond +heeft. Dan appreciëert-ie haar meer; weet, wat aan huishouden vast is." + +Gerard keek onwillekeurig Go aan, die lachte, en zei: "En voor 'n +meisje is op kamers-wonen leerzamer dan de beste huishoudschool. We +doen nu misschien alles wel 'n beetje vreemd, niet comme il faut, +maar je krijgt toch overal idee van en leert ingrijpen." + +"Op de gunstige uitwerking van op-kamers-wonen voor beide +geslachten!" stootte Henri met Else aan, en de foscobekers rinkelden. + +"Welkom op m'n kamer," zei Gerard aan Go, maar Hans verstoorde dadelijk +de plechtigheid door: "Leve het getruffeerde gehakt!" te roepen, dat +hij, plechtstatiglijk aan z'n vork opgepikt, in de hoogte hield. Nu +begon werkelijk de maaltijd met frisschen honger en vroolijk, levendig +gepraat, terwijl, halverwege, de juffrouw nog 's uitgestuurd moest +worden om "profeetjes", daar de broodvoorraad dreigend te dunnen begon. + +"Nu mogen jullie 's raden, hoe laat 't is," zei Hans met een glunder +lachje, toen ze aan de druiven en noten waren toegekomen. + +Gerard, die twee noten tusschen z'n vingers gekneld hield, om ze voor +Else te kraken, haalde onverschillig de schouders op: "Den Glücklichen +schlägt keine Stunde", maar Go, die aan college dacht, raadde angstig: +"kwart voor éénen." + +"Bijna 'n uur mis," plaagde Hans, "over half twee." + +"Maar we hebben Gotisch." En Go was al op, met 'n donkere kleur +van schrik; ze had nog nooit 'n college-uur verzuimd en vond 't +vreeselijk erg. + +"Daar is nu niets meer aan te doen," kalmeerde Gerard, "en erg is +'t ook niet. Ga toch weer zitten, en laten we kalm doorgaan. Geeft u +er nu vanmiddag uw colleges maar 's aan, we zijn niet elken dag zoo +prettig bij elkaar." + +"Maar 't volgende uur moet ik toch zeker gaan." + +"Kind, wat ben-jij nog 'n echt eerste jaartje," plaagde Han, hopend +haar trots in opstand te brengen, maar Else wist een betere manier +van overreden: "Je wilde toch ook nog vragen over je responsie, Go." + +"O, ja, meneer Leeden; over Reinaert; mag dat dan, als we straks +klaar zijn?" + +"Natuurlijk," zei Gerard opgelucht, "moet u voor 't eerst +respondeeren?--ik weet niet, of ik er nog veel van ken, hoor; maar +'k heb nog al wat boeken hier--" + +"Maar als 't gesprek zoo taalkundig wordt, gaan wij liever wat loopen +samen, hè Els, en bespreken zóó samen de grondwet?" Han sprak luchtig +en als terloops, maar Else bloosde, en om zich te verontschuldigen, +zei ze verlegen: "Ja graag; ik heb 't hier zoo warm gekregen; we +konden Poelgeest omloopen.... Gaat u mee, meneer Elders, of houdt u +óók meer van Reinaert?" + +Hans glimlachte, en streek met z'n hand door z'n donker haarbosje: +"Natuurlijk gaat de studie me boven alles, juffrouw Gerzon, en +bovendien zijn hier nog zooveel noten over, dat ik er me 'n heele +middag mee bezig houden kan." + +"Nou, adieu dan, lui," zei Han opgelucht. + +"Dag meneer Leeden, ik heb 't erg prettig gevonden." + +Else lachte tegen Go--een heel bizonder lachje, vond ze. + + + +Hans was achter in de kamer op den grond gaan zitten met een deeltje +van Poe en de rest der noten; hij zat met z'n rug tegen den muur, +floot soms droomerig voor zich uit, maar nam geen deel aan 't gesprek, +dat de twee anderen bij het raam voerden. Go zat in de vensterbank, +liet haar beenen jongensachtig heen en weer schommelen en Gerard reed +schrijlings heen en weer op z'n stoel. De middag was stil en loom +onder den kleurloozen hemel, en als Go uit 't raam keek, trof haar +'t desolate van de oude, ongelijke steenstraat, waar de dorre blaren, +vervuild en vermodderd, te rotten lagen. + +Ze hadden eerst samen de responsie-bladzij ernstig en breedvoerig +besproken, Gerard vooral met veel toewijding, omdat hij 'n +verlegenheid, die hij zelf niet begreep, z'n gedachten voelde stremmen, +nu hij eindelijk eens rustig met dit kind zou kunnen praten. + +"Lekker weer om Poelgeest om te loopen," had hij spottend gezegd, +want 't begon juist 'n beetje te motregenen; en Go: "Ik ben er nog +nooit geweest." + +Hij herinnerde zich, hoe hij in z'n eerste jaar, in den roes van +nieuwe vriendschappen, die voor heel het leven schenen, met jongens +als hijzelf, die hij nu nauwelijks meer kende, daar rondgedwaald had, +nachten lang; met hun geëmotioneerde stemmen in de stilte elkaar +vertellend, wat ze 't hoogste en heiligste in hun leven hielden, +dronken van grootsche toekomstplannen, hunkerend naar de volheid +van hún leven, dat anders, rijker dan van eenig ander mensch zou +zijn, bij elkander steun vindend voor de teleurstellingen van hun +omgeving. En, droef glimlachend, omdat al die verwachtingen en al +die heete vriendschappen zoo langzaam aan weggegaan waren, iederen +dag 'n beetje, haast ongemerkt, en omdat hij achter was gebleven, +soms wat leeg, wat moe, maar wetend zich 'n gewoon mensch, 'n mensch +met plichten als 'n ander, die zich 'n positie zou maken... als 'n +ander--dacht hij, of dit vroolijke, lieve meisje ook zoo langzaam +haar stralenden blik verliezen zou--of juist door 't licht van haar +oogen anderer leven schooner glans zou kunnen geven;--en zacht vroeg +hij haar: "Maar hoe bevalt 't u hier nu eigenlijk?" + +Ze antwoordde dadelijk, zonder terughouding: "Dat weet ik zelf +nog niet. Soms denk ik: 't is hier toch veel beter dan thuis, en +dan weer: was ik dit maar nooit begonnen! 't Is alles zoo anders, +zoo heelemaal nieuw... ik heb soms het gevoel, of ik pas over 'n +langen tijd zal kunnen weten, hoe ik 't studentenleven wezenlijk +vind. De vrijheid bijvoorbeeld. Ik heb er altijd zoo naar verlangd: +ik heb altijd gedacht, dat 't iets zoo heerlijks zou zijn; en nu weet +ik eigenlijk bijna nooit, wat ik er mee zal doen. 't Lijkt soms, of +ik door hier te komen alleen 'n mooi, hevig verlangen heb verloren; +of de vervulling ervan slechts 'n leegte geeft." + +"Als jongens hier vol verwachting aangekomen zijn, en ze vinden niets +dan 'n ongezellige kamer, 'n kletsende hospita en saaie college-uren, +dan slaan ze aan 't drinken en fuiven en dwaasheden doen., En +de kroeg, die eigenlijk niets is dan 'n ongezellig koffiehuis, +al wordt hij ons elk jaar als ons thuis aangeprezen, wordt bij +gebrek aan beter wezenlijk hun toevlucht, hun huiskamer. Maar wat +meisjes, die natuurlijk dezelfde teleurstelling eerst ondergaan, +moeten doen.... Dadelijk studeeren gáát niet; dat leer je naderhand; +fuiven kunnen, en willen jullie, goddank, ook niet." + +"Ik wou, dat we 't konden: zoo 's echt gewoon, uitgelaten pret +hebben--zooals ik wel 's gehoord heb, als ik over de Breestraat kwam +'s avonds, in de Turk of bij Levedag.... dat opgewonden zingen +van kinderliedjes, al die vroolijke koppen bij elkaar.... Bij +ons op de meisjesvereeniging is alles zoo ernstig; wel opgewekt, +maar wijs. Nooit 's dwaas en jolig. Daar zouden we ons, geloof ik, +'n beetje voor schamen, als we zoo allemaal bij elkaar zijn." + +"Je.... pardon, u idealiseert onze manier van feestvieren." + +Maar Go viel levendig in: "Nee, toe, noem me "Go" en zeg "je"; ik heb +'t al lang willen vragen, maar 'k wist niet, hoe hier de gewoonte was." + +"Graag. Ik heet Gerard. Ik vind 't prettig, als je mij bij m'n voornaam +noemen wilt." + +En ze zwegen even, om de nieuwe faze, die hun vriendschap was ingegaan, +terwijl Go in gedachten naar buiten keek en zei: "Wat zullen ze nat +worden op hun wandeling--en ze hebben niet eens 'n parapluie." + +"Wezenlijke uitgelaten vroolijkheid is iets zoo zeldzaams in de +wereld," praatte Gerard door, "gewoonlijk kunnen de menschen hun +plezier vrijwel verwerken zonder behoefte er luidruchtig uiting aan +te geven--als 'n fuif bij ons slagen wil, moet er een groot quantum +wijn de pit, de stuwkracht aan geven. Zonder dien prikkel zijn wij +ook niet vroolijk, zouden niet weten, wat te beginnen, behalve als +je heel jong en heel kinderlijk bent, en gelukkig door allerlei +waanbeelden.. maar dat is voor mij voorbij en sinds ik bewust ben +gaan leven, ga ik niet of zelden naar fuiven meer--ik heb er geen +plezier in, me buiten m'n zelf te brengen." + +Hans had naar de laatste woorden geluisterd, en wierp 'n +notedop door de kamer: "Subjectief, volkomen subjectief, beste +kerel.... Natuurlijk, 'n objectieve meening is 'n contradictio in +terminis, zei Hegel;.... maar laat Wim de Veer z'n opinie eens over +onze fuiven zeggen. Die danst al van louter pret, als hij nog geen +druppel op heeft. Die fuift al, als er maar vijf lui in 'n kamer bij +elkaar zijn. "Waar twee of drie in naam der vreugde te zamen zijn, +zal ze in hun midden zijn" is z'n devies. Laat die juffrouw Herderts +inlichten." + +"Hè ja, vertel 's wat van de andere leden van Laborando vincimus.--Van +De Veer heb ik eigenlijk nog niets gemerkt--is die zoo vroolijk?" Go +keerde zich in warme belangstelling naar Hans, maar Gerard mompelde: +"'t Is 'n kind." + +"Nee, dat is niet waar; 't is 'n alleraardigste jongen," verdedigde +Hans. "Een vagebond, 'n losbandige, als je wilt, maar pittig, met +'n fond.... Je moet 'm op straat zien loopen: pet op, handen in de +zakken, en toch altijd dat aristocratische, omdat-ie nu eenmaal van +goeie familie is.... Hij fluit, blijft telkens staan, draait zich +heelemaal om, als hij 'n aardig meisje ziet, leert 'n paar kwajongens, +hoe ze hun vlieger op moeten laten, groet 'n prof met 'n familiariteit +of 't z'n collega is--" + +"Als-t-ie 'm groet," viel Gerard hoonend in; "we kwamen laatst samen +Hering tegen. Ik ken 'm toevallig, maar hij behoorde vier uur college +bij 'm te loopen.... Nu; ik nam m'n hoed af, maar De Veer zegt: +"Bejour" en toen tegen mij: "Wie is die varkensslachter?" + +Go schaterde: "O, zeg, wat vermakelijk is dat! Zou de prof boos +zijn? Zag-ie er dan zoo schunnig uit?" + +"Ja, schunnig ziet-ie er altijd uit. Maar nooit college loopen, +is toch geen manier." + +"Nee; maar vertel verder; ik vind 't zoo leuk.... vertel ook over de +andere menschen van 't dispuut. Wie is de aardigste?" + +"Hij," zei Gerard en wees op Hans; Go had gehoopt het gesprek zoo op +Van Neerwinden te brengen; maar de geprezene had zich al weer in Poe +verdiept, en stoorde zich niet aan den lof. + +"Hoe is Beerenstijn?" + +"Knap, intelligent, eigenaardig. 'n Werker, 'n vrouwenhater, of +eigenlijk verachter.... Ik geloof niet, dat je 'm sympathiek zult +vinden." + +"Nee," zei Go. "En Van Neerwinden?" + +"'n Rare vent. Talentvol, geniaal misschien, maar decadent.--Ik mag +'m niet. 't Is 'n vooroordeel van me, maar die verfijning, die zwakke +onrust, dat elegant-lieve is me antipathiek. Het is geen kérel." + +"Neen," en Go glimlachte bij de gedachte aan z'n fijne handen, z'n +loome bewegingen. "Hij ziet er ook niet sterk uit.... Och je kunt +zoo weinig zeggen van de menschen na zoo één avond." + +"Ja; 'k ben blij, dat je er nu inkomt. Als je elkaar geregeld ziet, +wordt 't zoo anders. 'k Zou willen, dat we ons als een groote familie +gingen voelen, bepaald als bij elkaar hoorend." + +Go knikte, zat stil voor zich uit te kijken. Achter haar stierf de +dag. Het grijze licht viel door haar zwarte krullen heen, haar gezicht +was in schaduw. + +En opeens hief ze de armen op, of ze iets groots omvatten wilde: +"Zie-je, toen 'k hier kwam," zei ze zacht en gejaagd, "verlangde ik de +eerste dagen alleen maar naar huis terug, en ik kon aan niets anders +denken dan aan moeder en de broertjes en zusjes, en m'n kamertje +naast de trap.... maar toen ik 'n beetje gewend raakte op m'n kamer, +begon ik iets te verlangen--ik weet niet wat. Ik voelde opeens, dat er +iets bizonders met me zou kunnen gebeuren, dadelijk, ieder oogenblik +van den dag.... Op straat kon ik het tegenkomen; als ik thuis kwam, +vroeg ik de juffrouw, of er niets voor me gekomen was.... ik wist +niet, wat ik verwachtte; 't was eenvoudig: de verrassing.... En het +werd hoe langer hoe erger--het werd 'n onrust--ik liep 's avonds uit +om het te zoeken, en dan ging ik langs de dichte huizen, alleen, +en ik begon langzamerhand te begrijpen, wat ik wilde: ik had 'n +heeleboel liefde en zorg, en behoefte om zacht voor iemand te zijn, +en die wilde ik aan de jongens geven, aan àlle jongens." + +Ze zweeg even, streek 'r haar van het voorhoofd. Gerard had het +gezicht naar haar voorovergebogen, keek haar in zwijgende spanning aan. + +"Toen kwam de teleurstelling, dat ik ze niet kon bereiken; dat ze +daar allemaal in hun eenzame kamers zaten, of onvoldaan treuzelden op +de kroeg, en ik op de donkere straat liep, en ze niet wisten van m'n +verlangen;....en ik wist toch, dat zij 't ook prettig zouên vinden, +hè, en dat 't hun ook goed zou doen!" + +"Het zou hun 'n zegen zijn," zei Gerard ernstig. + +"Maar op college sprak ik niemand, en ik mocht niet in de kroeg, en ik +dacht: wat helpt me al m'n goed-willen, als ik ze niet eens naderen +kan? Waar moet ik met m'n hartelijkheid heen? En daarom ben ik zoo +blij over Laborando vincimus;--ik weet het, dat ik er vreeselijk veel +leeren kan, dat jullie veel meer weten en veel knapper zijn dan ik; +maar ik heb iets anders, dat jullie missen;--ik zou zoo heerlijk +vinden, als we veel voor elkaar konden zijn." + +Er viel weer een stilte in de kamer; Gerard zat stil; keek nu recht +voor zich uit. Klompgeklepper van kinderen, die uit school kwamen, +klinkerde tegen de ramen op, en schelle kreten joelden er jolig +over heen. + +"Ik weet 't zoo goed, ik voel 't, hoe ontzettend veel goed 'n meisje +in ons leven moet kunnen doen," zei hij eindelijk, en z'n harde, +scherpe stem klonk schor van ingehoudenheid. "Ik heb nu al zooveel +jaar in eenzaamheid geleefd, en er alle mogelijke houdingen tegenover +aangenomen, en nog altijd zijn er dagen, vooral de Zondagen, dat ik +'t gevoel heb gek te worden van de stilte om me heen, dat ik bel om +'n niets, alleen om weer 's te kunnen praten, dat 'k iederen man, dien +'k maar van aanzien ken, aanfluit, om toch gezelschap te krijgen,--en +zelfs--maar dat is de uiterste wanhoop,--voor den spiegel ga staan, +en lach en praat tegen mezelf, dwaze buigingen maak, 'n gesprek op +touw zet, om zoo eindelijk aan 't zwijgen te ontkomen." + +"Ja, ik voelde 't wel, dat 't zoo moest zijn, 't vroolijke +studentenleven." + +"Niet bij iedereen natuurlijk. Je hóórde daar net van De Veer. En zoo +zijn er meer. Als je pas aankomt, beken-je je ook gewoonlijk niet, +dat je eenzaam bent. Je zoekt mooie vriendschappen. En als dat +teleurstelt, ga-je fuiven. Maar er ligt onder de uitgelatenheid, +de dwaasheid, het cynisme, heel wat melancolie en levensangst en +onvoldaanheid verborgen. Dit zijn moeilijke jaren." + +"Als ik hun nu ten minste maar wat gezelligheid op hun kamer geven +kon." + +"Begin met mij; ik zal zoo'n dankbare discipel zijn." + +"Goed," zei Go. En toen stak ze spontaan haar hand uit: "We zullen +goeie vrienden zijn, wij samen, hè; we zullen elkaar helpen." + +"Zeg," riep Hans uit z'n donkeren hoek, "ik kan hier niets meer zien; +zouên we niet 's thee kunnen gaan brouwen?" + +Go ging naar de kast, terwijl Gerard z'n studeerlamp aanstak. En ze +dacht, of ze ook Hans wat zou kunnen geven, of die zich ook wel 's +eenzaam voelde. Hij leek zoo tevreden in zich, zoo zelfgenoegzaam,--wel +hartelijk en lief, maar toch teruggetrokken. Ze zou ook voor hem graag +iets liefs willen doen; hij zag er zwak uit. En toch zoo opgewekt! + +"Gezellig, nu met 't licht op en toch half in schemer thee te drinken." + +"Ja, jij vindt de druilige dagen zelfs prettig, natuurlijk." + +"Binnen, ja. Maar juffrouw Herderts en ik moeten weer naar 't +vijandige buiten." + +"Ja, 't is al laat. Ze zullen al lang van hun Poelgeest-wandeling +terug zijn--" + +"Wie weet?" lachte Gerard. "Soms duurt zoo'n uitstapje lang." + + + +Go vond Else alleen in de donkere kamer; ze kon haar gezicht niet zien, +maar haar stem klonk opgewonden, toen ze: "Go, o, Gootje!" riep. Stijf +sloeg ze de armen om haar hals, fluisterend: "Zeg, ik moet je wat +vertellen--begrijp-je 't al--o, Go, nu worden we dubbel nichtjes!" + + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + + +Toen de familiepartijtjes ter eere van de verloving van Henri en Else, +die zeer in den smaak viel, waren afgeloopen, besloten ze ook voor +de Leidsche vrienden een fuifje aan te richten, en wel speciaal voor +"Laborando vincimus". + +Henri bedisselde, dat de volgende vergadering bij hem zou zijn, en +wilde dan in plaats van 'n gewoon nabroodje 'n fijn soupertje met +bloemen en 'n strijkje geven, waar de meisjes natuurlijk bij zouden +blijven, en Else als jeugdig bruidje gehuldigd moest worden. + +Hij had eerst z'n plannen zooveel mogelijk voor Go en "Vrouwtje" +verborgen willen houden, maar ze vroegen zóó dringend z'n kamer te +mogen versieren en alles mooi te mogen maken, dat hij steeds meer +de leiding uit handen gaf, en 't zelfs zóó ver kwam, dat 's middags +vóór den plechtigen avond hij de deur werd uitgestuurd, omdat hij +'t pas zien mocht, als alles klaar was. + +Z'n juffrouw, genietend van al die feestelijkheid in haar huis, deed +energiek mee, sloot triomfantelijk de deur af, en hij, wanhopig, 't +opgevend "als drie vrouwen tegen 'm wilden samenspannen", was gegaan, +en niet teruggekomen vóór 't uur van de vergadering, toen de hospita +'m dadelijk vertrouwelijk meedeelde, dat alles "keurig en keurig" +was,--als meneer nu nog maar den wijn uitgeven wilde; en Go en Else, +even later, stralend, in lichte partij-jurken met bloemen, die Han +ze gestuurd had, waren 'm ook komen verzekeren, dat hij tevreden zou +zijn, en dat z'n juffrouw een parel was. + +De vergadering liep geregeld en geanimeerd af; er was feeststemming in +de lucht, de meeste jongens droegen mooie jasjes, behalve Beerenstijn, +die altijd een grofgrijs colbertje aan had; bij de thee werden taartjes +en bruidsuikers gepresenteerd, en in de pauze was er 'n groot bouquet +voor Else gekomen van het dispuut. + +Zoodra Henri's hamer voor de laatste maal was neergevallen,--Else +had 'm het symbool van z'n waardigheid meermalen afgenomen, had er +mee zitten spelen, 'm laten vallen, er Han mee gestreeld, zoodat +Beerenstijn had gepreveld: dat voor 'n praeses van een dispuut, +evengoed als voor 'n priester, 't coelibaat verplichtend moest +worden gesteld,--was Go de kamer uitgeloopen, om 'n laatsten blik +over de tafel te laten gaan, die in de kamer van Han's buurman stond +aangericht, en het strijkje bestaande uit piano, viool en violoncel +'n teeken te geven, dat ze beginnen konden. + +Toen riep ze, als gastvrouw, de anderen om binnen te komen. De +"Hochzeitsmarsch" jubelde hun al op de gang tegemoet, en bij de deur +bleven ze stilstaan van verrassing: alle lichten van de kroon waren +aan, en op den schoorsteen stonden luchters met brandende kaarsen, +die hun vlammetongen in den spiegel weerkaatsten. Daar hing veel +fijn groen, met 'n enkele chrysant er tusschen sierlijk van af, +uitloopend in een ijlen, slanken slinger, die om de klok was gelegd, +en de wijzerplaat goelijk bedekte. + +Vazen met chrysanten en daliahs stonden op kleine tafeltjes, +sierden het tot buffet gepromoveerde bureau. Aan de kroon hing de +gladgroene hulst met vroolijke, roode bessen; maar de tafel zelf was +sober gehouden, met slechts los hier en daar 'n viool of wat kleine +asters;--bij de borden van Han en Else alleen 'n kring van groote +rozen, rood en wit. + +Han had in verrukking Else's arm genomen, leidde haar, trotsch en +zalig, de lichte kamer in. + +Go zag de ontroering op hun jonge gezichten, voelde haar oogen warm +worden, onder 't angstige wenschen: dat 't toch altijd zoo blijven +mocht,--en toen Eduard zich naar haar overboog: "Mag ik jou aan tafel +brengen," trilde haar hand op z'n arm zóó, dat hij haar bezorgd in +'r ontstelde gezicht keek en teeder zei: "O, wat zie-je bleek! Wil-je +ook liever nog wat naar de andere kamer?" + +Ze schudde stil haar hoofd, keek dankbaar de tafel langs: Elsi en Henri +daar, Frieda tusschen Hans en Beerenstijn--dat was de eenige, die de +vrouwenhater nog wel kon lijden--zij naast Eduard, Rolands aan den +anderen kant. Dat was 'n stil ventje, zou haar niet storen;--Eduard +had háár gevraagd,--beteekende dat, dat hij haar aardig vond? Nee, +veel zeggen deed 't niet: Else soupeerde natuurlijk met Han, en +Frieda was niets voor hem, zoo strak en sterk,--die zou 'm zeker, +net als Gerard, "geen kerel" vinden;--Frieda was echt 'n meisje om +te studeeren, zoo helder en rustig, zoo eenvoudig-verstandig altijd.-- + +"Had-je liever ergens anders willen zitten?" vroeg Eduard zacht. + +"Nee, waarom?" + +"Je kijkt zoo rond en je bent zoo stil.--Is er dan wat anders?" + +"Nee; ik dacht er over, dat Frieda en jij elkaar niet aardig zouden +vinden." + +Hij lachte zacht, haar fixeerend, terwijl z'n oogen steeds dieper +glans kregen. + +"Zoo, en waarom niet?" + +"Ik weet niet. Ik ken je nog wel niet lang.... maar je vóelt zoo, +hoe iemand moet zijn, vanzelf. Als je de klank van z'n stem hoort, +z'n bewegingen ziet, z'n kamer, z'n boeken...." + +"En wat denk-je dan van mij?" + +"Dat je van een menschensoort bent, dat Frieda niet appreciëert." + +Ze zweeg, en speelde nerveus met haar glas. 't Was vreemd, dat ze +met hem veel minder goed praten kon dan met Gerard; met dien kwam +'t intieme, 't belangrijke vanzelf; met Eduard liep elk gesprek +dadelijk dood, terwijl ze juist aan hem zoo graag haar vertrouwen +zou willen geven. + +Ieder zinnetje, zelfs 't gewoonste, van hem, klonk als een liefkoozing: +dat verwarde haar;--'t was net, of z'n oogen, onder de banale woorden +door, haar steeds zeer ontroerende dingen zeiden; maar ze wist niet +zeker, of ze zich dat misschien maar verbeeldde. Zooals hij nu met +z'n hoofd over z'n bord zat, gretig etend van de kip met compôte, +leek 't 'n gewone, knappe jongen, zonder geheime charmes. + +"Waarom kijk-je me zoo aan, Go? Je maakt me verlegen." Z'n stem zong +doordringend en ze voelde opeens 'n gezond ongeduld opkomen, tegen +de verslappende bekoring, waarmee hij haar omspon. + +"Ik had niet gedacht, dat je zooveel zou eten," zei ze met 'n lachje: +"dat hoort niet bij je figuur." + +"Je zult me nog wel eens meer iets zien doen, dat niet bij m'n figuur +past, in jouw oogen;--consequent zijn in alles, wat je doet, is vrijwel +synoniem met onwaar-zijn. Zoo iemand heeft 'n idee in z'n hoofd, 'n +tooneelfiguur voor oogen, die hij nabootsen wil.... Wie tegenwoordig +'n harmonisch mensch lijkt, speelt alleen z'n rol bizonder goed.--We +zijn allemaal bij elkaar gelijmd uit niet-bij-een-passende stukjes, +goed en slecht en sterk en zwak--wij modern-onrustigen. Ieder mensch is +'n eenheid van tegendeelen." + +"Toch niet allemaal," zei Go zachtjes, die niet thuis was in de +Hegliaansche terminologie, "kijk Elsi en Henri nu 's, en Hans--en +Frieda--" + +"Wat weet iemand eigenlijk van den ander af!--Ik ken alleen de +tweespalt in mezelf, en daarnaar meet ik 't geluk af bij andere +menschen." + +"Dat wordt later natuurlijk beter; dit zijn de moeilijkste jaren.--" + +"Later, als ik een geposeerd mensch ben geworden, meen-je; als ik +'n baantje heb, en nòg meer eet en drink dan nu, en nòg...." + +"Als je je nuttig maakt--" + +"Nuttig voor anderen--als rechter--redder van de menschheid, steun +van weduwen en weezen--prachtig, hè? Maar, sancta simplicitas, laten +we toch 's ophouden met de dwaze inbeelding, of we wezenlijk voor +'t heil van onze medemenschen zoo'n baantje entameeren, en er ons +mee bezig houden tot 't einde.--Honderd anderen zouên 't immers even +goed kunnen als wij, kijken ons met nijdige, afgunstige gezichten +aan.--Welk mensch is in deze tijden van overbevolking onmisbaar? Als +hij méér kan dan 'n ander, laten dan drie of vier z'n plaats innemen; +krachten genoeg; daar hoef-je niet zuinig op te zijn." + +"Maar wáárom dan?" vroeg Go, "en wat moet je dan...." + +Hij haalde z'n schouders op, en keek stroef voor zich uit. Hij +scheen z'n buurmeisje en de tafel vergeten; z'n stem was hard, als +metaalklank, en 'n waas hing over z'n oogendiepten. + +"Het eenige, wat 'n mensch doen kan, is, maken, dat de tijd zoo +onopgemerkt mogelijk voorbij gaat,--daarom fuiven we, daarom werken en +lezen, en eten en slapen we. Ieder naar z'n aanleg. Ieder kiest, wat +'m 't beste bezighoudt. Je vindt 't 'n leelijke levensopvatting,--je +gelooft 't niet,--wacht maar; als je ouder bent." + +Het strijkje, dat in de alkoof bij de piano zat, viel vroolijk in +met de matchiche, en De Veer, z'n stoel achteruit gooiend, sprong +vreugdevol op, wierp 't lijf achterover, en danste, den vroolijken +kop door 't gulden licht overstroomd. Hij had zich asters achter de +ooren gestoken, hield 'n roode daliah tusschen z'n lippen, en terwijl +hij steeds joliger danste, klapte hij met de vingers, als om zichzelf +aan te hitsen. + +"Zóó richt hij z'n leven in," zei Eduard met 'n mat lachje, maar Go +zag hier de heerlijke, echte uitgelatenheid, zooals ze altijd bij +jongens had vermoed, klapte in de handen en riep: "mooi, mooi! O, +laten we straks toch gaan dansen." + +"Praeses, mag ik nu misschien 's het woord," riep Gerard, den +betrokkene, die zich heel weinig met de tafel bemoeide, en juist bezig +was z'n meisje 'n roos in 't haar te steken, met 'n notedop gooiend. + +"Och kerel, laat me met rust. Ik heb vanavond toch niet de +leiding. Doe, wat je niet laten kunt, maar bel dan eerst om 'n paar +nieuwe flesschen." + +Gerard sprak met overtuiging, terwijl hij eerst, 'n beetje over de +tafel geleund, Han en Else nog 's hartelijk gelukwenschte, daarna +zich richtte tot de meisjes in 't algemeen, die voor 't eerst 'n +feestje met hen hadden willen meemaken. + +"Ik weet, jullie hebben eenvoudig-weg: ja, gezegd, omdat je ons als +vrienden beschouwt, en met ons 't verlovingsfeest, waar we allemaal +blij om zijn, wilde vieren. Jullie hebt er geen ernstige theorieën bij +verkondigd; maar ik zie, zooals jullie hier nu vroolijk en gezellig +in ons midden bent, jullie toch als baanbreeksters van het nieuwe +leven, waar de verhouding tusschen jongens en meisjes 'n wezenlijk +vriendschappelijke, wezenlijk elkaar steunende zal zijn. Hoeveel goed +dat ons, jongens, zal doen,--we weten 't hier wel allemaal van onszelf, +dat de meisjes veel aan ons te verbeteren zullen hebben--" + +"Wij nog meer aan de meisjes, àls er iets aan te verbeteren valt," +viel Beerenstijn uit, maar Hans bedreigde 'm met de spuitwatersiphon, +en Gerard maakte er nu maar gauw 'n eind aan, met te drinken op de +goeie verhouding en den bloei van de leden van "Laborando vincimus". + +"Mag ik 't woord, praeses," drong Beerenstijn, "om te herinneren +aan 'n uitspraak van Erasmus in "stultitiae laus", dat de grootste +aantrekkelijkheid van de vrouw--" + +"Meneer Beerenstijn, ik verzoek u de stemming niet te storen...." beval +Han plechtig, maar Frieda viel levendig in: "Ik weet, wat je +meent. Oppervlakkig is er iets vóór te zeggen. Maar je ziet in +meisjes-studenten te veel 't liefhebberen in de wetenschap; je hebt +er zeker nog nooit ontmoet, bij wie 't wezenlijk ernst is, als bij +'n man." + +"Dat heb ik wel; jou bijvoorbeeld. Daarom heb ik ook heelemaal niet +'t land aan je; maar je bent nu 'n kameraad geworden, geen meisje meer +voor me,--maar zooals die 't doen,"--hij keek naar Else en Go--"dat +'s vleesch noch visch." + +"'t Zijn toch aardige kinderen." + +"Als ze niet studeerden. Als ze niet hun grootste charme: hun +onwetendheid, zoo gauw mogelijk trachtten kwijt te raken. Ik wil geen +vrouw, die net zooveel weet als ik, of 't zich tenminste verbeeldt. En +ze worden leelijk." + +"Dat hoeft niet," riep Eduard; en Go vond vreemd, dat hij ook op +zoo'n manier over meisjes praten kon. Ze kreeg 't gevoel, of voor +jongens ze toch voorloopig nog wel iets heel ver-afs moesten blijven, +half vereerd, half getiranniseerd, als 'n weeldedingetje. + +Gerard zag 't in haar oogen. "Hoe denk-je nú over de leden van ons +dispuut? Nóg geavanceerd, of wel 'n beetje bekrompen en banaal?" + +Maar nu riep De Veer, of hij eindelijk ook 's wat mocht zeggen, +en ze keerden zich allen verwachtend naar het stralende, opgewonden +jongensgezicht, waarin de donkere oogen als zonnetjes flonkerden. + +"Ik spreek naar aanleiding van den toost van Leeden, en ik heb er +niet vooruit over nagedacht en niet klaargemaakt, wat ik wou zeggen--" + +"O, jerum!" zuchtte Hans, "als dat dan maar goed afloopt." + +"Maar 'k wil uiten, wat ik voel, en dat is: blijdschap en +verwachting. Ik heb, terwijl Gerard sprak daareven, 'n visioen gehad; +dat was: de algeheele verbroedering en verzustering. Ik zag de meisjes +op onze kroeg, tusschen ons, met potten bier...." + +Men begon zachtjes te proesten. Han alleen zat 'n beetje gespannen, +met z'n mes in de hand, om af te tikken, wanneer 't te erg werd. + +"Ik zag ze met ons meedoen op de rijjolen, mee inklimmen in de huizen." + +Het werd rumoeriger aan tafel; het lachen steeg. + +"Ik weet 't wel; we zijn nog ver af van dat alles. En ik weet niet, +of ik dien ideaal-toestand nog meemaken zal, als student." + +"Studeer maar door, op dezelfde manier, als je bezig bent; dan +heb-je veel kans," interrompeerde Gerard; maar de redenaar hernam +onverstoorbaar: + +"Er moet nog veel veranderen, voor we zoover zijn. De meisjes +moeten veel sterker worden, dat ze er beter tegen kunnen 'n nacht +op te blijven.... ze moeten meer wijn leeren drinken,"--en hij keek +verwijtend naar de glazen van Else en Go, die nog half vol waren; +Frieda was geheel-onthoudster--"hun kleeding moet veranderd worden, +dat ze gemakkelijker alles mee kunnen doen...." + +Nu tikte Henri: "Dank u, meneer De Veer; 't is genoeg geweest." + +De tafel lag flauw. "Kerel, kerel," hikte Hans, "je bent +onbetaalbaar. Laat-ie toch doorgaan, meneer de praeses, als hij ergens +ter wereld iets nog dwazers verzinnen kan." + +"Maar ik meen het," verweerde De Veer zich, toch niet gepiqueerd, +"op 't oogenblik mag 't vreemd lijken, maar over 'n jaar of tien...." + +"Gekken," mompelde Beerenstijn, die juist zag, dat Henri en Else samen +van een bordje aten, "als er hier nog een geëngageerd paar komt, ga +'k er uit." + +En z'n oogen bliksemden naar Eduard, die 'n waterlelie uit z'n +sinaasappelschil voor Go maakte. + +"Omdat die vent nu zekere capaciteiten heeft, die wij, jongens, niet +in 'm kunnen waardeeren," zei hij tegen Frieda, "moet 't hier nou +per se 'n backfischen-bewaarplaats worden; die vinden 'm natuurlijk +allerliefst." + +Go had zich hartelijk naar De Veer overgebogen; haar oogen waren +diep donkerblauw in haar warm gezicht: "Laat je eens bij ons op de +club introduceeren, Wim," zei ze vertrouwelijk, "dan zul-je 's zien, +dat van gezamenlijk fuiven zoo gauw nog niets komen zal; we zijn daar +zoo ernstig, zoo wijs...." + +"O, meneer, daar benne ze van de pelisie," kwam de juffrouw ontzet, +"der mag geen muziek meer gemaakt worden, 'et is half drie.... ze +wille binne." + +"Nou láát maar," zei Han laconiek, "dan krijgen ze óók een +glaasje,"--en dan tegen 't strijkje: "Goeie broeders, pakken jullie +de bullen nou maar in en bedankt voor je praestaties." + +"Maar dan ga ik toch naar huis," zei Frieda opstaande. + +"En 't dansen dan?" vroeg Gerard, "we hebben nu de muziek juist +noodig." + +De strenge politiedienaar posteerde zich in de gang. "Hè, hoe zonde, +het dansen," klaagde Gootje, en Eduard sloeg even den arm om 'r heen, +draaide rond, 'n wals tusschen de tanden neuriënd. + +"Mantels, hoeden," schreeuwde Hans als 'n omroeper. + +"Neem jullie wat bloemen mee, meisjes!" vroeg Han, de rozen voor +Else inpakkend. + +"In naam der wet er uit!" gilde de kleine Rolands; wat Eduard stil +deed staan en zeggen: "God, ventje ben-jij er ook nog, en den heelen +avond wakker geweest.... en Hoefman ook.... die was natuurlijk net +bijna zoo ver, dat-ie 'n dichterlijke speech in elkaar had, en nu +hebben we 'm den heelen avond niet gehoord." + +"Pak je goed in," zei Gerard bezorgd tegen Go, "je bent zoo warm." + +"Ready?" schreeuwde Beerenstijn, die met den agent naar beneden +was geloopen. + +"Een, twee, drie, zeven, negen, elf. We zijn compleet," telde Gerard +de leden. "Hoe gaan we nu verder?" + +"We blijven bij elkaar; eerst naar Frieda's huis; allons, enfants." + +'t Was doodstil op straat, en 'n koude nacht. Ze werden vanzelf er +allemaal kalmer door. Go dacht, hoe moe ze den volgenden ochtend +zou zijn; ze zou wel niet naar college kunnen. Ze hoorde Hans, die +classicus was, met den schuchteren Hoefman boomen over de studie in +de Nederlandsche letteren. + +"Toch wel lollige lui, die ouê snuiters," vond Hans, maar Hoefman zei: + +"Misschien spreek ik met te weinig zaakkennis, maar behalve Hooft +en Vondel lijkt 't me toch niet veel. De Reinaert.... nou ja, heel +aardig; maar toch niet zóó, dat 't een literatuur redt. En later +Potgieter en Beets en Staring; dat lijkt allemaal zoo ver af; zooveel +verder dan Franschen of Duitschers van denzelfden tijd... 't is zoo +burgerlijk-degelijk, zoo gezond en soliede, dat je zelf ook stevig +op je beenen moet staan, wil je 't kunnen appreciëeren... en wie is +zoo, tegenwoordig..." + +"Vooral omdat 't mode is, dat mislukte, dweperige genieën en +sentimenteele meisjes die studie kiezen," bromde Beerenstijn, in de +hoop, zoowel Hoefman als Margo te kwetsen. + +Maar Eduard zei juist: "Hoe grappig toch, dat jullie zelf den sleutel +hebt; zoo niets voor 'n meisje." + +En dat vond ze, voor 't eerst, niet prettig, zich verwonderend, dat +jongens er juist zooveel tegen hadden, als meisjes meer met hen mee +gingen leven; hen beter gingen begrijpen. + +"Slaap lekker, wel te rusten; nàcht, nàcht!" riepen de heldere stemmen +over 't stille grachtje. + +En de meisjes klapten de deur dicht. + +Maar bleven in de schemerige gang, waar alleen 'n klein olielampje op +'t meterkastje brandde, nog even stil luisteren naar de voetstappen, +hol-opklinkend bij 't gaan over de oude brug. + + + + + + +HOOFDSTUK IX. + + +Go stond 'n beetje te treuzelen in de gang bij 't college-lokaal, +knoopte haar regenmantel langzaam dicht, huiverende om z'n +vochtigheid. De meeste jongens waren al weg gestommeld, na eerst +bij de deur 'n cigaret te hebben opgestoken, en die scherpe geur was +prikkelend in de vochtige atmosfeer blijven hangen, hinderde Go aan +haar verkouden-ontstoken keel. + +"Breng je me misschien naar den trein?" vroeg Lou, die spoorstudent +was. + +"Nee, 't kind is veel te verkouden," besliste Coba, het andere +eerste-jaartje, dat en pension leefde bij 'n groote, gezellige +familie. "Ga met mij mee; mevrouw heeft zeker thee, en dan kan 'k je +'n kleedje laten zien, dat 'k voor haar wil maken." + +Go schudde 't hoofd: "Nee; 'k ga maar dadelijk naar huis. Zoo ellendig +zulk weer, als je net zoo verkouden bent. Nee, dank je; 'k heb geen +zin om mee te gaan; 'n andere keer 's." + +Maar loopend door de druilige gang, waarvan ze de zware deur slechts +met moeite open kon hijschen, dacht ze, hoe ongezellig ze haar kamer +vinden zou, verlaten, somber, zonder vuur;--de juffrouw zou wel uit +zijn of visite hebben; de menschen in huis met elkaar vroolijk en +gezellig,--niemand zich bekommerend om haar; nee, 't was maar beter, +als ze niet ging, vóór 't eten; dan werd er tenminste op haar gerekend, +zou de kachel branden, en Else er zijn;--zou ze die nu misschien van +college gaan halen? maar natuurlijk had ze 'n afspraak met Henri; dat +was elken dag zoo, en 't sprak ook vanzelf;--de bibliotheek.... ja, +dat zou het beste, 't eenige zijn. Ze kon 'r responsie voor Hooft vast +prepareeren. Mogelijk zou er ook iemand zijn, die ze kende. Gerard +niet, dien had ze dien ochtend nog gesproken, ging den heelen dag naar +Den Haag met Hans, om 'n kamerzitting bij te wonen; Eduard misschien, +of Frieda; of Mary Bruining, waar ze altijd nog 's naar toe zou gaan. + +Wat was de gang somber en bedompt met al die natte jassen en parapluies +en overschoenen, en hoe druilig zag de boekenzaal er uit door het +glimmerige glas. Zacht suisden de deuren dicht en weer open; de +menschen liepen voorzichtig en bedaard, praatten met fluisterende +stemmen en matte lachjes. En het jongetje, dat de boeken aansjouwde +had 'n verschrompeld, wit gezichtje, als 'n heel oud mannetje, terwijl +hij al die wijsheid toch alleen maar met z'n handen aanraakte en z'n +hoofd er niet mee hoefde te martelen. + +Ze ging naar de groote boekenkast rechts, om de zware, in-zich-zelf +gekeerde woordenboeken van de plank te kantelen, en voor zich op te +stellen op 'n nabij tafeltje. Ze moest eigenlijk 'n beetje lachen om +al die wichtigheid; zóó au sérieux kon ze haar studie niet nemen, +dat ze vond in deze omgeving van geleerdheid en ernst te passen; +ze voelde zich veel meer 'n kind, dat, in vader's studeerkamer +binnengeslopen, blijven mag, zoolang ze niet lastig is. Onwillekeurig +keek ze 's door de zaal, of de anderen 't ook niet grappig vonden, +maar de stil-gebogen hoofden hadden niet bewogen, en een man, die +met 'n paar dikke wetboeken de zaal door ging, keek langs haar heen, +met niet-zienden blik. + +Ze ging nu stil zitten, en dacht, dat 't toch wel 'n rustige zaal +hier was: donker eiken met dof goud, de voetstappen gedempt door het +dikke cocos. Maar ook triestig, kloosterachtig, om de dikke, ijzeren +hekken voor de ramen, waarachter het nat-verwaaide tuintje lag met +de kale heesters. Hoe desolaat was het stille Leiden op zóó'n dag; +haast niemand op den weg, niets te zien dan droeve boomen en het doffe +grachtewater, en de oude, suffe huizen, waarvan de oogen blind leken. + +Ze dacht nu ook weer aan den ouden tuin achter college, die toen ze pas +aankwam schitterend van tinten en herfstverkleuringen was geweest, en +haar dezen middag door 't beregende venster zoo'n allerdroevigst beeld +van verwaarloozing had geschenen. Dikke hoopen rottende blaren overal +op den doorweekten grond, schraal-uitgeschoten, omvergewaaide heesters +over de grasperken, afgeknakte wingerdranken over het priëeltje; en +dan steeds maar door regen, stilletjes neersijpelend en druppend van +alle boomen en huizen.... Nooit mocht er iemand komen in den tuin. En +die eenzaamheid van jaren maakte 'm nog zieliger.... + +Ze moest maar liever met 'r rug naar 't raam gaan zitten; dat uitkijken +in zoo'n regenstad maakte maar melancoliek. Zoo kon ze ook rustiger +zien, wie er waren, en dan gaan werken, want daarvoor was ze toch +gekomen. + +In den hoek aan den overkant zaten 'n paar meisjes, die samen uit een +boek lazen en excerpeerden: ze waren er in, met opgewonden toewijding, +niet met het rustige, overgegevene, waarmee ze jongens hier werken zag. + +Wat kende ze toch betrekkelijk nog weinig studenten: die van "Laborando +vincimus," en van college: en nog 'n paar, die ze zoo's toevallig bij +andere meisjes had ontmoet,--maar van die hier nu zaten, niemand. En +twaalfhonderd waren er in deze stad. Hoe weinigen daarvan zou ze +ooit kennen: hoeveel aardigen, die wat voor haar zouden kunnen zijn, +nooit bereiken. Dat Indische jongetje nu b.v. tegen den glasmuur; +wat 'n sympathiek, intelligent gezicht; en wat goedig, zooals hij +het boeken-sjouwertje op den schouder tikte en toelachte. En die +bleeke man bij de groote tafel, met die extatische oogen, en z'n +lange, doorschijnende handen. Dat zou wel van de studie komen, de +"romantische". Maar als ze niet werkte, zou zij dat nooit vinden; +en ze steunde haar koortsig hoofd in de hand; wat bonsde het hevig, +en ze was zoo dof. + +"Vast alleens--de l is hier verdubbeld evenals in alleen voor +al-een--gink het den graave van Hoorne, die, neemende zijnen weg door +een' anderen hoek der huizing, van Hieronimo de Salinas, burghvooght +van Portheroole...." + +Het tochtte in haar hals, en de rillingen gleden griezelig van haar +achterhoofd door haar rug;--ze moest eigenlijk ergens anders gaan +zitten, maar die boeken waren zoo zwaar; ze voelde 't 's avonds +altijd aan haar polsen, als ze 's middags op de bibliotheek gewerkt +had--"meer dan in haar hoofd," had Hans geplaagd.... + +"Burghvooght van Portheroole"--waar zou dat liggen? Zou het 'n stad +zijn? De professor vroeg soms de onverwachtste dingen en 't was +zoo naar, als je zeggen moest, dat je 't niet opgezocht hadt. Zacht +haar stoel achteruit-schuivend stond ze op, gleed de mat over, langs +de gloeiende kachel; daar links stonden de boeken voor geographie, +geloofde ze. Ach, 't was zoo moeilijk 'n beetje den weg te leeren +kennen, 'n beetje te begrijpen, hoe je studeeren moet. Dat daar +in de hoogte moest ze hebben: "Lexicon der Geographie";--maar ze +kon er niet bij;--zou ze vragen aan dien langen,--zou ze op 'n +stoel klimmen?.... Ze lachte; ze voelde zelf, dat 't grappig was, +zooals ze daar stond, in de hoogte, met 'r armen vol; ze bloosde, +en blozend zag ze naar de anderen;--niemand keek; ze zaten daar stil +over hun boeken gebogen, verdiept in hun belangwekkende wetenschap, +en wat 'n kinderachtig meisje voor toeren maakte achter hun rug, +daar stoorde zich niemand aan. + +Ze voelde 'n boosheid in zich opkoken, terwijl ze nerveus de bladzijden +omsloeg: jongens, studenten, waren dat jonge menschen? waren dat +frissche, gezonde menschen, die in hun boek bleven kijken, als 'n +aardig meisje iets grappigs deed; die niet merkten, of ze binnenkwam +of wegging; voor wie ze niets dan 'n ook-studeerende was? Ze wist: +ze was nooit coquet geweest; van klein kind af had ze een afkeer gehad +van aanstellerij, en ze had altijd met de jongens van school open en +eenvoudig omgegaan. Maar ze had 'n sterk ontwikkeld vrouwelijk gevoel, +dat maakte, dat ze altijd als haar prettig recht had aangenomen, +als de leeraren en leerlingen in hun levendige belangstelling en +hartelijkheid dat ondefiniëerbare, aangenaam-eerbiedige en toch +teedere hadden gelegd, dat haar deed voelen, dat ze 'n meisje was. + +Dit bewustzijn was in àl haar doen, en ze wist, dat 't natuurlijk +en dus ook goed was; ze had instinctmatig gevoeld, dat Frieda het +niet kende, daarom misschien wel zoo buitengewoon geschikt voor +studie was;--maar dan moest zij er maar minder geschikt voor zijn, +'t verloochenen deed ze toch niet, en uitdrogen, als die jongens +hier, daarin had ze ook geen zin. Portheroole kon ze niet vinden, +en voor haar part kon de geheele universiteit worden afgebroken, +als je zóó van de studie worden moest, de "romantische" studie. Als +'t college-uur uit was, en de professor de deur achter zich had dicht +gedaan, dan had ze verwacht, dat de vrijgelaten jeugd als losgebroken +geiten door elkaar zou springen, en lachen en praten en op de tafels +klimmen.... maar dan bleven al die jonge-menschen-onder-elkaar, +zonder toezicht, stil zitten doorschrijven, tot ze ook de laatste +woorden van wijsheid zorgvuldig hadden opgepend, en dan schoven ze +langzaam de gang in, de jongens rookend en dof pratend in groepjes, +de meisjes zeurig-hangend in het kamertje, waar hun kleeren lagen en +'n lucht was van bleekpoeder en gestoofd eten. + +Natuurlijk, ze waren geen kinderen meer; en de studie had hun +wezenlijke belangstelling. Maar in den vrijen tijd moesten ze toch +jongens en meisjes blijven, die jong waren, geen dictaten-penners, +zonder leeftijd. + +Die ellendige gematigdheid in alles! Nu had 't vier uur geslagen; +dan werd de bibliotheek gesloten. Er was de laatste vijf minuten +niet telkens op de klok gekeken, of 't nog geen tijd zou zijn; +maar nu was er ook geen teleurstelling, dat 't al zoo laat was; +niemand wilde nog gejaagd wat afmaken; geen dacht er over zich tegen +'t reglement te verzetten. + +Het bleeke kind-mannetje zette de deuren open, en in de boekenzaal werd +'n beetje luider gesproken. + +"Dat's wéér 'n dag," dacht Go op de gezichten te lezen, die telkens +beleefd de langzaam-wegstappende werkers groetten. Ze zag ze nog +voor zich uitloopen op 't Rapenburg, met tragen, vasten gang, en was +blij, toen ze De Veer tegenkwam, te paard, met z'n pet achterover op +z'n hoofd. + +"Ik ben naar "de Vink" geweest; wel wat nat! mag 'k 'n eindje met je +mee rijden?" + +Go lachte: "Je zit daar zoo hoog, dat 'k m'n verkouden stem niet +zoover uitzetten kan." + +"Ik kan er toch niet afkomen; dat is zoo'n manoeuvre! Je moet warme +punch drinken, als je keelpijn hebt." + +"Jongen, we houën er geen wijnkelder op na!" + +"Zeg, is 't waarachtig waar, dat jullie op júllie kroeg alleen +limonade drinken?" + +"En thee!" + +"Limonade en thee! Good gracious! Het is ongeloofelijk! Moest je +in ons corps komen! Maar dat is ook buitengewoon. Het Leidsche +corps is 't beste, dat er is; dat is bekend. En ik weet, dat jij +'t er leuk zou vinden. We hebben laatst op 'n nacht 'n fakkeltocht +over de daken gehouden. Toen heb ik aan je gedacht. Het zou wel wat +lastig voor je geweest zijn, maar 'k weet zeker, dat je graag zou +zijn meegegaan. Nog een grappige geschiedenis met 'n agent, die 't +huis binnenkwam, en per se m'n naam wou weten, die 'k nou 's niet +zeggen wilde. Heel gemoedelijk alles. De kerel kreeg 'n sigaar en +'n pot bier. Maar later zijn we gaan vechten. Die snee, zie-je." + +"Maar Wim; je doet toch erg dwaze dingen, geloof ik," berispte Go, die +'t toch eigenlijk alleen maar grappig vond, terwijl ze moest denken, +wat moeder daar wel van zeggen zou, vechten met 'n agent, in den nacht +op straat. "Maar die fakkeltocht zou ik dol-graag hebben meegemaakt." + +"Ja, hoe jullie dat uithouden, zonder feesten, begrijp ik niet. Het +is zoo iets heerlijks, 's nachts in 'n bakje of op de kroeg. Of +'n fijn dinertje na 'n examen." + +"Je hebt dus nog al plezier in je leven?" + +Hij lachte, en tikte z'n paard even op den hals: "Ken-je "Rotte +Blaren", die bundel studenten-versjes? Daaronder is er een, waarin +wijze menschen ernstig vragen, waarom we toch zoo fuiven en jolijt +maken, en drinken? En dan is 't onveranderlijke antwoord: "omdat 't +lollig is". En dat zeg ik altijd bij alles, en zooláng ik 't lollig +vind, blijf ik zoo doen. Ik heb 't land aan kerels, die fuiven zonder +er plezier in te hebben. Ik geniet van elk feest; "omdat 't lollig +is." En z'n stem sloeg om in 'n joligen schater. + +Ze waren nu bij de Breestraat gekomen, en Go wilde den hoek omgaan. + +"Laten we liever de Apothekersdijk nemen," sloeg hij voor; maar Go +dreigde 'm, begrijpend-lachend, met haar vinger: "O, groote meneer de +reformator; die droomt van daktochten maken, en nachtelijke rijtoeren, +met meisjes er bij,--maar 't niet waagt op klaar-lichten dag met zoo'n +wezentje langs de kroeg te komen;--gaat u maar alleen de Breestraat +in, en denk onderweg 's over theorie en practijk na." + +"'t Is niet om mij," verdedigde hij zich, "geloof me, Gootje. Mij +zou zoo iets geen kwaad doen; maar ze zouên kletsen over jou, en dat +'s niet noodig." + +"En is dat nu dat hoogstaande corps?" + +"Och, ze hangen wat erg aan traditie.... Je stuurt me weg; toch niet +boos, hè? Eet emser-pastilles vanavond." + +Hij groette met z'n rijzweep, keek knikkend nog 's lachende om. + +En ze verwonderde zich, hoe die "vrij-gevochten schooier" er tegenop +kon zien met haar langs de kroeg te gaan. Wat kon iemand er nu +in godsnaam over te zeggen hebben, dat ze naast 'm liep. 'n Rare +maatschappij hier! 't Was háár nog niet duidelijk. + +En ze legde haar hand tegen 'r heet hoofd, dat branderig bonsde bij +de slapen. + + + +Na het eten had Else haar ingestopt op de canapé, de kachel flink +opgestookt, en was toen naar 'r kamer gegaan, omdat er een paar +meisjes van college bij haar zouden komen; de twee anderen waren +ook geëngageerd, maar nog in stilte, en nu wilden ze, als eerste +huisvrouwelijke praestatie, voor zich zelf 'n blouse gaan maken. Het +goed was gekocht, en er zwierven ook al rare, vlinderige papieren door +Else's kamer, maar dien avond zou de reusachtige lap in drieën worden +gedeeld en verder verwerkt; en daarom had Go geen gebruik gemaakt van +de vriendelijke aanbieding, of ze haar ook gezelschap zouden komen +houden, want de tafel moest in 'n hoek, dat ze ruimte zouden hebben +op den grond om te knippen, en ze voorzag 'n gelach zonder einde, +waartegen haar pijnlijk hoofd nu niet bestand zou zijn. + +Ze was eigenlijk bang, dat ze ziek worden zou; aan tafel had ze niet +kunnen eten, en 'r hoest was zoo pijnlijk en hol. Els had gezegd, +dat ze beter deed naar bed te gaan, maar ze wist, dat ze zich zoo +rampzalig zou voelen, als ze alleen in de donkere kamer lag, ook al +kwam 't nichtje telkens goedig naar haar kijken. Het was toch zoo +iets anders, dan ziek zijn thuis. Nu voelde ze weer 's, hoe slecht +ze moeder en allemaal kon missen. + +Zooals ze daar lag, kon ze net de portretten op de schrijftafel zien: +goeie moesje, wat zou ze nu doen? zeker 'r dutje,--o nee, 't was +Vrijdag, en dan werd de huiskamer altijd gedaan, en hielp moeder zelf +nog 's avonds met kleedjes neerleggen en étagère-beeldjes schikken. Het +rook nu heelemaal naar was in de kamer,.... maar om dat te merken, zou +ze nu toch te verkouden zijn. Ze zou in 'n makkelijken stoel bij de +kachel zitten, met 'n glas citroen naast zich, en de kinderen zouden +'n beetje stil moeten zijn. "Go heeft hoofdpijn." En moeder zou 'r +hand op haar voorhoofd leggen, en zeggen: "Heb je wel warme voeten, +meid; wil je me stoof eens hebben?" En dan weer: "Mietje, ga jij +vast sluiten op de oudste juffrouw 'r kamer, en steek 't licht op, +want ze gaat vanavond wat vroeg naar bed." + +Uit Else's kamer klonk het vroolijke gelach door de suitedeuren heen, +en er kwamen tranen in Go's oogen van zelf-medelijden; o ja, vrienden +en vriendinnen had ze hier genoeg; maar wie bekommerde zich om haar, +als 'r wat scheelde. "Eet emser-pastilles," had De Veer gezegd, en +Else: "Je moest maar naar bed gaan." Maar daarmee was 't ook uit, +en nu lag ze alleen, en de kachel was bijna leeggebrand, maar ze kòn +er niet toe komen om op te staan, en 'm zelf bij te vullen. + +Maar je bent toch gewoon 'n beetje verkouden, kalmeerde ze zichzelf, +daarvoor hoeft de heele wereld toch geen meelijdend, droevig gezicht +te zetten. + +En ze hoestte blaffend met 't hoofd in de handen, benauwd ophijgend, +toen 't weer was bedaard, terwijl uit de andere kamer voortdurend +gegiechel en gejoel doorklinken bleef. + +Nu werd er gebeld. Ze dacht, dat 't Henri of nog 'n blouse-meisje +zijn zou, maar 'n flinke klop klepperde op haar deur, en Gerard's +vriendelijk gezicht kwam in de opening. + +"Jij?" riep ze verbaasd, en probeerde zich uit de shawls en +avondmantels los te werken. + +"Nee, stil, blijf maar liggen; ik kwam maar 's even vragen, hoe +'t is met de patiënt; ik had eigenlijk gedacht, dat je naar bed zou +zijn gegaan;.... je zag er vanochtend niets goed uit, en Hoefman, +die ik er naar vroeg, zei, dat je erg gehoest hadt op college." + +"Verkouden; 't is niets," zei ze, dankbaar naar 'm opziende. "Els +heeft me warm ingepakt; morgen zal 't wel weer over zijn." + +"Ik had je juffrouw 'n opdracht willen geven," zei hij, z'n verregende +city-bag op tafel zettend, "maar toen ik hoorde, dat jullie thuis +waren, wilde ik 't liever tegen Elsi zeggen, maar waar is die?" + +"O, die heeft meisjes bij zich, om 'n blouse te maken; ik zal ze +even roepen; nee, ik kan wel; dank je." En Go wond zich vlug uit de +omhulsels los, schoof de suitedeuren open. + +"Nee, nee, dicht," gilde 't haar angstig tegemoet, en ze zag in +den hoek der kamer, de drie meisjes in hun onderlijfjes angstig +opeengedrukt staan, en de grond met kleedingstukken en lappen +goed bestrooid. Snel sloot ze de deur achter zich, en "wat doen +jullie?" vroeg ze verbaasd. "Gerard Leeden wou je wat vragen, Else." + +"Ach, 't was zoo lastig met passen telkens, dat aan- en uitkleeden," +verontschuldigde Else, "en we hadden 't toch al zoo warm van den +inspannenden arbeid. De gangdeur is afgesloten... en we dachten niet, +dat jij..." + +"Maar trek nu even je blouse aan, en kom binnen... komen jullie +dan ook." + +Gerard had intusschen zijn city-bag opengemaakt, hield Go nu een +beetje verlegen 'n flesch wijn en 'n met kruidnagelen bestoken +citroentje voor. + +"Bij ons geldt dit als 'n onfeilbaar middel tegen verkoudheid: +warme wijn met kruidnagelen," zei hij onzeker. "Als je dit drinkt, +vóór je naar bed gaat, word-je door en door warm, en je voelt je den +volgenden dag altijd veel beter. Ik dacht, dat jullie hier geen wijn +hebben zoudt, en daarom...." + +Alweer tranen. Go werd er ongeduldig van, en omdat hij z'n beide +handen vol had, pakte ze'm bij z'n arm, spontaan, hartelijk: "Wat is +dat vreeselijk lief van je, Gerard," zei ze zacht. "Ik kan je niet +zeggen, hoe buitengewoon lief ik dát van je vind." + +"In 'n trekpot moet je 'm warm maken," zei hij, en wilde al weer +naar de deur gaan, maar nu hield ze 'm terug, zette hem resoluut +op 'n stoel, en riep: "Nee, nu moet je natuurlijk hier blijven, +en meedrinken. Dacht je, dat ik de heele flesch alleen op kon! De +Veer zegt immers ook, dat meisjes niet drinken kunnen. Wil-je warme, +of gewoon koud? O, we hebben zooveel wijnglazen van de vorige heeren, +en ze zijn nog nooit gebruikt!" + +Ze liep nu opgewonden de kamer op en neer. "Komen jullie +toch!" schreeuwde ze door de suitedeuren. "Ik geef 'n wijn-fuif. Willen +jullie warme wijn met kruidnagelen, of koude? Maak toch voort. Nu +hebben we onze groote wijnkast niet voor niets. Nu komt er 'n leege +flesch in." + +Verbaasd kwamen de anderen binnen, het was 'n gelach en gepraat +en dooreengeloop, dat 't Gerard toescheen, of de heele kamer vol +meisjes was. + +"Ga toch zitten," zei hij tegen Go, "en laat Elsi er voor zorgen. Je +ziet er wezenlijk niet goed uit, en je bent zoo opgewonden." + +"Verbeelding! Ik voel me best. Nee maar, dat zal ik aan moeder +vertellen. Dat is 'n heerlijk middel tegen verkoudheid. Je voelt, +dat je er beter van wordt. Nog beter dan de warme punch, die De Veer +me aanried." + +Ze vertelde nu, dat ze'm dien middag gesproken had; ook van hun +afscheid op den hoek van de Breestraat. "Waarom nou, hè; wat zouën +ze daar nu over hebben kunnen zeggen?" + +Gerard keek even voor zich uit. "Ben-je wel 's 's avonds door 'n +student thuis gebracht en heb-je wel gemerkt, dat z'n vrienden 'm +dan niet groetten? Dat is alles om dezelfde reden." + +Go haalde de schouders op. "Ik begrijp niet..." + +Maar hij viel haar in de rede. "Dat is ook niet noodig. There's +something rotten in the state.--Maar nu ga ik weg, want je moet gauw +onder de wol. Neem nog 'n glas mee naar je kamer, en ga morgen niet +uit, als 't zulk slecht weer is." + +"Ja dokter," lachte Gootje, maar in haar handdruk lag haar ernstige +dankbaarheid. + +En toen ze dien nacht rondwoelde, hoestend en koortsig in haar donker +bed, terwijl Else rustig ademend niets van haar merkte, vergat ze +toch geen oogenblik het heerlijke, veilige, dat ze hier ook 'n goede, +groote vriend had, die voor 'r zorgen wou. + + + + + + +HOOFDSTUK X. + + +Go zat op haar bureau voor 't raam, liet het Sint-Nicolaas-handwerk +op haar schoot rusten. + +"Toe, Elsi, kom nu toch 's kijken, het is zoo'n eenig gezicht." + +"Wacht éven, ik ben zoo klaar...." en Else schreef ernstig voort in +het huishoudboek, dat ze de laatste weken hield: "melk.... iedere dag +twee pinten, dat is f 1,10.... boter f 0,45.... van de week heeft de +juffrouw suiker gehaald, hè?.... brood 5 × 7 cent.... dat is 35.... is +de gasrekening al betaald.... en kolen?" + +"Och, kom nu toch, je moet dien bangen jongen zien; die durft gewoon +de helling van de brug niet op;.... kijk die glijen.... och heer, +daar komt onze juffrouw ook; dat mensch moest niet uitgaan, nu 't +zoo glad is,.... als ze vàlt.... o, daar gaat onze buurman; 't is, +of hij op rolletjes loopt." + +Else had haar kas nu in den steek gelaten, en kwam naast Go voor het +met sneeuw omrande venster staan. De huizen aan den overkant waren wit +toegedekt, wat de altijd doodsche achtermuren nóg triester maakte, +en Go wees Else op het kleine plaatsje, waar het kippenhok stond, +dat bijna onzichtbaar was geworden. + +"Wat lijkt 't nu op een ets van Witsen, en de lucht ziet nog zoo grauw; +er zal nog heel wat komen, denk ik." + +"Ik hou van sneeuw; 't maakt alles zoo licht--en hier is 't wel +buitengewoon grappig met dat bruggetje." + +"Hoor, hoor, nu komen de kinderen uit school." + +Stappen en stemmetjes werden luider door de zware lucht en 'n heele +groep kleine meisjes in capes, de kappen over de losse haren getrokken, +kwamen glijdend en stoeiend voorbij het raam, bleven dichtbij staan om +elkaar te kochelen, en sneeuwballen te werpen naar 'n grooten hond, +die ze blaffend nasprong. Tot 'n blozend dienstmeisje gillend door +ze heen vloog, nagezeten door 'n smidsjongen, wien de blanke sneeuw +smolt in de zwarte handen. + +"Leuk!" zeiden ze samen, lachend, zoo ver mogelijk ze naoogend. "Wat +gezellig, dat we dadelijk er door moeten naar college." + +En Else dacht, dat ze echt wel graag eens ingewreven wilde worden, maar +niet door zoo'n smidsjongen, die zwarte vlekken maakte in je gezicht. + +"Kijk nóu 's," stootte Go haar opeens aan, toen ze vlak bij college +waren: Louis Hoefman stond met 'n kleur op z'n triestig gezicht bij +'n boom en gooide armen vol naar Lize, die meer perplex dan geërgerd +zich omgedraaid had, om te vragen, wat 'm bezielde, en nu de vochtige +sneeuwmassa vlak in 't gezicht kreeg, terwijl de aanvaller, als +ontzet over z'n eigen stoutmoedigheid, z'n hoed voor haar afnam, +maar toch weer 'n nieuwe bal pakte. + +"Niet kijken," zei Else goedig, "ze denken, dat niemand ze ziet, +maar wat is die Louis toch 'n rare jongen." + +"Hij valt me toch mee," dacht Go, terwijl ze naar binnen ging, +en toen Lize even later, druipend en met 'n kleur, het kamertje +inkwam, brommend over: "die lamme sneeuw en die idiote jongens", +keek ze haar met meer belangstelling aan dan gewoonlijk, en vond +'r niet zoo vreeselijk leelijk, nu ze 'n kleur had, en 'r haar wat +losgeraakt was uit den strengen wrong. + +"Hoor de jongens vandaag 's in de gang," zei ze lachend, en ze vond +prettig te merken, dat de aandacht onder historische grammatica +merkbaar leed door het blanke gevlok achter den rug van den +professor. Zij zelf keek stil in den witten tuin, die zoo mooi was +met de blinkende boomen, en de ongereptheid van den gladden grond. Er +was den heelen dag weer niemand in geweest; alles was in volkomen +natuurlijkheid, zooals de sneeuw zelf zich 'n plaatsje had gezocht: +op de teere takjes van de heg, tusschen de verroeste harktanden, +en over den hoop dorre blaren tegen den muur. + +Alles was iets heel bizonders geworden, en vooral toen het lichter +werd, nog soms maar 'n enkel vlokje daalde, leek het 'n sprookjestuin. + +Maar toen de professor z'n boeken had dichtgeslagen en weggegleden +was met 'n korten groet, was opeens aan het droomen 'n einde geweest +door het uitgelaten losbreken van de jongens, die de altijd-gesloten +deur openrukten en den onberoerd-slapenden tuin opschrikten met het +luide gelach van hun jonge stemmen en de klatering van hun roepen, +terwijl hun voeten gaten maakten in de blanke, vlakke sneeuw, en hun +handen er breed in grepen om ze elkaar toe te gooien. + +"Kom dames!" vroeg Hoefman, en Go liep met Lou en Coba stralend naar +buiten, als verblind blijvend staan van al den glans om haar heen, +want jubelend was de zon doorgebroken, en deed de takken glinsteren +als facetjes van diamanten. + +Maar 'n bal vloog rakelings langs haar oor, en snel bukkend pakte +ze de witte poedersneeuw, en wierp terug in den wilde, naar den +hoek, waar zwarte jongenslijven joelend dooreen krioelden. Het +werd 'n sneeuwgevecht met ononderbroken ballenwisseling. De +oudere-jaars-meisjes keken lachend door de beslagen ramen; ook Lize +was niet te bewegen geweest mee te doen, waarom Louis trachtte, door +'t van boven-open venster sneeuw in de collegezaal te werpen. + +Nu werd het 'n drijfjacht in den tuin: de rokken bijeen genomen rende +Go schaterlachend om de witte perken, over den witten grond; aan +alle kanten bedreigd, wierp ze zich midden over 't gras, struikelde, +viel.... haar haarspelden lagen in de sneeuw verspreid, elk krulletje +droop langs haar roode wangen. + +"Genade.... hou op.... ik moet toch nog naar binnen!" lachte ze, +haar coiffure-attributen verzamelend, terwijl het bombardement om +haar voortduurde: "Laat me er door; ik kan zóó toch niet op college +zitten." En hijgend zich door de jongens heen werkend, liep ze bijna +den professor omver, die de les al kwam hervatten. "O, pardon," +prevelde ze beschaamd, het haar wegstrijkend uit haar verlegen oogen, +maar hij lachte vaderlijk, schoon 'n beetje ironisch: "Wat hebben +we 'n pret gehad!" en ze voelde, dat hij haar wèl 'n erg kind vond, +maar aan z'n eigen dochtertje dacht, van wie hij dit ook aardig zou +hebben gevonden. + +Ze was er dankbaar voor, trachtte daarom op te letten, toen de ernst +weer begonnen was, maar schrijven kon ze niet; haar handen waren te +verkleumd en gezwollen; en achter in de zaal bleef 't te gezellig +en roezig om haar aandacht op de stem van den professor te kunnen +concentreeren. Ze zag, dat 'n paar jongens sneeuw mee naar binnen +hadden genomen, en met de smeltende hoopjes elkaar stilletjes zaten +te gooien onder de tafel. Een had 'n stukje ijs op Hoefman's zwart +haar gelegd, zonder dat hij het bemerkte en nu viel er telkens +'n druppel langs z'n voorhoofd; dan schrikte hij op, veegde 'm af, +verbaasd, lachte even, tot-ie opeens iets voelde op z'n hoofd, 't +afschudde, en 't ijs met 'n plets op z'n dictaat-cahier viel. "Echte +kinderen," dacht Go, "en 't is eigenlijk enorm flauw";--maar ze genoot +van het "schooltje", fluisterde giechelend met Coba over Hoefman's +onschuldig-verwonderd gezicht; tot ze weer bedacht, dat ze op moest +letten, en, haar gloeiend gezicht in de tintelende handen, zich naar +den professor wendde: hoe lief van 'm, dat hij om haar gelachen had, +en niet boos was geworden, toen de jongens zoo lang bleven voetenvegen +in de gang. Hoe echt-menschelijk, zich er wel in te kunnen denken, +wat zalig sneeuw was voor jonge menschen,--al streefden ze er ook +naar doctor in de Nederlandsche letteren te worden. + +Nu had een jongen 'n stukje sneeuw in den halsboord van z'n buurman +laten glijden; lieve hemel, wat 'n kinderen toch; en waren dat +dezelfden, die ze 'n paar weken geleden op de bibliotheek voor oude, +uitgedroogde mannetjes had uitgemaakt, die alle vermogen van jeugd in +halsstarrig studeeren hadden verloren!.... Och ja; je kon de dingen +soms zoo verschillend zien; en als ze maar niet koortsig was, bleken de +menschen toch nog zoo kwaad niet. Ze generaliseerde altijd zoo gauw, +en wie naar 'n bibliotheek ging, kwam er toch om te werken, en niet +om naar meisjes te kijken.... en op college eigenlijk ook.... alleen +met sneeuw.... + +.... Lize boog zich over haar tafeltje, legde stil 'n briefje naast +haar neer; ze keek verbaasd: van Hoefman;.... die jongen had z'n +"jour" vandaag.... onherkenbaar van levendigheid.... Stil las ze +onder haar hand: + +"Weet je, dat Van Neerwinden vanmiddag om vier uur uitslag heeft? Ga-je +er misschien heen?" + +Ze scheurde 'n blaadje uit haar cahier, pende dadelijk terug: "Zullen +we samen gaan? Ik ben nog nooit in de universiteit geweest! zou hij +er door komen?" + +Na college wachtte hij in de gang. "Ik dacht wel, dat je 't niet +weten zou. Het is nog al geheim gehouden, en je kijkt zeker nooit +op het bord." En hij legde haar uit, dat op 't zwarte bord voor de +universiteit altijd de examen-papiertjes werden opgehangen, maar dat +Neerwinden het land had aan zoo'n stroom vrienden.... en er èrg veel +had--en er daarom niemand over had gesproken. + +"Maar zou hij 't dan niet vervelend vinden, als wij komen?" + +"De leden van Laborando vincimus hooren er toch bij--en het zal wel +in orde wezen; 't eerste gedeelte was perfect." + +Toen zweeg hij, keek 'n beetje naar den grond, vroeg eindelijk ineens +bruusk: "Is die juffrouw Schermer niet een heel aardig meisje? Weet +je ook, waaróm ze geen lid wilde worden?" + +"Ze heeft het te druk," antwoordde Go vriendelijk, zelf vol kinderlijke +belangstelling in de sympathie van den dichterlijken droomer voor de +uiterlijk-antipathieke, stugge Lize. "Ze móet vlug haar examens doen, +zie-je, en daarom werkt ze aan één stuk door, en gaat nooit uit." + +"Maar dat kàn toch niet goed zijn. Ze ziet zoo bleek." + +"Ja," knikte Go, de oogen naar 't bord, waar ze het papiertje zág: +Faculteit Rechtswetenschap--E. van Neerwinden--en ze bedacht, dat +hij nu bezig was. + +"Ben je 'n vriendin van haar?" vroeg hij in de donkere vestibule. + +"Ik kom wel eens bij haar, maar 't is niet makkelijk intiem met haar +te worden." Haar aandacht keerde zich van hem af, zoodra ze binnen +waren, en vol verbazing bleef ze telkens op de breede trap staan, +om de teekeningen op de muren te bewonderen. + +"Wat is dat allemaal?" vroeg ze, en toen ze op 't portaal waren +gekomen, vergat ze stil te zijn: "O, kijk toch, kijk 's, wat +verschrikkelijk aardig...." en ze liep van den eenen kant naar den +anderen om al die grappige studenten-caricaturen te bekijken. + +Gerard was er al, kwam lachend, met uitgestoken hand, naar haar toe: +"Wil-je wel 's gauw je 'n beetje stil houden; je brengt met je drukte +den examinandus heelemaal in de war... kijk.... daar-is-ie," en hij +wees naar de gele deur, waar "facultas iuridica" boven stond. "Kom +nou hier, in 't zweetkamertje; dan kunnen we praten." + +Han stond met Else voor het raam te kijken: "Hoe wist jij 't?" vroeg +ze, "Han vertelde 't me vanmiddag." + +Er waren meer jongens, die Go niet kende; ze praatten allemaal +zacht en gedempt, en het was er kil en triestig. 'n Droef, grijs +licht viel door het gordijnlooze raam op den houten vloer, en de met +namen bekerfde tafel. De groote kachel stond in 'n hoek als 'n zwart, +dood ding; er waren 'n paar gele, gesloten kasten, 'n paar stoelen; +'n karaf water met glazen.... meer niets. Maar de wit-gekalkte +muren leefden; niet grappig, niet vermakelijk, als in het portaal, +maar met nerveus-makende krabbels en spreuken en handteekeningen, en, +aangegrepen door 'n akelige onrust, begon Go die namen te lezen, met: +"hic sudavit, sed non frustra....", beginnend laag bij den grond en +opklimmend tot hoog boven den schoorsteen en de kachel, zoodat ze +niet begrijpen kon, hoe iemand ooit zoo hoog had kunnen reiken. + +Frieda was ook gekomen, op haar eigen stille, zachte manier, zat +nu aan tafel te praten met 'n paar vakgenooten over de kansen van +'n nieuw-te-benoemen professor. Op de gang was het volkomen, akelig +stil, en onwillekeurig keerde Go zich tot Gerard, zei huiverig: +"'t Is net, of alle angst, die hier ooit gevoeld is, tusschen deze +muren is blijven hangen; je wordt hier al akelig als je binnenkomt." + +"Nu, dat zal dan ook langzamerhand 'n heel pak verschrikking moeten +zijn, als je 's rekent hoeveel generaties vóór ons, hier al eens in +hoop en vreeze hebben neergezeten." + +En om haar af te leiden ging hij over de sneeuw praten, liet zich +lachend vertellen, wat ze dien middag op college hadden gedaan, en +toen weer de stilte dreigde, begon hij over Sint Nicolaas, en of ze +haar surprises al klaar had. + +Z'n harde, sterke stem werkte kalmeerend op haar, en ze vertelde +'n grapje van laatst onder Gotisch, toen de professor het had over +satem- en centum-talen, en samenvallen van explosivae en palatalen, +en allerlei meer onbegrijpelijkheid. + +"'n Beetje ánders wel," lachte Gerard, maar ze haalde nerveus de +schouders op, zei: "Ik weet niet; ik voelde, dat ik er toch niet +bij kon, en ging zitten denken over 'n inktlap voor Broer.... ik +schijn daarbij den professor heel diepzinnig te hebben aangekeken, +want ik wilde de zeempjes meteen voor versiering laten dienen, en +dan donkergroen laken er onder;.... juist op 't oogenblik, dat ik 't +duidelijk voor me zie, buigt hij zich voorover en zegt: "Ik geloof, +u hebt ergens moeite mee, juffrouw Herderts; begrijpt u niet, dat +de gelabialiseerde velaren.... en enfin, weer 'n heeleboel van die +rarigheid, die ik niet eens navertellen kan.... Ik zei, dat ik net +met mezelf tot klaarheid was gekomen, maar was doodsbang, dat hij de +ontwerpjes in m'n cahier zou zien." + +Daar was Hans. "Is hij er nog niet eens uit? 't Is kwart over." + +Go schrikte, maar Rolands zei, dat hij er ook te laat was ingegaan. + +"Hoe was-tie? Nog al kalm?" + +"Ach, zoo. Hij had nog al beroerd geslapen vannacht." + +Er begon nu onrust onder de menschen te komen; ze schoven naar de deur; +de goeiige pedel keek op z'n horloge, grapte, dat 't nu lang genoeg was +geweest, dat-ie de heeren 's zou gaan zeggen, dat het uit moest zijn. + +"Hij zal zoo moe zijn," zei Go zacht tegen Gerard, maar die ging +er niet op door, praatte luchtig tegen Hans over 'n voetbalmatch +van den vorigen Zondag. Andere jongens kwamen er bij, dandy-achtige +heertjes, die allemaal iets hadden, dat Go even aan Eduard denken +deed. Ze stonden in 'n groote groep; alleen Henri en Else waren in +het kamertje gebleven. + +"Maar wat zie-jij er vreeselijk slecht uit, Elders," zei Frieda +opeens tegen Hans. Ze noemde de jongens altijd bij hun achternamen, +ook hierin toonend haar mannelijke vriendschap. + +Allen keken nu naar Hans, die lachend 't eerst onzin heeten wilde, +toen, geprest, bekende: "Dat komt, omdat ik heelemaal niet naar bed +ben geweest .... Ik heb vannacht laat zitten werken, en ben toen +tegen zes uur naar Katwijk gefietst. Je zou 't niet denken, maar +'t is van ochtend 'n prachtige zonsopgang geweest; wel veel wolken, +maar enorm, zie-je!" + +"Malle kerel, je hebt natuurlijk kou gevat," plaagden ze, en een nieuw +verhaal begon aan den anderen kant van 't clubje; maar Go hoorde hem +nog zeggen met z'n lieve, dankbare stem: + +"Het was buitengewoon, zie-je.... Zoolang de zon nog opgaat, kan toch +niemand beweren, dat er niet 'n heeleboel moois is in 't leven." + +Daar ging de deur open, en allen draaiden zich in 'n ruk om. Eduard, +in rok met 'n witte das, bleek met nerveuse vlam-kleurtjes onder +z'n oogen, kwam met onzekeren lach naar hen toe, en, dadelijk 'm +insluitend, vielen ze op 'm aan, met dof-gemompeld, voorzichtig +vragen. Hij haalde de schouders op, streek over z'n hoofd; hij wist +'t niet; aan 't eind was-t-ie gaan rijden, omdat-ie zoo moe werd; +ze hadden 'm ook te lang gehouden, hè? hoe laat was 't nou? + +Ze vergeleken hun horloges; de oude pedel klopte 'm goedig op z'n +rug: 't zal wel losloopen. Maar hij maakte zich ongeduldig uit de +belangstelling los, liep 't kamertje in om water te drinken, ging +toen in de deurpost staan. + +De anderen bleven onder elkaar overleggen, vroegen de juristen, +wat ze er van dachten; en hij werd 'n beetje spraakzamer, noemde +'n paar dingen, die hij niet had geweten. + +"God kerel, die weet ik nòg niet, en ik ben nu toch doctorandus," +kalmeerde 'n donkere man. + +Ze zwegen weer; 'n paar jongens tikten met hun wandelstokken. + +"Wat duurt 't lang," fluisterde Go. + +"Dat is 'n goed teeken." + +"Dat weet je niet." + +"Ik kan gerust nog 'n kwartier wachten," zei Eduard met 'n nerveus +lachje, "dat kan me niets schelen." En hij slingerde z'n horloge +tegen de deur heen en weer. + +"Komt er geen familie van je?" + +"Niemand weet 't, goddank." + +"Zou Bruno je afhalen?" vroeg Frieda, trachtend hem af te leiden. "Wat +krijgt hij, als je er bént?" + +Een begon zachtjes te fluiten, ze stonden allemaal naar Eduard en +naar elkaar te kijken, en niemand wist meer, wat hij zeggen moest. + +"'t Is half." + +"Nee, 't heeft nog niet geslagen." + +"Je bent altijd voor." + +"Ga 's luisteren aan de deur." + +Ze slopen de trappen op, leunden 't oor aan het sleutelgat. + +"Ik hoor niets." + +"Stil nou, vent.... ze lachen." + +"Ze lachen.... je bent er, hoor!" + +"Zouën ze daar zoo'n pret om hebben?" vroeg hij bitter. + +"Ik heb beloofd dadelijk z'n ploerterij te gaan waarschuwen, als hij +er is, om de vlag. M'n fiets staat beneden," fluisterde Rolands. + +Er kwam iemand de trap op; in spanning hoorden ze de voetstappen. + +"O, van de krant." + +"Beroerling," bromde Gerard, "wat gaat 't 'em an." + +"Maar kerel, 't is z'n baantje." + +De stilte. Eduard kraakte een voor een z'n lange, witte vingers. + +"La dernière heure d'un condamné," trachtte de pedel op te wekken, +maar hij bleef norsch kijken, zuchtte. + +Opeens: de bel. + +Vlug schuifelend met z'n oud, dik lijf schoof de pedel naar binnen; +terug weer: "Wilt u maar komen, meneer." + +Even stonden ze in spanning, half vooruit-willend, half wijkend: maar +triomfantelijk-wijd werd de deur achter 'm open gehouden; de pedel +wenkte, 'n vriendelijke professor achter de groene tafel wenkte ook: ze +stroomden binnen, schuifelden nóg, terwijl 't speechje al begonnen was. + +"Met zeer veel genoegen," mompelde Gerard, "ze hebben waarachtig +alleen zoo lang gedelibereerd, of ze ook "cum" zouden geven." + +Go stond naast 'm, met tranen in de oogen; ze was zoo bang geweest en +nu zoo blij, en 't was zoo plechtig met al die heeren achter de tafel. + +En zoodra 't uit was, stormde ze de trappen af naar buiten, rende +door de dikke sneeuw, met 'r mond open, om lucht te krijgen. Ze was +zoo blij, zoo blij--maar ze had 'm niet kunnen feliciteeren, want +dan had ze zich zeker niet goed kunnen houden. + + + +Toen ze 's avonds naar Lize toeging--die goeie Hoefman, ze zou zien +het gesprek op hém te brengen; ze wilde immers iedereen in alles +helpen--hoorde ze bij Levedag het jolig lawaai van vroolijke stemmen, +en in de lichte gang zag ze veel zwarte ruggen en gladde hoofden, +die allemaal naar iets schenen te kijken, dat heel grappig was. + +"Eddy, Eddy," hoorde ze roepen, en ze stelde zich voor z'n fijn, +stralend gezicht, en de hartelijke vroolijkheid hem ter eere. + +Hoe dol graag zou ze toch 's zoo'n jongens-fuif meemaken; zoo 's +echt meegenieten in onbezorgde joligheid. En bij deze zou ze wel +'t liefst van alle zijn geweest. + +Droomerig ging ze langs z'n huis, op 't maan-witte Rapenburg; de +ramen stonden open, de kamer was leeg. Maar uit 't dakvenster hing +stil en statig de lange vlag, onbeweeglijk in den blanken winternacht, +zegeteeken van zijn overwinning. + + + + + + +HOOFDSTUK XI. + + +'s Morgens was het tweede dochtertje hen komen roepen, had het hoofd +om de deur gestoken, en met 't Leidsche zangetje afgerateld: "En +complement van Pa, dames, en dat we 'n kindje hebben gekregen." En de +dames--dadelijk wakker--waren vol belangstelling geweest om te hooren, +of 't 'n jongen of 'n meisje was, en wanneer het was geboren, welke +bizonderheden het kind met 'n veel-wetend, wijs gezichtje ernstig ten +beste had gegeven, de armen in de zij, zooals ze buurvrouwen altijd +zag praten. + +En toen ze--aangekleed--in de voorkamer waren gekomen, hadden ze juist +het rijtuig met den kleinen doopeling en 'n deftig in-zwart-lustre +gekleede tante zien wegrijden naar de kerk, en na 'n half uurtje bij +'t terugkomen "Pa" kunnen bewonderen met 'n hoogen hoed op. + +"Wat 'n drukte voor die menschen!" zei Go peinzend, terwijl ze +samen de ontbijttafel afruimden, want ze wilden niet schellen, omdat +dat misschien de kraamvrouw hinderen zou. "Vin-je eigenlijk niet, +dat we konden zeggen, dat ze vandaag niet voor ons hoeven te koken; +we kunnen best in 't Vegetarisch gaan, en 't oudste meisje zal de +handen zóó vol hebben." + +Ja; wat 'n familie toch, hè; nou zijn 't er negen! En wat zal 't 'n +moeite kosten zoo'n bende 'n beetje stil te houden.... 't Is jammer, +dat ze nu juist overhoop liggen met hiernaast, over dien omgevallen +vuilnisemmer, anders konden die er 'n paar nemen." + +En Else keek Go onzeker-vragend aan. + +Ja, waarom niet?" zei ze, dadelijk begrijpend. "We kunnen best 's één +keertje college verzuimen, en 't zijn zulke leuke kinderen. Zullen +we 't samen even gaan vragen? Riek en Joostje maar, hè; die zullen +'t lastigst wezen." + +'n Half uurtje later werden de kinderen in hun zondagsche kleertjes +beneden gebracht. Ze stonden eerst 'n beetje verlegen in de mooie +kamer, waar ze anders nooit in mochten van moeder, maar Go nam +dadelijk de kleine Riek op haar arm, en begon haar de platen aan +den muur te laten zien, er prettig onder pratend met haar hooge, +vroolijke stem,--terwijl Else, éven onzeker, want ze was heelemaal +niet gewoon met kinderen om te gaan, den stevigen, dikken Joost in de +hoogte tilde, en--van den anderen kant beginnend,--hetzelfde spelletje +deed, ofschoon ze in 'n oogenblik buiten adem was van de zwaarte, en, +klagend zich naar Go omdraaiend, zei, dat de moderne schilderkunst +er zoo'n afschuw van had 'n "geval", iets dramatisch' te geven, +en ze daarom wezenlijk geen verhaaltjes voor Joostje bedenken kon. + +Toen maakten ze voor ieder 'n boterham met suiker, wat ze 'n heeleboel +nader tot elkaar bracht, want Joostje deelde mee: dat hij er nog +een wou, en Riek, dat ze "zoo kleefde"..., waarop ze mee naar de +slaapkamer werden genomen om gewasschen te worden, en netjes gemaakt, +want ze zouden nu inkoopen voor de koffie gaan doen. + +Ze liepen ieder met 'n kindje over het zonnige grachtje, en de buren +keken hun oogen uit; ze deden om de beurt de boodschappen in den +winkel: 'n bus chocoladepoeder, kleine kaakjes, 'n bal en muisjes +natuurlijk--en, vooral tegen Else, die heel statig deed, zei iedereen: +"mevrouw", met eerbiedigen stemklank. + +"Ik geloof, dat ze mij voor je kinderjuffrouw aanzien," zei Go spijtig, +die Riekje op den arm had genomen, omdat ze moe werd; en met haar +klein hoedje en kort trotteurtje er wezenlijk niets "mevrouwig" uitzag. + +"Kom, nu moeten we nog vleesch hebben; waar houën jullie veel +van? Rookvleesch?" vroeg Else. + +"'t Is voor op de boterham," legde Go nader uit, "hou-je van +leverworst?" + +Joost zweeg filosofisch, maar toen ze in den winkel waren, wees hij +met 'n verheugd gezichtje naar 'n homp komijne-kaas: "Dàt," zei hij +verrukt, en schoon Else akelig werd van de lucht alleen, nam Go het +vettige pakje bereidwillig in haar arm, vriendelijk-pratend tegen +Riekje, die neiging had te gaan huilen, omdat ze niets begreep, +van wat er met haar gebeurde. + +Na de koffie gingen ze ballen in de gang, tot Riek, die nog heelemaal +niet vangen kon, zich vervelend, om moeder begon te huilen, maar +Joostje verzekerde, dat hij blijven wou, en bromde op "die nare meid", +om wie ze nu naar binnen moesten, waar ze stil naar 'n verhaaltje +moesten luisteren, tot de chocolademelk klaar zou zijn, die de +niet-vertellende tante in groote koppen roerde. Toen was Riekje weer +gaan huilen, omdat ze haar tong had gebrand, en nu kwamen er allerlei +boeken met vreemde prenten voor den dag, waar de donkere tante weer bij +vertelde; en eindelijk deed ze, of ze Sint-Nicolaas was, en strooide +kaakjes over den grond, en Riek en hij moesten overal rondkruipen, +en 't was heel grappig, en de tantes kropen ook mee over den grond, +maar alle kaakjes, die zij vonden, gaven ze aan Riek, omdat die weer +boos werd, omdat hij er meer had.... en toen kwam zus, en moesten ze +boven gaan eten. + +"Ik ben er moe van," zei Else, toen ze samen van Ceres terug kwamen, +"en verbeeld-je, dat je er negen hebt, en dan dag aan dag." + +"Terwijl jij uit bent, haal ik toch nog even Joostje beneden," zei +Go innig. "Dat is zoo'n schat, en die maakt je ook niet moe.... Riek +is nog wat klein.... zal wel naar bed zijn." + +Ze stak alleen haar studeerlamp aan, en ging met Joost op haar schoot +op de canapé zitten, waar het bijna donker was. Het hinderde haar niet, +dat z'n handjes vuil en warm waren, en dat er 'n burgerluchtje van +bleekpoeder en slechte zeep aan z'n goed en z'n gezichtje was. Ze +leunde haar wang op z'n borstelige, warme haarbol, en verwonderde +er zich over, dat ze, toen haar eigen broertjes en zusjes zoo klein +waren, nooit dát gevoel van onzegbare teederheid voor ze had gehad, +dat haar nu de tranen in de oogen bracht. Het zou wel komen, omdat ze +toen zelf nog zooveel jonger was, zelf nog te veel kind, dat teederheid +vroeg in plaats van te geven. Ze had wel veel van ze gehouden altijd, +en met ze gesold en gestoeid, maar ze kon zich niet herinneren ooit zoo +stil te hebben gezeten in 'n schemerige kamer, met een kindje tegen +zich aan, en dat heerlijk te hebben gevonden. Eerst hadden ze nog +'n beetje gepraat over 't nieuwe broertje, en of hij den volgenden +dag weer wou komen spelen?.... ja, hij wou wel,--maar tante moest dan +naar háár moeder toe, en haar eigen broertjes en zusjes,... maar die +waren al grooter dan Joostje;--toen was hij stil geworden, moe van +den drukken dag, en hij sliep nu bijna, maar bewoog toch telkens, +ging met z'n knuistjes over de kleine, vergulde knoopjes van haar +halsboord, of draaide aan de ringen van haar hand. + +Daar werd gebeld. "Nu moeten we even samen open doen, Joostje. Dat kan +toch tante Else nog niet zijn," en met 't kind om den hals ging ze weer +naar de deur: dien heelen dag had ze al als bellemeisje dienst gedaan. + +Juffrouw, is juffrouw Gerzon.... god, Go, ben jij 't?" En Eduard van +Neerwinden keek haar vol verbazing in 't blozende gezicht, en dan naar +'t kind, dat zich stevig aan haar vastklemde. + +Ja, Else is uit.... en de juffrouw heeft 'n kindje gekregen, en +nu hebben wij de kleintjes bij ons gehad;... maar kom toch binnen; +ze komt gauw terug." + +"Maar die kleine baas?" Eduard gaf 'm 'n tikje op de roode wang, +en Go was blij, dat hij zoo lief was tegen kinderen. + +"O, als je goed vindt, breng 'k 'm eventjes naar boven toe. Hij moet +toch naar bed, hè vent? Wacht; dit moet je meenemen"--en ze gaf 'm +'n reep chocolaad,--"zeg nu meneer goeiennacht,... neem 'n stoel, +zeg; ik kom zóó terug." + +"Nacht oome," zei 't kind gedwee, en Go proestte, terwijl ze de +kamer uitliep; het was zóó dwaas, zoo'n elegante jongen, zoo'n +hyper-verfijnde "oome" te hooren noemen. + +Hij keek om zich heen, om 'n beetje idee te krijgen van haar smaak +en haar ontwikkeling: die groengekapte studeerlamp gaf 'n aardige +verlichting, maar wat er aan den muur hing, m'n hemel, wat was dat +hopeloos banaal en onpersoonlijk, zoo echt, wat je op elke kamer +vinden kon: de "Jeugd" van Pier Pander in 't wit-met-goud-lijstje, +'n chromogravure van "Let the baby pass", 'n bont-bloemige kalender, +'n sentimenteel-bolwangige "Mignon" uit de "Jugend", en 'n paar +neutrale landschapjes, vermoedelijk uit 'n album van "moderne kunst" +of zoo iets. + +Op de schrijftafel 'n rijtje prachtbandjes van de beste moderne +Hollanders: Kloos, Van Deyssel, Gorter, Roland Holst, Hélène Swarth, +zelfs Boutens--maar van buitenlanders niets dan 'n dun deeltje Shelley, +waarom hij ongeduldig de schouders ophaalde: cultuur nihil natuurlijk, +niets gelezen dan wat je op 'n gymnasium van duitsche, fransche en +engelsche klassieken leert; en verder 'r hoofd volgepropt met die +heerlijke, prachtige, rijke, hollandsche literatuur, waar in de heele +wereld toch maar zeker niets boven gaat.... alleen maar Shelley; en +gemelijk nam hij de portretten op, die er naast stonden, bleef geboeid +nu kijken naar die groote, gezellige familie, die gemoedelijke vader +en moeder met al dat kroost er om heen, zeven telde hij, en Go zelf, +dat 's acht; wat 'n leuke troep.... en aardige snuitjes, ze lijken +op elkaar.... Go heeft 't zelfde als dat kleintje.... En hij stond +er nog mee in z'n hand, toen ze weer binnenkwam, keek haar nu ánders +aan, scheen haar beter te begrijpen, nu hij wist, dat ze de oudste +van zoo'n groote familie was. + +"Wat moet jíj 'n gezellig thuis hebben," zei hij hartelijk, en ze +vond het prettig, dat hij de portretjes aardig vond, en kwam naast +'m staan, om hem er over uit te leggen: "Die broer volgt op mij; hij +is nu in de vijfde van de jongens-burger, en wil architect worden; +dat zusje is op 'n particuliere school,--ze is 'n beetje zwak, en +houdt veel van huishouden;--hij gaat op 't gym,.... en vin-je dát geen +schat: 't is 'n bengel, zie je; maar 'k geloof, dat er wat in zit; +hij schildert zoo aardig, en nu heeft Pa 'm op de teeken-academie +gedaan,.... de kleintjes zijn nog op de lagere school; kijk, dit is +de jongste.... ze is acht." + +"Die lijkt op jou," zei hij, 't portret fixeerend, maar ze zei +wat bruusk: + +"Wel nee, die is sprekend vader, en iedereen zegt, dat ik op moeder +lijk," maar bang, dat hij boos zou worden om haar tegenspreken, vroeg +ze gauw, of hij geen heerlijk gevoel had, nu dat examen achter den +rug was, en of hij niet blij was met z'n mooie iudicium. + +Hij dankte haar nu voor 't briefje met gelukwenschen, dat ze 'm +had gezonden, maar begreep niet, waarom ze 't niet mondeling had +gedaan. Hij herinnerde zich toch, dat hij 'r in de gang gezien +had.--Och; ze was zenuwachtig geweest;.... ze was maar dadelijk +weggeloopen.... + +"Maar de fuif was toch zeker wel erg prettig, hè?" Ze ging zachtjes +heen en weer in den hoek van de kamer, stil bezig met thee te zetten, +en zoo ongemerkt mogelijk den rommel van de chocolade-partij van dien +middag op te bergen. + +"Ja, 't was 'n dolle boel; we hebben er na nog gereden, naar Den Dijl." + +"Ik kwam 's avonds door de Breestraat.... en ik hoorde de vroolijkheid; +ik was toch zoo dolgraag even naar binnen geloopen, om tenminste +'n uurtje mee te doen." + +Hij nam in gedachten de thee van haar aan, tikte met z'n smallen voet +op den rand van de kachel. + +"Je hebt er, geloof ik, geen idee van, hoe 't op die fuiven eigenlijk +toegaat, en hoe wij, jongens, doen, als we onder elkaar zijn." + +"Nee, dat heb ik ook niet," bekende Go ernstig, "wij meisjes zijn +nooit zoo 's echt kinderlijk-uitgelaten, zoo 's jolig-dwaas." + +"Dat zijn wij ook haast nooit. Ik geloof, dat ik in m'n heele leven +pas één onschuldig-leuken fuif heb meegemaakt: op de kermis, toen er +'n rutschbaan was,.... of nee, nóg wel 's 'n fakkeltocht, of als we +hardliepen of worstelen gingen.... maar bijna altijd...." + +Hij legde 'n paar beuken blokken op den haard, die knetterend vlam +vatten, en 'n lekkeren geur gaven in de kamer. De gloed speelde +over Go's luisterend gezicht, en hij voelde zich getroffen door de +veilige stilte van de kamer met de dikke, gesloten gordijnen, en de +ouderwetsche deur; de welbekende stad van jolijt en onvoldaanheid +scheen hier iets verafs, 'n akelig fantoom, en, zonder zich rekenschap +te geven, wáárom hij tegen dit kind open wilde spreken,--was 't +wezenlijk 'n behoefte zich te uiten, of slechts 'n nieuwe, om haar +onverwachtheid te aantrekkelijker pose--, begon hij met z'n zachte, +moeë stem: + +"Jullie meisjes kunnen je zoo heelemaal geen voorstelling maken, hoe +wij eigenlijk zijn, als we ons niet in bedwang houden. Ik geloof, +dat jullie altijd precies eender bent, of er jongens bij zijn, of +dat je onder elkaar praat. En daarom denken jullie dat natuurlijk +ook van ons;.... maar 't is zoo anders, we hebben eenvoudig 'n ander +vocabularium, als we onder elkaar zijn; op de kroeg wordt bijna +geen gesprek gevoerd, waar 'n meisje naar zou kunnen luisteren;--ik +begrijp niet, hoe lui als De Veer, die dat toch allemaal weten, +over de mogelijkheid kunnen spreken, dat de clubs nog 's zouden +samensmelten.... Het is 'n eeuwen ingeroest kwaad; en wie dàt zou +willen veranderen...." + +Go zat 'm aldoor aan te kijken, haar groote, grijs-blauwe oogen vol +triestige ongeloovigheid, en nu viel ze kort en overtuigd in: "Maar +ik begrijp het niet.... ik weet ook zeker, dat 't niet waar is. Als +jullie ook wel over verkeerde dingen praat, dan is dat 'n aanwensel, +'n slechte gewoonte, die de een van den ander overneemt; maar je zoudt +het eigenlijk allemaal met plezier laten. Zooals jullie bent, waar +wij bij zijn, zooals je dan praat, zooals je je dan voor allerlei +dingen interesseert, zoo ben je eigenlijk.... Jij bent eigenlijk, +zooals je nú bent.... dat weet ik zeker, en je stelt je aan, als je +doet, of je 'n slechte jongen was.... En daarom zou 't zoo goed zijn, +als wij, meisjes, op de kroeg kwamen; het zou voor ons allemaal zoo +vreeselijk goed zijn. We zouden elkaar zoo aanzetten om ons voor meer +dingen te interesseeren, we zouden zooveel beter worden." + +"Wat weet je er van, van de hopeloosheid, redding-onmogelijkheid, +van de meesten in ons corps? Je bent 'n meisje, èn eerstejaars.... Je +weet zoo weinig van ònze wereld, en van de misère en den ondergang +van het mooiste onder ons." + +"Ik vóel het," zei Go, de oogen vol tranen. "Dáárom wil 'k juist +helpen." + +Hij schudde het hoofd; wat 'n kind was ze nog, met zoo'n spontaan +vertrouwen in de kracht van haar wil en haar vrouw-zijn; met zoo'n +fellen drang tot verzet tegen 't onvermijdelijke. + +"Vonden ze thuis niet heel erg je hierheen te laten gaan?" + +En hij dacht, hoe hij z'n dochter nooit in 'n studentenstad zou willen +sturen; hij zou 'r veilig thuis houden in volkomen onwetendheid, +en dan laten trouwen, overgaande van de eene afhankelijkheid in de +andere, zonder levens-bewust-worden. De vrouw wás lief als "bezit", +als 'n levend ding, dat zich heelemaal gaf; zoodra ze iets van den +man ging overnemen, werd ze onverdraaglijk om haar niet-te-miskennen +inferioriteit;... hij glimlachte even bij 't idee, wat Go zou zeggen, +als ze die "ouderwetsche" gedachten van 'm wist; hij kende de vrouw +nu eenmaal niet anders... + +"Ach neen, er bleven er toch nog zooveel, en ik kom iedere week weer +thuis! Waar wonen jouw ouders eigenlijk?" + +"Ze zijn al heel lang in Italië.... sinds m'n broertje gestorven +is. Toen is moeder ziek geworden; en nu blijven ze daar in 't zachte +klimaat en m'n vader schildert er veel in de museums. Ik ben tot +m'n zestiende jaar bij hen geweest; toen hebben ze me naar Holland +gestuurd, om voor 't staatsexamen opgeleid te worden, en daarna +heb ik ze nog maar eens gezien; dat is vijf jaar geleden. Toen heb +'k drie maanden in Milaan bij ze gelogeerd." + +"O, hoe akelig, dat je geen thuis hier hebt." En Go dacht, of hij niet +'s een vacantie bij hún zou kunnen komen; want moeder zou hij zeker +aardig vinden, al was 't verder te druk en te burgerlijk voor hem. + +"Och, ik heb veel vrienden, en kom ook nog al bij familie aan +huis.... 't Is al zoo lang zoo, dat ik 't me niet anders meer +voorstellen kan.... Eerst vond ik 't wel heel akelig, want ik was +juist altijd meer met m'n vader en moeder samen geweest, dan andere +jongens.... Ik had 'n gouverneur aan huis, en ze gaven me ook zelf les, +vooral in muziek en in kunst- en literatuurgeschiedenis.... Toen ik bij +den rector in Arnhem was, vond ik eerst alles erg raar, en de jongens +plomp en onbeschaafd,.... maar de menschen waren zoo vriendelijk +voor me, en ik kreeg toch ook plezier in ruw jongensspel;.... het +waren prettige, onbezorgde jaren.... Toen ik hier kwam, was ik +achttien.... net als jij. En ik kon de lucht hier niet verdragen; ik +kreeg dadelijk erge koorts, malaria, ergens op 'n vreemde kamer op den +verlaten Morschweg, waar ik was gaan wonen, om nog wat van buiten te +hebben. De menschen waren niet kwaad, maar ik lag toch altijd alleen; +vrienden had ik toen nog niet,.... ik werd gék van het droomen; ik +weet niet, of jij ooit erge droomen hebt gehad; maar ik was er dol +van en liep 's nachts alleen over m'n kamer in 'n razenden angst, +om wat ik wist, dat toch niet waar was.... Toen ik zoowat beter was, +wilde ik geen oogenblik meer alleen zijn. Ik was eenvoudig báng van +de kamer, waar ik zooveel had doorgemaakt. Ik was toen nog erg zwak, +maar zat toch altijd op de kroeg, en 's nachts nog laat bij allerlei +lui op de kamer, of we gingen rijden of boemelen. In dien tijd heb ik +Bruno gekocht, dat ik tenminste 'n levend wezen bij me zou hebben, +àls de angst terugkwam. 's Nachts lag hij voor m'n bed, en ik riep +'m soms bij me en hield 'm in m'n armen, om z'n adem te voelen, z'n +menschelijke oogen te zien, die me rust gaven.... Al die eerste jaren +heb ik met m'n gezondheid te vechten gehad, maar gaan liggen wilde +ik niet meer, en ik foof en kreeg 'n heeleboel vrinden. Toen ben ik +na m'n candidaats op raad van den dokter naar Italië gegaan. Dat +was eerst erg akelig, de eerste maanden.... Ik had er nooit over +gedacht, maar nu merkte ik, hoe 'k geestelijk achteruit was gegaan, +dat 'k vreemd was aan de gedachten en idealen van vader en moeder; +dat er iets aan m'n gevoel was afgestompt; dat er iets moois in me +was onderdrukt,.... ik weet niet precies, hoe; maar 'n avond, toen ik, +nadat ik lang met ze had zitten praten, naar buiten was gewandeld, heb +ik er om gehuild. Het zijn allebei bizondere menschen, niet zoo erg +'n vader en moeder misschien.... ze hebben me nooit 'n raad gegeven; +maar zoo'n mooi voorbeeld. Ze hebben nooit er op aangedrongen, dat +'k hun alles van m'n leven zeggen zou.... Ze leven meer om ideeën dan +om feiten.... maar wat 'n invloed hadden ze indirect op m'n leven. Ik +voelde iederen dag me meer inleven in hun gedachtensfeer; het leven, +dat ik híer geleid had, leek me zoo banaal.... Je bent dáár anders, +en ik dacht, dat ik 't nu ook hier zou kunnen zijn...." + +Hij keek in den haard naar de blokken, die bijna waren verbrand en +langzaam-glijdend ineenstortten. Hij zag, dat Go onbeweeglijk zat, +als bang de herinnering te storen. En, teruggekeerd tot het leven +van alledag, wetend, dat hij hier zat in Leiden, in 'n gewone kamer; +dat alleen het wonderlijke was, dat er 'n zóó stille avond kon komen +in dat drukke, roezige leven,--en eigenlijk niet begrijpend, welk +dwaas toeval dit jonge, droomende kind tot zijn biechthoorster had +gemaakt,--sprak hij door met luchtiger, gemoedelijker klank in z'n +stem, telkens slechts even ontroerd, als hij de emotie zag op haar +huiverend gezicht. + +"Dat is nu vijf jaar geleden; ik was toen net een-en-twintig +geweest. Er is sprake van, dat m'n vader me hier 's zal komen +opzoeken. Maar ik hoop eigenlijk, dat het niet gebeuren zal. We +zijn nu nog veel meer van elkaar vervreemd. Toen foof ik, omdat ik +'t leuk vond,--maar ik voelde vaak, dat 't verkeerd was.... Nu, je +weet het, ik heb 't je al meer gezegd, is 't me vrij onverschillig, +wát 'n mensch doet. Alles is nutteloos, en 't eenige doel is je tijd +zoo aangenaam mogelijk door te brengen. 'n Aangenamer manier dan +flink fuiven en flink werken heb ik niet kunnen vinden--en zoo heel +prettig is 't toch niet...." + +"O, 't spijt me zoo vreeselijk, dat je zoo praat, en 't komt heelemaal, +omdat je altijd zoo alleen bent.... Jullie allemaal, die verkeerd +doen, moest 'n tehuis hebben, gezelligheid. Konden wij jullie dat +toch maar geven. Ik wilde, dat alle eenzamen naar ónze kamers kwamen, +als ze behoefte hadden aan wat vrouwelijke hartelijkheid.... Ik zou +zóó graag veel geven...." + +Haar stem brak van opwinding, en Eduard voelde zich wonderlijk +ontroerd. + +'n Lief, hevig, eerlijk kind was 't; en die was nu alleen onder +die ongelukkige jongens gekomen! Ja, dikwijls met zoo'n meisje te +praten moest toch wel goed doen aan hun ideaalloosheid, en háár +liefde.... En, héél moe van dat ellendige leven, dacht hij er even +over, haar te vragen z'n beschermengel te willen worden,--maar m'n +hemel, wat was haar ontwikkeling, wat had ze gezien en gedacht en +gelezen,--en natuurlijk zou ze toch met 'm mee willen leven, alles van +'m willen weten en 'm raad willen geven;--ze stonden immers op 'n heel +verschillend ontwikkelingsplan: hij was heelemaal van de oude traditie, +van de rechten van den man en de plichten van de vrouw..... en zij +leefde in het jonge bewustzijn van gelijke naast gelijke--niet +er over debatteerend, er om strijdend op politiek gebied,--maar +diep in eigen wezen het als waarheid erkennend.... En dan--'t zou +immers beider ongeluk zijn;--ze was veel te goed voor hem, en zoo'n +decadent kon toch niet trouwen.... z'n dòchter zou nooit studeeren; +z'n dòchter;.... alsof hij.... + +"Je moet me niet zoo aankijken, Go," zei hij zachtjes; "dit is allemaal +niet zoo vreeselijk als je denkt.... Het is zoo gek, dat jullie +meisjes altijd dingen zegt, die je erg meent, hevig voelt. Dat jullie +zoo heelemaal niet kent onze blague, onze gevoels-ontveinzing.... En +dóór je eerlijke openheid maak je ons vanzelf ook zoo, als we met +jullie praten: ernstig, zwaar-op-de-hand, sentimenteel bijna. Praat ik +ooit tegen iemand, als tegen jou? Vind ik m'n leven treurig, als jij +niet bij me bent, die me met je groote meelijdende oogen suggereert: +"arme jongen, eenzame lijder...." Onzin, onzin.... Ik ben immers zelden +verdrietig.... jij máákt me melancoliek, of misschien heb ik vandaag +'n kater." + +"O, Eddy, ik wou maar, dat ik je helpen kon." + +Hun oogen gingen in elkaar; van beiden zacht in medelijden. + +Maar nu knarste het slot van de buitendeur, en 'n oogenblik later +was Else in de gangopening. + +"Dag Go, hé Van Neerwinden, ben-jij hier?" + +"Ja, en eigenlijk om jou te spreken." + +"Zoo; en wat is er dan?" + +Ze stond bij de lamp haar handschoenen uit te trekken, en het viel Go +op, hoe mooi ze was: de groote, zwarte hoed gaf achtergrond aan haar +anders wat vlak gezicht, en haar frissche kleur, van de buitenlucht, +was bekoorlijker dan haar meestal verfijnde bleekheid. Eduard keek +ook naar haar; en Go wist, wat hij dacht, terwijl hij praatte: + +"Hans en ik hebben bedacht, dat het zoo aardig zou zijn, als jij +nu ook in 't bestuur kwam;---je zit toch al steeds achter de groene +tafel.... figuurlijk gesproken, en Rolands wilde aftreden. We hebben +'t er nog niet met Herderts over gehad, want eerst moet jij zeggen, +of je zou willen--en dan moeten we onderzoeken, of we genoeg stemmen +kunnen krijgen; Beerenstijn is natuurlijk tegen, maar dat hindert niet, +als hij de eenige is." + +"Zou ik dan quaestor worden.... of hoe heet 't vrouwelijk: +quaestrix?.... Ik zou natuurlijk dolgraag willen, Neerwinden, en Han +zal het zoo leuk vinden...." + +"Van mij is dit voorstel natuurlijk groote edelmoedigheid," praatte +Eduard, "op bestuursvergaderingen zal ik als "dritter im bunde" +nog maar net gedúld worden." + +Hij fixeerde haar lachend, en haar oogen antwoordden hem; 't scheen +Go even, of ze iets flikkeren zag tusschen hem en haar. + +"'t Zal gezellig zijn met ons drieën," zei Else toen luchtig, en +Eduard stond op om afscheid te nemen. + +Go beantwoordde het intieme handdrukje niet, liet Else hem uitlaten. + +"Wat leuk," praatte die, weer binnen, "om in 't bestuur te +komen;.... denk jij, dat er iemand tegen zou zijn? Han zal 't zoo +prettig vinden." + +Go zette de kopjes in elkaar: "Er is nog thee," zei ze kort-af, +"je kunt nemen." + +"O, hebben jullie thee gedronken? Was hij er al lang? 't Is toch +eigenlijk 'n rare jongen, hè, anders dan de verdere leden van +Laborando;--wel aardig,--maar 'n flirt. 't Was maar goed, dat Han +er niet bij was; die zou woedend zijn geweest, als hij gezien had, +hoe-die me aankeek, daar straks." + +"Als Han er geweest was, zou jij óók anders hebben gedaan," beet Go af. + +"Ik? Gunst, ik heb niets gedaan; ik begrijp niet, wat je meent," en +met 'n eerlijk-verbaasd gezichtje haalde Else de schouders op, keek +Go 's aan: er was nog nooit iets tusschen hen geweest, zelfs geen +klein kibbelarijtje; ze kon Go's boos-kijken onmogelijk verklaren, +maar kalm filozofisch zei ze, dat ze zeker nog moe was van 't gesjouw +van dien dag: "Kom, laten we vroeg naar bed gaan." + +"Nee, ga jij maar; ik blijf nog." En Go schoof wijd het raam open, +leunde haar gloeiend hoofd in den kouden, strakken winternacht. + +Het was heel stil op het grachtje, waar de huisjes onder de witte +maansneeuw sliepen, het oude brugje leek 'n blanke poort naar de +dicht beboomde kerkgracht; op de schuit voor het huis blonk rijp aan +de masten. Er waren bijna geen menschen op straat; soms stapte iemand +hol over de harde brug, maar dan ging hij links af; geen kwam voorbij +haar raam. De blauwe stoep beneden leek bijna wit in 't bleeke licht. + +Ze leunde verder naar buiten, dat de wind haar haren òp-woelde. Wat was +ze toch dwaas geweest zooeven, tegen Else. Wat had die nu eigenlijk +voor vreeselijks gedaan! Ja, 't was jammer, dat ze net binnen was +gekomen, toen ze zóó volkomen vertrouwelijk waren, maar 't meeste +was toen toch al gezegd; en op een of andere manier moest er toch +'n einde aan komen,.... of was 'n ànder einde mogelijk geweest? + +Ze had 'm lief;... ja, nu zou ze 't zich bekennen; ze had 'm +lief... ze had lief; o, nu begon voor háár ook dat wondere, +waar ze al zoo dikwijls over had gedacht, maar dat ze nog nooit +zelf had ondervonden. Nu wist ze, dat het eigenlijk van 't eerste +oogenblik af liefde was geweest, van dien avond af, dat ze 'm had +zien komen in de gang, en Else niet had kunnen antwoorden, omdat +ze voelde: van hem hangt m'n leven af; en dat was zoo gebleven, +onder de vergadering, en sterker geworden, toen ze op het soupertje +over levensopvattingen hadden gesproken, en ze even de melancolie +van z'n bestaan had gevoeld; omdat ze 'm liefhad, had ze zooveel +angst uitgestaan op dat examen, terwijl ze meende, dat 't maar was, +omdat ze zoo iets voor 't eerst meemaakte, en vanavond, vanavond, +in hun volkomen eerlijkheid, was het gebeurd, nu voor altijd:--ze was +heelemaal naar hem opengegaan;--ze wist niet, hóe 't was geweest, maar +'t had geleken, of ze naar 'm toegroeide onder z'n droevig praten, +of haar medelijden en haar liefde en bewondering lange ranken werden, +die zich om 'm heen wonden. Bewondering--ja, ook na z'n bekentenis, +en grooter juist: want welke jongen zou zoo lief-berouwvol z'n heele +leven hebben opengelegd? Zoo iemand kón immers niet slecht zijn--nee, +goed en groot was hij, maar neergehaald door de omstandigheden; hij +zelf leed er zoo onder; maar ze zou 'm wel opheffen, ze zou 'm mogen +helpen, en o, ze wilde er niet blij om zijn om hem, omdat hij het +treurig vond,... maar voor haarzelf was 't zoo zalig, iets groots, +iets moeilijks voor hem te kunnen doen.... Ze had 'm vanavond niet +genoeg gezegd; ze had moeten zeggen, dat ieder goed zijn moet, omdat +daar buiten geen bevrediging is, omdat slechtheid onvoldaan en onrustig +maakt;--maar hij geloofde niet aan goed en slecht; hij praatte alleen +van je leven zoo aangenaam en ongemerkt mogelijk doorbrengen,--en +hij had zooveel gelezen, filosofen en zoo;--ze was maar 'n dom kind, +zou ze 'm wel ooit kunnen helpen om te leven? Maar ze hield van 'm, +en dat vermag meer, dan de wijsheid van de heele wereld. Zou haar +liefde alleen hem niet al misschien met alles verzoenen?--Er kwamen +'n paar pratende menschen voorbij en ze hield even op met haar denken. + +Dat hij geflirt had met Else was juist 'n teeken, dat hij om die niet +gaf. Dat zou hij nooit met háár doen. Tegen háár was hij eenvoudig en +eerlijk en hartelijk; waarom had ze z'n handdruk niet beantwoord? Zou +hij nu denken, dat ze boos en jaloersch was, haar 'n bekrompen +meisje vinden? Ze zou 'm schrijven; dat zou ook makkelijker dan +praten gaan. Ze zou 'm alles, wat ze van levenswijsheid kon bedenken, +vertellen; en hij zou haar liefde uit ieder woord voelen. + +--En Else, goeie Elsi, die heelemaal niet begreep, wat ze voor kwaad +gedaan had, zou ze morgen vragen niet meer boos te zijn. Ieder mensch +was immers anders: Elsi kon veel van Han houden, en toch flirten met +'n ander, terwijl zij--- + +Er kwam weer 'n man 't grachtje af, die haastiger ging stappen, +toen hij 't huis naderde. + +"Ben jij 't, Gé? Hoe kom jij verzeild op dit stille grachtje?" + +"Ik loop hier dikwijls 's avonds; ik houd er van. Maar anders ben-je +altijd al naar bed; hoe kom-je nog zoo laat op? En met 'n open raam; +je zult kou vatten." + +"Het is zoo heerlijk buiten, dat 't zonde is om naar bed te gaan." + +"Wacht je nog op Elsi? of lig-je zóó maar te kijken?" + +"Nee; Elsi is al naar bed.--Ik lig maar te kijken naar de huizen en +het brugje en de schuit--en ik denk." + +"Wat denk-je dan, iets diepzinnigs?" + +"Ik denk, dat 't leven zoo heerlijk is." + +"Zoo zoo; en hoe komt dat zoo ineens?" Hij ergerde zich aan z'n +harden stemklank in den geluidloozen nacht, en temperde hem tot +'n onaangenaam, scherp fluisteren. + +"Ben-je den heelen avond alleen geweest, of is er nog bezoek gekomen?" + +"Van Neerwinden was er... om Else," voegde ze er haastig bij, zelf +niet begrijpend, waarom dit politieke uitvluchtje volgde; mocht hij +'t niet weten? Ze gaf zich geen rekenschap van de onrust, die haar +snel verder praten deed: "We hebben den heelen dag de kleintjes van +de juffrouw bij ons gehad; ze heeft 'n kindje gekregen." + +Hij ging er even zonder belangstelling op door, keek naar haar +ontroerd gezicht, in den glans der groote oogen. En zij, verlangend +over Eduard te spreken, spijtig, dat ze zooeven het onderwerp was +ontvlucht, zocht het gesprek naar 'm terug te leiden, zweeg, toen ze +geen overgang vinden kon. + +Ze keken samen stil over de verlaten gracht. + +"'t Zal vriezen vannacht," zei hij, zonder bij z'n woorden na te +denken. + +Maar nu vroeg ze opeens dringend: "Vin-je niet, dat jongens toch +dikwijls wanhopig eenzaam zijn? ondanks al hun schijn-vroolijkheid +in werkelijkheid verlaten en op zichzelf aangewezen?" + +Hij fronsde de wenkbrauwen; begreep. + +"Dat zijn in hun diepste wezen alle menschen. Door 'n ander volkomen +begrepen worden, bestaat niet. Ieder heeft alleen zich zelf. Daarom is +het beste te zorgen, dat we ons zelf prettig en goed gezelschap zijn." + +Hij zag, dat z'n antwoord haar ontstemde; ze voelde de verborgen +vijandigheid. En z'n harde stem moest hinderen na 't welluidend +gevlei van dien ander; o, die kon zingen met z'n stem, dat grof +materialisme in háár oogen iets hoogs en heerlijks werd. Hoe haatte +hij dien veroverenden aansteller! + +"Nu moet je maar gaan slapen," zuchtte hij na 'n stilte. "Hoor, +'t is al elf uur." + +Ze bleef nog even luisteren naar 't carillon, dat vaag kwam uit de +verte door den stillen nacht. + +"De wind is den anderen kant uit," zei ze droomerig; stond toen op +om het raam te sluiten, zag hem groetende terug gaan naar 't brugje. + +In de warme kamer, waar ze niet meer aan had gedacht, stond ze opeens +alleen. Hier hadden ze gezeten, samen, Eddy en zij; hier hadden ze +gepraat, en was het alles gebeurd. + +En opeens stond de gedachte klaar in haar hoofd, dat ze liefhad. Ze +zag het, ze voelde het, als iets, dat haar nu eerst goed bewust werd. + +En overstelpt door de heerlijkheid van haar geluk reikte ze met haar +armen hoog uit; liet toen zich neervallen op de donkere canapé, waar ze +met het kind had gezeten, en snikte zalig, de handen voor haar gezicht. + + + + + + +HOOFDSTUK XII. + + +De trein hield stil,--daar stond Eduard boven op de bergen;--"Go," +riep hij, "Go,"--maar ze kon niet naar 'm toe; Gerard duwde haar in de +coupé terug;--nu schreeuwde hij hoe langer hoe harder, 't klonk boven +het wielengeratel uit; de bergen wankelden;--"Ja" zei ze opeens, stond +slaapdronken voor haar bed in de donkere kamer, "ja; riep je, Else?" + +"O, Go, ik voel me zoo akelig; ik heb zoo'n vreeselijke maagkramp." + +Go tastte naar haar toe, door de duisternis, die ondoordringbaar +was. Ze liep met 'r handen voor zich uit, kon die zelfs niet +onderscheiden; haar bloote voeten kletterden op het koude zeil. + +"Hier ben ik; ik sta naast je bed; hoe komt dat nu? Is 't net +begonnen?" + +"Nee, 'k heb 't al 'n heele poos; ik heb maar 'n uurtje geslapen, +toen werd ik al zoo akelig wakker er van,--en 't wordt hoe langer +hoe erger." + +"Arm kindje, maar had me dan toch eerder geroepen." + +"Och, je sliep zoo vast--ik heb soms wel 's zachtjes: Go, gezegd, +maar dat hoorde je niet." + +"Nee, ik sliep ellendig diep,--stakker; wat zullen we nu doen! Ik +zal eerst maar 's licht maken." + +En ze ging terug naar de tafel, tastte rammelend naar lucifers +en kaars. + +"Eigenlijk ben ik zondagnacht ook al 'n beetje niet lekker geweest," +praatte Else, gedeeltelijk gerustgesteld, nu er iemand zich met +haar bemoeide, "maar ik was bang, dat 'k niet weg zou mogen, als ik +'t zei tegen moeder; en dat zou zoo akelig zijn geweest om Han." + +Go had de kaars nu op 't nachttafeltje gezet, voelde Else's voorhoofd +en handen, zooals moeder bij haar altijd deed, en keek peinzend in +haar verhitte gezicht. + +"Ik geloof, dat je koorts hebt; 'n beetje. Heb-je wel warme voeten?" + +"Ja, ik ben heelemaal gloeiend; maar dat komt van de pijn; daar +krijg-je 't zoo benauwd van." + +"Zou ik 's wrijven; of zou 't kou zijn? Warme compressen?" + +"Ja maar hoe maak-je die? We hebben hier niets," en Else zuchtte. + +"Wordt 't erger?" vroeg Go nerveus, de klamme handen in de hare +klemmend. "Ik kan natuurlijk water gaan koken, en heete zakdoeken op +je maag leggen." + +"Ja, dat zou wel goed zijn, maar kom-je gauw terug?" + +Rillerig liep Go door de donkere gang, zich stootend tegen de trapdeur, +die openstond en luid knarste. Ze was bang, dat ze de juffrouw zou +wakker maken, zocht lang naar lucifers, om 't licht aan te steken +in de dompig-donkere kamer. Het vroolijke klokje stond op twee uur, +en ze bedacht, dat ze nog nooit om dien tijd hier binnen was geweest, +schrikte van haar bleek gezicht boven de lange, witte pon, eerst in +den bonheur du jour, dan in den grooten spiegel. + +Er was geen water in de karaf of in den ketel, ze zou dus heelemaal +achter in de gang het moeten gaan halen; ze ging nog even bij +Else kijken, om te zeggen, dat ze dadelijk terugkwam; de kilte van +de steenen kroop akelig tegen haar beenen op, zoodat haar knieën +klapperden. 't Was ook net, alsof er iets vreemds was in de voorkamer, +dat er anders niet was; of de meubels dieper zwegen, en de spiegels +feller oogen hadden. Ze schrikte telkens op, om de leege stilte achter +haar, was blij, toen ze in de slaapkamer de zakdoeken kon gaan zoeken. + +"Je moet wat aandoen, Go. Zoo vat je kou," zei Else. + +Ze schudde van 't rillen in haar dunne nachtjapon, schoof de voeten +in warme pantoffels. + +"Ja, 'n cape of zoo iets; want verbeeld je, dat "Pa" ons hoort, +en naar beneden komt om naar de dieven te kijken... Hoe is 't nu, +Elsje-kindje? Ik ga warm water voor je halen, hoor." + +Ze brandde haar handen bijna, toen ze het doekje uitwrong en pijnlijk +prikten de wortels van haar nagels. + +"Is 't lekker? Doet 't goed?" + +"Huu, het brandt," kreunde Else; maar: "Dat moet ook," zei Go voldaan; +ging gauw 'n nieuwe maken, bijna vallend van de haast door de te +wijde pantoffels. Op de tafel stonden nog de glazen en kopjes, die ze +den vorigen avond gebruikt hadden en de groote melkpan, waar 't vel +aan den rand was aangebakken. In het midden lag het briefje voor de +juffrouw met de boodschappen voor den volgenden dag, en ze dacht er +over de pint melk in 'n "kopje" te veranderen, en iets als Eau des +Carmes, of pepermunt er bij te schrijven,... maar misschien zouden +die compressen al genoeg helpen, zou Els morgen wel weer beter zijn. + +Iedere vijf minuten kwam Go nu de kamer in, de heete compres snel +tusschen de handen heen en weer gooiend om zich niet te branden, +en Else liet zwijgend met zich doen, telkens even zuchtend, als de +heete de killerig-klamme doek weer verving. + +"Zakt het nu een beetje?" + +"'n Heel klein beetje,... maar ik heb ook zoo'n erge pijn in m'n +beenen." + +"Ik zal je nog een deken geven,... en de kussens van de canapé +halen,... je hebt kou gevat." + +"Maar dan heb-jij niet genoeg." Zij gooide zich woelerig van den +eenen kant naar den anderen, en plukte met haar vingers aan het dek. + +"O, dan neem ik het tafelkleed; dat is heelemaal niets... Wacht, +ik zal nog gauw 'n compres gaan halen, èn de kussens." + +Het was nu half vier, en in Go's hoofd was 'n groote leegte; ze streek +Else's haar achterover, en vroeg, of ze ook nog iets anders voor haar +doen kon. + +"Nee, hou nu maar op met de compressen... 't Heeft wel wat geholpen." + +"Maar als 't helpt, kan ik er immers nog best 'n poos mee doorgaan." + +"Och neen, dat maar niet; ben-je moe? Of wil-je nog 'n beetje bij me +blijven zitten?" + +"Ik ben zoo wakker als midden op den dag. Zal ik je 'n verhaaltje +vertellen? Dat doe ik thuis altijd, als één van de kleintjes in bed +moet blijven." + +"Hè ja, vertel wat," zei Else, "maar neem dan eerst 't tafelkleed +over je beenen, dat je niet koud wordt." + +Go vertelde de vermakelijke geschiedenis van Reinaert, telkens stukjes +reciteerend, die zij of Lou of Coba voor responsie hadden gehad; en +Else lag stil nu, speelde met de knoopen van de lange, blauwe cape, +en keek, of ze zoo'n klein beetje ziek-zijn wel leuk vond. + +"Wat gezellig," zei ze dankbaar, "weet je nog zoo iets aardigs?" en +Go dacht over "Karel ende Elegast," maar de klokken sloegen rinkelend +door het huis vier uur, en daarom zei ze, dat ze liever moest gaan +slapen. Else had niet veel zin, klaagde brommerig, "dat het écht +nog niet heelemaal over was," maar Go stopte haar beslist in, legde +lakens en dekens glad, gaf haar toen 'n zoen op 't warme voorhoofd en +commandeerde: "Nu slapen," terwijl ze zelf nog 't licht in de voorkamer +uitdraaien ging, dat daar zoo vreemd had staan branden in die leege +kamer van het dood-stille huis; toen kroop zij zachtjes ook in bed, +luisterend nog naar den anderen hoek der kamer. Ze wilde wakker +blijven, dat Else niet weer zoo lang zou moeten roepen; eventjes +sluimerde ze in, telkens weer rechtop schrikkend, of er toch niets +was. Maar toen 't vijf uur had geslagen, voelde ze zich zwaarder +en zwaarder worden; ze zei nog: "Else," maar er was geen verzetten +meer tegen; zachtjes zonk ze weg, terwijl de haan eventjes, gedempt, +al kraaide. + + + +"Maar wil-je nú dan niet opstaan?" vroeg Go, toen ze, om kwart over +elven uit college komend, Else nog in bed vond. Ze had gedacht, dat +ze er alleen nog maar wat in was gebleven, omdat ze dien nacht slecht +geslapen had, en 't stelde haar hevig teleur, toen Else huilerig zei: +"O, nee; ik voel me zoo vervelend, en m'n hoofd is zoo raar; toen +'k daar net even uit bed was, dacht ik, dat ik om zou vallen; en ik +heb ook heelemaal geen trek." + +"Heb-je 'n boterham gegeten en je eitje?" + +"Nee, niets; Marietje heeft, toen ze je bed opmaakte, alles zoo weer +mee genomen." + +Go ging op den rand van het ledikant zitten, en keek Else ernstig +aan. Ze had gisteren gedacht, dat 't maar 'n aanvalletje van kou-vatten +was, dat den volgenden dag weer vergeten zou zijn. Maar nu scheen +Else wezenlijk ziek te gaan worden, en als 'n zware druk voelde ze de +verantwoordelijkheid van 'n zieke aan háár zorgen alleen toevertrouwd. + +"Ik zou zeggen, dat je nu geen koorts hebt," zei ze overleggend, +"of ten minste minder; maar dat komt, omdat 't ochtend is. De +kramp in je maag is óók weg, hè? Laat je tong eens zien? Ik geloof, +dat die beslagen is"--ze bekeek nu ernstig haar eigen tong in den +spiegel;--"Ja, de mijne is rooder; en dat je niet eet, is natuurlijk +'n leelijk ding." + +"En m'n beenen doen zoo'n pijn, en m'n hoofd klopt zoo akelig.----En +ik heb zoo'n dorst." + +"Ik zal binnen wat water en melk voor je klaar maken; maar ik vind, +dat we even om 'n dokter moeten sturen." + +"Och nee, wel nee; wat weet zoo'n vreemde man er nu van?" zei Else +ongedurig, "schrijf liever even aan Han, anders wordt hij ongerust, +dat ik niet op college ben." + +"Maar als je geen dokter wilt, moet je ook je ei opeten." + +"Nee, nee, dan word ik heelemaal ziek." + +"'n Beschuit dan.... je moet toch iets in je maag hebben." + +"M'n maag is vol, maar geef maar 'n beschuit, en schrijf dan aan Han." + +Go zat met gefronsde wenkbrauwen aan de groote schrijftafel. De +juffrouw was dadelijk om beschuit en Eau des Carmes en ossetong +uitgegaan. Nu peinsde ze, hoe thuis toch altijd zieke-soep bereid werd; +ze geloofde van schenkelvleesch en poulet.... maar hoeveel.... ze +had er geen idee van. Misschien wist Han het; die zou wel gauw komen, +als-ie het hoorde. Ze hoopte maar, dat hij vóór 'n dokter zou zijn; +maar hij was wellicht uit, en zou dan pas 's middags komen;.... ze +kon 'm niet gaan zoeken, want dan bleef Else alleen;.... 'n angstig +gevoel van in haar verlatenheid gebonden zijn bracht tranen in +haar oogen, en met moeite bedwong ze 'n uitbarsting van verdriet; +'t was toch wezenlijk nog zoo verschrikkelijk niet, en ze moest de +zieke zelf toch niet noodeloos ongerust maken; het was pas één dag, +nog niet eens, en de verschijnselen waren niet verontrustend;.... ze +had wat weinig geslapen vannacht, daarom was ze zoo nerveus; ze kon +immers dadelijk naar Den Haag telegrafeeren, als 't noodig was, maar +voorloopig was er geen reden voor; Else kon beter zelf vertellen, +dat ze niet lekker was geweest, als ze Vrijdag weer naar huis ging.... + +"Zal ik wat bij je komen zitten werken?" vroeg ze na de koffie, +waarbij Else twee reepjes ossetong had gegeten, en zij zelf, onrustig +rondloopend in de verlaten kamer, 'n stuk koek, 'n appel, 'n stuk +brood, zonder zich tijd te gunnen 'n wezenlijk maal er van te maken. + +"Ja... maar is dat briefje aan Han wel dadelijk bezorgd? Ik begrijp +niet, waar hij blijft..." + +"Hij zal uit koffiedrinken zijn," kalmeerde Go, "ik zal nog 's +vragen aan de juffrouw... Ja, 't is in orde. De baas heeft 't zelf +meegenomen. Hij zal vanmiddag wel komen; wind je dáár nou niet +over op." + +En Go spreidde haar boeken uit, begon zorgvuldig met de vertaling +van Ulfilas. + +"Zouën ze 't op college gemerkt hebben, dat 'k er niet was?" vroeg +Else, langs het behangsel ritsend met haar witte vingers. + +"Natuurlijk; maar nu moet je liever niet praten, zeg. Tracht te slapen; +dan ben je gauw weer beter." + +"En als Han komt?" + +"Dan roep ik je; dat spreekt vanzelf. En 'k zal alle boodschappen +over en weer brengen. Ga nu naar den muur liggen. Ik zal de gordijnen +neerlaten." + +"Ik ken het behangsel al precies uit m'n hoofd," zuchtte Else, +"en daar is 'n gaatje, en daar één, en hier 'n scheur." + +Go gaf geen antwoord; ze boog zich stil over de boeken, onderwijl +angstig luisterend, of Else in slaap zou raken. Het was schemerdonker +in de groote, holle kamer, en dat maakte alles zoo luguber, dat 't +moeilijk was niet bang te worden. De lancaster gordijnen zagen zoo +akelig bruin-wit, neerhangend in den lichten dag, en ze zat hier achter +in 't huis; ze hoorde niets van de straat... en zelfs in de voorkamer +had ze daar straks zich al zoo geïsoleerd gevoeld, omdat 't zoo'n +afgelegen grachtje was, waar niemand kwam, die er niet moest zijn. + +Nu werd er gebeld; het klonk gedempt door, en ze bleef even in +spanning, of Else zou blijven liggen, maar die gooide zich met 'n +ruk om: + +"Is 't Han?" + +"Ik zal 's kijken.." Nee, 't waren de blouse-vriendinnen: Riek +en Francis; wou ze misschien, dat ze binnenkwamen; zou 't niet te +druk zijn? + +Nee, prettig; ze moesten zeker komen; was de kamer netjes? Jawel, +dat ging wel. + +De jolige kinderen waren eerst stil, geïmponeerd door Else's liggen +in 't groote bed en Go's dringend verzoeken, of ze zich kalm wilden +houden; maar toen Else zelf lachte, en grappig vertelde van hun getob +dien nacht, werden ze óók vroolijker, maakten grapjes over college, +waar Else gretig naar luisterde, vertelden, wat ze dien ochtend gehad +hadden, en boden aan, 't dictaat bij te schrijven. + +Else vroeg nog 'n kussen, om 'n beetje rechtop te kunnen zitten, +en Go leefde op onder het opgewekte praten, dacht: nu kun-je toch +'s zien, wat 'n hoop verbeelding er bij komt;--deed zelf steeds meer +mee, drijvend op den stroom van haar blije gedachten. + +"Trek de gordijnen toch op," vroeg Else, "het lijkt wel, of ik al +dood ben." + +"Nou, dat zal nog wel schikken met je;... willen we vanavond aan onze +blouses komen naaien, hier bij je?" + +"Nee; ik sta zoo strakjes op, en dan komt Han natuurlijk." + +"Sta-je vóór 't eten op, en eet je dan weer gewoon mee? Ik heb geen +soep voor je, maar de juffrouw zal vandaag wel geen os geven." + +"Ja; strakjes." Ze zat recht op, ver boven de dekens uit, met de armen +om haar knieën, en Go, opgewonden van vreugde, omdat ze nu geen angst +meer had, deed haar klagende stem na van 's nachts, en hoe ze als +'n bedorven kindje verhaaltjes had willen hooren. Nu vertelde Francis +'n spookverhaal, dat 'n oude meid haar altijd deed, wanneer ze ziek +was, en ze lachten allemaal dol om de dwaasheid, terwijl Go limonade +maakte voor de visite, in de glazen van de waschtafel, en koekjes +presenteerde uit 't zakje. + +"'t Is hier alles een beetje primitief, maar daar moet jullie maar +niet op letten;" en ze dronken op het spoedig herstel van de zieke, +en stootten met elkaar aan, Else met haar glas water-en-melk. + +Om vier uur gingen ze weg, na 'n luidruchtig afscheid, waarbij de +dekens van het bed op den grond terecht kwamen, en Else al maar: +"Tot morgen, op college," riep. Go zei, dat ze nu nog 'n uurtje moest +gaan slapen, dan zou ze om vijf uur haar roepen, om op te staan, +en als Han kwam, eerder. Maar die zou misschien 's avonds pas komen. + +Go ruimde de voorkamer op, liet de juffrouw de kachel aanmaken, +vol feestelijkheidsgevoel over de intrede dadelijk, en aan Lize, die +om half vijf haar de college-aanteekeningen kwam brengen, vertelde +ze, dat de zieke al weer veel beter was; dat ze morgen weer kwam, +morgenmiddag tenminste zeker. + +Maar om vijf uur werd ze weer ontvangen met kreunend gezucht. Ze +stak gauw de kaars aan, wilde 't plagende toontje van dien middag nog +houden: "Wat scheelt er aan, freule? Wie heeft uw misnoegen opgewekt?" + +"O, Go, ik ben weer zoo akelig, en ik heb zoo naar gedroomd. Ik gloei +heelemaal, en m'n beenen, m'n beenen...." + +"Kom, die vervelen zich in bed, je moest ze maar 's wat te doen geven, +kom er uit, luie meid." + +"Nee, ik kan niet; ik ben ellendig." + +Go voelde, dat ze weer meer koorts had en haar oogen schitterden;... ze +had zich natuurlijk te veel opgewonden; ze waren domme kinderen +geweest;... nu was 't weer mis en Han kwam maar niet... + +"Laten we den dokter laten komen, Els, vóór den nacht; dan weten we ten +minste iets;... het zal natuurlijk niets zijn, maar 't maakt geruster." + +"Och nee, zoo'n vreemde man, die je nog nooit behandeld heeft... Ik +begrijp niet, waar Han blijft.... Hoe laat is het nu al?" + +"Hij komt zeker vanavond; 't is bij half zes;.... wat wil-je nu +eten? De juffrouw heeft kalfsvleesch en spinazie, ter eere van jou." + +"O, als je blieft niet. Praat niet van eten." En Go liep weer +hulpeloos in de lichte voorkamer heen en weer, soms gauw 'n paar +happen achter elkaar nemend; dan weer lang rondstappend zonder aan +eten te denken. Het was natuurlijk, dat de koorts 's avonds hooger +werd, en dat Els geen trek had, was geen vreemd verschijnsel. Ze zou +straks Marietje even om 'n flesch pruimen of abrikozen sturen; dat +was frisch, en zou haar misschien wel smaken;... eens 'n dag niet +eten, als je in bed lag, was wezenlijk zoo erg niet, er was geen +reden om haar moeder ongerust te maken. Als 't morgen niet beter +was, kon ze naar den dokter gaan; bovendien: Han kwam vanavond, en +'n nacht slapen kon zoo enorm veel goed doen. + +Ze ging nu 'n beetje stil in de donkere ziekenkamer zitten, achter +het bed, zoodat 't Else niet onrustig maken kon. Ze hoorde de kinderen +joelen boven, en de moeder, die: "ssst," riep; ze moest even glimlachen +om Pa, die bij de deur voorzichtig op z'n teenen wipte, maar dadelijk +er na z'n voeten weer zwaar neerplonsde op den steenen vloer. + +Het was heel triestig. Ze dacht, hoe niemand wist, dat ze hier +zóó zat; thuis niet, en geen van de menschen hier, en ze peinsde, +of op dit oogenblik iemand op de heele wereld aan haar denken zou: +vader en moeder en de kleintjes, of Gerard, of Lize... zelfs Eddy +niet? Ze voelde naar den brief, dien ze van 'm had, bij zich droeg, +steeds in haar blouse; die haar eigenlijk 'n beetje teleurgesteld had, +omdat hij niet de bizondere charme had, welke elk van z'n gesproken +woorden zoo heerlijk maakte;--maar er stond toch in, dat hij hoopte +haar gauw weer te zien, en t.t. Eduard van Neerwinden; was hij dat +wezenlijk? Had hij 't ditmaal gemeend? + +Else woelde, zuchtte eens. "Ben-jij daar, Go?" + +"Ja, wil-je wat?" + +"Kom een beetje bij me. Ik heb zoo'n vreeselijke hoofdpijn; 't is, +of het ontstoken is van binnen." + +"Zal ik de juffrouw wat eau-de-cologne laten halen?" Ze hadden toch +letterlijk niets hier, niet eens eau-de-cologne: wel allerlei fijne +parfums van Else, maar daar kon-je niets mee beginnen. + +"Ach nee, laat maar. 't Helpt toch niet. Hoe laat is 't?" + +Go ging naar de voorkamer om op 't klokje te kijken; 't was er +schemerdonker; de tafel was nog niet afgenomen; ze had vergeten de +juffrouw te bellen en alles zag er ontredderd en in-de-war-geloopen +uit. Ze bepeinsde, hoe akelig 't was, als je maar oppervlakkig van +elkaar hield, als er dan één ziek werd; hoe vervelend je dat moest +vinden;.... en ze keek uit naar Han over den stillen weg. Als Eddy +ziek werd, zou ze natuurlijk nog meer van 'm houden, maar voor anderen +was zoo iets een drukkende last;.... nu was 't al half acht; Han zou +toch niet uit de stad zijn? + +En ze jokte tegen Else, dat het zeven was, en liet haar zich nog +'s 'n beetje wasschen op bed, omdat ze zoo gloeierig was en 't zoo +benauwd had. + +Om acht uur rukte Henri de bel bijna kapot: hij was net thuisgekomen, +den heelen dag in Amsterdam met een paar vrienden geweest. Hoe ze nu +was, en of hij bij haar mocht? + +Hij zag er bleek en erg ontdaan uit, en Go werd dadelijk kalm door +zijn zenuwachtigheid, zei, dat hij moest gaan zitten, en of hij wel +gegeten had.... + +Toen deed ze verslag van de ziekte, alles nu weer optimistischer +inziend, waarop hij in vliegende haast 'n briefje aan z'n +"arm vrouwtje" krabbelde, dat Else zalig deed lachen onder de +dekens. Toen Go met de boodschap terug kwam, dat hij 'n snoes was, +en dat ze morgen beter zou zijn, had hij al weer 'n nieuw epistel +klaar, en Go liep geduldig van den een naar den ander met briefjes +en boodschappen, blij, dat Else weer wat beter leek, en dat Han er +nu was om haar te helpen. Ze vroeg hem nu ook over de soep, omdat ze +bang was, dat de juffrouw beleedigd zou zijn, als ze er over begon: +net, of haar eten niet goed genoeg was; maar hij wist 't ook niet, +zou echter den volgenden morgen bij zijn ploerterij informeeren, en +het vleesch dan door z'n oppasser laten brengen, met een flesch wijn; +en natuurlijk kwam hij ook zelf. + +Hij bleef den heelen avond, en ze praatten over familie-kwesties; en +hij vertelde van z'n vader en moeder, totdat Go er zóó in verdiept was +geraakt, dat ze vergat, dat ze in Leiden was, zich thuís had gedroomd, +met 'r neef, op 'r kamertje. + +Het afscheid was hartelijk. + + + +Go zat in 'n blauwe peignoir van Else op den grond, sneed met haar +zakmesje het vet van de stukjes vleesch, die door den oppasser in 'n +papier waren bezorgd; ze geloofde niet, dat het het goeie was, want +het zag er zoo naar en bloederig uit, maar ze had niemand, aan wie ze +het vragen kon, moest maar probeeren, wat er van werd in den melkkoker. + +Else was den heelen nacht erg onrustig geweest, maar nu was ze wat +gaan slapen; ze zag er slecht uit. Als Han er op stond, wou ze wel 'n +dokter laten komen, maar ze zei, dat 't onzin was; ze konden immers tot +morgen wachten, om te zien, of ze Vrijdag naar huis zou kunnen gaan. + +Go schudde haar haar achterover, dat ze maar haastig wat in elkaar had +gedraaid, en plensde 'n waterstraal op het vleesch in het pannetje; +er steeg een weeig-zoetige lucht uit op, en ze begreep niet, hoe +Else dat zou kunnen verdragen. Daar kwam iemand voorbij het raam en +er werd gebeld; ze dacht, dat ze Han's stem hoorde, zei: + +"O, zeg, wat is dat voor raar goedje? Die soep wordt nooit goed." + +Maar 't was Eduard, in rok, 'n verwelkte bloem nog in z'n knoopsgat. + +"O, jij! Hoe kom-jij hier?" En in aardige verwarring streek ze door +haar krullig haar heen. + +"Ik kom van de promotie-fuif van Heerling... en regelrecht naar je toe, +om te laten zien, hoe frisch ik na zoo'n feestnacht nog wel ben." + +"Hoe lief van je, Eddy. Ik ben zoo blij, dat je dit zegt. Mag ik wat +thee voor je zetten, of 'n boterham maken?" + +"Nee, nee, ik dank je wel... Maar kan ik ook adviseeren met die rare +soep... koken jullie tegenwoordig zelf?" + +"Nee, Else is ziek. Gisteren al den heelen dag; 't is begonnen met +maagkramp en koorts... en pijn in de beenen; en ze wil niets eten; +wat denk-jij er van?" + +"Ik zou den dokter halen." + +"Jamaar, dat wil ze niet. Zou er gevaar bij kunnen zijn?" + +"Nee, dat zal wel níet. Maar hij zou 't gauwer beter kunnen maken. Ik +zou er maar 's op aandringen bij haar." + +"Soep is toch in elk geval goed, hè?" + +"Ja, als dát soep wórdt. Studentje, is huishouden moeilijk?" Hij keek +haar zacht aan, en ze sloeg haar oogen neer in 'n heerlijke verwarring. + +"Nu," zei hij, haar hand in de zijne; "ik kom morgen nog wel 's vragen, +hoe 't gaat. Het beste." + +Han kwam tegen de koffie, ijsbeerde somber de kamer op en neer. + +"Dus ze zal van middag niet opstaan?" + +"Ik denk 't niet. Vin-je nu niet, dat we 'n dokter..." + +"Ik zal vanmiddag alles eens aan Beerenstijn zeggen, die weet er meer +van dan de meeste dokters." + +"Wat denk-je van de soep?" + +"Die bruine dingetjes moet je er uit visschen; maar ze ruikt al goed." + +"Zou de juffrouw 't ruiken?" + +"Láát ze. Wil ik die flesch eens open trekken? Geef haar dan wat wijn +met 'n ei." + +"Ja en warm houden, hè? Kom-je nog?" + +"Van avond. Kan ik geen boodschappen voor je doen? Vraag 'r eens, +of er heelemaal niets is, dat ze hebben wil." + +"Nee, niks. Ze is erg stil en down vandaag." + +"Van de koorts. Nu, adieu; 'k ga vanmiddag naar Beerenstijn." + +Den volgenden ochtend zaten ze met z'n vijven te overleggen: het bleef +koorts, pijn en geen eetlust, overdag down en 's nachts onrustig. Go +had gehuild, was moe van 't tobben, Han floot nerveus, terwijl Lou +en Coba goedig Go's cahiers uitzochten om bij te schrijven. + +Beerenstijn haalde de schouders op: "Ik weet 't niet, 't lijkt me +niet onrustbarend; maar toch 'n dokter...." + +"Maar wat dénk-je, dat 't is?" + +"Misschien is 't eenvoudig gevatte kou; maar 't kan ook iets anders +zijn; om er over te oordeelen, zou 'k de patiënt moeten zien." + +"Dat kun-je begrijpen," viel Han uit. "Als ík er niet eens bij mag." + +"Wij hebben een heel goeie dokter," zei Coba zacht, "dokter Buys van +de Hoogewoerd." + +"Zou ik maar aan tante schrijven?" vroeg Go, òp. + +"Wel nee, dat hélpt niet." Han trommelde ongeduldig op de +ramen... "Ken-je hier nu geen oudere dame, Go, de moeder van 't een +of ander meisje, of 't kan me niet schelen wie, die je 's raad zou +kunnen geven." + +"Ik kon naar Mies de Bruin gaan; die woont hier." + +"Ga gerust; dan blijven wij voor als Elsi wat noodig heeft," bood +Lou hartelijk aan; Han en Beerenstijn stapten mede op, zouden samen +fruit gaan koopen, want daar had ze om gevraagd.-- + +Go vond de straten zoo vijandig licht, en de grond was hard, waar +ze stapte. De menschen liepen allemaal zoo vlug en zoo zeker van +hun doel. Ze voelde zich arm en uitgestooten er tusschen; er kwamen +jongens van college langs, die haar luchtig-vriendelijk groetten; ook +meisjes met frissche gezichtjes, die in de zon liepen te lachen,--en +niemand stoorde er zich aan, dat ze zoo angstig en afgetobd was, +'t kon de heele wereld niets schelen... Dat groote huis van De Bruin +leek ook nijdig-koud, en ze bedacht, terwijl ze de trap opging, hoe +slordig en moe ze er uit zien moest en hoe vreemd 't zou zijn in die +nette omgeving. + +"Wel, dat is aardig, Margo, dat je nu eindelijk weer 's komt... Ik +heb al lang naar je uitgezien;--maar wat is er? Scheelt er wat aan? Je +ziet zoo bleek."-- + +Go's oogen vlogen nerveus door de groote ouderwetsche kamer, met +het stemmige eikenhout en de koele familieportretten, keken dan naar +het rustige kind, dat zoo paste in die omgeving, koel-vriendelijk, +verstandig-onderhoudend, en met toch iets droomerigs in de donkere +oogen van veel denken in 't verleden. + +En ze voelde zich onharmonisch, 'n wanklank in die rust, en starend +in den ouden tuin met veel klimop en vochtig-donker, zei ze beverig: +"Elsi is ziek, al van Maandagnacht af." + +"Maar 't is nu pas Donderdag;.... dat is nog niet lang," en Go +verbaasde zich: 't was waar, en 't leek zoo'n eeuwigheid... + +"Maar wat scheelt je nichtje, en wat zegt de dokter?" + +"We hebben geen dokter, dat wil ze niet;... ze heeft hoofdpijn en ze +eet niet,--en koorts 's nachts." + +"Ze zal kou gevat hebben; er zijn op 't oogenblik zooveel menschen +ziek; de heele stad door; m'n broer is ook pas beter.... Hoe is +'t mogelijk met dit weer, hè? 't Komt zeker van de dikke nevels +'s avonds, maar overdag is 't zalig, vin-je niet?" Ze praatte door +met haar aardige stem, vroeg, of Go naar de comedie was geweest, +Maandag;--ze vertelde van 'n reisje in de kerstvacantie en 'n +voorstel tot reglementsherziening op de club. Toen Go opstond, hield +ze hartelijk even haar hand vast: "Je moet je niet ongerust maken +over je nichtje; in 'n paar dagen is ze weer beter;.... haal anders +even den dokter, als je dat kalmer maakt." + +Go knikte, bedankte; die menschen begrepen niéts; die meisjes, die zelf +in 'n veilig huis woonden met vader en moeder altijd beschermend om +zich heen, konden zich eenvoudig geen voorstelling vormen, hoe je kon +zitten tobben op 'n paar gehuurde kamers, waar je gebrek aan alles, ook +aan 't eenvoudigste, hadt; waar je geen lekkere kostjes voor je zieke +kon krijgen, waar je geen warme pap of 'n kruik voor ze maken kon; waar +het huishouden met drukte en hinderlijk gebel vlak bij je doorging, +al was ze nu juist eindelijk 'n oogenblikje in slaap gevallen. + +Haar kon niet iemand helpen, die 't niet zelf 'n beetje +mee had gemaakt, en ze had nog meer aan de jongens en hun +hartelijkheid-zonder-ondervinding, dan aan zóó'n familie;--de juffrouw +zou ook boos zijn, moest de soep hebben gevonden, waarvan Else niets +had gegeten;... ze was nu wel heelemaal zonder steun. Ze dacht eraan +naar 'n professor te gaan; Van Hoof was altijd zoo aardig, zoo'n +menschelijke man, en hij had er zich zoo voor geïnteresseerd, toen +ze vertelde van hun kleine ménage;... z'n vrouw zou misschien--maar +alle menschen waren zoo rustig en kalm en wijs en deftig hier, en ze +voelde zich zoo opgezweept, ze was alle gevoel van proportie kwijt; +ze verbeeldde zich, dat Else levensgevaarlijk ziek kon zijn, ze stelde +zich voor, dat 't iets héél ergs was;... 'n bordje blikkerde in haar +oogen: Arts; ze had al aangebeld, voordat ze er zich rekenschap van +had gegeven, de meid trillend gevraagd, of de dokter vooral, vooral +dádelijk na z'n spreekuur komen wilde;--en nu was ze weer op weg naar +huis, 'n beetje moe, 'n beetje verbaasd, bang voor boosheid van Han +of Else;... en verbeeld je nu 's, dat ze al 'n heeleboel beter was... + +De juffrouw stond met Lou en Coba in de voorkamer te praten, en ze +zwegen allemaal, toen ze binnenkwam. + +"Heeft ze nog iets noodig gehad?" + +"Nee, ze ligt stil; ze heeft erge pijn overal. Komt Mies 'er moeder +nog?" + +"Nee, ik heb den dokter gehaald." + +"Wie?" vroeg Coba, maar dat wist ze niet; had niet naar den naam +gekeken. + +"Of u gelijk heb," knikte de juffrouw voldaan, "mijn beviel de juffrouw +niks;... dat is maar: ik lus niks, en ik wil niks; dan mankeert er +wat van binnen.... En 'n dokter weet toch meer as 'n ander, daar +is-tie dokter voor." + +Lou en Coba gingen nu weg met hartelijke wenschen en handdrukjes, +terwijl Go naar de kamer van Else ging, gevolgd door de +juffrouw-in-actie, die 'n sprei op 't bed wilde leggen, en de kamer +wat netjes maken en de patiënt moest 'n schoone nachtpon aan: "ja, +guns, voor de dokter,"--en Else weerstreefde niet, liet met zich doen +als 'n kind, knikte, dat 't goed was, ja, 't moest wel; ze werd eer +erger dan beter. + +Go had Han en Gerard weggestuurd; 't stond zoo mal, als de dokter +kwam, en er zat zoo'n heele gemeente. Ze bleven op de gracht heen +en weer loopen, telkens inkijkend door 't raam, of hij er nog niet +was, vingen Eduard en Lize, en Coba en Francis en Beerenstijn op, +die allemaal belangstellend wilden komen vragen, zoodat er 'n lange +rij voortdurend heen en weer trok onder groote belangstelling van de +buren, daar ze in hun jeugdige luchthartigheid allemaal, behalve Han, +zoo nu en dan de ernst van 't oogenblik vergaten. + +Go kwam soms voor 't raam, met roode wangen, de schouders ophalend; dan +liep ze weer heen en weer, bedacht, of ze zich voorstellen moest,--ze +wist zijn naam ook niet,--of dat ze maar ineens beginnen zou met 't +verhaal, hoe alles zich had toegedragen;--ze moest vooral opletten, +dat Else 'm alles zei van de beenen en de kramp en het benauwde gevoel +in haar maag soms.-- + +Om half vier werd er gebeld. De juffrouw, met 'n schoone schort voor, +kwam opgewonden vragen, wat ze doen moest, "als 't den dokter was...." + +"'m Hier binnen laten," zei Go beverig, en ze schudde afwerend 't +hoofd tegen Gerard, die even tegen 't raam tikte: "daar istie." + +'t Was 'n vriendelijke, oude, gemoedelijke man, die rustig naar 't +nerveuze verhaal zat te luisteren, toen opgewekt vroeg, de patiënt +eens te zien. Achter in de gang stond de juffrouw met de jongste op +den arm, de anderen om haar heen, de gebeurlijkheden af te wachten, +knikte Go bemoedigend toe, toen de dokter de slaapkamer inging. + +"Geen eetlust--nee, pijn in de beenen zeker; armen ook? 'n +Beetje."--"Hoe weet die man dat zoo precies," dacht Go in +bewondering,--"wat koortsig; ja; je hebt influenza, beste kind; maar +flink onder de wol blijven. Reizen, morgen? Nee, geen kwestie van; +deze week je bed niet uit;--Zondag misschien wat in de voorkamer; +oppassen voor kou vatten, verder geen gevaar bij. Nee, juffertje, jij +hoeft je niet zoo op te winden, hoor,"--en hij gaf Go gemoedelijk 'n +tikje op de ijskoude hand;--"dat is de volgende week weer in orde. Ik +zal 'n drankje geven, 'k kom Zaterdag nog 's terug".... + +Go bedankte 'm in de gang, huilend bijna: "Ik ben zóó ongerust +geweest,"--en zoodra hij de deur uit was, brak de heele wachtende +schare van buiten en de juffrouw met vele kinderen de voorkamer in. + +"Wel, wat zeit-ie? Wat is 't?" + +"Ze heeft influenza," verklaarde Go triomfantelijk; "'t is 'n +allerliefste man, en het kan niets geen kwaad, als ze erin blijft. Hier +is 't receptje." + +Beerenstijn nám het, studeerde er zwijgend op. + +"Is dat om te éten?" vroeg de juffrouw, "zei die ook nog, dat ze iets +bizonders moest hebben? Ik ken alles klaarmaken." + +"Lichte kost--kalfsvleesch en iets frisch..." fantazeerde Go, "maar +ze mag natuurlijk niet naar huis, Han." + +"Ik ga vanavond zelf even naar Den Haag, het aan haar moeder vertellen; +dan schrikt ze niet zoo." + +"En wanneer komt-ie terug? Begrijp-u, wat er op staat?" informeerde +de juffrouw bij Beerenstijn. + +"Ze zal er wel beter van worden... ik breng 't dadelijk zelf weg," +antwoordde hij, met 'n sfynxig lachje. + +"Zaterdag zou-die weer komen; ze mag Zondag misschien wel 'n beetje +op," vertelde Go, "maar laten we 'r toch niet zoo lang alleen laten +liggen." + +"Ik ga mee naar de apotheek; adieu!" zei Eduard, en Go keek 'm voor +'t eerst weer's gelukkig aan, nu de angst haar vrij liet, dankbaar, +dat hij zoo lief was. + +"Ik kom nog vertellen, hoe 'k ze in Den Haag heb gevonden." Han reikte +Go 't briefje, dat hij snel in 'n hoekje nog even had geopend. + +"Kan ik nu alleen niets doen?" vroeg Gerard, "weet je nu wezenlijk +niets te bedenken? Ik ben tot alle boodschappen bereid." + +Go dankte: "Jullie zijn allemaal zoo aardig, jullie nemen me alles +uit de hand." + +"Neem nu vannacht 's goed rust," raadde hij bij 't afscheid nemen, +"je ziet er zoo dood-moe uit, en nu ben je toch niet bang meer... Gaan +jullie misschien mee, meisjes?" + +"Mogen we even bij Elsi?" vroeg Francis, "ik zal nu niet zoo uitgelaten +zijn, als de vorige keer." + +In de slaapkamer vergaderden ze nóg 's "en petit comité": de juffrouw +met de twee oudsten, Coba, Francis, Lize en Go. Else lag 'n beetje +te lachen, gerustgesteld, maar verveeld, dat ze vast niet voor Zondag +er uit mocht. + +"Ik geloof wel, dat ik niet eens kan; maar 't is toch 'n akelige boel." + +De juffrouw knikte veelwetend, en troostte: hoe lang influenza soms +duren kon.... + +Go vertelde nu nog 's precies, wat de dokter gezegd en gedaan had; +ze voelde zich zóó opgelucht, dat 't haar was, of Else eigenlijk al +beter was; en ze stonden allemaal tevreden en rustig bij 't licht +van de kaars om het bed, en praatten over ziekten van henzelf en +familie, en dat je toch ongerust was, als je niet wist, wat 't was; +altijd weer eindigend in de tevreden beschouwing: dat ze het nu wél +wisten en daarom allemaal zoo kalm en voldaan waren. + +Om tien uur den volgenden ochtend kwam tante, in 'n keurige japon met +'n opgewekt gezicht, en nam, zonder eenigen pathetischen uitroep van +zorg en ongerustheid, Go's plaats aan het bed van haar dochtertje in. + +"Dat leek me toch gezelliger," zei ze met 'n vriendelijk knikje, +"en bovendien was zoo'n oppas voor jou alleen veel te zwaar.... Else +is niet zoo'n heel makkelijk patiëntje, hè kindje;--en je ziet er +wezenlijk miserabel uit. Vanmiddag gaan Han en jij maar 's samen +'n flink eind loopen...." + +Mevrouw Gerzon sliep nu in Go's bed, die zoolang 'n kamertje boven +betrok. Het heele huishoudentje veranderde oogenblikkelijk onder +leiding van 'n "moeder", en Go was er verrukt over, dat de kamers +opeens zoo'n ander aanzien hadden gekregen, nu tante met 'n handwerkje +naast de kachel zat, nu zij 't vleesch sneed, of 's avonds achter +'t theeblad troonde. 't Werd volmaakt, toen Zondag Else wankelend +en langzaam, 'r bleek hoofdje bijna verdwijnend in de kraag van +de wijde cape, de kamer binnenkwam, die feestelijk was met bloemen +en alle lichten aan, en waar Han wachtte, die z'n "kleine vrouwtje" +zoo dankbaar in de armen sloot, en zóó vol verrukking haar telkens in +'t vermagerde, fletse gezichtje staarde, dat Go zich bekende, dat hij +toch wel veel méér en wezenlijker van haar hield, dan ze had gedacht. + +Hij mocht dien middag blijven eten, en er was taart en wijn en dessert, +en tante stuurde 'n heele bezending naar boven voor de juffrouw.... en +de volgende dagen was er telkens bezoek, dat keurig ontvangen werd, +en gezellig onderhouden; elken avond was de kamer vol jongens- +en meisjes-vrienden, en tante was allerliefst, vond het aardig ze +allemaal ook 's te leeren kennen, liet zich vergoden door Coba en +Riek, die bloemen aan haar brachten, en gaf den jongens huiselijken, +hartelijken raad; toch ook blijvend femme du monde, die au courant +is van opera's en concerten en tooneel. Eduard vond ze "charmant", +z'n gentlemanmanieren voortrekkend boven Gerard's rondheid; en Go +droomde hem al 'n lid van de familie, als ze 's avonds in 'n kring +zaten onder het licht, Han en Else bij elkaar; zij met hun drieën om +de tafel, en zijn stem afwisselend met die van tante door de stilte. + +"Gaat u wezenlijk morgen weg, mevrouw?" + +"Ja jongen, m'n plicht is hier volbracht--Else heeft me niet meer +noodig." En ze keek lachend naar 't dochtertje, dat stoeide over +de canapé. + +"U moest maar altijd blijven," vleide Go, "het is zoo prettig." + +"Of jullie je vrijheid niet liever hebt! Waarom loop-je anders weg +van je ouders?" + +Er was 'n beetje bitterheid in haar lieve stem; ze had de laatste +dagen weer zoo gevoeld, dat Else haar eenige was. + +"Maar tante, u weet toch..." + +"Welke ouders kunnen hun kinderen altijd bij zich houden," peinsde +Eduard. "Ze studeeren--of ze trouwen; dat komt op hetzelfde neer." + +"En mijn dochtertje doet allebei: eerst studeeren en dan trouwen," +tante lachte alweer. Maar Else had Henri 'n papieren muts gemaakt: +"Hoe vin-je 'm!" juichte ze jolig. + +"Zijn jullie altijd zulke kinderen? Elsi, denk toch aan je waardigheid +als student." + +Maar zachter zei ze toen tegen Go en Eduard: "Misschien doet ze +'t eerste ook niet." + + + + + + +HOOFDSTUK XIII. + + +Nu was het overal lente en iedere dag was 'n feest. + +Dat begon al 's morgens vroeg, als ze wakker werden van het vroolijk +geklok van de kippen op 't zonnige plaatsje, en 't rinkelen van +'t gordijn, heen en weer bewogen door geurige koeltjes. 't Was nu +'n plezier dadelijk uit bed te springen, en te plassen en te stoeien +met water, tot je heelemaal lekker frisch en lenig was.... En dan 't +binnenkomen in de huiskamer, waar de tafel, mooi-wit, voor hun tweeën +stond gedekt, het glimmende trekpotje op 't comfoor met doorschijnende +glaasjes. Dan moesten ze lachen tegen elkaar van louter vreugde om +hun heerlijk huishoudentje, in die aardige kamers; dan scharrelden +ze zonder veel praten innig-vergenoegd 'n beetje rond, om eieren te +koken en de bloemen te verfrisschen; en staken de jonge hoofden uit +'t raam in de koele morgenlucht om te kijken, of hun zwanen nog niet +aan kwamen drijven. Die gleden statig op 't lichtende water, zon over +den blanken staart, en bleven stil voor 't huis, de koppen in trotsche +in-zich-zelf-gekeerdheid gebogen, ongevoelig in hun afwachting, als +'n beest van papier-maché. + +Else en Margo liepen de deur uit, de handen vol brokjes brood, en +wierpen ze in 't water, en zagen, hoe ze ze oppikten, terwijl de +duiven van den overbuurman jaloersch begonnen te fladderen. + +Als 't carillon negen speelde, moesten ze hollen naar college; ze +stormden op tegen de hooge brug, dat ze zwiepend neerveerde in 't +midden, ze sprongen de stoepjes op en af, hijgden binnen met warm-roode +wangen. Ieder scheen nu levendiger en helderder te zijn, en er was +'n eenheid van geanimeerde belangstelling. De professor sprak bezield; +de jeugd was open om z'n woorden op te nemen. In den ouden tuin zag Go +de knoestige pereboomen met 'n sluier van blanke bloesems getooid, en +overal werkten kleine, groene puntjes zich open aan de struikjes. In +'t vrije kwartier ontplofte de wetenschap-spanning in 'n jubelend +gejoel vol uitgelatenheid; de meisjes, enkel in hun japon, meestal +zonder hoeden, speelden krijgertje om de groote, oude kerk, waarvan +de kleine, groene glaasjes in de zon schitterden. Als er één goed +gerespondeerd had, werd er op koekjes of caramels getracteerd bij de +"snoepjuffrouw" 'n paar huizen van college; en het zakje ging van hand +tot hand, opdat 't leeg zou zijn, wanneer ze weer naar binnen moesten. + +Onderwijl liepen de jongens, bezadigder, op het Rapenburg aan +den zonnekant kalm heen en weer en rookten sigaretjes, vaderlijk +glimlachend als de uitgelaten meisjesschaar hun lachende voorbij trok. + +Eén ochtend, dat 't buitengewoon mooi was,--je zag, je rook, je +hóórde de lente,--waren ze in 't vrije kwartier met z'n allen naar +den hortus getrokken: niet alleen de meisjes van het tuinlokaal, +maar ook de candidaten van boven en de twee classicae, die enkele +colleges in de Kloksteeg hadden. + +Alle boomen stonden te trillen van verwachting, alsof het wonder +dadelijk gebeuren zou; er was geen wind, en de lucht zóó overvol van +geur en zoelte, dat ze scheen te zullen bréken bij de minste beweging. + +Ze liepen allemaal stil langs de perken, waar de lilas crocusjes +stonden, en de blanke akermannetjes, groen gestipt; en ze gingen +met hun handen tegen de bottende boomen, en over de kleine struiken; +het water lag in de zon; neuriënd en diep-ademend liepen ze door 't +rots-partijtje, en gingen even op 'n bank zitten bij de groen-glazige +serre. + +De oude tuinman, die toegewijd z'n kleine potjes in de zon droeg, +knikte vriendelijk van: "heerlijk weertje," opende daarna gedienstig +het hek;.... maar toen ze op 't Rapenburg liepen, nog stil-gelukkig +om de mooie wereld, speelde het opeens kwart-over, en met gilletjes +van schrik en kinderlijke pret hólden ze op de groene deur toe, de +kille gang door, bleven dan huiverend staan voor 't gesloten lokaal, +waar de professorsstem al uit opklonk;--en eindelijk, binnendringend, +verlegen en buiten adem, zagen ze de eerste rij stoelen open, +hun cahiers op de verlaten tafeltjes, en ze begonnen te lachen, +en de jongens proestten, en de professor lachte ook, en keek op z'n +horloge, en naar 't stoffige raam, waar de zon zoo tergend-mooi door +schilferde,.... en, even z'n hoofd schuddend, recapituleerde hij nog +maar 's, wat hij zooeven gezegd had.-- + +Dan--'s middags na college--werden groote wandelingen gemaakt. Eerst +was 't geweest om de eerste elzekatjes en 'n enkel, kortstelig +madeliefje te zoeken, uitglijdend op den weeken grond aan de +slootkanten, waar hier en daar nog 'n ijsvliesje zichtbaar was, +overblijfsel van fel-koude nachtvorsten. + +Later gingen ze met 'n boek aan den kant van den weg zitten, en Go +had er op aangedrongen, dat het een studieboek zou zijn; maar terwijl +zij voorlas van sa-bâ ahas, en de ontwikkeling van beteekenis van +het naamwoord nasati, lagen Lou en Coba over het vlakke weiland te +kijken, waar de vredige koeien zich koesterden in 't zonnelicht, +en dan zweeg ze eindelijk ook, en staarde over het boek heen in den +wolkeloos strakken hemel, en naar 't zonnige slootje met rietpluimen +aan hun voeten; en ze luisterden met hun drieën naar de stilte van +het herlevend land. + +Na het eten, dat jolig verliep met gekibbel over het vleesch en de +pudding en den sinaasappel, liepen Else en Go dadelijk de deur weer +uit, om voor 't laatst van het lieve stadje te genieten, dat nu als +betooverd lag in den gouden avondgloed. Nu was het 't drukst-stil op +straat van den heelen dag: overal gingen ramen en deuren open, ieder +wilde nog genieten van de heerlijke, zoele lucht. In groepjes kwamen +de studenten uit de kroeg en 't Vegetarisch, liepen de Breestraat af, +'t Plantsoen, de Singels langs. Fietsers gleden zachtjes de gladde +paden over, rustig-rechtop, één hand even aan 't stuur; er was 'n +zacht geklink van fluiten en van éven-zingende vogeltjes in de stilte, +'n teere blijheid lag over alle huizen en boomen, en over alle jonge +gezichten. + +Het was zeker, dat ze kennissen tegenkwamen: De Veer in 'n open bakje, +met 'n bloem in z'n knoopsgat; Coba, die met mevrouw wandelde, Gerard +of Beerenstijn of Hoefman. Han werd altijd gefloten, als ze langs z'n +kamer kwamen, en dan liep hij mee op, tusschen hen in, en gewoonlijk +kwam na 'n poosje 'n vierde en vijfde er bij. + +Eens waren ze met Eduard, die met Bruno wandelde, 'n eind buiten +Leiden geloopen; het was toen al bijna heelemaal donker en de slooten +leken looden strepen; achter hen was de hemel rossig van de lichtende +stad. Ze hadden niet veel, en niet intiem gepraat, maar er was een +groote vrede in de onbeweeglijke duisternis, en Go had soms stil haar +hand op Bruno's kop gelegd, in 'n behoefte zachte teederheid te geven, +zooal niet aan hém, dan toch tenminste aan 't dier, dat z'n eenzaamheid +troostte, en bij 'm was in de uren van verslagenheid. + +Opééns was de figuur van 'n gebogen man voor hen opgedoken, en vlakbij +hadden ze Hans herkend. + +"God, kerel, wat doe-jij hier op je eentje?" riep Eduard. + +"Ik mag eer vragen, wat jullie hier met je vieren doet?" had hij, +even ontstemd, geantwoord. "Dit is het paadje om alleen te loopen, +als je je zonden eens overdenken wilt." + +"Wij overdenken sámen onze zonden, en dan is 't zoo akelig niet," +antwoordde Eduard, met 'n lachje tegen Go; en ze waren met hun vijven +naar de stad terug gegaan, die als 'n zwarte massa tegen den rossen +hemel stond. + +Bij 't licht viel 't Go op, hoe slecht Hans er weer uitzag. + +"Zeg, je werkt toch niet te hard?" had ze hartelijk gevraagd. "Je +ziet zoo bleek, jongen." + +"Ik weet niet, hoe iemand ooit hard genoeg werken kan. Als je 's +rekent, dat die groote, groote wereld met al die menschen nu al +duizenden eeuwen bestaat.... en dat wij, laten we zeggen zestig, +zeventig jaar dat leven mogen meemaken, en in dien tijd alles +doorwerken en doordenken moeten, wat er ooit op de wereld is gedacht +en gedaan, om tot 'n waarheid te komen, die ons nú bevredigt---" + +"Vooral als je van die zeventig jaar, vijftien jaar onbewustheid, +èn alle lentes moet aftrekken, wanneer geen verstandig mensch iets +uitvoert, ieder zich alleen láát leven." + +En Eduard barstte juichend uit: "Es brechen in schallenden Reigen +die Frühlingsstimmen los." + +"Alleen heb ik 't gevoel, dat je niet wezenlijk "leven" kunt, voor je +weet, wat 't leven eigenlijk is," peinsde Hans. "Maar misschien is +'t zóó wel beter; als je de mechaniek van de tooverlantaarn kent, +is er 'n hoop van de aardigheid van de plaatjes af.... Hou-jij óók +zoo dol van de tooverlantaarn, Go?" + +En ze vertelden vroolijk hun herinneringen van kinderpartijtjes, +tot ze bij het oude grachtje waren. + +Alle dagen waren licht, alle nachten zoel en geurig, terwijl de lente +aanzwol tot zomer, en de boomen schaduw begonnen te werpen over den +blikkerenden weg. + +Ze zouden 'n middag op 't "Witte huis" gaan koffiedrinken: alle leden +van "Laborando vincimus" met Lou en Coba en Francis als invitées. Na +college stormden ze weg om de fietsen uit de bergplaats naast 't gebouw +te halen, en de professoren stonden door de blauw-gehorde ramen toe te +kijken, hoe jolig en vief het clubje opsteeg en wegreed, met vroolijk +roepen van den een naar den ander en gelach van 't haasten. + +Lize was alleen nog na blijven pennen, omdat hier en daar 't dictaat +haar te snel was gegaan, en Hoefman ziende, die nog draalde bij de +deur, vroeg ze zijn cahier om even in te zien, verdiept in de namen +en jaartallen van de schismatische pausen. + +"Wat 'n zalig weer, juffrouw Schermer," begon Hoefman tegen haar +tafeltje leunend. + +"Ja... staat daar 65?" vroeg ze zonder opzien. + +"'t Is echt weer om te wandelen... Doet u dat wel 's?" + +"Nee; dank u voor 't cahier... Dag meneer Hoefman." + +"Ach, ga nu nog niet weg..." en hij liep haar na in 't kamertje. "Ik +wilde u wat vragen... toe, u moest 't maar doen. Bijna alle meisjes +van college zijn naar 't "Witte Huis". 't Is zulk eenig weer, en +'t zal er zoo prettig zijn. Gaat u ook mee!" + +"Ik dénk er niet over; ik moet op de bibliotheek werken vanmiddag." + +"Dat kunt u toch; 't is maar om 'n uurtje te doen... we fietsen er in +'n oogenblik heen." + +"Ik heb geen fiets." + +"Dan loopen we; zooveel te gezelliger. 't Is zoo'n mooie weg... en +u zult beter kunnen werken na zoo'n wandeling." + +"Maar ik ken er niemand," zei ze met zwak verzet. Wat wou die jongen +toch van haar! Maar hij wàs aardig. + +"U kent juffrouw Herderts en juffrouw Gerzon, en die twee andere +dames van college, en mij, 'n beetje." + +"Toe dan maar... U zult zien, dat ik storend werk op de pret; maar +dan heeft 't tenminste 't voordeel, dat u me niet meer lastig valt." + +En ze begon 'n gesprek over de moeilijkheid 'n leesbare uitgave +van Ruysbroec te vinden, maar bij 't station had hij haar al over +bloemen aan 't praten, haar oogen begonnen levendiger te worden, +ze kreeg 'n beetje kleur, en toen in de laan bij 't "Witte Huis" de +fietsende en krijgertje spelende menigte hun joelend te gemoet kwam, +stak ze niet te zeer af bij de uitgelaten pret. + +Er was buiten 'n groote tafel gedekt, waar ze zelf de stoelen voor +aansleepten; Frieda, die er in 'n grijs japonnetje met haar fijn, +sereen gezicht allerliefst uitzag, werd tot tafelpraeses benoemd, +verzocht de heeren dringend niet te vechten om hun plaatsen. Hoefman +zat naast Lize, maar de stoel aan haar anderen kant bleef geruimen +tijd leeg, en er werd over "gesmoesd" onder de jongens, tot Hans, +zonder opvallendheid, naast haar zitten kwam, en dadelijk begon te +praten over 'n artikel in de Gids over het stamland der Indo-Germanen. + +"Komt Rolands niet?" vroeg Go, terwijl ze boterhammen "hakte" van +den langen broodstok. + +"Nee, die had geen zin of geen tijd; allemaal suiker en melk?--" +en Gerard rammelde met de groote koppen en de koffiekan. + +Coba gaf aan Hoefman de beste adressen voor boter en koffie op, "maar +je moet natuurlijk niet te veel tegelijk laten halen; dan bederft het." + +En nu kwam Go los met 'n grappig verhaal over 'n scène met de juffrouw, +die geen ons boter en geen half ons vleesch tegelijk wilde halen. "We +zijn nétte menschen, en voor ons zelf zouë we 't ook niet doen. Ze +kijke je er in de winkel op an, en noeme je "halve-onze-juffrouw." 'n +Half ons ham of rookvleesch; dat plááts ik nog... maar leverworst, +of cornét-bief..." + +"We wisten eenvoudig eerst niet, wat ze meende, met 'r cornét-bief," +lachte Else. + +"En hoe liep 't af? Némen jullie nu, om 't fatsoen van de juffrouw, +'n héél ons?" + +"Nee, die onbetamelijke boodschappen doen we nu zelf...." en Go gaf +reikend het vleeschschaaltje aan Lize, die stil was geworden, en met +wijd-open oogen keek in de boomen en de blauw-lichte lucht. + +"Juffrouwen-die-kamers-verhuren zijn de heerlijkste, vermakelijkste, +interessantste menschen, die je je denken kunt," begon De Veer +gezellig. "Als mijn juffrouw kwaad op me is, omdat we 's nachts +herrie hebben gemaakt, of vuile boel op mijn kamer, geeft ze me +olie in m'n lamp, die niet branden wil, "vergeet" me m'n brieven te +geven, en stuurt alle berenleiders naar m'n kamer;.... maar heb ik +daarentegen haar goedgunstigheid opgewekt, dan heeft ze allerlei kleine +verrassinkjes: ik krijg 's avonds opeens 'n ommelet binnengebracht, +of ze wascht m'n handschoenen.... en alle schuldeischers, zèlfs +'n deurwaarder, houdt ze met mooie praatjes aan de deur." + +"Komen die dan zoo druk bij jou, deurwaarders?" vroeg Frieda, die +brood voerde aan Bruno. + +"Nou, zoo in 't begin van de maand, hè Eddy?" en Eduard vertelde +lachend aan Go, dat hij en Wim en Rolands 'n driemanschap hadden +gesloten tegen die lastige rustverstoorders: in 't begin van de maand +huisde ieder op de kamer van den ander, zoodat "meneer" nooit thuis +was, en ze toch niet den heelen dag in bed hoefden te blijven, of op +de kroeg te hangen. + +"Want je weet niet, hoe melancoliek dat maakt, als je uur na uur met +je boek, met de krant, maar zoo'n beetje ligt te soezen in 't grijze +licht, en telkens schrik-je wakker van 'n stem, die naar "meneer +Neerwinden" vraagt, en je hoort je juffrouw, nijdiger, naarmate de +dag verder vordert, snauwen: dat meneer op bed leit, dat meneer niet +bij de hand is. En de kerels nijdig terug, dat ze nou al zoo lang er +om loopen, dat 't nou 's uit zijn mot,... zoodat je aan 't eind ligt +te rillen bij de gedachte, dat ze wel 's zouën kunnen binnenkomen." + +"Nou; wat dan nog?" lachte De Veer, "als je 't nu toch eerlijk +niet hebt?" + +Maar Francis leidde de aandacht af, door op 'n beeldig, klein vogeltje +te wijzen, dat op den grasrand sprong; ze wierpen er stukjes brood +heen, en slopen zachtjes nader om 't van dichterbij te bekijken. De +tafelorde was verbroken; Go snoepte klontjes suiker, en wierp er +ook den hond van in den geopenden bek; Lou en Coba liepen arm in arm +den kant naar Endegeest op, vanwaar 'n geheimzinnig, triestig gezang +opklonk; de anderen stonden en hingen over de stoelen te overleggen, +wat nu. + +"Ik ga dadelijk terug," zei Lize. "Je hadt gezegd, dat 't maar 'n +uurtje duren zou en 't is kwart voor twee." + +Hoefman trok zich den verwijtenden toon niet aan: "Als je per se wilt, +ga ik mee," en hij keek met voldoening in haar levendig gezicht; +ze had haar hoed afgezet, en haar haar sprong weerbarstig uit den +stijven wrong. + +"Dag lui," wuifde hij, en hij voelde zich trotsch, toen ze 'm +verwonderd nakeken. + +"Wat wíl die kerel toch met dat meisje?" vroeg Eduard, terwijl ze den +weg langs de tulpenvelden in gingen. De groote bloei was al voorbij; +hier en daar wiegden nog enkele roode en witte ballonnetjes, maar er +tusschen was veel kale aarde, en ze vonden ergens in 'n sloot 'n heele +hoop verwelkende bloemen, die zoo maar als waardeloos waren weggegooid. + +"Hoe zonde," zei Go, er bij neerknielend, maar Gerard trok haar +weg: "Moet je nou in de sloot vallen, meisje, om zoo'n verrotte +bloemen-hoop; kijk, daar bloeit meidoorn en wikke en convolvulus: +pluk dáár liever van." + +Hans en Wim waren aan 't ver-springen over de sloot, zonder stok; en +Eduard ging aan den kant zitten om 'n fluitje van het riet te maken, +dat schallende klank gaf over den stillen weg. Hij moest er toen ook +een voor Go maken en voor Else en voor alle meisjes, behalve voor +Frieda, die 't "afschuwelijk" vond, toen ze toeterend en krijschend +naar 't hôtel terugkuierden. + +Daar stonden de fietsen in 'n lange rij; er werd betaald; de meisjes +ordenden haar haren, en met veel geplaag om Coba, die "er nooit óp +komen kon," vertrokken ze in groepjes, snel wegwielerend door de +hooge laan. + +Go en Eduard kwamen achteraan; hij had haar fiets met de lange +wikke-ranken en de geurige meidoorn opgesierd; de warme lente woei +in hun lichte gezichten, en ze praatte opgetogen over den mooien weg +en de aardige, wuivende boomen. Ze reden binnendoor, langs smalle +kronkelende paadjes; telkens zagen ze fietsen glimmeren in de verte, +en dan was 't weer weg; soms riepen ze tegen elkaar, schallend, +dat de vogels schrikten. + +Eduard dacht, dat Go nu heelemaal was, zooals hij haar 't liefste +zag: jong, open, gelukkig, genietend van 't oogenblik, vertrouwend +in het leven, in de menschen, vóór alles in hem. Hij keek haar zacht +en innig aan, en voelde, dat zoo'n meisje bij de lente hoorde. + +Nu bogen ze den hoek om, en opeens, langs 'n zijpad, zagen ze Rolands' +klein figuurtje naast 'n rijzig "jufje" gaan, Rolands' bruin kopje +vragend naar haar opgeheven, terwijl z'n beenen onzeker gingen, +en z'n heele houding pijnlijke verwachting uitdrukte. + +Eduard keerde zich dadelijk naar Go, zei iets van den weg, om haar +af te leiden, maar hij zag in haar oogen, dat zij 't begrepen had en +zweeg, in z'n hart foeterend op "die stomme, kleine nikker." + +Maar toen tranen kwamen, en Go al maar zwijgen bleef, met iets zoo +hopeloos-bedroefds en gebrokens in haar gezichtje, dat hij begon te +voelen, wat 't voor zóó'n kind zijn moest, als ze iets dergelijks zag, +boog hij zich over haar heen, zacht vragend: "Wat is er, Gootje?" + +Ze schudde haar hoofd, en haar haren bewogen rythmisch op den wind. + +"Ja, nu jok-je; er is wel wat. Je ziet er opeens zoo vreemd uit. Je +was zoo even heelemaal anders." + +"Maar 't is ook zoo verschrikkelijk," barstte ze smartelijk uit, +"het was alles zoo mooi, de weilanden en de boomen, en de hééle +wereld, en ik had zoo 't gevoel, dat iedereen goed moest zijn, bij +zulk weer. En nu hij daar opeens, zich weggooiend, vragend aan.... op +zoo'n heerlijken lentedag iets zoo leelijks." + +"Maar 't is juist in de lente en met 't mooie weer, dat zulke dingen +gebeuren," antwoordde Eduard zachtjes, en hij zag, hoe ze over de +lichtende landen keek met 'n nieuwe gedachte in haar oogen, dat ze +vaag iets nieuws voelde in de groeiende wereld om haar heen, waar ze +vroeger nooit aan had gedacht, en dat ze ook niet mooi vond. + +"Ik ben zoo bang, ik word zoo bang voor al dat vreemde overal, waar +ik wel 's van gehoord heb, maar nooit over gedacht.... En vóór je 't +ziet, heb je 't niet begrepen.--Ik voel me hoe langer hoe onrustiger, +nu ik weet, dat zoo iets met een van onze vrienden gebeuren kan." + +Ze streek nerveus haar haar weg; 't stuur wankelde, en hij legde z'n +smalle hand naast de hare. + +"Ja," zei hij zacht; "zoo zijn wij studenten;--zoo zijn we bijna +allemaal." + + + +Ze gleden voort onder de hooge boomen, de handen vlak naast elkaar. Ze +voelde z'n oogen over haar gezicht gebogen, en stil keek ze recht +voor zich uit. De wereld was anders, dan ze ooit had gedacht in +haar meisjesdroomen; en 't geluk was anders. Het groeide in haar met +toenemende pijn. + + + + + + +HOOFDSTUK XIV. + + +Go zat op de kist, die in 'n hoek van de kamer stond, maakte zorgvuldig +'t boodschappenbriefje voor de juffrouw op: "Dus nog vier eieren, +Elsi, en den man van de schuit waarschuwen voor de koffers... en +pakpapier voor de gravures." + +Else knikte, zuchtte even. "'t Laatste briefje," zei ze zacht, +en opeens scheen 't haar, dat ze het toch verschrikkelijk vond haar +leven hier te verlaten, dat ze toch altijd terugverlangen zou naar Go +en de kamer in de kleine stad, al was 't in 'n vreemd land nog zoo +mooi en interessant. Toen haar moeder voor 't eerst er over sprak, +dat ze liever met studeeren ophouden moest,... over één, anderhalf +jaar zou ze met Han kunnen trouwen, en wat hád ze er dan aan, of +ze candidaat in de rechten was,--had ze zich eerst hevig verzet, +en gehuild, dat ze hiéld van haar studie--"erg platonisch", had haar +vader geplaagd--, dat ze niet weg wilde uit haar lief Leiden--, maar +toen later over het plan was gesproken haar eerst 'n poos naar Brussel +en daarna naar Londen, misschien ook nog naar Duitschland te zenden, +om goed de talen te leeren, wat breederen blik te krijgen en zich +te bekwamen in 't huishouden,--en toen de brieven met inlichtingen +over families waren gekomen, en er gepraat was over uitstapjes en +opera's en concerten,--had ze er langzamerhand plezier in gekregen, +en zich 'n beetje "grande dame" gevoeld tegenover de andere meisjes, +die altijd stil hier zouden blijven; en prettig ook met Han erover +gepraat, dat ze nu een echt huisvrouwtje ging worden, dat dat toch +beter was dan geleerdheid. Maar nu.... nu haar kisten al voor 'n deel +naar huis waren gestuurd, nu de kamers rommelig en ontredderd waren, +en ze samen in den schemer 't laatste briefje voor de juffrouw zaten +samen te stellen en ze straks voor 't laatst met Han langs de stille +grachtjes loopen zou, voelde ze zoo'n wijden weemoed om het heerlijke +jaar, dat voorbij was, dat ze álles had willen geven--Brussel en Londen +en alle grootsche weelde,--om hier te kunnen blijven, met Han en Go, +tusschen de jeugd, tusschen de vrienden, in de bescherming van de +oude huizen. + +"Och," zei Go, "je moet maar denken: 't afscheid is voor ons eigenlijk +'t zelfde; of je nu voor altijd gaat, of voor drie maanden;.... 't is +iets, dat je niet kunt overzien. En in deze kamers zitten we allebei +voor 't laatst." + +"Ja, 't is jammer, dat jij niet alleen blijven kunt." + +"Ja; maar 'n tweede meisje is zoo moeilijk te vinden, en zoo'n meneer +altijd vlak naast me.... nee, 'k ben érg voor coëducatie, maar 'k zou +'t niet gemoedelijk vinden." + +"Och.... als-tie aardig was." + +"En dan wil ik liever ook maar dit jaar heelemaal apart houden. Nu +begint er weer iets nieuws. Ik zou je veel te erg missen, als ik hier +bleef op ónze kamers." + +"We zullen nu wel nooit meer zoo samen zijn," peinsde Else... "Je komt +natuurlijk wel 's bij ons logeeren, maar dat is toch anders... We +hebben 't altijd vreeselijk goed met elkaar kunnen vinden, hè; we +hebben nóóit gekibbeld, we zijn nooit boos op elkaar geweest." + +"Nee," en Go dacht aan dien keer, toen Els met Eddy geflirt had, en zij +zoo onredelijk was geweest. Goeie Elsi, ze vergat zulke onaardigheden +altijd dadelijk. En ze had nooit gezinspeeld op de verhouding met hem, +nooit geplaagd... + +"Ga nu maar naar Han toe, anders laat je 'm nog wachten voor 't eerst +en voor 't laatst... Ik moet nog gaan spreken over het bewaren van +m'n planten, en dan naar Lize." + +"Gootje," zei Else zacht, met ongewoon ontroerde stem, "hier is +'t allemaal voor me begonnen, dien avond voor den spiegel, toen hij +opeens binnenkwam... En je hebt 't allemaal meegemaakt, en nu gaan +we gauw trouwen. Je bent altijd erg lief voor me geweest." En na 'n +woeste omhelzing draaide ze zich opeens om, en als beschaamd over haar +weekheid, riep ze: "Dàg!" en vloog de deur uit, terwijl Go glimlachend +zuchtte: "Schat, ik zal je zoo missen." + +Toen zette ze de melk, 'n glas, 'n ei, den klutser op tafel klaar, voor +'t geval, dat Else vóór haar mocht thuiskomen, ging stil de kamer uit. + +Er lag dien avond 'n drukkende melancolie over de grijze stad. Voelde +ze al, dat de jeugd haar weer ging verlaten, en drukte haar nu opeens +het gewicht van haar hoogen ouderdom, omdat het nieuwe geslacht, +dat haar altijd jong hield, weer wegtrok? Of was 't het verdriet van +de scheiding in alle jonge harten, dat de lucht zwoeler maakte en +de kleuren doffer? Het hielp niet, of Go al diep zuchtte om zich te +bevrijden van het benauwde gevoel; de weemoed in haar vermengde zich +met den weemoed van de omringende dingen, en ze voelde, hoe bijna +achter ieder licht raam nu één dacht aan 't scheiden: "scheiden thut +weh," één gebogen zat over z'n koffers, zwaar van gedachten aan 't +jaar, dat voorbij was. Maar er zouden er toch ook zijn, die blij waren +naar huis te gaan. Ze vond het ellendig, dat zij niet blij was. Daar +waren vader en moeder en de kinderen allemaal, en ze verheugden zich, +dat ze nu weer 's 'n poos in hun midden zijn zou; moeder zou vanavond +stralend aan de theetafel zeggen: "Morgen zijn we weer met ons tienen, +kinderen"--en zij zag er tegenop weer onder die menschen te moeten +leven, die toch allen zooveel van haar hielden; ze huiverde terug +voor de degelijke gezelligheid, de stille regelmaat, en vond 't +punctueele irriteerend en banaal. Wat zou arm moesje bedroefd zijn, +als ze wist, hoe ze in 'n jaar haar al was ontgroeid! Hoe zou ze zelf +in zoo'n verandering hebben kunnen gelooven, zij, die negen maanden +geleden snikkend uit het ouderlijk huis naar den vreemde trok? Alle +leven was haar vlak en onbelangrijk geworden, vergeleken bij het +hevig-genietende, diep-rampzalige, altijd-in-uitersten-zich-bewegende +om haar heen. In dit jaar was ze gaan begrijpen het studentenleven, +dat haar eerst alleen iets grappigs, iets van pret maken had geschenen; +dat ze nu voelde in z'n jonge kracht en z'n verwording, met z'n idealen +en désillusies, levensmoed en wanhoop, altijd heel groot en heftig, +heerlijk of afschuwelijk. O, ze vóelde, dat ze het stadje liefhad, +zooals ze nog nooit 'n stad had liefgehad. Ze liep nu afscheid te nemen +van ieder huis, van de boomen, van het water, van de brugjes, van de +lantaarns. Op elk plekje was immers 'n lieve herinnering aan iets, +dat ze dáár had gedacht of gehoord of gezien. Van allerlei huizen +wist ze immers: daar woont die, of heeft die gewoond; en het water, +waar de vrouwen hun goed in uitspoelen kwamen, waar 's ochtends de +kleurige groenteschuitjes door voeren, en 's avonds de motorbooten, +de bruggen waarschuwend met schetterenden hoorn--had ze het niet +bewonderd van den eersten dag af? + +Nu liep ze langs den Witten Singel, staarde peinzend naar de +sterrenwacht, die haar altijd 'n geheimzinnig kasteel had geleken; +het was zoo donker en plechtig onder de dik-bebladerde kastanjeboomen, +dat het scheen, of ze in 'n kerk liep, en ze zei: Nu moet je naar +Lize, je loopt al zoo lang maar rond;--voelde toch ook, dat ze zóó +niet bij haar zou kunnen werken. + +Om haar gedachten af te leiden begon ze zich af te vragen, of ze dit +jaar met haar studie nu wel genoeg was opgeschoten; en dàt bracht haar +de grappige herinnering van de eerste maanden van samenwerken met Coba +en Lou. Ze kenden elkaar toen nog heel weinig, maar hadden afgesproken +eens in de week bij Coba of Go op de kamer bijeen te komen. 's Middags +gingen ze dan al vast koekjes en andere lekkernijen koopen, en 't +begin van den avond was: theedrinken met koekjes en vroolijkheid. Dan +werden om 'n uur of acht alle mogelijke wichtige boeken bij elkaar +gehaald: Franck's etymologisch woordenboek en mittelniederländische +grammatik; Stoett; Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal; Den +Hertog; Braune.... en na eenig gekibbel begon er één 'n bladzijde +van den middelnederlandschen tekst voor te lezen. Maar dan kwam de +groote moeilijkheid. Soms vonden ze elk wóord "der aandacht waardig," +grepen ieder naar 'n boek om te kijken, of er iets over te vinden +was, en hun wijsheid door elkaar mee te deelen. Dan weer scheen +hun alles dood-eenvoudig,of verwezen ze elkaar voortdurend naar 't +middelnederlandsch woordenboek. Ze konden elkaar soms minuten-lang +diepzinnig zitten aanstaren om den een of anderen duisteren regel te +doorgronden en dan opeens alle drie te gelijk in lachen uitbarsten, +omdat ze zoo bespottelijk geleerd deden. 't Was hun onmogelijk geweest +zichzelf au sérieux te nemen, wanneer ze in al die dikke boeken +zaten te kijken; technische termen vonden ze allervermakelijkst, +en zeiden ze nooit zonder de professorsstem na te doen, en om negen +uur stormden ze ziels-vergenoegd de deur uit om zich 'n beetje te +verfrisschen van de inspanning en melk of limonade te gaan halen, +ondertusschen elkaar op de gelezen regels vergastend. Als ze terug +waren, begon er weer een te lezen, terwijl de anderen chocolademelk +brouwden, of kastanjes poften, wat door alle drie zooveel belangrijker +werd gevonden, dat èn Stoett èn Franck, èn Braune èn Den Hertog als +zitplaats werden gebruikt om in de melk te kunnen roeren, en op de +mooie, roode kaft van de Geschiedenis der Nederl. taal brandplekjes +schroeiden van de gepofte kastanjes. Als ze om tien uur samen Lou +naar den trein brachten, zeiden ze telkens weer, dat 't zoo toch niet +ging, en Lize werd den volgenden dag bestormd met de vreemdste vragen: +Hoe je aan 'n woord zien kon, of er wat van te zeggen was? En hoe je +dan kon weten, waar je het op moest zoeken?... + +Eindelijk had Lize bedacht, dat het 't beste was, als ze hen eerst +'n beetje op weg hielp. Voor haar zelf was 't een goeie oefening, +en 'n proef, of ze er nu wezenlijk wat van wist, en zij zouden er +dan misschien een beetje kijk op krijgen. En het was beter gegaan +van den eersten avond af; wel kon er soms iemand niet respondeeren, +omdat ze 'n vollen mond had, en moest de lezing onderbroken worden, +om op te staan voor 't laatste koekje; maar er werd ook flink gewerkt, +Lize "rook", bewonderde Coba, als er over 't een of ander woord iets +in Franck of Stoett stond, en ze zouden nu dezen avond hun tweede +middelnederlandsche tekst ten einde brengen. + +Maar ook bij Lize in de kamer hing de doffe treurnis.... Er was nog +geen licht aangestoken, en de meisjes zaten en lagen zwijgend bij het +open raam, starend op den kalen muur en het stukje violetten hemel +er boven. + +"Ik dacht, dat ik veel te laat was; ik heb nog overal rondgeloopen," +zei Go. + +"Ik weet niet, hoe laat 't is; ga ergens zitten." + +"In de vensterbank maar; God, wat is 't zoel vanavond." + +Lou speelde met Go's boeken. Ze was de kinderlijkste en de jongste van +allemaal, had ook, omdat ze thuis was gebleven, minder den invloed van +'t studentenleven gevoeld. + +"We zullen nu maar niet werken, hè?" zei ze droomerig. "We zijn +vanavond voor 't laatst bij elkaar, en kunnen 't morgen zelf wel even +uitlezen op de bibliotheek." + +Lize knikte. "Ik ben ook zoo suf in m'n hoofd; ik had moeite te +bedenken, wat ik in m'n koffer moest meenemen." + +"Ga-jij morgen ook?" + +"Ja, Vader heeft me geschreven, dat ik moest komen." + +"Ik ben toch blij, dat we hier nog 's terugkomen voor die pic-nic +van Laborando vincimus," zuchtte Coba. + +"Ja, dolletjes," fluisterde Lou, maar Lize zei, dat ze niet wist, +of ze meegaan kon. "'t Hangt er van af, of ik weg kan, hè; er schijnt +weer iets met de meid te zijn." + +"O, maar je moet mee; 't zal zoo prettig zijn...." + +"Och, ik ken de menschen zoo weinig.... ik hoor er niet bij." + +"En òns dan, en Else en Hoefman...." + +"Ja die, maar die is zoo vreemd. Laatst ging 'k met m'n koffertje naar +'t station, 't was niet eens zoo erg zwaar. Daar kwam hij me opeens +achterop en wou 't dragen. Nu, ik vind 'm niets geen reus, ben zelf +misschien sterker. Ik zei, dat ik 't liever niet had,.... maar hij, o, +lieve hemel, of ik er van breken zou, of 't iets ongehoords was... Nou, +dat 's aanstellerij. Ik heb 'm wel 's wat van thuis verteld, en +dan kan hij weten, dat 'k wel 's moeilijker dingen te doen heb, dan +'n koffertje te dragen." + +Ze haalde de schouders op, en streek met haar handen over haar moe +gezicht. Toen leunde ze haar hoofd op de ellebogen, en bleef naar +buiten zitten kijken, in de lucht, waar langzaam sterren doorkwamen. + +"Wat is 't hier stil," zei Lou, "is je juffrouw uit?" + +"Ik weet 't niet. 't Is niet gehoorig hier." + +Ze zwegen weer, dachten allen aan de toekomst, die zoo dicht bij +scheen op zoo'n avond; zochten de profetie van hun leven in den +muur en de sterren. Go verlangde naar Eddy: hoe zouden ze elkaar nog +nader komen? Was zij niet 't eenige meisje, van wie hij notitie nam; +was 't niet iets van-zelf-sprekends geworden, dat ze altijd samen +waren? En zou dit eindigen in 'n engagement, 'n huwelijk? Ach, die +dingen waren zoo ver, en daar gaf ze nog niet om;.... als hij maar +van haar hield, als ze maar voor 'm zorgen mocht... Ze had er nog +over gedacht 'm te vragen eens te komen in de vacantie, maar ze +dacht toch, dat moeder 'm niet aardig vinden zou;... zeggen zou, +dat-ie meer moest werken;... ledigheid maakte melancoliek... + +"Leise flehen meine Lieder... durch die Nacht zu dir...," zette +ze onwillekeurig even zacht in; zweeg toen, benauwd door den weeën +weemoed. + +"Hè, wat is dit toch eigenlijk 'n lam weer." En Coba rekte zich uit +in ongeduldig zuchten. "Je kunt niets, je weet niets, je hebt alleen +maar 't land. Vanmiddag heb ik met mevrouw in de populierenlaan bij +Poelgeest gewandeld;... en daar verlangde het toch zoo;... ieder +blaadje hing te trillen van verlangen;... je werd er akelig van... Ik +heb tegen mevrouw gezegd: Als we hier niet dadelijk uitgaan, word ik +gewoon gek." + +"Maar je bent immers morgen weer thuis," troostte Lou, die hierin +het geneesmiddel voor alle verdrietelijkheden zag. + +Maar de anderen antwoordden niet. De kamer was vol angst en verlangen. + + + +Den volgenden middag kwam de wagen voor, die Go's boeltje naar de +nieuwe woning zou brengen. Else was 's ochtends al vertrokken, nu weer +kalm en correct, in het koele morgenlicht; en Go zat alleen op de tafel +zonder kleed te noteeren, hoeveel stuks uit werden gedragen. De deuren +stonden open, en 't gejoel uit de gang klonk jolig door de kamer. De +kinderen vonden 't een pretje, liepen glunder lachend de dragers in +den weg, en Go was teleurgesteld, dat het zelfs Joostje niet schelen +kon, dat "tante" nu weg zou gaan. Ze ergerde zich, dat zij zich zoo +gehecht had aan menschen, wie haar vertrek absoluut niet raakte; ze +moest lachen, omdat ze zich had verbeeld, dat de juffrouw wezenlijk +"moederlijk" voor haar was gaan voelen. Voor háár immers 'n ander, +en heeren waren makkelijker; en terwijl ze noteerde: kastje in twee +stukken; bureaustoel; studeerlamp, stelde ze zich voor, hoe over +'n paar maanden hier weer 'n huishouden zou worden binnengedragen, +onder dezelfde blije belangstelling van de kinderen;--'t was 'n komen +en gaan, een onrustig rond-getrek in de stad, waar de jeugd geen +"thuis", geen vaste woonplaats had: ze gingen allemaal van kamer tot +kamer, kwámen vol verwachting, scheidden in leed... + +"Is dat alles, juffrouw?" kwam de man vragen, en Go keek na door +'t raam, hoe de wagen wegschokkerde, 'n kantelig tafeltje bovenop; +en dan opeens, met tranen, wendde ze zich af, sloot de deur, en ging +lang-uit op de oude canapé liggen. Dit was het laatste uurtje met +haar kamer alleen; de city-bag stond al klaar, met kleinigheden, +die ze nog mee naar huis moest nemen;... de wanden waren leeg, met +nijdige prikken in 't behangsel,... prikken van versieringen van +vroegere heeren, prikken, die ze zelf had gemaakt;--en ze peinsde, +hoe de kamer nu weer worden zou, en wie er nu zou komen leven, en +knikte ieder meubel nog 's vriendelijk toe: "dag goeie, groote kast, +dag tafel, wat ben-je bekrast, ouë; en jij, m'n líeve canapé, wat +zou ik je graag hebben meegenomen." + +De kinderen speelden in de gang met de houtwol en de papieren, die +waren blijven liggen. Ze gaf er niet om, ze nog goeiendag te zeggen; +ze was hun toch een vreemde gebleven. + +Maar de kamer, daar zou ze voor 't laatst nog 's heel vertrouwelijk +mee zijn; daar zou ze zich dit uurtje nog 's heelemaal aan geven. + +En ze lag en keek. Alle dingen spraken van herinneringen. + + + + + + +HOOFDSTUK XV. + + +"Hallo!" schreeuwde De Veer, en zwaaide met z'n kussensloop, toen +hij de coupé, waarin Go en Else en Lou zaten, in 't oog kreeg. + +"Prachtig weer; kom er uit, dames," ontving Gerard, "kijk, daar zijn +de anderen." + +"Maar Wim, wat zit er in dat sloop van jou? En o, kijk Hans, dat is +nog gekker, die zak met roode ruitjes.... Je bent precies 'n boer." + +"Verrassingen, verrassingen! waar hebben jullie je fourage? mag ik +'s ruiken aan je koffertje, Elsi? En 'n blikje...'t is verleidelijk." + +"Daar is Han met de taart;.... kerels, wie heeft de boter en de +brooden?" + +"Ik; daar liggen ze.... ik wilde me niet vooruit al zoo opladen.." + +"Hè, wat 'n flauwe vent; gauw, 't is juist zoo aardig." En Hans hing +de grijze boterpot over Gerard 's rug, bond de broodstokken om z'n +schouders. + +"Ha... daar zijn Lize en Frieda met Hoefman. Wat heeft die man?" + +"Kom 's hier, Louistje, laat je pak 's bevoelen." + +"Nee, kerel, blijf af; 't is 'n geheim." + +"Kon-je toch komen? Wat gezellig," praatte Go tegen Lize; "'t is +'n heele club, hè?" + +"Nou wordt 't toch tijd, lui; daar is Beerenstijn... o, met de +flesschen om z'n hals... Coba... Kom, we gaan naar den trein, hoor." + +"Rolands nog... en Eduard... zeg, die zouden toch allebei komen?" + +Go leunde zenuwachtig uit 't portier; 't was nog maar één minuut en +ze zag niets op 't perron. + +"Er zijn menschen, die nou altijd te laat moeten komen," bromde Gerard, +en de Veer gilde: "Chef, de trein kan nog niet vertrekken; er moeten +nog twee heeren mee.... vervloekte kerel, nou gaat-ie tóch fluiten." + +"Daar zijn ze; hiér, hier; geef óp je taschje! Wat zijn jullie op +'t laatste nippertje; dat scheelde 'n haartje; daar gaan we al." + +"Der herr professor giebt heut' kein collegium," zong Hans 'n troepje +veeboeren toe, die hen verbaasd nastaarden, maar Wim raadde 'm aan +niet zoo ver uit 't portier te hangen, want dan zou hij wel 's niet +in de coupé terug kunnen: met veertien lui was 't wel wat erg vol. + +"Neerwinden, vent," bewonderde De Veer, Eduard aan alle kanten +omdraaiend. "Je ziet er uit, of je naar 'n diner toe moet.... 'n +keurig pak, 'n mooie das, 'n hoed;... maar waar is de proviand bij +jou? Want wij, proleetjes--en hij accentueerde z'n titel door z'n pet +scheef te zetten--zijn natuurlijk wel gevleid, als er zoo'n meneer +mee gaat.... Maar we kunnen er niet van eten." + +"Alles zit in m'n city-bag", antwoordde Eduard, wat luid gelach +veroorzaakte, waarbij allen zich geroepen voelden, hún bagage te +laten bewonderen. + +Lou ging rond met flikjes: "Toe, nemen jullie vast; het hindert me +zoo in m'n zak." + +"Mooie methode;... zullen we nu ook maar meteen de brooden en den +wijn en alles opmaken, omdat dat makkelijker meedragen is?" + +Else fluisterde met Han, dat ze de rijste-pudding heelemaal zelf +gemaakt had. "Met 'n kookboek; dan is er niets aan; we konden echt +dádelijk trouwen." + +"Uitstappen, dames en heeren! Wie iets laat liggen in de coupé, wordt +zonder pardon teruggestuurd, om het te gaan halen... Zeg Gootje, +is jouw pakje zwaar? Wil ik 't dragen?" + +"Wel nee, Gé; op 'n pic-nic hoort zoo'n beleefdheid niet thuis. We +moeten ieder ons eigen boeltje sleepen." + +"Regelingscommissie, wijs den weg. We zullen overal volgen." + +"Allons enfants de la patrie!" juichte Hans, aan het hoofd van den +stoet stappend, de roode zak triomfantelijk slingerende. + +"Ik heb idee, dat de heerlijkheden, die hij mee-heeft, straks 't +meeste op hutspot zullen lijken," peinsde Rolands, en Go, die eerst +aldoor 'n beetje op 'n afstand van 'm was gebleven, kwam nu naast +'m, en hielp 'm moederlijk de taartendoos wat ophijschen. Eduard had +haar weifeling gezien en begrepen, wat ze gedacht had; hij kwam nu +bij haar loopen, om te vertellen, hoe z'n juffrouw alle boodschappen +vergeten of verkeerd gedaan had. + +"Ik was van ochtend eenvoudig radeloos; ik dacht niet, dat er kans was, +dat ik mee komen zou." + +"'t Zou zoo jammer geweest zijn... Het is hier mooi, hè?" + +"'t Lisser bosch is heerlijk; daar kampeeren we natuurlijk." + +"Proviand is er genoeg." + +"Ja maar, zoo'n dag kun-je eten." + +Er werd halt gecommandeerd, omdat Lou met krijgertje spelen haar +haar in de verzakking had gebracht. Frieda kwam dadelijk helpen, +terwijl Beerenstijn, als hors d'oeuvre, al vast met radijsjes en +rauwe peentjes rondging. + +"Je hebt je haarspelden verloren." + +"Haarspelden-zoeken! Haarspelden-zoeken!" + +"Ach, nee, laat je vlecht maar hangen! 't Staat wezenlijk heel gewoon +bij je backfisch-gezicht." + +"Zooals jij 't draagt, is 't toch ook niet eigenlijk opgestoken," +peinsde Gerard, die zich steeds had verbaasd over haar kinderlijke +strik-coiffure. + +"Zoo, je ziet er heusch niets van." Maar Lou liep toch dadelijk naar +Han, voor wien ze, als geëngageerde, 't meeste respect had, om te +vragen, of ze niet straks aan 'n dorp kwamen, waar ze haarspelden en +'n kammetje koopen kon... + +Lize en Hoefman waren doorgeloopen, "alsof zíj den tocht regelen +moesten," terwijl Coba juist weer niet voort te krijgen was, omdat +ze aldoor bloemen wilde plukken. + +"In 't bosch is 't vol bloeiende kamperfoelie... Kom nou," drong +Gerard. + +"Chèvre feuille... caprifolio... de m... de m..." + +"Och, beste kind, hou je wijsheid voor je, en loop toch door... Ik +kan hier toch niet 'n weerloos meisje alleen achterlaten." + +"Het bosch, het bosch... nu kunnen we wel uit elkaar gaan, hè +menschen?" + +"Als we tenminste een verzamelplaats afspreken tegen vier uur." + +"Der herr professor giebt heut' kein collegium," juichte Hans weer. + + + +"Ben-je moe, Hans?" + +Hij liep nu al 'n heele poos zwijgend voor de anderen uit, gebogen +onder z'n zak. + +"Wil-je m'n vracht verminderen? Wil-je 'n chinaasappel?" + +"Ja, graag; maar daarom vraag ik 't niet. Je ziet er zoo afgetobd uit, +als 'n werker van Meunier." + +"Nou ja, 'n beetje moe." + +"Geef mij dan je zak." + +"Welnee; 't is niet zoo erg, dat ik 't vervelend vind nog verder +te moeten, maar net zooveel, dat ik straks zal genieten, als we +zitten. 't Is wel gezond je lichaam 's moe te maken; dat gebeurt ons +niet dikwijls." + +"Nee; wat leven we altijd vreeselijk ver van de natuur." + +"Hé, kijk 's; daar duiken Hoefman en Lize weer op; maar wat heeft-ie +toch op z'n rug? Is-tie nat geworden? 't Pak is nou heelemaal zwart." + +"Dichterlijke tranen kunnen daarheen toch niet loopen." + +"O, menschen, nee; kom nou toch 's allemaal hier. Kijk toch 's naar +Louis! Zit er spek in, kerel? Nee, kijk toch 's, 't loopt langs z'n +pak! Beste jongen, wat heb je toch meegenomen?" + +"'n Groote ham, wat is er nou?" Hij voelde zich wat gepiqueerd, +vooral, omdat hij Lize ook zag lachen. + +"En die is gesmolten in de zon.... nee, idioot; die wordt +uitgebraden;..... al 't vet wordt vloeibaar." + +"Wat moet er nou mee?" + +"Maar stilletjes er mee doorloopen, we zullen zien, wat er van +wordt. Je pak is tóch bedorven." + +"Hij heeft natuurlijk meer op Lize dan op de ham gelet," bromde +Beerenstijn tegen Hans. + +"Maar Otto; met er naar te kijken, had hij toch 't smelten niet +kunnen voorkomen." + +"Ik weet 't niet. Als er meisjes zijn, gaat alles altijd dwaas en +verkeerd. Kijk nou 's, dat heeten nou collega's, studiegenooten. 't +Is immers hier als overal die alte geschichte." + +Han en Else liepen gearmd onder 'n grooten varentak; Lize en Hoefman +stonden nog over de ham te delibereeren en Eduard plukte kamperfoelie +en wilde roosjes voor Go, brak voorzichtig de dorentjes af, voordat +hij, met 'n blik van teederheid, ze haar in de geopende handen legde. + +"Ja maar, tegen dit alles kun-je toch niets inbrengen, behalve als +je bent voor uitsterving van het ras. 't Is toch de natuurlijkste en +beste zaak van de wereld, als jonge menschen van elkaar houden gaan +en met elkaar trouwen..." + +"Best; maar geen vrijerij onder den dekmantel van studie." + +"Ik gelóóf niet, dat iemand hier de studie als dekmantel +gebruikt.... 't Is alles vrij openlijk." + +"Ach, zwijg er maar over. Niemand geeft me hierin toch gelijk. Ik +ben tegen den tijdgeest." + +"Dat is altijd 'n dwaasheid." + +"Ja, zeg," lachte Gerard, "wat zouën onze grootvaders en grootmoeders +wel zeggen, als ze ons zoo 's konden zien." + +"Ik denk, dat ze 't tóch aardig zouden vinden," meende Coba, "heeft er +ook iemand zwart garen? De Veer heeft de mouw van z'n jas gescheurd." + +"Wat doe-je ook voor houthakker te spelen, Wim? O, wil-jij 't even +doen, Go?" + +"Ik wilde een vuurtje stoken.... 'n boschvuurtje." + +"Zoo, en dan 'n boschbrandje zeker?" + +"Zeg, weten jullie, dat wij laatst brand gehad hebben?" zei Frieda, +"we brandden de bladluisjes van de planten af, en opeens vatte 't +gordijn vlam. Ik schrikte zóó, dat 'k naar de deur vloog, en toen +laaide 't natuurlijk vreeselijk, van de tocht, maar Mary Bruining--je +weet wel: 't meisje, met wie ik samenwoon,--trok 't af, en gooide de +karaf er over uit..." + +"En toen?" + +"We waren geassureerd, en hebben 't opgegeven. Er hangen nu keurige +nieuwe." + +"Ben-je voorzichtig, dat je me niet prikt?" vroeg De Veer. + +"Och, jongen; 't is geen heksentoer." + +"Kun-je toch ook naaien?" bewonderde Eduard. + +"Ja, natuurlijk. Dat kunnen wij, vrouwen, allemaal, om de inferioriteit +van ons verstand wat goed te maken; is 't niet, Beerenstijn?" + +"Ik stel 'n vrouw, die goed naaien kan, hooger, dan 'n zoogenaamde +geleerde." + +"Maar als ze nu allebei goed kan, zooals Go," drong Gerard. + +"Dan zou ik zeggen: terwijl je m'n goed heel houdt, mag je zooveel +middelnederlandsche teksten opzeggen, als je wilt, máár: zachtjes." + +"Zeg, gaan we nog wel eens verder? Of wilden jullie hier kampeeren?" + +"Nee, nee; waarachtig niet! Wie neemt de leiding?" + +Lou was moe; ze hing met 'n bleek, stil gezichtje aan Frieda's arm, +die haar gedachten resoluut trachtte af te leiden. + +"Willen we 'n baar van takken maken, Lou, en je zoo mee dragen?" + +"'n Volgenden keer nemen we 'n sportkar mee voor de invaliden." + +Maar Han, die zich als praeses min of meer verantwoordelijk voelde, +ging naar haar toe om te vragen, of ze liever niet verder wilde. Eduard +werd gecommandeerd z'n city-bag te openen, en haar 'n slokje wijn te +geven uit den gemeenschappelijken beker. + +Toen, zonder getreuzel, stapten ze recht door naar de plaats, waar +het maal gehouden zou worden. + + + +Terwijl de meisjes het oude tafellaken, dat Coba van "mevrouw" +gekregen had, uitspreidden, en gehakt, rookvleesch, sandwiches, +pudding en flensjes--haar bijdragen--uitpakten, ontkurkten de jongens +luidruchtig de flesschen, en hielden 'n inspectie over de ham, waarvan +ze allemaal om de beurt met geveinsden griezel de handen aftrokken. + +"Kom, wees nou niet zoo flauw," kwam Frieda tusschenbeide, die zag, +dat Hoefman 't geplaag wat vervelend ging vinden. "Hij zal even goed +smaken; wie 'm akelig vindt, hoeft 'm niet te eten. Geef maar 'n mes; +dan zal ik 'm snijden." + +"Ja, wie heeft voor de messen gezorgd?" + +"En voor de vorken?" + +"En voor de vingerkommetjes? Heb jij die misschien in je city-bag, +Eddy?" + +En toen het bleek, dat er niets was, behalve zakmessen; dat het +heele tafelgerei bestond uit drie kroezen en 'n paar papieren bekers, +danste Wim in het rond, in woeste extase, omdat ze gingen eten "als +de wilden"; omdat 't een pic-nic was, als ten tijde van Homerus. + +Gerard en Go hadden samen voor Lou 'n bedje van jassen en mantels +gemaakt, waar ze 'n beetje stil moest blijven liggen, om straks, als +'t eten klaar was, weer heelemaal frisch te zijn, en Hans bracht 'r wat +peentjes en ananas, om den eetlust op te wekken en 'r bezig te houden. + +Intusschen zwoegde Coba op de brooden met 'n bot mes, Rolands naast +haar, om, als de boterham er bijna af was, 'm maar verder af te +trekken, en op den stapel in 't midden van de tafel te gooien. Frieda +hakte edelmoedig 'n tijd lang aan de ham, tot ze eindelijk, haar +glimmende vingers aan 't gras afwrijvend, decreteerde, dat wie +verder 'n stuk hebben wilde 't maar zelf moest snijden. Er kwamen +nog steeds verrassingen uit de sloopen en de tasch: gember, caramels, +'n blikje tong, geconfijte vruchten, bananen, 'n krentebrood; 'n pot +jam, koek met sukade. + +"Ik zie wel, dat we straks nog weer beladen terug moeten ook," zuchtte +Hans, "ik geloof, dat ieder buitengewoon weinig vertrouwen had op +de goedgeefschheid van z'n buurman." En hij rolde zwaarmoedig z'n +dertig chinaasappels de tafel over, gevolgd door 'n blikje kreeft en +'n doos met pralines en fondant. + +"'t Is goed, dat we 'n dokter, nee, laten we De Veer eens hoog +aanslaan: twee dokters bij ons hebben; ik geloof niet, dat de spijzen +erg harmonieeren," oordeelde Gerard. + +"Ik practiseer vandaag niet," hijgde Wim, die met z'n tasch, 'n +boomstam en 'n jas 'n makkelijke zitplaats voor Go trachtte te maken. + +"Zoo; daar is Lou met 'n rood puntje aan haar neus.... Alles in +orde? Ik commandeer: val aan." + +"Boterhammen genoeg, maar hoe krijg-je met je veertienen de boter +uit ééne boterpot?" + +"Ik begin met de sandwiches; die zijn kant en klaar." + +"Hé, dat smaakt; hebben jullie allemaal ook zoo'n honger?" + +Gerard sneed voor Go 't gehakt, reikte haar op de punt van z'n mes +'n homp over. + +"Ik denk niet, dat ons gesprek levendig of interessant zal worden, +vóór we de tiende boterham achter de kiezen hebben." + +"Dit zwijgen is zeer veelzeggend," verzekerde Hoefman, "boter!" + +"Smeer je boterham met 't vet van je jasje." + +"Wie wil kreeft hebben?" + +"Hoe krijg-je die binnen?" + +"Je gebruikt 'n boterham als bordje, en hapt 'm zóó er af." + +"Hè; ik kom 'n beetje bij." + +"Gaan we de taarten snijden?" + +"Nou, die van Rolands is leelijk verzakt." + +"Snij 'm met bodem en al; dan hebben we tenminste wat vastigheid." + +"En nou?" vroeg Go onzeker aan Eduard. + +Hij haalde de schouders op. "Nu moeten we zien 'm naar onzen mond te +krijgen, maar hoe?" + +"Nu kun-je toch 's zien, hoe verworden we zijn. We zijn zoo aan vork +en lepel gewend, dat we niet eens meer zonder kunnen eten. Hoe deden +de ouden 't nou?" + +"Ik denk niet, dat die verzakte taarten met room en confituren aten." + +"De algemeene invoering van de vork is nog niet eens zoo heel lang +geleden," leeraarde Gerard; maar Coba juichte: "Ik weet 't. Je schuift +je taart 'n beetje, 'n heel klein beetje, want anders breekt-ie, +over den rand van het karton en... bijt dan af." + +"Keurig... alleen wil m'n neus er zich niet buiten houden." + +"'t Is 'n fijne manier; kom kinder, fruit... dessert... Of wil er +eerst iemand nog 'n hompje ham hebben?" + +"Kijk 's; ik heb 'n chinaasappel zonder pitten," verbaasde Lou zich, +"heelemaal geen een." + +"Weet je niet, dat tegenwoordig 't streven is van de landbouwers alle +vruchten zonder pitten te maken?" + +"En hoe moet 't dan met 't nageslacht? Krijgen die geen appels en +peren meer?" + +"Och; de algemeene pessimistische geest heeft zich ook van "den +nijveren landman" meester gemaakt. Ze gelooven niet, dat over 'n +vijftig jaar iemand den treurigen moed zal hebben 't leven, dat hij +zelf zoo beroerd vindt, aan anderen te geven." + +"Zou er dan niemand meer trouwen?" vroeg Lou kinderlijk; maar Coba +begon te vertellen van de stelling op de club laatst, over "opzegbaar +huwelijk." + +"Waar zulke kinderen 't al niet over hebben!" plaagde Gerard. "Wat +zeiden jullie er over?" + +"Nu, de inleidster was er vóór, maar een heeleboel waren er tegen; +en 't is afgestemd." + +"'t Helpt ook niets er over te praten," zei Beerenstijn kort. "Het +huwelijk is 'n beroerde instelling;... maar zoolang de maatschappij +blijft, zooals ze is, zie ik geen kans op verbetering." + +"Maar ik vind 't huwelijk geen "beroerde instelling," pleitte Go. "Ik +vind, dat 't veel bindender moest zijn, opdat niemand 't aanging, +als hij niet wezenlijk van den ander hield." + +"Wat is nu "wezenlijk houden van"; definieer me nu 's, wat je daaronder +verstaat." + +"Dat is niet te definieeren; maar als je 't doet, dan twijfel-je niet +meer; dan is 't ontzaglijk." + +'t Gesprek stokte even; Go had 't héftig gezegd. + +Maar Lou praatte zachtjes: "Ach, we kunnen er natuurlijk eigenlijk +zoo slecht over oordeelen, omdat we geen van allen ooit getrouwd +zijn geweest." + +"Nee, over tien jaar zullen we 't er nog wel's over hebben, hè +Lou?" lachte De Veer, en de spanning was gebroken. + +Eddy pelde de hazelnoten voor Go; ze dronken met Hans samen uit het +tinnen kroesje. Die zat nu al geruimen tijd zwijgend, de armen om de +knieën, het bleeke hoofd gebogen. + +"Zeg Hans, wat ga-jij eigenlijk doen, als je afgestudeerd bent?" vroeg +Go, om 'm wakker te roepen uit z'n treurend gedroom. + +"Dat weet ik niet," antwoordde hij, met z'n handen langs z'n voorhoofd +strijkend, als om zich te bezinnen. "Ik weet niet, wat ik doen ga, +als ik afgestudeerd ben,... maar dat komt natuurlijk, omdat ik nog +niet klaar ben;... als 't eenmaal zoo ver is, dan weet ik 't wel +vanzelf--'t is ook eigenlijk l'embarras du choix;--wat kun je al +niet allemaal doen, als je eenmaal doctor in de klassieke letteren +bent?... Je kunt de honderd-en-elfde vertaling van Homerus in de wereld +brengen; je kunt je den eeuwigen dank van 't nageslacht verwerven, +door 'n klein, dun, slap, Hollandsch uitgaafje van Demosthenes of +Cicero te bezorgen, zoodat de jeugd geen gevaar meer heeft door +'n Germanisme in den val te loopen;... in dien tusschentijd kun-je +met vijftig medestanders solliciteeren naar 'n baantje... of je kunt +natuurlijk ook naar Lapland of naar Amerika gaan;... al heb-je nou +toevallig Grieksch en Latijn gestudeerd, je kunt ook pakjes-drager of +kellner, of bankdirecteur, of mijnwerker worden. God, ik weet niet, wat +kun-je nou vooruit zeggen van je leven? De wereld is zoo reusachtig, +en zoo gecompliceerd;... ik zal maar afwachten;--er zal natuurlijk +wel ergens iets voor me te doen vallen." + +Er flitste weer even dat vreemde, onrustige licht door z'n oogen, +dat Go al meer keeren opgevallen was. + +"Wat doe-je raar met je oogen Hans!" + +"Staat "raar" eufemistisch voor "scheel"? Ik ben 's 'n poos scheel +geweest, vóór m'n candidaats-examen." + +"Ja, als-tie dan iemand aan wilde kijken, moest-ie met z'n rug naar +'m toe gaan staan." + +"Nee, zeg, weten jullie die grap van dien schelen rechter met de drie +getuigen? Die vroeg aan den eersten: "Uw naam?" Antwoordt de tweede: +"Meyer." Zegt-ie tegen den tweeden: "Ik vraag u niets." Antwoordt de +derde: "Ik zeg niets." + +"En weet je dien mop van den vent, die z'n alibi niet kon bewijzen?" + +"En van 't jongetje, dat niet spreken mocht aan tafel?" + +Met bliksemsnelheid volgden grappen en anecdotische raadsels elkaar op; +eerst bleven ze in 't algemeene, daarna werden 't speciaal proffen- +en studenten-aardigheden, streken uit den groentijd; tradities van +professoren, die al lang gestorven waren. + +"Zeg, zouën we ook 's opbreken? Er is geen ziel, die meer eet." + +Han keek op z'n horloge, berekende, dat 't tijd werd, om naar 't +hôtel te gaan, waar ze thee zouden drinken op het groote balkon. + +"Nu eerst veilen, wat nog over is.... in de eerste plaats: de ham!" + +"We zijn niet ondankbaar," zeide Frieda, "maar 't is zoo'n vreeselijke +vracht;... er is 'n eind links 'n huisje, wie gaat mee 'm daar heen +brengen?" + +Rolands, Frieda, De Veer en Lou namen ieder 'n punt van 't zware +papier, waarop hij lag, droegen plechtig 'm uit, in den guldenden +avond. + +"'t Overgeschoten lekkers in Eddy's tasch; dat is goed voor onder weg." + +"Wie maakt aanspraak op het blik, waar Else's rijstepudding in heeft +gezeten?" + +"Ik," riep Gerard, "als souvenir. En voorloopig als +botaniseertrommel." En hij schikte er voorzichtig Go's bloemen in. + +"Zullen we de rest nu maar niet allemaal in het tafelkleed knoopen?" + +"En dan begraven! Hoe maak-je 'n kuil?" + +"Met je voeten en je handen, en boomstronken." + +"Nu; allons.... zoo'n inspanning is goed voor de spijsvertering." + +"En we planten 'n gedenk-eik op het graf...." + +"En hangen de overgebleven chinaasappelen aan de takken," juichte +De Veer, die Hans' geruit sloop als 'n schippersdas om z'n hals +had geknoopt. + +"Treuzel nu niet te lang," dreef Han, "'t wordt hier te vochtig voor +de meisjes; kom Lize, doe jij ook je mantel aan, en gaan jullie wat +krijgertje spelen, tot het graf klaar is." + +"De begrafenis begint; wie willen dragen?" schreeuwde Gerard. + +Go en Frieda liepen voor, de punten van het tafellaken over den +schouder, stil, met gebogen hoofd; achteraan Eddy en Wim, blootshoofds +met ernstige oogen; en Hans dreunde tusschen de tanden de treurmarsch +van Chopin. Voorzichtig werd 't laken in den kuil neergelaten; de +punten over elkaar gelegd; één voor één wierpen ze 'n hand aarde naar +beneden, tot De Veer opeens woest te schoppen begon, wat dadelijk +onder groote luidruchtigheid door de anderen werd nagedaan. + +"Zie zoo; deze ceremonie is afgeloopen; nu op marsch naar 't hôtel! En +wie 'n haarspeldenwinkel ziet, moet Lou waarschuwen; kom Else!" + +"'t Lijkt 'n brautzug," lachte Eddy, terwijl hij met Go achter den +praeses met z'n meisje aanstapte. + +"Waarom houën we niet elke week 'n picnic." juichte De Veer. "Er is +op de heele wereld niets heerlijkers te bedenken." + +"Ach, ventje, dat is alleen, omdat 't zoo iets nieuws voor je is! Dat +is de heele charme. 'n Mensch is niets dan 'n gewoonte-dier. Of +'m nu 't grootste ongeluk, of 't hevigst-begeerde geluk overkomt, +hij zal wel 'n poosje uit z'n sleur worden gerukt, en intenser leven; +maar al gauw wordt hij, zooals hij vóór de groote gebeurtenis was; +dat wil zeggen: hij zal zich nog wel 's geroepen voelen 'n verheugd +of 'n lijdend gezicht te trekken, maar in z'n binnenste gaat 't weer +z'n gewone gang." + +"Dus je gelooft niet aan den dood door geluk of verdriet?" informeerde +Beerenstijn, medisch. + +"'t Eerste oogenblik door den schrik is mogelijk. Maar als iemand +het 'n week heeft uitgehouden, komt-ie er ook over heen.... over z'n +geluk zeker." + +Het laatste klonk heel bitter en Hans peinsde voor zich uit: + +"Volgens deze theorie is hij het meest benijdenswaard, die onder de +ongunstigste omstandigheden leeft. Die kan zich dan verbeelden, dat, +als alles maar zus en zoo was, hij de gelukzaligste man van de wereld +zou zijn--en hij komt nooit tot de ontdekking, dat het z'n eigen, +onvolkomen structuur is, die 'm ongeschikt maakt op de hooglanden +van het geluk te leven." + +"Is er dan niets wezenlijk mooi voor jou, Eddy, iets, dat altijd mooi +blijft?" vroeg Go zacht. + +"Nee; dat is er niet.... Ik moet altijd afwisseling hebben!" + +"Maar wat zul-je dan bang zijn voor oud worden!" + +Hij haalde de schouders op. "Wie is daar nu niet bang voor?" + +"Ik niet. Ik vind 't natuurlijk. En ik geloof ook, dat er dingen zijn, +die meer waarde voor je krijgen, naarmate je zelf beter wordt. En +daarvoor moet je lang leven." + +"'t Komt wel allemaal hiér op neer," zuchtte Eduard, "dat ik zelf +niets dan aantrekkelijkheden voor-'n-oogenblik heb; geen fond, dat +altijd waarde houdt." + +"O, wijze man; meen je jezelf te kennen?" plaagde Go. En met 'n +heerlijk-vertrouwend lachje staarde ze over 't lichte land, of ze in +de toekomst zag. + + + +"Laat mij nu voor 't laatst theeschenken," had Else gevraagd, en +terwijl ze bezig was met de trekpot en 't water, zaten ze allemaal +stil naar haar te kijken, en te denken, dat ze haar waarschijnlijk +nooit meer in hun midden zouden zien. + +De dichte kruinen van de boomen om hen heen maakten het balkon al +schemerig, maar de hemel er boven was nog zilverig-wit, met ijle +wolkveegjes aan de kanten. Ze hadden voor Lou 'n makkelijk stoeltje +gevraagd, en die zat daar nu stilletjes te genieten, de vlecht om +haar hoofd gelegd op Gretchenmanier. + +Lize leunde, de oogen verre, over den balkonrand, terwijl Hoefman +zachtjes tegen haar sprak. + +"Ik wist het eigenlijk van 't eerste oogenblik, dat ik je zag. Ik +voelde 't dadelijk." + +"Maar ik begrijp 't niet. Ik ben toch leelijk." + +"Voor mij niet. Ik zie door de vormen van je gezicht heen." + +"Het is zoo vreemd, zoo nieuw. Ik had nog nooit aan zoo iets +gedacht...." + +Else ging rond. "Ik hoop, dat ik goed aan al jullie speciale smaken +heb gedacht.... Rolands slap en Gerard veel melk, en Frieda geen +suiker.... Zoo. Waar blijft Neerwinden toch met z'n city-bag? Wil +hij zelf 't lekkers opeten?" + +"Hè, menschen," zuchtte Coba diep. "Hier moesten we nu tot +morgenochtend kunnen blijven." + +"Ik denk, dat Lou in dien tusschentijd 'n lekker dutje doen zou," +plaagde Gerard. "Kom, laten we wat zingen, om de kleine kinderen +wakker te houden." + +"Ja, wat? wat?" + +"Uit de Liederschatz natuurlijk." En Eduard zette in met z'n klankrijke +baryton: "Morgen musz ich fort von hier, musz ich Abschied nehmen." + +Dadelijk vielen de anderen in; de zuivere, jonge stemmen, zingend +de simpele, oude melodieën vol sentimentaliteit en naïven weemoed, +klonken roerend door de onbewogen-stille dorpslucht, en Go, die opeens +niet meer doorzingen kon, keek met vochtige oogen naar de levendige +gezichten, die, verdiept in het lied, éven-aangedaan, in het licht +stonden. En ze voelde: hoe één ze op dat oogenblik allemaal waren; hoe +harmonieus hun stemmen klonken uit de harmonie van hun jeugdig-bewogen +zielen. Hielden ze op dat oogenblik niet allen van elkaar als broers +en zusters van 'n groote familie? Waren hun gedachten niet mooi en +zacht en open, als de avond, als het kinderlijke lied, waarin ze hun +ziel uitzongen? + +Ze dacht niet in 't bizonder aan Eduard; ze voelde haar hart wijd +worden in liefde voor àl die jongens en meisjes om zich heen, en toen +'t uit was, zei ze zacht uit den grond van haar hart: "Hè, we moesten +ons heele leven bij elkaar kunnen blijven." + +"Nou, maar zou dat niet kunnen?" riep Gerard levendig. "Zouden we ons +niet voor 't een of ander kunnen associeeren, wij allemaal gestudeerde, +knappe lui.... 'n kostschool b.v." + +"We zouden, om met mezelf te beginnen 'n classicus hebben," peinsde +Hans, "'n natuurkundige, één, twee, drie, vijf, zes doctors in de +Nederlandsche letteren;.... dat is wel wat overdadig." + +"Nee, ik zorg voor 't huishouden," regelde Go. + +"Misschien ben-jij dan de eenige, die wat te doen heeft;... twee +medici... twee meesters in de rechten." + +"Die kunnen ook van veel nut zijn, om de kibbelpartijen van de +leegloopers te beslechten.... Een leerling zouden jullie natuurlijk +nooit krijgen." + +"O, maar dan zijn jullie getrouwd," bedacht Gerard opeens, Else +teleurgesteld aanziende. + +"Nu, maar dát geeft toch niets. Han en ik zullen altijd met alles +meedoen." + +"'n Tijdschrift," bedacht Hoefman, "voor wetenschap en kunst." + +"En daarin al jouw verzen als kunst," plaagde Wim, "we hebben je in +de gaten hoor, mannetje." + +"Nou maar 't is waar," vond Frieda, "dat 'n tijdschrift verstandiger +dan 'n kostschool zou zijn. We zouden ieder artikelen over ons vak +kunnen schrijven; medische, etymologische, rechts-kwesties; Hoefman +voor 't kunstgedeelte,--" + +"En jij voor de rubriek: kinderkamer," zei Han zacht tegen Else, +en streek even ongemerkt over haar haar. + +"Nee, 't beste, verreweg 't beste zou zijn, als we 'n variété +vormden," pleitte Wim met toewijding. "We hebben lui met aardige +stemmen; ik kan 'n wandelstok op m'n neus laten balanceeren en met +eieren ballen... Gerard loopt op z'n handen; de meisjes kunnen wel +'s iets als 'n ballet geven, Hoefman kan declameeren--Rolands--" + +"'n Slangenmensch," sloeg het lenige zwartje voor. + +"En in 'n kermiswagen, Wim?" vroeg Coba. + +"Ja, of met den trein en in hôtels, al naar 't ons lukt. En op de +affiches. "Dispuut Laborando vincimus" uit Leiden." + +"Kinderen, maar zoover zijn we nu nog niet. We moeten voorloopig +allemaal nog terug naar onze ouderlijke woning,... nu is het tijd +voor den trein." + +"Hè Han, is er geen latere?" + +"Ja zeker; we zitten hier in 't middelpunt van spoorwegen. Er gaan +hier, geloof ik, drie treinen op 'n heelen dag." + +"Rosenstock, holder blüth'," stemde Hans nog 's in, maar niemand +volgde. Ze liepen stil langs den schemerigen weg, en treurden al om +'t afscheid, terwijl ze nog samen waren. + +"'t Is zoo vreemd," zei Go zacht tegen Eduard, "dat ik nu vanavond +weer thuis zal zijn, en dan maar één dag weg geweest. Dat morgen weer +alles als gewoon gaan zal, één dag van de lange, lange vacantie!" + +"Och, waarom vreemd?" + +"Het was zoo heerlijk. En 't lijkt zoo lang geweest. 't Is zoo +wonderlijk nu zóó uit elkaar te gaan." + +"Och kind, als je al vaak dat zacht-verteederde gevoel aan 't eind van +'n partijtje hebt meegemaakt, dan is 't eigenlijk niet zoo wonderlijk +meer." + +Hij zag, dat z'n woorden haar hinderden, plukte droomerig 'n paar +bloemen af. "Vin-je ook verwonderlijk, dat die morgen verwelkt zijn?" + +"Nee, alleen maar treurig," antwoordde ze. + + + +Aan 't station in Leiden was druk gejacht om Go en Else en Han en +Lou in den klaar-staanden trein naar Den Haag-Rotterdam te stoppen; +Gerard wierp in der haast de wilde roosjes uit z'n blikje door 't +raam in den coupé, nog pratend: + +"Als 'k in Rotterdam kom, kom 'k je mama 'n bezoek brengen." Eddy riep +tegen Han, zag Go's oogen niet. Maar toen de trein zich in beweging +zette, begon Hans met volle stem: + + + Si l'on est si bien ensemble, + On ne devrait jamais se quitter. + + +Het heele koor viel in; de vertrekkenden wuifden. De witte doekjes +flapperden in de donkere lucht, totdat Go opeens 't hare terugtrok, +ongeduldig haar tranen afveegde, die stroomden over haar gezicht. + +"Zóó'n dag komt nooit terug," zei ze zacht tegen Lou, "zóó zullen we +nooit meer allemaal samen zijn." + +De trein donderde rommelend door het donkere land, weg van de stad +van vreugde. + + + + + + +HOOFDSTUK XVI. + + +Het was een triestige kamer, ook niet erg groot. Ze keek op een +kaaswinkel, waar alle soorten van dit artikel tot boven aan de ruiten +opgestapeld waren, en er naast was 'n bakker; de bakkersjongens zaten +in hun schaftuur bij haar binnen te gluren, en wierpen kushandjes +naar de ramen. + +De geuren van de kaas vermengden zich met de goed-lucht van het +stoffen-magazijn beneden haar; er was altijd gerij en gefiets door +de smalle straat, en 's avonds láát nog joelde het ruwe gelach naar +boven van flaneerende fabrieksmeiden. + +Ze dacht wel 's, dat ze niet erg gelukkig geweest was met haar +keuze, al had ze Moeder nog zoo vast verzekerd, dat ze nu toch oud +genoeg was en genoeg in Leiden bekend, om zélf voor haar kamer te +zorgen. Afgeschrikt door haar eerste ondervindingen, toen ze in +studentenhuizen was gekomen, of bij juffrouwen, die "geen dames +namen," had ze maar dadelijk toegehapt, toen deze juffrouw "er maar +één hebben kon, en heer of dame was gelijk." Maar nu ze er zat,--'t +viel niet mee; 't huishouden slonzig,--de juffrouw.... ze wist niet, +'t zou ook wel komen, omdat ze dat alleen-zijn zoo akelig vond, maar +ze kón zich hier nog maar niet thuis voelen. Het was zoo triestig +'s morgens wakker te worden van het lijzig-uitgehaald gezang van de +oudste dochter, en dan te weten, dat de voorkamer leeg en ongezellig +zou zijn, met 't muffe luchtje, zonder zon. + +Het deed haar 's middags treuzelen weer naar huis te gaan, omdat ze +'t binnenkomen van die kamer, waar ná haar niemand meer was geweest, +zoo ellendig vond; en 's avonds kon ze vaak niet werken van het +luisteren naar de stilte van het huis. + +Ze miste Else zoo en haar opgewekte gelijkmatigheid. Nu ging ze wel +dikwijls bij Lize koffiedrinken,--een ei en 'n paar appels in de mouw +van haar mantel, haar broodje onder den arm,--maar die was toch zoo +heel anders, al had 't engagement met Hoefman haar zachter en rustiger +gemaakt. Ze kwam ook 's avonds wel bij andere meisjes theedrinken, +nu meer opgenomen in hun midden, maar vaak had ze ook dáárin geen +lust, omdat het haar toch niet bevredigde; ze wist altijd vooruit, +hoe het zou gaan: de hartelijke ontvangst: "wat leuk, dat je komt, +ik ben juist zoo alleen; gauw theezetten,"--dan getob met water en +'n spiritusstel, zoeken naar lucifers, veel onrust, en geen oogenblik +van rustige, breede gezelligheid, zooals aan de theetafel thuis, +waar ieder bezoeker dádelijk in den kring werd opgenomen. Nu ze weer +de lange vacantie in haar familie was geweest en zich weer heelemaal +had ingeleefd in hun vredige leven, wist ze het weer, dat al hun +gehuishoud maar surrogaat was, dat ze allen gelijkelijk misten: +het thuis, de familie, de moeder. + +En dof, verveeld, werkte ze van Maandag tot Vrijdag boven 't gejoel +van de straat, pas oplevend, wanneer ze met haar taschje naar 't +station ging, naar huis. + +"Laborando Vincimus" begon z'n vergaderingen pas weer ná de inauguratie +van de nieuwe corpsleden, en de groentijd was nog in vollen gang: +schuchtere, kaalkoppige jongens slopen, langs de huizen gedrukt, +over de straat, en soms ook kwam ze 'n heele kudde tegen, opgedreven +door 'n paar studenten met wandelstokken, die ze leerden hard-loopen, +of marcheeren. + +Gerard had ze een paar maal gesproken, meer gewoon en vertrouwelijker +dan vroeger, omdat hij nu ook thuis was geweest, lang met moeder had +zitten praten en gestoeid met de kleintjes. Hij klaagde over Hans, +die tegenwoordig zoo ongenietbaar was, nergens meer kwam, en als je +hèm ging opzoeken, je binnen 'n kwartier weer buiten de deur had gezet, +omdat hij nét zoo goed ín z'n werk was. + +"Komen jij en Lou en Coba dan tenminste 's bij me koffiedrinken, met +Han en nog een paar.--Komen jullie drie October: dan is er muziek op +de Korenbeurs, en dat is toch wel vroolijk en gemoedelijk." + +Ze had 't aangenomen, en toen voor 't eerst na de vacantie Eduard +weer gesproken. Ze had 'm wel al eens gezien: 't was geweest bij +de inauguratie-rede van 'n professor van de juridische faculteit, +toen hij als faculteits-praeses achter den senaat was binnen gekomen, +en ze, ondanks de statigheid van de pedels met de zilveren bellen, de +professoren in toga en de oude curatoren, die in de eikenhouten banken +hadden gezeten als deftige patriciërs uit de zeventiende eeuw, niets +zóó imponeerend had gevonden als zijn slanke figuur in den sluitenden +rok, z'n fier gedragen hoofd met de dof-glanzende haarpracht, en het +sterk-vaste kijken van z'n donkere oogen. + +Nu kwam hij Gerard's kamer binnen, samen met De Veer, die in uitgelaten +joligheid ronddanste op 't kopergeschetter, dat van beneden opklonk. Ze +trachtten Gerard over te halen om 's avonds mee te gaan naar de kermis +op Zomerzorg, maar terwijl Eduard er kalm over praatte, riep Wim +de meisjes bij 't raam, weer schaterlachend om 'n vuurrooden kerel, +die het vaandel van 'n aanrukkende muziek-bende torste. + +"Kijk, nou gaan die óók spelen, tegen elkaar in! Toe dan jongens, +mooi zoo, blaas d'r maar op los! Wie 't maar 't hardste kan! Kunstmin +tegen Apollo! of hoe ze heeten mogen!" + +En z'n heele lijf was in beweging van dol plezier om die lollige lui, +die zoo parmantig achter hun groote koperen, in de zon schitterende +hoorns liepen, en tegen elkaar op bliezen met bollende wangen. + +"Kunnen wij niet mee naar de kermis?" vroeg Go, ineens in +feeststemming. + +Gerard schudde lachend 't hoofd. "Ik denk eer, dat de dochters van +je juffrouw er naar toe zullen gaan." + +"Maar jij komt toch," drong Wim, "Rolands gaat ook, dan zijn we met +z'n vieren." + +Eduard zag Go even kijken, met vragen, met angst; ze begreep niet, +waarmee ze zich zouden vermaken, in 'n tuin met 'n paar kramen +en.... de dochters van hun hospita's. Maar Wim vertelde van de +draaimolen, en "waarachtig kerel, je moet mee, er is 'n schiettent ook, +en je kunt met halters werken." Dit stelde haar weer gerust, al vond ze +het niet prettig, dat Rolands er bij zou zijn; en 't koffiedrinken met +haring en wittebrood, dè tractatie van de juffrouw, verliep vroolijk +en ongeregeld, omdat telkens een muziekkorps voorbijtrekken kwam, +en allen dan jubelend naar de ramen vlogen. + +Maar toen 's avonds het brallende gezang uit de smalle straat opsteeg, +dat in woestheid en gillen aangroeide, naarmate 't later werd, +had Go, alleen in de kleine kamer, toch bezorgd het hoofd tegen +'t venster geleund, en starend in de duisternis met wijde oogen, +vol onrust aan de jongens, aan Eddy gedacht. + + + +Ze zat weer alleen te werken, in onvrede met zichzelf, met donkere +voorgevoelens van droeve dingen, die gebeuren zouden,--stemming, waar +ze onder leed, sinds ze weer hier was teruggekeerd,--toen opeens Gerard +binnenkwam, 't gezicht bleek, de blauwe oogen onrustig wijd-open. + +"Je moet niet schrikken, Go; ik moet je iets akeligs vertellen." + +"Eddy!" gilde ze, de handen uitstrekkend. + +"Nee, Hans," antwoordde hij zacht, en hij zag den wilden schrik in +haar oogen zich even ontspannen, maar dadelijk, angstig weer, vroeg ze: +"Wat is er dan? Is hij ziek geworden?" + +"Hij is al twee dagen zoek. Z'n juffrouw is 't vanmiddag bij +Beerenstijn komen zeggen. Ze was eerst niet ongerust geworden, +omdat-ie wel 's meer uitbleef; maar nu twéé dagen!" + +"Maar kan hij niet naar huis toe zijn?" + +"Nee, Hoefman had gisteren nog z'n vader gesproken." + +"God, denk je aan een ongeluk?" + +"Ik weet niet, wat ik denk, Go. Je hebt 'm niet meer gezien na de +vacantie, wel?" + +"Nee, 'k heb 'm niet gezien. Wat moeten we doen, Gerard?" + +"Ik wilde nu naar z'n kamer gaan, en daar 's alles +doorzoeken. Misschien vind ik iets, dat opheldert." + +"Ik ga mee, 'k ben klaar." En ze draaide de studeerlamp uit, stond +even onzeker in 't duister: was dit de reden van haar onrust van de +laatste weken, was dit 't vreeselijke, dat gebeuren moest? + +"Maar ik geloof 't toch niet, jij wel?" begon ze buiten, weer met +'n hoopvoller stem, "hij was altijd zoo opgewekt, hè? God, 't is toch +pas twee dagen.... hij kan ergens bij familie zijn." + +"Ik weet 't niet.... O, vroeger deed ie 't wel eens meer. Ik heb 'n +jaar met 'm samen gewoond; dan zat hij soms eerst 'n beetje stil in +'n hoek,--mopperen of klagen deed hij nooit,--en dan opeens liep hij +naar de deur, waar 'n groot treinenplan hing; hij keek op z'n horloge, +ging na, waarheen hij 't eerste weg kon, en dan met 'n eenvoudig: +"Dag kerel. Ik moet er uit," trok hij er van door, kwam na 'n paar +dagen dood-op, maar veel opgewekter weer aanzetten." + +"O, maar natuurlijk; dat doet hij nu ook. En omdat hij alleen was, +heeft hij 't niemand kunnen zeggen." + +"Mij leek 't meer de onrust van 'n eerstejaars;.... later deed hij +'t niet meer, ofschoon hij altijd aanvallen hield, dat "'t 'm te +benauwd werd", zooals hij 't noemde, maar dan ging-die 'n eind roeien +of fietsen, of naar 'n mooi concert;--dat hielp ook altijd wel." + +Ze waren nu aan z'n huis gekomen en zagen licht op z'n kamer. "Zou +hij?" hoopte Go, maar de juffrouw vertelde huilerig, dat meneer +Beerenstijn boven was; wat zij er toch van dachten, "zoo'n dierbare +meneer." + +Ze ging met hen mee de trap op, steeds klagelijk pratend, dat hij de +laatste maanden toch ook zoo schrikkelijk veel gewerkt had, altijd in +de boeken, en nooit er 's uit, de heele vacantie door op z'n kamer +gezeten, en 's avonds, als 'r man en zij naar bed gingen, vast nog +'t licht op, en als ze 's ochtends beneden kwam, meneer dikwijls +nóg voor z'n schrijftafel met 'n kop koffie en 'n bleek gezicht, +waar je akelig van werd. + +Otto groette verstrooid; hij zat voor de tafel met z'n hand in z'n +haar. "Er liggen dagboeken," zei hij, "maar je begrijpt, dat ik daar +nog niet in kijken wil; verder niets dan cahiers met aanteekeningen, +van wat hij den laatsten tijd gelezen had;.... kijk maar 's even." + +Stapels boeken lagen naast en op de schrijftafel; Gerard las langs +de ruggen, schudde somber het hoofd: "Wat 'n zware kost allemaal, +en hoe on-systematisch alles door elkaar. Wat denk-jij, Otto?" + +Beerenstijn keek naar Go; ze liep door de kamer alle dingen op te +nemen, als wilde ze van hen het geheim van hun bezitter te weten komen; +ze staarde naar de gravures, naar de piano, naar z'n klok; en toen +draaide ze zich opeens om naar Gerard: "Hebben jullie eigenlijk al +'s op z'n slaapkamer gekeken?" + +"Nee; waarom zouën we?" maar ze gingen toch; ze hoorde de sleutels van +de kasten knarsen, en Beerenstijn's stem, die zei: "'t Is dwaasheid, +hij zal zich hier waarachtig niet verstoppen;... maar och, 't kan +toch nooit kwaad, en we weten niets anders meer." + +"Was hij nog bij iemand geweest?" + +"Het laatste bij Frieda, geloof ik. Dat is 'n week geleden. Hij was +er maar even, om 'n boek terug te brengen." + +"Wat zouën we nu doen? Weet niemand van 't corps iets?" + +"Neerwinden is bij al z'n intiemere vrienden geweest." + +Go luisterde naar de juffrouw. "Hij was 's 'n nacht om drie uur met z'n +fiets uitgegaan, en om zeven vreeselijk bemodderd teruggekomen. Toen +had-ie aldoor gefietst. Hij zei, dat 't dan zoo mooi was buiten."-- + +"We moeten 't nu aangeven," zei Beerenstijn. "'t Is wel beroerd en mal, +als er niets is, maar langer afwachten..." + +"We konden ook zelf gaan zoeken." + +"Dat kunnen we tóch doen, vannacht." + +"Toe, neem mij mee," vroeg Go beverig. + +"Nee; Gerard gaat naar 't politiebureau, en ik breng je thuis. 't Zou +geen zín hebben, en ons hinderen, als jíj er bij was." En hij praatte +nog even zachtjes met de juffrouw in de gang, sprak af met Leeden, +dat ze elkaar bij Neerwinden zouden vinden. + +"Maar je dénkt toch niet?" smeekte Go, in 'n wanhopig verlangen gerust +gesteld te worden. "Hij hield toch zoo van al het mooie in 't leven. Ik +weet nog, dat we 's samen over 't Rapenburg liepen, en dat hij zei: dat +je toch wel een ingeroest-ondankbare, onverbeterlijke pessimist moest +zijn, als je, wanneer je 't Rapenburg in de herfstzon zag liggen, iets +anders voelen kon dan 'n diepe, blije dankbaarheid, dat je leefde." + +Beerenstijn haalde de schouders op. "We wéten op 't oogenblik niets, +en 't is nutteloos ons in supposities te verdiepen. 't Eenige, dat +we kunnen doen, is handelen en afwachten. En 't zou heel dwaas zijn, +ons al vooruit náár te maken," en hij wierp 'n afkeurenden blik naar +Go's betraande oogen. + +"Waar gaan jullie heen?" vroeg ze zacht. + +"Ik weet niet, ieder 'n andere richting, hier in den omtrek." + +"Neem Bruno mee. Misschien weet die den weg." + +"We zullen 't Eduard voorstellen; dan moet hij iets van 'm ruiken, +eerst, handschoenen of zoo... Maar ik weet niet, of setters..." + +"We zijn 'm 's 's avonds langs de Haarlemmertrekvaart +tegengekomen;--hij liep alleen, en toen kéék hij wel somber." + +"Ja, ja, we zullen wezenlijk alle kanten uit zoeken;--kom even +mee!" en hij ging 'n apotheek in, bestelde Hoffmandruppels: "Dat moet +je innemen, zoodra je thuis bent, en dan naar bed gaan; opblijven +dient nergens toe." + +Ze knikte onverschillig, praatte weer: "Op die picnic was hij toch +ook zoo vroolijk, zeg, wel onrustig opeens, toen ik vroeg, wat hij +wilde worden. Weet je nog wel, hoe hij toen doorsloeg, en hoe vreemd +z'n oogen stonden?" + +"Nee, ik heb er niets van gemerkt. Ga nu in godsnaam niet +fantazeeren. Je slaat 'n mal figuur, als hij morgen weer terug komt." + +"O, dus je denkt toch ook...." + +"Ik weet niet. Ga naar bed. Er is niets van te zeggen. Is de winkel +nog open? Zoo. Dag Go. Morgen hoor-je verder." + +Ze stak maar geen licht aan, en ging stil op de sofa in den hoek +zitten. Het fleschje stond naast haar, en ze besloot te wachten, +tot de jongens terug waren van hun onderzoekingstocht. Slapen kon ze +nu toch niet en als ze in bed lag, zou ze telkens denken, dat ze hun +stemmen in de straat hoorde en geen oogenblik rust hebben. + +Hans! Hansje! Het kòn toch niet. Dat lieve, fijne gezicht, en +die opgewekte klank in z'n stem, en z'n lachen. En z'n hartelijke +eenvoud! Hij kòn het niet hebben gedaan. Maar natuurlijk zou hij wél +een ongeluk gekregen kunnen hebben, ergens buiten, waar niemand langs +kwam, of in 't water zijn gevallen;--maar 't hoefde toch heelemaal +niet zoo iets ergs te zijn; hij kon er gewoon weer eens uit zijn +getrokken. Toch was 't iets vreemds, die onrust, vooral bij iemand +die zich altijd zoo kalm voordeed. Eigenlijk was hij wel erg gesloten, +ofschoon hij niet den indruk maakte iets te verbergen. Er was altijd 'n +sluier van opgewekte gelijkmatigheid over z'n dieper leven heen;--God, +àls hij daaronder eens erg geleden had, en geworsteld met zichzelf +en nù ondergelegen. Er wàs iets onder zijn woorden, achter z'n lach; +dat lag soms éven in z'n oogen, als 'n onrust; dat gleed soms over +z'n gezicht, als 'n schaduw. Als z'n heele leven eens één strijd was +geweest tegen 'n groeiende melancholie, als hij 's vergeefs overal +had gezocht naar een waarheid, die hem bevredigen kon. + +Ze begreep niet, dat ze dit alles niet vroeger had ingezien; het was +eigenlijk zoo duidelijk. Alle kleinigheden, die ze zich van z'n leven +herinnerde: z'n bleekheid op Eduard's examen, toen hij den zonsopgang +had gezien: z'n uitgelatenheid en dán weer z'n stil-zijn op de picnic, +en 't nooit éven willen bekennen, dat hij triestig of ziek was, alles +wees op 'n verwoeden strijd met 'n donkere macht, die ondanks 't verzet +sterker in hem werd.--En tòch:--het zou bijna bovenmenschelijk zijn, +als die levens-onwil zoo groot was geweest, dat hij er nooit iemand +over had gesproken, ja, juist degene geweest was, die de anderen altijd +opwekte en aanzette. Was het niet tè romantisch te denken aan 'n zóó +moedig volgehouden comedie tot 't einde toe;... maar de laatste weken +had hij niemand meer willen ontvangen. Wellicht was tóen z'n kracht +op geweest; hij had gezocht en gelezen, geen uitkomst meer gezien... + +Go rilde. Ze maakte haar haar wat los, en leunde 't kloppend hoofd +tegen den harden muur. + +Wat er toch niet allemaal in je omgaan moest, vóór je zoo'n besluit +nàm. En als 't eenmaal vast-stond, hoe vreemd 't dan zijn zou te +denken, bij elk banaal kleinigheidje, dat je deedt: voor 't laatst, +voor 't laatst.... Als je je liet scheren,... als je ging eten.... En +dan 't afscheid van je kamer, die je nooit meer zou zien; en 't +denken aan al de menschen, die veel van je houden; en dan tòch gaan, +en ergens, waar 't heel stil is, gaan zitten en je heele leven, +àlles nog 's overzien--en dàn-- + +Ze sprong op en liep de kamer op en neer: het kòn niet, het kòn niet; +ze mócht zoo niet denken. Ze wist immers nog niets. De jongens waren +niet terug;... misschien was hij wel naar Amerika gegaan;... de wereld +was zoo groot; hij hàd de trek-lust, den zwerversgeest.--- + +Ze werkte het idee verder uit, ofschoon ze het zelf niet geloofde. Ze +liep heen en weer en ging weer zitten, terwijl uur na uur langzaam +in wachten verging. Soms doezelde ze even in, steeds haar bewustzijn +bewarend, dan schrikte ze weer op, schoof de ramen open, en keek +gespannen door de nacht-onbeweeglijke straat. Alleen bij den bakker +was licht op, en eens kwam 'n troepje luid-pratende studenten voorbij. + +Toen 't dag begon te worden, maakte ze haar haar weer op, en waschte +haar wit gezicht en haar beverige handen. Het huis sliep nog, maar +bakkerskarren en melkwagens begonnen in de verte toch al te rijden, en +fabrieksmeiden trokken in risten naar haar werk, op trijpen pantoffels, +de handen onder de uitstaande schorten. + +Opeens hoorde ze stemmen onder haar raam. "Natuurlijk slaapt ze nog." + +"Nee, haar raam staat open." + +Ze gleed de trap af, strompelde den winkel door, waar de japonnen +en jassen spokig achter de neergelaten gordijnen huigen. Gerard en +Beerenstijn kwamen zwijgend binnen; instinctmatig deed ze de deur +weer op het nachtslot, klom ze toen na, naar de kamer. Beerenstijn +schonk haar 'n glas water in, maar ze weerde 'm af: "Is-tie gevonden?" + +"Ja, bij Leiderdorp," zei Gerard zacht. + +"Verdronken?" + +"Nee, 'n schot." + +'t Was, of ze onder water zakte, haar ooren liepen vol; Beerenstijn +zei iets, dat ze niet verstond, en de kamer was in 'n nevel. Toen +hoorde ze z'n stem, steeds duidelijker, vlak aan haar oor: + +"Niet flauw vallen. Niet flauw vallen. Hier, drink eens." Hij zette +het glas tusschen haar klapperende tanden. + +"Het is niets," zei ze, terwijl ze op de canapé ging zitten. "Is +'t zeker?" + +"Ja, er is 'n groot couvert in z'n zak gevonden aan mij geadresseerd." + +"O; wié heeft 'm gevonden?" Ze verbaasde zich over haar helderheid +opeens. + +"Ik weet niet; er is getelefoneerd aan het politiebureau. We gaan +straks nog 's hooren." + +Beerenstijn had in een hoek van de kamer iets in 'n glas water +gemengd. "Dit moet je eerst opdrinken," zei hij, zacht-beslist, +"en dan naar bed gaan." + +"Weten de anderen 't al?" vroeg ze, zonder belangstelling. + +"Nee, daar gaan we nu heen. Zul-je nu naar bed gaan? Er is niets meer, +waarop je hoeft te wachten." + +"Nee, dat is waar," zei ze slap, de deur openend. + +Op 't portaal stond de juffrouw, de oogen wijd van verbazing; maar +'t drong niet tot Go door. Ze gaf Otto en Gerard machinaal 'n hand. + +"Ga nu dadelijk naar je slaapkamer," beval Beerenstijn, en ze knikte, +wankelde weg, dof, gevoelloos; terwijl ze de jongens zacht de trap +af hoorde gaan. + + + +Ze kwamen 's middags,--een, twee tegelijk,--langzamerhand allemaal naar +haar kamer toe. Eerst Lou en Coba, die 't op college hadden gehoord, +bleek, geschrikt, met behuilde oogen. Toen Hoefman en Lize, en De Veer, +en Rolands; Frieda 't laatst, die zich kalm hield, ofschoon ze er +afgetobd en gebroken uitzag. Han en Beerenstijn waren naar Den Haag, +om 't aan z'n vader te gaan zeggen, "beroerde geschiedenis," bromde +De Veer, "ze lagen zoo'n beetje overhoop met elkaar," en Eduard was +met Gerard naar den burgemeester van Leiderdorp om de brieven af te +halen, en de begrafenis te regelen. + +Ze zaten stil om de tafel, als 'n troep bedroefde kinderen; praten +deden ze bijna niet; ze hadden alleen maar behoefte allemaal bij +elkaar te zijn. Go had getracht thee te zetten, had gerommeld in +de kast, alles omver gehaald. Maar opeens viel ze neer met 'n snik; +ze kòn niet; ze kòn haar hoofd niet bij elkaar houden om 't klaar te +krijgen; en ze was blijven liggen, met haar gezicht tegen 't gordijn, +uitgeput, verslagen.... Ze begreep 't nog niet; ze had nooit iemand +verloren, die ze goed kende; ze had geen idee wat het: "nooit weer" +eigenlijk beteekende. Ze betrapte er zich op, dat ze telkens even +dacht: waar blijft Hans? of z'n stem meende te hooren in den winkel +beneden; hij ontbrak immers nóóit op 'n vergadering.... + +Rolands zat op de canapé, ineengedoken als 'n klein, ziek poesje; z'n +triestig gezichtje drukte angstige verbazing en schrik uit, en hij +schudde telkens z'n hoofd, zuchtend: "Hans Elders--De beste van ons +allemaal. De flinkste. De sterkste." En dan opeens als 'n besluit: +"Maar als die niet eens kon blijven leven, hoe moeten wij 't dan +uithouden, die zooveel minder zijn?" + +"Frits," zei Coba met nadruk, "het is dwaasheid, wat je zegt." Maar +Frieda keek 'm aan met ongewone zachtheid in haar donkere oogen, +en zei: "Dat we beneden Hans staan, zullen we wel allemaal moeten +bekennen... Z'n leven is voor ons een voorbeeld geweest. Maar +al hebben we niet 't recht hard te zijn: z'n dood was zeker 'n +misslag. Daarom zou 't wel heel verkeerd zijn, als wij, die 'm in +'t goede niet navolgden, het hierin juist wèl wilden doen... Laten +we liever hopen, Rolands, dat we nog 'n heeleboel tijd overhouden om +ons zelf beter te maken." + +"Ik ben daarvoor niet op den goeden weg," klaagde 't bruintje +weemoedig. + +"Laat dit dan 'n keerpunt in je leven zijn." + +De Veer trok zich zuchtend recht op z'n stoel. Hij had 'n gezonden +afkeer van alle verdriet, en wist ook bijna altijd de narigheid +van zich af te zetten. Maar dit, dit diep-ellendige vlak náást z'n +eigen zonnig-onbezorgde leven, had hem 'n geduchten schok gegeven, +'n vreemd gevoel van ijdelheid en vergankelijkheid, van veel schijn en +geveinsheid bij alles, wat hem zoo heerlijk leek, en noch de dikke poes +van de juffrouw, die binnengeslopen was, noch 't komische kindergebler +van beneden kon z'n sombere stemming breken. + +Om vier uur kwamen Han en Beerenstijn. Ze gingen tusschen de anderen +zitten, praatten met doffe stemmen over "de oude heer, die er zoo +kapot over was geweest, dat die twist niet bijgelegd was."-- + +"Zijn Leeden en Neerwinden er nog niet met de brieven?" + +"Nee." + +"Er zal wel wat voor hém bij zijn. Hans zal 't wel goed gemaakt +hebben natuurlijk." + +"Wist-ie niets?" vroeg Go, en begon weer te snikken, als ze zich +den ouden man voorstelde, alleen in z'n huis, die opeens hoort: +"uw zoon... dood." Ze klemde krampachtig de handen voor haar gezicht. + +Lou gaf haar wat water, huilde zelf kinder-hard mee, terwijl ze +fluisterde: "Stil nou, Gootje, je maakt je ziek.... toe, huil nou +niet," en toen zelf doorsnikte, het hoofd op haar schouder. + +"Jullie moeten niet alleen blijven, kom allemaal vanavond bij mij," +vroeg Han, "dan weten we, wat in de brieven staat." En toen tegen Go: +"Ik heb 't Else geschreven;... wat zal ze schrikken; ze hield zoo +van Hans." + +"Dat deed iedereen," zuchtte De Veer, overtuigd. + + + +'s Avonds waren ze weer samen: Gerard en Eduard, moe en nerveus, +praatten eerst over zaken met Han en Beerenstijn, scharrelend met +papieren en verklaringen. Toen kwam Otto naar Go om te vragen, of ze +geslapen had;--en ze spraken er kalm-treurig over, hoe alles geregeld +zou worden voor de begrafenis. + +"Als z'n vader er niet tegen is, wilden we 'm naar Warmond laten +brengen; hij hield zoo van dat vriendelijke, begroeide kerkhof." + +"Wàs er 'n brief aan z'n vader?" + +"Ja, we hebben 'm vanmiddag nog gebracht. Hij was er zoo blij mee." + +Eduard zat naast Go; hij leunde z'n bleek hoofd op z'n handen, de +oogen gesloten, en om z'n mond trokken lange, moeë strepen neer. + +"Was-tie dadelijk....", vroeg ze zacht aan Gerard, "of zou hij nog +pijn hebben gehad?" + +"Hij had direct getroffen, zeiden ze.... denkelijk vannacht om +één uur." + +"O, dus gisteravond nog... Als we toèn...." + +"Zoo moet je niet praten," zei Beerenstijn, medisch-beslist, "'n mensch +is altijd geneigd allerlei bijkomstigheden de schuld te geven: àls +we ons maar meer met 'm hadden bemoeid, àls we 'm maar minder alleen +hadden gelaten, àls we er maar eerder werk van hadden gemaakt. Dat is +onzin. 't Is 'n ziekte. Als we 'm er nú van terug hadden gehouden, +zou hij 't de volgende gelegenheid hebben gedaan. Misschien met +'n halfjaar voortdurende observatie was hij er over heen gekomen; +maar tòch: dat verlangen naar den dood,.... zonder dat er reden voor +is.... Hij hàd geen enkele reden---" + +Ze bleven stil zitten luisteren, en levendiger praatte hij door, +verdiept in z'n lievelingsstudie: + +"Een van de treffendste voorbeelden, dat 't doodsverlangen bepaald 'n +soort waanzin, 'n idée fixe is, is 'n werkman, getrouwd, met kinderen, +niet ongelukkig, alleen heel nerveus, die opeens op 'n middag zich den +hals afsnijdt.... Enfin, 't mes weigerde halfweg; hij wordt opgenomen, +met de uiterste zorg verpleegd, en wezenlijk: hij geneest.... Vrouw en +kinderen komen 'm verheugd van 't ziekenhuis halen; hij gaat mee naar +huis, 's avonds is hij niet te vinden, en na lang zoeken, vinden ze +'m op den zolder aan 'n balk bengelen.... opgehangen." + +De Veer knikte, dat hij 't ook wist; maar Go barstte in 'n zenuwachtig +lachen uit: "Och Otto, 't is niet waar. Praat toch niet zulken +onzin.... 't Is zoo idioot, als die menschen al hun zorg hebben +besteed, maanden lang, om 'm beter te maken, en als hij dan...." + +"Toch is 't waar," besliste Beerenstijn, "en dit is de eenige oplossing +van zooveel duistere gevallen...." + +"Maar Hans beschouwde 't toch zelf niet als 'n ziekte-geval." + +"Nee; natuurlijk niet," en Eduard gaf Go z'n afscheidsbriefje; hij las +over haar schouder mee. "Is 't niet heelemaal Hans," zei hij zacht, +"dat ons zelf nog over z'n dood willen troosten: "Jullie moet niet +denken, dat de laatste uren, als het besluit vast staat, zoo pijnlijk +zijn. Wel de onzekerheid vooruit, als je niet leven kunt, en nog niet +wilt sterven. Maar als je tot klaarheid bent gekomen, als 't besloten +is, dan is 't net, of je er al niet meer bent." + +En dan dit: "Je begrijpt, dat ik door deze daad geen uitspraak over +het leven doe, waarvan ik zoo weinig heb kunnen begrijpen. Ik toon +hier alleen mee aan, dat mijn leven hier geen plaats, geen bevrediging +vinden kon. Daarom is 't beter zoo. Waarom zou er één mee-eten, en +mee-ademen en mee-streven in deze overvolle wereld, als hijzelf niet +dankbaar om z'n bestaan kan zijn, en anderen 't brood ontneemt?"" + +"'t Is zoo logisch, hè," peinsde Eduard, "maar er móet toch iets +mankeeren aan 'n levensleer, die tot zelfvernietiging leidt. Wàt 't +hier is, weet ik niet: Hans stond moreel hoog, was ernstig, ijverig..." + +"Hij was de beste van ons allemaal," zuchtte Rolands, en hij huilde, +stil en nederig. Lou gaf 'm eau-de-cologne, en Coba, die van mevrouw +'n groote flesch eau-des-Carmes had meegekregen, bereidde voor ieder +'n glaasje van 't melkige vocht, "toe, heusch, dan slapen we vannacht +tenminste." + +Het licht suisde. Ze zaten heelemaal stil. Eduard had verteld, dat +hij 'm nog gezien had: nu schemerde voor hun oogen z'n lieve gezicht, +verstijfd, de oogen dicht, den mond strak, en de wond bij de slapen. + +Ze zaten bang te zwijgen in de groote kamer, en voelden den angst +voor den nacht, als hij daar liggen zou, alleen in 't donker. + +Toen keek Go langzaam de rij langs; en dacht aan de picnic, aan den +avond, toen ze gezongen hadden, één van ziel, op het balkon. Else +was naar Parijs gegaan,--Hans... wie nu? Wie zou nu 't eerste +uit hun midden weggaan? Ze zóuden gaan, de een na den ander, naar +verschillende steden, naar vreemde landen, in allerlei betrekkingen, +hooge en lage;--alleen de studietijd bracht zóó verschillende menschen +bij elkaar. + +Er zou 'n tijd komen, dat ze elkaar nauwelijks meer kenden; zij, +eens één in vreugde; en nu vereend in 'n groote droefenis. + + + + + + +HOOFDSTUK XVII. + + +De eerstvolgende dagen was Go bijna nooit thuis; dadelijk na college +en 's avonds weer ging ze met Frieda Gerard, Han en Beerenstijn +helpen, die Hans' vader beloofd hadden, alles te zullen regelen +en in orde brengen. Er was 'n huiselijk testamentje gevonden, dat +ze met toewijding uitvoerden; kleeren en boeken moesten in groote +kisten worden verpakt, rekeningen gesorteerd en aangezuiverd, +brieven en dagboeken verbrand;--ze werkten te zamen uur na uur op +de stille kamer, waar iets kils bleef hangen, ondanks de lustige +zon; soms even onderbroken door iemand, die kamers zocht en boven +kwam, aangetrokken door 't houten bordje, dat tegen 't raamkozijn +kletterde. "Cubicula locanda;" het klonk zoo koud; of de vorige bewoner +ruzie met de juffrouw heeft gehad, of gepromoveerd is of gesjeesd, of +om geldverlies z'n studie heeft moeten staken, of zelf 'n einde aan +alles maakte--"cubicula locanda"; het bleef 't zelfde. En telkens, +als Go weer aan kwam met, bijna onbewust, de hoop, dat hij er wel +zou zijn, dan zag ze weer dat bordje, dat alle verwachting versloeg, +en in de zon blikkerde als 'n emblema van de snelle wisselvalligheid, +èn de onaantastbare gelijkmatigheid van het leven. + +Ze overlegden nu alles met elkaar, en de zorg voor de nalatenschap +scheen 't werk van "het dispuut" te zijn; telkens kwamen De Veer en +Rolands, Beerenstijn of Hoefman met 'n rekening, 'n brief: wat Go er +van dacht; en door de noodzakelijkheid van eenvoudig-practischen ernst +groeide hun vriendschap in de kil-droeve dagen tot een wezenlijk, +steungevend, bemoedigend gevoel. + +Zoo kwam ook Gerard 'n avond met 'n pakje lidmaatschap-kaarten, om +te bespreken, of ze afgeschreven moesten worden, of door den dood +vanzelf vervielen, toen hij Go wild snikkend met haar hoofd op de +schrijftafel vond, de handen in wanhoop door haar haren woelend. + +"Maar Go, kindje; wat is er gebeurd?" begon hij verschrikt, maar toen +ze z'n stem hoorde, ging er opeens 'n schok door haar heen, en 't +betraand gezicht opheffend fluisterde ze nerveus: "Ga weg, Gerard; hoe +kom-je hierbinnen? Hield ze je niet tegen? Heb-je 'n scène gemaakt?" + +"Wie? Ik heb niemand gesproken." En z'n oogen staarden verbaasd +haar aan. + +"De juffrouw--ze zegt--o, Gé, ze zegt..." Nu begon ze weer opnieuw +en erger te huilen, telkens tusschen twee snikken door hijgend: +"Ga weg.... ga weg.... ze wil 't niet hebben." + +Hij schonk haar een glas water in, en ging op den rand van de tafel +zitten; hij dácht er niet over heen te gaan, vóór ze wat kalmer zijn +zou, en z'n afgebroken stem dwingend tot rustig spreken, begon hij: + +"Je hebt dus herrie met de juffrouw gehad. Maar is dát nu een reden om +zóó te huilen? Is 't heele mensch wel één traan van jou waard? Als je +me nu maar 's wou vertellen, kalm en verstandig, wat er eigenlijk is, +dan zouden we kunnen overleggen, hoe 't in orde te brengen.... Maar +als je zóó blijft, word-je ziek en ellendig en kan ik onmogelijk iets +voor je doen." + +"Maar je moet dadelijk weg.... Ze zegt juist, dat heeren.... dat 't +geen pas heeft, als 'n méisje hééren op 'r kamer ontvangt.... Eerst +was jij alleen gekomen, en toen had ze niets willen zeggen.... het +kon.... het had...."--en even trok 'n glimlach over haar trillende +lippen--"het had 'n fatsoenlijk engagement kunnen zijn, ofschoon +ik geen ring droeg,--maar nu telkens andere,.... ieder oogenblik +'n ander...." + +"Vervl...," viel hij uit; "heeft ze dat durven zeggen?" + +"Ze zei, dat het 'r goeien naam kwaad dee. En ze had zélf groote +dochters... En de heeren mochten vroeger ook nooit dames op hun +kamer ontvangen; als je 'n heer had, ontving-je heeren, als je 'n +dame had dames." + +"En wat antwoordde jij, Go?" + +"Ik weet niet; het kwam zoo vreeselijk opeens. Ik probeerde 'r eerst +uit te leggen, dat 't m'n collega's waren, en dat onze verhouding +anders is dan van gewone jongens en meisjes.--Maar ze keek me zoo raar, +zoo verdenkend aan, en zei weer iets over 't fatsoen van haar dochter, +en toen kón ik opeens niet meer; tegen zoo'n mensch, over zoo iets..." + +"Nee, natuurlijk. Laat mij maar 's..." + +"Nee, Gé, nee, als je blieft niet... Dan wordt 't immers nog veel +erger..." + +"En wat wou-je nou doen?" + +"'k Heb gezegd, dat 'k zoo gauw mogelijk van 'n andere kamer werk +zou maken." + +"Goddank; dus je hebt toch niet toegegeven, 't Is... 't is... zoo'n +mensch tegen joù, tegen joù... zóó iets..." + +"Ja maar," zei Go, kalmer door zijn opwinding, "we moeten ook +niet onredelijk zijn. Ik kan er eigenlijk best in komen, dat ze zoo +praat. Wat weet ze van de verhouding onder ons, studenten, af? Hoe kan +ze ons samen-zijn zich anders voorstellen dan 'n jongelui's partijtje +in háár jeugd? Bovendien zouden voor vijf-en-twintig jaar àlle menschen +'t met haar eens geweest zijn..." + +"Voor vijf-en-twintig jaar, jà. Maar 't veranderen van de publieke +opinie is geen toeval; die volgt de omstandigheden, en daarom..." + +"Toe, je verwacht van háár toch geen redelijkheid!... En ik ben hier +pas zoo kort; en juist in 't begin, door den dood van Hans, zijn er +zulke vreemde dingen gebeurd: Otto en jij dien ochtend vroeg... en +'s middags de heele club... en later telkens weer iemand om iets te +vragen... telkens 'n ànder, zooals zij zegt..." + +"Praat er maar niet meer over. Ik kán dit niet filozofisch +opvatten... Ik vind 't min, láág, afschuwelijk.--Enfin; wat doe-je +nou? Weet je 'n kamer?" + +"Nee, 'k moet toch ook eerst naar huis schrijven." + +"Ja, natuurlijk. Doe dat dan nu dadelijk. Dan breng ik den brief naar +'t postkantoor... Het was eigenlijk beter, als je naar huis ging, +tot je iets anders hadt. 't Zal je zoo irriteeren, als je hier moet +blijven, en 'k heb de kamer altijd beroerd gevonden." + +"Och, 'k zal 't maar niet al te erg maken voor moeder. Die vindt +'t zoo vreeselijk, als iemand iets slechts van ons denkt." + +"Maar de ploerterij..." + +"Nou, ja, die scherpe afscheiding bestaat bij ons niet. Moeder +vertrouwt me natuurlijk, maar ze is wel 's bang, dat 'k onvoorzichtig +ben." + +Gerard knikte: "Kwam Van Neerwinden veel bij je?" + +"Nee; hij is zoowat de eenige, die nooit op deze kamer geweest is." + +"Zoo... Weet je wat, je moest ook even aan Frieda schrijven;--die wéét +misschien wel 'n kamer. Ik ga dan zelf met 't briefje naar haar toe." + +"O, wat ben ik toch blij, dat jij gekomen bent. Ik was zoo +wanhopig,--alleen tusschen al die vijandige menschen." + +"En je wou me nog al dadelijk wegsturen... Nou, schrijf maar." + +Bij den brief aan moeder kwamen de tranen toch weer. Wat zou-die wel +zeggen? Ze hadden nooit aan die mogelijkheid gedacht;.... de kamer, +die je huurde, was toch je eigen,--maar natuurlijk, 't was 't huis +van de juffrouw.--Hád ze schuld? Moesje had gezegd: "Maak nooit +misbruik van je vrijheid," maar ze had de jongens toch niet in den +winkel kunnen ontvangen, vooral niet in die omstandigheden... + +Gerard hoorde haar de snikken in haar zakdoek smoren: "Ben-je bijna +klaar?" riep hij uit den hoek van de kamer, waar hij water kookte +voor thee. + +"Ja, dadelijk." En vlugger pende ze het briefje aan Frieda. + +"Nu heb ik alles in je kast kunnen vinden, zelfs het zeefje en +'n zakje biscuits, behalve de thee zelf," klaagde hij hulpeloos; +"ik zou je zoo graag met 'n kopje verrast hebben, en 't water kookt +"als 'n see", zou mijn juffrouw zeggen." + +"O, Gé, hoe lief van je. Wat zou ik toch beginnen zonder jou!" + +"Kon ik maar wat meer voor je doen. Nu moet 'k je weer alleen +laten. Beloof me, dat je je best zult doen niet bedroefd te zijn." + +"Nee, nee," zei ze, maar haar lippen trilden. + +En hij keek haar aan, met 'n oneindig zacht medelijden in z'n eerlijke +open oogen, en eenvoudig-weg, of 't zóó in z'n hart opkwam, zei hij: + + + "Ik wilde, ik kon u iets geven + Tot troost diep in uw leven; + Maar ik heb woorden alleen, + Daden en dingen geen..." + + +Toen nam hij de brieven, die op de tafel lagen en met 'n bemoedigend +knikje, ernstig en opgewekt, ging hij de deur uit, wegstommelend +langs de ongelijke trap. + + + +Den volgenden morgen, toen Go na 'n onrustigen nacht, want ze hóórde +de vijandigheid uit alle geluiden om zich heen, de ontbijtkamer +binnenkwam, vond ze naast haar bord 'n groote bos witte seringen en +donkerroode anjers; de heele muffe kamer was vol lentegeur, en achter +op z'n kaartje had Gerard geschreven: "Goeienmorgen Go. Vanmiddag +komt Frieda bij je, en brengt 'n prettige boodschap mee." + +Ze drukte haar hoofd dieper in de bloemen, dankbaar, zalig; opeens +niet bang en niet eenzaam meer. + + + + + + +HOOFDSTUK XVIII. + + +Drie dagen later was Go bij Frieda en Mary Bruining +ingekwartierd. Voorloopig kreeg ze alleen maar 'n zit-slaapkamer, +omdat er nog iets verbouwd moest worden, vóór de meisjes met hun +drieën de heele verdieping konden betrekken, maar Gerard had er zoo op +aangedrongen, dat Go dadelijk verhuizen zou, dat Mary en Frieda beide +hadden gezegd, dat ze zoo vaak in haar kamer kon komen zitten, als +ze wilde, en als 'n droom zoo vlug was alles gegaan: Frieda had haar +dien middag dadelijk meegenomen om bij haar te eten; den volgenden dag +hadden zij tweeën en Lou en Coba alles gepakt en de breekbare waar zelf +overgedragen, en nog geen vier maanden, nadat 't binnengedragen was, +was haar heele huishouden weer uit de donkere straat weggereden naar +de lichte Jan-van-Goyenkade, met 't wijde uitzicht over water en land, +en de vroolijkheid van meisjes-huishoudentjes in de zonnige huizen. + +Gerard was in de wolken, dat ze nu zoo prachtig onder dak was gebracht, +niet langer alleen--"het wàs geen kind om alleen te laten," maar met +twee aardige, verstandige meisjes, die voor haar zorgen zouden en +lief voor haar zijn. Ook haar moeder had enthousiast over de gunstige +verandering geschreven en gesproken. "Ik begrijp wel, kindje, dat je, +zoo heel alleen, behóefte hadt aan gezelligheid, zoowel van vrienden +als van vriendinnen. Maar ik ben toch wel bang, dat de bezoeken wat +erg druk zijn geloopen den laatsten tijd. Dat zal nu heelemaal anders +worden; jullie maaltijden met je drieën geven veel meer de gezelligheid +van een huishouden. Je kunt met je drieën bezoeken ontvangen..." + +Iedereen was tevreden en voldaan over de schikking, maar Go, nadat de +eerste roes van nieuwigheid voorbij was, nu ze als gewoon huisgenoot +was opgenomen, ze voelde 't wel: voldaan was zíj niet. Ze zat voor +Frieda's schrijftafel en staarde over het kale, wijde land, en, +de ellebogen op haar boeken, redeneerde ze met zichzelf: "Het kwam +dus niet door de kamer, en niet door de eenzaamheid, dat onrustige, +onbevredigde gevoel. Het komt uit m'n eigen hart, en daarom kan +niemand er iets aan verhelpen... Want deze kamers zijn licht, en +aan elken maaltijd en 's avonds ook, zijn Mary en Frieda er, met hun +hartelijke gezichten en opgewekte gesprekken, en ik zit er zwijgend +bij, en voel, dat 't me niet schelen kan. En als Gerard vraagt, +hoe deze levenswijze me nu bevalt, dan kan ik lange verhalen van lof +houden; maar ik wéét 't alleen met m'n verstand. In mijn hart voel ik +'t anders. Dit samenwonen is uitstekend, en 't moest veel meer door +jongens worden gedaan; ik zou wel willen, dat Gerard en Han en Eduard +ergens met hun drieën gingen wonen. Dat zou voor Eddy zooveel beter +zijn, dan zou hij misschien wel weer anders worden... en dan zou ik +ook weer kunnen voelen, dat 't leven prettig is." + +Ze legde haar handen nu voor haar oogen om aan z'n laatste bezoek te +denken; hij was op de vergadering zoo koel tegen haar geweest, zoo +anders dan de anderen, die nog onder den indruk van Hans waren. Hij +had alleen even met 'n naren lach gezegd: "Voor menschen, die pessimist +praten, hoef-je niet bang te zijn; juist de opgewekten maken er opeens +'n einde aan," en uit 'n paar losse woorden van Rolands had ze gemerkt, +dat er weer druk gefuifd werd in hun clubje. Bij 't weggaan had ze toen +gevraagd, of hij 's op haar nieuwe kamer kwam, en toen hij ontwijken +wilde, er beslist op aangedrongen, omdat ze 'm noodig spreken moest. + +Zoo was hij 'n avond in Frieda's kamer ontvangen, maar er was geen +stemming, geen harmonie geweest. Go had gemerkt, dat Mary en Frieda +geen van beide vóór z'n bezoek waren, ze had zich onzeker en gegêneerd +gevoeld, en hij had niets gedaan om 'r tot kalmte te brengen: hij was +heen en weer blijven loopen, had de fotografieën en beeldjes bekeken, +en steeds over allerlei onverschillige dingen gepraat. + +Na 'n kwartier had hij al weer weg gewild. Ze kon 'm niet laten gaan; +ze moest toch zeggen, dat ze 't zoo akelig vond... + +"Waar ga-je heen?" + +Hij moest naar de kroeg, afgesproken met vrienden... + +"Waaróm nou? Ik heb je al zoo lang niet gezien." + +Ja, maar ze zouën spelen, kaarten... + +"Hè nee, Eddy, doe 't niet." + +Er had in z'n oogen dat ongeduld gebrand, dat haar altijd even bang +maakte: "Natuurlijk zal ik gaan." + +"Ja maar, 't is zoo verkeerd; jullie spelen om geld." + +"Ik hoop zelfs veel te winnen; daarom ga 'k eigenlijk. 'n Lastige +beer." + +"Je kunt toch onmogelijk zoo heel veel winnen op 'n avond." + +"Twintig, vijf-en-twintig gulden is ook al genoeg. 'k Moet 't hebben." + +"Dus dáárom alleen?" En ze was naar de kast gegaan, en, smeekend, +dat hij niét boos zou worden... 't was wezenlijk beter.... had ze +'m het bankbiljet van vijf-en-twintig gegeven, terwijl hij weifelde, +ontroerd keek. + +"Ik schaam me, Go," had hij alleen gezegd, en toen was hij gauw +weggegaan, en ze had 'm niet weerhouden, omdat ze voelde, hoe pijnlijk +'t voor beide zijn zou, nog samen te blijven. + +Den volgenden middag had ze geen vleesch gewild aan de koffie. Of ze +vegetariër werd?--Nee, 't was zuinigheid; haar maandgeld was op.... + +Mary had haar even doordringend aangekeken, toen luchtig gezegd: +"Mooi zoo! Enfin, Frieda en ik hébben nog 't onze. Eet dus gewoon mee; +zoo sterk ben-je niet." + +En daarna had ze niets meer van 'm gehoord of gezien. Zelfs niet op de +laatste vergadering van L. V.; Rolands had zoo iets gepreveld, van dat +hij uit moest, maar Gerard had er dadelijk over heen gepraat, en hij +was beboet "wegens niet verschijnen ter vergadering, zonder hiervan +vooruit schriftelijk kennis te geven," en "wegens niet inleveren van +z'n verplichte werkzaamheid." + +'n Vergadering zonder hém had geen doel, en 't had Go toegeschenen, +of ze allemaal maar hadden zitten praten, om met hun woorden +de leegte te bedekken, en eigenlijk leek haar heele leven haar +tegenwoordig zoo, vooral als ze 'n middag alleen zat in de kamer, +met haar boeken. Wat moest dat allemaal nu eigenlijk? Wat had het +met haar geluk of 't heil van de menschheid te maken, of ze al wist, +hoeveel uitgaven er van Maerlants strofische gedichten bestonden, +of wat voor invloed de eerste en tweede klankverschuiving hadden +gehad? En nu kon-je zeggen: dat had-je nu eenmaal in iedere studie, +of je rechten nam, of medicijnen, of scheikunde: altijd moest je eerst +'n massa concrete kennis vergaderen, waar je 't nut niet zoo dadelijk +van inzag. Maar dat was 't hier niet alleen; als ze dóór dacht over +later, wat er zou gebeuren, als ze dit nu allemaal wist, als ze haar +candidaats en haar doctoraal had gedaan, en dan ook nog 'n boek, 'n +dissertatie, had geschreven,--dan sloeg haar eerst recht de schrik om +'t hart. Dan zou ze de hier vergaderde wijsheid gaan onderwijzen op +'n burgerschool of 'n gymnasium, of op 'n bibliotheek als archivaris +studeeren in perkamenten, dag in dag uit, òf aan "het woordenboek" +'n baantje krijgen, bij gratie, en de rijkste jaren van haar leven +besteden b.v. aan de letter p. En nóóit, nóóit zou ze, als de studenten +van andere vakken, in 't werkelijke leven kunnen ingrijpen en nuttig +worden; nooit zou ze direct met "menschen," menschenléven, te maken +hebben, zooals 'n dokter, 'n advocaat. Zelfs nooit haar hánden kunnen +gebruiken, zooals Mary, die kookte en knoeide op 't laboratorium, +die zoo heerlijk moe kon zijn, nadat ze 'n middag gestaan had. Voor +haar waren er niets dan boeken, die naar andere boeken verwezen, +en altijd weer boeken, waar niets achter was, en niet kòn wezen. 't +Was immers zuivere wetenschap, alleen òm de wetenschap, zooals: l'art +pour l'art. Dat had ze eerst juist zoo mooi, zoo groot gevonden, voor +gedachten te leven, in ideeën; maar nu, nu ze lange uren er zich aan +begon te geven, m'n God, nú voelde ze, dat ze jong was en krachtig, +dat haar lichaam niet wilde vegeteeren, dat haar spieren trokken van +ongeduld bij al dat stil zitten studeeren; en dat ze benijdde, o, +benijdde met hart en ziel, de bedrijvige wereld, beneden op straat, de +meisjes, die kleeden klopten in de zon, met flink beweeg van de stevige +armen; de jongens, die zware schuiten voortboomden, met groente, +met turf; iedereen, die z'n lijf inspannen kon, z'n kracht uiten. + +"Het Comburgsche HS; het Zutfensch-Groningsche HS, het HS der +Pelgrimage van der mensceliker creaturen, de Heidelbergsche +fragmenten...." Ze zette zich opeens op, en 't bloed vloog naar +haar hoofd: 't was om dól van te worden, zoo'n heele middag zitten, +terwijl vlak voor de deur 'n schuit met steenen werd afgeladen, en al +die menschen zich bukten, en sjouwden en zwoegden in den frisschen +winterdag, met de kou tegen hun warme lijven. Ze móest ook iets +doen. En met 'n ruk sjorde ze de ramen open, begon de kussens van +Frieda's canapé uit te slaan op de vensterbank, ofschoon ze wist, +dat dat eigenlijk overbodig werk was, want ze had tegenwoordig zoo +dikwijls 'n bui, dat ze opeens iets móest doen, en dan gingen de +kussens en de kleedjes er altijd 't eerst aan. Al haar handschoenen +waren ook heelemaal schoon, en ze schommelde in de laden van Frieda +en Mary; daar was wel wat te doen: warm water maken, zeep raspen, +goddank, nu leefde ze weer, in de koele lucht, met de beweging; +lekker, zoo met haar handen in 't warme sop voor 't raam te staan; +de waschkom kantelde wel wat op de vensterbank, maar 't zou wel +houden, en de wind was zoo frisch tegen haar gezicht. Was de slang +met 't aansteken zooeven 'n eindje van 't comfoor afgegleden? O, nee, +Frieda had al meer over gaslucht geklaagd; ze rook het nu ook, nu ze +er dicht bij was;--ze zouden--hé, daar was Ru Bruining, met z'n fiets. + +"Mary is niet thuis, Ru." + +"Zóó. Zou 't nog lang duren?" + +"Nee. Binnen 'n kwartier zal ze er wel zijn." + +"O, dan kom 'k toch maar even boven; ik heb 'n pakje van huis gekregen, +met ook iets voor haar; 'n das of 'n strik; ik weet niet precies." + +Ze hoorde 'm de fiets in de gang zetten, toen z'n vlugge stappen op de +trap. Het was zoo'n kordaat kereltje, niet groot, maar breed gebouwd, +rechtop en energiek, met kleine, sterke handen, en 'n kop met 'n wil. + +"Goeienmiddag. Wat voer-jij uit?" + +"O, ik wasch handschoenen. Geef jij me misschien ook de clandisie?" + +"Nee, die draag ik nooit. Je mag er wel wat opleggen, dat ze niet +wegwaaien, als ze gedroogd zijn." + +"Ja. Zeg, Ru, ruik-jij geen gaslucht, daar in dien hoek?" + +"Nee, 'k ben verkouden. Ja, hier toch; 't zit bij 't kastje." + +"Niet aan de slang? Frieda klaagt er al langer over. We zullen 's +'n man van de gasfabriek...." + +"Laat mij 's kijken; mag 't tafeltje even weg?" + +"Pas op; geen lucifers, Ru,... je vliegt in de lucht...." + +"Nee, wacht maar; zoo erg is 't niet. O, kijk; deze schroef zit +los. Je hebt hier zeker geen gereedschap." + +"De juffrouw zal wel...." + +"Och, ik kan het wel met m'n fietssleutel." + +Hij was al weg, om dien van beneden te halen, heelemaal in z'n werk +verdiept; en Go keek met welgevallen, hoe hij zich boog, schroefde, +z'n kracht spande, dat 't bloed roodend naar z'n voorhoofd liep, +tot onder z'n stug, blond haar. + +"Kom nu 's ruiken. Wat denk-je er van?" + +"Ik ruik niets," snoof Go behagelijk. "Wat leuk, dat je ook van zulke +dingen verstand hebt, zeg. Zoo 's practisch iets doen, dat kan bijna +geen een student." + +"Dat komt door de stomme verdeeling van den arbeid. Er is 'n klasse +menschen, die hun lichaam óver-aftobben, en geen tijd voor eenige +ontwikkeling overhouden, ook geen kracht en geen lust; en aan den +anderen kant staan wij, de z.g. bevoorrechten, maar die even goed zelf +ook lijden door de misstanden, die we in onze kortzichtigheid toch +niet opgeven willen; wij, die ons suf en stomp werken met ons hoofd, +en onze spieren als niets-nut moeten laten verslappen." + +"Hè ja," zei Go gretig, "ik had vanmiddag zoo graag 's met dien +steenensjouwer geruild;--hij hier 's wat uitrusten en ik me 's weldadig +moe maken. Je hebt gelijk; 't is 'n domme indeeling." + +"We kunnen er natuurlijk zelf wel wat aan verhelpen. Ik woon daar nu +buiten, en als ik 's twee uur gewerkt heb in Hesiodus of Isocrates, +dan ga 'k eens naar m'n kooltjes kijken, of neem de geit mee wandelen; +maar dat is maar spielerei, en aardig voor mij persoonlijk. De +gemeenschap heeft er geen nut van, zooals 't zou zijn, wanneer de +verhoudingen beter georganiseerd waren." + +Ja, Mary heeft wel 's verteld, je hebt daar 'n eigen huisje, hè, +en je doet alles zelf." + +"Zoowat, ja; kom 's kijken, als je lust hebt, met Mary. Er is nu niet +veel om jullie mee te geven: vroeger heb ik 't huishouden hier wel +'s van boontjes of aardbeien voorzien." + +"Aardbeien! O, heerlijk! Mogen we dan van den zomer nog 's komen? En +je hebt 'n roeiboot, niet?" + +"Ja, en 'n kraai en 'n paar kippen, en konijntjes. Je zult 't wel +grappig vinden, denk ik." + +"Hè, zalig zoo buiten wonen...." + +Mary vond hen in druk gesprek bij het open raam. "Zoo broertje!" + +"Dag Mary, ik breng iets van moeder voor je mee." + +"O, de das, dank je." + +"Zeg Mary, Ru vraagt, of 'k vanavond mee ga naar de lezing van Mevrouw +Roland Holst. Doe-jij 't ook?" + +"Nee, Go, ik kan niet. Maar doe 't. 't Is zeker mooi, en 't zal +je opfrisschen." + +"Natuurlijk," pleitte Ru. "Dát is 'n vrouw! Ik voel me niet gauw +klein bij iemand, maar bij háár...." + +"Wat is hij toch altijd opgewekt," zuchtte Go, toen Ru weer naar +"de boerderij" was. "Je voelt je al anders, als hij de kamer maar +binnenkomt." + +"Dat komt, omdat hij sociaal-democraat is," antwoordde Mary, de +handschoenen naar binnen hengelend. + +"Dan is dat toch 'n mooie overtuiging, als 't je zoo levens-tevreden +maakt." + +"Ach, dat doet natuurlijk ieder wezenlijk geloof." Maar Go luisterde +niet. 't Was net, of er iets prettigs gebeuren ging, iets met +Eddy, zoo opgeleefd was ze opeens, door dat gesprekje, door 't +vooruitzicht van de lezing: misschien zou hij er ook zijn,--ofschoon +sociaal-democratie--'t was niets voor hem; misschien zou er gauw +'n brief komen, of hij dàcht nu aan haar; ze wist niet, wat ze +verwachtte, maar haar bloed stuwde krachtig door haar verwachtende +hoofd, ze vóelde, dat 't toch zoo maar niet opeens uit kon zijn, +tusschen hem en haar, en terwijl ze zich waschte en 'n héél klein +beetje toilet maakte,--ze mocht niet te mooi wezen, 't zou iets van +gelijkheid zijn, dacht ze,--zong ze aldoor die bemoedigende spreuk +voor zich heen, die uit 'n droge kolom van het middelnederlandsch +woordenboek haar plots toegegeurd had en die haar nu zóó sterkte: + + + »Dat nemmer man en was so wilde, + Een vrouw diene met smeekene hilde." + + +Ze zoù 'm houden, al trachtte alles hem van haar af te trekken; +door haar liefde alleen. + + + +Ze liepen samen terug door de stille straten, beide warm van opwinding, +gedragen op hun bewondering, hun extase over dien avond. + +"Nog nooit heb ik zoo iets gehoord," zuchtte Go, "en 'k had 't +heelemaal niet gedacht, toen ze pas opkwam. Niet eens sympathiek, +vond ik, en geen mooie stem...." + +"Er is niets heerlijker, dan mee te gaan, op te gaan in haar geestdrift +en bezieling. Ze electriseert de menschen eenvoudig, en níet door +stijl-effecten, niet door woorden-klinkklank, maar alleen door haar +overtuiging, en haar passie om anderen te overtuigen." + +"O, Ru, ik ben zoo blij, dat je me meegenomen hebt. Ik weet er +heelemaal niets van, van socialisme of anarchisme of al die dingen; +maar 't is net, of ik nu weer harder m'n best zal doen om goed +te zijn." + +"Ja, die opwekking geeft ze zeker ieder: 'n behoefte eerlijk en +zuiver te zijn, in alles, ook in je intiemste gedachten; 'n behoefte +te werken, nooit bij de pakken neer te zitten." + +"Laten we nog 'n endje omloopen, de avond is zoo heerlijk, en ik voel +zoo'n kracht; ik zou toch niet kunnen slapen." + +"Als we nu maar 's dadelijk met wat moeilijks beginnen konden, hè, +'n groote opoffering, 'n heldendaad. Maar 't lastige is 't vuur +brandend te houden in 't gewone doen van alle dag, ook als we onder +kleine en groote zonden leven." + +"Maar 't helpt toch zeker, zoo'n avond, en de beloften, die je jezelf +dan doet." + +"'n Mooi gevoel is niet verloren," zei Ru, maar Go keek strak voor +zich uit. Ze waren nu op de Stille Rijn en van de brug zag ze twee +menschen komen, 'n jonge man en 'n meisje, die dicht bij een lantaarn, +tegen elkaar geleund, bleven staan. Zij, die in 't donker liepen, +zagen hen hel belicht; Go onderscheidde 't grijze hoedje op 'n bos +ros-blond haar, het beige manteltje, waarom 'n zwarte arm lag. De man +was lang en slank, hij droeg 'n slappen hoed; zwart haar.... o, God, +en z'n gezicht was bleek, maar z'n oogen straalden.... Hij keek in +'t gezicht daar beneden hem, en boog zich, en z'n hand was op haar +schouder; maar toen ze de voetstappen hoorden, liepen ze door langs +den donkeren waterkant, en z'n stap, even sleepend, klonk door haar +hakgekletter heen.... + + + +"Scheelt er wat aan, Go?" + +"Nee. Wat koud." Haar lippen weigerden bijna, maar Ru scheen 't niet +te merken. + +"Laten we dan gauw naar huis toe gaan. Je ziet zoo vreeselijk bleek." + +"Ja. 't Is ook mistig, kijk." En ze staarde over het water, waar +de booten met hun roode lichtjes lagen, en terug naar de donkere, +stille gracht, waar ze nu samen zouden zijn. + +"Ik begrijp niet," begon Ru weer over de lezing, "dat er niet veel +studenten waren vanavond. Natuurlijk wel de partij-leden, maar dit +was toch iets, dat iedereen goed zou hebben gedaan." + +"Och, ze hebben zooveel andere dingen." Ze liep steeds sneller om +maar thuis te zijn. + +"Maar nergens leeren ze 'n historischen kijk op de wereld +krijgen.... Als je die kerels soms hoort beweren--" Nu was hij op z'n +stokpaardje, praatte door tot bij de deur, waar hij weer verschrikt +zei: "God, Go, je hébt toch niets? je ziet er zoo ellendig uit; kan +'k niets voor je doen; iets halen?" + +"'t Is alleen de kou...." En ze klappertandde. "Nacht Ru! Ik dank +je wel." + +Ze knikte nog even op de stoep; sloot toen langzaam de deur en +deed er den grendel en de knippen op. Iedereen was al naar bed, +en met de kleine olielamp ging ze langzaam, tastend, de trap op, +naar Frieda's kamer, waar nog wat kachelwarmte en theegeur hing. Ze +zette de lamp neer, en wist opeens niet meer. Onderweg had ze hevig +naar 't oogenblik van alleen-zijn verlangd. Nu stond ze als te +wachten. Er was iets ergs gebeurd; er was iets gescheurd van binnen; +maar wat moest ze nu hier alleen in die kamer? Ze had nog geen pijn; +'t was te scherp geweest. Ze wou even zich herinneren, hoe 't maar +weer precies was gebeurd: ze liep naast Ru, en was moedig, en had +honderd groote en dappere plannen in haar hoofd; toen kwamen er twee +de brug af, en ze vermoedde zonder woorden; ze voorvoelde; 't was +als het bewustzijn van één, die vallen gaat, diep, dood;... ze had +gekeken, strak, naar één punt, en het was duidelijker geworden;--háár +Eddy was even tusschen het dreigende beeld komen schuiven, hij, met +z'n belovende oogen, z'n streelende lach; toen was hij er mee samen +gevallen: z'n lach naar 'n ander, de belofte aan 'n ander.... + +Nu waren de tranen er, opeens in 'n stroom over haar strakke gezicht; +ze stond met haar hoofd tegen den muur als om zich op te houden, +en trillend over haar heele lichaam, fluisterde ze: "Hoe kòn-je, hoe +kòn-je! O, Eddy, wat bén-je slecht. Ik had het nooit gedacht...." En +als ze even stil was geweest, barstte dadelijk haar snikken weer +heviger uit, tot ze uitgeput op de canapé viel en daar onbeweeglijk +bleef zitten, in de donkere kamer starend, waar alleen 't olielichtje +'n spokig schijnsel door wierp. + +Zoo was dus het leven; en dít de liefde, waar ze zoo naar had +verlangd. Zoo waren de menschen, die ze had vertrouwd; hij, hij, +de aller-liefste, deed zulke dingen. En dat hoorde zoo. De ouderen +wisten het; er veranderde niets om op de wereld; zooals Rolands gewoon +in hun clubje was teruggekomen, zoo zou hij de volgende keer weer één +der hunnen zijn, met z'n zingende stem, met z'n lieve manieren. Niemand +zou iets van 't gebeurde aan hem kunnen zien;....deden ze dan misschien +allemaal zoo: Hoefman en Otto en Han--en Gerard ook? Wien kon ze nú +vertrouwen, nadat ze hem zoo gezien had! + +O, ze had er wel eens over hooren praten en er van gelezen, van +het leven van jongelui, en dat 't zoo anders was meestal, dan 't +scheen aan den buitenkant, en ze had niet gedacht, dat de menschen, +die zoo oordeelden, logen of zich vergisten, maar wèl: dat ze over +'n ander soort jongens praatten, dan zíj kende. Háár vrienden had ze +altijd geheel als zichzelf vertrouwd, en toen Eddy dien middag in +het laantje had gezegd: "Ja, zoo zijn we, wij, studenten; zoo zijn +we haast allemaal", had ze wél de pijn gevoeld, dat hij ook wel 's +iets kwaads gedaan zou hebben, 's lief gedaan tegen 'n meisje; maar +nú toch zeker nooit meer, nu hij háár kende. En ze had zich ook niet +voor kunnen stellen, dat hij ooit erg intiem met zoo iemand kon zijn +geweest;--misschien 's tegen 'r gelachen,--dat was al erg genoeg, +z'n mooie lach;--misschien 's een endje met haar opgeloopen, maar +hoe kon hij, de ontwikkelde, beschaafde, over-verfijnde, voor wien +zij zich vaak te grof en te onwetend had gevoeld, wezenlijk behagen +vinden in 'n burgerlijk, onbeschaafd schepsel, zoo een, die Leidsch +dialect sprak, met 't leelijke zangetje, en niets had gelezen; die +bovendien niet wezenlijk van 'm houden kon. + +En tòch, ze had het gezien, het wàs zoo: hij gáf haar zijn +liefkoozingen, hij verdiepte zich in haar wezen. O, nu begon ze +te begrijpen de tragedie van vrouwenliefde in zooveel boeken, die +altijd zooveel roerender dan mannen-désillusies was. Nu begon ze +iets te voelen van de wanverhoudingen tusschen het meisje, dat wacht +en hoopt, om zich geheel aan den man, dien ze liefheeft, te kunnen +wijden, en den man, die minnarijen zoekt, die hem direct voordeel en +bevrediging geven, zonder al de zorgen en 't bindende van 'n huwelijk +met 'n vrouw van dezelfde ontwikkeling, die hooger eischen stelt. En +als hij dan eindelijk toch naar 'n eigen huis, 'n familie verlangen +gaat, met hoe verschillende idealen, met hoe ongelijke verwachting, +gaan de twee dan het nieuwe leven in: het meisje, dat al, wat ze bezat, +heeft bewaard en vermooid, 't hem nu bevend wil geven; hij, al moe, +en gedésillusioneerd, met herinneringen, die schrijnen en bezoedelen, +vaak met 'n ontveinsd dédain. + +Dát stond de vriendschappelijke verhouding tusschen jongens en meisjes +in den weg; niet, dat ze vaak dronken waren in de eerste plaats, +maar 't feit, dat andere vrouwen op 'n andere manier in hun leven +gedrongen waren, en ze daarom geen achting, geen zuiver, hartelijk +gevoel meer konden voelen voor eenig meisje, want hun gedachten waren +vol van wat laag en afschuwelijk was. + +O, wat wás de wereld leelijk, en wat deed 't weten 'n pijn. 't Was net, +of ze haar heele leven geslapen had, en nu opeens, wakker geschrikt, +de onwaarheid van haar mooie droomen besefte; 't was, of ze al lang in +'n modderpoel was rondgegaan, en nu pas zàg, waar ze was verdwaald. + +Het zien van Rolands had haar niet diep getroffen. Het was even +pijn geweest, maar wat wist ze van z'n leven, en hoe kon ze er zich +indenken, hoe z'n liefde zou zijn? Maar Eddy's liefkoozingen had ze +gevoeld in haar droomen; ze wist, hoe z'n oogen keken, wanneer hij +teeder was; ze zag de zachte gebaren van z'n streelende handen, en nu +dit alles, haar lang-gedroomde schat, aan 'n ander werd gegeven, als 'n +nietswaardigheid; nu haar hoogste geluks-verlangen was neergestort bij +den vreeselijken aanblik van het tot bespottelijk-karikatuur misvormde +beeld van haar ideaal,--nu doorvoelde ze plots de diepte van ellende +van ongelijke moraal van twee naar gelijkheid strevende geslachten, en +duizelend van haar eigen misstanden-peilende helderheid, hield ze het +hoofd in de handen, en kreunde om haar gewond, beleedigd vertrouwen. + +"Als je maar altijd 't allerleelijkste van de menschen denkt, als je +je maar nooit door idealisme laat verleiden, dan krijg-je 't meeste +gelijk in de wereld. De oude, wantrouwende menschen hebben gelijk, +de misanthropen hebben gelijk," prevelde ze bitter, "en wie vertrouwt +en liefde geeft, zal net zoo lang gemarteld worden, tot hij wijzer +geworden is. "Zoo ís de wereld eenmaal," zeggen de ouderen altijd. Hoe +heb ik ze gehaat, om hun hard en liefdeloos oordeel. Ik voelde, dat +'t niet waar kon zijn; en nu...." + +Ze begon in Frieda's kamer op en neer te loopen, en bleef lang +voor de bul van L. V. staan; het was 'n groot papier met 'n +gewichtig-uitziend zegel op den hoek, en er stond met dikke letters +gedrukt: Virginem ornatissimam Friedam Vervoort, enz.; onderaan de drie +handteekeningen van het bestuur, den datum en 't jaar in Romeinsche +cijfers. Onwillekeurig trachtte ze het in gewone over te brengen, en +onderwijl herinnerde ze zich, hoe het alles was begonnen, dien avond op +z'n kamer, hoe ze in 'm was opgeleefd zonder eenige terughoudendheid, +terwijl intusschen z'n gedachten vol leelijke dingen, o ze wist 't nu, +moesten geweest zijn. Wie weet, wat hij van haar en haar dringende +openheid had gedacht; of hij niet met anderen over haar verlangen, +voor állen iets te zijn, had gelachen. Hoe schaamde ze zich, dat +ze zich had laten gaan, en haar mooiste gevoel misschien tot spot +gemaakt. En al zei ze weer: "nee; zóó slecht kan hij niet zijn; hij +was toch eerlijk tegen me, al wilde ik het niet begrijpen",--hoe wist +ze, in hoeverre ze nu nog iemand vertrouwen kon; hoe wist ze, of niet +de heele wereld één afschuwelijke leugen was, waar de menschen toch +maar mee doorleefden, omdat het nu eenmaal zoo gewoonte was... + + + +Toen het drie uur sloeg door de stilte, stond ze nóg voor 't raam +in de duisternis te staren. Het olielampje achter haar rug was +bijna leeggebrand, en ze zei 't zich, dat ze nu maar naar bed moest +gaan. Maar de roerloosheid van de kamer, de gevoellooze rust van +het heele huis, deed haar de schouders ophalen: waarom eigenlijk; +wie kon 't iets schelen, of ze hier heen en weer liep, in angst en +verbijstering, of naar haar bed toe ging? Wie mérkte 't zelfs? Iedereen +sliep. En wat kwam 't er voor haarzelf op aan, of ze hoofdpijn zou +hebben morgen; wat kwamen alle dingen van alle verdere dagen er op aan? + +Ja, natuurlijk; ze moest examen doen; ze moest promoveeren en 'n +betrekking krijgen, om voor zichzelf te kunnen zorgen; 'n ander zou +'t niet doen. Ze moest verdienen, om te kunnen leven, of eigenlijk: +bestaan. Ze wist niet, waarvóór. Wist die vrouw, die toch ouder was +dan zij, en die.... dienzelfden avond, maar hoe lang scheen 't al +geleden,--had gesproken van 'n toekomst, 'n omwenteling, dan niet, +dat de ménschen slecht waren, en dat daar geen veranderde staat voor +hielp? En ze had wel gepraat van verandering van de leugen-moraal, +maar wat hielp 't, als de mannen van aanleg ontrouw waren, de meisjes +trouw? Of die misschien alleen uit noodzakelijkheid? + +Ze wist 't niet meer, ze wist niets meer. Van wat, dat ze vroeger hoog +en heilig had gehouden, kon ze nú nog zeker zijn, nu het hoogste van +haar leven schijn was gebleken? + + + + + + +HOOFDSTUK XIX. + + +'n Paar dagen later kwam ze lusteloos en bleek Mary's kamer in. Ze had +lang, half-wakker, in haar bed liggen woelen, en zich nu eindelijk, +zonder zorg, 'n beetje aangekleed, om in de rustige, blauwe kamer, die +uitzag in den tuin en over de kale boomen, wat vrede te zoeken, dien +ze nergens vinden kon. Die kamer had altijd 'n bizonderen invloed op +haar; de meeste meisjes vonden 'm somber en kwamen liever in Frieda's +"zonnepaleis," dat ook lichter en levendiger was gestoffeerd; maar +Go hiéld van die doffe kleuren en sobere lijnen; Mary's eigen rustig +en harmonieus wezen weerspiegelde zich in de dingen om haar heen; en +de stilte was er nooit beangstigend, maar 't mooie zwijgen van twee, +die elkaar volkomen begrijpen. + +"Mary, ik wilde zoo graag iets doen, en ik kan níet werken. Heb-jij +ook iets voor me, te naaien of zoo, meen ik?" + +Mary had zich omgewend, zoodra de deur openging, en terwijl ze naar de +kast liep om 'n rok te zoeken, waarvan het bezemband was afgetrapt, +bewonderde Go weer haar dunne, rechte gestalte, die iets zwevends, +iets symbolisch had, als de figuren van Toorop; en het kalm-ernstige +gezicht, met de bijna-extatisch-groote, grijs-blauwe oogen, die zoo +zuiver-koel en toch zoo innig konden kijken. En Go, die zelf lééd, +omdat haar gedachten deze dagen telkens met 't kwaad vervuld waren, +zij 't ook met 'n afschuw er voor; en die zich bezoedeld voelde door +haar weten van zonde, sloeg schuw de hare neer, toen Mary bij haar +kwam, en over haar gebogen zwijgend naar haar kijken bleef. Go voelde, +hoe afgetobd en onrustig en onverzorgd ze er uitzag, en, nerveus de +rok grijpend, vroeg ze om garen en 'n naald, verlangend de spanning +te breken door gewone, alledaagsche dingen. + +Maar Mary stoorde er zich niet aan; ze zette zich naast haar in de +vensterbank, en, opeens 'n besluit nemend, begon ze met haar diepe, +donkere stem: "Gootje, je moet me 's zeggen: ben-je vertrouwelijk +met je moeder?" + +Er was geen ontkomen meer aan; Go vóelde, dat nu alles uitgezegd moest +worden tusschen hen tweeën, en ze antwoordde zacht en weifelend: +"Ik hou heel veel van moeder,... en vroeger heb ik 'r ook altijd +alles verteld, en overal in raad gevraagd--en ze heeft me altijd +begrepen. Maar nu ik hier ben, in dat àndere leven, bij menschen, die +ze niet kent, en in toestanden, die ze zelf nooit heeft meegemaakt, +nu voel 'k telkens, dat ze niet begrijpt, wat ik meen; nu verwart +ze dingen en namen, en we merken 't allebei, al zeggen we 't niet: +we zijn aan 't vervreemden van elkaar, we ontgroeien elkaar." + +Mary knikte. "Ik weet het wel, dat is het tragische in elke familie; +de ouders leven voor de kinderen, maar de kinderen worden menschen +voor zichzelf en leven in de toekomst. Dit komt te sterker uit, +naarmate de verhouding vroeger inniger was. En al is 't natuurlijk, +en al is 't "der lauf der welt"--iedere liefhebbende moeder, die haar +kind van haar af voelt gaan, lijdt eronder, diep en hevig, alsof zij +de eerste was, die met zoo'n vreeselijke ramp wordt getroffen. En +voor ónze ouders is 't wel 't ergste; want die zién in hun kinderen +de nieuwe levensrichting, de reactie tegen hún leven, en dat is nog +moeilijker te begrijpen, dan dat de jeugd eenvoudig zelfstandig denken +wil. Wij zijn nog min of meer voorloopers van 'n nieuwe beweging, en +'t geslacht, dat na ons komt, vindt z'n weg door ons gebaand...." + +"Ik weet niet," viel Go uit, "misschien zijn wij wel op 'n dwaalweg. Ik +geloof niet, dat ik licht 'n dochter van mij zal laten studeeren. Eerst +als je 't zelf hebt meegemaakt, weet je, hoeveel er tegen is." + +"O, maar over vijf-en-twintig jaar,--en eerder zal jóuw dochter toch +zoo ver niet zijn--" glimlachte Mary, "over vijf-en-twintig jaar is de +toestand van 'n meisje hier al weer heel anders dan nu;... reken maar +eens, hoe verschillend ze nu is van 'n tien jaar geleden. Toen was er +geen club, geen vereenigingslokaal; er waren geen meisjeshuishoudingen, +geen pensions, geen faculteitsvergaderingen--hier en daar in de stad +zat ergens 'n eenzaam meisje op 'n triestige kamer; op college werden +ze met verbazing geduld;--dat is nog geen tien jaar geleden; terwijl +nu... Of meen-je dàt niet?" + +Go zweeg en keek voor zich uit: hoe kón ze het Mary van Eduard zeggen, +en hoe kon ze éérlijk zijn, zónder het te zeggen? Toch snakte ze +er naar, eindelijk haar hart, zwaar van zorgen en onzekerheid, eens +voor iemand uit te storten, en haar oogen gingen hulpeloos naar Mary +om steun. + +"Ik weet het niet, ik weet nu heelemaal niets meer. Toen ik Zondagavond +bij moeder zat, heeft ze gehuild. Er was geen reden voor, maar ze +zei opeens: "Wie weet, hoe kort ik nog maar leef, en dan heb ik +je niet eens de laatste jaren bij me gehad." En toen werd ik ook +treurig en dacht, dat ik eigenlijk best zeggen kon, dat ik thuis +komen zou, en iets anders beginnen. Zoo'n vreeselijk studiemensch +ben ik toch niet; en 't is niet van veel belang, of ik 't één doe, of +'t ander. Heelemaal"--en ze haalde nerveus de schouders op--"kan het +me niet meer schelen, de wereld, 't leven, alles. Ik heb er genoeg +van. Ik begrijp toch niet, waarvoor 't allemaal dient." + +"O, kindje," zei Mary heel zacht, met haar hand over Go's handen, +en haar oogen vol medelij, "van 't oogenblik, dat je bij ons kwam, +heb ik al gevoeld, dat er wat aan haperde. Ik had je gezien, toen je +hier aankwam, vol lust en overmoed en vertrouwen op je kracht; en jij +was een van de weinige meisjes, die ik onthouden had. Je weet, ik kom +bijna nooit op de club, ik houd van eenzaamheid en stilte. Het leven +kan niet stil genoeg zijn voor mij, maar dat is heel iets anders dan +het zwijgend broeden van jou, de laatste maanden, dat vol onrust is en +disharmonie. Ik heb het aldoor gezien, maar ik dacht: ze zal er zich +wel doorheen werken; 't is 'n moedig kind; en je moet je vooral niet +opdringen met hulp of steun;--maar ik heb al zoo lang gewacht, en het +is, of het aldoor maar erger met je wordt; je ziet er zoo hopeloos uit, +of je eigenlijk geen oplossing meer verwacht. En daarom moeten we nu +doorpraten, Gootje; ik zou zoo graag willen, dat je open tegen me was." + +Ze wachtte even en toen ze de verwarring zag op 't vermoeide gezichtje, +half wetend, half vermoedend, wat de aanleiding tot de verslagenheid +zou zijn, al lag de oorzaak veel dieper, ging ze warmer voort: + +"Kijk, feiten en gebeurtenissen in het persoonlijk leven zijn +natuurlijk bij meisjes-studenten, net als bij andere meisjes, +geheel verschillend. Maar wat algemeene ondervindingen, inhaerent +aan 't student-zijn zelf aangaat, die moeten we allen gelijkelijk +doormaken. En daarom zijn de oudere-jaars de aangewezen raadsvrouwen +voor de pas aangekomenen, de jongeren. Dat is ook wel de bedoeling van +het bestuur van onze club, maar in de praktijk staat nog al veel dit +ideaal in den weg. Meisjes zijn nu eenmaal niet erg toeschietelijk, +als 't haar dieper leven betreft, en ik geloof niet, dat iemand in +ziele-onrust licht naar de kamer van onze praeses of secretaris zal +stappen, om haar hart open te leggen... Zoo iets moet toevallig, +spontaan, vanzelf gebeuren, als je lang bij iemand hebt gezeten, die +je heel goed kent... en de jaren, de faculteiten, blijven haast altijd +gescheiden. De door ondervinding gegaarde wijsheid houdt ieder voor +zich. Toch zou 't menig droomstertje, dat opeens is wakker geschud, wel +goed doen, als ze wist, dat we allemaal 'n heele boel moeten doormaken, +vóór we eigenlijk kunnen zeggen, dat we léven, en er zou minder gauw +gewanhoopt worden, als de overwinning van anderen moed gaf." + +"Toe, vertel me dan, hoe 't anderen gaat," vroeg Go, in spanning, +zich heelemaal gevend aan 't luisteren. + +"Wel, we komen allen van huis, onbezorgd en luchthartig, met duizend +mooie plannen en droomen, maar zonder fond... en dan staan we opeens +in het wezenlijke leven. Dat geldt natuurlijk zoowel voor jongens als +meisjes, maar de meeste jongens hebben 't corps, dat hun in fuiven +en jool-maken de behoefte aan iets vasts vergeten doet, en ik geloof +wel, dat dit een van de redenen is, waardoor jij meer verbijsterd +en teleurgesteld bent, dan de meeste meisjes: dat je vol verwachting +hier aangekomen bent, en van 't begin af dié jongens ontmoet en met +ze omgegaan hebt." + +"Niet al m'n vrienden zijn zoo," wierp Go tegen, aan Gerard en Hoefman +denkend, maar Mary hield vast: "De meest beteekenenden, die invloed +op je hadden, vulden dáármee de leegheid van hun leven aan, want 't +voelen van leegte, onvoldaanheid, teleurstelling, is dé ziekte van de +bewustwordende jeugd. Het is ook zoo natuurlijk: thuis hoefde-je niet +na te denken over je leven; alles ging er vanzelf, door de zorg van +je ouders, en hun bescherming, die je voelt om je heen. Maar als je +hier komt, dan slaat je eerst de vrijheid als 'n roes naar je hoofd; +ik heb dat meegemaakt evenals jij. Maar op die bedwelming volgt óók +de gewone "kater"; en de manier, waarop je dién ellendigen tijd te +boven komt, beslist voor 'n groot deel over je verder leven. Veel +jongens, vooral corpsleden, hebben afleiding van allerlei aard, +en als ze bang zijn om met zichzelf en hun eigen onvoldaanheid te +vechten, dan pogen ze het te vergeten, op de kroeg, in hun clubs, +of op 'n andere manier. Maar heel veel jongens en de meeste meisjes +kunnen of willen den strijd niet bang ontloopen. Die bekennen zich, +dat ze het land hebben, en streven dán naar verbetering." + +Go zat stil, de kapotte rok in haar aandachtlooze handen; en diep in +haar oogen leefde het begrijpen met ieder woord mee. Toen Mary zweeg, +fronsde ze even de wenkbrauwen; zou 't al uit zijn, en zou ze nu +moeten gaan "verbeteren" in 't wilde weg, zonder dat ze recht wist, +hoé of waarheen? + +Maar weer ging de kalme stem voort: "Ik zou je een heel rijtje van +menschen kunnen noemen, wier "zwarte" tijd ik heb meegemaakt. De +besten, diepsten juist hebben zoo'n crisis in hun leven, waarbij +'t gaat als bij 'n ziekte, op leven en dood; en eerst als dié +is overwonnen, heeft 'n mensch z'n eigenlijk karakter getoond; +neem nu b.v. m'n broertje Ru. Wat is die jongen z'n tweede jaar +ellendig geweest! Hij werkte nog niet, foof niet meer, 'n toonbeeld +van levensmoeheid. Tot hij z'n sociaal-democratie heeft gevonden, +mevrouw Roland Holst;--ja, die heb-je nu zelf gehoord.--Heeft 't jou +niets gegeven?" + +Ja, ík vond 't heel mooi. Maar zoo iets is niet genoeg...." + +"Niet voor jou misschien. En voor mij ook niet. Ik vind het alleen +prettig, dat ze je duidelijk maken, dat zoo vreeselijk veel kwaad +van de menschen alleen aan de slechte inrichting van de maatschappij +moet worden geweten;--onze moraal iets onhoudbaars, zie-je; dan +oordeel-je zachter over gevallenen en gaat beter begrijpen;--maar de +heele kwestie is, dat ieder mensch voor zichzelf hier uitzoeken moet, +wat z'n leven waarde, volheid geven kan. Dat was bij Frieda heel +gemakkelijk, die is op ende op 'n studiemensch; het is haar ideaal, +met haar schrandere hersens zooveel mogelijk wetenschap tot zich te +nemen. Maar dat is iets, dat heel weinig jonge menschen volkomen +bevredigt. Iedereen heeft hier iets eigens, "'t boekje" van den +"Kleinen Johannes"; en die behoefte is onder studenten veel sterker +dan in de gewone maatschappij, omdat daar de mannen hun nuttige +werkkring, de zorg voor hun huishouden, en de vrouwen kinderen +en andere verantwoordelijkheid hebben; terwijl wij, die in onze +gedachten al heele menschen zijn, inderdaad nog niets presteeren en +nergens nut doen. Maar als we eenmaal iets hebben gevonden, 'n ideaal, +'n overtuiging, 'n gelóóf, dan heeft ons leven opeens waarde; dan +voelen we dankbaarheid, dat we op de wereld zijn. Daardoor zijn hier +zooveel vegetariërs en geheel-onthouders, en orthodox-geloovigen, +en liefde-predikers, en artisticiteit wordt óók wel 's tot 'n geloof +verheven; en dan de sociaal-democraten, en de anarchisten, en Van +Eedenianen en de wereld-vrede-menschen... en de Hegelaars; daar +ken-je, geloof ik, nog niemand van; dat is 'n heel bizonder volkje; +'k denk, dat je ze wel interessant zult vinden... en dan heb-je nog +'n paar voorstanders van het vrouwenkiesrecht, maar die zijn toch +niet talrijk bij ons, en 't zou ook niets voor jou zijn, wel?" + +"Nee, zeker niet," zuchtte Go, "alleen al daarom, dat de jongens +erom lachen, en dat kan ik niet hebben; ik weet wel, dat dat erg +kinderachtig van me is." + +"Och," peinsde Mary, "'t hóórt wel bij je..." + +"Vin-jij 't ook altijd zoo ellendig, als je merkt, dat sommige +mannen de meisjes-studenten voor heel iets anders dan gewone meisjes +houden? Voor waanwijs, ingebeeld, en vooral voor wezens waar ze +geen égards, geen hoffelijkheid tegenover hoeven te toonen! Ik ben +'s in 'n club geweest, waar de jongens de meisjes alleen naar huis +lieten gaan... "meisjes-studenten waren toch iets anders dan gewone +meisjes..." Ik had kunnen huilen, toen ik alleen op de donkere straat +liep, niet uit angst,--maar ik voelde 't als 'n beleediging... En toch +is 't eigenlijk logisch. Ze zeggen: als je met ons gelijk wilt gesteld +worden, moet je ook geen lievigheidjes meer verwachten. Maar ik vind +'t zoo akelig." + +"Beschaafde mannen zul-je zelden zoo zien doen, tenminste niet +tegenover meisjes, die 't "ewig weibliche" bewaard hebben. Je kunt hier +ook al weer niet generaliseeren. Er zijn enkele meisjes-studenten, die +als mannen sterk zijn;... er zijn méér "echte" meisjes, die studeeren." + +"Je gelooft dus niet, dat ieder meisje, dat studeert, iéts van haar +vrouwelijkheid inboet, zij 't ongemerkt? Ik ben er vaak bang voor, +dat we, alléén door met de jongens samen op college te zitten, alléén +door onze vrijere levenshouding, iets verliezen; 't kostbaarste... Of +we minder schuchter, kuisch,--ach, ik kan 't zoo niet zeggen; 't zijn +heel ouderwetsche begrippen van me; maar ik schaam me soms zoo, als ik +met m'n boeken loop, en 'n jongen kijkt me rustig-brutaal aan; denkt: +'n collega." + +"Iéts verliezen we mogelijk, maar we krijgen iets beters terug. Als je +'s met niet-studeerende meisjes samenkomt, benijd-je die dan zoo erg, +en vind-je ze vrouwelijker, sympathieker dan je vriendinnen hier? Ik +voel zoo dikwijls alleen maar medelijden..." + +"Maar ik heb medelijden met de meisjes hier, die zóó zeer alle achting +voor zichzelf en alle hoop op geluk hebben opgegeven, dat ze er zich +niet meer om bekommeren, hoe ze er uit zien, slordig en smakeloos +gekleed langs de straat loopen.... Dan moet ik er aan denken, hoe +alles hoe langer hoe meer in de war loopt. De meisjes verdringen de +mannen, ieder verdient maar net genoeg om voor zich zelf te zorgen, +alles drijft naar volkomen vereenzaming van de individuën; ieder +nijdig, ieder strijdlustig: voor mij; voor mezelf." + +"In 'n staat-van-wanverhoudingen moet je de beste mogelijkheid, niet +'t ideaal zoeken." + +Go zuchtte. + +"Maar welk "gelóóf" denk-je nu, dat bij mij hoort?" + +"Ja, kindje, dat weet ik niet. En 'k heb het idee, dat je 't eigenlijk +'n beetje mal moet vinden, als je hoort, wat hier al niet allemaal +"geloofd" en "gehoopt" wordt. En toch vind ik die verbrokkeling +absoluut geen teeken, dat al die idealen maar larie zijn, niets +dan dotjes om schreeuwende kinderen mee zoet te houden. Voor mijn +gevoel wijst het er juist op, dat er nog ontzaglijk veel te doen, +te verbeteren, te werken valt in de wereld; en dat er hier allerlei +zelfstandig-denkende menschen zijn, die hieraan trachten mee te +werken op de manier, die met hun capaciteiten overeenkomt. Als je +iemand hoort praten over z'n overtuiging,--of 't nu 'n Hegliaan +is met 'n breede kop, of 'n extatische vegetariër, of 'n vredige +wereld-vrede-vriend,--dan krijg-je altijd den indruk: "ja, wezenlijk, +ik zou er wat voor kunnen gaan voelen; er is toch veel moois in;" +ik heb dat ten minste; maar je begrijpt, ik ben óók nog niet erg ver +met m'n ontwikkeling." + +"Wat ben-jij eigenlijk?" + +Mary lachte. "Wel, niet veel meer dan 'n dankbaar, gelukkig, zoekend +menschenkind. Op 't oogenblik ben ik erg in theosofie verdiept; +dat geeft me zoo'n kalmte, omdat 't spreekt van weer terug komen +hier op de wereld. Want al kijk ik m'n oogen uit, ik heb toch 't +gevoel, dat ik met dit eene leven onmogelijk alles bevatten kan. En +ik bewonder alles zoo, dat ik 't zonde zou vinden, als ik nooit tot +de kern doordringen kon. Ook wat mezelf aangaat: ik zou graag den +tijd hebben me te volmaken." + +"O, maar vóór ik volmaakt ben, is de wereld zeker vergaan," en Go trok +'n zóó tragisch gezicht, dat Mary vroolijk riep: "Maar lieve kind, neem +toch niet dadelijk aan als 'n waarheid, wat je maar terloops hoort. Ru +zegt, dat theosofie het toppunt van menschelijke verwaandheid is, nog +veel erger dan het Christendom. Want het voortleven, de ontwikkeling +van den enkeling, het individu, is voor theosofen alles, terwijl hij +juist overtuigd is, dat wij het leven maar even mogen dragen, en moeten +trachten het te verheffen, opdat wanneer we het aan anderen overgeven, +het 'n kostbaarder schat geworden zal zijn. Maar Wies van Hoof zegt: +als de vrouwen maar eerst eens zitting in 't Parlement hebben, en +Theo Vervoort: Het vleesch-eten veroorzaakt de slechte neigingen +in den mensch. Je hebt nog nooit 's zoo'n gesprek van ónze vrienden +bijgewoond. Dat zijn 'n levens-opvattingen, 'n idealen door elkaar..." + +"En duizelt het je dan niet wel 's?" + +"Nee; ik krijg 'n diep, zalig gevoel: o, kind, wat heb-je nog veel +te doen in je leven. Wat is er al niet gedacht en opgeofferd en +gestreden. Hoe moet je zelf werken en zoeken naar 'n ideaal!.... en +als ik dan dat verlangen en die kracht te leven zoo sterk in me +voel, dan lijkt het me zoo'n dwaasheid, zoo'n waanwijze domheid, +als jonge menschen, die nog onmogelijk de hoogten en diepten van 't +leven kunnen hebben doorvoeld, zich nu al verbeelden er genoeg van +te hebben; zooals 'n domme boer, die, voordat hij 'n vreemde spijs +geproefd heeft, al verzekert, dat hij 't niet lust." + +Go dacht aan Hans, en haar oogen vulden zich met tranen: was 't een +domheid van hem geweest? + +Maar Mary, intuïtief begrijpend, wat ze voelde, beantwoordde zacht +haar nog onuitgesproken vraag: "Er zijn menschen, die zoeken, maar +zonder vertrouwen en zonder rust. Die alles tegelijk willen lezen en +bevatten, en gek worden van ongeduld, als de waarheid niet dadelijk in +hun handen ligt. Je begrijpt, dat dat 'n heel verkeerde manier is, die +geen resultaten geeft. Want al moeten we natuurlijk actief zóeken, en +lezen en ons inspannen,--hoe dat, wat we in ons opgenomen hebben, weer +uit ons opbloeit, moeten we aan den tijd en de natuur overlaten. Dat +gaat zoo verrassend, zoo anders dan we dachten.... En als we maar +steeds het gevoel houden, dat de waarheid wijkt en wijkt, als we +niets kunnen vatten, dan moeten we weten, dat het zoeken-op-zich-zelf +óók iets heel moois is, bijna even mooi als 't vinden, wanneer we +tenminste vertrouwend zoeken. Ik ben tenminste blij, dat ik nog geen +bepaald stelsel gevonden heb; dat ik nog dilettant ben in 't leven." + +"O, Mary, zou dát de oplossing zijn: door ontwikkeling naar alle +kanten tot harmonie te komen?" + +"Ja, want naar de onbewuste, natuurlijke harmonie met de omgeving +kun-je niet meer terug. Je hebt desillusies geleden; je hebt het +leven leelijk gezien;.... ik begrijp het wel, Go, zoo iets moeten we +allemaal door. Eerst had-je geen begrip van 't leven;.... nu heb-je +'t 'n beetje, maar eenzijdig en verkeerd. Denk maar eens logisch na: +Het kan toch niet, dat de wereld maar voortdraait, dat de menschen +zich organiseeren, en werken en ploeteren;--als er eigenlijk niets +waarde had en alles leelijk was?" + +"Nee, natuurlijk. Nee, dat kan niet. O, Mary, ik geloof, dat je woorden +me zoo goed hebben gedaan. Vroeger, als ik 'n mooi boek had gelezen, +verbeeldde ik me altijd, dat van dàt oogenblik af m'n heele leven +veranderen ging; en dit gevoel heb ik nu weer." + +"Dat geloof ik toch niet, Gootje. Alleen is dit gesprek goed geweest, +als begin van grootere vertrouwelijkheid tusschen ons. Je bent zoo +gesloten,--en ik geef me ook niet gauw, ik heb er geen behoefte aan, +en heb ook niet veel te zeggen." + +"En je hebt nu den heelen ochtend aan één stuk door gepraat! Wat kan +iemand toch dom-rampzalig zijn." + +Go stond op, en rechtte zich, maar Mary praatte nog voort, met +haar naar de deur gaande: "Ik heb eigenlijk nog zooveel te zeggen; +zoo'n oogenblik, dat je elkaar wezenlijk begrijpt, komt zoo zelden +weer.... Maak je geen zorgen, dat je je studie op 't oogenblik duf +en droog vindt. Dat komt, omdat 't nieuwtje er af is, en je nog niet +ver genoeg bent, om de philosophische waarde te begrijpen;--alles +gaat in drie perioden, en de tweede is de neergang in 'n stijgende +golflijn.... Wees niet ongeduldig, als 't niet meevalt in 't begin, +en ga je nu aankleeden voor de koffie." + +Drie minuten later was Go, 't haar al los, in de kamer terug. "Wees +niet boos op me, maar ik móet je even vragen, waarmee 'k beginnen +moet? De toepassing in het leven?" + +"Ken-je den bijbel? Nee? Nu, dan moet je daarmee beginnen. Het +grootste deel van de jeugd is tegenwoordig ongeloovig, zonder iets +van den christelijken godsdienst af te weten." + +"Ja, dank je."--Ze zweeg even, nadenkend; maar dadelijk weer vervuld +van 'n nieuwe kwestie, viel ze uit: "En wat willen de vegetariërs met +de beesten doen, als we ze niet meer opeten? En hebben die menschen +van de wereldvrede vertrouwen in de conferenties in Den Haag?" + +"Kind," lachte Mary, "gá toch. Ik ben waarachtig niet het orakel van +Delfi. Hoop maar met hart en ziel, dat je nog heel lang op deze wereld +mag blijven...." + +"Of er dikwijls terugkomen." + +"Want je ziet wel; we hebben enorm veel te doen." + +"Ja; ik zal maar beginnen me gauw netjes te maken, want Frieda fluit +al in 't portaal." + +En met 'n sprongetje was Go weer in haar kamer, en onder 't kappen +lachte ze nog om haar domheid, dat ze het leven nu al had geoordeeld +en veroordeeld; zij, 'n kind, dat nog niets wist. + +En terwijl ze dacht aan Eduard en de desillusie over hem, was 't toch, +of zij 't nu anders zag, als 'n klein droef gebeuren in 'n groot leven; +en, de handen achter haar hoofd saamgevouwen, staarde ze strak in den +spiegel naar haar gezicht, om de toekomst te lezen uit haar lippen +en oogen. Zelfstandig zou ze nu moeten worden, goed en sterk. Het +was onmogelijk, dat de toekomst haar beangstigde, wanneer ze niets +verlangde dan 'n goed mensch te worden. Ze zou zich in zichzelf en +in levensvertrouwen krachtig moeten maken. + +Maar zich afwendend om te gaan, zag ze even, dadelijk verschemerend, +haar beeld, zooals ze het zich kortgeleden had gedroomd: tusschen hem +en haar kinderen, gévend aan elk, gevend zichzelf, haar gedachten, +haar kracht, haar leven.... + +Mary had niets over trouwen gezegd. Ze waren ménschen; ze wàchtten +niet. Dít leven was hooger en edeler en fijner;.... maar had +moesje, die eenvoudig deed haar plicht van vrouw, van moeder, zonder +diepzinnigheid, zonder redeneeren, het leven niet beter en inniger +begrepen.... + +En ze twijfelde even aan de waarde van alles, wat Mary dien ochtend +had beweerd. Toch wás dat streven op 't oogenblik het eenige, dat +haar kon vullen, al moest ze daarbij iets van haar wezen negeeren, 'n +groot verlangen bedwingen, dat niet gemakkelijk te overstemmen viel.... + +Maar Mary, geurig van vredige vroolijkheid, stond lachend in haar deur, +vroeg, of ze den bijbel bepaald vóór de koffie uit hebben wilde. En, +zich overgevend aan den invloed van voldaanheid, volgde Go haar naar +de huiskamer met lichtende oogen en 'n blij-wachtend trekje om de +hoeken van haar mond. + + + + + + +HOOFDSTUK XX. + + +"Ik verzeker jullie," pleitte Gusta Vermeer, 'n waanwijs +eerste-jaartje, "dat de formule van (n + 1) schepje thee niet doorgaan +kan, als n onbepaald toeneemt." + +"Nee, natuurlijk; alle thee zou niet eens in den trekpot kunnen." + +"En de thee zou te sterk worden ook. Maar Guus, maak jij nu 's 'n +gecompliceerde formule, die altijd opgaat, dan hangen we die boven de +theetafel." En Lou's smal kindergezichtje boog met 'n lach zich weer +over het hemdje heen, terwijl, nu de discussie aan deze zijde van de +tafel zweeg,--Gusta had 'n papier genomen, en begon te cijferen,--het +levendige debat tusschen twee bestuursleden opklonk over den invloed +van de omgeving op den mensch. + +"Ik stel ieder mensch zoo volkomen verantwoordelijk voor z'n daden, +en ik geloof zoozeer aan strenge rechtvaardigheid, dat ik bijna zou +zeggen, dat hij z'n omgeving in 'n vorig leven zelf gemáákt heeft, +zelf voorbereid." + +"Maar welk récht heb-je om te vermoeden, dat wij wezenlijk door eigen +verdienste 't nu zoo goed hebben, en anderen door schuld zoo ellendig?" + +"O," viel Go even met warmte in, "als je mee was geweest in die arme +gezinnen, als je gezién hadt de armoe en de ontbering, ik geloof, dat +je dan zélf 'n oogenblik je theorie van rechtvaardigheid hadt vergeten, +dat je ook bescháámd zou hebben gestaan over onze zorgelooze weelde, +terwijl er zoo ontzettend geleden wordt, vlakbij." + +Mary glimlachte; ze had wel voorzien, dat Go's gevoelige natuur, +zoodra ze met armoede in aanraking kwam, naar 'n idealistisch, +onwetenschappelijk socialisme zou neigen; ze had deze dagen over +niets anders gepraat dan over het onrecht, en zelf de grootste +soberheid in acht genomen. En vol sympathie naar 't enthousiaste, +kinderlijke gezicht kijkend, zei Mary rustig: "Ik vind best, als we, +wanneer óns ellende treft, het beschouwen, als 'n straf van God of de +consequentie van eigen vroegere daden. Maar wanneer die overtuiging +ons medelijden zou wegnemen met de misdeelden, wordt ze ons beslist +tot nadeel voor zedelijken vooruitgang." + +"Ik geloof ook niet," zei Coba, die op den grond 'n rok aan 't +inspelden was, "dat onze geschenken van dién aard zijn, dat ze bepaald +de "rechtvaardige" straf van ontbering opeens nietig maken." + +En ze lachten allemaal, om de vreemde wending, die hun diepzinnig +vertoog langzaam-aan had genomen, terwijl Gusta de aandacht vroeg +voor haar proeven met thee en warm water. + +Het was drie weken voor St. Nicolaas, en al geruimen tijd was er +elken middag na college vergadering in 't clublokaal en 's avonds nog +'s bij iemand aan huis geweest van 'n vijftien meisjes, ieder met 'n +pakje onder den arm "als echte naaimugjes", die dat jaar de leiding +van het feest-voor-arme-kinderen op zich hadden genomen. Buiten was +het nevelig-koud, en vol verwachting de lucht, en zij-zelf waren zoo +vroolijk, zoo verdiept in hun werk, dat Go zei, dat ze zich niet zou +weten te bergen, als de menschen nog gingen prijzen en bedanken ook, +alsof 't maken niet de gróótste pret was geweest. Daar vielen de +vermakelijkste dingen bij voor: geen van de meisjes had, na de lagere +school, nog grondig naaionderricht genoten, en haar onwetendheid werd +alleen door haar voortvarendheid opgewogen. Vooral de eerste weken, +toen alles geknipt moest worden, waren emotievol en spannend geweest: +het biljart in de zijzaal werd opzij geschoven--want om te spelen had +nu toch niemand tijd, en de witte en de roode werden nog slechts als +maasbal gebruikt,--de groote lap over den grond uitgebreid, en allen +er om heen om hun meening ten beste te geven. Onder de relikwieën van +de club was het model voor 'n kinderjurk, "de" jurk, die jaar aan jaar +werd nagemaakt, maar die volgens Mary latere kroniekschrijvers zich 'n +eeuw met den oprichtingsdatum van de V. V. S. L. zou doen vergissen, +daar alleen haar overgrootmoeder zoo'n model in haar jeugd gedragen +kon hebben. + +Francis en Riek,--nog steeds snoevend op het glorievolle feit, dat +ze in hun eerste jaar met Else ieder 'n blouse hadden gemaakt, die +ze alleen daarom niet hadden kunnen dragen, omdat ze bij het knippen +de naden er niet bijgerekend hadden,--stonden er op nachtponnetjes, +"met 'n glad stuk" te naaien, volgens 'n papieren patroon; en toen +de kunstproducten bijna af waren, was het driejarig zoontje van de +"juffrouw" naar boven getroond om eens te passen. Na 'n kleinen strijd +over "achter" en "voor" was de mollige jongen er in geheschen, maar, +ofschoon hij door het speculaasje in z'n hand in de tevredenste +stemming van de wereld was, had hij toch groote neiging getoond om +te gaan huilen, toen opeens alle meisjes in 'n luidruchtigen schater +waren losgebarsten, al maar wijzend en kijkend naar hèm. + +Go zàg 't dreigen, en nam den kleinen kerel steeds proestende in haar +armen, zoende 'm op z'n verbaasde gezicht. + +"Je bent 'n schat, hoor vent, en we lachen ook niet om jou, maar +om dat dwaze jasje!" en Coba streek over den bolderenden bovenkant, +aldoor nog hikkend: "'n Glàd stuk, 'n glàd stuk; dat noemt ze 'n glád +stuk," en 't werk had nìet hervat kunnen worden, vóór de kleine baas +weer in z'n buisje was; maar een kleine storing blééf, omdat ieder +op de beurt 'm koekjes en chocolade toestoppen ging. + +Frieda deed niet mee met de algemeene naaiwoede. "Ik ben er van +overtuigd, dat juist aan dat eeuwige peuterige gehandwerk heel veel van +de kleinzieligheid en bekrompenheid van de vrouw-in-'t-algemeen geweten +moet worden, en 'k zal m'n hersens, die al genoeg geleden hebben door +de zonden van m'n voormoeders, niet zelf ook nog 's af gaan stompen," +had ze gezegd; maar Go vond juist, dat je onder 't naaien zoo heerlijk +dènken kon: "Voor vrouwen, die niets anders kunnen of weten, lijkt +'t me wel 'n suf werkje, maar wij, die zooveel door te denken en te +verwerken hebben, worden rústig, als intusschen onze handen wat doen," +en ze was blij, dat Mary er ook zoo over dacht, en 'n waar genie +aan den dag legde in 't haken van wollen sokjes en kapertjes van +rose-en-wit, ofschoon de medicae daar niet vóór waren, meer losse, +warme jurken en wantjes aanprezen. Die waakten met veel toewijding +voor de hygiëne. Van de lange, gekregen mama's-rokken moesten de +sleepen worden afgenomen, géén hooge kragen, deugdelijke voering; +en ook het speelgoed werd eerst zorgvuldig onderzocht, of 't niet +gevaarlijk gekleurd was, te scherp of te hard voor onbestuurde handjes. + +Go liet àlles om dit werk loopen; visioenen van zingende kinderen, +ideeën voor 't model van 'n rokje, 'n schort, verstoorden haar aandacht +onder de college-uren; de bloc-notes van de bibliotheek teekende ze +vol met ontwerpen voor 'n poppenkamer, uit houten doozen getimmerd; +en bij iedere poes bleef ze lang en diepzinnig staan kijken, omdat +ze er een van goed maken wilde. De vergadering van L. V. had ze +zelfs willen verzuimen "omdat ze haar naaiwerk niet in den steek +kon laten," maar toen had ze permissie gekregen het mee te brengen, +al was 't 'n beddelaken; en al had ze, heel bescheiden, slechts 'n +wiegekleedje meegenomen,--nog van thuis, maar dat opnieuw gezoomd +moest worden,--den heelen avond was de aandacht voor haar handen +geweest, en de jongens hadden aan 't eind meer over den inhoud van +haar naaidoosje en 't motief van het borduursel kunnen vertellen, +dan van wat er literair en wetenschappelijk behandeld was. + +Ru schudde z'n hoofd over die "manie"; naar geen enkele lezing +was ze meer mee te krijgen. "Ik verzeker je, dat, zoodra je op +gevoelsgronden van onrecht bent overtuigd, het allernoodzakelijkst is, +dit met wetenschappelijke bewijzen te kunnen steunen," oreerde hij, +"je doet wezenlijk méér voor de proletariërs, wanneer je je in +de maatschappelijke wanverhoudingen inwerkt, dan als je maar zit +te prutsen, aan weet ik wat... All charity is a silent admission, +that justice has not been done to the poor. En als je meent daar nu +'s heel nuttig bezig te zijn,--ik zeg je, dat juist de weldadigen +veel meer dan de bruten meewerken om de ellende in stand te houden." + +Maar Go hield lachend de handen voor de ooren, en hem 'n streng +wol toewerpend riep ze vroolijk: "Kom, hou die maar 's op, meneer +de boetprediker, en praat niet zoo wichtig van maatschappij en +menschenplicht... Ik doe tegenwoordig niets dan over ernstige dingen +nadenken, vraag 't maar aan Mary;.... ethische kwesties van 't begin +tot 't eind,.... maar als je me nou met 'n ernstig gezicht vraagt, +waarom ik die hemdjes en broekjes en jurkjes zit te fabriceeren,--och, +dan beeld ik me heusch niet in, dat dat nou erg weldadig of edel +van me is; en ik zeg mét Wim de Veer, verpletterend-logisch: omdat +'t lollig is." + + + +"En kennen jullie ook van: Zie ginds komt de stoomboot?" vroeg Mies +de Bruin, die zoo'n beetje de leiding had, omdat háár mama de families +uitgekozen had uit de armenlijst. En dadelijk vielen de kinderstemmen, +hard en dreunend-maatvast in, terwijl Mies ze zacht begeleidde, +voortdurend opzij kijkend naar al de open monden. + +Go, Francis en Coba gingen met chocolademelk en speculaas rond; met +hartelijke lachjes en 'n vriendelijk woord verdeelden ze hun goede +gaven van bank tot bank, en naarmate ze verder kwamen, verminderde de +animo voor 't gezang, mond na mond vulde zich gretig met de zeldzame +lekkernij, zoodat aan het slot nog maar 'n enkel dun stemmetje in +gespannen afwachting de melodie uitzong. + +Erna Böhme, 'n verfijnd-artistiek meisje, dat op haar kamer geen +enkel ding duldde, dat niet op zich-zelf mooi en bizonder was, kwam, +nadat ze verteederd naar 'n leuk, blond kindje was toegeloopen, en +'t opgetild had in haar armen, 'n beetje verschrikt achter het scherm, +waar "gewerkt" werd, terug. "'t Is wezenlijk allerliefst," zei ze zacht +tegen Go, "als die menschen maar niet allemaal zoo vreeselijk stonken." + +"Ja, 'n eau-de-cologne-badje zou niet overbodig zijn, hè? Enfin, +'t is voor ons 'n kleinigheid.... de stakkers, die zoo'n lucht altijd +bij zich hebben," en gauw zich tot Lou wendend: "Och, Loulou, als je +eerst al die kopjes afwascht, en dat telkens weer, zullen ze bijna +niets binnen krijgen. Denk-je, dat 't hinderen zal, als ze ze van +elkaar gebruiken?" + +"Ik weet niet; de medicæ..." + +"Kom, vooruit;" besliste Coba, "als ze nooit uit on-hygiënischer +vaatwerk drinken, dan uit dit... De medicæ zijn boven bij de +St. Nicolaas-kleeren. Schenk maar in." + +Mary zat stil in 'n hoek met 'n kleintje op schoot, dat niet lekker +was en toch niet naar huis wou; ze speelde door het haar met haar +witte vingers, en keek droomerig naar het toenemend gejoel van de +anderen. Toen het donker gemaakt werd voor de tooverlantaarn, steeg de +nog-bedwongen luidruchtigheid tot 't hoogtepunt, en Go, die midden in +'n groote groep jongens was gaan zitten, werd geduwd en gedrongen naar +alle kanten, onder harde kreten van verrukking en intieme geheimpjes, +warm-gefluisterd aan haar oor. + +De komst van St. Nicolaas met Coba, flikker-oogend, als knecht er +achter, bracht eerst 'n strakke stilte in de zaal teweeg; maar de +vriendelijk-hooge stem door den witten baard en vooral 't gul-handig +pepernoten strooien van 't jolige zwartje deed den moed groeien tot +"'n handje geven," en 'n enkele waagde 't zelfs hoog-stemmig en +afgebeten 'n versje op te zeggen, zich vasthoudend aan den breeden, +witten schoot van den vaderlijk-luisterenden, glimlachenden heilige. + +"Nu in 'n kring om 'm heen dansen!" werd vroolijk rondgeroepen, en +zingend liepen ze in 't rond, de kinderen opgewonden springend aan de +armen der meisjes, die, heelemaal-er-in, elkaar stralend toeoogden, +dat alles zoo goed ging. + +Go had onder de moeders, die bleek en zielig-dankbaar tegen den muur +zaten, vele met 'n heel kleintje op den arm, 'n rosharige, slap-mooie +vrouw herkend, die ze eens, op 'n avondwandeling, met 'n kinderwagen +bedelend tegen waren gekomen, en wie Eduard toen wat geld gegeven +had. Háár koos ze dadelijk tot haar bizondere beschermeling, haalde +wat melk voor 't kindje, grabbelde voor haar mee van de kaakjes en +pepernoten, en zoo vaak ze haar iets bracht, voelde ze 'n vreemd +geluk, scherpen doordringend, 'n wellust van herinnering, die haar +oogen week maakte bij het bewonderen van het bleeke stumpertje + +Later ging St. Nicolaas naar boven terug, en--de cadeautjes voor de +kinderen verdeeld,--werd nu het goed voor den dag gehaald, waar de +moeders, schichtig-verwachtend, omheen drongen. Go was Coba gaan +helpen, die een en al opwinding was, en met haar gezicht nog half +zwart, alle mogelijke luchtsprongen maakte in haar rood satijnen pakje, +waar ze zich buitengewoon makkelijk in voelde. + +"Hoefde ik toch maar nooit die vervelende rokken meer aan!" + +"Wat zou De Veer je nù graag mee hebben op z'n tochten.... Toe, sta +nu even stil!" en Go schonk voorzichtig warm water langs haar zwarte +wang, zacht nawrijvend met den handdoek; want 'n spons was er niet te +krijgen. Mies de Bruin liep, met haar haar los, in haar witte tabbaard +rond. "'t Is 'n geslaagde avond. Als nu die goeduitdeeling nog maar +geregeld gaat. Och Go, hier is 'n lijstje voor de familie Hendrix, +die er later nog is bij gekomen. Wil-je er even mee naar beneden gaan?" + +De uitdeeling was al bijna afgeloopen, en huiverig-ineengeschurkt +waren de meeste families bedankend de deur uitgeschuifeld. De meisjes, +moe, maar blijvend opgewekt, gaven de kinderen hun jassen en petten, +hielpen de vrouwen de kleeren en de erwten en boonen tot 'n pak maken. + +Go stond even te kijken, liep toen de al-verlaten zaal weer in, +waar Lou alleen, pretentieloos-lief, de verspreide kopjes aan 't +inzamelen was, zuinig kaakjes en krentenbollen, die ze hier en daar +vond, in groote zakken stoppend. + +"Dit was wel onze éigenlijke Sinterklaas, hè Lou," praatte Go helpend, +"het cadeautjes-krijgen thuis kan onmogelijk zoo geanimeerd zijn, +als deze avond." + +"Heb-je dat kleine jongetje gezien met die groote oogen, die alleen +maar chocolademelk wilde drinken en al z'n koekjes en appels in z'n +blouse bewaarde "voor moeder"? Vin-je 't niet roerend?" + +"'t Zoontje van vrouw Ties kon de overjas toch niet aan," kwam Mary +vertellen. "Zoo zielig... Hij was in z'n enkele pakje, en zette eerst +al zoo'n dol-blij gezicht. Hij paste 'm zeker, zei hij; maar toen +hij er in wou, werd ie heelemaal rood; er was eenvoudig geen kijk +op... Nou is-tie voor z'n broertje; die groeit er gauw genoeg in." + +Coba, nog 'n beetje "grijs", kwam met Mies naar beneden; de helpster +begon het gebruikte vaatwerk weg te dragen, en langzaam, in voldane +moeheid, trokken ze mantels en mutsen aan. + +"Ik begrijp niet, waar 't in zit, maar de cadeautjes voor de familie +Schuring klopten niet," peinsde Francis, "'t staat toch op 't lijstje +genoteerd. En nu bleken de kinderen opeens allemaal veel grooter." + +"Zeker gegroeid in dien tijd... Ach Guus, zeg jij even tegen de +helpster, dat ze meenemen mag, wat er over is." + + + +Ze gingen met 'n heel groepje naar huis, oudere meisjes, +vriendinnen van Mary en Frieda, die allemaal 't zelfde koel-heldere, +verstandelijk-sympathieke hadden, en 'n twijfelloos-zekere harmonie in +heel hun wezen. Eerst werd er nog 'n beetje over den avond gepraat, +maar al spoedig verdiepte zich 't gesprek tot ernstige bewering, +en 'n knap meisje, dat wijsbegeerte en psychiatrie studeerde, +betoogde het voordeel van de filosofie-colleges; "wezenlijk, als je, +wat dáár gedoceerd wordt, in je hebt opgenomen, behoor-je niet tot +'n partij, zooals 'n ander;... je bent niet Hegliaan òf theosoof òf +sociaal-democraat... allemaal één pot nat;--maar je staat bóven de +partijen, je omvat álles..." + +"Maar dat zeggen immers anderen van hún leer;.... dat zeggen de +theosofen ook." + +"Zonder grond. Want als bepaald, beperkt stelsel moeten zij +noodzakelijk andere uitsluiten. De Hegelarij alleen, door iedere +overtuiging als 'n eenzijdigheid te zien, en bij iedere stelbaarheid +dadelijk ook het tegenovergestelde te erkennen, is vrij van de +bekrompenheid van partij-haat, die de menschen elkaar in 't haar +doet vliegen...." + +"Ja maar; al kòmt 't voor, bekrompenheid of onverdraagzaamheid +is niet 'n inhaerente eigenschap van ieder, die voor 'n partij +voelt. Integendeel geeft 'n overtuiging alleen krácht om te +werken, om iets goeds tot stand te brengen, en al is zoo'n +krachtsinspanning-naar-ééne-richting voor jullie opperste wijsheid +ook 'n eenzijdige bekrompenheid, ik geloof, dat 't maar heel goed +is, dat er nog velen zijn, die één ding vreeselijk gelooven en 't +andere negeeren; want er is nog zooveel op de wereld te verbeteren, +dat jullie voorkeurlooze gelijkmoedigheid voorloopig uit den booze is." + +Het Hegliaantje haalde de schouders op en met 'n kort, beslist accent +antwoordde ze: "Je bent in alle opzichten 'n ontwikkeld, verstandig +meisje, Mary, maar toch valt er niet met je te debatteeren, voor +je geleerd hebt dialectisch te denken. Volg éérst 's 'n collegium +logicum." + +Mary knikte, niet gepiqueerd. "Ik heb geen pretentie van 't beter +te weten," zei ze met 'n glimlach, "en ik ben er van overtuigd, dat +ik op die colleges veel leeren zou;.... maar 'k heb nu eenmaal geen +lust, 'n sterke persoonlijkheid direct op me te laten inwerken, vóór +ik in mezelf 'n beetje weerstandsvermogen en kritische helderheid +voel. Zie-je,.... ik hou van m'n stillen vrede, m'n harmonie, en +ik ben bang voor vuisten en fascineerende oogen. Toch zullen we +'t volgend jaar 's gaan;--'t is laf 't te ontloopen; hè Go, wij samen?" + +Maar in Go's hoofd zongen nog de Sint-Nicolaas-liedjes; ze zag de +vrouw met het bleeke gezicht en rossige haar en al de kleine, zwakke, +witte kindertjes, tegen de moeders aangeleund, hulpeloos;.... dan +weer de woestheid van de ouderen, die tegen haar knieën drongen;--en +opschrikkend zei ze: "O, Mary, ik liep te denken, of we niet nog +geld inzamelen kunnen om 't jongetje van vrouw Ties tóch 'n overjas +te geven. Ik vind 't zoo zielig, hè?" + +"Ja, we kunnen 'n inteekenlijst op de club leggen." + +"En ik ga zelf wel vragen bij 'n paar meisjes." + +"Dat 's best," knikte Mary, trok Go's arm door den haren, "en ben-je +verder nogal voldaan?" + +"Ja, o ja; 't was 'n prachtige avond." Ze zweeg even, en toen +bedenkend: "Wat doen de studenten ook weer?" + +"Die gaan in de ziekenhuizen, de heele stad door. Dat is natuurlijk +veel grootscher.... Ze hebben meer geld.." + +"Ja natuurlijk. Maar zou dit nu niet mogelijk zijn: Dat we hierin +samenwerkten? De jongens 't meeste geld; wij de meeste ijver en +toewijding...." + +"En naaitalent." + +"Ik geloof niet, dat hier iets tegen kan zijn," zei Mary vriendelijk, +"je wilt nu eenmaal je ideaal van samenwerking, hoe dan ook, niet +opgeven. En in dit opzicht zal 't zeker mogelijk zijn." + +En Go zuchtte zacht: "O, als we maar eenmaal zoo ver zijn, dat we het +béste, dat we doen, sámen doen;--dan zal alles vanzelf goed worden." + + + + + + +HOOFDSTUK XXI. + + +"Nou; en toen?" vroeg Gerard, heen en weer loopend van blijdschap +en opgewondenheid. + +"Toen vroeg hij, of ik er nú niet over dacht in vergelijkende +taalstudie door te gaan. Hij geloofde, dat 'k er wel 'n hoofd voor +had." + +"Prachtig. En wat zei-jij, Go? Dat je nóg uitstekender was in al +'t andere?" + +"Nee; dat ik blij was, dat hij tevreden was, maar dat 'k er ook veel +moeite mee gehad had. En toen wenschte hij me evenveel succes met +de andere tentamina, en liet me uit, erg hartelijk. En toen heb ik +'t op 'n loopen gezet, hier naar toe, met 'n zalig, luchtig gevoel, +net of ik al candidaat was, in plaats van een beginneling, die nog +'n berg werk door moet.... en nu weten jullie de heele geschiedenis." + +Mary glimlachte zonnig. Ze kón niet uitbundig zijn. Maar Gerard, in 'n +opwelling van jongensachtige uitgelatenheid, sprong 'n paar maal over +de canapé, liet zich toen met 'n plof buiten adem er op neervallen: +"Waarachtig, Gootje, je zou 'n bezadigd mensch weer wild maken. Je +weet niet, hoe allemachtig veel plezier 't me doet. 't Móest ook wel +goed gaan; je wist 't, je verdiende 't." + +"Of niet 'n groot deel van de verdienste bij jóu ligt," antwoordde Go, +'m de hand toestekend. "Of jij me niet overal bij geholpen hebt, +met je dictaten, met boeken, en met je eigen doceertalent. En +dan.... hoe dikwijls heb-je me uit 't werk gehaald, als je vondt, +dat ik overdreef,--om te fietsen, of te tennissen--; zoodat ik weer +heelemaal frisch thuis kwam." + +Ja; en dát zal ik nu dadelijk weer doen. Vandaag mag-je geen boek +meer aanraken. Kom, doe gauw dat statiekleed uit, en laten we naar +Katwijk fietsen." + +"Nee, geen dwaasheden, Gé. Ik wil nu wel eerst wat wandelen. Maar +vanmiddag begin 'k Den Hertog te repeteeren." + +"Laat 'r," zei Mary rustig, "als 't heilige vuur brandt...." + +"Ik vind 't dom. Maar dan zal 'k m'n excerpt nog even gaan afmaken; +breng 't je vanmiddag." + +"'t Is toch wezenlijk geen wonder, als ik 'n goed tentamen doe, +met zóóveel hulp." + +"Ga dan alléén wat loopen. Je hebt genoeg prettigs om over te +denken. En 't is zoo heerlijk buiten." + +Het "zwarte pad" was één koele zonnigheid. De herfsthemel, hoog-blauw, +met ijle nevelwolkjes, spiegelde zich in 't gladglijdende water +van de vaart, waar hier en daar 'n langzame schuit door ploegde, +'n bruine man aan 't roer, die eerst achterdochtig gluurde naar de +eenzame wandelaarster, dan met 'n goeiig: "goe-mèrge" de stilte brak. + +En Go riep, hoogstemmig, den groet terug, en knikte. Ze voelde haar +hart wijd worden van genot. "Leiden, lief, heerlijk Leiden," zong +'t in haar; "wat ben-je mooi en stil in 't licht; wat lig-je gedwee +in den zonneschijn. Hoe láát je je leven." En dan weer: "Wereld, +mooie wereld, wat ben-je licht! wat is alles mooi: ieder grasje, +de verkleurde blaren, 't water, de hemel.... Heerlijke wereld, hoe +blij ben ik, dat ik leef." + +Het slagen voor haar tentamen lag veraf; ze was zelfs blij, dat +Gerard niet mee was gegaan, Gerard, die met z'n gedachten haar altijd +doorvorschen wilde, wiens belangstelling en genegenheid ze altijd +nader voelde dringen. Ze wilde nu alleen zijn met de zon en de koele +lucht; als 'n bloem in 't licht wilde ze zich voelen. Niet denken, +niet denken; ze had de laatste maanden zooveel gedacht; ze had zooveel +gestreden met zich zelf; met dàt, wat na 't eerste gesprek met Mary +altijd weer boven was gekomen, het warme, onstuimige, onberedeneerde +gevoel, dat haar ánders maakte, ánders deed blijven, dan Mary, de +rustig-harmonische, en Frieda, die niets dan wetenschap zocht. Toen +was ze gaan werken, hard, aanhoudend, en dát had haar wel geholpen. Ze +had niet meer aan haar ziel, en niet aan haar levenshouding gedacht; +ze had niet gevoeld de wisseling der seizoenen; afgesloten van alles, +hadden haar hersens alleen gegolden.... en nu, ten deele bevrijd, +was ze tot 't leven teruggekeerd op dezen lichten herfstmorgen, +en liep met haar vingers open en haar hoofd even achterover zich te +geven aan de ten-winter-neigende zon. + +'n Geritsel door de struiken deed haar opschrikken, en tegelijk zag +ze Eduard, die met den rug naar haar toe bij den waterkant stond, +en Bruno, die, uitgelaten van vreugde, op haar afstormde. Eén blik op +z'n verward-blozend gezicht was Go voldoende geweest om te weten, dat +hij haar gezien had en ontwijken wilde, en, 't hart hevig kloppend, +hoezeer ze zich ook tot kalmte maande, trachtte ze stil verder te +loopen, Bruno's vroolijk herkennen negeerend. + +Maar de hond stoorde zich niet aan haar koelen blik. Met zacht +vreugdegehuil legde hij z'n breede voorpooten op haar ontwijkende +schouders, en besnuffelde gretig haar gezicht en haar haar. En toen +ze, geroerd door z'n hartelijkheid, met 't oude gebaar haar handen +zacht om z'n kop legde, sprong hij op met 'n luid, juichend geblaf, +rende naar Eduard en weer terug, blaffend en huilend, likte haar +handen en laarzen; en eerst toen Eddy, licht geërgerd over 't malle +figuur, dat de hond 'm deed slaan, zich omgekeerd had, en nader kwam, +omhelsde Bruno haar opnieuw, met 'n kalme beweging van in-bezit-nemen. + +Go hield hem, verlegen en trotsch, tegen zich aan. "Híj kent me nog; +hij is me nog niet vergeten," zei ze glimlachend tegen Eddy, met +zacht verwijt. + +"Hij lijdt niet aan "stemmingen"," verweerde hij zich, "ik was niet ín +'n stemming jou te zien; had je de volgende week willen komen opzoeken +om afscheid te nemen." + +"Ga-je dan weg?" + +"Ja, 'n jaartje rondtrekken, om wat in allerlei bibliotheken te +snuffelen, voor m'n dissertatie." + +"O, en dan promoveeren?" + +"I think so, ja. Zullen we wat oploopen?" + +"Nee, als je nu tégen je wil..." + +"Welnee, dat was maar 't eerste oogenblik. M'n eerste opwelling, als +ik 'n kennis zie, is altijd weg te loopen.... kun-je 't begrijpen? Ik +heb er vaak zelf spijt van. Nu vind ik 't al weer heel gezellig. Ik +heb je zoo lang niet gezien." + +"Een kennis; niets dan maar 'n kennis," dacht ze teleurgesteld. Maar +ze zei alleen zacht: "Wat 'n zalig weer," en liep naast 'm voort, stil, +de hand op Bruno's kop, de oogen, in afwachting, naar Eduard toegewend. + +"En vertel me 's: hoe heb-je 't tegenwoordig? Je bent nooit meer +ergens te zien, en Gerard brengt op de L. V. vergaderingen altijd +dezelfde boodschap: dat je werkt, hard werkt, en geen tijd hebt er +uit te gaan... Het lijkt wel, of je genoeg van ons hebt." + +Z'n stem was gemoedelijk-vriendelijk, maar 'n met moeite bedwongen +onrust trilde telkens om z'n neusvleugels. Hij had wel gemerkt aan +allerlei onzegbare kleinigheden, dat er iets veranderd was tusschen Go +en hem, en ook begrepen, gevoeld, waardoor 't moest zijn. Nu vreesde +hij niets zoo zeer als 'n "verklaring" tusschen hen beide, met tranen +en verwijten, waarbij hij met z'n figuur geen raad zou weten; en hoewel +twijfelend, of er iets tegen te doen zou zijn,--zoo'n spontaan kind +als Go zou 'n grief toch wel niet kunnen verzwijgen--deed hij alles om +'t gesprek aan de oppervlakte te houden, opgewekt en rustig. + +Ze ging er dadelijk op in. "Ja, ik heb het nu eindelijk eens flink +aangepakt. Vandaag heb 'k m'n eerste tentamen gedaan. Nu, 't wordt +tijd in je vierde jaar..." + +"In je vierde; ja, 't is waar; 'k word 'n oude man. Ik zag +gisteren 'n lange, witte haar tusschen m'n zwarte; en jij draagt +'n sleepjapon... Ja, ja... maar hoe bevalt je nu alles bij elkaar?" + +"O goed. Ik hou van m'n werk." Maar 't bezadigde glimlachje, waarmee +ze 't zei, intrigueerde 'm: God, was ze zóó veranderd; dat was +toch de Go niet, die hij kende, de vertrouwende, alles eischende, +maar ook bereid àlles te geven. Hij vergat z'n voorzichtigheid, zei, +uit gewoonte blagueerend: "En de idealenwinkel? Nog niet failliet?" + +Nu verzette haar trots zich: wat hoefde hij er naar te vragen, hij, +die alleen maar spotten kon; wat ging 't hem aan? En met 'n lichte +ironie, die hij niet van haar kende, antwoordde ze: "Ja, erg in trek +zijn die tegenwoordig niet... Ik heb ze maar zelf grootendeels weg +gedaan, dat ik plaats hield voor andere dingen, practische dingen." + +"Beeld-je je dit alles in, of ben-je wezenlijk veranderd? Heeft Frieda +je ziel volgeplakt met overdrukjes van haar eigen ideeën, zoodat je +niet meer zien kunt, wat er eigenlijk in is, of is de verandering +van binnen uit begonnen?" + +"Mary heeft veel met me gepraat;... maar ik ben toch zelf ouder +geworden; ik geloof bijna: hárder. Als je érge pijn hebt gehad om... om +allerlei, waar niets aan te doen is, dan versteent er iets... Ik +weet niet, of 'k overdrijf; 't is zoo moeilijk iets van je zelf te +weten,... maar ik ben wel minder expansief, dan vroeger. Dat 's zeker." + +Hij knikte en keek naar haar vast gezicht: er waren lijnen, langs +den neus, die hij er vroeger niet had gezien, en ze sprak gedempter, +alsof ze zich steeds bedwong. + +"Ik heb vooral gemerkt, hoe 'k veranderd was, 'n paar dagen geleden," +vertelde ze door. "Gerard stuurde 'n groen met 'n paar dictaatcahiers, +en Mary en ik lieten 'm boven komen en gaven 'm thee en koekjes. 't +Was 'n aardig jongetje en we begonnen te praten met 'm. En toen +hij vertelde, wat hij allemaal van z'n leven verwachtte, en wat +hij voor iedereen wilde doen, toen merkte ik, dat ik glimlachte, +onwilkeurig, omdat ik 't niet geloofde. Er is heel veel, dat 'k niet +meer geloof." Zij liepen zwijgend den weg terug. In de verte blakerden +de lage geveltjes van de Jan van Goyenkade, en het houten dak van +'n huis in aanbouw flikkerde als 'n spiegel. + +"Vroeger wilde ik iedereen helpen, dat weet je nog wel..." begon ze +weer. "Nu heb ik ingezien, dat 't "ieder voor zich" toch eigenlijk 't +eenige mogelijke is. Zelf je best doen... en dan soms 'n kleinigheidje, +bij toeval, voor 'n ander... het is zoo weinig meestal." + +"Go," zei hij zacht, "weet je dien avond nog in je kamer, toen je +m'n steun wilde zijn?" + +En met de onverwachte stemmingswisseling, die hem weer zoo aan vroeger +herinnerde, riep ze uit: "O Eddy, ik weet nog alles precies, en ik +vóel 't nog, al is 't dwaasheid... en soms denk ik, dat ik nóóit zal +leeren wijs te zijn, omdat ik zoo anders ben dan de anderen...." + +Ze waren bij de brug blijven staan, Bruno tusschen hen in, en hij +keek in haar oogen, tintelend van den ouden glans. + +"Ik wist wel, dat er nog iets van je over was," zei hij, niet +begrijpend, waarom hij er blij om was. Hij ging immers weg, zou haar +misschien nooit meer zien... Maar dit oogenblik, dit laatste samenzijn, +was van 'n vreemd-schoonen weemoed; en z'n stem trilde van treurigheid, +toen hij, haar hand vasthoudend, zei: + +"Hoe zullen we nu ooit weer bij elkaar komen, in dit leven..." + +Toen 'n buiging, 'n hoedzwaai--en als in 'n droom liep Go langs +'t smalle trottoirtje naar haar huis. + +Mary zat voor haar schrijftafel. "De cahiers van Gerard zijn er al," +zei ze, zonder opzien. + +Maar Go kwam dadelijk naast 'r staan. "Ik heb 'm gesproken; hij gaat +weg," zei ze dof, en zóó somber, dat Mary geen oogenblik twijfelde, +wien ze meende, en, met haar hand op die van Go, zacht troostte: + +"Het is hard, kindje, zoo'n afscheid, en toch... je wist al zoo lang, +dat je niet aan 'm denken mocht,--misschien geeft dit je rust." + +"Ik weet niet. 't Was eigenlijk 't zelfde, of hij er was of niet; +ik sprak 'm toch nooit. En nu ook hebben we 't over niets bizonders +gehad. Maar 't laatste oogenblik was 't, of er iets openscheurde, +of alle ellende nu weer opnieuw beginnen zou." Ze liet zich in 'n +laag stoeltje vallen, verslagen, gebroken. + +"Kom, dit was je laatste beproeving; nu komt de overwinning, wees nú +sterk," praatte Mary, toch éven teleurgesteld, dat Go nog altijd zoo +down kon zijn, zoo gebroken door iets van buiten af. + +"Ik geloof niet eens, dat ik nog van 'm houd... 't is alles onzin; +maar 't is zoo moeilijk iets heelemaal op te geven..." + +Mary reikte haar zwijgend de schriften: als woorden faalden, was er +nog 't werk, dat troostte, omdat 't kracht eischte en aandacht, omdat +'t den heelen mensch in beslag nam. + +"Ja; "allons travailler," zuchtte Go; "bij groot en klein verdriet +is dat 't eenige." + +En toen ze 'n half uur later, na veel afdwalend naar-buiten-staren +en zich weer tot lezen dwingen, er eindelijk in geraakt was, keek +Mary glimlachend naar het bleeke, nu rustige gezicht, en peinsde: +En àls meisjes nu 's dooreengenomen minder praesteeren konden op +'t gebied van studie dan mannen; en àls 't nu eens waar was, dat +zelfstandig, zuiver wetenschappelijk werk van 'n vrouw zeldzaamheid +was;--is dan nog de studie voor haar niet een zegen, die haar heen +helpt over de eerste levensdésillusies, die er voor waakt, dat ze +niet den eersten slag blijft betreuren, maar haar steeds verder lokt +naar nieuwe verschieten; en, àls 't volle vrouweleven komt, haar +er aan overgeeft, moedig en sterk, en boven alles jong en frisch, +omdat ze niet in hunkerend wachten is verflensd? En kòmt 't schoonste +niet.... voor hoevelen komt 't niet tegenwoordig, dan is 't géén +verloren leven, dan kan 't waardevol zijn,--al is 't ook niet heerlijk. + + + + + + +HOOFDSTUK XXII. + + +Op 't partijtje ter eere van Go's candidaats-examen,--dadelijk na de +groote vacantie in haar vijfde jaar,--had Else opeens den lust voelen +opkomen Leiden weer 's terug te zien, en er was 'n afspraak gemaakt +voor den dag van de hospitanten-vergadering van de V. V. S. L., +omdat ze ook zoo graag Go 's avonds als praeses de zaken wilde +zien leiden. Zoo was ze gekomen, met den gewonen ochtendtrein, had +"derde" gereisd om alles ècht te doen, als vroeger;--maar toen ze +pas op de kamer was, had ze toch, vervuld van de gewichtigheid van +haar jong-mevrouwtje-zijn, over niets anders kunnen praten dan over +háár huis, háár meiden, háár man, en háár kind, den kleinen Janneman, +den modeljongen, die nu den heelen dag bij z'n grootmoeder was.--"Had +'m toch meegebracht," zuchtte Go telkens;--en eerst ná de koffie, +toen ze rustiger werden en weer meer aan elkaar gewend, begon de +herinnering weer levend in haar te worden, en, starend in de ros-gouden +bladerpracht van de tuinen, vroeg ze: "En nu moet je me alles van +de menschen van vroeger vertellen.... Ik weet van niemand iets, +dan van Beerenstijn. Die heeft nogal praktijk; ik heb 'm laatst ook +'s bij Jannie gehad.... Dan is hij zoo zacht." + +"Ja," zei Go peinzend, "hij is heel hartelijk, bij erge dingen. Toen +met Hans had ik eigenlijk aan hèm 't meest." + +"Ja gòd.... maar vertel nu 's, is er nog niemand gepromoveerd?" + +"Ja, Lize, dat weet je. 'n Mooie dissertatie. Verwónderlijk goed; +want zelfstandig-wetenschappelijk werk is bij 'n meisje toch altijd +'n zeldzaamheid." + +"O, ja.. ik herinner me; ze heeft ons 'n boek gestuurd. Over.... ach +ja, ik weet niet; iets wetenschappelijks. Jantje heeft 't in beslag +genomen, leest er uit voor;.... schattig, zooals hij Han nadoet, +zie-je, met z'n vingertje over de bladzij.... Maar zeg 's, is Hoefman +nog niet klaar, en gaan ze niet trouwen?" + +"Ja, 'k geloof, dat hij 'n heel buitengewone dissertatie schrijven +wil; hij moet er voor naar IJsland;--maar 'k denk, dat zij daarbij +wel helpen zal... Je weet toch, dat De Veer 'n paar maanden geleden +gesjeesd is?" + +"Nee, hoe zou ik? Waarom? Wat heeft-ie uitgevoerd?" + +"'t Is 'n léuke jongen. Je moet geen kwaad van 'm zeggen. Op 'n +middag kwam hij bij me en zei: "Go, ik heb geen plezier meer in +fuiven." "Zoo," zei ik, "dan ga-je nu zeker werken, hè?" Nee, dat +kon hij ook niet, het was 'm te stil. En kort en goed: de volgende +maand ging hij naar Amerika, ergens in 't binnenland, waar 't nog +erg ongecultiveerd is, bosschen-omhakken. Hij zei, dat hij voelde +eigenschappen van 'n oermensch te bezitten.... hier zou hij stikken! En +toen is-tie gegaan. 't Heeft me erg aangepakt, die grappige kerel de +wijde wereld in te zien trekken. Maar Gerard zei...." + +"Ja, Leeden.. komt die dikwijls? Hij studeert nu Chineesch, is +'t niet?" + +"Nee, 'k zie 'm niet dikwijls meer;--'t is hier zoo ongestadig +met de vriendschap, ik ben nu meer in 'n ander clubje geraakt; de +vergaderingen van L. V.--och, 't is kwijnen tegenwoordig. De nieuwe +leden voelen er zooveel niet meer voor. En Gerard..." Go zweeg even, +en keek, verlegen, recht voor zich uit. "Zeg jij 's, Elsi, heb-je wel +'s gedacht, dat Gé meer dan vriendschap voor me zou kunnen hebben?" + +"Wel, als 'n jongen tegen míj had gedaan, als hij tegen jou,--maar +half zooveel,--zou ik zéker gedacht hebben, dat hij verliefd op me +was. Maar jij was altijd zoo anders dan ik, met de jongens." + +"Mary zegt, dat, als je zelf maar niet over de mogelijkheid denkt, +maar gewoon-eerlijk tegen hun doet, zonder opschroeverij, er bijna +nooit iemand verkeerd van je zal gaan houden. Maar den laatsten +tijd was hij soms zoo vreemd, ongeduriger, ongelijkmatig. Ik heb 't +'m eens gezegd, en nu zie ik 'm zoo zelden meer;... 't is jammer...." + +"Ja; want jij niet, hè?" en Else keek haar even onderzoekend +aan. Toen, schijnbaar zonder verband, vroeg ze: "En hoe gaat het met +Van Neerwinden tegenwoordig?" + +"O, ik geloof, dat die hard werkt," antwoordde Go zacht, "hij had +wel al klaar kunnen zijn, maar hij is nu al lang weg; doet 'n groote +studiereis.... En Rolands is doctorandus. Spreek-je Francis wel in +Den Haag?" + +"Ja, we komen bij dezelfde families aan huis. Haar man is rechter." En +éven dacht ze er over weer te gaan vertellen van hun weelderig, +ijdel leventje daar, de partijen en dinertjes, en de naijver en kleine +plagerijen onder elkaar; maar ze hield zich in, vroeg door naar Riek, +die altijd nog maar "in stilte" verloofd was, en weinig vooruitzicht +had, omdat hij niets uitvoerde, 'n echte boemelaar.... + +"Ze is lief," zei Go met warmte, "ze heeft er 's eens met me over +gepraat. "Als ík 'm niet vasthoud en 'm altijd vertrouw," zei ze, +"wat zou er dan van z'n leven terecht komen?" Ik weet niet, of ze +gelijk heeft, maar hierin kun-je geen raad geven.... Nou, en Coba zal +ook wel gauw candidaats doen, al tennist ze veel te veel, om ooit +'n geleerde te worden;.... maar Lou komt er nooit toe, uit angst +en zenuwachtigheid. Zoo zielig; ze heeft vreeselijk gehuild op haar +eerste tentamen, en nu durft ze niet meer." + +"Kleine Lou, die moest nu toch niet studeeren, hè? Die zou beter zijn +voor kinderen, of bij 'n goedige, zwakke dame;... en 't allerbeste +zou zijn, als ze zelf als 'n kindje kon worden verwend." + +"Weet je, dat Erna, dat mooie meisje, die zoo artistiek en bohémiennig +was, zenuwziek is geworden,--in 'n inrichting nu? Het was zoo'n +eigenaardig type, wèl sympathiek. Op haar kamer droeg ze altijd +vreemde, wijde tunica's, haar haar los, en sandalen;... ik heb 's bij +haar gelogeerd: alles was even wonderlijk, en in den nacht zat ze in +het maanlicht op 'n beestevel te declameeren;--haar familie was in +Arabië, en niemand lette er op, hoe ze leefde. Toen ik haar nu laatst +opzocht, stond ze in 'n schuit en schepte mest; ze zei, dat zoo iets +heerlijk was;.... er waren meer studenten, geen intiemen;.... ach ja, +de eenzijdigheid wreekt zich en geestelijk overladenen gaan in den +grond ploeteren." + +Else keek haar even aan; zei toen verwonderd: "Hè, zoo iets, zoo +iets wijs, algemeens, waar haal-je dat van daan? Dat leer-je zeker +van de meisjes hier, want zie-je.... ik vind ze heel aardig, Go; +maar zijn jullie altijd zoo, zoo ernstig, zoo verstandig....? Als ik +'s reken.... wij vroeger.... dat was toch wel héél wat anders." + +"Ons eerste jaar.... ja, zeker; dat wás heel wat anders." + +"Als je 's denkt aan onze pret met die kamerversiering;.... en +soms heelemaal om niets, als 't mooi weer was, en we ons zoo lekker +voelden! We konden zoo dwaas doen, weet je nog wel? Ik wed, dat je +met Frieda en Mary nooit flikjes en kaakjes zult geroosterd hebben?" + +Go lachte. "Nee, nee.... dat was leuk. Ja, dát was gezellig, samen...." + +"En glij-baantje over 't zeil voor de kachel?" + +"Noù. Zúllen we nog 's, zeg? Wat is dat lang geleden!" + +Else schudde haar hoofd. "Nee, voor mij is nu alles zoo veranderd, +m'n positie in de wereld.... Wat zou Jannie wel zeggen, als-tie z'n +moeder zoo dwaas zag doen...." maar ze voelde toch even met haar +kleinen voet, "of 't glad was," teleurgesteld 'm weer terugtrekkend. + +"Maar voor míj is 't ook anders," zei Go, zacht en beslist. "Zooals +toen, toen de studie maar 'n bijdingetje was, kon het toch de verdere +jaren niet blijven." + +"Dus nu is 't álles geworden; bepaald je ideaal?" + +Else keek naar de boeken op de schrijftafel, en, systematisch geschikt, +op den vollen boekenstandaard; de kamer zag er zoo ánders dan vroeger, +zoo echt-om-te-studeeren uit: de series over elkaar op de deur, +'t Minerva-beeld in den hoek, aan den muur lidmaatschap-kaarten, en +'n enkele, stemmige gravure. En dan al die wijsheid;--ze herkende +de groene bandjes van Hegel, die Han ook had, en Nietsche en Plato +en Spinoza, met de witte ruggetjes,--wat bekommerde zij zich nog +om boeken, behalve bij 't stof-afnemen; terwijl 't hiér scheen, +of wetenschap 't eenige was.... + +Go vóelde, dat Else op dat oogenblik hun levens tegen elkaar wóóg, +en het werd haar diep en duidelijk bewust, hoe ver ze van elkaar +waren gedreven, zij, die hun eerste vrijheid-vreugde samen hadden +genoten. Toen zei ze langzaam, alsof ze onder 't spreken haar gedachten +nog aan 't formuleeren was, strak starend op Jantje's portret: "Ik +geloof niet, dat studie, voor mij evenmin als voor de meeste meisjes, +bepaalde róeping, 't eenige is. Lize heeft 't me gezegd op de eerste +clubvergadering, en al zag ze verder de zaak veel te duister in, +ik gelóóf, dat ze hierin toch wel gelijk had. Maar daarmee is het +studeeren voor meisjes natuurlijk absoluut niet veroordeeld. Ik +meen alleen, dat bij háár altijd 'n kwestie van keuze wordt, wat +'n man vereenigt;--ik bedoel bij 'n huwelijk, en dat ze dan, bijna +altijd, niét de studie zullen kiezen. Daarom is het niet haar hoogste +roeping; maar wél kan 't iets zijn, dat haar heelemaal in beslag +neemt, en vult... Zie-je, ik geloof, dat 't bij mij zóó is: ik heb +heel veel kracht, en toewijding en levenslust. Die moet ik ergens +aan geven. En omdat ik nu hier ben, tusschen studeerende menschen, +in geestelijk-ontwikkelend milieu, geef ik ze aan studie, m'n speciaal +vak, en wijsbegeerte en oeconomie... en allerlei. Begrijp-je?" + +Else streek met haar hand langs de boek-ruggen, en knikte; maar ze +dacht aan Han, en haar huis en aan Jantje,... en de meiden, en wat +morgen eten. En ze begreep eigenlijk niet, hoe Go, haar eigen nichtje, +even oud als zij, buiten dat alles leven kon, en niet ongelukkig zijn. + + + +"O, en dien avond, toen Gé den wijn met kruidnagelen bracht," zei Go, +terwijl ze de trap naar het clublokaal opliepen, en ze voelde zich +overvol van oude herinnering. Ze hadden samen de stille, donkere +stad doorgeloopen, en weer samen-gevoeld, elkaar weer begrepen in het +verleden,--en nu scheen 't bijna ongelooflijk, dat Else zoo lang weg +was geweest, voelden ze zich even weer eerste-jaartjes, toen ze de +lichte zaal binnen kwamen. + +Maar 't was dadelijk anders; de meisjes stormden op Go toe, om haar +nog geluk te wenschen met 'r candidaats-examen; op haar praeses-plaats +aan de groene tafel stond een bos bloemen, 'n attentie van 't bestuur, +en ze wist weer: hier was ze niet langer het schuchtere kind, dat in +'n hoek tegen den muur stond en niemand aanspreken durfde; ze was het +middelpunt, de leidster, de eerste van de club geworden, en terwijl ze +even sprak met de secretaris, met 't meisje, dat de lezing zou houden, +bemerkte ze, tot eigen verbazing, hoe zij rustig-helder alles regelde +en den avond organiseerde. + +Mary had er op aangedrongen, dat ze zich meer met de +meisjes-vereeniging bemoeien zou. Zij zelf kwam er zelden, omdat +ze nu eenmaal in dit opzicht nog 'n vrouw van de oude traditie was, +die in societeitsleven zich niet thuis kon voelen. + +"Zie-je," had ze peinzend tegen Go gezegd, "een van de dingen die ik +'t mooist vind in de vrouw van vroeger, is, dat ze, hoewel minder +individueel ontwikkeld dan de man, die zwakke individualiteit in +eenzaamheid altijd zoo zuiver heeft bewaard, veel beter dan de man, +die in de gemeenschap het fijnste, het hem-alleen-eigene, moest +opgeven in 't belang van 't geheel. Maar nu meisjes mee gaan strijden +om 'n plaats in de maatschappij, is het natuurlijk, dat ze zich ook +aansluiten, ook gaan vergaderen en debatteeren.--Alleen--ik voel me +hierin nog zoo ouderwetsch, wil me niet schikken, wil me niet géven, +ik kan niet velen, dat er aan m'n gevoel getrokken wordt... Ik blijf +liever alleen,--maar 'k geloof zeker, dat 't jou goed zal doen, +als je er meer in komt." + +Go hád er heel gauw plezier in gehad, in de namiddag-thee's met de +levendige gesprekken, in de faculteits-vergaderingen en de groote +bijeenkomsten. Het tweede jaar was ze al praeses van haar faculteit +gemaakt, en toen ze met de algemeene verkiezing candidaat was gesteld, +was ze met bijna-eenstemmigheid gekozen. Ze voelde zelf, dat ze er op +haar plaats was en toen ze den hamer ter opening van de vergadering +had laten vallen, was het, of uit al de luisterende gezichten de +sympathie naar haar toe groeide. + +"Bij het openen van de eerste vergadering na de groote vacantie," +begon ze met haar heldere, opgewekte stem, "heet ik de hospitanten +hartelijk welkom, en spreek den wensch uit ze als leden nog vaak in ons +midden te mogen zien. Dat onze vereeniging voor vrouwelijke studenten +bloeit, en wezenlijk in 'n behoefte voorziet,--het jaarverslag +zal het ons allen dadelijk met getallen en feiten duidelijk maken, +maar wezenlijker, dan 'n statistiek het ons leeren kan, worden we +'t ons bewust, wanneer we op dezen avond de zaal rondkijken, en zien, +hoe groot de opkomst is, en voelen, hoeveel vriendinnen de club ons +heeft gegeven... Ik zie de menschen, die het bestuur vormden, toen ik, +als verlegen eerste-jaartje, hier voor 't eerst binnenkwam;--er zijn +hier velen, die meer van den wordings-tijd der vereeniging weten dan +ik. Maar ik weet en voel haar bloei en haar weldadigen invloed, en +daar wilde ik de hospitanten over spreken. Jullie bent hier allen met +moed en verwachtingen aangekomen, en je gaat 'n mooi jaar tegemoet, +het mooiste, zou ik bijna zeggen, van je leven. In het eerste jaar +van onzen studententijd is alles heerlijk en zonnig en vol belofte..." + +Ze zweeg en streek even met de hand over haar voorhoofd; ze zag +de oudere meisjes, die keken, wachtten; ze zag Mary, die even +knikte;... en dan al die nieuwe kindergezichten, al die oogen, die +nog niets wisten, die nog niet waren teleurgesteld.... En het flitste +door haar hoofd, hoe Else en zij er voor vier jaar gezeten hadden, +ook zoo op den grond, 'n beetje verbaasd, belangstellend, en zoo +kinderlijk vertrouwend op het leven, dat komen ging;.... moest ze +dien kinderen nu zeggen, dat hun niets dan teleurstelling wachtte, +of had zij den weg naar de hoogere harmonie gevonden? + +Ze voelde, dat er 'n golving van onrust ging door de zaal, en de +bibliothecaris fluisterde even: "Of ze niet wist verder...." + +Toen zei ze als in 'n droom, alle samenhang met 't vorige vergetend, +niet langer er aan denkend, dat haar speechje propaganda moest +maken om lid te worden van de club: "Hier wacht jullie het eerste, +wezenlijke geluk en 't eerste, groote verdriet. Ik hoop, dat je ook +'t laatste, als noodzakelijk, flink zult aanvaarden. Want voor den +moedig-strijdende is de overwinning." + +Het bestuur gaf 't teeken tot luid applaus, ofschoon ze de toespraak +wel wat eigenaardig vonden, bang voor 'n nieuwe, dreigende stilte. Go +zag Else kijken, verbaasd, half ongeloovig: waar haal-je het +vandaan? Maar Mary knikte, dat 't goed was, zacht lachend met 'r +diepe oogen.... + +Toen keerde Go zich tot de ab-actis, met verzoek om het jaarverslag +voor te lezen, en terwijl die, met verveeld rad-ratelende stem, bladzij +na bladzij opdreunde, vertelde Else fluisterend met onderdrukte +lachjes, aan Lou en Riek, die over haar heen hingen, de wonderen +van ondeugendheid en liefheid en snuggerheid van haar schattigen, +kleinen jongen. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een Meisje-Studentje, by Annie Salomons + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN MEISJE-STUDENTJE *** + +***** This file should be named 29044-8.txt or 29044-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/9/0/4/29044/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/29044-8.zip b/29044-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..33bd85c --- /dev/null +++ b/29044-8.zip diff --git a/29044-h.zip b/29044-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7326ddf --- /dev/null +++ b/29044-h.zip diff --git a/29044-h/29044-h.htm b/29044-h/29044-h.htm new file mode 100644 index 0000000..8d02b68 --- /dev/null +++ b/29044-h/29044-h.htm @@ -0,0 +1,11632 @@ +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org"> +<meta http-equiv="Content-Type" content= +"text/html; charset=ISO-8859-1"> +<title>Een meisje-studentje</title> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Annie Salomons"> +<meta name="DC.Creator" content="Annie Salomons"> +<meta name="DC.Title" content="Een meisje-studentje"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<style type="text/css"> + /* Standard CSS stylesheet */ +body +{ + font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; + margin: 1.58em 16%; + text-align: left; +} +.titlePage +{ + border: #DDDDDD 2px solid; + margin: 3em 0% 7em 0%; + padding: 5em 10% 6em 10%; +} +h1.docTitle +{ + font-size:1.6em; + line-height:2em; +} +h2.byline +{ + font-size:1.1em; + font-weight:normal; + line-height:1.44em; +} +span.docAuthor +{ + font-size:1.2em; + font-weight:bold; +} +h2.docImprint +{ + font-size:1.2em; + font-weight:normal; +} +.transcribernote +{ + background-color:#DDE; + border:black 1px dotted; + color:#000; + font-family:sans-serif; + font-size:80%; + margin:2em 5%; + padding:1em; +} +.advertisment +{ + background-color:#FFFEE0; + border:black 1px dotted; + color:#000; + margin:2em 5%; + padding:1em; +} +.div0 +{ + padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ + padding-top: 4.8em; +} +.index +{ + font-size: 80%; +} +.div2 +{ + padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ + padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ + padding: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ + clear: both; + font-style: normal; + text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ + font-size:1.2em; + line-height:1.2em; +} +h3.label +{ + font-size:1em; + line-height:1.2em; + margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ + font-size:1em; + line-height:1.2em; +} +h4.lghead +{ + margin-left:10%; + margin-right:10%; +} +.alignleft +{ + text-align:left; +} +.alignright +{ + text-align:right; +} +.alignblock +{ + text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ + margin-top: 1.6em; + margin-bottom: 1.6em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + text-align: center; +} +p.poetry +{ + margin:0 10% 1.58em; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ + color: white; +} +p.line +{ + margin:0 10%; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ + margin:1.58em 10%; +} +p.tocChapter +{ + margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ + margin:0.7em 5%; +} +div.epigraph +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + width: 60%; + margin-left: auto; +} +.epigraph .bibl +{ + text-align: right; +} +.epigraph .poem +{ + margin-left: 0; +} +.epigraph .line +{ + margin-left: 0; + text-indent: 0; +} +.trailer +{ + clear: both; + padding-top: 2.4em; + padding-bottom: 1.6em; +} +.floatLeft +{ + float:left; + margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ + float:right; + margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ + font-size:100%; + text-align:center; +} +.figure p +{ + font-size:80%; + margin-top:0; + text-align:center; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ + color:#666666; + font-size:80%; +} +span.parnum +{ + font-weight: bold; +} +.leftnote +{ + font-size:0.8em; + height:0; + left:1%; + line-height:1.2em; + position:absolute; + text-indent:0; + width:14%; +} +.pagenum +{ + display:inline; + font-size:70%; + font-style:normal; + margin:0; + padding:0; + position:absolute; + right:1%; + text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ + font-size: 80%; + text-decoration: none; + vertical-align: 0.25em; +} +.red +{ + color: red; +} +.displayfootnote +{ + display: none; +} +div.footnotes +{ + margin-top: 1em; + padding: 0; +} +hr.fnsep +{ + margin-left: 0; + margin-right: 0; + text-align: left; + width: 25%; +} +p.footnote +{ + font-size: 80%; + margin-bottom: 0.5em; + margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ + float: left; + text-align:left; + width:2em; +} +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ + font-size: 80%; +} +.centertable +{ + /* center the table */ + margin: 0px auto; +} +.poem +{ + margin-left:5%; + position:relative; + text-align:left; + width:90%; +} +.poem h4 +{ + font-weight:normal; + margin-left:5em; +} +.poem .linenum +{ + color:#777; + font-size:90%; + left:-2.5em; + margin:0; + position:absolute; + text-align:center; + text-indent:0; + top:auto; + width:1.75em; +} +.versenum +{ + font-weight:bold; +} +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ + position: absolute; + right: 16%; + top: auto; +} +.footnotes .line +{ + font-size:80%; + margin:0 5%; +} +.poem .i0 +{ + display:block; + margin-left:2em; +} +.poem .i1 +{ + display:block; + margin-left:3em; +} +.poem .i2 +{ + display:block; + margin-left:4em; +} +.poem .i3 +{ + display:block; + margin-left:5em; +} +.poem .i4 +{ + display:block; + margin-left:6em; +} +.poem .i5 +{ + display:block; + margin-left:7em; +} +.poem .i6 +{ + display:block; + margin-left:8em; +} +.poem .i7 +{ + display:block; + margin-left:9em; +} +.poem .i8 +{ + display:block; + margin-left:10em; +} +.poem .i9 +{ + display:block; + margin-left:11em; +} +span.corr +{ + border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ + border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ + border-bottom:1px dotted green; +} +.letterspaced +{ + letter-spacing:0.2em; +} +.smallcaps +{ + font-variant:small-caps; +} +.caps +{ + text-transform:uppercase; +} +.fraktur +{ + font-family: 'Walbaum-Fraktur'; +} +.rm +{ + font-style: normal; +} +hr +{ + clear:both; + height:1px; + margin-left:auto; + margin-right:auto; + margin-top:1em; + text-align:center; + width:45%; +} +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ + text-align:center; +} +h1,h2 +{ + font-size:1.44em; + line-height:1.5em; +} +h1.label,h2.label +{ + font-size:1.2em; + line-height:1.2em; + margin-bottom:0; +} +h5,h6 +{ + font-size:1em; + font-style:italic; + line-height:1em; +} +p,p.initial +{ + text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ + text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ + float: left; + clear: left; + margin: 0em 0.05em 0 0; + padding: 0px; + line-height: 0.8em; + font-size: 420%; + vertical-align:super; +} +.poem +{ + padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ + text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsdisc { list-style-type: disc; } +.lsoff { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } + /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml + " */ +body +{ + background: #FFFFFF; + font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ + color: black; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ + color: #001FA4; + font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ + font-style: italic; + margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ + color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ + color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ + color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ + color: #001FA4; + font-weight: bold; +} +sub, sup +{ + line-height: 0; +} + /* Standard Aural CSS stylesheet */ +.pagenum, .linenum +{ + speak: none; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Een Meisje-Studentje, by Annie Salomons + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Een Meisje-Studentje + +Author: Annie Salomons + +Release Date: June 5, 2009 [EBook #29044] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN MEISJE-STUDENTJE *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<p class="aligncenter">Een meisje-studentje</p> +</div> + +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">Een meisje-studentje</h1> + +<h2 class="byline">Door<br> + <span class="docAuthor">Annie Salomons</span></h2> + +<h2 class="docImprint">Tweede druk<br> + Uitgegeven door C.A.J. van Dishoeck<br> + Te Bussum in het jaar MCMVII * * *</h2> +</div> + +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Drukkerij “De +Phœnix”—Nijmegen</span></p> +</div> + +<div id="xd0e96" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Voorbericht tot den tweeden druk.</h2> + +<p>De nieuwe oplage was bijna gereed, toen ik Annie Sillevis’ +brochure: “<a href="http://www.gutenberg.org/etext/27847">Een +meisje-student over een meisje-studentje</a>” ontving; en ik was +blij hierin ’n aanleiding te vinden, na de uiteenloopende +meeningen over de “strekking” van het boek, zelf eens even +te vertellen, waarom ik het eigenlijk geschreven heb. Juffrouw Sillevis +zegt ’t volkomen juist op blz. 7: “eenvoudig-weg, alleen om +verhaaltjes te schrijven,” en ik hoor daarbij iets minachtends in +haar stem.</p> + +<p>Inderdaad zou ’t, uit maatschappelijk oogpunt, zeer nuttig +geweest zijn ’n brochure of tendenz-roman vóór of +tegen studeeren van meisjes te schrijven; maar juffrouw Sillevis zegt, +alweer terecht, dat ik maar een eerstejaars was, toen ik ’t +schreef, en dus nog heel weinig van de kwestie kon afweten; en daar ik +nu eenmaal tot de klasse van menschen behoor, die verhaaltjes-schrijven +op-zich-zelf en om-zich-zelf heel belangrijk vinden, schreef ik er een +over één “meisje-studentje”; niet over +“vrouwelijke studenten”, want die kende ik te weinig, en +daar stond ik te ver van af.</p> + +<p>En, om artistieke redenen, maakte ik dat kind, dat eerste-jaartje, +een erg “meisjesachtig” meisje; ’n kind, zooals +één der critici terecht zei “in zich volmaakt maar +zonder tact”; en bracht haar zoo in voortdurend conflict met haar +omgeving; ik liet haar zoeken, zich vergissen, teleurgesteld worden; +dwalen, zooals zoo’n kind dwalen zál, tot ze aan ’t +eind, geholpen door ’n “vrouwelijke studente”, iets +voelt van ’n komende harmonie.</p> + +<p>Maar nu ráákte m’n verhaaltje ’n +“<span lang="fr">question brûlante</span>”, waarvan +maatschappelijke menschen de oplossing zoeken, terwijl ik, als +schrijfster, juist ’t conflict wilde; en al wie maar de +gelegenheid wachtte, zich eens uit te spreken, heeft mijn +“Go” als bewijs of aanvalspunt voor z’n stelling +genomen.</p> + +<p>Zoo professor Blok; zoo Annie Sillevis.</p> + +<p>Als stuk-op-zichzelf, als raadgeving aan jongeren, als ik, vind ik +de brochure van ’n meisje-student voortreffelijk, kranig, +leerzaam, en als studentje breng ik m’n oudere zuster gaarne +m’n dank voor haar wijs inzicht.</p> + +<p>Maar als schrijfster van het “Meisje-Studentje” strijd +ik voor m’n boek, dat geeft, wat de titel belooft,—de +ondervindingen van ’n heel jong meisje—, en dat zwijgt over +de dingen, die nog buiten haar kring liggen.</p> + +<p style="text-indent: 2em; "><span class="smallcaps">Annie +Salomons.</span></p> +</div> +</div> + +<div class="body"><span class="pagenum">[<a id="pb1" href= +"#pb1">1</a>]</span> +<div id="xd0e126" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk I.</h2> + +<p>Else lag achterover op het “bakbeest van ’n +canapé”, en speelde peinzend met haar dunne vingers in de +gaatjes van een der gehaakte ster-antimakassers, die de juffrouw ter +versiering aan de twee hoeken, en in ’t midden op het +rood-satijnen kussen bevestigd had. Margo zat op den grond, leunde +’t hoofd tegen de houten lambriseering, beenen recht-uit gestrekt +van over-moeheid. Zoo keken ze samen zwijgend de schemerende kamer in, +terwijl ook van buiten geen geluid hun stemming breken kwam.</p> + +<p>Het oudste dochtertje van de juffrouw had, nerveus-onhandig om de +nieuwigheid—ze hadden nog altijd heeren op kamers gehad, dames +nooit—zooeven de tafel afgenomen, en na veel gerammel van glazen +en vorken de servetten en ’t laken in de ouderwetsche bonheur du +jour geborgen. Nu lag de groote tafel, zonder kleed, ongezellig te +glanzen in ’t grijze licht, de vier stoelen, netjes recht er +onder geschoven, gaven ’n onaangenamen indruk van onbewoondheid, +nog vergroot door de vochtige lucht, die in de kamer hing van ’t +lang gesloten zijn geweest. Want toen ze ’n middag <span class= +"pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2">2</a>]</span>in Augustus—Go en +Else en Else’s Vader en Moeder—na den heelen warmen, +zonnigen dag de stad in alle richtingen doorkruist te hebben, met +stijve halzen van ’t opkijken naar de huurbordjes, en doove +beenen van ’t trappen klimmen—eindelijk op het stille +grachtje waren gekomen, bij het oude, hooge huis, toen waren alle +groene blinden toe geweest, en de juffrouw had verzekerd, dat ze ze toe +hield, tot ze kwamen, “om ’t verschieten ziet u, +dames.” En ofschoon de groenig-trijpen stoelen den goeden zorgen +geen eer aandeden, het weeïge vochtluchtje, dat vooral uit de +hoeken en kasten opsteeg, gaf het bewijs, dat ze woord had +gehouden.</p> + +<p>Al was de herfstavond frisch, Go had toch beide ramen ’n +eindje opengezet en de wind deed de groene overgordijnen zachtjes +bewegen. Uit zuinigheid, zonder nog eenig idee te hebben, wát +alles kostte, hadden ze geen licht aangestoken, omdat je in ’t +donker evengoed uitrusten kon, en, dicht bij elkaar, maar, ofschoon +nichtjes, vreemd voor elkaars gedachten, doorleefden ze ieder-voor-zich +den voorbijen dag, den eersten van hun nieuwe zelfstandige leven.</p> + +<p>Voor Else, die veel gereisd had en veel uit was geweest—eenig +dochtertje van rijke, in-weelde-levende ouders—had de nieuwe +omgeving meer iets grappigs om de burgerlijkheid van deze huurkamer, +dan dat ze zich hevig door de verandering voelde geschokt. Besloten om +te studeeren, omdat ’t haar wel ’n aardig leventje leek en +ze ’n helder hoofd had, wetend, dat ze ophouden kon, zoodra +’t haar niet beviel, voelde ze zich in het oude huis, als in +’n vreemd pension, waar ze eerst even moest wennen, dacht <span +class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3">3</a>]</span>verder gewoon +door aan haar leventje in Den Haag, waar ze zich zoo dichtbij wist, +waar ze bij bleef behooren, al was ze volgens ’t verhuisbiljet nu +ook inwoonster van Leiden geworden.</p> + +<p>Voor Go was ’t alles zoo anders, zooveel ingrijpender in haar +leven. Zij was de oudste van ’n groot gezin, waarvan ieder +zich-zelf ’n weg zou moeten banen, en de jaren op ’t +gymnasium had ze gewerkt en geleerd om toch eenmaal hiér te +kunnen komen. Daarvan had ze alles en alles verwacht, en ’t had +haar vaak zóó heerlijk geschenen, dat ze dacht, ’t +wel nooit te zullen bereiken: heelemaal vrij zijn, jong onder jongen, +studeerend onder studeerenden, die allemaal ’t zelfde wilden, +’t zelfde zochten; en dan: àlle bronnen van geleerdheid +voor haar open; college-kunnen-loopen, bij wie ze maar wilde, +àlles, wat haar interesseerde, kunnen volgen.</p> + +<p>Toen was ze geslaagd voor haar eindexamen, en ’n zonnigen +ochtend naar Den Haag gespoord; daar waren Oom en Tante en Else in de +coupé gekomen en met hun vieren waren ze naar Leiden getrokken +om “kamers te zien”. Oom en Tante vonden goed, dat Else, +die wel wat àl te verwend was, met Go zou samenwonen, omdat deze +zooveel minder behoeften kende, terwijl ze er op aandrongen beiden +hetzelfde zakgeld te mogen geven.</p> + +<p>Maar Go was zéker geweest, dat er in heel Leiden geen kamers +voor hen te krijgen zouden zijn, en toen eindelijk ’n geschikt +verblijf gevonden en alles afgesproken was, dacht ze nog: “Maar +er komt natuurlijk wat tusschen, het kàn niet, het kàn +niet, ’t zou te heerlijk zijn.”</p> + +<p>Tot ze dien ochtend wakker was geworden, <span class="pagenum">[<a +id="pb4" href="#pb4">4</a>]</span>en op eens rechtop in bed had gezeten +en geweten had: dat ’t zoo wàs.</p> + +<p>Toen had ze zich nerveus-vlug aangekleed, in ’t koele, vreemde +licht, plots niet blij meer, maar báng voor de vervulling van +haar hevig wenschen. En beneden was alles ook ongewoon en plechtig +geweest: de kinderen waren al binnen en stiller en liever dan +gewoonlijk. Vader had er zoo ernstig uitgezien, of hij haar nog veel +goeie raad wilde meegeven, maar hij had niets gezegd; en moeder liep al +maar heen en weer om allerlei kleinigheden nog in haar handkoffertje te +pakken: “Kijk, Go, je overschoenen—en hier ’n pak +chocolaad, ook voor Elsi—en je staalpillen; vergeet vooral niet +ze in te nemen, kind”,—Marietje had boterhammen gesneden; +die werd nu de oudste; zij was de eerste, die de wereld in-ging.</p> + +<p>En al zei ze zich telkens, dat ’t onzin was, al die +plechtigheid en droefheid; en al noemde ze zich zelf de dwaaste van +allen, toen ze, wild-snikkend, haar zakdoek tusschen de tanden geklemd, +in den lichten ochtend naar ’t station liep, telkens weer opnieuw +uitbarstend, als ze zich ’t bleek-vertrokken moedergezicht +voorstelde, dat toch flink kijken wilde, de bevende lippen, de oogen, +die lachten en vol tranen liepen—m’n hemel, ze kwam toch +Vrijdag weer thuis; wat was nou ’n afscheid van vijf +dagen—tóch voelde ze: dit was het uitgaan uit ’t +ouderlijk huis, ’n periode lag achter haar, afgesloten, waarin ze +veel liefs en vertrouwelijks liet. Moeder en Vader en de kinderen +bleven bij elkaar: het gezin; zij begon ’t nieuwe, onbekende +leven, alleen.</p> + +<p>En dát gevoel—dat de komende jaren over <span class= +"pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span>haar heele toekomst +beslissen zouden, dat haar “leven” in de kleine, onbekende +stad zou worden gemáákt,—had ze weer en sterker +gehad, toen Else en zij samen uit ’t station waren gekomen, en +even stil waren blijven staan, koffer-beladen, om te kijken, naar wat +haar nog heelemaal vreemd was. Dat oogenblik stond in haar hoofd +gebrand, als iets, dat nooit vergeten kán worden: “hier +wacht me het groote geluk of ’t groote verdriet.”</p> + +<p>Toen waren ze, onzeker van den weg, hier en daar kamers herkennende, +die ze hadden “gezien”, naar hun eigen tehuis gesjouwd, +waar de groote koffers met kleeren en kamer-versieringen, de meeste van +Else, hun al te wachten stonden; en den heelen dag hadden ze niets +gedaan dan bukken, lichten, heen en weer loopen van kamer tot kamer, +telkens zich weer vergissend met de deur, struikelend over de ongelijke +traptreden. Nu konden ze niet meer, óp van inspanning en emotie, +en in de steeds meer donkerende kamer, waarin ’n lantaarn wat +lichtglans wierp, zaten ze zonder bewegen.</p> + +<p>“Zeg”, zei Else eindelijk droomerig, met ’n langen +zucht, “ben je wakker, Go?”</p> + +<p>“Ja, en ook wel ’n beetje uitgerust.”</p> + +<p>“Weet je, waar ik zoo aan lig te denken? Wat die laatste +student, die hier gewoond heeft, voor ’h man zou zijn +geweest.”</p> + +<p>“De juffrouw zei: ’n volmaakte, keurige, knappe, aardige +meneer.—Maar dat zijn alle meneeren in de oogen van hun +juffrouwen. Pa zegt: “de “meneer” is ’t ideaal +van z’n ploerterij.” Bovendien weet je, dat hij bretels +droeg, en wit-beenen overhemdknoopjes.”</p> + +<p>Else lachte, en zette zich een beetje rechtop: <span class= +"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span>“Hoe mal +eigenlijk, dat de juffrouw al dien tijd nooit in de waschtafella +gekeken heeft, wie weet, wat we nog meer van onzen voorganger vinden, +behalve die toiletartikelen, vanmiddag.”</p> + +<p>Ze zwegen even: toen zei ze langzaam:</p> + +<p>“Ik vind ’t zoo’n vreemd idee, hè, al die +jongens, die hier al hebben gewoond en geleefd.... ze verhuren wel al +vijf-en-twintig jaar, zei de juffrouw, éérst ’r +moeder, nu zij.”</p> + +<p>“Ja, en de eene “meneer” is nu dominee, en de +ander gesjeesd, en nog ’n ander misschien minister.... +en....”</p> + +<p>“En wij, over een jaar of acht?” peinsde Else; maar Go +wilde ontvluchten ’t angstgevoel voor ’t onbekende; +fantaseerde door: “ze hebben allemaal aan dezelfde tafel gezeten, +dezelfde stoelen gebruikt; op die canapé gelegen....”</p> + +<p>“Veel smaak hadden ze dan niet, als ze zoo’n omgeving +verdragen konden.... We zijn nu veel te moe van ’t uitpakken, +maar morgen moeten we hier ’s grondige opruiming houden, +hoor!” en om te beginnen trok Else de anti-makassers van de +canapé, spreidde ze met komische voorzichtigheid over haar +knieën: “In de eerste plaats deze kunstwerken.”</p> + +<p>“Maar zou de juffrouw daar niet boos over zijn?” +Go’s respect voor de hospita was zóó onbegrensd, +dat iedere opdracht in haar mond tot ’n smeekbede werd, en ze +niets zoozeer vreesde, als háár te mishagen.</p> + +<p>“Maar Go, ’t zijn toch ónze kamers. Bovendien +verslijten haar bullen dan niet, kan ze alles weer als nieuw ophangen +voor onzen opvolger. We zullen morgen heel wat moeten koopen om de +kamers wat dragelijk te maken.—<span class="pagenum">[<a id="pb7" +href="#pb7">7</a>]</span>Gelukkig heeft vader ons carte blanche +gegeven.”</p> + +<p>Ja, maar je moet niet overdrijven, Elsi. Ik vind ’t niet +prettig in zoo’n weelde te zitten, als ze thuis +eigenlijk....”</p> + +<p>“Egoïst,” hield Else zich boos. “Of ik +’t prettig vind in ’n schunnig boeltje te zitten, komt er +niet op aan, hè?”</p> + +<p>Go voelde haar oogen warm worden, toen ze opstond; ze ging aan +’t voeteneinde van de canapé zitten, legde haar hand over +Else’s handen: “Wat kennen we elkaar eigenlijk nog weinig, +hè! En nu zijn we opeens samen ’n huishouden. Ik hoop zoo, +dat ’t goed gaan zal; ik zal m’n best doen.”</p> + +<p>Else hield niet van scènes, was ’t ook niet gewoon. Dat +je uiterlijk nooit moet laten blijken, wat je innerlijk voelt, had ze +van klein kind af, veel onder vreemden, geleerd. Ze maakte haar handen +zachtjes los en stond op: “’t Zal wel wennen,” zei ze +eenvoudig, “de eerste dagen is alles vreemd. Kom, laten we +’t licht opsteken en de gordijnen dicht doen.”</p> + +<p>“Ja, ik wou nog naar huis schrijven,” zei Go week en ze +keek naar haar schrijftafel waar—’t eenige hoekje, dat al +in orde was—de portretten van vader en moeder en al de broertjes +en zusjes stonden.</p> + +<p>“Ik ook, en dan gaan we slapen,” besloot Else. <span +class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e202" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk II.</h2> + +<p>Dien dag onder ’t eten hadden ze bijna geen oogenblik rust +gehad: den heelen ochtend en middag hadden ze inkoopen gedaan, vooral +voor Go’s kamer; want toen Else al haar rijkdommen had +uitgestald, stak de andere kamer daar treurig bij af, en dat kon Else +niet hebben. Overal hadden ze toen rondgezocht om heel veel moois bij +elkaar te krijgen: kussens voor de canapé, ’n tafelkleed, +’n theetafel, sarongs, ’n kachelscherm, stijlvolle +stoelen—en telkens bij ’t uitgaan van den winkel had Else +gezegd: “Stuurt u er dan mee—om ’n uur of vijf; dan +zijn we thuis; mèt de kwitantie.”</p> + +<p>Nu leek ’t ’n lawine, en de juffrouw had er even over +gedacht om boos te worden over “dat eeuwige gebel.” Maar +juist had Else toen háár raad bij ’t kiezen van +’n klokje ingeroepen, en—gevleid—was ze toen mee +vroolijk gaan doen, zette telkens ’n gezicht, of ’t +háár geschenk was, wanneer ze weer iets binnenbracht met +grapjes van: “Gunst, ’t lijkt heusch wel +Sinterklaas.” “Wanneer zouën ze nou’s wat voor +mijn brenge?” “Mevróuw Gerzon; dat moet zeker +ù verbeele...” <span class="pagenum">[<a id="pb9" href= +"#pb9">9</a>]</span></p> + +<p>Else had gebloosd, toen ze ’t geld neerlegde, en ’n +beetje strak gezegd, strakker dan Go ooit zou kunnen of durven: +“Wilt u na ’t eten deze stoelen maar meenemen, juffrouw? U +kunt ze misschien ergens anders gebruiken. We hebben liever onze eigen +meubelen.”</p> + +<p>“Zeg,” had Go angstig gefluisterd, toen de versmade +stoelen harder, dan wel noodig was, in de gang werden neergezet, met +stooten tegen de deurposten. “Zeg, Elsi; ik geloof, dat je +’r boos hebt gemaakt.”</p> + +<p>Dat had haar even de vreugde over haar nieuwe schatten bedorven; +maar toen ’t stil was geworden in de gang—de juffrouw was +zwaar-langzaam de trap opgestommeld—en ze al ’t mooie om +haar heen had zien liggen, wachtend om opgehangen en geschikt te +worden, had ze, in ’n overstelpende blijdschap, Else opeens om +’t middel gepakt, en als dol hadden ze samen de ontredderde kamer +doorgedanst, onder zachte kreetjes van verrukking.</p> + +<p>Toen waren ze aan ’t werk getrokken, grondig en met +toewijding: “al duurt ’t tot twee uur in den nacht, we +zullen eerst alles in orde maken,” had Else gezegd; en die stond +nu op de schrijftafel, die met veel moeite naar den schoorsteen +gesjouwd was, sarongs om den ouden spiegel te drapeeren, terwijl Go op +den grond zat, omringd door ’n muur van laden, die ze uit alle +kamers bij elkaar hadden gehaald, om ze van kastepapier te +voorzien.</p> + +<p>De canapé hadden ze voor de deur geschoven, opdat ze geen +onverwachten inval van de juffrouw behoefden te vreezen en volkomen +zich aan hun werk zouden kunnen wijden. Else deed alles met <span +class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>schwung en +gratie, liep telkens ’n endje op de schrijftafel achteruit om +’t effect van ’n draperie te zien, zuchtte alleen, als ze +weer ’n spijker in ’t hout moest werken met ’t heft +van ’n mes, want ze hadden de juffrouw geen hamer durven +vragen.</p> + +<p>Go ging langzamer en <span class="corr" id="xd0e224" title="Bron: +conscientieuzer">consciëntieuzer</span> te werk; van elke la nam +ze zorgvuldig met ’n centimeter de binnenmaat, zette deze uit op +’t papier, trok dan langs een liniaal de streep, waarlangs ze +moest omvouwen.</p> + +<p>“Wat is er in ’n huishouden toch veel te doen, +hè?” zei ze peinzend. “Als je nu alleen maar +’s rekent alle laden en kasten in ’n huis van papier +voorzien, wat toch maar ’n zoo klein onderdeeltje is, dat ik er +moeder nooit over heb hooren spreken.”</p> + +<p>“Ja,” antwoordde Else verstrooid, “denk je, dat ie +zoo goed zit, zeg? Jij kunt er beter over oordeelen, van beneden +af.”</p> + +<p>“Ja, ik vind ’t prachtig. Dat zal den spiegel opknappen, +zoo’n omlijsting.”</p> + +<p>“Geef me dan die zwarte met bruin ’es aan.”</p> + +<p>Go zwierde de sarong door de lucht, die juist neerkwam over +Else’s dik, blond haar: “Hè, waarachtig, ’t +zou aardig staan, zoo’n doek over je hoofd; wat ’n kleuren +toch, hè?” bewonderde ze zich in den spiegel.</p> + +<p>Daar werd geklopt.</p> + +<p>Go, die juist ’n streep trok, liet met ’n zenuwschok +’t potlood uit haar hand vallen; Else stond als verstard, de +sarong beschermend tegen haar borst gedrukt.</p> + +<p>“De juffrouw,” bewogen Go’s lippen, zonder geluid +te geven: ze zag zich al op straat gezet; de krassen, die Else’s +hakken op de schrijftafel hadden gemaakt, dansten voor haar oogen. +<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span></p> + +<p>“Binnen,” klonk ’t toen, wanhoops-moedig.</p> + +<p>De deur werd langzaam opengewerkt, de canapé verschoof +’n endje; om den hoek kwam een lachend jongensgezicht, dat naar +den chaos op tafel, de vreemde figuur in de hoogte, de ladenpyramide +keek en toen verlegen begon: “O, excuseer, ik kom, geloof ik, +niet erg gelegen....”</p> + +<p>Maar de beschermende vestingwerken stortten met donderend geweld +ineen, Go viel met beide handen uitgestrekt over de canapé naar +den weifelaar toe en jubelde in verrukking: “O, Han, ben jij +’t? Wat ben ik vreeselijk blij! We dachten, dat ’t de +juffrouw was; kom toch binnen—hoe heerlijk—dat is Elsi, je +kent ’er toch.... moeder’s nichtje.... m’n neef +Henri.”</p> + +<p>“Niet zóó,” bracht Han in ’t midden, +en nu brák de spanning: Else wierp de sarong af, liet zich +neervallen op den schoorsteen en barstte in ’n onbedaarlijk +lachen uit; Go liep heen en weer, van den eenen kant naar den anderen, +telkens weer wat afgooiend, wat ’n nieuwe proestbui veroorzaakte, +en Han, wat vaderlijk, want hij was al vierde-jaars, keek naar de +uitgelaten, knappe, gezonde kinderen, zachtjes meelachend, en dan weer +zeggend: “Maar bedaar toch; wat is er nu eigenlijk gebeurd? Wat +voer jullie uit? Zal ik weggaan?”</p> + +<p>“Nee, nee,” schudde Go, “we zijn juist blij, dat +je er bent.... maar we schrikten zoo vreeselijk; we dachten, dat +’t de juffrouw was.... wat zou die wel gezegd hebben!”</p> + +<p>“Maar m’n hemel: de ploerterij! Wat komt dat er nou op +aan!” vroeg Han, die nog altijd de “clou” niet +begreep.</p> + +<p>“Elsi heeft krassen gemaakt in haar tafel, en <span class= +"pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span>we willen haar +boeltje er uit hebben, en alles veranderen.”</p> + +<p>“Mag ik dan misschien meehelpen?” bood Han aan, +z’n handschoenen uittrekkend. “Als u van die hoogte afkomen +wilde, juffrouw Gerzon, zou ik den spiegel kunnen drapeeren. Dat is +geen werk voor meisjeshanden.”</p> + +<p>“O, dol, ja,” zei Go, “als jij helpt, zal ’t +opschieten.... maar vin-je ’t niet vervelend? Dat je nu net +zoo’n rommel treft....”</p> + +<p>“Ik vind ’t prettig, wezenlijk,” en hij hielp Else +voorzichtig naar beneden, “dan dien ik toch nog ’s ergens +voor.”</p> + +<p>“Maar hoe kom je hier? Hoe wist je ons adres?” Go had +zich nooit zoo heel veel aan dien neef gelegen laten liggen, had +’m fattig gevonden en blasé. Nu, hier, in deze stad van +louter vreemde menschen, voelde ze ’n innige vriendschap, +’n groote dankbaarheid voor z’n hartelijkheid. Hij bracht +haar in herinnering de familieavondjes thuis, bij verjaardagen in het +ouderwetsche salon, met de piano in den hoek; hij stond in verband met +het lieve, vertrouwde leven, dat ze nu verlaten had.</p> + +<p>“Moeder schreef me, dat je vader bij hen was geweest, en je +adres had opgegeven.—Ze vroeg of ’k eens wilde gaan kijken, +hoe je ’t maakte....”</p> + +<p>“Schrijf niks van den rommel,” lachte Go, “want +dan rijzen m’n keurige moesje de haren te berge.”</p> + +<p>“Ik zal hun vertellen, hoe je kamer er uitziet, als ze in orde +is.”</p> + +<p>Go was nu klaargekomen met de laden, en zat ringetjes aan de +tochtdekens te naaien. Else schikte beukeblaren en Judaspenningen in de +vazen, legde <span class="pagenum">[<a id="pb13" href= +"#pb13">13</a>]</span>kleedjes over de kleine tafeltjes, stil-gracieus +in haar bewegingen, met ’n verhoogde kleur van opwinding. Ze +hield anders niet van de familie van Go’s vader, ’t waren +burgerlijke, stijve menschen, waar ze niet mee opschieten kon, maar +déze neef was aardig, ’n gentleman, nette manieren, +aangenaam uiterlijk; z’n stem zelfs iets geaffecteerd, maar +prettig om naar te luisteren, en hij praatte zoo makkelijk....</p> + +<p>“Toen ’k de juffrouw naar m’n nichtje vroeg, zei +ze dadelijk, dat ik maar door moest gaan.... daardoor kwam ’k zoo +binnenvallen....”</p> + +<p>“We kennen nog heelemaal niemand hier, daarom is ’t zoo +heerlijk ’n bekend gezicht,” zei Go.</p> + +<p>“Maar je hebt toch wel al college gehad.... letteren, +hè?... ja, ik ken bijna alleen juristen—maar hoe bevallen +je de menschen? En de proffen?”</p> + +<p>“Och, van de studie kan ik natuurlijk nog niets +zeggen.”</p> + +<p>“’t Eerste jaar niet,” onderbrak hij.</p> + +<p>“Maar de omgeving, de menschen vallen me vreeselijk tegen.... +Ik had me altijd voorgesteld ’n groote, hooge, witte zaal met +oploopende banken, en de professor op ’n soort preekstoel....en +dan heel veel beschaafde heeren, en ’n enkel meisje, die allemaal +zaten te luisteren....”</p> + +<p>“En luisteren ze niet?”</p> + +<p>“Ik heb ’t eerste college níet kunnen luisteren +van de teleurstelling.... daar zaten we in ’n gewone leelijke +kamer, met gebloemd behangselpapier, allemaal aan <span class="corr" +id="xd0e294" title="Bron: tafeljes">tafeltjes</span> met +stoelen....onnoemlijk veel meisjes, en wat schunnige +jongetjes....”</p> + +<p>“Ja, letteren hebben in de Kloksteeg....maar u studeert +rechten, is ’t niet juffrouw Gerzon; u bent dus in de +universiteit.” <span class="pagenum">[<a id="pb14" href= +"#pb14">14</a>]</span></p> + +<p>“Ja, en die is wel mooi.... ik vind ’t binnenkomen er +altijd prettig: zoo koel en zoo rustig.”</p> + +<p>“Ik denk, dat u wel gauw ’t buiten-komen nóg +prettiger zult vinden.... Ach ja, ’t blijft ’n school, +alleen met gróóte kinderen.”</p> + +<p>“Maar ieder studeert nu toch z’n lievelingsvak,” +wierp Go tegen. “Dat is op school heel anders; daar moeten +talen-menschen wiskunde leeren, en wiskunde-hoofden worden met talen +volgepropt. Hier kies je zelf. Nee, ik verheug er me wel +op....”</p> + +<p>“Jeugdig enthousiasme hoor,” zei Han, de schrijftafel op +z’n plaats sjouwend. Je blijft hier net zoo goed gedwongen +allerlei dingen te leeren, die je niet schelen kunnen, als vroeger.... +Kijk: ik verlang advocaat te worden, met hart en ziel.... ik vind +’t iets prachtigs. En toch zijn er colleges, die ’k graag +met tien spiegel-draperieën af zou koopen.”</p> + +<p>“Hij is beeldig,” bewonderde Else. “Nu is ’t +heusch in orde.”</p> + +<p>“Heb je ooit zoo’n pracht van ’n kamer +gezien!” riep Go, terwijl Else voorzichtig ’n paar beeldjes +en vaasjes van de juffrouw in de gang zette, meteen ’t oudste +meisje opdragend “’n ons lekkere koekjes” te +halen.</p> + +<p>“Nu krijg je voor belooning, wat thee en gezelligheid,” +praatte Go door, “je bent onze eerste gast.”</p> + +<p>En toen Else, even later, rondging met de koekjes op ’n mooi +kristallen schaaltje uitgespreid, voelde ze voor ’t eerst de +aangename emotie van het zelf-ontvangen in eigen huishouden. <span +class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e317" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk III.</h2> + +<p>“Os en ui,” constateerde Go, die de schaaltjes +geïnspecteerd had, zoodra de juffrouw de deur achter zich had +gesloten.</p> + +<p>“Maar dat kan ik niet eten, die ellendige uien, en dat vleesch +is zoo zwart en onsmakelijk, dat je al náár wordt van +’t zien: ’t is nu al de derde keer van de week, dat we dit +menu krijgen!”</p> + +<p>“Nijdas,” plaagde Go, die, thuis gewend aan eenvoudig +eten en met ’n nooit falenden, gezonden honger, onverschilliger +op dit punt was. “U moet weten: de <i>n</i> is hier anorganisch; +Duitsch <i>eidachs</i>.... heel interessant woord. Zie Franck of +m’n dictaatcahier van dezen middag.”</p> + +<p>“Hou hier je goeje humeur maar ’s bij,” bromde +Else nog, “als de kachel er niet was, waarachtig—ik zou +wanhopig worden.”</p> + +<p>De troostende kachel was ’n gezellig open haardje, dat den +vorigen Zaterdag, toen ze naar huis waren, was gezet. Else had er +dadelijk groote beuken blokken voor besteld, en nu stond ’t te +knetteren en te vlammen, dat ’t ’n lust was, alle muffe +vochtigheid uit de kamer verdrijvend.</p> + +<p>“Zou je er niet bij gaan zitten?” vroeg Go na ’n +poosje, toen Else met ’n somber gezicht ijsbeeren <span class= +"pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>bleef van den eenen +hoek van de kamer naar den anderen, telkens met afkeer ’n klein +stukje vleesch of ’n schepje aardappel-met-ui van haar bord +oppikkend.</p> + +<p>“Nee, voor zóó’n maaltijd +niet,”—en toen schuivend met ’r pantoffeltjes over +’t zeil om de kachel—“voor ’t spatten van de +vonken,” had de juffrouw gezegd—“da’s glad, +zeg, zeker gewreven.” En ze gleed er langzaam overheen.</p> + +<p>“Hé...., leuk—laat ’s voelen,” en Go +sprong op, al etende. “Lekker—laten we glijbaantje spelen, +Elsi, dan smaakt ’t eten meteen beter.”</p> + +<p>“Jij niet met je laarzen; dat maakt krassen.”</p> + +<p>“Nee, ’k zal ze uitdoen.—Zoo, jij eerst.... neem +’n aanloop.”</p> + +<p>In ’n oogenblik waren ze er “in”: hun wangen +begonnen te gloeien; lachend en jolig gleden ze dicht achter elkaar, +vielen soms bijna, balanceerden langs den kachelgloed.</p> + +<p>“Dat zeil hoeft in weken niet gewreven te worden; wij +politoeren het.”</p> + +<p>“Neem nog ’n stukje vleesch; dat vorige is al lang +verteerd bij zooveel beweging.”</p> + +<p>“Verbeeld je toch, dat iemand ons zóó eens +zag,” proestte Else ’t opeens uit, die in Den Haag altijd +’t keurigste dametje van de wereld was, en nu de neerzakkende +haren vergeefs in de hoogte trachtte te houden.</p> + +<p>“En wat zouden ze thuis zeggen,” zei Go, ’n beetje +peinzend, zich op ’t lage stoeltje neerlatend.</p> + +<p>Het verwonderde haar zelf, dat ze in ’n paar weken zich hier +al zoo heelemaal ingeleefd voelde, zoo gewoon vertrouwelijk met Else en +gewend aan hun levenswijze. Den eersten Vrijdag, dat ze naar huis was +geweest, had ’t weerzien haar ’n <span class="pagenum">[<a +id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>hevige emotie gegeven; ze had +’t gevoel gehad, weken lang weg te zijn geweest, had druk van +alles door elkaar verteld, zich vergissend met de dagen, alles dooreen +haspelend, en al maar willen weten, wat thuis gebeurd was, niet +kunnende begrijpen, dat alles z’n gewone gang bleef gaan—en +’s nachts was ze wakker geworden van moeder, die over haar heen +gebogen stond en met zachte, innige zoenen haar kuste over haar heele +gezicht...</p> + +<p>Maar dien tweeden Maandag was ’t afscheid heel rustig en veel +minder pijnlijk geweest; de nieuwe dingen, de nieuwe menschen namen +haar aandacht in beslag; alleen soms, in schemer, of ’s nachts, +als ze in de groote, donkere kamer lag...</p> + +<p>“Zeg,” zei Else, de kammen in haar haar vaststekend, +“ik heb nog honger. Wat hebben we nog in de kast?”</p> + +<p>“Kaakjes, maar die zijn oudbakken en vochtig.... en +flikjes.”</p> + +<p>“We kunnen de kaakjes wel roosteren in de kachel.... op +’n vork—en de flikjes ook.”</p> + +<p>“Maar je schroeit van de hitte.” Go hield haar servet +voor haar gezicht, de arm zoover mogelijk uitgestrekt. “Pas op, +de jouwe valt.”</p> + +<p>“’t Smaakt lekker,” keurde Else, voorzichtig +kleine hapjes nemend van de heete kaak; “een eigenaardig +smaakje.... vanille of zoo, komt er aan.”</p> + +<p>“Maar we kunnen er toch ons maal niet mee doen,” zuchtte +Go, ’n slap flikje in haar mond latend glijden. Ze zag purper van +den gloed, en de zware, zwarte krullen, die uit haar kapsel springend +over haar slapen hingen, wuifden heen en weer door de trilling van de +heete lucht. “We lijken wezenlijk wel stokers—en de +juffrouw zal <span class="pagenum">[<a id="pb18" href= +"#pb18">18</a>]</span>niet begrijpen, wat ons bezielt. ’t Is al +half zeven.”</p> + +<p>“Zeg, laten we naar Ceres gaan. ’t Is +dichtbij.”</p> + +<p>“Ceres.... nou.... maar heb-je dan nog trek in boonen of +zoo?”</p> + +<p>“Nee, ’n toespijs, ommelet of zoo iets.... Bij ons op +college zijn er meisjes, die er altijd eten; ’t moet er goed +zijn.”</p> + +<p>“Maar zou de juffrouw ’t niet gek vinden.... niets +begrijpen....”</p> + +<p>“Maar m’n hemel, de ploerterij!” praatte Else Han +na. “Kom, trek gauw je laarzen aan; ’t is niet +ver.”</p> + +<p>Even later liepen ze samen op ’t donkere grachtje; ze waren +nog nooit ’s avonds uit geweest, doorlevend als thuis, waar +meisjes dat ook niet deden. Maar dien middag, geanimeerd door ’t +uitgelaten spel, tintelend van levenslust en jeugd, proefden ze de +zoetheid van hun heelemaal-vrij-zijn; en, Go’s arm grijpend in +’n warme verrukking, zei Else opeens: “Dol toch, hè, +zoo saampjes; en te kunnen doen, wat je wilt.”</p> + +<p>Het was stil op straat, nog stiller dan gewoonlijk: de meeste +menschen waren thuis, aan den maaltijd. Onder den lichten, ster-witten +hemel stonden de kale boomen, waar nog slechts hier en daar ’n +welkend blad aan hing, onbeweeglijk met uitgestrekte takken. De huizen +waren dichte, doode dingen. Maar op ’t water, daar leefden +rillend de lantaarnschijnsels en de roode lichten der booten; daar kwam +’n donkere, puffende motorboot langzaam doorheen hijgen, +wegduikend onder ’t oude ophaalbrugje, dat tooverachtig lichtte +tegen den donkeren huizenachtergrond.</p> + +<p>“Wat mooi,” zei Go zacht, “wat ’n beeldig +oud grachtje!”</p> + +<p>Er kwam ’n jongen aan, rinkelend met z’n stok; <span +class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>’n paar +huizen van haar af bleef hij staan, begon te fluiten; ’n verlicht +raam werd opgeschoven, ’n jongensstem riep: +“Hallo!”</p> + +<p>“Laat je de sleutel neer?”</p> + +<p>“Nee, kom maar boven, de deur staat aan.”</p> + +<p>“Daar woont ’n student,” zei Else, nog ’s +even omkijkend, “’t is dicht bij ons.... dat was zeker hun +clubfluitje, hè?”</p> + +<p>“Ja; wat klonk ’t leuk!”</p> + +<p>Ze waren nu bij ’t lichte huis op de Breestraat gekomen, +gingen naar binnen, onzeker en ’n beetje verlegen. ’n +Onaangename etenslucht kwam hun in de gang al in den neus: “Hier +ook ui, hoor,” lachte Else. Maar ’t zaaltje binnen, +vriendelijk met wit tafelgoed, bloemen en eenvoudige muurversieringen +deed haar prettig aan, en ’t gedempte stemmengerucht gaf ’n +warm gevoel van intimiteit.</p> + +<p>Terwijl ze ’n tafeltje zochten, fluisterde Else opeens +blozend: “Kijk ’s; Han.”</p> + +<p>“Waar?” en Go wilde dadelijk op ’m afstappen, maar +hij zat met ’n clubje vrienden, groette vormelijk-beleefd, waarna +de anderen de hoofden tot ’m overbogen, zacht praatten, en daarna +zijdelings naar hen bleven gluren.</p> + +<p>Ze bestelden een ommelet, maar hadden eigenlijk alleen +belangstelling voor hun omgeving; overal zaten clubjes studenten te +eten, niet met gezichten, zooals ze zich op college hielden, maar +levendig en jolig, met klaterende lachbuien en doorklinkende +uitroepen.</p> + +<p>“Wat zijn jongens toch leuk en gezellig met elkaar,” +zuchtte Else, terwijl ze langzaam ’t hoofd van Han’s clubje +afwendde. “Je kunt zoo zien: ze hebben allemaal aan zich-zelf +genoeg.” <span class="pagenum">[<a id="pb20" href= +"#pb20">20</a>]</span></p> + +<p>“Nu, dat hebben wij toch óók wel; denk maar +’s aan die glijpartij.”</p> + +<p>“Ja,” peinsde Else, “zou Han hier altijd +eten?”</p> + +<p>“’k Weet niet; misschien alleen in tijden van +geldgebrek.”</p> + +<p>“’t Smaakt heel goed; we konden wel ’s meer hier +gaan, hè?” vroeg Else, ’t hoofd dieper buigend, want +eenige jongens waren opgestaan, fixeerden haar in ’t langs-gaan +met bewonderende blikken. Go zag ’t, zei eenvoudig: “Die +vinden je mooi, zeg, gaan bepaald informeeren, wie je bent,” en +merkte niet, dat uit ’t andere zaaltje algemeen de aandacht werd +gewijd aan háár sprekend, frisch gezicht, waarin de +groote grijs-blauwe oogen levenslustig straalden.</p> + +<p>“Ze gaan weg,” zei Else zachtjes, de vork neerleggend. +Maar nu kwam Han naar haar toe.</p> + +<p>“Eet u vandaag hier, dames?” vroeg hij verwonderd. +“Heeft de juffrouw u dan tòch weggejaagd?”</p> + +<p>“Nee, alleen maar op rantsoen gesteld,” lachte Else, +“we hadden nog honger, en zijn daarom nog even ’n ommelet +komen eten.”</p> + +<p>“O, dus u bent al klaar; ’n paar vrienden van me wilden +graag aan u voorgesteld worden, ook om ’n verzoek.... zoudt u dat +goed vinden?”</p> + +<p>“Uitstekend,” zei Else verward, terwijl Go ging +betalen.</p> + +<p>Even later stonden ze, allemaal ’n beetje verlegen, voor de +stoep van Ceres, in ’n clubje.</p> + +<p>“Vinden jullie goed, als we ’n endje oploopen, dan +praten we makkelijker,” zei Han, “nee, niet allemaal op +’n rijtje.” En hij ging met Else vooruit.</p> + +<p>“Heerlijk, de Breestraat bij avond,” zuchtte Go +bewonderend. “Ik heb nooit ’n straat als de Breestraat +gezien.... Dat is nu zoo iets, waar je altijd <span class="pagenum">[<a +id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span>heelemaal in ’t midden moet +loopen, met al die groote huizen aan twee kanten ver van je af.... dat +geeft zoo’n koninklijk gevoel.”</p> + +<p>De blonde jongen naast haar—Leeden geloofde ze, dat Han +zei—lachte met ’n kort, nerveus lachje. Hij had ’n +forsche, hooge gestalte, en ’n stoere, rustige Germanekop, zooals +ze zich altijd Ferdinand Huyck had voorgesteld; z’n oogen waren +vriendelijk en open, al meende ze nu ook: “wat ’n echt +kind” er in te lezen.</p> + +<p>“Het stadhuis is heel mooi, ’s avonds,” zei hij +met z’n scherpe stem.</p> + +<p>“Het stadhuis, o, dat is heerlijk, en het carillon! Maar +één ding heeft me vreeselijk teleurgesteld. U moet weten, +Han had heel vroeger, toen hij pas hier was, me eens verteld, dat hier +’n torenwachter was, die ’s nachts om twaalf uur naar alle +windhoeken op z’n hoorn blies; daar had ik me wonderen van +voorgesteld.... Ik was toen pas op ’t gymnasium, maar altijd als +ik aan Leiden dacht, kwam die torenwachter er bij.... ik vond ’t +zoo sprookjesachtig.... en ik was vast van plan één van +de eerste nachten hier om twaalf uur op de Breestraat te gaan staan, om +’t te hooren.... En nu, toen ik hier kwam, hoorde ik, dat hij er +niet meer was....”</p> + +<p>Aan haar anderen kant liepen ’n slanke, veerkrachtige jongen, +dien de blonde: Elders noemde, en ’n smalle, zwak-uitziende +droomer-figuur, die met z’n melancolieke oogen door z’n +lorgnet haar, terwijl ze sprak, dwepend fixeerde.</p> + +<p>“Dat idealisme zal hier wel gauw vertrapt worden,” +mompelde hij voor zich heen; waarna Elders, zonder zich aan zijn +woorden te storen, levendig inviel: <span class="pagenum">[<a id="pb22" +href="#pb22">22</a>]</span></p> + +<p>“Maar laten we nu tot ons eigenlijk doel komen en juffrouw +Herderts vragen, wat ze van ons plan denkt. We zijn namelijk allen lid, +Han is zelfs praeses van ’n letterkundige club: “Laborando +vincimus.”</p> + +<p>“Het is geen faculteitsvereeniging,” vulde Leeden aan, +“maar we trachten de superieure elementen uit alle faculteiten +bij elkaar te brengen...”</p> + +<p>“Anders dan genieën worden er niet geduld,” +verzekerde Elders.</p> + +<p>“Vooral ook, omdat de verschillende studierichtingen de +zekerste waarborg zijn tegen eenzijdigheid,” ging de scherpe stem +onverstoorbaar voort. “Er ontbreekt in onze vereeniging maar +één ding.”</p> + +<p>“Een gróót ding,” zei de droomer.</p> + +<p>Go keek met haar groote oogen ze een voor een angstig aan; ze voelde +’t komen en was bang en gevleid.</p> + +<p>“We hebben geen meisjes.”</p> + +<p>“Ons ontbreekt de vrouw.”</p> + +<p>“Na elke vergadering moet de ploerterij ’n nieuw +tafelkleed geven, zóó is er met bier en thee +gemorst,” spotte Elders, maar Leeden schudde afkeurend ’t +hoofd. “Daarom is ’t niet,” zei hij eenvoudig. +“’t Is, omdat ’t dwaas en verkeerd is, zoo’n +vereeniging alleen onder jongens te houden; omdat voor ons zeker, en we +hopen ook voor de meisjes, ’t veel beter en prettiger zijn zou, +wanneer we samen leerden werken.”</p> + +<p>“Col-laboratie,” vulde de in-zich-tevreden Elders +aan.</p> + +<p>“Eén meisje, dat Hoefman kende,”—de +dichterlijke droomer keek trotsch maar bescheiden—“heeft +’t lidmaatschap van ons dispuut willen aannemen; <span class= +"pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>maar ik geloof +zeker; ze vindt ’t niet prettig alleen te zijn, met acht +jongens.... Nu heeft Herderts ons van u beiden verteld en wagen we u te +vragen, of ’t u aangenaam zou zijn, als we u eens te hospiteeren +vroegen, opdat we wederzijds beter kennis kunnen maken.”</p> + +<p>“Sprekend ’n huwelijksadvertentie,” bromde +’t weer aan den anderen kant.</p> + +<p>“En...” hij zweeg, keek Go even afwachtend aan: haar +wangen waren blozend van opwinding en verlegenheid, en hakkelend begon +ze:</p> + +<p>“Ik begrijp niet, hoe u op ’t idee van ons komt.... van +Else wil ’k niets zeggen, maar ik heb heelemaal niets, geen +talenten of zoo, en geen meeningen, en ik weet nergens iets van; u zou +wezenlijk niets met me kunnen beginnen.”</p> + +<p>“U hebt vizie,” zei de droomer met ’n plechtige +stem; waarop ze niets terugzeggen durfde.</p> + +<p>Maar Leeden lachte en trachtte te kalmeeren: “U stelt ’t +u allemaal veel te erg voor. Natuurlijk streven we er ernstig naar, om +iets te praesteeren, maar gewoonlijk komt er toch nog maar zoo weinig +van terecht. En u denkt nu, dat u niets te zeggen zult hebben, maar u +weet niet, hoe gauw dat oefent. En trouwens wij allemaal....”</p> + +<p>“Komen toch ook nog maar pas kijken.”</p> + +<p>“Jij tenminste, Hans,” viel Leeden licht-geërgerd +uit. “U moet ook denken: hospiteeren is niet iets bindends; we +kunnen kijken, hoe ’t gaat. Maar zeg dan, of u dat tenminste wilt +probeeren.”</p> + +<p>“Ja graag, als Elsi ook wil,” zei Go dapper.</p> + +<p>“Daar zal Herderts wel voor zorgen. U krijgt dan nog ’n +convocatie, wanneer de eerstvolgende vergadering is.”</p> + +<hr class="tb"> +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span></p> + +<p>’n Half uurtje later kwamen ze stralend en opgewonden thuis. +Else bleef in de gang haar handen wasschen, terwijl Go de deur van haar +kamer openstootte. Het was er pik-donker. Ze waren met den sleutel +binnengekomen, de juffrouw had ze niet gehoord, er was niemand, die +verwelkomde, of helpen wilde. Ze was ’s avonds nog nooit +uitgeweest, had heelemaal nog niet aan zoo’n thuiskomst gedacht. +Tastend zocht ze op den schoorsteen naar lucifers, toen over de +tafel—ze stootte tegen de pan met melk, die de juffrouw op +’n bord al voor haar neer had gezet: ’n plomp, gevoelloos +ding.</p> + +<p>En opeens, in de hooge zenuwspanning van haar opwinding, zag ze, hoe +’t thuis altijd ’s avonds was, wanneer ze uit was geweest: +de lichte gang, de lichte kamer, en moeder met ’t naaiwerk, die +’r zoende, en vroeg, of ’t prettig was geweest.</p> + +<p>En neerbonzend met haar hoofd op de tafel, barstte ze in een wild +snikken uit.</p> + +<p>Zoo vond Else haar, die glunder kwam vertellen, dat Han en zij +elkaar al bij den naam noemden. <span class="pagenum">[<a id="pb25" +href="#pb25">25</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e508" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk IV.</h2> + +<p>Het was op de eerste groote vergadering van de +vrouwelijke-studenten-vereeniging, in de pauze. Ze hadden allemaal in +’n grooten kring zitten luisteren naar de lezing over “De +kinderwetten,” de meesten in schommelstoeltjes, anderen op den +grond, gestut door hun knieën; maar nadat ’t groote, blonde +meisje met ’t rustig-verstandige gezicht ook de debatteerenden +nog even kort maar overtuigend had geantwoord, had de opgewekte praeses +de vergadering geschorst: “om limonade te schenken, en nader +kennis te maken,” en met vroolijk geraas van opgelucht-zijn, +omdat de ernst van ’n “vergadering” toch altijd iets +drukkends had, waren alle lichte figuren opgestaan, op elkaar +toegeloopen, dooreen gedwarreld, het statige bestuur had z’n +plaats achter de groene tafel verlaten en zich onder ’t +“vulgus profanum” gemengd, er werd gelachen, geplaagd, +ijverige huismoedertjes gingen rond met de limonade en de taartjes die +op het biljart klaar stonden “ter eere van de hospitanten,” +terwijl nu en dan één achter ’t scherm, dat de +lekkernij-voorraad verborg, omwipte, om er ééntje te +snoepen, waarbij ze meestal in flagranti werd betrapt en luidruchtig +gehoond. <span class="pagenum">[<a id="pb26" href= +"#pb26">26</a>]</span></p> + +<p>De zaal had een kleurig, levendig aanzien, met al die vroolijke, +licht-gekleede jeugd. Zelf sober en rustig met donker-effen behangsel, +waarop foto’s van klassieke beelden, een eenvoudig, smaakvol +meubilair en warm-tintige rustbanken in de hoeken—werd door niets +het harmonisch lijn- en kleurenbeweeg van de onbezorgd-vroolijke, in +’t oogenblik levende jonge vrouwen gestoord. En Go, die, ’n +beetje achteraf, tegen den muur leunde, en stil toekeek, hoe geanimeerd +de gesprekken waren, hoe levendig en uitdrukkingsvol de meeste frissche +gezichten, moest onwillekeurig glimlachen, als ze dacht, hoe de +menschen vaak “meisjesstudenten” nog beschouwden—als +leelijke, onvrouwelijke, bleeke stumperts—terwijl ze hen hier +zag, elegant en bloeiend als weelde-artikel-meisjes, maar met een +bezieling en overtuiging in haar stemmen en oogen, die ze maakte tot +bewuste vol-menschen.</p> + +<p>Aan den overkant van de zaal stond Else met ’n clubje +rechten-collega’s,meest Haagsche meisjes, met de gemakkelijke +manieren en van-zelf-glijdende conversatie, van die veel uitgaan.</p> + +<p>Go voelde zich daaronder wel een beetje beklemd; zij had altijd te +veel in haar groote familie geleefd, te zeer waren haar bezoeken tot +ooms en tantes beperkt gebleven, om zich tegenover vreemden, die niet +van thuis, en niet van familie-omstandigheden wisten, vrij en open te +voelen.</p> + +<p>Eerst toen ze ’n meisje van college ook alleen zag staan, ging +ze er schuchter naar toe, stak haar hand uit. “Je heet Lize +hè.... Lize Schermer?”</p> + +<p>“Ja,” zei de ander, verbaasd en niet te vriendelijk. Ze +had een bizonder leelijk, melancoliek gezicht: met haar +breed-vooruitspringenden mond, wijkenden neus en diepliggende, donkere +oogen, <span class="pagenum">[<a id="pb27" href= +"#pb27">27</a>]</span>deed ze denken aan een aap, en het berustende +heimweh, dat uit haar heele verschijning sprak, was hetzelfde, dat de +uit ’t zonnige zuiden naar dit koude land overgeplaatste dieren +zoo roerend maakt.</p> + +<p>“Maar jij bent hier toch niet voor ’t eerst,” +praatte Go door, “je bent toch al tweede jaars.”</p> + +<p>“Ik ben er voor ’t laatst; ’k ga er +uit.”</p> + +<p>“Hé, vin-je ’t hier dan niet prettig? Ik krijg +zoo’n mooien indruk vanavond, en ’t is toch +goed....”</p> + +<p>“Ik heb geen tijd om er altijd naar toe te gaan, en dan kan ik +m’n geld wel beter gebruiken.... Ik studeer niet voor de +aardigheid. Ik moet later voor mezelf zorgen.”</p> + +<p>“Ik ook,” zei Go eenvoudig. “Maar je kunt toch +niet altijd werken, zonder ophouden, en dan lijkt dit me juist +zoo’n uitstekende ontspanning: ontwikkelend, +gezellig....”</p> + +<p>“Nou, zet gezellig maar voorop. Ontwikkeling zul-je hier niet +veel halen. De meeste meisjes studeeren zoo weinig ernstig. ’t Is +maar ’n pretje, ’n afleiding. Vroeger maakten ze +handwerkjes om den tijd te dooden, en nu komen ze studeeren, omdat dat +toch wel zoo vermakelijk is.”</p> + +<p>“Maar de meesten doen ’t toch wezenlijk uit overtuiging, +roeping!” Go had een kleur gekregen, en voelde zich +pijnlijk-opgewonden worden onder de afbrekende woorden van het sombere +vrouwtje.</p> + +<p>“Roeping! Maar m’n hemel, wie doet dáár +tegenwoordig nog aan! Denk je wezenlijk, dat één van de +meisjes, die je hier ziet, alleen uit roeping haar vak gekozen heeft, +en iedere levensverandering zou afwijzen, omdat haar studie haar boven +alles gaat.... Maar dat is trouwens bij <span class="pagenum">[<a id= +"pb28" href="#pb28">28</a>]</span>mannen meestal ’t zelfde; +alleen die drijft tenminste de noodzakelijkheid, ’t heilige +moeten, dat de menschen tot heel wat hoogs en groots brengen kan. Maar +nu ook díe prikkel ontbreekt bij bijna alle +vrouwen....”</p> + +<p>Op het hamergeklop van de praeses was Go naar haar plaats geloopen; +er zou nog ’n stelling verdedigd worden, met gelegenheid tot +debatteeren.</p> + +<p>Maar telkens moest ze het verdere gedeelte van den avond even +’t hoofd wenden naar den hoek, waar Lize Schermer zat, den +bitteren trek om de hard-gesloten lippen, het heimweh in haar oogen +naar ’n zonniger land.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Om half elf, nadat ze de glazen en kopjes ’n beetje opgeruimd +hadden, gingen ze in clubjes naar huis. Go was nog even naar Lize +toegegaan, om, in ’n warm meelijden, te vragen, of ze denzelfden +kant uit moest, maar ze had kort geantwoord, dat ze heelemaal buiten +woonde, was toen in ’n donkere regenmantel met verkleurende +strepen, weggegleden als ’n schim.</p> + +<p>Toen waren Else en zij met vier ouderejaars de stille stad +doorgetrokken. Ze zouden eerst een meisje wegbrengen, dat op ’t +Noordeinde woonde, en liepen nu het plechtig-zwijgende Rapenburg langs. +De hooge huizen stonden onbeweeglijk en ook het water kabbelde niet. +Het was, of alles in ’n oogenblik van volmaaktheid was verstard, +en vanzelf temperden ze hun overmoedig-luide voetstappen.</p> + +<p>“Jullie worden toch allebei lid van de club zeker?” +vroeg één der oudere meisjes.</p> + +<p>“Ja, ik geloof, dat het er prettig is, ’n hartelijke +geest heerscht er, en alles is aardig ingericht....” <span class= +"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span></p> + +<p>“Ik vind,” zei ’n andere oudere weer, “dat +je dán eerst er over oordeelen kunt, wat ons studentenleven is, +als je ons clubleven hebt meegemaakt. Als je je terugtrekt, alleen +college loopt, is je leven niet zoo heel verschillend van dat van +onderwijzeressen of zoo. ’t Is juist ons samenleven, ons +vereenigings-leven, dat van ’t gewone vrouwenbestaan afwijkt. We +staan in verbinding met de zustervereenigingen aan andere +universiteiten, we zenden afgevaardigden, als er feest is.... en alles +onder meisjes.”</p> + +<p>“Dat vind ik nu juist jammer,” kwam Go opeens, met haar +heldere, besliste stem. Ze had den heelen avond bijna niets gezegd, ook +nu onder weg niet, en alle hoofden bogen verwonderd en belangstellend +naar haar kant, nu ze, zonder eerst in lichtere gesprekken zich +’n beetje te hebben doen kennen, opeens met ’n overtuiging +kwam. “Ik meen, dat we zoo heelemaal niets met ’t corps te +maken hebben, dat we twee gescheiden vereenigingen zijn.... Ik had +gedacht....”</p> + +<p>“Op de kroeg wordt geen enkele vrouw toegelaten,” viel +Mary Bruining, ’n ernstig, donker meisje, in, “en ik +geloof, dat ze gelijk hebben en dat de maatregel meer is genomen uit +angst voor de ongebondenheid der heeren—, dan uit afkeer voor de +dames-studenten. Omdat voor ons dergelijke bezwaren niet bestonden, +hebben we introductie voor jongens mogelijk, ofschoon niet makkelijk +gemaakt. De studenten zijn voorloopig niet zóó, dat we +van houding veranderen kunnen.”</p> + +<p>“Maar komt ’t een niet door ’t ander?” riep +Go levendig, en haar kinderlijk-geëmotioneerde stem stak sterk af +bij de rustige zekerheid van <span class="pagenum">[<a id="pb30" href= +"#pb30">30</a>]</span>haar bestrijdster. “Was ’t niet onze +plicht méér voor de jongens te zijn, en zou dan niet +vanzelf alles anders worden? Nu ik zelf op kamers woon—en ik heb +toch nog altijd Else—begrijp ik ’t pas, hoe vreeselijk +’t voor jongens, die altijd thuis zijn geweest, moet wezen, hier +opeens in eenzaamheid op een ongezellige kamer te land te komen, hoe ze +’t er niet uit kunnen houden, en naar de kroeg of naar vrienden +moeten loopen,—en dan weer niet naar huis willen, omdat ze weten, +dat ’t er koud en donker zal zijn....” En rillend dacht ze +even aan haar eigen thuiskomst laatst, toen ze de lucifers niet had +kunnen vinden, en er niemand was om haar te helpen.</p> + +<p>“Ik geloof, dat je overdrijft,” zei Mary rustig. +“Zooals je daar ’t kamer-leven van jongens voorstelt, zoo +voel jij ’t, en zoo zullen meer meisjes ’t voelen, omdat +’n meisje veel meer aan haar huis, haar familie en de +gezelligheid is gehecht. De jongens, die hier hun corps, hun clubs, hun +vrienden hebben, genieten meer van hun vrijheid, dan dat ze over +eenzaamheid klagen. Vind-je, dat ’n student gewoonlijk ’t +meelijden opwekt? Zie je hem niet veel meer als één op +’t hoogtepunt van z’n kracht, z’n verwachtingen, +z’n levensvreugde? Maar àls er nu inderdaad eens jongens +waren, die er onder leden, wat zouden we dan nóg +kunnen?”</p> + +<p>“Onze vrouwelijkheid, onze zachtheid in hun leven brengen. Dat +ontbreekt hun ’t meest, en dat kunnen wij, die bovendien hun +collega’s zijn, hun ’t beste geven. Dat is toch geen +co-educatie, die zich beperkt tot ’t in dezelfde zaal college +loopen, dezelfde studie volgen. Ik had me alles zoo anders, zooveel +hartelijker voorgesteld, en <span class="pagenum">[<a id="pb31" href= +"#pb31">31</a>]</span>’t zou voor ons allemaal zoo goed zijn. +Alle meisjes vinden toch niets heerlijker dan gezelligheid te kunnen +geven, en zooveel meisjes zijn eenzaam, en voor de jongens.... we +zouden elkaar aanvullen.”</p> + +<p>“Ik geloof dat hier weer één van de moderne +dwaalbegrippen bestreden moet worden,” oreerde nu ’n klein, +in haar mantel gedoken wezentje, met de scherp-geaccentueerde stem van +iemand, die gewend is te betoogen: “nl. dat veel menschen de +co-educatie zóó op de spits willen drijven, dat ’n +meisje alleen nog maar vrienden, ’n jongen alleen vriendinnen +hebben wil, dit ultra-modern principe grondend op ’n +lang-overwonnen meening: dat de eigenschappen van man en vrouw elkaar +aanvullen. Er is al meermalen met klem betoogd, dat specifiek +vrouwelijke of mannelijke eigenschappen, eigenschappen uit kracht van +hun geslacht, maar fictie zijn, tenminste in ’t gewone leven. Dat +die volkomen ’t gevolg zijn van individueele aanleg, herediteit, +omgeving, enz. Daar meisjes, die komen studeeren, gewoonlijk boven de +middelmaat staan, zullen er zeer uiteenloopende, sterksprekende +karakters onder zijn. Die brengt de club bij elkaar. Ieder kan zoeken, +bij wie ze zich aansluiten wil; welke eigenschappen elkaar +aanvullen.... Wat de jongens betreft, die hebben eveneens hun +corps.”</p> + +<p>“Waar ze níet vinden, wat ze noodig hebben,” +verweet Go. “Ik weet ’t zeker. Misschien hebben wij ze niet +noodig; zij ons wel.”</p> + +<p>“Dat zijn idealen, droomen, waarmee menig eerste-jaartje hier +al aangekomen is. Dat slijt wel mettertijd, omdat je gauw staat voor de +onmogelijkheid. De jongens moeten hun eigen weg vinden, <span class= +"pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>net als wij. We zijn +niet in de jaren elkaar tot rustigen steun te kunnen zijn.”</p> + +<p>Ze waren nu juist bij de kroeg, waar ’t licht door de +neergelaten gordijnen siepelde. ’n Paar jongens liepen pratend de +hardsteenen stoep op, en onwillekeurig volgde Go ze met verlangende +oogen en dacht: “Als ik nu ’s ze na ging, naar binnen, en +aan allemaal m’n evangelie van verbroedering +verkondigde?”</p> + +<p>Mary had den blik uit de groote, open oogen gezien. Ze was niet +gerust over dat vertrouwende, gevoelige kind.</p> + +<p>“Kom ’s bij me praten,” zei ze hartelijk bij +’t afscheid, “ik zou ’t prettig vinden, als we elkaar +beter leerden kennen.”</p> + +<p>En Go beloofde ’t: “Ja graag, want ik ben hier nog zoo +alleen.” <span class="pagenum">[<a id="pb33" href= +"#pb33">33</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e592" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk V.</h2> + +<p>Go liep met groote, krachtige stappen over het Rapenburg, hield +’t hoofd ’n beetje achterover, dat de zon in haar blij-open +oogen scheen, en lachte telkens eventjes van prettig herdenken. Het was +’n heerlijk bezoek geweest. En ze had er juist zoo tegenop +gezien. Naar de andere professoren waren ze met hun drieën gegaan, +Lou, Coba en zij, alle drie eerste-jaars. En dan was ’t vooruit +meer grappig dan angstig geweest: ze hadden onder elkaar afgesproken, +wat ieder zeggen zou, en in welke volgorde, en wie ’t sein tot +opstaan zou geven, en dan na de visite hadden ze nog meer plezier +gehad, omdat bijna niets van de voorgenomen officiëele conversatie +was gekomen, en ze zóó genoeglijk en vertrouwelijk met +den professor hadden zitten praten, dat ze slechts met moeite hadden +kunnen weg komen.</p> + +<p>Maar naar professor De Ruiter had Go dadelijk besloten alleen te +gaan; ze vond ’t wel heel griezelig en gewaagd, en had vooruit +geen zinnetje kunnen bedenken, dat ze tegen zoo’n geleerden man +zou durven zeggen, maar op de colleges had hij haar zóó +bizonder sympathiek geleken, dat ze toch deze gelegenheid ’m +alleen te spreken niet <span class="pagenum">[<a id="pb34" href= +"#pb34">34</a>]</span>ongebruikt had willen laten, en met bevende hand +aan het groote, ouderwetsche huis had aangescheld.</p> + +<p>Door plechtig-stille gangen, langs ’n gebeeldhouwde trap, was +ze door de zwijgende dienstbode tot de deur van professor’s kamer +geleid—ze had even met haar heele ziel gewenscht, dat ze dit +ongelukkige bezoek nóóit had ondernomen—maar, +nauwelijks binnen, was al haar angst geweken voor ’n heerlijk +gevoel van harmonie: de kamer was groot en rustig; drie wanden bedekt +met boeken-planken tot aan de zoldering; in de vierde groote hooge +ramen, die uitzagen op den tuin.</p> + +<p>Bij een dier ramen stond de magere, gebogen mannefiguur; het licht +viel op z’n zachte, witte haar en z’n door werken gekromden +rug; op ’n standaard vóór hem lag ’n dik boek +met vreemde letters; daar was z’n smal gezicht in weggedoken, +’n trek van verlangenden speurzin om z’n saamgetrokken +mond; toen hij de deur hoorde gaan, had hij opgekeken, en, dadelijk +zich losscheurend van z’n boeiende studie, was hij naar Go +toegekomen, had haar hand genomen,’n makkelijk stoeltje +aangeschoven bij de kachel, en was óver haar gaan zitten, de +handen tusschen de knieën, de heldere, blauwe oogen achter de +brilleglazen naar ’r toe.</p> + +<p>O, ze zou ’t nooit vergeten, zooals hij daar gezeten had, +mager, bleek; wat ’t lichaam betrof uitgeleefd en eigenlijk geen +man meer, omdat de wetenschap z’n jeugd, z’n gezondheid, +z’n kracht, àlles had opgeëischt, maar met een glans +in z’n oogen van eeuwig jong-zijn. Ze had ’t nog nooit +gezien: de passie voor de wetenschap, het weg-zijn er in. Ze had altijd +gedacht, dat het erg-vele weten hard moest maken en koud en dogmatisch. +En deze <span class="pagenum">[<a id="pb35" href= +"#pb35">35</a>]</span>man—o, aan z’n woorden hoorde je, hoe +jeugdig van geest hij was, en blijven zou door z’n groote liefde. +“Het is zoo dwaas, dat de menschen taalstudie voor iets droogs +houden; er is niets zoo romantisch; elk oogenblik kun-je wat +ontdekken,” had hij gezegd. Romantisch! ja, dat voelde ze nu ook; +en dat, op een hooger levensplan, kunst en wetenschap elkaar +ontmoetten. Eigenlijk wás De Ruiter ’n kunstenaar. Wat zou +ze niet gegeven hebben, als ze ’m op het oogenblik had kunnen +teekenen, toen hij haar een Russisch gedicht voorlas om het mooie +metrum, en ze hem juist en profil zag: het scherpe, fijne vossengezicht +vooruitgedoken; de rond-gebogen, lange rug; en de lange, witte handen, +die soms bewogen in langzaam gebaar.</p> + +<p>Hij had ’n prachtige stem; daarin trilde àl z’n +bewondering, àl z’n liefde, voor wat hij las. Hij was heen +en weer gegaan van de eene kast naar de andere, als ’n priester, +die ’n vreemdeling inwijdt in de geheimen van z’n +heiligdom; allerlei wonderlijke boeken had hij haar voorgelegd, met +voor haar onbegrijpelijke letterteekens, en telkens weer had z’n +mooie stem ’n paar regels gezegd, van klanken, die ze niet +begreep, maar die haar heftig ontroerden, zacht haar wiegend in +vreemden kadans.</p> + +<p>Klein had ze zich gevoeld, heelemaal niets, bij dien man, voor wien +Sanskrit en Russisch en Arabisch en veel meer, vertrouwde dingen waren. +En toch ook trotsch, omdat hij haar wel wat van z’n rijkdommen +had willen toonen, blij om haar belangstelling.</p> + +<p>Wat zou ze nu gaan werken! Wat was er veel, ontzettend veel te doen. +<span class="corr" id="xd0e615" title="Bron: Verbeeldje"> +Verbeeld-je</span>, dat ze niet eens Italiaansch kende. Dat was iets, +aan welks <span class="pagenum">[<a id="pb36" href= +"#pb36">36</a>]</span>mogelijkheid De Ruiter niet kon denken! En dat ze +nog wel ’s moeite had met ’n Grieksch werkwoord! O, +’t was goéd, dat ze hier was gekomen, in deze stad van +wetenschap. Hier leerde je inzien, hoe onontwikkeld, hoe arm aan kennis +je was; en hier kreeg je ook den prikkel om dat te veranderen, om je in +de boeken te storten, de wijsheid tot je te trekken. Daar was haar +kamer, haar huis: hoe zou ze daar nu werken gaan, studeeren; zich +wijden aan de “romantische” taalstudie, aan de +wetenschapskunst!</p> + +<p>“Elsi!” kwam ze binnenstuiven. Maar Han zat op de +canapé, leunde elegant met z’n arm op de kussens, en +luisterde glimlachend naar Elsi, die, met ’n blozend gezichtje, +op ’n laag stoeltje druk te beweren zat.</p> + +<p>“O,” zei Go langzaam, dadelijk voelend, dat ze stoorde: +“ben jij er Han?”</p> + +<p>“Ja, ik kwam de convocaties voor “Laborando +vincimus” maar zelf even brengen, om er nog ’s over te +praten. ’t Is Vrijdag.”</p> + +<p>“O, best,” zei Go, en ’t kon haar opeens niet meer +zooveel schelen, zóó was ze van haar bezoek vervuld.</p> + +<p>“Maar wat wou je eigenlijk zeggen: je stoof zoo in?” +vroeg Else.</p> + +<p>“Ik wou zeggen....” Go vond ’t gek in dit milieu; +die twee menschen dachten aan zoo heel andere dingen; “ik +meende.... Ruiter was zoo aardig.”</p> + +<p>Het was ’n niets-zeggend zinnetje, viel ook niet op.</p> + +<p>“Zoo. Lize is straks even hier geweest”</p> + +<p>“Wat wou ze? Heeft ze geen boodschap gegeven?” <span +class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span></p> + +<p>“Nee, ’k ging naar ’r toe.... ze zei, dat ’t +’r erg speet, dat je er niet was.... Wat is ze vreeselijk +leelijk.”</p> + +<p>“O; kan ik nog even gaan voor ’t eten.... ’t is nu +vier; ja, dat gaat wel. Je excuseert me, Han.... ze heeft misschien wat +bizonders.”</p> + +<p>“Stoor je niet aan mij.... ik ben geen officiëele +visite,” verzekerde Han, opstaande, “’k ga zelf ook +dadelijk....”</p> + +<p>“Eerst nog ’n kopje thee,” drong Else; en Go +glimlachte, terwijl ze de deur achter zich sloot: Han en Else vonden +elkaar erg aardig; Else zag er zoo opgewonden en stralend uit, als hij +er was.... kleine Elsi.... En toen ze langs ’t raam kwam, zag ze +Else’s krullig haar, heen en weer wuivend met druk beweeg van +haar demonstreerend hoofdje.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Lize woonde heelemaal bij de Rijn-en-Schiekade, en Go stapte stevig +door om op tijd voor ’t eten weer thuis te zijn. Herinneringen +aan het mooie professorsbezoek, de groeiende intimiteit tusschen Han en +Else, en wat Lize haar te zeggen zou kunnen hebben, vormden den +ondergrond van haar gedachten, terwijl ze intusschen toch rondkeek, en +genoot van het schilderachtige stadje in de ondergaande zon.</p> + +<p>Ze vond ’t zoo wonderlijk, dat ze hier nu alleen liep, en +niemand, die vroeg, waarheen ze ging, niemand, die zich bemoeide, met +wat ze deed. Ze dacht aan het drukke Rotterdam, met z’n +sleeperswagens en zware karren, met den rook van booten en +fabrieken—en dan vond ze deze straten zoo dorps-stil, met niets +dan wat rustige menschen, spelende kinderen; soms ’n enkel +rijtuig of ’n postkar, wat ’n heele opschudding gaf. <span +class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span></p> + +<p>Hier hoorde je telkens ’t blije geluid van kinderstemmen of +melancolieke pianoklank uit ’n huis: ginds werden alle lieve +geluiden door handelslawaai, machinegedreun, overstemd.</p> + +<p>En toch was er niets kleins, niets bekrompens in de rust van de oude +huizen, in de kalmte van de menschen. Het geestelijk leven, werkend in +stilte, bloeiend in stilte, gaf iedere daad en beweging hier diepere +beteekenis. Twaalfhonderd jonge menschen leerden hier van de grootste +mannen van het land hun wijsheid en levenskennis. Op hun stille kamers +in ’t bleeke daglicht, en meer nog ’s avonds bij de +suizende lamp zaten ze als vrome monniken over hun boeken gebogen, +werden ze ingewijd in het heilig geheim van de wetenschap. Ze had op +dit oogenblik geen medelijden met hun eenzaamheid; ze vond er iets zoo +moois in, alleen te zijn met je lieve boeken, waar zooveel wichtigs in +staat; ze voelde ’t zoo’n voorrecht voor hen allen—en +haar studeeren-om-later-voor-zichzelf-te-kunnen-zorgen leek haar nu +niet ’n drukkende plicht, maar genade.</p> + +<p>“Lize,” zei ze levendig, toen ze de kamer binnenkwam, +“ik kom dadelijk nog even naar je toe.... Else zei.... maar wat +is ’t hier al donker.”</p> + +<p>“Ja, dat is ’t hier altijd zoo vroeg—dat komt door +dien muur.” En Lize wees op ’n hoogen grijzen muur, die +’n klein, triestig binnenplaatsje omsloot.</p> + +<p>Go keek even vlug de kamer door; ze was karig maar niet smakeloos +gemeubeld; de muren waren bijna kaal, boven de schrijftafel hing alleen +’n sombere Napoleonkop. De tafel was al gedekt, zag er akelig, +lijkkleed-achtig uit in het schemerige licht; één bordje, +één glas, één mes, één vork +<span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>en +’n paar tinnen opscheplepels, donkerden in ’t midden.</p> + +<p>“Ik hou je toch niet op met eten—’t staat alles al +zoo klaar.... eet je altijd alleen?”</p> + +<p>“Nee, ik heb nog den tijd.... De kok heeft ’t eten nog +niet gebracht; ik eet altijd van den kok. ’t Is goed, en niet +heel duur.”</p> + +<p>“O, kookt je juffrouw niet voor je?”</p> + +<p>“Nee, ’k heb ’n kamer zonder bediening, dat wil +zeggen, ze doet geen boodschappen voor me, maakt m’n slaapkamer +niet in orde—afwasschen wèl; ’t is ’n goeiig +mensch.”</p> + +<p>“Maar ik zou toch liever in Ceres gaan eten, als ik jou was, +of aan ’n studententafel... Dat altijd alleen-eten lijkt me nou +zoo suf.” En Go dacht even: zou ’k haar vragen bij +ons—de juffrouw zal ’t wel goed vinden—toch weer niet +durvend om Else, die haar zoo leelijk, en zeker ook te burgerlijk, +vond.</p> + +<p>“Nee, uitgaan om te eten kost me wezenlijk veel te veel +tijd—het breekt je heelen avond.”</p> + +<p>“Maar vinden ze bij je thuis nou goed, dat je zoo +onmenschelijk veel werkt, en zoo ongezond leeft?”</p> + +<p>Go dacht aan moeder, en al haar raadgevingen voor haar gezondheid +van niet te lang werken, iederen dag flink loopen, en zorgen, dat ze +niet te gebogen zat, als ze schreef.</p> + +<p>“Maar ’k moet ’t juist om thuis doen. Vader is er +altijd vreeselijk tegen geweest, dat ik zou studeeren. De heele familie +trouwens—me moeder is dood—en hij heeft ’t pas +toegestaan, toen belangstellende menschen me ’n beurs wilden +bezorgen. Dat wou die niet; daar was hij te trotsch voor. Nu zal hij +vijf jaar lang me ’n klein jaargeld geven, waarmee ’k +rondkomen moet. En <span class="pagenum">[<a id="pb40" href= +"#pb40">40</a>]</span>dan moet ’k voor mezelf zorgen.... Nou wil +ik, zie je, het móet: dat ik na vijf jaar promoveer. Maar soms +kom ’k niet met m’n geld toe; moet vertaalwerk er bij doen +en zoo; dat houdt erg op. En dan de colleges, waar alles op langeren +tijd is ingericht....”</p> + +<p>Go was op de tafel gaan zitten, stilletjes en verslagen. Waar bleef +nu haar opgewonden verhaal over de romantische studie, waarmee ze ook +Lize had willen opwekken, en verheugen? Waar wàs nu de glans, +die ze zich had gedroomd om ’n mensch, die alleen in ’n +kamer zat, en werkte, werkte? Deze was altijd alleen; deze werkte aan +één stuk door, tot haar oogen dof en pijnlijk waren, en +haar hoofd versuft. Was hier iets liefs en warms?</p> + +<p>Hier dreef de harde noodzakelijkheid langs den nauwen weg van de +nuttige, of ten minste noodige examenkennis naar het hevig-begeerde +doel van: onafhankelijk-zijn. Hier was geen zijsprongetje, geen +afdwalen van het smalle pad geoorloofd; nooit mocht er stilgestaan +worden, om ’t land te overzien, om bewust te worden, waar men +eigenlijk ging.... deze werkster zou ondanks al haar zwoegen nooit de +hoogere wetenschap begrijpen, niet verder komen dan feitenkennis, +jaartallen- en handschriften-kennis; nooit de philosophie, de kern van +alles vatten.</p> + +<p>“Maar waarom wilde je per se studeeren?” vroeg Go +eindelijk.</p> + +<p>“Omdat dat ’t eenige is, waarvoor ’k geschikt ben, +en ik me thuis niet langer als huishoudster kòn laten gebruiken. +Ik heb even weinig aanleg voor huishoudwerk als de meeste +mannen.”—Go dacht even aan de argumenteering van het kleine +<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>wezentje +in den grooten mantel; hier kreeg ze gelijk,—“maar voor +vader is iedere vrouw aangewezen huisslaaf; nu nóg, als ’k +in de vacantie thuis ben, hóe ik me ook verzet, ik moet +goed-verstellen, huishoudboodschappen doen, en al zulke dingen meer. En +ik vind ’t afschuwelijk.”</p> + +<p>De juffrouw klopte even, zette toen zwijgend ’n bus om den +hoek van de deur.</p> + +<p>“Wat is dat?” vroeg Go.</p> + +<p>“Dat is m’n eten.... maar ’t blijft wel even warm; +ga nog niet weg.”</p> + +<p>“Waarom kwam-je eigenlijk bij me.... zoo maar ’s? Je +moest ’t nog eens doen, maar ’t dan vooruit zeggen op +college.”</p> + +<p>“Nee, ’t was, omdat ik ’n convocatie van ’n +dispuut: L. V. heb gekregen, met ’n brief er bij, of ik wilde +komen hospiteeren, en dat jij en je nichtje ook waren gevraagd.... Ik +denk, dat jij me aanbevolen hebt, en nu wou ’k je zeggen, dat je +dat niet hadt moeten doen; je bedoeling zal wel goed geweest +zijn—maar ik kan me natuurlijk niet met zulke dingen inlaten.... +ik hoor er niet bij.”</p> + +<p>“Hè, neem je ’t niet aan? Nee, geen tijd zeker; +maar da’s jammer.... Aan die uitnoodiging ben ’k anders +heelemaal onschuldig, hoor; dat moet van de jongens zijn uitgegaan. Ik +heb niet eens over je gesproken.”</p> + +<p>“Dat ’s vreemd; wie kan dan op ’t idee zijn +gekomen? Ik ken geen jongens.” Ze zat even stil met gefronsde +wenkbrauwen, ’t papier bestarend. Toen stond ze op: “In elk +geval heb ik ’t al afgeschreven,” besliste ze kort; stak Go +de hand toe: “Ik ben blij, dat je bij me bent geweest; ik hoop, +dat je nog ’s zult komen.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb42" href="#pb42">42</a>]</span></p> + +<p>Het was al donker, toen Go buiten kwam: de lantaarns brandden, en +hier en daar viel ook uit de huizen een lichtschijn op straat. +“Het is telkens heelemaal anders,” peinsde ze ernstig, +terwijl ze vlug doorliep, in angst, dat Else ongeduldig worden zou, +“m’n gedachten zijn telkens anders, het uitzien van de stad +verandert steeds.... Wat beleef je hier toch veel.... wat ’n +stemmingen op één middag: eerst de inwijding in ’t +begrijpen van de zuivere wetenschap, en dan vlak er na twee +categorieën van menschen ontmoeten, die door twee +tegenover-elkaar-staande beletsels die waarheid nooit begrijpen kunnen: +Han en Else niet om hun opgaan in de weelde, en hun prettige dingen van +alle dag; Lize niet om den zwaren financiëelen druk, om den dwang, +wat te worden in de maatschappij. En zou ’t zoo niet zijn bij +bijna alle studenten; zijn ’t niet allemaal fuivers of blokkers, +met slechts ’n o, zoo enkele, enkele, die wezenlijk de diepere +waarde van studie begrijpt? Zou ik-zelf het begrijpen, als ik bezig +ben? Nu weet ik nog niets, is alles geheim en aantrekkelijk, maar als +ik eenmaal er in ben, zou ik dan niet ondergaan in ’t klein +geleer van verbuiginkjes en jaartallen.... zou ik ’t romantische +blijven voelen?”</p> + +<p>Ze dacht aan ’t kind, dat nu alleen aan de leege tafel in de +schemerige kamer zat, ongezellig etend uit ’n bus, onhuiselijk, +kok-bereid eten, en dat dag in dag uit, nog jaren.... Zoo +onrechtvaardig bevoorrecht voelde ze zich met haar lief tehuis, haar +hartelijke familie, met haar gezellige kamer hier, op ’t oude +grachtje, waar ’t licht op zou zijn, en de tafel genoeglijk +gedekt, en Else met haar opgewekt gezichtje. <span class="pagenum">[<a +id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span></p> + +<p>Het carillon speelde voor half zes, toen Go den sleutel in ’t +slot stak: zoo laat al, ’n half uur over den tijd; wat zou Else +boos zijn!</p> + +<p>Maar Elsi stond, met haar warme voorhoofd tegen ’t raam +geleund, droomend naar de stille schepen te staren, zonder zich iets om +’t koud-wordend eten te bekommeren.... <span class="pagenum">[<a +id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e721" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk VI.</h2> + +<p>“Nu beginnen we er goed in te komen,” zei Else opgewekt, +toen ze samen over de donkere Breestraat liepen. “Visites, +vergaderingen, colleges—onze dagen zijn heelemaal +gevuld.”</p> + +<p>“Maar dit is iets nieuws en heel bizonders,” antwoordde +Go, en ze had weer dat vreemde angstgevoel, hoe het toch gaan zou +vanavond. De vergadering van “Laborando vincimus” was bij +’n meneer Van Neerwinden op ’t eind van ’t Rapenburg, +om kwart over achten werden ze verwacht; maar wat zou er dan in +vredesnaam verder gebeuren, en hoe zouden zij, meisjes, die nooit +gedebatteerd hadden, ’n woord mee durven zeggen?</p> + +<p>Else had veel werk van haar toilet gemaakt, droeg ’n +licht-beige voile japonnetje met mat-groene strikken, maar toen ze op +’t punt waren te gáán, had ze Go, die maar +één avondjapon had van fijn laken met ’n kanten +kraag, opeens angstig gevraagd, of ze niet “gek-mooi” was, +en of je je eigenlijk voor een dispuut wel zoo zou kleeden. Maar ze had +er toch maar niets meer aan veranderd, ofschoon Go had gezegd, dat +’n zóó schitterende <span class="pagenum">[<a id= +"pb45" href="#pb45">45</a>]</span>verschijning niet bevorderlijk kon +zijn voor de aandacht der jonge lieden in de ernstige +vergadering-zaken.</p> + +<p>Er sprankelde verwachting in Else’s oogen, en ze dacht niet +aan de wichtigheid, die Go zoo drukte. Ze voelde, dat ze niet gevraagd +kon zijn, omdat men van haar zooveel wijsheid verwachtte; ze wist haar +meisjes-bekoorlijkheid, en, minder wuft dan vroeger op bals, wanneer ze +altijd iedereen had willen boeien, dacht ze nu aan Henri alleen, +voelde, dat hij haar snoezig vinden moest, en lachte stilletjes bij die +heerlijke gedachte.</p> + +<p>Go had aldoor loopen denken, wat ze tegen de juffrouw zeggen +moesten, die open deed, maar die liet ze dadelijk met ’n gezicht +van er-alles-van-weten binnen, nam hoeden en mantels af, en hing ze aan +den al vollen kapstok.</p> + +<p>“’t Is net een partijtje,” zei Else, haar haar +glad-strijkend, maar Go hoorde ’t niet; ze had de deur van een +der kamers open zien gaan, en ’n lange, donkere figuur, die nader +kwam, deed haar blozen in ’n vreemde verwarring.</p> + +<p>“Mag ik me even voorstellen.... Van Neerwinden.... ik ben +bizonder blij, dat u vanavond gekomen bent; de voorvergadering is nog +aan den gang; zoudt u zoolang even in de achterkamer willen +komen?”</p> + +<p>Go keek er dadelijk belangstellend en onderzoekend rond; ze was +benieuwd, wat deze man voor kamers zou hebben, en hoe hij ze ingericht +had. Maar haar eerste indruk was teleurstellend; het was er zoo +rommelig en ongezellig, de muren hingen zoo vreeselijk vol; prenten +gescheurd uit tijdschriften, rare karikaturen, waaiers, wapens, +draperieën. <span class="pagenum">[<a id="pb46" href= +"#pb46">46</a>]</span></p> + +<p>Toen begon ze meer te onderscheiden, vond ’n paar mooie +Steinlen’s, ’n portret van Zola, ’n Holbein, en in +’n hoek, waar ’t opeens héél stil leek, +’n teer melancolieke Madonna van Botticelli. Ze liep er heen, +bleef er lang vóór staan; er was iets fascineerends in de +starende oogen, die zoo zacht droef-en-gelukkig voor zich uitstaarden, +die, weifelend tusschen opperste smart en hoogste zaligheid, onzeker +glimlachend in tranen, droomden van het kindje en de toekomst. En het +oneindig-teer gebaar van de lange, witte handen, die als stervende +bloemen waren, ontroerde haar wonderlijk, zoodat ze zich afwendde, +bleek van emotie, en recht in Neerwinden’s oogen keek, die achter +haar was gaan staan: ze waren diep en zacht, ze was er eventjes +heelemaal weg in; toen schoof hij haar ’n stoeltje aan, begon +gewoon met Else te praten,.... de betoovering was voorbij.</p> + +<p>Else was teleurgesteld, dat ze niet dadelijk binnen was gelaten, +praatte nonchalant en verveeld haar makkelijke conversatiezinnetjes +door, zonder zich veel om haar toehoorder te bekommeren. Hij stond +tegen de tafel geleund, half naar Else toe, en Go kon hem zoo +prettig-rustig op zitten nemen, nu hij niet naar haar keek, hem weer +beschouwend als ’n gewone, knappe jongen, die haar wel sympathiek +toescheen. Haar verwarring van zooeven schreef ze op rekening van haar +nerveuze angst, en ze plaagde zichzelf, dat er tot nu toe niets +vreeselijks met haar was gebeurd.</p> + +<p>Hij was van meer dan middelmatige lengte, flink maar toch fijn +gebouwd, en droeg z’n hoofd heel rechtop, zoodat ’t bijna +aanmatigend was. Hij had zacht, dof-zwart haar, nog al lang, dat hij +met ’n schuine scheiding langs z’n voorhoofd <span class= +"pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span>geborsteld droeg. +Z’n donker-blauwe oogen waren sterk en rustig, als hij gewoon +praatte, maar ze wist, dat ze diepe afgronden konden worden; z’n +neus was fijn en scherp, z’n lippen dun, en daar trokken +moeë, melancolieke streepen langs, als hij even zweeg. Z’n +tint was bleek, met ’n nerveus blosje onder z’n oogen, waar +de jukbeenderen wat uitstaken, door het magere wangenvleesch, en de +hand, waarmee hij telkens, als ’t gesprek hokte, even over +z’n hoog voorhoofd streek, of hij z’n gedachten moest +verzamelen, had die wassig-doorschijnende witheid, van nooit anders dan +’n pen te hebben aangeraakt.</p> + +<p>Z’n kleeren waren modieus en verzorgd, maar hij droeg ze met +een zoo waardige gratie, dat niemand de details er van opmerkte, zonder +er bepaald op te letten; de algemeene indruk was van ’n volkomen +harmonie, waarbij niets hinderlijk op den voorgrond trad, en Go +vergeleek hem onwillekeurig met Han, van wien je altijd dadelijk dacht: +wat ’n mooie das heeft hij aan; wat ’n fijn vest.</p> + +<p>Nu werden de gordijnen van de suite opengetrokken, en de +vergaderkamer lag als ’n tooneel voor hen open: Go zag dadelijk, +dat die kamer kalmer en ordelijker was, dan die, waarin zij zaten, maar +toch ontbrak er iets: ’n eenheid, ’n richting; ze wist niet +precies wat; misschien was ’t ook alleen de vrouwelijke +gezelligheid.</p> + +<p>In het midden van den kring, als praeses, zat Han, den hamer in de +hand, ’n plechtige uitdrukking op z’n gezicht, die echter +vervluchtigde, toen hij Else zag, versmolt in ’n blij-oplichtend +lachen, terwijl hij opstond, om de meisjes te begroeten en voor te +stellen. <span class="pagenum">[<a id="pb48" href= +"#pb48">48</a>]</span></p> + +<p>Naast hem zat de donkere, kleine Rolands, met z’n glanzend +gezichtje, stil en ernstig, als ’n oostersch afgodsbeeldje, en +aan z’n anderen kant was ’n stoel open voor Van Neerwinden, +die ab-actis was, in ’t bezit van alle reliquieën en +kostbaarheden van het dispuut.</p> + +<p>Gerard Leeden, die, zonder functie, dichter bij de deur zat, +begroette Go met groote hartelijkheid, en de dichterlijke Louis +Hoefman, wiens sombere, magere kop vreemd naast Gerard’s +welgedaanheid afstak, bracht groote verwarring door al met stoelen te +gaan sleepen, terwijl het voorstellen nog aan den gang was.</p> + +<p>Er waren drie jongens, die ze nog niet kenden: Frits Rolands, Wim de +Veer en Otto Beerenstijn; en ook het meisje, Frieda Vervoort, was Else +alleen wel ’s tegengekomen in de gang van de universiteit. Ze was +candidaat in de rechten en studeerde ook oude talen, ze had ’n +smal, mannelijk-belijnd, verstandig gezicht, tusschen laag opgemaakt +glad-bruin haar. Go vond, dat ze leek op romeinsche jongenskoppen, +zooals ze in de gang van hun gymnasium hingen, en beantwoordde stevig +haar flinke, openhartige handdruk. Op de vacht voor de glimmend +gepoetste vulkachel lag ’n slanke bruin-zwarte setter, de oogen +goedig half-dicht, de lange ooren naar beneden. Go knielde er dadelijk +naast, streelde hem en vroeg, hoe hij heette, blij, dat hij haar +liefkoozingen toeliet, slechts dralend opstaand, toen Rolands haar +’n stoel bracht.</p> + +<p>Het duurde lang, vóór allen weer rustig gezeten waren, +en de eigenlijke vergadering beginnen kon. Han had gezegd, dat ze nu +’n beetje ’n bonte rij konden maken, en Else naast zich +weten <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>te +krijgen, tusschen hem en Rolands, die quaestor was, in, ofschoon de +gewoonte was, dat ’t bestuur bij elkaar aan ’t hoofdeinde +van de kamer zat. Go zat naast Eduard van Neerwinden, en voortdurend +ging die naam in z’n heerlijke kadans door haar hoofd: wat +’n vreemde naam, wat ’n prachtig-mooie naam; echt ’n +boeken-naam, en toch niet vervelend romantisch. Wat paste hij goed bij +hem; ze had eigenlijk wel kunnen weten, dat hij zoo heeten moest: +Eduard van Neerwinden; natuurlijk.</p> + +<p>De juffrouw was in de achterkamer binnengekomen, had thee geschonken +in de lange rij witte kopjes, die klaar stonden. In een oogenblik was +Go op, vroeg, of ze even mocht helpen met ronddienen; Else kwam achter +haar aan met melk en suiker, en de jongens lachten onder elkander, +voelend, hoe met deze meisjes het echt-vrouwelijk element in hun +vergadering was gekomen, met deze kinderen, zóó van huis, +waar ze ook niets dan “meisjes” waren geweest; en ze vonden +’t allemaal grappig en prettig, behalve Otto Beerenstijn, die +vóór alles ’n werker was, donker naar de klok keek, +die al bij negen wees, en bromde, dat hij wel had voorspeld, dat +’t kinderspel zou worden, zoodra je er zoo’n paar +weeldeartikelen inhaalde.</p> + +<p>“Stil nou, kerel,” kalmeerde Han, “’t is +immers de eerste keer, er is nog niets geregeld, en op ’n +hospitanten-vergadering wordt nooit hard gewerkt. Willen de dames nu +gaan zitten?” gebood hij, president-deftig, en Else liep dadelijk +gedwee naar haar stoel, maar Go zei: “’k moet nog even +opschenken, Han,” tot uitbundige vreugde der vergadering, +“omdat zoo’n meisje <span class="pagenum">[<a id="pb50" +href="#pb50">50</a>]</span>geen idee had van subordinatie aan den +praeses.”</p> + +<p>En toen ze terugkwam, vertelde ze nog aan Eduard, “dat ze zelf +wel verder schenken zou, hè, dan hoefde de juffrouw niet meer te +komen, en deed ze toch ook wat,” totdat Han, ten einde met +z’n geduld, den hamer kletterend vallen liet, en Gootje opschrok, +als ’n op ondeugendheid betrapt kind, haar angstige oogen naar +hem toekeerde, en zonder bewegen luisterde naar het deftige speechje, +waarmee de meisjes werden welkom geheeten in hun midden.</p> + +<p>Eduard keek haar telkens van ter zijde aan, en vond ’t een +aardig, gezellig kind. Else was mooier en eleganter, maar veel meer +neutraal: een knap, gevierd meisje, van goeie familie. Go was +eenvoudiger, kinderlijker eigenlijk, en toch niet onbenullig, of +onnoozel. Dat ze zoo dadelijk naar die madonna was toegeloopen, en er +toen niets over had gezegd, zoo maar stil was blijven kijken, was +’m enorm meegevallen. Je kon ’t ook eigenlijk wel zien aan +haar gezicht, dat er kracht en diepte in haar was, al lag ook in de +open, eerlijke oogen, dat ze nog nooit in haar leven iets had +“doorgemaakt”.</p> + +<p>Han had z’n speech uit, en Go had even angstig naar Else +gekeken: zouën ze nu eigenlijk wat moeten antwoorden?—maar +dadelijk na ’t applaus was hij weer doorgegaan: “<span +lang="la">his feliciter peractis, transeamus ad....</span>”</p> + +<p>“Dol,” zei Go tegen Eduard, “zoo’n +wezenlijke vergadering.”—en toen er: “<span lang= +"la">ad theam</span>” was geroepen, ging ze met stralende oogen +om de kopjes rond, vragend aan Gerard: “Wat zal er nu +gebeuren?” dan weer tegen Han: “Ik vind ’t heerlijk, +en we hoeven niets te zeggen, hè?” <span class="pagenum"> +[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span></p> + +<p>Er was ’n studie over George Moore van Otto Beerenstijn, maar +Go had nooit iets van hem gelezen, zat met stil ontzag te luisteren, +bang, dat ze haar domheid dadelijk zou moeten bekennen. Eduard had de +kritiek, prees warm Beerenstijn’s grondig oordeel, en de meisjes +keken eerbiedig naar den plompen jongen met den harden, breeden kop en +de diep-liggende oogen, die ze allebei antipathiek hadden gevonden, +instinctmatig voelend, dat hij niet hun vriend was.</p> + +<p>Toen las de kleine indischman verzen voor, met z’n dof, droef +stemmetje, vreemd opklinkend uit zijn altijd-lachend gezicht, en de +regels rolden van z’n lippen, als ’n lang aangehouden +klacht, of hij las over lente en geluk, of over droefenis.</p> + +<p>Er kwam ’n levendig debat over, hoe verzen gelezen moeten +worden, en iedereen maakte zich warm met veel gesticuleeren, ze bogen +voorover op hunne stoelen, vielen opgewonden elkaar in de rede, zoodat +de praeses aftikken moest, terwijl het stille ventje weer onbeweeglijk +op zijn stoel zat, de beentjes recht naast elkaar, de fijne bruine +handjes gevouwen, en de stage glimlach op z’n glanzend, bruin +gezichtje, als ’n Bouddha-beeldje.</p> + +<p>In de pauze verzorgde Go de menschen met bier en limonade. Eduard, +als gastheer, hielp haar en wees haar den weg in z’n kast; ze +genoot van dat huisvrouwelijk doen, lette voortdurend op, of ieder wel +had, wat hij wilde, ging telkens rond met de koekjes, deelde kleine +gunsten uit.</p> + +<p>“Maar u vergeet uzelf,” zei Gerard, die zich bij Han en +Else overcompleet had gevoeld, en zich verveelde bij ’t +literatuur-gesprek van de anderen. “Mag ik u wat limonade +inschenken?”</p> + +<p>“En dan houden we de verdere vergadering <span class= +"pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span>de kattetongetjes +bij ons. U houdt toch van koekjes?” vroeg Eduard.</p> + +<p>“O, verschrikkelijk,” en hij had er plezier in, te zien, +hoe ze onder de vertaling—’n stuk uit Balsac—en later +onder de memorisatie over “den invloed van Hegel op onze +literatuur” telkens weer ’r hand naar de schaal uitstak, en +dan, aandachtig luisterend, langzaam het dunne koekje opknabbelde met +haar kleine, witte tanden, of Bruno bij zich lokte, de lekkernij in de +hoogte, ’n glans van moederlijke zachtheid in haar oogen, en ze +hem dan langzaam opeten liet, telkens stukjes afbrekend, en ze hem +voorhoudend in de holte van haar rechterhand, de andere licht op +z’n kop geleund. En als ’t op was, legde ze, voordat ze +’m gáán liet, telkens even haar armen om z’n +opgeheven nek, en drukte haar wang tegen z’n haarvacht.</p> + +<p>Om half twaalf werd de vergadering gesloten en met druk geloop en +gezoek naar mantels en jassen begon men afscheid te nemen. Eduard bleef +thuis, omdat bij hem het “nabroodje” was voor de jongens, +en Hoefman bood aan hem te helpen.</p> + +<p>“Nee, beste kerel, je meent ’t goed, maar ga jij mee, en +droom wat in de maneschijn, want jij loopt me wezenlijk maar in den weg +met je onhandigheid. Als Beerenstijn wil blijven—die geeft toch +niet om de wandeling.” Maar toen hij in Louis’ oogen zag, +dat hij gegriefd was, legde hij even de hand op z’n schouder: +“Zeg, we hebben ’er gevraagd, hoor, je vriendin... eh... +juffrouw Schermer.... maar ze heeft bedankt.”</p> + +<p>Go hoorde ’t, begreep opeens; maar Beerenstijn viel in: +“Maar goed ook, anders werd ’t hier ’n +meisjesschool—en die is bovendien affreus leelijk!” <span +class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span></p> + +<p>“Heeft ze bedankt zonder reden?”</p> + +<p>“Geen tijd, schreef ze. Nu, dat is geen reden, +hè?” En Eduard stak z’n hand uit naar Go, die al +even wachtte.</p> + +<p>“Ik hoop u nog dikwijls te zien,” zeide hij +hartelijk.</p> + +<p>“Ik heb ’t heerlijk gevonden, maar ik voel me zoo klein, +bij al die geleerdheid.”</p> + +<p>“Dat komt, omdat we vandaag allemaal ons beste beentje hebben +voorgezet; u zult gauw door het vernisje heen zien.”</p> + +<p>Hij groette nog na bij de deur, waar ze zich dadelijk in groepjes +verdeelden. De Veer en Hoefman brachten Frieda naar huis, die op de Jan +v. Goyenkade woonde; Han en Else trachtten samen vooruit te loopen, +maar Rolands bleef bij ze, kinderlijk-onbewust van de +minder-wenschelijkheid van z’n gezelschap.</p> + +<p>Go liep zalig tusschen Gerard en Hans Elders in; ze was dankbaar, +volkomen voldaan; ze leefde in ’t oogenblik, genoot van de stille +straten, van haar sterke beschermers, de vroolijke gesprekken, haar +warm, veilig gevoel. Ze sprak niet veel mee, dacht over de twee jongens +aan haar zij, van wier leven ze nog zoo weinig wist, aan de anderen, +die ze vanavond had leeren kennen, en die misschien eens haar vrienden +zouden zijn.</p> + +<p>“Het is zoo heerlijk,” zei ze opeens, “hier +zooveel menschen te leeren kennen, en allemaal jong te zijn, en veel +voor elkaar te kunnen doen.”</p> + +<p>Als ’n antwoord klonk het carillon sterk en jubelend door den +stillen nacht; de klanken vielen over hen heen als ’n regen van +geluid, en Go was blijven staan, met geheven hoofd. Ze zag den hemel, +de wolken door maanglans verzilverd, <span class="pagenum">[<a id= +"pb54" href="#pb54">54</a>]</span>ze voelde den nacht om zich heen, en +sloot even de oogen: het was, of ’n golf van het groote, +heerlijke leven voor ’t eerst over haar heen geslagen was.</p> + +<p>Na de twaalf plechtige bonzen liepen ze weer door, en harder, om de +voorloopers in te halen; Go dacht aan thuis, en hoe moeder zou kijken, +als ze vertelde, dat ze na middernacht van een vergadering was gekomen. +Haar vroolijkheid zocht ’n uitweg in steeds sneller beweging, tot +ze eindelijk in een huppelenden draf oversloeg. “Stap nu allemaal +op ’t midden van de brug,” hijgde ze, toen ze bij ’t +oude ophaalbrugje gekomen waren, “dan veert ’t zoo +heerlijk.”</p> + +<p>Ze véérden; lachten luid; en toen ze er af danste en +in ’n vaart de hol af naar het oude huis toeliep, waarvan Han de +deur al met Else’s sleutel had geopend, zei Gerard tegen Hans: +“Dat kind lijkt net ’n vogel, in dien wijden, grijzen +mantel—’n wilde vogel.”</p> + +<p>En Hans zei, dat dat ’n beeld was om Louis in verrukking te +brengen. <span class="pagenum">[<a id="pb55" href= +"#pb55">55</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e839" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk VII.</h2> + +<p>Tegelijk met het officiëele bericht, dat ze als lid van +“Laborando vincimus” waren aangenomen, werd drie dagen na +de vergadering ’n briefje van Gerard bezorgd, met ’t +verzoek, of de dames den volgenden middag bij hem wilden komen +koffiedrinken—neef Henri en Hans Elders waren ook gevraagd.</p> + +<p>“Natuurlijk gáán we,” zei Else dadelijk, +dankbaar bedenkend, dat ze juist deze week haar beste japon van huis +mee had genomen.</p> + +<p>“Ja; wat aardig van Gerard,” antwoordde Go, en ze kreeg +een heerlijk gevoel, of ze tóch wel de jongens eens zou +bereiken; of de teleurstelling over het gescheiden-zijn maar iets +tijdelijks blijken zou.</p> + +<p>“Ik kan ’m dan meteen nog wat over m’n responsie +vragen,” overlegde ze verder, “hij zal er nog wel alles van +weten.” Ze was nu al ’n week dag aan dag met haar naderende +responsie bezig, kende de bladzij van Reinaert, die zij te lezen zou +krijgen, al heelemaal uit ’t hoofd.</p> + +<p>“Lieve kind, hou toch op over die responsie. Je weet er zeker +nu al meer van dan de prof <span class="pagenum">[<a id="pb56" href= +"#pb56">56</a>]</span>zelf... verbeeld je ’s, dat je iederen keer +er zoo voor zwoegen moest; je hadt geen leven meer.”</p> + +<p>“Nee, maar den éérsten keer,” zuchtte Go, +en verheugde zich op Gerard’s candidaat-vertrouwbare +inlichtingen. “Van zoo’n eersten indruk hangt ’n +massa af.”</p> + +<p>Ze hadden dien ochtend allebei tot elf uur college gehad, en gingen +dadelijk naar <span class="corr" id="xd0e858" title="Bron: Gerards"> +Gerard’s</span> kamer, want ze zouden vroeg koffiedrinken, omdat +Go ’s middags weer weg moest. Het was ’n regenachtige, +druilige dag; de bruine blaren rotten nat en vuil op den glibberigen +grond, en de schuiten, die door het water gleden, hadden geen kleur en +geen bekoring onder den doffen hemel. Hij woonde over de Korenbrug, en +’t was een ouderwetsch, stil-diep huis; op een portaal, groot en +vierkant als ’n kamer, kwamen Gerard en Henri hen tegemoet, namen +mantels en hoeden in ontvangst met geanimeerde toewijding.</p> + +<p>“Wat ’n vreeselijk leuk huis hebt u,” bewonderde +Go, “wat ’n zalig portaal.... en zoo glad.... hè +Els, wat zouën we hier goed kunnen glijën.”</p> + +<p>“Of dansen,” zei Gerard, “ik denk er over, hier +nog ’s ’n bal te organiseeren van “Laborando +vincimus”—maar komt u nu toch binnen.”</p> + +<p>Het was ’n aardige suite met matgeel behangsel; daar kwamen de +reproducties van Dürer, De Hoogh, Rembrandt en Van Dijck zoo +rustig op uit, dat Go in verrukking staan bleef, de handen in +elkaar.</p> + +<p>“O, wat mooi,” zei ze eindelijk, “dat is nou de +eerste mooie kamer, die ik zie.... hoe heerlijk ingericht, hoe +gezellig.”</p> + +<p>“Dat komt, omdat m’n moeder me heeft +geïnstalleerd,” antwoordde Gerard trotsch, “dat werkt +<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>nog +altijd na; bijna alles is gebleven, zooals zij ’t gezet +heeft.”</p> + +<p>“En wat hebt u mooie bloemen,” bewonderde Else, met de +handen in de chrysanten woelend.</p> + +<p>“Dat is ter eere van ’t hooge gezelschap; behalve moeder +heb ik hier nooit vrouwelijk bezoek gehad. Het spijt me alleen, dat u +geen zonnetje in de kamer ziet. Dan is alles zoo veel +mooier.”</p> + +<p>Intusschen was Hans binnengekomen, had dadelijk in de achterkamer +’n paar druiven van de tafel gesnoept. Onder Gerard’s +laatste woorden kwam hij naar voren loopen en knikte.</p> + +<p>“Toen ik klein was,” zei hij, “bad ik altijd, als +ik uit zou gaan, of als er ’n feestje zou zijn den volgenden dag: +“ons lieven Heertje, laat het morgen mooi weer zijn,” en +als ’t dan stortregende, zei ik: “er waren zeker meer +menschen, die om leelijk weer vroegen; of ze hebben beter gebeden dan +ik,” en dan was ik tevreden.... En als ’t nu beroerd weer +is, troost ik me nog altijd: “Het zal wel voor een heeleboel +andere dingen goed zijn.”</p> + +<p>Daarna kwam hij ieder een hand geven, opgewekt en hartelijk, en ging +toen in de vensterbank zitten.</p> + +<p>Het was ’n teer-gebouwde, magere jongen, met ’n +intelligent gezicht: boven z’n hoog voorhoofd, waarin bij de +slapen kuilen vielen, stond in ’n recht kuifje het stugge bruine +haar, z’n oogen waren hartelijk en eerlijk, maar zwierven nerveus +rond, wat niet paste bij z’n kalme, vriendelijke stem, waarmee +hij alles zoo eenvoudig en pretensieloos zei, dat ’t tegelijk +aantrekkelijk en roerend was. Gerard was dol op ’m, noemde +’m schertsend <span lang="de">Leberecht Hühnchen</span>, en +kwam, in ’n sombere <span class="pagenum">[<a id="pb58" href= +"#pb58">58</a>]</span>bui, altijd ’t eerste bij hem, om zich te +laten troosten. Nu ook werd zijn gezicht lichter, en met dringende +hartelijkheid in z’n stem vroeg hij: “Waar ben je +vanochtend heen geweest Hans? Heeft Beerenstijn je de boeken +gebracht?”</p> + +<p>“In orde, ja; maar gaan we nog niet beginnen? Die tafel daar +ziet er aanlokkelijk uit.... juffrouw Herderts zal bepaald na dezen +maaltijd nog hooger idee van den smaak van ons dispuut +krijgen.”</p> + +<p>“Goed.... komen jullie?” riep Gerard tegen Herderts en +Else, die, dicht naast elkaar de geïllustreerde +“Rêve” stonden te bekijken, en opschrikten bij de +luide stem.</p> + +<p>“Mag ik ’t doen?” vroeg Go, toen ze Gerard het +broodmes zag nemen.</p> + +<p>“Nu, graag als u wilt,” en Hans en hij keken elkaar +éven prettig aan, omdat het zoo’n allerliefst, eenvoudig +meisje was, en zoo heerlijk, die zoo’s gewoon op je kamer te +hebben. Hans ging er zachtjes van fluiten, haalde intusschen de bus met +chocoladepoeder en het koffie-extract uit de kast, waar hij evengoed +den weg wist als de bezitter zelf, en hielp toen Han en Else, die samen +op den grond zaten, om ’t keteltje in evenwicht te houden, dat +niet op ’t komfoortje paste.</p> + +<p>“Hier, zet die ijzeren staafjes aan dezen kant, kerel, dan +balanceert ’t wel—en draai de kraan heelemaal open, anders +ben jullie nog niet klaar met je water, als juffrouw Herderts al +boterhammen genoeg heeft voor ’n heel weeshuis.”</p> + +<p>“O, haast je maar niet,” zei Go, op ’t +chocoladebusje studeerend, “want ik begrijp voorloopig heelemaal +niet, hoe ik chocolademelk maken moet... en jullie willen toch geen +waterchocolaad niet? Voor chocolademelk moet ik warme melk +hebben...” <span class="pagenum">[<a id="pb59" href= +"#pb59">59</a>]</span></p> + +<p>“Nu, dat kàn,” en Gerard zette vlug-bereidwillig +de flesch op de kachel.</p> + +<p>“Kerel, ben je....” Hans slikte en gaf ’m ’n +vriendschappelijke klap, “op die manier krijgen we ’n +melkweg in de kamer, maar geen chocolademelk in onze koppen. Die +springt natuurlijk.”</p> + +<p>“Ons water kookt,” juichte Else triomfantelijk.</p> + +<p>“Over zelfs,” en Henri draaide de kraan dicht.</p> + +<p>“Nu, kom maar hier met den ketel; ik zal chocolade-water-melk +maken, nieuw mengsel; voorzichtig schenken! Och, meneer Leeden, roert u +even in dat kopje.”</p> + +<p>Ze stonden aandachtig met z’n vijven bij elkaar: Else schonk, +terwijl Han met z’n zakdoek het deksel op de ketel drukte: Go +keek toe en keurde, wanneer ’t genoeg was; Gerard roerde met +toewijding in de klonterig-bruine pap, terwijl Hans de koppen met melk +vulde.</p> + +<p>“Weet je, wàt dit nu wordt?” zei hij, +trotsch-zeker. “We bereiden hier de nieuwste en smakelijkste +drank: fosco.”</p> + +<p>“’t Smaakt heerlijk,” keurde Go, “dat gaan +wij ook doen, hè Els?”</p> + +<p>“Ik vind ’t zoo leuk, zoo wat te knoeien,” zei +Else tegen Han, “kunnen we niet nóg wat doen.... brood +roosteren?”</p> + +<p>“Nee, nou gaan we heusch beginnen.... kom Hans, maak jij dit +blik eens open.”</p> + +<p>“Wat is er toch enorm veel te doen, vóór je kunt +gaan eten,” filosofeerde Gerard.</p> + +<p>“Voor ’n vrouw moet ’t prettig zijn, als ’r +man op kamers gewoond heeft. Dan appreciëert-ie haar meer; weet, +wat aan huishouden vast is.”</p> + +<p>Gerard keek onwillekeurig Go aan, die lachte, en zei: “En voor +’n meisje is op kamers-wonen <span class="pagenum">[<a id="pb60" +href="#pb60">60</a>]</span>leerzamer dan de beste huishoudschool. We +doen nu misschien alles wel ’n beetje vreemd, niet <span lang= +"fr">comme il faut</span>, maar je krijgt toch overal idee van en leert +ingrijpen.”</p> + +<p>“Op de gunstige uitwerking van op-kamers-wonen voor beide +geslachten!” stootte Henri met Else aan, en de foscobekers +rinkelden.</p> + +<p>“Welkom op m’n kamer,” zei Gerard aan Go, maar +Hans verstoorde dadelijk de plechtigheid door: “Leve het +getruffeerde gehakt!” te roepen, dat hij, plechtstatiglijk aan +z’n vork opgepikt, in de hoogte hield. Nu begon werkelijk de +maaltijd met frisschen honger en vroolijk, levendig gepraat, terwijl, +halverwege, de juffrouw nog ’s uitgestuurd moest worden om +“profeetjes”, daar de broodvoorraad dreigend te dunnen +begon.</p> + +<p>“Nu mogen jullie ’s raden, hoe laat ’t is,” +zei Hans met een glunder lachje, toen ze aan de druiven en noten waren +toegekomen.</p> + +<p>Gerard, die twee noten tusschen z’n vingers gekneld hield, om +ze voor Else te kraken, haalde onverschillig de schouders op: +“<span lang="de">Den Glücklichen schlägt keine +Stunde</span>”, maar Go, die aan college dacht, raadde angstig: +“kwart voor éénen.”</p> + +<p>“Bijna ’n uur mis,” plaagde Hans, “over half +twee.”</p> + +<p>“Maar we hebben Gotisch.” En Go was al op, met ’n +donkere kleur van schrik; ze had nog nooit ’n college-uur +verzuimd en vond ’t vreeselijk erg.</p> + +<p>“Daar is nu niets meer aan te doen,” kalmeerde Gerard, +“en erg is ’t ook niet. Ga toch weer zitten, en laten we +kalm doorgaan. Geeft u er nu vanmiddag uw colleges maar ’s aan, +we zijn niet elken dag zoo prettig bij elkaar.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span></p> + +<p>“Maar ’t volgende uur moet ik toch zeker +gaan.”</p> + +<p>“Kind, wat ben-jij nog ’n echt eerste jaartje,” +plaagde Han, hopend haar trots in opstand te brengen, maar Else wist +een betere manier van overreden: “Je wilde toch ook nog vragen +over je responsie, Go.”</p> + +<p>“O, ja, meneer Leeden; over Reinaert; mag dat dan, als we +straks klaar zijn?”</p> + +<p>“Natuurlijk,” zei Gerard opgelucht, “moet u voor +’t eerst respondeeren?—ik weet niet, of ik er nog veel van +ken, hoor; maar ’k heb nog al wat boeken hier—”</p> + +<p>“Maar als ’t gesprek zoo taalkundig wordt, gaan wij +liever wat loopen samen, hè Els, en bespreken zóó +samen de grondwet?” Han sprak luchtig en als terloops, maar Else +bloosde, en om zich te verontschuldigen, zei ze verlegen: “Ja +graag; ik heb ’t hier zoo warm gekregen; we konden Poelgeest +omloopen.... Gaat u mee, meneer Elders, of houdt u óók +meer van Reinaert?”</p> + +<p>Hans glimlachte, en streek met z’n hand door z’n donker +haarbosje: “Natuurlijk gaat de studie me boven alles, juffrouw +Gerzon, en bovendien zijn hier nog zooveel noten over, dat ik er me +’n heele middag mee bezig houden kan.”</p> + +<p>“Nou, adieu dan, lui,” zei Han opgelucht.</p> + +<p>“Dag meneer Leeden, ik heb ’t erg prettig +gevonden.”</p> + +<p>Else lachte tegen Go—een heel bizonder lachje, vond ze.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Hans was achter in de kamer op den grond gaan zitten met een deeltje +van Poe en de rest der noten; hij zat met z’n rug tegen den muur, +floot soms droomerig voor zich uit, maar nam <span class="pagenum">[<a +id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span>geen deel aan ’t gesprek, +dat de twee anderen bij het raam voerden. Go zat in de vensterbank, +liet haar beenen jongensachtig heen en weer schommelen en Gerard reed +schrijlings heen en weer op z’n stoel. De middag was stil en loom +onder den kleurloozen hemel, en als Go uit ’t raam keek, trof +haar ’t desolate van de oude, ongelijke steenstraat, waar de +dorre blaren, vervuild en vermodderd, te rotten lagen.</p> + +<p>Ze hadden eerst samen de responsie-bladzij ernstig en breedvoerig +besproken, Gerard vooral met veel toewijding, omdat hij ’n +verlegenheid, die hij zelf niet begreep, z’n gedachten voelde +stremmen, nu hij eindelijk eens rustig met dit kind zou kunnen +praten.</p> + +<p>“Lekker weer om Poelgeest om te loopen,” had hij +spottend gezegd, want ’t begon juist ’n beetje te +motregenen; en Go: “Ik ben er nog nooit geweest.”</p> + +<p>Hij herinnerde zich, hoe hij in z’n eerste jaar, in den roes +van nieuwe vriendschappen, die voor heel het leven schenen, met jongens +als hijzelf, die hij nu nauwelijks meer kende, daar rondgedwaald had, +nachten lang; met hun geëmotioneerde stemmen in de stilte elkaar +vertellend, wat ze ’t hoogste en heiligste in hun leven hielden, +dronken van grootsche toekomstplannen, hunkerend naar de volheid van +hún leven, dat anders, rijker dan van eenig ander mensch zou +zijn, bij elkander steun vindend voor de teleurstellingen van hun +omgeving. En, droef glimlachend, omdat al die verwachtingen en al die +heete vriendschappen zoo langzaam aan weggegaan waren, iederen dag +’n beetje, haast ongemerkt, en omdat hij achter was gebleven, +soms wat leeg, wat moe, maar wetend <span class="pagenum">[<a id="pb63" +href="#pb63">63</a>]</span>zich ’n gewoon mensch, ’n mensch +met plichten als ’n ander, die zich ’n positie zou maken... +als ’n ander—dacht hij, of dit vroolijke, lieve meisje ook +zoo langzaam haar stralenden blik verliezen zou—of juist door +’t licht van haar oogen anderer leven schooner glans zou kunnen +geven;—en zacht vroeg hij haar: “Maar hoe bevalt ’t u +hier nu eigenlijk?”</p> + +<p>Ze antwoordde dadelijk, zonder terughouding: “Dat weet ik zelf +nog niet. Soms denk ik: ’t is hier toch veel beter dan thuis, en +dan weer: was ik dit maar nooit begonnen! ’t Is alles zoo anders, +zoo heelemaal nieuw... ik heb soms het gevoel, of ik pas over ’n +langen tijd zal kunnen weten, hoe ik ’t studentenleven wezenlijk +vind. De vrijheid bijvoorbeeld. Ik heb er altijd zoo naar verlangd: ik +heb altijd gedacht, dat ’t iets zoo heerlijks zou zijn; en nu +weet ik eigenlijk bijna nooit, wat ik er mee zal doen. ’t Lijkt +soms, of ik door hier te komen alleen ’n mooi, hevig verlangen +heb verloren; of de vervulling ervan slechts ’n leegte +geeft.”</p> + +<p>“Als jongens hier vol verwachting aangekomen zijn, en ze +vinden niets dan ’n ongezellige kamer, ’n kletsende hospita +en saaie college-uren, dan slaan ze aan ’t drinken en fuiven en +dwaasheden doen., En de kroeg, die eigenlijk niets is dan ’n +ongezellig koffiehuis, al wordt hij ons elk jaar als ons thuis +aangeprezen, wordt bij gebrek aan beter wezenlijk hun toevlucht, hun +huiskamer. Maar wat meisjes, die natuurlijk dezelfde teleurstelling +eerst ondergaan, moeten doen.... Dadelijk studeeren gáát +niet; dat leer je naderhand; fuiven kunnen, en willen jullie, goddank, +ook niet.”</p> + +<p>“Ik wou, dat we ’t konden: zoo ’s echt gewoon, +uitgelaten pret hebben—zooals ik wel ’s gehoord <span +class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>heb, als ik +over de Breestraat kwam ’s avonds, in de Turk of bij Levedag.... +dat opgewonden zingen van kinderliedjes, al die vroolijke koppen bij +elkaar.... Bij ons op de meisjesvereeniging is alles zoo ernstig; wel +opgewekt, maar wijs. Nooit ’s dwaas en jolig. Daar zouden we ons, +geloof ik, ’n beetje voor schamen, als we zoo allemaal bij elkaar +zijn.”</p> + +<p>“Je.... pardon, u idealiseert onze manier van +feestvieren.”</p> + +<p>Maar Go viel levendig in: “Nee, toe, noem me “Go” +en zeg “je”; ik heb ’t al lang willen vragen, maar +’k wist niet, hoe hier de gewoonte was.”</p> + +<p>“Graag. Ik heet Gerard. Ik vind <span class="corr" id= +"xd0e998" title="Bron: t">’t</span> prettig, als je mij bij +m’n voornaam noemen wilt.”</p> + +<p>En ze zwegen even, om de nieuwe faze, die hun vriendschap was +ingegaan, terwijl Go in gedachten naar buiten keek en zei: “Wat +zullen ze nat worden op hun wandeling—en ze hebben niet eens +’n parapluie.”</p> + +<p>“Wezenlijke uitgelaten vroolijkheid is iets zoo zeldzaams in +de wereld,” praatte Gerard door, “gewoonlijk kunnen de +menschen hun plezier vrijwel verwerken zonder behoefte er luidruchtig +uiting aan te geven—als ’n fuif bij ons slagen wil, moet er +een groot quantum wijn de pit, de stuwkracht aan geven. Zonder dien +prikkel zijn wij ook niet vroolijk, zouden niet weten, wat te beginnen, +behalve als je heel jong en heel kinderlijk bent, en gelukkig door +allerlei waanbeelden.. maar dat is voor mij voorbij en sinds ik bewust +ben gaan leven, ga ik niet of zelden naar fuiven meer—ik heb er +geen plezier in, me buiten m’n zelf te brengen.”</p> + +<p>Hans had naar de laatste woorden geluisterd, <span class="pagenum"> +[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span>en wierp ’n notedop door +de kamer: “Subjectief, volkomen subjectief, beste kerel.... +Natuurlijk, ’n objectieve meening is ’n <span lang="la"> +contradictio in terminis</span>, zei Hegel;.... maar laat Wim de Veer +z’n opinie eens over onze fuiven zeggen. Die danst al van louter +pret, als hij nog geen druppel op heeft. Die fuift al, als er maar vijf +lui in ’n kamer bij elkaar zijn. “Waar twee of drie in naam +der vreugde te zamen zijn, zal ze in hun midden zijn” is +z’n devies. Laat die juffrouw Herderts inlichten.”</p> + +<p>“Hè ja, vertel ’s wat van de andere leden van +Laborando vincimus.—Van De Veer heb ik eigenlijk nog niets +gemerkt—is die zoo vroolijk?” Go keerde zich in warme +belangstelling naar Hans, maar Gerard mompelde: “’t Is +’n kind.”</p> + +<p>“Nee, dat is niet waar; ’t is ’n alleraardigste +jongen,” verdedigde Hans. “Een vagebond, ’n +losbandige, als je wilt, maar pittig, met ’n fond.... Je moet +’m op straat zien loopen: pet op, handen in de zakken, en toch +altijd dat aristocratische, omdat-ie nu eenmaal van goeie familie +is.... Hij fluit, blijft telkens staan, draait zich heelemaal om, als +hij ’n aardig meisje ziet, leert ’n paar kwajongens, hoe ze +hun vlieger op moeten laten, groet ’n prof met ’n +familiariteit of ’t z’n collega is—”</p> + +<p>“Als-t-ie ’m groet,” viel Gerard hoonend in; +“we kwamen laatst samen Hering tegen. Ik ken ’m toevallig, +maar hij behoorde vier uur college bij ’m te loopen.... Nu; ik +nam m’n hoed af, maar De Veer zegt: “Bejour” en toen +tegen mij: “Wie is die varkensslachter?”</p> + +<p>Go schaterde: “O, zeg, wat vermakelijk is dat! Zou de prof +boos zijn? Zag-ie er dan zoo schunnig uit?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span></p> + +<p>“Ja, schunnig ziet-ie er altijd uit. Maar nooit college +loopen, is toch geen manier.”</p> + +<p>“Nee; maar vertel verder; ik vind ’t zoo leuk.... vertel +ook over de andere menschen van ’t dispuut. Wie is de +aardigste?”</p> + +<p>“Hij,” zei Gerard en wees op Hans; Go had gehoopt het +gesprek zoo op Van Neerwinden te brengen; maar de geprezene had zich al +weer in Poe verdiept, en stoorde zich niet aan den lof.</p> + +<p>“Hoe is Beerenstijn?”</p> + +<p>“Knap, intelligent, eigenaardig. ’n Werker, ’n +vrouwenhater, of eigenlijk verachter.... Ik geloof niet, dat je +’m sympathiek zult vinden.”</p> + +<p>“Nee,” zei Go. “En Van Neerwinden?”</p> + +<p>“’n Rare vent. Talentvol, geniaal misschien, maar +decadent.—Ik mag ’m niet. ’t Is ’n vooroordeel +van me, maar die verfijning, die zwakke onrust, dat elegant-lieve is me +antipathiek. Het is geen kérel.”</p> + +<p>“Neen,” en Go glimlachte bij de gedachte aan z’n +fijne handen, z’n loome bewegingen. “Hij ziet er ook niet +sterk uit.... Och je kunt zoo weinig zeggen van de menschen na zoo +één avond.”</p> + +<p>“Ja; ’k ben blij, dat je er nu inkomt. Als je elkaar +geregeld ziet, wordt ’t zoo anders. ’k Zou willen, dat we +ons als een groote familie gingen voelen, bepaald als bij elkaar +hoorend.”</p> + +<p>Go knikte, zat stil voor zich uit te kijken. Achter haar stierf de +dag. Het grijze licht viel door haar zwarte krullen heen, haar gezicht +was in schaduw.</p> + +<p>En opeens hief ze de armen op, of ze iets groots omvatten wilde: +“Zie-je, toen ’k hier kwam,” zei ze zacht en gejaagd, +“verlangde ik de eerste dagen alleen maar naar huis terug, en ik +kon aan niets anders denken dan aan moeder en de <span class="pagenum"> +[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span>broertjes en zusjes, en +m’n kamertje naast de trap.... maar toen ik ’n beetje +gewend raakte op m’n kamer, begon ik iets te verlangen—ik +weet niet wat. Ik voelde opeens, dat er iets bizonders met me zou +kunnen gebeuren, dadelijk, ieder oogenblik van den dag.... Op straat +kon ik het tegenkomen; als ik thuis kwam, vroeg ik de juffrouw, of er +niets voor me gekomen was.... ik wist niet, wat ik verwachtte; ’t +was eenvoudig: <span class="letterspaced">de</span> verrassing.... En +het werd hoe langer hoe erger—het werd ’n onrust—ik +liep ’s avonds uit om het te zoeken, en dan ging ik langs de +dichte huizen, alleen, en ik begon langzamerhand te begrijpen, wat ik +wilde: ik had ’n heeleboel liefde en zorg, en behoefte om zacht +voor iemand te zijn, en die wilde ik aan de jongens geven, aan +àlle jongens.”</p> + +<p>Ze zweeg even, streek ’r haar van het voorhoofd. Gerard had +het gezicht naar haar voorovergebogen, keek haar in zwijgende spanning +aan.</p> + +<p>“Toen kwam de teleurstelling, dat ik ze niet kon bereiken; dat +ze daar allemaal in hun eenzame kamers zaten, of onvoldaan treuzelden +op de kroeg, en ik op de donkere straat liep, en ze niet wisten van +m’n verlangen;....en ik wist toch, dat zij ’t ook prettig +zouên vinden, hè, en dat ’t hun ook goed zou +doen!”</p> + +<p>“Het zou hun ’n zegen zijn,” zei Gerard +ernstig.</p> + +<p>“Maar op college sprak ik niemand, en ik mocht niet in de +kroeg, en ik dacht: wat helpt me al m’n goed-willen, als ik ze +niet eens naderen kan? Waar moet ik met m’n hartelijkheid heen? +En daarom ben ik zoo blij over Laborando vincimus;—ik weet het, +dat ik er vreeselijk veel leeren kan, dat jullie veel meer weten en +veel <span class="pagenum">[<a id="pb68" href= +"#pb68">68</a>]</span>knapper zijn dan ik; maar ik heb iets anders, dat +jullie missen;—ik zou zoo heerlijk vinden, als we veel voor +elkaar konden zijn.”</p> + +<p>Er viel weer een stilte in de kamer; Gerard zat stil; keek nu recht +voor zich uit. Klompgeklepper van kinderen, die uit school kwamen, +klinkerde tegen de ramen op, en schelle kreten joelden er jolig over +heen.</p> + +<p>“Ik weet ’t zoo goed, ik voel ’t, hoe ontzettend +veel goed ’n meisje in ons leven moet kunnen doen,” zei hij +eindelijk, en z’n harde, scherpe stem klonk schor van +ingehoudenheid. “Ik heb nu al zooveel jaar in eenzaamheid +geleefd, en er alle mogelijke houdingen tegenover aangenomen, en nog +altijd zijn er dagen, vooral de Zondagen, dat ik ’t gevoel heb +gek te worden van de stilte om me heen, dat ik bel om ’n niets, +alleen om weer ’s te kunnen praten, dat ’k iederen man, +dien ’k maar van aanzien ken, aanfluit, om toch gezelschap te +krijgen,—en zelfs—maar dat is de uiterste +wanhoop,—voor den spiegel ga staan, en lach en praat tegen +mezelf, dwaze buigingen maak, ’n gesprek op touw zet, om zoo +eindelijk aan ’t zwijgen te ontkomen.”</p> + +<p>“Ja, ik voelde ’t wel, dat ’t zoo moest zijn, +’t vroolijke studentenleven.”</p> + +<p>“Niet bij iedereen natuurlijk. Je hóórde daar +net van De Veer. En zoo zijn er meer. Als je pas aankomt, beken-je je +ook gewoonlijk niet, dat je eenzaam bent. Je zoekt mooie +vriendschappen. En als dat teleurstelt, ga-je fuiven. Maar er ligt +onder de uitgelatenheid, de dwaasheid, het cynisme, heel wat melancolie +en levensangst en onvoldaanheid verborgen. Dit zijn moeilijke +jaren.” <span class="pagenum">[<a id="pb69" href= +"#pb69">69</a>]</span></p> + +<p>“Als ik hun nu ten minste maar wat gezelligheid op hun kamer +geven kon.”</p> + +<p>“Begin met mij; ik zal zoo’n dankbare discipel +zijn.”</p> + +<p>“Goed,” zei Go. En toen stak ze spontaan haar hand uit: +“We zullen goeie vrienden zijn, wij samen, hè; we zullen +elkaar helpen.”</p> + +<p>“Zeg,” riep Hans uit z’n donkeren hoek, “ik +kan hier niets meer zien; zouên we niet ’s thee kunnen gaan +brouwen?”</p> + +<p>Go ging naar de kast, terwijl Gerard z’n studeerlamp aanstak. +En ze dacht, of ze ook Hans wat zou kunnen geven, of die zich ook wel +’s eenzaam voelde. Hij leek zoo tevreden in zich, zoo +zelfgenoegzaam,—wel hartelijk en lief, maar toch teruggetrokken. +Ze zou ook voor hem graag iets liefs willen doen; hij zag er zwak uit. +En toch zoo opgewekt!</p> + +<p>“Gezellig, nu met ’t licht op en toch half in schemer +thee te drinken.”</p> + +<p>“Ja, jij vindt de druilige dagen zelfs prettig, +natuurlijk.”</p> + +<p>“Binnen, ja. Maar juffrouw Herderts en ik moeten weer naar +’t vijandige buiten.”</p> + +<p>“Ja, ’t is al laat. Ze zullen al lang van hun +Poelgeest-wandeling terug zijn—”</p> + +<p>“Wie weet?” lachte Gerard. “Soms duurt zoo’n +uitstapje lang.”</p> + +<hr class="tb"> +<p>Go vond Else alleen in de donkere kamer; ze kon haar gezicht niet +zien, maar haar stem klonk opgewonden, toen ze: “Go, o, +Gootje!” riep. Stijf sloeg ze de armen om haar hals, fluisterend: +“Zeg, ik moet je wat vertellen—begrijp-je ’t +al—o, Go, nu worden we dubbel nichtjes!” <span class= +"pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e1092" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk VIII.</h2> + +<p>Toen de familiepartijtjes ter eere van de verloving van Henri en +Else, die zeer in den smaak viel, waren afgeloopen, besloten ze ook +voor de Leidsche vrienden een fuifje aan te richten, en wel speciaal +voor “Laborando vincimus”.</p> + +<p>Henri bedisselde, dat de volgende vergadering bij hem zou zijn, en +wilde dan in plaats van ’n gewoon nabroodje ’n fijn +soupertje met bloemen en ’n strijkje geven, waar de meisjes +natuurlijk bij zouden blijven, en Else als jeugdig bruidje gehuldigd +moest worden.</p> + +<p>Hij had eerst z’n plannen zooveel mogelijk voor Go en +“Vrouwtje” verborgen willen houden, maar ze vroegen +zóó dringend z’n kamer te mogen versieren en alles +mooi te mogen maken, dat hij steeds meer de leiding uit handen gaf, en +’t zelfs zóó ver kwam, dat ’s middags +vóór den plechtigen avond hij de deur werd uitgestuurd, +omdat hij ’t pas zien mocht, als alles klaar was.</p> + +<p>Z’n juffrouw, genietend van al die feestelijkheid in haar +huis, deed energiek mee, sloot triomfantelijk de deur af, en hij, +wanhopig, ’t opgevend “als drie vrouwen tegen ’m +wilden samenspannen”, <span class="pagenum">[<a id="pb71" href= +"#pb71">71</a>]</span>was gegaan, en niet teruggekomen +vóór ’t uur van de vergadering, toen de hospita +’m dadelijk vertrouwelijk meedeelde, dat alles “keurig en +keurig” was,—als meneer nu nog maar den wijn uitgeven +wilde; en Go en Else, even later, stralend, in lichte partij-jurken met +bloemen, die Han ze gestuurd had, waren ’m ook komen verzekeren, +dat hij tevreden zou zijn, en dat z’n juffrouw een parel was.</p> + +<p>De vergadering liep geregeld en geanimeerd af; er was feeststemming +in de lucht, de meeste jongens droegen mooie jasjes, behalve +Beerenstijn, die altijd een grofgrijs colbertje aan had; bij de thee +werden taartjes en bruidsuikers gepresenteerd, en in de pauze was er +’n groot bouquet voor Else gekomen van het dispuut.</p> + +<p>Zoodra Henri’s hamer voor de laatste maal was +neergevallen,—Else had ’m het symbool van z’n +waardigheid meermalen afgenomen, had er mee zitten spelen, ’m +laten vallen, er Han mee gestreeld, zoodat Beerenstijn had gepreveld: +dat voor ’n praeses van een dispuut, evengoed als voor ’n +priester, ’t coelibaat verplichtend moest worden +gesteld,—was Go de kamer uitgeloopen, om ’n laatsten blik +over de tafel te laten gaan, die in de kamer van Han’s buurman +stond aangericht, en het strijkje bestaande uit piano, viool en +violoncel ’n teeken te geven, dat ze beginnen konden.</p> + +<p>Toen riep ze, als gastvrouw, de anderen om binnen te komen. De +“<span lang="de">Hochzeitsmarsch</span>” jubelde hun al op +de gang tegemoet, en bij de deur bleven ze stilstaan van verrassing: +alle lichten van de kroon waren aan, en op den schoorsteen stonden +luchters met brandende kaarsen, die hun <span class="pagenum">[<a id= +"pb72" href="#pb72">72</a>]</span>vlammetongen in den spiegel +weerkaatsten. Daar hing veel fijn groen, met ’n enkele chrysant +er tusschen sierlijk van af, uitloopend in een ijlen, slanken slinger, +die om de klok was gelegd, en de wijzerplaat goelijk bedekte.</p> + +<p>Vazen met chrysanten en daliahs stonden op kleine tafeltjes, sierden +het tot buffet gepromoveerde bureau. Aan de kroon hing de gladgroene +hulst met vroolijke, roode bessen; maar de tafel zelf was sober +gehouden, met slechts los hier en daar ’n viool of wat kleine +asters;—bij de borden van Han en Else alleen ’n kring van +groote rozen, rood en wit.</p> + +<p>Han had in verrukking Else’s arm genomen, leidde haar, trotsch +en zalig, de lichte kamer in.</p> + +<p>Go zag de ontroering op hun jonge gezichten, voelde haar oogen warm +worden, onder ’t angstige wenschen: dat ’t toch altijd zoo +blijven mocht,—en toen Eduard zich naar haar overboog: “Mag +ik jou aan tafel brengen,” trilde haar hand op z’n arm +zóó, dat hij haar bezorgd in ’r ontstelde gezicht +keek en teeder zei: “O, wat zie-je bleek! Wil-je ook liever nog +wat naar de andere kamer?”</p> + +<p>Ze schudde stil haar hoofd, keek dankbaar de tafel langs: Elsi en +Henri daar, Frieda tusschen Hans en Beerenstijn—dat was de +eenige, die de vrouwenhater nog wel kon lijden—zij naast Eduard, +Rolands aan den anderen kant. Dat was ’n stil ventje, zou haar +niet storen;—Eduard had háár +gevraagd,—beteekende dat, dat hij haar aardig vond? Nee, veel +zeggen deed ’t niet: Else soupeerde natuurlijk met Han, en Frieda +was niets voor hem, zoo strak en sterk,—die zou ’m zeker, +net als Gerard, “geen kerel” vinden;—Frieda was echt +’n meisje om te studeeren, zoo <span class="pagenum">[<a id= +"pb73" href="#pb73">73</a>]</span>helder en rustig, zoo +eenvoudig-verstandig altijd.—</p> + +<p>“Had-je liever ergens anders willen zitten?” vroeg +Eduard zacht.</p> + +<p>“Nee, waarom?”</p> + +<p>“Je kijkt zoo rond en je bent zoo stil.—Is er dan wat +anders?”</p> + +<p>“Nee; ik dacht er over, dat Frieda en jij elkaar niet aardig +zouden vinden.”</p> + +<p>Hij lachte zacht, haar fixeerend, terwijl z’n oogen steeds +dieper glans kregen.</p> + +<p>“Zoo, en waarom niet?”</p> + +<p>“Ik weet niet. Ik ken je nog wel niet lang.... maar je +vóelt zoo, hoe iemand moet zijn, vanzelf. Als je de klank van +z’n stem hoort, z’n bewegingen ziet, z’n kamer, +z’n boeken....”</p> + +<p>“En wat denk-je dan van mij?”</p> + +<p>“Dat je van een menschensoort bent, dat Frieda niet +appreciëert.”</p> + +<p>Ze zweeg, en speelde nerveus met haar glas. ’t Was vreemd, dat +ze met hem veel minder goed praten kon dan met Gerard; met dien kwam +’t intieme, ’t belangrijke vanzelf; met Eduard liep elk +gesprek dadelijk dood, terwijl ze juist aan hem zoo graag haar +vertrouwen zou willen geven.</p> + +<p>Ieder zinnetje, zelfs ’t gewoonste, van hem, klonk als een +liefkoozing: dat verwarde haar;—’t was net, of z’n +oogen, onder de banale woorden door, haar steeds zeer ontroerende +dingen zeiden; maar ze wist niet zeker, of ze zich dat misschien maar +verbeeldde. Zooals hij nu met z’n hoofd over z’n bord zat, +gretig etend van de kip met compôte, leek ’t ’n +gewone, knappe jongen, zonder geheime charmes.</p> + +<p>“Waarom kijk-je me zoo aan, Go? Je maakt <span class= +"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span>me verlegen.” +Z’n stem zong doordringend en ze voelde opeens ’n gezond +ongeduld opkomen, tegen de verslappende bekoring, waarmee hij haar +omspon.</p> + +<p>“Ik had niet gedacht, dat je zooveel zou eten,” zei ze +met ’n lachje: “dat hoort niet bij je figuur.”</p> + +<p>“Je zult me nog wel eens meer iets zien doen, dat niet bij +m’n figuur past, in jouw oogen;—consequent zijn in alles, +wat je doet, is vrijwel synoniem met onwaar-zijn. Zoo iemand heeft +’n idee in z’n hoofd, ’n tooneelfiguur voor oogen, +die hij nabootsen wil.... Wie tegenwoordig ’n harmonisch mensch +lijkt, speelt alleen z’n rol bizonder goed.—We zijn +allemaal bij elkaar gelijmd uit niet-bij-een-passende stukjes, goed en +slecht en sterk en zwak—wij modern-onrustigen. Ieder mensch is +’n eenheid van tegendeelen.”</p> + +<p>“Toch niet allemaal,” zei Go zachtjes, die niet thuis +was in de Hegliaansche terminologie, “kijk Elsi en Henri nu +’s, en Hans—en Frieda—”</p> + +<p>“Wat weet iemand eigenlijk van den ander af!—Ik ken +alleen de tweespalt in mezelf, en daarnaar meet ik ’t geluk af +bij andere menschen.”</p> + +<p>“Dat wordt later natuurlijk beter; dit zijn de moeilijkste +jaren.—”</p> + +<p>“Later, als ik een geposeerd mensch ben geworden, meen-je; als +ik ’n baantje heb, en nòg meer eet en drink dan nu, en +nòg....”</p> + +<p>“Als je je nuttig maakt—”</p> + +<p>“Nuttig voor anderen—als rechter—redder van de +menschheid, steun van weduwen en weezen—prachtig, hè? +Maar, <span lang="la">sancta simplicitas</span>, laten we toch ’s +ophouden met de dwaze inbeelding, of we wezenlijk voor ’t heil +van onze medemenschen zoo’n baantje entameeren, en er ons <span +class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span>mee bezig +houden tot ’t einde.—Honderd anderen zouên ’t +immers even goed kunnen als wij, kijken ons met nijdige, afgunstige +gezichten aan.—Welk mensch is in deze tijden van overbevolking +onmisbaar? Als hij méér kan dan ’n ander, laten dan +drie of vier z’n plaats innemen; krachten genoeg; daar hoef-je +niet zuinig op te zijn.”</p> + +<p>“Maar wáárom dan?” vroeg Go, “en wat +moet je dan....”</p> + +<p>Hij haalde z’n schouders op, en keek stroef voor zich uit. Hij +scheen z’n buurmeisje en de tafel vergeten; z’n stem was +hard, als metaalklank, en ’n waas hing over z’n +oogendiepten.</p> + +<p>“Het eenige, wat ’n mensch doen kan, is, maken, dat de +tijd zoo onopgemerkt mogelijk voorbij gaat,—daarom fuiven we, +daarom werken en lezen, en eten en slapen we. Ieder naar z’n +aanleg. Ieder kiest, wat ’m ’t beste bezighoudt. Je vindt +’t ’n leelijke levensopvatting,—je gelooft ’t +niet,—wacht maar; als je ouder bent.”</p> + +<p>Het strijkje, dat in de alkoof bij de piano zat, viel vroolijk in +met de matchiche, en De Veer, z’n stoel achteruit gooiend, sprong +vreugdevol op, wierp ’t lijf achterover, en danste, den +vroolijken kop door ’t gulden licht overstroomd. Hij had zich +asters achter de ooren gestoken, hield ’n roode daliah tusschen +z’n lippen, en terwijl hij steeds joliger danste, klapte hij met +de vingers, als om zichzelf aan te hitsen.</p> + +<p>“Zóó richt hij z’n leven in,” zei +Eduard met ’n mat lachje, maar Go zag hier de heerlijke, echte +uitgelatenheid, zooals ze altijd bij jongens had vermoed, klapte in de +handen en riep: “mooi, mooi! O, laten we straks toch gaan +dansen.”</p> + +<p>“Praeses, mag ik nu misschien ’s het woord,” riep +<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>Gerard, +den betrokkene, die zich heel weinig met de tafel bemoeide, en juist +bezig was z’n meisje ’n roos in ’t haar te steken, +met ’n notedop gooiend.</p> + +<p>“Och kerel, laat me met rust. Ik heb vanavond toch niet de +leiding. Doe, wat je niet laten kunt, maar bel dan eerst om ’n +paar nieuwe flesschen.”</p> + +<p>Gerard sprak met overtuiging, terwijl hij eerst, ’n beetje +over de tafel geleund, Han en Else nog ’s hartelijk +gelukwenschte, daarna zich richtte tot de meisjes in ’t algemeen, +die voor ’t eerst ’n feestje met hen hadden willen +meemaken.</p> + +<p>“Ik weet, jullie hebben eenvoudig-weg: ja, gezegd, omdat je +ons als vrienden beschouwt, en met ons ’t verlovingsfeest, waar +we allemaal blij om zijn, wilde vieren. Jullie hebt er geen ernstige +theorieën bij verkondigd; maar ik zie, zooals jullie hier nu +vroolijk en gezellig in ons midden bent, jullie toch als baanbreeksters +van het nieuwe leven, waar de verhouding tusschen jongens en meisjes +’n wezenlijk vriendschappelijke, wezenlijk elkaar steunende zal +zijn. Hoeveel goed dat ons, jongens, zal doen,—we weten ’t +hier wel allemaal van onszelf, dat de meisjes veel aan ons te +verbeteren zullen hebben—”</p> + +<p>“Wij nog meer aan de meisjes, àls er iets aan te +verbeteren valt,” viel Beerenstijn uit, maar Hans bedreigde +’m met de spuitwatersiphon, en Gerard maakte er nu maar gauw +’n eind aan, met te drinken op de goeie verhouding en den bloei +van de leden van “Laborando vincimus”.</p> + +<p>“Mag ik ’t woord, praeses,” drong Beerenstijn, +“om te herinneren aan ’n uitspraak van Erasmus in +“<span lang="la">stultitiae laus</span>”, dat de grootste +aantrekkelijkheid van de vrouw—”</p> + +<p>“Meneer Beerenstijn, ik verzoek u de stemming <span class= +"pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span>niet te +storen....” beval Han plechtig, maar Frieda viel levendig in: +“Ik weet, wat je meent. Oppervlakkig is er iets +vóór te zeggen. Maar je ziet in meisjes-studenten te veel +’t liefhebberen in de wetenschap; je hebt er zeker nog nooit +ontmoet, bij wie ’t wezenlijk ernst is, als bij ’n +man.”</p> + +<p>“Dat heb ik wel; jou bijvoorbeeld. Daarom heb ik ook heelemaal +niet ’t land aan je; maar je bent nu ’n kameraad geworden, +geen meisje meer voor me,—maar zooals die ’t +doen,”—hij keek naar Else en Go—“dat ’s +vleesch noch visch.”</p> + +<p>“’t Zijn toch aardige kinderen.”</p> + +<p>“Als ze niet studeerden. Als ze niet hun grootste charme: hun +onwetendheid, zoo gauw mogelijk trachtten kwijt te raken. Ik wil geen +vrouw, die net zooveel weet als ik, of ’t zich tenminste +verbeeldt. En ze worden leelijk.”</p> + +<p>“Dat hoeft niet,” riep Eduard; en Go vond vreemd, dat +hij ook op zoo’n manier over meisjes praten kon. Ze kreeg +’t gevoel, of voor jongens ze toch voorloopig nog wel iets heel +ver-afs moesten blijven, half vereerd, half getiranniseerd, als +’n weeldedingetje.</p> + +<p>Gerard zag ’t in haar oogen. “Hoe denk-je nú over +de leden van ons dispuut? Nóg geavanceerd, of wel ’n +beetje bekrompen en banaal?”</p> + +<p>Maar nu riep De Veer, of hij eindelijk ook ’s wat mocht +zeggen, en ze keerden zich allen verwachtend naar het stralende, +opgewonden jongensgezicht, waarin de donkere oogen als zonnetjes +flonkerden.</p> + +<p>“Ik spreek naar aanleiding van den toost van Leeden, en ik heb +er niet vooruit over nagedacht en niet klaargemaakt, wat ik wou +zeggen—” <span class="pagenum">[<a id="pb78" href= +"#pb78">78</a>]</span></p> + +<p>“O, jerum!” zuchtte Hans, “als dat dan maar goed +afloopt.”</p> + +<p>“Maar ’k wil uiten, wat ik voel, en dat is: blijdschap +en verwachting. Ik heb, terwijl Gerard sprak daareven, ’n visioen +gehad; dat was: de algeheele verbroedering en verzustering. Ik zag de +meisjes op onze kroeg, tusschen ons, met potten bier....”</p> + +<p>Men begon zachtjes te proesten. Han alleen zat ’n beetje +gespannen, met z’n mes in de hand, om af te tikken, wanneer +’t te erg werd.</p> + +<p>“Ik zag ze met ons meedoen op de rijjolen, mee inklimmen in de +huizen.”</p> + +<p>Het werd rumoeriger aan tafel; het lachen steeg.</p> + +<p>“Ik weet ’t wel; we zijn nog ver af van dat alles. En ik +weet niet, of ik dien ideaal-toestand nog meemaken zal, als +student.”</p> + +<p>“Studeer maar door, op dezelfde manier, als je bezig bent; dan +heb-je veel kans,” interrompeerde Gerard; maar de redenaar hernam +onverstoorbaar:</p> + +<p>“Er moet nog veel veranderen, voor we zoover zijn. De meisjes +moeten veel sterker worden, dat ze er beter tegen kunnen ’n nacht +op te blijven.... ze moeten meer wijn leeren drinken,”—en +hij keek verwijtend naar de glazen van Else en Go, die nog half vol +waren; Frieda was geheel-onthoudster—“hun kleeding moet +veranderd worden, dat ze gemakkelijker alles mee kunnen +doen....”</p> + +<p><a id="xd0e1236"></a>Nu tikte Henri: “Dank u, meneer De Veer; +’t is genoeg geweest.”</p> + +<p>De tafel lag flauw. “Kerel, kerel,” hikte Hans, +“je bent onbetaalbaar. Laat-ie toch doorgaan, meneer de praeses, +als hij ergens ter wereld iets nog dwazers verzinnen kan.” <span +class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span></p> + +<p>“Maar ik meen het,” verweerde De Veer zich, toch niet +gepiqueerd, “op ’t oogenblik mag ’t vreemd lijken, +maar over ’n jaar of tien....”</p> + +<p>“Gekken,” mompelde Beerenstijn, die juist zag, dat Henri +en Else samen van een bordje aten, “als er hier nog een +geëngageerd paar komt, ga ’k er uit.”</p> + +<p>En z’n oogen bliksemden naar Eduard, die ’n waterlelie +uit z’n sinaasappelschil voor Go maakte.</p> + +<p>“Omdat die vent nu zekere capaciteiten heeft, die wij, +jongens, niet in ’m kunnen waardeeren,” zei hij tegen +Frieda, “moet ’t hier nou per se ’n +backfischen-bewaarplaats worden; die vinden ’m natuurlijk +allerliefst.”</p> + +<p>Go had zich hartelijk naar De Veer overgebogen; haar oogen waren +diep donkerblauw in haar warm gezicht: “Laat je eens bij ons op +de club introduceeren, Wim,” zei ze vertrouwelijk, “dan +zul-je ’s zien, dat van gezamenlijk fuiven zoo gauw nog niets +komen zal; we zijn daar zoo ernstig, zoo wijs....”</p> + +<p>“O, meneer, daar benne ze van de pelisie,” kwam de +juffrouw ontzet, “der mag geen muziek meer gemaakt worden, +’et is half drie.... ze wille binne.”</p> + +<p>“Nou láát maar,” zei Han laconiek, +“dan krijgen ze óók een glaasje,”—en +dan tegen ’t strijkje: “Goeie broeders, pakken jullie de +bullen nou maar in en bedankt voor je praestaties.”</p> + +<p>“Maar dan ga ik toch naar huis,” zei Frieda +opstaande.</p> + +<p>“En ’t dansen dan?” vroeg Gerard, “we hebben +nu de muziek juist noodig.”</p> + +<p>De strenge politiedienaar posteerde zich in de gang. +“Hè, hoe zonde, het dansen,” klaagde <span class= +"pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>Gootje, en Eduard +sloeg even den arm om ’r heen, draaide rond, ’n wals +tusschen de tanden neuriënd.</p> + +<p>“Mantels, hoeden,” schreeuwde Hans als ’n +omroeper.</p> + +<p>“Neem jullie wat bloemen mee, meisjes!” vroeg Han, de +rozen voor Else inpakkend.</p> + +<p>“In naam der wet er uit!” gilde de kleine Rolands; wat +Eduard stil deed staan en zeggen: “God, ventje ben-jij er ook +nog, en den heelen avond wakker geweest.... en Hoefman ook.... die was +natuurlijk net bijna zoo ver, dat-ie ’n dichterlijke speech in +elkaar had, en nu hebben we ’m den heelen avond niet +gehoord.”</p> + +<p>“Pak je goed in,” zei Gerard bezorgd tegen Go, “je +bent zoo warm.”</p> + +<p>“<span lang="en">Ready?</span>” schreeuwde Beerenstijn, +die met den agent naar beneden was geloopen.</p> + +<p>“Een, twee, drie, zeven, negen, elf. We zijn compleet,” +telde Gerard de leden. “Hoe gaan we nu verder?”</p> + +<p>“We blijven bij elkaar; eerst naar Frieda’s huis; <span +lang="fr">allons, enfants</span>.”</p> + +<p>’t Was doodstil op straat, en ’n koude nacht. Ze werden +vanzelf er allemaal kalmer door. Go dacht, hoe moe ze den volgenden +ochtend zou zijn; ze zou wel niet naar college kunnen. Ze hoorde Hans, +die classicus was, met den schuchteren Hoefman boomen over de studie in +de Nederlandsche letteren.</p> + +<p>“Toch wel lollige lui, die ouê snuiters,” vond +Hans, maar Hoefman zei:</p> + +<p>“Misschien spreek ik met te weinig zaakkennis, maar behalve +Hooft en Vondel lijkt ’t me toch niet veel. De Reinaert.... nou +ja, heel aardig; maar toch niet zóó, dat ’t een +literatuur redt. <span class="pagenum">[<a id="pb81" href= +"#pb81">81</a>]</span>En later Potgieter en Beets en Staring; dat lijkt +allemaal zoo ver af; zooveel verder dan Franschen of Duitschers van +denzelfden tijd... ’t is zoo burgerlijk-degelijk, zoo gezond en +soliede, dat je zelf ook stevig op je beenen moet staan, wil je +’t kunnen appreciëeren... en wie is zoo, +tegenwoordig...”</p> + +<p>“Vooral omdat ’t mode is, dat mislukte, dweperige +genieën en sentimenteele meisjes die studie kiezen,” bromde +Beerenstijn, in de hoop, zoowel Hoefman als Margo te kwetsen.</p> + +<p>Maar Eduard zei juist: “Hoe grappig toch, dat jullie zelf den +sleutel hebt; zoo niets voor ’n meisje.”</p> + +<p>En dat vond ze, voor ’t eerst, niet prettig, zich +verwonderend, dat jongens er juist zooveel tegen hadden, als meisjes +meer met hen mee gingen leven; hen beter gingen begrijpen.</p> + +<p>“Slaap lekker, wel te rusten; nàcht, +nàcht!” riepen de heldere stemmen over ’t stille +grachtje.</p> + +<p>En de meisjes klapten de deur dicht.</p> + +<p>Maar bleven in de schemerige gang, waar alleen ’n klein +olielampje op ’t meterkastje brandde, nog even stil luisteren +naar de voetstappen, hol-opklinkend bij ’t gaan over de oude +brug. <span class="pagenum">[<a id="pb82" href= +"#pb82">82</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e1304" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk IX.</h2> + +<p>Go stond ’n beetje te treuzelen in de gang bij ’t +college-lokaal, knoopte haar regenmantel langzaam dicht, huiverende om +z’n vochtigheid. De meeste jongens waren al weg gestommeld, na +eerst bij de deur ’n cigaret te hebben opgestoken, en die scherpe +geur was prikkelend in de vochtige atmosfeer blijven hangen, hinderde +Go aan haar verkouden-ontstoken keel.</p> + +<p>“Breng je me misschien naar den trein?” vroeg Lou, die +spoorstudent was.</p> + +<p>“Nee, ’t kind is veel te verkouden,” besliste +Coba, het andere eerste-jaartje, dat en pension leefde bij ’n +groote, gezellige familie. “Ga met mij mee; mevrouw heeft zeker +thee, en dan kan ’k je ’n kleedje laten zien, dat ’k +voor haar wil maken.”</p> + +<p>Go schudde ’t hoofd: “Nee; ’k ga maar dadelijk +naar huis. Zoo ellendig zulk weer, als je net zoo verkouden bent. Nee, +dank je; ’k heb geen zin om mee te gaan; ’n andere keer +’s.”</p> + +<p>Maar loopend door de druilige gang, waarvan ze de zware deur slechts +met moeite open kon hijschen, dacht ze, hoe ongezellig ze haar kamer +<span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span>vinden +zou, verlaten, somber, zonder vuur;—de juffrouw zou wel uit zijn +of visite hebben; de menschen in huis met elkaar vroolijk en +gezellig,—niemand zich bekommerend om haar; nee, ’t was +maar beter, als ze niet ging, vóór ’t eten; dan +werd er tenminste op haar gerekend, zou de kachel branden, en Else er +zijn;—zou ze die nu misschien van college gaan halen? maar +natuurlijk had ze ’n afspraak met Henri; dat was elken dag zoo, +en ’t sprak ook vanzelf;—de bibliotheek.... ja, dat zou het +beste, ’t eenige zijn. Ze kon ’r responsie voor Hooft vast +prepareeren. Mogelijk zou er ook iemand zijn, die ze kende. Gerard +niet, dien had ze dien <span class="corr" id="xd0e1319" title="Bron: +ochten dnog">ochtend nog</span> gesproken, ging den heelen dag naar Den +Haag met Hans, om ’n kamerzitting bij te wonen; Eduard misschien, +of Frieda; of Mary Bruining, waar ze altijd nog ’s naar toe zou +gaan.</p> + +<p>Wat was de gang somber en bedompt met al die natte jassen en +parapluies en overschoenen, en hoe druilig zag de boekenzaal er uit +door het glimmerige glas. Zacht suisden de deuren dicht en weer open; +de menschen liepen voorzichtig en bedaard, praatten met fluisterende +stemmen en matte lachjes. En het jongetje, dat de boeken aansjouwde had +’n verschrompeld, wit gezichtje, als ’n heel oud mannetje, +terwijl hij al die wijsheid toch alleen maar met z’n handen +aanraakte en z’n hoofd er niet mee hoefde te martelen.</p> + +<p>Ze ging naar de groote boekenkast rechts, om de zware, in-zich-zelf +gekeerde woordenboeken van de plank te kantelen, en voor zich op te +stellen op ’n nabij tafeltje. Ze moest eigenlijk ’n beetje +lachen om al die wichtigheid; zóó au sérieux kon +ze haar studie niet nemen, dat ze <span class="pagenum">[<a id="pb84" +href="#pb84">84</a>]</span>vond in deze omgeving van geleerdheid en +ernst te passen; ze voelde zich veel meer ’n kind, dat, in +vader’s studeerkamer binnengeslopen, blijven mag, zoolang ze niet +lastig is. Onwillekeurig keek ze ’s door de zaal, of de anderen +’t ook niet grappig vonden, maar de stil-gebogen hoofden hadden +niet bewogen, en een man, die met ’n paar dikke wetboeken de zaal +door ging, keek langs haar heen, met niet-zienden blik.</p> + +<p>Ze ging nu stil zitten, en dacht, dat ’t toch wel ’n +rustige zaal hier was: donker eiken met dof goud, de voetstappen +gedempt door het dikke cocos. Maar ook triestig, kloosterachtig, om de +dikke, ijzeren hekken voor de ramen, waarachter het nat-verwaaide +tuintje lag met de kale heesters. Hoe desolaat was het stille Leiden op +zóó’n dag; haast niemand op den weg, niets te zien +dan droeve boomen en het doffe grachtewater, en de oude, suffe huizen, +waarvan de oogen blind leken.</p> + +<p>Ze dacht nu ook weer aan den ouden tuin achter college, die toen ze +pas aankwam schitterend van tinten en herfstverkleuringen was geweest, +en haar dezen middag door ’t beregende venster zoo’n +allerdroevigst beeld van verwaarloozing had geschenen. Dikke hoopen +rottende blaren overal op den doorweekten grond, schraal-uitgeschoten, +omvergewaaide heesters over de grasperken, afgeknakte wingerdranken +over het priëeltje; en dan steeds maar door regen, stilletjes +neersijpelend en druppend van alle boomen en huizen.... Nooit mocht er +iemand komen in den tuin. En die eenzaamheid van jaren maakte ’m +nog zieliger....</p> + +<p>Ze moest maar liever met ’r rug naar ’t raam <span +class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>gaan zitten; +dat uitkijken in zoo’n regenstad maakte maar melancoliek. Zoo kon +ze ook rustiger zien, wie er waren, en dan gaan werken, want daarvoor +was ze toch gekomen.</p> + +<p>In den hoek aan den overkant zaten ’n paar meisjes, die samen +uit een boek lazen en excerpeerden: ze waren er in, met opgewonden +toewijding, niet met het rustige, overgegevene, waarmee ze jongens hier +werken zag.</p> + +<p>Wat kende ze toch betrekkelijk nog weinig studenten: die van +“Laborando vincimus,” en van college: en nog ’n paar, +die ze zoo’s toevallig bij andere meisjes had ontmoet,—maar +van die hier nu zaten, niemand. En twaalfhonderd waren er in deze stad. +Hoe weinigen daarvan zou ze ooit kennen: hoeveel aardigen, die wat voor +haar zouden kunnen zijn, nooit bereiken. Dat Indische jongetje nu b.v. +tegen den glasmuur; wat ’n sympathiek, intelligent gezicht; en +wat goedig, zooals hij het boeken-sjouwertje op den schouder tikte en +toelachte. En die bleeke man bij de groote tafel, met die extatische +oogen, en z’n lange, doorschijnende handen. Dat zou wel van de +studie komen, de “romantische”. Maar als ze niet werkte, +zou zij dat nooit vinden; en ze steunde haar koortsig hoofd in de hand; +wat bonsde het hevig, en ze was zoo dof.</p> + +<p>“<i>Vast alleens</i>—de l is hier verdubbeld evenals in +alleen voor al-een—<i>gink het den graave van Hoorne, die, +neemende zijnen weg door een’ anderen hoek der huizing, van +Hieronimo de Salinas, burghvooght van Portheroole....</i>”</p> + +<p>Het tochtte in haar hals, en de rillingen gleden griezelig van haar +achterhoofd door haar rug;—ze moest eigenlijk ergens anders gaan +zitten, <span class="pagenum">[<a id="pb86" href= +"#pb86">86</a>]</span>maar die boeken waren zoo zwaar; ze voelde +’t ’s avonds altijd aan haar polsen, als ze ’s +middags op de bibliotheek gewerkt had—“meer dan in haar +hoofd,” had Hans geplaagd....</p> + +<p><span class="corr" id="xd0e1353" title="Niet in bron"> +”</span><i>Burghvooght van Portheroole</i>”—waar zou +dat liggen? Zou het ’n stad zijn? De professor vroeg soms de +onverwachtste dingen en ’t was zoo naar, als je zeggen moest, dat +je ’t niet opgezocht hadt. Zacht haar stoel achteruit-schuivend +stond ze op, gleed de mat over, langs de gloeiende kachel; daar links +stonden de boeken voor geographie, geloofde ze. Ach, ’t was zoo +moeilijk ’n beetje den weg te leeren kennen, ’n beetje te +begrijpen, hoe je studeeren moet. Dat daar in de hoogte moest ze +hebben: “Lexicon der Geographie”;—maar ze kon er niet +bij;—zou ze vragen aan dien langen,—zou ze op ’n +stoel klimmen?.... Ze lachte; ze voelde zelf, dat ’t grappig was, +zooals ze daar stond, in de hoogte, met ’r armen vol; ze bloosde, +en blozend zag ze naar de anderen;—niemand keek; ze zaten daar +stil over hun boeken gebogen, verdiept in hun belangwekkende +wetenschap, en wat ’n kinderachtig meisje voor toeren maakte +achter hun rug, daar stoorde zich niemand aan.</p> + +<p>Ze voelde ’n boosheid in zich opkoken, terwijl ze nerveus de +bladzijden omsloeg: jongens, studenten, waren dat jonge menschen? waren +dat frissche, gezonde menschen, die in hun boek bleven kijken, als +’n aardig meisje iets grappigs deed; die niet merkten, of ze +binnenkwam of wegging; voor wie ze niets dan ’n ook-studeerende +was? Ze wist: ze was nooit coquet geweest; van klein kind af had ze een +afkeer gehad van aanstellerij, en ze had altijd met de jongens van +<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span>school +open en eenvoudig omgegaan. Maar ze had ’n sterk ontwikkeld +vrouwelijk gevoel, dat maakte, dat ze altijd als haar prettig recht had +aangenomen, als de leeraren en leerlingen in hun levendige +belangstelling en hartelijkheid dat ondefiniëerbare, +aangenaam-eerbiedige en toch teedere hadden gelegd, dat haar deed +voelen, dat ze ’n meisje was.</p> + +<p>Dit bewustzijn was in àl haar doen, en ze wist, dat ’t +natuurlijk en dus ook goed was; ze had instinctmatig gevoeld, dat +Frieda het niet kende, daarom misschien wel zoo buitengewoon geschikt +voor studie was;—maar dan moest zij er maar minder geschikt voor +zijn, ’t verloochenen deed ze toch niet, en uitdrogen, als die +jongens hier, daarin had ze ook geen zin. <i>Portheroole</i> kon ze +niet vinden, en voor haar part kon de geheele universiteit worden +afgebroken, als je zóó van de studie worden moest, de +“romantische” studie. Als ’t college-uur uit was, en +de professor de deur achter zich had dicht gedaan, dan had ze verwacht, +dat de vrijgelaten jeugd als losgebroken geiten door elkaar zou +springen, en lachen en praten en op de tafels klimmen.... maar dan +bleven al die jonge-menschen-onder-elkaar, zonder toezicht, stil zitten +doorschrijven, tot ze ook de laatste woorden van wijsheid zorgvuldig +hadden opgepend, en dan schoven ze langzaam de gang in, de jongens +rookend en dof pratend in groepjes, de meisjes zeurig-hangend in het +kamertje, waar hun kleeren lagen en ’n lucht was van bleekpoeder +en gestoofd eten.</p> + +<p>Natuurlijk, ze waren geen kinderen meer; en de studie had hun +wezenlijke belangstelling. Maar in den vrijen tijd moesten ze toch +jongens en <span class="pagenum">[<a id="pb88" href= +"#pb88">88</a>]</span>meisjes blijven, die jong waren, geen +dictaten-penners, zonder leeftijd.</p> + +<p>Die ellendige gematigdheid in alles! Nu had ’t vier uur +geslagen; dan werd de bibliotheek gesloten. Er was de laatste vijf +minuten niet telkens op de klok gekeken, of ’t nog geen tijd zou +zijn; maar nu was er ook geen teleurstelling, dat ’t al zoo laat +was; niemand wilde nog gejaagd wat afmaken; geen dacht er over zich +tegen ’t reglement te verzetten.</p> + +<p>Het bleeke kind-mannetje zette de deuren open, en in de boekenzaal +werd ’n beetje luider gesproken.</p> + +<p>“Dat’s wéér ’n dag,” dacht Go +op de gezichten te lezen, die telkens beleefd de langzaam-wegstappende +werkers groetten. Ze zag ze nog voor zich uitloopen op ’t +Rapenburg, met tragen, vasten gang, en was blij, toen ze De Veer +tegenkwam, te paard, met z’n pet achterover op z’n +hoofd.</p> + +<p>“Ik ben naar “de Vink” geweest; wel wat nat! mag +’k ’n eindje met je mee rijden?”</p> + +<p>Go lachte: “Je zit daar zoo hoog, dat ’k m’n +verkouden stem niet zoover uitzetten kan.”</p> + +<p>“Ik kan er toch niet afkomen; dat is zoo’n manoeuvre! Je +moet warme punch drinken, als je keelpijn hebt.”</p> + +<p>“Jongen, we houën er geen wijnkelder op na!”</p> + +<p>“Zeg, is ’t waarachtig waar, dat jullie op júllie +kroeg alleen limonade drinken?”</p> + +<p>“En thee!”</p> + +<p>“Limonade en thee! <span lang="en">Good gracious!</span> Het +is ongeloofelijk! Moest je in ons corps komen! Maar dat is ook +buitengewoon. Het Leidsche corps is ’t beste, dat er is; dat is +bekend. En ik weet, dat jij ’t er leuk zou vinden. We hebben +laatst <span class="pagenum">[<a id="pb89" href= +"#pb89">89</a>]</span>op ’n nacht ’n fakkeltocht over de +daken gehouden. Toen heb ik aan je gedacht. Het zou wel wat lastig voor +je geweest zijn, maar ’k weet zeker, dat je graag zou zijn +meegegaan. Nog een grappige geschiedenis met ’n agent, die +’t huis binnenkwam, en per se m’n naam wou weten, die +’k nou ’s niet zeggen wilde. Heel gemoedelijk alles. De +kerel kreeg ’n sigaar en ’n pot bier. Maar later zijn we +gaan vechten. Die snee, zie-je.”</p> + +<p>“Maar Wim; je doet toch erg dwaze dingen, geloof ik,” +berispte Go, die ’t toch eigenlijk alleen maar grappig vond, +terwijl ze moest denken, wat moeder daar wel van zeggen zou, vechten +met ’n agent, in den nacht op straat. “Maar die fakkeltocht +zou ik dol-graag hebben meegemaakt.”</p> + +<p>“Ja, hoe jullie dat uithouden, zonder feesten, begrijp ik +niet. Het is zoo iets heerlijks, ’s nachts in ’n bakje of +op de kroeg. Of ’n fijn dinertje na ’n examen.”</p> + +<p>“Je hebt dus nog al plezier in je leven?”</p> + +<p>Hij lachte, en tikte z’n paard even op den hals: “Ken-je +“Rotte Blaren”, die bundel studenten-versjes? Daaronder is +er een, waarin wijze menschen ernstig vragen, waarom we toch zoo fuiven +en jolijt maken, en drinken? En dan is ’t onveranderlijke +antwoord: “omdat ’t lollig is”. En dat zeg ik altijd +bij alles, en zooláng ik ’t lollig vind, blijf ik zoo +doen. Ik heb ’t land aan kerels, die fuiven zonder er plezier in +te hebben. Ik geniet van elk feest; “omdat ’t lollig +is.” En z’n stem sloeg om in ’n joligen schater.</p> + +<p>Ze waren nu bij de Breestraat gekomen, en Go wilde den hoek +omgaan.</p> + +<p>“Laten we liever de Apothekersdijk nemen,” sloeg hij +voor; maar Go dreigde ’m, begrijpend-lachend, <span class= +"pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span>met haar vinger: +“O, groote meneer de reformator; die droomt van daktochten maken, +en nachtelijke rijtoeren, met meisjes er bij,—maar ’t niet +waagt op klaar-lichten dag met zoo’n wezentje langs de kroeg te +komen;—gaat u maar alleen de Breestraat in, en denk onderweg +’s over theorie en practijk na.”</p> + +<p>“’t Is niet om mij,” verdedigde hij zich, +“geloof me, Gootje. Mij zou zoo iets geen kwaad doen; maar ze +zouên kletsen over jou, en dat ’s niet noodig.”</p> + +<p>“En is dat nu dat hoogstaande corps?”</p> + +<p>“Och, ze hangen wat erg aan traditie.... Je stuurt me weg; +toch niet boos, hè? Eet emser-pastilles vanavond.”</p> + +<p>Hij groette met z’n rijzweep, keek knikkend nog ’s +lachende om.</p> + +<p>En ze verwonderde zich, hoe die “vrij-gevochten +schooier” er tegenop kon zien met haar langs de kroeg te gaan. +Wat kon iemand er nu in godsnaam over te zeggen hebben, dat ze naast +’m liep. ’n Rare maatschappij hier! ’t <span class= +"corr" id="xd0e1420" title="Bron: was">Was</span> háár +nog niet duidelijk.</p> + +<p>En ze legde haar hand tegen ’r heet hoofd, dat branderig +bonsde bij de slapen.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Na het eten had Else haar ingestopt op de canapé, de kachel +flink opgestookt, en was toen naar ’r kamer gegaan, omdat er een +paar meisjes van college bij haar zouden komen; de twee anderen waren +ook geëngageerd, maar nog in stilte, en nu wilden ze, als eerste +huisvrouwelijke praestatie, voor zich zelf ’n blouse gaan maken. +Het goed was gekocht, en er zwierven ook al rare, vlinderige papieren +door Else’s kamer, maar dien <span class="pagenum">[<a id="pb91" +href="#pb91">91</a>]</span>avond zou de reusachtige lap in drieën +worden gedeeld en verder verwerkt; en daarom had Go geen gebruik +gemaakt van de vriendelijke aanbieding, of ze haar ook gezelschap +zouden komen houden, want de tafel moest in ’n hoek, dat ze +ruimte zouden hebben op den grond om te knippen, en ze voorzag ’n +gelach zonder einde, waartegen haar pijnlijk hoofd nu niet bestand zou +zijn.</p> + +<p>Ze was eigenlijk bang, dat ze ziek worden zou; aan tafel had ze niet +kunnen eten, en ’r hoest was zoo pijnlijk en hol. Els had gezegd, +dat ze beter deed naar bed te gaan, maar ze wist, dat ze zich zoo +rampzalig zou voelen, als ze alleen in de donkere kamer lag, ook al +kwam ’t nichtje telkens goedig naar haar kijken. Het was toch zoo +iets anders, dan ziek zijn thuis. Nu voelde ze weer ’s, hoe +slecht ze moeder en allemaal kon missen.</p> + +<p>Zooals ze daar lag, kon ze net de portretten op de schrijftafel +zien: goeie moesje, wat zou ze nu doen? zeker ’r dutje,—o +nee, ’t was Vrijdag, en dan werd de huiskamer altijd gedaan, en +hielp moeder zelf nog ’s avonds met kleedjes neerleggen en +étagère-beeldjes schikken. Het rook nu heelemaal naar was +in de kamer,.... maar om dat te merken, zou ze nu toch te verkouden +zijn. Ze zou in ’n makkelijken stoel bij de kachel zitten, met +’n glas citroen naast zich, en de kinderen zouden ’n beetje +stil moeten zijn. “Go heeft hoofdpijn.” En moeder zou +’r hand op haar voorhoofd leggen, en zeggen: “Heb je wel +warme voeten, meid; wil je me stoof eens hebben?” En dan weer: +“Mietje, ga jij vast sluiten op de oudste juffrouw ’r +kamer, en steek ’t licht op, want ze gaat vanavond wat vroeg naar +bed.” <span class="pagenum">[<a id="pb92" href= +"#pb92">92</a>]</span></p> + +<p>Uit Else’s kamer klonk het vroolijke gelach door de +suitedeuren heen, en er kwamen tranen in Go’s oogen van +zelf-medelijden; o ja, vrienden en vriendinnen had ze hier genoeg; maar +wie bekommerde zich om haar, als ’r wat scheelde. “Eet +emser-pastilles,” had De Veer gezegd, en Else: “Je moest +maar naar bed gaan.” Maar daarmee was ’t ook uit, en nu lag +ze alleen, en de kachel was bijna leeggebrand, maar ze kòn er +niet toe komen om op te staan, en ’m zelf bij te vullen.</p> + +<p>Maar je bent toch gewoon ’n beetje verkouden, kalmeerde ze +zichzelf, daarvoor hoeft de heele wereld toch geen meelijdend, droevig +gezicht te zetten.</p> + +<p>En ze hoestte blaffend met ’t hoofd in de handen, benauwd +ophijgend, toen ’t weer was bedaard, terwijl uit de andere kamer +voortdurend <span class="corr" id="xd0e1442" title="Bron: gegichel"> +gegiechel</span> en gejoel doorklinken bleef.</p> + +<p>Nu werd er gebeld. Ze dacht, dat ’t Henri of nog ’n +blouse-meisje zijn zou, maar ’n flinke klop klepperde op haar +deur, en Gerard’s vriendelijk gezicht kwam in de opening.</p> + +<p>“Jij?” riep ze verbaasd, en probeerde zich uit de shawls +en avondmantels los te werken.</p> + +<p>“Nee, stil, blijf maar liggen; ik kwam maar ’s even +vragen, hoe ’t is met de patiënt; ik had eigenlijk gedacht, +dat je naar bed zou zijn gegaan;.... je zag er vanochtend niets goed +uit, en Hoefman, die ik er naar vroeg, zei, dat je erg gehoest hadt op +college.”</p> + +<p>“Verkouden; ’t is niets,” zei ze, dankbaar naar +’m opziende. “Els heeft me warm ingepakt; morgen zal +’t wel weer over zijn.”</p> + +<p>“Ik had je juffrouw ’n opdracht willen geven,” +<span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>zei hij, +z’n verregende city-bag op tafel zettend, “maar toen ik +hoorde, dat jullie thuis waren, wilde ik ’t liever tegen Elsi +zeggen, maar waar is die?”</p> + +<p>“O, die heeft meisjes bij zich, om ’n blouse te maken; +ik zal ze even roepen; nee, ik kan wel; dank je.” En Go wond zich +vlug uit de omhulsels los, schoof de suitedeuren open.</p> + +<p>“Nee, nee, dicht<span class="corr" id="xd0e1461" title="Niet +in bron">,</span>” gilde ’t haar angstig tegemoet, en ze +zag in den hoek der kamer, de drie meisjes in hun onderlijfjes angstig +opeengedrukt staan, en de grond met kleedingstukken en lappen goed +bestrooid. Snel sloot ze de deur achter zich, en “wat doen +jullie?” vroeg ze verbaasd. “Gerard Leeden wou je wat +vragen, Else.”</p> + +<p>“Ach, ’t was zoo lastig met passen telkens, dat aan- en +uitkleeden,” verontschuldigde Else, “en we hadden ’t +toch al zoo warm van den inspannenden arbeid. De gangdeur is +afgesloten... en we dachten niet, dat jij...”</p> + +<p>“Maar trek nu even je blouse aan, en kom binnen... komen +jullie dan ook.”</p> + +<p>Gerard had intusschen zijn city-bag opengemaakt, hield Go nu een +beetje verlegen ’n flesch wijn en ’n met kruidnagelen +bestoken citroentje voor.</p> + +<p>“Bij ons geldt dit als ’n onfeilbaar middel tegen +verkoudheid: warme wijn met kruidnagelen,” zei hij onzeker. +“Als je dit drinkt, vóór je naar bed gaat, word-je +door en door warm, en je voelt je den volgenden dag altijd veel beter. +Ik dacht, dat jullie hier geen wijn hebben zoudt, en +daarom....”</p> + +<p>Alweer tranen. Go werd er ongeduldig van, en omdat hij z’n +beide handen vol had, pakte ze’m <span class="pagenum">[<a id= +"pb94" href="#pb94">94</a>]</span>bij z’n arm, spontaan, +hartelijk: “Wat is dat vreeselijk lief van je, Gerard,” zei +ze zacht. “Ik kan je niet zeggen, hoe buitengewoon lief ik +dát van je vind.”</p> + +<p>“In ’n trekpot moet je ’m warm maken,” zei +hij, en wilde al weer naar de deur gaan, maar nu hield ze ’m +terug, zette hem resoluut op ’n stoel, en riep: “Nee, nu +moet je natuurlijk hier blijven, en meedrinken. Dacht je, dat ik de +heele flesch alleen op kon! De Veer zegt immers ook, dat meisjes niet +drinken kunnen. Wil-je warme, of gewoon koud? O, we hebben zooveel +wijnglazen van de vorige heeren, en ze zijn nog nooit +gebruikt!”</p> + +<p>Ze liep nu opgewonden de kamer op en neer. “Komen jullie +toch!” schreeuwde ze door de <span class="corr" id="xd0e1480" +title="Bron: suite-deuren">suitedeuren</span>. “Ik geef ’n +wijn-fuif. Willen jullie warme wijn met kruidnagelen, of koude? Maak +toch voort. Nu hebben we onze groote wijnkast niet voor niets. Nu komt +er ’n leege flesch in.”</p> + +<p>Verbaasd kwamen de anderen binnen, het was ’n gelach en +gepraat en dooreengeloop, dat ’t Gerard toescheen, of de heele +kamer vol meisjes was.</p> + +<p>“Ga toch zitten,” zei hij tegen Go, “en laat Elsi +er voor zorgen. Je ziet er wezenlijk niet goed uit, en je bent zoo +opgewonden.”</p> + +<p>“Verbeelding! Ik voel me best. Nee maar, dat zal ik aan moeder +vertellen. Dat is ’n heerlijk middel tegen verkoudheid. Je voelt, +dat je er beter van wordt. Nog beter dan de warme punch, die De Veer me +aanried.”</p> + +<p>Ze vertelde nu, dat ze’m dien middag gesproken had; ook van +hun afscheid op den hoek van de <span class="pagenum">[<a id="pb95" +href="#pb95">95</a>]</span>Breestraat. “Waarom nou, hè; +wat zouën ze daar nu over hebben kunnen zeggen?”</p> + +<p>Gerard keek even voor zich uit. “Ben-je wel ’s ’s +avonds door ’n student thuis gebracht en heb-je wel gemerkt, dat +z’n vrienden ’m dan niet groetten? Dat is alles om dezelfde +reden.”</p> + +<p>Go haalde de schouders op. “Ik begrijp niet...”</p> + +<p>Maar hij viel haar in de rede. “Dat is ook niet noodig. <span +lang="en">There’s something rotten in the +state</span>.—Maar nu ga ik weg, want je moet gauw onder de wol. +Neem nog ’n glas mee naar je kamer, en ga morgen niet uit, als +’t zulk slecht weer is.”</p> + +<p>“Ja dokter,” lachte Gootje, maar in haar handdruk lag +haar ernstige dankbaarheid.</p> + +<p>En toen ze dien nacht rondwoelde, hoestend en koortsig in haar +donker bed, terwijl Else rustig ademend niets van haar merkte, vergat +ze toch geen oogenblik het heerlijke, veilige, dat ze hier ook ’n +goede, groote vriend had, die voor ’r zorgen wou. <span class= +"pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e1507" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk X.</h2> + +<p>Go zat op haar bureau voor ’t raam, liet het +Sint-Nicolaas-handwerk op haar schoot rusten.</p> + +<p>“Toe, Elsi, kom nu toch ’s kijken, het is zoo’n +eenig gezicht.”</p> + +<p>“Wacht éven, ik ben zoo klaar....” en Else +schreef ernstig voort in het huishoudboek, dat ze de laatste weken +hield: <span class="corr" id="xd0e1516" title="Niet in bron"> +“</span>melk.... iedere dag twee pinten, dat is +ƒ 1,10.... boter ƒ 0,45.... van de week heeft de +juffrouw suiker gehaald, hè?.... brood 5 × 7 cent.... dat +is 35.... is de gasrekening al betaald.... en kolen?”</p> + +<p>“Och, kom nu toch, je moet dien bangen jongen zien; die durft +gewoon de helling van de brug niet op;.... kijk die glijen.... och +heer, daar komt onze juffrouw ook; dat mensch moest niet uitgaan, nu +’t zoo glad is,.... als ze vàlt.... o, daar gaat onze +buurman; ’t is, of hij op rolletjes loopt.”</p> + +<p>Else had haar kas nu in den steek gelaten, en kwam naast Go voor het +met sneeuw omrande venster staan. De huizen aan den overkant waren wit +toegedekt, wat de altijd doodsche achtermuren nóg triester +maakte, en Go wees <span class="pagenum">[<a id="pb97" href= +"#pb97">97</a>]</span>Else op het kleine plaatsje, waar het kippenhok +stond, dat bijna onzichtbaar was geworden.</p> + +<p>“Wat lijkt ’t nu op een ets van Witsen, en de lucht ziet +nog zoo grauw; er zal nog heel wat komen, denk ik.”</p> + +<p>“Ik hou van sneeuw; ’t maakt alles zoo licht—en +hier is ’t wel buitengewoon grappig met dat bruggetje.”</p> + +<p>“Hoor, hoor, nu komen de kinderen uit school.”</p> + +<p>Stappen en stemmetjes werden luider door de zware lucht en ’n +heele groep kleine meisjes in capes, de kappen over de losse haren +getrokken, kwamen glijdend en stoeiend voorbij het raam, bleven +dichtbij staan om elkaar te kochelen, en sneeuwballen te werpen naar +’n grooten hond, die ze blaffend nasprong. Tot ’n blozend +dienstmeisje gillend door ze heen vloog, nagezeten door ’n +smidsjongen, wien de blanke sneeuw smolt in de zwarte handen.</p> + +<p>“Leuk!” zeiden ze samen, lachend, zoo ver mogelijk ze +naoogend. “Wat gezellig, dat we dadelijk er door moeten naar +college.”</p> + +<p>En Else dacht, dat ze echt wel graag eens ingewreven wilde worden, +maar niet door zoo’n smidsjongen, die zwarte vlekken maakte in je +gezicht.</p> + +<p>“Kijk nóu ’s,” stootte Go haar opeens aan, +toen ze vlak bij college waren: Louis Hoefman stond met ’n kleur +op z’n triestig gezicht bij ’n boom en gooide armen vol +naar Lize, die meer perplex dan geërgerd zich omgedraaid had, om +te vragen, wat ’m bezielde, en nu de vochtige sneeuwmassa vlak in +’t gezicht kreeg, terwijl de aanvaller, als ontzet over z’n +eigen stoutmoedigheid, z’n hoed voor haar afnam, maar toch weer +’n nieuwe bal pakte. <span class="pagenum">[<a id="pb98" href= +"#pb98">98</a>]</span></p> + +<p>“Niet kijken,” zei Else goedig, “ze denken, dat +niemand ze ziet, maar wat is die Louis toch ’n rare +jongen.”</p> + +<p>“Hij valt me toch mee,” dacht Go, terwijl ze naar binnen +ging, en toen Lize even later, druipend en met ’n kleur, het +kamertje inkwam, brommend over: “die lamme sneeuw en die idiote +jongens”, keek ze haar met meer belangstelling aan dan +gewoonlijk, en vond ’r niet zoo vreeselijk leelijk, nu ze +’n kleur had, en ’r haar wat losgeraakt was uit den +strengen wrong.</p> + +<p>“Hoor de jongens vandaag ’s in de gang,” zei ze +lachend, en ze vond prettig te merken, dat de aandacht onder +historische grammatica merkbaar leed door het blanke gevlok achter den +rug van den professor. Zij zelf keek stil in den witten tuin, die zoo +mooi was met de blinkende boomen, en de ongereptheid van den gladden +grond. Er was den heelen dag weer niemand in geweest; alles was in +volkomen natuurlijkheid, zooals de sneeuw zelf zich ’n plaatsje +had gezocht: op de teere takjes van de heg, tusschen de verroeste +harktanden, en over den hoop dorre blaren tegen den muur.</p> + +<p>Alles was iets heel bizonders geworden, en vooral toen het lichter +werd, nog soms maar ’n enkel vlokje daalde, leek het ’n +sprookjestuin.</p> + +<p>Maar toen de professor z’n boeken had dichtgeslagen en +weggegleden was met ’n korten groet, was opeens aan het droomen +’n einde geweest door het uitgelaten losbreken van de jongens, +die de altijd-gesloten deur openrukten en den onberoerd-slapenden tuin +opschrikten met het luide gelach van hun jonge stemmen en de klatering +van hun roepen, terwijl hun voeten gaten maakten <span class="pagenum"> +[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>in de blanke, vlakke sneeuw, +en hun handen er breed in grepen om ze elkaar toe te gooien.</p> + +<p>“Kom dames!” vroeg Hoefman, en Go liep met Lou en Coba +stralend naar buiten, als verblind blijvend staan van al den glans om +haar heen, want jubelend was de zon doorgebroken, en deed de takken +glinsteren als facetjes van diamanten.</p> + +<p>Maar ’n bal vloog rakelings langs haar oor, en snel bukkend +pakte ze de witte poedersneeuw, en wierp terug in den wilde, naar den +hoek, waar zwarte jongenslijven joelend dooreen krioelden. Het werd +’n sneeuwgevecht met ononderbroken ballenwisseling. De +oudere-jaars-meisjes keken lachend door de beslagen ramen; ook Lize was +niet te bewegen geweest mee te doen, waarom Louis trachtte, door +’t van boven-open venster sneeuw in de collegezaal te werpen.</p> + +<p>Nu werd het ’n drijfjacht in den tuin: de rokken bijeen +genomen rende Go schaterlachend om de witte perken, over den witten +grond; aan alle kanten bedreigd, wierp ze zich midden over ’t +gras, struikelde, viel.... haar haarspelden lagen in de sneeuw +verspreid, elk krulletje droop langs haar roode wangen.</p> + +<p>“Genade.... hou op.... ik moet toch nog naar binnen!” +lachte ze, haar coiffure-attributen verzamelend, terwijl het +bombardement om haar voortduurde: “Laat me er door; ik kan +zóó toch niet op college zitten.” En hijgend zich +door de jongens heen werkend, liep ze bijna den professor omver, die de +les al kwam hervatten. “O, pardon,” prevelde ze beschaamd, +het haar wegstrijkend uit haar verlegen oogen, maar hij lachte +vaderlijk, schoon ’n beetje ironisch: “Wat hebben we +’n pret <span class="pagenum">[<a id="pb100" href= +"#pb100">100</a>]</span>gehad!” en ze voelde, dat hij haar +wèl ’n erg kind vond, maar aan z’n eigen dochtertje +dacht, van wie hij dit ook aardig zou hebben gevonden.</p> + +<p>Ze was er dankbaar voor, trachtte daarom op te letten, toen de ernst +weer begonnen was, maar schrijven kon ze niet; haar handen waren te +verkleumd en gezwollen; en achter in de zaal bleef ’t te gezellig +en roezig om haar aandacht op de stem van den professor te kunnen +concentreeren. Ze zag, dat ’n paar jongens sneeuw mee naar binnen +hadden genomen, en met de smeltende hoopjes elkaar stilletjes zaten te +gooien onder de tafel. Een had ’n stukje ijs op Hoefman’s +zwart haar gelegd, zonder dat hij het bemerkte en nu viel er telkens +’n druppel langs z’n voorhoofd; dan schrikte hij op, veegde +’m af, verbaasd, lachte even, tot-ie opeens iets voelde op +z’n hoofd, ’t afschudde, en ’t ijs met ’n plets +op z’n dictaat-cahier viel. “Echte kinderen,” dacht +Go, “en ’t is eigenlijk enorm flauw”;—maar ze +genoot van het “schooltje”, fluisterde giechelend met Coba +over Hoefman’s onschuldig-verwonderd gezicht; tot ze weer +bedacht, dat ze op moest letten, en, haar gloeiend gezicht in de +tintelende handen, zich naar den professor wendde: hoe lief van +’m, dat hij om haar gelachen had, en niet boos was geworden, toen +de jongens zoo lang bleven voetenvegen in de gang. Hoe +echt-menschelijk, zich er wel in te kunnen denken, wat zalig sneeuw was +voor jonge menschen,—al streefden ze er ook naar doctor in de +Nederlandsche letteren te worden.</p> + +<p>Nu had een jongen ’n stukje sneeuw in den halsboord van +z’n buurman laten glijden; lieve hemel, wat ’n kinderen +toch; en waren dat dezelfden, die ze ’n paar weken geleden op de +bibliotheek <span class="pagenum">[<a id="pb101" href= +"#pb101">101</a>]</span>voor oude, uitgedroogde mannetjes had +uitgemaakt, die alle vermogen van jeugd in halsstarrig studeeren hadden +verloren!.... Och ja; je kon de dingen soms zoo verschillend zien; en +als ze maar niet koortsig was, bleken de menschen toch nog zoo kwaad +niet. Ze generaliseerde altijd zoo gauw, en wie naar ’n +bibliotheek ging, kwam er toch om te werken, en niet om naar meisjes te +kijken.... en op college eigenlijk ook.... alleen met sneeuw....</p> + +<p>.... Lize boog zich over haar tafeltje, legde stil ’n briefje +naast haar neer; ze keek verbaasd: van Hoefman;.... die jongen had +z’n “jour” vandaag.... onherkenbaar van +levendigheid.... Stil las ze onder haar hand:</p> + +<p>“Weet je, dat Van Neerwinden vanmiddag om vier uur uitslag +heeft? Ga-je er misschien heen?”</p> + +<p>Ze scheurde ’n blaadje uit haar cahier, pende dadelijk terug: +“Zullen we samen gaan? Ik ben nog nooit in de universiteit +geweest! zou hij er door komen?”</p> + +<p>Na college wachtte hij in de gang. “Ik dacht wel, dat je +’t niet weten zou. Het is nog al geheim gehouden, en je kijkt +zeker nooit op het bord.” En hij legde haar uit, dat op ’t +zwarte bord voor de universiteit altijd de examen-papiertjes werden +opgehangen, maar dat Neerwinden het land had aan zoo’n stroom +vrienden.... en er èrg veel had—en er daarom niemand over +had gesproken.</p> + +<p>“Maar zou hij ’t dan niet vervelend vinden, als wij +komen?”</p> + +<p>“De leden van Laborando vincimus hooren er toch bij—en +het zal wel in orde wezen; ’t eerste gedeelte was perfect.” +<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span></p> + +<p>Toen zweeg hij, keek ’n beetje naar den grond, vroeg eindelijk +ineens bruusk: “Is die juffrouw Schermer niet een heel aardig +meisje? Weet je ook, waaróm ze geen lid wilde worden?”</p> + +<p>“Ze heeft het te druk,” antwoordde Go vriendelijk, zelf +vol kinderlijke belangstelling in de sympathie van den dichterlijken +droomer voor de uiterlijk-antipathieke, stugge Lize. “Ze +móet vlug haar examens doen, zie-je, en daarom werkt ze aan +één stuk door, en gaat nooit uit.”</p> + +<p>“Maar dat kàn toch niet goed zijn. Ze ziet zoo +bleek.”</p> + +<p>“Ja,” knikte Go, de oogen naar ’t bord, waar ze +het papiertje zág: Faculteit Rechtswetenschap—E. van +Neerwinden—en ze bedacht, dat hij nu bezig was.</p> + +<p>“Ben je ’n vriendin van haar?” vroeg hij in de +donkere vestibule.</p> + +<p>“Ik kom wel eens bij haar, maar ’t is niet makkelijk +intiem met haar te worden.” Haar aandacht keerde zich van hem af, +zoodra ze binnen waren, en vol verbazing bleef ze telkens op de breede +trap staan, om de teekeningen op de muren te bewonderen.</p> + +<p>“Wat is dat allemaal?” vroeg ze, en toen ze op ’t +portaal waren gekomen, vergat ze stil te zijn: “O, kijk toch, +kijk ’s, wat verschrikkelijk aardig....” en ze liep van den +eenen kant naar den anderen om al die grappige studenten-caricaturen te +bekijken.</p> + +<p>Gerard was er al, kwam lachend, met uitgestoken hand, naar haar toe: +“Wil-je wel ’s gauw je ’n beetje stil houden; je +brengt met je drukte den examinandus heelemaal in de war... kijk.... +daar-is-ie,” en hij wees naar de gele deur, waar “facultas +iuridica” boven stond. “Kom nou hier, <span class= +"pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>in ’t +zweetkamertje; dan kunnen we praten.”</p> + +<p>Han stond met Else voor het raam te kijken: “Hoe wist jij +’t?” vroeg ze, “Han vertelde ’t me +vanmiddag.”</p> + +<p>Er waren meer jongens, die Go niet kende; ze praatten allemaal zacht +en gedempt, en het was er kil en triestig. ’n Droef, grijs licht +viel door het gordijnlooze raam op den houten vloer, en de met namen +bekerfde tafel. De groote kachel stond in ’n hoek als ’n +zwart, dood ding; er waren ’n paar gele, gesloten kasten, +’n paar stoelen; ’n karaf water met glazen.... meer niets. +Maar de wit-gekalkte muren leefden; niet grappig, niet vermakelijk, als +in het portaal, maar met nerveus-makende krabbels en spreuken en +handteekeningen, en, aangegrepen door ’n akelige onrust, begon Go +die namen te lezen, met: “<span lang="la">hic sudavit, sed non +frustra....</span>”, beginnend laag bij den grond en opklimmend +tot hoog boven den schoorsteen en de kachel, zoodat ze niet begrijpen +kon, hoe iemand ooit zoo hoog had kunnen reiken.</p> + +<p>Frieda was ook gekomen, op haar eigen stille, zachte manier, zat nu +aan tafel te praten met ’n paar vakgenooten over de kansen van +’n nieuw-te-benoemen professor. Op de gang was het volkomen, +akelig stil, en onwillekeurig keerde Go zich tot Gerard, zei huiverig: +“’t Is net, of alle angst, die hier ooit gevoeld is, +tusschen deze muren is blijven hangen; je wordt hier al akelig als je +binnenkomt.”</p> + +<p>“Nu, dat zal dan ook langzamerhand ’n heel pak +verschrikking moeten zijn, als je ’s rekent hoeveel generaties +vóór ons, hier al eens in hoop en vreeze hebben +neergezeten.” <span class="pagenum">[<a id="pb104" href= +"#pb104">104</a>]</span></p> + +<p>En om haar af te leiden ging hij over de sneeuw praten, liet zich +lachend vertellen, wat ze dien middag op college hadden gedaan, en toen +weer de stilte dreigde, begon hij over Sint Nicolaas, en of ze haar +surprises al klaar had.</p> + +<p>Z’n harde, sterke stem werkte kalmeerend op haar, en ze +vertelde ’n grapje van laatst onder Gotisch, toen de professor +het had over <i>satem</i>- en <i>centum</i>-talen, en samenvallen van +<i>explosivae</i> en <i>palatalen</i>, en allerlei meer +onbegrijpelijkheid.</p> + +<p>“’n Beetje ánders wel,” lachte Gerard, maar +ze haalde nerveus de schouders op, zei: “Ik weet niet; ik voelde, +dat ik er toch niet bij kon, en ging zitten denken over ’n +inktlap voor Broer.... ik schijn daarbij den professor heel diepzinnig +te hebben aangekeken, want ik wilde de zeempjes meteen voor versiering +laten dienen, en dan donkergroen laken er onder;.... juist op ’t +oogenblik, dat ik ’t duidelijk voor me zie, buigt hij zich +voorover en zegt: “Ik geloof, u hebt ergens moeite mee, juffrouw +Herderts; begrijpt u niet, dat de <i>gelabialiseerde velaren</i>.... en +enfin, weer ’n heeleboel van die rarigheid, die ik niet eens +navertellen kan.... Ik zei, dat ik net met mezelf tot klaarheid was +gekomen, maar was doodsbang, dat hij de ontwerpjes in m’n cahier +zou zien.”</p> + +<p>Daar was Hans. “Is hij er nog niet eens uit? ’t Is kwart +over.”</p> + +<p>Go schrikte, maar Rolands zei, dat hij er ook te laat was +ingegaan.</p> + +<p>“Hoe was-tie? Nog al kalm?”</p> + +<p>“Ach, zoo. Hij had nog al beroerd geslapen +vannacht.”</p> + +<p>Er begon nu onrust onder de menschen te komen; ze schoven naar de +deur; de goeiige <span class="pagenum">[<a id="pb105" href= +"#pb105">105</a>]</span>pedel keek op z’n horloge, grapte, dat +’t nu lang genoeg was geweest, dat-ie de heeren ’s zou gaan +zeggen, dat het uit moest zijn.</p> + +<p>“Hij zal zoo moe zijn,” zei Go zacht tegen Gerard, maar +die ging er niet op door, praatte luchtig tegen Hans over ’n +voetbalmatch van den vorigen Zondag. Andere jongens kwamen er bij, +dandy-achtige heertjes, die allemaal iets hadden, dat Go even aan +Eduard denken deed. Ze stonden in ’n groote groep; alleen Henri +en Else waren in het kamertje gebleven.</p> + +<p>“Maar wat zie-jij er vreeselijk slecht uit, Elders,” zei +Frieda opeens tegen Hans. Ze noemde de jongens altijd bij hun +achternamen, ook hierin toonend haar mannelijke vriendschap.</p> + +<p>Allen keken nu naar Hans, die lachend ’t eerst onzin heeten +wilde, toen, geprest, bekende: “Dat komt, omdat ik heelemaal niet +naar bed ben geweest .... Ik heb vannacht laat zitten werken, en ben +toen tegen zes uur naar Katwijk gefietst. Je zou ’t niet denken, +maar ’t is van ochtend ’n prachtige zonsopgang geweest; wel +veel wolken, maar enorm, zie-je!”</p> + +<p>“Malle kerel, je hebt natuurlijk kou gevat,” plaagden +ze, en een nieuw verhaal begon aan den anderen kant van ’t +clubje; maar Go hoorde hem nog zeggen met z’n lieve, dankbare +stem:</p> + +<p>“Het was buitengewoon, zie-je.... Zoolang de zon nog opgaat, +kan toch niemand beweren, dat er niet ’n heeleboel moois is in +’t leven.”</p> + +<p>Daar ging de deur open, en allen draaiden zich in ’n ruk om. +Eduard, in rok met ’n witte das, bleek met nerveuse +vlam-kleurtjes onder z’n oogen, kwam met onzekeren lach naar hen +toe, en, dadelijk ’m insluitend, vielen ze op ’m aan, met +dof-gemompeld, <span class="pagenum">[<a id="pb106" href= +"#pb106">106</a>]</span>voorzichtig vragen. Hij haalde de schouders op, +streek over z’n hoofd; hij wist ’t niet; aan ’t eind +was-t-ie gaan rijden, omdat-ie zoo moe werd; ze hadden ’m ook te +lang gehouden, hè? hoe laat was ’t nou?</p> + +<p>Ze vergeleken hun horloges; de oude pedel klopte ’m goedig op +z’n rug: ’t zal wel losloopen. Maar hij maakte zich +ongeduldig uit de belangstelling los, liep ’t kamertje in om +water te drinken, ging toen in de deurpost staan.</p> + +<p>De anderen bleven onder elkaar overleggen, vroegen de juristen, wat +ze er van dachten; en hij werd ’n beetje spraakzamer, noemde +’n paar dingen, die hij niet had geweten.</p> + +<p>“God kerel, die weet ik nòg niet, en ik ben nu toch +doctorandus,” kalmeerde ’n donkere man.</p> + +<p>Ze zwegen weer; ’n paar jongens tikten met hun +wandelstokken.</p> + +<p>“Wat duurt ’t lang,” fluisterde Go.</p> + +<p>“Dat is ’n goed teeken.”</p> + +<p>“Dat weet je niet.”</p> + +<p>“Ik kan gerust nog ’n kwartier wachten,” zei +Eduard met ’n nerveus lachje, “dat kan me niets +schelen.” En hij slingerde z’n horloge tegen de deur heen +en weer.</p> + +<p>“Komt er geen familie van je?”</p> + +<p>“Niemand weet ’t, goddank.”</p> + +<p>“Zou Bruno je afhalen?” vroeg Frieda, trachtend hem af +te leiden. “Wat krijgt hij, als je er bént?”</p> + +<p>Een begon zachtjes te fluiten, ze stonden allemaal naar Eduard en +naar elkaar te kijken, en niemand wist meer, wat hij zeggen moest.</p> + +<p>“’t Is half.”</p> + +<p>“Nee, ’t heeft nog niet geslagen.”</p> + +<p>“Je bent altijd voor.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb107" href="#pb107">107</a>]</span></p> + +<p>“Ga ’s luisteren aan de deur.”</p> + +<p>Ze slopen de trappen op, leunden ’t oor aan het +sleutelgat.</p> + +<p>“Ik hoor niets.”</p> + +<p>“Stil nou, vent.... ze lachen.”</p> + +<p>“Ze lachen.... je bent er, hoor!”</p> + +<p>“Zouën ze daar zoo’n pret om hebben?” vroeg +hij bitter.</p> + +<p>“Ik heb beloofd dadelijk z’n ploerterij te gaan +waarschuwen, als hij er is, om de vlag. M’n fiets staat +beneden,” fluisterde Rolands.</p> + +<p>Er kwam iemand de trap op; in spanning hoorden ze de +voetstappen.</p> + +<p>“O, van de krant.”</p> + +<p>“Beroerling,” bromde Gerard, “wat gaat ’t +’em an.”</p> + +<p>“Maar kerel, ’t is z’n baantje.”</p> + +<p>De stilte. Eduard kraakte een voor een z’n lange, witte +vingers.</p> + +<p>“La dernière heure d’un condamné,” +trachtte de pedel op te wekken, maar hij bleef norsch kijken, +zuchtte.</p> + +<p>Opeens: de bel.</p> + +<p>Vlug schuifelend met z’n oud, dik lijf schoof de pedel naar +binnen; terug weer: “Wilt u maar komen, meneer.”</p> + +<p>Even stonden ze in spanning, half vooruit-willend, half wijkend: +maar triomfantelijk-wijd werd de deur achter ’m open gehouden; de +pedel wenkte, ’n vriendelijke professor achter de groene tafel +wenkte ook: ze stroomden binnen, schuifelden nóg, terwijl +’t speechje al begonnen was.</p> + +<p>“Met zeer veel genoegen,” mompelde Gerard, “ze +hebben waarachtig alleen zoo lang gedelibereerd, of ze ook +“cum” zouden geven.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb108" href="#pb108">108</a>]</span></p> + +<p>Go stond naast ’m, met tranen in de oogen; ze was zoo bang +geweest en nu zoo blij, en ’t was zoo plechtig met al die heeren +achter de tafel.</p> + +<p>En zoodra ’t uit was, stormde ze de trappen af naar buiten, +rende door de dikke sneeuw, met ’r mond open, om lucht te +krijgen. Ze was zoo blij, zoo blij—maar ze had ’m niet +kunnen feliciteeren, want dan had ze zich zeker niet goed kunnen +houden.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Toen ze ’s avonds naar Lize toeging—die goeie Hoefman, +ze zou zien het gesprek op hém te brengen; ze wilde immers +iedereen in alles helpen—hoorde ze bij Levedag het jolig lawaai +van vroolijke stemmen, en in de lichte gang zag ze veel zwarte ruggen +en gladde hoofden, die allemaal naar iets schenen te kijken, dat heel +grappig was.</p> + +<p>“Eddy, Eddy,” hoorde ze roepen, en ze stelde zich voor +z’n fijn, stralend gezicht, en de hartelijke vroolijkheid hem ter +eere.</p> + +<p>Hoe dol graag zou ze toch ’s zoo’n jongens-fuif +meemaken; zoo ’s echt meegenieten in onbezorgde joligheid. En bij +deze zou ze wel ’t liefst van alle zijn geweest.</p> + +<p>Droomerig ging ze langs z’n huis, op ’t maan-witte +Rapenburg; de ramen stonden open, de kamer was leeg. Maar uit ’t +dakvenster hing stil en statig de lange vlag, onbeweeglijk in den +blanken winternacht, zegeteeken van zijn overwinning. <span class= +"pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e1739" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XI.</h2> + +<p>’s Morgens was het tweede dochtertje hen komen roepen, had het +hoofd om de deur gestoken, en met ’t Leidsche zangetje +afgerateld: “En complement van Pa, dames, en dat we ’n +kindje hebben gekregen.” En de dames—dadelijk +wakker—waren vol belangstelling geweest om te hooren, of ’t +’n jongen of ’n meisje was, en wanneer het was geboren, +welke bizonderheden het kind met ’n veel-wetend, wijs gezichtje +ernstig ten beste had gegeven, de armen in de zij, zooals ze +buurvrouwen altijd zag praten.</p> + +<p>En toen ze—aangekleed—in de voorkamer waren gekomen, +hadden ze juist het rijtuig met den kleinen doopeling en ’n +deftig in-zwart-lustre gekleede tante zien wegrijden naar de kerk, en +na ’n half uurtje bij ’t terugkomen “Pa” kunnen +bewonderen met ’n hoogen hoed op.</p> + +<p>“Wat ’n drukte voor die menschen!” zei Go +peinzend, terwijl ze samen de ontbijttafel afruimden, want ze wilden +niet schellen, omdat dat misschien de kraamvrouw hinderen zou. +“Vin-je eigenlijk niet, dat we konden zeggen, dat ze vandaag niet +voor ons hoeven te koken; we <span class="pagenum">[<a id="pb110" href= +"#pb110">110</a>]</span>kunnen best in ’t Vegetarisch gaan, en +’t oudste meisje zal de handen zóó vol +hebben.”</p> + +<p>Ja; wat ’n familie toch, hè; nou zijn ’t er +negen! En wat zal ’t ’n moeite kosten zoo’n bende +’n beetje stil te houden.... ’t Is jammer, dat ze nu juist +overhoop liggen met hiernaast, over dien omgevallen vuilnisemmer, +anders konden die er ’n paar nemen.”</p> + +<p>En Else keek Go onzeker-vragend aan.</p> + +<p>Ja, waarom niet?” zei ze, dadelijk begrijpend. “We +kunnen best ’s één keertje college verzuimen, en +’t zijn zulke leuke kinderen. Zullen we ’t samen even gaan +vragen? Riek en Joostje maar, hè; die zullen ’t lastigst +wezen.”</p> + +<p>’n Half uurtje later werden de kinderen in hun zondagsche +kleertjes beneden gebracht. Ze stonden eerst ’n beetje verlegen +in de mooie kamer, waar ze anders nooit in mochten van moeder, maar Go +nam dadelijk de kleine Riek op haar arm, en begon haar de platen aan +den muur te laten zien, er prettig onder pratend met haar hooge, +vroolijke stem,—terwijl Else, éven onzeker, want ze was +heelemaal niet gewoon met kinderen om te gaan, den stevigen, dikken +Joost in de hoogte tilde, en—van den anderen kant +beginnend,—hetzelfde spelletje deed, ofschoon ze in ’n +oogenblik buiten adem was van de zwaarte, en, klagend zich naar Go +omdraaiend, zei, dat de moderne schilderkunst er zoo’n afschuw +van had ’n “geval”, iets dramatisch’ te geven, +en ze daarom wezenlijk geen verhaaltjes voor Joostje bedenken kon.</p> + +<p>Toen maakten ze voor ieder ’n boterham met suiker, wat ze +’n heeleboel nader tot elkaar bracht, want Joostje deelde mee: +dat hij er nog een wou, en Riek, dat ze “zoo kleefde”..., +waarop <span class="pagenum">[<a id="pb111" href= +"#pb111">111</a>]</span>ze mee naar de slaapkamer werden genomen om +gewasschen te worden, en netjes gemaakt, want ze zouden nu inkoopen +voor de koffie gaan doen.</p> + +<p>Ze liepen ieder met ’n kindje over het zonnige grachtje, en de +buren keken hun oogen uit; ze deden om de beurt de boodschappen in den +winkel: ’n bus chocoladepoeder, kleine kaakjes, ’n bal en +muisjes natuurlijk—en, vooral tegen Else, die heel statig deed, +zei iedereen: “mevrouw”, met eerbiedigen stemklank.</p> + +<p>“Ik geloof, dat ze mij voor je kinderjuffrouw aanzien,” +zei Go spijtig, die Riekje op den arm had genomen, omdat ze moe werd; +en met haar klein hoedje en kort trotteurtje er wezenlijk niets +“mevrouwig” uitzag.</p> + +<p>“Kom, nu moeten we nog vleesch hebben; waar houën jullie +veel van? Rookvleesch?” vroeg Else.</p> + +<p>“’t Is voor op de boterham,” legde Go nader uit, +“hou-je van leverworst?”</p> + +<p>Joost zweeg filosofisch, maar toen ze in den winkel waren, wees hij +met ’n verheugd gezichtje naar ’n homp komijne-kaas: +“Dàt,” zei hij verrukt, en schoon Else akelig werd +van de lucht alleen, nam Go het vettige pakje bereidwillig in haar arm, +vriendelijk-pratend tegen Riekje, die neiging had te gaan huilen, omdat +ze niets begreep, van wat er met haar gebeurde.</p> + +<p>Na de koffie gingen ze ballen in de gang, tot Riek, die nog +heelemaal niet vangen kon, zich vervelend, om moeder begon te huilen, +maar Joostje verzekerde, dat hij blijven wou, en bromde op “die +nare meid”, om wie ze nu naar binnen moesten, waar ze stil naar +’n verhaaltje moesten luisteren, tot de chocolademelk klaar zou +zijn, <span class="pagenum">[<a id="pb112" href= +"#pb112">112</a>]</span>die de niet-vertellende tante in groote koppen +roerde. Toen was Riekje weer gaan huilen, omdat ze haar tong had +gebrand, en nu kwamen er allerlei boeken met vreemde prenten voor den +dag, waar de donkere tante weer bij vertelde; en eindelijk deed ze, of +ze Sint-Nicolaas was, en strooide kaakjes over den grond, en Riek en +hij moesten overal rondkruipen, en ’t was heel grappig, en de +tantes kropen ook mee over den grond, maar alle kaakjes, die zij +vonden, gaven ze aan Riek, omdat die weer boos werd, omdat hij er meer +had.... en toen kwam zus, en moesten ze boven gaan eten.</p> + +<p>“Ik ben er moe van,” zei Else, toen ze samen van Ceres +terug kwamen, “en <span class="corr" id="xd0e1778" title="Bron: +verbeeldje">verbeeld-je</span>, dat je er negen hebt, en dan dag aan +dag.”</p> + +<p>“Terwijl jij uit bent, haal ik toch nog even Joostje +beneden,” zei Go innig. “Dat is zoo’n schat, en die +maakt je ook niet moe.... Riek is nog wat klein.... zal wel naar bed +zijn.”</p> + +<p>Ze stak alleen haar studeerlamp aan, en ging met Joost op haar +schoot op de canapé zitten, waar het bijna donker was. Het +hinderde haar niet, dat z’n handjes vuil en warm waren, en dat er +’n burgerluchtje van bleekpoeder en slechte zeep aan z’n +goed en z’n gezichtje was. Ze leunde haar wang op z’n +borstelige, warme haarbol, en verwonderde er zich over, dat ze, toen +haar eigen broertjes en zusjes zoo klein waren, nooit dát gevoel +van onzegbare teederheid voor ze had gehad, dat haar nu de tranen in de +oogen bracht. Het zou wel komen, omdat ze toen zelf nog zooveel jonger +was, zelf nog te veel kind, dat teederheid vroeg in plaats van te +geven. Ze had wel veel van ze gehouden altijd, en met <span class= +"pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span>ze gesold en +gestoeid, maar ze kon zich niet herinneren ooit zoo stil te hebben +gezeten in ’n schemerige kamer, met een kindje tegen zich aan, en +dat heerlijk te hebben gevonden. Eerst hadden ze nog ’n beetje +gepraat over ’t nieuwe broertje, en of hij den volgenden dag weer +wou komen spelen?.... ja, hij wou wel,—maar tante moest dan naar +háár moeder toe, en haar eigen broertjes en zusjes,... +maar die waren al grooter dan Joostje;—toen was hij stil +geworden, moe van den drukken dag, en hij sliep nu bijna, maar bewoog +toch telkens, ging met z’n knuistjes over de kleine, vergulde +knoopjes van haar halsboord, of draaide aan de ringen van haar +hand.</p> + +<p>Daar werd gebeld. “Nu moeten we even samen open doen, Joostje. +Dat kan toch tante Else nog niet zijn,” en met ’t kind om +den hals ging ze weer naar de deur: dien heelen dag had ze al als +bellemeisje dienst gedaan.</p> + +<p>Juffrouw, is juffrouw Gerzon.... god, Go, ben jij ’t?” +En Eduard van Neerwinden keek haar vol verbazing in ’t blozende +gezicht, en dan naar ’t kind, dat zich stevig aan haar +vastklemde.</p> + +<p>Ja, Else is uit.... en de juffrouw heeft ’n kindje gekregen, +en nu hebben wij de kleintjes bij ons gehad;... maar kom toch binnen; +ze komt gauw terug.”</p> + +<p>“Maar die kleine baas?” Eduard gaf ’m ’n +tikje op de roode wang, en Go was blij, dat hij zoo lief was tegen +kinderen.</p> + +<p>“O, als je goed vindt, breng ’k ’m eventjes naar +boven toe. Hij moet toch naar bed, hè vent? Wacht; dit moet je +meenemen”—en ze gaf ’m ’n reep +chocolaad,—“zeg nu meneer goeiennacht,... <span class= +"pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>neem ’n +stoel, zeg; ik kom zóó terug.”</p> + +<p>“Nacht oome,” zei ’t kind gedwee, en Go proestte, +terwijl ze de kamer uitliep; het was zóó dwaas, +zoo’n elegante jongen, zoo’n hyper-verfijnde +“oome” te hooren noemen.</p> + +<p>Hij keek om zich heen, om ’n beetje idee te krijgen van haar +smaak en haar ontwikkeling: die groengekapte studeerlamp gaf ’n +aardige verlichting, maar wat er aan den muur hing, m’n hemel, +wat was dat hopeloos banaal en onpersoonlijk, zoo echt, wat je op elke +kamer vinden kon: de “Jeugd” van Pier Pander in ’t +wit-met<span class="corr" id="xd0e1803" title="Bron: +">-</span>goud-lijstje, ’n chromogravure van “<span lang= +"en">Let the baby pass</span>”, ’n bont-bloemige kalender, +’n sentimenteel-bolwangige “Mignon” uit de +“<span lang="de">Jugend</span>”, en ’n paar neutrale +landschapjes, vermoedelijk uit ’n album van “moderne +kunst” of zoo iets.</p> + +<p>Op de schrijftafel ’n rijtje prachtbandjes van de beste +moderne Hollanders: Kloos, Van Deyssel, Gorter, Roland Holst, +Hélène Swarth, zelfs Boutens—maar van buitenlanders +niets dan ’n dun deeltje Shelley, waarom hij ongeduldig de +schouders ophaalde: cultuur nihil natuurlijk, niets gelezen dan wat je +op ’n gymnasium van duitsche, fransche en engelsche klassieken +leert; en verder ’r hoofd volgepropt met die heerlijke, +prachtige, rijke, hollandsche literatuur, waar in de heele wereld toch +maar zeker niets boven gaat.... alleen maar Shelley; en gemelijk nam +hij de portretten op, die er naast stonden, bleef geboeid nu kijken +naar die groote, gezellige familie, die gemoedelijke vader en moeder +met al dat kroost er om heen, zeven telde hij, en Go zelf, dat ’s +acht; wat ’n leuke troep.... en aardige snuitjes, ze lijken op +elkaar.... Go heeft <span class="pagenum">[<a id="pb115" href= +"#pb115">115</a>]</span>’t zelfde als dat kleintje.... En hij +stond er nog mee in z’n hand, toen ze weer binnenkwam, keek haar +nu ánders aan, scheen haar beter te begrijpen, nu hij wist, dat +ze de oudste van zoo’n groote familie was.</p> + +<p>“Wat moet jíj ’n gezellig thuis hebben,” +zei hij hartelijk, en ze vond het prettig, dat hij de portretjes aardig +vond, en kwam naast ’m staan, om hem er over uit te leggen: +“Die broer volgt op mij; hij is nu in de vijfde van de +jongens-burger, en wil architect worden; dat zusje is op ’n +particuliere school,—ze is ’n beetje zwak, en houdt veel +van huishouden;—hij gaat op ’t gym,.... en vin-je +dát geen schat: ’t is ’n bengel, zie je; maar +’k geloof, dat er wat in zit; hij schildert zoo aardig, en nu +heeft Pa ’m op de teeken-academie gedaan,.... de kleintjes zijn +nog op de lagere school; kijk, dit is de jongste.... ze is +acht.”</p> + +<p>“Die lijkt op jou,” zei hij, ’t portret fixeerend, +maar ze zei wat bruusk:</p> + +<p>“Wel nee, die is sprekend vader, en iedereen zegt, dat ik op +moeder lijk,” maar bang, dat hij boos zou worden om haar +tegenspreken, vroeg ze gauw, of hij geen heerlijk gevoel had, nu dat +examen achter den rug was, en of hij niet blij was met z’n mooie +iudicium.</p> + +<p>Hij dankte haar nu voor ’t briefje met gelukwenschen, dat ze +’m had gezonden, maar begreep niet, waarom ze ’t niet +mondeling had gedaan. Hij herinnerde zich toch, dat hij ’r in de +gang gezien had.—Och; ze was zenuwachtig geweest;.... ze was maar +dadelijk weggeloopen....</p> + +<p>“Maar de fuif was toch zeker wel erg prettig, +hè?” Ze ging zachtjes heen en weer in den hoek <span +class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span>van de +kamer, stil bezig met thee te zetten, en zoo ongemerkt mogelijk den +rommel van de chocolade-partij van dien middag op te bergen.</p> + +<p>“Ja, ’t was ’n dolle boel; we hebben er na nog +gereden, naar Den Dijl.”</p> + +<p>“Ik kwam ’s avonds door de Breestraat.... en ik hoorde +de vroolijkheid; ik was toch zoo dolgraag even naar binnen geloopen, om +tenminste ’n uurtje mee te doen.”</p> + +<p>Hij nam in gedachten de thee van haar aan, tikte met z’n +smallen voet op den rand van de kachel.</p> + +<p>“Je hebt er, geloof ik, geen idee van, hoe ’t op die +fuiven eigenlijk toegaat, en hoe wij, jongens, doen, als we onder +elkaar zijn.”</p> + +<p>“Nee, dat heb ik ook niet,” bekende Go ernstig, +“wij meisjes zijn nooit zoo ’s echt kinderlijk-uitgelaten, +zoo ’s jolig-dwaas.”</p> + +<p>“Dat zijn wij ook haast nooit. Ik geloof, dat ik in m’n +heele leven pas één onschuldig-leuken fuif heb +meegemaakt: op de kermis, toen er ’n rutschbaan was,.... of nee, +nóg wel ’s ’n fakkeltocht, of als we hardliepen of +worstelen gingen.... maar bijna altijd....”</p> + +<p>Hij legde ’n paar beuken blokken op den haard, die knetterend +vlam vatten, en ’n lekkeren geur gaven in de kamer. De gloed +speelde over Go’s luisterend gezicht, en hij voelde zich +getroffen door de veilige stilte van de kamer met de dikke, gesloten +gordijnen, en de ouderwetsche deur; de welbekende stad van jolijt en +onvoldaanheid scheen hier iets verafs, ’n akelig fantoom, en, +zonder zich rekenschap te geven, wáárom hij tegen dit +kind open wilde spreken,—was ’t wezenlijk ’n behoefte +zich te uiten, of slechts ’n <span class="pagenum">[<a id="pb117" +href="#pb117">117</a>]</span>nieuwe, om haar onverwachtheid te +aantrekkelijker pose—, begon hij met z’n zachte, moeë +stem:</p> + +<p>“Jullie meisjes kunnen je zoo heelemaal geen voorstelling +maken, hoe wij eigenlijk zijn, als we ons niet in bedwang houden. Ik +geloof, dat jullie altijd precies eender bent, of er jongens bij zijn, +of dat je onder elkaar praat. En daarom denken jullie dat natuurlijk +ook van ons;.... maar ’t is zoo anders, we hebben eenvoudig +’n ander vocabularium, als we onder elkaar zijn; op de kroeg +wordt bijna geen gesprek gevoerd, waar ’n meisje naar zou kunnen +luisteren;—ik begrijp niet, hoe lui als De Veer, die dat toch +allemaal weten, over de mogelijkheid kunnen spreken, dat de clubs nog +’s zouden samensmelten.... Het is ’n eeuwen ingeroest +kwaad; en wie dàt zou willen veranderen....”</p> + +<p>Go zat ’m aldoor aan te kijken, haar groote, grijs-blauwe +oogen vol triestige ongeloovigheid, en nu viel ze kort en overtuigd in: +“Maar ik begrijp het niet.... ik weet ook zeker, dat ’t +niet waar is. Als jullie ook wel over verkeerde dingen praat, dan is +dat ’n aanwensel, ’n slechte gewoonte, die de een van den +ander overneemt; maar je zoudt het eigenlijk allemaal met plezier +laten. Zooals jullie bent, waar wij bij zijn, zooals je dan praat, +zooals je je dan voor allerlei dingen interesseert, zoo ben je +eigenlijk.... Jij bent eigenlijk, zooals je nú bent.... dat weet +ik zeker, en je stelt je aan, als je doet, of je ’n slechte +jongen was.... En daarom zou ’t zoo goed zijn, als wij, meisjes, +op de kroeg kwamen; het zou voor ons allemaal zoo vreeselijk goed zijn. +We zouden elkaar zoo aanzetten om ons voor meer dingen te +interesseeren, we zouden zooveel beter worden.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span></p> + +<p>“Wat weet je er van, van de hopeloosheid, +redding-onmogelijkheid, van de meesten in ons corps? Je bent ’n +meisje, èn eerstejaars.... Je weet zoo weinig van ònze +wereld, en van de misère en den ondergang van het mooiste onder +ons.”</p> + +<p>“Ik vóel het,” zei Go, de oogen vol tranen. +“Dáárom wil ’k juist helpen.”</p> + +<p>Hij schudde het hoofd; wat ’n kind was ze nog, met zoo’n +spontaan vertrouwen in de kracht van haar wil en haar vrouw-zijn; met +zoo’n fellen drang tot verzet tegen ’t onvermijdelijke.</p> + +<p>“Vonden ze thuis niet heel erg je hierheen te laten +gaan?”</p> + +<p>En hij dacht, hoe hij z’n dochter nooit in ’n +studentenstad zou willen sturen; hij zou ’r veilig thuis houden +in volkomen onwetendheid, en dan laten trouwen, overgaande van de eene +afhankelijkheid in de andere, zonder levens-bewust-worden. De vrouw +wás lief als “bezit”, als ’n levend ding, dat +zich heelemaal gaf; zoodra ze iets van den man ging overnemen, werd ze +onverdraaglijk om haar niet-te-miskennen inferioriteit;... hij +glimlachte even bij ’t idee, wat Go zou zeggen, als ze die +“ouderwetsche” gedachten van ’m wist; hij kende de +vrouw nu eenmaal niet anders...</p> + +<p>“Ach neen, er bleven er toch nog zooveel, en ik kom iedere +week weer thuis! Waar wonen jouw ouders eigenlijk?”</p> + +<p>“Ze zijn al heel lang in Italië.... sinds m’n +broertje gestorven is. Toen is moeder ziek geworden; en nu blijven ze +daar in ’t zachte klimaat en m’n vader schildert er veel in +de museums. Ik ben tot m’n zestiende jaar bij hen geweest; toen +hebben ze me naar Holland gestuurd, om voor <span class="pagenum">[<a +id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span>’t staatsexamen opgeleid +te worden, en daarna heb ik ze nog maar eens gezien; dat is vijf jaar +geleden. Toen heb ’k drie maanden in Milaan bij ze +gelogeerd.”</p> + +<p>“O, hoe akelig, dat je geen thuis hier hebt.” En Go +dacht, of hij niet ’s een vacantie bij hún zou kunnen +komen; want moeder zou hij zeker aardig vinden, al was ’t verder +te druk en te burgerlijk voor hem.</p> + +<p>“Och, ik heb veel vrienden, en kom ook nog al bij familie aan +huis.... ’t Is al zoo lang zoo, dat ik ’t me niet anders +meer voorstellen kan.... Eerst vond ik ’t wel heel akelig, want +ik was juist altijd meer met m’n vader en moeder samen geweest, +dan andere jongens.... Ik had ’n gouverneur aan huis, en ze gaven +me ook zelf les, vooral in muziek en in kunst- en +literatuurgeschiedenis.... Toen ik bij den rector in Arnhem was, vond +ik eerst alles erg raar, en de jongens plomp en onbeschaafd,.... maar +de menschen waren zoo vriendelijk voor me, en ik kreeg toch ook plezier +in ruw jongensspel;.... het waren prettige, onbezorgde jaren.... Toen +ik hier kwam, was ik achttien.... net als jij. En ik kon de lucht hier +niet verdragen; ik kreeg dadelijk erge koorts, malaria, ergens op +’n vreemde kamer op den verlaten Morschweg, waar ik was gaan +wonen, om nog wat van buiten te hebben. De menschen waren niet kwaad, +maar ik lag toch altijd alleen; vrienden had ik toen nog niet,.... ik +werd gék van het droomen; ik weet niet, of jij ooit erge droomen +hebt gehad; maar ik was er dol van en liep ’s nachts alleen over +m’n kamer in ’n razenden angst, om wat ik wist, dat toch +niet waar was.... Toen ik zoowat beter was, wilde ik <span class= +"pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span>geen oogenblik +meer alleen zijn. Ik was eenvoudig báng van de kamer, waar ik +zooveel had doorgemaakt. Ik was toen nog erg zwak, maar zat toch altijd +op de kroeg, en ’s nachts nog laat bij allerlei lui op de kamer, +of we gingen rijden of boemelen. In dien tijd heb ik Bruno gekocht, dat +ik tenminste ’n levend wezen bij me zou hebben, àls de +angst terugkwam. ’s Nachts lag hij voor m’n bed, en ik riep +’m soms bij me en hield ’m in m’n armen, om z’n +adem te voelen, z’n menschelijke oogen te zien, die me rust +gaven.... Al die eerste jaren heb ik met m’n gezondheid te +vechten gehad, maar gaan liggen wilde ik niet meer, en ik foof en kreeg +’n heeleboel vrinden. Toen ben ik na m’n candidaats op raad +van den dokter naar Italië gegaan. Dat was eerst erg akelig, de +eerste maanden.... Ik had er nooit over gedacht, maar nu merkte ik, hoe +’k geestelijk achteruit was gegaan, dat ’k vreemd was aan +de gedachten en idealen van vader en moeder; dat er iets aan m’n +gevoel was afgestompt; dat er iets moois in me was onderdrukt,.... ik +weet niet precies, hoe; maar ’n avond, toen ik, nadat ik lang met +ze had zitten praten, naar buiten was gewandeld, heb ik er om gehuild. +Het zijn allebei bizondere menschen, niet zoo erg ’n vader en +moeder misschien.... ze hebben me nooit ’n raad gegeven; maar +zoo’n mooi voorbeeld. Ze hebben nooit er op aangedrongen, dat +’k hun alles van m’n leven zeggen zou.... Ze leven meer om +ideeën dan om feiten.... maar wat ’n invloed hadden ze +indirect op m’n leven. Ik voelde iederen dag me meer inleven in +hun gedachtensfeer; het leven, dat ik híer geleid had, leek me +zoo banaal.... Je bent dáár anders, <span class= +"pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span>en ik dacht, dat +ik ’t nu ook hier zou kunnen zijn....”</p> + +<p>Hij keek in den haard naar de blokken, die bijna waren verbrand en +langzaam-glijdend ineenstortten. Hij zag, dat Go onbeweeglijk zat, als +bang de herinnering te storen. En, teruggekeerd tot het leven van +alledag, wetend, dat hij hier zat in Leiden, in ’n gewone kamer; +dat alleen het wonderlijke was, dat er ’n zóó +stille avond kon komen in dat drukke, roezige leven,—en eigenlijk +niet begrijpend, welk dwaas toeval dit jonge, droomende kind tot zijn +biechthoorster had gemaakt,—sprak hij door met luchtiger, +gemoedelijker klank in z’n stem, telkens slechts even ontroerd, +als hij de emotie zag op haar huiverend gezicht.</p> + +<p>“Dat is nu vijf jaar geleden; ik was toen net een-en-twintig +geweest. Er is sprake van, dat m’n vader me hier ’s zal +komen opzoeken. Maar ik hoop eigenlijk, dat het niet gebeuren zal. We +zijn nu nog veel meer van elkaar vervreemd. Toen foof ik, omdat ik +’t leuk vond,—maar ik voelde vaak, dat ’t verkeerd +was.... Nu, je weet het, ik heb ’t je al meer gezegd, is ’t +me vrij onverschillig, wát ’n mensch doet. Alles is +nutteloos, en ’t eenige doel is je tijd zoo aangenaam mogelijk +door te brengen. ’n Aangenamer manier dan flink fuiven en flink +werken heb ik niet kunnen vinden—en zoo heel prettig is ’t +toch niet....”</p> + +<p>“O, ’t spijt me zoo vreeselijk, dat je zoo praat, en +’t komt heelemaal, omdat je altijd zoo alleen bent.... Jullie +allemaal, die verkeerd doen, moest ’n tehuis hebben, +gezelligheid. Konden wij jullie dat toch maar geven. Ik wilde, dat alle +eenzamen naar ónze kamers kwamen, als ze behoefte hadden <span +class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span>aan wat +vrouwelijke hartelijkheid.... Ik zou zóó graag veel +geven....”</p> + +<p>Haar stem brak van opwinding, en Eduard voelde zich wonderlijk +ontroerd.</p> + +<p>’n Lief, hevig, eerlijk kind was ’t; en die was nu +alleen onder die ongelukkige jongens gekomen! Ja, dikwijls met +zoo’n meisje te praten moest toch wel goed doen aan hun +ideaalloosheid, en háár liefde.... En, héél +moe van dat ellendige leven, dacht hij er even over, haar te vragen +z’n beschermengel te willen worden,—maar m’n hemel, +wat was haar ontwikkeling, wat had ze gezien en gedacht en +gelezen,—en natuurlijk zou ze toch met ’m mee willen leven, +alles van ’m willen weten en ’m raad willen geven;—ze +stonden immers op ’n heel verschillend ontwikkelingsplan: hij was +heelemaal van de oude traditie, van de rechten van den man en de +plichten van de vrouw..... en zij leefde in het jonge bewustzijn van +gelijke naast gelijke—niet er over debatteerend, er om strijdend +op politiek gebied,—maar diep in eigen wezen het als waarheid +erkennend.... En dan—’t zou immers beider ongeluk +zijn;—ze was veel te goed voor hem, en zoo’n decadent kon +toch niet trouwen.... z’n dòchter zou nooit studeeren; +z’n dòchter;.... alsof hij....</p> + +<p>“Je moet me niet zoo aankijken, Go,” zei hij zachtjes; +“dit is allemaal niet zoo vreeselijk als je denkt.... Het is zoo +gek, dat jullie meisjes altijd dingen zegt, die je erg meent, hevig +voelt. Dat jullie zoo heelemaal niet kent onze blague, onze +gevoels-ontveinzing.... En dóór je eerlijke openheid maak +je ons vanzelf ook zoo, als we met jullie praten: ernstig, +zwaar-op-de-hand, sentimenteel <span class="pagenum">[<a id="pb123" +href="#pb123">123</a>]</span>bijna. Praat ik ooit tegen iemand, als +tegen jou? Vind ik m’n leven treurig, als jij niet bij me bent, +die me met je groote meelijdende oogen suggereert: “arme jongen, +eenzame lijder....” Onzin, onzin.... Ik ben immers zelden +verdrietig.... jij máákt me melancoliek, of misschien heb +ik vandaag ’n kater.”</p> + +<p>“O, Eddy, ik wou maar, dat ik je helpen kon.”</p> + +<p>Hun oogen gingen in elkaar; van beiden zacht in medelijden.</p> + +<p>Maar nu knarste het slot van de buitendeur, en ’n oogenblik +later was Else in de gangopening.</p> + +<p>“Dag Go, hé Van Neerwinden, ben-jij hier?”</p> + +<p>“Ja, en eigenlijk om jou te spreken.”</p> + +<p>“Zoo; en wat is er dan?”</p> + +<p>Ze stond bij de lamp haar handschoenen uit te trekken, en het viel +Go op, hoe mooi ze was: de groote, zwarte hoed gaf achtergrond aan haar +anders wat vlak gezicht, en haar frissche kleur, van de buitenlucht, +was bekoorlijker dan haar meestal verfijnde bleekheid. Eduard keek ook +naar haar; en Go wist, wat hij dacht, terwijl hij praatte:</p> + +<p>“Hans en ik hebben bedacht, dat het zoo aardig zou zijn, als +jij nu ook in ’t bestuur kwam;—-je zit toch al steeds +achter de groene tafel.... figuurlijk gesproken, en Rolands wilde +aftreden. We hebben ’t er nog niet met Herderts over gehad, want +eerst moet jij zeggen, of je zou willen—en dan moeten we +onderzoeken, of we genoeg stemmen kunnen krijgen; Beerenstijn is +natuurlijk tegen, maar dat hindert niet, als hij de eenige +is.”</p> + +<p>“Zou ik dan quaestor worden.... of hoe heet ’t +vrouwelijk: quaestrix?.... Ik zou natuurlijk dolgraag willen, +Neerwinden, en Han zal het zoo leuk vinden....” <span class= +"pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span></p> + +<p>“Van mij is dit voorstel natuurlijk groote +edelmoedigheid,” praatte Eduard, “op bestuursvergaderingen +zal ik als “dritter im bunde” nog maar net gedúld +worden.”</p> + +<p>Hij fixeerde haar lachend, en haar oogen antwoordden hem; ’t +scheen Go even, of ze iets flikkeren zag tusschen hem en haar.</p> + +<p>“’t Zal gezellig zijn met ons drieën,” zei +Else toen luchtig, en Eduard stond op om afscheid te nemen.</p> + +<p>Go <span class="corr" id="xd0e1916" title="Bron: beantwoorde"> +beantwoordde</span> het intieme handdrukje niet, liet Else hem +uitlaten.</p> + +<p>“Wat leuk,” praatte die, weer binnen, “om in +’t bestuur te komen;.... denk jij, dat er iemand tegen zou zijn? +Han zal ’t zoo prettig vinden.”</p> + +<p>Go zette de kopjes in elkaar: “Er is nog thee,” zei ze +kort-af, “je kunt nemen.”</p> + +<p>“O, hebben jullie thee gedronken? Was hij er al lang? ’t +Is toch eigenlijk ’n rare jongen, hè, anders dan de +verdere leden van Laborando;—wel aardig,—maar ’n +flirt. ’t Was maar goed, dat Han er niet bij was; die zou woedend +zijn geweest, als hij gezien had, hoe-die me aankeek, daar +straks.”</p> + +<p>“Als Han er geweest was, zou jij óók anders +hebben gedaan,” beet Go af.</p> + +<p>“Ik? Gunst, ik heb niets gedaan; ik begrijp niet, wat je +meent,” en met ’n eerlijk-verbaasd gezichtje haalde Else de +schouders op, keek Go ’s aan: er was nog nooit iets tusschen hen +geweest, zelfs geen klein kibbelarijtje; ze kon Go’s boos-kijken +onmogelijk verklaren, maar kalm filozofisch zei ze, dat ze zeker nog +moe was van ’t gesjouw van dien dag: “Kom, laten we vroeg +naar bed gaan.”</p> + +<p>“Nee, ga jij maar; ik blijf nog.” En Go schoof <span +class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>wijd het +raam open, leunde haar gloeiend hoofd in den kouden, strakken +winternacht.</p> + +<p>Het was heel stil op het grachtje, waar de huisjes onder de witte +maansneeuw sliepen, het oude brugje leek ’n blanke poort naar de +dicht beboomde kerkgracht; op de schuit voor het huis blonk rijp aan de +masten. Er waren bijna geen menschen op straat; soms stapte iemand hol +over de harde brug, maar dan ging hij links af; geen kwam voorbij haar +raam. De blauwe stoep beneden leek bijna wit in ’t bleeke +licht.</p> + +<p>Ze leunde verder naar buiten, dat de wind haar haren +òp-woelde. Wat was ze toch dwaas geweest zooeven, tegen Else. +Wat had die nu eigenlijk voor vreeselijks gedaan! Ja, ’t was +jammer, dat ze net binnen was gekomen, toen ze zóó +volkomen vertrouwelijk waren, maar ’t meeste was toen toch al +gezegd; en op een of andere manier moest er toch ’n einde aan +komen,.... of was ’n ànder einde mogelijk geweest?</p> + +<p>Ze had ’m lief;... ja, nu zou ze ’t zich bekennen; ze +had ’m lief... ze had lief; o, nu begon voor háár +ook dat wondere, waar ze al zoo dikwijls over had gedacht, maar dat ze +nog nooit zelf had ondervonden. Nu wist ze, dat het eigenlijk van +’t eerste oogenblik af liefde was geweest, van dien avond af, dat +ze ’m had zien komen in de gang, en Else niet had kunnen +antwoorden, omdat ze voelde: van hem hangt m’n leven af; en dat +was zoo gebleven, onder de vergadering, en sterker geworden, toen ze op +het soupertje over levensopvattingen hadden gesproken, en ze even de +melancolie van z’n bestaan had gevoeld; omdat ze ’m +liefhad, had ze zooveel angst uitgestaan op dat examen, terwijl ze +meende, dat ’t <span class="pagenum">[<a id="pb126" href= +"#pb126">126</a>]</span>maar was, omdat ze zoo iets voor ’t eerst +meemaakte, en vanavond, vanavond, in hun volkomen eerlijkheid, was het +gebeurd, nu voor altijd:—ze was heelemaal naar hem +opengegaan;—ze wist niet, hóe ’t was geweest, maar +’t had geleken, of ze naar ’m toegroeide onder z’n +droevig praten, of haar medelijden en haar liefde en bewondering lange +ranken werden, die zich om ’m heen wonden. Bewondering—ja, +ook na z’n bekentenis, en grooter juist: want welke jongen zou +zoo lief-berouwvol z’n heele leven hebben opengelegd? Zoo iemand +kón immers niet slecht zijn—nee, goed en groot was hij, +maar neergehaald door de omstandigheden; hij zelf leed er zoo onder; +maar ze zou ’m wel opheffen, ze zou ’m mogen helpen, en o, +ze wilde er niet blij om zijn om hem, omdat hij het treurig vond,... +maar voor haarzelf was ’t zoo zalig, iets groots, iets moeilijks +voor hem te kunnen doen.... Ze had ’m vanavond niet genoeg +gezegd; ze had moeten zeggen, dat ieder goed zijn moet, omdat daar +buiten geen bevrediging is, omdat slechtheid onvoldaan en onrustig +maakt;—maar hij geloofde niet aan goed en slecht; hij praatte +alleen van je leven zoo aangenaam en ongemerkt mogelijk +doorbrengen,—en hij had zooveel gelezen, filosofen en +zoo;—ze was maar ’n dom kind, zou ze ’m wel ooit +kunnen helpen om te leven? Maar ze hield van ’m, en dat vermag +meer, dan de wijsheid van de heele wereld. Zou haar liefde alleen hem +niet al misschien met alles verzoenen?—Er kwamen ’n paar +pratende menschen voorbij en ze hield even op met haar denken.</p> + +<p>Dat hij geflirt had met Else was juist ’n teeken, dat hij om +die niet gaf. Dat zou hij nooit met <span class="pagenum">[<a id= +"pb127" href="#pb127">127</a>]</span>háár doen. Tegen +háár was hij eenvoudig en eerlijk en hartelijk; waarom +had ze z’n handdruk niet beantwoord? Zou hij nu denken, dat ze +boos en jaloersch was, haar ’n bekrompen meisje vinden? <span +class="corr" id="xd0e1945" title="Bron: ze">Ze</span> zou ’m +schrijven; dat zou ook makkelijker dan praten gaan. Ze zou ’m +alles, wat ze van levenswijsheid kon bedenken, vertellen; en hij zou +haar liefde uit ieder woord voelen.</p> + +<p>—En Else, goeie Elsi, die heelemaal niet begreep, wat ze voor +kwaad gedaan had, zou ze morgen vragen niet meer boos te zijn. Ieder +mensch was immers anders: Elsi kon veel van Han houden, en toch flirten +met ’n ander, terwijl zij—-</p> + +<p>Er kwam weer ’n man ’t grachtje af, die haastiger ging +stappen, toen hij ’t huis naderde.</p> + +<p>“Ben jij ’t, Gé? Hoe kom jij verzeild op dit +stille grachtje?”</p> + +<p>“Ik loop hier dikwijls ’s avonds; ik houd er van. Maar +anders ben-je altijd al naar bed; hoe kom-je nog zoo laat op? En met +’n open raam; je zult kou vatten.”</p> + +<p>“Het is zoo heerlijk buiten, dat ’t zonde is om naar bed +te gaan.”</p> + +<p>“Wacht je nog op Elsi? of lig-je zóó maar te +kijken?”</p> + +<p>“Nee; Elsi is al naar bed.—Ik lig maar te kijken naar de +huizen en het brugje en de schuit—en ik denk.”</p> + +<p>“Wat denk-je dan, iets diepzinnigs?”</p> + +<p>“Ik denk, dat ’t leven zoo heerlijk is.”</p> + +<p>“Zoo zoo; en hoe komt dat zoo ineens?” Hij ergerde zich +aan z’n harden stemklank in den geluidloozen nacht, en temperde +hem tot ’n onaangenaam, scherp fluisteren. <span class="pagenum"> +[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span></p> + +<p>“Ben-je den heelen avond alleen geweest, of is er nog bezoek +gekomen?”</p> + +<p>“Van Neerwinden was er... om Else,” voegde ze er haastig +bij, zelf niet begrijpend, waarom dit politieke uitvluchtje volgde; +mocht hij ’t niet weten? Ze gaf zich geen rekenschap van de +onrust, die haar snel verder praten deed: “We hebben den heelen +dag de kleintjes van de juffrouw bij ons gehad; ze heeft ’n +kindje gekregen.”</p> + +<p>Hij ging er even zonder belangstelling op door, keek naar haar +ontroerd gezicht, in den glans der groote oogen. En zij, verlangend +over Eduard te spreken, spijtig, dat ze zooeven het onderwerp was +ontvlucht, zocht het gesprek naar ’m terug te leiden, zweeg, toen +ze geen overgang vinden kon.</p> + +<p>Ze keken samen stil over de verlaten gracht.</p> + +<p>“’t Zal vriezen vannacht,” zei hij, zonder bij +z’n woorden na te denken.</p> + +<p>Maar nu vroeg ze opeens dringend: “Vin-je niet, dat jongens +toch dikwijls wanhopig eenzaam zijn? ondanks al hun schijn-vroolijkheid +in werkelijkheid verlaten en op zichzelf aangewezen?”</p> + +<p>Hij fronsde de wenkbrauwen; begreep.</p> + +<p>“Dat zijn in hun diepste wezen alle menschen. Door ’n +ander volkomen begrepen worden, bestaat niet. Ieder heeft alleen zich +zelf. Daarom is het beste te zorgen, dat we ons zelf prettig en goed +gezelschap zijn.”</p> + +<p>Hij zag, dat z’n antwoord haar ontstemde; ze voelde de +verborgen vijandigheid. En z’n harde stem moest hinderen na +’t welluidend gevlei van dien ander; o, die kon zingen met +z’n stem, dat grof materialisme in háár oogen iets +hoogs en <span class="pagenum">[<a id="pb129" href= +"#pb129">129</a>]</span>heerlijks werd. Hoe haatte hij dien +veroverenden aansteller!</p> + +<p>“Nu moet je maar gaan slapen,” zuchtte hij na ’n +stilte. “Hoor, ’t is al elf uur.”</p> + +<p>Ze bleef nog even luisteren naar ’t carillon, dat vaag kwam +uit de verte door den stillen nacht.</p> + +<p>“De wind is den anderen kant uit,” zei ze droomerig; +stond toen op om het raam te sluiten, zag hem groetende terug gaan naar +’t brugje.</p> + +<p>In de warme kamer, waar ze niet meer aan had gedacht, stond ze +opeens alleen. Hier hadden ze gezeten, samen, Eddy en zij; hier hadden +ze gepraat, en was het alles gebeurd.</p> + +<p>En opeens stond de gedachte klaar in haar hoofd, <span class= +"letterspaced">dat ze liefhad</span>. Ze zag het, ze voelde het, als +iets, dat haar nu eerst goed bewust werd.</p> + +<p>En overstelpt door de heerlijkheid van haar geluk reikte ze met haar +armen hoog uit; liet toen zich neervallen op de donkere canapé, +waar ze met het kind had gezeten, en snikte zalig, de handen voor haar +gezicht. <span class="pagenum">[<a id="pb130" href= +"#pb130">130</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e2005" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XII.</h2> + +<p>De trein hield stil,—daar stond Eduard boven op de +bergen;—“Go,” riep hij, “Go<span class="corr" +id="xd0e2010" title="Bron: ”,">,”</span>—maar ze kon +niet naar ’m toe; Gerard duwde haar in de coupé +terug;—nu schreeuwde hij hoe langer hoe harder, ’t klonk +boven het wielengeratel uit; de bergen +wankelden;—“Ja” zei ze opeens, stond slaapdronken +voor haar bed in de donkere kamer, “ja; riep je, Else?”</p> + +<p>“O, Go, ik voel me zoo akelig; ik heb zoo’n vreeselijke +maagkramp.”</p> + +<p>Go tastte naar haar toe, door de duisternis, die ondoordringbaar +was. Ze liep met ’r handen voor zich uit, kon die zelfs niet +onderscheiden; haar bloote voeten kletterden op het koude zeil.</p> + +<p>“Hier ben ik; ik sta naast je bed; hoe komt dat nu? Is +’t net begonnen?”</p> + +<p>“Nee, ’k heb ’t al ’n heele poos; ik heb +maar ’n uurtje geslapen, toen werd ik al zoo akelig wakker er +van,—en ’t wordt hoe langer hoe erger.”</p> + +<p>“Arm kindje, maar had me dan toch eerder geroepen.”</p> + +<p>“Och, je sliep zoo vast—ik heb soms wel ’s <span +class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span>zachtjes: +Go, gezegd, maar dat hoorde je niet.”</p> + +<p>“Nee, ik sliep ellendig diep,—stakker; wat zullen we nu +doen! Ik zal eerst maar ’s licht maken.”</p> + +<p>En ze ging terug naar de tafel, tastte rammelend naar lucifers en +kaars.</p> + +<p>“Eigenlijk ben ik zondagnacht ook al ’n beetje niet +lekker geweest,” praatte Else, gedeeltelijk gerustgesteld, nu er +iemand zich met haar bemoeide, “maar ik was bang, dat ’k +niet weg zou mogen, als ik ’t zei tegen moeder; en dat zou zoo +akelig zijn geweest om Han.”</p> + +<p>Go had de kaars nu op ’t nachttafeltje gezet, voelde +Else’s voorhoofd en handen, zooals moeder bij haar altijd deed, +en keek peinzend in haar verhitte gezicht.</p> + +<p>“Ik geloof, dat je koorts hebt; ’n beetje. Heb-je wel +warme voeten?”</p> + +<p>“Ja, ik ben heelemaal gloeiend; maar dat komt van de pijn; +daar krijg-je ’t zoo benauwd van.”</p> + +<p>“Zou ik ’s wrijven; of zou ’t kou zijn? Warme +compressen?”</p> + +<p>“Ja maar hoe maak-je die? We hebben hier niets,” en Else +zuchtte.</p> + +<p>“Wordt ’t erger?” vroeg Go nerveus, de klamme +handen in de hare klemmend. “Ik kan natuurlijk water gaan koken, +en heete zakdoeken op je maag leggen.”</p> + +<p>“Ja, dat zou wel goed zijn, maar kom-je gauw terug?”</p> + +<p>Rillerig liep Go door de donkere gang, zich stootend tegen de +trapdeur, die openstond en luid knarste. Ze was bang, dat ze de +juffrouw zou wakker maken, zocht lang naar lucifers, om ’t licht +aan te steken in de dompig-donkere kamer. Het vroolijke klokje stond op +<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span>twee +uur, en ze bedacht, dat ze nog nooit om dien tijd hier binnen was +geweest, schrikte van haar bleek gezicht boven de lange, witte pon, +eerst in den bonheur du jour, dan in den grooten spiegel.</p> + +<p>Er was geen water in de karaf of in den ketel, ze zou dus heelemaal +achter in de gang het moeten gaan halen; ze ging nog even bij Else +kijken, om te zeggen, dat ze dadelijk terugkwam; de kilte van de +steenen kroop akelig tegen haar beenen op, zoodat haar knieën +klapperden. ’t Was ook net, alsof er iets vreemds was in de +voorkamer, dat er anders niet was; of de meubels dieper zwegen, en de +spiegels feller oogen hadden. Ze schrikte telkens op, om de leege +stilte achter haar, was blij, toen ze in de slaapkamer de zakdoeken kon +gaan zoeken.</p> + +<p>“Je moet wat aandoen, Go. Zoo vat je kou,” zei Else.</p> + +<p>Ze schudde van ’t rillen in haar dunne nachtjapon, schoof de +voeten in warme pantoffels.</p> + +<p>“Ja, ’n cape of zoo iets; want verbeeld je, dat +“Pa” ons hoort, en naar beneden komt om naar de dieven te +kijken... Hoe is ’t nu, Elsje-kindje? Ik ga warm water voor je +halen, hoor.”</p> + +<p>Ze brandde haar handen bijna, toen ze het doekje uitwrong en +pijnlijk prikten de wortels van haar nagels.</p> + +<p>“Is ’t lekker? Doet ’t goed?”</p> + +<p>“Huu, het brandt,” kreunde Else; maar: “Dat moet +ook,” zei Go voldaan; ging gauw ’n nieuwe maken, bijna +vallend van de haast door de te wijde pantoffels. Op de tafel stonden +nog de glazen en kopjes, die ze den vorigen avond gebruikt hadden en de +groote melkpan, waar ’t vel aan den rand <span class="pagenum"> +[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span>was aangebakken. In het +midden lag het briefje voor de juffrouw met de boodschappen voor den +volgenden dag, en ze dacht er over de pint melk in ’n +“kopje” te veranderen, en iets als Eau des Carmes, of +pepermunt er bij te schrijven,... maar misschien zouden die compressen +al genoeg helpen, zou Els morgen wel weer beter zijn.</p> + +<p>Iedere vijf minuten kwam Go nu de kamer in, de heete compres snel +tusschen de handen heen en weer gooiend om zich niet te branden, en +Else liet zwijgend met zich doen, telkens even zuchtend, als de heete +de killerig-klamme doek weer verving.</p> + +<p>“Zakt het nu een beetje?”</p> + +<p>“’n Heel klein beetje,... maar ik heb ook zoo’n +erge pijn in m’n beenen.”</p> + +<p>“Ik zal je nog een deken geven,... en de kussens van de +canapé halen,... je hebt kou gevat.”</p> + +<p>“Maar dan heb-jij niet genoeg.” Zij gooide zich woelerig +van den eenen kant naar den anderen, en plukte met haar vingers aan het +dek.</p> + +<p>“O, dan neem ik het tafelkleed; dat is heelemaal niets... +Wacht, ik zal nog gauw ’n compres gaan halen, èn de +kussens.”</p> + +<p>Het was nu half vier, en in Go’s hoofd was ’n groote +leegte; ze streek Else’s haar achterover, en vroeg, of ze ook nog +iets anders voor haar doen kon.</p> + +<p>“Nee, hou nu maar op met de compressen... ’t Heeft wel +wat geholpen.”</p> + +<p>“Maar als ’t helpt, kan ik er immers nog best ’n +poos mee doorgaan.”</p> + +<p>“Och neen, dat maar niet; ben-je moe? Of wil-je nog ’n +beetje bij me blijven zitten?”</p> + +<p>“Ik ben zoo wakker als midden op den dag. <span class= +"pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>Zal ik je +’n verhaaltje vertellen? Dat doe ik thuis altijd, als +één van de kleintjes in bed moet blijven.”</p> + +<p>“Hè ja, vertel wat,” zei Else, “maar neem +dan eerst ’t tafelkleed over je beenen, dat je niet koud +wordt.”</p> + +<p>Go vertelde de vermakelijke geschiedenis van Reinaert, telkens +stukjes reciteerend, die zij of Lou of Coba voor responsie hadden +gehad; en Else lag stil nu, speelde met de knoopen van de lange, blauwe +cape, en keek, of ze zoo’n klein beetje ziek-zijn wel leuk +vond.</p> + +<p>“Wat gezellig,” zei ze dankbaar, “weet je nog zoo +iets aardigs?” en Go dacht over “Karel ende Elegast,” +maar de klokken sloegen rinkelend door het huis vier uur, en daarom zei +ze, dat ze liever moest gaan slapen. Else had niet veel zin, klaagde +brommerig, “dat het écht nog niet heelemaal over +was,” maar Go stopte haar beslist in, legde lakens en dekens +glad, gaf haar toen ’n zoen op ’t warme voorhoofd en +commandeerde: “Nu slapen,” terwijl ze zelf nog ’t +licht in de voorkamer uitdraaien ging, dat daar zoo vreemd had staan +branden in die leege kamer van het dood-stille huis; toen kroop zij +zachtjes ook in bed, luisterend nog naar den anderen hoek der kamer. Ze +wilde wakker blijven, dat Else niet weer zoo lang zou moeten roepen; +eventjes sluimerde ze in, telkens weer rechtop schrikkend, of er toch +niets was. Maar toen ’t vijf uur had geslagen, voelde ze zich +zwaarder en zwaarder worden; ze zei nog: <span class="corr" id= +"xd0e2097" title="Niet in bron">“</span>Else,<span class="corr" +id="xd0e2100" title="Niet in bron">”</span> maar er was geen +verzetten meer tegen; zachtjes zonk ze weg, terwijl de haan eventjes, +gedempt, al kraaide.</p> + +<hr class="tb"> +<p>“Maar wil-je nú dan niet opstaan?” vroeg Go, +<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span>toen +ze, om kwart over elven uit college komend, Else nog in bed vond. Ze +had gedacht, dat ze er alleen nog maar wat in was gebleven, omdat ze +dien nacht slecht geslapen had, en ’t stelde haar hevig teleur, +toen Else huilerig zei: “O, nee; ik voel me zoo vervelend, en +m’n hoofd is zoo raar; toen ’k daar net even uit bed was, +dacht ik, dat ik om zou vallen; en ik heb ook heelemaal geen +trek.”</p> + +<p>“Heb-je ’n boterham gegeten en je eitje?”</p> + +<p>“Nee, niets; Marietje heeft, toen ze je bed opmaakte, alles +zoo weer mee genomen.”</p> + +<p>Go ging op den rand van het ledikant zitten, en keek Else ernstig +aan. Ze had gisteren gedacht, dat ’t maar ’n aanvalletje +van kou-vatten was, dat den volgenden dag weer vergeten zou zijn. Maar +nu scheen Else wezenlijk ziek te gaan worden, en als ’n zware +druk voelde ze de verantwoordelijkheid van ’n zieke aan +háár zorgen alleen toevertrouwd.</p> + +<p>“Ik zou zeggen, dat je nu geen koorts hebt,” zei ze +overleggend, “of ten minste minder; maar dat komt, omdat ’t +ochtend is. De kramp in je maag is óók weg, hè? +Laat je tong eens zien? Ik geloof, dat die beslagen is”—ze +bekeek nu ernstig haar eigen tong in den spiegel;—“Ja, de +mijne is rooder; en dat je niet eet, is natuurlijk ’n leelijk +ding.”</p> + +<p>“En m’n beenen doen zoo’n pijn, en m’n hoofd +klopt zoo akelig.——En ik heb zoo’n dorst.”</p> + +<p>“Ik zal binnen wat water en melk voor je klaar maken; maar ik +vind, dat we even om ’n dokter moeten sturen.”</p> + +<p>“Och nee, wel nee; wat weet zoo’n vreemde man er nu +van?” zei Else ongedurig, “schrijf <span class="pagenum"> +[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>liever even aan Han, anders +wordt hij ongerust, dat ik niet op college ben.”</p> + +<p>“Maar als je geen dokter wilt, moet je ook je ei +opeten.”</p> + +<p>“Nee, nee, dan word ik heelemaal ziek.”</p> + +<p>“’n Beschuit dan.... je moet toch iets in je maag +hebben.”</p> + +<p>“M’n maag is vol, maar geef maar ’n beschuit, en +schrijf dan aan Han.”</p> + +<p>Go zat met gefronsde wenkbrauwen aan de groote schrijftafel. De +juffrouw was dadelijk om beschuit en Eau des Carmes en ossetong +uitgegaan. Nu peinsde ze, hoe thuis toch altijd zieke-soep bereid werd; +ze geloofde van schenkelvleesch en poulet.... maar hoeveel.... ze had +er geen idee van. Misschien wist Han het; die zou wel gauw komen, +als-ie het hoorde. Ze hoopte maar, dat hij vóór ’n +dokter zou zijn; maar hij was wellicht uit, en zou dan pas ’s +middags komen;.... ze kon ’m niet gaan zoeken, want dan bleef +Else alleen;.... ’n angstig gevoel van in haar verlatenheid +gebonden zijn bracht tranen in haar oogen, en met moeite bedwong ze +’n uitbarsting van verdriet; ’t was toch wezenlijk nog zoo +verschrikkelijk niet, en ze moest de zieke zelf toch niet noodeloos +ongerust maken; het was pas één dag, nog niet eens, en de +verschijnselen waren niet verontrustend;.... ze had wat weinig geslapen +vannacht, daarom was ze zoo nerveus; ze kon immers dadelijk naar Den +Haag telegrafeeren, als ’t noodig was, maar voorloopig was er +geen reden voor; Else kon beter zelf vertellen, dat ze niet lekker was +geweest, als ze Vrijdag weer naar huis ging....</p> + +<p>“Zal ik wat bij je komen zitten werken?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span>vroeg ze na de +koffie, waarbij Else twee reepjes ossetong had gegeten, en zij zelf, +onrustig rondloopend in de verlaten kamer, ’n stuk koek, ’n +appel, ’n stuk brood, zonder zich tijd te gunnen ’n +wezenlijk maal er van te maken.</p> + +<p>“Ja... maar is dat briefje aan Han wel dadelijk bezorgd? Ik +begrijp niet, waar hij blijft...”</p> + +<p>“Hij zal uit koffiedrinken zijn,” kalmeerde Go, +“ik zal nog ’s vragen aan de juffrouw... Ja, ’t is in +orde. De baas heeft ’t zelf meegenomen. Hij zal vanmiddag wel +komen; wind je dáár nou niet over op.”</p> + +<p>En Go spreidde haar boeken uit, begon zorgvuldig met de vertaling +van Ulfilas.</p> + +<p>“Zouën ze ’t op college gemerkt hebben, dat +’k er niet was?” vroeg Else, langs het behangsel ritsend +met haar witte vingers.</p> + +<p>“Natuurlijk; maar nu moet je liever niet praten, zeg. Tracht +te slapen; dan ben je gauw weer beter.”</p> + +<p>“En als Han komt?”</p> + +<p>“Dan roep ik je; dat spreekt vanzelf. En ’k zal alle +boodschappen over en weer brengen. Ga nu naar den muur liggen. Ik zal +de gordijnen neerlaten.”</p> + +<p>“Ik ken het behangsel al precies uit m’n hoofd,” +zuchtte Else, “en daar is ’n gaatje, en daar +één, en hier ’n scheur.”</p> + +<p>Go gaf geen antwoord; ze boog zich stil over de boeken, onderwijl +angstig luisterend, of Else in slaap zou raken. Het was schemerdonker +in de groote, holle kamer, en dat maakte alles zoo luguber, dat +’t moeilijk was niet bang te worden. De lancaster gordijnen zagen +zoo akelig bruin-wit, neerhangend in den lichten dag, en ze zat hier +achter in ’t huis; ze hoorde niets van de straat... <span class= +"pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span>en zelfs in de +voorkamer had ze daar straks zich al zoo geïsoleerd gevoeld, omdat +’t zoo’n afgelegen grachtje was, waar niemand kwam, die er +niet moest zijn.</p> + +<p>Nu werd er gebeld; het klonk gedempt door, en ze bleef even in +spanning, of Else zou blijven liggen, maar die gooide zich met ’n +ruk om:</p> + +<p>“Is ’t Han?”</p> + +<p>“Ik zal ’s kijken..” Nee, ’t waren de +blouse-vriendinnen: Riek en Francis; wou ze misschien, dat ze +binnenkwamen; zou ’t niet te druk zijn?</p> + +<p>Nee, prettig; ze moesten zeker komen; was de kamer netjes? Jawel, +dat ging wel.</p> + +<p>De jolige kinderen waren eerst stil, geïmponeerd door +Else’s liggen in ’t groote bed en Go’s dringend +verzoeken, of ze zich kalm wilden houden; maar toen Else zelf lachte, +en grappig vertelde van hun getob dien nacht, werden ze +óók vroolijker, maakten grapjes over college, waar Else +gretig naar luisterde, vertelden, wat ze dien ochtend gehad hadden, en +boden aan, ’t dictaat bij te schrijven.</p> + +<p>Else vroeg nog ’n kussen, om ’n beetje rechtop te kunnen +zitten, en Go leefde op onder het opgewekte praten, dacht: nu kun-je +toch ’s zien, wat ’n hoop verbeelding er bij +komt;—deed zelf steeds meer mee, drijvend op den stroom van haar +blije gedachten.</p> + +<p>“Trek de gordijnen toch op,” vroeg Else, “het +lijkt wel, of ik al dood ben.”</p> + +<p>“Nou, dat zal nog wel schikken met je;... willen we vanavond +aan onze blouses komen naaien, hier bij je?”</p> + +<p>“Nee; ik sta zoo strakjes op, en dan komt Han +natuurlijk.” <span class="pagenum">[<a id="pb139" href= +"#pb139">139</a>]</span></p> + +<p>“Sta-je vóór ’t eten op, en eet je dan +weer gewoon mee? Ik heb geen soep voor je, maar de juffrouw zal vandaag +wel geen os geven.”</p> + +<p>“Ja; strakjes.” Ze zat recht op, ver boven de dekens +uit, met de armen om haar knieën, en Go, opgewonden van vreugde, +omdat ze nu geen angst meer had, deed haar klagende stem na van +’s nachts, en hoe ze als ’n bedorven kindje verhaaltjes had +willen hooren. Nu vertelde Francis ’n spookverhaal, dat ’n +oude meid haar altijd deed, wanneer ze ziek was, en ze lachten allemaal +dol om de dwaasheid, terwijl Go limonade maakte voor de visite, in de +glazen van de waschtafel, en koekjes presenteerde uit ’t +zakje.</p> + +<p>“’t Is hier alles een beetje primitief, maar daar moet +jullie maar niet op letten;” en ze dronken op het spoedig herstel +van de zieke, en stootten met elkaar aan, Else met haar glas +water-en-melk.</p> + +<p>Om vier uur gingen ze weg, na ’n luidruchtig afscheid, waarbij +de dekens van het bed op den grond terecht kwamen, en Else al maar: +“Tot morgen, op college,” riep. Go zei, dat ze nu nog +’n uurtje moest gaan slapen, dan zou ze om vijf uur haar roepen, +om op te staan, en als Han kwam, eerder. Maar die zou misschien +’s avonds pas komen.</p> + +<p>Go ruimde de voorkamer op, liet de juffrouw de kachel aanmaken, vol +feestelijkheidsgevoel over de intrede dadelijk, en aan Lize, die om +half vijf haar de college-aanteekeningen kwam brengen, vertelde ze, dat +de zieke al weer veel beter was; dat ze morgen weer kwam, morgenmiddag +tenminste zeker.</p> + +<p>Maar om vijf uur werd ze weer ontvangen met kreunend gezucht. Ze +stak gauw de kaars aan, <span class="pagenum">[<a id="pb140" href= +"#pb140">140</a>]</span>wilde ’t plagende toontje van dien middag +nog houden: “Wat scheelt er aan, freule? Wie heeft uw misnoegen +opgewekt?”</p> + +<p>“O, Go, ik ben weer zoo akelig, en ik heb zoo naar gedroomd. +Ik gloei heelemaal, en m’n beenen, m’n +beenen....”</p> + +<p>“Kom, die vervelen zich in bed, je moest ze maar ’s wat +te doen geven, kom er uit, luie meid.”</p> + +<p>“Nee, ik kan niet; ik ben ellendig.”</p> + +<p>Go voelde, dat ze weer meer koorts had en haar oogen schitterden;... +ze had zich natuurlijk te veel opgewonden; ze waren domme kinderen +geweest;... nu was ’t weer mis en Han kwam maar niet...</p> + +<p>“Laten we den dokter laten komen, Els, vóór den +nacht; dan weten we ten minste iets;... het zal natuurlijk niets zijn, +maar ’t maakt geruster.”</p> + +<p>“Och nee, zoo’n vreemde man, die je nog nooit behandeld +heeft... Ik begrijp niet, waar Han blijft.... Hoe laat is het nu +al?”</p> + +<p>“Hij komt zeker vanavond; ’t is bij half zes;.... wat +wil-je nu eten? De juffrouw heeft kalfsvleesch en spinazie, ter eere +van jou.”</p> + +<p>“O, als je blieft niet. Praat niet van eten.” En Go liep +weer hulpeloos in de lichte voorkamer heen en weer, soms gauw ’n +paar happen achter elkaar nemend; dan weer lang rondstappend zonder aan +eten te denken. Het was natuurlijk, dat de koorts ’s avonds +hooger werd, en dat Els geen trek had, was geen vreemd verschijnsel. Ze +zou straks Marietje even om ’n flesch pruimen of abrikozen +sturen; dat was frisch, en zou haar misschien wel smaken;... eens +’n dag niet eten, als je in bed lag, was wezenlijk zoo erg niet, +er was <span class="pagenum">[<a id="pb141" href= +"#pb141">141</a>]</span>geen reden om haar moeder ongerust te maken. +Als ’t morgen niet beter was, kon ze naar den dokter gaan; +bovendien: Han kwam vanavond, en ’n nacht slapen kon zoo enorm +veel goed doen.</p> + +<p>Ze ging nu ’n beetje stil in de donkere ziekenkamer zitten, +achter het bed, zoodat ’t Else niet onrustig maken kon. Ze hoorde +de kinderen joelen boven, en de moeder, die: <span class="corr" id= +"xd0e2212" title="Niet in bron">“</span>ssst,<span class="corr" +id="xd0e2215" title="Niet in bron">”</span> riep; ze moest even +glimlachen om Pa, die bij de deur voorzichtig op z’n teenen +wipte, maar dadelijk er na z’n voeten weer zwaar neerplonsde op +den steenen vloer.</p> + +<p>Het was heel triestig. Ze dacht, hoe niemand wist, dat ze hier +zóó zat; thuis niet, en geen van de menschen hier, en ze +peinsde, of op dit oogenblik iemand op de heele wereld aan haar denken +zou: vader en moeder en de kleintjes, of Gerard, of Lize... zelfs Eddy +niet? Ze voelde naar den brief, dien ze van ’m had, bij zich +droeg, steeds in haar blouse; die haar eigenlijk ’n beetje +teleurgesteld had, omdat hij niet de bizondere charme had, welke elk +van z’n gesproken woorden zoo heerlijk maakte;—maar er +stond toch in, dat hij hoopte haar gauw weer te zien, en t.t. Eduard +van Neerwinden; was hij dat wezenlijk? Had hij ’t ditmaal +gemeend?</p> + +<p>Else woelde, zuchtte eens. “Ben-jij daar, Go?”</p> + +<p>“Ja, wil-je wat?”</p> + +<p>“Kom een beetje bij me. Ik heb zoo’n vreeselijke +hoofdpijn; ’t is, of het ontstoken is van binnen.”</p> + +<p>“Zal ik de juffrouw wat eau-de-cologne laten halen?” Ze +hadden toch letterlijk niets hier, niet eens eau-de-cologne: wel +allerlei fijne parfums van Else, maar daar kon-je niets mee beginnen. +<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span></p> + +<p>“Ach nee, laat maar. ’t Helpt toch niet. Hoe laat is +’t?”</p> + +<p>Go ging naar de voorkamer om op ’t klokje te kijken; ’t +was er schemerdonker; de tafel was nog niet afgenomen; ze had vergeten +de juffrouw te bellen en alles zag er ontredderd en in-de-war-geloopen +uit. Ze bepeinsde, hoe akelig ’t was, als je maar oppervlakkig +van elkaar <span class="corr" id="xd0e2233" title="Bron: hieldt"> +hield</span>, als er dan één ziek werd; hoe vervelend je +dat moest vinden;.... en ze keek uit naar Han over den stillen weg. Als +Eddy ziek werd, zou ze natuurlijk nog meer van ’m houden, maar +voor anderen was zoo iets een drukkende last;.... nu was ’t al +half acht; Han zou toch niet uit de stad zijn?</p> + +<p>En ze jokte tegen Else, dat het zeven was, en liet haar zich nog +’s ’n beetje wasschen op bed, omdat ze zoo gloeierig was en +’t zoo benauwd had.</p> + +<p>Om acht uur rukte Henri de bel bijna kapot: hij was net +thuisgekomen, den heelen dag in Amsterdam met een paar vrienden +geweest. Hoe ze nu was, en of hij bij haar mocht?</p> + +<p>Hij zag er bleek en erg ontdaan uit, en Go werd dadelijk kalm door +zijn zenuwachtigheid, zei, dat hij moest gaan zitten, en of hij wel +gegeten had....</p> + +<p>Toen deed ze verslag van de ziekte, alles nu weer <span class="corr" +id="xd0e2244" title="Bron: optimister">optimistischer</span> inziend, +waarop hij in vliegende haast ’n briefje aan z’n “arm +vrouwtje” krabbelde, dat Else zalig deed lachen onder de dekens. +Toen Go met de boodschap terug kwam, dat hij ’n snoes was, en dat +ze morgen beter zou zijn, had hij al weer ’n nieuw epistel klaar, +en Go liep geduldig van den een naar den ander met briefjes en +boodschappen, blij, dat Else weer wat beter leek, en dat Han er nu was +om haar te helpen. Ze vroeg hem nu ook over de soep, omdat ze <span +class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span>bang was, +dat de juffrouw beleedigd zou zijn, als ze er over begon: net, of haar +eten niet goed genoeg was; maar hij wist ’t ook niet, zou echter +den volgenden morgen bij zijn ploerterij informeeren, en het vleesch +dan door z’n oppasser laten brengen, met een flesch wijn; en +natuurlijk kwam hij ook zelf.</p> + +<p>Hij bleef den heelen avond, en ze praatten over familie-kwesties; en +hij vertelde van z’n vader en moeder, totdat Go er +zóó in verdiept was geraakt, dat ze vergat, dat ze in +Leiden was, zich thuís had gedroomd, met ’r neef, op +’r kamertje.</p> + +<p>Het afscheid was hartelijk.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Go zat in ’n blauwe peignoir van Else op den grond, sneed met +haar zakmesje het vet van de stukjes vleesch, die door den oppasser in +’n papier waren bezorgd; ze geloofde niet, dat het het goeie was, +want het zag er zoo naar en bloederig uit, maar ze had niemand, aan wie +ze het vragen kon, moest maar probeeren, wat er van werd in den +melkkoker.</p> + +<p>Else was den heelen nacht erg onrustig geweest, maar nu was ze wat +gaan slapen; ze zag er slecht uit. Als Han er op stond, wou ze wel +’n dokter laten komen, maar ze zei, dat ’t onzin was; ze +konden immers tot morgen wachten, om te zien, of ze Vrijdag naar huis +zou kunnen gaan.</p> + +<p>Go schudde haar haar achterover, dat ze maar haastig wat in elkaar +had gedraaid, en plensde ’n waterstraal op het vleesch in het +pannetje; er steeg een weeig-zoetige lucht uit op, en ze begreep niet, +hoe Else dat zou kunnen verdragen. Daar kwam iemand voorbij het raam en +er <span class="pagenum">[<a id="pb144" href= +"#pb144">144</a>]</span>werd gebeld; ze dacht, dat ze Han’s stem +hoorde, zei:</p> + +<p>“O, zeg, wat is dat voor raar goedje? Die soep wordt nooit +goed.”</p> + +<p>Maar ’t was Eduard, in rok, ’n verwelkte bloem nog in +z’n knoopsgat.</p> + +<p>“O, jij! Hoe kom-jij hier?” En in aardige verwarring +streek ze door haar krullig haar heen.</p> + +<p>“Ik kom van de promotie-fuif van Heerling... en regelrecht +naar je toe, om te laten zien, hoe frisch ik na zoo’n feestnacht +nog wel ben.”</p> + +<p>“Hoe lief van je, Eddy. Ik ben zoo blij, dat je dit zegt. Mag +ik wat thee voor je zetten, of ’n boterham maken?”</p> + +<p>“Nee, nee, ik dank je wel... Maar kan ik ook adviseeren met +die rare soep... koken jullie tegenwoordig zelf?”</p> + +<p>“Nee, Else is ziek. Gisteren al den heelen dag; ’t is +begonnen met maagkramp en koorts... en pijn in de beenen; en ze wil +niets eten; wat denk-jij er van?”</p> + +<p>“Ik zou den dokter halen.”</p> + +<p>“Jamaar, dat wil ze niet. Zou er gevaar bij kunnen +zijn?”</p> + +<p>“Nee, dat zal wel níet. Maar hij zou ’t gauwer +beter kunnen maken. Ik zou er maar ’s op aandringen bij +haar.”</p> + +<p>“Soep is toch in elk geval goed, hè?”</p> + +<p>“Ja, als dát soep wórdt. Studentje, is +huishouden moeilijk?” Hij keek haar zacht aan, en ze sloeg haar +oogen neer in ’n heerlijke verwarring.</p> + +<p>“Nu,” zei hij, haar hand in de zijne; “ik kom +morgen nog wel ’s vragen, hoe ’t gaat. Het +beste.”</p> + +<p>Han kwam tegen de koffie, ijsbeerde somber de kamer op en neer. +<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span></p> + +<p>“Dus ze zal van middag niet opstaan?”</p> + +<p>“Ik denk ’t niet. Vin-je nu niet, dat we ’n +dokter...”</p> + +<p>“Ik zal vanmiddag alles eens aan Beerenstijn zeggen, die weet +er meer van dan de meeste dokters.”</p> + +<p>“Wat denk-je van de soep?”</p> + +<p>“Die bruine dingetjes moet je er uit visschen; maar ze ruikt +al goed.”</p> + +<p>“Zou de juffrouw ’t ruiken?”</p> + +<p>“Láát ze. Wil ik die flesch eens open trekken? +Geef haar dan wat wijn met ’n ei.”</p> + +<p>“Ja en warm houden, hè? Kom-je nog?”</p> + +<p>“Van avond. Kan ik geen boodschappen voor je doen? Vraag +’r eens, of er heelemaal niets is, dat ze hebben wil.”</p> + +<p>“Nee, niks. Ze is erg stil en down vandaag.”</p> + +<p>“Van de koorts. Nu, adieu; ’k ga vanmiddag naar +Beerenstijn.”</p> + +<p>Den volgenden ochtend zaten ze met z’n vijven te overleggen: +het bleef koorts, pijn en geen eetlust, overdag down en ’s nachts +onrustig. Go had gehuild, was moe van ’t tobben, Han floot +nerveus, terwijl Lou en Coba goedig Go’s cahiers uitzochten om +bij te schrijven.</p> + +<p>Beerenstijn haalde de schouders op: “Ik weet ’t niet, +’t lijkt me niet onrustbarend; maar toch ’n +dokter....”</p> + +<p>“Maar wat dénk-je, dat ’t is?”</p> + +<p>“Misschien is ’t eenvoudig gevatte kou; maar ’t +kan ook iets anders zijn; om er over te oordeelen, zou ’k de +patiënt moeten zien.”</p> + +<p>“Dat kun-je begrijpen,” viel Han uit. “Als +ík er niet eens bij mag.”</p> + +<p>“Wij hebben een heel goeie dokter,” zei Coba zacht, +“dokter Buys van de Hoogewoerd.” <span class="pagenum">[<a +id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span></p> + +<p>“Zou ik maar aan tante schrijven?” vroeg Go, +òp.</p> + +<p>“Wel nee, dat hélpt niet.” Han trommelde +ongeduldig op de ramen... “Ken-je hier nu geen oudere dame, Go, +de moeder van ’t een of ander meisje, of ’t kan me niet +schelen wie, die je ’s raad zou kunnen geven.”</p> + +<p>“Ik kon naar Mies de Bruin gaan; die woont hier.”</p> + +<p>“Ga gerust; dan blijven wij voor als Elsi wat noodig +heeft,” bood Lou hartelijk aan; Han en Beerenstijn stapten mede +op, zouden samen fruit gaan koopen, want daar had ze om +gevraagd.—</p> + +<p>Go vond de straten zoo vijandig licht, en de grond was hard, waar ze +stapte. De menschen liepen allemaal zoo vlug en zoo zeker van hun doel. +Ze voelde zich arm en uitgestooten er tusschen; er kwamen jongens van +college langs, die haar luchtig-vriendelijk groetten; ook meisjes met +frissche gezichtjes, die in de zon liepen te lachen,—en niemand +stoorde er zich aan, dat ze zoo angstig en afgetobd was, ’t kon +de heele wereld niets schelen... Dat groote huis van De Bruin leek ook +nijdig-koud, en ze bedacht, terwijl ze de trap opging, hoe slordig en +moe ze er uit zien moest en hoe vreemd ’t zou zijn in die nette +omgeving.</p> + +<p>“Wel, dat is aardig, Margo, dat je nu eindelijk weer ’s +komt... Ik heb al lang naar je uitgezien;—maar wat is er? Scheelt +er wat aan? Je ziet zoo bleek.”—</p> + +<p>Go’s oogen vlogen nerveus door de groote ouderwetsche kamer, +met het stemmige eikenhout en de koele familieportretten, keken dan +naar het rustige kind, dat zoo paste in die omgeving, koel-vriendelijk, +verstandig-onderhoudend, <span class="pagenum">[<a id="pb147" href= +"#pb147">147</a>]</span>en met toch iets droomerigs in de donkere oogen +van veel denken in ’t verleden.</p> + +<p>En ze voelde zich onharmonisch, ’n wanklank in die rust, en +starend in den ouden tuin met veel klimop en vochtig-donker, zei ze +beverig: “Elsi is ziek, al van Maandagnacht af.”</p> + +<p>“Maar ’t is nu pas Donderdag;.... dat is nog niet +lang,” en Go verbaasde zich: ’t was waar, en ’t leek +zoo’n eeuwigheid...</p> + +<p>“Maar wat scheelt je nichtje, en wat zegt de +dokter?”</p> + +<p>“We hebben geen dokter, dat wil ze niet;... ze heeft hoofdpijn +en ze eet niet,—en koorts ’s nachts.”</p> + +<p>“Ze zal kou gevat hebben; er zijn op ’t oogenblik +zooveel menschen ziek; de heele stad door; m’n broer is ook pas +beter.... Hoe is ’t mogelijk met dit weer, hè? ’t +Komt zeker van de dikke nevels ’s avonds, maar overdag is +’t zalig, vin-je niet?” Ze praatte door met haar aardige +stem, vroeg, of Go naar de comedie was geweest, Maandag;—ze +vertelde van ’n reisje in de kerstvacantie en ’n voorstel +tot reglementsherziening op de club. Toen Go opstond, hield ze +hartelijk even haar hand vast: “Je moet je niet ongerust maken +over je nichtje; in ’n paar dagen is ze weer beter;.... haal +anders even den dokter, als je dat kalmer maakt.”</p> + +<p>Go knikte, bedankte; die menschen begrepen niéts; die +meisjes, die zelf in ’n veilig huis woonden met vader en moeder +altijd beschermend om zich heen, konden zich eenvoudig geen +voorstelling vormen, hoe je kon zitten tobben op ’n paar gehuurde +kamers, waar je gebrek aan alles, ook aan ’t eenvoudigste, hadt; +waar je geen lekkere kostjes voor je zieke kon krijgen, waar je geen +<span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>warme +pap of ’n kruik voor ze maken kon; waar het huishouden met drukte +en hinderlijk gebel vlak bij je doorging, al was ze nu juist eindelijk +’n oogenblikje in slaap gevallen.</p> + +<p>Haar kon niet iemand helpen, die ’t niet zelf ’n beetje +mee had gemaakt, en ze had nog meer aan de jongens en hun +hartelijkheid-zonder-ondervinding, dan aan zóó’n +familie;—de juffrouw zou ook boos zijn, moest de soep hebben +gevonden, waarvan Else niets had gegeten;... ze was nu wel heelemaal +zonder steun. Ze dacht eraan naar ’n professor te gaan; Van Hoof +was altijd zoo aardig, zoo’n menschelijke man, en hij had er zich +zoo voor geïnteresseerd, toen ze vertelde van hun kleine +ménage;... z’n vrouw zou misschien—maar alle +menschen waren zoo rustig en kalm en wijs en deftig hier, en ze voelde +zich zoo opgezweept, ze was alle gevoel van proportie kwijt; ze +verbeeldde zich, dat Else levensgevaarlijk ziek kon zijn, ze stelde +zich voor, dat ’t iets héél ergs was;... ’n +bordje blikkerde in haar oogen: Arts; ze had al aangebeld, voordat ze +er zich rekenschap van had gegeven, de meid trillend gevraagd, of de +dokter vooral, vooral dádelijk na z’n spreekuur komen +wilde;—en nu was ze weer op weg naar huis, ’n beetje moe, +’n beetje verbaasd, bang voor boosheid van Han of Else;... en +verbeeld je nu ’s, dat ze al ’n heeleboel beter was...</p> + +<p>De juffrouw stond met Lou en Coba in de voorkamer te praten, en ze +zwegen allemaal, toen ze binnenkwam.</p> + +<p>“Heeft ze nog iets noodig gehad?”</p> + +<p>“Nee, ze ligt stil; ze heeft erge pijn overal. Komt Mies +’er moeder nog?” <span class="pagenum">[<a id="pb149" href= +"#pb149">149</a>]</span></p> + +<p>“Nee, ik heb den dokter gehaald.”</p> + +<p>“Wie?” vroeg Coba, maar dat wist ze niet; had niet naar +den naam gekeken.</p> + +<p>“Of u gelijk heb,” knikte de juffrouw voldaan, +“mijn beviel de juffrouw niks;... dat is maar: ik lus niks, en ik +wil niks; dan mankeert er wat van binnen.... En ’n dokter weet +toch meer as ’n ander, daar is-tie dokter voor.”</p> + +<p>Lou en Coba gingen nu weg met hartelijke wenschen en handdrukjes, +terwijl Go naar de kamer van Else ging, gevolgd door de +juffrouw-in-actie, die ’n sprei op ’t bed wilde leggen, en +de kamer wat netjes maken en de patiënt moest ’n schoone +nachtpon aan: “ja, guns, voor de dokter,”—en Else +weerstreefde niet, liet met zich doen als ’n kind, knikte, dat +’t goed was, ja, ’t moest wel; ze werd eer erger dan +beter.</p> + +<p>Go had Han en Gerard weggestuurd; ’t stond zoo mal, als de +dokter kwam, en er zat zoo’n heele gemeente. Ze bleven op de +gracht heen en weer loopen, telkens inkijkend door ’t raam, of +hij er nog niet was, vingen Eduard en Lize, en Coba en Francis en +Beerenstijn op, die allemaal belangstellend wilden komen vragen, zoodat +er ’n lange rij voortdurend heen en weer trok onder groote +belangstelling van de buren, daar ze in hun jeugdige luchthartigheid +allemaal, behalve Han, zoo nu en dan de ernst van ’t oogenblik +vergaten.</p> + +<p>Go kwam soms voor ’t raam, met roode wangen, de schouders +ophalend; dan liep ze weer heen en weer, bedacht, of ze zich +voorstellen moest,—ze wist zijn naam ook niet,—of dat ze +maar ineens beginnen zou met ’t verhaal, hoe alles zich had +toegedragen;—ze moest vooral opletten, <span class="pagenum">[<a +id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>dat Else ’m alles zei van +de beenen en de kramp en het benauwde gevoel in haar maag +soms.—</p> + +<p>Om half vier werd er gebeld. De juffrouw, met ’n schoone +schort voor, kwam opgewonden vragen, wat ze doen moest, “als +’t den dokter was....”</p> + +<p>“’m Hier binnen laten,” zei Go beverig, en ze +schudde afwerend ’t hoofd tegen Gerard, die even tegen ’t +raam tikte: “daar istie.”</p> + +<p>’t Was ’n vriendelijke, oude, gemoedelijke man, die +rustig naar ’t nerveuze verhaal zat te luisteren, toen opgewekt +vroeg, de patiënt eens te zien. Achter in de gang stond de +juffrouw met de jongste op den arm, de anderen om haar heen, de +gebeurlijkheden af te wachten, knikte Go bemoedigend toe, toen de +dokter de slaapkamer inging.</p> + +<p>“Geen eetlust—nee, pijn in de beenen zeker; armen ook? +’n Beetje.”—“Hoe weet die man dat zoo +precies,” dacht Go in bewondering,—“wat koortsig; ja; +je hebt influenza, beste kind; maar flink onder de wol blijven. Reizen, +morgen? Nee, geen kwestie van; deze week je bed niet uit;—Zondag +misschien wat in de voorkamer; oppassen voor kou vatten, verder geen +gevaar bij. Nee, juffertje, jij hoeft je niet zoo op te winden, +hoor,”—en hij gaf Go gemoedelijk ’n tikje op de +ijskoude hand;—“dat is de volgende week weer in orde. Ik +zal ’n drankje geven, ’k kom Zaterdag nog ’s +terug”....</p> + +<p>Go bedankte ’m in de gang, huilend bijna: “Ik ben +zóó ongerust geweest,”—en zoodra hij de deur +uit was, brak de heele wachtende schare van buiten en de juffrouw met +vele kinderen de voorkamer in. <span class="pagenum">[<a id="pb151" +href="#pb151">151</a>]</span></p> + +<p>“Wel, wat zeit-ie? Wat is ’t?”</p> + +<p>“Ze heeft influenza,” verklaarde Go triomfantelijk; +“’t is ’n allerliefste man, en het kan niets geen +kwaad, als ze erin blijft. Hier is ’t receptje.”</p> + +<p>Beerenstijn nám het, studeerde er zwijgend op.</p> + +<p>“Is dat om te éten?” vroeg de juffrouw, +“zei die ook nog, dat ze iets bizonders moest hebben? Ik ken +alles klaarmaken.”</p> + +<p>“Lichte kost—kalfsvleesch en iets frisch...” +fantazeerde Go, “maar ze mag natuurlijk niet naar huis, +Han.”</p> + +<p>“Ik ga vanavond zelf even naar Den Haag, het aan haar moeder +vertellen; dan schrikt ze niet zoo.”</p> + +<p>“En wanneer komt-ie terug? Begrijp-u, wat er op staat?” +informeerde de juffrouw bij Beerenstijn.</p> + +<p>“Ze zal er wel beter van worden... ik breng ’t dadelijk +zelf weg,” antwoordde hij, met ’n sfynxig lachje.</p> + +<p>“Zaterdag zou-die weer komen; ze mag Zondag misschien wel +’n beetje op,” vertelde Go, “maar laten we ’r +toch niet zoo lang alleen laten liggen.”</p> + +<p>“Ik ga mee naar de apotheek; adieu!” zei Eduard, en Go +keek ’m voor ’t eerst weer’s gelukkig aan, nu de +angst haar vrij liet, dankbaar, dat hij zoo lief was.</p> + +<p>“Ik kom nog vertellen, hoe ’k ze in Den Haag heb +gevonden.” Han reikte Go ’t briefje, dat hij snel in +’n hoekje nog even had geopend.</p> + +<p>“Kan ik nu alleen niets doen?” vroeg Gerard, “weet +je nu wezenlijk niets te bedenken? Ik ben tot alle boodschappen +bereid.”</p> + +<p>Go dankte: “Jullie zijn allemaal zoo aardig, jullie nemen me +alles uit de hand.”</p> + +<p>“Neem nu vannacht ’s goed rust,” raadde hij <span +class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span>bij +’t afscheid nemen, “je ziet er zoo dood-moe uit, en nu ben +je toch niet bang meer... Gaan jullie misschien mee, +meisjes?”</p> + +<p>“Mogen we even bij Elsi?” vroeg Francis, “ik zal +nu niet zoo uitgelaten zijn, als de vorige keer.”</p> + +<p>In de slaapkamer vergaderden ze nóg ’s “<span +lang="fr">en petit comité</span>”: de juffrouw met de twee +oudsten, Coba, Francis, Lize en Go. Else lag ’n beetje te lachen, +gerustgesteld, maar verveeld, dat ze vast niet voor Zondag er uit +mocht.</p> + +<p>“Ik geloof wel, dat ik niet eens kan; maar ’t is toch +’n akelige boel.”</p> + +<p>De juffrouw knikte veelwetend, en troostte: hoe lang influenza soms +duren kon....</p> + +<p>Go vertelde nu nog ’s precies, wat de dokter gezegd en gedaan +had; ze voelde zich zóó opgelucht, dat ’t haar was, +of Else eigenlijk al beter was; en ze stonden allemaal tevreden en +rustig bij ’t licht van de kaars om het bed, en praatten over +ziekten van henzelf en familie, en dat je toch ongerust was, als je +niet wist, wat ’t was; altijd weer eindigend in de tevreden +beschouwing: dat ze het nu wél wisten en daarom allemaal zoo +kalm en voldaan waren.</p> + +<p>Om tien uur den volgenden ochtend kwam tante, in ’n keurige +japon met ’n opgewekt gezicht, en nam, zonder eenigen +pathetischen uitroep van zorg en ongerustheid, Go’s plaats aan +het bed van haar dochtertje in.</p> + +<p>“Dat leek me toch gezelliger,” zei ze met ’n +vriendelijk knikje, “en bovendien was zoo’n oppas voor jou +alleen veel te zwaar.... Else is niet zoo’n heel makkelijk +patiëntje, hè kindje;—en je ziet er wezenlijk +miserabel uit. Vanmiddag gaan Han en jij maar ’s samen ’n +flink eind loopen....” <span class="pagenum">[<a id="pb153" href= +"#pb153">153</a>]</span></p> + +<p>Mevrouw Gerzon sliep nu in Go’s bed, die zoolang ’n +kamertje boven betrok. Het heele huishoudentje veranderde <span class= +"corr" id="xd0e2441" title="Bron: ogenblikkelijk"> +oogenblikkelijk</span> onder leiding van ’n “moeder”, +en Go was er verrukt over, dat de kamers opeens zoo’n ander +aanzien hadden gekregen, nu tante met ’n handwerkje naast de +kachel zat, nu zij ’t vleesch sneed, of ’s avonds achter +’t theeblad troonde. ’t Werd volmaakt, toen Zondag Else +wankelend en langzaam, ’r bleek hoofdje bijna verdwijnend in de +kraag van de wijde cape, de kamer binnenkwam, die feestelijk was met +bloemen en alle lichten aan, en waar Han wachtte, die z’n +“kleine vrouwtje” zoo dankbaar in de armen sloot, en +zóó vol verrukking haar telkens in ’t vermagerde, +fletse gezichtje staarde, dat Go zich bekende, dat hij toch wel veel +méér en wezenlijker van haar hield, dan ze had +gedacht.</p> + +<p>Hij mocht dien middag blijven eten, en er was taart en wijn en +dessert, en tante stuurde ’n heele bezending naar boven voor de +juffrouw.... en de volgende dagen was er telkens bezoek, dat keurig +ontvangen werd, en gezellig onderhouden; elken avond was de kamer vol +jongens- en meisjes-vrienden, en tante was allerliefst, vond het aardig +ze allemaal ook ’s te leeren kennen, liet zich vergoden door Coba +en Riek, die bloemen aan haar brachten, en gaf den jongens huiselijken, +hartelijken raad; toch ook blijvend femme du monde, die au courant is +van opera’s en concerten en tooneel. Eduard vond ze +“charmant”, z’n gentlemanmanieren voortrekkend boven +Gerard’s rondheid; en Go droomde hem al ’n lid van de +familie, als ze ’s avonds in ’n kring zaten onder het +licht, Han en Else bij elkaar; zij met hun <span class="pagenum">[<a +id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span>drieën om de tafel, en +zijn stem afwisselend met die van tante door de stilte.</p> + +<p>“Gaat u wezenlijk morgen weg, mevrouw?”</p> + +<p>“Ja jongen, m’n plicht is hier volbracht—Else +heeft me niet meer noodig.” En ze keek lachend naar ’t +dochtertje, dat stoeide over de canapé.</p> + +<p>“U moest maar altijd blijven,” vleide Go, “het is +zoo prettig.”</p> + +<p>“Of jullie je vrijheid niet liever hebt! Waarom loop-je anders +weg van je ouders?”</p> + +<p>Er was ’n beetje bitterheid in haar lieve stem; ze had de +laatste dagen weer zoo gevoeld, dat Else haar eenige was.</p> + +<p>“Maar tante, u weet toch...”</p> + +<p>“Welke ouders kunnen hun kinderen altijd bij zich +houden,” peinsde Eduard. “Ze studeeren—of ze trouwen; +dat komt op hetzelfde neer.”</p> + +<p>“En mijn dochtertje doet allebei: eerst studeeren en dan +trouwen,” tante lachte alweer. Maar Else had Henri ’n +papieren muts gemaakt: “Hoe vin-je ’m!” juichte ze +jolig.</p> + +<p>“Zijn jullie altijd zulke kinderen? Elsi, denk toch aan je +waardigheid als student.”</p> + +<p>Maar zachter zei ze toen tegen Go en Eduard: “Misschien doet +ze ’t eerste ook niet.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb155" href="#pb155">155</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e2469" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XIII.</h2> + +<p>Nu was het overal lente en iedere dag was ’n feest.</p> + +<p>Dat begon al ’s morgens vroeg, als ze wakker werden van het +vroolijk geklok van de kippen op ’t zonnige plaatsje, en ’t +rinkelen van ’t gordijn, heen en weer bewogen door geurige +koeltjes. ’t Was nu ’n plezier dadelijk uit bed te +springen, en te plassen en te stoeien met water, tot je heelemaal +lekker frisch en lenig was.... En dan ’t binnenkomen in de +huiskamer, waar de tafel, mooi-wit, voor hun tweeën stond gedekt, +het glimmende trekpotje op ’t comfoor met doorschijnende +glaasjes. Dan moesten ze lachen tegen elkaar van louter vreugde om hun +heerlijk huishoudentje, in die aardige kamers; dan scharrelden ze +zonder veel praten innig-vergenoegd ’n beetje rond, om eieren te +koken en de bloemen te verfrisschen; en staken de jonge hoofden uit +’t raam in de koele morgenlucht om te kijken, of hun zwanen nog +niet aan kwamen drijven. Die gleden statig op ’t lichtende water, +zon over den blanken staart, en bleven stil voor ’t huis, de +koppen in trotsche in-zich-zelf-gekeerdheid gebogen, ongevoelig <span +class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>in hun +afwachting, als ’n beest van papier-maché.</p> + +<p>Else en Margo liepen de deur uit, de handen vol brokjes brood, en +wierpen ze in ’t water, en zagen, hoe ze ze oppikten, terwijl de +duiven van den overbuurman jaloersch begonnen te fladderen.</p> + +<p>Als ’t carillon negen speelde, moesten ze hollen naar college; +ze stormden op tegen de hooge brug, dat ze zwiepend neerveerde in +’t midden, ze sprongen de stoepjes op en af, hijgden binnen met +warm-roode wangen. Ieder scheen nu levendiger en helderder te zijn, en +er was ’n eenheid van geanimeerde belangstelling. De professor +sprak bezield; de jeugd was open om z’n woorden op te nemen. In +den ouden tuin zag Go de knoestige pereboomen met ’n sluier van +blanke bloesems getooid, en overal werkten kleine, groene puntjes zich +open aan de struikjes. In ’t vrije kwartier ontplofte de +wetenschap-spanning in ’n jubelend gejoel vol uitgelatenheid; de +meisjes, enkel in hun japon, meestal zonder hoeden, speelden krijgertje +om de groote, oude kerk, waarvan de kleine, groene glaasjes in de zon +schitterden. Als er één goed gerespondeerd had, werd er +op koekjes of caramels getracteerd bij de “snoepjuffrouw” +’n paar huizen van college; en het zakje ging van hand tot hand, +opdat ’t leeg zou zijn, wanneer ze weer naar binnen moesten.</p> + +<p>Onderwijl liepen de jongens, bezadigder, op het Rapenburg aan den +zonnekant kalm heen en weer en rookten sigaretjes, vaderlijk +glimlachend als de uitgelaten meisjesschaar hun lachende voorbij +trok.</p> + +<p>Eén ochtend, dat ’t buitengewoon mooi was,—je +zag, je rook, je hóórde de lente,—waren ze in +’t vrije kwartier met z’n allen naar den <span class= +"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span>hortus getrokken: +niet alleen de meisjes van het tuinlokaal, maar ook de candidaten van +boven en de twee classicae, die enkele colleges in de Kloksteeg +hadden.</p> + +<p>Alle boomen stonden te trillen van verwachting, alsof het wonder +dadelijk gebeuren zou; er was geen wind, en de lucht zóó +overvol van geur en zoelte, dat ze scheen te zullen bréken bij +de minste beweging.</p> + +<p>Ze liepen allemaal stil langs de perken, waar de lilas crocusjes +stonden, en de blanke akermannetjes, groen gestipt; en ze gingen met +hun handen tegen de bottende boomen, en over de kleine struiken; het +water lag in de zon; neuriënd en diep-ademend liepen ze door +’t rots-partijtje, en gingen even op ’n bank zitten bij de +groen-glazige serre.</p> + +<p>De oude tuinman, die toegewijd z’n kleine potjes in de zon +droeg, knikte vriendelijk van: “heerlijk weertje,” opende +daarna gedienstig het hek;.... maar toen ze op ’t Rapenburg +liepen, nog stil-gelukkig om de mooie wereld, speelde het opeens +kwart-over, en met gilletjes van schrik en kinderlijke pret +hólden ze op de groene deur toe, de kille gang door, bleven dan +huiverend staan voor ’t gesloten lokaal, waar de professorsstem +al uit opklonk;—en eindelijk, binnendringend, verlegen en buiten +adem, zagen ze de eerste rij stoelen open, hun cahiers op de verlaten +tafeltjes, en ze begonnen te lachen, en de jongens proestten, en de +professor lachte ook, en keek op z’n horloge, en naar ’t +stoffige raam, waar de zon zoo tergend-mooi door schilferde,.... en, +even z’n hoofd schuddend, recapituleerde hij nog maar ’s, +wat hij zooeven gezegd had.— <span class="pagenum">[<a id="pb158" +href="#pb158">158</a>]</span></p> + +<p>Dan—’s middags na college—werden groote +wandelingen gemaakt. Eerst was ’t geweest om de eerste elzekatjes +en ’n enkel, kortstelig madeliefje te zoeken, uitglijdend op den +weeken grond aan de slootkanten, waar hier en daar nog ’n +ijsvliesje zichtbaar was, overblijfsel van fel-koude nachtvorsten.</p> + +<p>Later gingen ze met ’n boek aan den kant van den weg zitten, +en Go had er op aangedrongen, dat het een studieboek zou zijn; maar +terwijl zij voorlas van <i>sa-bâ ahas</i>, en de ontwikkeling van +beteekenis van het naamwoord <i>nasati</i>, lagen Lou en Coba over het +vlakke weiland te kijken, waar de vredige koeien zich koesterden in +’t zonnelicht, en dan zweeg ze eindelijk ook, en staarde over het +boek heen in den wolkeloos strakken hemel, en naar ’t zonnige +slootje met rietpluimen aan hun voeten; en ze luisterden met hun +drieën naar de stilte van het herlevend land.</p> + +<p>Na het eten, dat jolig verliep met gekibbel over het vleesch en de +pudding en den sinaasappel, liepen Else en Go dadelijk de deur weer +uit, om voor ’t laatst van het lieve stadje te genieten, dat nu +als betooverd lag in den gouden avondgloed. Nu was het ’t +drukst-stil op straat van den heelen dag: overal gingen ramen en deuren +open, ieder wilde nog genieten van de heerlijke, zoele lucht. In +groepjes kwamen de studenten uit de kroeg en ’t Vegetarisch, +liepen de Breestraat af, ’t Plantsoen, de Singels langs. Fietsers +gleden zachtjes de gladde paden over, rustig-rechtop, één +hand even aan ’t stuur; er was ’n zacht geklink van fluiten +en van éven-zingende vogeltjes in de stilte, ’n teere +blijheid lag over alle huizen en boomen, en over alle jonge gezichten. +<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159">159</a>]</span></p> + +<p>Het was zeker, dat ze kennissen tegenkwamen: De Veer in ’n +open bakje, met ’n bloem in z’n knoopsgat; Coba, die met +mevrouw wandelde, Gerard of Beerenstijn of Hoefman. Han werd altijd +gefloten, als ze langs z’n kamer kwamen, en dan liep hij mee op, +tusschen hen in, en gewoonlijk kwam na ’n poosje ’n vierde +en vijfde er bij.</p> + +<p>Eens waren ze met Eduard, die met Bruno wandelde, ’n eind +buiten Leiden geloopen; het was toen al bijna heelemaal donker en de +slooten leken looden strepen; achter hen was de hemel rossig van de +lichtende stad. Ze hadden niet veel, en niet intiem gepraat, maar er +was een groote vrede in de onbeweeglijke duisternis, en Go had soms +stil haar hand op Bruno’s kop gelegd, in ’n behoefte zachte +teederheid te geven, zooal niet aan hém, dan toch tenminste aan +’t dier, dat z’n eenzaamheid troostte, en bij ’m was +in de uren van verslagenheid.</p> + +<p>Opééns was de figuur van ’n gebogen man voor hen +opgedoken, en vlakbij hadden ze Hans herkend.</p> + +<p>“God, kerel, wat doe-jij hier op je eentje?” riep +Eduard.</p> + +<p>“Ik mag eer vragen, wat jullie hier met je vieren doet?” +had hij, even ontstemd, geantwoord. “Dit is het paadje om alleen +te loopen, als je je zonden eens overdenken wilt.”</p> + +<p>“Wij overdenken sámen onze zonden, en dan is ’t +zoo akelig niet,” antwoordde Eduard, met ’n lachje tegen +Go; en ze waren met hun vijven naar de stad terug gegaan, die als +’n zwarte massa tegen den rossen hemel stond.</p> + +<p>Bij ’t licht viel ’t Go op, hoe slecht Hans er weer +uitzag. <span class="pagenum">[<a id="pb160" href= +"#pb160">160</a>]</span></p> + +<p>“Zeg, je werkt toch niet te hard?” had ze hartelijk +gevraagd. “Je ziet zoo bleek, jongen.”</p> + +<p>“Ik weet niet, hoe iemand ooit hard genoeg werken kan. Als je +’s rekent, dat die groote, groote wereld met al die menschen nu +al duizenden eeuwen bestaat.... en dat wij, laten we zeggen zestig, +zeventig jaar dat leven mogen meemaken, en in dien tijd alles +doorwerken en doordenken moeten, wat er ooit op de wereld is gedacht en +gedaan, om tot ’n waarheid te komen, die ons nú +bevredigt—-”</p> + +<p>“Vooral als je van die zeventig jaar, vijftien jaar +onbewustheid, èn alle lentes moet aftrekken, wanneer geen +verstandig mensch iets uitvoert, ieder zich alleen láát +leven.”</p> + +<p>En Eduard barstte juichend uit: “<span lang="de">Es brechen in +schallenden Reigen die Frühlingsstimmen los.</span>”</p> + +<p>“Alleen heb ik ’t gevoel, dat je niet wezenlijk +“leven” kunt, voor je weet, wat ’t leven eigenlijk +is,” peinsde Hans. “Maar misschien is ’t +zóó wel beter; als je de mechaniek van de tooverlantaarn +kent, is er ’n hoop van de aardigheid van de plaatjes af.... +Hou-jij óók zoo dol van de tooverlantaarn, Go?”</p> + +<p>En ze vertelden vroolijk hun herinneringen van kinderpartijtjes, tot +ze bij het oude grachtje waren.</p> + +<p>Alle dagen waren licht, alle nachten zoel en geurig, terwijl de +lente aanzwol tot zomer, en de boomen schaduw begonnen te werpen over +den blikkerenden weg.</p> + +<p>Ze zouden ’n middag op ’t “Witte huis” gaan +koffiedrinken: alle leden van “Laborando vincimus” met Lou +en Coba en Francis als invitées. Na college stormden ze weg om +de fietsen uit de bergplaats naast ’t gebouw te halen, en de +professoren stonden <span class="pagenum">[<a id="pb161" href= +"#pb161">161</a>]</span>door de blauw-gehorde ramen toe te kijken, hoe +jolig en vief het clubje opsteeg en wegreed, met vroolijk roepen van +den een naar den ander en gelach van ’t haasten.</p> + +<p>Lize was alleen nog na blijven pennen, omdat hier en daar ’t +dictaat haar te snel was gegaan, en Hoefman ziende, die nog draalde bij +de deur, vroeg ze zijn cahier om even in te zien, verdiept in de namen +en jaartallen van de schismatische pausen.</p> + +<p>“Wat ’n zalig weer, juffrouw Schermer,” begon +Hoefman tegen haar tafeltje leunend.</p> + +<p>“Ja... staat daar 65?” vroeg ze zonder opzien.</p> + +<p>“’t Is echt weer om te wandelen... Doet u dat wel +’s?”</p> + +<p>“Nee; dank u voor ’t cahier... Dag meneer +Hoefman.”</p> + +<p>“Ach, ga nu nog niet weg...” en hij liep haar na in +’t kamertje. “Ik wilde u wat vragen... toe, u moest +’t maar doen. Bijna alle meisjes van college zijn naar ’t +“Witte Huis”. ’t Is zulk eenig weer, en ’t zal +er zoo prettig zijn. Gaat u ook mee!”</p> + +<p>“Ik dénk er niet over; ik moet op de bibliotheek werken +vanmiddag.”</p> + +<p>“Dat kunt u toch; ’t is maar om ’n uurtje te +doen... we fietsen er in ’n oogenblik heen.”</p> + +<p>“Ik heb geen fiets.”</p> + +<p>“Dan loopen we; zooveel te gezelliger. ’t Is zoo’n +mooie weg... en u zult beter kunnen werken na zoo’n +wandeling.”</p> + +<p>“Maar ik ken er niemand,” zei ze met zwak verzet. Wat +wou die jongen toch van haar! Maar hij wàs aardig.</p> + +<p>“U kent juffrouw Herderts en juffrouw Gerzon, en die twee +andere dames van college, en mij, ’n beetje.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span></p> + +<p>“Toe dan maar... U zult zien, dat ik storend werk op de pret; +maar dan heeft ’t tenminste ’t voordeel, dat u me niet meer +lastig valt.”</p> + +<p>En ze begon ’n gesprek over de moeilijkheid ’n leesbare +uitgave van Ruysbroec te vinden, maar bij ’t station had hij haar +al over bloemen aan ’t praten, haar oogen begonnen levendiger te +worden, ze kreeg ’n beetje kleur, en toen in de laan bij ’t +“Witte Huis” de fietsende en krijgertje spelende menigte +hun joelend te gemoet kwam, stak ze niet te zeer af bij de uitgelaten +pret.</p> + +<p>Er was buiten ’n groote tafel gedekt, waar ze zelf de stoelen +voor aansleepten; Frieda, die er in ’n grijs japonnetje met haar +fijn, sereen gezicht allerliefst uitzag, werd tot tafelpraeses benoemd, +verzocht de heeren dringend niet te vechten om hun plaatsen. Hoefman +zat naast Lize, maar de stoel aan haar anderen kant bleef geruimen tijd +leeg, en er werd over “gesmoesd” onder de jongens, tot +Hans, zonder opvallendheid, naast haar zitten kwam, en dadelijk begon +te praten over ’n artikel in de Gids over het stamland der +Indo-Germanen.</p> + +<p>“Komt Rolands niet?” vroeg Go, terwijl ze boterhammen +“hakte” van den langen broodstok.</p> + +<p>“Nee, die had geen zin of geen tijd; allemaal suiker en +melk?—” en Gerard rammelde met de groote koppen en de +koffiekan.</p> + +<p>Coba gaf aan Hoefman de beste adressen voor boter en koffie op, +“maar je moet natuurlijk niet te veel tegelijk laten halen; dan +bederft het.”</p> + +<p>En nu kwam Go los met ’n grappig verhaal over ’n +scène met de juffrouw, die geen ons boter en geen half ons +vleesch tegelijk wilde halen. “We zijn nétte menschen, en +voor ons zelf zouë we ’t ook niet doen. Ze kijke je er in de +winkel <span class="pagenum">[<a id="pb163" href= +"#pb163">163</a>]</span>op an, en noeme je +“halve-onze-juffrouw.” ’n Half ons ham of +rookvleesch; dat plááts ik nog... maar leverworst, of +cornét-bief...”</p> + +<p>“We wisten eenvoudig eerst niet, wat ze meende, met ’r +cornét-bief,” lachte Else.</p> + +<p>“En hoe liep ’t af? Némen jullie nu, om ’t +fatsoen van de juffrouw, ’n héél ons?”</p> + +<p>“Nee, die onbetamelijke boodschappen doen we nu +zelf....” en Go gaf reikend het vleeschschaaltje aan Lize, die +stil was geworden, en met wijd-open oogen keek in de boomen en de +blauw-lichte lucht.</p> + +<p>“Juffrouwen-die-kamers-verhuren zijn de heerlijkste, +vermakelijkste, interessantste menschen, die je je denken kunt,” +begon De Veer gezellig. “Als mijn juffrouw kwaad op me is, omdat +we ’s nachts herrie hebben gemaakt, of vuile boel op mijn kamer, +geeft ze me olie in m’n lamp, die niet branden wil, +“vergeet” me m’n brieven te geven, en stuurt alle +berenleiders naar m’n kamer;.... maar heb ik daarentegen haar +goedgunstigheid opgewekt, dan heeft ze allerlei kleine verrassinkjes: +ik krijg ’s avonds opeens ’n ommelet binnengebracht, of ze +wascht m’n handschoenen.... en alle schuldeischers, zèlfs +’n deurwaarder, houdt ze met mooie praatjes aan de +deur.”</p> + +<p>“Komen die dan zoo druk bij jou, deurwaarders?” vroeg +Frieda, die brood voerde aan Bruno.</p> + +<p>“Nou, zoo in ’t begin van de maand, hè +Eddy?” en Eduard vertelde lachend aan Go, dat hij en Wim en +Rolands ’n driemanschap hadden gesloten tegen die lastige +rustverstoorders: in ’t begin van de maand huisde ieder op de +kamer van den ander, zoodat “meneer” nooit thuis was, en ze +<span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span>toch +niet den heelen dag in bed hoefden te blijven, of op de kroeg te +hangen.</p> + +<p>“Want je weet niet, hoe melancoliek dat maakt, als je uur na +uur met je boek, met de krant, maar zoo’n beetje ligt te soezen +in ’t grijze licht, en telkens schrik-je wakker van ’n +stem, die naar “meneer Neerwinden” vraagt, en je hoort je +juffrouw, nijdiger, naarmate de dag verder vordert, <span class="corr" +id="xd0e2603" title="Bron: snouwen">snauwen</span>: dat meneer op bed +leit, dat meneer niet bij de hand is. En de kerels nijdig terug, dat ze +nou al zoo lang er om loopen, dat ’t nou ’s uit zijn +mot,... zoodat je aan ’t eind ligt te rillen bij de gedachte, dat +ze wel ’s zouën kunnen binnenkomen.”</p> + +<p>“Nou; wat dan nog?” lachte De Veer, “als je +’t nu toch eerlijk niet hebt?”</p> + +<p>Maar Francis leidde de aandacht af, door op ’n beeldig, klein +vogeltje te wijzen, dat op den grasrand sprong; ze wierpen er stukjes +brood heen, en slopen zachtjes nader om ’t van dichterbij te +bekijken. De tafelorde was verbroken; Go snoepte klontjes suiker, en +wierp er ook den hond van in den geopenden bek; Lou en Coba liepen arm +in arm den kant naar Endegeest op, vanwaar ’n geheimzinnig, +triestig gezang opklonk; de anderen stonden en hingen over de stoelen +te overleggen, wat nu.</p> + +<p>“Ik ga dadelijk terug,” zei Lize. “Je hadt gezegd, +dat ’t maar ’n uurtje duren zou en ’t is kwart voor +twee.”</p> + +<p>Hoefman trok zich den verwijtenden toon niet aan: “Als je per +se wilt, ga ik mee,” en hij keek met voldoening in haar levendig +gezicht; ze had haar hoed afgezet, en haar haar sprong weerbarstig uit +den stijven wrong. <span class="pagenum">[<a id="pb165" href= +"#pb165">165</a>]</span></p> + +<p>“Dag lui,” wuifde hij, en hij voelde zich trotsch, toen +ze ’m verwonderd nakeken.</p> + +<p>“Wat wíl die kerel toch met dat meisje?” vroeg +Eduard, terwijl ze den weg langs de tulpenvelden in gingen. De groote +bloei was al voorbij; hier en daar wiegden nog enkele roode en witte +ballonnetjes, maar er tusschen was veel kale aarde, en ze vonden ergens +in ’n sloot ’n heele hoop verwelkende bloemen, die zoo maar +als waardeloos waren weggegooid.</p> + +<p>“Hoe zonde,” zei Go, er bij neerknielend, maar Gerard +trok haar weg: “Moet je nou in de sloot vallen, meisje, om +zoo’n verrotte bloemen-hoop; kijk, daar bloeit meidoorn en wikke +en convolvulus: pluk dáár liever van.”</p> + +<p>Hans en Wim waren aan ’t ver-springen over de sloot, zonder +stok; en Eduard ging aan den kant zitten om ’n fluitje van het +riet te maken, dat schallende klank gaf over den stillen weg. Hij moest +er toen ook een voor Go maken en voor Else en voor alle meisjes, +behalve voor Frieda, die ’t “afschuwelijk” vond, toen +ze toeterend en krijschend naar ’t hôtel terugkuierden.</p> + +<p>Daar stonden de fietsen in ’n lange rij; er werd betaald; de +meisjes ordenden haar haren, en met veel geplaag om Coba, die “er +nooit óp komen kon,” vertrokken ze in groepjes, snel +wegwielerend door de hooge laan.</p> + +<p>Go en Eduard kwamen achteraan; hij had haar fiets met de lange +wikke-ranken en de geurige meidoorn opgesierd; de warme lente woei in +hun lichte gezichten, en ze praatte opgetogen over den mooien weg en de +aardige, wuivende boomen. Ze reden binnendoor, langs smalle kronkelende +paadjes; telkens zagen ze fietsen <span class="pagenum">[<a id="pb166" +href="#pb166">166</a>]</span>glimmeren in de verte, en dan was ’t +weer weg; soms riepen ze tegen elkaar, schallend, dat de vogels +schrikten.</p> + +<p>Eduard dacht, dat Go nu heelemaal was, zooals hij haar ’t +liefste zag: jong, open, gelukkig, genietend van ’t oogenblik, +vertrouwend in het leven, in de menschen, vóór alles in +hem. Hij keek haar zacht en innig aan, en voelde, dat zoo’n +meisje bij de lente hoorde.</p> + +<p>Nu bogen ze den hoek om, en opeens, langs ’n zijpad, zagen ze +Rolands’ klein figuurtje naast ’n rijzig +“jufje” gaan, Rolands’ bruin kopje vragend naar haar +opgeheven, terwijl z’n beenen onzeker gingen, en z’n heele +houding pijnlijke verwachting uitdrukte.</p> + +<p>Eduard keerde zich dadelijk naar Go, zei iets van den weg, om haar +af te leiden, maar hij zag in haar oogen, dat zij ’t begrepen had +en zweeg, in z’n hart foeterend op “die stomme, kleine +nikker.”</p> + +<p>Maar toen tranen kwamen, en Go al maar zwijgen bleef, met iets zoo +hopeloos-bedroefds en gebrokens in haar gezichtje, dat hij begon te +voelen, wat ’t voor zóó’n kind zijn moest, +als ze iets dergelijks zag, boog hij zich over haar heen, zacht +vragend: “Wat is er, Gootje?”</p> + +<p>Ze schudde haar hoofd, en haar haren bewogen rythmisch op den +wind.</p> + +<p>“Ja, nu jok-je; er is wel wat. Je ziet er opeens zoo vreemd +uit. Je was zoo even heelemaal anders.”</p> + +<p>“Maar ’t is ook zoo verschrikkelijk,” barstte ze +smartelijk uit, “het was alles zoo mooi, de weilanden en de +boomen, en de hééle wereld, en ik had zoo ’t +gevoel, dat iedereen goed moest <span class="pagenum">[<a id="pb167" +href="#pb167">167</a>]</span>zijn, bij zulk weer. En nu hij daar +opeens, zich weggooiend, vragend aan.... op zoo’n heerlijken +lentedag iets zoo leelijks.”</p> + +<p>“Maar ’t is juist in de lente en met ’t mooie +weer, dat zulke dingen gebeuren,” antwoordde Eduard zachtjes, en +hij zag, hoe ze over de lichtende landen keek met ’n nieuwe +gedachte in haar oogen, dat ze vaag iets nieuws voelde in de groeiende +wereld om haar heen, waar ze vroeger nooit aan had gedacht, en dat ze +ook niet mooi vond.</p> + +<p>“Ik ben zoo bang, ik word zoo bang voor al dat vreemde overal, +waar ik wel ’s van gehoord heb, maar nooit over gedacht.... En +vóór je ’t ziet, heb je ’t niet +begrepen.—Ik voel me hoe langer hoe onrustiger, nu ik weet, dat +zoo iets met een van onze vrienden gebeuren kan.”</p> + +<p>Ze streek nerveus haar haar weg; ’t stuur wankelde, en hij +legde z’n smalle hand naast de hare.</p> + +<p>“Ja,” zei hij zacht; “zoo zijn wij +studenten;—zoo zijn we bijna allemaal.”</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ze gleden voort onder de hooge boomen, de handen vlak naast elkaar. +Ze voelde z’n oogen over haar gezicht gebogen, en stil keek ze +recht voor zich uit. De wereld was anders, dan ze ooit had gedacht in +haar meisjesdroomen; en ’t geluk was anders. Het groeide in haar +met toenemende pijn. <span class="pagenum">[<a id="pb168" href= +"#pb168">168</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e2658" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XIV.</h2> + +<p>Go zat op de kist, die in ’n hoek van de kamer stond, maakte +zorgvuldig ’t boodschappenbriefje voor de juffrouw op: “Dus +nog vier eieren, Elsi, en den man van de schuit waarschuwen voor de +koffers... en pakpapier voor de gravures.”</p> + +<p>Else knikte, zuchtte even. “’t Laatste briefje,” +zei ze zacht, en opeens scheen ’t haar, dat ze het toch +verschrikkelijk vond haar leven hier te verlaten, dat ze toch altijd +terugverlangen zou naar Go en de kamer in de kleine stad, al was +’t in ’n vreemd land nog zoo mooi en interessant. Toen haar +moeder voor ’t eerst er over sprak, dat ze liever met studeeren +ophouden moest,... over één, anderhalf jaar zou ze met +Han kunnen trouwen, en wat hád ze er dan aan, of ze candidaat in +de rechten was,—had ze zich eerst hevig verzet, en gehuild, dat +ze hiéld van haar studie—“erg platonisch”, had +haar vader geplaagd—, dat ze niet weg wilde uit haar lief +Leiden—, maar toen later over het plan was gesproken haar eerst +’n poos naar Brussel en daarna naar Londen, misschien ook nog +naar Duitschland te zenden, om goed de talen te leeren, wat breederen +blik te krijgen en zich te <span class="pagenum">[<a id="pb169" href= +"#pb169">169</a>]</span>bekwamen in ’t huishouden,—en toen +de brieven met inlichtingen over families waren gekomen, en er gepraat +was over uitstapjes en opera’s en concerten,—had ze er +langzamerhand plezier in gekregen, en zich ’n beetje +“grande dame” gevoeld tegenover de andere meisjes, die +altijd stil hier zouden blijven; en prettig ook met Han erover gepraat, +dat ze nu een echt huisvrouwtje ging worden, dat dat toch beter was dan +geleerdheid. Maar nu.... nu haar kisten al voor ’n deel naar huis +waren gestuurd, nu de kamers rommelig en ontredderd waren, en ze samen +in den schemer ’t laatste briefje voor de juffrouw zaten samen te +stellen en ze straks voor ’t laatst met Han langs de stille +grachtjes loopen zou, voelde ze zoo’n wijden weemoed om het +heerlijke jaar, dat voorbij was, dat ze álles had willen +geven—Brussel en Londen en alle grootsche weelde,—om hier +te kunnen blijven, met Han en Go, tusschen de jeugd, tusschen de +vrienden, in de bescherming van de oude huizen.</p> + +<p>“Och,” zei Go, “je moet maar denken: ’t +afscheid is voor ons eigenlijk ’t zelfde; of je nu voor altijd +gaat, of voor drie maanden;.... ’t is iets, dat je niet kunt +overzien. En in deze kamers zitten we allebei voor ’t +laatst.”</p> + +<p>“Ja, ’t is jammer, dat jij niet alleen blijven +kunt.”</p> + +<p>“Ja; maar ’n tweede meisje is zoo moeilijk te vinden, en +zoo’n meneer altijd vlak naast me.... nee, ’k ben +érg voor coëducatie, maar ’k zou ’t niet +gemoedelijk vinden.”</p> + +<p>“Och.... als-tie aardig was.”</p> + +<p>“En dan wil ik liever ook maar dit jaar heelemaal apart +houden. Nu begint er weer iets nieuws. Ik zou <span class="pagenum">[<a +id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span>je veel te erg missen, als ik +hier bleef op ónze kamers.”</p> + +<p>“We zullen nu wel nooit meer zoo samen zijn,” peinsde +Else... “Je komt natuurlijk <span class="corr" id="xd0e2681" +title="Bron: wel’s">wel ’s</span> bij ons logeeren, maar +dat is toch anders... We hebben ’t altijd vreeselijk goed met +elkaar kunnen vinden, hè; we hebben nóóit +gekibbeld, we zijn nooit boos op elkaar geweest.”</p> + +<p>“Nee,” en Go dacht aan dien keer, toen Els met Eddy +geflirt had, en zij zoo onredelijk was geweest. Goeie Elsi, ze vergat +zulke onaardigheden altijd dadelijk. En ze had nooit gezinspeeld op de +verhouding met hem, nooit geplaagd...</p> + +<p>“Ga nu maar naar Han toe, anders laat je ’m nog wachten +voor ’t eerst en voor ’t laatst... Ik moet nog gaan spreken +over het bewaren van m’n planten, en dan naar Lize.”</p> + +<p>“Gootje,” zei Else zacht, met ongewoon ontroerde stem, +“hier is ’t allemaal voor me begonnen, dien avond voor den +spiegel, toen hij opeens binnenkwam... En je hebt ’t allemaal +meegemaakt, en nu gaan we gauw trouwen. Je bent altijd erg lief voor me +geweest.” En na ’n woeste omhelzing draaide ze zich opeens +om, en als beschaamd over haar weekheid, riep ze: +“Dàg!” en vloog de deur uit, terwijl Go glimlachend +zuchtte: “Schat, ik zal je zoo missen.”</p> + +<p>Toen zette ze de melk, ’n glas, ’n ei, den klutser op +tafel klaar, voor ’t geval, dat Else vóór haar +mocht thuiskomen, ging stil de kamer uit.</p> + +<p>Er lag dien avond ’n drukkende melancolie over de grijze stad. +Voelde ze al, dat de jeugd haar weer ging verlaten, en drukte haar nu +opeens het gewicht van haar hoogen ouderdom, omdat het nieuwe geslacht, +dat haar altijd jong hield, <span class="pagenum">[<a id="pb171" href= +"#pb171">171</a>]</span>weer wegtrok? Of was ’t het verdriet van +de scheiding in alle jonge harten, dat de lucht zwoeler maakte en de +kleuren doffer? Het hielp niet, of Go al diep zuchtte om zich te +bevrijden van het benauwde gevoel; de weemoed in haar vermengde zich +met den weemoed van de omringende dingen, en ze voelde, hoe bijna +achter ieder licht raam nu één dacht aan ’t +scheiden: “<span lang="de">scheiden thut weh</span>,” +één gebogen zat over z’n koffers, zwaar van +gedachten aan ’t jaar, dat voorbij was. Maar er zouden er toch +ook zijn, die blij waren naar huis te gaan. Ze vond het ellendig, dat +zij niet blij was. Daar waren vader en moeder en de kinderen allemaal, +en ze verheugden zich, dat ze nu weer ’s ’n poos in hun +midden zijn zou; moeder zou vanavond stralend aan de theetafel zeggen: +“Morgen zijn we weer met ons tienen, kinderen”—en zij +zag er tegenop weer onder die menschen te moeten leven, die toch allen +zooveel van haar hielden; ze huiverde terug voor de degelijke +gezelligheid, de stille regelmaat, en vond ’t punctueele +irriteerend en banaal. Wat zou arm moesje bedroefd zijn, als ze wist, +hoe ze in ’n jaar haar al was ontgroeid! Hoe zou ze zelf in +zoo’n verandering hebben kunnen gelooven, zij, die negen maanden +geleden snikkend uit het ouderlijk huis naar den vreemde trok? Alle +leven was haar vlak en onbelangrijk geworden, vergeleken bij het +hevig-genietende, diep-rampzalige, altijd-in-uitersten-zich-bewegende +om haar heen. In dit jaar was ze gaan begrijpen het studentenleven, dat +haar eerst alleen iets grappigs, iets van pret maken had geschenen; dat +ze nu voelde in z’n jonge kracht en z’n verwording, met +z’n idealen en désillusies, levensmoed en wanhoop, altijd +heel groot en heftig, heerlijk <span class="pagenum">[<a id="pb172" +href="#pb172">172</a>]</span>of afschuwelijk. O, ze vóelde, dat +ze het stadje liefhad, zooals ze nog nooit ’n stad had liefgehad. +Ze liep nu afscheid te nemen van ieder huis, van de boomen, van het +water, van de brugjes, van de lantaarns. Op elk plekje was immers +’n lieve herinnering aan iets, dat ze dáár had +gedacht of gehoord of gezien. Van allerlei huizen wist ze immers: daar +woont die, of heeft die gewoond; en het water, waar de vrouwen hun goed +in uitspoelen kwamen, waar ’s ochtends de kleurige +groenteschuitjes door voeren, en ’s avonds de motorbooten, de +bruggen waarschuwend met schetterenden hoorn—had ze het niet +bewonderd van den eersten dag af?</p> + +<p>Nu liep ze langs den Witten Singel, staarde peinzend naar de +sterrenwacht, die haar altijd ’n geheimzinnig kasteel had +geleken; het was zoo donker en plechtig onder de dik-bebladerde +kastanjeboomen, dat het scheen, of ze in ’n kerk liep, en ze zei: +Nu moet je naar Lize, je loopt al zoo lang maar rond;—voelde toch +ook, dat ze zóó niet bij haar zou kunnen werken.</p> + +<p>Om haar gedachten af te leiden begon ze zich af te vragen, of ze dit +jaar met haar studie nu wel genoeg was opgeschoten; en dàt +bracht haar de grappige herinnering van de eerste maanden van +samenwerken met Coba en Lou. Ze kenden elkaar toen nog heel weinig, +maar hadden afgesproken eens in de week bij Coba of Go op de kamer +bijeen te komen. ’s Middags gingen ze dan al vast koekjes en +andere lekkernijen koopen, en ’t begin van den avond was: +theedrinken met koekjes en vroolijkheid. Dan werden om ’n uur of +acht alle mogelijke wichtige boeken bij elkaar gehaald: Franck’s +etymologisch woordenboek en <span class="pagenum">[<a id="pb173" href= +"#pb173">173</a>]</span><span lang="de">mittelniederländische +grammatik</span>; Stoett; Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal; +Den Hertog; Braune.... en na eenig gekibbel begon er één +’n bladzijde van den middelnederlandschen tekst voor te lezen. +Maar dan kwam de groote moeilijkheid. Soms vonden ze elk wóord +“der aandacht waardig,” grepen ieder naar ’n boek om +te kijken, of er iets over te vinden was, en hun wijsheid door elkaar +mee te deelen. Dan weer scheen hun alles dood-eenvoudig,of verwezen ze +elkaar voortdurend naar ’t middelnederlandsch woordenboek. Ze +konden elkaar soms minuten-lang diepzinnig zitten aanstaren om den een +of anderen duisteren regel te doorgronden en dan opeens alle drie te +gelijk in lachen uitbarsten, omdat ze zoo bespottelijk geleerd deden. +’t Was hun onmogelijk geweest zichzelf au sérieux te +nemen, wanneer ze in al die dikke boeken zaten te kijken; technische +termen vonden ze allervermakelijkst, en zeiden ze nooit zonder de +professorsstem na te doen, en om negen uur stormden ze ziels-vergenoegd +de deur uit om zich ’n beetje te verfrisschen van de inspanning +en melk of limonade te gaan halen, ondertusschen elkaar op de gelezen +regels vergastend. Als ze terug waren, begon er weer een te lezen, +terwijl de anderen chocolademelk brouwden, of kastanjes poften, wat +door alle drie zooveel belangrijker werd gevonden, dat èn Stoett +èn Franck, èn Braune èn Den Hertog als zitplaats +werden gebruikt om in de melk te kunnen roeren, en op de mooie, roode +kaft van de Geschiedenis der Nederl. taal brandplekjes schroeiden van +de gepofte kastanjes. Als ze om tien uur samen Lou naar den trein +brachten, zeiden ze telkens weer, dat ’t zoo toch niet ging, en +Lize werd den <span class="pagenum">[<a id="pb174" href= +"#pb174">174</a>]</span>volgenden dag bestormd met de vreemdste vragen: +Hoe je aan ’n woord zien kon, of er wat van te zeggen was? En hoe +je dan kon weten, waar je het op moest zoeken?...</p> + +<p>Eindelijk had Lize bedacht, dat het ’t beste was, als ze hen +eerst ’n beetje op weg hielp. Voor haar zelf was ’t een +goeie oefening, en ’n proef, of ze er nu wezenlijk wat van wist, +en zij zouden er dan misschien een beetje kijk op krijgen. En het was +beter gegaan van den eersten avond af; wel kon er soms iemand niet +respondeeren, omdat ze ’n vollen mond had, en moest de lezing +onderbroken worden, om <span class="corr" id="xd0e2713" title="Bron: +om">op</span> te staan voor ’t laatste koekje; maar er werd ook +flink gewerkt, Lize “rook”, bewonderde Coba, als er over +’t een of ander woord iets in Franck of Stoett stond, en ze +zouden nu dezen avond hun tweede middelnederlandsche tekst ten einde +brengen.</p> + +<p>Maar ook bij Lize in de kamer hing de doffe treurnis.... Er was nog +geen licht aangestoken, en de meisjes zaten en lagen zwijgend bij het +open raam, starend op den kalen muur en het stukje violetten hemel er +boven.</p> + +<p>“Ik dacht, dat ik veel te laat was; ik heb nog overal +rondgeloopen,” zei Go.</p> + +<p>“Ik weet niet, hoe laat ’t is; ga ergens +zitten.”</p> + +<p>“In de vensterbank maar; God, wat is ’t zoel +vanavond.”</p> + +<p>Lou speelde met Go’s boeken. Ze was de kinderlijkste en de +jongste van allemaal, had ook, omdat ze thuis was gebleven, minder den +invloed van ’t studentenleven gevoeld.</p> + +<p>“We zullen nu maar niet werken, hè?” zei ze +droomerig. “We zijn vanavond voor ’t laatst bij <span +class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175">175</a>]</span>elkaar, en +kunnen ’t morgen zelf wel even uitlezen op de +bibliotheek.”</p> + +<p>Lize knikte. “Ik ben ook zoo suf in m’n hoofd; ik had +moeite te bedenken, wat ik in m’n koffer moest +meenemen.”</p> + +<p>“Ga-jij morgen ook?”</p> + +<p>“Ja, Vader heeft me geschreven, dat ik moest komen.”</p> + +<p>“Ik ben toch blij, dat we hier nog ’s terugkomen voor +die pic-nic van Laborando vincimus,” zuchtte Coba.</p> + +<p>“Ja, dolletjes,” fluisterde Lou, maar Lize zei, dat ze +niet wist, of ze meegaan kon. “’t Hangt er van af, of ik +weg kan, hè; er schijnt weer iets met de meid te +zijn.”</p> + +<p>“O, maar je moet mee; ’t zal zoo prettig +zijn....”</p> + +<p>“Och, ik ken de menschen zoo weinig.... ik hoor er niet +bij.”</p> + +<p>“En òns dan, en Else en Hoefman....”</p> + +<p>“Ja die, maar die is zoo vreemd. Laatst ging ’k met +m’n koffertje naar ’t station, ’t was niet eens zoo +erg zwaar. Daar kwam hij me opeens achterop en wou ’t dragen. Nu, +ik vind ’m niets geen reus, ben zelf misschien sterker. Ik zei, +dat ik ’t liever niet had,.... maar hij, o, lieve hemel, of ik er +van breken zou, of ’t iets ongehoords was... Nou, dat ’s +aanstellerij. Ik heb ’m wel ’s wat van thuis verteld, en +dan kan hij weten, dat ’k wel ’s moeilijker dingen te doen +heb, dan ’n koffertje te dragen.”</p> + +<p>Ze haalde de schouders op, en streek met haar handen over haar moe +gezicht. Toen leunde ze haar hoofd op de ellebogen, en bleef naar +buiten zitten kijken, in de lucht, waar langzaam sterren doorkwamen. +<span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176">176</a>]</span></p> + +<p>“Wat is ’t hier stil,” zei Lou, “is je +juffrouw uit?”</p> + +<p>“Ik weet ’t niet. ’t Is niet gehoorig +hier.”</p> + +<p>Ze zwegen weer, dachten allen aan de toekomst, die zoo dicht bij +scheen op zoo’n avond; zochten de profetie van hun leven in den +muur en de sterren. Go verlangde naar Eddy: hoe zouden ze elkaar nog +nader komen? Was zij niet ’t eenige meisje, van wie hij notitie +nam; was ’t niet iets van-zelf-sprekends geworden, dat ze altijd +samen waren? En zou dit eindigen in ’n engagement, ’n +huwelijk? Ach, die dingen waren zoo ver, en daar gaf ze nog niet +om;.... als hij maar van haar hield, als ze maar voor ’m zorgen +mocht... Ze had er nog over gedacht ’m te vragen eens te komen in +de vacantie, maar ze dacht toch, dat moeder ’m niet aardig vinden +zou;... zeggen zou, dat-ie meer moest werken;... ledigheid maakte +melancoliek...</p> + +<p>“<span lang="de">Leise flehen meine Lieder... durch die Nacht +zu dir...</span>,” zette ze onwillekeurig even zacht in; zweeg +toen, benauwd door den weeën weemoed.</p> + +<p>“Hè, wat is dit toch eigenlijk ’n lam +weer.” En Coba rekte zich uit in ongeduldig zuchten. “Je +kunt niets, je weet niets, je hebt alleen maar ’t land. Vanmiddag +heb ik met mevrouw in de populierenlaan bij Poelgeest gewandeld;... en +daar verlangde het toch zoo;... ieder blaadje hing te trillen van +verlangen;... je werd er akelig van... Ik heb tegen mevrouw gezegd: Als +we hier niet dadelijk uitgaan, word ik gewoon gek.”</p> + +<p>“Maar je bent immers morgen weer thuis,” troostte Lou, +die hierin het geneesmiddel voor alle verdrietelijkheden zag.</p> + +<p>Maar de anderen antwoordden niet. De kamer was vol angst en +verlangen. <span class="pagenum">[<a id="pb177" href= +"#pb177">177</a>]</span></p> + +<hr class="tb"> +<p>Den volgenden middag kwam de wagen voor, die Go’s boeltje naar +de nieuwe woning zou brengen. Else was ’s ochtends al vertrokken, +nu weer kalm en correct, in het koele morgenlicht; en Go zat alleen op +de tafel zonder kleed te noteeren, hoeveel stuks uit werden gedragen. +De deuren stonden open, en ’t gejoel uit de gang klonk jolig door +de kamer. De kinderen vonden ’t een pretje, liepen glunder +lachend de dragers in den weg, en Go was teleurgesteld, dat het zelfs +Joostje niet schelen kon, dat “tante” nu weg zou gaan. Ze +ergerde zich, dat zij zich zoo gehecht had aan menschen, wie haar +vertrek absoluut niet raakte; ze moest lachen, omdat ze zich had +verbeeld, dat de juffrouw wezenlijk “moederlijk” voor haar +was gaan voelen. Voor háár immers ’n ander, en +heeren waren makkelijker; en terwijl ze noteerde: kastje in twee +stukken; bureaustoel; studeerlamp, stelde ze zich voor, hoe over +’n paar maanden hier weer ’n huishouden zou worden +binnengedragen, onder dezelfde blije belangstelling van de +kinderen;—’t was ’n komen en gaan, een onrustig +rond-getrek in de stad, waar de jeugd geen “thuis”, geen +vaste woonplaats had: ze gingen allemaal van kamer tot kamer, +kwámen vol verwachting, scheidden in leed...</p> + +<p>“Is dat alles, juffrouw?” kwam de man vragen, en Go keek +na door ’t raam, hoe de wagen wegschokkerde, ’n kantelig +tafeltje bovenop; en dan opeens, met tranen, wendde ze zich af, sloot +de deur, en ging lang-uit op de oude canapé liggen. Dit was het +laatste uurtje met haar kamer alleen; de city-bag stond al klaar, met +kleinigheden, die ze nog mee naar huis moest nemen;... de wanden <span +class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178">178</a>]</span>waren leeg, +met nijdige prikken in ’t behangsel,... prikken van versieringen +van vroegere heeren, prikken, die ze zelf had gemaakt;—en ze +peinsde, hoe de kamer nu weer worden zou, en wie er nu zou komen leven, +en knikte ieder meubel nog ’s vriendelijk toe: <span class="corr" +id="xd0e2778" title="Niet in bron">“</span>dag goeie, groote +kast, dag tafel, wat ben-je bekrast, ouë; en jij, m’n +líeve canapé, wat zou ik je graag hebben +meegenomen.”</p> + +<p>De kinderen speelden in de gang met de houtwol en de papieren, die +waren blijven liggen. Ze gaf er niet om, ze nog goeiendag te zeggen; ze +was hun toch een vreemde gebleven.</p> + +<p>Maar de kamer, daar zou ze voor ’t laatst nog ’s heel +vertrouwelijk mee zijn; daar zou ze zich dit uurtje nog ’s +heelemaal aan geven.</p> + +<p>En ze lag en keek. Alle dingen spraken van herinneringen. <span +class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179">179</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e2788" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XV.</h2> + +<p>“Hallo!” schreeuwde De Veer, en zwaaide met z’n +kussensloop, toen hij de coupé, waarin Go en Else en Lou zaten, +in ’t oog kreeg.</p> + +<p>“Prachtig weer; kom er uit, dames,” ontving Gerard, +“kijk, daar zijn de anderen.”</p> + +<p>“Maar Wim, wat zit er in dat sloop van jou? En o, kijk Hans, +dat is nog gekker, die zak met roode ruitjes.... Je bent precies +’n boer.”</p> + +<p>“Verrassingen, verrassingen! waar hebben jullie je fourage? +mag ik ’s ruiken aan je koffertje, Elsi? En ’n +blikje...’t is verleidelijk.”</p> + +<p>“Daar is Han met de taart;.... kerels, wie heeft de boter en +de brooden?”</p> + +<p>“Ik; daar liggen ze.... ik wilde me niet vooruit al zoo +opladen..”</p> + +<p>“Hè, wat ’n flauwe vent; gauw, ’t is juist +zoo aardig.” En Hans hing de grijze boterpot over Gerard ’s +rug, bond de broodstokken om z’n schouders.</p> + +<p>“Ha... daar zijn Lize en Frieda met Hoefman. Wat heeft die +man?”</p> + +<p>“Kom ’s hier, Louistje, laat je pak ’s +bevoelen.”</p> + +<p>“Nee, kerel, blijf af; ’t is ’n geheim.” +<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180">180</a>]</span></p> + +<p>“Kon-je toch komen? Wat gezellig,” praatte Go tegen +Lize; “’t is ’n heele club, hè?”</p> + +<p>“Nou wordt ’t toch tijd, lui; daar is Beerenstijn... o, +met de flesschen om z’n hals... Coba... Kom, we gaan naar den +trein, hoor.”</p> + +<p>“Rolands nog... en Eduard... zeg, die zouden toch allebei +komen?”</p> + +<p>Go leunde zenuwachtig uit ’t portier; ’t was nog maar +één minuut en ze zag niets op ’t perron.</p> + +<p>“Er zijn menschen, die nou altijd te laat moeten komen,” +bromde Gerard, en de Veer gilde: “Chef, de trein kan nog niet +vertrekken; er moeten nog twee heeren mee.... vervloekte kerel, nou +gaat-ie tóch fluiten.”</p> + +<p>“Daar zijn ze; hiér, hier; geef óp je taschje! +Wat zijn jullie op ’t laatste nippertje; dat scheelde ’n +haartje; daar gaan we al.”</p> + +<p>“<span lang="de">Der herr professor giebt heut’ kein +collegium</span>,” zong Hans ’n troepje veeboeren toe, die +hen verbaasd nastaarden, maar Wim raadde ’m aan niet zoo ver uit +’t portier te hangen, want dan zou hij wel ’s niet in de +coupé terug kunnen: met veertien lui was ’t wel wat erg +vol.</p> + +<p>“Neerwinden, vent,” bewonderde De Veer, Eduard aan alle +kanten omdraaiend. “Je ziet er uit, of je naar ’n diner toe +moet.... ’n keurig pak, ’n mooie das, ’n hoed;... +maar waar is de proviand bij jou? Want wij, proleetjes—en hij +accentueerde z’n titel door z’n pet scheef te +zetten—zijn natuurlijk wel gevleid, als er zoo’n meneer mee +gaat.... Maar we kunnen er niet van eten.”</p> + +<p>“Alles zit in m’n city-bag”, antwoordde Eduard, +wat luid gelach veroorzaakte, waarbij allen zich geroepen voelden, +hún bagage te laten bewonderen. <span class="pagenum">[<a id= +"pb181" href="#pb181">181</a>]</span></p> + +<p>Lou ging rond met flikjes: “Toe, nemen jullie vast; het +hindert me zoo in m’n zak.”</p> + +<p>“Mooie methode;... zullen we nu ook maar meteen de brooden en +den wijn en alles opmaken, omdat dat makkelijker meedragen +is?”</p> + +<p>Else fluisterde met Han, dat ze de rijste-pudding heelemaal zelf +gemaakt had. “Met ’n kookboek; dan is er niets aan; we +konden echt dádelijk trouwen.”</p> + +<p>“Uitstappen, dames en heeren! Wie iets laat liggen in de +coupé, wordt zonder pardon teruggestuurd, om het te gaan +halen... Zeg Gootje, is jouw pakje zwaar? Wil ik ’t +dragen?”</p> + +<p>“Wel nee, Gé; op ’n pic-nic hoort zoo’n +beleefdheid niet thuis. We moeten ieder ons eigen boeltje +sleepen.”</p> + +<p>“Regelingscommissie, wijs den weg. We zullen overal +volgen.”</p> + +<p>“<span lang="fr">Allons enfants de la patrie!</span>” +juichte Hans, aan het hoofd van den stoet stappend, de roode zak +triomfantelijk slingerende.</p> + +<p>“Ik heb idee, dat de heerlijkheden, die hij mee-heeft, straks +’t meeste op hutspot zullen lijken,” peinsde Rolands, en +Go, die eerst aldoor ’n beetje op ’n afstand van ’m +was gebleven, kwam nu naast ’m, en hielp ’m moederlijk de +taartendoos wat ophijschen. Eduard had haar weifeling gezien en +begrepen, wat ze gedacht had; hij kwam nu bij haar loopen, om te +vertellen, hoe z’n juffrouw alle boodschappen vergeten of +verkeerd gedaan had.</p> + +<p>“Ik was van ochtend eenvoudig radeloos; ik dacht niet, dat er +kans was, dat ik mee komen zou.”</p> + +<p>“’t Zou zoo jammer geweest zijn... Het is hier mooi, +hè?” <span class="pagenum">[<a id="pb182" href= +"#pb182">182</a>]</span></p> + +<p>“’t Lisser bosch is heerlijk; daar kampeeren we +natuurlijk.”</p> + +<p>“Proviand is er genoeg.”</p> + +<p>“Ja maar, zoo’n dag kun-je eten.”</p> + +<p>Er werd halt gecommandeerd, omdat Lou met krijgertje spelen haar +haar in de verzakking had gebracht. Frieda kwam dadelijk helpen, +terwijl Beerenstijn, als hors d’oeuvre, al vast met radijsjes en +rauwe peentjes rondging.</p> + +<p>“Je hebt je haarspelden verloren.”</p> + +<p>“Haarspelden-zoeken! Haarspelden-zoeken!”</p> + +<p>“Ach, nee, laat je vlecht maar hangen! ’t Staat +wezenlijk heel gewoon bij je <span class="corr" id="xd0e2872" title= +"Bron: bakfisch-gezicht">backfisch-gezicht</span>.”</p> + +<p>“Zooals jij ’t draagt, is ’t toch ook niet +eigenlijk opgestoken,” peinsde Gerard, die zich steeds had +verbaasd over haar kinderlijke strik-coiffure.</p> + +<p>“Zoo, je ziet er heusch niets van.” Maar Lou liep toch +dadelijk naar Han, voor wien ze, als geëngageerde, ’t meeste +respect had, om te vragen, of ze niet straks aan ’n dorp kwamen, +waar ze haarspelden en ’n kammetje koopen kon...</p> + +<p>Lize en Hoefman waren doorgeloopen, “alsof zíj den +tocht regelen moesten,” terwijl Coba juist weer niet voort te +krijgen was, omdat ze aldoor bloemen wilde plukken.</p> + +<p>“In ’t bosch is ’t vol bloeiende kamperfoelie... +Kom nou,” drong Gerard.</p> + +<p>“Chèvre feuille... caprifolio... de <i>m</i>... de <i> +m</i>...”</p> + +<p>“Och, beste kind, hou je wijsheid voor je, en loop toch +door... Ik kan hier toch niet ’n weerloos meisje alleen +achterlaten.”</p> + +<p>“Het bosch, het bosch... nu kunnen we wel uit elkaar gaan, +hè menschen?”</p> + +<p>“Als we tenminste een verzamelplaats afspreken tegen vier +uur.” <span class="pagenum">[<a id="pb183" href= +"#pb183">183</a>]</span></p> + +<p>“<span lang="de">Der herr professor giebt heut’ kein +collegium</span>,” juichte Hans weer.</p> + +<hr class="tb"> +<p>“Ben-je moe, Hans?”</p> + +<p>Hij liep nu al ’n heele poos zwijgend voor de anderen uit, +gebogen onder z’n zak.</p> + +<p>“Wil-je m’n vracht verminderen? Wil-je ’n +chinaasappel?”</p> + +<p>“Ja, graag; maar daarom vraag ik ’t niet. Je ziet er zoo +afgetobd uit, als ’n werker van Meunier.”</p> + +<p>“Nou ja, ’n beetje moe.”</p> + +<p>“Geef mij dan je zak.”</p> + +<p>“Welnee; ’t is niet zoo erg, dat ik ’t vervelend +vind nog verder te moeten, maar net zooveel, dat ik straks zal +genieten, als we zitten. ’t Is wel gezond je lichaam ’s moe +te maken; dat gebeurt ons niet dikwijls.”</p> + +<p>“Nee; wat leven we altijd vreeselijk ver van de +natuur.”</p> + +<p>“Hé, kijk ’s; daar duiken Hoefman en Lize weer +op; maar wat heeft-ie toch op z’n rug? Is-tie nat geworden? +’t Pak is nou heelemaal zwart.”</p> + +<p>“Dichterlijke tranen kunnen daarheen toch niet +loopen.”</p> + +<p>“O, menschen, nee; kom nou toch ’s allemaal hier. Kijk +toch ’s naar Louis! Zit er spek in, kerel? Nee, kijk toch +’s, ’t loopt langs z’n pak! Beste jongen, wat heb je +toch meegenomen?”</p> + +<p>“’n Groote ham, wat is er nou?” Hij voelde zich +wat gepiqueerd, vooral, omdat hij Lize ook zag lachen.</p> + +<p>“En die is gesmolten in de zon.... nee, idioot; die wordt +uitgebraden;..... al ’t vet wordt vloeibaar.”</p> + +<p>“Wat moet er nou mee?” <span class="pagenum">[<a id= +"pb184" href="#pb184">184</a>]</span></p> + +<p>“Maar stilletjes er mee doorloopen, we zullen zien, wat er van +wordt. Je pak is tóch bedorven.”</p> + +<p>“Hij heeft natuurlijk meer op Lize dan op de ham gelet,” +bromde Beerenstijn tegen Hans.</p> + +<p>“Maar Otto; met er naar te kijken, had hij toch ’t +smelten niet kunnen voorkomen.”</p> + +<p>“Ik weet ’t niet. Als er meisjes zijn, gaat alles altijd +dwaas en verkeerd. Kijk nou ’s, dat heeten nou collega’s, +studiegenooten. ’t Is immers hier als overal die alte +geschichte.”</p> + +<p>Han en Else liepen gearmd onder ’n grooten varentak; Lize en +Hoefman stonden nog over de ham te delibereeren en Eduard plukte +kamperfoelie en wilde roosjes voor Go, brak voorzichtig de dorentjes +af, voordat hij, met ’n blik van teederheid, ze haar in de +geopende handen legde.</p> + +<p>“Ja maar, tegen dit alles kun-je toch niets inbrengen, behalve +als je bent voor uitsterving van het ras. ’t Is toch de +natuurlijkste en beste zaak van de wereld, als jonge menschen van +elkaar houden gaan en met elkaar trouwen...”</p> + +<p>“Best; maar geen vrijerij onder den dekmantel van +studie.”</p> + +<p>“Ik gelóóf niet, dat iemand hier de studie als +dekmantel gebruikt.... ’t Is alles vrij openlijk.”</p> + +<p>“Ach, zwijg er maar over. Niemand geeft me hierin toch gelijk. +Ik ben tegen den tijdgeest.”</p> + +<p>“Dat is altijd ’n dwaasheid.”</p> + +<p>“Ja, zeg,” lachte Gerard, “wat zouën onze +grootvaders en grootmoeders wel zeggen, als ze ons zoo ’s konden +zien.”</p> + +<p>“Ik denk, dat ze ’t tóch aardig zouden +vinden,” meende Coba, “heeft er ook iemand zwart garen? De +Veer heeft de mouw van z’n jas gescheurd.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185">185</a>]</span></p> + +<p>“Wat doe-je ook voor houthakker te spelen, Wim? O, wil-jij +’t even doen, Go?”</p> + +<p>“Ik wilde een vuurtje stoken.... ’n +boschvuurtje.”</p> + +<p>“Zoo, en dan ’n boschbrandje zeker?”</p> + +<p>“Zeg, weten jullie, dat wij laatst brand gehad hebben?” +zei Frieda, “we brandden de bladluisjes van de planten af, en +opeens vatte ’t gordijn vlam. Ik schrikte zóó, dat +’k naar de deur vloog, en toen laaide ’t natuurlijk +vreeselijk, van de tocht, maar Mary Bruining—je weet wel: +’t meisje, met wie ik samenwoon,—trok ’t af, en +gooide de karaf er over uit...”</p> + +<p>“En toen?”</p> + +<p>“We waren geassureerd, en hebben ’t opgegeven. Er hangen +nu keurige nieuwe.”</p> + +<p>“Ben-je voorzichtig, dat je me niet prikt?” vroeg De +Veer.</p> + +<p>“Och, jongen; ’t is geen heksentoer.”</p> + +<p>“Kun-je toch ook naaien?” bewonderde Eduard.</p> + +<p>“Ja, natuurlijk. Dat kunnen wij, vrouwen, allemaal, om de +inferioriteit van ons verstand wat goed te maken; is ’t niet, +Beerenstijn?”</p> + +<p>“Ik stel ’n vrouw, die goed naaien kan, hooger, dan +’n zoogenaamde geleerde.”</p> + +<p>“Maar als ze nu allebei goed kan, zooals Go,” drong +Gerard.</p> + +<p>“Dan zou ik zeggen: terwijl je m’n goed heel houdt, mag +je zooveel middelnederlandsche teksten opzeggen, als je wilt, +máár: zachtjes.”</p> + +<p>“Zeg, gaan we nog wel eens verder? <span class="corr" id= +"xd0e2987" title="Bron: of">Of</span> wilden jullie hier +kampeeren?”</p> + +<p>“Nee, nee; waarachtig niet! Wie neemt de leiding?”</p> + +<p>Lou was moe; ze hing met ’n bleek, stil <span class="pagenum"> +[<a id="pb186" href="#pb186">186</a>]</span>gezichtje aan +Frieda’s arm, die haar gedachten resoluut trachtte af te +leiden.</p> + +<p>“Willen we ’n baar van takken maken, Lou, en je zoo mee +dragen?”</p> + +<p>“’n Volgenden keer nemen we ’n sportkar mee voor +de invaliden.”</p> + +<p>Maar Han, die zich als praeses min of meer verantwoordelijk voelde, +ging naar haar toe om te vragen, of ze liever niet verder wilde. Eduard +werd gecommandeerd z’n city-bag te openen, en haar ’n +slokje wijn te geven uit den gemeenschappelijken beker.</p> + +<p>Toen, zonder getreuzel, stapten ze recht door naar de plaats, waar +het maal gehouden zou worden.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Terwijl de meisjes het oude tafellaken, dat Coba van +“mevrouw” gekregen had, uitspreidden, en gehakt, +rookvleesch, sandwiches, pudding en flensjes—haar +bijdragen—uitpakten, ontkurkten de jongens luidruchtig de +flesschen, en hielden ’n inspectie over de ham, waarvan ze +allemaal om de beurt met geveinsden griezel de handen aftrokken.</p> + +<p>“Kom, wees nou niet zoo flauw,” kwam Frieda +tusschenbeide, die zag, dat Hoefman ’t geplaag wat vervelend ging +vinden. “Hij zal even goed smaken; wie ’m akelig vindt, +hoeft ’m niet te eten. Geef maar ’n mes; dan zal ik +’m snijden.”</p> + +<p>“Ja, wie heeft voor de messen gezorgd?”</p> + +<p>“En voor de vorken?”</p> + +<p>“En voor de vingerkommetjes? Heb jij die misschien in je +city-bag, Eddy?”</p> + +<p>En toen het bleek, dat er niets was, behalve zakmessen; dat het +heele tafelgerei bestond uit <span class="pagenum">[<a id="pb187" href= +"#pb187">187</a>]</span>drie kroezen en ’n paar papieren bekers, +danste Wim in het rond, in woeste extase, omdat ze gingen eten +“als de wilden”; omdat ’t een pic-nic was, als ten +tijde van Homerus.</p> + +<p>Gerard en Go hadden samen voor Lou ’n bedje van jassen en +mantels gemaakt, waar ze ’n beetje stil moest blijven liggen, om +straks, als ’t eten klaar was, weer heelemaal frisch te zijn, en +Hans bracht ’r wat peentjes en ananas, om den eetlust op te +wekken en ’r bezig te houden.</p> + +<p>Intusschen zwoegde Coba op de brooden met ’n bot mes, Rolands +naast haar, om, als de boterham er bijna af was, ’m maar verder +af te trekken, en op den stapel in ’t midden van de tafel te +gooien. Frieda hakte edelmoedig ’n tijd lang aan de ham, tot ze +eindelijk, haar glimmende vingers aan ’t gras afwrijvend, +decreteerde, dat wie verder ’n stuk hebben wilde ’t maar +zelf moest snijden. Er kwamen nog steeds verrassingen uit de sloopen en +de tasch: gember, caramels, ’n blikje tong, geconfijte vruchten, +bananen, ’n krentebrood; ’n pot jam, koek met sukade.</p> + +<p>“Ik zie wel, dat we straks nog weer beladen terug moeten +ook,” zuchtte Hans, “ik geloof, dat ieder buitengewoon +weinig vertrouwen had op de goedgeefschheid van z’n +buurman.” En hij rolde zwaarmoedig z’n dertig chinaasappels +de tafel over, gevolgd door ’n blikje kreeft en ’n doos met +pralines en fondant.</p> + +<p>“’t Is goed, dat we ’n dokter, nee, laten we De +Veer eens hoog aanslaan: twee dokters bij ons hebben; ik geloof niet, +dat de spijzen erg harmonieeren,” oordeelde Gerard.</p> + +<p>“Ik practiseer vandaag niet,” hijgde Wim, die met +z’n tasch, ’n boomstam en ’n jas ’n <span +class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188">188</a>]</span>makkelijke +zitplaats voor Go trachtte te maken.</p> + +<p>“Zoo; daar is Lou met ’n rood puntje aan haar neus.... +Alles in orde? Ik commandeer: val aan.”</p> + +<p>“Boterhammen genoeg, maar hoe krijg-je met je veertienen de +boter uit ééne boterpot?”</p> + +<p>“Ik begin met de sandwiches; die zijn kant en +klaar.”</p> + +<p>“Hé, dat smaakt; hebben jullie allemaal ook zoo’n +honger?”</p> + +<p>Gerard sneed voor Go ’t gehakt, reikte haar op de punt van +z’n mes ’n homp over.</p> + +<p>“Ik denk niet, dat ons gesprek levendig of interessant zal +worden, vóór we de tiende boterham achter de kiezen +hebben.”</p> + +<p>“Dit zwijgen is zeer veelzeggend,” verzekerde Hoefman, +“boter!”</p> + +<p>“Smeer je boterham met ’t vet van je jasje.”</p> + +<p>“Wie wil kreeft hebben?”</p> + +<p>“Hoe krijg-je die binnen?”</p> + +<p>“Je gebruikt ’n boterham als bordje, en hapt ’m +zóó er af.”</p> + +<p>“Hè; ik kom ’n beetje bij.”</p> + +<p>“Gaan we de taarten snijden?”</p> + +<p>“Nou, die van Rolands is leelijk verzakt.”</p> + +<p>“Snij ’m met bodem en al; dan hebben we tenminste wat +vastigheid.”</p> + +<p>“En nou?” vroeg Go onzeker aan Eduard.</p> + +<p>Hij haalde de schouders op. “Nu moeten we zien ’m naar +onzen mond te krijgen, maar hoe?”</p> + +<p>“Nu kun-je toch ’s zien, hoe verworden we zijn. We zijn +zoo aan vork en lepel gewend, dat we niet eens meer zonder kunnen eten. +Hoe deden de ouden ’t nou?”</p> + +<p>“Ik denk niet, dat die verzakte taarten met room en confituren +aten.” <span class="pagenum">[<a id="pb189" href= +"#pb189">189</a>]</span></p> + +<p>“De algemeene invoering van de vork is nog niet eens zoo heel +lang geleden,” leeraarde Gerard; maar Coba juichte: “Ik +weet ’t. Je schuift je taart ’n beetje, ’n heel klein +beetje, want anders breekt-ie, over den rand van het karton en... bijt +dan af.”</p> + +<p>“Keurig... alleen wil m’n neus er zich niet buiten +houden.”</p> + +<p>“’t Is ’n fijne manier; kom kinder, fruit... +dessert... Of wil er eerst iemand nog ’n hompje ham +hebben?”</p> + +<p>“Kijk ’s; ik heb ’n chinaasappel zonder +pitten,” verbaasde Lou zich, “heelemaal geen +een.”</p> + +<p>“Weet je niet, dat tegenwoordig ’t streven is van de +landbouwers alle vruchten zonder pitten te maken?”</p> + +<p>“En hoe moet ’t dan met ’t nageslacht? Krijgen die +geen appels en peren meer?”</p> + +<p>“Och; de algemeene pessimistische geest heeft zich ook van +“den nijveren landman” meester gemaakt. Ze gelooven niet, +dat over ’n vijftig jaar iemand den treurigen moed zal hebben +’t leven, dat hij zelf zoo beroerd vindt, aan anderen te +geven.”</p> + +<p>“Zou er dan niemand meer trouwen?” vroeg Lou kinderlijk; +maar Coba begon te vertellen van de stelling op de club laatst, over +“opzegbaar huwelijk.”</p> + +<p>“Waar zulke kinderen ’t al niet over hebben!” +plaagde Gerard. “Wat zeiden jullie er over?”</p> + +<p>“Nu, de inleidster was er vóór, maar een +heeleboel waren er tegen; en ’t is afgestemd.”</p> + +<p>“’t Helpt ook niets er over te praten,” zei +Beerenstijn kort. “Het huwelijk is ’n beroerde +instelling;... maar zoolang de maatschappij blijft, zooals ze is, zie +ik geen kans op verbetering.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb190" href="#pb190">190</a>]</span></p> + +<p>“Maar ik vind ’t huwelijk geen “beroerde +instelling,” pleitte Go. “Ik vind, dat ’t veel +bindender moest zijn, opdat niemand ’t aanging, als hij niet +wezenlijk van den ander hield.”</p> + +<p>“Wat is nu “wezenlijk houden van”; definieer me nu +’s, wat je daaronder verstaat.”</p> + +<p>“Dat is niet te definieeren; maar als je ’t doet, dan +twijfel-je niet meer; dan is ’t ontzaglijk.”</p> + +<p>’t Gesprek stokte even; Go had ’t héftig +gezegd.</p> + +<p>Maar Lou praatte zachtjes: “Ach, we kunnen er natuurlijk +eigenlijk zoo slecht over oordeelen, omdat we geen van allen ooit +getrouwd zijn geweest.”</p> + +<p>“Nee, over tien jaar zullen we ’t er nog wel’s +over hebben, hè Lou?” lachte De Veer, en de spanning was +gebroken.</p> + +<p>Eddy pelde de hazelnoten voor Go; ze dronken met Hans samen uit het +tinnen kroesje. Die zat nu al geruimen tijd zwijgend, de armen om de +knieën, het bleeke hoofd gebogen.</p> + +<p>“Zeg Hans, wat ga-jij eigenlijk doen, als je afgestudeerd +bent?” vroeg Go, om ’m wakker te roepen uit z’n +treurend gedroom.</p> + +<p>“Dat weet ik niet,” antwoordde hij, met z’n handen +langs z’n voorhoofd strijkend, als om zich te bezinnen. “Ik +weet niet, wat ik doen ga, als ik afgestudeerd ben,... maar dat komt +natuurlijk, omdat ik nog niet klaar ben;... als ’t eenmaal zoo +ver is, dan weet ik ’t wel vanzelf—’t is ook +eigenlijk <span lang="fr">l’embarras du choix</span>;—wat +kun je al niet allemaal doen, als je eenmaal doctor in de klassieke +letteren bent?... Je kunt de honderd-en-elfde vertaling van Homerus in +de wereld brengen; je kunt je den eeuwigen dank van ’t nageslacht +verwerven, door ’n klein, dun, slap, <span class="pagenum">[<a +id="pb191" href="#pb191">191</a>]</span>Hollandsch uitgaafje van +Demosthenes of Cicero te bezorgen, zoodat de jeugd geen gevaar meer +heeft door ’n Germanisme in den val te loopen;... in dien +tusschentijd kun-je met vijftig medestanders solliciteeren naar +’n baantje... of je kunt natuurlijk ook naar Lapland of naar +Amerika gaan;... al heb-je nou toevallig Grieksch en Latijn gestudeerd, +je kunt ook pakjes-drager of kellner, of bankdirecteur, of mijnwerker +worden. God, ik weet niet, wat kun-je nou vooruit zeggen van je leven? +De wereld is zoo reusachtig, en zoo gecompliceerd;... ik zal maar +afwachten;—er zal natuurlijk wel ergens iets voor me te doen +vallen.”</p> + +<p>Er flitste weer even dat vreemde, onrustige licht door z’n +oogen, dat Go al meer keeren opgevallen was.</p> + +<p>“Wat doe-je raar met je oogen Hans!”</p> + +<p>“Staat “raar” eufemistisch voor +“scheel”? Ik ben ’s ’n poos scheel geweest, +vóór m’n candidaats-examen.”</p> + +<p>“Ja, als-tie dan iemand aan wilde kijken, moest-ie met +z’n rug naar ’m toe gaan staan.”</p> + +<p>“Nee, zeg, weten jullie die grap van dien schelen rechter met +de drie getuigen? Die vroeg aan den eersten: “Uw naam?” +<span class="corr" id="xd0e3127" title="Bron: antwoordt"> +Antwoordt</span> de tweede: “Meyer<span class="corr" id= +"xd0e3130" title="Bron: ,">.</span>” Zegt-ie tegen den tweeden: +“Ik vraag u niets.” Antwoordt de derde: “Ik zeg +niets.”</p> + +<p>“En weet je dien mop van den vent, die z’n alibi niet +kon bewijzen?”</p> + +<p>“En van ’t jongetje, dat niet spreken mocht aan +tafel?”</p> + +<p>Met bliksemsnelheid volgden grappen en anecdotische raadsels elkaar +op; eerst bleven ze in ’t algemeene, daarna werden ’t +speciaal proffen- <span class="pagenum">[<a id="pb192" href= +"#pb192">192</a>]</span>en studenten-aardigheden, streken uit den +groentijd; tradities van professoren, die al lang gestorven waren.</p> + +<p>“Zeg, zouën we ook ’s opbreken? Er is geen ziel, +die meer eet.”</p> + +<p>Han keek op z’n horloge, berekende, dat ’t tijd werd, om +naar ’t hôtel te gaan, waar ze thee zouden drinken op het +groote balkon.</p> + +<p>“Nu eerst veilen, wat nog over is.... in de eerste plaats: de +ham!”</p> + +<p>“We zijn niet ondankbaar,” zeide Frieda, “maar +’t is zoo’n vreeselijke vracht;... er is ’n eind +links ’n huisje, wie gaat mee ’m daar heen +brengen?”</p> + +<p>Rolands, Frieda, De Veer en Lou namen ieder ’n punt van +’t zware papier, waarop hij lag, droegen plechtig ’m uit, +in den guldenden avond.</p> + +<p>“’t Overgeschoten lekkers in Eddy’s tasch; dat is +goed voor onder weg.”</p> + +<p>“Wie maakt aanspraak op het blik, waar Else’s +rijstepudding in heeft gezeten?”</p> + +<p>“Ik,” riep Gerard, “als souvenir. En voorloopig +als botaniseertrommel.” En hij schikte er voorzichtig Go’s +bloemen in.</p> + +<p>“Zullen we de rest nu maar niet allemaal in het tafelkleed +knoopen?”</p> + +<p>“En dan begraven! Hoe maak-je ’n kuil?”</p> + +<p>“Met je voeten en je handen, en boomstronken.”</p> + +<p>“Nu; allons.... zoo’n inspanning is goed voor de +spijsvertering.”</p> + +<p>“En we planten ’n gedenk-eik op het graf....”</p> + +<p>“En hangen de overgebleven chinaasappelen aan de +takken,” juichte De Veer, die Hans’ geruit sloop als +’n schippersdas om z’n hals had geknoopt.</p> + +<p>“Treuzel nu niet te lang,” dreef Han, “’t +wordt <span class="pagenum">[<a id="pb193" href= +"#pb193">193</a>]</span>hier te vochtig voor de meisjes; kom Lize, doe +jij ook je mantel aan, en gaan jullie wat krijgertje spelen, tot het +graf klaar is.”</p> + +<p>“De begrafenis begint; wie willen dragen?” schreeuwde +Gerard.</p> + +<p>Go en Frieda liepen voor, de punten van het tafellaken over den +schouder, stil, met gebogen hoofd; achteraan Eddy en Wim, blootshoofds +met ernstige oogen; en Hans dreunde tusschen de tanden de treurmarsch +van Chopin. Voorzichtig werd ’t laken in den kuil neergelaten; de +punten over elkaar gelegd; één voor één +wierpen ze ’n hand aarde naar beneden, tot De Veer opeens woest +te schoppen begon, wat dadelijk onder groote luidruchtigheid door de +anderen werd nagedaan.</p> + +<p>“Zie zoo; deze ceremonie is afgeloopen; nu op marsch naar +’t hôtel! En wie ’n haarspeldenwinkel ziet, moet Lou +waarschuwen; kom Else!”</p> + +<p>“’t Lijkt ’n brautzug,” lachte Eddy, terwijl +hij met Go achter den praeses met z’n meisje aanstapte.</p> + +<p>“Waarom houën we niet elke week ’n picnic.” +juichte De Veer. “Er is op de heele wereld niets heerlijkers te +bedenken.”</p> + +<p>“Ach, ventje, dat is alleen, omdat ’t zoo iets nieuws +voor je is! Dat is de heele charme. ’n Mensch is niets dan +’n gewoonte-dier. Of ’m nu ’t grootste ongeluk, of +’t hevigst-begeerde geluk overkomt, hij zal wel ’n poosje +uit z’n sleur worden gerukt, en intenser leven; maar al gauw +wordt hij, zooals hij vóór de groote gebeurtenis was; dat +wil zeggen: hij zal zich nog wel ’s geroepen voelen ’n +verheugd of ’n lijdend gezicht te trekken, maar in z’n +binnenste gaat ’t weer z’n gewone gang.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194">194</a>]</span></p> + +<p>“Dus je gelooft niet aan den dood door geluk of +verdriet?” informeerde Beerenstijn, medisch.</p> + +<p>“’t Eerste oogenblik door den schrik is mogelijk. Maar +als iemand het ’n week heeft uitgehouden, komt-ie er ook over +heen.... over z’n geluk zeker.”</p> + +<p>Het laatste klonk heel bitter en Hans peinsde voor zich uit:</p> + +<p>“Volgens deze theorie is hij het meest benijdenswaard, die +onder de ongunstigste omstandigheden leeft. Die kan zich dan +verbeelden, dat, als alles maar zus en zoo was, hij de gelukzaligste +man van de wereld zou zijn—en hij komt nooit tot de ontdekking, +dat het z’n eigen, onvolkomen structuur is, die ’m +ongeschikt maakt op de hooglanden van het geluk te leven.”</p> + +<p>“Is er dan niets wezenlijk mooi voor jou, Eddy, iets, dat +altijd mooi blijft?” vroeg Go zacht.</p> + +<p>“Nee; dat is er niet.... Ik moet altijd afwisseling +hebben!”</p> + +<p>“Maar wat zul-je dan bang zijn voor oud worden!”</p> + +<p>Hij haalde de schouders op. “Wie is daar nu niet bang +voor?”</p> + +<p>“Ik niet. Ik vind ’t natuurlijk. En ik geloof ook, dat +er dingen zijn, die meer waarde voor je krijgen, naarmate je zelf beter +wordt. En daarvoor moet je lang leven.”</p> + +<p>“’t Komt wel allemaal hiér op neer,” +zuchtte Eduard, “dat ik zelf niets dan aantrekkelijkheden +voor-’n-oogenblik heb; geen fond, dat altijd waarde +houdt.”</p> + +<p>“O, wijze man; meen je jezelf te kennen?” plaagde Go. En +met ’n heerlijk-vertrouwend lachje staarde ze over ’t +lichte land, of ze in de toekomst zag. <span class="pagenum">[<a id= +"pb195" href="#pb195">195</a>]</span></p> + +<hr class="tb"> +<p>“Laat mij nu voor ’t laatst theeschenken,” had +Else gevraagd, en terwijl ze bezig was met de trekpot en ’t +water, zaten ze allemaal stil naar haar te kijken, en te denken, dat ze +haar waarschijnlijk nooit meer in hun midden zouden zien.</p> + +<p>De dichte kruinen van de boomen om hen heen maakten het balkon al +schemerig, maar de hemel er boven was nog zilverig-wit, met ijle +wolkveegjes aan de kanten. Ze hadden voor Lou ’n makkelijk +stoeltje gevraagd, en die zat daar nu stilletjes te genieten, de vlecht +om haar hoofd gelegd op Gretchenmanier.</p> + +<p>Lize leunde, de oogen verre, over den balkonrand, terwijl Hoefman +zachtjes tegen haar sprak.</p> + +<p>“Ik wist het eigenlijk van ’t eerste oogenblik, dat ik +je zag. Ik voelde ’t dadelijk.”</p> + +<p>“Maar ik begrijp ’t niet. Ik ben toch +leelijk.”</p> + +<p>“Voor mij niet. Ik zie door de vormen van je gezicht +heen.”</p> + +<p>“Het is zoo vreemd, zoo nieuw. Ik had nog nooit aan zoo iets +gedacht....”</p> + +<p>Else ging rond. “Ik hoop, dat ik goed aan al jullie speciale +smaken heb gedacht.... Rolands slap en Gerard veel melk, en Frieda geen +suiker.... Zoo. Waar blijft Neerwinden toch met z’n city-bag? Wil +hij zelf ’t lekkers opeten?”</p> + +<p>“Hè, menschen,” zuchtte Coba diep. “Hier +moesten we nu tot morgenochtend kunnen blijven.”</p> + +<p>“Ik denk, dat Lou in dien tusschentijd ’n lekker dutje +doen zou,” plaagde Gerard. “Kom, laten we wat zingen, om de +kleine kinderen wakker te houden.”</p> + +<p>“Ja, wat? wat?” <span class="pagenum">[<a id="pb196" +href="#pb196">196</a>]</span></p> + +<p>“Uit de Liederschatz natuurlijk.” En Eduard zette in met +z’n klankrijke baryton: “<span lang="de">Morgen musz ich +fort von hier, musz ich Abschied nehmen.</span>”</p> + +<p>Dadelijk vielen de anderen in; de zuivere, jonge stemmen, zingend de +simpele, oude melodieën vol sentimentaliteit en naïven +weemoed, klonken roerend door de onbewogen-stille dorpslucht, en Go, +die opeens niet meer doorzingen kon, keek met vochtige oogen naar de +levendige gezichten, die, verdiept in het lied, éven-aangedaan, +in het licht stonden. En ze voelde: hoe één ze op dat +oogenblik allemaal waren; hoe harmonieus hun stemmen klonken uit de +harmonie van hun jeugdig-bewogen zielen. Hielden ze op dat oogenblik +niet allen van elkaar als broers en zusters van ’n groote +familie? Waren hun gedachten niet mooi en zacht en open, als de avond, +als het kinderlijke lied, waarin ze hun ziel uitzongen?</p> + +<p>Ze dacht niet in ’t bizonder aan Eduard; ze voelde haar hart +wijd worden in liefde voor àl die jongens en meisjes om zich +heen, en toen ’t uit was, zei ze zacht uit den grond van haar +hart: “Hè, we moesten ons heele leven bij elkaar kunnen +blijven.”</p> + +<p>“Nou, maar zou dat niet kunnen?” riep Gerard levendig. +“Zouden we ons niet voor ’t een of ander kunnen +associeeren, wij allemaal gestudeerde, knappe lui.... ’n +kostschool b.v.”</p> + +<p>“We zouden, om met mezelf te beginnen ’n classicus +hebben,” peinsde Hans, “’n natuurkundige, +één, twee, drie, vijf, zes doctors in de Nederlandsche +letteren;.... dat is wel wat overdadig.”</p> + +<p>“Nee, ik zorg voor ’t huishouden,” regelde Go.</p> + +<p>“Misschien ben-jij dan de eenige, die wat te <span class= +"pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197">197</a>]</span>doen heeft;... +twee medici... twee meesters in de rechten.”</p> + +<p>“Die kunnen ook van veel nut zijn, om de kibbelpartijen van de +leegloopers te beslechten.... Een leerling zouden jullie natuurlijk +nooit krijgen.”</p> + +<p>“O, maar dan zijn jullie getrouwd,” bedacht Gerard +opeens, Else teleurgesteld aanziende.</p> + +<p>“Nu, maar dát geeft toch niets. Han en ik zullen altijd +met alles meedoen.”</p> + +<p>“’n Tijdschrift,” bedacht Hoefman, “voor +wetenschap en kunst.”</p> + +<p>“En daarin al jouw verzen als kunst,” plaagde Wim, +“we hebben je in de gaten<a id="xd0e3264"></a> hoor<span class= +"corr" id="xd0e3266" title="Niet in bron">,</span> mannetje.”</p> + +<p>“Nou maar ’t is waar,” vond Frieda, “dat +’n tijdschrift verstandiger dan ’n kostschool zou zijn. We +zouden ieder artikelen over ons vak kunnen schrijven; medische, +etymologische, rechts-kwesties; Hoefman voor ’t +kunstgedeelte,—”</p> + +<p>“En jij voor de rubriek: kinderkamer,” zei Han zacht +tegen Else, en streek even ongemerkt over haar haar.</p> + +<p>“Nee, ’t beste, verreweg ’t beste zou zijn, als we +’n variété vormden,” pleitte Wim met +toewijding. “We hebben lui met aardige stemmen; ik kan ’n +wandelstok op m’n neus laten balanceeren en met eieren ballen... +Gerard loopt op z’n handen; de meisjes kunnen wel ’s iets +als ’n ballet geven, Hoefman kan +declameeren—Rolands—”</p> + +<p>“’n Slangenmensch,” sloeg het lenige zwartje +voor.</p> + +<p>“En in ’n kermiswagen, Wim?” vroeg Coba.</p> + +<p>“Ja, of met den trein en in hôtels, al naar ’t ons +lukt. En op de affiches. “Dispuut Laborando vincimus” uit +Leiden.”</p> + +<p>“Kinderen, maar zoover zijn we nu nog niet. <span class= +"pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198">198</a>]</span>We moeten +voorloopig allemaal nog terug naar onze ouderlijke woning,... nu is het +tijd voor den trein.”</p> + +<p>“Hè Han, is er geen latere?”</p> + +<p>“Ja zeker; we zitten hier in ’t middelpunt van +spoorwegen. Er gaan hier, geloof ik, drie treinen op ’n heelen +dag.”</p> + +<p>“Rosenstock, holder blüth’,” stemde Hans nog +’s in, maar niemand volgde. Ze liepen stil langs den schemerigen +weg, en treurden al om ’t afscheid, terwijl ze nog samen +waren.</p> + +<p>“’t Is zoo vreemd,” zei Go zacht tegen Eduard, +“dat ik nu vanavond weer thuis zal zijn, en dan maar +één dag weg geweest. Dat morgen weer alles als gewoon +gaan zal, één dag van de lange, lange +vacantie!”</p> + +<p>“Och, waarom vreemd?”</p> + +<p>“Het was zoo heerlijk. En ’t lijkt zoo lang geweest. +’t Is zoo wonderlijk nu zóó uit elkaar te +gaan.”</p> + +<p>“Och kind, als je al vaak dat zacht-verteederde gevoel aan +’t eind van ’n partijtje hebt meegemaakt, dan is ’t +eigenlijk niet zoo wonderlijk meer.”</p> + +<p>Hij zag, dat z’n woorden haar hinderden, plukte droomerig +’n paar bloemen af. “Vin-je ook verwonderlijk, dat die +morgen verwelkt zijn?”</p> + +<p>“Nee, alleen maar treurig,” antwoordde ze.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Aan ’t station in Leiden was druk gejacht om Go en Else en Han +en Lou in den klaar-staanden trein naar Den Haag-Rotterdam te stoppen; +Gerard wierp in der haast de wilde roosjes uit z’n blikje door +’t raam in den coupé, nog pratend:</p> + +<p>“Als ’k in Rotterdam kom, kom ’k je mama ’n +bezoek brengen.” Eddy riep tegen Han, zag <span class="pagenum"> +[<a id="pb199" href="#pb199">199</a>]</span>Go’s oogen niet. Maar +toen de trein zich in beweging zette, begon Hans met volle stem:</p> + +<div class="poem" lang="fr"> +<p class="line">Si l’on est si bien ensemble,</p> + +<p class="line">On ne devrait jamais se quitter.</p> +</div> + +<p>Het heele koor viel in; de vertrekkenden wuifden. De witte doekjes +flapperden in de donkere lucht, totdat Go opeens ’t hare +terugtrok, ongeduldig haar tranen afveegde, die stroomden over haar +gezicht.</p> + +<p>“Zóó’n dag komt nooit terug,” zei ze +zacht tegen Lou, “zóó zullen we nooit meer allemaal +samen zijn.”</p> + +<p>De trein donderde rommelend door het donkere land, weg van de stad +van vreugde. <span class="pagenum">[<a id="pb200" href= +"#pb200">200</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e3323" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk <span class="corr" id="xd0e3326" title= +"Bron: II">XVI</span>.</h2> + +<p>Het was een triestige kamer, ook niet erg groot. Ze keek op een +kaaswinkel, waar alle soorten van dit artikel tot boven aan de ruiten +opgestapeld waren, en er naast was ’n bakker; de bakkersjongens +zaten in hun schaftuur bij haar binnen te gluren, en wierpen kushandjes +naar de ramen.</p> + +<p>De geuren van de kaas vermengden zich met de goed-lucht van het +stoffen-magazijn beneden haar; er was altijd gerij en gefiets door de +smalle straat, en ’s avonds láát nog joelde het +ruwe gelach naar boven van flaneerende fabrieksmeiden.</p> + +<p>Ze dacht wel ’s, dat ze niet erg gelukkig geweest was met haar +keuze, al had ze Moeder nog zoo vast verzekerd, dat ze nu toch oud +genoeg was en genoeg in Leiden bekend, om zélf voor haar kamer +te zorgen. Afgeschrikt door haar eerste ondervindingen, toen ze in +studentenhuizen was gekomen, of bij juffrouwen, die “geen dames +namen,” had ze maar dadelijk toegehapt, toen deze juffrouw +“er maar één hebben kon, en heer of dame was +gelijk.” Maar nu ze er zat,—’t viel niet mee; +’t huishouden slonzig,—de juffrouw.... <span class= +"pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201">201</a>]</span>ze wist niet, +’t zou ook wel komen, omdat ze dat alleen-zijn zoo akelig vond, +maar ze kón zich hier nog maar niet thuis voelen. Het was zoo +triestig ’s morgens wakker te worden van het lijzig-uitgehaald +gezang van de oudste dochter, en dan te weten, dat de voorkamer leeg en +ongezellig zou zijn, met ’t muffe luchtje, zonder zon.</p> + +<p>Het deed haar ’s middags treuzelen weer naar huis te gaan, +omdat ze ’t binnenkomen van die kamer, waar ná haar +niemand meer was geweest, zoo ellendig vond; en ’s avonds kon ze +vaak niet werken van het luisteren naar de stilte van het huis.</p> + +<p>Ze miste Else zoo en haar opgewekte gelijkmatigheid. Nu ging ze wel +dikwijls bij Lize koffiedrinken,—een ei en ’n paar appels +in de mouw van haar mantel, haar broodje onder den arm,—maar die +was toch zoo heel anders, al had ’t engagement met Hoefman haar +zachter en rustiger gemaakt. Ze kwam ook ’s avonds wel bij andere +meisjes theedrinken, nu meer opgenomen in hun midden, maar vaak had ze +ook dáárin geen lust, omdat het haar toch niet +bevredigde; ze wist altijd vooruit, hoe het zou gaan: de hartelijke +ontvangst: “wat leuk, dat je komt, ik ben juist zoo alleen; gauw +theezetten,”—dan getob met water en ’n spiritusstel, +zoeken naar lucifers, veel onrust, en geen oogenblik van rustige, +breede gezelligheid, zooals aan de theetafel thuis, waar ieder bezoeker +dádelijk in den kring werd opgenomen. Nu ze weer de lange +vacantie in haar familie was geweest en zich weer heelemaal had +ingeleefd in hun vredige leven, wist ze het weer, dat al hun gehuishoud +maar surrogaat was, dat ze allen gelijkelijk misten: het thuis, de +familie, de moeder. <span class="pagenum">[<a id="pb202" href= +"#pb202">202</a>]</span></p> + +<p>En dof, verveeld, werkte ze van Maandag tot Vrijdag boven ’t +gejoel van de straat, pas oplevend, wanneer ze met haar taschje naar +’t station ging, naar huis.</p> + +<p>“Laborando Vincimus” begon z’n vergaderingen pas +weer ná de inauguratie van de nieuwe corpsleden, en de groentijd +was nog in vollen gang: schuchtere, kaalkoppige jongens slopen, langs +de huizen gedrukt, over de straat, en soms ook kwam ze ’n heele +kudde tegen, opgedreven door ’n paar studenten met wandelstokken, +die ze leerden hard-loopen, of marcheeren.</p> + +<p>Gerard had ze een paar maal gesproken, meer gewoon en +vertrouwelijker dan vroeger, omdat hij nu ook thuis was geweest, lang +met moeder had zitten praten en gestoeid met de kleintjes. Hij klaagde +over Hans, die tegenwoordig zoo ongenietbaar was, nergens meer kwam, en +als je hèm ging opzoeken, je binnen ’n kwartier weer +buiten de deur had gezet, omdat hij nét zoo goed ín +z’n werk was.</p> + +<p>“Komen jij en Lou en Coba dan tenminste ’s bij me +koffiedrinken, met Han en nog een paar.—Komen jullie drie +October: dan is er muziek op de Korenbeurs, en dat is toch wel vroolijk +en gemoedelijk.”</p> + +<p>Ze had ’t aangenomen, en toen voor ’t eerst na de +vacantie Eduard weer gesproken. Ze had ’m wel al eens gezien: +’t was geweest bij de inauguratie-rede van ’n professor van +de juridische faculteit, toen hij als faculteits-praeses achter den +senaat was binnen gekomen, en ze, ondanks de statigheid van de pedels +met de zilveren bellen, de professoren in toga en de oude curatoren, +die in de eikenhouten banken hadden gezeten als deftige patriciërs +uit <span class="pagenum">[<a id="pb203" href= +"#pb203">203</a>]</span>de zeventiende eeuw, niets zóó +imponeerend had gevonden als zijn slanke figuur in den sluitenden rok, +z’n fier gedragen hoofd met de dof-glanzende haarpracht, en het +sterk-vaste kijken van z’n donkere oogen.</p> + +<p>Nu kwam hij Gerard’s kamer binnen, samen met De Veer, die in +uitgelaten joligheid ronddanste op ’t kopergeschetter, dat van +beneden opklonk. Ze trachtten Gerard over te halen om ’s avonds +mee te gaan naar de kermis op Zomerzorg, maar terwijl Eduard er kalm +over praatte, riep Wim de meisjes bij ’t raam, weer +schaterlachend om ’n vuurrooden kerel, die het vaandel van +’n aanrukkende muziek-bende torste.</p> + +<p>“Kijk, nou gaan die óók spelen, tegen elkaar in! +Toe dan jongens, mooi zoo, blaas <span class="corr" id="xd0e3358" +title="Bron: der">d’r</span> maar op los! Wie ’t maar +’t hardste kan! Kunstmin tegen Apollo! of hoe ze heeten +mogen!”</p> + +<p>En z’n heele lijf was in beweging van dol plezier om die +lollige lui, die zoo parmantig achter hun groote koperen, in de zon +schitterende hoorns liepen, en tegen elkaar op bliezen met bollende +wangen.</p> + +<p>“Kunnen wij niet mee naar de kermis?” vroeg Go, ineens +in feeststemming.</p> + +<p>Gerard schudde lachend ’t hoofd. “Ik denk eer, dat de +dochters van je juffrouw er naar toe zullen gaan.”</p> + +<p>“Maar jij komt toch,” drong Wim, “Rolands gaat +ook, dan zijn we met z’n vieren.”</p> + +<p>Eduard zag Go even kijken, met vragen, met angst; ze begreep niet, +waarmee ze zich zouden vermaken, in ’n tuin met ’n paar +kramen en.... de dochters van hun hospita’s. Maar Wim vertelde +van de draaimolen, en “waarachtig kerel, je moet <span class= +"pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204">204</a>]</span>mee, er is +’n schiettent ook, en je kunt met halters werken.” Dit +stelde haar weer gerust, al vond ze het niet prettig, dat Rolands er +bij zou zijn; en ’t koffiedrinken met haring en wittebrood, +dè tractatie van de juffrouw, verliep vroolijk en ongeregeld, +omdat telkens een muziekkorps voorbijtrekken kwam, en allen dan +jubelend naar de ramen vlogen.</p> + +<p>Maar toen ’s avonds het brallende gezang uit de smalle straat +opsteeg, dat in woestheid en gillen aangroeide, naarmate ’t later +werd, had Go, alleen in de kleine kamer, toch bezorgd het hoofd tegen +’t venster geleund, en starend in de duisternis met wijde oogen, +vol onrust aan de jongens, aan Eddy gedacht.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ze zat weer alleen te werken, in onvrede met zichzelf, met donkere +voorgevoelens van droeve dingen, die gebeuren zouden,—stemming, +waar ze onder leed, sinds ze weer hier was teruggekeerd,—toen +opeens Gerard binnenkwam, ’t gezicht bleek, de blauwe oogen +onrustig wijd-open.</p> + +<p>“Je moet niet schrikken, Go; ik moet je iets akeligs +vertellen.”</p> + +<p>“Eddy!” gilde ze, de handen uitstrekkend.</p> + +<p>“Nee, Hans,” antwoordde hij zacht, en hij zag den wilden +schrik in haar oogen zich even ontspannen, maar dadelijk, angstig weer, +vroeg ze<span class="corr" id="xd0e3385" title="Bron: ;">:</span> +“Wat is er dan? Is hij ziek geworden?”</p> + +<p>“Hij is al twee dagen zoek. Z’n juffrouw is ’t +vanmiddag bij Beerenstijn komen zeggen. Ze was eerst niet ongerust +geworden, omdat-ie wel ’s meer uitbleef; maar nu +twéé dagen!”</p> + +<p>“Maar kan hij niet naar huis toe zijn?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205">205</a>]</span></p> + +<p>“Nee, Hoefman had gisteren nog z’n vader +gesproken.”</p> + +<p>“God, denk je aan een ongeluk?”</p> + +<p>“Ik weet niet, wat ik denk, Go. Je hebt ’m niet meer +gezien na de vacantie, wel?”</p> + +<p>“Nee, ’k heb ’m niet gezien. Wat moeten we doen, +Gerard?”</p> + +<p>“Ik wilde nu naar z’n kamer gaan, en daar ’s alles +doorzoeken. Misschien vind ik iets, dat opheldert.”</p> + +<p>“Ik ga mee, ’k ben klaar.” En ze draaide de +studeerlamp uit, stond even onzeker in ’t duister: was dit de +reden van haar onrust van de laatste weken, was dit ’t +vreeselijke, dat gebeuren moest?</p> + +<p>“Maar ik geloof ’t toch niet, jij wel?” begon ze +buiten, weer met ’n hoopvoller stem, “hij was altijd zoo +opgewekt, hè? God, ’t is toch pas twee dagen.... hij kan +ergens bij familie zijn.”</p> + +<p>“Ik weet ’t niet.... O, vroeger deed ie ’t wel +eens meer. Ik heb ’n jaar met ’m samen gewoond; dan zat hij +soms eerst ’n beetje stil in ’n hoek,—mopperen of +klagen deed hij nooit,—en dan opeens liep hij naar de deur, waar +’n groot treinenplan hing; hij keek op z’n horloge, ging +na, waarheen hij ’t eerste weg kon, en dan met ’n +eenvoudig: “Dag kerel. Ik moet er uit,” trok hij er van +door, kwam na ’n paar dagen dood-op, maar veel opgewekter weer +aanzetten.”</p> + +<p>“O, maar natuurlijk; dat doet hij nu ook. En omdat hij alleen +was, heeft hij ’t niemand kunnen zeggen.”</p> + +<p>“Mij leek ’t meer de onrust van ’n +eerstejaars;.... later deed hij ’t niet meer, ofschoon hij altijd +aanvallen hield, dat “’t ’m te benauwd werd”, +zooals hij ’t noemde, maar dan ging-die ’n <span class= +"pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206">206</a>]</span>eind roeien of +fietsen, of naar ’n mooi concert;—dat hielp ook altijd +wel.”</p> + +<p>Ze waren nu aan z’n huis gekomen en zagen licht op z’n +kamer. “Zou hij?” hoopte Go, maar de juffrouw vertelde +huilerig, dat meneer Beerenstijn boven was; wat zij er toch van +dachten, “zoo’n dierbare meneer.”</p> + +<p>Ze ging met hen mee de trap op, steeds klagelijk pratend, dat hij de +laatste maanden toch ook zoo schrikkelijk veel gewerkt had, altijd in +de boeken, en nooit er ’s uit, de heele vacantie door op +z’n kamer gezeten, en ’s avonds, als ’r man en zij +naar bed gingen, vast nog ’t licht op, en als ze ’s +ochtends beneden kwam, meneer dikwijls nóg voor z’n +schrijftafel met ’n kop koffie en ’n bleek gezicht, waar je +akelig van werd.</p> + +<p>Otto groette verstrooid; hij zat voor de tafel met z’n hand in +z’n haar. “Er liggen dagboeken,” zei hij, “maar +je begrijpt, dat ik daar nog niet in kijken wil; verder niets dan +cahiers met aanteekeningen, van wat hij den laatsten tijd gelezen +had;.... kijk maar ’s even.”</p> + +<p>Stapels boeken lagen naast en op de schrijftafel; Gerard las langs +de ruggen, schudde somber het hoofd: “Wat ’n zware kost +allemaal, en hoe on-systematisch alles door elkaar. Wat denk-jij, +Otto?”</p> + +<p>Beerenstijn keek naar Go; ze liep door de kamer alle dingen op te +nemen, als wilde ze van hen het geheim van hun bezitter te weten komen; +ze staarde naar de gravures, naar de piano, naar z’n klok; en +toen draaide ze zich opeens om naar Gerard: “Hebben jullie +eigenlijk al ’s op z’n slaapkamer gekeken?”</p> + +<p>“Nee; waarom zouën we?” maar ze gingen <span class= +"pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207">207</a>]</span>toch; ze hoorde +de sleutels van de kasten knarsen, en Beerenstijn’s stem, die +zei: “’t Is dwaasheid, hij zal zich hier waarachtig niet +verstoppen;... maar och, ’t kan toch nooit kwaad, en we weten +niets anders meer.”</p> + +<p>“Was hij nog bij iemand geweest?”</p> + +<p>“Het laatste bij Frieda, geloof ik. Dat is ’n week +geleden. Hij was er maar even, om ’n boek terug te +brengen.”</p> + +<p>“Wat zouën we nu doen? Weet niemand van ’t corps +iets?”</p> + +<p>“Neerwinden is bij al z’n intiemere vrienden +geweest.”</p> + +<p>Go luisterde naar de juffrouw. “Hij was ’s ’n +nacht om drie uur met z’n fiets uitgegaan, en om zeven vreeselijk +bemodderd teruggekomen. Toen had-ie aldoor gefietst. Hij zei, dat +’t dan zoo mooi was buiten.”—</p> + +<p>“We moeten ’t nu aangeven,” zei Beerenstijn. +“’t Is wel beroerd en mal, als er niets is, maar langer +afwachten...”</p> + +<p>“We konden ook zelf gaan zoeken.”</p> + +<p>“Dat kunnen we tóch doen, vannacht.”</p> + +<p>“Toe, neem mij mee,” vroeg Go beverig.</p> + +<p>“Nee; Gerard gaat naar ’t politiebureau, en ik breng je +thuis. ’t Zou geen zín hebben, en ons hinderen, als +jíj er bij was.” En hij praatte nog even zachtjes met de +juffrouw in de gang, sprak af met Leeden, dat ze elkaar bij Neerwinden +zouden vinden.</p> + +<p>“Maar je dénkt toch niet?” smeekte Go, in +’n wanhopig verlangen gerust gesteld te worden. “Hij hield +toch zoo van al het mooie in ’t leven. Ik weet nog, dat we +’s samen over ’t Rapenburg liepen, en dat hij zei: dat je +toch wel een ingeroest-ondankbare, <span class="pagenum">[<a id="pb208" +href="#pb208">208</a>]</span>onverbeterlijke pessimist moest zijn, als +je, wanneer je ’t Rapenburg in de herfstzon zag liggen, iets +anders voelen kon dan ’n diepe, blije dankbaarheid, dat je +leefde.”</p> + +<p>Beerenstijn haalde de schouders op. “We wéten op +’t oogenblik niets, en ’t is nutteloos ons in supposities +te verdiepen. ’t Eenige, dat we kunnen doen, is handelen en +afwachten. En ’t zou heel dwaas zijn, ons al vooruit +náár te maken,” en hij wierp ’n afkeurenden +blik naar Go’s betraande oogen.</p> + +<p>“Waar gaan jullie heen?” vroeg ze zacht.</p> + +<p>“Ik weet niet, ieder ’n andere richting, hier in den +omtrek.”</p> + +<p>“Neem Bruno mee. Misschien weet die den weg.”</p> + +<p>“We zullen ’t Eduard voorstellen; dan moet hij iets van +’m ruiken, eerst, handschoenen of zoo... Maar ik weet niet, of +setters...”</p> + +<p>“We zijn ’m ’s ’s avonds langs de +Haarlemmertrekvaart tegengekomen;—hij liep alleen, en toen +kéék hij wel somber.”</p> + +<p>“Ja, ja, we zullen wezenlijk alle kanten uit zoeken;—kom +even mee!” en hij ging ’n apotheek in, bestelde +Hoffmandruppels: “Dat moet je innemen, zoodra je thuis bent, en +dan naar bed gaan; opblijven dient nergens toe.”</p> + +<p>Ze knikte onverschillig, praatte weer: “Op die picnic was hij +toch ook zoo vroolijk, zeg, wel onrustig opeens, toen ik vroeg, wat hij +wilde worden. Weet je nog wel, hoe hij toen doorsloeg, en hoe vreemd +z’n oogen stonden?”</p> + +<p>“Nee, ik heb er niets van gemerkt. Ga nu in godsnaam niet +fantazeeren. Je slaat ’n mal figuur, als hij morgen weer terug +komt.”</p> + +<p>“O, dus je denkt toch ook....” <span class="pagenum">[<a +id="pb209" href="#pb209">209</a>]</span></p> + +<p>“Ik weet niet. Ga naar bed. Er is niets van te zeggen. Is de +winkel nog open? Zoo. Dag Go. Morgen hoor-je verder.”</p> + +<p>Ze stak maar geen licht aan, en ging stil op de sofa in den hoek +zitten. Het fleschje stond naast haar, en ze besloot te wachten, tot de +jongens terug waren van hun onderzoekingstocht. Slapen kon ze nu toch +niet en als ze in bed lag, zou ze telkens denken, dat ze hun stemmen in +de straat hoorde en geen oogenblik rust hebben.</p> + +<p>Hans! Hansje! Het kòn toch niet. Dat lieve, fijne gezicht, en +die opgewekte klank in z’n stem, en z’n lachen. En +z’n hartelijke eenvoud! Hij kòn het niet hebben gedaan. +Maar natuurlijk zou hij wél een ongeluk gekregen kunnen hebben, +ergens buiten, waar niemand langs kwam, of in ’t water zijn +gevallen;—maar ’t hoefde toch heelemaal niet zoo iets ergs +te zijn; hij kon er gewoon weer eens uit zijn getrokken. Toch was +’t iets vreemds, die onrust, vooral bij iemand die zich altijd +zoo kalm voordeed. Eigenlijk was hij wel erg gesloten, ofschoon hij +niet den indruk maakte iets te verbergen. Er was altijd ’n sluier +van opgewekte gelijkmatigheid over z’n dieper leven +heen;—God, àls hij daaronder eens erg geleden had, en +geworsteld met zichzelf en nù ondergelegen. Er wàs iets +onder zijn woorden, achter z’n lach; dat lag soms éven in +z’n oogen, als ’n onrust; dat gleed soms over z’n +gezicht, als ’n schaduw. Als z’n heele leven eens +één strijd was geweest tegen ’n groeiende +melancholie, als hij ’s vergeefs overal had gezocht naar een +waarheid, die hem bevredigen kon.</p> + +<p>Ze begreep niet, dat ze dit alles niet vroeger had ingezien; het was +eigenlijk zoo duidelijk. Alle <span class="pagenum">[<a id="pb210" +href="#pb210">210</a>]</span>kleinigheden, die ze zich van z’n +leven herinnerde: z’n bleekheid op Eduard’s examen, toen +hij den zonsopgang had gezien: z’n uitgelatenheid en dán +weer z’n stil-zijn op de picnic, en ’t nooit éven +willen bekennen, dat hij triestig of ziek was, alles wees op ’n +verwoeden strijd met ’n donkere macht, die ondanks ’t +verzet sterker in hem werd.—En tòch:—het zou bijna +bovenmenschelijk zijn, als die levens-onwil zoo groot was geweest, dat +hij er nooit iemand over had gesproken, ja, juist degene geweest was, +die de anderen altijd opwekte en aanzette. Was het niet tè +romantisch te denken aan ’n zóó moedig volgehouden +comedie tot ’t einde toe;... maar de laatste weken had hij +niemand meer willen ontvangen. Wellicht was tóen z’n +kracht op geweest; hij had gezocht en gelezen, geen uitkomst meer +gezien...</p> + +<p>Go rilde. Ze maakte haar haar wat los, en leunde ’t kloppend +hoofd tegen den harden muur.</p> + +<p>Wat er toch niet allemaal in je omgaan moest, vóór je +zoo’n besluit nàm. En als ’t eenmaal vast-stond, hoe +vreemd ’t dan zijn zou te denken, bij elk banaal kleinigheidje, +dat je deedt: voor ’t laatst, voor ’t laatst.... Als je je +liet scheren,... als je ging eten.... En dan ’t afscheid van je +kamer, die je nooit meer zou zien; en ’t denken aan al de +menschen, die veel van je houden; en dan tòch gaan, en ergens, +waar ’t heel stil is, gaan zitten en je heele leven, àlles +nog ’s overzien—en dàn—</p> + +<p>Ze sprong op en liep de kamer op en neer: het kòn niet, het +kòn niet; ze mócht zoo niet denken. Ze wist immers nog +niets. De jongens waren niet terug;... misschien was hij wel naar <span +class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211">211</a>]</span>Amerika +gegaan;... de wereld was zoo groot; hij hàd de trek-lust, den +zwerversgeest.—-</p> + +<p>Ze werkte het idee verder uit, ofschoon ze het zelf niet geloofde. +Ze liep heen en weer en ging weer zitten, terwijl uur na uur langzaam +in wachten verging. Soms doezelde ze even in, steeds haar bewustzijn +bewarend, dan schrikte ze weer op, schoof de ramen open, en keek +gespannen door de nacht-onbeweeglijke straat. Alleen bij den bakker was +licht op, en eens kwam ’n troepje luid-pratende studenten +voorbij.</p> + +<p>Toen ’t dag begon te worden, maakte ze haar haar weer op, en +waschte haar wit gezicht en haar beverige handen. Het huis sliep nog, +maar bakkerskarren en melkwagens begonnen in de verte toch al te +rijden, en fabrieksmeiden trokken in risten naar haar werk, op trijpen +pantoffels, de handen onder de uitstaande schorten.</p> + +<p>Opeens hoorde ze stemmen onder haar raam. “Natuurlijk slaapt +ze nog.”</p> + +<p>“Nee, haar raam staat open.”</p> + +<p><a id="xd0e3501"></a>Ze gleed de trap af, strompelde den winkel +door, waar de japonnen en jassen spokig achter de neergelaten gordijnen +huigen. Gerard en Beerenstijn kwamen zwijgend binnen; instinctmatig +deed ze de deur weer op het nachtslot, klom ze toen na, naar de kamer. +Beerenstijn schonk haar ’n glas water in, maar ze weerde ’m +af: “Is-tie gevonden?”</p> + +<p>“Ja, bij Leiderdorp,” zei Gerard zacht.</p> + +<p>“Verdronken?”</p> + +<p>“Nee, ’n schot.”</p> + +<p>’t Was, of ze onder water zakte, haar ooren liepen vol; +Beerenstijn zei iets, dat ze niet verstond, en de kamer was in ’n +nevel. Toen hoorde <span class="pagenum">[<a id="pb212" href= +"#pb212">212</a>]</span>ze z’n stem, steeds duidelijker, vlak aan +haar oor:</p> + +<p>“Niet flauw vallen. Niet flauw vallen. Hier, drink +eens.” Hij zette het glas tusschen haar klapperende tanden.</p> + +<p>“Het is niets,” zei ze, terwijl ze op de canapé +ging zitten. “Is ’t zeker?”</p> + +<p>“Ja, er is ’n groot couvert in z’n zak gevonden +aan mij geadresseerd.”</p> + +<p>“O; wié heeft ’m gevonden?” Ze verbaasde +zich over haar helderheid opeens.</p> + +<p>“Ik weet niet; er is getelefoneerd aan het politiebureau. We +gaan straks nog ’s hooren.”</p> + +<p>Beerenstijn had in een hoek van de kamer iets in ’n glas water +gemengd. “Dit moet je eerst opdrinken,” zei hij, +zacht-beslist, “en dan naar bed gaan.”</p> + +<p>“Weten de anderen ’t al?” vroeg ze, zonder +belangstelling.</p> + +<p>“Nee, daar gaan we nu heen. Zul-je nu naar bed gaan? Er is +niets meer, waarop je hoeft te wachten.”</p> + +<p>“Nee, dat is waar,” zei ze slap, de deur openend.</p> + +<p>Op ’t portaal stond de juffrouw, de oogen wijd van verbazing; +maar ’t drong niet tot Go door. Ze gaf Otto en Gerard machinaal +’n hand.</p> + +<p>“Ga nu dadelijk naar je slaapkamer,” beval Beerenstijn, +en ze knikte, wankelde weg, dof, gevoelloos; terwijl ze de jongens +zacht de trap af hoorde gaan.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ze kwamen ’s middags,—een, twee +tegelijk,—langzamerhand allemaal naar haar kamer toe. Eerst Lou +en Coba, die ’t op college hadden gehoord, bleek, geschrikt, met +behuilde oogen. Toen Hoefman en Lize, en De Veer, en Rolands; <span +class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213">213</a>]</span>Frieda +’t laatst, die zich kalm hield, ofschoon ze er afgetobd en +gebroken uitzag. Han en Beerenstijn waren naar Den Haag, om ’t +aan z’n vader te gaan zeggen, “beroerde +geschiedenis,” bromde De Veer, “ze lagen zoo’n beetje +overhoop met elkaar,” en Eduard was met Gerard naar den +burgemeester van Leiderdorp om de brieven af te halen, en de begrafenis +te regelen.</p> + +<p>Ze zaten stil om de tafel, als ’n troep bedroefde kinderen; +praten deden ze bijna niet; ze hadden alleen maar behoefte allemaal bij +elkaar te zijn. Go had getracht thee te zetten, had gerommeld in de +kast, alles omver gehaald. Maar opeens viel ze neer met ’n snik; +ze kòn niet; ze kòn haar hoofd niet bij elkaar houden om +’t klaar te krijgen; en ze was blijven liggen, met haar gezicht +tegen ’t gordijn, uitgeput, verslagen.... Ze begreep ’t nog +niet; ze had nooit iemand verloren, die ze goed kende; ze had geen +idee<a id="xd0e3543"></a> wat het: <span class="corr" id="xd0e3545" +title="Niet in bron">“</span>nooit weer<span class="corr" id= +"xd0e3548" title="Bron: ,">”</span> eigenlijk beteekende. Ze +betrapte er zich op, dat ze telkens even dacht: waar blijft Hans? of +z’n stem meende te hooren in den winkel beneden; hij ontbrak +immers nóóit op ’n vergadering....</p> + +<p>Rolands zat op de canapé, ineengedoken als ’n klein, +ziek poesje; z’n triestig gezichtje drukte angstige verbazing en +schrik uit, en hij schudde telkens z’n hoofd, zuchtend: +“Hans Elders—De beste van ons allemaal. De flinkste. De +sterkste.” En dan opeens als ’n besluit: “Maar als +die niet eens kon blijven leven, hoe moeten wij ’t dan uithouden, +die zooveel minder zijn?”</p> + +<p>“Frits,” zei Coba met nadruk, “het is dwaasheid, +wat je zegt.” Maar Frieda keek ’m aan met ongewone +zachtheid in haar donkere oogen, <span class="pagenum">[<a id="pb214" +href="#pb214">214</a>]</span>en zei: “Dat we beneden Hans staan, +zullen we wel allemaal moeten bekennen... Z’n leven is voor ons +een voorbeeld geweest. Maar al hebben we niet ’t recht hard te +zijn: z’n dood was zeker ’n misslag. Daarom zou ’t +wel heel verkeerd zijn, als wij, die ’m in ’t goede niet +navolgden, het hierin juist wèl wilden doen... Laten we liever +hopen, Rolands, dat we nog ’n heeleboel tijd overhouden om ons +zelf beter te maken.”</p> + +<p>“Ik ben daarvoor niet op den goeden weg,” klaagde +’t bruintje weemoedig.</p> + +<p>“Laat dit dan ’n keerpunt in je leven zijn.”</p> + +<p>De Veer trok zich zuchtend recht op z’n stoel. Hij had +’n gezonden afkeer van alle verdriet, en wist ook bijna altijd de +narigheid van zich af te zetten. Maar dit, dit diep-ellendige vlak +náást z’n eigen zonnig-onbezorgde leven, had hem +’n geduchten schok gegeven, ’n vreemd gevoel van ijdelheid +en vergankelijkheid, van veel schijn en geveinsheid bij alles, wat hem +zoo heerlijk leek, en noch de dikke poes van de juffrouw, die +binnengeslopen was, noch ’t komische kindergebler van beneden kon +z’n sombere stemming breken.</p> + +<p>Om vier uur kwamen Han en Beerenstijn. Ze gingen tusschen de anderen +zitten, praatten met doffe stemmen over “de oude heer, die er zoo +kapot over was geweest, dat die twist niet bijgelegd +was.”—</p> + +<p>“Zijn Leeden en Neerwinden er nog niet met de +brieven?”</p> + +<p>“Nee.”</p> + +<p>“Er zal wel wat voor hém bij zijn. Hans zal ’t +wel goed gemaakt hebben natuurlijk.”</p> + +<p>“Wist-ie niets?” vroeg Go, en begon weer te snikken, als +ze zich den ouden man voorstelde, <span class="pagenum">[<a id="pb215" +href="#pb215">215</a>]</span>alleen in z’n huis, die opeens +hoort: “uw zoon... dood.” Ze klemde krampachtig de handen +voor haar gezicht.</p> + +<p>Lou gaf haar wat water, huilde zelf kinder-hard mee, terwijl ze +fluisterde: “Stil nou, Gootje, je maakt je ziek.... toe, huil nou +niet,” en toen zelf doorsnikte, het hoofd op haar schouder.</p> + +<p>“Jullie moeten niet alleen blijven, kom allemaal vanavond bij +mij,” vroeg Han, “dan weten we, wat in de brieven +staat.” En toen tegen Go: “Ik heb ’t Else +geschreven;... wat zal ze schrikken; ze hield zoo van Hans.”</p> + +<p>“Dat deed iedereen,” zuchtte De Veer, overtuigd.</p> + +<hr class="tb"> +<p>’s Avonds waren ze weer samen: Gerard en Eduard, moe en +nerveus, praatten eerst over zaken met Han en Beerenstijn, scharrelend +met papieren en verklaringen. Toen kwam Otto naar Go om te vragen, of +ze geslapen had;—en ze spraken er kalm-treurig over, hoe alles +geregeld zou worden voor de begrafenis.</p> + +<p>“Als z’n vader er niet tegen is, wilden we ’m naar +Warmond laten brengen; hij hield zoo van dat vriendelijke, begroeide +kerkhof.”</p> + +<p>“Wàs er ’n brief aan z’n vader?”</p> + +<p>“Ja, we hebben ’m vanmiddag nog gebracht. Hij was er zoo +blij mee.”</p> + +<p>Eduard zat naast Go; hij leunde z’n bleek hoofd op z’n +handen, de oogen gesloten, en om z’n mond trokken lange, +moeë strepen neer.</p> + +<p>“Was-tie dadelijk....”, vroeg ze zacht aan Gerard, +“of zou hij nog pijn hebben gehad?”</p> + +<p>“Hij had direct getroffen, zeiden ze.... denkelijk vannacht om +één uur.” <span class="pagenum">[<a id="pb216" +href="#pb216">216</a>]</span></p> + +<p>“O, dus gisteravond nog... Als we toèn....”</p> + +<p>“Zoo moet je niet praten,” zei Beerenstijn, +medisch-beslist, “’n mensch is altijd geneigd allerlei +bijkomstigheden de schuld te geven: àls we ons maar meer met +’m hadden bemoeid, àls we ’m maar minder alleen +hadden gelaten, àls we er maar eerder werk van hadden gemaakt. +Dat is onzin. ’t Is ’n ziekte. Als we ’m er nú +van terug hadden gehouden, zou hij ’t de volgende gelegenheid +hebben gedaan. Misschien met ’n halfjaar voortdurende observatie +was hij er over heen gekomen; maar tòch: dat verlangen naar den +dood,.... zonder dat er reden voor is.... Hij hàd geen enkele +reden—-”</p> + +<p>Ze bleven stil zitten luisteren, en levendiger praatte hij door, +verdiept in z’n lievelingsstudie:</p> + +<p>“Een van de treffendste voorbeelden, dat ’t +doodsverlangen bepaald ’n soort waanzin, ’n idée +fixe is, is ’n werkman, getrouwd, met kinderen, niet ongelukkig, +alleen heel nerveus, die opeens op ’n middag zich den hals +afsnijdt.... Enfin, ’t mes weigerde halfweg; hij wordt opgenomen, +met de uiterste zorg verpleegd, en wezenlijk: hij geneest.... Vrouw en +kinderen komen ’m verheugd van ’t ziekenhuis halen; hij +gaat mee naar huis, ’s avonds is hij niet te vinden, en na lang +zoeken, vinden ze ’m op den zolder aan ’n balk bengelen.... +opgehangen.”</p> + +<p>De Veer knikte, dat hij ’t ook wist; maar Go barstte in +’n zenuwachtig lachen uit: “Och Otto, ’t is niet +waar. Praat toch niet zulken onzin.... ’t Is zoo idioot, als die +menschen al hun zorg hebben besteed, maanden lang, om ’m beter te +maken, en als hij dan....”</p> + +<p>“Toch is ’t waar,” besliste Beerenstijn, “en +dit <span class="pagenum">[<a id="pb217" href= +"#pb217">217</a>]</span>is de eenige oplossing van zooveel duistere +gevallen....”</p> + +<p>“Maar Hans beschouwde ’t toch zelf niet als ’n +ziekte-geval.”</p> + +<p>“Nee; natuurlijk niet,” en Eduard gaf Go z’n +afscheidsbriefje; hij las over haar schouder mee. “Is ’t +niet heelemaal Hans,” zei hij zacht, “dat ons zelf nog over +z’n dood willen troosten: “Jullie moet niet denken, dat de +laatste uren, als het besluit vast staat, zoo pijnlijk zijn. Wel de +onzekerheid vooruit, als je niet leven kunt, en nog niet wilt sterven. +Maar als je tot klaarheid bent gekomen, als ’t besloten is, <span +class="letterspaced">dan is ’t net, of je er al niet meer +bent</span>.”</p> + +<p>En dan dit: “Je begrijpt, dat ik door deze daad geen uitspraak +over het leven doe, waarvan ik zoo weinig heb kunnen begrijpen. Ik toon +hier alleen mee aan, dat mijn leven hier geen plaats, geen bevrediging +vinden kon. Daarom is ’t beter zoo. Waarom zou er +één mee-eten, en mee-ademen en mee-streven in deze +overvolle wereld, als hijzelf niet dankbaar om z’n bestaan kan +zijn, en anderen ’t brood ontneemt?””</p> + +<p>“’t Is zoo logisch, hè,” peinsde Eduard, +“maar er móet toch iets mankeeren aan ’n levensleer, +die tot zelfvernietiging leidt. Wàt ’t hier is, weet ik +niet: Hans stond moreel hoog, was ernstig, ijverig...”</p> + +<p>“Hij was de beste van ons allemaal,” zuchtte Rolands, en +hij huilde, stil en nederig. Lou gaf ’m eau-de-cologne, en Coba, +die van mevrouw ’n groote flesch eau-des-Carmes had meegekregen, +bereidde voor ieder ’n glaasje van ’t melkige vocht, +“toe, heusch, dan slapen we vannacht tenminste.” <span +class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218">218</a>]</span></p> + +<p>Het licht suisde. Ze zaten heelemaal stil. Eduard had verteld, dat +hij ’m nog gezien had: nu schemerde voor hun oogen z’n +lieve gezicht, verstijfd, de oogen dicht, den mond strak, en de wond +bij de slapen.</p> + +<p>Ze zaten bang te zwijgen in de groote kamer, en voelden den angst +voor den nacht, als hij daar liggen zou, alleen in ’t donker.</p> + +<p>Toen keek Go langzaam de rij langs; en dacht aan de picnic, aan den +avond, toen ze gezongen hadden, één van ziel, op het +balkon. Else was naar Parijs gegaan,—Hans... wie nu? Wie zou nu +’t eerste uit hun midden weggaan? Ze zóuden gaan, de een +na den ander, naar verschillende steden, naar vreemde landen, in +allerlei betrekkingen, hooge en lage;—alleen de studietijd bracht +zóó verschillende menschen bij elkaar.</p> + +<p>Er zou ’n tijd komen, dat ze elkaar nauwelijks meer kenden; +zij, eens één in vreugde; en nu vereend in ’n +groote droefenis. <span class="pagenum">[<a id="pb219" href= +"#pb219">219</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e3635" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XVII.</h2> + +<p>De eerstvolgende dagen was Go bijna nooit thuis; dadelijk na college +en ’s avonds weer ging ze met Frieda Gerard, Han en Beerenstijn +helpen, die Hans’ vader beloofd hadden, alles te zullen regelen +en in orde brengen. Er was ’n huiselijk testamentje gevonden, dat +ze met toewijding uitvoerden; kleeren en boeken moesten in groote +kisten worden verpakt, rekeningen gesorteerd en aangezuiverd, brieven +en dagboeken verbrand;—ze werkten te zamen uur na uur op de +stille kamer, waar iets kils bleef hangen, ondanks de lustige zon; soms +even onderbroken door iemand, die kamers zocht en boven kwam, +aangetrokken door ’t houten bordje, dat tegen ’t raamkozijn +kletterde. “Cubicula locanda;” het klonk zoo koud; of de +vorige bewoner ruzie met de juffrouw heeft gehad, of gepromoveerd is of +gesjeesd, of om geldverlies z’n studie heeft moeten staken, of +zelf ’n einde aan alles maakte—“cubicula +locanda”; het bleef ’t zelfde. En telkens, als Go weer aan +kwam met, bijna onbewust, de hoop, dat hij er wel zou zijn, dan zag ze +weer dat bordje, dat alle verwachting versloeg, en in de zon blikkerde +als ’n emblema <span class="pagenum">[<a id="pb220" href= +"#pb220">220</a>]</span>van de snelle wisselvalligheid, èn de +onaantastbare gelijkmatigheid van het leven.</p> + +<p>Ze overlegden nu alles met elkaar, en de zorg voor de nalatenschap +scheen ’t werk van “het dispuut” te zijn; telkens +kwamen De Veer en Rolands, Beerenstijn of Hoefman met ’n +rekening, ’n brief: wat Go er van dacht; en door de +noodzakelijkheid van eenvoudig-practischen ernst groeide hun +vriendschap in de kil-droeve dagen tot een wezenlijk, steungevend, +bemoedigend gevoel.</p> + +<p>Zoo kwam ook Gerard ’n avond met ’n pakje +lidmaatschap-kaarten, om te bespreken, of ze afgeschreven moesten +worden, of door den dood vanzelf vervielen, toen hij Go wild snikkend +met haar hoofd op de schrijftafel vond, de handen in wanhoop door haar +haren woelend.</p> + +<p>“Maar Go, kindje; wat is er gebeurd?” begon hij +verschrikt, maar toen ze z’n stem hoorde, ging er opeens ’n +schok door haar heen, en ’t betraand gezicht opheffend fluisterde +ze nerveus: “Ga weg, Gerard; hoe kom-je hierbinnen? Hield ze je +niet tegen? Heb-je ’n scène gemaakt?”</p> + +<p>“Wie? Ik heb niemand gesproken.” En z’n oogen +staarden verbaasd haar aan.</p> + +<p>“De juffrouw—ze zegt—o, Gé, ze +zegt...” Nu begon ze weer opnieuw en erger te huilen, telkens +tusschen twee snikken door hijgend: “Ga weg.... ga weg.... ze wil +’t niet hebben.”</p> + +<p>Hij schonk haar een glas water in, en ging op den rand van de tafel +zitten; hij dácht er niet over heen te gaan, vóór +ze wat kalmer zijn zou, en z’n afgebroken stem dwingend tot +rustig spreken, begon hij:</p> + +<p>“Je hebt dus herrie met de juffrouw gehad. Maar is dát +nu een reden om zóó te huilen? Is ’t heele <span +class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221">221</a>]</span>mensch wel +één traan van jou waard? Als je me nu maar ’s wou +vertellen, kalm en verstandig, wat er eigenlijk is, dan zouden we +kunnen overleggen, hoe ’t in orde te brengen.... Maar als je +zóó blijft, word-je ziek en ellendig en kan ik onmogelijk +iets voor je doen.”</p> + +<p>“Maar je moet dadelijk weg.... Ze zegt juist, dat heeren.... +dat ’t geen pas heeft, als ’n méisje +hééren op ’r kamer ontvangt.... Eerst was jij +alleen gekomen, en toen had ze niets willen zeggen.... het kon.... het +had....”—en even trok ’n glimlach over haar trillende +lippen—“het had ’n fatsoenlijk engagement kunnen +zijn, ofschoon ik geen ring droeg,—maar nu telkens andere,.... +ieder oogenblik ’n ander....”</p> + +<p>“Vervl...,” viel hij uit; “heeft ze dat durven +zeggen?”</p> + +<p>“Ze zei, dat het ’r goeien naam kwaad dee. En ze had +zélf groote dochters... En de heeren mochten vroeger ook nooit +dames op hun kamer ontvangen; als je ’n heer had, ontving-je +heeren, als je ’n dame had dames.”</p> + +<p>“En wat antwoordde jij, Go?”</p> + +<p>“Ik weet niet; het kwam zoo vreeselijk opeens. Ik probeerde +’r eerst uit te leggen, dat ’t m’n collega’s +waren, en dat onze verhouding anders is dan van gewone jongens en +meisjes.—Maar ze keek me zoo raar, zoo verdenkend aan, en zei +weer iets over ’t fatsoen van haar dochter, en toen kón ik +opeens niet meer; tegen zoo’n mensch, over zoo iets...”</p> + +<p>“Nee, natuurlijk. Laat mij maar ’s...”</p> + +<p>“Nee, Gé, nee, als je blieft niet... Dan wordt ’t +immers nog veel erger...”</p> + +<p>“En wat wou-je nou doen?” <span class="pagenum">[<a id= +"pb222" href="#pb222">222</a>]</span></p> + +<p>“’k Heb gezegd, dat ’k zoo gauw mogelijk van +’n andere kamer werk zou maken.”</p> + +<p>“Goddank; dus je hebt toch niet toegegeven, ’t Is... +’t is... zoo’n mensch tegen joù, tegen joù... +zóó iets...”</p> + +<p>“Ja maar,” zei Go, kalmer door zijn opwinding, “we +moeten ook niet onredelijk zijn. Ik kan er eigenlijk best in komen, dat +ze zoo praat. Wat weet ze van de verhouding onder ons, studenten, af? +Hoe kan ze ons samen-zijn zich anders voorstellen dan ’n +jongelui’s partijtje in háár jeugd? Bovendien +zouden voor vijf-en-twintig jaar àlle menschen ’t met haar +eens geweest zijn...”</p> + +<p>“Voor vijf-en-twintig jaar, jà. Maar ’t +veranderen van de publieke opinie is geen toeval; die volgt de +omstandigheden, en daarom...”</p> + +<p>“Toe, je verwacht van háár toch geen +redelijkheid!... En ik ben hier pas zoo kort; en juist in ’t +begin, door den dood van Hans, zijn er zulke vreemde dingen gebeurd: +Otto en jij dien ochtend vroeg... en ’s middags de heele club... +en later telkens weer iemand om iets te vragen... telkens ’n +ànder, zooals zij zegt...”</p> + +<p>“Praat er maar niet meer over. Ik kán dit niet +filozofisch opvatten... Ik vind ’t min, láág, +afschuwelijk.—Enfin; wat doe-je nou? Weet je ’n +kamer?”</p> + +<p>“Nee, ’k moet toch ook eerst naar huis +schrijven.”</p> + +<p>“Ja, natuurlijk. Doe dat dan nu dadelijk. Dan breng ik den +brief naar ’t postkantoor... Het was eigenlijk beter, als je naar +huis ging, tot je iets anders hadt. ’t Zal je zoo irriteeren, als +je hier moet blijven, en ’k heb de kamer altijd beroerd +gevonden.”</p> + +<p>“Och, ’k zal ’t maar niet al te erg maken voor +<span class="pagenum">[<a id="pb223" href= +"#pb223">223</a>]</span>moeder. Die vindt ’t zoo vreeselijk, als +iemand iets slechts van ons denkt.”</p> + +<p>“Maar de ploerterij...”</p> + +<p>“Nou, ja, die scherpe afscheiding bestaat bij ons niet. Moeder +vertrouwt me natuurlijk, maar ze is wel ’s bang, dat ’k +onvoorzichtig ben.”</p> + +<p>Gerard knikte: “Kwam Van Neerwinden veel bij je?”</p> + +<p>“Nee; hij is zoowat de eenige, die nooit op deze kamer geweest +is.”</p> + +<p>“Zoo... Weet je wat, je moest ook even aan Frieda <span class= +"corr" id="xd0e3705" title="Bron: schijven">schrijven</span>;—die +wéét misschien wel ’n kamer. Ik ga dan zelf met +’t briefje naar haar toe.”</p> + +<p>“O, wat ben ik toch blij, dat jij gekomen bent. Ik was zoo +wanhopig,—alleen tusschen al die vijandige menschen.”</p> + +<p>“En je wou me nog al dadelijk wegsturen... Nou, schrijf +maar.”</p> + +<p>Bij den brief aan moeder kwamen de tranen toch weer. Wat zou-die wel +zeggen? Ze hadden nooit aan die mogelijkheid gedacht;.... de kamer, die +je huurde, was toch je eigen,—maar natuurlijk, ’t was +’t huis van de juffrouw.—Hád ze schuld? Moesje had +gezegd: “Maak nooit misbruik van je vrijheid,” maar ze had +de jongens toch niet in den winkel kunnen ontvangen, vooral niet in die +omstandigheden...</p> + +<p>Gerard hoorde haar de snikken in haar zakdoek smoren: “Ben-je +bijna klaar?” riep hij uit den hoek van de kamer, waar hij water +kookte voor thee.</p> + +<p>“Ja, dadelijk.” En vlugger pende ze het briefje aan +Frieda.</p> + +<p>“Nu heb ik alles in je kast kunnen vinden, zelfs het zeefje en +’n zakje biscuits, behalve de <span class="pagenum">[<a id= +"pb224" href="#pb224">224</a>]</span>thee zelf,” klaagde hij +hulpeloos; “ik zou je zoo graag met ’n kopje verrast +hebben, en ’t water kookt “als ’n see”, zou +mijn juffrouw zeggen.”</p> + +<p>“O, Gé, hoe lief van je. Wat zou ik toch beginnen +zonder jou!”</p> + +<p>“Kon ik maar wat meer voor je doen. Nu moet ’k je weer +alleen laten. Beloof me, dat je je best zult doen niet bedroefd te +zijn.”</p> + +<p>“Nee, nee,” zei ze, maar haar lippen trilden.</p> + +<p>En hij keek haar aan, met ’n oneindig zacht medelijden in +z’n eerlijke open oogen, en eenvoudig-weg, of ’t +zóó in z’n hart opkwam, zei hij:</p> + +<div class="poem"> +<p class="line">“Ik wilde, ik kon u iets geven</p> + +<p class="line">Tot troost diep in uw leven;</p> + +<p class="line">Maar ik heb woorden alleen,</p> + +<p class="line">Daden en dingen geen...”</p> +</div> + +<p>Toen nam hij de brieven, die op de tafel lagen en met ’n +bemoedigend knikje, ernstig en opgewekt, ging hij de deur uit, +wegstommelend langs de ongelijke trap.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Den volgenden morgen, toen Go na ’n onrustigen nacht, want ze +hóórde de vijandigheid uit alle geluiden om zich heen, de +ontbijtkamer binnenkwam, vond ze naast haar bord ’n groote bos +witte seringen en donkerroode anjers; de heele muffe kamer was vol +lentegeur, en achter op z’n kaartje had Gerard geschreven: +“Goeienmorgen Go. Vanmiddag komt Frieda bij je, en brengt +’n prettige boodschap mee.”</p> + +<p>Ze drukte haar hoofd dieper in de bloemen, dankbaar, zalig; opeens +niet bang en niet eenzaam meer. <span class="pagenum">[<a id="pb225" +href="#pb225">225</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e3748" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XVIII.</h2> + +<p>Drie dagen later was Go bij Frieda en Mary Bruining ingekwartierd. +Voorloopig kreeg ze alleen maar ’n zit-slaapkamer, omdat er nog +iets verbouwd moest worden, vóór de meisjes met hun +drieën de heele verdieping konden betrekken, maar Gerard had er +zoo op aangedrongen, dat Go dadelijk verhuizen zou, dat Mary en Frieda +beide hadden gezegd, dat ze zoo vaak in haar kamer kon komen zitten, +als ze wilde, en als ’n droom zoo vlug was alles gegaan: Frieda +had haar dien middag dadelijk meegenomen om bij haar te eten; den +volgenden dag hadden zij tweeën en Lou en Coba alles gepakt en de +breekbare waar zelf overgedragen, en nog geen vier maanden, nadat +’t binnengedragen was, was haar heele huishouden weer uit de +donkere straat weggereden naar de lichte Jan-van-Goyenkade, met +’t wijde uitzicht over water en land, en de vroolijkheid van +meisjes-huishoudentjes in de zonnige huizen.</p> + +<p>Gerard was in de wolken, dat ze nu zoo prachtig onder dak was +gebracht, niet langer alleen—“het wàs geen kind om +alleen te laten,” maar met <span class="pagenum">[<a id="pb226" +href="#pb226">226</a>]</span>twee aardige, verstandige meisjes, die +voor haar zorgen zouden en lief voor haar zijn. Ook haar moeder had +enthousiast over de gunstige verandering geschreven en gesproken. +“Ik begrijp wel, kindje, dat je, zoo heel alleen, behóefte +hadt aan gezelligheid, zoowel van vrienden als van vriendinnen. Maar ik +ben toch wel bang, dat de bezoeken wat erg druk zijn geloopen den +laatsten tijd. Dat zal nu heelemaal anders worden; jullie maaltijden +met je drieën geven veel meer de gezelligheid van een huishouden. +Je kunt met je drieën bezoeken ontvangen...”</p> + +<p>Iedereen was tevreden en voldaan over de schikking, maar Go, nadat +de eerste roes van nieuwigheid voorbij was, nu ze als gewoon huisgenoot +was opgenomen, ze voelde ’t wel: voldaan was zíj niet. Ze +zat voor Frieda’s schrijftafel en staarde over het kale, wijde +land, en, de ellebogen op haar boeken, redeneerde ze met zichzelf: +“Het kwam dus niet door de kamer, en niet door de eenzaamheid, +dat onrustige, onbevredigde gevoel. Het komt uit m’n eigen hart, +en daarom kan niemand er iets aan verhelpen... Want deze kamers zijn +licht, en aan elken maaltijd en ’s avonds ook, zijn Mary en +Frieda er, met hun hartelijke gezichten en opgewekte gesprekken, en ik +zit er zwijgend bij, en voel, dat ’t me niet schelen kan. En als +Gerard vraagt, hoe deze levenswijze me nu bevalt, dan kan ik lange +verhalen van lof houden; maar ik wéét ’t alleen met +m’n verstand. In mijn hart voel ik ’t anders. Dit +samenwonen is uitstekend, en ’t moest veel meer door jongens +worden gedaan; ik zou wel willen, dat Gerard en Han en Eduard ergens +met hun drieën gingen wonen. Dat zou voor Eddy zooveel beter zijn, +<span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227">227</a>]</span>dan +zou hij misschien wel weer anders worden... en dan zou ik ook weer +kunnen voelen, dat ’t leven prettig is.”</p> + +<p>Ze legde haar handen nu voor haar oogen om aan z’n laatste +bezoek te denken; hij was op de vergadering zoo koel tegen haar +geweest, zoo anders dan de anderen, die nog onder den indruk van Hans +waren. Hij had alleen even met ’n naren lach gezegd: “Voor +menschen, die pessimist praten, hoef-je niet bang te zijn; juist de +opgewekten maken er opeens ’n einde aan,” en uit ’n +paar losse woorden van Rolands had ze gemerkt, dat er weer druk gefuifd +werd in hun clubje. Bij ’t weggaan had ze toen gevraagd, of hij +’s op haar nieuwe kamer kwam, en toen hij ontwijken wilde, er +beslist op aangedrongen, omdat ze ’m noodig spreken moest.</p> + +<p>Zoo was hij ’n avond in Frieda’s kamer ontvangen, maar +er was geen stemming, geen harmonie geweest. Go had gemerkt, dat Mary +en Frieda geen van beide vóór z’n bezoek waren, ze +had zich onzeker en gegêneerd gevoeld, en hij had niets gedaan om +’r tot kalmte te brengen: hij was heen en weer blijven loopen, +had de fotografieën en beeldjes bekeken, en steeds over allerlei +onverschillige dingen gepraat.</p> + +<p>Na ’n kwartier had hij al weer weg gewild. Ze kon ’m +niet laten gaan; ze moest toch zeggen, dat ze ’t zoo akelig +vond...</p> + +<p>“Waar ga-je heen?”</p> + +<p>Hij moest naar de kroeg, afgesproken met vrienden...</p> + +<p>“Waaróm nou? Ik heb je al zoo lang niet +gezien.”</p> + +<p>Ja, maar ze zouën spelen, kaarten... <span class="pagenum">[<a +id="pb228" href="#pb228">228</a>]</span></p> + +<p>“Hè nee, Eddy, doe ’t niet.”</p> + +<p>Er had in z’n oogen dat ongeduld gebrand, dat haar altijd even +bang maakte: “Natuurlijk zal ik gaan.”</p> + +<p>“Ja maar, ’t is zoo verkeerd; jullie spelen om +geld.”</p> + +<p>“Ik hoop zelfs veel te winnen; daarom ga ’k eigenlijk. +’n Lastige beer.”</p> + +<p>“Je kunt toch onmogelijk zoo heel veel winnen op ’n +avond.”</p> + +<p>“Twintig, vijf-en-twintig gulden is ook al genoeg. ’k +Moet ’t hebben.”</p> + +<p>“Dus dáárom alleen?” En ze was naar de +kast gegaan, en, smeekend, dat hij niét boos zou worden... +’t was wezenlijk beter.... had ze ’m het bankbiljet van +vijf-en-twintig gegeven, terwijl hij weifelde, ontroerd keek.</p> + +<p>“Ik schaam me, Go,” had hij alleen gezegd, en toen was +hij gauw weggegaan, en ze had ’m niet weerhouden, omdat ze +voelde, hoe pijnlijk ’t voor beide zijn zou, nog samen te +blijven.</p> + +<p>Den volgenden middag had ze geen vleesch gewild aan de koffie. Of ze +vegetariër werd?—Nee, ’t was zuinigheid; haar +maandgeld was op....</p> + +<p>Mary had haar even doordringend aangekeken, toen luchtig gezegd: +“Mooi zoo! Enfin, Frieda en ik hébben nog ’t onze. +Eet dus gewoon mee; zoo sterk ben-je niet.”</p> + +<p>En daarna had ze niets meer van ’m gehoord of gezien. Zelfs +niet op de laatste vergadering van L. V<span class="corr" id="xd0e3798" +title="Niet in bron">.</span>; Rolands had zoo iets gepreveld, van dat +hij uit moest, maar Gerard had er dadelijk over heen gepraat, en hij +was beboet “wegens niet verschijnen ter vergadering, zonder +hiervan <span class="pagenum">[<a id="pb229" href= +"#pb229">229</a>]</span>vooruit schriftelijk kennis te geven,” en +“wegens niet inleveren van z’n verplichte +werkzaamheid.”</p> + +<p>’n Vergadering zonder hém had geen doel, en ’t +had Go toegeschenen, of ze allemaal maar hadden zitten praten, om met +hun woorden de leegte te bedekken, en eigenlijk leek haar heele leven +haar tegenwoordig zoo, vooral als ze ’n middag alleen zat in de +kamer, met haar boeken. Wat moest dat allemaal nu eigenlijk? Wat had +het met haar geluk of ’t heil van de menschheid te maken, of ze +al wist, hoeveel uitgaven er van Maerlants strofische gedichten +bestonden, of wat voor invloed de eerste en tweede klankverschuiving +hadden gehad? En nu kon-je zeggen: dat had-je nu eenmaal in iedere +studie, of je rechten nam, of medicijnen, of scheikunde: altijd moest +je eerst ’n massa concrete kennis vergaderen, waar je ’t +nut niet zoo dadelijk van inzag. Maar dat was ’t hier niet +alleen; als ze dóór dacht over later, wat er zou +gebeuren, als ze dit nu allemaal wist, als ze haar candidaats en haar +doctoraal had gedaan, en dan ook nog ’n boek, ’n +dissertatie, had geschreven,—dan sloeg haar eerst recht de schrik +om ’t hart. Dan zou ze de hier vergaderde wijsheid gaan +onderwijzen op ’n burgerschool of ’n gymnasium, of op +’n bibliotheek als archivaris studeeren in perkamenten, dag in +dag uit, òf aan “het woordenboek” ’n baantje +krijgen, bij gratie, en de rijkste jaren van haar leven besteden b.v. +aan de letter <i>p</i>. En nóóit, nóóit zou +ze, als de studenten van andere vakken, in ’t werkelijke leven +kunnen ingrijpen en nuttig worden; nooit zou ze direct met +“menschen,” menschenléven, te maken hebben, zooals +’n dokter, ’n advocaat. Zelfs nooit haar hánden +kunnen gebruiken, zooals <span class="pagenum">[<a id="pb230" href= +"#pb230">230</a>]</span>Mary, die kookte en knoeide op ’t +laboratorium, die zoo heerlijk moe kon zijn, nadat ze ’n middag +gestaan had. Voor haar waren er niets dan boeken, die naar andere +boeken verwezen, en altijd weer boeken, waar niets achter was, en niet +kòn wezen. ’t Was immers zuivere wetenschap, alleen +òm de wetenschap, zooals: l’art pour l’art. Dat had +ze eerst juist zoo mooi, zoo groot gevonden, voor gedachten te leven, +in ideeën; maar nu, nu ze lange uren er zich aan begon te geven, +m’n God, nú voelde ze, dat ze jong was en krachtig, dat +haar lichaam niet wilde vegeteeren, dat haar spieren trokken van +ongeduld bij al dat stil zitten studeeren; en dat ze benijdde, o, +benijdde met hart en ziel, de bedrijvige wereld, beneden op straat, de +meisjes, die kleeden klopten in de zon, met flink beweeg van de stevige +armen; de jongens, die zware schuiten voortboomden, met groente, met +turf; iedereen, die z’n lijf inspannen kon, z’n kracht +uiten.</p> + +<p>“Het Comburgsche HS; het Zutfensch-Groningsche HS, het HS der +Pelgrimage van der mensceliker creaturen, de Heidelbergsche +fragmenten....” Ze zette zich opeens op, en ’t bloed vloog +naar haar hoofd: ’t was om dól van te worden, zoo’n +heele middag zitten, terwijl vlak voor de deur ’n schuit met +steenen werd afgeladen, en al die menschen zich bukten, en sjouwden en +zwoegden in den frisschen winterdag, met de kou tegen hun warme lijven. +Ze móest ook iets doen. En met ’n ruk sjorde ze de ramen +open, begon de kussens van Frieda’s canapé uit te slaan op +de vensterbank, ofschoon ze wist, dat dat eigenlijk overbodig werk was, +want ze had tegenwoordig zoo dikwijls ’n bui, dat ze opeens iets +móest doen, en dan gingen de kussens <span class="pagenum">[<a +id="pb231" href="#pb231">231</a>]</span>en de kleedjes er altijd +’t eerst aan. Al haar handschoenen waren ook heelemaal schoon, en +ze schommelde in de laden van Frieda en Mary; daar was wel wat te doen: +warm water maken, zeep raspen, goddank, nu leefde ze weer, in de koele +lucht, met de beweging; lekker, zoo met haar handen in ’t warme +sop voor ’t raam te staan; de waschkom kantelde wel wat op de +vensterbank, maar ’t zou wel houden, en de wind was zoo frisch +tegen haar gezicht. Was de slang met ’t aansteken zooeven +’n eindje van ’t comfoor afgegleden? O, nee, Frieda had al +meer over gaslucht geklaagd; ze rook het nu ook, nu ze er dicht bij +was;—ze zouden—hé, daar was Ru Bruining, met +z’n fiets.</p> + +<p>“Mary is niet thuis, Ru.”</p> + +<p>“Zóó. Zou ’t nog lang duren?”</p> + +<p>“Nee. Binnen ’n kwartier zal ze er wel zijn.”</p> + +<p>“O, dan kom ’k toch maar even boven; ik heb ’n +pakje van huis gekregen, met ook iets voor haar; ’n das of +’n strik; ik weet niet precies.”</p> + +<p>Ze hoorde ’m de fiets in de gang zetten, toen z’n vlugge +stappen op de trap. Het was zoo’n kordaat kereltje, niet groot, +maar breed gebouwd, rechtop en energiek, met kleine, sterke handen, en +’n kop met ’n wil.</p> + +<p>“Goeienmiddag. Wat voer-jij uit?”</p> + +<p>“O, ik wasch handschoenen. Geef jij me misschien ook de +clandisie?”</p> + +<p>“Nee, die draag ik nooit. Je mag er wel wat opleggen, dat ze +niet wegwaaien, als ze gedroogd zijn.”</p> + +<p>“Ja. Zeg, Ru, ruik-jij geen gaslucht, daar in dien +hoek?”</p> + +<p>“Nee, ’k ben verkouden. Ja, hier toch; ’t zit bij +’t kastje.” <span class="pagenum">[<a id="pb232" href= +"#pb232">232</a>]</span></p> + +<p>“Niet aan de slang? Frieda klaagt er al langer over. We zullen +’s ’n man van de gasfabriek....”</p> + +<p>“Laat mij ’s kijken; mag ’t tafeltje even +weg?”</p> + +<p>“Pas op; geen lucifers, Ru,... je vliegt in de +lucht....”</p> + +<p>“Nee, wacht maar; zoo erg is ’t niet. O, kijk; deze +schroef zit los. Je hebt hier zeker geen gereedschap.”</p> + +<p>“De juffrouw zal wel....”</p> + +<p>“Och, ik kan het wel met m’n fietssleutel.”</p> + +<p>Hij was al weg, om dien van beneden te halen, heelemaal in z’n +werk verdiept; en Go keek met welgevallen, hoe hij zich boog, +schroefde, z’n kracht spande, dat ’t bloed roodend naar +z’n voorhoofd liep, tot onder z’n stug, blond haar.</p> + +<p>“Kom nu ’s ruiken. Wat denk-je er van?”</p> + +<p>“Ik ruik niets,” snoof Go behagelijk. “Wat leuk, +dat je ook van zulke dingen verstand hebt, zeg. Zoo ’s practisch +iets doen, dat kan bijna geen een student.”</p> + +<p>“Dat komt door de stomme verdeeling van den arbeid. Er is +’n klasse menschen, die hun lichaam óver-aftobben, en geen +tijd voor eenige ontwikkeling overhouden, ook geen kracht en geen lust; +en aan den anderen kant staan wij, de z.g. bevoorrechten, maar die even +goed zelf ook lijden door de misstanden, die we in onze kortzichtigheid +toch niet opgeven willen; wij, die ons suf en stomp werken met ons +hoofd, en onze spieren als niets-nut moeten laten +verslappen.”</p> + +<p>“Hè ja,” zei Go gretig, “ik had vanmiddag +zoo graag ’s met dien steenensjouwer geruild;—hij hier +’s wat uitrusten en ik me ’s weldadig moe maken. Je hebt +gelijk; ’t is ’n domme indeeling.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233">233</a>]</span></p> + +<p>“We kunnen er natuurlijk zelf wel wat aan verhelpen. Ik woon +daar nu buiten, en als ik ’s twee uur gewerkt heb in Hesiodus of +Isocrates, dan ga ’k eens naar m’n kooltjes kijken, of neem +de geit mee wandelen; maar dat is maar spielerei, en aardig voor mij +persoonlijk. De gemeenschap heeft er geen nut van, zooals ’t zou +zijn, wanneer de verhoudingen beter georganiseerd waren.”</p> + +<p>Ja, Mary heeft wel ’s verteld, je hebt daar ’n eigen +huisje, hè, en je doet alles zelf.”</p> + +<p>“Zoowat, ja; kom ’s kijken, als je lust hebt, met Mary. +Er is nu niet veel om jullie mee te geven: vroeger heb ik ’t +huishouden hier wel ’s van boontjes of aardbeien +voorzien.”</p> + +<p>“Aardbeien! O, heerlijk! Mogen we dan van den zomer nog +’s komen? En je hebt ’n roeiboot, niet?”</p> + +<p>“Ja, en ’n kraai en ’n paar kippen, en konijntjes. +Je zult ’t wel grappig vinden, denk ik.”</p> + +<p>“Hè, zalig zoo buiten wonen....”</p> + +<p>Mary vond hen in druk gesprek bij het open raam. “Zoo +broertje!”</p> + +<p>“Dag Mary, ik breng iets van moeder voor je mee.”</p> + +<p>“O, de das, dank je.”</p> + +<p>“Zeg Mary, Ru vraagt, of ’k vanavond mee ga naar de +lezing van Mevrouw Roland Holst. Doe-jij ’t ook?”</p> + +<p>“Nee, Go, ik kan niet. Maar doe ’t. ’t Is zeker +mooi, en ’t zal je opfrisschen.”</p> + +<p>“Natuurlijk,” pleitte Ru. “Dát is ’n +vrouw! Ik voel me niet gauw klein bij iemand, maar bij +háár....”</p> + +<p>“Wat is hij toch altijd opgewekt,” zuchtte Go, toen Ru +weer naar “de boerderij” was. “Je voelt <span class= +"pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234">234</a>]</span>je al anders, als +hij de kamer maar binnenkomt.”</p> + +<p>“Dat komt, omdat hij sociaal-democraat is,” antwoordde +Mary, de handschoenen naar binnen hengelend.</p> + +<p>“Dan is dat toch ’n mooie overtuiging, als ’t je +zoo levens-tevreden maakt.”</p> + +<p>“Ach, dat doet natuurlijk ieder wezenlijk geloof.” Maar +Go luisterde niet. ’t Was net, of er iets prettigs gebeuren ging, +iets met Eddy, zoo opgeleefd was ze opeens, door dat gesprekje, door +’t vooruitzicht van de lezing: misschien zou hij er ook +zijn,—ofschoon sociaal-democratie—’t was niets voor +hem; misschien zou er gauw ’n brief komen, of hij dàcht nu +aan haar; ze wist niet, wat ze verwachtte, maar haar bloed stuwde +krachtig door haar verwachtende hoofd, ze vóelde, dat ’t +toch zoo maar niet opeens uit kon zijn, tusschen hem en haar, en +terwijl ze zich waschte en ’n héél klein beetje +toilet maakte,—ze mocht niet te mooi wezen, ’t zou iets van +gelijkheid zijn, dacht ze,—zong ze aldoor die bemoedigende spreuk +voor zich heen, die uit ’n droge kolom van het middelnederlandsch +woordenboek haar plots toegegeurd had en die haar nu zóó +sterkte:</p> + +<div class="poem"> +<p class="line">»Dat nemmer man en was so wilde,</p> + +<p class="line">Een vrouw diene met smeekene hilde.”</p> +</div> + +<p>Ze zoù ’m houden, al trachtte alles hem van haar af te +trekken; door haar liefde alleen.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ze liepen samen terug door de stille straten, beide warm van +opwinding, gedragen op hun bewondering, hun extase over dien avond.</p> + +<p>“Nog nooit heb ik zoo iets gehoord,” zuchtte Go, +“en ’k had ’t heelemaal niet gedacht, toen ze <span +class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235">235</a>]</span>pas opkwam. +Niet eens sympathiek, vond ik, en geen mooie stem....”</p> + +<p>“Er is niets heerlijker, dan mee te gaan, op te gaan in haar +geestdrift en bezieling. Ze electriseert de menschen eenvoudig, en +níet door stijl-effecten, niet door woorden-klinkklank, maar +alleen door haar overtuiging, en haar passie om anderen te +overtuigen.”</p> + +<p>“O, Ru, ik ben zoo blij, dat je me meegenomen hebt. Ik weet er +heelemaal niets van, van socialisme of anarchisme of al die dingen; +maar ’t is net, of ik nu weer harder m’n best zal doen om +goed te zijn.”</p> + +<p>“Ja, die opwekking geeft ze zeker ieder: ’n behoefte +eerlijk en zuiver te zijn, in alles, ook in je intiemste gedachten; +’n behoefte te werken, nooit bij de pakken neer te +zitten.”</p> + +<p>“Laten we nog ’n endje omloopen, de avond is zoo +heerlijk, en ik voel zoo’n kracht; ik zou toch niet kunnen +slapen.”</p> + +<p>“Als we nu maar ’s dadelijk met wat moeilijks beginnen +konden, hè, ’n groote opoffering, ’n heldendaad. +Maar ’t lastige is ’t vuur brandend te houden in ’t +gewone doen van alle dag, ook als we onder kleine en groote zonden +leven.”</p> + +<p>“Maar ’t helpt toch zeker, zoo’n avond, en de +beloften, die je jezelf dan doet.”</p> + +<p>“’n Mooi gevoel is niet verloren,” zei Ru, maar Go +keek strak voor zich uit. Ze waren nu op de Stille Rijn en van de brug +zag ze twee menschen komen, ’n jonge man en ’n meisje, die +dicht bij een lantaarn, tegen elkaar geleund, bleven staan. Zij, die in +’t donker liepen, zagen hen hel belicht; Go onderscheidde +’t grijze hoedje op ’n bos ros-blond haar, het beige +manteltje, <span class="pagenum">[<a id="pb236" href= +"#pb236">236</a>]</span>waarom ’n zwarte arm lag. De man was lang +en slank, hij droeg ’n slappen hoed; zwart haar.... o, God, en +z’n gezicht was bleek, maar z’n oogen straalden.... Hij +keek in ’t gezicht daar beneden hem, en boog zich, en z’n +hand was op haar schouder; maar toen ze de voetstappen hoorden, liepen +ze door langs den donkeren waterkant, en z’n stap, even sleepend, +klonk door haar hakgekletter heen....</p> + +<hr class="tb"> +<p>“Scheelt er wat aan, Go?”</p> + +<p>“Nee. Wat koud.” Haar lippen weigerden bijna, maar Ru +scheen ’t niet te merken.</p> + +<p>“Laten we dan gauw naar huis toe gaan. Je ziet zoo vreeselijk +bleek.”</p> + +<p>“Ja. ’t Is ook mistig, kijk.” En ze staarde over +het water, waar de booten met hun roode lichtjes lagen, en terug naar +de donkere, stille gracht, waar ze nu samen zouden zijn.</p> + +<p>“Ik begrijp niet,” begon Ru weer over de lezing, +“dat er niet veel studenten waren vanavond. Natuurlijk wel de +partij-leden, maar dit was toch iets, dat iedereen goed zou hebben +gedaan.”</p> + +<p>“Och, ze hebben zooveel andere dingen.” Ze liep steeds +sneller om maar thuis te zijn.</p> + +<p>“Maar nergens leeren ze ’n historischen kijk op de +wereld krijgen.... Als je die kerels soms hoort beweren—” +Nu was hij op z’n stokpaardje, praatte door tot bij de deur, waar +hij weer verschrikt zei: “God, Go, je hébt toch niets? je +ziet er zoo ellendig uit; kan ’k niets voor je doen; iets +halen?”</p> + +<p>“’t Is alleen de kou....” En ze klappertandde. +“Nacht Ru! Ik dank je wel.”</p> + +<p>Ze knikte nog even op de stoep; sloot toen langzaam <span class= +"pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237">237</a>]</span>de deur en deed +er den grendel en de knippen op. Iedereen was al naar bed, en met de +kleine olielamp ging ze langzaam, tastend, de trap op, naar +Frieda’s kamer, waar nog wat kachelwarmte en theegeur hing. Ze +zette de lamp neer, en wist opeens niet meer. Onderweg had ze hevig +naar ’t oogenblik van alleen-zijn verlangd. Nu stond ze als te +wachten. Er was iets ergs gebeurd; er was iets gescheurd van binnen; +maar wat moest ze nu hier alleen in die kamer? Ze had nog geen pijn; +’t was te scherp geweest. Ze wou even zich herinneren, hoe +’t maar weer precies was gebeurd: ze liep naast Ru, en was +moedig, en had honderd groote en dappere plannen in haar hoofd; toen +kwamen er twee de brug af, en ze vermoedde zonder woorden; ze +voorvoelde; ’t was als het bewustzijn van één, die +vallen gaat, diep, dood;... ze had gekeken, strak, naar +één punt, en het was duidelijker +geworden;—háár Eddy was even tusschen het dreigende +beeld komen schuiven, hij, met z’n belovende oogen, z’n +streelende lach; toen was hij er mee samen gevallen: z’n lach +naar ’n ander, de belofte aan ’n ander....</p> + +<p>Nu waren de tranen er, opeens in ’n stroom over haar strakke +gezicht; ze stond met haar hoofd tegen den muur als om zich op te +houden, en trillend over haar heele lichaam, fluisterde ze: “Hoe +kòn-je, hoe kòn-je! O, Eddy, wat bén-je slecht. Ik +had het nooit gedacht....” En als ze even stil was geweest, +barstte dadelijk haar snikken weer heviger uit, tot ze uitgeput op de +canapé viel en daar onbeweeglijk bleef zitten, in de donkere +kamer starend, waar alleen ’t olielichtje ’n spokig +schijnsel door wierp. <span class="pagenum">[<a id="pb238" href= +"#pb238">238</a>]</span></p> + +<p>Zoo was dus het leven; en dít de liefde, waar ze zoo naar had +verlangd. Zoo waren de menschen, die ze had vertrouwd; hij, hij, de +aller-liefste, deed zulke dingen. En dat hoorde zoo. De ouderen wisten +het; er veranderde niets om op de wereld; zooals Rolands gewoon in hun +clubje was teruggekomen, zoo zou hij de volgende keer weer +één der hunnen zijn, met z’n zingende stem, met +z’n lieve manieren. Niemand zou iets van ’t gebeurde aan +hem kunnen zien;....deden ze dan misschien allemaal zoo: Hoefman en +Otto en Han—en Gerard ook? Wien kon ze nú vertrouwen, +nadat ze hem zoo gezien had!</p> + +<p>O, ze had er wel eens over hooren praten en er van gelezen, van het +leven van jongelui, en dat ’t zoo anders was meestal, dan +’t scheen aan den buitenkant, en ze had niet gedacht, dat de +menschen, die zoo oordeelden, logen of zich vergisten, maar wèl: +dat ze over ’n ander soort jongens praatten, dan zíj +kende. Háár vrienden had ze altijd geheel als zichzelf +vertrouwd, en toen Eddy dien middag in het laantje had gezegd: +“Ja, zoo zijn we, wij, studenten; zoo zijn we haast +allemaal”, had ze wél de pijn gevoeld, dat hij ook wel +’s iets kwaads gedaan zou hebben, ’s lief gedaan tegen +’n meisje; maar nú toch zeker nooit meer, nu hij +háár kende. En ze had zich ook niet voor kunnen stellen, +dat hij ooit erg intiem met zoo iemand kon zijn +geweest;—misschien ’s tegen ’r gelachen,—dat +was al erg genoeg, z’n mooie lach;—misschien ’s een +endje met haar opgeloopen, maar hoe kon hij, de ontwikkelde, +beschaafde, over-verfijnde, voor wien zij zich vaak te grof en te +onwetend had gevoeld, wezenlijk behagen vinden in ’n burgerlijk, +onbeschaafd <span class="pagenum">[<a id="pb239" href= +"#pb239">239</a>]</span>schepsel, zoo een, die Leidsch dialect sprak, +met ’t leelijke zangetje, en niets had gelezen; die bovendien +niet wezenlijk van ’m houden kon.</p> + +<p>En tòch, ze had het gezien, het wàs zoo: hij +gáf haar zijn liefkoozingen, hij verdiepte zich in haar wezen. +O, nu begon ze te begrijpen de tragedie van vrouwenliefde in zooveel +boeken, die altijd zooveel roerender dan mannen-désillusies was. +Nu begon ze iets te voelen van de wanverhoudingen tusschen het meisje, +dat wacht en hoopt, om zich geheel aan den man, dien ze liefheeft, te +kunnen wijden, en den man, die minnarijen zoekt, die hem direct +voordeel en bevrediging geven, zonder al de zorgen en ’t bindende +van ’n huwelijk met ’n vrouw van dezelfde ontwikkeling, die +hooger eischen stelt. En als hij dan eindelijk toch naar ’n eigen +huis, ’n familie verlangen gaat, met hoe verschillende idealen, +met hoe ongelijke verwachting, gaan de twee dan het nieuwe leven in: +het meisje, dat al, wat ze bezat, heeft bewaard en vermooid, ’t +hem nu bevend wil geven; hij, al moe, en gedésillusioneerd, met +herinneringen, die schrijnen en bezoedelen, vaak met ’n ontveinsd +dédain.</p> + +<p>Dát stond de vriendschappelijke verhouding tusschen jongens +en meisjes in den weg; niet, dat ze vaak dronken waren in de eerste +plaats, maar ’t feit, dat andere vrouwen op ’n andere +manier in hun leven gedrongen waren, en ze daarom geen achting, geen +zuiver, hartelijk gevoel meer konden voelen voor eenig meisje, want hun +gedachten waren vol van wat laag en afschuwelijk was.</p> + +<p>O, wat wás de wereld leelijk, en wat deed ’t weten +’n pijn. ’t Was net, of ze haar heele leven geslapen had, +en nu opeens, wakker geschrikt, <span class="pagenum">[<a id="pb240" +href="#pb240">240</a>]</span>de onwaarheid van haar mooie droomen +besefte; ’t was, of ze al lang in ’n modderpoel was +rondgegaan, en nu pas zàg, waar ze was verdwaald.</p> + +<p>Het zien van Rolands had haar niet diep getroffen. Het was even pijn +geweest, maar wat wist ze van z’n leven, en hoe kon ze er zich +indenken, hoe z’n liefde zou zijn? Maar Eddy’s +liefkoozingen had ze gevoeld in haar droomen; ze wist, hoe z’n +oogen keken, wanneer hij teeder was; ze zag de zachte gebaren van +z’n streelende handen, en nu dit alles, haar lang-gedroomde +schat, aan ’n ander werd gegeven, als ’n nietswaardigheid; +nu haar hoogste geluks-verlangen was neergestort bij den vreeselijken +aanblik van het tot bespottelijk-karikatuur misvormde beeld van haar +ideaal,—nu doorvoelde ze plots de diepte van ellende van +ongelijke moraal van twee naar gelijkheid strevende geslachten, en +duizelend van haar eigen misstanden-peilende helderheid, hield ze het +hoofd in de handen, en kreunde om haar gewond, beleedigd +vertrouwen.</p> + +<p>“Als je maar altijd ’t allerleelijkste van de menschen +denkt, als je je maar nooit door idealisme laat verleiden, dan krijg-je +’t meeste gelijk in de wereld. De oude, wantrouwende menschen +hebben gelijk, de misanthropen hebben gelijk,” prevelde ze +bitter, “en wie vertrouwt en liefde geeft, zal net zoo lang +gemarteld worden, tot hij wijzer geworden is. “Zoo ís de +wereld eenmaal,” zeggen de ouderen altijd. Hoe heb ik ze gehaat, +om hun hard en liefdeloos oordeel. Ik voelde, dat ’t niet waar +kon zijn; en nu....”</p> + +<p>Ze begon in Frieda’s kamer op en neer te loopen, en bleef lang +voor de bul van L. V. staan; het was ’n groot papier met ’n +gewichtig-uitziend zegel op <span class="pagenum">[<a id="pb241" href= +"#pb241">241</a>]</span>den hoek, en er stond met dikke letters +gedrukt: Virginem ornatissimam Friedam Vervoort, enz.; onderaan de drie +handteekeningen van het bestuur, den datum en ’t jaar in +Romeinsche cijfers. Onwillekeurig trachtte ze het in gewone over te +brengen, en onderwijl herinnerde ze zich, hoe het alles was begonnen, +dien avond op z’n kamer, hoe ze in ’m was opgeleefd zonder +eenige terughoudendheid, terwijl intusschen z’n gedachten vol +leelijke dingen, o ze wist ’t nu, moesten geweest zijn. Wie weet, +wat hij van haar en haar dringende openheid had gedacht; of hij niet +met anderen over haar verlangen, voor állen iets te zijn, had +gelachen. Hoe schaamde ze zich, dat ze zich had laten gaan, en haar +mooiste gevoel misschien tot spot gemaakt. En al zei ze weer: +“nee; zóó slecht kan hij niet zijn; hij was toch +eerlijk tegen me, al wilde ik het niet begrijpen”,—hoe wist +ze, in hoeverre ze nu nog iemand vertrouwen kon; hoe wist ze, of niet +de heele wereld één afschuwelijke leugen was, waar de +menschen toch maar mee doorleefden, omdat het nu eenmaal zoo gewoonte +was...</p> + +<hr class="tb"> +<p>Toen het drie uur sloeg door de stilte, stond ze nóg voor +’t raam in de duisternis te staren. Het olielampje achter haar +rug was bijna leeggebrand, en ze zei ’t zich, dat ze nu maar naar +bed moest gaan. Maar de roerloosheid van de kamer, de gevoellooze rust +van het heele huis, deed haar de schouders ophalen: waarom eigenlijk; +wie kon ’t iets schelen, of ze hier heen en weer liep, in angst +en verbijstering, of naar haar bed toe ging? Wie mérkte ’t +zelfs? Iedereen sliep. En wat kwam ’t er voor haarzelf op aan, of +ze hoofdpijn <span class="pagenum">[<a id="pb242" href= +"#pb242">242</a>]</span>zou hebben morgen; wat kwamen alle dingen van +alle verdere dagen er op aan?</p> + +<p>Ja, natuurlijk; ze moest examen doen; ze moest promoveeren en +’n betrekking krijgen, om voor zichzelf te kunnen zorgen; +’n ander zou ’t niet doen. Ze moest verdienen, om te kunnen +leven, of eigenlijk: bestaan. Ze wist niet, waarvóór. +Wist die vrouw, die toch ouder was dan zij, en die.... dienzelfden +avond, maar hoe lang scheen ’t al geleden,—had gesproken +van ’n toekomst, ’n omwenteling, dan niet, dat de +ménschen slecht waren, en dat daar geen veranderde staat voor +hielp? En ze had wel gepraat van verandering van de leugen-moraal, maar +wat hielp ’t, als de mannen van aanleg ontrouw waren, de meisjes +trouw? Of die misschien alleen uit noodzakelijkheid?</p> + +<p>Ze wist ’t niet meer, ze wist niets meer. Van wat, dat ze +vroeger hoog en heilig had gehouden, kon ze nú nog zeker zijn, +nu het hoogste van haar leven schijn was gebleken? <span class= +"pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243">243</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e3984" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XIX.</h2> + +<p>’n Paar dagen later kwam ze lusteloos en bleek Mary’s +kamer in. Ze had lang, half-wakker, in haar bed liggen woelen, en zich +nu eindelijk, zonder zorg, ’n beetje aangekleed, om in de +rustige, blauwe kamer, die uitzag in den tuin en over de kale boomen, +wat vrede te zoeken, dien ze nergens vinden kon. Die kamer had altijd +’n bizonderen invloed op haar; de meeste meisjes vonden ’m +somber en kwamen liever in Frieda’s “zonnepaleis,” +dat ook lichter en levendiger was gestoffeerd; maar Go hiéld van +die doffe kleuren en sobere lijnen; Mary’s eigen rustig en +harmonieus wezen weerspiegelde zich in de dingen om haar heen; en de +stilte was er nooit beangstigend, maar ’t mooie zwijgen van twee, +die elkaar volkomen begrijpen.</p> + +<p>“<span class="corr" id="xd0e3991" title="Bron: +May">Mary</span>, ik wilde zoo graag iets doen, en ik kan níet +werken. Heb-jij ook iets voor me, te naaien of zoo, meen ik?”</p> + +<p>Mary had zich omgewend, zoodra de deur openging, en terwijl ze naar +de kast liep om ’n rok te zoeken, waarvan het bezemband was +afgetrapt, bewonderde Go weer haar dunne, rechte <span class="pagenum"> +[<a id="pb244" href="#pb244">244</a>]</span>gestalte, die iets +zwevends, iets symbolisch had, als de figuren van Toorop; en het +kalm-ernstige gezicht, met de bijna-extatisch-groote, grijs-blauwe +oogen, die zoo zuiver-koel en toch zoo innig konden kijken. En Go, die +zelf lééd, omdat haar gedachten deze dagen telkens met +’t kwaad vervuld waren, zij ’t ook met ’n afschuw er +voor; en die zich bezoedeld voelde door haar weten van zonde, sloeg +schuw de hare neer, toen Mary bij haar kwam, en over haar gebogen +zwijgend naar haar kijken bleef. Go voelde, hoe afgetobd en onrustig en +onverzorgd ze er uitzag, en, nerveus de rok grijpend, vroeg ze om garen +en ’n naald, verlangend de spanning te breken door gewone, +alledaagsche dingen.</p> + +<p>Maar Mary stoorde er zich niet aan; ze zette zich naast haar in de +vensterbank, en, opeens ’n besluit nemend, begon ze met haar +diepe, donkere stem: “Gootje, je moet me ’s zeggen: ben-je +vertrouwelijk met je moeder?”</p> + +<p>Er was geen ontkomen meer aan; Go vóelde, dat nu alles +uitgezegd moest worden tusschen hen tweeën, en ze antwoordde zacht +en weifelend: “Ik hou heel veel van moeder,... en vroeger heb ik +’r ook altijd alles verteld, en overal in raad gevraagd—en +ze heeft me altijd begrepen. Maar nu ik hier ben, in dat àndere +leven, bij menschen, die ze niet kent, en in toestanden, die ze zelf +nooit heeft meegemaakt, nu voel ’k telkens, dat ze niet begrijpt, +wat ik meen; nu verwart ze dingen en namen, en we merken ’t +allebei, al zeggen we ’t niet: we zijn aan ’t vervreemden +van elkaar, we ontgroeien elkaar.”</p> + +<p>Mary knikte. “Ik weet het wel, dat is het tragische in elke +familie; de ouders leven voor <span class="pagenum">[<a id="pb245" +href="#pb245">245</a>]</span>de kinderen, maar de kinderen worden +menschen voor zichzelf en leven in de toekomst. Dit komt te sterker +uit, naarmate de verhouding vroeger inniger was. En al is ’t +natuurlijk, en al is ’t “<span lang="de">der lauf der +welt</span>”—iedere liefhebbende moeder, die haar kind van +haar af voelt gaan, lijdt eronder, diep en hevig, alsof zij de eerste +was, die met zoo’n vreeselijke ramp wordt getroffen. En voor +ónze ouders is ’t wel ’t ergste; want die +zién in hun kinderen de nieuwe levensrichting, de reactie tegen +hún leven, en dat is nog moeilijker te begrijpen, dan dat de +jeugd eenvoudig zelfstandig denken wil. Wij zijn nog min of meer +voorloopers van ’n nieuwe beweging, en ’t geslacht, dat na +ons komt, vindt z’n weg door ons gebaand....”</p> + +<p>“Ik weet niet,” viel Go uit, “misschien zijn wij +wel op ’n dwaalweg. Ik geloof niet, dat ik licht ’n dochter +van mij zal laten studeeren. Eerst als je ’t zelf hebt +meegemaakt, weet je, hoeveel er tegen is.”</p> + +<p>“O, maar over vijf-en-twintig jaar,—en eerder zal +jóuw dochter toch zoo ver niet zijn—” glimlachte +Mary, “over vijf-en-twintig jaar is de toestand van ’n +meisje hier al weer heel anders dan nu;... reken maar eens, hoe +verschillend ze nu is van ’n tien jaar geleden. Toen was er geen +club, geen vereenigingslokaal; er waren geen meisjeshuishoudingen, geen +pensions, geen faculteitsvergaderingen—hier en daar in de stad +zat ergens ’n eenzaam meisje op ’n triestige kamer; op +college werden ze met verbazing geduld;—dat is nog geen tien jaar +geleden; terwijl nu... Of meen-je dàt niet?”</p> + +<p>Go zweeg en keek voor zich uit: hoe kón ze <span class= +"pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246">246</a>]</span>het Mary van +Eduard zeggen, en hoe kon ze éérlijk zijn, zónder +het te zeggen? Toch snakte ze er naar, eindelijk haar hart, zwaar van +zorgen en onzekerheid, eens voor iemand uit te storten, en haar oogen +gingen hulpeloos naar Mary om steun.</p> + +<p>“Ik weet het niet, ik weet nu heelemaal niets meer. Toen ik +Zondagavond bij moeder zat, heeft ze gehuild. Er was geen reden voor, +maar ze zei opeens: “Wie weet, hoe kort ik nog maar leef, en dan +heb ik je niet eens de laatste jaren bij me gehad.” En toen werd +ik ook treurig en dacht, dat ik eigenlijk best zeggen kon, dat ik thuis +komen zou, en iets anders beginnen. Zoo’n vreeselijk studiemensch +ben ik toch niet; en ’t is niet van veel belang, of ik ’t +één doe, of ’t ander. Heelemaal”—en ze +haalde nerveus de schouders op—“kan het me niet meer +schelen, de wereld, ’t leven, alles. Ik heb er genoeg van. Ik +begrijp toch niet, waarvoor ’t allemaal dient.”</p> + +<p>“O, kindje,” zei Mary heel zacht, met haar hand over +Go’s handen, en haar oogen vol medelij, “van ’t +oogenblik, dat je bij ons kwam, heb ik al gevoeld, dat er wat aan +haperde. Ik had je gezien, toen je hier aankwam, vol lust en overmoed +en vertrouwen op je kracht; en jij was een van de weinige meisjes, die +ik onthouden had. Je weet, ik kom bijna nooit op de club, ik houd van +eenzaamheid en stilte. Het leven kan niet stil genoeg zijn voor mij, +maar dat is heel iets anders dan het zwijgend broeden van jou, de +laatste maanden, dat vol onrust is en disharmonie. Ik heb het aldoor +gezien, maar ik dacht: ze zal er zich wel doorheen werken; ’t +<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247">247</a>]</span>is +’n moedig kind; en je moet je vooral niet opdringen met hulp of +steun;—maar ik heb al zoo lang gewacht, en het is, of het aldoor +maar erger met je wordt; je ziet er zoo hopeloos uit, of je eigenlijk +geen oplossing meer verwacht. En daarom moeten we nu doorpraten, +Gootje; ik zou zoo graag willen, dat je open tegen me was.”</p> + +<p>Ze wachtte even en toen ze de verwarring zag op ’t vermoeide +gezichtje, half wetend, half vermoedend, wat de aanleiding tot de +verslagenheid zou zijn, al lag de oorzaak veel dieper, ging ze warmer +voort:</p> + +<p>“Kijk, feiten en gebeurtenissen in het persoonlijk leven zijn +natuurlijk bij meisjes-studenten, net als bij andere meisjes, geheel +verschillend. Maar wat algemeene ondervindingen, inhaerent aan ’t +student-zijn zelf aangaat, die moeten we allen gelijkelijk doormaken. +En daarom zijn de oudere-jaars de aangewezen raadsvrouwen voor de pas +aangekomenen, de jongeren. Dat is ook wel de bedoeling van het bestuur +van onze club, maar in de praktijk staat nog al veel dit ideaal in den +weg. Meisjes zijn nu eenmaal niet erg toeschietelijk, als ’t haar +dieper leven betreft, en ik geloof niet, dat iemand in ziele-onrust +licht naar de kamer van onze praeses of secretaris zal stappen, om haar +hart open te leggen... Zoo iets moet toevallig, spontaan, vanzelf +gebeuren, als je lang bij iemand hebt gezeten, die je heel goed kent... +en de jaren, de faculteiten, blijven haast altijd gescheiden. De door +ondervinding gegaarde wijsheid houdt ieder voor zich. Toch zou ’t +menig droomstertje, dat opeens is wakker geschud, wel goed doen, als ze +wist, dat we allemaal ’n heele <span class="pagenum">[<a id= +"pb248" href="#pb248">248</a>]</span>boel moeten doormaken, +vóór we eigenlijk kunnen zeggen, dat we léven, en +er zou minder gauw gewanhoopt worden, als de overwinning van anderen +moed gaf.”</p> + +<p>“Toe, vertel me dan, hoe ’t anderen gaat,” vroeg +Go, in spanning, zich heelemaal gevend aan ’t luisteren.</p> + +<p>“Wel, we komen allen van huis, onbezorgd en luchthartig, met +duizend mooie plannen en droomen, maar zonder fond... en dan staan we +opeens in het wezenlijke leven. Dat geldt natuurlijk zoowel voor +jongens als meisjes, maar de meeste jongens hebben ’t corps, dat +hun in fuiven en jool-maken de behoefte aan iets vasts vergeten doet, +en ik geloof wel, dat dit een van de redenen is, waardoor jij meer +verbijsterd en teleurgesteld bent, dan de meeste meisjes: dat je vol +verwachting hier aangekomen bent, en van ’t begin af dié +jongens ontmoet en met ze omgegaan hebt.”</p> + +<p>“Niet al m’n vrienden zijn zoo,” wierp Go tegen, +aan Gerard en Hoefman denkend, maar Mary hield vast: “De meest +beteekenenden, die invloed op je hadden, vulden dáármee +de leegheid van hun leven aan, want ’t voelen van leegte, +onvoldaanheid, teleurstelling, is dé ziekte van de +bewustwordende jeugd. Het is ook zoo natuurlijk: thuis hoefde-je niet +na te denken over je leven; alles ging er vanzelf, door de zorg van je +ouders, en hun bescherming, die je voelt om je heen. Maar als je hier +komt, dan slaat je eerst de vrijheid als ’n roes naar je hoofd; +ik heb dat meegemaakt evenals jij. Maar op die bedwelming volgt +óók de gewone “kater”; en de manier, waarop +je dién ellendigen tijd te boven komt, beslist voor <span class= +"pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249">249</a>]</span>’n groot +deel over je verder leven. Veel jongens, vooral corpsleden, hebben +afleiding van allerlei aard, en als ze bang zijn om met zichzelf en hun +eigen onvoldaanheid te vechten, dan pogen ze het te vergeten, op de +kroeg, in hun clubs, of op ’n andere manier. Maar heel veel +jongens en de meeste meisjes kunnen of willen den strijd niet bang +ontloopen. Die bekennen zich, dat ze het land hebben, en streven +dán naar verbetering.”</p> + +<p>Go zat stil, de kapotte rok in haar aandachtlooze handen; en diep in +haar oogen leefde het begrijpen met ieder woord mee. Toen Mary zweeg, +fronsde ze even de wenkbrauwen; zou ’t al uit zijn, en zou ze nu +moeten gaan “verbeteren” in ’t wilde weg, zonder dat +ze recht wist, hoé of waarheen?</p> + +<p>Maar weer ging de kalme stem voort: “Ik zou je een heel rijtje +van menschen kunnen noemen, wier “zwarte” tijd ik heb +meegemaakt. De besten, diepsten juist hebben zoo’n crisis in hun +leven, waarbij ’t gaat als bij ’n ziekte, op leven en dood; +en eerst als dié is overwonnen, heeft ’n mensch z’n +eigenlijk karakter getoond; neem nu b.v. m’n broertje Ru. Wat is +die jongen z’n tweede jaar ellendig geweest! Hij werkte nog niet, +foof niet meer, ’n toonbeeld van levensmoeheid. Tot hij z’n +sociaal-democratie heeft gevonden, mevrouw Roland Holst;—ja, die +heb-je nu zelf gehoord.—Heeft ’t jou niets +gegeven?”</p> + +<p>Ja, ík vond ’t heel mooi. Maar zoo iets is niet +genoeg....”</p> + +<p>“Niet voor jou misschien. En voor mij ook niet. Ik vind het +alleen prettig, dat ze je duidelijk maken, dat zoo vreeselijk veel +kwaad van de menschen alleen aan de slechte inrichting van de +maatschappij moet worden geweten;—<span class="pagenum">[<a id= +"pb250" href="#pb250">250</a>]</span>onze moraal iets onhoudbaars, +zie-je; dan oordeel-je zachter over gevallenen en gaat beter +begrijpen;—maar de heele kwestie is, dat ieder mensch voor +zichzelf hier uitzoeken moet, wat z’n leven waarde, volheid geven +kan. Dat was bij Frieda heel gemakkelijk, die is op ende op ’n +studiemensch; het is haar ideaal, met haar schrandere hersens zooveel +mogelijk wetenschap tot zich te nemen. Maar dat is iets, dat heel +weinig jonge menschen volkomen bevredigt. Iedereen heeft hier iets +eigens, “’t boekje” van den “Kleinen +Johannes”; en die behoefte is onder studenten veel sterker dan in +de gewone maatschappij, omdat daar de mannen hun nuttige werkkring, de +zorg voor hun huishouden, en de vrouwen kinderen en andere +verantwoordelijkheid hebben; terwijl wij, die in onze gedachten al +heele menschen zijn, inderdaad nog niets presteeren en nergens nut +doen. Maar als we eenmaal iets hebben gevonden, ’n ideaal, +’n overtuiging, ’n gelóóf, dan heeft ons +leven opeens waarde; dan voelen we dankbaarheid, dat we op de wereld +zijn. Daardoor zijn hier zooveel vegetariërs en geheel-onthouders, +en orthodox-geloovigen, en liefde-predikers, en artisticiteit wordt +óók wel ’s tot ’n geloof verheven; en dan de +sociaal-democraten, en de anarchisten, en Van Eedenianen en de +wereld-vrede-menschen... en de Hegelaars; daar ken-je, geloof ik, nog +niemand van; dat is ’n heel bizonder volkje; ’k denk, dat +je ze wel interessant zult vinden... en dan heb-je nog ’n paar +voorstanders van het vrouwenkiesrecht, maar die zijn toch niet talrijk +bij ons, en ’t zou ook niets voor jou zijn, wel?”</p> + +<p>“Nee, zeker niet,” zuchtte Go, “alleen al daarom, +dat de jongens erom lachen, en dat kan ik niet <span class="pagenum"> +[<a id="pb251" href="#pb251">251</a>]</span>hebben; ik weet wel, dat +dat erg kinderachtig van me is.”</p> + +<p>“Och,” peinsde Mary, “’t hóórt +wel bij je...”</p> + +<p>“Vin-jij ’t ook altijd zoo ellendig, als je merkt, dat +sommige mannen de meisjes-studenten voor heel iets anders dan gewone +meisjes houden? Voor waanwijs, ingebeeld, en vooral voor wezens waar ze +geen égards, geen hoffelijkheid tegenover hoeven te toonen! Ik +ben ’s in ’n club geweest, waar de jongens de meisjes +alleen naar huis lieten gaan... “meisjes-studenten waren toch +iets anders dan gewone meisjes...” Ik had kunnen huilen, toen ik +alleen op de donkere straat liep, niet uit angst,—maar ik voelde +’t als ’n beleediging... En toch is ’t eigenlijk +logisch. Ze zeggen: als je met ons gelijk wilt gesteld worden, moet je +ook geen lievigheidjes meer verwachten. Maar ik vind ’t zoo +akelig.”</p> + +<p>“Beschaafde mannen zul-je zelden zoo zien doen, tenminste niet +tegenover meisjes, die ’t “<span lang="de">ewig +weibliche</span>” bewaard hebben. Je kunt hier ook al weer niet +generaliseeren. Er zijn enkele meisjes-studenten, die als mannen sterk +zijn;... er zijn méér “echte” meisjes, die +studeeren.”</p> + +<p>“Je gelooft dus niet, dat ieder meisje, dat studeert, +iéts van haar vrouwelijkheid inboet, zij ’t ongemerkt? Ik +ben er vaak bang voor, dat we, alléén door met de jongens +samen op college te zitten, alléén door onze vrijere +levenshouding, iets verliezen; ’t kostbaarste... Of we minder +schuchter, kuisch,—ach, ik kan ’t zoo niet zeggen; ’t +zijn heel ouderwetsche begrippen van me; maar ik schaam me soms zoo, +als ik met m’n boeken loop, en ’n jongen kijkt me +rustig-brutaal aan; denkt: ’n collega.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252">252</a>]</span></p> + +<p>“Iéts verliezen we mogelijk, maar we krijgen iets +beters terug. Als je ’s met niet-studeerende meisjes samenkomt, +benijd-je die dan zoo erg, en vind-je ze vrouwelijker, sympathieker dan +je vriendinnen hier? Ik voel zoo dikwijls alleen maar +medelijden...”</p> + +<p>“Maar ik heb medelijden met de meisjes hier, die +zóó zeer alle achting voor zichzelf en alle hoop op geluk +hebben opgegeven, dat ze er zich niet meer om bekommeren, hoe ze er uit +zien, slordig en smakeloos gekleed langs de straat loopen.... Dan moet +ik er aan denken, hoe alles hoe langer hoe meer in de war loopt. De +meisjes verdringen de mannen, ieder verdient maar net genoeg om voor +zich zelf te zorgen, alles drijft naar volkomen vereenzaming van de +individuën; ieder nijdig, ieder strijdlustig: voor mij; voor +mezelf.”</p> + +<p>“In ’n staat-van-wanverhoudingen moet je de beste +mogelijkheid, niet ’t ideaal zoeken.”</p> + +<p>Go zuchtte.</p> + +<p>“Maar welk “gelóóf” denk-je nu, dat +bij mij hoort?”</p> + +<p>“Ja, kindje, dat weet ik niet. En ’k heb het idee, dat +je ’t eigenlijk ’n beetje mal moet vinden, als je hoort, +wat hier al niet allemaal “geloofd” en +“gehoopt” wordt. En toch vind ik die verbrokkeling absoluut +geen teeken, dat al die idealen maar larie zijn, niets dan dotjes om +schreeuwende kinderen mee zoet te houden. Voor mijn gevoel wijst het er +juist op, dat er nog ontzaglijk veel te doen, te verbeteren, te werken +valt in de wereld; en dat er hier allerlei zelfstandig-denkende +menschen zijn, die hieraan trachten mee te werken op de manier, die met +hun capaciteiten overeenkomt. Als je iemand hoort praten over z’n +overtuiging,—of ’t nu ’n Hegliaan is met ’n +breede kop, of ’n extatische vegetariër, of ’n vredige +<span class="pagenum">[<a id="pb253" href= +"#pb253">253</a>]</span>wereld-vrede-vriend,—dan krijg-je altijd +den indruk: “ja, wezenlijk, ik zou er wat voor kunnen gaan +voelen; er is toch veel moois in;” ik heb dat ten minste; maar je +begrijpt, ik ben óók nog niet erg ver met m’n +ontwikkeling.”</p> + +<p>“Wat ben-jij eigenlijk?”</p> + +<p>Mary lachte. “Wel, niet veel meer dan ’n dankbaar, +gelukkig, zoekend menschenkind. Op ’t oogenblik ben ik erg in +theosofie verdiept; dat geeft me zoo’n kalmte, omdat ’t +spreekt van weer terug komen hier op de wereld. Want al kijk ik +m’n oogen uit, ik heb toch ’t gevoel, dat ik met dit eene +leven onmogelijk alles bevatten kan. En ik bewonder alles zoo, dat ik +’t zonde zou vinden, als ik nooit tot de kern doordringen kon. +Ook wat mezelf aangaat: ik zou graag den tijd hebben me te +volmaken.”</p> + +<p>“O, maar vóór ik volmaakt ben, is de wereld +zeker vergaan,” en Go trok ’n zóó tragisch +gezicht, dat Mary vroolijk riep: “Maar lieve kind, neem toch niet +dadelijk aan als ’n waarheid, wat je maar terloops hoort. Ru +zegt, dat theosofie het toppunt van menschelijke verwaandheid is, nog +veel erger dan het Christendom. Want het voortleven, de ontwikkeling +van den <span class="corr" id="xd0e4083" title="Bron: enkelling"> +enkeling</span>, het individu, is voor theosofen alles, terwijl hij +juist overtuigd is, dat wij het leven maar even mogen dragen, en moeten +trachten het te verheffen, opdat wanneer we het aan anderen overgeven, +het ’n kostbaarder schat geworden zal zijn. Maar Wies van Hoof +zegt: als de vrouwen maar eerst eens zitting in ’t Parlement +hebben, en Theo Vervoort: Het vleesch-eten veroorzaakt de slechte +neigingen in den mensch. Je hebt nog nooit ’s zoo’n gesprek +van ónze vrienden bijgewoond. Dat zijn <span class="pagenum">[<a +id="pb254" href="#pb254">254</a>]</span>’n levens-opvattingen, +’n idealen door elkaar...”</p> + +<p>“En duizelt het je dan niet wel ’s?”</p> + +<p>“Nee; ik krijg ’n diep, zalig gevoel: o, kind, wat +heb-je nog veel te doen in je leven. Wat is er al niet gedacht en +opgeofferd en gestreden. Hoe moet je zelf werken en zoeken naar +’n ideaal!.... en als ik dan dat verlangen en die kracht te leven +zoo sterk in me voel, dan lijkt het me zoo’n dwaasheid, +zoo’n waanwijze domheid, als jonge menschen, die nog onmogelijk +de hoogten en diepten van ’t leven kunnen hebben doorvoeld, zich +nu al verbeelden er genoeg van te hebben; zooals ’n domme boer, +die, voordat hij ’n vreemde spijs geproefd heeft, al verzekert, +dat hij ’t niet lust.”</p> + +<p>Go dacht aan Hans, en haar oogen vulden zich met tranen: was +’t een domheid van hem geweest?</p> + +<p>Maar Mary, intuïtief begrijpend, wat ze voelde, beantwoordde +zacht haar nog onuitgesproken vraag: “Er zijn menschen, die +zoeken, maar zonder vertrouwen en zonder rust. Die alles tegelijk +willen lezen en bevatten, en gek worden van ongeduld, als de waarheid +niet dadelijk in hun handen ligt. Je begrijpt, dat dat ’n heel +verkeerde manier is, die geen resultaten geeft. Want al moeten we +natuurlijk actief zóeken, en lezen en ons inspannen,—hoe +dat, wat we in ons opgenomen hebben, weer uit ons opbloeit, moeten we +aan den tijd en de natuur overlaten. Dat gaat zoo verrassend, zoo +anders dan we dachten.... En als we maar steeds het gevoel houden, dat +de waarheid wijkt en wijkt, als we niets kunnen vatten, dan moeten we +weten, dat het zoeken-op-zich-zelf óók iets heel moois +is, bijna even mooi als ’t vinden, wanneer we tenminste +vertrouwend zoeken. Ik ben tenminste blij, dat ik nog geen <span class= +"pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255">255</a>]</span>bepaald stelsel +gevonden heb; dat ik nog dilettant ben in ’t leven.”</p> + +<p>“O, Mary, zou dát de oplossing zijn: door ontwikkeling +naar alle kanten tot harmonie te komen?”</p> + +<p>“Ja, want naar de onbewuste, natuurlijke harmonie met de +omgeving kun-je niet meer terug. Je hebt desillusies geleden; je hebt +het leven leelijk gezien;.... ik begrijp het wel, Go, zoo iets moeten +we allemaal door. Eerst had-je geen begrip van ’t leven;.... nu +heb-je ’t ’n beetje, maar eenzijdig en verkeerd. Denk maar +eens logisch na: Het kan toch niet, dat de wereld maar voortdraait, dat +de menschen zich organiseeren, en werken en ploeteren;—als er +eigenlijk niets waarde had en alles leelijk was?”</p> + +<p>“Nee, natuurlijk. Nee, dat kan niet. O, Mary, ik geloof, dat +je woorden me zoo goed hebben gedaan. Vroeger, als ik ’n mooi +boek had gelezen, verbeeldde ik me altijd, dat van dàt oogenblik +af m’n heele leven veranderen ging; en dit gevoel heb ik nu +weer.”</p> + +<p>“Dat geloof ik toch niet, Gootje. Alleen is dit gesprek goed +geweest, als begin van grootere vertrouwelijkheid tusschen ons. Je bent +zoo gesloten,—en ik geef me ook niet gauw, ik heb er geen +behoefte aan, en heb ook niet veel te zeggen.”</p> + +<p>“En je hebt nu den heelen ochtend aan één stuk +door gepraat! Wat kan iemand toch dom-rampzalig zijn.”</p> + +<p>Go stond op, en rechtte zich, maar Mary praatte nog voort, met haar +naar de deur gaande: “Ik heb eigenlijk nog zooveel te zeggen; +zoo’n oogenblik, dat je elkaar wezenlijk begrijpt, komt zoo +zelden weer.... Maak je geen zorgen, dat je je studie op ’t +oogenblik duf en droog vindt. <span class="pagenum">[<a id="pb256" +href="#pb256">256</a>]</span>Dat komt, omdat ’t nieuwtje er af +is, en je nog niet ver genoeg bent, om de philosophische waarde te +begrijpen;—alles gaat in drie perioden, en de tweede is de +neergang in ’n stijgende golflijn.... Wees niet ongeduldig, als +’t niet meevalt in ’t begin, en ga je nu aankleeden voor de +koffie.”</p> + +<p>Drie minuten later was Go, ’t haar al los, in de kamer terug. +“Wees niet boos op me, maar ik móet je even vragen, +waarmee ’k beginnen moet? De toepassing in het leven?”</p> + +<p>“Ken-je den bijbel? Nee? Nu, dan moet je daarmee beginnen. Het +grootste deel van de jeugd is tegenwoordig ongeloovig, zonder iets van +den christelijken godsdienst af te weten.”</p> + +<p>“Ja, dank je.”—Ze zweeg even, nadenkend; maar +dadelijk weer vervuld van ’n nieuwe kwestie, viel ze uit: +“En wat willen de vegetariërs met de beesten doen, als we ze +niet meer opeten? En hebben die menschen van de wereldvrede vertrouwen +in de conferenties in Den Haag?”</p> + +<p>“Kind,” lachte Mary, “gá toch. Ik ben +waarachtig niet het orakel van Delfi. Hoop maar met hart en ziel, dat +je nog heel lang op deze wereld mag blijven....”</p> + +<p>“Of er dikwijls terugkomen.”</p> + +<p>“Want je ziet wel; we hebben enorm veel te doen.”</p> + +<p>“Ja; ik zal maar beginnen me gauw netjes te maken, want Frieda +fluit al in ’t portaal.”</p> + +<p>En met ’n sprongetje was Go weer in haar kamer, en onder +’t kappen lachte ze nog om haar domheid, dat ze het leven nu al +had geoordeeld en veroordeeld; zij, ’n kind, dat nog niets +wist.</p> + +<p>En terwijl ze dacht aan Eduard en de desillusie over hem, was +’t toch, of zij ’t nu anders <span class="pagenum">[<a id= +"pb257" href="#pb257">257</a>]</span>zag, als ’n klein droef +gebeuren in ’n groot leven; en, de handen achter haar hoofd +saamgevouwen, staarde ze strak in den spiegel naar haar gezicht, om de +toekomst te lezen uit haar lippen en oogen. Zelfstandig zou ze nu +moeten worden, goed en sterk. Het was onmogelijk, dat de toekomst haar +beangstigde, wanneer ze niets verlangde dan ’n goed mensch te +worden. Ze zou zich in zichzelf en in levensvertrouwen krachtig moeten +maken.</p> + +<p>Maar zich afwendend om te gaan, zag ze even, dadelijk verschemerend, +haar beeld, zooals ze het zich kortgeleden had gedroomd: tusschen hem +en haar kinderen, gévend aan elk, gevend zichzelf, haar +gedachten, haar kracht, haar leven....</p> + +<p>Mary had niets over trouwen gezegd. Ze waren ménschen; ze +wàchtten niet. Dít leven was hooger en edeler en +fijner;.... maar had moesje, die eenvoudig deed haar plicht van vrouw, +van moeder, zonder diepzinnigheid, zonder redeneeren, het leven niet +beter en inniger begrepen....</p> + +<p>En ze twijfelde even aan de waarde van alles, wat Mary dien ochtend +had beweerd. Toch wás dat streven op ’t oogenblik het +eenige, dat haar kon vullen, al moest ze daarbij iets van haar wezen +negeeren, ’n groot verlangen bedwingen, dat niet gemakkelijk te +overstemmen viel....</p> + +<p>Maar Mary, geurig van vredige vroolijkheid, stond lachend in haar +deur, vroeg, of ze den bijbel bepaald vóór de koffie uit +hebben wilde. En, zich overgevend aan den invloed van voldaanheid, +volgde Go haar naar de huiskamer met lichtende oogen en ’n +blij-wachtend trekje om de hoeken van haar mond. <span class="pagenum"> +[<a id="pb258" href="#pb258">258</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e4141" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XX.</h2> + +<p>“Ik verzeker jullie,” pleitte Gusta Vermeer, ’n +waanwijs eerste-jaartje, “dat de formule van (n + 1) schepje thee +niet doorgaan kan, als <i>n</i> onbepaald toeneemt.”</p> + +<p>“Nee, natuurlijk; alle thee zou niet eens in den trekpot +kunnen.”</p> + +<p>“En de thee zou te sterk worden ook. Maar Guus, maak jij nu +’s ’n gecompliceerde formule, die altijd opgaat, dan hangen +we die boven de theetafel.” En Lou’s smal kindergezichtje +boog met ’n lach zich weer over het hemdje heen, terwijl, nu de +discussie aan deze zijde van de tafel zweeg,—Gusta had ’n +papier genomen, en begon te cijferen,—het levendige debat +tusschen twee bestuursleden opklonk over den invloed van de omgeving op +den mensch.</p> + +<p>“Ik stel ieder mensch zoo volkomen verantwoordelijk voor +z’n daden, en ik geloof zoozeer aan strenge rechtvaardigheid, dat +ik bijna zou zeggen, dat hij z’n omgeving in ’n vorig leven +zelf gemáákt heeft, zelf voorbereid.”</p> + +<p>“Maar welk récht heb-je om te vermoeden, dat wij +wezenlijk door eigen verdienste ’t nu zoo <span class="pagenum"> +[<a id="pb259" href="#pb259">259</a>]</span>goed hebben, en anderen +door schuld zoo ellendig?”</p> + +<p>“O,” viel Go even met warmte in, “als je mee was +geweest in die arme gezinnen, als je gezién hadt de armoe en de +ontbering, ik geloof, dat je dan zélf ’n oogenblik je +theorie van rechtvaardigheid hadt vergeten, dat je ook +bescháámd zou hebben gestaan over onze zorgelooze weelde, +terwijl er zoo ontzettend geleden wordt, vlakbij.”</p> + +<p>Mary glimlachte; ze had wel voorzien, dat Go’s gevoelige +natuur, zoodra ze met armoede in aanraking kwam, naar ’n +idealistisch, onwetenschappelijk socialisme zou neigen; ze had deze +dagen over niets anders gepraat dan over het onrecht, en zelf de +grootste soberheid in acht genomen. En vol sympathie naar ’t +enthousiaste, kinderlijke gezicht kijkend, zei Mary rustig: “Ik +vind best, als we, wanneer óns ellende treft, het beschouwen, +als ’n straf van God of de consequentie van eigen vroegere daden. +Maar wanneer die overtuiging ons medelijden zou wegnemen met de +misdeelden, wordt ze ons beslist tot nadeel voor zedelijken +vooruitgang.”</p> + +<p>“Ik geloof ook niet,” zei Coba, die op den grond +’n rok aan ’t inspelden was, “dat onze geschenken van +dién aard zijn, dat ze bepaald de “rechtvaardige” +straf van ontbering opeens nietig maken.”</p> + +<p>En ze lachten allemaal, om de vreemde wending, die hun diepzinnig +vertoog langzaam-aan had genomen, terwijl Gusta de aandacht vroeg voor +haar proeven met thee en warm water.</p> + +<p>Het was drie weken voor St. Nicolaas, en al geruimen tijd was er +elken middag na college vergadering in ’t clublokaal en ’s +avonds nog ’s <span class="pagenum">[<a id="pb260" href= +"#pb260">260</a>]</span>bij iemand aan huis geweest van ’n +vijftien meisjes, ieder met ’n pakje onder den arm “als +echte naaimugjes”, die dat jaar de leiding van het +feest-voor-arme-kinderen op zich hadden genomen. Buiten was het +nevelig-koud, en vol verwachting de lucht, en zij-zelf waren zoo +vroolijk, zoo verdiept in hun werk, dat Go zei, dat ze zich niet zou +weten te bergen, als de menschen nog gingen prijzen en bedanken ook, +alsof ’t maken niet de gróótste pret was geweest. +Daar vielen de vermakelijkste dingen bij voor: geen van de meisjes had, +na de lagere school, nog grondig naaionderricht genoten, en haar +onwetendheid werd alleen door haar voortvarendheid opgewogen. Vooral de +eerste weken, toen alles geknipt moest worden, waren emotievol en +spannend geweest: het biljart in de zijzaal werd opzij +geschoven—want om te spelen had nu toch niemand tijd, en de witte +en de roode werden nog slechts als maasbal gebruikt,—de groote +lap over den grond uitgebreid, en allen er om heen om hun meening ten +beste te geven. Onder de relikwieën van de club was het model voor +’n kinderjurk, “de” jurk, die jaar aan jaar werd +nagemaakt, maar die volgens Mary latere kroniekschrijvers zich ’n +eeuw met den oprichtingsdatum van de V. V. S. L. zou doen vergissen, +daar alleen haar overgrootmoeder zoo’n model in haar jeugd +gedragen kon hebben.</p> + +<p>Francis en Riek,—nog steeds snoevend op het glorievolle feit, +dat ze in hun eerste jaar met Else ieder ’n blouse hadden +gemaakt, die ze alleen daarom niet hadden kunnen dragen, omdat ze bij +het knippen de naden er niet bijgerekend hadden,—stonden er op +nachtponnetjes, “met ’n glad stuk” te naaien, volgens +’n papieren patroon; <span class="pagenum">[<a id="pb261" href= +"#pb261">261</a>]</span>en toen de kunstproducten bijna af waren, was +het driejarig zoontje van de “juffrouw” naar boven getroond +om eens te passen. Na ’n kleinen strijd over “achter” +en “voor” was de mollige jongen er in geheschen, maar, +ofschoon hij door het speculaasje in z’n hand in de tevredenste +stemming van de wereld was, had hij toch groote neiging getoond om te +gaan huilen, toen opeens alle meisjes in ’n luidruchtigen schater +waren losgebarsten, al maar wijzend en kijkend naar hèm.</p> + +<p>Go zàg ’t dreigen, en nam den kleinen kerel steeds +proestende in haar armen, zoende ’m op z’n verbaasde +gezicht.</p> + +<p>“Je bent ’n schat, hoor vent, en we lachen ook niet om +jou, maar om dat dwaze jasje!” en Coba streek over den +bolderenden bovenkant, aldoor nog hikkend: “’n Glàd +stuk, ’n glàd stuk; dat noemt ze ’n glád +stuk,” en ’t werk had nìet hervat kunnen worden, +vóór de kleine baas weer in z’n buisje was; maar +een kleine storing blééf, omdat ieder op de beurt +’m koekjes en chocolade toestoppen ging.</p> + +<p>Frieda deed niet mee met de algemeene naaiwoede. “Ik ben er +van overtuigd, dat juist aan dat eeuwige peuterige gehandwerk heel veel +van de kleinzieligheid en bekrompenheid van de +vrouw-in-’t-algemeen geweten moet worden, en ’k zal +m’n hersens, die al genoeg geleden <span class="corr" id= +"xd0e4181" title="Bron: hebden">hebben</span> door de zonden van +m’n voormoeders, niet zelf ook nog ’s af gaan +stompen,” had ze gezegd; maar Go vond juist, dat je onder +’t naaien zoo heerlijk dènken kon: “Voor vrouwen, +die niets anders kunnen of weten, lijkt ’t me wel ’n suf +werkje, maar wij, die zooveel door te denken en te verwerken hebben, +worden rústig, als <span class="pagenum">[<a id="pb262" href= +"#pb262">262</a>]</span>intusschen onze handen wat doen,” en ze +was blij, dat Mary er ook zoo over dacht, en ’n waar genie aan +den dag legde in ’t haken van wollen sokjes en kapertjes van +rose-en-wit, ofschoon de medicae daar niet vóór waren, +meer losse, warme jurken en wantjes aanprezen. Die waakten met veel +toewijding voor de hygiëne. Van de lange, gekregen +mama’s-rokken moesten de sleepen worden afgenomen, +géén hooge kragen, deugdelijke voering; en ook het +speelgoed werd eerst zorgvuldig onderzocht, of ’t niet gevaarlijk +gekleurd was, te scherp of te hard voor onbestuurde handjes.</p> + +<p>Go liet àlles om dit werk loopen; visioenen van zingende +kinderen, ideeën voor ’t model van ’n rokje, ’n +schort, verstoorden haar aandacht onder de college-uren; de bloc-notes +van de bibliotheek teekende ze vol met ontwerpen voor ’n +poppenkamer, uit houten doozen getimmerd; en bij iedere poes bleef ze +lang en diepzinnig staan kijken, omdat ze er een van goed maken wilde. +De vergadering van L. V. had ze zelfs willen verzuimen “omdat ze +haar naaiwerk niet in den steek kon laten,” maar toen had ze +permissie gekregen het mee te brengen, al was ’t ’n +beddelaken; en al had ze, heel bescheiden, slechts ’n +wiegekleedje meegenomen,—nog van thuis, maar dat opnieuw gezoomd +moest worden,—den heelen avond was de aandacht voor haar handen +geweest, en de jongens hadden aan ’t eind meer over den inhoud +van haar naaidoosje en ’t motief van het borduursel kunnen +vertellen, dan van wat er literair en wetenschappelijk behandeld +was.</p> + +<p>Ru schudde z’n hoofd over die “manie”; naar geen +enkele lezing was ze meer mee te krijgen. <span class="pagenum">[<a id= +"pb263" href="#pb263">263</a>]</span>“Ik verzeker je, dat, zoodra +je op gevoelsgronden van onrecht bent overtuigd, het +allernoodzakelijkst is, dit met wetenschappelijke bewijzen te kunnen +steunen,” oreerde hij, “je doet wezenlijk +méér voor de proletariërs, wanneer je je in de +maatschappelijke wanverhoudingen inwerkt, dan als je maar zit te +prutsen, aan weet ik wat... <span lang="en">All charity is a silent +admission, that justice has not been done to the poor.</span> En als je +meent daar nu ’s heel nuttig bezig te zijn,—ik zeg je, dat +juist de weldadigen veel meer dan de bruten meewerken om de ellende in +stand te houden.”</p> + +<p>Maar Go hield lachend de handen voor de ooren, en hem ’n +streng wol toewerpend riep ze vroolijk: “Kom, hou die maar +’s op, meneer de boetprediker, en praat niet zoo wichtig van +maatschappij en menschenplicht... Ik doe tegenwoordig niets dan over +ernstige dingen nadenken, vraag ’t maar aan Mary;.... ethische +kwesties van ’t begin tot ’t eind,.... maar als je me nou +met ’n ernstig gezicht vraagt, waarom ik die hemdjes en broekjes +en jurkjes zit te fabriceeren,—och, dan beeld ik me heusch niet +in, dat dat nou erg weldadig of edel van me is; en ik zeg mét +Wim de Veer, verpletterend-logisch: omdat ’t lollig +is.”</p> + +<hr class="tb"> +<p>“En kennen jullie ook van: Zie ginds komt de stoomboot?” +vroeg Mies de Bruin, die zoo’n beetje de leiding had, omdat +háár mama de families uitgekozen had uit de armenlijst. +En dadelijk vielen de kinderstemmen, hard en dreunend-maatvast in, +terwijl Mies ze zacht begeleidde, voortdurend opzij kijkend naar al de +open monden.</p> + +<p>Go, Francis en Coba gingen met chocolademelk <span class="pagenum"> +[<a id="pb264" href="#pb264">264</a>]</span>en speculaas rond; met +hartelijke lachjes en ’n vriendelijk woord verdeelden ze hun +goede gaven van bank tot bank, en naarmate ze verder kwamen, +verminderde de animo voor ’t gezang, mond na mond vulde zich +gretig met de zeldzame lekkernij, zoodat aan het slot nog maar ’n +enkel dun stemmetje in gespannen afwachting de melodie uitzong.</p> + +<p>Erna Böhme, ’n verfijnd-artistiek meisje, dat op haar +kamer geen enkel ding duldde, dat niet op zich-zelf mooi en bizonder +was, kwam, nadat ze verteederd naar ’n leuk, blond kindje was +toegeloopen, en ’t opgetild had in haar armen, ’n beetje +verschrikt achter het scherm, waar “gewerkt” werd, terug. +“’t Is wezenlijk allerliefst,” zei ze zacht tegen Go, +“als die menschen maar niet allemaal zoo vreeselijk +stonken.”</p> + +<p>“Ja, ’n eau-de-cologne-badje zou niet overbodig zijn, +hè? Enfin, ’t is voor ons ’n kleinigheid.... de +stakkers, die zoo’n lucht altijd bij zich hebben,” en gauw +zich tot Lou wendend: “Och, Loulou, als je eerst al die kopjes +afwascht, en dat telkens weer, zullen ze bijna niets binnen krijgen. +Denk-je, dat ’t hinderen zal, als ze ze van elkaar +gebruiken?”</p> + +<p>“Ik weet niet; de medicæ...”</p> + +<p>“Kom, vooruit;” besliste Coba, “als ze nooit uit +on-hygiënischer vaatwerk drinken, dan uit dit... De medicæ +zijn boven bij de St. Nicolaas-kleeren. Schenk maar in.”</p> + +<p>Mary zat stil in ’n hoek met ’n kleintje op schoot, dat +niet lekker was en toch niet naar huis wou; ze speelde door het haar +met haar witte vingers, en keek droomerig naar het toenemend gejoel van +de anderen. Toen het donker <span class="pagenum">[<a id="pb265" href= +"#pb265">265</a>]</span>gemaakt werd voor de tooverlantaarn, steeg de +nog-bedwongen luidruchtigheid tot ’t hoogtepunt, en Go, die +midden in ’n groote groep jongens was gaan zitten, werd geduwd en +gedrongen naar alle kanten, onder harde kreten van verrukking en +intieme geheimpjes, warm-gefluisterd aan haar oor.</p> + +<p>De komst van St. Nicolaas met Coba, flikker-oogend, als knecht er +achter, bracht eerst ’n strakke stilte in de zaal teweeg; maar de +vriendelijk-hooge stem door den witten baard en vooral ’t +gul-handig pepernoten strooien van ’t jolige zwartje deed den +moed groeien tot “’n handje geven,” en ’n +enkele waagde ’t zelfs hoog-stemmig en afgebeten ’n versje +op te zeggen, zich vasthoudend aan den breeden, witten schoot van den +vaderlijk-luisterenden, glimlachenden heilige.</p> + +<p>“Nu in ’n kring om ’m heen dansen!” werd +vroolijk rondgeroepen, en zingend liepen ze in ’t rond, de +kinderen opgewonden springend aan de armen der meisjes, die, +heelemaal-er-in, elkaar stralend toeoogden, dat alles zoo goed +ging.</p> + +<p>Go had onder de moeders, die bleek en zielig-dankbaar tegen den muur +zaten, vele met ’n heel kleintje op den arm, ’n rosharige, +slap-mooie vrouw herkend, die ze eens, op ’n avondwandeling, met +’n kinderwagen bedelend tegen waren gekomen, en wie Eduard toen +wat geld gegeven had. Háár koos ze dadelijk tot haar +bizondere beschermeling, haalde wat melk voor ’t kindje, +grabbelde voor haar mee van de kaakjes en pepernoten, en zoo vaak ze +haar iets bracht, voelde ze ’n vreemd geluk, scherpen +doordringend, ’n wellust van herinnering, die haar oogen week +maakte bij het bewonderen van het bleeke stumpertje <span class= +"pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266">266</a>]</span></p> + +<p>Later ging St. Nicolaas naar boven terug, en—de cadeautjes +voor de kinderen verdeeld,—werd nu het goed voor den dag gehaald, +waar de moeders, schichtig-verwachtend, omheen drongen. Go was Coba +gaan helpen, die een en al opwinding was, en met haar gezicht nog half +zwart, alle mogelijke luchtsprongen maakte in haar rood satijnen pakje, +waar ze zich buitengewoon makkelijk in voelde.</p> + +<p>“Hoefde ik toch maar nooit die vervelende rokken meer +aan!”</p> + +<p>“Wat zou De Veer je nù graag mee hebben op z’n +tochten.... Toe, sta nu even stil!” en Go schonk voorzichtig warm +water langs haar zwarte wang, zacht nawrijvend met den handdoek; want +’n spons was er niet te krijgen. Mies de Bruin liep, met haar +haar los, in haar witte tabbaard rond. “’t Is ’n +geslaagde avond. Als nu die goeduitdeeling nog maar geregeld gaat. Och +Go, hier is ’n lijstje voor de familie Hendrix, die er later nog +is bij gekomen. Wil-je er even mee naar beneden gaan?”</p> + +<p>De uitdeeling was al bijna afgeloopen, en huiverig-ineengeschurkt +waren de meeste families bedankend de deur uitgeschuifeld. De meisjes, +moe, maar blijvend opgewekt, gaven de kinderen hun jassen en petten, +hielpen de vrouwen de kleeren en de erwten en boonen tot ’n pak +maken.</p> + +<p>Go stond even te kijken, liep toen de al-verlaten zaal weer in, waar +Lou alleen, pretentieloos-lief, de verspreide kopjes aan ’t +inzamelen was, zuinig kaakjes en krentenbollen, die ze hier en daar +vond, in groote zakken stoppend.</p> + +<p>“Dit was wel onze éigenlijke Sinterklaas, hè +Lou,” praatte Go helpend, “het cadeautjes-krijgen thuis +<span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267">267</a>]</span>kan +onmogelijk zoo geanimeerd zijn, als deze avond.”</p> + +<p>“Heb-je dat kleine jongetje gezien met die groote oogen, die +alleen maar chocolademelk wilde drinken en al z’n koekjes en +appels in z’n blouse bewaarde “voor moeder”? Vin-je +’t niet roerend?”</p> + +<p>“’t Zoontje van vrouw Ties kon de overjas toch niet +aan,” kwam Mary vertellen. “Zoo zielig... Hij was in +z’n enkele pakje, en zette eerst al zoo’n dol-blij gezicht. +Hij paste ’m zeker, zei hij; maar toen hij er in wou, werd ie +heelemaal rood; er was eenvoudig geen kijk op... Nou is-tie voor +z’n broertje; die groeit er gauw genoeg in.”</p> + +<p>Coba, nog ’n beetje “grijs”, kwam met Mies naar +beneden; de helpster begon het gebruikte vaatwerk weg te dragen, en +langzaam, in voldane moeheid, trokken ze mantels en mutsen aan.</p> + +<p>“Ik begrijp niet, waar ’t in zit, maar de cadeautjes +voor de familie Schuring klopten niet,” peinsde Francis, +“’t staat toch op ’t lijstje genoteerd. En nu bleken +de kinderen opeens allemaal veel grooter.”</p> + +<p>“Zeker gegroeid in dien tijd... Ach Guus, zeg jij even tegen +de helpster, dat ze meenemen mag, wat er over is.”</p> + +<hr class="tb"> +<p>Ze gingen met ’n heel groepje naar huis, oudere meisjes, +vriendinnen van Mary en Frieda, die allemaal ’t zelfde +koel-heldere, verstandelijk-sympathieke hadden, en ’n +twijfelloos-zekere harmonie in heel hun wezen. Eerst werd er nog +’n beetje over den avond gepraat, maar al spoedig verdiepte zich +’t gesprek tot ernstige bewering, en <span class="pagenum">[<a +id="pb268" href="#pb268">268</a>]</span>’n knap meisje, dat +wijsbegeerte en psychiatrie studeerde, betoogde het voordeel van de +filosofie-colleges; “wezenlijk, als je, wat dáár +gedoceerd wordt, in je hebt opgenomen, behoor-je niet tot ’n +partij, zooals ’n ander;... je bent niet Hegliaan òf +theosoof òf sociaal-democraat... allemaal één pot +nat;—maar je staat bóven de partijen, je omvat +álles...”</p> + +<p>“Maar dat zeggen immers anderen van hún leer;.... dat +zeggen de theosofen ook.”</p> + +<p>“Zonder grond. Want als bepaald, beperkt stelsel moeten zij +noodzakelijk andere uitsluiten. De Hegelarij alleen, door iedere +overtuiging als ’n eenzijdigheid te zien, en bij iedere +stelbaarheid dadelijk ook het tegenovergestelde te erkennen, is vrij +van de bekrompenheid van partij-haat, die de menschen elkaar in +’t haar doet vliegen....”</p> + +<p>“Ja maar; al kòmt ’t voor, bekrompenheid of +onverdraagzaamheid is niet ’n inhaerente eigenschap van ieder, +die voor ’n partij voelt. Integendeel geeft ’n overtuiging +alleen krácht om te werken, om iets goeds tot stand te brengen, +en al is zoo’n krachtsinspanning-naar-ééne-richting +voor jullie opperste wijsheid ook ’n eenzijdige bekrompenheid, ik +geloof, dat ’t maar heel goed is, dat er nog velen zijn, die +één ding vreeselijk gelooven en ’t andere negeeren; +want er is nog zooveel op de wereld te verbeteren, dat jullie +voorkeurlooze gelijkmoedigheid voorloopig uit den booze is.”</p> + +<p>Het Hegliaantje haalde de schouders op en met ’n kort, beslist +accent antwoordde ze: “Je bent in alle opzichten ’n +ontwikkeld, verstandig meisje, Mary, maar toch valt er niet met je te +debatteeren, voor je geleerd hebt dialectisch <span class="pagenum">[<a +id="pb269" href="#pb269">269</a>]</span>te denken. Volg +éérst ’s ’n collegium logicum.”</p> + +<p>Mary knikte, niet gepiqueerd. “Ik heb geen pretentie van +’t beter te weten,” zei ze met ’n glimlach, “en +ik ben er van overtuigd, dat ik op die colleges veel leeren zou;.... +maar ’k heb nu eenmaal geen lust, ’n sterke persoonlijkheid +direct op me te laten inwerken, vóór ik in mezelf +’n beetje weerstandsvermogen en kritische helderheid voel. +Zie-je,.... ik hou van m’n stillen vrede, m’n harmonie, en +ik ben bang voor vuisten en fascineerende oogen. Toch zullen we +’t volgend jaar ’s gaan;—’t is laf ’t te +ontloopen; hè Go, wij samen?”</p> + +<p>Maar in Go’s hoofd zongen nog de Sint-Nicolaas-liedjes; ze zag +de vrouw met het bleeke gezicht en rossige haar en al de kleine, +zwakke, witte kindertjes, tegen de moeders aangeleund, hulpeloos;.... +dan weer de woestheid van de ouderen, die tegen haar knieën +drongen;—en opschrikkend zei ze: “O, <span class="corr" id= +"xd0e4268" title="Bron: May">Mary</span>, ik liep te denken, of we niet +nog geld inzamelen kunnen om ’t jongetje van vrouw Ties +tóch ’n overjas te geven. Ik vind ’t zoo zielig, +hè?”</p> + +<p>“Ja, we kunnen ’n inteekenlijst op de club +leggen.”</p> + +<p>“En ik ga zelf wel vragen bij ’n paar +meisjes.”</p> + +<p>“Dat ’s best,” knikte Mary, trok Go’s arm +door den haren, “en ben-je verder nogal voldaan?”</p> + +<p>“Ja, o ja; ’t was ’n prachtige avond.” Ze +zweeg even, en toen bedenkend: “Wat doen de studenten ook +weer?”</p> + +<p>“Die gaan in de ziekenhuizen, de heele stad door. Dat is +natuurlijk veel grootscher.... Ze hebben meer geld..” <span +class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270">270</a>]</span></p> + +<p>“Ja natuurlijk. Maar zou dit nu niet mogelijk zijn: Dat we +hierin samenwerkten? De jongens ’t meeste geld; wij de meeste +ijver en toewijding....”</p> + +<p>“En naaitalent.”</p> + +<p>“Ik geloof niet, dat hier iets tegen kan zijn,” zei Mary +vriendelijk, “je wilt nu eenmaal je ideaal van samenwerking, hoe +dan ook, niet opgeven. En in dit opzicht zal ’t zeker mogelijk +zijn.”</p> + +<p>En Go zuchtte zacht: “O, als we maar eenmaal zoo ver zijn, dat +we het béste, dat we doen, sámen doen;—dan zal +alles vanzelf goed worden.” <span class="pagenum">[<a id="pb271" +href="#pb271">271</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e4291" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk<a id="xd0e4294"></a> XXI.</h2> + +<p>“Nou; en toen?” vroeg Gerard, heen en weer loopend van +blijdschap en opgewondenheid.</p> + +<p>“Toen vroeg hij, of ik er nú niet over dacht in +vergelijkende taalstudie door te gaan. Hij geloofde, dat ’k er +wel ’n hoofd voor had.”</p> + +<p>“Prachtig. En wat zei-jij, Go? Dat je nóg uitstekender +was in al ’t andere?”</p> + +<p>“Nee; dat ik blij was, dat hij tevreden was, maar dat ’k +er ook veel moeite mee gehad had. En toen wenschte hij me evenveel +succes met de andere tentamina, en liet me uit, erg hartelijk. En toen +heb ik ’t op ’n loopen gezet, hier naar toe, met ’n +zalig, luchtig gevoel, net of ik al candidaat was, in plaats van een +beginneling, die nog ’n berg werk door moet.... en nu weten +jullie de heele geschiedenis.”</p> + +<p>Mary glimlachte zonnig. Ze kón niet uitbundig zijn. Maar +Gerard, in ’n opwelling van jongensachtige uitgelatenheid, sprong +’n paar maal over de canapé, liet zich toen met ’n +plof buiten adem er op neervallen: “Waarachtig, Gootje, je zou +’n bezadigd mensch weer wild maken. Je weet niet, hoe allemachtig +veel plezier ’t me doet. ’t Móest <span class= +"pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272">272</a>]</span>ook wel goed +gaan; je wist ’t, je verdiende ’t.”</p> + +<p>“Of niet ’n groot deel van de verdienste bij jóu +ligt,” antwoordde Go, ’m de hand toestekend. “Of jij +me niet overal bij geholpen hebt, met je dictaten, met boeken, en met +je eigen doceertalent. En dan.... hoe dikwijls heb-je me uit ’t +werk gehaald, als je vondt, dat ik overdreef,—om te fietsen, of +te tennissen—; zoodat ik weer heelemaal frisch thuis +kwam.”</p> + +<p>Ja; en dát zal ik nu dadelijk weer doen. Vandaag mag-je geen +boek meer aanraken. Kom, doe gauw dat statiekleed uit, en laten we naar +Katwijk fietsen.”</p> + +<p>“Nee, geen dwaasheden, Gé. Ik wil nu wel eerst wat +wandelen. Maar vanmiddag begin ’k Den Hertog te +repeteeren.”</p> + +<p>“Laat ’r,” zei Mary rustig, “als ’t +heilige vuur brandt....”</p> + +<p>“Ik vind ’t dom. Maar dan zal ’k m’n excerpt +nog even gaan afmaken; breng ’t je vanmiddag.”</p> + +<p>“’t Is toch wezenlijk geen wonder, als ik ’n goed +tentamen doe, met zóóveel hulp.”</p> + +<p>“Ga dan alléén wat loopen. Je hebt genoeg +prettigs om over te denken. En ’t is zoo heerlijk +buiten.”</p> + +<p>Het “zwarte pad” was één koele zonnigheid. +De herfsthemel, hoog-blauw, met ijle nevelwolkjes, spiegelde zich in +’t gladglijdende water van de vaart, waar hier en daar ’n +langzame schuit door ploegde, ’n bruine man aan ’t roer, +die eerst achterdochtig gluurde naar de eenzame wandelaarster, dan met +’n goeiig: “goe-mèrge” de stilte brak.</p> + +<p>En Go riep, hoogstemmig, den groet terug, en knikte. Ze voelde haar +hart wijd worden van <span class="pagenum">[<a id="pb273" href= +"#pb273">273</a>]</span>genot. “Leiden, lief, heerlijk +Leiden,” zong ’t in haar; “wat ben-je mooi en stil in +’t licht; wat lig-je gedwee in den zonneschijn. Hoe +láát je je leven.” En dan weer: “Wereld, +mooie wereld, wat ben-je licht! wat is alles mooi: ieder grasje, de +verkleurde blaren, ’t water, de hemel.... Heerlijke wereld, hoe +blij ben ik, dat ik leef.”</p> + +<p>Het slagen voor haar tentamen lag veraf; ze was zelfs blij, dat +Gerard niet mee was gegaan, Gerard, die met z’n gedachten haar +altijd doorvorschen wilde, wiens belangstelling en genegenheid ze +altijd nader voelde dringen. Ze wilde nu alleen zijn met de zon en de +koele lucht; als ’n bloem in ’t licht wilde ze zich voelen. +Niet denken, niet denken; ze had de laatste maanden zooveel gedacht; ze +had zooveel gestreden met zich zelf; met dàt, wat na ’t +eerste gesprek met Mary altijd weer boven was gekomen, het warme, +onstuimige, onberedeneerde gevoel, dat haar ánders maakte, +ánders deed blijven, dan Mary, de rustig-harmonische, en Frieda, +die niets dan wetenschap zocht. Toen was ze gaan werken, hard, +aanhoudend, en dát had haar wel geholpen. Ze had niet meer aan +haar ziel, en niet aan haar levenshouding gedacht; ze had niet gevoeld +de wisseling der seizoenen; afgesloten van alles, hadden haar hersens +alleen gegolden.... en nu, ten deele bevrijd, was ze tot ’t leven +teruggekeerd op dezen lichten herfstmorgen, en liep met haar vingers +open en haar hoofd even achterover zich te geven aan de +ten-winter-neigende zon.</p> + +<p>’n Geritsel door de struiken deed haar opschrikken, en +tegelijk zag ze Eduard, die met den rug naar haar toe bij den waterkant +stond, en Bruno, die, uitgelaten van vreugde, op haar afstormde. <span +class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274">274</a>]</span>Eén +blik op z’n verward-blozend gezicht was Go voldoende geweest om +te weten, dat hij haar gezien had en ontwijken wilde, en, ’t hart +hevig kloppend, hoezeer ze zich ook tot kalmte maande, trachtte ze stil +verder te loopen, Bruno’s vroolijk herkennen negeerend.</p> + +<p>Maar de hond stoorde zich niet aan haar koelen blik. Met zacht +vreugdegehuil legde hij z’n breede voorpooten op haar ontwijkende +schouders, en besnuffelde gretig haar gezicht en haar haar. En toen ze, +geroerd door z’n hartelijkheid, met ’t oude gebaar haar +handen zacht om z’n kop legde, sprong hij op met ’n luid, +juichend geblaf, rende naar Eduard en weer terug, blaffend en huilend, +likte haar handen en laarzen; en eerst toen Eddy, licht geërgerd +over ’t malle figuur, dat de hond ’m deed slaan, zich +omgekeerd had, en nader kwam, omhelsde Bruno haar opnieuw, met ’n +kalme beweging van in-bezit-nemen.</p> + +<p>Go hield hem, verlegen en trotsch, tegen zich aan. “Híj +kent me nog; hij is me nog niet vergeten,” zei ze glimlachend +tegen Eddy, met zacht verwijt.</p> + +<p>“Hij lijdt niet aan “stemmingen”,<span class= +"corr" id="xd0e4340" title="Niet in bron">”</span> verweerde hij +zich, “ik was niet ín ’n stemming jou te zien; had +je de volgende week willen komen opzoeken om afscheid te +nemen.”</p> + +<p>“Ga-je dan weg?”</p> + +<p>“Ja, ’n jaartje rondtrekken, om wat in allerlei +bibliotheken te snuffelen, voor m’n dissertatie.”</p> + +<p>“O, en dan promoveeren?”</p> + +<p>“<span lang="en">I think so</span>, ja. Zullen we wat +oploopen?”</p> + +<p>“Nee, als je nu tégen je wil...”</p> + +<p>“Welnee, dat was maar ’t eerste oogenblik. M’n +eerste opwelling, als ik ’n kennis zie, is altijd weg <span +class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275">275</a>]</span>te +loopen.... kun-je ’t <a id="xd0e4360"></a>begrijpen? Ik heb er +vaak zelf spijt van. Nu vind ik ’t al weer heel gezellig. Ik heb +je zoo lang niet gezien.”</p> + +<p>“Een kennis; niets dan maar ’n kennis,” dacht ze +teleurgesteld. Maar ze zei alleen zacht: “Wat ’n zalig +weer,” en liep naast ’m voort, stil, de hand op +Bruno’s kop, de oogen, in afwachting, naar Eduard toegewend.</p> + +<p>“En vertel me ’s: hoe heb-je ’t tegenwoordig? Je +bent nooit meer ergens te zien, en Gerard brengt op de L. V. +vergaderingen altijd dezelfde boodschap: dat je werkt, hard werkt, en +geen tijd hebt er uit te gaan... Het lijkt wel, of je genoeg van ons +hebt.”</p> + +<p>Z’n stem was gemoedelijk-vriendelijk, maar ’n met moeite +bedwongen onrust trilde telkens om z’n neusvleugels. Hij had wel +gemerkt aan allerlei onzegbare kleinigheden, dat er iets veranderd was +tusschen Go en hem, en ook begrepen, gevoeld, waardoor ’t moest +zijn. Nu vreesde hij niets zoo zeer als ’n +“verklaring” tusschen hen beide, met tranen en verwijten, +waarbij hij met z’n figuur geen raad zou weten; en hoewel +twijfelend, of er iets tegen te doen zou zijn,—zoo’n +spontaan kind als Go zou ’n grief toch wel niet kunnen +verzwijgen—deed hij alles om ’t gesprek aan de oppervlakte +te houden, opgewekt en rustig.</p> + +<p>Ze ging er dadelijk op in. “Ja, ik heb het nu eindelijk eens +flink aangepakt. Vandaag heb ’k m’n eerste tentamen gedaan. +Nu, ’t wordt tijd in je vierde jaar...”</p> + +<p>“In je vierde; ja, ’t is waar; ’k word ’n +oude man. Ik zag gisteren ’n lange, witte haar tusschen m’n +zwarte; en jij draagt ’n sleepjapon... Ja, <span class="pagenum"> +[<a id="pb276" href="#pb276">276</a>]</span>ja... maar hoe bevalt je nu +alles bij elkaar?”</p> + +<p>“O goed. Ik hou van m’n werk.” Maar ’t +bezadigde glimlachje, waarmee ze ’t zei, intrigueerde ’m: +God, was ze zóó veranderd; dat was toch de Go niet, die +hij kende, de vertrouwende, alles eischende, maar ook bereid +àlles te geven. Hij vergat z’n voorzichtigheid, zei, uit +gewoonte blagueerend: “En de idealenwinkel? Nog niet +failliet?”</p> + +<p>Nu verzette haar trots zich: wat hoefde hij er naar te vragen, hij, +die alleen maar spotten kon; wat ging ’t hem aan? En met ’n +lichte ironie, die hij niet van haar kende, antwoordde ze: “Ja, +erg in trek zijn die tegenwoordig niet... Ik heb ze maar zelf +grootendeels weg gedaan, dat ik plaats hield voor andere dingen, +practische dingen.”</p> + +<p>“Beeld-je je dit alles in, of ben-je wezenlijk veranderd? +Heeft Frieda je ziel volgeplakt met overdrukjes van haar eigen +ideeën, zoodat je niet meer zien kunt, wat er eigenlijk in is, of +is de verandering van binnen uit begonnen?”</p> + +<p>“Mary heeft veel met me gepraat;... maar ik ben toch zelf +ouder geworden; ik geloof bijna: hárder. Als je érge pijn +hebt gehad om... om allerlei, waar niets aan te doen is, dan versteent +er iets... Ik weet niet, of ’k overdrijf; ’t is zoo +moeilijk iets van je zelf te weten,... maar ik ben wel minder +expansief, dan vroeger. Dat ’s zeker.”</p> + +<p>Hij knikte en keek naar haar vast gezicht: er waren lijnen, langs +den neus, die hij er vroeger niet had gezien, en ze sprak gedempter, +alsof ze zich steeds bedwong.</p> + +<p>“Ik heb vooral gemerkt, hoe ’k veranderd was, <span +class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277">277</a>]</span>’n +paar dagen geleden,” vertelde ze door. “Gerard stuurde +’n groen met ’n paar dictaatcahiers, en Mary en ik lieten +’m boven komen en gaven ’m thee en koekjes. ’t Was +’n aardig jongetje en we begonnen te praten met ’m. En toen +hij vertelde, wat hij allemaal van z’n leven verwachtte, en wat +hij voor iedereen wilde doen, toen merkte ik, dat ik glimlachte, +onwilkeurig, omdat ik ’t niet geloofde. Er is heel veel, dat +’k niet meer geloof.” Zij liepen zwijgend den weg terug. In +de verte blakerden de lage geveltjes van de Jan van Goyenkade, en het +houten dak van ’n huis in aanbouw flikkerde als ’n +spiegel.</p> + +<p>“Vroeger wilde ik iedereen helpen, dat weet je nog +wel...” begon ze weer. “Nu heb ik ingezien, dat ’t +“ieder voor zich” toch eigenlijk ’t eenige mogelijke +is. Zelf je best doen... en dan soms ’n kleinigheidje, bij +toeval, voor ’n ander... het is zoo weinig meestal.”</p> + +<p>“Go,” zei hij zacht, “weet je dien avond nog in je +kamer, toen je m’n steun wilde zijn?”</p> + +<p>En met de onverwachte stemmingswisseling, die hem weer zoo aan +vroeger herinnerde, riep ze uit: “O Eddy, ik weet nog alles +precies, en ik vóel ’t nog, al is ’t dwaasheid... en +soms denk ik, dat ik nóóit zal leeren wijs te zijn, omdat +ik zoo anders ben dan de anderen....”</p> + +<p>Ze waren bij de brug blijven staan, Bruno tusschen hen in, en hij +keek in haar oogen, tintelend van den ouden glans.</p> + +<p>“Ik wist wel, dat er nog iets van je over was,” zei hij, +niet begrijpend, waarom hij er blij om was. Hij ging immers weg, zou +haar misschien nooit meer zien... Maar dit oogenblik, dit laatste +samenzijn, was van ’n vreemd-schoonen weemoed; en z’n <span +class="pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278">278</a>]</span>stem trilde +van treurigheid, toen hij, haar hand vasthoudend, zei:</p> + +<p>“Hoe zullen we nu ooit weer bij elkaar komen, in dit +leven...”</p> + +<p>Toen ’n buiging, ’n hoedzwaai—en als in ’n +droom liep Go langs ’t smalle trottoirtje naar haar huis.</p> + +<p>Mary zat voor haar schrijftafel. “De cahiers van Gerard zijn +er al,” zei ze, zonder opzien.</p> + +<p>Maar Go kwam dadelijk naast ’r staan. “Ik heb ’m +gesproken; hij gaat weg,” zei ze dof, en zóó +somber, dat Mary geen oogenblik twijfelde, wien ze meende, en, met haar +hand op die van Go, zacht troostte:</p> + +<p>“Het is hard, kindje, zoo’n afscheid, en toch... je wist +al zoo lang, dat je niet aan ’m denken mocht,—misschien +geeft dit je rust.”</p> + +<p>“Ik weet niet. ’t Was eigenlijk ’t zelfde, of hij +er was of niet; ik sprak ’m toch nooit. En nu ook hebben we +’t over niets bizonders gehad. Maar ’t laatste oogenblik +was ’t, of er iets openscheurde, of alle ellende nu weer opnieuw +beginnen zou.” Ze liet zich in ’n laag stoeltje vallen, +verslagen, gebroken.</p> + +<p>“Kom, dit was je laatste beproeving; nu komt de overwinning, +wees nú sterk,” praatte Mary, toch éven +teleurgesteld, dat Go nog altijd zoo down kon zijn, zoo gebroken door +iets van buiten af.</p> + +<p>“Ik geloof niet eens, dat ik nog van ’m houd... ’t +is alles onzin; maar ’t is zoo moeilijk iets heelemaal op te +geven...”</p> + +<p>Mary reikte haar zwijgend de schriften: als woorden faalden, was er +nog ’t werk, dat troostte, omdat ’t kracht eischte en +aandacht, omdat ’t den heelen mensch in beslag nam. <span class= +"pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279">279</a>]</span></p> + +<p>“Ja; “<span lang="fr">allons travailler</span>,” +zuchtte Go; “bij groot en klein verdriet is dat ’t +eenige.”</p> + +<p>En toen ze ’n half uur later, na veel afdwalend +naar-buiten-staren en zich weer tot lezen dwingen, er eindelijk in +geraakt was, keek Mary glimlachend naar het bleeke, nu rustige gezicht, +en peinsde: En àls meisjes nu ’s dooreengenomen minder +praesteeren konden op ’t gebied van studie dan mannen; en +àls ’t nu eens waar was, dat zelfstandig, zuiver +wetenschappelijk werk van ’n vrouw zeldzaamheid was;—is dan +nog de studie voor haar niet een zegen, die haar heen helpt over de +eerste levensdésillusies, die er voor waakt, dat ze niet den +eersten slag blijft betreuren, maar haar steeds verder lokt naar nieuwe +verschieten; en, àls ’t volle vrouweleven komt, haar er +aan overgeeft, moedig en sterk, en boven alles jong en frisch, omdat ze +niet in hunkerend wachten is verflensd? En kòmt ’t +schoonste niet.... voor hoevelen komt ’t niet tegenwoordig, dan +is ’t géén verloren leven, dan kan ’t +waardevol zijn,—al is ’t ook niet heerlijk. <span class= +"pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280">280</a>]</span></p> +</div> + +<div id="xd0e4428" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Hoofdstuk XXII.</h2> + +<p>Op ’t partijtje ter eere van Go’s +candidaats-examen,—dadelijk na de groote vacantie in haar vijfde +jaar,—had Else opeens den lust voelen opkomen Leiden weer +’s terug te zien, en er was ’n afspraak gemaakt voor den +dag van de hospitanten-vergadering van de V. V. S. L., omdat ze ook zoo +graag Go ’s avonds als praeses de zaken wilde zien leiden. Zoo +was ze gekomen, met den gewonen ochtendtrein, had “derde” +gereisd om alles ècht te doen, als vroeger;—maar toen ze +pas op de kamer was, had ze toch, vervuld van de gewichtigheid van haar +jong-mevrouwtje-zijn, over niets anders kunnen praten dan over +háár huis, háár meiden, háár +man, en háár kind, den kleinen Janneman, den modeljongen, +die nu den heelen dag bij z’n grootmoeder was.—“Had +’m toch meegebracht,” zuchtte Go telkens;—en eerst +ná de koffie, toen ze rustiger werden en weer meer aan elkaar +gewend, begon de herinnering weer levend in haar te worden, en, starend +in de ros-gouden bladerpracht van de tuinen, vroeg ze: “En nu +moet je me alles van de menschen van vroeger vertellen.... Ik weet van +niemand iets, dan van <span class="pagenum">[<a id="pb281" href= +"#pb281">281</a>]</span>Beerenstijn. Die heeft nogal praktijk; ik heb +’m laatst ook ’s bij Jannie gehad.... Dan is hij zoo +zacht.”</p> + +<p>“Ja,” zei Go peinzend, “hij is heel hartelijk, bij +erge dingen. Toen met Hans had ik eigenlijk aan hèm ’t +meest.”</p> + +<p>“Ja gòd.... maar vertel nu ’s, is er nog niemand +gepromoveerd?”</p> + +<p>“Ja, Lize, dat weet je. ’n Mooie dissertatie. +Verwónderlijk goed; want zelfstandig-wetenschappelijk werk is +bij ’n meisje toch altijd ’n zeldzaamheid.”</p> + +<p>“O, ja.. ik herinner me; ze heeft ons ’n boek gestuurd. +Over.... ach ja, ik weet niet; iets wetenschappelijks. Jantje heeft +’t in beslag genomen, leest er uit voor;.... schattig, zooals hij +Han nadoet, zie-je, met z’n vingertje over de bladzij.... Maar +zeg ’s, is Hoefman nog niet klaar, en gaan ze niet +trouwen?”</p> + +<p>“Ja, ’k geloof, dat hij ’n heel buitengewone +dissertatie schrijven wil; hij moet er voor naar IJsland;—maar +’k denk, dat zij daarbij wel helpen zal... Je weet toch, dat De +Veer ’n paar maanden geleden gesjeesd is?”</p> + +<p>“Nee, hoe zou ik? Waarom? Wat heeft-ie uitgevoerd?”</p> + +<p>“’t Is ’n léuke jongen. Je moet geen kwaad +van ’m zeggen. Op ’n middag kwam hij bij me en zei: +“Go, ik heb geen plezier meer in fuiven.” +“Zoo,” zei ik, “dan ga-je nu zeker werken, +hè?” Nee, dat kon hij ook niet, het was ’m te stil. +En kort en goed: de volgende maand ging hij naar Amerika, ergens in +’t binnenland, waar ’t nog erg ongecultiveerd is, +bosschen-omhakken. Hij zei, dat hij voelde eigenschappen van ’n +oermensch <span class="pagenum">[<a id="pb282" href= +"#pb282">282</a>]</span>te bezitten.... hier zou hij stikken! En toen +is-tie gegaan. ’t Heeft me erg aangepakt, die grappige kerel de +wijde wereld in te zien trekken. Maar Gerard zei....”</p> + +<p>“Ja, Leeden.. komt die dikwijls? Hij studeert nu Chineesch, is +’t niet?<span class="corr" id="xd0e4453" title="Niet in +bron">”</span></p> + +<p>“Nee, ’k zie ’m niet dikwijls meer;—’t +is hier zoo ongestadig met de vriendschap, ik ben nu meer in ’n +ander clubje geraakt; de vergaderingen van L. V.—och, ’t is +kwijnen tegenwoordig. De nieuwe leden voelen er zooveel niet meer voor. +En Gerard...” Go zweeg even, en keek, verlegen, recht voor zich +uit. “Zeg jij ’s, Elsi, heb-je wel ’s gedacht, dat +Gé meer dan vriendschap voor me zou kunnen hebben?”</p> + +<p>“Wel, als ’n jongen tegen míj had gedaan, als hij +tegen jou,—maar half zooveel,—zou ik zéker gedacht +hebben, dat hij verliefd op me was. Maar jij was altijd zoo anders dan +ik, met de jongens.”</p> + +<p>“Mary zegt, dat, als je zelf maar niet over de mogelijkheid +denkt, maar gewoon-eerlijk tegen hun doet, zonder opschroeverij, er +bijna nooit iemand verkeerd van je zal gaan houden. Maar den laatsten +tijd was hij soms zoo vreemd, ongeduriger, ongelijkmatig. Ik heb +’t ’m eens gezegd, en nu zie ik ’m zoo zelden +meer;... ’t is jammer....”</p> + +<p>“Ja; want jij niet, hè?” en Else keek haar even +onderzoekend aan. Toen, schijnbaar zonder verband, vroeg ze: “En +hoe gaat het met Van Neerwinden tegenwoordig?”</p> + +<p>“O, ik geloof, dat die hard werkt,” antwoordde Go zacht, +“hij had wel al klaar kunnen zijn, maar hij is nu al lang weg; +doet ’n groote studiereis.... En Rolands is doctorandus. +Spreek-je Francis wel in Den Haag?” <span class="pagenum">[<a id= +"pb283" href="#pb283">283</a>]</span></p> + +<p>“Ja, we komen bij dezelfde families aan huis. Haar man is +rechter.” En éven dacht ze er over weer te gaan vertellen +van hun weelderig, ijdel leventje daar, de partijen en dinertjes, en de +naijver en kleine plagerijen onder elkaar; maar ze hield zich in, vroeg +door naar Riek, die altijd nog maar “in stilte” verloofd +was, en weinig vooruitzicht had, omdat hij niets uitvoerde, ’n +echte boemelaar....</p> + +<p>“Ze is lief,” zei Go met warmte, “ze heeft er +’s eens met me over gepraat. “Als ík ’m niet +vasthoud en ’m altijd vertrouw,” zei ze, “wat zou er +dan van z’n leven terecht komen?” Ik weet niet, of ze +gelijk heeft, maar hierin kun-je geen raad geven.... Nou, en Coba zal +ook wel gauw candidaats doen, al tennist ze veel te veel, om ooit +’n geleerde te worden;.... maar Lou komt er nooit toe, uit angst +en zenuwachtigheid. Zoo zielig; ze heeft vreeselijk gehuild op haar +eerste tentamen, en nu durft ze niet meer.”</p> + +<p>“Kleine Lou, die moest nu toch niet studeeren, hè? Die +zou beter zijn voor kinderen, of bij ’n goedige, zwakke dame;... +en ’t allerbeste zou zijn, als ze zelf als ’n kindje kon +worden verwend.”</p> + +<p>“Weet je, dat Erna, dat mooie meisje, die zoo artistiek en +bohémiennig was, zenuwziek is geworden,—in ’n +inrichting nu? Het was zoo’n eigenaardig type, wèl +sympathiek. Op haar kamer droeg ze altijd vreemde, wijde +tunica’s, haar haar los, en sandalen;... ik heb ’s bij haar +gelogeerd: alles was even wonderlijk, en in den nacht zat ze in het +maanlicht op ’n beestevel te declameeren;—haar familie was +in Arabië, en niemand lette er op, hoe ze leefde. Toen ik haar nu +laatst opzocht, stond ze in ’n schuit en schepte mest; <span +class="pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284">284</a>]</span>ze zei, dat +zoo iets heerlijk was;.... er waren meer studenten, geen intiemen;.... +ach ja, de eenzijdigheid wreekt zich en geestelijk overladenen gaan in +den grond ploeteren.”</p> + +<p>Else keek haar even aan; zei toen verwonderd: “Hè, zoo +iets, zoo iets wijs, algemeens, waar haal-je dat van daan? Dat leer-je +zeker van de meisjes hier, want zie-je.... ik vind ze heel aardig, Go; +maar zijn jullie altijd zoo, zoo ernstig, zoo verstandig....? Als ik +’s reken.... wij vroeger.... dat was toch wel héél +wat anders.”</p> + +<p>“Ons eerste jaar.... ja, zeker; dat wás heel wat +anders.”</p> + +<p>“Als je ’s denkt aan onze pret met die +kamerversiering;.... en soms heelemaal om niets, als ’t mooi weer +was, en we ons zoo lekker voelden! We konden zoo dwaas doen, weet je +nog wel? Ik wed, dat je met Frieda en Mary nooit flikjes en kaakjes +zult geroosterd hebben?”</p> + +<p>Go lachte. “Nee, nee.... dat was leuk. Ja, dát was +gezellig, samen....”</p> + +<p>“En glij-baantje over ’t zeil voor de kachel?”</p> + +<p>“Noù. Zúllen we nog ’s, zeg? Wat is dat +lang geleden!”</p> + +<p>Else schudde haar hoofd. “Nee, voor mij is nu alles zoo +veranderd, m’n positie in de wereld.... Wat zou Jannie wel +zeggen, als-tie z’n moeder zoo dwaas zag doen....” maar ze +voelde toch even met haar kleinen voet, “of ’t glad +was,” teleurgesteld ’m weer terugtrekkend.</p> + +<p>“Maar voor míj is ’t ook anders,” zei Go, +zacht en beslist. “Zooals toen, toen de studie maar ’n +bijdingetje was, kon het toch de verdere jaren niet blijven.”</p> + +<p>“Dus nu is ’t álles geworden; bepaald je +ideaal?” <span class="pagenum">[<a id="pb285" href= +"#pb285">285</a>]</span></p> + +<p>Else keek naar de boeken op de schrijftafel, en, systematisch +geschikt, op den vollen boekenstandaard; de kamer zag er zoo +ánders dan vroeger, zoo echt-om-te-studeeren uit: de <span +class="corr" id="xd0e4498" title="Bron: series’">series</span> +over elkaar op de deur, ’t Minerva-beeld in den hoek, aan den +muur lidmaatschap-kaarten, en ’n enkele, stemmige gravure. En dan +al die wijsheid;—ze herkende de groene bandjes van Hegel, die Han +ook had, en Nietsche en Plato en Spinoza, met de witte +ruggetjes,—wat bekommerde zij zich nog om boeken, behalve bij +’t stof-afnemen; terwijl ’t hiér scheen, of +wetenschap ’t eenige was....</p> + +<p>Go vóelde, dat Else op dat oogenblik hun levens tegen elkaar +wóóg, en het werd haar diep en duidelijk bewust, hoe ver +ze van elkaar waren gedreven, zij, die hun eerste vrijheid-vreugde +samen hadden genoten. Toen zei ze langzaam, alsof ze onder ’t +spreken haar gedachten nog aan ’t formuleeren was, strak starend +op Jantje’s portret: “Ik geloof niet, dat studie, voor mij +evenmin als voor de meeste meisjes, bepaalde róeping, ’t +eenige is. Lize heeft ’t me gezegd op de eerste clubvergadering, +en al zag ze verder de zaak veel te duister in, ik +gelóóf, dat ze hierin toch wel gelijk had. Maar daarmee +is het studeeren voor meisjes natuurlijk absoluut niet veroordeeld. Ik +meen alleen, dat bij háár altijd ’n kwestie van +keuze wordt, wat ’n man vereenigt;—ik bedoel bij ’n +huwelijk, en dat ze dan, bijna altijd, niét de studie zullen +kiezen. Daarom is het niet haar hoogste roeping; maar wél kan +’t iets zijn, dat haar heelemaal in beslag neemt, en vult... +Zie-je, ik geloof, dat ’t bij mij zóó is: ik heb +heel veel kracht, en toewijding en levenslust. Die moet ik ergens aan +geven. En omdat ik nu hier ben, <span class="pagenum">[<a id="pb286" +href="#pb286">286</a>]</span>tusschen studeerende menschen, in +geestelijk-ontwikkelend milieu, geef ik ze aan studie, m’n +speciaal vak, en wijsbegeerte en oeconomie... en allerlei. +Begrijp-je?”</p> + +<p>Else streek met haar hand langs de boek-ruggen, en knikte; maar ze +dacht aan Han, en haar huis en aan Jantje,... en de meiden, en wat +morgen eten. En ze begreep eigenlijk niet, hoe Go, haar eigen nichtje, +even oud als zij, buiten dat alles leven kon, en niet ongelukkig +zijn.</p> + +<hr class="tb"> +<p>“O, en dien avond, toen Gé den wijn met kruidnagelen +bracht,” zei Go, terwijl ze de trap naar het clublokaal opliepen, +en ze voelde zich overvol van oude herinnering. Ze hadden samen de +stille, donkere stad doorgeloopen, en weer samen-gevoeld, elkaar weer +begrepen in het verleden,—en nu scheen ’t bijna +ongelooflijk, dat Else zoo lang weg was geweest, voelden ze zich even +weer eerste-jaartjes, toen ze de lichte zaal binnen kwamen.</p> + +<p>Maar ’t was dadelijk anders; de meisjes stormden op Go toe, om +haar nog geluk te wenschen met ’r candidaats-examen; op haar +praeses-plaats aan de groene tafel stond een bos bloemen, ’n +attentie van ’t bestuur, en ze wist weer: hier was ze niet langer +het schuchtere kind, dat in ’n hoek tegen den muur stond en +niemand aanspreken durfde; ze was het middelpunt, de leidster, de +eerste van de club geworden, en terwijl ze even sprak met de +secretaris, met ’t meisje, dat de lezing zou houden, bemerkte ze, +tot eigen verbazing, hoe zij rustig-helder alles regelde en den avond +organiseerde.</p> + +<p>Mary had er op aangedrongen, dat ze zich meer <span class="pagenum"> +[<a id="pb287" href="#pb287">287</a>]</span>met de meisjes-vereeniging +bemoeien zou. Zij zelf kwam er zelden, omdat ze nu eenmaal in dit +opzicht nog ’n vrouw van de oude traditie was, die in +societeitsleven zich niet thuis kon voelen.</p> + +<p>“Zie-je,” had ze peinzend tegen Go gezegd, “een +van de dingen die ik ’t mooist vind in de vrouw van vroeger, is, +dat ze, hoewel minder individueel ontwikkeld dan de man, die zwakke +individualiteit in eenzaamheid altijd zoo zuiver heeft bewaard, veel +beter dan de man, die in de gemeenschap het fijnste, het +hem-alleen-eigene, moest opgeven in ’t belang van ’t +geheel. Maar nu meisjes mee gaan strijden om ’n plaats in de +maatschappij, is het natuurlijk, dat ze zich ook aansluiten, ook gaan +vergaderen en debatteeren.—Alleen—ik voel me hierin nog zoo +ouderwetsch, wil me niet schikken, wil me niet géven, ik kan +niet velen, dat er aan m’n gevoel getrokken wordt... Ik blijf +liever alleen,—maar ’k geloof zeker, dat ’t jou goed +zal doen, als je er meer in komt.”</p> + +<p>Go hád er heel gauw plezier in gehad, in de +namiddag-thee’s met de levendige gesprekken, in de +faculteits-vergaderingen en de groote bijeenkomsten. Het tweede jaar +was ze al praeses van haar faculteit gemaakt, en toen ze met de +algemeene verkiezing candidaat was gesteld, was ze met +bijna-eenstemmigheid gekozen. Ze voelde zelf, dat ze er op haar plaats +was en toen ze den hamer ter opening van de vergadering had laten +vallen, was het, of uit al de luisterende gezichten de sympathie naar +haar toe groeide.</p> + +<p>“Bij het openen van de eerste vergadering na de groote +vacantie,” begon ze met haar heldere, opgewekte stem, “heet +ik de hospitanten hartelijk <span class="pagenum">[<a id="pb288" href= +"#pb288">288</a>]</span>welkom, en spreek den wensch uit ze als leden +nog vaak in ons midden te mogen zien. Dat onze vereeniging voor +vrouwelijke studenten bloeit, en wezenlijk in ’n behoefte +voorziet,—het jaarverslag zal het ons allen dadelijk met getallen +en feiten duidelijk maken, maar wezenlijker, dan ’n statistiek +het ons leeren kan, worden we ’t ons bewust, wanneer we op dezen +avond de zaal rondkijken, en zien, hoe groot de opkomst is, en voelen, +hoeveel vriendinnen de club ons heeft gegeven... Ik zie de menschen, +die het bestuur vormden, toen ik, als verlegen eerste-jaartje, hier +voor ’t eerst binnenkwam;—er zijn hier velen, die meer van +den wordings-tijd der vereeniging weten dan ik. Maar ik weet en voel +haar bloei en haar weldadigen invloed, en daar wilde ik de hospitanten +over spreken. Jullie bent hier allen met moed en verwachtingen +aangekomen, en je gaat ’n mooi jaar tegemoet, het mooiste, zou ik +bijna zeggen, van je leven. In het eerste jaar van onzen studententijd +is alles heerlijk en zonnig en vol belofte...”</p> + +<p>Ze zweeg en streek even met de hand over haar voorhoofd; ze zag de +oudere meisjes, die keken, wachtten; ze zag Mary, die even knikte;... +en dan al die nieuwe kindergezichten, al die oogen, die nog niets +wisten, die nog niet waren teleurgesteld.... En het flitste door haar +hoofd, hoe Else en zij er voor vier jaar gezeten hadden, ook zoo op den +grond, ’n beetje verbaasd, belangstellend, en zoo kinderlijk +vertrouwend op het leven, dat komen ging;.... moest ze dien kinderen nu +zeggen, dat hun niets dan teleurstelling wachtte, of had zij den weg +naar de hoogere harmonie gevonden?</p> + +<p>Ze voelde, dat er ’n golving van onrust ging <span class= +"pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289">289</a>]</span>door de zaal, en +de bibliothecaris fluisterde even: “Of ze niet wist +verder....”</p> + +<p>Toen zei ze als in ’n droom, alle samenhang met ’t +vorige vergetend, niet langer er aan denkend, dat haar speechje +propaganda moest maken om lid te worden van de club: “Hier wacht +jullie het eerste, wezenlijke geluk en ’t eerste, groote +verdriet. Ik hoop, dat je ook ’t laatste, als noodzakelijk, flink +zult aanvaarden. Want voor den <span class="corr" id="xd0e4533" title= +"Bron: moedig-stijdende">moedig-strijdende</span> is de +overwinning.”</p> + +<p>Het bestuur gaf ’t teeken tot luid applaus, ofschoon ze de +toespraak wel wat eigenaardig vonden, bang voor ’n nieuwe, +dreigende stilte. Go zag Else kijken, verbaasd, half ongeloovig: waar +haal-je het vandaan? Maar Mary knikte, dat ’t goed was, zacht +lachend met ’r diepe oogen....</p> + +<p>Toen keerde Go zich tot de ab-actis, met verzoek om het jaarverslag +voor te lezen, en terwijl die, met verveeld rad-ratelende stem, bladzij +na bladzij opdreunde, vertelde Else fluisterend met onderdrukte +lachjes, aan Lou en Riek, die over haar heen hingen, de wonderen van +ondeugendheid en liefheid en snuggerheid van haar schattigen, kleinen +jongen.</p> +</div> +</div> + +<div class="back"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<p>Van <span class="smallcaps">Annie Salomons</span> verscheen bij den +Uitgever van dit boek:</p> + +<p>VERZEN</p> + +<p>Gedrukt op geschept Hollandsch papier<br> + Bandversiering van S. Moulijn<br> + Prijs ingenaaid ƒ 1.75 - Gebonden ƒ 2.50</p> +</div> + +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="normal">Inhoudsopgave</h2> + +<ul> +<li><a href="#xd0e96">Voorbericht tot den tweeden druk.</a></li> + +<li><a href="#xd0e126">Hoofdstuk I.</a></li> + +<li><a href="#xd0e202">Hoofdstuk II.</a></li> + +<li><a href="#xd0e317">Hoofdstuk III.</a></li> + +<li><a href="#xd0e508">Hoofdstuk IV.</a></li> + +<li><a href="#xd0e592">Hoofdstuk V.</a></li> + +<li><a href="#xd0e721">Hoofdstuk VI.</a></li> + +<li><a href="#xd0e839">Hoofdstuk VII.</a></li> + +<li><a href="#xd0e1092">Hoofdstuk VIII.</a></li> + +<li><a href="#xd0e1304">Hoofdstuk IX.</a></li> + +<li><a href="#xd0e1507">Hoofdstuk X.</a></li> + +<li><a href="#xd0e1739">Hoofdstuk XI.</a></li> + +<li><a href="#xd0e2005">Hoofdstuk XII.</a></li> + +<li><a href="#xd0e2469">Hoofdstuk XIII.</a></li> + +<li><a href="#xd0e2658">Hoofdstuk XIV.</a></li> + +<li><a href="#xd0e2788">Hoofdstuk XV.</a></li> + +<li><a href="#xd0e3323">Hoofdstuk XVI.</a></li> + +<li><a href="#xd0e3635">Hoofdstuk XVII.</a></li> + +<li><a href="#xd0e3748">Hoofdstuk XVIII.</a></li> + +<li><a href="#xd0e3984">Hoofdstuk XIX.</a></li> + +<li><a href="#xd0e4141">Hoofdstuk XX.</a></li> + +<li><a href="#xd0e4291">Hoofdstuk XXI.</a></li> + +<li><a href="#xd0e4428">Hoofdstuk XXII.</a></li> +</ul> +</div> + +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> + +<h3>Beschikbaarheid</h3> + +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met +vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href= +"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> + +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> + +<h3>Codering</h3> + +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan +de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel +zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn +gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het +corr-element.</p> + +<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen +gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste +dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele +aanhalingstekens.</p> + +<h3>Documentgeschiedenis</h3> + +<ol class="lsoff"> +<li>2009-06-03 Begonnen.</li> +</ol> + +<h3>Externe Referenties</h3> + +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> + +<h3>Verbeteringen</h3> + +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in +de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e224">10</a></td> +<td width="40%">conscientieuzer</td> +<td width="40%">consciëntieuzer</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e294">13</a></td> +<td width="40%">tafeljes</td> +<td width="40%">tafeltjes</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e615">35</a></td> +<td width="40%">Verbeeldje</td> +<td width="40%">Verbeeld-je</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e858">56</a></td> +<td width="40%">Gerards</td> +<td width="40%">Gerard’s</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e998">64</a></td> +<td width="40%">t</td> +<td width="40%">’t</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1236">78</a></td> +<td width="40%">“</td> +<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1319">83</a></td> +<td width="40%">ochten dnog</td> +<td width="40%">ochtend nog</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1353">86</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1420">90</a></td> +<td width="40%">was</td> +<td width="40%">Was</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1442">92</a></td> +<td width="40%">gegichel</td> +<td width="40%">gegiechel</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1461">93</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1480">94</a></td> +<td width="40%">suite-deuren</td> +<td width="40%">suitedeuren</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1516">96</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1778">112</a></td> +<td width="40%">verbeeldje</td> +<td width="40%">verbeeld-je</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1803">114</a></td> +<td width="40%"></td> +<td width="40%">-</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1916">124</a></td> +<td width="40%">beantwoorde</td> +<td width="40%">beantwoordde</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1945">127</a></td> +<td width="40%">ze</td> +<td width="40%">Ze</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2010">130</a></td> +<td width="40%">”,</td> +<td width="40%">,”</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2097">134</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2100">134</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2212">141</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2215">141</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2233">142</a></td> +<td width="40%">hieldt</td> +<td width="40%">hield</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2244">142</a></td> +<td width="40%">optimister</td> +<td width="40%">optimistischer</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2441">153</a></td> +<td width="40%">ogenblikkelijk</td> +<td width="40%">oogenblikkelijk</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2603">164</a></td> +<td width="40%">snouwen</td> +<td width="40%">snauwen</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2681">170</a></td> +<td width="40%">wel’s</td> +<td width="40%">wel ’s</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2713">174</a></td> +<td width="40%">om</td> +<td width="40%">op</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2778">178</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2872">182</a></td> +<td width="40%">bakfisch-gezicht</td> +<td width="40%">backfisch-gezicht</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2987">185</a></td> +<td width="40%">of</td> +<td width="40%">Of</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3127">191</a></td> +<td width="40%">antwoordt</td> +<td width="40%">Antwoordt</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3130">191</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3264">197</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3266">197</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3326">200</a></td> +<td width="40%">II</td> +<td width="40%">XVI</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3358">203</a></td> +<td width="40%">der</td> +<td width="40%">d’r</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3385">204</a></td> +<td width="40%">;</td> +<td width="40%">:</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3501">211</a></td> +<td width="40%">“</td> +<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3543">213</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3545">213</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3548">213</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3705">223</a></td> +<td width="40%">schijven</td> +<td width="40%">schrijven</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3798">228</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3991">243</a></td> +<td width="40%">May</td> +<td width="40%">Mary</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4083">253</a></td> +<td width="40%">enkelling</td> +<td width="40%">enkeling</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4181">261</a></td> +<td width="40%">hebden</td> +<td width="40%">hebben</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4268">269</a></td> +<td width="40%">May</td> +<td width="40%">Mary</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4294">271</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4340">274</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4360">275</a></td> +<td width="40%">je</td> +<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4453">282</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">”</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4498">285</a></td> +<td width="40%">series’</td> +<td width="40%">series</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e4533">289</a></td> +<td width="40%">moedig-stijdende</td> +<td width="40%">moedig-strijdende</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Een Meisje-Studentje, by Annie Salomons + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN MEISJE-STUDENTJE *** + +***** This file should be named 29044-h.htm or 29044-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/9/0/4/29044/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> + diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..41a75a7 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #29044 (https://www.gutenberg.org/ebooks/29044) |
