summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--28259-8.txt12290
-rw-r--r--28259-8.zipbin0 -> 287784 bytes
-rw-r--r--28259-h.zipbin0 -> 4164637 bytes
-rw-r--r--28259-h/28259-h.htm9544
-rw-r--r--28259-h/images/back.jpgbin0 -> 73859 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/front.jpgbin0 -> 83436 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-a.gifbin0 -> 4026 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-d.gifbin0 -> 3878 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-e.gifbin0 -> 3803 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-h.gifbin0 -> 3632 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-i.gifbin0 -> 3988 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-k.gifbin0 -> 3842 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-l.gifbin0 -> 3940 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-m.gifbin0 -> 3732 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-n.gifbin0 -> 3997 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-o.gifbin0 -> 4181 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-s.gifbin0 -> 4039 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-t.gifbin0 -> 3943 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-u.gifbin0 -> 4084 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-v.gifbin0 -> 4279 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-w.gifbin0 -> 4036 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/initial-z.gifbin0 -> 3930 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/ornament.gifbin0 -> 2201 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p000.jpgbin0 -> 47202 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p025.jpgbin0 -> 100644 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p056.jpgbin0 -> 86464 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p060.jpgbin0 -> 102046 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p064.jpgbin0 -> 48384 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p066.jpgbin0 -> 67128 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p076.jpgbin0 -> 81917 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p135.jpgbin0 -> 89815 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p137.jpgbin0 -> 73469 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p143.jpgbin0 -> 79573 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p145.jpgbin0 -> 84140 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p147.jpgbin0 -> 95716 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p159.jpgbin0 -> 78387 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p163.jpgbin0 -> 82895 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p165.jpgbin0 -> 75416 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p171.jpgbin0 -> 79137 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p175.jpgbin0 -> 83346 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p181.jpgbin0 -> 107593 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p183.jpgbin0 -> 89272 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p185.jpgbin0 -> 90197 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p187.jpgbin0 -> 93616 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p189.jpgbin0 -> 119738 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p209.jpgbin0 -> 79371 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p215.jpgbin0 -> 47641 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p285.jpgbin0 -> 50044 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p289.jpgbin0 -> 77467 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p293.jpgbin0 -> 54896 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p295.jpgbin0 -> 57604 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p309.jpgbin0 -> 118658 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p311.jpgbin0 -> 79536 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p313.jpgbin0 -> 93287 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p315.jpgbin0 -> 97340 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p317.jpgbin0 -> 111748 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p323.jpgbin0 -> 53438 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p339.jpgbin0 -> 87445 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p373.jpgbin0 -> 77043 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p423.jpgbin0 -> 73652 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p433.jpgbin0 -> 45510 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p447.jpgbin0 -> 91718 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p453.jpgbin0 -> 44640 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p455.jpgbin0 -> 58213 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p457.jpgbin0 -> 59429 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p466.jpgbin0 -> 75962 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p468.jpgbin0 -> 46904 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/p471.jpgbin0 -> 44750 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/spine.jpgbin0 -> 20657 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/titlepage1.gifbin0 -> 70703 bytes
-rw-r--r--28259-h/images/titlepage2.gifbin0 -> 55019 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
74 files changed, 21850 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/28259-8.txt b/28259-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5ace79d
--- /dev/null
+++ b/28259-8.txt
@@ -0,0 +1,12290 @@
+The Project Gutenberg EBook of Natuur en Menschen in Indië, by Augusta de Wit
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Natuur en Menschen in Indië
+
+Author: Augusta de Wit
+
+Release Date: March 6, 2009 [EBook #28259]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUUR EN MENSCHEN IN INDIË ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Augusta de Wit
+
+ Natuur en Menschen in Indië
+
+ Met 45 illustraties
+
+
+
+ Nederlandsche Bibliotheek
+
+ Onder leiding van L. Simons
+
+
+ Boeken zijn de universiteit onzer dagen.
+
+ Uitgegeven door:
+ De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur
+ Amsterdam
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANKOMST
+
+
+Sabang op Poeloe-Weh
+
+
+Dit rotsige eilandje dan, is de uiterste spits van Indië, de
+ver-vooruitspringende kaap van die wereld van bergen, te allen kant
+door zee omgolfd. Bij het flauwe wisselvallige schijnsel dat van maan
+en sterren uit een lucht vol drijvende wolken valt, zien wij het
+zwart en steil opstaan uit zee, een duister berggevaarte dichtbij,
+daarachter in wijden zwaai de verte in wijkend een baai, waarvan
+de heuvelige kust als een lager gezonkene, dichtere, donkerdere
+wolk tegen den hemel ligt. Een enkel groot licht schijnt uit die
+duisternissen. Is het een ster? is het een sein?
+
+Het schip streeft recht op de wijde baai toe. Van de brug af, waar
+ik sta, is het zonderling om te zien, die smalle wig van planken
+met de dunne lijnen van de reeling er om heen, en daarboven het als
+spinneweb zoo teer toonende takelwerk, dat licht op en neer beweegt
+tegen de sterrelucht; zoo smal, zoo broos, zoo fijn alles, midden door
+die geweldig golvende zee zijn eigen onnaspeurlijken weg houdend,
+recht op dien zwarten muur van rotsen aan, waartegen een enkele van
+die onafzienbaar lange golven het wel te pletter lijkt te kunnen
+slaan. En wat is dat ster-achtige licht nu, daar zoo ver?
+
+Plotseling vlamt een purperen gloed over de plecht, de brug, tegen
+mast en schoorsteenen omhoog. Twee matrozen zwaaien fakkels rood
+Bengaalsch licht, een op het dek, de ander hoog op den schuins
+omhoogstrevenden tentbalk, op de uiterste hoogste spits van het
+schip. In zijn beide, steil opgestrekte handen zwaait hij de fakkels
+hoog boven zijn hoofd. Wolken purperen licht en rook waaien uit die
+wervelende vlammenbronnen. Vuurrood staat de halfnaakte fakkelzwaaier
+met zijn steile armen en achterover geworpen hoofd, vuurrood de
+dicht opeengedrongen drom mannen, haastig uit het donkere diep van
+het schip naar boven gerend om den eersten blik op de Indische kust,
+vuurrood aan weerszij van die smalle wig menschen de zee, waar het
+schuim, in lange lijnen schuins wegstrevend van den boeg, bloost als
+een strooisel rozen. En, meteen, flikkeren, ontelbaar, lichtjes op uit
+die bergachtige duisternis vooruit en veranderen het gesteente in een
+woonplaats van menschen. Het Bengaalsche licht is het sein geweest,
+dat het naderende schip de mail aan boord heeft; nu haast alles in
+Sabang het tegemoet. Als wij aankomen staat de pier vol menschen. In
+het electrische licht schitteren de witgekleede Hollanders fel uit
+de bonte menigte van inlanders en Chineezen te voorschijn.
+
+Wij gaan aan wal om de haven-inrichtingen te zien, waarheen de
+waarnemende administrateur van de maatschappij Sabang ons vriendelijk
+zijn geleide heeft aangeboden.
+
+Sabang is trotsch op die inrichtingen--vijf electrisch gedreven
+kolentips, en uitmuntend ingerichte loodsen langs een verre lengte
+van de prachtige haven. De natuurlijke voordelen van de diepe, tegen
+zeegang en wind van alle zijden beschermde baai zijn door zulk gerief
+zoozeer verhoogd, dat Sabang nu voor de beste en best-ingerichte
+haven van het geheele Oosten wordt geroemd, en dat door de zeelui
+van allerlei landaard die hier komen kolen innemen. De Engelschen
+maken geen uitzondering. Zij spreken met de daad de meening tegen,
+indertijd door de naar Poeloe-Weh afgevaardigde deskundigen tegenover
+de Engelsche regeering geuit: dat de baai voor een haven niet geschikt
+was: Veel Engelsche schepen vallen hier binnen.
+
+Een groote handelshaven zal Sabang echter eerst kunnen worden
+wanneer haar achterland Atjeh, en met name de peper-cultuur aldaar,
+zich ontwikkelt.
+
+Het werkvolk dat de haven, de electrische centrale en de gasfabriek
+bedient--ijs wordt hier met behulp van uit Europa geïmporteerd
+zwavelig zuur gemaakt van het water uit het meertje, waaraan Poeloeh
+Weh (zoetwater-eiland) zijn naam ontleent--het werkvolk bestaat niet
+uit eilanders, maar uit Javanen van Midden-Java en Chineezen, enkele
+Arabieren ook. Sabang is alweer een van de vele sluizen waardoor Java
+en China hun te veel aan hongerige menschen spuien. De Chineezen zag
+ik bij mijn aankomst aan het werk, in de kolenloods, waar zij den tip
+bedienden--bij zestien tegelijk hingen zij de volle zware kolenmanden
+aan de sterk-gehaakte kettingstreng, die ze de hoogte in trok of ze
+de slurf geweest ware van het olifantachtige monster dat daar zoo
+zwart en geweldig omhoog stond, den kop uitgerekt over het schip.
+
+De groote hoed, dien zij als bescherming tegen het neerstuivende
+kolengruis droegen, hield hun gezicht in de schaduw: maar aan hun
+bouw--zij liepen half-naakt--en meer nog aan de vlugheid en veerkracht
+van hun bewegingen was te zien dat zij jong waren, welgevoed en
+gezond. Ik hoorde hen prijzen verre boven de Javanen, om hun ijver
+en werklust. Bij den bouw van de haven, zeide men mij, toen de zware
+blokken koraalsteen opgestapeld moesten tegen de zee, arbeidden de
+Chineezen met een voortvarendheid, of zij, om het loon niet enkel,
+maar om het werk zelf ook, met pleizier in wat zij tot stand brachten,
+zich inspanden: zij lachten, als een moeilijk te verplaatsen blok ten
+laatste goed lag en vast. Terwijl de Javanen onverschillig en loom
+waren. Hun minderheid in spierkracht en algeheele vitaliteit bij de
+Chineezen vergeleken, schijnt mij een bijna voldoende verklaring voor
+die minderheid van hun werk. Zoowel Chineezen als Javanen schuiven
+en rooken opium.
+
+Ik zag den volgenden ochtend de wijk van het werkvolk, waar inlanders
+en Chineezen van elkander gescheiden wonen in op het oog zindelijke,
+ruime, wèl-gebouwde huizen, aan weerskanten van een goed-gerioleerden
+weg. De Chineezen zijn hier--volgens hun gewoonte--zonder gezinnen. Van
+de Javanen hebben sommigen hun vrouw bij zich. Een aantal vrouwen zag
+ik in een groote koele schuur aan het malen van de rijst, volgens
+een methode, die de korrel het binnenste vliesje, het zoogenaamde
+zilvervlies, laat behouden. Het dieet van rijst met het zilvervlies is
+een afdoend voorbehoedmiddel gebleken tegen de beri-beri, waaronder
+het volk vroeger zwaar te lijden had. De korrel is echter minder
+oogelijk dan de gepelde blanke rijst. Vandaar een vooroordeel ertegen,
+dat nog altijd niet geheel overwonnen is. In zake uitbetaling van het
+loon, voedselverstrekking en feestdagen worden Javanen en Chineezen
+behandeld elk volgens zijn nationale gewoonten. Die ik zag waren allen
+welvarend van voorkomen, en de vrouwen ordentelijk, zelfs min of meer
+sierlijk, in de kleeren. Voor enkele huizen stonden bloemen: de kleine
+jasmijnstruik, die hier melatih heet, een roosje, een Canna, in een
+oud petroleumblik op de trap, een oleander of een citroenboompje in den
+vollen grond ervoor. Er groeiden vruchtboomen in de ruimte tusschen de
+huizen, bananen, kokospalmen, brood-boomen, die met hun breed spreidend
+gebladerte het zinken dak der huizenrij koel hielden. In de groote,
+gemeenschappelijke keuken voor de Javanen waren vrouwen bezig met het
+morgen-maal. Er lag iets opgewekts in het voorkomen van het geheele
+koelie-dorpje, menschen en dingen. Ik nam mezelve stellig voor terug
+te komen om de al te vluchtige indrukken te verdiepen, en tevens, na
+de menschen ook de natuur van Poeloe-Weh te leeren kennen. Zij moet
+zeer schoon zijn: van de kust af is dat al wel te zien; en ik hoorde
+wonderen van de "zeetuinen"--de banken en zandplaten met allerlei bont
+en zonderling zeegewas begroeid, waarboven, in het lucht-klare water,
+de prachtig-gekleurde visschen spelen.
+
+Over de reeling der Willem II geleund, zag ik nog lang naar de
+schoone welig-groene bergen en den wijd-uitgegoten glans der baai,
+waar een vloot van spiegelende schepen dreef. Strak en zwart stonden
+de reikhalzende kolentips tegen den vroeg-ochtendhemel. Daar ginder was
+de ijsfabriek--een stukje door menschen gemaakten winter, onaantastbaar
+onder den gloed der tropische zon; en de electrische centrale ernaast,
+die een elementaire kracht temt tot drager van lasten en stoker van
+vuren, in dienst van meesters, duizenden mijlen ver weg. De koelies,
+Chineezen, Javanen, Arabieren, aan het lossen van alweer een ander
+schip, waren te zien als een bonte wemelende hoop, waar hier en ginder,
+in bevelende houding, een witgekleede Westerling tusschen stond: een
+"Europeaan," als men hier, kenteekenend, zegt voor Hollander.
+
+Een overstelpend rijke en schoone natuur, bijna ongerept nog, en te
+midden daarvan, zonder eenigen overgang of geleidelijkheid, toegepaste
+wetenschap en modern grootbedrijf; een heterogene groep Westerlingen
+als vertegenwoordigers van een enkel blank heerschers-ras staande
+tegenover een heterogenen drom Oosterlingen, samengesmolten tot éen
+enkel bruin ras van overheerschten; en over alles heen dat tijdelijke,
+voorloopige, het altijddoor komen om weer weg te gaan: het waren de
+elementen van het leven in Indië, die daar, op het rots-eilandje,
+zichtbaar, naast elkander lagen.
+
+Terwijl Sabang weggleed achter de ronding van den gezichtseinder,
+dacht ik: "Dit is dan de inleiding geweest."
+
+
+
+
+
+
+JAVA
+
+
+Van Tandjong Priok naar Djombang
+
+
+Neen, ik geloof niet dat het ergens op deze schoone wereld schooner
+is dan hier op Java! Zooveel schoons heb ik toch al gezien; maar
+zoo veel en zoo velerlei allerschoonst als nú, hier, nooit nog,
+nergens. Bijna zeven uur lang onderweg van Tandjong Priok naar
+Bandoeng in de Preanger: na de rustpooze van den nacht, 's ochtends
+om 6 uur verder tot 's avonds 7, toen de trein stilhield aan het
+Djombangsche station: in die haast twintig uur, en op dien afstand
+van het uiterste Westen tot den Oosthoek van Java zag ik, altijddoor,
+ontelbaar, in de bontste verscheidenheid, en onophoudelijk veranderend,
+alle schoonheden van hemel, licht, atmosfeer, van velden en tintelende
+heuvels, stroomende wateren, bergen blauw tegen de blauwe lucht, een
+vlakte wijd uitgegoten als de zee zelve; van jaargetij en klimaat,
+anders in de vlakte, anders in de hoogte, stroomend van regen hier,
+dor en heet nog elders; en van menschelijk werk en bedrijf ook,
+dat, het schoonst van alles, met al die schoone verandering van
+uur en grond en seizoen mede veranderde. Het was zulk een feest,
+zoo overvloedig, dat de oogen en de gedachte niet dan een duizelend
+deel van den rijkdom grijpen of vasthouden konden.
+
+Van Tandjong Priok naar Batavia loopt de weg door een moeras-streek,
+ruig van een haast-verbijsterend rijken groei van onnoembaar-vele
+soorten heester-gewas met varens en palmen vermengd, waar hier
+en ginder boomgroepen uit opsteken, en, overal, bij duizenden de
+wijd-open lichtpaarse bloemkelken van een weelderig slingerkruid
+overheen gestippeld liggen. Dan komen, even, de vóorstations van de
+stad: Weltevreden en Meester-Cornelis. Tusschen witgekleede Hollanders
+staan Chineezen gestaart, maar verder op zijn Europeesch gekleed: en
+daar wachten sierlijk gekleede Javaansche vrouwtjes op den "vuurwagen"
+die hen naar stad zal brengen; een venter van vruchten en zoetigheidjes
+zit op den grond gehurkt, tusschen zijn volle manden; door open
+deuren heen komt een breedte van het stationsplein te zien, en een
+reeks tweewielige rijtuigen met heel kleine hitjes bespannen. Dan
+verdwijnt dat alles weer. Een inlandsche wijk komt te zien langs de
+lijn. Daar staan, ieder op zijn eigen, door een bloeiende haag omsloten
+erf, aardige huisjes, met het karakteristieke dak; het lijkt op een
+zittenden vogel, hals opgerekt, vleugels uitgespreid--dat zelfs aan het
+armelijkste Javaansche hutje zulk een sierlijk voorkomen geeft. Veel
+van die erfjes zijn met vruchtboomen beplant, als moestuin aangelegd;
+en de tuiniers zijn er aan het werk, terwijl hier en ginder, onder
+een afdakje, een vrouw te voorschijn komt om den trein na te kijken,
+en een paar naakte kinderen die met jonge geitjes sollend, op een
+draf naar de heg geloopen komen, krijschend van pret. Nu verdwijnt het
+gehuchtje, het laatste eenzame hutje verdwijnt. Het landschap begint
+te golven, de weg stijgt, aan weerskanten komen heuvels op. Overal,
+uit het pluimige groen van bamboeboschjes te voorschijn, die luchtig
+aan de hellingen hangen, wuivend op den lichten wind, breken beekjes
+te voorschijn en wit-beschuimde kleine watervallen. De heuvels worden
+steiler, de spoorweg loopt nu vlak langs de hellingen, halfweg er
+tegen op nu en dan, door een kleine tunnel dan weer, een eind verder
+over een brug, die de bocht van het tracé mede-makend over een ravijn
+heen is gebouwd. Telkens als de heuvelwand uiteen wijkt verschijnt
+een prachtiger vergezicht, over een voorgrond van rijstvelden, in
+trage glooiïngen klimmend, heen, naar al hooger en steiler stijgende
+hoogten in de verte. Met zonsondergang is de hoogvlakte van Bandoeng
+bereikt, flonkergroen binnen een hemelwijden kring van bergen.
+
+Den volgenden dag om 6 uur begon de reis van Bandoeng naar Djombang. Nu
+was het nog veel heerlijker! Daar lag de prachtige vlakte, floersig
+nog van fijnen nevel, die overal boven de blankstaande rijstvelden
+hing te gloren in het morgenrood. De bergen waren blauw als de blauwe
+hemel zelf, de eene toppenreeks van de andere, nog hoogere, gescheiden
+door lange witte wolkensleepen, die al helderder blonken in het al
+verhelderende licht. Een overheerlijk kleurenspel begon over het
+geheele wijde landschap. De roode dageraadswolken kleurden de sawah
+dat de jonge rijsthalmen leken te staan in een purperen meer. Onder
+het optrekkende nevelwit werden ontelbare tinten van groen levendig,
+van dat allerteerste, der pas uitgeplante rijst, dat nog haast geel is,
+tot het zware blauw-groen van her en der verspreide dorpsboschjes. De
+gedaante van de verre bergen verscheen als kleur, blauwig-zwarte
+diepten naast purper-bruine en fel-groene hoogten. De verre ketenen
+waren zoo fijn, zoo ijl, zoo doorzichtig als de lucht. Veel louterder
+en luchtiger dan wolken leken zij een deining van azuren hemelzee
+zelve, onafzienbaar lange rijen luchtgolven, flonkerend getopt. Een
+onuitsprekelijk gevoel van vreugde en verlangende kracht sprong
+overeind in het hart, antwoordend op al die schoonheid van land,
+en zon en die veerkrachtige golving naar telkens alweer zulk een
+blinkend hoogen top van de klare bergen door de klare lucht.
+
+Op de rijstvelden was het landvolk al aan den arbeid; het was
+verwonderlijk om te zien op hoe velerlei wijs. De bouw van de rijst
+is afhankelijk van water; en de ligging, hooger of lager tegen een
+heuveltje aan, of in de vlakte, de richting van een kloof in het verre
+gebergte misschien, die den regenbrengenden westenwind doorliet of
+keerde, maakten zooveel verschil hier, dat op dicht bijeen gelegen
+velden al de verschillende stadiën van bewerking van den grond en van
+groei van het gewas vielen waar te nemen. Ik zag de bruine kluiten
+ploegen, en een weinig verder het blankstaande veld eggen, waar
+het buffelspan plonsend door het water waadde, tot over de knieën
+toe. Vrouwen--alleen vrouwen, niet een enkele man was er bij--waren
+bezig met het uitzetten van de gelig-groene bossen zaailingen, die
+een drager, behoedzaam over het smalle dijkje loopend, haar bracht,
+bij twintigtallen tegelijk aan beide uiteinden van zijn zwiepend
+juk gehangen. Er werd gewied. Er werd water in- en uitgelaten op de
+velden. En op éen plek zag ik zelfs den oogst beginnen: feestelijk
+gekleede vrouwen die hun gladden zwarten haarwrong met een bloem
+hadden versierd, plukten, vlak langs den spoorweg, een voor een de
+zwaar-knikkende halmen af, die zij, tot een schoof bijeen vlijden in
+hun armen. Niet dan gebrekkig kan het gezegd worden hoe overschoon
+het alles was, hoe wonderlijk de pracht van dat landschap, waar de
+velden meeren waren en heuvels stonden als torens van groen kristal,
+van spits tot grondvesten kabbelig overvloten van klaar water dat
+trapsgewijs afdalende rijstakkertjes doorschijnend maakte, en hoe
+de glorie van den duizelhoogen hemel, en hoe het loutere blauw der
+bergen zoo volkomen overeenstemde met het geruste bewegen van die
+fijne bloembont gekleede menschen op den akker. De grootsche rijkdom
+der natuur overweldigde niet maar dróeg den mensch.
+
+Op die flonkergroene hoogvlakten van Bandoeng en Lelès volgde het
+lage land langs de Zuiderkust; het lag vlak als een golflooze,
+dofgroene zee, waar de nog donkerder groene boschjes die van binnen
+dorpen zijn, als klippen steil en plotseling uit opstaken. Aan
+de kleine stationnetjes was het druk van inlanders, marktgangers
+klaarblijkelijk. De dracht der vrouwen was weer eenigszins anders
+dan in het hoogland. Maar ook déze droegen die lange sjerp, de van
+rechterschouder naar linkerheup geslagen slendang, die tegelijk sieraad
+is en gereedschap, om het zoo uit te drukken; want zij dragen er al hun
+lasten in, van een kind af, schrijlings op hun heup gezeten met den
+kleinen rug tegen de slendang geleund, tot hun sirih-doos, portietje
+rijst voor den tocht en bos vruchten voor de markt toe. Bijzonder
+veel en prachtig ooft zag ik hier. Mijn medereizigers vertelden mij
+dat er inderdaad in Djokjakarta beter ooft wordt geteeld dan ergens
+elders op Java.
+
+De dag ging ten einde. Van de moerasvelden, purperig in
+wolkenspiegeling, keerde het landbouwersvolk naar huis, den lichten
+houten ploeg over den schouder. Bedaard stapten de groote grijze
+buffels, grazend langs den weg. Boven de dorps-boschjes stegen de
+dunne blauwe rookwolkjes uit van het rijs-vuur waarop de huisvrouwen
+de rijst kookten voor het gezin. Weinige minuten later was het overal
+stil. Bij het minderende licht zag ik de bergen weer verschijnen in
+het Westen eerst, dan in het Oosten. De geweldige massa die zoo zwart
+doemde tegen de klaarheid der opengaande sterrelucht was de Kloet,
+aan den voet waarvan Djombang ligt.
+
+Wij bereikten het station een uur over den tijd. De trein had langzaam
+moeten rijden, hoorde ik, over een aanzienlijk gedeelte van den weg
+waar verzakking dreigde. De ingenieurskunst heeft wonderen gedaan
+bij den bouw van deze lijn: maar de altijdwerkende aardkorst van de
+vulcanenstreek vastleggen kan geen menschenkunst.
+
+De volle maan bescheen den weg naar het gastvrije huis waar ik gewacht
+werd. Ik zag rietvelden blauw-blank glinsteren, en fel-wit een steilen
+fabrieksschoorsteen. Overdag, ik wist het wel, zou dit alles arbeid
+zijn: maar nu mocht ik het zien als schoonheid, na de schoonheid van
+morgen en middag en avond, de schoonheid van den nacht.
+
+
+
+
+
+In het Dorp
+
+
+Het woord is misleidend door de associaties die het oproept. In
+niets gelijkt een Javaansch dorp op wat in Europa met dien naam wordt
+genoemd. Zijn meest zichtbare trek is zijn onzichtbaarheid. Met huizen,
+wegen en menschen ligt het diep verborgen in dichtheid van geboomte,
+waarom dat dichtst groeiende van alle tropisch gewas, de bamboe,
+nog als een levende muur is opgericht. Aan den rechtlijnigen vorm
+alleen, en, nu en dan, aan de rookwolkjes die er uit opstijgen,
+is zulk een bosch dat van binnen een dorp is, te onderkennen van
+een bosch van enkel boomen, een bosch dóor en dóor. In deze streek,
+waar de suikerindustrie aan tienduizenden handen werk geeft, staan de
+dorpen, de "dessa's," zoo dicht op elkander, dat men in enkele uren
+gaans er gemakkelijk twintig door wandelen kan. Als steile donkere
+eilanden rijzen zij allerwegen op boven de lichtgroene en blauwige
+zee van rijstvelden en riettuinen, en hier en ginder zijn ze samen
+gegroeid tot als een vastland dat den halven horizon donker maakt.
+
+Waar, door het wijkende rijstgroen, zulk een bosch doordringt tot
+aan den grooten weg toe, ziet de voorbijganger er hier en ginder
+een opening in. Daar staat een luchtige, uit gele bamboestijlen
+ineengevoegde poort, waaraan een bord, wit met zwarte letters,
+Latijnsche boven Javaansche, beschilderd: Dessa zus, onderdistrict
+zóo: en zonderling genoeg lijken zulke schriftteekens en zulk
+een stadhuiswoord aan den ingang van een woud. De rechte breede
+schemergroene laan, waarvan de poort den ingang vormt, is de hoofdweg
+van het dorp. Er loopen kinderen te spelen, spiernaakt, met ronde
+glimmende rijst-buikjes. Een akkerman, den lichten houten ploeg over
+den schouder, drijft zijn ossenspan voor zich uit, naar het veld. Een
+vrouwtje komt er aan, op weg naar de markt, haar koopwaar in de bonte
+sjerp, de "slendang," die zij schuins van schouder naar heup geslagen
+heeft. En het getokkel van den rijststamper in het holle blok komt
+van her en der uit haast ondoordringbare dichtheid van loover tegelijk
+met kirren en diep-gorgelend geroekoe van gekooide tortelduiven.
+
+Groen is hier alles, groen, een van alle kanten opstijgende,
+uitspreidende, neerhangende volte van groen, een hol niet, niet een
+spelonk, neen, een berg van groen, waarin holen en gangen gewroet
+zijn, als de holen en gangen van konijnen in een zandhoop. Aan de
+regelmatigheid alleen van die gangen, recht en rechthoekig op elkaar,
+is de menschelijke gedachte te herkennen, die naar een nieuwe wet de
+natuur herschept.
+
+Aan weerszij van de rechte lanen, en door een strakke haag er
+van afgescheiden, die, hier een bamboe staketsel is, en ginder
+een bloeiende hegge, liggen, ieder afzonderlijk op het eigen erf,
+de woonhuizen, bruine, als vogelnesten van vezel gevlochten hutjes,
+waarvan het met "alang-alang" (het breedbladige gras der wildernis)
+bespreide dak, van vier zijden steil opgetrokken naar een hoogen
+nok, en omgeven van een traag-glooienden afdakvormenden rand, bij den
+eersten oogopslag doet denken aan een vogel, die met waaksch-opgestoken
+kop en gespreide vlerken het nest bebroedt. Pisangboomen met
+hun zeegroene prachtig gebogen vaandels van bladeren staan er
+omheen. Terzijde, in de schaduw van de donkere met witten bloesem
+getooide citroenstruiken bij den put staat een vrouw rijst te
+stampen. En allicht komt een tweede te zien, in de open huisdeur,
+waar zij, neergehurkt naast het komfoor vol glorende houtskool en het
+ijzeren pannetje met gesmolten was, bezig is een sarong te batikken.
+
+Het binnenkomen in die huisjes is niet moeilijk: de bewoners ontvangen
+vriendelijk een belangstellenden bezoeker, al lachen zij tersluiks
+om die belangstelling die zij onbegrijpelijk vinden. Ik ben er in
+verscheiden geweest, die alle op elkander leken. Door een open deur,
+die gewoonlijk enkel een stuk wand is, verschuifbaar in de groeven
+van een onderen boven-dorpel van bamboe, kwam ik in een vensterloos
+vertrek, waar het licht blauwig naar binnen weefde door de van
+bamboereepen gevlochten wanden. De vloer was de begane grond zelf,
+ten ruwste gelijk gemaakt en hard door stampen met houten juffers. Voor
+alle huisraad stonden er een paar slaapbanken--in fatsoen als heel lage
+niet breede tafels--van naast elkaar gevoegde bamboe-schalmhelften, met
+een bonte rietmat bespreid, en waarop wel eens een enkel klein, vuil
+kussentje lag. Een van de slaapbanken, die van de ouders kennelijk,
+was afgeschut met een laag rieten scherm. En aan de hoeken daarvan,
+en hier en ginder aan pennen in de stijlen van het huis gedreven,
+hing een sarong, een slendang, een reusachtige hoed van bladeren en
+vezels gevlochten, van een meter middellijn soms, de beschutting
+van den akkerman tegen zon zoowel als regen. Een tafel en stoelen
+van Europeesch fatsoen en gebrekkig inlandsch maaksel, zag ik maar
+in een enkele woning; met de petroleum-hanglamp (Duitsch fabrikaat,
+zou ik zeggen) is dat klaarblijkelijk al weelde. Maar stellig wist
+ik in den eenen hoek landbouwgereedschap te liggen, een spade, een
+houweel, een groot kapmes; en in den anderen allicht het batik-gerei
+van de huisvrouw, met, troostend er naast, het sirih-doosje waarin de
+geliefde versnapering, betel-noot, gambir, sirih-blad en een weinigje
+kalk, om er een smakelijke pruim van te rollen.
+
+Tegen dit éene vertrek--slaap-, eet- en woonruimte tegelijk--dat
+het heele huisje inneemt, is dan op zijde, onder de voortgezette
+glooiïng van het afdak, een keukentje aangebouwd. Op den grond is
+een lage gemetselde oven die gestookt wordt met kokosnootdoppen,
+droog riet en rijsthout; de huisvrouw moet al in beteren doen zijn
+als zij er houtskool voor gebruikt. Als zij voor dat oventje doende
+is met haar pot, zit zij gehurkt. Zij heeft er aarden pannen, potten
+en kannen voor, die onder de zwartigheid van roet en lang gebruik
+een mooie tint van rood of zachtgeel laten zien. De rijst kookt zij
+in een mandje van fijn vlechtwerk. En verder heeft zij een wan om
+de zelf-gestampte rijst te wannen. Zij doet dit met een eigenaardige
+draaiende beweging, waardoor niet enkel het kaf wordt weggeslingerd,
+maar de groote grove korrels van de kleine en gebrokene afgescheiden
+komen te liggen. Een bamboe drievoet, waarop 's avonds het olielampje
+komt te staan, voltooit de inrichting van de keuken. Zij heeft geen
+schoorsteen. De rook zoekt zijn weg naar buiten, als het licht naar
+binnen: door het vlechtwerk van de wanden.
+
+Zoó zien de meeste dessa-huisjes er uit, woningen van arm volkje
+dat of nooit eigen akker bezeten heeft, of bij de al erger wordende
+versnippering van hun familiebezit zoo smalle reepjes zich toegewezen
+ziet dat het loonende van den bouw verloren gaat, en zij het veldje
+liever verkoopen aan een rijkeren dorpsgenoot,--een woekeraar veelal,
+met den eerbied-eischenden titel van "hadji" getooid sedert een tocht
+naar Mekka; of, langs allerlei omwegen, om de letter der wet die het
+verbiedt ongerept te laten, aan een Chinees of Arabier.
+
+De woningen van de rijkeren zijn kenbaar, vooral aan de aanwezigheid
+van een rijstschuur en een stal op het erf. En een enkele maal ziet men
+zulk een huis wel van steen en met pannendak gebouwd. Het meest komt
+dat voor in de buurt van fabrieken. Deze hebben altijd bouwmateriaal
+van noode. Vanzelf ontstaan kleine Inlandsche ondernemingen, waar
+van de klei, hier en daar op sawah-gronden te vinden, steenen worden
+gebakken en pannen. De opzichters, de "mandoers," en de eigenaars
+van trekvee die in den oogsttijd het suikerriet vervoeren, verdienen
+genoeg om een huis van steenen en pannen te zetten, zoo niet ineens,
+dan zoetjes aan, zoodat men wel eens gemetselde grondslagen ziet die
+een tijd van voorspoed in de toekomst wachten om de hoogte in te
+groeien; of een steenen huis, voorloopig met blad gedekt. Er zijn
+stellig zeer veel meer steenen Inlanderhuizen in de dorpen nu, dan
+een jaar of tien geleden.
+
+In zulk een steenen huis is meer gerief te vinden, natuurlijk, dan
+in het rieten hutje. Er staat in het slaapvertrek, dat afgeschoten
+is van de woonruimte, een kleerenkist: de bewoners hebben méer
+dan het éene stel dat de armeren dragen tot het in lompen van hen
+afvalt, of het tweede, dat gewoonlijk bij den pandhuishouder ligt
+opgeborgen. De keuken is een afzonderlijk gebouwtje, met een loods er
+naast voor brandstoffen, waar de houten ploeg ligt en de eggen. En
+misschien is er, behalve den buffelstal, ook nog een stal voor een
+hitje, en staat zelfs, ergens onder een afdak, een licht wagentje
+geborgen. Maar zoo iets is zeldzaam, zelfs onder meergegoeden. Wat
+echter opvalt aan de erven van allerarmsten en gegoeden gelijkelijk,
+is de verwaarloozing van den grond. Het vóorerf ziet er knap uit:
+slordigheid daar zou den nalatige straf en boete bezorgen vanwege het
+dessa-bestuur. Maar verderop, daar waar het niet in het oog valt, is
+het ellendig gesteld. Groote stukken grond--vruchtbare grond--liggen
+overwoekerd van onkruid. Wordt er al geplant--cassave bijvoorbeeld
+en verschillende peulvruchten,--dan blijft het veld jaar in jaar uit
+zonder mest, terwijl de velerlei afval, die daarvoor te gebruiken zou
+zijn, verbrand wordt en zelfs stalmest onverzameld blijft liggen. "Mest
+maakt den grond te heet"--antwoordde mij gisteren een vrouwtje, met wie
+ik daarover sprak. Haast nergens ook ziet men eenigermate onderhouden
+vruchtboomen. Wat groeit moet maar groeien zooals het wil. Het een
+neemt het andere licht en lucht weg. Behalve de kokospalmen, die
+zichzelven redden met hun hoog boven alle ander vruchtgeboomte in de
+zonnige lucht opgestoken kruinen, vindt geen enkele andere ooftboom
+zijn behoef. En wat een rijke gaard kon wezen, is niet anders dan een
+wildernis, als zoodanig zeker mooi, zoo vol fonkelschaduw en gouden
+lichtgesprankel als zijn ondoordringbare looverdichtheid zit, maar den
+mensch van geenerlei nut. De kleine, wrange, rimpelige vruchten zijn
+zelfs den vogels en den dievenden eekhorentjes te zuur. Aandrang op
+verbetering, door het Bestuur geoefend, heeft tot nog toe maar weinig
+geholpen. De dessaman laat zijn erf verwilderen. Het is een van die
+hier zoo menigvuldige gevallen van gebrek te midden der rijkste natuur
+geleden, waarvan de verklaring zeker niet in het voor de hand liggende
+en hedendaagsche gevonden kan worden.
+
+
+
+Het eerste wat de ervarene uit het aanzien van een dessa te weten komt,
+dat is het karakter van het dessa-hoofd, den loerah, als zoodanig. Een
+goed onderhouden omheining en poort, een effen dessaweg, slooten waar
+het water frisch doorstroomt, en nette voor-erven bij de huisjes, dat
+wil zeggen: de loerah is ijverig, nauwlettend en heeft den wind onder
+zijn volkje. Een heg vol gaten en neergetrapt hier en ginder, een weg
+die naar gelang van het seizoen zandpad is of modderbeek, stinkende
+slooten en erven met een paar slordige bezemzwaaien zoowat aangeveegd,
+dat wil zeggen: de loerah is liever lui dan moe, en als hij niet op
+zijn eigen veld is, ligt hij strootjes te rooken op de baleh-baleh
+(de slaapbank) thuis. Zoo de loerah is, zoo is zijn dorp, en zoo het
+dorp is, zoo is ook weer de loerah. De twee maken--en breken--elkaar.
+
+De Javaansche dessa is, men weet het, haar eigen baas. De
+N. I. regeering bemoeit zich niet, of althans zoo weinig als maar
+eenigermate mogelijk, met haar aangelegenheden. En de loerah, het
+dessahoofd, is de rechtstreeks door de stemgerechtige dessalieden
+zelven gekozene, die ook op een klacht hunnerzijds weder afgezet
+kan worden. Zijn functies zijn: belastingheffen, toezicht houden
+op veiligheid van persoon en have, waken over de behoorlijke
+vervulling van dessa-diensten, door de daartoe verplichte mannen,
+en regeling van de periodieke verdeeling der dessa-velden, daar
+waar het communale bezit heerscht. De belastingheffing verbindt hem
+met de N. I. regeering: al zijn andere functies worden verricht ten
+behoeve van enkel en alleen de dessa, wier beambte hij is. De dessa
+betaalt hem daarvoor niet in geld, maar in grond, met "sawahs,"
+welker grootte verband houdt met ligging en grondgesteldheid van
+het dessagebied. De N. I. regeering betaalt hem met een percentage
+van de belasting. Dat alles lijkt eenvoudig, duidelijk en nauwkeurig
+bepaald, en de inlandsche dorps-organisatie een model van democratische
+instelling. Dat eenvoud, duidelijkheid en nauwkeurigheid eigenschappen
+zijn van de abstraheerende gedachte en geenszins van het werkelijke
+leven, en dat de inhoud van een instelling en haar vorm tweeërlei
+dingen zijn, begrijpt, voor de hoeveelste maal! wie wat nader met
+dessa's en met loerahs kennis maakt.
+
+Van de loerahs hier in den omtrek heb ik er enkele leeren kennen, van
+den ouden stijl, van den nieuwen stijl en van wat men den "permanenten
+stijl" zou kunnen noemen.
+
+Een van den ouden stijl is de loerah van (ik zal fantasie-namen geven)
+van Djatirang. Wij bezochten hem onverwachts. Aan het uiterlijk der
+dessa al hadden wij gezien dat de loerah een zorgvuldig administrator
+was. Het voorkomen van zijn huis bevestigde dien indruk. Het was een
+woning zooals een eenigermate gegoede dessaman er een bouwt, ruim,
+koel, maar zonder eenige overdaad. Er was een afzonderlijk gedeelte
+voor het ontvangen van gasten alleen bestemd, een "pendoppo," die
+hier het voorgedeelte van het huis vormde (het staat wel eens geheel
+afzonderlijk, als een luchtig huisje, op pilaren, zonder muren). Deze
+pendoppo, wier vloer de begane grond was, had een rieten dak,
+onder het hooge midden waarvan, als een soort tweede zoldering, om
+de doorstralende hitte af te weren, een vierkante horde van bamboe
+vlechtwerk hing. Een dubbele rij houten pilaartjes liep door de
+geheele lengte van het vertrek, dat, schat ik, vijftien meter op
+twaalf geweest zal zijn. En in het midden stond een ronde houten
+tafel, met eenige stoelen er omheen en een hanglampje van gegoten
+metaal er boven. Een oud, vrij vuil kamerscherm verborg den toegang
+tot het binnenhuis. Voor versiering hingen aan de pilaren portretten
+van de Koningin, den Prins, den Mikado en den Keizer van China, in
+dubbeltallen, elk portret tegenover zijn duplicaat. (En wat beteekent
+anders symmetrie, als 't u belieft?)
+
+De loerah kwam met zooveel haast als zijn deftigheid toeliet, toen
+hij van ons bezoek vernam.
+
+Het was een man van een goede vijftig, met een schrander, energiek
+gezicht, grof van trekken en donkerbruin, als in tegenstelling met dat
+der aanzienlijken, het type van den kleinen man is op Java. De medaille
+voor vijf-en-twintigjarige ambtsvervulling, een groot paars kristal in
+zilveren sterrepunten gevat, gloorde op het zwart lustre jasje, dat hij
+in der haast aangeschoten had: een mooi-gebatikte sarong hing hem om
+de beenen met dien specialen drie- en vierdubbelen plooi van voren,
+die aan het kleedingstuk het karakter geeft van een feestkostuum;
+en de loerah hield--uiterste elegantie,--de slippen van die lang
+afhangende plooien met een sierlijken duim en wijsvinger op, zoodat
+zijn sarong als een waaier terzijde van hem uitgespreid stond. Op
+eenigen afstand van ons hurkte hij neer op den grond, en maakte de
+"sembah," den groet van saamgevouwen handen, opgeheven naar het even
+nijgend gezicht. Toen wij naar zijn familie vroegen (mijn tochtgenoot
+deed het woord voor mij, die het Maleisch nog slechts onvoldoende
+ken) deed hij zijn vrouw halen, een aardig persoontje, zoo jong dat
+zij eer zijn kleindochter had kunnen wezen. Wij hoorden later dat
+zij de tiende was in een reeks echtgenooten, die hij om der wille
+van de huiselijke harmonie oordeelkundig verdeeld hield over tien
+afzonderlijke huishoudens in even zoo vele onderling op behoorlijken
+afstand gelegen dessa's. De kinderen uit al die huwelijken waren ten
+getale van tien in zijn eigen huis aanwezig, de oudste een knappe jonge
+man, zelf al vader van opgeschoten jongens, het jongste een zuigeling
+op den arm van zijn moeder. De kinders zagen er allen welvarende uit,
+en diegenen onder hen die gekleed waren, zaten knap in de kleeren. Naar
+school ging geen van hen. De loerah had het zelf zonder lezen en
+schrijven ver genoeg gebracht in de wereld. En als zijn jongens op
+de schoolbanken moesten zitten, wie zou dan de buffels hoeden, en
+gras gaan snijden, 's ochtends? Hij hoopte dat zijn oudste zoon te
+zijner tijd hem opvolgen zou als loerah. Dat zal wel. De dessa is
+best tevreden met hem en zijn heele familie. Als een bewijs van de
+tucht die hij handhaaft, zeide men mij dat er in deze dessa nooit
+iets gestolen werd. Dat wil niet zeggen dat er geen dieven zijn;
+maar dat ze naar een andere dessa gaan als ze willen stelen.
+
+De loerah van Gandasoli is van een nieuwer type. Hij is een deftig
+man, niet bruin, maar matgeel in het gezicht, met een hoogen neus,
+en een zorgvuldig verpleegd snorretje. Hij draagt een staanden kraag,
+een gouden horlogeketting, en verscheiden ringen aan zijn fijne
+langgenagelde vingers. Zijn vrouw heeft diamanten in de ooren en gouden
+spelden aan haar kabaja van donkerpaarse zij. Zijn schoonzoon is naar
+Mekka geweest, en draagt, zijn Panislamitische gezindheid openlijk ten
+toon spreidend, niet alleen den tulband, maar, over zijn Javanen-sarong
+heen, ook nog den witten neteldoekschen rok der Arabische mode.
+
+De loerah--die tegelijkertijd "bau" is, d. w. z. loerah over een
+complex van kleinere dessa's--had ons verwacht en ontving ons in
+zijn pendoppo, de sierlijkste ontvangstzaal wel die men hoeft te
+wenschen, met het groen en de koelte van een welverzorgden tuin rondom,
+beschilderde pijlers en aan de zoldering beeldhouwwerk. Hij gaf ons
+de hand, met een lichte buiging, voor hij op den grond nederhurkte, en
+onder het gesprek liet hij merken, dat hij Hollandsch niet alleen, maar
+zelfs een dozijn woorden Engelsch verstond. Zijn dochtertjes werden
+binnengeroepen en kwamen aan de hand der in paarse zij gekleede moeder,
+de twee kleinsten in jurkjes zooals Hollandsche kinders er dragen. De
+"bau" bestemt zijn zoons voor het loerah-schap of voor den dienst als
+schrijver op een gouvernementsbureau: zij gaan allen op de Hollandsche
+school te Djombang. De "bau" heeft een keurig rijtuigje met een span
+goed-getuigde hitten ervoor. En zijn woonhuis is geriefelijk gemaakt
+met Europeesche meubels, met bedden zelfs, die door neteldoeksche
+gordijnen beschermd worden tegen de muskieten. Als verfrissching bood
+hij ons Pilsener bier aan, waarvan hij zelf, met vrouw en schoonzoon,
+meedronk. Dat alleen al was een aanduiding van zijn positie en zijn
+eigen waardeering ervan. De boersche loerah van Djatirang had, op
+een afstand neerhurkend, toegezien hoe wij het zoete water dronken
+uit de kokosnoten, op ons verzoek versch van den boom gehaald.
+
+De loerah van Merangan was niet thuis, toen wij hem wilden
+bezoeken. Wij moesten dus volstaan met, terwijl de bediende heen
+was gegaan om ons bezoek aan te melden, wat rond te zien in zijn
+pendoppo, waar een prachtige gamelan stond, zeker een duizend
+gulden waard. De deur naar het binnenhuis was kunstig gebeeldhouwd
+en gestoken, zóó dat de paneelen, evenals Moorsche mesjrebijeh's,
+het licht en de koelte doorlieten. Portretten van heerschers (dat
+mist nergens!) hingen aan den muur, de Tsaar tegenover den Duitschen
+Keizer. En een levensgroot in hout gebeeldhouwd hert, wien een klein
+rood streepje langs het oog geschilderd was om een doodelijke wond
+van jagershand te verzinnebeelden, lag aan een driemaal omgewonden
+ketting op zij van de deur.
+
+Dessa Merangan heeft een ellendig-arm voorkomen, in sterke
+tegenstelling met al deze weelde in het huis van den loerah. De
+verklaring bleek die weelde zelf. De loerah van Merangan weet zich
+andere inkomsten uit zijn dessa te verschaffen dan de bij de wet
+bepaalde. Hij leent geld uit: markt-vrouwtjes komen 's ochtends bij
+hem om f 1 en brengen 's avonds f 1.25 weerom: als men bedenken wil,
+dat op pasardagen vrijwel iedere dessavrouw gaat, als koopster of als
+verkoopster, en dat elke vijfde dag een pasardag is, krijgt men een
+kijk op des loerah's "verdienste." Grooter sommen ook leent hij uit:
+bijvoorbeeld, op de vervaldagen der belastingen, wanneer de dessalieden
+het geld niet gereed hebben liggen. Die dessalieden zouden naar een
+door de regeering ingestelde voorschotbank kunnen gaan. Maar daar
+moeten zij het tegen 12 pct. in het jaar geleende geld op zijn tijd
+terugbetalen. En de loerah vraagt wel 200 of 300 pct. in het jaar,
+maar daarentegen is hij schikkelijk op terugbetalings-termijnen. En
+vooral--hij is de loerah! Hoe zou Kromo naar een ander durven gaan,
+als zijn eigen loerah hem geld wil leenen?
+
+Verder: er wordt nog al eens gestolen in de dessa. Diefstallen moeten
+aan het licht gebracht: er moet "ketrangan," helderheid komen in zulk
+een zaak, dat eischt het gewestelijk bestuur. Maar voor "ketrangan"
+zijn, als volgens Montecuculi voor den oorlog, drie dingen noodig: het
+eerste is geld, het tweede is geld, en het derde is geld. Is dat geld
+bij den loerah, dan is de ketrangan bij den assistent-resident. Een
+"schuldige" wordt gestraft, een verdachte gaat vrij uit, en iedereen is
+tevreden. De Hollandsche ambtenaar met de "ketrangan," de "schuldige"
+met een kleinen troost in klinkende argumenten, de verdachte met
+zijn buit en zijn vrijheid, en de loerah met de drie bovengenoemde
+noodige dingen.
+
+Dit zijn een paar van de meest bekende manieren waarop loerah's als
+die van Merangan de duiten van den boer in de dubbeltjes van den
+loerah veranderen. Zonder twijfel zijn er nog een menigte meer.
+
+En de dessa's waar die tooverkunstenaars heerschen zijn zoo goed
+te onderkennen als de dessa's van den ijverigen en van den luien
+loerah. Hun bijzonder kenmerk is: een rijke loerah-woning te midden
+van armzalige boeren-hutjes.
+
+Mij wordt verteld, dat het ouderwetsche loerah-type zachtjes aan
+verdwijnt voor het elegante nieuwe, en dat onder beiderlei slag
+degelijke dorps-bestuurders worden gevonden. Omtrent de verhouding
+waarin het "permanente type" tot de twee andere staat, hoorde ik
+niet veel.
+
+
+
+De loerah van Njamploengan is, wegens gebleken onbetrouwbaarheid
+in den dienst, ontslagen. Nu is het dorp in spanning over de keuze
+van een nieuw hoofd. Het ambt moet begeerlijk wezen, want van de
+pasars--elken dag is er markt, in elk dorp, ongerekend de groote
+markten die om de vijf dagen gehouden worden--van de pasars komt
+de tijding dat er wel zes of zeven candidaten zijn, waaronder een
+broeder van den afgezetten loerah, en dat de stemmenwervers het druk
+hebben. Met klinkende argumenten, buiten gezicht en gehoor van den
+meest argwanenden Nederlandschen ambtenaar te berde gebracht, en
+waarvan alleen een verre echo op te vangen valt uit dorpspraatjes,
+trachten zij stemgerechtigden te overtuigen, ieder van de verdiensten
+van zijn lastgever. De argumenten wegen, schijnt het, op tegen een
+rijksdaalder in den regel, soms zelfs tegen een gulden of vier. Of,
+om te beter te kunnen kiezen, er wel eens argumenten worden aangehoord
+van twee, of zelfs van meer zijden?
+
+Op den vastgestelden dag, 's ochtends om acht uur, ga ik naar
+Njamploengan, en het huis van den afgezetten loerah, waar de
+vergadering en verkiezing gehouden wordt. De weg is bont van de
+menschen. (Altijd weer treft dat: dat bonte. In Holland is een straat
+vol menschen zwart: op Java is zij zoo kleurig als een bloemtuin. En
+stil, stil! geen geluid uit nóg zulk een volte; en ordelijk: nergens
+een die stoot of dringt.) Als spreeuwen op een telegraafdraad zitten
+zij, mannetje aan mannetje, op den hoogen berm aan weerszij van
+den weg. Er zit een geheele drom gehurkt voor de poort van een der
+candidaten, den broeder van den afgezetten loerah. En weer een bonte
+zwijgende menigte omringt de poort van den vorigen loerah--het bordje
+met "Jachman, Loerah" er op, dat zoo trotsch daar prijkte, is weg,
+zie ik,--en heeft zich, ter weerszij van den oprit, in rijen op zijn
+erf geschaard, van den ingang af tot vlak voor het huis toe.
+
+In de pendoppo komt de vader van Jachman de binnentredenden
+tegemoet. De oude is in zijn tijd zelf loerah geweest, en treedt
+met een zekere waardigheid op. Hij ziet er uit als iemand die een
+kleinen tegenslag in zaken gehad heeft, maar vertrouwt dien spoedig
+te boven te komen. Jachman, de ongeluksvogel, zit neerslachtig tegen
+den muur gehurkt. Op de plaats naast hem heeft klaarblijkelijk
+de oude heer gezeten; en een derde lijkt wel te wachten op den
+broeder-candidaat-loerah, die het tijdelijk gezonken aanzien der
+familie, hoopt men, weer zal in de hoogte brengen. Bij den ingang van
+de pendoppo rechts, hurken op een mat een half dozijn dessa-beambten
+bijeen, kenbaar aan hun roode, gele en groene bandelieren. De ronde
+tafel met een inktkoker er op, en twee leuningstoelen er naast,
+wacht op den controleur en den wedana, de leiders der vergadering.
+
+Hun komst wordt geseind door een plotselingen opstoot onder de al
+dichter toegestroomde menigte op het erf. Ineens is alles leeg. Als
+zij hun plaats hebben ingenomen en de twee lichte rijtuigjes zijn de
+poort uit, golft de menschendrom weer te voorschijn uit de struiken, de
+heg, het slootje, het veld, manshooge ketela, waar ze zich verborgen
+had. Maar de zon brandt fel. En een heele troep zoekt de schaduw
+van de ketela weer op. De schoone planten, die op lupinen gelijken,
+reusachtig vergroot, houden breed hun frisch groen loof geheven
+tegen het zonnelicht, dat in druppels en uiteenspattende stralen er
+doorheen schiet. In hun bonte kleeren, wit, geel, paars, lichtrood,
+zit het nieuwsgierige volkje daar te glanzen in de fonkelige schaduw,
+tusschen stengels en bladeren in.
+
+De assistent-wedana is bezig met luider stem de rol op te lezen van de
+stemgerechtigden; onder dat geroep, dat door het altijd weerkeeren van
+de diep-sonore Javaansche Ô, als een slag op een bronzen bekken, tot
+een soort galmend recitatief wordt, komen een voor een de geroepenen
+binnen, die een druk-doende dorpsschrijver met de hand op hun schouder
+nederdrukt, ieder op zijn plaats in rijen van tien. Zoo komen ze te
+zitten met zijn tachtigen. Er is een vrouw bij, die de schrijver bij
+den arm neemt, en op een afzonderlijke plaats zet. Als weduwe die grond
+bezit heeft zij het stemrecht, dat in deze dessa aan grondbezitters (en
+aan hen alleen) toekomt. De gedrongen menigte toekijkers daar buiten,
+voor zoover het menschen van Njamploengan zijn, zijn "bijwoners":
+lieden zonder eigendom, die met werken huisvesting verdienen bij de
+meer gegoeden.
+
+De controleur spreekt in 't Javaansch de kiezers toe, hun verklarende
+waarom Jachman uit zijn ambt ontzet is, wat de plichten zijn van
+den loerah, wat de rechten der bevolking, welke de bescherming die
+de N. I. regeering haar toezegt tegenover een hoofd dat zijn ambt
+misbruikt. Zij zitten te luisteren met inpassibele gezichten, de
+oogen op den grond. Nu en dan zegt er een--altijd dezelfde is het,
+een met zorg gekleed man van middelbaren leeftijd, die zich voelt,
+klaarblijkelijk: "Ingeh"--ja. En dan zien de anderen hem ter sluiks
+aan, bewonderend: die durft! Zoo maar ja! zeggen, hardop, tegen den
+heer controleur en den wedana--een wedana die tegelijk Patih is,
+nog wel, en die daar zit als een Hollander bijna, met een witte jas,
+precies als die de controleur draagt, een gouden horlogeketting, en
+een gouden lorgnet! De wedana-patih neemt op zijn beurt het woord:
+"Ingeh! Ingeh!"--Zij hebben alles goed begrepen.
+
+Nu komen de candidaten te voorschijn voor het loerahschap--zes
+of zeven niet, maar tien. Zij moeten--een bijzonderheid die te
+denken geeft--hun kris afgeven. De zelfbewuste schrijver stapt
+met een trofee van tien sierlijke dolken heen. Dan hurken de tien
+mededingers op een rij vooraan. Al het volk buiten komt naar voren
+gedrongen om hen te zien: zelfs de wegschuilers in het ketela-veld
+verlaten de koelte daarvoor. Zij hebben den tijd van kijken,
+terwijl de candidaten antwoorden op de vragen naar naam, beroep,
+leeftijd en woonplaats. De vraag naar den leeftijd brengt allen
+in verlegenheid. Wie weet dat nu?! Het wordt een gissen, waarbij de
+wedana en de controleur helpen. "Dertig jaar? en je bent al grijs! Eer
+vijftig, zou ik zeggen."--Goed! Vijftig jaar ben ik.--Maar ben je
+dat nu wezenlijk?--Wie weet? Misschien vijf en veertig!--Best. Je
+bent vijf en veertig.--De tweede zoon van het oude dessahoofd,
+een jonge kerel met een stoutmoedig gezicht, geeft ook dertig op,
+wat hij waarschijnlijk nog niet is; en voor zijn beroep dat van
+karrevoerder. Als de laatste van de tien de vragen heeft beantwoord,
+krijgen zij allen het bevel zich om te keeren. Nu zitten ze dus met
+het gezicht naar de kiezers. Buiten is het een muur van gespannen
+toekijkenden.
+
+De controleur vraagt: of de kiezers deze mannen kennen voor eerlijke
+lieden, en aan wie het dessa-bestuur goed toevertrouwd zou zijn? Of
+zij gezond zijn en sterk? Of zij nooit in de gevangenis gezeten
+hebben?--Ingeh!--Ingeh!--Botèn. (Neen). Dan kan de verkiezing
+beginnen. De zelfbewuste schrijver en eenige ambtgenooten jagen
+de toekijkers buiten uiteen en doen de kiezers naar buiten
+gaan. De candidaten, die zich weer hebben omgekeerd, hooren een
+vermanende toespraak aan van den controleur. Dan worden de kiezers
+weer binnengelaten. En ieder hurkt neer achter den candidaat
+zijner keuze. De oude loerah gaat zitten achter zijn zoon, den
+karrevoerder. De weduwe ook. Het blijkt dat zij niet eens weet wie hij
+is en hoe hij heet. Onder het gelach der anderen zegt een buurman 't
+haar zachtjes voor. De gezichten van de candidaten zijn merkwaardig
+om te bezien. Géén kijkt om, om te weten hoeveel er achter hem,
+hoevelen er achter zijn mededingers zitten. Maar zij schijnen het te
+voelen. Een, die niet een enkelen voorstemmer heeft, zit treurig in
+een werkelijk treffende houding van droefheid. Een ander, even arm aan
+vrienden, houdt zich onverschillig, en een derde lotgenoot doet of hij
+in het algemeen nieuwsgierig is naar den afloop. De karrevoerder heeft
+zulk een langen sleep stemmers achter zich aan, dat ze het lange huis
+uit en een eindweegs den tuin in zijn, wanneer de drukke schrijver
+zich met de zaak bemoeit, en van die lange rij een korte dubbele
+maakt. Hij merkt het, de karreman. Zijn gezicht staat hevig gespannen,
+zijn oogen vliegen heen en weer. Maar hij houdt zich goed. Hij ziet
+niet om. Alle tachtig kiezers hebben gekozen. De schrijver telt,
+de controleur en de wedana controleeren. De namen van de candidaten
+worden nog eens opgelezen: de dubbele namen, op zijn Javaansch: de naam
+op den trouwdag aangenomen, de naam als kind gedragen. "Niti, alias
+Moedjadi." Aan dat "alias," zonderling klinkend voor een Westerling
+tusschen die Javaansche namen, zijn ze al goed gewend: ze spreken
+het vloeiend uit. De karreman heeft de meerderheid, blijkt het: 44
+stemmen. Nog eens vraagt de controleur den kiezers, of ze bij hun
+verklaring blijven, dat er niets is te zeggen op den candidaat.--Zij
+blijven er bij. "Dan zal ik den heer president de keuze voorleggen."
+
+De kiezers gaan het huis uit, het volk stroomt toe, de karreman is
+omringd van vrienden, die hem streelen, den arm om zijn schouders
+leggen, hem omhelzen bijna. Van de niet-gekozenen zijn er drie zoozeer
+verslagen, dat zij vergeten hun kris terug te vragen,--hun kris, het
+familie-erfstuk, den allerkostbaarsten schat! De schrijver loopt hen
+na met de wapens. De oude loerah kijkt tevreden. Zelfs de afgezette
+is niet zoo neerslachtig of verlegen meer als straks. De familie
+is gerehabiliteerd.
+
+Thuiskomend hoorde ik--alweer zat de zegsman op den pasar--dat de
+karrevoerder, pas getrouwd met de dochter van een rijken loerah uit de
+buurt, f 5 per stem had betaald uit den zak van zijn schoonvader. Wat
+hem niet had belet tegenover den controleur de plechtige verklaring
+af te leggen dat hij niemand met eenigerlei dwang, belofte of gift
+bewogen had tot het uitbrengen van zijn stem op hem, zoomin als het
+de ontvangers van de f 5 belet had te ontkennen dat zij op zulk een
+wijze bewogen waren geworden tot hun verkiezing van den karreman.
+
+Dat wil overigens niet zeggen dat de karreman geen geschikte
+loerah voor Njamploengan zal zijn, al zullen die schoonvaderlijke
+f 200 wel uit Njamploengansche gordels weer te voorschijn moeten
+komen. Njamploengan heeft al een oude voorkeur voor zijn familie, als
+uit de herhaalde keuze blijkt. Zijn familie is gegoed. En dat moet de
+familie van een loerah zijn. Of hoe wil hij anders, als de nood aan
+den dessa-man komt, diens borg zijn voor hoofdgeld of landrente? Zóo
+zit het.
+
+Voor den Oosterling is de vraag eenvoudig.
+
+En de Westerling, die er eindelijk in geslaagd is den hem ongewonen
+gedachtengang zoo eenigermate te volgen, vraagt zich tevergeefs af wàt
+de dessa nu eigenlijk is: een communistische dorpsorganisatie, als de
+Russische "mir" van onze dagen, of de Germaansche markgenootschap
+van het verre verleden; een familie-bezit, als deze of gene
+Hollandsche stad in den ergst-vervallen pruikentijd; een soort
+economisch-politieke onderneming, waarvan de loerah en zijn familie
+eigenaar en aandeelhouders zijn?
+
+
+
+
+
+Rijstoogst
+
+
+De velden staan rijp. Het landvolk gaat aan 't oogsten. Nu is de arbeid
+vreugd. Tot dit hoogtepunt van het landbouwersjaar heeft een geheele
+reeks van verrichtingen en godsdienstige plechtigheden het akkervolk
+opgevoerd. Elke nieuwe toestand van den akker en van de plant, van
+de eerste bereiding van den grond, en van het strooien van het zaad
+af, is gewijd geworden met een "slametan," een offer aan geesten,
+goden, voorouders, aan Moeder Aarde en Vader Hemel, een eerbetoon
+aan de seizoenen, aan zon, maan en sterren, een inzegening van het
+landbouwgereedschap, een bezwering van schadelijk gedierte. Als
+twaalfde komt nu het schoonste van al de feesten, de oogst der rijpe
+aren, en de groote Slametan, de "Sedekah Boemi," het offermaal van
+den oogst dat straks de geheele dessa vieren zal in de woning van den
+loerah. En het feest-zelf is niet feestelijker voor den boer en zijn
+gezin dan het blijde werk, het oogsten.
+
+Vroeg in den morgen--de zon is nog achter den nevelenden en wolkenden
+Keloet-berg--komen zij er aan, op weg naar het veld, de vrouwen,
+die hun dolkvormig rijstmesje als een sieraad achter in den kraag der
+kabaya hebben steken, om te plukken, de mans, met draagstok of juk,
+om de bossen te torsen, naar waar de eigenaar van het veld ze zal
+tellen om ieder zijn loon uit te keeren. Voor het vroolijke werk zijn
+ze vroolijk gekleed, licht en kleurig. Alleen oude menschen dragen
+het stemmige effen blauw, en even-geschakeerd bruin. Al wat jong
+is verheldert dat met geel, rood, rose, paars, helgroen. De mannen
+hebben witte, gele, blauwe zonnehoeden op. Van de meisjes dragen er
+vele bloemen in het haar, en sieradiën in de ooren en om den hals. Het
+tanige rijstveld--want het bruin en grauw der verdorde halmen verdoft
+het zuivere aren-goud--wordt zoo fleurig als een bloemtuin waar zij
+er in gaan.
+
+En of ze bloemen plukten ook, zoo licht en sierlijk bewegen die
+oogstende vrouwen. Zij hebben een mesje in den vorm van een dolk:
+aan houten gevest een houten kling waaraan een smal ijzer scherpte
+geeft. Dit dolkje houden zij in de rechterhand, met twee vingers aan
+weerskanten van de greep, en den duim vrij, om den halm, dien zij
+met de linkerhand omvatten, tegen het lemmet aan te drukken. Zóó,
+alsof zij een ruiker zochten, die zij bloem voor bloem garen en
+bijeenhouden in den gebogen linkerarm, gaan zij langzaam door het
+veld. Boven het schurende geruisch van de dorre halmen waarlangs zij
+heen strijken, klinken hun stemmen in een zacht-vroolijk gegons. Zoo
+bont als vlinders zijn zij om te zien in hun kleurige kleedij, zoo
+tevreden-druk als bijen. Het is hun eigen voedsel dat zij halen. Want
+zij worden betaald, straks, niet in geld, maar in rijst. Van elke
+vijftien bossen in de eene dessa, van elke tien in de andere is
+één voor den oogster. De gezinnen van de pluksters brengen hun
+bossen samen ieder op zijn eigen plek; men moet zien hoe zij ze
+daar behandelen en schikken. Zij komen er aan, den arm vol aren;
+zuiver-geel, zwaar, zacht-ineengezegen hangt de volle schoof. Met
+een handige beweging grijpen zij haar wringend aan, terwijl zij een
+koord van halmen er om heen slaan; en zoo sierlijk als hadden zij
+een ruiker in de hand, kappen zij de korte stelen gelijk, geven er
+nog een paar lichte slagen tegen aan, met de vlakke hand, en zetten
+het schootje op een rij bij de andere, die daar staan te blinken,
+in het midden dun, boven en beneden breed van schuins uitspreidende
+aren en stengeleinden. Hun heele gedrag is dat van menschen die met
+liefde iets doen wat zij heel pleizierig vinden. Van de spanning
+die zoo sterk te voorschijn komt in den oogst van het Westen, onder
+de sikkel-zwaaiende mannen, en diep naar den grond bukkende vrouwen,
+is hier niets te zien. Er is gezegd, dat tijd gewonnen zou worden als
+de Javaan ook de sikkel gebruikte, en men heeft zich met afkeuring er
+over verbaasd dat hij het niet wilde. Maar een goede reden voor dien
+onwil is duidelijk. Dit met de hand plukken eischt een menigte handen,
+en elk van die handen beurt loon. Het gebruik van een sikkel zou de
+overgroote menigte buiten werk en loon stellen. Een bijkomstige reden
+is, dat de Javaan het stroo laat staan, omdat hij er geen gebruik voor
+heeft. Met de hand kan de halm korter onder de aar afgesneden worden
+dan met een sikkel zou kunnen. Aan zulke practische redenen geeft de
+"adat" de wijding van traditie en godsdienstig gevoel: en daarmee is
+de gewoonte onaantastbaar geworden.
+
+Naarmate de vrouwen hun bossen aanbrengen dragen de mannen die naar
+den berm van den weg. Daar komt straks de eigenaar om ze te tellen. Al
+dunner en bleeker wordt het veld, al blinkender de berm. De oogsters
+gaan zitten tusschen hun bossen. Een sukkeldravende marskramer, die uit
+de verte al de drukte ontwaard heeft, komt er bij met zijn schommelende
+kastje vol vruchtenstroop en rijstkoekjes. Een paar buffelkarren
+wachten op hun vracht van schooven. Eenige "sadoo's"--dos-à-dos heette
+oorspronkelijk het tweewielige door een hit getrokken voertuigje--staan
+te wachten op mogelijke klanten, de boomen op den grond, het hitje
+los, en grazend hier of daar in de schaduw. Het is een vertier als
+op een pasar, langs den kant van het veld, tot de eigenaar bezien en
+nageteld heeft, en ieder van de oogsters met zijn deel rijst naar huis
+gaat. De mannen dragen de bossen twee aan twee over een stok hangend,
+of opgestapeld in een soort aan het juk hangende kooien, zoo hoog
+en breed, dat de drager verdwijnt tusschen de schommelende gouden
+schelven. De vrouwen tassen ze op in de breed-uitgehaalde slendang, en
+torsen tusschen arm en heup. Thuis gekomen spreiden zij de bossen uit
+om te drogen. En in de middagzon is het een geschitter van fijnstralig
+en rondfonkelend goud, waarheen men ziet. De voorerven van alle huisjes
+liggen overspreid met halmen. Wie aan zijn erf geen ruimte genoeg had,
+is op het dak van zijn huis geklommen en heeft de aren gestrooid over
+het in de zon blakerende riet. En een ander weer heeft zijn rijst
+naar den grooten weg gedragen. De prachtige rijkdomskleur verguldt
+de bermen, den kant van de waterleiding, de bruggen, en tot zelfs
+de baan tusschen de rails van de stoomtram toe. Naakte, rondbuikige
+kinders houden er de wacht bij, spelend onderwijl met vlieger-oplaten.
+
+Het is een bekoorlijk gezicht, al dat jonge goedje midden in het
+blinkend voedsel. En moeilijk zich te verweren tegen de betooverende
+voorstelling, dat daar voor onze oogen het Leven groeit, korrels uit de
+aarde, menschjes uit de korrels, in een overvloed die, onuitputtelijk,
+altijd-door zich vernieuwen zal. De schijn is zoo schoon! Maar de
+werkelijkheid ligt geheel anders, er naast. Rondom de afgeoogste
+velden staan er andere nog hoog in het gewas. Daar staan de halmen dun
+tusschen woekerend onkruid. Plekken vaal groen, in het geel, voren en
+kuilen van laag-gebleven groeisel tusschen het hoog-opgeschotene toonen
+waar de grond verarmd is, waar het voedende water niet is gekomen,
+waar na de verstopping een plotselinge overstrooming van de leidingen
+het verderfelijke vulcaanzand heeft uitgestort, dat sedert de groote
+uitbarsting van 1902 onstelpbaar afvloeit van den Kloet. Hier en
+daar komen ook de fouten aan den dag, door den boer bij de bewerking
+begaan. Het land is ondiep geploegd; hij heeft, om den lagen prijs,
+slechte rijst genomen om uit te zaaien; de jonge planten zijn te lang
+op de kweekbedding gelaten en bij het overplanten op het rijstveld niet
+ingekort. Aan parallel loopende strepen van donkerder groen is te zien
+waar de mest nagewerkt heeft, die de suikerplanter het vorige jaar,
+toen hij den akker in huur had, aanbracht in de plantgeulen van het
+riet, een verrijking van den grond, waar de boer zijn rijst op teren
+laat, zonder er verder iets bij te voegen. Niet anders dan een magere
+oogst kan hier gehaald. En zullen de boeren zelfs dat weinige in de
+schuur bergen? Van den eersten oogstdag af al hebben de karren der
+Chineesche opkoopers zwaar geladen langs den weg gereden. Wat daar
+op lag was de oogst van zóo en zóo veel kleine boeren, de dubbele en
+driedubbele waarde van het "voorschot" dat de woekeraar hun aanbood,
+drie maanden geleden, toen zij geld noodig hadden voor de belasting,
+voor zaai-rijst, voor den slamettan ter wijding van het werkbegin,
+voor de afdoening van schuld van verleden jaar, voor de honderd en
+een dingen waarvoor een Javaan altijd in geldnood zit. En die oogst
+gaat naar de stad, wachtend op den tijd van schaarschte en hooge
+prijzen. Er zal niet veel van terugkomen in kleine boerenhuisjes.
+
+Hoeveel komt daar eigenlijk? hoeveel Javaansche rijst? Is het
+overvloedig? Is het zelfs maar genoeg? Op geen millioenen pikols
+na. Invoer in Java en Madoera, over 1907, aan gepelde rijst voor een
+waarde van bijna tien millioen gulden. [1] Invoer in het achterland
+van Soerabaja alleen, gedurende 1909, aan rijst uit Saigon en
+Rangoon voornamelijk, een hoeveelheid van ruim 2 millioen pikols;
+invoer in 1910, toen de oogst bijzonder slecht was, omtrent 4 1/2
+millioen pikols, voor een bedrag van tusschen 22 en 25 millioen,
+[2] voor deze streek alleen. Inplaats van den schijnbaren overvloed
+is er een verschrikkelijk tekort.
+
+Hoe zal dat te beteren zijn?
+
+Van Karel Holle, "den vriend van den landman" wordt, onder vele andere
+verhalen, dit gedaan: de boeren zijner streek, gewoon hem in alles
+om hulp en raad te vragen, kwamen op een goeden dag bij hem met de
+bede hun toch het machtige toovermiddel te openbaren, waardoor zijn
+velden zooveel rijker oogst droegen dan de hunne. Toen toonde hij
+hun een zilverstuk.
+
+Zilver voor landbouw-onderwijs, zilver voor landbouw-crediet, zilver
+voor irrigatie vooral, zilver genoeg, met dat toovermiddel ware de
+schoone schijn van Java's rijkdom wel te hertooveren in een schooner
+werkelijkheid.
+
+Maar totdat die talisman wordt aangewend....
+
+
+
+
+
+Sultans-Land
+
+
+De Sultan van Djokjakarta huwt zes van zijn dochters uit. Sedert het
+begin van de feestelijkheden stroomt het van feestvierders naar de
+hoofdstad, uit het sultanaat niet alleen en uit het andere vorstenland,
+Soerakarta, maar uit al de omliggende residenties, Madioen, Kediri,
+de Kedoe. Dat is een geregelde, aanhoudende, geluidlooze beweging
+van honderden en honderden en honderden donkere, donker-gekleede,
+gedempt-sprekende menschen, al maar de breede tamarindenlaan langs,
+die van het station naar het hart der stad gaat. De Westerlingen
+verdwijnen te eenenmaal voor de oogen en voor de gedachte. Zij zijn
+er niet meer. Daar staan langs den weg wel groote witte huizen, daar
+staan, in lange rijen, de winkels, daar staat, met hooge pijlers en
+blinkenden marmeren vloer, de societeit; en diep in, achter de twee
+reusachtige waringins van den ingang en een wijden tuin vol grauwe
+godenbeelden, het residentie-gebouw: maar zij lijken daar slechts te
+staan ter wille van den donkeren menschenstroom, zóo als hooge dijken
+staan langs een rivier. De dijken zijn er, dat is goed, maar daaraan
+denken wij verder niet, we zien naar de rivier.
+
+Het zwaarst en het langzaamst stuwt de stroom langs den grooten
+weg dáar waar de passar gehouden wordt. Het feest is tegelijk een
+marktgang. Het boerenvolk van den omtrek komt verkoopen en koopen op
+de hoofdplaats. De rijst, de vruchten, de kippen en duiven, die ze
+in bengelende korven, aan een zwiependen bamboestaak, in de slendang,
+op de achterover gebogen hand hebben meegedragen van huis, worden in
+den loop van den ochtend centen en dubbeltjes, en voor de middag om
+is, feest-tooi. Koopers en verkoopers, druk aan het toonen, bekijken,
+loven en bieden, houden op telkens als er midden op den breeden weg,
+uit de verte al aangekondigd door den glimp van vergulden pajong,
+een kratonbewoner of aanzienlijk gast van den Sultan nadert.
+
+Bij menigten komen zij. Het zijn de leenmannen van den suzerein,
+houders van apanage-gronden, hoofden van districten, van dorpen, van
+gehuchten, tot wier leen-plicht en hulde het behoort op de feesten
+van den leenheer te verschijnen met gevolg en geschenken. Zij toonen
+hun rang in den breederen of smalleren gouden rand van den pajong,
+dien een dienaar hun boven 't hoofd houdt en in 't aantal hunner
+volgelingen; hun rijkdom in hun juweelen-tooi en de pracht van de kris
+die zij op den rug dragen, schuins door den gordel gestoken, zóo dat
+het korte buis er door opgelicht wordt. Hoogmoedig, met een strakken
+blik voor zich ziende, gaan zij door de menigte, die rechts en links
+voor hen uitwijkt. Zij hebben een ander type dan het geringe volk,
+het type van den Hindoe: lang gezicht, hoogen, scherp gebogen neus,
+gelige tint. In blik en houding toonen zij den trots van hun afkomst,
+al deze edelen, wier voorouders, voor vijftien eeuwen met die van den
+Sultan als veroveraars op Java gekomen zijn. De minste zoo goed als de
+machtigste onder hen is in deze dagen des Sultans gast in den Kraton.
+
+Het Sultans-verblijf ligt hoog-ommuurd, als een stad in de stad. Het
+groote voor-plein, van den hoofdingang uit te overzien, is wijd als
+een veld. De waringinboomen, in onafgebroken rij langs de vier zijden
+van het vierkant staande--zij zijn geschoren en behouwen tot het
+fatsoen van reusachtige staatsie-pajongs, natuur-dingen, herschapen
+tot verheerlijking van den vorst--de geweldige waringinboomen lijken
+klein in die ruimte. Maar die ontzaglijke verhouding is het eenige
+dat den indruk van vorstelijkheid geeft. Wat achter de waringin-rijen
+te zien komt aan gebouwen is armoedig. Gebouwen is te aanzienlijk een
+woord voor die wanden van bamboe en daken van blad, die de bewakers van
+poort en plein beschutten. En wat achter een tweede poort en tweede
+plein te zien komt is weinig deftiger. Het geheel doet eer denken
+aan een geringe stadswijk dan aan de omgeving van een vorsten-woon.
+
+Dat belet den inlander niet, den Kraton te beschouwen met een tegelijk
+verheerlijkenden en vreesachtigen eerbied. En inderdaad heeft hij
+daar ook reden toe: het onoogelijke gewar van vele huisjes, muren,
+pleintjes, nauwe straten omsluit den Bezitter van al het hunne. De
+grond van Djokja is het eigendom van den Sultan. Volkomen als een
+middeleeuwsch vorst in Europa, en nog machtiger zelfs dan die, in
+dit opzicht dat geen geestelijke macht tegenover hem staat, zooals
+de kerk stond tegenover de koningen van den feodalen tijd, is hij de
+groot-grondbezitter, de eenige. Alle andere bezit is van het zijne
+afgeleid, voorwaardelijk, tijdelijk. Dat weet de "gogol," de kleine
+man, de boer. En tegenover die wetenschap--en ervaring!--beduidt
+het voor hem al zeer weinig--zelfs als hij het werkelijk weet, wat
+betwijfeld mag, in zoover "weten" gelijkgesteld wordt met begrijpen
+en conclusie trekken--beduidt het voor hem weinig of niets dat
+de politieke macht van den Sultan niet meer is dan een al haast
+weggekrompen schaduw. De economische houdt hem in dienstbaarheid
+van dat hij geboren wordt totdat hij sterft. Niet zijn geld--want
+geld heeft hij niet--maar zijn arbeid en de arbeid van zijn vrouw en
+de arbeid van zijn kinderen, is des Sultans, door middel van al de
+vazallen die langs een lange afdalende reeks grond van den Sultan
+"in leen" hebben. Hij wordt voor dien arbeid betaald, alweer in
+grond: de Hollandsche ondernemer, suiker-planter of tabaks-bouwer
+[3] of de Javaansche apanage-houder voor wien hij werkt, staat
+hem dien af, juist zóoveel als hem, met hulp van zijn heele gezin,
+en bijverdienstetjes hier en ginder, in het leven kan houden. De
+oogst van al het overige gaat langs de weer opklimmende reeks van
+dorpshoofden, ondernemers of apanage-houders, regenten, toemeng-goens,
+edelen, prinsen van allerlei rang naar den Kandjeng Sultan Hamangkoe
+Boewana, den "Drager der Wereld."
+
+De inkomsten van het Sultanaat bedragen (met inbegrip van de rijkskas)
+vier millioen: die van den Sultan persoonlijk een millioen ongeveer. De
+Ratoe (de wettige gemalin), de kroonprins en trouwens al de leden
+der uitgebreide vorstenfamilie hebben, naar gelang van hun rang,
+eigen inkomsten uit de landen waarmee zij door den Sultan, of door
+diens "minister der domeinen" Mangko Boemi, den "Drager van den
+Grond" beleend worden. Dat niettemin de omgeving van den vorst
+zoo schamel is, valt te begrijpen, door wie bedenkt, ten eerste
+hoeveel geld er achterblijft in hoevele van die vele handen tusschen
+de gevende van den kleinen boer en de ontvangende van den Sultan
+uitgestrekt; en ten tweede, hoeveel monden hun dagelijksch voedsel
+en hoeveel lichamen kleeding en huisvesting uit die vorstelijke
+hand verwachten. De inlander of ook wel de halfbloed--welk een
+menigte van menigten Indo-Europeanen zijn er te Djokja!--zal den
+vreemdeling, trotsch, zeggen: "Er wonen tienduizend menschen,
+mannen, vrouwen en kinderen, in den Kraton." Een ambtenaar van het
+binnenlandsch bestuur, uitstekend kenner van Djokjasche toestanden,
+zegt mij: Vierduizend. Vierduizend--dat is een gezin dat wel eenige
+honderdduizenden in het jaar vereten, verkleeden, verwonen kan,
+zonder het bijzonder weelderig te doen....
+
+Op dit oogenblik is het groote gezin bezig zich te tooien voor de
+bruiloft; zes dochters van het gezinshoofd. In de kleine huisjes zitten
+overal mannen en vrouwen te naaien aan sitsen badjoe's--zwart sits
+met blauwe bloemen en groene bladers is het in éen wijk, rood-en-geel
+sits in een andere, en verderop rose, en lichtgroen, en paarsig;
+iedere prins kleedt zijn gevolg van dienaren in eenzelfde kleur. Het
+zal vroolijk staan in den grooten optocht. De tienduizenden uit
+het Sultanaat, uit Soerakarta, Kediri, Madioen, de Kedoe verheugen
+zich daarop.
+
+De Djokjasche societeit staat aan den viersprong van breede, prachtig
+door waringin- en tamarindeloover overhangen lanen, waar de weg langs
+gaat van den Danoeredjon, het verblijf van den rijksbestierder, naar
+den kraton. De stoet zal straks voorbijkomen, die van den Danoeradjon,
+waar de zes bruidegoms te gast zijn bij den Rijksbestierder, de
+huwelijksgeschenken naar de Sultansdochters in den kraton brengt. Op
+het bordes van het witte gebouw zit een groepje Hollanders, mannen en
+vrouwen in witte kleeren. Aan den overkant van den weg, tusschen de
+geweldige waringin-stammen, is het een glooiïng van bruine zwartoogde
+gezichten, van den grond op waar de kinders tegen elkander aangedrongen
+zitten, tot de hoogte van de achterste der op vijf, zes, zeven rijen
+achter elkander staande volwassenen, duizenden en duizenden die haast
+roerloos wachten. Tusschen dat brokje wit en die lange helling bruin
+door bewegen groepjes kratonbedienden, volk van den pasar vlak bij,
+en nu en dan een ruiter, of een rijtuig waarin zorgvuldig gekleede
+Javanen hoogmoedig in blik en houding zitten, achter wie een dienaar
+een vergulden pajong gesloten opgericht houdt: het zijn familieleden
+van den Sultan op weg naar den Danoeredjon, waar de stoet opgesteld
+zal worden. De onafhankelijke prins, Pakoe Alam, is met zijn vrouw en
+zijn zusters in de societeit, en kijkt met de Hollanders toe. Er wordt
+verteld dat de Sultan hem zijn Hollanders-manieren, zijn wit-linnen
+pak, zijn zuiver Hollandsch op de Hoogere Burgerschool geleerd, en
+zijn automobiel zeer kwalijk neemt; en dat hij zich daar weinig aan
+stoort. Sedert een uur ongeveer zijn aldoor troepjes voorbijgekomen,
+die straks deel zullen uitmaken van den stoet. Vrouwen in zijden
+kabaia's en met fonkelende sieradiën op de borst en in den zwarten
+glimmenden haarknoop, die op zilveren presenteerblaadjes met een
+lap fluweel of zijde toegedekte kostbaarheden dragen; lange reeksen
+kraton-bedienden, voorafgegaan door twee aan twee onder een kleurigen
+pajong wandelende hoogere beambten, die een groenen triomfboog
+van saamgesnoerde en versierde stengels suikerriet dragen, en in
+sierlijke potten allerlei gewas: rijst, sirih, terong (aubergine),
+ketela, tabak, in verzinnebeelding van den wensch, dat het aan de
+dingen van dagelijksche behoefte en genot den jonggehuwden nooit
+moge ontbreken. De bedienden hebben boven den donkeren sarong--niet
+anders dan bruin in velerlei schakeering wordt in de Vorstenlanden
+gedragen--bonte baadjes aan van sits, rood, rose, geel, fel groen,
+gebloemd op zwarten grond. De beambten in het zwart dragen den
+"koeloek," het staatsie-hoofddeksel, een afgeknotten kegel, soms
+glimmend zwart of glimmend vuurrood gelakt, soms kleurloos en
+doorzichtig: daar hangt het haar in een wrong en lossen sliert of
+sierlijk gedraaiden krul onder uit.
+
+Achter de dragers der symbolische planten komen er die in op
+een baar staande of aan draagstokken hangende huisjes--huisjes
+met deur en vensters en een dak, zoo geschilderd, dat het met
+roode pannen gedekt lijkt,--allerlei keukengerei dragen: sierlijk
+gevlochten mandwerk, aarden potten, pannen, kruiken, en zoowaar,
+allernuchterst grijs-geëmailleerd goed, tot zelfs een ketel op
+een petroleumtoestel toe. De prijzen hangen er nog aan. Een stem
+uit de groep Hollanders zegt: "Dat gaat overmorgen terug naar
+den winkel: de gewone afspraak." Twee ganzen in een kooi, die met
+halfgespreide vlerken hun evenwicht probeeren te houden tegen het
+geschommel in, komen achteraan: en daarachter een heele rij mannen
+met leege kooien over het hoofd gestelpt: woningen voor de duiven,
+die in geen Javaansch heem ontbreken mogen. Na een poos verschijnen
+muzikanten: op sierlijke stellages dragen zij gamelan-speeltuig. In
+telkens andere wanorde, zooals het toeval het heeft geschikt, komen
+zes maal achtereen dergelijke groepen, de zes afdeelingen die den
+stoet zullen samenstellen, voorbij. Een half uur nadat de laatste
+verdwenen is, komt, pajong-dragers voorop, de geordende optocht uit
+de richting van den Danoeredjon er aan. Vroolijk van al dat blauw,
+paars, rozerood, vermiljoen, groen, oranje, geel, dat getemperd
+en in onderlinge overeenstemming wordt gebracht door het stemmige
+bruin van de sarongs, en waarboven, gouden, hier en daar een pajong
+schittert, beweegt de bonte stoet door lommer en licht. Er boven uit,
+als bootjes op een kleurigen stroom, varen de drie groen-en-gouden
+draagstoelen der bruidegoms-zusters en -nichten, die, als afgezanten,
+de geschenken gaan aanbieden aan de bruiden. Door de glazen wanden
+komt maar even een glimp te zien van hun zacht-kleurige kleedij, en
+van het getintel van goud en edelsteenen overal op hen. De laatste
+draagstoel is voorbij. De stoet wordt onregelmatig: kinders loopen
+nieuwsgierig er tusschen door: de vrouwen lachen en babbelen. Onder de
+mannen zijn er die, bedaard, een strootje opsteken, terwijl zij, even,
+het met roodpannen-dak beschilderde huisje, het petroleum-stel, den
+ketel van grijs email, of de kooi met de waggelende ganzen, neerzetten
+op den weg. Met al zijn symbolen wordt de stoet zelf een symbool,
+in zijn staatsie, geleenden pronk, namaak van Westersche dingen,
+nalatigheid en wanorde een symbool van Vorstenlandsche toestanden.
+
+
+
+In den kraton wordt "de Ontmoeting der Bruiden en Bruidegoms" plechtig
+gevierd. Het feest is in "de Gouden Troonzaal."
+
+Wat verrassing na de gore armoe der buitenwijken, die kern van pracht
+in het Sultansverblijf!
+
+De "zaal" is een "pendoppo," zooals ook door mindere hoofden,
+bij welgestelde loerahs zelfs, gebouwd wordt voor ontvangst van
+gasten: maar in het prachtige. Een marmeren, rondom met treden
+oprijzende vloer; gebeeldhouwde, beschilderde en vergulde pijlers;
+en een koepeldak dat prachtig rood en goud uitstraalt van een gouden
+hoogte. De gouden troonzetel van den Sultan, waarnaast de vergulde
+leuningstoel staat van den resident, glanst in het midden van al dat
+wit en rood en goud. En de sultan zelf is niettegenstaande de somberte
+van zijn kleedij een enkele flikkering, zooveel goud en edelgesteente
+hangt hem om hoofddoek en kris-scheede, op de borst, om den hals, aan
+de vingers. Door de spiegelglazen wanden der troonzaal heen flikkert
+bont als een zwerm kapellen op een bloembed een geheele schaar kleine
+meisjes, op den marmeren vloer van een tweede, lager gelegen zaal
+neergehurkt, de jonge zustertjes van de bruiden, wel vijftien of
+twintig, prachtig in feesttooi, armen en schouders bloot, en behangen
+met kleinoodiën, de kleine gezichten beschilderd en omlijst door
+scherpe punten van het weggeschoren en bijgeschilderd haar, waarvan
+de wrong, hoog tegen het achterhoofd, overspannen is door zilveren
+netwerk, en vlak in het midden beprijkt met een scharlakenroode bloem.
+
+Achter die tweede marmeren zaal gaan weer treden omhoog naar een derde,
+op den achtergrond waarvan in nissen tusschen rood en gouden wanden,
+twee staatsiebedden schemeren, met zijden kussens bespreid. Een leger
+dienende vrouwen, ook met ontbloote armen en schouders en sarong hoog
+gegordeld onder zijden boezemkleed, zit op gekruiste beenen langs den
+rechterwand der zaal. In het midden, tusschen de twee praalbedden,
+in een schijn van heel zachtgekleurde en glanzige stoffen, zijn al de
+oudere, getrouwde zusters bijeen; weder een twintig wel. En links,
+alleen, zitten de zes bruiden, uit de verte te zien als een zóó
+neergestreken pauwenvlucht, enkel goud en flonkering.
+
+Er is muziek geweest: het Wilhelmus, het Wien Neerlandsch bloed,
+met oorverscheurenden wanklank van geweldig geslagen bronzen
+gamelan-bekkens, van harpen, cithers en Perzische viool tusschen
+trompetgeschetter door. De Sultan is opgestaan en gearmd met den
+Resident--zonderling genoeg die zwart-gerokte Westerling naast den
+sarong en hoofddoek en flonkerende kris dragenden Javaan--naar den
+opgang der gouden troonzaal gegaan, van die achterste zaal uit,
+waar de zes bruiden, kruipende genaderd, hem de knie hebben gekust.
+
+En nu naderen, van den eenen kant de bruiden, ieder tusschen twee
+oudere zusters, van den anderen de bruidegoms, ieder tusschen twee
+oudere broeders.
+
+Het is verblindend, verbijsterend prachtig.
+
+Geen vrouwen lijken dat meer, die fonkelende gestalten, die daar zoo
+langzaam, met neergehouden oogleden, voorbijgaan, maar wezens uit een
+vreemde wereld. Met elke schrede die zij doen, loopen flikkeringen
+van rood en goud hen van voet tot boezem. De uiteinden van een
+somber-blauwe, van glanzen zilver en brons doorspeelde sjerp, die
+van achteren in rond-uitstaande plooiïng bochtig onder het middel
+hangt, zijn van voren over elkaar geslagen, en maken een lichte
+fladder-beweging voor hun knieën. Een snoer van bloemen en lichtgroene
+bladers hangt daar luchtig over heen. Boven het met goud beschilderde
+boezemkleed van purperen zij, hangen op de geelgezalfde en bepoederde
+borst, in haar geheele breedte haar bedekkend, drie halve manen van
+in zilver gevatte diamanten, de eene boven de andere. Aan weerszij
+van het beschilderde gezicht, strak als een masker, stralen zilveren
+en diamanten oorsieraden, als vleugels gespreid en afstaande. Een
+lichtgroene aigrette siddert op het hoofd. En aan de strak neergehouden
+armen en aan de handen, in de handen der geleidende zusters gevat,
+pralen spangen, banden, ringen, van de schouders af tot aan de spitsen
+der vingers toe.
+
+De bruigoms, die hen tegemoet komen, naakt van hals tot gordel, en met
+gelijken tooi van ringen, armspangen en diamanten trits van halve manen
+op de borst behangen, dragen prachtige krissen en een hoofd-sieraad,
+half helm, half fantastische kroon. Vlak tegenover elkander houden
+zij stil: zes bruiden tusschen twaalf zusters, zes bruigoms tusschen
+twaalf broeders: zij schijnen afgodsbeelden te midden van dienende
+priesters. Een lichte beweging gaat opeens langs de roerlooze rij:
+de acolyten hebben bruiden en bruigoms elk een klein voorwerp in
+de hand gegeven. Het is een peperhuisje van pisang-blad gedraaid,
+dat de bestanddeelen bevat van de sirih-pruim. Zonder de oogen op
+te heffen werpen de paren het elkander toe. Dan bukken de bruigoms
+en bieden uit een voor hen neergezette schaal hun bruid rijst aan:
+een zinnebeeld van de gemeenschappelijke maaltijden van nu aan.
+
+Zij wijken terug van elkaar. De Sultan treedt tusschen bruiden en
+bruigoms. Dan komt de hoogste in rang naar voren, Joedonegoro, die de
+aangenomen zoon van den Sultan is, en omvat zijn bruid. Zijn broeder
+treedt naast hem. Te samen beuren zij haar op en dragen haar naar de
+poort van den Kraton. De andere volgen, iedere bruid door bruigom
+en bruigoms-broeder gedragen. De kleine zustertjes wachten bij de
+draagstoelen, waarnaast aan weerskanten tien in het rood gedoste
+dragers staan. Bruiden en bruidsmeisjes worden er in getild. En de
+stoet verdwijnt, de donkere poorten uit.
+
+De menigte toeschouwers gaat, zonder eenig gerucht te maken, uiteen. De
+Hollanders zoeken hun rijtuigen te bereiken zonder bespat te worden
+door de modder en de plassen, die de stortregen van dezen ochtend
+op het voorplein heeft achtergelaten. En een enkele haast zich om
+nog eens, van de societeit uit, den stoet te zien van de gasten
+die straks deel zullen nemen aan het feestmaal in den Danoeredjon,
+en den dans zullen zien dien de dansers van den Sultan daar opvoeren.
+
+
+
+Het eigenaardige van Djokja is, dat men er niet aan
+went. Integendeel. Hoe langer men deze stad bekijkt, hoe meer vreemde,
+onverwachte, verwonderlijke dingen men er vindt. Niet onder de
+Hollandsche bevolking alleen, hoewel daar waarlijk ook genoeg! noch
+zelfs onder de Indo-Europeesche, hoewel dáár van een soort waarvan men
+de wedergade zou moeten zoeken, (barok als het klinkt) in verhalen van
+Gogol of Turgenjew. Maar onder de Javaansche bevolking. Het Djokja
+van de Djokjaneezen. Dat is het verwonderlijkste van alles. De
+wonderlijkheid zit voor een deel hierin, dat in de geheele, een
+zeventig duizend bewoners bergende stad, maar tweeërlei menschen
+wonen en die van de onderling scherpst contrasteerende klassen der
+maatschappij: namelijk vorsten met hun omgeving, en arm volk. Wat
+overal elders op de wereld tusschen die twee uitersten verbindend
+leeft, bestaat hier òf niet, òf alleen in een vorm waarvan men aarzelt
+te zeggen of het er een van worden is of van vergaan. In de verre
+middeleeuwen hebben, misschien in een of ander handwerk bedreven
+hoorigen, die van tijd tot tijd hun werk ruilden met dat van de
+hoorigen van een anderen gebieder, zóó om een kasteel heen gewoond
+als ambachtsvolk en kleine handeldrijvenden hier in Djokja om den
+kraton. Die vergelijking zal maken wie het stadsvolk beschouwt als
+verkeerende in een staat van wording, met feodale toestanden achter
+en burgerlijke vóór zich. En hij zal de drukte op den passar aanzien
+voor een teeken van al sterker wordend handelsvertier.
+
+Die passar, midden in de stad, aan een breede, door prachtige
+tamarinden beschaduwde laan, is een plek van altijd hernieuwde
+bekoring. Telkens anders en telkens weder even mooi. In den half-donker
+van de lange loodsen en op de fel-bezonde paden daar tusschen, waar de
+duizenden koopers en kramers ordelijk verdeeld blijven, is het aldoor
+een blinken en verschieten van kleuren, een wemelend voorbijglijden
+van bewegingen, gezichten die lachen en ernstig worden, gestalten
+die, bukkend, aandragen met altijd meer koopwaar. Verschillende
+ruimten zijn bestemd voor verschillende waar. Langs den straatweg,
+als ware het de zoom van den passar, zit in een lange rij het volk
+der marskramers. Netjes geschikt op een gevlochten mat, stallen zij
+hun garen en band uit, kammen, zeep, knoopen, den gewonen inhoud ook
+van een Westerlingen-mars; en tabak, inlandsche tabak, door Javanen
+geteeld. Maar achter dien zoom beginnen de verschillende wijken van
+de markt, de groepen loodsen voor een en dezelfde waar bestemd. In het
+Hollandsch en in het Javaansch staat het boven den ingang geschreven:
+vleesch, groenten, vruchten, visch, geweven goederen, ijzerwerk. Vaste
+gewoonte, schijnt het, vult aan waar administratieve voorzorg te
+kort is geschoten, en vogels van gelijke pluimage betrekken gelijk
+verblijf. De goudsmeden en handelaars in juweelen zitten in één loods
+bij elkaar, en bij elkaar de Britsch-Indiërs met hun balen zij en hun
+borduurwerk van goud op fluweel, en de vogelverkoopers hebben allen
+aan den uithoek van de markt bij de brug, hun rijen kooien opgehangen,
+waarin rijstdiefjes, dwerg-papagaaien, beo's en vooral honderden
+duiven zich zitten te nebben in den zonneschijn. Hier is het altijd
+druk. Want een duif mag op geen Javaansch erf ontbreken; haar gekir
+brengt immers geluk aan! En liefhebbers van duiven-wedstrijden hurken
+in kringen om de neergezette kooi, waar de koopman een vogel in wijst,
+die hoog vliegen, of in bijzonder diepe en krachtige tonen koeren
+kan. De markt-drentelaars komen hier bijeen in getale. De duiven
+gaan van hand tot hand, betast, geaaid, bekeken, gecritiseerd. Een
+waronghouder loopt er tusschen door met glazen geschaafd ijs, waarop
+vruchtennat is gegoten, rijst in zakjes van pisang-blad gekookt, en
+sigaretten. Er wordt veel verhaald, veel gebluft en veel, met groote
+heftigheid, tegengesproken.
+
+Vrouwen ziet men hier zelden of nooit. Die gaan naar de markt om zaken
+te doen. Ze komen uit den geheelen omtrek van de stad, uit gehuchten
+tot op twaalf en vijftien kilometer afstands gelegen. Ze zijn in den
+nacht op weg gegaan, om de koelte, en om vroeg te komen, en vijf of
+zes uren onderweg geweest met een zwaren last op den rug: vruchten,
+groenten, aardappelen, allerlei kweeksel uit de koele heuvelstreek,
+bloemen van hun eigen erf, zoetigheid pas bereid, gevlochten matjes in
+rollen, waaronder het kleine figuur der draagster verdwijnt, potten,
+schalen, schenkkannen van rood aardewerk, behoedzaam opgebouwd tot een
+heuvel, die alleen over den weg lijkt te wandelen. Zij komen verkoopen
+om te koopen. De tros pisangs of de stronk boerekool in hun linkerhand
+verandert in een mandje rijst voor het huishouden, tabak voor den man,
+garen en naalden voor haar zelve, in haar rechter. Daar zijn er die
+met niet anders dan een paar doerèn-vruchten in haar slendang komen
+en met een waarde van drie stuivers aan rijst en medicijnen weggaan,
+en den morgen goed besteed achten, als zij thuis komen, nog juist op
+tijd om voor het middagmaal te zorgen. Om zulke allerkleinstigheidjes
+gaat het hier.
+
+Er zijn, dat is waar, ook winkeltjes in de stad, door inlanders
+gehouden. In een afzonderlijke wijk staan ze bij elkaar. Maar
+ook in die winkeltjes is alles gering, klein, schamel. Het zijn
+wezenlijk "winkels" in den oorspronkelijken zin, in een hoekje van een
+aanzienlijker gebouw weggedoken stalletjes. Maar weinig lijken zij op
+de overvolle blinkende toko's der Chineezen in de wijk vlak er naast.
+
+Met de Javaansche industrie staat het niet anders of beter
+geschapen. Er is betrekkelijk veel nijverheid in Djokja: maar, alweer,
+van een armelijk, sukkelend slag. In een afzonderlijke wijk bijeen
+wonen bij voorbeeld kleermakers. Ik kwam door die buurt in de week voor
+de kraton-feesten en herkende ze als de hunne, toen ik in de deur en
+onder het afdak van al die lage, vuile, uit het lood gezakte huisjes
+mannen zag zitten naaien aan baadjes van allemaal hetzelfde zwarte,
+groen-en-blauw bebloemde sits. In een andere wijk, vrijwel buiten
+de stad, voor men aan het zonderlinge rood-en-witte gedenkteeken
+komt dat de een of andere sultan voor zijn gemalin heeft opgericht,
+wonen de batikkers: men ziet de kains en hoofddoeken hangen, in het
+halfdonker der openstaande huizen. Er zijn schoenmakers, timmerlui
+en schrijnwerkers, vervaardigers van wayang-poppen en dergelijke
+curiositeiten, waarnaar de al veelvuldiger naar Djokja komende
+vreemdeling vraagt, goud- en zilversmeden, en zelfs een enkele
+wapensmid, die de edele oude kunst van het pamor-smeden uitoefent en
+een meester is in zijn vak.
+
+Maar wat is dat alles arm en klein!
+
+Ik ben in eenige van die huisjes geweest: bij een batikster,
+een goudsmid, den wapensmid. En overal heb ik hetzelfde gevonden:
+vlijtig werk, gebrekkig werktuig, schamelste verdienste. De batikster
+mag misschien niet eens medegerekend: zij is een Britsch-Indische en
+heeft, zoo niet industrieel dan toch commercieel moderne idees. Haar
+winkel heet "The Old Curiosity Shop." (Jawel: wij lezen Dickens weer,
+tegenwoordig.) Het staat er vol snuisterijen, Javaansche, echte,
+mooie en ook andere. Maar de eigenlijke werkplaats, op het achtererf,
+daar is het alles op zijn echt Djokjaasch: nauw, donker, een doolhof
+je van galerijtjes, loodsen, potstalletjes, hokken, met een trap op
+hier en een trap af daar, een paar vrouwen aan den arbeid onder een
+zonnezeil, eenige kuipen met blauwe, bruine en gele verf rondom een
+put, droogtonnen tusschen djamboe- en sawoe manila-boomen gespannen,
+waaraan kaïns, half nog in de was, hangen uit te druipen, en in een
+trillenden kring van hitte en bleekrooden schijn, een houtskool-vuur
+in steenen komfoor, waarop was staat te smelten. Het verwonderlijke
+is het mooie werk in zulk een omgeving gemaakt.
+
+De goudsmid is al niet beter behuisd of ingericht. Met zijn drie
+helpers zit hij op den vloer van zijn werkplaats achter een raampje van
+bamboestijlen, waardoor het licht maar karig naar binnen komt. In een
+wonderlijk tafeltje--geen voet hoog is het blad boven den grond--heeft
+hij allerlei laadjes en hokjes waar hij goud en zilver, edelsteenen,
+en de gewichten van zijn goudschaaltje in bewaart, die niet anders
+zijn dan de mooie roode zaadpitten van een zekere klimplant. Zijn
+helpers komen 's ochtends op de fiets--hun drie machines staan in
+een hoek geleund. Maar hij smelt zijn goud en zilver in een aarden
+kroesje, dat hij op een potscherf te midden van gloeiende houtskolen
+zet; en daar hurkt hij naast om met een waaier-vlagje van gevlochten
+palm-vezel den gloed aan te wakkeren. Door de werkplaats ziet men
+in zijn huis. Dat de vrouw op orde en een zeker decorum gesteld is,
+blijkt uit het bescheiden "praalbed" in een nis van den muur, een
+soort bedstede, en waarvoor ook gordijntjes hangen, opgebouwd. Maar
+niettemin is zij in versleten, verschoten kleeren gestoken, en van
+de kinders is er maar één gekleed, en dat ten halve enkel, alleen
+met een baadje, waaronder zijn naakte beenen mager te voorschijn komen.
+
+De wapensmid is, als gezegd, een meester in zijn vak, een man van
+overgeërfde bekwaamheid. Hij verhaalt u met een rustigen trots,
+dat zijn voorvaderen de wapensmeden waren van de Keizers van
+Mataram. Zijn zoon, en zijn kleinzoon, die, met een broederszoon,
+zijn helpers zijn in de smidse, zetten de traditie van het geslacht
+voort. Op het kleine, zware aambeeld, dat de litteekens toont van
+den arbeid van vier generaties, smeedt hij die prachtige krissen,
+waar op het blauwzwart van het staal het fel-blanke nikkel in figuren
+van bladers, golven, vlammen blinkt. Daar zijn er bij die vorsten
+worden aangeboden als waardig geschenk. En hij werkt even vlijtig,
+de oude man met zijn zoon en kleinzoon, als vaardiglijk. Niettemin
+zou hij zijn gezin niet kunnen verzorgen, als zijn vrouw niet een
+bijverdienste aanbracht met het houden van een "warong" aan den weg.
+
+Zoo staat het met de Djokjasche nijverheid.
+
+En van die stoffelijke armoe is een geestelijke het gevolg. Deze
+ambachtslieden hanteeren hun ambacht als iets doods. Zij herhalen
+tot in het oneindige een paar gegeven voorbeelden. Daar is niet één
+batikster die ooit een nieuwe teekening bedenkt. De goudsmid maakt
+oorknoppen en armbanden nù precies zooals hij ze twintig jaar geleden
+gemaakt heeft en over twintig jaar nog maken zal. Zelfs de wapensmid
+houdt zich aan de vijf traditioneele motieven voor de versiering van
+zijn krissen, en heeft nog nooit bedacht of hij ook niet eens wat
+anders zou kunnen smeden dan die en lans-punten. Gelukkig nog, wanneer
+de ambachtsman zich aan de Javaansche traditie houdt en niet vervalt
+in de zin-leege navolging van slechte westersche voorbeelden! Heb ik
+bij den goudsmid geen (vertaalden) Duitschen catalogus van armbanden,
+ringen en broches zien slingeren? "Geloof, Hoop en Liefde"--symbool,
+anker, kruis en hart vereend, om als kabaja-speld te dragen, een
+briljanten "sieraad" in den vorm van een vraagteeken (dàt suggereerde
+ten minste een en ander, hoewel dan zeker niet-bedoelde dingen) en
+een dasspeld die een jockey-pet was met een karwats er om heen. En
+venten de bewerkers van buffelleer geen ceintuurs met wayangpoppen
+beschilderd, langs de hotels, en de batiksters geen (gedrukte)
+tafelloopers met vergeetmijnietjes in de hoeken?
+
+De Javaansche koopman is arm.
+
+De Javaansche ambachtsman is arm, arm aan het lijf, arm aan de ziel.
+
+Zij zijn een arm volkje, wonend in steegjes en krotjes rondom het
+zwaar-ommuurde verblijf van een van duizenden bloedverwanten en
+dienaren omgeven vorst.
+
+Tusschen die twee is niets.
+
+Nòg niets?
+
+Of niets méér?
+
+Dàt is het wat men zou willen weten.
+
+
+
+
+
+Suikerland
+
+
+Telkens rijst voor oogen, die zoeken wat de gedachte weet dat te
+vinden is, de verbergende wand op van heuvelklingen en steilen
+berg. Wie daar boven uit kon stijgen! Wie neer kon kijken op Djokja
+van de ruime hoogten uit, waar de sperwer spiedend drijft! Hij
+zou het land zien liggen als van donkere berg-eilanden doorbroken,
+een prachtig-blauwgroene zee, waar her en der, meeuwen gelijk, die
+rustend drijven op een golf, verblindend witte stippen blinken. En
+begon het te donkeren, dan zou hij de zwartgeworden zee overgloord
+zien van veruitstralende blanke helderheden, zoo vele als hij eerst
+witte stippen had geteld, en overal tusschen die blanke en gestadige
+glanzen in, rood geflakker, rosse rook, een mist, een dunnen nevel van
+vuur, dien de wind verdicht tot vlammen of uiteendrijft in smeulenden
+rook; en glimmende vonken zou hij, als levende wezens zeker van hun
+weg, door brand en duisternis heen zien bewegen op de groote blanke
+licht-eilanden toe. Dan had hij Djokja gezien als suikerland met de
+witte fabrieksschoorsteenen te midden van de blauwgroene riet-tuinen,
+en, door de duisternis glimmend, de locomotieven van de lange treinen,
+die langs afgeoogste velden, waar heuvels verbranden van dor blad,
+riet naar de stampende molens dragen. En die schijnbaar zoo van
+zelf sprekende vereeniging van industrie en landbouw, die complexen
+van fabriek en suikerrietveld ziende, die een heel land innemen,
+had hij voor eigen oogen gehad een ding zóó zonderling, dat het
+wel éénig mag heeten: de vereeniging, zooals zij waarschijnlijk
+nergens elders op de wereld te vinden is, van twintigste-eeuwsche
+arbeidsmethode en middeleeuwsche heerschappij over grond en
+menschen. Het wonderlijk samengroeisel staat op het punt van een
+gescheiden te worden. Binnenkort zal het levende deel tot krachtiger
+ontwikkeling gekomen, het afstervende in ontbinding verdwenen zijn. En
+dan zal wie het niet met eigen oogen zag moeite hebben te gelooven dat
+het ooit bestond, dat ooit een industrie in samenwerking vereenigd
+heeft gehouden de nieuwste machines uit Hengelo, Amsterdam, Halle,
+Brunswijk, Glasgow, de methodes van het groot-kapitalisme, en het
+wetenschappelijk onderzoek aan den eenen kant, met, aan den anderen,
+feodaal landbezit en de arbeidskracht van een volk, dat met huis,
+erf en veld te zamen voor zoo en zooveel jaar tegen zoo en zooveel
+geld gepacht wordt van den vorst als van zijn bezitter.
+
+De zonderlinge toestand is een gevolg van overoude oorzaken, en zelf
+al oud.
+
+Overal op Java gold vroeger de vorst als de eigenaar van den grond:
+maar zijn eigendomsrecht werd beperkt door dat van den ontginner. Wie
+woesten grond maakte tot vruchtbaren, verkreeg daardoor dien grond
+in eigendom. In de streek die later de Vorstenlanden zou heeten,
+veranderde die toestand ten voordeele van den vorst. Wanneer en door
+welke oorzaken schijnt niet bekend; maar bij hun komst in de streek
+vonden de Hollanders dien veranderden toestand als een gevestigden
+en klaarblijkelijk sedert zeer lang reeds heerschenden. In het
+toen geldende stelsel was de vorst onbeperkt eigenaar van den grond
+en feitelijk onbeperkt eigenaar van de krachten der bewoners. Zij
+konden niet anders bezitten dan wat hij hun gaf, en in ruil daarvoor
+moesten zij betalen wat hij van hen eischte. Dat was niet minder dan
+de helft van al het gewas en diensten tot aan de alleruiterste grens
+van hun krachten. Uit dat bezit aan grond en krachten onderhield de
+vorst zijn dienaren. De leden van zijn familie, de machtige edelen,
+de legeraanvoerders, de bestuurders van gewesten, kortom allen, die,
+onder welken titel dan ook, een deel van zijn gezag uitoefenden,
+ontvingen een overeenkomstig deel van zijn bezit: land en menschen,
+waarvan zij echter weer, evenals het volk, schatting in oogst en
+diensten aan hem moesten opbrengen. Van den Soenan af tot op den
+laagst in rang staanden edelman of ambtenaar toe, was er als een
+trap waarlangs verplichtingen daalden, rechten opklommen. De Sultan
+had alle rechten en geen verplichtingen; zijn laagste vazal enkele
+rechten en vele verplichtingen; het gemeene volk geene rechten en
+alle verplichtingen. De Oost-Indische Compagnie trad geleidelijk in
+des Sultans plaats en besnoeide zijn macht ten voordeele van hare
+eigene, doch liet in de hoofdzaak het oude stelsel voortbestaan:
+van het geheele land, na aftrek van een bepaald gedeelte (1/5) als
+betaling van toezicht houdende hoofden, was de helft voor het volk,
+de helft voor den vorst. Opeenvolgende wijzigingen, waarvan de diepst
+ingrijpende door Daendels en later door Raffles werden aangebracht,
+lieten altijd nog dit stelsel ongerept. En het bleef bestaan toen in de
+19de eeuw eindelijk de Hollandsche ondernemer optrad en in de plaats
+kwam van den Javaanschen edelman of ambtenaar, den vorstenvazal. Als
+aan dezen werd nu aan hem de helft toegewezen van den oogst, door
+de bevolking geteeld, en als deze had nu hij het recht op arbeid en
+diensten van den boer; als deze ook betaalde hij voor het een en het
+ander schatting aan den vorst.
+
+Het groote onderscheid echter was dit: dat de Hollandsche ondernemer
+geen rijst behoefde als de Javaansche apanage-houder, maar wel
+arbeid om een voordeeliger product dan rijst te telen. Hij trof
+daarom een schikking met de boeren. Inplaats van rijst zouden zij
+hem, onbetaald, zooveel arbeid leveren als voldoende zou wezen
+om de verschuldigde hoeveelheid rijst te telen, doch dien arbeid
+besteden aan de cultuur van suikerriet. Wat daarvoor meer noodig
+was dan voor rijst, zou hij hun betalen; de cultuur van het riet
+namelijk eischt veel meer arbeid dan die van de rijst. Daar, verder,
+op tijd en kracht van den boer de velerlei diensten die hij onder
+allerlei benamingen aan den Sultan bewijzen moest, zwaar drukten,
+kocht de Hollandsche ondernemer voor zooveel mogelijk die diensten
+af. De Sultan nam genoegen met het geld instee van den dienst. En
+zoo werd de rijstbouwer van den Sultan rietbouwer van den fabrikant,
+verhoudingen uit den tijd van de Hindoevorsten overgebracht op de
+moderne industrie, en de Djokjasche sawahs veranderd in wimpelende
+riettuinen, waar in de plaats van het wachtershuisje, speelplaats van
+op rijstdiefjes passende kinderen, de fabriek verrees, dreunend van den
+slag der door een beek gedreven machine. Die fabrieken uit het begin
+der jaren achttienhonderd, klein nog en eenvoudig ingericht, waren
+het eigendom van één man, den oprichter. Gewoonlijk was het iemand
+op goed geluk naar Java gegaan--een koloniaal soms, of een matroos,
+een enkele maal een Franschman, langs allerlei wonderlijke wegen uit
+de legers van Napoleon zoo ver weg gedwaald; mannen die kwamen zonder
+een rooden duit op zak; maar vol goeden moed en durf en inzicht
+in toestanden en karakters. Zij vonden hun weg naar het hof, en,
+dikwijls, naar de gunst van den Sultan. Er waren er die met dochters
+uit den Kraton trouwden, en bij wijze van bruidschat land in leen
+kregen: groote fortuinen werden op zulk een grondslag opgebouwd. De
+teelt van het riet, het maken van de suiker kon op een primitieve,
+weinig-kostbare wijze geschieden; er was nog geen ziekte in het riet,
+nog geen concurrentie op de markt, nog geen dwang van welken aard ook
+tot vermeerdering van productie en vermindering van uitgaven. Maar
+ook dat veranderde. De slechte jaren kwamen. Wat nu niet mee kon met
+den nieuwen tijd moest voorgoed achterblijven en ging ten onder.
+
+Van de kleine met waterkracht gedreven fabriekjes verdween het
+laatste. De rijkdom van één man was niet voldoende voor den bouw en
+de inrichting van de groote nieuwe fabrieken, voor het aanschaffen
+van de dure nieuwe machines, voor het pachten van de groote complexen
+land. Geheele families werden gezamenlijk eigenaar, vennootschappen,
+maatschappijen. De aandeelen kwamen aan de markt. En wie vandaag
+deze of gene van de achttien groote fabrieken in Djokja ziet, wier
+schoorsteenen uit het blauwig blinkende rietveld opsteken als uit
+een zomersche zee een vuurtoren, kan zich vermaken met de gedachte,
+dat op hetzelfde oogenblik misschien de een of andere couponknipper
+in Amsterdam of Den Haag of Harleveen in den vorm van een strookje
+papier de hem competeerende portie naar zich toe haalt van de
+schatten, onder dien blinkenden schoorsteen uit dat wimpelende riet
+te voorschijn geperst; en dat de orde-, vrede- en menschlievende
+Nederlander, zachtzinniglijk aldus knippende, metterdaad zich
+verklaart voor afstammeling-naar-den-gelde en politiek erfgenaam
+van oude Djokjasche Sultans en Soenans van Mataram, de verdrukkers,
+uitzuigers en keelbeulen van hun volk.
+
+Wel wonderlijk hangen in deze wonderlijke wereld de dingen aan
+elkaar....
+
+
+
+Wie in dezen tijd langs Djokjasche wegen gaat, beweegt zich te
+midden van een gestadig stroomende rivier van riet. Het is riet op
+de lange vrachttreinen, riet op tram-wagons, riet op lorriereeksen,
+riet op buffelkarren. Het lijkt of de velden zelf zijn opgestaan
+en bewegen. De lucht is vol van den zachten geur, die uit de snede
+der afgekapte halmen opstijgt. Op de kale akkers loopen buffels het
+lichtgroene kruid af te weiden, dat in den schemerdonker tusschen de
+hooge stengels is opgegroeid, mannen laden een kar vol met afgestroopt
+blad, waarmee zij het dak van hun huisje in de dessa nieuw gaan dekken,
+om een brandenden hoop afval speelt een bende spiernaakte jongens met
+het triomfante pleizier dat jongens de heele wereld over in een vuurtje
+hebben. En naast dat afgeoogste veld staan rechts en links andere
+nog in vollen rijkdom, blinkend en wimpelend; en verderop glanzen,
+laag bij den grond, de akkers, waar het jonge riet, in het begin
+van het jaar aan stekken in den grond gezet, al forsch en bladerrijk
+staat; en verre weg, tegen de wijkende bruine en roodachtig-paarse
+hellingen aan, wazen hier en ginder, vegen van teeder groen, dat
+alweer suikerriet is, in de koelte gezaaid en opgekweekt tot het,
+telkens van een hooger naar een lager gelegen veld gebracht, rijp
+zal wezen voor het planten in de vlakte. En verder weg nog, niet
+voor het oog zichtbaar meer, maar duidelijk genoeg staat het voor de
+gedachte, groeit het riet van de proefstations, de zorgelijk behoede,
+beschutte, begoten en gekoesterde eerstelingen van nieuwe soorten,
+uit verre streken hierheen gebracht, of gekweekt uit de vermenging
+van de beste der inheemsche rietsoorten. Van zoo ver af begint het
+al,--dat bewegen van het riet naar de fabriek toe: heel langzaam eerst,
+met kweeken en stekken; telkens komen de stekken ván stekken uit hun
+verte en hun hoogte wat dichter bij de fabriek--het proefstation, de
+"grootmoeder-tuin," de "moeder-tuin," de bibit-tuin; dan plotseling
+omlaag de vlakte in, naar het veld, waar de stekken zullen opgroeien
+tot rijpe planten; dan, na een jaar of veertien maanden, de oogst en
+de snelle stroom naar de fabriek toe.
+
+De dagen door golft die stroom, de nachten door. De zon schijnt er op,
+de maan en de nachtgloor der sterren. Over zijn monding in de fabriek
+gaat het felle electrische licht op, wanneer de zon is ondergegaan
+over zijn bronnen op de heuvels.
+
+Rondom is de zwarte tropische nacht, de zwarte hemel staat vol
+sterrengeflikker, immense boomkruinen maken een donkerte midden
+in donkerheid. En te midden van die duisternis, die als een wal
+ondoordringbaar staat, schittert, als de klaarlichte dag zoo wit,
+de fabriek met haar reeks van stralende ramen en hoog in de lucht
+zwevende groepen blanke lampen. De passar aan beide zijden van den
+grooten weg en midden op een door boomen omgeven pleintje, waar
+dozijnen vrouwtjes zitten met uitstallingen van allerlei eetwaar; de
+groepen koelies, op hun hielen gehurkt, die onder praten en gelach
+en met het rooken van een strootje zich verpoozen; de lange rechte
+straat, aan weerskanten waarvan de witgekalkte employés-huizen staan,
+elk in zijn bloeiend tuintje: dat alles komt met zoo vele en scherpe
+bijzonderheden uit, als zelfs in den zonneschijn niet. En door die
+felle klaarheid beweegt nu de lange trein rietwagens, zwarte wagens,
+bevracht met achter en voor in een boog afhangende halmen-bundels,
+groene, bruine, paarsige; de grauwe buffels en de roodbonte ossen
+trekken bedaard stappend. De karrevoerders zitten half in slaap: hun
+beesten kennen den draai van den weg naar de weegbrug. Op het plein bij
+het pakhuis loopen al buffels los: zij grazen nog wat langs den berm,
+terwijl zij naar stal gaan. Voor de groote fabriekspoort, waar de
+rails van Decauville-lijnen en spoorwegen, elkander kruisend, ruiten
+van een reusachtig dambord maken, loopen, schijnbaar vanzelf, wagens
+de fabriek in en weer uit, hooggeladen naar binnen, hol en hoekig
+naar buiten. Koelies loopen duwend en roepend mee. Ze zijn anders dan
+anders, hier en nu. Het meestal onhoorbare volk is luidruchtig. Zij
+joelen als er een zijn bundel riet onhandig van den wagen gooit,
+als er een uitglijdt op den glibberigen vloer, als een karredrijver
+zijn ossen niet bijtijds uit den weg kan krijgen. Het felle licht,
+de snelle beweging, het dreunende geluid uit de fabriek, die sterke
+menschelijke wil die zich doet gelden tegenover de donker-stille
+natuur, heeft hun eigen levenswil gaande gemaakt.
+
+In de fabriek staat de molen te zingen met een geweldige stem. Prachtig
+gaat de klank op uit het ijzer-zwarte en staal-blanke gevaarte dat
+daar staat te draaien met zijn pletterende rol en te dreunen met al
+zijn platen, krukken, hefboomen, een klank als van een orgel waar
+verschillende registers tegelijk in uitgetrokken zijn, zoo dat de
+vox humana zingt en ook de bazuinen, en een fijne, klare, hooge toon
+drijft op een dreunende wolk van donkere galmen. De grond-zelf geeft
+mee met het harmonische gedaver. En die menigte van machines, waaraan
+blinkende dingen bewegen, stangen en krukken opgaan en neer, wielen
+wentelen, riemen trillen, lijken te bewegen alle op de maat van dat
+geweldige gezang, het gezang van den pletterenden, malenden molen,
+die, als een reusachtige werkman, overvol van kracht uit volle borst
+zingt bij zijn werk.
+
+De molen zingt, de machines draaien en dansen. Het riet komt naar
+binnen gestroomd, of ook het riet luisterde naar die muziek. Hier is de
+lange groene stroom, op de verre heuvels ontsprongen, aan zijn monding
+gekomen. Met golven schiet de vloed van stengels den "carrier" langs
+en, de wentelende brug over, den molen in. Een vormelooze massa komt
+er uit aan den eenen kant, een troebele beek aan den anderen. En door
+gemetselde kanalen en vijvers heen stroomt onophoudelijk het vuile,
+met taai geel wit schuim bedekte sap, dat vermengd met zuiverende
+kalk en zwaveldampen, verhit in reusachtige ketels, bezonken,
+gefilterd, verdampt, gekookt, ten laatste uit de centrifuges door
+bukkende vrouwen wordt losgemaakt als sneeuwwitte suiker. Bergen
+gelige suiker liggen in een anderen hoek van de fabriek: daar staan
+de half-naakte koelies, tot aan de knieën ingezonken, met groote
+houten spaden in te scheppen. Ontelbaar in de rij, staan de zakken
+vol bruine melasse, uitpuilend onder den druk van de zware stroop,
+die na enkele oogenblikken zoo hard is geworden als steen. Door goten,
+die, als duizend-pooten, op ontelbare, bewegelijke stangen staan, al
+maar heen en weer schuddend, loopt gelige en blanke en bruine suiker
+met schokken voort. Suiker, als zwarte modder, borrelt in een diepen
+bak. Suiker wordt met lange bezems bijeengeveegd als stof van den
+grond. En in het laboratorium staat, precieus in kleine stopfleschjes
+geborgen, suiker, die van vlakke kristalletjes flikkert als de sneeuw,
+als sneeuw zoo smetteloos, zoo fel wit.
+
+Straks stroomt al dat product de fabriek uit. De kostbare witte
+suiker naar de haven, waar de schepen al wachten op den last voor
+Britsch-Indië, Japan, Australië, Amerika; de gele en bruinige naar
+de booten op Amsterdam, waar de raffinaderijen stampen en stoomen,
+de melasse naar de arakbranderijen en de fabrieken van vee-voeder. En
+de lange treinen, die de suiker dus veranderd en nog altijd verder
+te veranderen wegdragen, komen de lange treinen tegen, die de suiker
+aandragen in haar oorspronkelijke gedaante, als lang, zwaar-buigend,
+groen en bruin en paarsig riet.
+
+
+
+
+
+Armoeland
+
+
+Djokjakarta is het land van ongerijmdheden en tegenstellingen. Er zijn
+er onder die meer nog dan het verbijsterde verstand het geschokte
+en verontwaardigde gevoel treffen. Daarvan is wel de ergste: de
+tegenstelling tusschen den rijkdom dien Westersche wetenschap
+en werkwijze te voorschijn brengen uit den Djokjaschen grond,
+en de ellende van het dienzelfden grond bebouwende en mede dien
+rijkdom helpende voortbrengen Djokjasche volk, terneergedrukt onder
+middeleeuwsch-despotische instellingen.
+
+Die ellende is nog niet eens het ergst in den vorm van armoe. Zeker
+zijn deze menschen arm. Ik ben in dessa's geweest waar--als men de
+woning van den bekel uitzonderde--in al die huisjes samen voor nog
+geen f 5 aan huisraad en kleeren was; en de waarde van de huizen
+zelf werd door de bewoners op f 1.50 geschat: dat althans was de som
+die zij bij den administrateur kwamen vragen na een brand, om nieuw
+te bouwen. Maar in de aangrenzende gouvernementslanden, in de Kedoe
+bijvoorbeeld, zijn stellig even arme dorpen te vinden.
+
+Zij is erger in den vorm van ziekte. Er is veel oogziekte hier en
+veel huiduitslag. Wie een groote menigte bij elkaar ziet, niet in
+de stad, waar zorgvuldige kleeding een aangenamen schijn spreidt
+over uitgemergelde gedaanten, maar op de velden, waar de menschen
+half-naakt aan het werk te voorschijn komen zooals zij werkelijk zijn,
+krijgt een indruk van verregaande zwakte en lichamelijke ontaarding:
+een troep kinderen is een allerdroevigst schouwspel; niets kinderlijks
+meer is er in die hoekige holle gezichten met de rood-ontstoken oogen,
+niets dat er uitziet of het wil groeien, aan die scharminkelige kleine
+lichamen. Maar lichamelijk leed is er ook in andere streken van Java
+veel en erg onder gering volk.
+
+Neen, de ergste ellende van dit volk, en de eigenlijk-Vorstenlandsche
+dat is zijn geestelijke ellende, zijn stompe, onverschillige
+willoosheid. Uit die doffe gezichten is zelfs de uitdrukking van
+verlangen naar iets beters verdwenen. En wie hen in hun dagelijksch
+zijn en doen eenigen tijd waarneemt, voelt soms de vrees in zich
+opkomen, dat zij van iets beters geen baat zouden hebben. Een mensch
+die al te lang honger heeft geleden, verdraagt geen spijs; die al te
+zwaar geboeid is geweest, kan zijn leden niet gebruiken, als hij de
+vrijheid herwint.
+
+Het Djokjasche volk is gewonnen, geboren en getogen in een wereld,
+die, met alles wat op haar leeft, en beweegt, het eigendom is van éen
+oppermachtig wezen, zoo verheven en in alles volmaakt, dat hij een
+godheid schijnt meer dan een mensch. De macht van den Sultan is zoo
+alomtegenwoordig, alles omvattend, alles doordringend in die wereld,
+als in de stoffelijke de dampkring. Er is geen ontkomen aan, er is
+geen mogelijkheid van leven daarbuiten, er is geen verzet of verweer
+tegen. Zooals de aarde gedrenkt wordt door regen en verwoest wordt
+door regen, en niet anders dan lijdelijk kan zijn onder de lafenis of
+onder de vernieling, zoo wordt door den wil van den Sultan het volk
+beweldadigd of te gronde gericht en kan niet anders dan lijdelijk
+wezen onder genade of onder gramschap.
+
+De Sultan echter is ver. Hij woont in zijn prachtigen kraton. Een
+gering man ziet hem niet, dan, misschien eens, éénmaal, in zijn
+leven, wanneer hij in het gevolg van zijn bekel, die zelf weer in
+het gevolg is van den apanagehouder, machtig edelman of prins uit
+het Sultansgeslacht, naar den kraton opgaat, schatting en geschenken
+dragend. Dichter bij, en door die nabijheid grooter van invloed op
+zijn dagelijksch bestaan, is de apanagehouder, de pachter-leenman van
+den Sultan, in alle machten en rechten over hemzelven, zijn grond en
+zijn gewas, des Sultans plaatsvervanger. Voor den apanagehouder is de
+helft van zijn oogst in den Westmoesson, het derde van zijn oogst in
+den Oostmoesson. Voor den apanagehouder zijn de beste vruchten van
+zijn erf.
+
+De apanagehouder bouwt een huis, geeft een feest, maakt een reis,
+trouwt een zoon of dochter uit: de kleine man brengt bamboe uit het
+bosch, de steenen die hij zelf gebakken heeft, uit den oven en bouwt
+het huis; hij neemt voor een paar dagen eten in een gevlochten zakje en
+zijn draagjuk over de schouders, en volgt als lastdrager zweetend en
+dravend den apanagehouder op reis; hij gaat houtskool branden in het
+bosch, haalt de laatste rijst uit zijn schuur, slacht een paar kippen
+of zijn geit, en brengt alles naar de keuken, waar de feestmaaltijd van
+den apanagehouder wordt bereid. De rijst van den apanagehouder wordt
+rijp op het veld, de rivier bedreigt zijn gronden, zijn vee heeft
+herders noodig op een nieuwe wei, zijn huis bewaking tegen dieven:
+de kleine man bouwt wachterhuisjes en zet er zijn kinderen op wacht,
+hij gaat naar de rivier en bouwt dammen van bamboe-vlechtwerk en
+keien, hij stuurt zijn zoon om de buffels te weiden, en gaat zelf
+des nachts waken bij het huis van den apanagehouder. Soms komt de
+apanagehouder met zijn vrouwen en zijn kinderen en zijn dienaren de
+apanage bezoeken. De bekel ontruimt zijn huis voor hem en bedient
+hem, hurkende, zelf. De apanagehouder blijft met zijn vrouwen, zijn
+kinderen en zijn dienaren tot er niets meer in of om de dessa is,
+dat de moeite van het blijven loont.
+
+Op den apanagehouder volgt de bekel, zijn pachter-rentmeester. Die
+is vlak bij den kleinen man, en door die allernaaste nabijheid is
+diens invloed op zijn leven het allergrootst. Al wat de apanagehouder
+doet, dat doet ook de bekel; maar hij doet het nog veel erger. Zooals
+immers de apanagehouder pacht opbrengt aan den vorst, zoo brengt de
+bekel pacht op aan den apanagehouder. Daarom, als de vorst een pikol
+rijst eischt of een gulden belasting of een dag arbeid, eischt de
+apanagehouder twee pikols, twee gulden, twee dagen; en de bekel,
+natuurlijk, drie pikols, drie guldens, drie dagen. En omdat de
+bekel zelf in de dessa leeft en precies weet wat er in ieder huis
+gebeurt, kan hij den dessaman "vinden" op honderd manieren, waarvan de
+apanagehouder niet weet. En de kleine man brengt zijn rijst; betaalt
+zijn koperen duiten, arbeidt op het veld van den bekel, in zijn stal,
+op zijn erf, aan zijn waterleiding, aan zijn huis. De bekel is de
+plaatsvervanger van den apanagehouder, die de plaatsvervanger is van
+den Sultan, die alle macht en recht over alle dingen en menschen bezit:
+hoe zou een gering mensch anders kunnen dan hem in alles gehoorzamen!
+
+Nu komt voor den apanagehouder een Hollander in de plaats, een
+suikerplanter: Kromo verneemt het op een goeden dag. Zijn dessa, zijn
+velden en hijzelf zijn nu van den suikerplanter, zooals ze vroeger
+waren van een Javaanschen ambtenaar, hoveling, zoon, dochter of
+afstammeling tot in het vierde geslacht van den Sultan. De macht-hebber
+is een andere, de macht is dezelfde over hem. Het is waar dat de
+macht-hebber hem met die macht tot andere dingen dwingt: niet meer
+tot rijstplanten, aanbrengen van levensmiddelen en bouwmaterialen,
+dragen van lasten, maar tot het bouwen van suikerriet en het werken
+aan wegen en bruggen. Het is ook waar, dat hij van den Hollander eenig
+geld verdienen kan, wat hij nooit verdiende van den Javaan, voor
+werk trouwens dat zwaarder is dan het werken voor den Javaan. Maar
+wat ook anders is geworden, dit éene is gebleven: de dwang. En dien
+dwang te verdragen van een Hollander valt Kromo nòg zwaarder dan hem
+te verdragen van een Javaan. Als hij zich veilig weet, uit hij zijn
+geringschatting voor zijn nieuwen eigenaar door hem te vergelijken
+bij een ondergeschikte van den vroegeren, den apanagehouder: hij
+noemt den planter "een blanken bekel."
+
+De bruine bekel overigens is gebleven. Hij die vroeger oogst deed
+opbrengen, doet nu arbeid opbrengen: dat is het eenige verschil,
+voor Kromo géen, in zoover het zijn afhankelijkheid van den bekel
+betreft. Soms is die er zelfs nog erger op geworden: want voor
+den arbeid volgens Westersche werkwijzen is toezicht noodig, welk
+toezicht wordt uitgeoefend door een "mandoer." En dikwijls is de bekel
+tevens die mandoer--de Hollandsche ondernemer heeft voor zijn nieuwe
+doeleinden de oude organisatie gebruikt. De bekelmandoer heeft Kromo
+nu niet alleen bij de resultaten van zijn werk, maar ook bij zijn werk
+zelf in zijn macht. Wordt een gewone dessaman tot mandoer gemaakt,
+dan is almee voor hem de winst niet groot. De dessaman-mandoer maakt
+van zijn nieuwe plichten vliegensvlug nieuwe rechten: als hij zorgen
+moet voor het werk van den planter, zal hij tegelijkertijd zorgen voor
+zichzelf. Daarmee volgt hij de eeuwenheugende traditie, daarmee volgt
+hij het voorbeeld van den Sultan en den apanagehouder en den bekel:
+hij neemt zijn plaats in, in de rij van verdrukkers en verdrukten,
+die, als de symbolische dieren der Oostersche kunst de een op den
+rug van den ander staan. En met nog een machthebber meér bovenop hem,
+hurkt Kromo als onderste op den grond.
+
+Daar zit hij.
+
+
+
+In het beeldhouw-werk, dat het geweldige Baraboedhoer-monument versiert
+en die overschoone tempels van Mendoet, Kalassan Prambanan en zooveel
+anders nog als er over is gebleven uit het tempelbouwende verleden van
+Java, is een der altijd weer terugkeerende voorstellingen, de houding
+van diepe nederigheid en zelfvergetende toewijding, aangenomen door
+elken mindere tegenover zijn meerdere, door een dienaar tegenover
+zijn heer, door een zoon tegenover zijn vader, door een krijgsman
+tegenover zijn vorst.
+
+In de wajang-vertooningen der aloude drama's, zooals die tot op
+dit oogenblik toe gehouden worden--onlangs werd de bruiloft der zes
+Sultansdochters er door opgeluisterd--zijn altijd weer terugkeerende
+uitdrukkingen, de formules van nederig verlof vragen van een mindere
+aan zijn meerdere,--verlof om voor hem te verschijnen, om te spreken,
+om heen te gaan, ten einde zijn bevelen uit te voeren.
+
+Het duizendjarig beeldhouw-werk, het duizendjarig drama aanschouwend
+met die ontroering, die uitgaat van dingen, verdwenen en vergeten
+uit de stoffelijke werkelijkheid, doch onvergankelijk levend door de
+kunst, verwondert de Westerling zich over de zinnebeeldende kracht
+der Oostersche kunst en haar idealiseerend vermogen: tot welk een
+hoogte heeft zij alledaagsche dingen opgevoerd! Welk een gedachtevorm
+gevonden voor het vormloos-stoffelijke!
+
+Laat diezelfde Westerling er nu getuige van zijn hoe een Djokjasche
+koeli,--een lastdrager, een karrevoerder, een bemodderde werker in
+het suikerriet-veld--den administrateur tegemoet komt, die hem tot
+zich roept, of, vooral, den Javaanschen ambtenaar op reis door de
+streek, den wedana, den Regent: dan zal hij, verbaasd, zien hoe wat
+hij voor den stijl der hooge kunst had gehouden, de stijl is van het
+dagelijksch leven: de koeli houdt zich in de houding, hij spreekt in
+de taal van de tempelreliefs en de wajang-vertooningen. Die aloude
+voorstellingen gaven, zeer weinig veranderd slechts, de werkelijkheid
+van dien tijd weder. En een ter hoofdzaak gelijke werkelijkheid geeft
+het ceremonieel weder dat de hedendaagsche koelie in acht neemt wanneer
+hij hoog-Javaansch spreekt en "sembah" verricht tegen een machtiger
+dan hij. Zoo drukt hij zijn diep besef uit van de macht van dien
+andere, en van zijn eigen afhankelijkheid. Niet alleen zijn lichaam
+vernedert zich in die neergedoken ineengebogen houding; neen! in de
+hof-taal die hij spreekt vernedert zich zijn gedachte-zelf. Daar is
+in hem niets meer dat overeind staat.
+
+Laat iemand hem nu zeggen dat hij "rechten" heeft; hoe zal hem dat
+aandoen? Hoe zal het een lamme aandoen, wanneer men hem wijst naar
+de hooge bergen?
+
+De kleine man heeft rechten, en meér rechten op Hollandsche
+ondernemingen dan op Javaansche apanages. Maar hij laat die niet
+gelden. Hoe zou hij?
+
+Er zijn landhuurders geweest die van die gelaten onderwerping aan het
+onrecht, die geestelijke zwakte van den kleinen man, een afschuwelijk
+misbruik maakten. Eén wordt er genoemd die door onmenschelijke
+dwingelandij en afpersing het ongelukkige volk op zijn land zoover
+heeft gebracht, dat de geheele bevolking van twee dorpen emigreerde,
+velden en huizen, het weinige, alles wat zij in de wereld bezat, er aan
+gevend om maar aan hem te ontkomen. Hij liet de vruchtboomen omkappen
+en de huisjes verbranden en plantte nog meér tabak dan waarvoor hij
+anders plaats had gehad. Zoo volslagen verstoken van menschelijk gevoel
+niet alleen, maar van alle schaamte en begrip van recht was deze man,
+dien de andere landhuurders hadden uitgestooten uit hun vereeniging,
+dat hij hulp van de regeering eischte om zijn onwettige praktijken
+tegenover de eindelijk zich verwerende bevolking door te zetten.
+
+Er is een eind gemaakt aan het schandaal. En uit het vele kwaad is
+dit goede voortgekomen, dat de Resident, van zijn bevoegdheid gebruik
+makende, voor landbouw-ondernemingen in Djokja nadere bepalingen
+vaststelde, die het landhuur-reglement aanvulden en verbeterden
+ten gunste van de inlandsche bevolking. Dat was in 1906. De nieuwe
+bepalingen worden, naar ik hoor, over het algemeen vrijwel in acht
+genomen, en op vele fabrieken zelfs zeer stipt. Van eene weet ik door
+eigen waarneming, dat de beheerder niet alleen nauwgezet zich aan
+zijn exploitatie-regeling houdt, maar op werkelijk humane wijze de
+bevolking op zijn landen te hulp komt in haar behoeften. Hij laat hen
+den tijd om hun velden naar den eisch te bewerken; hij laat hen vrij
+cultuurdiensten te verrichten in de uren die hen het best schikken, in
+verband met den arbeid op hun eigen grond; van het recht op éen dag van
+de vijf heerendienst (inplaats van éen dag op de zeven) hem toekomende
+in ruil voor de velerlei feodale lasten, waarvan de onderneming het
+volk heeft losgekocht, maakt hij géen gebruik; vroeger-onbetaalde
+arbeid (als bijvoorbeeld het inhalen van den oogst) die verzacht is
+geworden tot betaalden, hoewel verplichten arbeid, wordt gaandeweg
+tot geheel-vrijen arbeid gemaakt; bij slechten oogst krijgt het volk
+hulp; er is een school gebouwd op de onderneming. Zooals deze eene
+zijn er méer. Ook brengt, afgezien zelfs van den goeden wil van een
+administrateur en een directie, de landverhuur aan Hollanders der
+bevolking voordeel aan. In het systeem van wisselbouw profiteeren
+hun velden van de diepe bewerking en de bemesting, het vorig jaar
+daarop aangebracht voor de teelt van het suikerriet: als streepen van
+donkerder groen liggen op het lichte groen der rijst de vorig-jaarsche
+plantgeulen van den goed-verzorgden riet-tuin geteekend. Evenzeer komen
+hun de waterleidingen, de dammen en de sluizen ten goede, die zij in
+dienst van den planter hebben gebouwd. Zij leeren betere werkwijzen van
+hem, als blijkt uit den inlandschen tabak-bouw. De vele dessa-lieden,
+die geen recht op de velden hebben--(van het gezin erft de oudste zoon
+alleen dit recht)--krijgen gelegenheid tot geldverdienen in vrijen
+arbeid op het veld, bij het oogst-transport en vooral in de fabriek.
+
+Maar niettemin, niettegenstaande zulke algemeene voordeelen als
+de Westersche exploitatie op zichzelf en zulke bijzondere als het
+rechtvaardigheidsgevoel van een goeden beheerder aan het volk van
+Djokja aanbrengen, blijft het er slecht aan toe. Die voordeelen
+maken de nadeelen niet goed. De hoeveelheid loon die zij derven door
+gedwongen arbeid is te groot. Het stuk land is te groot dat zij
+moeten laten aan den ondernemer. En boven alle mate veel te groot
+is de macht van den man die tusschen hen en den ondernemer in staat,
+de macht van den bekel.
+
+De bekel is de verpersoonlijking van het verderfelijke oude systeem,
+dat sterker is dan welke goede wil ook. Zijn ambt is erfelijk, een
+lange traditie verleent hem prestige tegenover het dessa-volk. De
+landhuurder, die hem kent als een verdrukker van het volk, kan
+hem niet ontslaan. Daarvoor is een vonnis van de rechtbank noodig,
+na behoorlijk onderzoek. Maar hoe bewijzen van schuld te krijgen,
+als de verdrukten tegen den verdrukker niet willen getuigen? De
+bekel-mandoer houdt den koelies een gedeelte af van hun loon: hij
+laat hen om niet, werken op zijn ambtsveld; hij ziet vruchten op hun
+erf, kippen en duiven in de kooi, een geit in den stal, en beveelt
+den koelie hem die te brengen: heeft de koelie bij zeldzaam toeval,
+geld, dan "leent" hij het; heeft de koelie een knappe dochter dan
+neemt hij haar tot bijvrouw, maakt den schoonvader in alles gedwee
+door de vrees van een verstooting, en verstoot haar toch, wanneer
+er van het huisgezin niets meer te halen is. En de koelie verdraagt
+dat alles en zwijgt. Het is de bekel, wiens vader en grootvader zijn
+eigen vader en grootvader op dezelfde wijze geplaagd hebben. Eerst als
+hij geen keus meer heeft dan tusschen totalen ondergang en verzet,
+verzet hij zich, op de éénig voor hem mogelijke wijze, langs een
+omweg. De bekel is verantwoordelijk voor het werk op de onderneming:
+hij treft, hem in die verantwoordelijkheid. Hij verwaarloost de tuinen,
+slecht, of slechts in schijn arbeidend; hij steekt het rijpe riet in
+brand. De menschkundige of, om precies te spreken, de Djokjaneeskundige
+administrateur, die in plaats van tegen onwilligen en brandstichters
+tegen den bekel een onderzoek met de noodige omzichtigheid begint,
+en, vóór alles, zorgt dat geen weerwraak hen die de waarheid zeggen
+treffen kan, verneemt dàn eerst van toestanden, die hij van tevoren
+zoo min had kunnen weten als verhelpen.
+
+De reorganisatie is op komst, die het monsterlijke vergroeisel van
+feodalisme en moderne industrie vaneen scheidt, den inlander zijn
+deel aan den grond hergeeft in den ouden vorm van gemeenschappelijk
+grondbezit, den ondernemer tegen hooger loon ook beter, immers
+niet-gedwongen, arbeid aanbiedt en door een geregeld belastingstelsel
+en betalingen uit de Rijkskas de verandering voltooit, die een
+eeuw geleden al begon, het omzetten van betaling in grond en
+arbeid in betaling met geld. Iedereen zal daarbij gebaat zijn,
+behalve de kleine-groote tiran, de bekel, die verdwijnen moet. En
+zoo zouden zelfs op dit oogenblik de nu nog heerschende toestanden
+eigenlijk geen andere beteekenis meer hebben dan een historische,
+als het niet was om de uitwerking, die zij, een zoo lange reeks van
+geslachten door, hebben gehad op den inlander, om zijn geestelijke
+ellende, die niet tegelijk met de oorzaken, waaruit zij ontstond,
+opgeheven kan worden. De kleine man mort tegen de verandering, die
+toch om zijnentwille gebeurt. "De Kompenie wil den heer Sultan het
+land afnemen en ons alles wat wij verdienen, voor belastingen." Dat
+heeft de bekel hun gezegd; aan den bekel, hun onderdrukker, maar hun
+Javaanschen, hun erfelijken, hun rechtmatigen onderdrukker, houden
+zij zich tegenover den Hollander, zelfs wanneer die als helper komt.
+
+Het onrecht heeft te lang geduurd: de geesten zijn er naar gegroeid,
+vergroeid. De gedachten zijn krom en klein geworden, de wil hangt
+slap. Wie dat goed gezien heeft en begrepen, zal niet verbaasd staan,
+noch teleurgesteld, als de reorganisatie aanvankelijk dit volk weinig
+baat. Den zieke moet den tijd gelaten om weer gezond te worden en
+het gebruik te winnen van zijn nieuwe krachten. Dan eerst zal voor
+hem een nieuw leven kunnen beginnen.
+
+
+
+
+
+Djokjasche Landheeren
+
+
+Er zijn er geen meer. Een reorganisatie, dieper gaande dan eenige
+die het beleid van regeerders bedenken of bewerkstelligen kan, heeft
+hen weg-georganiseerd: de hervorming van de suikerteelt na de groote
+crisis. De omstandigheden zijn verdwenen en kunnen nooit wederkeeren,
+waaronder, op andere wijze dan alle andere Indische ondernemers, de
+Djokjasche landheeren van den ouden stempel groot geworden zijn. Zij
+waren een afzonderlijk geslacht.
+
+Niet van suiker kweekten zij een grondige en omvattende kennis, maar
+van menschen, van Djokjasche menschen, van den Sultan, den Kraton en
+den land-houdenden adel, meest van al. De grond was onuitputtelijk
+rijk: elken dag in den Oostmoesson scheen de zon, elken dag in
+den Westmoesson regende de regen, wat kon het riet anders doen dan
+groeien? Het water, dat langs den van noord naar zuid hellenden grond
+stroomt met gelijkmatig verval, draaide hun rietmolen, geen concurrent
+streefde hun opzij, laat staan voorbij, met lage prijzen; hoe konden
+ze anders dan grof geld verdienen? Maar die het in zijn hand had of
+zon, regen, water, grond, voor hen veranderden in goud, dat was de
+Sultan, en met hem zijn ontelbare familie en de adel. Die moesten zij
+te vriend krijgen en hebben en houden, als zij landheeren wilden zijn.
+
+De taak was geen lichte; en zwaarder dan voor anderen moet zij
+voor hen zijn geweest, die, men kan wel zeggen zonder uitzondering,
+voortkwamen uit een omgeving aan alle hoofschheid vreemd.
+
+Het was niet de bloem der natie, die in hun tijd naar "den Oost"
+ging. Van de gouverneurs-generaal zelfs der pas ontbonden Oost-Indische
+Compagnie waren er vele, die niet eens tot den eenigermate beschaafden
+stand behoorden. Wij weten van een soldaat, een sergeant, een matroos,
+een kajuitsjongen die Landvoogd werden, van raadsleden naar de kolonie
+gekomen uit het weeshuis, als gesjeesd student, als kwakzalver. [4]
+De aanstaande Djokjasche landheeren, erfgenamen in een zekeren zin
+van de Compagnie, wier val hun opkomst immers pas mogelijk maakte,
+waren huns gelijken en kornuiten. En er zullen er wel ettelijke onder
+geweest zijn van het slag wien de Compagnie den recommandatiebrief
+placht mee te geven, met de drie H's, die niet beteekenden "Helpt Hem
+Haastig," maar "Houdt Hem Hier." Dat alles was weerbarstig hout om
+er hovelingen uit te snijden, al hoefden het dan ook maar hovelingen
+op zijn Javaansch te zijn.
+
+Maar het geluk diende hen. Zij kwamen op het tijdstip dat het
+Oostersch-feodale stelsel juist genoeg vervallen was om weerloos te
+zijn tegen het indringen van een nieuw krachtig element, maar nog
+sterk genoeg om tegen al wat minder sterk was zich te weren. Er was
+een bres gevallen in den kraton-muur; wie er dóor kon zat daar binnen
+veilig en op zijn gemak. De bres was ongeveer een halve eeuw geleden
+uitgebroken, in 1755, toen de Compagnie, krachtens voor enkele jaren
+verkregen rechten het oude keizerrijk van Mataram deelde in Soerakarta
+en Djokjakarta. De Djokjasche Sultan die (als tot op dezen dag toe) het
+prestige miste dat, in de oogen der Vorstenlandsche Javanen, den uit
+de oudere lijn stammenden Soesoehoenan van Solo omgeeft, wilde althans
+een hofstaat hebben aan dien van zijn Soloschen bloedverwant gelijk;
+en een even groot aantal ambtenaren, als vroeger in het onverdeelde
+Mataram met landbezit bij wijze van salaris was beloond, moest nu van
+de helft van die oppervlakte zijn deel krijgen. Wanhopige pogingen
+tot oplossing van de onoplosbare moeilijkheden hadden voor eenig
+resultaat, de ontevredenheid der apanagehouders. Het werd nog erger
+toen Raffles kwam, en het zoozeer besnoeide gebied van den Sultan
+(dat alweer het gebied der apanagehouders was) nog verder besnoeide,
+zóo ver, dat hij in het leven sneed.
+
+Onder het eene voorwendsel of het andere of zonder eenig voorwendsel
+hoegenaamd, nam Raffles den Sultan land af: de Kedoe en de
+Patjitanstreek, waar de beste apanages lagen; gronden voor den
+onafhankelijken> Prins dien hij (het voorbeeld van Daendels in Solo
+volgend) instelde, den Pakoe-Alam; gronden voor den Chinees van wien
+hij een Javaansch edelman maakte; gronden voor den onafhankelijken
+Prins van Solo, tot loon voor zijn diensten aan Raffles bewezen in
+den oorlog tegen Djokja.
+
+De Sultans zagen zich te redden zoo goed en kwaad als het kon. Het
+was meestal kwaad. Zij waren, in de laatste jaren van de 18de eeuw al,
+begonnen aan hun familie-leden met geld goed te maken, wat zij hun aan
+land moesten te kort doen; zij zetten het systeem voort ten opzichte
+van de andere groote leenmannen. [5] Dat had zijn grenzen echter, om
+begrijpelijke redenen nog al nauwe grenzen. Toen maakten de Sultans van
+weinig veel op dezelfde manier als de Westersche vorsten het hebben
+gedaan, ten tijde dat in Europa de vervanging van het feodale door
+het burgerlijke stelsel begon: zooals de Westersche koningen de munt
+vervalschten, vervalschten de Oostersche het land: voor het gehalte,
+de maat. De oude Sultan Sépoeh, onder wien de eerste huurders in 't
+land kwamen, was daarin een virtuoos. Hij kon zóó knap meten dat een
+land, dat de eerste maal van opmeten tien bouw groot had geheeten,
+bij den tweeden keer vijftien bouw groot bleek, en bij een derden
+misschien wel twintig, en wie weet hoe groot het ten slotte werd,
+als de Sultan maar vaak genoeg liet opmeten. De ambtenaren en de
+sultansafstammelingen werden volgens hun rang bedacht met al die
+"nieuwe landen van den Sultan." Maar alweer moest er geld bij om
+dat luchtige grondbezit toch éenig gewicht te geven, al maar meer
+van het verwenschte geld dat er niet was en nog erger "niet-was"
+dan ooit, sedert Raffles de schatten uit den veroverden kraton had
+weggehaald. Daar kregen de nieuwkomelingen hun kans! Zij zelven hadden
+ook wel geen geld, maar zij konden het maken: met suikerriet-bouw. De
+Engelsche en Amerikaansche koopers boden immers tegen elkander op
+voor het kostelijke product. De suikerrietstengel bleek de tooverstaf
+die grond in goud veranderde. Inplaats van aan zijn priaji's gaf de
+Sultan zijn apanagegronden aan de Hollandsche ondernemers.
+
+Daar waren de landhuurders aan boord van het schip dat hen naar
+de Goudkust varen zou; maar zij moesten zeemanschap gebruiken,
+daar waren gevaarlijke klippen te ontzeilen. De vijandschap van de
+vroegere apanagehouders eerst, die zelfs tegen redelijke vergoeding
+in geld zich verzetten omdat, als zijzelven wel merkten, het geld
+hun door de vingers liep, terwijl de levering in naturaliën nergens
+anders heen kon dan naar hun maag. En daarnaast de vijandschap van
+Hollandsche koloniebestuurders, die den staat de rol toewenschten,
+vroeger vervuld door de Compagnie, die van groothandelaar, en
+den universeel-erfgenaam van haar belangen bedreigd vonden door de
+Djokjasche mindere legatarissen. De landheeren schenen tot schipbreuk
+gedoemd en ondergang, toen de voorstanders van het vernieuwd-oude het
+verbod teweeg brachten van landverhuur aan Europeanen. Maar de nood
+van den Kraton werd hun uitkomst. Want het Sultanaat kon de enorme
+sommen niet opbrengen als schadeloosstelling voor het verbreken der
+aangegane contracten gevorderd. Wat lang al gebrouwd had brak los: de
+Java-oorlog, waarvoor de gekrenkte rechten van Dipa Negara aanleiding
+waren en voorwendsel. En het stelsel kwam ten val, dat tot zulke
+noodlottige uitkomsten had geleid. Het verbod van landverhuur werd
+door de opvolgers van den verbieder te niet gedaan. En na beëindiging
+van den Java-oorlog begon een nieuwe, voorspoedige periode voor de
+landhuurders. Dat was wel hun glorietijd. Toen werden de grondslagen
+gelegd voor die reusachtige, rijkdomgebouwen, die hoe vervallen,
+afgebroken, verminderd dan ook, tot op den dag van vandaag toe voor
+zoovele hunner afstammelingen de prachtige levensherberg zijn. De
+Javaansche adel kon hun niet langer schaden. De Nederlandsche regeering
+liet hen met rust, van cultuur-stelsel en verbod van ontginning van
+woeste gronden verschoond, die in de gouvernementslanden den lust
+tot ondernemen stuitten. De Sultan was hun vriend. Voor de vullers
+van zijn schatkist, voor de bestrijders van zijn vijanden, wat zou
+voor die te goed wezen? Hij gaf hun voorrechten, arbeiders, land,
+voor weinig pacht soms, in een enkel geval om niet; hij gaf hun
+prachtige geschenken in huizen, goud, edelgesteenten; soms gaf hij
+hun een dochter of kleindochter tot vrouw. De landheeren waren in het
+pronkvertrek en in de schatkamer geïnstalleerd van den ouden feodalen
+burcht, door de bres waarvan hun aanvoerders van 1800 zich heen hadden
+gewrongen. Zij zijn er een goede halve eeuw in gebleven. Het verblijf
+heeft vele en wonderlijke dingen gedaan aan hun uiterlijken, zoowel
+als aan hun innerlijken mensch. Wie op den huidigen dag door Djokja
+gaat, door stad en ommelanden, zal van die dingen de laatste sporen
+nog gewaar worden aan hun achterkleinkinderen.
+
+
+
+Wat de Djokjasche Indo-families, afstammelingen van de oude landheeren,
+onderscheidt van alle andere, is, spelend in haast ontelbare
+schakeeringen, de vermenging van het Javaansch-aristocratische met
+het Westersch-democratische element.
+
+In hun uiterlijk komt dat te voorschijn in de gelige tint der huid,
+veel lichter dan zij elders bij Indo's is, en in den snit van het
+gezicht, dat smal is, en in kaak en kin wat zwak, maar nooit grof
+gevormd; terwijl bij alle rankheid de lichaamsbouw krachtig is en de
+bewegingen vlug.
+
+In het innerlijk toont zich de vermenging in ondernemingslust
+en doorzettingsvermogen, waartegenover de spilzucht staan en de
+achteloosheid in geldzaken van in erfelijken rijkdom opgegroeide
+aanzienlijken, voor wie zulke geringschatting van wat voor de groote
+meerderheid het levensbelang is, een teeken is van superioriteit;
+en vooral in een vormelijkheid en een zekere verfijning die uit
+het Oostersche principe voortkomt, en in een aan het dichterlijke
+verwanten aanleg, die op zijn alleronverwachtst schuil kan gaan voor
+Westersche nuchterheden, en een enkele maal ook wel voor Westersche
+ruwheid, hoewel dat toch maar zelden. Westersch in het algemeen,
+niet in het bijzonder Hollandsch: er is hier veel vreemd bloed.
+
+Fransch bijvoorbeeld. De stichter van een der oudste en machtigste
+landheerenfamilies in de Vorstenlanden was een Franschman, een kok uit
+de Napoleontische legers, die in zijn pollepel een maarschalksstaf
+bleek te bezitten. Hij kwam langs de hemel weet welke wonderlijke
+wegen naar Java en aan het hof van den opvolger van dien Sultan Sepoeh,
+die zulk een opmerkelijk talent had voor het uitbreiden van land door
+meting. Het was een man van echt-franschen geest, voortvarend, moedig,
+en verliefd op het buitengewone, dat de verbeelding aanvuurt; maar
+tegelijk van het puur-avontuurlijke en romantische teruggehouden door
+een precies begrip van de waarde van geld. Hij begon met den Sultan
+lekkere schotels voor te zetten, en won zijn waardeering als kok. De
+weg door de maag naar het hart was een korte bij den vorstelijken
+lekkerbek. De knappe kok werd kameraad en bleek als beraden in--altijd
+benarde en hopeloos verwarde--geldelijke zaken zijn gewicht in goud
+waard. De Sultan gaf hem goud, in den vorm van land, en, om hem te meer
+aan zich te binden, een van zijn dochters (hij was er vrijgevig mee en
+kòn het zijn). De Franschman veranderde zijn voor een Javaansche tong
+niet uit te spreken naam, en schikte zich ook verder naar Javaanschen
+landaard. Als gemaal van een Sultansdochter leefde hij Sultan-lijk
+op zijn met breede roeden gemeten landen. Hij bouwde er een huis dat
+eer een kraton genoemd mocht, een labyrinth van gebouwen met een muur
+van ettelijke voeten dik en zware poorten er om heen. Hij richtte
+een eigen legercorps op, dat hij,--dacht hij nog aan den Grooten
+Keizer?--zijn "legioen" noemde. Hij had zijn eigen muziekkorps, zijn
+eigen menagerie, zijn eigen stoet jagers. En hij had ook een kris en
+een speer, die als de wapenen der legendarische helden van het Westen,
+als Durandal en Excalibur, een eigen naam hadden. Met die kris en
+die speer trok hij, aan het hoofd van zijn legioen op tegen Dipa
+Negara's benden in 1825. En de dikke muur van zijn kraton weerstond
+alle aanvallen. Toen hij met zijn sultansdochter de zilveren bruiloft
+vierde was niet enkel het geheele hof met alle edelen en ambtenaren
+bij hem te gast en niet enkel de andere landhuurders, allemaal met
+vrouwen, kinderen en dienstboden, maar de geheele bevolking van de
+streek, voor wie hij een goed en rechtvaardig meester was.
+
+Een landgenoot van hem kwam in de jaren 50, ook een soldaat, en ook uit
+een "Napoleontisch" leger: uit dat van den derden Napoleon, dat in de
+Krim had gevochten. Wie weet, had hij niet voor Sebastopol gestaan?,
+den aanval gezien van "The Light Brigade" en gehoord hoe er gezegd
+werd: "C'est magnifique mais ce n'est pas la guerre!" Er bleef iets
+als een atmosfeer van avontuur en gevaar om hem zweven, zelfs hier
+in Djokja. Hij kwam een samenzwering op het spoor in den kraton. Een
+van de bijvrouwen van den Sultan, een eerzuchtige, geestkrachtige,
+onversaagde vrouw, zooals er tusschenbeide, verwonderlijk, opstaan
+uit den allen geest en moed verstikkenden druk van het kratonleven,
+was de ziel ervan. Haar bewoog het eenige wat zelfs onder zulken druk
+niet te verpletteren is: de moederliefde. Zij wilde haar zoon tot
+troonopvolger doen verklaren, in plaats van den zoon der Sultane. In
+het geheim had zij reeds een aanzienlijken aanhang. Haar toeleg werd
+ontdekt en zij vluchtte, niet om zich met haar zoontje te bergen,
+maar integendeel, om van een veilige plaats uit den strijd openlijk te
+beginnen. De Fransche dragonder zette haar en haar gewapend geleide
+in den nacht na, joeg de mannen op de vlucht, en bracht haar met het
+kind terug in den kraton. De regeering, wie de schrik van 25 nog niet
+uit het geheugen was gegaan, beval hem aan in de gunst van den Koning,
+die den dragonder tweeden luitenant maakte. Toen hij, altijd nog in
+Djokja, het vijftigjarige jubileum van zijn officierschap vierde,
+werd de grijze tweede luitenant bevorderd tot kapitein.
+
+De Hollanders, ook de soldaten onder hen, lieten zich veel minder aan
+de glorie der wapenen gelegen liggen. Zij waren--ten minste de besten
+onder hen waren--in hun hart kooplui; kooplui dan van het heroïsche
+slag dat in Holland bloeide in de zeventiende eeuw, en waarvan onder
+de aanzienlijke geldmannen van hun eigen tijd, renteniers als zij geen
+speculanten waren, al lang de laatste eigenschappen waren verloren
+gegaan. Met gerechtvaardigden trots spreken hun afstammelingen heden
+van hen. Van dezen, die ontwikkelingen voorzag, toen zelfs nog niet in
+beginsel aanwezig, en aan zijn land telkens nieuwe stukken aanvoegde,
+zoodat het als met scherpe wiggen drong in nog onbezet gebied,
+overal waar water overvloedig was. Van genen die op zijn landen
+om de vijf paal een post had waar acht paarden gestald stonden,
+met het aanlichten van den dag uitreed, zijn velden langs, en niet
+terug kwam voor het donkerde. Hij wist alles wat overal gebeurde,
+hij was alomtegenwoordig. Vermoeidheid kende hij niet, het woord
+"gemak" had geen zin voor hem. Van een derde, geplaagd met een zwak
+gestel, dat de kilte van de Djokjasche nachten slecht verdroeg: maar
+die rheumatieklijder als hij was, er op uit ging, elken dag om de
+ontginningen te inspecteeren, die hij overal in de streek had liggen.
+
+Dat is het Westersche element, dat niet ten onder te brengen was door
+welke verslappende invloeden ook. Maar niettemin liet het Oostersche
+zich ook gelden: in hen, wel is waar, niet zoo sterk als in hun
+kinderen. Bijna allen werden zij hartstochtelijke dobbelaars in den
+omgang met de kratonbewoners, voor wie dobbelen de eenige uitkomst is
+uit de doodschheid van hun leege dagen. Zij dronken zwaar ook. En zoo
+niet zij zelf, dan hun kinderen, verkwistten ontzaggelijke rijkdommen
+op geheel Oostersche manier, dat wil zeggen, zonder eenigen smaak of
+zin, in pure, baldadige, roekeloosheid.
+
+Van dit alles dragen hun huidige afstammelingen het kenmerk.
+
+Niet in gelijke mate. Als in de industrie, waaruit hun macht en
+beteekenis is voortgekomen, is ook in die kleine wereld-op-zich-zelf,
+die de oud-Djokjasche families vormen, een element te onderscheiden dat
+ten onder gaat, en een ander dat zich snel vervormt, zich aanpassend
+aan nieuwe omstandigheden: terwijl bovendien, tusschen de twee in,
+een derde staat, onveranderlijk, in zijn hoedanigheid, maar slinkend
+bij den dag.
+
+Dit element is een kleine, en al kleiner wordende groep, dat de oude
+kenmerken duidelijk vertoont. Bij de andere twee zijn ze verbasterd.
+
+Daar is, aan den eenen kant, de groote meerderheid die gaandeweg
+terugzinkt in het Inlander-element. Het is alleen nog maar het bezit
+van wat meer of minder fortuin dat, een onzekere afsluiting, hen
+daarvan scheidt. Of zij zelven in steenen huizen wonen, "Europeesch"
+huisraad gebruiken en--bij gelegenheid--in Europeesche dracht voor
+den dag komen, hun naaste familie woont in den kampong, en zij zelven
+voelen zich daar thuis.
+
+Aan den anderen kant staat een groep, weinig in getal maar door
+karaktereigenschappen de sterkste, die binnen afzienbaren tijd geheel
+Hollander zal zijn geworden. De mannen die "in het landelijke" zijn
+hebben een technische opvoeding ontvangen in Holland. En--ontwikkeling
+van de allerlaatste jaren--onder de meisjes zijn er die zich
+zelfstandig willen maken door een beroep, soms een waarvoor studie
+aan de universiteit noodig is.
+
+Over blijven, als erfgenamen van den ouden tijd, eenige weinige,
+oudere menschen, tijdgenooten, velen van hen, van den ouden Sultan,
+en zijn goede vrienden en bloedverwanten, die hij aanspreekt met
+"broeder" als zij onder elkander zijn, en die de jonge pangeran's
+en raden ajoe's "Oom" noemen. Zij zijn de bewaarders van al wat in
+Djokja het verleden is: de hoofsche etiquette, de geschiedenis van
+het Sultanaat en die van het oude landheerendom, die immers een eeuw
+lang dezelfde geschiedenis geweest zijn; van de opvattingen en zeden
+van vroeger. Veel merkwaardigs, veel moois ook is daaronder. En al
+te gader heeft het de aandoenlijke bekoring van wat uniek geweest is,
+en wat spoedig voor altijd verdwenen zal zijn.
+
+
+
+
+
+Madjawarna
+
+
+Langs een smal en steenachtig pad, dat soms opeens steil steeg en weer
+zachtaan ging rijzen dan, en waar overal veel schaduw omheen was met
+een glimpje van bloemen telkens en het lichte geluid van kabbelend
+water, klommen wij de heuvels in boven Madjawarna. De zendeling van
+den post, wiens gast ik voor eenige dagen was, wilde mij aan een
+ontginning op de kruin van den heuvel toonen hoe Madjawarna, als zoo
+menig ander Christenen-dorp, was ontstaan uit de nederzetting van
+een enkel gezin midden in de wildernis.
+
+Het pad, door naakte voeten in gras en kruid gesleten, liep door
+het opene eerst, door struikgewas en boomopslag, dan door een hoog
+en donker djati-woud, dat den grond bestrooide met zijn reusachtige
+bladeren, bultig-bol als gedreven bronzen kommen. Alles was er bruin:
+bruin van naakten grond, bruin van verdorrend gebladerte, bruin
+van gladde, rechte zuilen van stammen, waar geen loover van afhing,
+waar geen struweel tusschen opschoot. Heel in de hoogte pas gloorde
+het groen der geweldige kruinen tegen de lucht, schuins doorstraald
+van namiddagzon; daar kwam veel helder vogelgefluit uit, allerlei
+fijne schelle tonen, boven het diepe gekoer van woudduiven uit en de
+lach-roep telkens van den gelen wielewaal. Het was een andere wereld,
+daar in de hoogte en waar wij gingen in den halfdonker.
+
+Eén enkelen keer kwamen wij een mensch tegen, het was een mager,
+armelijk gekleed, oud vrouwtje, met slierten wit haar langs het
+ingevallen gezicht, die een hitje, even afgejakkerd en oud als
+zijzelve, en bepakt met twee, van weerszij hem tegen de ribben
+schokkende, manden vol gras, voor zich uit de helling afdreef. Wij
+vonden het spoor van een ander mensch, die kort geleden hier gegaan
+was, den geleider van een houttransport: de zware stam, aan een ketting
+door buffels gesleept, had een glimmende streep getrokken over het
+pad. Anders was van menschelijke nabijheid niets te merken. Op plekken
+was het djati-woud minder dicht en gaf ruimte aan ander geboomte,
+breeder en ijler van groei, waar met groote schijnsels en glanzen het
+licht door heen viel; de boschrand ging open tegen de lucht, en de
+wijde vlakte van Djombang gloorde op uit de diepte, fonkelgroen van
+zonnig rijstveld. Dat verdween weer en dan was het woud nog donkerder
+en nog eenzamer dan te voren.
+
+De weg ging een steil ravijn door, en weer tegen een helling op. Toen
+werd het licht. Rondom lagen de groote stammen geveld. En midden in
+de open plek op de kruin van den heuvel verscheen het huisje van den
+ontginner, van bamboe gevlochten, bleek en glimmig nog van nieuwheid.
+
+Het was zoo laag dat wij bukken moesten om binnen te komen, en
+schemerdonker als het bosch zelf: zóo rook het er ook: een reuk van
+grond, dorre bladers en hout. Het huisgezin zat op een matje tegenover
+ons, wien zij stoelen hadden aangeboden. De kinderen, een kloek met
+kuikens, een jong geitje en een magere, spitsneuzige hond zochten
+elk zijn plaats op de mat en tusschen de stoelen. De man vertelde,
+met zijn zachte gedempte stem.
+
+Het was te merken dat hij op de komst van den zendeling had gewacht
+om in allerlei beslommeringen raad te krijgen. De vrouw zei een
+woordje nu en dan. Zij zat met een kind aan de borst. Waakzaam zag
+het verstandig-blikkende gezicht over het donzige koppetje van den
+zuigeling heen.
+
+Die twee menschen hadden met hun eigen handen alles wat om en aan hen
+was gemaakt: hun kleeren, hun huisje, hun velden. De maïskolven van
+den vorigen oogst hingen, goudig glimmend door de schemering, aan
+rijen onder het lage dak. En op het veld rijpten de nieuwe al. Zij
+toonden ons, wel-voldaan, den weligen akker. Rondom was ruimte voor
+nieuwe ontginning; in hun hart en handen was moed. Zij hoopten enkel
+op buren en vriendschappelijke hulp. Maar die zou wel komen op dezen
+vruchtbaren grond, die voor arbeid verzekerde welvaart geeft.
+
+Op den terugweg aan den rand van het al nachtelijk wordend woud
+zag ik nog eens om naar het gelig-schemerende huisje, dat de kiem
+was van een gehucht, wie weet hoe spoedig misschien een dorp van
+gezeten boeren, eigenaars van den grond. Uit juist zulk een kiem,
+zulk een gezin-in-een-huisje, begon, een goede vijftig jaar geleden,
+Madjawarna zich te ontwikkelen. Midden in het wilde woud, dat de
+vlakte toen bedekte, kapte een Christen-inlander, die zich onder zijn
+Mohamedaansche dorpsgenooten niet langer op zijn plaats had gevoeld,
+een plek open, waar hij een huisje kon zetten en wat voedsel bouwen
+voor zich en zijn gezin. Een broeder kwam met het zijne om hem te
+helpen. De ontginning werd een gehuchtje van eenige gezinnen; al
+spoedig een dorp; het oude recht dat den ontginner tot eigenaar maakt
+van den grond, beschermde de christen-gemeente toen ook Mohamedanen
+zich daar kwamen neerzetten.
+
+Het is nu een dorp van meer dan vijfduizend zielen. Aan het voorkomen
+en de kleedij van de menschen, hun huizen en erven, de breede
+wel-onderhouden wegen is het te zien dat het dagelijksch leven er
+zijn eisch heeft en nog een begin van overvloed ook. De dorpsvelden
+zijn goed verzorgd. Er staat vee in de stallen, roodbruine runderen en
+ruige grauwe buffels die den ploeg trekken door den drassigen akker,
+een enkele heeft een paardje. Op de markt, naast de brug, waar de
+rivier met een frisch gebruis onder door schiet, ligt de kostelijke
+rijst op hoopen en heuveltjes tusschen kramen vol waar.
+
+Het huis van den zendeling staat midden in het dorp, tusschen
+de inlander-huizen in. Men heeft er maar korten tijd te zijn om
+te bemerken dat het een soort kantongerecht, notaris-kantoor,
+consultatie-bureau en huishoudschool is in de oogen van de
+dorpelingen. Een bescheiden kuchje, een "Ik vraag verlof," meer
+gefluisterd dan gesproken, dat is alweer een vrager om raad of hulp,
+die, onhoorbaar het erf opgekomen, neerhurkt ter zij van de kleine
+voorgalerij. Uit de gesprekken van een enkelen na-middag zou men
+vrijwel het beeld van de samenleving in het dorp kunnen construeeren.
+
+Wongso komt de hulp van den "pandita" vragen in een moeilijk geval. Hij
+heeft zijn huis--zijn mooi huis, met een pas nieuw dak!--verhuurd
+aan een mantri van den waterstaat, omdat hij zulk een grooten meneer
+'t niet dorst weigeren. Maar de mantri staat bekend voor een kwaden
+betaler. Als nu de pandita maar wilde.... Met de eene "sembah" na
+de andere ontvouwt Wongso een plan, zooals een duizend jaar geleden
+menige kleine landbezitter in Duitschland, Frankrijk, Holland,
+Engeland het den abt van een machtig klooster voorgelegd heeft, als
+zijn ridderlijke nabuur hem wat al te zwaar benauwde: hij wil zijn
+huis aan den pandita overdragen, en de pandita zal de huur opeischen
+van den boozen mantri. Gelukkiger in dit opzicht dan de Westersche
+grondbezitter, die zijn eigenerfde akkers tot leengoed maakte om ze
+niet heel en al te verliezen, weet Wongso dat hij het maar voor het
+vragen heeft om zijn huis terug te krijgen van den pandita.
+
+Jachman heeft zich muizenissen in het hoofd gehaald over de zekerheid
+of onzekerheid van zijn erfelijk-individueel bezit aan sawah,
+dat immers nooit goed te bewijzen is. Hij verzoekt dat de pandita
+registratie als agrarisch eigendom voor hem zal aanvragen bij den
+Landraad. Pas als hij den "brief" van den Landraad in handen heeft
+"zal zijn hart koel zijn." Nu, namelijk, "brandt het."
+
+Sidin--het is de rijkaard van het dorp--komt de geboorte aangeven
+van een kind en legt een rolletje guldens, blinkend van tusschen
+riem en sarong te voorschijn gehaald, op de tafel van den pandita,
+met het verzoek dat de pandita een boekje van de spaarbank late halen
+en er in opschrijve, dat Sidin deze guldens aan de postspaarbank te
+bewaren geeft voor zijn kind.
+
+Sarkam en Djembar zijn na een woedenden twist, dien zij liefst
+met het mes beslecht hadden, door de buren overreed den pandita tot
+scheidsrechter te vragen in hun zaak. Daar zitten zij, met fonkelende
+oogen, links en rechts van de kamermat.
+
+Niti's huis is afgebrand. Hij komt met getuigen, die verklaren dat de
+brand op het dak begonnen is: brandstichting dus. Hij zal niet zeggen
+dat hij zijn medeminnaar verdenkt, die gehoopt heeft op die wijze
+zijn huwelijk te verhinderen, voor het sluiten waarvan de pandita
+immers het bezit van een eigen huis eischt. Maar het is hem duidelijk
+genoeg aan te zien dat hij van des pandita's alwetendheid uitredding
+verwacht, ook zonder, mogelijk compromittante, medewerking zijnerzijds.
+
+En inmiddels staan Mbôq-Ari, Mbôq-Sarinten, Sima en Sarkina te
+wachten op de zendelingsvrouw om hulp bij het maken van kleeren,
+het geven van medicijn aan een ziek kind, en het overreden van een
+dochter die anders wil dan vader en moeder, plotseling, nu er sprake
+is van vrijen en trouwen.
+
+Er gaat geen dag voorbij zonder dat hulp gevraagd en gegeven wordt
+in zulke dingen.
+
+Zeker komen er ook die den zendeling zoeken als leeraar van den
+godsdienst, die helderheid begeeren voor hun gedachte, vrede voor
+hun hart. Maar zij zijn, klaarblijkelijk, in de minderheid.
+
+De stoffelijke belangen zijner gemeenteleden behartigen, zóó als
+zij dat met haast kinderlijke hulpbehoefte en vertrouwen van hem
+verwachten; en dat uiteraard afwijkende zoo niet rechtstreeks
+weerstrevende in gelijke richting doen loopen met wat hij hun
+allerhoogste belang moet achten, het geloof in en het be-leven van
+een wereld-verzakenden godsdienst: en te waken daarbij, dat niet de
+schijn van het eene de werkelijkheid van het andere bedekke: dat is
+het moeilijke probleem dat dag aan dag den zendeling in het Javaansche
+dorp wordt gesteld.
+
+Toen de man, wiens naam onafscheidelijk verbonden blijft aan
+Madjawarna, toen Kruijt hier in '64 zijn levenswerk begon, vond hij
+de jonge gemeente in een ongunstigen toestand. Vreemde elementen
+waren binnengedrongen in de Christenen-nederzetting, en de strengere
+moraal die daar een sterkte had moeten vinden, was bezweken onder
+den aanval. Er werd opium geschoven, gedobbeld, ná feesten waarbij
+verloopen vrouwen dansten, met messen gevochten, er werd gestolen en
+gemoord in Madjawarna. Tegenover zulke euvelen die hij hoofdzakelijk,
+zoo niet uitsluitend, aan de Mohammedaansche immigratie weet, koos
+hij een politiek, die den indringelingen de keuze liet enkel tusschen
+vereenzelviging met de gemeente der Christenen of verwijdering uit de
+dessa. De oude Javaansche zede, die aan den ontginner een overwegend
+aandeel geeft bij de regeling der dessa-zaken, verschafte hem (bij
+samenwerking met die ontginners, immers Christenen), de mogelijkheid
+daartoe.
+
+Overreding tot overgang naar het Christendom of anders uitwijking,
+verplichting tot kerkgang van volwassenen en verplichting
+tot schoolgang van kinderen, elimineerden gaandeweg de vreemde
+elementen. Later volgde op de negatieve actie een positieve door den
+bouw van een kerk, van een school en van een ziekenhuis, terwijl ook
+een spaarbank werd opgericht, een kweekschool voor onderwijzers en ten
+slotte een ambachtsschool. Het was een wereld-in-het-klein met organen
+voor al hare behoeften, lichamelijke, zedelijke, verstandelijke,
+huishoudelijke, die de onvermoeid arbeidende vriend van den inlander
+ten slotte daar had opgebouwd. Hij mocht verwachten dat zij zou
+groeien en gedijen. In velerlei opzicht heeft zij dat gedaan. De
+welvaart in Madjawarna en de omliggende Christendessa's is daarvan
+een zichtbaar en tastbaar bewijs. En niet die gemeenten alleen, maar
+de geheele streek, in een omtrek die bij den dag zich uitbreidt,
+heeft baat bij de twee scholen en bij het ziekenhuis.
+
+Het hospitaal dat in '92 werd opgericht om vijftig patiënten te
+bergen, heeft op het oogenblik ruimte en verpleging voor meer dan
+tweehonderd. [6] Er is onlangs--voornamelijk de suikerfabrikanten
+van de streek hebben de gelden daartoe bijgedragen--een doelmatig
+ingericht operatiegebouw bijgezet. Het heeft een afgezonderd liggende
+afdeeling voor melaatschen. En de polikliniek wordt door gemiddeld
+honderdtwintig patiënten per dag bezocht, die zelfs uit plaatsen,
+waar openbare ziekenhuizen zijn, hierheen komen.
+
+De Javaan wordt dikwijls voorgesteld als een natuurkind, gelukkig,
+gezond, tevreden, en alleen door de aanraking met Westersche
+onnatuur in gevaar gebracht. Een half uur in de voorgalerij van het
+zendingshospitaal zou de kuur zijn voor zulke zoogenaamd dichterlijke
+waan-voorstellingen. Wat een stroom van ellende gaat hier naar
+binnen! Wonden, misvormingen, gezichten afschuwelijk door vuilen
+uitslag en zweren, lichamen ellendig verminkt, oogen waaruit de blik
+al bijna verdwenen is, leden die, lam, hangen. En onder die vele en
+velerlei zieken hoeveel, ach! hoeveel kinderen, tot allerkleinsten toe,
+als verflensende bloemetjes slap en bleek hangende in de draagsjerp van
+de bekommerd-kijkende moeder! Het hart krimpt ineen bij de voorstelling
+van wat er geleden zou worden, werd hier geen hulp geboden. In
+de processie van ellendigen zijn het talrijkst de lijders aan
+wonden. De Javanen gaan blootsvoets: zij treden op splinters, doorns,
+scherven. Op den akker, bij het grassnijden, bij het bamboe hakken,
+hanteeren zij een kort zwaar mes: een onhandige beweging slaat een wond
+tot op het been toe. Zij werken in fabrieken: de gewoonte maakt hen
+onachtzaam tusschen machines. Misschien is de kwetsuur onbeteekenend
+geweest eerst. Maar fatalistische onverschilligheid, verwaarloozing,
+onzindelijkheid en de praktijken van den Indischen kwakzalver, den
+doekoen, maken van een schram al spoedig een etterende, invretende
+wonde. Het zijn ijselijkheden die de dokter en de verpleegsters te
+heelen krijgen, dag aan dag.
+
+Ook teringzieken komen er in helaas! nog altijd vermeerderende
+getallen. De voorwaarden waaronder het geringe volk leeft, bevorderen
+de akelige armoedziekte, die te voorschijn komt in allerlei
+afzichtelijke gezwellen en misvormingen van het beenderstelsel. De
+behandeling in het hospitaal doet wat alleen-doenlijk is zoolang niet
+betere levensomstandigheden een betere volksgezondheid voortbrengen:
+veel pijn verzachten.
+
+Dan komen de ooglijders. Volgens de ervaring van den behandelenden
+arts zijn zij er in een menigte, waarvan de statistiek (l'art de
+préciser les choses qu'on ignore) geen flauwe voorstelling geeft:
+schrikwekkend. Java is een van de vier wereldcentra der "Egyptische
+oogziekte;" (Egypte, Amsterdam en de provincie Limburg de drie andere)
+en de achteloosheid en onkunde der lijders verergert het op zichzelf
+al zoo erge kwaad. Mits bijtijds aangebracht, vermag medische hulp
+hiertegen echter veel. En, gelukkig, wint die overtuiging veld onder
+de Javanen, zoodat, wie vroeger zich maar overgaf als hij het al
+grijzer en donkerder zag worden om zich heen, en zich niet meer uit
+huis durfde wagen zonder een leidende hand, nu vol vertrouwen bij den
+zendingsdokter komt, en zelfs voor de deur van de donkere kamer, en
+voor het fel uit den nacht opschitterende oogspiegeltje en de scherpe
+druppels uit het spuitje niet meer terugschrikt. Het is aandoenlijk de
+gezichten te zien in de afdeeling voor ooglijders: een weinig opgeheven
+naar waar, door het verdonkerende verband heen, het licht te voelen is,
+als tastend naar een, nog verre, maar toch al maar dichterbij komende
+vreugde. En zooals nu en dan een, met schuin gehouden hoofd, een heel
+klein glansje poogt te vangen onder den blinddoek, en een ander, door
+een zwarten bril heen, zijn hand beziet, duidelijk voor het eerst
+weer sedert wie weet hoe langen tijd! De kinderen zitten heel stil,
+ontroerend-geduldig, met een bloempje of een stuk speelgoed, dat een
+verpleegster hen in de hand heeft gegeven. Als zij den stap van den
+dokter hooren, verhelderen de kleine gezichten. Hij belooft hun dat
+ze gauw weer naar huis mogen en spelen met de broertjes en zusjes.
+
+Er zijn véél kinderen in het ziekenhuis, lijders aan allerlei
+ziekten, operatie-patiëntjes ook, véle. Men moet zich den angst en
+den afschuw, dien de Javaan voor het mes van den chirurgijn voelt,
+eerst goed voorstellen om te kunnen begrijpen wat dat beteekent: een
+overwinning, door zuivere menschenliefde behaald op vooroordeel niet
+alleen, maar op het wantrouwen, de vrees, den haat die drie honderd
+jaar lang bruin van blank gescheiden hebben gehouden op Java.
+
+Voor een deel is die overwinning te danken aan het wijze inzicht
+dat onnoodige botsingen vermijdt; er wordt in het ziekenhuis niet
+gestreefd naar bekeering der patiënten. Wel vindt de Christen er de
+gemeenschap in geestelijke dingen die hij zoekt, doch den Mohammedaan
+wordt zij niet opgedrongen. Vandaar dat zelfs priesters het ziekenhuis
+der zending zoeken.
+
+Met de school staat het anders: deze is bepaald confessioneel. Zij
+is opgericht om kinderen op te leiden tot de Christelijke
+wereldbeschouwing. Niettemin zenden ook Mohammedaansche ouders,
+en die willen dat hun kinderen Mohamedanen zullen blijven, hun
+kinderen er heen. Het gebeurt zelfs dat de Moslim-kinderen er in de
+meerderheid zijn. In een school, voorverleden jaar in een naburige
+dessa opgericht, waar maar weinig Christenen wonen, is de proportie
+van Mohammedanen tot Christen-kinderen zelfs als van bijna vier tot
+een. Blijkbaar tellen de niet-Christenen het confessioneele gevaar
+voor weinig of niets tegenover de winst die hun kinderen voor het
+geheele leven hebben van een opvoeding op de zendingsschool. Het
+geval is analoog met dat van het hospitaal, in zoover als ook de
+school beantwoordt aan een behoefte die anders onvervuld zou blijven:
+want de inlandsche dessaschool, waar niet anders geleerd wordt dan het
+op een dreun opzeggen van onverstane Koran-teksten, wordt zelfs door
+weinig nadenkenden in dezen tijd niet meer aangezien voor zulk een
+vervulling. Zooals zij den arts en de verpleging in het ziekenhuis
+zoeken, liever dan den doekoen en zijn toovermiddeltjes, zoo zoeken
+zij ook den schoolmeester en het, zij het dan ook Christelijk gericht,
+onderwijs liever dan den goeroe en zijn Arabische spreuken.
+
+De opleiding in de zendingsschool is gericht in de eerste plaats
+op de vorming van het karakter in Christelijk-deugdzamen zin; de
+ontwikkeling van het denken door het aanbrengen van kennis is tot
+dat doel een middel. Zij gaat te werk volgens een methode, die door
+de hernieuwers van het onderwijs in Duitschland begonnen en bij ons
+te lande nagevolgd, door den tegenwoordigen leider der school is
+gewijzigd naar de behoeften van den Javaan.
+
+De school neemt het dessa-kind op van zijn derde of vierde jaar af:
+zulk een kleintje komt in de fröbelklasse. Met zijn vijfde of zesde
+begint het dan aan het eigenlijke school-onderwijs dat, als het in
+zijn geheel wordt gevolgd zes jaar duurt, en omschreven kan worden als:
+het stelselmatig ordenen, tot een helder begrip herleiden en aan zijn
+welzijn dienstbaar maken van de ervaringen van zijn dagelijksch leven,
+zooals dat van kinder- tot jongelings-leeftijd verloopt. Het Javaansche
+volkskarakter heeft een eigenaardige neiging tot het verzamelen van
+volkomen onnutte mystieke "kennis;" die neiging wordt tegengegaan. De
+kinderen leeren, stelselmatig, door aanschouwing, begrip en toepassing,
+belang stellen in wat hen het meest onmiddellijk aangaat. Zij leeren
+alles omtrent hun huis, hun huisraad, hun erf, de planten en vruchten
+die er op groeien, de dieren die er verzorgd worden. Zij maken modellen
+van wat hun vertoond is en uitgelegd: van een huisje, een schuur,
+een kar, akkergereedschap en huisraad. Zij teekenen een paard en een
+buffel, kippen, eenden, duiven, terwijl zij leeren hoe die dieren
+behandeld en verzorgd moeten worden. Zoo worden zij geprikkeld tot
+zelfwerkzaamheid, die een eind maakt aan het gedachtelooze ná-doen
+dat zooveel bedorven heeft en altijd nog bederft van den goeden
+aanleg van het Javaansche volk. Het is alleraardigst om te zien met
+welk een pleizier en handigheid de kleine knutselaar van klei en van
+rijststroo-halmen door bolletjes was verbonden, zijn heele omgeving
+in het klein nabootst en speelgoed maakt met schoolwerk tegelijk. De
+twee eerste jaren gaan er aan, hem op die manier zijn naaste omgeving,
+en zichzelven in die omgeving te doen kennen. Dan breidt zijn ervaring
+zich uit; hij wordt in theorie (als in de praktijk) een werkend lid,
+van zijn gezin eerst, dan van zijn dessa: hij leert met luisteren,
+herhalen en doen, wat er gebeurt in huis, in school, op de sawah, in de
+warong, op den pasar, in de smidse en den timmermanswinkel. En in het
+vijfde en zesde jaar wordt de kring uitgebreid tot de uiterste, voor
+hem beschikbare grenzen, over de hoofdplaats van de streek en geheel
+Java, waarbij hij dan de inrichting leert kennen van het dessa-bestuur,
+de politie, de spaarbank, de gesteldheid van het land, de middelen van
+verkeer, de toestanden, en die niet alle zooals zij op dezen dag zijn,
+maar zooals zij zich, sedert de laatste, zeg, vijftig jaar, ontwikkeld
+hebben. Lezen en schrijven, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis van
+Java voor zoover ze voor hem bevattelijk en nuttig zijn, leert hij in
+dit verband. En tevens wordt zijn aanleg voor muziek en voor teekenen
+langs specifiek-Javaansche lijnen ontwikkeld. Op zijn twaalfde jaar
+(dan is het Javaansche kind jonkman en jong-meisje) heeft de leerling
+zooveel begrip van de samenleving als hij om harent- zoowel als om
+zijnzelfswil behoeft; en het mogelijke is gedaan om zijn werklust te
+ontwikkelen en zijn zin voor de gemeenschap.
+
+Een kweekschool voor onderwijzers is verbonden aan deze school. En
+zij sluit aan bij een ambachtsschool, die tegelijk werkplaats en
+winkel, degelijk huisraad levert voor uiterst matigen prijs, zoodat
+de dessa-man al begint daar te koopen, terwijl de leerlingen er
+gevormd worden tot handige timmerlui en schrijnwerkers, die hun kost
+kunnen winnen onafhankelijk van den hoe langer zoo meer precairen
+landbouw. Naast die vak-opleiding voor jongens staat er eene voor
+meisjes, een naaischool onder leiding van de onderwijzersvrouw, en een
+zorgvuldige opleiding voor het huishouden die, in haar huiselijken
+kring, de vrouw van den zendeling aan een vast aantal dochters van
+gemeenteleden geeft.
+
+Resultaten van deze inrichtingen en methoden der zending zijn het
+die zoo verblijdend te zien komen in de algemeene welgesteldheid van
+Madjawarna en zijn omgeving.
+
+
+
+Weinig dingen zijn zoo moeilijk als een Javaan afbrengen van
+overlevering en oude gewoonte. Een woord als dat van Potgieter:
+
+
+ "Slechts vernieuwing kan behouden
+ Achter raakt wie stil blijft staan,"
+
+
+heeft voor hem geen zin. Het is voor de zending geen geringe roem,
+dat zij werkelijk er in geslaagd is hem zooveel en zoo velerlei
+nieuws te doen aanvaarden. Zoo als zij hem er toe gebracht heeft zijn
+stoffelijk en zijn verstandelijk bestaan te vernieuwen en vernieuwend
+te verbeteren, zoo streeft zij ook en uiteraard hoofdzakelijk, naar een
+vernieuwing en verbetering van zijn zedelijk bestaan. De resultaten
+zijn niet zoo spoedig bereikbaar, noch zelfs, bereikt, zoo dadelijk
+bemerkbaar op dit gebied als op de twee andere. Niettemin valt toch
+al bij vergelijking van Madjawarna met het gewone type der Javaansche
+dessa een groote verandering ten goede waar te nemen in de openbare,
+zoowel als in de huiselijke zeden.
+
+Dit bijvoorbeeld, dat het dorpshoofd en de leden van het dorpsbestuur
+niet Mohammedanen zijn, maar Christenen: dat is al een nieuwigheid
+die gelijk geacht mag worden aan een omwenteling in de oude orde
+van dessa-dingen. Voor den dessa-man is geen scheiding ooit denkbaar
+geweest van kerk en staat, om op zijn Westersch te spreken. Althans
+sedert de Mohammedaansche verovering is de beheerscher van het land
+het hoofd van den godsdienst geweest, en alle van hem uitgaand en
+afdalend gezag dit twee-ledige: staatkundig en kerkelijk. Nog altijd
+is voor den kleinen man vooral, de Soesoehoenan van Soerakarta
+de opperheer van Java, koning en priester tegelijk. (De Sultan
+van Djokja, als uit een jongeren, en later, door de macht van
+vreemden tot de heerscherswaardigheid gekomen tak, geniet niet
+hetzelfde aanzien.) Hij gelooft dat de Soenan de zon kan doen
+schijnen en den regen vallen. Als het hem gebeuren mag den Soenan te
+zien--Vorstenlanders maken vaak opzettelijk de reis naar Solo--zal hij
+het heele jaar gezond blijven. Op het nieuwjaarsfeest vecht hij om een
+scherf van het vaatwerk waaruit de Soenan gegeten heeft, en bergt die
+als "djimat," als geluk-aanbrengenden talisman, in zijn huis. Al gaat
+hij niet zoo ver als de Vorstenlander die uit vergodenden eerbied
+den ingang van zijn huis niet op dezelfde hemelstreek durft maken
+als waarop de Kraton-poort is gericht, op het Oosten, hij beschouwt
+toch den priester-koning als een wezen zoo verheven, dat reeds zijne
+nabijheid heiligt. Tegenover een Vorstenlander als zoodanig gedraagt
+hij zich als tegenover zijne meerdere. Een Vorstenlandsch gebruik is
+voor hem de "adat" bij uitnemendheid. Een sarong of een hoofddoek uit
+de Vorstenlanden is een kostbaar en ook gelukaanbrengend bezit. Geen
+grootere glans kan verleend worden aan een regenten-familie dan door
+een huwelijk met een Solosche of Djokjasche vorstendochter.
+
+Van dien grootste daalt het gezag verminderd wel, maar niet in
+aard veranderd, op de kleineren af. De regent van de streek is de
+hoofdpriester van de streek. Het dessa-hoofd is de dessa-priester,
+die voorgaat bij godsdienstige plechtigheden en voorzit bij de
+offer-feesten van het dorp. Een Christen, dus een niet-priester,
+haast zou men mogen zeggen een tegenpriester als dessa-hoofd, dat
+was een breuk in wat onverbrekelijk had geschenen. Er is indertijd
+gewaarschuwd voor het gevaarlijke van de proefneming: men vreesde voor
+oproer. Niets van dat alles! Op de geleidelijkste en vreedzaamste wijs
+heeft de groote vernieuwing haar beslag gekregen. Misschien hielp
+daartoe, wat Madjawarna betreft, een recht nog ouder dan de Islam:
+het ontginnersrecht dat gezag geeft over de dessa, en de godsdienst
+van den ontginner van 1818 was het die het nieuwe recht van zijn
+opvolgers beschermde. Maar in andere christendorpen ligt het geval
+anders: zonder den beschermenden schijn van welke oude denkbeelden ook,
+is dit nieuwe er ter overwinning gekomen. En, merkwaardig! uit eigen
+beweging hebben zelfs Mohammedaansche dessa-lieden hun Christenhoofd
+dezelfde voorrechten toegestaan, ten opzichte van akkerbezit en
+dorpsdiensten als den Mohammedaanschen loerah toekomen. Dat hij geen
+deel neemt aan de offerfeesten wordt, als nadeel, blijkbaar gering
+geacht tegenover het voordeel dat een op betere beginselen rustend
+bestuur aanbrengt. Het is weer hetzelfde geval als met het ziekenhuis
+en de school; omdat het blijkbaar, tastbaar, zichtbaar beter is,
+wint het nieuwe het van het nog zoo vereerde en hartstochtelijk
+vastgehouden oude.
+
+In het huiselijk leven is een dergelijke vernieuwing bemerkbaar. Er is
+tegelijkertijd meer vrijheids-gevoel en meer verantwoordelijkheidsbesef
+in gekomen. Man en vrouw scheiden zoo licht niet van elkander als
+gewoonlijk Javanen doen, onder wie drie, vier, vijf maal scheiden
+en hertrouwen niets ongewoons is. De ouders nemen de opvoeding der
+kinderen ter harte. Er zijn er zelfs al bij wie die zorg zich uit op
+een wijze haast ondenkbaar voor een gewonen Javaan: door zorg voor de
+toekomst der kinderen. Zij hebben een spaarbank-boekje op den naam
+van hun kind, en brengen geregeld daar op in. Zij laten de kinderen
+op school, zoo lang zij maar eenigszins het zonder hun mede-arbeid en
+-verdienste kunnen stellen. En ook de meisjes krijgen een opvoeding,
+wat onder gewone dessa-lieden nooit gebeurt. Tegelijk komt een zekere
+vrijheid in de houding der kinderen tegenover de ouders. Zij ligt niet
+in de Javaansche zede. Zoolang het klein is wordt het Javaansche kind
+vertroeteld en ook verwend en bedorven tot in het ongeloofelijke. Den
+geheelen dag solt een Javaansche moeder met haar kind. Het gaat de
+"slendang" niet uit. Als het kikt wordt het aan de borst gelegd. Zelfs
+in de kerk. Geen sprake er van dat het een oogenblik, op nog zoo
+veilige plek, alleen wordt gelaten, een oogenblik aan nòg zoo goede
+hoede van een ander toevertrouwd. "Als mijn kind niet uit mij drinkt,
+sterft mijn kind." Het "drinkt uit zijn moeder" nog wanneer het al
+begint te rooken. Ieder die door de velden loopt kan dit tafereeltje
+zien: een jongen van een jaar of drie die van zijn kornuiten bij het
+rijst-bewaken of het rietblad-stroopen wegloopt naar de borst der
+geduldig-neerhurkende moeder, en, verzadigd, een strootje opsteekt en
+wegwandelt. Maar laat de dreumes grooter worden en met vertroetelen
+is het uit. Tegenover een volwassen kind zijn ouders streng, om niet
+te zeggen hard. Er wordt bevolen, en nooit gezegd waarom. Er wordt
+gestraft en gewoonlijk niet rechtvaardig of redelijk, laat staan
+zachtzinnig. Naar eigen wil van een zoon of dochter wordt zelfs niet
+gevraagd bij een huwelijk. Dat is anders geworden sedert de zending
+de huwelijksinzegening afhankelijk heeft gesteld van de verklaring
+van bruid en bruidegom beiden, dat zij uit vrijen wil elkander tot
+echtgenoot nemen. "Als u mij dwingen wilt moet ik gehoorzamen, maar ik
+zal voor den pandita verklaren dat ik gedwongen ben" heeft al eens een
+àl te autoritairen vader tot inzicht en toegeven gebracht. Terwijl
+een verdere vrijheids-vermeerdering voor het kind bereikt is door
+een tweeden eisch der zending: dat het jonge paar een eigen woning
+hebbe. Gewoonlijk trekt het bij de ouders van den man in. Het is een
+gebruik dat, als bekend, ook onder het Russische boerenvolk heerscht,
+(altijd door vindt men punten van overeenkomst tusschen Javanen en
+Russen, in het Westen en in het Oosten de hedendaagsche-middeleeuwers)
+de lezers van Gorki's novellen weten met welke gevolgen. Zij zijn
+hier op Java dezelfde. In het Christenendorp is de mogelijkheid voor
+hun ontstaan afgesneden.
+
+De levenswijze van den enkeling ook is veranderd onder den invloed der
+nieuwe denkbeelden. Hoewel door geen tekst letterlijk verboden, zóo als
+bijvoorbeeld alcoholische dranken verboden zijn door een Korantekst (en
+niettemin, hoe langer hoe meer helaas, gedronken worden), wordt toch
+drinken, opiumschuiven en dobbelen geacht voor een christen ongepast
+te wezen, evenals het leenen tegen woeker-rente, de "nieuwe adat"
+is daartegen. Het is niet aan te nemen dat dat alles in het geheel
+niet meer voorkomt onder Christenen; maar stellig is het zeldzamer
+onder hen.
+
+Zooveel dan heeft de zending gewonnen. Heeft zij ook gewonnen wat haar
+het allerbelangrijkste moet schijnen, de innerlijke bekeering van den
+Javaan? Uit de woorden van zendelingen, zooals zij opgeteekend staan
+in hun eigen organen, uit de herhaalde klachten over het langzame
+vorderen van den zendingsarbeid, de zeldzaamheid der toetreding van
+volwassenen tot het Christendom, en de kracht die, alle belijdenis
+van den Christelijken godsdienst ten spijt, het oude, animistische
+bijgeloof en de fataliteits-idee, beide even verderfelijk, nog over
+den geest van den Javaan blijken te behouden, uit zulke klachten
+schijnt het gewettigd de gevolgtrekking te maken dat de zending tot
+dit haar hoogste doel, tot nog toe niet zoo dicht is genaderd als
+tot die andere doeleinden, in het stoffelijke, verstandelijke en
+maatschappelijk-zedelijke gelegen.
+
+"In zijn verslag over 1898 klaagt hij (Kreemer) zeer over de
+oppervlakkigheid zijner bekeerlingen. Hij miste bij hen maar al te
+vaak energie en een levendige opvatting van het Christendom; en typen
+van ontwikkelde, in het hart getroffen Christen-Javanen, die.... als
+een bewijs van den zegenrijken invloed der zending vertoond kunnen
+worden, zijn schaarsch." [7]
+
+"Geeft men den menschen in de eene hand rijst, in de andere den
+godsdienst, dan is de hand met rijst steeds aan den mond, de andere
+zoover mogelijk uitgestrekt." [8]
+
+"Er is geen andere weg (dan land-ontginning) om het Evangelie meer
+ingang te doen vinden, en het tot gemeengoed van dit diep gezonken
+volk te doen worden." [9]
+
+"Er komt van lieverlede orde en regel in het leven van den Javaanschen
+Christen. Hij wordt werkzamer, begint zich beter te kleeden; toont bij
+toeneming de behoefte om goed te wonen en zich netter in te richten;
+van opium-pijp, dansmeiden en spel is geheel afstand gedaan; de
+lommerd blijft onbezocht; de landrente wordt geregeld gekweten; de
+kinderen, ook de meisjes, gaan allen school; en van echtscheiding,
+anders schering en inslag onder de Javanen, wordt niet, of hoogst
+zelden, gesproken; politiezaken komen niet voor." [10]
+
+Met zulke zeggingen in de gedachte, en het schouwspel van een dorp als
+Madjawarna voor oogen, voelt de beschouwer die onpartijdig tracht te
+staan, de gedachte opkomen dat de Javaan van de zending andere gaven
+zoekt en aanneemt dan die eene, die zij de eéne-kostelijke acht en
+dat hij "Christen" wordt om vooruit te komen in de wereld.
+
+Als dat zoo is, dan heeft de zending een ander doel gediend dan
+zij voor het hare koos. Die haar overtuigingen deelen zullen zich
+daarover bedroeven. Die een andere wereldbeschouwing hebben, zullen
+bedenken hoe dit niet de eerste maal zou zijn dat over de beweging
+der enkelen heen, en er tegen in zelfs, en toch en zelfs juist door
+middel daarvan, de maatschappij haar eigen voorwaartschen gang gaat,
+naar haar eigen, nog achter onzen gezichteinder verborgen doel.
+
+
+
+
+
+Een bevloeiïngswerk.
+
+
+In het stroomgebied van de Solo ontspringt en verzinkt weer in den
+drassigen grond de Pritjetan. Zij is een van die vele "tijdelijke
+rivieren" op Java die in de regenmaanden aanwassen tot een woesten
+vloed, en in den drogen tijd slinken tot verdwijnens toe. Haar
+bovenloop gaat door een wijd dal tusschen twee met een verren zwaai
+naar elkander toe buigende landruggen ingesloten, waarvandaan de grond
+langzaam aan oprijst naar de streek waardoor de naaste der vele van
+de bergen komende zijrivieren der Solo vloeit. In den Westmoesson,
+als ontelbare bronnen en aderen opengaan in den doordrenkten grond,
+zwelt de Pritjetan tot een sleurenden stroom die over zinking en
+zwelling heen voortrent naar de groote rivieren. Maar zoo haast de
+regens ophouden ebt zij van de hellingen weer weg, ligt als een
+slijmerig groene plas in de kom van het dal, wordt een smalle en
+al smallere kronkelbeek, en is ten slotte niet meer dan een dunne
+trage spreng, die wegsiepelt in een moeras. Het dal, beurt aan beurt
+verdronken en verdorrend, is gaandeweg verlaten door de bevolking
+die er verhongerde, zoo rijk als de grond is. De weinigen die nog
+bleven, leden ellende. Zij geneerden zich met houthakken in de groote
+djatibosschen van den omtrek, met sprokkelen, het plukken van djatiblad
+dat zij op de passars in den omtrek verkochten als inpak-materiaal
+voor eetwaar, van hout-diefstal natuurlijk ook. Op de hellingen
+trachtten zij tabak te telen; in de kuilen rijst. Het gebeurde soms
+wel dat zij tot zeven malen in een jaar opnieuw plantten en van den
+nu verschroeiden, dan verdronken grond niet éenmaal een eenigszins
+voldoenden oogst wonnen. Wie een kip slachtte, deed het in het geheim,
+om niet overvallen en mishandeld of misschien doodgeslagen te worden
+voor het begeerlijke maal. Van het dagenlange zwerven door het scherpe
+woud kregen kinders als volwassenen, vrouwen en mannen, wonden aan
+de voeten, die gaandeweg invraten, tot het been bloot kwam; niemand
+was er die hen verzorgde. Om zulke ellende te verhelpen, dadelijk,
+en een toekomst te beginnen van allengs toenemende welvaart, werd
+verleden jaar het groote werk aangevangen dat de Pritjetan zal maken
+tot den wèl-geregelden bevloeier van de streek.
+
+Het is het eerste werk van dien aard en die groote verhoudingen, op
+Java van regeeringswege begonnen. Twee en een halven K. M2. oppervlakte
+heeft het dal, dat door den afsluitdam veranderd zal worden in
+een vergaarkom voor de bandjirwateren der rivier; de capaciteit
+zal zijn van tien millioen M3.; zeventien M. hoog bij vierhonderd
+lang en, op zijn zwaarst, negentig breed, de reusachtige dam die
+de watermassa tegenhoudt; en het langs twee kanalen rechts en links
+van den aftapduiker afgevoerde water zal voldoende wezen om meer dan
+zesduizend bouw grond geschikt te maken voor rijst-teelt. Zesduizend
+bouw rijst, in dit altijd meer rijst behoevende land! Het moest
+heerlijk zijn te zien hoe zoo iets wèrd. Wij gingen.
+
+Van het Djombangsche uit naar de Pritjetan-vallei is de tocht
+een gang van de volheid der technische beschaving terug naar
+de natuur. Het begin van den weg loopt langs enkel fabrieken en
+spoorweglijnen; suikerfabrieken links en rechts van den langen, door
+zware tjikarren stukgereden weg; twee ijsfabrieken, waarvan het groote
+wiel gewenteld wordt door een voorbijstroomend, met dammen en sluizen
+driftig gemaakt riviertje; de stad Djombang dan, het drukke station
+van spoor- en tramlijnen, de straten waarlangs automobielen stuiven;
+weer fabrieken, groote, pasgebouwde, dreunend van zwaren machineslag;
+de dijk langs de Brantas en over de breede rivier heen de twee lange
+bruggen, zwaar en breed, de eene voor het algemeen verkeer, de andere
+als spinrag dun en zwart om te zien, twee smalle ijzeren staven op
+vele smalle ijzeren stutsels, de brug van de Babat-Djombangtram. Aan
+gene zij van de groote, als een meer breede en rustig-vloeiende
+rivier, weer een suikerfabriek met geweldigen schoorsteen boven de
+boomen uit, weer een drukke straat tusschen Chineesche winkeltjes en
+woninkjes door, en altijd nog de blinkende rails der tramlijn. Maar
+nu wordt het stiller. Voor onzen automobiel vliegen zwermen vogels
+op uit de vaalgele Oostmoessonpadi, die armelijk op het veld staat,
+verdord in de laatste gloeiende weken, waarin niet een enkele bui is
+gevallen. Verderop gaan pluksters door het veld; zij bewegen langzaam,
+geluideloos, lusteloos door den geringen oogst. Er staan armelijke
+huisjes aan den weg, dun van wanden onder een uitgerafeld rieten
+dak. Dan is ook dat verdwenen. En de weg duikt de schaduw in van
+het bosch.
+
+Het is djati-bosch, gouvernements-aanplant. De groote gladde, bruine
+zuilen van stammen staan geregeld in de rij. Er zijn kenmerken op
+aangebracht, hier, ginder, daar alweer, met roode en zwarte teekens,
+met kepen diep gekerfd in den bast. Opeens wordt alles licht, dan,
+heelenal grijs: hier is het bosch "geringd." Om de stammen heen loopt
+een breede witte wond, waar de bast is afgelicht van het hout. Zóó
+moet de boom doodgaan, "sterven op stam." Het duurt twee jaar voor de
+laatste toppen zijn uitgedroogd en het levende organisme verstijfd
+is tot bouwstof. Mager als geraamten, strak als steen staat het
+bleeke bosch te sterven. En zonderling, vlak daarnaast weer, het
+herbeginnende groen, dof grof groen van djati met verrassend daar
+tusschen op een enkele plek de teedere, tintelend-lichte looverwolk
+van een tamarinde, een lente van een boom, en, schitterend in de zon,
+djoewars in vollen bloei, goudgeel.
+
+Nog altijd loopt naast ons het spoor der tram. En, tusschen de
+boomen, op een enkele plaats, komt een tweede spoor te zien, in de
+hoogte, een spoor door de lucht, over afgezaagde stammen loopend;
+de mono-rail, waarlangs van de heuvels af, hangende ijzeren wagens
+met boomstammen bevracht, in een vliegende vaart naar beneden
+komen. De exploitatiechef der tram, onze gids op dezen tocht,
+legt ons de constructie in W-vorm der wagens uit, waarvan hij de
+uitvinder is en eerste toepasser. Het is niet mogelijk, dat, zelfs
+bij de scherpste bocht, de slingerende wagens ooit uit het gewicht
+raken. In den regentijd, als de boschwegen in moeras veranderen, gaat
+ongestoord het hout-transport zijn gang langs dezen luchtigen weg,
+de eene ijzeren staaf op de onthoofde boomen gedragen. Overal in het
+bergland van Java op cultuur- en houtaankapondernemingen begint men
+nu met den aanleg van zulke monorails.
+
+Wij hebben het punt bereikt waar wij den landweg moeten verlaten. Van
+hier naar het waterwerk gaat de tocht verder in een lorrie. Er is
+een dakje van gevlochten blad over gemaakt en twee omgekeerde leege
+petroleum-kisten staan er in voor banken. Zes halfnaakte koelies
+duwen ons voort over het smalle spoor, op zijn dwarsliggers van jonge
+djati-stammen en zijn dijk van zand en kalksteen, omgewoeld op plekken
+door een stortbui, plotseling gisteren gevallen. Heuvel op kruipen,
+heuvel af vliegen wij, de koelies tusschen ons in. We zien tegen
+glooiïngen op en in kuilen akkertjes van enkele voeten in het vierkant,
+armzalige lapjes tabak- en rijstveld. In lompen gekleede sprokkelaars
+gaan bukkend door het bosch. Wij komen mannen tegen als wandelende
+heuvels bladeren, die den langen weg af gaan naar een pasar ergens in
+den omtrek. Dan wordt, laag gelegen, een lang vlak gebouw zichtbaar,
+wit en grauw. De van zweet gudsende koelies laten de lorrie stilstaan
+voor de woning van den ingenieur. Hij brengt ons naar het werk.
+
+Van een hoogte van uitgegraven en opgeworpen aarde uit zien wij het
+wordende liggen. Daar blakert, grauwwit in de felle zon, de groote
+aftapduiker, tusschen gemetselde muren vier lange rechte kanalen,
+waardoor het water uit de groote vergaarkom, onder den dam door,
+geleid zal worden naar de bevloeiïngs-kanalen. Op een uitgestrektheid
+cementen vloer aan gene zij van den duiker is een ploeg werkvolk
+aan den arbeid. Recht in de rij staan zij, met zware stampers, het
+uitgegoten cement vast te stampen, onder toezicht van den mandoer,
+een grooten, pikzwarten neger, in hemelsblauwen broek en wit hemd,
+die als een zeeman op het schommelende scheepsdek, wijdbeens staat,
+en zijn orders geeft op een bootmansfluitje. De cementen vloer wordt
+de bedding van het water dat naar den uitwoelbak stroomt. Als in een
+echte bedding is hier al een bronnetje te voorschijn gesprongen. Het
+mag niet gestopt--levend water laat zich niet terugdringen: het
+vingersmalle straaltje zou den geheelen geweldigen dam van binnen uit
+gaan uithollen, en uiteen woelen. Er wordt een afzonderlijk kanaaltje
+gemaakt in den cementen vloer voor het borrelende bronnetje: een koeli
+is er bezig aan. Aan genen kant van het cement flikkert tusschen
+gemetselde wanden een plas, vlak en plat, waar des vier stroomen
+uit den duiker bruisend neerstorten zullen en tot effen rust komen
+voor zij, naar links en naar rechts de twee lange leidingen in gaan,
+die wat nu moeras is en zandwoestijn bij beurten zullen veranderen
+in vruchtbaar veld.
+
+Rondom dien duiker in de diepte, als rondom den grondslag van het
+langzaam opgroeiende werk, is een leger arbeiders doende. Er wordt
+beton gemaakt. Daar slaan dozijnen steenkloppers den harden grauwen
+kali-steen voor stuk. Tot heuvelhoogte al is de hoop steenslag
+gegroeid: de mannen zitten klein aan den voet van den blinkenden
+schervenberg. Het onafgebroken geknetter van brekenden hamerslag en
+verbrijzeld gesteente maakt de lucht aan het trillen. Terzij van den
+steenslag-heuvel staat een gehucht van loodsen, blinkend met daken
+van gegolfd metaal. Met kracht van handen en met kracht van machines
+wordt de verbrijzelde steen gemengd met zand en met cement: eindeloos
+komen de rijen zware witte zakken er aan, die eenige duizenden mijlen
+ver weg, aan de overzij van de wereldzee, langs Engelsche rivieren,
+gevuld zijn.
+
+Op den vloer van de machineloods liggen de lange ijzeren stangen, die
+aan het eind omgebogen moeten tot in elkander grijpende haken. Dan
+worden zij gevoegd in het reusachtige rasterwerk, dat daar buiten
+over den grond ligt, een strak en toch veerkrachtig net van ijzeren
+mazen, dat den uitgegoten en dadelijk verstarden stroom van beton in
+onverbrekelijken vorm en vastigheid zal vangen. De groote dam, die op
+den aftapduiker komt te staan, in een boog tegen den loop der rivier
+gericht, de groote dalkom afsluitend, zal voor binnensten kern zulk
+een muur van kalk en ijzer hebben. De zachte siepeling van het water
+kan niet door het beton. De druk en drang van het water verwringt
+het ijzer niet.
+
+De ingenieur schetst in groote trekken den gang dien het werk moet
+volgen: het aanleggen van den dam: het bouwen van de twee torens op
+den duiker waarvan uit het windwerk wordt geregeerd, dat het water
+toelaat in de kanalen of afsluit: de oprichting van een nood-overlaat;
+de verlegging van de in wijde bocht kronkelende rivier recht aan op
+den duiker.
+
+De "rivier" is nu een smalle loome beek, groen van slijmerig gewas. Zij
+komt er aan uit het in wijdte weg-blauwende dal of zij niet verder
+meer kan van moeheid en watergebrek, en liefst zou blijven, liggen
+in plasjes. Er is een inspanning van gedachte en verbeelding toe
+noodig om zich voor te stellen dat die groene slingersloot over zes
+weken een stroomende zee zal zijn. "De Pritjetan heeft in banjir-tijd
+een maximum afvoer van 300 kub. M. per seconde," zegt de ingenieur,
+en laat ons in nadenken over de cijfers, die voor de leeken-gedachte
+niet tot een beeld willen worden. Maar dan wijst hij naar het dal,
+de wijde blauwige holte, waar een jong djati-bosch opgroeiende is:
+"Over drie jaar vaart daar onze motor-boot." De herinnering aan
+Hollandsche plassen helpt deze Indische werkelijkheid veranderen tot
+de voorstelling van wat zij eenmaal zal zijn.
+
+Als wij uit de laaie van middagzon pal op cement en zink teruggekomen
+zijn in het koele huis, krijgen wij werk en landschap in kaart gebracht
+te beschouwen.
+
+Daar staat het, wit op blauw: lijnen, cijfers, letters, die geheele
+wijde overweldigende werkelijkheid gevangen in teekens. Toovenaars
+hebben zulke dingen beproefd, lang geleden, als zij onbekende machten
+wilden dwingen in menschendienst. Daar staat het plan van het werk,
+de loop van den stroom, de ligging van het land. Nog enkele jaren,
+en de tooverteekening zal een nieuwe werkelijkheid zijn geworden,
+en die groote onbekende die bij den dag en bij het uur al minder
+onbekend wordt voor het indringende denken der zoekers, de Natuur,
+zal al weder een van haar tallooze krachten overgegeven hebben in
+den dienst van de maatschappij.
+
+
+
+
+
+
+BALI
+
+
+Singaradja
+
+
+De boot die van Soerabaja uit de buurt ingaat der kleine
+Soenda-Eilanden komt in den ochtend voor Boeleleng aan. Met het
+aanlichten van den dag al is de Balische kust in zicht gekomen. Twee
+doorschijnend blauwe toppen rijzen, zachtaan, omhoog aan de Oosterkim,
+spits de eene, de andere als een lange golf geleidelijk op zich
+heffende. Zij groeien de breedte en de diepte in, tot een groep van
+schoone bergen, tot een lange keten dan, donker langs de hellingen
+van woud. Langs den voet in wijde slingers van kaap en inham,
+loopt naar het Zuiden toe een zacht-glooiend strand weg; breedten
+flonker-blauwe zee, waar fel in de al klaarder schijnende zon witte
+zeilen blinken, liggen tusschen bosch en verren bergwand. In de
+diepte van een wijd-uitgebogen baai kleuren stippels helder rood;
+dat zijn de daken van Boeleleng. Zoo haast ligt het schip niet stil,
+of in een zwerm van bootjes, kano's, prauwen, komt, met den oogst
+van het land het volk er aangevaren; het is of het eiland zelf het
+aangestevende schip tegemoet komt. De schuitjes liggen opgehoopt met
+vruchten, allerlei daaronder dat nieuw is in vorm en kleur. Op breede
+prauwen, bij dertig en veertig tegelijk, komt goudgeel vee aangedreven,
+zoo sierlijk van bouw, dat de groep denken doet aan een in 't nauw
+gedreven en samenschuilende kudde herten. En de mannen, die uit de
+dobberende vaartuigjes in de doorzichtig blauwe slagschaduw onder het
+schip naar het dek komen opklimmen, zijn rank en krachtig tegelijk
+van lijf, en hebben lichte gezichten, waarin de oogen lachend staan.
+
+Boeleleng, dat met zijn uiterste huizen tot vlak aan het water
+reikt, is een drukke handelsplaats. Altijd liggen aan weerszij van
+de pier schepen en schuiten; de booten van de Paketvaart, Chineesche
+zeilers, Makassaarsche prauwen, die als een oud-Hollandsch galjoen
+van voor naar achter steil oploopen, prachtig als met opgespreide
+wieken zwemmende zwanen op het water; bij twintig tegelijk dobberen
+geankerd de Inlanderbootjes langs het strand, de zeilen tusschen
+schuins hangende kokospalmen. Naast den vervallenden dooden-tempel,
+vlak aan het water, waarvan de schoone, rijk gebeeldhouwde poorten
+nog staan, ligt een groot pakhuis, onder het afdak waarvan troepen
+vrouwen koffie verlezen. Verderop zijn houtstapelplaatsen en schuren
+waar bergen huiden liggen opgestapeld. En de lange winkelstraat is
+vol van allerlei Chineesch en Britsch-Indisch goed. Als overal in
+aan zee gelegen handelsplaatsen heeft ook hier het drukke verkeer
+het lands-eigene weggesleten. In die lange, nauwe straat, waar de
+winkeltjes tegen elkander aangedrongen staan, is niets te zien dat niet
+in een Soerabajasche of Semarangsche winkelbuurt van het mindere slag
+ook gevonden kan worden. Het is er Oostersch-internationaal. In de
+schaduwige diepte van de openstaande koophuizen komen, donker tegen
+een achtergrond van bonte sarongs en stukken sits, haviksprofielen
+van magere Arabieren te zien en paffig-witte vollemaansgezichten
+van Britsch-Indiërs wien een met goud geborduurd kapje schuin op het
+haar staat. Armeniërs, zwart gebaard, met tapir-gezichten, een en al
+neus en vooruitstekende bovenlip, wandelen gewichtig, zelf-bewust als
+mannen van geld. Overal zijn Chineezen, en Chineezen van alle slag,
+gezeten handelsmannen, marskramers, die hun staart in een vettigen
+krans om het hoofd gebonden hebben, koelies. Zij bewonen een geheele
+buurt, rechthoekig op de zeestraat aangebouwd. Het is goed te zien
+hoe overwegend hun aandeel in het handelsleven van het eiland al
+sedert oudsher is: de pasmunt is Chineesch. De bronzen duiten, met
+een gat in het midden voor het aanrijgen, hangen den marktgangers
+aan snoeren over den schouder.
+
+Van Boeleleng naar Singaradja, de hoofdplaats van Bali, loopt
+een lange, breede, rechte weg, sedert kort pas aangelegd, met
+jonge tamarindeboompjes aan weerszij, gemetselde kanalen voor het
+afvloeiende sawah-water en een leiding, die uit de bronnen van het
+gebergte--hoog en blauw in het verschiet--het zuivere drinkwater
+de vlakte in brengt. Ten halve maar verborgen achter die westersche
+regelmatigheid en orde begint hier het echte Bali, het Bali van de
+Baliërs. Een muur langs de heuvelhooge bermen van den weg beneemt het
+gezicht op de Inlander-huizen; maar de daken, dicht opeen, zonder
+ergens een groenen boom ertusschen, de gevels van grauwen steen of
+klei, een rijstschuurtje, door als pauwen gevleugelde leeuwenbeelden
+bewaakt, een godenhuisje, versierd en bebloemd, komen hier en ginder
+er boven uit. De pasar ligt op een viersprong, en daarnaast, tusschen
+geboomte, het aan vier zijden open feest-gebouw, door een vervaarlijk
+gevlerkt, geklauwd en geslagtand monster boven den hoofdingang bewaakt;
+wat verderop de ommuurde badplaats der aanzienlijken; en daar, waar
+de weg begint te klimmen naar de heuvel-gehuchten, de dorpstempel
+met zijn prachtig getooide poorten, aan weerszij waarvan, de knots
+op de knie, boloogde reuzen de wacht houden.
+
+Op dezen weg is het van het aanlichten van den dag tot schemeravond
+druk van volk.
+
+Wat mooi slag van menschen! Groot, rank, rechtop. Het mooist zijn de
+vrouwen. Zij dragen zware lasten--zoo zwaar, dat zij zonder hulp die
+niet op kunnen tillen--op het hoofd, en de voortdurende spanning
+heeft de spieren van hals, borst en rug tot volkomen schoonheid
+ontwikkeld. Een arm opgerekt naar den in evenwicht zwevenden last, met
+de andere hand een tip van de donkere boven-sarong sierlijk optillend,
+waaronder een bont onderkleed te voorschijn komt, het tot den gordel
+naakte bovenlijf omfladderd van een dunne, kleurige slendang, purper,
+oranjegeel, fel-groen, viool-paars, gaan zij daarheen met wiegende
+passen, een weinig draaiend. Het is een lust hen aan te zien komen,
+een lust hen na te zien. Hun haar zit in een dikke wrong schuins tegen
+den linkerkant van het hoofd geschikt. Allen hebben zij er bloemen
+in gestoken, tjempaka's meest, of roode en witte oleanders. Zij zien
+er uit, niettegenstaande dien zwaren last op hun hoofd, of zij naar
+een feest gaan.
+
+De mannen zijn over het algemeen groot van stuk, met forsche
+ledematen. Zij bewegen zich met een zelfbewuste waardigheid. Van de
+Hollanders, die zij groeten, ontvangen zij een wedergroet. Zelfs
+armelijk-gekleeden, ja zelfs koelies, hebben hun sarong op een
+doordacht-sierlijke wijze geschikt, met een van voren tot op den
+grond afhangende slip, die, men begrijpt niet recht hoe, wegwuift voor
+elke schrede die zij neerzetten. Het kastenstelsel heerscht op Bali,
+sedert, haast vijfhonderd jaar geleden, de Javaansche Hindoes, in
+volksverhuizing vluchtend voor den Islam, het hier invoerden. [11]
+Maar van de scherpe afscheiding die de echte Hindoe-zede eischt,
+is, uiterlijk, zoo min iets aan hen te bemerken als van Javaansche
+gedweeheid en gedempte vormelijkheid. Wel moet het een krachtig ras
+zijn geweest, dat oorspronkelijke Baliërvolk, dat trekken van zijn
+wezen zich hebben kunnen handhaven tot in een zoo ver nageslacht toe,
+tegen zooveel en zoo sterke vreemde invloeden in.
+
+Of de hedendaagsche Baliërs daarvan iets gevoelen? Men moet aannemen
+van niet. Want zij plachten vanouds op de Baliërs van het binnenland,
+de Bali-aga, die zich met de Javanen niet hadden vermengd en hun
+oud-Heidensche gebruiken in eere hielden, met minachting neer te
+zien als op "boschmenschen." En met trots noemen zij zichzelven
+Javanen-afstammelingen, "lieden van Madjapahit." Maar de herinnering
+heeft wel veiliger en dieper schuilhoeken dan in het brein. En een
+herinnering die niet in de hersens zit maar in het bloed, onbewust
+en onverdringbaar, zulk een herinnering aan die verre voorouders, die
+"boschmenschen," zou datgene wel eens kunnen wezen wat den Baliër van
+vandaag juist als Baliër kenmerkt: zijn waardigheid, zijn vrijheidszin,
+zijn levenslust.
+
+
+
+
+
+Een wijk van de stad
+
+
+In den zuidwestelijken hoek van den wegen-viersprong bij Singaradja
+ligt een wijk gevoegd, waarbinnen alles bijeen is wat tot de
+samenstelling behoort van een Balische stad: een buurt geringe
+huisjes, een badplaats, de markt, de feest-loods, eenige huizen van
+aanzienlijke leden der drie kasten, en de dorps-tempel. De aanleiding
+tot mijn eerste bezoek daar,--het gold de geringe buurt,--was een
+eenigszins griezelige. Er was gesproken in de pasanggrahan, over
+de wijzen waarop de Baliërs handelen met hun dooden. De Hindoe-wet
+beveelt lijkverbranding. Maar de ceremonie is kostbaar: van twee
+tot drieduizend gulden is er mee gemoeid. Hoe doen de armen? De
+allerarmsten, was het antwoord, begraven hun dooden tot tijd en wijle
+een lijkverbranding plaats heeft. Hun wordt dan door den rijke verlof
+gegeven tot mededoen, en de opgegraven overblijfselen, of als die in
+stof zijn verdwenen, een den doode verbeeldende figuur van lontarblad,
+wordt meegedragen in den stoet en bij het feest der verbranding. Die
+echter eenigermate bemiddeld zijn, houden het stoffelijk overschot van
+die hun lief zijn geweest, in hun woning. De echt-Balische manier is,
+door een bijzondere behandeling het lijk te doen krimpen en drogen,
+tot het hard is als hout; in windsels stijf gewikkeld blijft het dan,
+in een afzonderlijk opgericht huisje, op het familie-erf, den dag
+der verbranding afwachten. Onder Westerlingen-invloed heeft zich dit
+gebruik veranderd in het kisten van het lijk, nadat het met bepaalde,
+eenigermate bederfwerende middelen is behandeld; ook de kist blijft
+op het familie-erf, en zelfs vlak bij de woning. Het verhaal leek mij
+ongelooflijk; ik volgde den Baliër, die het mij had gedaan, naar een
+huis in de volksbuurt, waar hij me zeide, dat ik met eigen oogen mij
+kon overtuigen van de nauwkeurigheid zijner mededeelingen.
+
+De weg er heen, vol hobbels en kuilen, ging langs lage muurtjes,
+waar hier en daar bloeiend en vruchtdragend geboomte overheen hing:
+een vonkel-bloemige granaatappel, een citroen-boom vol wit en goud,
+een purperen djamboe. Hij stiet een houten poort open, die langs
+posten en bovendorpel versierd was met prachtig snijwerk, lotusbloemen
+voorstellend en een geweldigen Vogel Grijp, en bracht mij binnen in een
+ruimte, waar alles één kleur leek--de kleur van den grond-zelf. Een
+twintig huizen van grauwen, met grauwe klei bepleisterden, baksteen
+stonden hier bijeen in groepen, die door lage leemen muren gescheiden
+waren. Er lagen daken op van droog riet, droog gebladerte, drogen
+vezel, bruin, grijs, zwart. Een geheele kudde varkens, slijk-zwarte
+ruige borstelbeesten met een stijf-opstaande maan, van kop tot
+staart den geheelen rug langs, en vervaarlijk-geslagtanden snuit,
+was aan het wroeten in allerlei onnoemelijke vuilnis. Uit alle hoeken
+kwamen honden aangeschoten, scharminkelig mager en afzichtelijk van
+schurft, die met den staart tusschen de beenen en opgestrekten kop
+losbarstten in een tegelijk woedend en bang, scherp-huilend geblaf. Op
+dat teeken van onraad kwamen menschen te voorschijn; omringd door
+een troep spiernaakte kinders, mannen en vrouwen in gore kleedij. Zij
+brachten ons, dienstvaardig, waar wij wezen moesten, bij het gezin dat
+eenige weken geleden een der grootouders had verloren. En daar zag
+ik werkelijk, onder een soort troonhemel, bedekt met bonte kleeden
+en omgeven met schalen vol offeranden van vruchten en bloemen en
+allerlei symbolisch sieraad, de lijkkist. In de kleine loods, vlak
+tegen het woonhuis aan, waar zij te praal stond, waren de kinders
+aan het spelen; muziekinstrumenten stonden in een hoek. Naar de
+woning, waar het weefraam der bedrijvige huisvrouw te zien kwam,
+stond de deur wijd open.--Het angstige ontzag voor den dood is iets
+Westersch-Christelijks: dat wordt iemand op een ietwat verbijsterende
+wijze in het bewustzijn teruggeroepen door zulk een tooneel.
+
+Het geheele gezin--een knap paar de vader en moeder, en de kinders,
+het een al mooier dan het ander--was ons tot gidsen op een wandeling
+door de buurt. Overal was het hetzelfde: vuiligheid. Overal wroetende
+varkens, schurftige honden, afval, modder, lompen, stank. Naar de
+handbreede scheuren in de leemen huismuren zag men onwillekeurig,
+met het idee, dat dáar straks nog meer vuiligheid uit zou komen,
+doorlekkend van binnen uit. Maar het was duidelijk dat het niemand
+hinderde. De klaaroogde kinderen, die tusschen varkens en honden als
+tusschen prettige speelkameraden over den grond rolden, kraaiden het
+uit van pleizier. Een jonge vrouw, aan den arbeid voor den maaltijd
+van het gezin, zat op den huisdrempel groenten tot moes te wrijven,
+vlak naast een reusachtig zwijn, dat zijn rug schuurde tegen den
+deurpost. Languit op een mat lag een man, pas terug van de sawah,
+waar hij met zijn buffels den geheelen werkmorgen,--van zes tot
+elf,--had geploegd, siësta te houden. Wat rondom stonk was erger dan
+een mestvaalt; maar hij, de armen onder het hoofd, lag daar in schaduw
+en niets-doen, te neuriën van onuitsprekelijke tevredenheid. En,
+eigenlijk waarom ook niet? Waarom zou vuilnis vroolijkheid weren?--
+
+De koele rustplaats van den zanger was de vloer, die tusschen de palen
+van een héél hoog gebouwde rijstschuur als een soort van luchtige,
+naar alle zijden opene, tweede verdieping maakte, waar een weefraam
+de gewone plaats aanwees der vrouwen van het gezin, en, tusschen
+een sirihdoos en allerlei keukengerei, een vechthaan in zijn korf
+stond. De vloer van de rijst-bewaarplaats hield dit alles in de
+schaduw. Naar boven kijkende, zag ik daar iets bonts. Het waren
+aan weerszijden, naast de hoekpijlers der schuur, alleraardigste
+godenbeeldjes, opgesierd als dansers, en in een houding of zij juist
+wilden beginnen. Wat een vroolijkheid moet er in het hart van den
+beeldsnijder geweest zijn, toen hij zoo luchtig hun gevouwen kleeren
+schikte, en hun al dien mooien opschik aan hals en polsen gaf, en dien
+lach op het gezicht! Zijn naam, waarnaar ik vroeg, wist het echtpaar
+niet. "Ieder werkman hier kan zoo iets maken."--Gelukkig Bali!
+
+Voor afscheid brachten mijn geleiders mij naar de Godenhuisjes: enkel
+vierkante pilaren, met een nis er in, bij wijze van verblijf voor
+den god. In éen lag een tak blankbloemige tjempaka, tusschen witte
+en gelige lelies. Zeker was het de akkerman, die uit een bloeiend
+boschje buiten den ruiker had geplukt; en zijn huisgod aangeboden,
+met een gemurmeld: "Ik vraag zegen!"
+
+De lucht rondom was zoet van den geur.
+
+Een dag of wat later kwam ik terug in de stadswijk om een bezoek te
+brengen aan een aanzienlijk en zeer rijk man, een lid van de laagste
+der drie heerschende kasten, die der Wessya's, en als zoodanig den
+titel van Goesti voerend, die een beroemde collectie van Balische
+kunstvoorwerpen bezit, houtsnijwerk, gouden en zilveren vaatwerk,
+antieke wapens en zijden stoffen.
+
+Hij kwam mij tegemoet, gekleed als voor een feestelijken gang naar
+den tempel, in een purperen, met goud doorweven opperkleed, dat,
+van onder de armen in een plooienrijke slip afhangend, sleepte
+voor zijn voeten. Zijn handen, waarvan de linker nagels had van
+vier of vijf centimeter lang--kenmerk van den aanzienlijke die geen
+handenwerk verricht--fonkelden van de ringen. En hij had een kris
+in den gordel die in een gouden scheede stak, en waarvan de greep,
+een gouden godenbeeldje, kwistig versierd was met robijnen. Zijn
+zoon was maar weinig minder kostbaar gekleed. Met een trots dien
+zij verborgen achter glimlachende hoffelijkheid, toonden zij mij
+inderdaad vorstelijke schatten. Ingemetseld in den muur der voorgalerij
+(het huis is naar Europeeschen trant gebouwd) een beeldhouwwerk in
+djatihout, dat den strijd voorstelt van twee fabelachtige wezens, een
+draak en een gevleugelden leeuw, te midden van de opstrevende en in
+slingers afhangende takken van een fantastisch gewas. Daarna wapens,
+sedert onheuglijke tijden al erfelijk in hun geslacht, krissen, breede
+klewangs, lansen en speren, waarvan het kostbare versieringsmateriaal,
+ivoor, zilver, goud, edelgesteente, zoo kostelijk niet was als de
+fantasie die er de zonderlingste en schoonste voorstellingen in had
+uitgedrukt. Allerlei tempelgereedschap ook: schalen voor bloemen- en
+vruchtofferanden, bekers voor gewijd water, gouden horentjes, waarin
+de biddende de bloem steekt die hij tusschen saamgelegde vingerspitsen
+opheft naar de nis van het godenhuisje. Ten laatste zijden stoffen,
+waarvan sommige met goud- of met zilverdraden doorweven waren,
+andere een teekening vertoonden van zeer zacht in elkander overgaande
+kleuren, en andere weer motieven van bloemen, vruchten en vogels. Dat
+alles was het werk van de vrouwen der familie. "Zij doen niet anders,
+hun geheele leven lang," zei de Goesti. Het was den meisjes, die nu
+werden binnengeroepen, aan te zien, dat zij met zulk prachtig werk
+stilzittend hun leven doorbrachten. Alles aan hen, hun gezicht,
+handen, hun bouw, hun houding, was fijn en ietwat zwakkelijk. Zij
+geleken maar weinig op die schoone sterke vrouwen uit de volksklasse,
+die met een zwaren. last op het hoofd als dansende over den weg gaan.
+
+De meisjes brachten mij door het huis en over het geheele erf. En daar
+zag ik nu weer, in hoe andere vorm en verhouding dan ook, wat de vorige
+maal op het erf van den Soedra in de volksbuurt mij zoo getroffen
+had, de "innige vermenging" van vuil en kostelijk mooi. Zooals op
+het Soedraerf de fijne godenbeeldjes, midden tusschen de varkens,
+de modder en de lompen, zoo hier in het Wessya-verblijf gore bedden,
+groen uitgeslagen muren en als een korst van viezigheid, overal te
+midden van de gouden schatten en meesterwerken van oude sierkunst.
+
+De Goesti, die veel met Westerlingen omgaat, is zich klaarblijkelijk
+bewust van den indruk dien die vereeniging van dingen, in hún
+voorstelling onvereenigbaar, op hen maken moet. Hij kwam, wat hij
+wist dat mijn gedachte moest zijn, tegemoet. Terwijl hij mij de
+"feest-loods" toonde (de pendoppo van de Javanen), die verwonderlijk
+mooi versierd was met schilder- en beeldhouwwerk langs alle stijlen
+en onder het middelpunt van de als in stralen nederdalende zoldering
+een leeuw, die pauwen-blauwe vlerken uitspreidt, nam hij uit het
+vergulde lofwerk een bloem weg, die al half kleurloos was geworden
+en, wormstekig, afbrokkelde. "Wij maken mooie dingen, maar ze
+onderhouden, dat doen wij niet." Ik vroeg waarom? De vraag bleek
+lastig. Het voorhoofd fronsend, bracht de Goesti zijn langgenagelde,
+zwaar beringde linkerhand aan de kin. Eindelijk:
+
+"Zoo is het," zei hij. "Zie een huis als dit, waarin vroeger de broeder
+van den Radja heeft gewoond: het is kostbaar; het vervalt. Zie den
+dorpstempel, waarvoor wij allen zeer veel geld hebben opgebracht,
+en dat gaarne, en meer, velen van ons, dan wij volgens den aanslag
+behoefden te geven, want een Baliër eert de goden met vreugde. De
+dorpstempel is een meesterwerk van onze bekwaamste bouwmeesters
+en beeldhouwers. Ook de dorpstempel vervalt. Wij láten hem
+vervallen. Waarom? Ik ben een Baliër, en ik weet het niet."
+
+En ineens ontplooide zich zijn voorhoofd en hij begon uit volle borst
+te lachen.
+
+"Zóó zijn wij Baliërs!" riep hij, "zoo zijn wij!"
+
+Ziedaar.
+
+Er zit niet anders op, dan zich er in te schikken.
+
+
+
+
+
+Rijst en rijstbouwers
+
+
+Wie van Singaradja naar het aardige heuveldorp Gitgit gaat, volgt
+een weg tusschen rijstvelden door. Zij liggen, blank als licht
+kabbelende vijvers langs de helling, hier, ginder beginnen zij al te
+sprieten. Op plekken staan zij, flonkergroen, vol in den halm en het
+dunne zilverwaasje begint er al over te komen van den opengaanden
+bloesem. De weg klimt slingerend, voorbij grauwe dessa's, leemen
+huizen met rieten daken achter een hoogen leemen muur, die tegen
+week worden en wegspoelen onder stortbuien beveiligd is door bossen
+slordig er over geworpen alang-alang; voorbij bonte tempelpoorten,
+door grijnzende monsters bewaakt, die uitpuilende oogen hebben en
+slagtanden en vlerken aan de schouders; voorbij pasars, waar koopers
+en verkoopers aan een warong koffie zitten te drinken: onderwijl
+staan hun korven met vechthanen in de schaduw, en tegen den kant
+van den weg liggen, in wijdmazig bamboe-vlechtsel, een soort fuik,
+waarin zij door twee man naar den pasar gepikoeld zijn, knorrende
+zwarte varkens. Allerlei marktvolk komt den steilen weg af, koopwaar
+vervoerend op grobaks en op pakpaardjes, dragend aan het juk, dragend
+op het hoofd. Jonge, ranke kerels drijven goudkleurig vee voor zich
+uit. Een oud wijfje wandelt met een varken, dat zij een touw om het
+lijf heeft gebonden. Een geheele rij vrouwen komt er aan met kruiken
+sagoweer op het hoofd, zakken ketela, groente, rijst, stapels kains en
+sitsen goed, en zelfs levende biggetjes, die worstelend tegen het touw,
+waarmee zij aan elkander en aan den vierkanten draagbak vastgesjord
+zijn, zwarte snuiten in de hoogte steken en wijdmuils schreeuwen,
+terwijl de draagster onbekommerd voortloopt met haar lichte, sierlijke
+schreden. De grauwe gehuchtjes, de tempels, de pasars komen er aan,
+staan even stil, zijn voorbij, de marktgangers haasten de steilte af,
+den klimmende tegemoet, en zijn verdwenen, maar altijd door blijven de
+rijstvelden, blanke, gespikkelde, flonkergroene, zilverig overwaasde
+rijstvelden. De hellingen zijn er mee bekleed. De toppen flikkeren er
+van. Het kleine gemurmel van de watervalletjes, die van elk hooger
+gelegen naar elk lager gelegen veld afsuizelen over de dijkjes,
+is héél zacht te hooren onder het bruisen van den aanstrijkenden
+bergwind door, die de stijfbladerige palmen ontroert. De reuk van de
+bloeiende rijst maakt de lucht zoet.
+
+Gitgit ligt vrij op een rondom van dal en diepte omgeven top. Bij de
+pasanggrahan, half weggescholen onder een groep zware kanariboomen
+ligt, midden in een tuin waar frisch de rozen bloeien, een luchtig
+tuinhuisje, aan den uitersten rand der steilte. Daar vandaan ziet
+men, van de donkere bergen in het Zuiden en Oosten afhellend naar
+de Noordelijke zee, het geheele wijde land liggen; en van de bergen
+tot de zee is het groen van rijst. De barre steen en het zilte water
+enkel zijn zonder dat schitterige groen, waar het geheele menschenleven
+van het eiland van groeit en gedijt.
+
+De Baliër is er trotsch op, dat op zijn eiland meer en betere
+rijst groeit dan op Java, overigens voor hem het land van alle
+voortreffelijkheden, en dat zelfs Javanen naar Bali komen, om zijn
+wijze van rijstteelt te bestudeeren. De irrigatie hier is eene
+voortreffelijke. Het land is zeer steil en bergachtig, de rivieren
+loopen snel en driftig door diepe ravijnen, en de taak om het water
+te vangen en gelijkelijk te verdeelen over de velden, was dus een
+zeer moeilijke. Dat de Baliër haar zoo goed volbracht heeft, dankt
+hij aan de eendracht die ook hier macht is. Van den beginne aan is hij
+te werk gegaan in vereeniging met kameraden, en aan twintig, veertig,
+vijftig mannen viel gemakkelijk, wat voor een enkele onmogelijk ware
+geweest. De landbouw hier berust op coöperatie. Eigenaars van sawahs
+(dikwijls zij, wier velden uit een en dezelfde leiding het water
+ontvangen), sluiten zich aaneen tot een vereeniging, eenigermate
+vergelijkbaar bij onze oude waterschappen, die alles regelt wat op
+den rijstbouw betrekking heeft.
+
+De "Soebak" stelt den tijd van bevloeien, ploegen, planten, oogsten
+vast. Hij bepaalt de hoeveelheid water waarop ieder akkerman recht
+heeft; hij houdt het toezicht op dammen, tunnels en leidingen; hij int
+bijdragen en stelt het door ieder verschuldigde vast; en het recht van
+boete-heffing geeft hem het middel, zich te doen gehoorzamen. Als een
+oogst mislukt, wordt door den Soebak een onderzoek ingesteld, om uit
+te maken of nalatigheid van den landman zelf soms schuld is daaraan. De
+vergadering beslist bij meerderheid van stemmen. Wordt de boer schuldig
+bevonden, dan moet hij niet alleen het volle belastingbedrag, over een
+goeden oogst verschuldigd, betalen, doch een boete op den koop toe. Al
+de Soebak-leden om de beurt maken deel uit van het bestuur. Alle leden
+zijn gelijk voor zijne wetten; een lid van een der drie kasten heeft
+geen meerdere rechten noch mindere verplichtingen dan een eenvoudige
+Soedra (of om hem te noemen met den naam dien hij liever hoort,
+Kaoela). Wat, in het voorbijgaan gezegd, den hoogen ouderdom van deze
+volksinstelling bewijst, en haar kracht, waartegen de veroverende
+Hindoe-Javanen hun voorrechten niet hebben kunnen handhaven. Als vele
+andere voortreffelijke dingen in het Balische volksbestaan is ook de
+Soebak een erfenis der oer-Baliërs. De Nederlandsche regeering heeft
+het systeem volgens haar eigen lijnen uitgebreid; de Soebaks, waarvan
+de indeeling waar dat kon in overeenstemming is gebracht met den loop
+der rivieren, vereenigd in groepen, met ieder een eigen bestuur;
+en als hoofd van al de groepen in een landschap een ambtenaar met
+uitgebreide bevoegdheden aangesteld, die den alouden titel voert van
+"Groot-Soebakhoofd" Sedehan Agong. De Sedehan Agong van Boeleleng,
+een man van kunde en rusteloos-ijverig, heeft den rijstbouw in het
+landschap opgevoerd tot een nieuwe hoogte. De Javaansche deskundigen
+komen bij hem in de leer.
+
+Op dit oogenblik is, in het grootste gedeelte van de vlakte, de
+rijstbouw begonnen. Ware ik een paar weken vroeger gekomen, ik had
+het feest kunnen bijwonen van het herbeginnende landbouw-jaar, het
+wed-ploegen. Nu moest ik me tevreden stellen met de beschrijving die
+de Sedehan Agong er mij van gaf.
+
+Eerst wordt een optocht gehouden naar den Soebaktempel midden in
+het veld, die aan de Rijstgodin, Dewi Sri, is gewijd, en naar het
+offerhuisje,--enkel een vierkante baksteenen pilaar, met een nis
+er in--van den Watergod, om beider hulp en zegen te vragen voor
+het beginnende werk. Dan komen de boeren op een groot veld bijeen,
+ieder met zijn ploeg en zijn span stieren. De beesten zijn prachtig
+opgesierd; sommige met een bekleedsel van uitgeslagen, beschilderd en
+verguld leer, in den trant van de ornamenten die wajang-spelers dragen,
+allen met groen en bloemen. Zij dragen geweldig groote houten klokken
+om den hals, van anderhalf tot twee voet breed, die een klank geven
+als van een gong, en die hen dwingen den kop hoog te dragen. Het
+is de trots van den eigenaar wanneer de stier ook den staart hoog
+draagt bij het ploegen, in het verlengde van den rug gestrekt, en
+dan met een hoek naar beneden gebogen. Voor een mooi span wordt tot
+vierhonderd rijksdaalders toe gegeven, (om te rekenen als een Baliër,
+die niet anders kent dan een Chineeschen duit en een Hollandschen
+rijksdaalder). Zulk een hartstocht heeft de Baliër voor mooi vee. Als
+dan de groote goudgele prachtig-opgetuigde beesten langzaam voorbij
+treden over het veld, met gespannen spieren den ploeg trekkend, dien
+de feestelijk-gekleede akkerman bestuurt, terwijl het gebeier van
+al die diepe houten klokken een heerlijke muziek maakt, dan viert
+de Baliër zijn verheuglijkste feest. Het ernstige, strak-belijnde
+Brahmanen-gezicht van den Sedehan Agong glansde terwijl hij er van
+verhaalde.
+
+Nu dan is het ploegen in vollen gang. Om 5 uur al gaat de boer
+met zijn span naar den akker; en met zijn beesten samen plonst
+hij door het zwalpende lauwe sawah-water tot elven toe. Dan is het
+siësta-tijd. Is het ploegvee een stieren- of ossen-span, dan keert
+het naar de dessa terug; maar karbouwen blijven in het veld om
+te baden in een poel. Met een touw aan de horens getuierd aan een
+paal in 't veld liggen de groote grauwe beesten daar als schepen
+voor anker. Zij verroeren zich niet, uren achtereen; het water
+rimpelt boven hun gelijkmatigen ademtocht. De ploeger ligt niet ver
+van zijn vee in het gras langs den weg, of op de bale-bale van een
+wachthuisje. Zijn kinderen brengen hem zijn middagmaal, rijst met een
+droog vischje, een gezouten ei, wat scherpe toespijs, en allicht een
+portie varkensvleesch. Misschien brengen zij ook een kruik water mee
+uit de nieuw aangelegde leiding. Maar, zoo niet, dan weet hij toch
+wel aan een dronk te komen. In den sawah-plas staat vastgemetseld
+een groote filter, een gefatsoeneerd en uitgehold rotsblok. Het water
+siepelt van buiten naar binnen. ("Zooals bij de filters van Pasteur"
+verduidelijkt de dokter djawa). Hij treedt naar den filter, doopt er
+zijn kruik in en laat ze vol-klokken; en het hoofd achterover giet hij
+zich den straal recht in de keel eerst, over gezicht en borst dan;
+gedrenkt, druipnat, water van buiten, water van binnen, staat hij
+als een plant na den regen te glanzen van sap en frisschigheid.
+
+'s Middags werkt hij niet met zijn vee; met de spade bearbeidt
+hij de hoekjes en zoomen, die met den ploeg niet te bereiken zijn
+geweest. Hij zorgt dat de twee Soebak-inspecteurs niets te berispen
+zullen vinden als ze straks voorbij komen op hun ronde. Als de rijst
+uit de kweekbeddingen is overgeplant, (anders dan elders is dat hier
+mannenwerk), heeft hij vooreerst vacantie. Alleen geregeld wieden is
+noodig en het onderhoud van de dijkjes. Het neemt weinig tijd. Hij
+heeft de dagen vrij voor zijn geliefkoosd spel van hanen te laten
+vechten. Nu al zijn velen zoo ver. Op den grooten weg--mijn kamer
+in de pasanggrahan ziet er op uit--zie ik den geheelen dag mannen
+voorbij drentelen met gekooide vechthanen; en in de feest-loods,
+en in alle warongs en pasar-schuurtjes langs de wegen zitten ze
+in groepen bijeen. Zij wedden met hartstocht; men zou zeggen, met
+verwoedheid, als zulk een woord paste bij een Baliër. Een oude inwoner
+van Singaradja, goed van inlander-zaken op de hoogte, verzekert mij
+dat een gewone Soedra-boer op een enkelen dag soms tot twee, drie
+honderd gulden verliest. Hij wedt met handenvol rijksdaalders. Dat
+trekt hij zich verder niet aan. Vandaag verloren, morgen gewonnen,
+denkt hij. En verder, is de geldschieter er goed voor; en verder
+zijn vrouw, die dan maar eens wat ijveriger moet zijn op de markt,
+en aan den weefstoel; en ten slotte, zijn rijstoogst, ook al is die
+al verpand en verkocht. Alles komt terecht op Bali, zoo lang er rijst
+is! En die is er altijd.
+
+Nu zelfs, terwijl in de vlakte pas de bouw is begonnen, zijn op de
+heuvels al velden rijp. De eerste oogst-processies gaan voorbij,
+muziek voorop, met bonte wimpeltjes aan bamboestaken en in het midden
+een verguld miniatuur-tempeltje op een baar gedragen. De vrouwen,
+die van al de landbouwverrichtingen aan den oogst alleen deelnemen,
+dragen sierlijke mandjes op het hoofd met offergaven van vruchten
+en bloemen. En hun stemmen klinken schel boven die der mannen uit in
+het feestgezang, dat Dewi Sri en al de goden van den akkerbouw prijst.
+
+
+
+
+
+Balische vrouwen
+
+
+Den geheelen dag van zonsopgang tot donker, en overal, behalve enkel
+en alleen in het veld, zijn hier bij menigte de vrouwen te zien;
+en altijd, arbeidende.
+
+Dat begint al voor dag en dauw. Tegelijk met het gekraai van den
+eersten haan is het getokkel te hooren van stampers in het rijstblok;
+op een erf, waar niemand anders nog beweegt, staan ongekamd en
+slordig in de kleeren, de vrouwen de rijst te stampen voor het maal
+van elven. De zon is nog niet boven de boomen, of in troepen al komen
+zij den weg af naar den pasar, op horden, in manden, in zakken en
+gevlochten nappen hun koopwaar op het hoofd torsend. Zij zitten den
+heelen dag achter het tafeltje van een warong, naast een draagbaar
+leemen oventje waarop boven een houtskool-vuur, de eene versnapering na
+de andere wordt klaargemaakt voor den gaanden en komenden man. Tegen
+zonsondergang kan men hen bij troepen vinden zitten rondom de steenen
+pijlers van de waterleiding; ieder op haar beurt vullen zij onder de
+kraan de groote zwart steenen potten, zoo zwaar, dat de eene de andere
+moet helpen bij het optillen, als zij die, boordevol, op het hoofd
+plaatsen. En het is al lang donker, en op zijn baleh-baleh ligt de
+akkerman zichzelven in slaap te zeuren met een of anderen eentonigen
+deun, als nog langs de dorpsstraat de dubbele tik van haar weefspoel
+klinkt, bij het licht van een pitje in een halven klapperdop vol olie
+heen en weer geworpen door de schering: de ijverige huismoeder doet
+af wat zij nog afgedaan kan krijgen van haar eindelooze taak om haar
+gezin in de kleeren te houden, met twee stel van alles voor ieder per
+jaar. En of het nu in het begin van het landbouwjaar is, wanneer ook
+de man zwaar werkt, of later in den tijd, wanneer hij er zijn rust
+en zijn genoegen van neemt, dat maakt voor haar geen onderscheid:
+zij werkt maar gestadig door.
+
+Maar het moet den Baliër niet gezegd worden, dat eigenlijk de
+vrouwen de harde werkers zijn op zijn eiland. "Wat verdient een
+vrouw? Misschien een kwartje op een dag!, niet eens genoeg dat zij
+er zelf van eten kan. Neen, die verdient en het werk doet, dat is de
+man. Hij werkt op de sawah!" Dat zij niet mee doet aan wat voor den
+Baliër het eigenlijke werk is, aan den rijstbouw, dat maakt de vrouw
+voor hem tot een minderwaardig wezen. En de minachting voor haar als
+zoodanig brengt het weer mee dat het werk dat zij wèl verricht, en
+alléén verricht, gekleineerd wordt. Dat zij veel meer verdienen moet
+dan een kwartje per dag, om haar gezin in stand te helpen houden,
+hier, waar de levensstandaard hoog is en ruim f 0.30 gerekend wordt
+voor den dagelijkschen kost alléén van een volwassene, behoeft geen
+betoog, te minder als men bedenkt hoeveel, in de tijden dat hij
+zelf weinig of niets verdient, een man op Bali noodig heeft voor
+zijn genoegens,--hanengevechten, dobbelen, opiumschuiven. Maar het
+komt nu eenmaal in zijn kraam te pas zijn vrouw en dus haar arbeid,
+voor niets te tellen.
+
+Een Balische vrouw is voor een Balischen man geen mènsch; zij is een
+ding, dat hem behoort zooals andere dingen hem behooren, en waarmee
+hij doen kan wat hij wil.
+
+De eerste eigenaar van een vrouw is haar vader. Hij telt haar niet mee
+onder zijn kinderen; "kinderen" dat zijn alleen de zoons. Hij waardeert
+haar alleen,--dat echter nog al hoog--als een soort productie-middel:
+van arbeid eerst, van geld later. Het gaat een huisgezin goed, waarin
+veel meisjes zijn. Van hun vijfde of zesde jaar af werken zij. Niet
+aan wat wij huishoudelijk werk noemen--in een Balisch huis is voor
+"huishouden" geen gelegenheid, noch noodzaak; gekookt wordt maar
+eens per dag: gewasschen wordt nooit iets; een Baliër draagt zijn
+kleeren zooals ze zijn--of worden--tot ze hem, letterlijk!--van 't
+lijf vallen; zij werken aan geld-inbrengend werk. Kinders, die hun
+moeder nog niet tot aan het middel komen, loopen al achter haar aan
+mee naar de markt met een last groenten, hout en geweven goed op hun
+hoofdjes. Kinders van zes jaar zitten al aan den weefstoel en weven
+geruite kains. En ze zijn nog niet veel ouder als ze met koekjes aan
+den weg zitten en de duiten narekenen van hun klanten.
+
+Zijn ze volwassen, dan brengen ze een som inéens op, wanneer zij
+geschaakt worden, in werkelijkheid haar koopprijs, in naam de boete,
+die de minnaar voor zijn rooven van het meisje aan den vader moet
+betalen. Hoe mooier en van hoe aanzienlijker geboorte zij is, hoe
+hooger die prijs of boete.
+
+De schaking is er maar een voor den vorm, zij is met het meisje
+afgesproken, en iedereen, de vader incluis, is op de hoogte van de
+plannen van den "schaker" en het volkomen met hem eens. Daardoor wordt
+zij het eigendom van haar man, die nu op zijn beurt zooveel voordeel
+uit haar trekt als hij kan. Hij laat haar werken, zooals hij het zijn
+buffelspan en zijn mager paardje laat doen: eer meer dan minder. En
+zoomin als jegens zijn ploegvee en lastdier legt de Baliër-wet hem
+tegenover haar verplichtingen op. Totdat het Nederlandsche gouvernement
+paal en perk stelde aan zijn rechten over haar, waren zij onbegrensd:
+hij kon haar, om zijn schulden te betalen, verpanden of verkoopen; het
+kwam dikwijls voor bij in weddingschap-schulden geraakte liefhebbers
+van hanengevechten; hij kon haar, voor ontrouw, dooden, zonder dat
+iemand hem ter verantwoording riep. Dat hij haar verstiet, als 't
+hem in zijn hoofd kwam een andere te nemen, en twee tegelijk hem
+te lastig docht in huis, was iets dat vanzelf sprak. Het kon ook
+voorkomen--en het kwam werkelijk nog al eens voor--dat een meisje
+zich niet tot vrouw wou láten nemen, noch als zóoveelste, noch zelfs
+als eerste en voorloopig eenige. Dan werd zij, in ernst en meenens,
+geschaakt: met geweld. En tenzij zij bevrijd werd voor de roover met
+zijn handlangers haar het huis van een helper had binnengesleept,
+werd zij, door die daad van roof en geweld zelf, zijn wettig eigendom
+en tegen wil en dank zijn vrouw. Een boete, of eigenlijk koopprijs,
+viermaal hooger dan de gewone, werd voldoende schadeloosstelling voor
+haar familie geacht. Aan eenig recht van haarzelve dacht niemand. Een
+poging om zulk een recht geldend te maken en te verdedigen zou haar
+zelfs duur te staan zijn gekomen. Het is voorgekomen, dat de roover,
+door de bloedverwanten van het meisje achterhaald, haar doodde,
+liever dan haar los te laten. Een dokter-djawa in deze streek heeft
+eens een meisje te verplegen gekregen dat uit zeventien wonden
+bloedend op den weg was blijven liggen, toen de woesteling die haar
+geschaakt had op de vlucht ging voor haar bloedverwanten. Wonder
+boven wonder herstelde zij. Het is nog niet lang geleden dat een
+ambtenaar van het binnenlandsch bestuur, nu nog op het eiland,
+heelmeesters-diensten bewees aan een ander arm schepsel, die zelve
+zich had trachten te bevrijden uit den greep van haar roover, en
+wie hij in woede zijn kris dwars door de borst had gestooten. Zij
+stierf na ondragelijke pijnen. Behalve waarschijnlijk de moeder,
+trok niemand zich veel van het geval aan. Het Nederlandsche bestuur,
+dat de schaking-voor-den-vorm, als een volksgebruik en de wettige
+huwelijksvorm der Baliërs, erkent, heeft aan de echte schaking een
+eind, of zoo goed als een eind gemaakt, door bedreiging daarvan met de
+eenige straf waarvoor een Baliër werkelijk beducht is: verbanning. Het
+is een van de vele maatregelen, waardoor in den laatsten tijd de
+toestand der vrouw hier te lande eenigermate is verbeterd.
+
+Men zou denken, dat de ruwheid van zeden, die in zulk een
+verdrukking van de zwakkere zich uit, alleen kon heerschen onder de
+afstammelingen der oorspronkelijke bevolking van Bali, der Bali-aga,
+der "boschmenschen." Niets daarvan. Onder de op hun adel en oude
+beschaving zoo trotsche triwangsa is het niet anders. Ik vroeg een
+aanzienlijk en zeer rijk man, een Wessya, wiens vrouw en dochters
+als prinsessen gekleed gaan bij de tempelfeesten, van voorhoofd
+tot enkels overflonkerd van goud en gesteente, en bedreven zijn in
+allerlei prachtig en kunstig sierwerk, terwijl de meisjes, die school
+zijn gegaan, lezen en schrijven kunnen en vloeiend Maleisch spreken,
+behalve laag en hoog Balineesch,--ik vroeg den Goesti, of de vrouwen
+van zijn kaste in haar eigen huis en gezin eenig gezag hadden? Zijn
+verbaasde lach was als antwoord duidelijk genoeg. Degene dien ik
+een vorig maal zoo minachtend over vrouwenarbeid had hooren spreken,
+een kundig, en, naar Baliër-begrippen, fijn beschaafd man, was een
+Brahmaan. Zij hebben zelfs de hun toch stellig vreemde zede van de
+schaking-met-onderling-goedvinden aangenomen. Kort voor de vestiging
+van het Nederlandsch gezag is hier te Singaradja op klaarlichten dag
+een meisje uit de familie van den Radja geschaakt, wie, om het geval
+goed duidelijk te maken, de schaker een mand over het hoofd had gezet,
+zoodat het leek of zij blindelings en hulpeloos de vrouwen volgde,
+die haar aan de handen voorttrokken, den "roover" na en zijn woning
+binnen. De zoo naijverig bewaakte voorrechten van de triwangsa gelden
+in het geval van de vrouwen alleen tegenover het laag-geboren volk:
+tegenover hun mannelijke gelijken in rang zijn zij zoo al iets, dan
+toch zeer weinig meer dan tegenover den Soedra-man de Soedra-vrouw is.
+
+En niettemin! De Baliër-vrouw, de vrouw uit de volksklasse vooral, is
+een vroolijk, onafhankelijk zich gedragend, van lijf en geest krachtig
+mensch. Niemand kan haar aanzien en waarnemen in haar dagelijksch zijn
+zonder door die tegenstelling tusschen haar uiterlijke omstandigheden
+en haar karakter getroffen te worden. De druk zelf heeft haar weerstand
+tegen den druk gegeven. De harde arbeid heeft haar sterk gemaakt. De
+klein-handel, die geheel in haar handen ligt, en de gestadige omgang
+met die geslepen kooplui en geldschieters, Arabieren, Klingaleezen,
+Chineezen, heeft haar omzichtigheid geleerd en berekening en tegelijk
+zelfbeheersching en zelfvertrouwen. En het bewustzijn zooveel bij te
+dragen tot de welvaart van haar gezin vervult haar met een rustigen
+trots.
+
+Is het misschien een zijdelingsche erkenning van de rechtmatigheid van
+dien trots? De wetten van al die vereenigingen die het maatschappelijk
+leven van den Baliër beheerschen, van de dessa-vereeniging en den
+Soebak af tot den kleinsten "bandjar" toe, verbinden het recht van
+lidmaatschap aan den huwelijksen staat: geen vrouw, geen rechten. Een
+jonkman telt niet: een weduwnaar moet een vrouwelijke bloedverwant
+in huis nemen om als lid der dessa-vereeniging gehandhaafd te
+blijven. En ook de godsdienstige zede ruimt der vrouw plaats en
+rechten in naast den man. Er zijn vrouwelijke priesters, even hoog in
+aanzien als de mannelijke, en die denzelfden titel van pedanda voeren
+en gelijken dienst verrichten in de tempels. Aan de jonge meisjes,
+die de godsdienstige feesten met gezang en reidans opluisteren, is
+het vergund een vereeniging te vormen ter behartiging van haar eigene
+belangen. Ook vrouwelijke dokters--half heksen en waarzegsters, half
+kruidkundigen--staan in aanzien en goede verdienste. De practijk heeft,
+ook hier, de theorie verbeterd, en het leven de wet.
+
+De Balische vrouwen laten de wetten wetten zijn, en lachen het leven
+aan met haar heldere oogen. Zij weten wel waarom.
+
+
+
+
+
+Goesti Djilantik
+
+
+Hij is nog in leven.
+
+In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit hij als een stille
+toeschouwer bij de dingen, waarvan hij zoo lang de krachtige bewerker
+en beweger is geweest. In de dagen van de Lombok-expeditie klonk
+zijn naam tot in de verste hoeken van Indië en van Nederland. Nu
+is die een leeg geluid geworden. In de overgroote meerderheid wordt
+geen gedachte meer wakker bij dien klank. De enkelen echter, bij wie
+hij een herinnering oproept, zeggen: "De verrader!" Die hem kennen,
+en het best weten hoe zijn gedrag geweest is in 1894 op Lombok en in
+1906 te Karang Assem tegenover de Hollanders, in de jaren daartusschen
+tegenover zijn eigen volk, weten dat hij beter verdient dan smaad of
+vergetelheid. En als eens de geschiedenis hem herdenkt, zal zij hun
+eenparig oordeel moeten bekrachtigen en getuigen, dat Goesti Djilantik,
+door welke beweegredenen dan ook geleid, beiden, Nederland en Bali,
+het verlies van honderden menschenlevens heeft bespaard en dat het
+voor een niet gering deel zijn verdienste is, zoo het Balische volk
+gereedelijk en met goeden wil den weg is opgegaan, waarlangs het
+komen zal tot de zeer te wenschen ontwikkeling van zijn stoffelijke,
+verstandelijke en zedelijke krachten.
+
+Goesti Djilantik, die de stedehouder van Karang Assem is geweest,
+eerst onder den vorst van Lombok, toen onder de Nederlandsch-Indische
+Regeering, is de afstammeling van een Hindoe-Javaansch geslacht,
+waarvan de stichter omstreeks de helft van de vijftiende eeuw naar Bali
+kwam om het eiland voor den vorst van Madjapahit te veroveren. Toen
+deze, voor den Islam vluchtend, van het vermeesterde eiland zijn
+nieuw rijk maakte, gaf hij zijn veldoverste Karang Assem land in
+leen. De afstammelingen van Gadja Mada vergenoegden zich niet lang
+met het vazallenschap. Zij stonden op tegen de opvolgers van hun
+leenheer, de vorsten van Kloengkoeng, ontnamen hun groote stukken
+van hun gebied, veroverden het omliggende land, en waren vorsten van
+Lombok geworden toen omtrent 1700 de Oost-Indische Compagnie in deze
+streken zich trachtte te vestigen. Het was een Karangassemer dien
+Valentijn noemt als "den Coninck van Baly;" en een Karangassemer ook
+was die radja van Boeleleng tot wien de O.-I. Compagnie het verzoek
+richtte haar het monopolie te gunnen van die zeer voordeelige trafiek,
+den slavenhandel. Nu begon in den levensloop van het oude geslacht
+een nieuwe periode: de tijd van het geweld was voorbij, de tijd van
+overleg en list was begonnen. De Karangassemers moesten zien hoe zij
+de positie, die zij op de oorspronkelijke inwoners van Bali eerst en
+op hun Hindoe-Javaansche stamgenooten later veroverd hadden, nu op
+hun beurt handhaafden tegenover den veroveraar uit het Westen, die
+weer sterker was dan zij. Zij deden het door beurtelings voor hem en
+voor hun landgenooten partij te kiezen, aldus de politiek beginnend
+die hun late nazaat Goesti Djilantik ten einde zou voeren. Na den
+val van de Compagnie volgden zij tegenover de Nederlandsch-Indische
+Regeering dezelfde gedragslijn. Zij behandelden haar als gelijke. Dat
+werd hun mogelijk niet alleen maar zelfs gemakkelijk gemaakt door
+de Regeering zelve. Het was in de Jan-Saliedagen van het nieuwe
+Koninkrijk der Nederlanden. En toen daar een nieuwe kracht wakker werd,
+had die nog te zeer zich te weren tegen de overal haar belemmerende
+sleur binnen de eigen grenzen, dan dat zij in Indië, en nog wel in
+zulk een uithoek van Indië als Bali, de hand aan het werk had kunnen
+slaan. Het meeste wat op Bali verkregen werd was een contract met de
+vorsten der acht landschappen van het eiland; een contract waarmee de
+Nederlandsche Regeering een erkenning van haar oppergezag bedoelde,
+terwijl de Balische vorsten er niet anders dan een vriendschapsverbond
+in zagen,--bedrogen naar het wel schijnt, aangaande den zin van dien
+term souvereiniteit die in hunne taal niet over te zetten is: van
+Hoëvell althans verklaart dit in ronde woorden. [12] Der Regeering
+eerste poging om haar "rechten" geldend te maken deed den oorlog
+losbarsten. De Karangassemers volgden hun oude taktiek van "jagen
+met de honden en loopen met den haas." Maar ditmaal tevergeefs. Zij
+kwamen in het gedrang, moesten vluchten, en het hoofd van het geslacht
+verloor zijn rijk aan Nederland en zijn leven aan zijn eigen opstandige
+onderdanen. Karang Assem werd als loon voor bewezen diensten toegevoegd
+aan dat Lomboksche rijk dat vroeger van Karang Assem uit veroverd was,
+en waar nog een afstammeling uit het Karangassemsche vorstengeslacht
+regeerde. Deze zond twee van zijn neven--het waren broeders--als
+stedehouders naar het nieuwe wingewest. De twee broeders hadden een
+derden, zeer veel jongeren, zoon van een andere moeder, een kind nog
+toen zij, in '49, naar Karang Assem gingen. Een en dertig jaar later
+kwam die broeder, een man van veertig nu, uit Lombok tot hen gevlucht
+uit vrees voor zijn leven. De vluchteling was Goesti Djilantik.
+
+In de poeri levende van zijn oom, den radja van Lombok, had hij liefde
+opgevat voor een van diens dochters en de wederliefde van het meisje
+gewonnen. Nu was zij, als dochter van eene Ksatrya vrouw, de meerdere
+in kaste van Djilantik, wiens moeder tot de lagere kaste der Wessya
+behoorde en het huwelijk van een vrouw uit hoogere met een man uit
+lagere kaste is een misdrijf, waarop de Baliër-wet de doodstraf voor
+beiden stelt. De verhouding der twee werd ontdekt. Door overhaaste
+vlucht alleen kon Djilantik zijn leven redden, dat zijn vijanden, eene
+sterke partij in de poeri, eischten, ter voldoening aan de wet. De oude
+vorst was hem welgezind: misschien heeft die zijn vlucht begunstigd.
+
+In elk geval, hij liet het toe, dat zijn beide stedehouders in Karang
+Assem den vluchteling opnamen en hem als "poenggawa" het bestuur
+gaven over een deel van hun gebied. Tien jaar later stierf de eene
+der twee stedehouders. Toen stelde de radja Goesti Djilantik in zijn
+plaats aan. Bij den kort daarop gevolgden dood van den tweeden maakte
+hij hem zelfs tot eenig stedehouder van Karang Assem.
+
+Djilantik betoonde zich een wijs en rechtvaardig bestuurder. Anders
+dan vroeger zijn oudere broeder, dien het volk "Doeniet" noemde, nam
+hij de belangen van den kleinen man ter harte. Hij vergde geen zware
+heerendiensten; hij perste geen arbeid noch opbrengst van de velden af;
+hij was geen wedder bij hanengevechten; meisjes en vrouwen waren veilig
+in zijn gebied,--een zeldzaam iets in een land, waar maagdenroof niet
+voor misdrijf geldt, en waar, in sommige streken, de bevolking er toe
+gekomen is, haar dochters het gezicht te mismaken met sneden over de
+wangen, om hen te vrijwaren voor het lot, naar de poeri van den vorst
+te worden gesleept. Het volk van Karang Assem werd Djilantik's vriend.
+
+Zijn naaste bloedverwanten echter waren zijn vijanden. Zijn benoeming
+tot stedehouder had de rechten gekrenkt van de nakomelingen zijner
+beide oudere broeders. En in zijn grenzenlooze eerzucht had Djilantik
+den meest rechthebbende, den oudsten zoon van zijn broeder Poetoe,
+uit zijn weg geruimd door wat niet anders genoemd kan worden dan een
+zedelijke sluipmoord. De jonge man had zich schuldig gemaakt--als
+indertijd Djilantik zelf--aan kastevermenging. Zelf een Wessya
+zijnde--alle vorsten van Bali (met uitzondering slechts van die
+van Kloengkoeng, Bangli en Gianjar) behooren tot deze laagste
+der drie kasten, die gaandeweg de eigenlijke vorstenkaste, de
+Ksatrya, verdrongen heeft--had hij de liefde verworven van een
+Brahmanen-dochter. Zijn eigen vader liet hem, met het meisje te
+zamen, krissen. Maar die hem daartoe had overreed en aangezet,
+was Djilantik. Het is mogelijk de vrees voor weerwraak geweest,
+die Djilantik, met prijsgeving van de toch zoo brandend begeerde en
+met zoodanige middelen verkregen macht van het stedehouderschap,
+Bali deed verlaten, toen de oude radja van Lombok, zijn oom, hem
+een poenggawa-schap op zijn eiland aanbood, als loon voor de hulp,
+door Djilantik hem bewezen in een oorlog tegen de oproerige Sasaks.
+
+Daar begonnen de dingen, die den radja in botsing moesten brengen
+met de regeering. Djilantik kwam te staan waar sedert anderhalve
+eeuw zijn vaderen telkens gestaan hadden--tusschen landgenoot en
+vreemden overheerscher in het nauw. Hij deed als zij gedaan hadden,
+en als ten slotte toch ook natuurlijk is dat een zwakkere doet: hij
+trachtte tusschen beiden door te glippen. Den poenggawa's, die tot
+den oorlog dreven--want de machtige edelen waren de strijdlustigen,
+niet het volk, noch de oude radja, die stokdoof en zoo goed als
+verlamd, zelfs tot de gedachte aan vechten niet in staat meer was--den
+poenggawa's ried hij te wachten tot na het lijkverbrandingsfeest van
+zijn broeder, den ouden stedehouder van Karang Assem, die het vorige
+jaar was gestorven. Den Nederlandschen ambtenaar en bevelhebber der
+troepen verklaarde hij, dat geen oorlog te vreezen was: hij hoopte
+werkelijk dien met uitstellen, paaien en nogmaals uitstellen te kunnen
+voorkomen. Dat is zijn "verraad" geweest. Voor rechtvaardigheid is
+het woord te hard, al moet erkend, dat zijn houding geen volkomen
+eerlijke was. Dit echter is wel te onthouden: hij verzette zich tegen
+de oorlogspartij uit alle macht; hij verklaarde bij het eerste schot
+dat viel, met zijn twaalfhonderd Baliërs Lombok te zullen verlaten,
+en volvoerde dat voornemen; hij weigerde het radja-schap, dat nog op
+het allerlaatste oogenblik de poenggawa's hem aanboden, om hem tot
+blijven en deelneming aan hun strijd te bewegen. Natuurlijk niet uit
+"trouw aan het gouvernement," maar omdat zijn helder verstand hem de
+vergeefschheid toonde van den strijd tegen Westersche wapenen. Zooals
+hij het den poenggawa's had voorgehouden: "Wanneer het ei wil vechten
+tegen den steen, wie verliest dan?"--Te Karang Assem loerden zijn
+neven, Poetoe en K'toet, op hem. Hij vluchtte naar het gebergte. Toen
+bleek de vriendschap van zijn volk. Gewapenden waren opgeroepen om
+"een vijand van de vorsten" dood of levend terug te brengen: maar zij
+wisten niet, dat die vijand Djilantik was. Toen het hun gezegd werd,
+stieten de mannen hun lansen met de spits in den grond, ten teeken
+van hun weigering om hem te bevechten. De neven werden tot vergiffenis
+vragen en onderwerping gedwongen.
+
+Tien jaar later kwam de beurt die Lombok had gehad aan Bali: het
+Nederlandsch gezag, dat tot nog toe een naam geweest was, werd een
+werkelijkheid. Weder was het toen Djilantik die tusschen "het ei"
+en "den steen" zijn handen hield. Zonder hem had zijn neef Poetoe,
+de onverzoenlijke vreemdelingen-vijand, Karang Assem medegesleept
+in een met Bangli en Kloengkoeng gezamenlijk te voeren oorlog tegen
+Nederland. De wijze, waarop Djilantik dat voorkwam, was weer dezelfde
+die hij op Lombok had gevolgd: ter wille van het goede doel zoowel
+vriend als vreemde misleiden. Tegenover de Nederlandsche ambtenaren
+ontkende hij, dat eenige beweging gaande was; tegenover de poenggawa's
+eischte hij uitstel, met belofte van latere vrijheid tot handelen. Een
+groot godsdienstig feest, waarvoor al sedert drie jaren de vorstelijke
+familie zich voorbereidde, was het gereede voorwendsel. Het uitstel
+dat hij dus won was er een van een half jaar. De regeering maakte zich
+den tijd te nutte. Haar oorlogsschepen en troepen kwamen aan drie dagen
+voor het feest, waarop tienduizend gewapende mannen, tempel-gangers in
+schijn, oorlogvoerders inderdaad, met Poetoe aan het hoofd, verschenen
+zouden zijn. Djilantik's taktiek had verschrikkelijkheden voorkomen.
+
+Het moet den ouden man zwaar gevallen zijn; maar toen de vestiging
+van het Nederlandsche gezag op Karang Assem een eind maakte aan zijn
+levenslangen droom, de herwinning van het radjaschap, heeft hij bij
+het voldongen feit zich neergelegd, en den nieuwen staat van zaken
+zonder voorbehoud aanvaard. Meer dan dat. Toen hij er eenmaal van
+overtuigd was geworden, doordat hij met zijn eigen oogen het zag, dat
+de Westersche beschaving hemzelven en zijn volk verder zou brengen dan
+zij ooit op hun eigen wegen konden komen; dat bruggen over rivieren en
+ravijnen, wegen van het gebergte uit naar de zee, rijtuigen en paarden
+(er waren er geen hier, onder Hollandsch bestuur pas reed het eerste
+karretje over de eerste brug), dat stoomschepen, telegraaf en telefoon
+nuttige dingen waren, toen heeft hij zijn uiterste best gedaan om die
+aan Karang Assem te verschaffen. Toen hij aan zichzelven de uitwerking
+had leeren kennen van kinine en begrepen had wat hygiënische voorzorgen
+vermogen tegen velerlei ziekten, die onder dit ongeloofelijk-vuile en
+zorgelooze volk heerschen, heeft hij op een vaderlijk-listige manier
+zijn Karangassemers, wantrouwig en weerbarstig als zij waren, voor het
+geloof in Westersche wetenschap gewonnen. Zijn neef Bagoes, te wiens
+behoeve hij van het stedehouderschap afstand deed, heeft hij diezelfde
+denkbeelden ingeprent. En voor het opkomende geslacht gezorgd door den
+bouw uit zijn eigen middelen, met ruime hand verstrekt, van een school.
+
+Hij is vier-en-zeventig nu: maar oud naar het lichaam alleen: zijn
+geest is zoo krachtig en frisch als die van een jongen man. In het
+hol-wangige en door het verlies van de tanden klein geworden gezicht,
+waaromheen het haar, dat glad naar achter gekamd tot in den nek
+afhangt, een gitzwarten glans heeft, staan de donkere oogen vurig,
+bijna fel. Hij maakt levendige gebaren onder het spreken, als een
+echte Baliër, dien geen adat tot vormelijkheid kan bedwingen. Wat
+hij zegt, zegt hij met een zekere drift, alsof hij met zijn geheele
+persoonlijkheid voor zijn opinie instaat. En hij vraagt--vraagt
+veel--met de tot in bijzonderheden doordringende volharding en op
+de systematische wijze van wie iets nieuws volkomen begrijpen wil
+om het in zijn beschouwing van de menschen en het leven organisch
+te kunnen opnemen. Een antwoord neemt hij niet voetstoots aan: maar
+bewaart het tot hij het op zijn waarachtigheid heeft beproefd door
+vergelijking met het antwoord op dezelfde vragen door een anderen
+zegsman gegeven. Zelfs als hij zich een telefoon-toestel of een
+ontsmettingsmethode laat uitleggen, gaat hij op die wijze te werk;
+het Oosterlingen-wantrouwen blijft wakker, ook waar het niet behoeft.
+
+De beide malen dat ik gelegenheid kreeg hem te zien en te spreken,
+en het gesprek te volgen, dat hij, geruimen tijd achtereen en over
+verschillende onderwerpen, met anderen voerde, kreeg ik den indruk
+van een buitengewone persoonlijkheid. Wat zijn bestuur en voorbeeld op
+Bali tot stand hebben gebracht, zal, ten volle, pas de toekomst toonen.
+
+
+
+
+
+Bali als het land van Goden en Geesten
+
+
+In de voorstelling van den Baliër is zijn eiland het Land der Goden:
+en hij heeft het van hen in bruikleen. Zooals op Java de vorst
+de souverein van den grond is, zoo is het hier de godheid. Haar
+geldt de hulde en de dienst van alle menschelijke bewoners van het
+land. Haar raad wordt ingewonnen, haar hulp afgesmeekt, haar wordt
+dank betuigd, vergiffenis gevraagd, verontschuldigingen aangeboden,
+onder alle omstandigheden van het leven. De Baliër gaat met haar om
+als met een onzichtbaren doch alom tegenwoordigen en al-machtigen
+vorst, uit wiens handen hij alles heeft ontvangen wat hij bezit,
+en wien hij daarvoor dank, rekenschap en dienst schuldig is.
+
+In de theorie is deze zijn godsdienst een der ontelbaar vele vormen
+van het Hindoeïsme op Bali; immers vond het Javaansche Hindoeïsme
+een veilige wijkplaats toen het voor den Islam vluchtte die Java
+vermeesterd had. Maar een andere godsdienst leefde in de harten
+der Baliërs, toen de Javanen hier kwamen: het antieke Polynesische
+Heidendom. En onder den nieuwen invloed van het veroverende en hooger
+beschaafde volk bleef het oude zich handhaven, zooals, onder den vloed
+van zoet water aan een rivier-uitmonding in de zee het zilte blijft,
+en de groei van koralen en zee-anemonen diep in de donkerte. De
+machten door de oorspronkelijke Baliërs geëerd, de zon, de zee, de
+lucht, het water van meren en rivieren, de geheime kracht die het veld
+vruchtbaar maakt en de kudde, die allen worden, soms onder den naam van
+Hindoe-godheden, soms ook onder hun eigenen nog, tot op dezen dag toe,
+geëerd en gediend op het eiland. Het is een toestand zooals het Westen
+in de middeleeuwen kende, toen onder het officieele Christendom de oude
+Heidengoden een maar half hen verbergende wijkplaats hadden gevonden,
+en aan Maria offers werden gebracht zooals Freya er verlangde, en
+op Kerstmis met groote vuren en het slachten van vee het Winterfeest
+der sedert eeuwen al vergeten voorvaderen werd gevierd.
+
+De groote schoone tempels zijn gewijd aan de Hindoe-goden; Siwa wordt
+genoemd als de opperste van alle goden; de drie Hindoe-kasten, die der
+Brahmanen aan het hoofd, doen het Kaoela-volk, de Soedra-kaste, waartoe
+zij, de overwinnende Javanen, het oorspronkelijke Baliër-volk verlaagd
+hebben, bukken voor hun gezag; dooden worden verbrand en hun asch in
+zee of in een immers naar de zee stroomende, rivier geworpen, naar de
+zede der Hindoes. Maar niettemin meent de Baliër als hij Siwa zegt, de
+zon of de lucht, met Brahma het vuur, met Wisjnoe het water; niettemin
+heeft zich onder de Soedra's een afzonderlijke klasse gehandhaafd,
+afstammelingen waarschijnlijk van aloude aanvoerders-geslachten,
+die in een zekere mate deel hebben aan de voorrechten der triwangsa,
+zelfs aan het priesterlijke der Brahmanen-kaste; en er waren nog
+voor betrekkelijk korten tijd geheele dorpen op het eiland die hun
+dooden in het bosch neerlegden, en het wijwater der Brahmaansche
+priesters weigerden. Dit ook is klaarblijkelijk een revanche van den
+ouden godsdienst, dat niet de goden, maar de geesten, de "boeta's"
+in de eerste plaats, ontzien en geëerd worden. Als hun aanbidders en
+"landgenooten" zijn deze oude Heidensche goden tot een lageren rang
+neder gedwongen door den veroverenden Hindoe; monsters en reuzen heeten
+zij nu inplaats van goden. En zij moeten, "in effigie" voor de poort
+gezeten der tempels, het verblijf van hun overwinnaars bewaken als
+het Kaoela-volk de poeri van vorst en edelman. Maar met dat al hebben
+zij zich gehandhaafd in de harten, en niet van het Kaoelavolk alleen,
+maar van het kwansuis Hindoesche Javanendom even goed, en dat wel
+zoo krachtig, dat eerst de booze geest wordt gevleid en verzoend,
+voor de goede god wordt aangebeden.
+
+Want als boos stelt de Baliër zich alle geesten voor: misschien wel
+omdat zij verdrongen zijn uit hun eigen land en rechten? Hij probeert
+hen te paaien. Dat kost niet veel geld of moeite: een geestenhand is
+gauw gevuld! Een paar koperen duiten als men heel vrijgevig wil zijn,
+een kliekje eten, anders desnoods een paar bloemen, aardig op een blad
+geschikt, dat is al genoeg voor den dagelijkschen dienst. Natuurlijk
+bij groote gelegenheden komt er meer aan te pas. Als iemand ziek is,
+bijvoorbeeld, wat immers altijd de schuld is van een boozen geest,
+dan begrijpt een ieder, dat die geest al in een bijzonder booze bui
+verkeeren moet en dat er dus iets bijzonders gedaan moet worden om
+hem weer in zijn humeur te brengen, zoodat hij toelaat, dat de zieke
+beter wordt. Daarom worden bij epidemieën groote godsdienstige feesten
+gevierd, waarop de booze geest wordt voorgesteld onder de gedaante van
+een reusachtigen, rood-en-goud-geklauwden tijger, wiens woede bedaart
+door het gezang en den dans van prachtig gekleede kinderen. Hier in
+het Badoengsche, bijvoorbeeld, waar ik nu sedert eenigen tijd ben,
+heerschte verleden jaar de cholera. Toen gaf de poenggawa van Mengwi,
+die buitengewoon gezien is, omdat men hem voor zeer geleerd in geheime
+wetenschappen en eigenlijk voor een toovenaar houdt, zulk een feest:
+de tijger was een tijger, zooals hij bij zulk een voornaam heer past:
+hij had een gouden kop en een gouden staart, en zijn geheele lichaam
+was bedekt met pauweveeren. De dansers die voor hem dansten, de wierook
+die werd ontstoken, de instrumenten waarop muziek werd gemaakt,
+het was alles van het allerprachtigste. Tegen zooveel beleefdheden
+was de booze luim van den cholera-geest niet bestand. Het bestuur,
+dat rivieren en leidingen had doen desinfecteeren, zag dat het zich
+die moeite had kunnen besparen. Dadelijk na het feest te Mengwi nam
+de cholera af en na een korten tijd was er in heel Badoeng geen
+zieke meer. Zulke "verzoenings-feesten" hebben echter nooit meer
+dan een tijdelijke uitwerking. Het is noodig, daarom, de geesten in
+den waan te brengen van tijd tot tijd, dat er in het geheel geen
+menschen meer zijn op Bali, aan wie zij hun toorn en wrok kunnen
+koelen, dan blijven zij vanzelf weg. Voor een poosje althans. Dan
+wel is waar komen zij toch weer terug. Maar de Balische geestenleer
+ignoreert zulke kleinigheden. Een maal in het jaar daarom wordt de
+groote plechtigheid van het "Eenzaam Maken" gehouden. Met vreeselijk
+getier, geschreeuw, gegalm, met slaan op gongs en op houtblokken
+worden alle geesten uit hun schuilhoeken opgejaagd en mettervlucht de
+lucht ingedreven. Dan trekken de Baliërs zich terug in hun huizen en
+sluiten de dorpspoorten. Vier-en-twintig uren lang mag niemand zich
+op den weg vertoonen, mag geen licht schijnen, geen vuur branden,
+moet het geheele eiland verlaten lijken en leeg. Werken op de sawah,
+koopen en verkoopen op de markt, blijven gedurende verscheidene
+dagen nog verboden. Het gebruik, dat den nieuw opkomenden handel
+van den Pasar belemmerde, is voor deze streek onschadelijk gemaakt
+door een vaderlijke list van het bestuur; de Balische geesten, heeft
+het verklaard, hebben het alleen op Balische menschen voorzien; op
+Europeanen, op Chineezen, Arabieren en al het overige "Islam-volk,"
+slaan zij geen acht. Zijn er dus slechts geen Baliërs op den weg dan
+geldt voor de geesten Bali als ledig en verlaten, en zij vliegen ver
+weg van dat woeste land. Met die uitlegging hebben de Baliërs volkomen
+genoegen genomen. Nu blijven zij in hun huizen terwijl de handel
+zijn ongestoorden gang gaat, en beide partijen zijn tevreden. Het
+zal overigens misschien zoo lang niet meer duren of ook Baliërs--zij
+krijgen bij den dag meer belang en rechtstreeksch aandeel in den
+al levendiger wordenden handel--zullen er iets op vinden om mede te
+profiteeren van deze schikking met de geesten.
+
+Wat de goden betreft, die zijn goed en eischen geen offers ter
+verzoening, maar offers van hulde en dankbaarheid alleen. Die worden
+hun dan ook met genoegen gebracht. Geen erf of men ziet bloemen liggen
+in de "godenhuisjes" en een van bladreepen gevlochten versiersel voor
+de nis, naast de poort, van den "taksoe," den dienenden geest die
+als bemiddelaar optreedt tusschen menschen en goden; geen dag in het
+jaar of men ziet offeraars, feestelijk gekleed en sierlijke schalen
+vruchten en bloemen dragend, op weg naar de tempels. Er zijn er ten
+minste drie in elk, zelfs het kleinste, gehucht: de dorps-tempel, om
+zoo te zeggen het geestelijke gemeentehuis, waar alle openbare zaken
+behandeld worden, en tevens feesten gevierd en gasten--goden zoowel als
+menschen van elders--geherbergd; de tempel op of bij de begraafplaats,
+waar de dooden de verbranding wachten, aan de doodengodin Doerga
+gewijd: de tempel aan het strand, ver gelegen soms van het dorp,
+maar niettemin aan dat dorp behoorend, waar de goden der zee worden
+geëerd. Op grootere plaatsen wordt dat getal van drie een veelvoud van
+drie. Te Singaradja bijvoorbeeld, te Karang Assem en hier te Badoeng
+[13] zijn er tempels meer dan buurten en wijken. Zij vertoonen alle
+hetzelfde type: dat van het Balische erf in het groot en in het
+mooi. Rondom loopt een muur, bij de "armere" tempeltjes van klei,
+bij de "rijkere" tempels van steen; twee poorten, een op het Zuiden,
+een op het Westen, staan daarin open: uit den voorhof, waarheen zij
+toegang geven, leidt een derde poort tot het heiligste binnengedeelte,
+dat door een versierden muur, een soort steenen scherm, vlak achter
+die poort gebouwd, wordt beschut tegen den blik van voorbijgangers,
+juist zóo als de Baliër zijn huiselijkheid tegen den blik van den
+vreemde-op-de-straat beschut. In dat binnenste gedeelte staan
+de woningen van de goden, van de mindere, de Dewa's, en van de
+hoogere, de Batara's, die sierlijk zijn al naarmate de huizen van hun
+aanbidders dat ook zijn; soms enkel maar van bamboevlechtsel en in de
+zon gedroogden steen; soms gemetseld, en versierd met beeldhouwwerk,
+door steenen monsters bewaakt, gedragen op beschilderde en vergulde
+pijlers, en van deuren voorzien, een en al fijn gestoken werk, kleur
+en goud. De Chineesche invloed, die veel moois en ook veel leelijks op
+Bali heeft teweeggebracht, is hier een erg storend element; juist de
+mooiste tempels worden ontsierd door een optooiïng met porcelein. Het
+is begonnen, waarschijnlijk, met Chineesche borden en schotels, die
+althans op zich zelven mooi toonen, hoe leelijk dan ook als toevoegsel
+aan architectuur. Op het oogenblik echter zit allerlei grof goed in
+tempelmuren gemetseld; tot boeren-aardewerk van Regout toe, zooals
+het volk van de Gooistreek het koopt op de Hilversumsche markt, heb
+ik hier in het Badoengsche en in Mengwi gevonden. De soldaten van de
+expedities van 1906 hebben hier en daar, alle discipline ten spijt,
+geprobeerd de borden die hun de mooiste leken, uit het metselwerk te
+lichten, en in die poging alles doen barsten en breken. Nu, leelijker
+dan het was, kon het niet worden. Het is verdrietig om te zien;
+zelfs de prachtige Meradjan Kesiman, een vorstelijke familie-tempel,
+is geschonden door al die witte en bonte ronde plekken, als door een
+afschuwelijken uitslag. Er is een inspanning der gedachte noodig om,
+zelfs in de herinnering, daarover heen te komen.
+
+Naar die vele tempels, Balisch gebouwd, Chineesch versierd,
+door Hindoe-goden bewoond, gaan dag aan dag de honderden. De
+godsdienstige feesten van het Bali-jaar zijn ontelbaar; bij alle
+belangrijke familiegebeurtenissen wordt er een gevierd; evenzoo voor
+"den verjaardag" van het vee, van de wapens, van de vruchtboomen en
+tuinen, van de kunst van het lezen en schrijven. Ik had een geleerden
+Goesti op bezoek, onlangs, toevallig juist op "den verjaardag van het
+letterschrift," die mij dat denkbeeld poogde duidelijk te maken. "Dit,"
+zei hij, en lei zijn van ringen flonkerende hand op een brief, "dit
+noemt u letters: maar het is een Godin! en deze dag is de dag, waarop
+zij, voor eeuwen "uit haar moeder kwam." Daarom vieren wij haar heden
+met optochten, en niemand mag van morgen- tot avondschemering lezen of
+schrijven." Daarbij keek hij naar mijn pen of hij zeggen wou "het is
+u ook geraden dat maar te laten vandaag."--Behalve al deze algemeene
+feestdagen heeft elk dorp er nog bijzondere voor zijn eigen bijzondere
+goden--de bijzondere goden, in wie de oude beschermgeesten van den
+Heidentijd zoo licht te herkennen zijn. Zoodat van de 420 dagen van
+het Balische jaar er weinig zijn, of geen misschien, zonder den glans
+van een godenverheerlijkend feest; een optocht soms, met galm van gongs
+en bamboekokers; op andere keeren een dans van dessa-maagden en jonge
+mannen, of van kinders in de dracht van krijgslieden en prinsessen;
+een tocht naar het zeestrand om een wonderdadig beeld te baden;
+een pelgrimsgang, alle de tempels van een landschap rond, waarbij de
+meegedragen goden elkander bezoeken; en, altijd, een vroolijk maal aan
+de offeranden den goden aangeboden, waarvan de hemellingen den geur
+alleen tot zich nemen, de substantie overlatend aan hun aanbidders.
+
+En dat, offers en eerbewijs, is alles wat die goede goden den menschen
+afvragen; het is maar voor de leus, als, een heel enkele maal,
+eens wordt gerept van zedelijke verplichtingen. De goden-zelven
+nemen het onder elkander óók zoo nauw niet, als ieder wel weet,
+die de heilige verhalen kent. Een hulde-betoon dat op zichzelf een
+genoegen is; meer vergen zij niet. En in ruil daarvoor geven de milden
+een gelukkig bestaan op Bali en de eeuwige zaligheid in een hemel,
+die een verheerlijkt Bali is.
+
+Wat kan tegenover zooveel aangenaams, eenige andere godsdienst stellen?
+
+En wat wonder als niet één er in geslaagd is in eenigen getale
+belijders te winnen op Bali?
+
+
+
+
+
+Het verleden op Bali en de toekomst
+
+
+Aan den grooten weg van Dèn Pasar naar Mengwi, tegenover het schoone
+met Ganeça-beelden versierde torenkoepeltje van den "koelkoel" het
+holle houtblok, dat dreunend geslagen, uit mijlenverren omtrek al
+het volk oproept, daar ligt, modderig van nooit wegzakkende plassen
+en ruig overgroeid, de ledige plek waar eenmaal de poeri stond
+van den Radja van Pametjoetan; en de plaats is nog aan te wijzen
+van de poort, waaruit de vorst met al de zijnen, vrouwen, kinderen,
+bloedverwanten, volgelingen en slaven, dien vreeselijken uitval deed,
+den dood tegemoet, waarbij wie niet viel door de kogels van den vijand,
+stierf onder de lanssteken van den vriend, en vrouwen en kinderen
+elkander afmaakten met de kris. Aan deze en gene der vele tempels van
+den omtrek der stad is de schade nog te zien, door baldadigheid hier,
+bij ongelukkig toeval ginder, toegebracht aan muren en beelden. Men
+hoort nu en dan van leden der oude vorstenhuizen van Bandoeng, van
+Tabanan, van Gianjar en Bangli, die in ballingschap leven op Lombok,
+en geregeld bezocht worden door hun getrouwen. En men ziet een enkele
+maal in den dichten drom der toeschouwers bij een hanengevecht of
+een of andere wayang-vertooning, mannen die het litteeken dragen
+van een kogelwond of een lanssteek, en die, soms, ontvlucht zijn uit
+den massamoord van 1906, en soms de door ambulance en artsen uit den
+zieltogenden hoop geredden. Een ledige plek, verminkte tempelmuren,
+litteekens: dat zijn de eenige zichtbare herinneringen aan den
+grooten ommekeer die het verleden van Bali scheidt van zijn heden
+en zijn toekomst. In de gedachte van het volk is er, indien dat kan,
+nog minder van overgebleven. "De Baliërs denken alleen aan hun eigen
+belangen. Om hun vorsten denken zij niet!" Een Wessya, die met mij
+sprak over vroeger en nu, zeide dat met een zekere bitterheid. Hij
+sprak als edelman: de tijd van de vorsten was ook zijn en zijner
+gelijken tijd. Maar diezelfde woorden zouden op een anderen toon
+geklonken hebben uit den mond van een Kaoela. En als het geringe
+volk de vorsten vergeten is, dan komt dat, omdat het in de gelukkige
+natuur van den Baliër ligt het kwade spoedig te vergeten; van hun
+vorsten hebben zij zelden, indien al ooit, iets anders dan kwaad
+ondervonden. Goesti Djilantik van Karang Asem is een uitzondering;
+een alleenstaande mag wel gezegd; de overige Balische vorsten waren
+wat overal en altijd alleenheerschers zijn geweest: dwingelanden. Zij
+en hun volgelingen leefden van het kleine volk; en zij ontzagen het
+noch in zijn arbeid, noch in zijn eigendom, noch zelfs in zijn lijf en
+leven. Zij hadden honderd manieren voor éen om het bezit van den Kaoela
+tot het hunne te maken: belastingen en heffingen tot in het oneindige;
+vonnissen voor lichte overtredingen, waarvan verbeurdverklaring van
+veld, huis, vee en alle overig bezit het gevolg was; naasting van
+de erfenis van hen, die zonder zoons of allernaasten mannelijken
+bloedverwant overleden; willekeurige grensveranderingen, waardoor de
+sawah van een Kaoela plotseling de sawah van den vorst of van een
+zijner bloedverwanten of edelen werd. Het volk kon nog van geluk
+spreken als zijn radja enkel maar hebzuchtig was, en niet tevens
+wellustig en wreed. Er waren streken, waar de mannen hun vrouwen
+en dochters met kerven over het gezicht mismaakten, opdat de Radja
+hen niet zou doen oplichten en naar zijn poeri sleepen. Het is nog
+maar kort geleden, dat de stedehouders van Gianjar en Bangli bij
+verdrag met de Nederlandsch-Indische regeering afstand deden van
+het recht weduwen en dochters van zonder zoon overleden erflaters
+als slavinnen te nemen, evenals verstooten vrouwen door den man als
+slavin aangeboden. Het is bekend, hoe in 1903 de zoon van den pas
+overleden radja van Tabanan twee van zijns vaders vrouwen tot den
+"vrijwilligen" vuurdood op diens brandstapel dwong. Minder bekend,
+misschien, van welken aard de straffen waren waarmede de vorsten
+overtredingen der adat-wet of, evengoed, persoonlijke "beleedigingen"
+wreekten. Diezelfde Wessya, die zoo verontwaardigd sprak over de
+ontrouw van het Baliërvolk aan hun vorsten, verhaalde mij afschuwelijke
+bijzonderheden van terechtstellingen waarvan hij ooggetuige was
+geweest, nog in 1905--ik zal ze den lezer besparen. En het volk van
+Karang Asem spreekt nog met haat en vrees van den vorstenzoon K'toet,
+Goesti Djilantik's neef en doodsvijand, den zwaarlijvigen, vadsigen
+doe-niet, die zijn genoegen vond in folteren. Het is te begrijpen,
+dat het volk van Zuid-Bali, toen het, eindelijk, tot een botsing kwam
+tusschen de regeering en de inlandsche vorsten, die vorsten hun eigene
+zaak alleen liet uitvechten, en zich aan den vreemden overwinnaar
+gewillig onderwierp. Zij konden het nooit slechter krijgen dan zij
+het hadden; beter al heel licht. De uitzondering die Tabanan maakte,
+toen na de gevangenneming en den zelfmoord van den vorst en zijn zoon,
+een opstand uitbrak onder de aanvoering van eene zijner dochters,
+was een uitzondering alleen in schijn. De Radja-dochter gedroeg zich
+als een door de Godheid bezielde. Een dergelijk geval heeft zich
+nu pas in het Kloengkoengsche voorgedaan, op kleine schaal. Door
+een beroep op zijn godsdienstige gevoelens is de Baliër altijd te
+winnen. Maar zelfs toen lieten de meesten het bij offers en wierook,
+die zij aan de prinses en hare volgelingen aanboden als aan goden. Toen
+het op vechten aankwam, vluchtte het grootste getal ook van hen die
+haar gevolgd waren. De opstand was voorbij nog eer hij goed begonnen
+was, en de prinses, die vóor het eerste treffen al een toevlucht had
+gezocht in het gebergte, werd verlaten zelfs door haar bloedverwanten,
+die haar als Radja hadden beloofd te huldigen. De weinige gewonden
+zochten vertrouwelijk de ambulance op, om zich te laten verbinden,
+en de leiders boden, zonder eenige vrees, hun onderwerping aan bij
+de regeering: zij hadden aan de Godheid gehoorzaamd door te willen
+vechten; nu zij het verloren hadden, waren zij wel tevreden weer naar
+huis te mogen gaan. Het doorslaande bewijs van de eigenlijke gezindheid
+van den kleinen man in Bali werd het volgende jaar, 1908, gegeven door
+de bevolking van Gianjar: een optocht van eenige honderden kwam naar
+Dèn Pasar met het verzoek om uitbreiding van het rechtstreeksche
+bestuur over Gianjar. Hun verzoek werd niet ingewilligd: maar,
+langs een omweg verkregen zij toch wat zij verlangden, zekerheid van
+eigendom en leven. De eenigszins ingewikkelde toestand was deze:
+de vroegere Radja van Gianjar, de toenmalige stedehouder, was wel
+gewillig tot toegeven aan de rechtmatige eischen van het volk, maar
+hij dorst niet te handelen, uit angst voor een overmachtigen vazal,
+den Tjokorda van Oeboet. Die was, en is nog, een der rijksten,
+zoo niet de allerrijkste van Bali; door zijn schatten aan goud en
+juweelen, door zijn uitgestrekt grondbezit en door de menigte van zijn
+heerendienstplichtigen, schuldenaars, en volgelingen, vrijwillige
+en gedwongene van alle slag, had hij de werkelijke macht in handen,
+waarvan de Radja alleen maar den schijn bezat. En hij gebruikte die
+macht om een ommekeer van zaken te beletten, die hem er van berooven
+zou. De optocht der honderden naar Dèn Pasar echter was hem een
+waarschuwing. Hij besloot dreigende gevaren te voorkomen. En om niet
+de mindere te worden van andere rijksgrooten, bood hij de regeering
+zijn hulp aan bij het invoeren van nieuwe wetten en bepalingen, die
+hun aller macht evenzeer beperkten als zij het zijn eigene deden. Zoo
+heeft hij dus Gianjar van zichzelven bevrijd. Er is nu, in de practijk,
+geen noemenswaardig verschil meer tusschen den toestand van het volk
+van Gianjar onder het bestuur van den stedehouder, en dien van het
+volk in de rechtstreeks bestuurde landschappen.
+
+In het Badoengsche beter nog dan elders, kan men zien hoe goed reeds
+nu en met den dag nog hoeveel beter wordend, die nieuwe toestand is.
+
+Het bestuur is begonnen met het eerst-noodige: goede wegen en
+bruggen. Daar heeft eerst, natuurlijk, het volk veel tegen gehad:
+het is zwaar werk wegen te bouwen in de tropen: de diensten die zij,
+zonder betaling voor den vorst verrichtten, waren lang zoo zwaar
+niet geweest als deze nieuwe heerendiensten. Maar ten slotte kwam de
+ervaring die hun leerde dat zij met deze nieuwe heerendiensten ook
+hun eigen belangen hadden gediend. De cijfers van in- en uitvoer
+uit de voornaamste haven van Zuid-Bali, Benoa in Badoeng, zijn
+welsprekend. Een vergelijking van die over 1908 met die over 1911
+toont dat de invoer méér dan verdubbeld, de uitvoer bijna verdubbeld
+is: invoer 1908 voor een waarde van f 646,280; 1911 voor f 1,455,164;
+uitvoer 1908 voor f 1,141,781; 1911 voor f 2,179,209. Het verschil
+kon nog sterker zijn als niet oude sleur nog een groot gedeelte van
+den uitvoer, die van vee vooral, voortdreef langs de gewende hoewel
+slechte wegen naar de havens in Noord en West. Maar waarschijnlijk
+zal die gewoonte vanzelf wel uitsterven; te eer nu de nieuwe haven er
+komt te Serangan tegenover Benoa (eergister werd het Regeeringsbesluit
+bekend, dat den bouw toestaat) zoodat ook de al grootendeels gebouwde
+weg van Dèn Pasar naar zee, waarmee gewacht werd tot er zekerheid zou
+zijn omtrent de haven, nu voltooid zal worden. Vroeger was de handel
+voornamelijk het bedrijf van vreemde Oosterlingen, Chineezen vooral,
+die hier woonden als in de handelssteden van middeleeuwsch Europa de
+Joden, rijk, geminacht en altijd bedreigd met afpersing. Nu zal ook de
+Baliër zijn deel daaraan krijgen. Het begint al met de copra; in het
+Karangassemsche zag ik een kelapatuin die zijn eigenaar f 4000 winst
+opbrengt in 't jaar; de bewoner van een onaanzienlijk huisje hier
+te Dèn Pasar zeide mij gemiddeld f 13 per dag te verdienen met den
+verkoop van copra. Van regeeringswege worden inlichtingen verstrekt
+omtrent de beste wijze van bereiding. Er zal nog veel meer verdiend
+worden als de Baliër zijn vruchten den tijd tot rijpen laat, en enkel
+in de zon inplaats van op het vuur droogt. Het strenge toezicht op
+den veestapel en het verbod van uitvoer van de beste exemplaren,
+vroeger roekeloos aan Chineesche en Europeesche opkoopers afgestaan,
+hebben ook den veerijkdom vermeerderd. En de bemoeienis met den
+akkerbouw, den rijstoogst. Sedert de vaccinatie is ingevoerd, zijn de
+pokken verminderd, vroeger hier endemisch, zóó, dat het volk den tijd
+rekende naar de periodisch terugkeerende hevige uitbarstingen van de
+ziekte. De dwang tot althans een eerste begin van zindelijkheid werkt
+gunstig op den algemeenen gezondheidstoestand. Die voordeelen, die de
+menschen elken dag in de beurs en aan den lijve ondervinden hebben
+hen gaandeweg verzoend ook met wat hun in het begin hard viel. De
+heerendiensten trouwens zijn hier niet zwaar. Als er in de weinige
+jaren sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag al zoo zeer veel
+is verricht op Bali, meer dan in één van de Buitenbezittingen, dan
+komt dat door de veelheid der handen, die het werk licht maakte. De
+heerendienstplichtigen komen niet meer dan 40 dagen in het jaar
+uit: maar zij tellen bij duizenden. Zuid-Bali heeft een bevolking
+van gemiddeld 175 zielen op de vierkante mijl: 600,000 ruim in het
+geheel. Evenmin als de belasting in arbeid, drukt de belasting in
+geld hen zwaar: de landrente over het geheele zuiden van het eiland
+bedraagt niet meer dan ruim een half millioen. Eene andere belasting
+wordt in Zuid-Bali van inboorlingen niet geheven.
+
+Het beschavingswerk is, natuurlijk, nog pas in zijn begin. Het
+wegennet, moet uitgebreid over het geheele eiland: er moet gezorgd
+voor voldoende, zuiver drinkwater; voor middelen van verkeer, sneller
+dan de Balische "grobak;" voor uitbreiding van telegraaf en telefoon;
+voor scholen--de weinige die er reeds zijn, kunnen de aantallen van
+onderwijs begeerenden niet bergen--; voor geneeskundige hulp, die
+altijd door verlangd wordt door veel meer zieken dan geholpen kunnen
+worden. Zeker moet ook, op den duur, rechtsgelijkheid verkregen:
+de triwangsa, die over het algemeen niet meer dan 5 pct. van
+de geheele bevolking uitmaakt, geniet, ondanks alle sedert kort
+ingevoerde beperkingen, toch nog altijd groote voorrechten boven
+het Kaoela-volk, dat langzamerhand ongeduldig wordt onder dien door
+niets meer gemotiveerden toestand. Daarmee zou tegelijk de hardheid
+vervallen, waarmede kastevermenging wordt gestraft, zelfs nu nog,
+nu het Hollandsche bestuur de doodstraf van vroeger heeft vervangen
+door verbanning. En zoo is er nog veel begeerlijks, dat de Baliër
+het recht heeft van den Hollander te verwachten, om niet eens--als
+iets dat vanzelf spreekt--te noemen den plicht om den inboorling
+te beschermen tegen mogelijke verdrukking door de overmacht van
+het Europeesche kapitaal, als het zich eenmaal hier gevestigd zal
+hebben. Niemand kan ook de schoonheid aanschouwen van de Balische kunst
+in architectuur, tooneel en dingen van dagelijksch gebruik, zonder den
+wensch, dat alles beschermd moge blijven tegen ongunstige invloeden
+uit het Westen. Met die bescherming is gelukkig al een begin gemaakt:
+van den assistent-resident van Badoeng is een plan uitgegaan--en door
+alle poenggawa's van het rechtstreeks bestuurde gebied zoo goed als
+door de "zelfbesturen" is het met instemming aanvaard--om te Dèn Pasar
+een museum te stichten, een complex van gebouwen, dat een model van
+Balische architectuur en een schatkamer tevens zal zijn van Balische
+kunst. Elk landschap zal er zijn eigen gebouw hebben, in zijn eigen
+trant opgetrokken, waarin zijn eigenaardige stijl in voorwerpen van
+dagelijksch gebruik een uiting vindt en de voortbrengselen van zijn
+nijverheid tentoongesteld worden. Het zal geen doode verzameling
+wezen van allerlei en nog wat. De tempel, die erbij behoort, zal
+open staan, als elke poera; en het groote bad, de "pantjoeran,"
+wordt ingericht voor dagelijksch gebruik. De opbrengst van het voor
+verkoop tentoongestelde zal dienen voor onderhoud van het museum,
+waarvoor men vreemdelingenbezoek mag verwachten, zoodra wegen voltooid
+en een nu nog zoo goed als ten eenenmale ontbrekende gelegenheid tot
+verblijf tot stand gebracht zal zijn. En dat aldoor aanschouwde en
+door vreemden bewonderde voorbeeld van zijn eigen kunst zal, zoo mag
+men hopen, helpen om den Baliër te beschermen tegen navolging van
+uitheemsche wansmakelijkheden.
+
+Dit alles is zeer te hopen en zeer goed te bereiken ook: in het geheel
+geen onbenaderbaar ideaal. Maar er voor noodig is, behalve inzicht
+en goede wil, kracht: een kracht, die oneindig grooter moet worden
+dan zij nu nog is, om werkelijk iets blijvends tot stand te kunnen
+brengen. Er zijn hier mannen noodig en vrouwen ook, die hart hebben
+voor het werk der beschaving, het schoonste, dat de Westerling in het
+oude Oosten volbrengen kan, en het éénige dat zijn verovering en zijn
+tijdelijk bezit van des Oosterlings land rechtvaardigt.
+
+Mochten zij toch, en spoedig, komen!
+
+
+
+
+
+
+BORNEO
+
+
+Eerste indrukken van Borneo
+
+
+Aan boord van de Koninklijke Paketvaartboot zijn wij op weg naar
+Borneo: van Soerabaja naar Bandjermasin. Er zijn maar weinig passagiers
+in de eerste klasse, een half dozijn; op het derde-klasse gedeelte
+van het dek echter is het vol. Het geheele gezelschap der opvarenden,
+Europeanen en Oosterlingen te zamen, geeft in zijn bonte samenstelling
+ten naaste bij een begrip van de wordende maatschappij in het land
+waarheen wij op weg zijn.
+
+In de derde klas zijn het Maleiers, Javanen, Chineezen, Arabieren. De
+Javanen zijn grootendeels koelies, mannen en vrouwen, die op de vele
+rubberondernemingen gaan werken, met een contract voor drie jaar. De
+vrouwen hebben zich huiselijk ingericht, met matten, kussens, aarden
+potjes met eten en de welbeminde sirih-doos. Zij zitten en liggen
+op het dek niet anders dan ze het zouden doen in hun eigen huis op
+Java. De mannen zitten te rooken.
+
+De Chineezen houden zich afzonderlijk van de overigen en bij elkaar. Er
+zijn er verscheiden bij, die hun staart hebben afgeknipt, daarmee te
+kennen gevend, dat zij republikeinsch gezind zijn en eene geheel nieuwe
+orde van zaken toegedaan in het verre Chineesche vaderland, en ook in
+het tegenwoordige, het vaderland-bij-adoptie, Nederlandsch-Indië. Zij
+spreken gedempt en druk, misschien wel over de troebelen in Soerabaja
+van een dag of wat geleden, den onverwachten aanval van de lieden uit
+Macao op den kapitein-Chinees, en de houding van het Nederlandsche
+bestuur. Was de aanval werkelijk onverwacht? Er wordt onder Hollanders
+wel aan getwijfeld. Op de strakke gezichten dier druk en zacht
+sprekenden is niets te lezen. Zij konden het even goed over hun
+zaken hebben als over de gebeurtenissen in China en op Java. Het zijn
+kooplui. In Bandjermasin hebben zij landgenooten, dùs bloedverwanten,
+zakenvrienden, mede-leden van de groote nationale bonden, bij de
+vleet. Verder het binnenland in mogen zij zich voorshands niet
+vestigen. Officieel en in theorie. De practijk is rekkelijker.
+
+Van de inlanders, de Maleiers vooral, zijn er velen in Arabische
+dracht. Het zijn hadji's die de Arabische kleedij aangenomen hebben
+ten blijke van die vervulling van den oppersten godsdienstplicht,
+den pelgrimstocht naar Mekka. Voor een inlander--Javaan of Maleier--is
+die reis, behalve een daad van vroomheid, ook nog een pleizier-, een
+zaken- en een studie-reis. Hij spaart er jaren voor: hij maakt wat hij
+heeft te gelde, en steekt zich in de schuld om de plus minus f 300,
+die de reis kost, bijeen te krijgen. Hij weet dat het goed-belegd
+kapitaal is. Want hij, die in zijn dorpje gevegeteerd heeft tot
+nog toe, nooit komend buiten den engen kring van de pasars uit den
+naasten omtrek, hij zal nu de wijde wereld leeren kennen, en wat
+daar te koop is. En in de school van het sluwste handelaars-volk
+ter wereld zal hij begrip krijgen van handel en nering, en zich
+kunnen oefenen in die moeilijke kunst van het geldmaken, waarin
+de Arabieren in Indië hem zoozeer de baas zijn, en waardoor zij
+in goeden doen komen, terwijl hij, onwetende, arm blijft. Nog een
+voordeel voor den Mekka-pelgrim: zijn hadji-titel en zijn Arabische
+kleedij geven hem aanspraak op den eerbied van zijn geloofsgenooten,
+en op al de voordeelen die daarvan het uitvloeisel zijn. Van het een
+en het ander weet de hadji goed gebruik te maken. In de Inlandsche
+handelswijken van Soerabaja staat het "Hadji" op den gevel van
+een menigte winkels en werkplaatsen. De prauwen die de Brantas op-
+en afvaren tusschen de havens en het binnenland tot Kediri toe, met
+rijst, petroleum en allerlei toko-artikelen stroomop, met suiker
+van de vele fabrieken stroomaf, zijn haast alle het eigendom van
+hadji's, die prauwvoerders en sleepers in hun dienst hebben. En dezen
+hadji's aan boord, meest Bandjareezen en mannen uit het binnenland,
+terugkomend van een zakenreis naar Java, is de welvaart aan te zien
+aan zware gouden horloge-kettingen en dikke gouden ringen, waarin
+diamanten flikkeren. Er zijn, kennelijk, zaken te doen op Borneo.
+
+Ook de passagiers der eerste klasse zijn mannen van zaken; en ook
+dit kleine gezelschap is internationaal. Er is een Duitscher bij,
+een rubberplanter; een jaar of tien geleden heeft hij in moeras
+en oerwoud de onderneming begonnen waarop nu een duizend koelies
+werken, onder een staf van geëmployeerden van allerlei landaard. Zijn
+buurman aan tafel is een Engelschman uit Calcutta, àl te donker
+van tint en oogen en al te tenger van gestalte om voor een volbloed
+Engelschman te kunnen doorgaan. Hij komt, hoor ik, machines koopen
+voor een Engelsche maatschappij, die van een Duitsche een kolenmijn
+heeft overgenomen. Met de twee in gesprek zit een jonge Hollandsche
+ingenieur, die naar petroleum gaat boren. Namen van Hollandsche,
+Duitsche, Engelsche, Amerikaansche en Russische maatschappijen worden
+genoemd. Ik hoor van een paar Denen, die op een naburig eilandje een
+kolenmijn exploiteeren en voor het vervoer een contract hebben met
+een Japansche firma. Zoo komt, van uit alle vier de hoeken van de
+wereld, het kapitaal naar het nieuw te ontginnen land. Bandjermasin
+moet nu al een soort Kosmopolis zijn.--In 't voorbijgaan--hoe lang
+zal dat woord nog zijn tegenwoordigen klank, den klank van iets bonts
+en buitengewoons, behouden? Op een plek als dit Paketboot-dek, en in
+zulk een gezelschap, denkt men allicht: niet zoo heel lang meer! Men
+hoort met ooren, met ziet met oogen den keer der dingen, en het
+begin van een tijd waarin het burgerschap van een land tegenover het
+wereldburgerschap verdwijnen zal, zooals een vierhonderd jaar geleden
+het poorters-gevoel verdween voor het ontwakende nationaliteits-besef.
+
+Het begint al te donkeren. Wij naderen de monding van den grooten
+stroom, die van het bergachtige hart van Borneo uit naar de
+zuidelijke kust stroomt: de Barito. Aan haar zuidelijkste zijrivier,
+de Martapoera, ligt Bandjermasin.
+
+De invaart is hachelijk bij nacht, wegens ondiepten en banken van
+slib. Maar de afnemende maan geeft licht door een scheurend floers
+van wolken heen: de kapitein waagt het. Wij stoomen de Barito-monding
+binnen, breed als een zee-arm, dan Oostwaarts de Martapoera op. De
+dichte flikkering van lichtjes in de verte is Bandjermasin.
+
+Op de wandeling naar het hotel--rijtuigen zijn hier niet,--zie ik van
+de stad--of, om op zijn Indisch te spreken, van de "plaats,"--niet
+anders dan een gestadigen glans van water, waarop lichtjes flikkeren
+en weerkaatsing van huizen en boomen zwart tegen een flauw wit van
+manegloor ligt. Het hotel, een ware doolhof van gebouwen, gebouwtjes,
+overdekte galerijen, staat op palen. Inplaats van over paden loop
+ik over planken door den tuin. Door den kier van de vensterluiken
+zie ik alweer water. En een geluid van riemslagen en kabbeling van
+golven tegen een strevenden steven is het laatste wat ik, in halfslaap
+al, hoor.
+
+
+
+Den geheelen morgen ben ik aan en op de rivier geweest. Een vroolijke
+drukte als het daar is, een leven, een bedrijvigheid! De Bandjareezen,
+lijkt het wel, wonen op het water. Hun huizen staan langs den oever,
+maar meer in de rivier dan op het land. Als men de winkelbuurt doorgaat
+denkt men aan een gewone stad: daar is een breede, goed onderhouden
+straat; daar staan in regelmatige rij de huizen,--groote Chineesche
+winkels, pakhuizen, werkplaatsen, de loodsen van den pasar. Maar men
+kijkt wat verder naar binnen in het half donker van die in de diepte
+gebouwde huizen: daar gloort licht: door een wijd openstaande poort
+komt zonneschijn naar binnen en de spelende glans van water, het
+bruine dak van een prauw glijdt voorbij. En als men den hoek van de
+straat om slaat, staat men opeens voor de volle breedte van de rivier,
+en daarlangs, langs de breede waterstraat, staan de achtergevels
+van de huizen hoog op palen, en loopplanken, bruggetjes, steigers,
+dobberende vlotten maken als het ware een smalleren weg, een soort
+"kleine steentjes" er langs. Hier, niet aan de voorzijde, is de
+eigenlijke drukte. Bij dozijnen liggen de sierlijke prauwen--lang,
+zwart, smal, als Venetiaansche gondels rank gebogen met hoog
+opstaanden en versierden boeg--naast elkander gedrongen, voor de
+aanlegplaatsen. En koopwaar wordt in en uit gedragen. Sommige van
+die groote prauwen--ze zijn een twintig meter lang, op het oog--zijn
+zelf winkels: als een wand die van den vloer tot aan het dak reikt,
+staat over de geheele lengte in het midden van de prauw een dubbele
+winkelkast; in de hokjes ligt Europeesche exportwaar opgestapeld:
+blikjes, sigaretten, lucifers, leerwerk, snuisterijen, garen en band,
+manufacturen van alle slag. De koopman zit naast zijn druipenden riem;
+de klanten komen er aangeroeid, klampen den drijvenden winkel aan, en
+laten zich hun begeer binnen boord reiken. Dat is misschien een stapel
+bont sarong-goed, recht uit Twenthe; kant opgeklost op een blauw stuk
+karton waarop in groote letters "Made in Austria;" Engelsch shirting;
+Britsch-Indische zij. Er wordt aangeprezen en afgedongen. Een prauw
+scheert weg, twee andere komen er aan.
+
+De rivier is er vol van: woonprauwen, winkelprauwen, vrachtprauwen,
+prauwen vol rijst, prauwen vol vruchten, prauwen vol kippen en
+snaterende ganzen. Tusschen de groote vaartuigen door schieten
+bij dozijnen de kleintjes,--uitgeholde boomstammen, waar de roeier
+achterin zit, terwijl de boeg even opgetild staat boven het water:
+als waterspinnen zoo vlug en nukkig schieten zij met korte sprongen
+vooruit. Midden op de rivier zwoegt een stoombootje; een eindelooze
+sleep vrachtprauwen hangt er aan. Ik tel er honderd en zie onduidelijk
+in de verte, nog een menigte meer. Geweldige houtvlotten drijven
+stroomaf. De stammen zijn aan elkander vastgesjord tot een vloer;
+een huis staat er op; een heel gezin woont daar. De kinders loopen te
+spelen en de moeder, aan den kant van het vlot gehurkt, spoelt kleeren,
+terwijl de man en de zoons het drijvende erf tusschen schuiten en
+prauwen door boegseeren, voorzichtig dat het niet tegen de straat
+van steigers aanbonkt. De geweldige stammen komen uit de bosschen
+van het binnenland. En daarvandaan komt ook de sago en de rotan,
+en de djeloetong en de copal, en de damar, die de stoombootjes
+van Chineesche handelaars en de schepen van de Paketvaart, van de
+Borneo-Sumatra en van de Borneosche Industrie-Maatschappij, die de
+ontelbare honderden prauwen en bootjes met rustelooze bedrijvigheid
+aanvoeren. Men hoeft de tot zinkens toe geladen vaartuigen maar te
+zien, om te begrijpen, dat er nog veel meer noodig zouden zijn voor
+een behoorlijk vervoer. En dat, wederom, als dat vervoer er eenmaal
+was, de overvloed van producten nog grooter zou worden.
+
+Borneo is pas in het begin van zijn ontwikkeling. Wat er van worden
+zal, is nog niet te zeggen: maar vast en zeker, iets overweldigend
+groots. En de Barito in het Zuiden, de Mahakam in het Oosten, de
+rivier van Pontianak in het Westen zijn voor dat nieuwe leven de
+stuwende straten.
+
+
+
+
+
+Stroomopwaarts het binnenland in
+
+
+Sedert van ochtend halfacht zijn wij op weg naar het binnenland,
+stroomopwaarts langs de Barito. De tocht begon in een "tambangan,"
+die ons van den oever naar het diepe midden bracht van den stroom en
+naar den kleinen stoomer, die daar lag te wachten om de reis de Barito
+op te beginnen. De "tambangan," de rank gebouwde, sierlijk gedaakte
+Borneaansche gondel, is het nationale vaartuig bij uitnemendheid,
+en tevens het kostelijkste bezit van den Inlander. Een gezin dat een
+tambangan heeft, is er goed aan toe. Met de tambangan wordt gevischt,
+vracht gevaren, handel gedreven de vele riviermarkten langs, wordt
+overgezet, worden reizigers vervoerd op dagenlange tochten. Een
+prauw van de grootte van die, waarin wij vanochtend geroeid werden,
+kost vijfhonderd gulden. Meest is zij een familie-erfstuk: het
+taaie ijzerhout van haar kiel houdt het een dertig jaar uit. De
+eigenaar behandelt haar met zorg, en met iets wat wel haast liefde
+mag heeten: ongeveer als een Hollandsch keuterboertje zijn eenige
+koe. Men hoeft hem maar bezig te zien, om dat te begrijpen. De wijze
+waarop deze booten geroeid worden, is een aan de bij ons gebruikelijke
+recht tegenovergestelde: de roeiers zitten met het gezicht naar den
+steven, en slaan de riemen van voren benedenwaarts naar achteren,
+zoodat zij vooruit komen door het water van zich weg te duwen, zooals
+een vliegende vogel de lucht van zich wegduwt. De stuurman, die als
+hoofd van de bemanning der boot met "tambangan" wordt aangeroepen,
+staat of hurkt achterop: staat hij, dan kijkt hij over het dak
+van het gondelhuisje heen; gehurkt, houdt hij door een driekant
+venstertje in den achterwand den koers in het oog. Nooit, nergens
+laat hij de prauw aanstooten. Ik verbaasde mij er over hoe vlug en
+veilig de onze, een smallen gladden visch gelijk, heengleed door de
+dichte scholen van vaartuigen waar de rivier donker van zag. Bij de
+gewone verkeersdrukte had de Paketvaartboot het vertier van laden
+en lossen aangebracht: en in den nacht was er een schip aangekomen,
+met een paar honderd Mekka-gangers aan boord, wien nu geheele zwermen
+verwanten, vrienden en vereerders tegemoet kwamen varen. De stroom
+geleek een drijvende stad, met allernauwste straten. Maar zonder
+aan een van die honderden her- en der-schietende, riemen reppende
+bootjes, zwaargaande vrachtprauwen, schommelende houtvlotten zich te
+schrammen of te schuren, zonder een hort of een stoot, stuurde onze
+tambangan naar de stoomboot. Zij voer weg: en langs ons heen gleed
+aan weerskanten der rivier de waterstad voorbij, schepen die drijvende
+huizen, huizen die vastgemeerde schepen, straten die kanalen zijn. Over
+plaatsen waarom lang en fel gevochten is, voeren wij daar. Van de
+eerste jaren van vijftienhonderd af hebben Spanjaarden, Portugeezen,
+Hollanders, Engelschen met de inboorlingen en met elkander gestreden
+om het bezit van de rivier. Wij lezen hoe de Engelschen een faktorij
+bouwden op een vlot; en later een sterkte op palen; en hoe het volk,
+dat zij door hun aanmatigenden trots verbitterd hadden, eindelijk tegen
+hen opstond en met zulk een woede hen aanviel, dat zij zich moesten
+redden op de schepen en dat diegenen, die het leven er afbrachten,
+op de vlucht naar Batavia hun heil moesten zoeken. Op den strijd met
+de wapenen volgde de strijd met het geld: de uitslag was voor den
+strijder die het het langst volhield, voor de Oost-Indische Compagnie,
+niet gunstiger. Zij had het volk van Bandjermasin gedwongen peper
+voor haar te bouwen. "Maar," zegt Veth, "de staatkunde der Compagnie
+had Bandjermasin als een slang omkronkeld; maar toen zij het geheel
+in haar macht had, voelde zij haar eigen krachten uitgeput, en liet
+het uit eigen beweging los." Nadat Daendels den post had ontruimd,
+haalden de Bandjareezen zelf de Engelschen weer in, en Alexander Hare
+begon zijn avontuurlijke politiek van kolonisatie met Javanen, die hij
+met geweld uit hun dorpen deed oplichten. Het herstelde Nederlandsche
+gezag maakte daaraan een einde, en het scheen omtrent de jaren twintig,
+dat de toestand geregeld was geworden. Toch is sedert, als men weet,
+dit moedige volk niet minder dan tot driemaal toe opgestaan om te
+trachten zijn vrijheid te herwinnen. Nu schijnt het wel dat het
+zich bij de voldongen feiten heeft neergelegd. Misschien heeft het
+nieuwe handelsverkeer en de voordeelen, die onder het Hollandsche
+bestuurstelsel van tegenwoordig ook het geringe volk daardoor geniet,
+het zijne daartoe bijgebracht.
+
+Het schip heeft Bandjermasin achter den boeg: de huizen zijn verdwenen
+en de schepen, een enkel visschersbootje, enkel nog maar met een
+mannetje er in, dat zijn net uitwerpt, een kano, waarin, onder een
+reusachtigen hoed, tot over de randen van het vaartuigje heenreikend,
+een vrouw met een paar kinders, meer te zien dan te raden valt, komen
+hier en ginder de rivier afgedreven. Plotseling gaat als een groot
+zacht licht voor ons open: uit de smallere Martapoera stevent het
+schip de schijnbaar oneindige wijdte van de Barito in. Als op een zee
+zeilen wij--een rustig golvende, paarsig-bruine zee. In een schemerige
+verte komt flauw een lage oever te zien. Als na eenigen tijd de koers
+der boot den wal nadert, zie ik, dat wat een strook laag land leek,
+hoogstammig oerwoud is, en besef door de gedachte beter nog dan zooeven
+door de zinnen de ontzaggelijkheid der afmetingen van den prachtigen
+stroom. Hij is hier bijna een kilometer breed. Het plan is geopperd,
+eenige jaren geleden, om de haven van Bandjer, waar groote schepen
+niet dan met moeite draaien kunnen, hierheen te verleggen; de plaats
+was zelfs al gekozen: aan den linkeroever, tegenover Poeloe Kembang,
+het Bloemeneiland, op Hollandsche kaarten als Apeneiland genoemd,
+om de menigte grijze apen, die het bevolken, en die door de inlanders
+voor heilig gehouden en met offers geëerd worden; een goede weg naar
+Bandjer loopt daar langs. Maar de handelsstand opperde bezwaren; het
+plan werd niet verwezenlijkt. Misschien echter komt de nieuwe haven
+er toch nog, de rivier-ruimte voor Bandjer zal de al aangroeiende
+menigte der handelsvloot, Inlandsche en vreemde, zoo heel lang
+niet meer kunnen bergen. Borneo is een land waar de dingen snel
+groeien. In de streek rondom Bandjer is sedert 1897 de bevolking
+van 25.000 op 46.000 gestegen. Die van het geheele gewest, Zuider-
+en Ooster-Afdeeling Borneo, wordt geschat op anderhalf millioen. De
+gelegenheid voor handel en scheepvaart zal evenzoo moeten groeien.
+
+Wij varen de invloeiïng voorbij van de Kwien, den waterweg naar
+Bandjer. Te midden van een vloot van kleinere vaartuigen ligt er een
+stoomboot, die tweehonderd prauwen op sleeptouw heeft. Een lang dorp
+van bruine paalwoningen staat langs den oever gerijd. Spiernaakte
+kwajongens, van te voren al glimmend van pret, komen op een ren den
+oever afgevlogen, springen in een prauw en roeien de boot tegemoet,
+om zich eens heerlijk te laten schommelen op de lange schuinsche
+golven van het kielzog. Die geen prauw bezit, springt in het water. De
+zwarte koppen, de bruine natte lachende gezichten bobbelen rondom het
+schip. Er zijn krokodillen bij honderden in de Barito; het pleizier
+is zooveel te grooter.
+
+Het paaldorpje verdwijnt, rondom is weer de groote eenzaamheid. Wij
+varen zoo dicht langs den oever nu, dat ik het gebladerte van boomen
+en heestergewas, en zelfs de wilde vruchten aan de takken en de
+bloemen tusschen varens en oeverriet onderkennen kan. Daar die lage,
+op varenpollen gelijkende bladerbossen, wijd uitgespreid, dat zijn
+struiken van de nipah, die alleen dáar groeit, waar zeewater haar
+drenkt: mijlenver stroomt bij vloedgetij de zee de Barito op. Die
+grootere, die als fonteinen van bladeren staan, zijn sagopalmen. Lange,
+zwiepende sprieten van rotan steken boven de toppen uit van het
+hooge wildhout. Een ficus toont hier en ginder zijn donkerglimmig
+gebladerte. Bijwijlen komt onder het zware groen het bruin te zien van
+daken, en langs het oeverriet het donkere vlechtwerk van uitgezette
+fuiken. Door een bres in den boomenwal zie ik ruige rijstvelden,
+op primitieve wijze bebouwd. De zon hangt dofrood op den rand van
+het westelijk oeverwoud. De vlottende eilandjes water-hyacint, die
+langzaam tegen het schip aangedreven komen, spiegelen roode bladeren
+in een rooden vloed. Dan vangen aan weerszijde van de rivier houten
+hutjes den afschijn en staan verguld. Wij hebben Marabahan bereikt,
+de hoofdplaats van de streek die wij zooeven binnengevaren zijn.
+
+Het is de eerste post in het binnenland.
+
+
+
+Sedert eenige dagen ben ik nu te Marabahan, het welvarende
+inlander-dorp aan de samenvloeiing van de Bahan (door Hollanders
+meest Negara genoemd) met de Barito, aan welke ligging het zijn naam
+Moeara-Bahan eigenlijk, dat is mond van de Bahan, te danken heeft. De
+geweldige breedte der vereenigde rivieren ligt voor mij uitgegoten. En
+altijd door heb ik het gevoel van op het water te zijn. De dorpsweg,
+de huizen, het geheele land heeft iets vlottends, iets dat drijft
+en schommelt.
+
+Op de kaart is het goed te zien hoe het water doende is met den opbouw
+van Borneo. Rondom een middelpunt met naar alle zijden zich rekkende
+uitloopers van gebergte, brengen, van buitenaf de zee, van binnen uit
+de groote stroomen, zand, slib en moerasgrond aan. Het zuidelijke deel
+van het eiland, het stroomgebied van de beneden-Barito, ligt als een
+diepe, vlakke driehoek tusschen heuvelklingen, die van het Noordelijk
+bergland uit naar Zuid-West en Zuid-Oost loopen. Al stroomende heeft de
+Barito met haar zijrivieren, die alle van het Oostelijk gebergte komen,
+het opgebouwd. Het is nog maar ten halve gevormd en gestevigd. Ook
+in den eigenlijken zin van het woord is Borneo een land in wording.
+
+Het volk heeft stroomop den loop van het water gevolgd. Bij menigten
+liggen de dorpen langs de groote rivieren. Allen zijn ze op dezelfde
+wijze gebouwd: in een enkele oneindig lange reeks huizen langs het
+water, als langs een natuurlijken weg. En zoo dicht opeen soms dat de
+laatste huizen van het eene dorp pas den voorbijvarende uit het oog
+zijn, of de eerste van het volgende dagen al weer op. Geen van deze
+dorpen heeft als de Javaansche een omheining, ter afsluiting van welken
+aard ook. En evenmin ziet men eenige scheiding tusschen de erven. Enkel
+hier en ginder staat een los ineengevoegd staketsel naar den landweg
+toe, dat langs een geheele rij loopt en waarin poortjes tot elk erf
+afzonderlijk toegang geven. Het is zoo van buiten af al te zien,
+dat niettegenstaande de sterke immigratie die van oudsher uit Java
+hierheen is gegaan, en, die onder hoezeer veranderde omstandigheden
+dan ook, nog steeds aanhoudt, het Borneaansche dorp zijn eigen
+van de Javaansche wezenlijk verschillende wijze van ontwikkeling
+heeft gevolgd. Hier wonen geen menschen die zich op het land hebben
+vastgezet, met een tuin en zorgvuldig, van vader op zoon, bebouwden
+akker. Dit zijn reizende en trekkende handelslieden, voor wie het
+water de handelsweg is. Vandaag zijn zij hier, morgen ginder. Zij
+binden zich maar weinig aan een plek.--Verleden zag ik uit de Negara
+er aan komend, een groot vlot voorbij drijven, waarop een geheel huis
+stond. Niet een scheepshuisje, als er zoo veel op prauwen en vlotten
+staan: neen! een wezenlijk, echt huis, een huis dat ergens op het
+land had gestaan. Op een goeden morgen klaarblijkelijk, had het den
+bewoner verveeld, juist dàar te wonen. Hij had zijn buren bij elkaar
+geroepen, met hun allen hadden zij het huis, zoo als het daar stond,
+van zijn palen getild, en op een vlot: Vrouw en kinders waren op den
+vloer gaan zitten op de gewende plaats. En de man met een langen boom
+in de handen, om zijn huis en huisgezin, met de kippen, de koe, en
+den rijstvoorraad voor eenige dagen, van vastraken aan den oever en
+verongelukken verre te houden, was voorop gaan staan, uitkijk houdend
+naar een plek die hem beter aanstond voor woonplaats. Hij zal wel
+ergens aan den westelijken Barito-oever beland zijn denk ik. En wie
+dezer dagen gaat kijken zal het oude huis op het nieuwe erf zien staan.
+
+Als overal langs de rivier, hebben te Marabahan alle huizen een soort
+uitbouw aan het water, tegelijk een plaats om te landen van de boot
+uit, en een plaats om te baden en te wasschen en te plassen voor
+de huisbewoners. Het vlot bestaat uit boomstammen van een bepaalde
+soort, die alleen in het oerwoud worden gevonden. De boom moet op
+stam gestorven zijn en al zoolang gestaan hebben, dat insecten tijd
+hebben gehad, om hem in zijn geheele lengte en breedte te doorboren
+met honderdduizenden uitgeknaagde gangetjes. Dan wordt hij geveld
+en naar de rivier geroeid--geroeid, want ook het oerwoud van Borneo
+staat in het water: de bosch-grond is een bosch-vloed. Dikwijls kan
+men inlanders zien, die op zulk een stam, licht als een kurk drijvend,
+de rivier afkomen. Ze hebben het schuitje, waarin zij uitgetogen zijn,
+achter aan den stam vastgemaakt. Daar zitten ze schrijlings op den
+boom, de afhangende voeten koel in het water, een pagaai in de hand,
+waarmee ze nu en dan den hen af-voerenden stroom een nalatig slagje
+helpen, een zonnehoed op het hoofd, een strootje in den mond; zij
+lijken donkere, misschien door de tabak lichtelijk van hun hemelsche
+waardigheid omlaag gehaalde, rivier-goden. Een vlot van zulke stammen
+gemaakt houdt het tien jaar uit tegen de drie die gaaf hout weerstand
+zou kunnen bieden aan de wrijving en schuring van het water. De
+steigers zijn los verbonden aan den wal, zoodat ze met den stroom
+kunnen rijzen en dalen. Ze hebben veel speelruimte noodig. Want
+het vloedgetijde der zee doet zich gevoelen tot op 150 mijlen de
+rivier op. En als de zware regens vallen boven in het gebergte, het
+bronnenland van de stroomen, stijgen zij binnen enkele uren meters
+hoog. Tot tien meter toe heeft het plotselinge waterstands-verschil
+bedragen: huizen, aan gene zij van den landweg gebouwd, stonden aan
+het water, en de steiger dreef op gelijke hoogte met den deurdrempel.
+
+De weg is op zulke gebeurlijkheden berekend: een sterke schoeiïng
+beveiligt hem aan den rivierkant. De planken van die schoeiïng zijn,
+ondergronds, dwars onder den weg door, met kabels verbonden aan zware,
+diep ingegraven stammen aan gene zij. Het mag gezegd: de weg ligt
+voor anker.
+
+Langs zijn landwaartsche zij liggen de huizen: of liever, staan
+zij. Want allen zijn op palen gebouwd. Om het gewicht, dat de drasse
+grond moet dragen, zoo gering mogelijk te maken, zijn er de lichtste
+bouwstoffen voor genomen: hout en vlechtsel van riet en bladeren. En
+verder is dat gewicht nog verdeeld door den vorm, waarin het huis is
+gebouwd: dien van een kruis. Van een lang middengedeelte steken rechts
+en links twee korte dwarse uitbouwsels uit. Het dak is berekend op
+de zware regens die hier vallen: steil loopt het op naar een spitsen
+nok. Zoo staat voor hemelwater en voor grondwater het huis veilig;
+als het overdekte nest van een watervogel in de biezen hoog en droog.
+
+Van opzij gezien, lijkt het als op een trap gebouwd: het voorste
+gedeelte staat op lage palen; hooger zijn die welke het middendeel
+dragen; daarop volgt op nog hooger palen gebouwd, een derde deel. Men
+begrijpt de reden van dezen bouwtrant moeilijk; tenzij dan volgens de
+uitlegging die zooveel zonderlings verklaart: als het uitwerksel van
+een oude gewoonte, die zich heeft gehandhaafd ook onder veranderde
+omstandigheden, waardoor haar eigenlijke reden van bestaan werd
+opgeheven. Aan den rivier-oever, waar stellig de eerste huizen gestaan
+hebben, is de doelmatigheid van zulk een trapsgewijs opklimmen der
+woning duidelijk genoeg: van het watervlak tot den glooienden oever,
+van daar tot de hoogte van den vasten wal. Men zal dien stijl behouden
+hebben uit sleur, voor woningen die niet aan het water stonden. Er
+zijn er die vijf van zulke, telkens een paar treden hooger gelegen,
+afdeelingen hebben.
+
+De ruimte onder het huis is, al naar gelang van de hoogte, kippenhok,
+runderstal, voorraadschuur. 's Avonds wordt er een vuurtje van dorre
+bladers en groen rijs ontstoken. De rook die daar van opstijgt,
+dringt door de reten van den vloer het huis binnen en verdrijft de
+giftige muskieten, de plaag van dit land.
+
+Er moet voor de duidelijkheid bij gezegd, dat de vloer van al deze
+huizen, zelfs van de goed gebouwde, die aan rijke lieden hooren,
+niet van planken is, maar van uit rotan gevlochten horden. De vezel
+is taai genoeg om het gewicht van menschen en huisraad (trouwens dit
+laatste is niet veel!) te dragen. Buigzaam echter is hij ook. Over
+zulk een vloer te loopen, die meegeeft onder elken stap, doet iemand
+wanen in een schommelende boot te zijn, en zoeken naar zijn evenwicht.
+
+Te Negara, een centrum van inlandsche industrie, kwam ik onlangs in
+een smidse, waar van die groote, op zwaarden gelijkende grasmessen
+gesmeed worden, die over het geheele eiland afzet vinden. Het was een
+wonderlijke tegenstelling, de lange zware staven ijzer te zien liggen
+op dien onder hun gewicht inzakkenden horden-vloer. En ik vroeg me af,
+hoe ter wereld daar vastigheid genoeg was voor het aambeeld en de zware
+hamerslagen die er op neer dreunen. De oplossing van het raadsel vond
+ik toen ik weer buiten stond. Tusschen de dunnere palen waarop het
+geheele huis rustte stond in het midden een geweldige djatistam, die
+dwars door den vloer heenging. Het boveneinde van dezen stam was het,
+dat het aambeeld vormde--het eenige punt van vaststaande stevigheid
+in het geheele huis.
+
+Het volk van Marabahan is, als dat van de meeste dorpen langs de
+rivier waar die langs oerwoud stroomt, zoekers van en handelaars in
+djeloetoeng (eigenlijk beloepantoeng genoemd), het wittige boomsap
+waaruit, onder andere dingen, ook een (minder goede) soort caoutchouc
+gemaakt wordt. Dit is weer geheel en al een schippersbedrijf:
+want in kano's gaan ze het woud in en op prauwen vervoeren zij de
+djeloetoeng naar Bandjermasin. Het past dus goed bij het "rivierleven"
+van den Bandjarees. Maar terzelfder tijd als djeloetoeng-zoekers
+zijn de oeverbewoners van de Barito en de andere groote stroomen
+van Borneo rijstbouwers: de rijst is hun hoofdvoedsel. En het
+curieuse is dat zij zelf dat essentieel-landelijke bedrijf van
+den veldbouw veranderd hebben in iets waterigs, als men het zoo mag
+uitdrukken. Op vele plaatsen namelijk is geen geschikte grond aanwezig
+voor rijstkweekbeddingen. Wat doet onze Waterman? Van pisangstammen
+of van grove matten maakt hij een vlot, dat hij met slib overspreidt
+en te water laat. Daarop zaait hij zijn rijst uit. Een tweemaal
+herhaalde verplanting brengt later de plantjes over eerst naar een
+begin van vasten grond langs den oever, dan naar het hooger gelegen
+veld, waarop de aren zullen bloeien en rijp worden. Zoo heeft hij
+zelfs zijn akker op het water.
+
+De oude waarheid dat de mensch een wezen is, in de hoogste mate
+begaafd met het vermogen van aanpassing aan zelfs de ongunstigste
+omstandigheden, treft iemand met geheel nieuwe kracht en beteekenis
+bij de waarneming van zulke dingen.
+
+
+
+
+
+Oude en nieuwe dingen in een centrum van inlandsche nijverheid
+
+
+Volkrijk als een heirweg is de Barito bij Marabahan.
+
+Bij de menigten van schuiten, vlotten, prauwen, schepen, die de
+groote stroom heen en weer draagt tusschen bovenloop en monding,
+voegen zich hier de menigten van de Negara, die met haar stelsel van
+zijrivieren en kanalen de groote verkeersweg is voor een dichtbevolkte
+nijverheids-streek. Het middelpunt van die nijverheid is het groote
+dorp Negara, een eindweegs stroomopwaarts van haar invloeiïng in
+de Barito, aan de Negara-rivier gelegen. Naar het oosten, langs de
+vele zijstroompjes, die van noord en zuid haar toevloeien, liggen
+Margasari, Moeara Moening, Kloempang, de bedrijvige marktplaats
+Kendangan, en hoeveel dorpen en dorpjes meer nog, vol bedrijvig
+volk. Heen en weer, tusschen al die plaatsjes en Bandjermasin, waar,
+via de Paketvaart-booten en de Javaansche havens, het wereldverkeer
+begint, gaat altijd door de tocht van allerlei vaartuig, met lange
+rookwolken, die spiegelend den vloed verdonkeren, met vlaggen en
+spitse wimpeltjes bij dag, met lichtjes zwevend in de hoogte of
+vlak boven het water schommelend en een afschijn van verborgen
+vuur bij nacht, met riemengeplas en ver heen roepende stemmen en
+den schreeuw van stoomfluiten aldoor. De groote menigte van die
+vaartuigen zijn Inlandersschuitjes--visschersbooten, vrachtprauwen,
+tambangans. Maar daar tusschendoor, gering in getal, maar elk op
+zichzelf aan een geheele vloot van die primitieve scheepjes gelijk,
+gaan de sterke snelle stoombooten hun gang--die van de Koninklijke
+Paketvaart, van de Borneosche Industrie-Maatschappij, van de
+Borneo-Sumatra, van de groote Chineesche firma's, die Westersche
+methodes toepassen. Zichtbaar in zijn duidelijkste zinnebeeld,
+een transportmiddel door machinerie bewogen, gaat de nieuwe tijd
+het binnenland van Borneo in met het onheugelijk-oude vreedzaam in
+gezelschap. Den geheelen stroom langs zijn de uitwerkingen van die
+vermenging, eigenaardig en belangrijk genoeg soms, waar te nemen,
+hier wat minder, daár wat méer duidelijk. Ik had gelegenheid ze van
+nabij en in bijzonderheden te zien, te Negara.
+
+Negara is beroemd hoofdzakelijk voor scheepsbouw en voor sierlijk
+koperwerk. Maar nog een menigte andere takken van nijverheid groeien
+en bloeien hier. Ten eerste alles wat met scheepsbouw verband houdt:
+houtzagen, touwslaan, vlechten van "atap," dak voor de groote prauwen,
+en hout-snijden ter versiering van stevens en wanden. Dan het maken
+van landbouwgereedschap, vooral van de breede, zware messen, met zulk
+een geduchten slag er in, waarmee de Bandjarees hout kapt en gras
+snijdt. Veel timmerwerk ook wordt hier gedaan: het gestoken werk,
+waarmee de huizen der rijken in deze streek versierd zijn, komt
+allemaal uit Negara. Dat alles is voor Inlander-behoef. Maar nu komt
+de invloed van het nieuw-tijdsche Westen met andere eischen. Voor
+een deel gaan die zoowat samen met de behoeften van de Inlandsche
+markt. De kopersmeden bijvoorbeeld, die sirih-stellen en geld-kistjes
+maken voor den Inlander, maken voor den Europeaan koperen siergoedje,
+als b.v. miniatuur-tambangans, bloemen-bakjes, sigaren-kokers,
+etc. etc. Voor een ander deel heeft de arbeid voor de Europeesche markt
+dien voor de Inlandsche bijna geheel of geheel en al verdrongen. Er
+zijn hier wagenmakers, die wel een grobak bouwen volgens Javaansch
+model, maar vooral toch zich toeleggen op het bouwen van lichte
+rijtuigjes, zooals alléen bruikbaar zijn op de smalle drassige wegen
+van het binnenland. Als model hebben zij daarvoor buggies geïmporteerd
+uit Amerika. En als geheel op de Westersche behoefte berekend, mag men
+wel de industrie van het mattenvlechten aanzien. De Inlanders gebruiken
+die matten wel is waar; zij slapen op een matje, zij pakken op reis
+hun hebben en houden in een matje; maar de verbruikers in het groot
+zijn de suiker- en de tabakbouwers. Verleden was de export van matten
+uit Bandjermasin van de ruim 7 millioen stuks, die hij bedroeg in 1909,
+gestegen tot 15 1/2 millioen. Van de biezen, voor die matten benoodigd,
+worden tegenwoordig plantingen aangelegd. Het voor de markt gereed
+maken van rotan ook is een op Europa berekende industrie. De vrachten
+geschilde, op maat gesneden en gesorteerde rotan, die op vaartuigen
+van alle fatsoen en slag de Negara en de Barito afdrijven--ruim 47.000
+pikol rotan in bundels, ruim 1 1/8 millioen rotan stokken werden in
+1911 uitgevoerd--gaan alle naar de groote meubelfabrieken in Europa.
+
+Dat belet niet, dat werkwijzen en gereedschap nog echt inlandsch
+zijn: tusschen de zuiver-inlandsche industrieën, als die van den
+prauwen-bouw, en de voor de Europeesche markt berekende is er op dat
+punt geen verschil. Een prauw wordt gebouwd, een mat wordt gevlochten
+met hetzelfde gereedschap, op dezelfde manier, nú, als het tweehonderd
+jaar geleden gebeurde. En die dat doen, zijn niet een ondernemer met
+zijn arbeiders, maar een gezinshoofd met zijn zoons, broeders, neven,
+zoodat het bedrijf het gezamenlijke bezit is van een geheele familie,
+ook al weer naar overouden trant. Er wordt niet betaald volgens
+den tijd van werken, en ook niet per stuk. Maar bij verkoop van het
+werk deelen, volgens bepaalde proportie, zij die daaraan meegewerkt
+hebben in de winst. Zoo althans werd de zaak mij uitgelegd bij den
+koperslager, die mij als de beste in zijn vak was aangewezen, en bij
+een messen-smid. En het districtshoofd van Negara, die mij bij de twee
+bracht, zeide nog, dat dit hier zoo de algemeene wijze van arbeid-
+en winst-deeling was.
+
+Dat districtshoofd, de Kjai, was zelf een merkwaardig voorbeeld
+van oudtijds-Oostersche en nieuwtijds-Westersche elementen in
+vereeniging. Hij had geheel en al het voorkomen van een Maleier van
+aanzienlijke afkomst, en had zich ook gehouden aan den godsdienst van
+zijn volk, Islam in schijn, in wezen animisme. Maar hij had Hollandsch
+geleerd, dat hij, wel niet vloeiend maar toch duidelijk en zelfs
+zonder sterk accent sprak. En hij droeg, op dien tocht door Negara,
+Hollandsche kleeren. Zijn zoons laat hij een Hollandsche opvoeding
+geven. Van zijn dochters sprak hij niet. Ik vermoed dat die, naar
+den conservatieven trant, het geheele Oosten door ten aanzien van
+vrouwen betracht, op zijn echt-Inlandsch zullen opgroeien.
+
+De eerste werkplaats waarheen de Kjai mij bracht was die van een
+prauw-bouwer. In een groote loods, waarvan het los uit bladeren en
+vlechtwerk ineengevoegde dak de lucht liet doorschemeren, en onder
+de boomen van een drassig erf rondom, in het midden waarvan het huis
+van den scheepsbouwer op hooge palen stond, was een aantal werklieden
+aan den arbeid op vier prauwen van verschillende grootte. Zij hadden
+gereedschap van eigenaardig model, blijkbaar heel oud al. Onder andere,
+bijlen in den vorm van een houweel, het blad haaks op den steel gezet,
+waarvan zij zich bedienden als van een schaaf, en dat met zulk een
+behendigheid dat het harde ijzerhout zoo glad als satijn werd onder de
+bewerking. Op de werf werd alleen de kiel van de tambangans gebouwd;
+iets waaraan vijf werklui anderhalve maand werk hebben en van f 60 tot
+f 130 samen verdienen. De opstaande wanden zijn het werk van een ander
+slag ambachtsvolk; de sieraden aan boeg, wanden, pijlertjes, dat doet
+weer een ander; het dak, dat uit een geraamte van gebogen bamboe en een
+dek van vlechtwerk bestaat, maakt een derde; de arbeids-verdeeling,
+men ziet het, kennen de Bandjareezen al. Nog niet de vereeniging van
+het verdeelde in een gemeenschappelijke werkplaats.
+
+Bij den koperslager bemerkte ik dat ook sommige toestellen en
+hulpmiddelen bij den arbeid hen al bekend zijn: de werkman, die bezig
+was een sirih-kistje te maken, had er een gemakkelijke manier op om
+wanden en deksel met open-werk te versieren: het blaadje koper ging
+tusschen twee open-werk ijzeren platen; en met een stel beitels,
+die precies de vormen van de openingen in het ijzer hadden, werd
+het koper weggestoken; in een paar minuten was alles klaar. In geen
+Europeesche fabriek had het meer werktuigelijk kunnen gebeuren. Het
+drijven van het koper zag ik niet: maar naar het voltooide werk te
+oordeelen, dat de bestuurder van de werkplaats--tevens het hoofd van
+het talrijke gezin, door het werkvolk gevormd--mij toonde, moet daarin
+toch wel wat meer eigen gedachte en kunstvaardigheid steken.
+
+Het werk van den messen-smid was geheel en al ouderwets Inlandsch. Ook
+hij arbeidde met al zijn familie-leden samen, een paar vrouwen incluis,
+die de zoó bekoelde messen glad en blinkend schuurden. Zijn aambeeld
+stond vastgekeild in een zwaren stam, die door den gevlochten vloer
+der smidse heen, en door het water dat onder het huisje zwalpte,
+diep in den moerassigen bodem was ingegraven. En de blaasbalg,
+die het vuur in den leemen oven wakker hield, bestond uit een stel
+zware bamboe-schalmen, waaruit de dwars-schotten waren weggenomen,
+en waarin, door middel van een kleinen hefboom, zuigers op en neer
+werden bewogen. Het ijzer echter dat hij verwerkte--de rotan vloer
+lag geheel verzakt onder de zware staven--kwam "uit Holland" naar
+hij zei, met "Holland" alle verre landen aan de overzij der zee, waar
+blanke menschen wonen, bedoelende; het zal wel Duitsche export-waar
+geweest zijn. Ergens in den omtrek van Essen misschien was dat ijzer
+gesmolten, gelouterd, in fatsoen gebracht, door geschoold werkvolk met
+behulp van ingewikkelde machinerie, onder toezicht van ingenieurs,
+die jaren van studie en practijk aan hun werk hadden gegeven. En nu
+werd het hier in het binnenland van Borneo, in een vezelen huisje,
+half in half uit het water als een eenden-nest, door een naakten
+bruinen Bandjarees gesmeed tot messen, om er gras mee te snijden
+en takken te kappen in de "rimboe," in de wildernis. Dat was een
+zonderling einde na zulk een begin.
+
+De Kjai, die mij van den smid nog naar een pottebakker bracht--daar
+was àlles, materiaal èn werkwijze èn bestemming Inlandsch--en toen de
+dorpsstraat langs, waar hij mij fuiken en allerlei vischtuig liet zien
+in de rivier drijvende om vangst, en daarna in zijn eigen tambangan
+terug naar de pasanggrahan, kwam in den namiddag, hoffelijk, weer, om
+een officieel bezoek te brengen. De mantri had hem gelaten in de soort
+vliegenkast-in-het-groot, die aan de waterzijde van de pasanggrahan
+is aangebouwd, als de eenige, voor muggen veilige plaats van het
+huis. Toen ik er binnenkwam, zat hij de Nieuwe Rotterdamsche Courant te
+lezen, die mij juist dien ochtend uit Bandjermasin was nagezonden, en
+die ik open op de tafel had laten liggen toen ik met hem uitging. Ik
+onderdrukte tegelijk mijn verwondering en wat ik hem had willen
+zeggen over dat Essensche ijzer, dat ik in Bandjareesche "parangs"
+had zien veranderen. Voor iemand, die de inlandsche prauwen en de
+stoomboot van de Paketvaart tezamen de Negara had zien binnenstoomen,
+was er immers, welbeschouwd geen reden tot verbazing.
+
+
+
+
+
+Een centrum van inlandschen handel
+
+
+Zooals Negara een middelpunt van inlandsche nijverheid is voor het
+zuiden van Borneo, zoo is Kendangan een middelpunt van inlandschen
+handel. Het dorp ligt aan een zijrivier van de Negara, ten Oosten
+van het dorp Negara. Inlanders gaan heen en weer langs den waterweg,
+die door de bochtige rivier en een geheel stelsel van dien afstand
+bekortende kanaaltjes loopt. Den landweg, veel korter nog, kunnen
+zij niet benutten, omdat die over zeker twintig van zijn goed veertig
+K. M. lengte geen bevrachte kar verdraagt. Het is niet anders dan een
+smalle dijk, tusschen een moeras aan den eenen kant, en een kanaal
+aan den anderen, uit opgebaggerde modder, vermengd met van elders
+aangevoerd zand, gebouwd. Waar nu het kanaal is, was vroeger de weg. En
+voortdurende arbeid is noodig om te voorkomen dat die nieuwe weg, uit
+de opgevischte bestanddeelen van den vroegeren gebouwd, niet weer op
+zijn beurt een kanaal worde. Elke regenbui--en het regent maar altijd
+door over dit dampende waterland--doorsopt hem, dat de aarde in bruine
+scheuten weglekt uit het netwerk van wortels, vezels en rafelende
+stengels, dat zijn eigenlijke consistentie uitmaakt. Terwijl wij er
+over heen rijden--ook al weer in een regenbui--in een allerlichtst
+Amerikaansch karretje van het model zooals tegenwoordig in Negara
+nagevolgd wordt door inlandsche wagenbouwers--zwalpt de grond of
+hij zoo dadelijk zich wou begeven onder de kletsend neervallende
+hoefslagen van het paardje.
+
+Vlak als de zee en als de zee onafzienbaar, ligt rondom het
+moeras. Zelfs onder het glasachtig-doorschijnende grijs van de
+dichte regenstralen en het sluierende rook-grijs der neerdruilende
+wolken-lucht blinkt het fel-groen, als van eigen licht. Het is de
+water-hyacint, die er die glanzige krachtige kleur aan geeft. Dicht
+als grashalmen in de wei staan over het wijde waterveld haar groote
+ronde bladers, rechtop op sappig-gezwollen stengel. [14] Het moeras
+groeit er langzamerhand dicht van. Als na zware buien het water wast
+en begint te stroomen, sleurt het er lange strooken van mee, die,
+als vlottende eilanden, de prauwenvaart op de Negara stremmen, en
+van den oever tot in het midden van den stroom de breede Barito groen
+maken. Maar bij millioenen van millioenen nieuw ontspruitend, heeft
+de weelderende plant in enkele etmalen de ledige plaatsen hernomen
+met haar sterke, rond-uitspreidende pollen. Tot aan den horizon
+toe maakt zij alles fel-groen. Hier en ginder donkert er een veeg
+bruin overheen van met lange pluimen bloeiend riet. Blank glanzen
+plassen op en kleine meren. En op een enkele plaats, plotseling
+en hel als zwevende vlammetjes, zuiverrood, zuiverwit schitteren,
+vér heen over een de diepten van het landschap in loopend veld,
+duizenden lotusbloemen, rond stralend op hun hooge stelen. Daarna
+is het eeuwige groen nog eentoniger en triester geworden. Het is
+of juist de felheid van zijn tint, onnatuurlijk onder dat dempende
+grijs van wolken en regenstralen, het te somberder maakt. Er is iets
+onheilspellends in. Verderfelijke koortsen, lijkt het, moeten opwalmen
+uit dat giftige groen. Een zoo ellendig land zag ik nog nergens. Het
+is niet alleen verlaten van alle bewust leven, maar het ziet er uit,
+of geen leven er ooit zou kunnen komen, laat staan dan blijven.
+
+Het is er, niettemin. Geheel alleen op de ledige vlakte staan twee
+visschershutten, het dak aan rafels, de wanden gescheurd, scheef
+voorover op verzakkende palen. De mannen verschijnen een eind verder,
+aan den rand van een blinkenden plas, waar zij hun net in gespreid
+hebben. Zij hebben hun gore lompen over het hoofd getrokken, tegen
+den killen regen en tegen de wolken venijnig-stekende muskieten, die,
+door den rook van het smeulende vuur niet te verdrijven, zoemend hen
+omzwermen. Als grauwe, ruige, door wind en weer verhavende vogels staan
+zij daar op hun magere beenen. De ellende van hun bestaan is uit de
+verte hun aan te zien. Het stoomertje van de Koninklijke Paketvaart,
+dat om de veertien dagen te Negara komt, wordt dikwijls aangeklampt
+door arm volk uit deze streek, uren roeiens ver gekomen in hun sampans
+om wat kinine en medicijn tegen de kwaadaardige huidziekten, die over
+hun heele lichaam in walgelijke wonden uitbreken. De watervogels zijn
+er beter aan toe, die tenminste tegen het water kunnen. En die er ook
+genoeg eten uit ophalen, wat de visschers niet alle dag doen. Dikwijls
+schuilt de visch weg in de ondiepe plekken van het moeras, onbereikbaar
+voor hengel of net. Dan nemen de visschers een zonderling middel te
+baat: zij steken het moeras in brand. Voor de smeulende hitte vlucht
+de visch naar de meertjes, waar fuiken en netten al gespreid staan.
+
+Als de zon eenigen tijd achtereen onafgebroken heeft geschenen en
+riethalmen en verdorde bladeren van watergewas heeft gedroogd, wordt
+de smeulende gloed wel eens een vlam, die overwaait op den weg en
+zijn turfachtigen grond in brand zet. Het komt voor dat mijlenver
+die smalle strook aarde in rook en bleekgele kruipende vlammetjes
+verandert. Een neergudsende regenbui bluscht den brand weer. Kort
+voor onze komst moest dat hier en ginder gebeurd zijn: op plekken
+zagen wij den weg zwart verkoold.
+
+De tijd leek eindeloos dat wij al maar over dien smallen zwalpenden
+weg door de water-hyacint reden, doorweekt van regen, en aangezicht en
+handen brandend van de giftige steken der muskieten, die als een dunne
+nevel om ons heen dreven. Maar ten laatste kwam een verandering. De
+grond begon een weinig te rijzen. Inlanderhutten stonden in groepen
+bijeen, naast elk huisje eenige kleine terpen waarop klapperboomen
+groeiden. Toen werd het riet dichter, de waterhyacint verdween voor
+struikgewas, allengs hooger staken boomen er uit op, de weg klom over
+bruggen, en werd hard en breed, eindelijk was het vast land rondom. En
+daar verscheen al het eerste teeken van westersche beschaving: een
+telegraaf-leiding. Even voor den middag bereikten wij Kendangan.
+
+Het dorp gaat geheel en al schuil onder de klappers. Zoo dicht staan
+de hooge, smalle stammen, dat men, langs den dorpsweg rijdend, den
+indruk krijgt van te bewegen door een reusachtig halmenveld. Van
+links en rechts komen de huizen te zien tusschen die zwartige
+strepen. Ze zijn gebouwd volgens het bekende model, hoog op palen,
+en met trapsgewijs oploopende verdiepinkjes, als klommen zij uit de
+rivier naar den hoog-en-drogen oeverkant op. Stevig en wel-verzorgd,
+vele zelfs versierd met gebeeldhouwde pijlertjes en Negaraasch
+snijwerk langs balustrade en dak, staan zij midden op ruime erven,
+waar hier en daar, in de rond-plekkende schaduw van de palmkruinen,
+aardig heestergewas bloeit. Van diezelfde palmen komt de welvaart,
+die hier over alles haar aangenamen schijn heeft gespreid. Kendangan
+leeft van de copra. Op de wekelijksche markt, waarheen het volk uit
+den geheelen omtrek geroeid, gereden en geloopen komt, is copra de
+voornaamste waar.
+
+De bereiding gaat op primitieve wijze. Als de vruchten rijp zijn,
+worden zij van den boom geplukt (de Kendanganner, die véél liever
+lui is dan moe, heeft soms een aap dien hij daarop africht) en op
+een puntig ijzer in tweeën gespleten. Ontdaan van de houtige schil,
+worden dan de kern-helften in de zon gedroogd. Op het voorgalerijtje
+van ieder huis in het dorp liggen ze bij hoopen opgetast. Opkoopers
+rijden rond met een ossenkar om, wat voor den verkoop gereed is,
+mee te nemen naar de markt. Op pasar-dagen is de grond van het ruime
+plein er mee bespreid, zoodat er niet dan smalle paadjes tusschen
+over blijven, die de politie werk heeft om open te houden; en de heele
+lucht is vervuld van den eigenaardigen, onaangenamen, zurigen reuk. De
+hoeveelheid copra hangt, overigens, af van het weer. Drie dagen regen
+maken de markt flauw. Want de zon is het die de copra moet drogen. Doet
+zij het niet, dan doet het niemand anders. De Bandjareezen hebben wel
+naar de vraag van de Westersche markt zich geschikt, maar willen nog
+aan geen Westersche methodes van productie. Het gaat ook wel op zijn
+inlandsch, vinden zij. Zij verdienen toch genoeg.
+
+De export-cijfers van Bandjermasin toonen hoezeer de copra-handel
+toegenomen is in den allerlaatsten tijd. In 1909 was de uitvoer ruim
+twee millioen pikol: in 1911 was het ruim vier millioen. Dat komt alles
+door inlandsche kooplui van inlandsche planters. Zóo als Kendangan
+zijn er een menigte dorpen in de Zuidooster-afdeeling van Borneo,
+die geheel en al van deze teelt en dezen handel leven. De inlander
+heeft daarmee, blijkbaar, een groot voordeel gewonnen. Maar dat
+voordeel heeft zijn nadeel, en geen gering nadeel ook. De loonende
+en geen werk hoegenaamd eischende klapperteelt heeft den rijstbouw
+overbodig gemaakt en tegelijk daarmede de inspanning, de orde en het
+gemeenschappelijk overleg van het landbouwersleven. De luiheid van den
+natuurlijken mensch heeft zich in den Bandjarees--niet in de vrouwen,
+wel te verstaan, maar in de mannen--ontwikkeld tot wat werkelijk een
+zedelijke ziekte mag heeten. Het is hem een genot den geheelen dag
+en zijn geheele leven lang absoluut niets te doen. De aap plukt de
+klappers; de vrouw splijt ze; de zon droogt ze; de voerman haalt ze
+op; hij zelf ligt op zijn mat en neemt het geld er voor aan. En dan
+gaat hij pleizier maken. Dat wil zeggen: drinken, dobbelen en wedden
+bij hanengevechten. Het eind van de pret is gewoonlijk vechten. Daar
+heeft hij zijn "parang" voor--zijn gesmeed mes uit Negara, dat bij
+het handvat smal is en aan het uiteinde breed, en waarvan de slag
+door dik hout en door vleesch en been al even gemakkelijk gaat. Een
+geschil over een paar duiten bij het dobbelen, een slok palmwijn of
+bier uit den toko van den Chinees te veel, een extra venijnige slag
+door den eenen vechthaan den anderen toegebracht--en het mes wordt
+uit den riem getrokken. Naar ik hoor hebben de vechtersbazen langer
+tijd noodig voor hun genezing tegenwoordig dan vroeger: het bier
+en de met allerlei chemicaliën geurig en kleurig gemaakte foezel,
+waarop zij zich onthalen, beginnen hun werking te doen gevoelen,
+zelfs op deze ijzersterke gestellen.
+
+Om het verleden te treuren geeft niet veel--maar men zou aan de
+verleiding toegeven, tegenover zulke toestanden, en wenschen, dat
+men de noodzakelijke ontwikkeling der feiten kon tegenhouden en den
+Bandjarees weer maken tot wat hij was, voor de Westerling in zijn
+land kwam.
+
+
+
+Pasar-dag op het groote plein van Kendangan, dat geheel vol ligt met
+uitgespreide copra, [15] waar de opkoopers, met hun scherp kijkende
+oogen, keurend doorheen gaan; terwijl langs den landweg op lange rijen
+de volgeladen ossenkarren er aan komen en op de rivier de prauwen
+zoo dicht naast elkaar vastgemeerd liggen, dat zij een breeden vloer
+vormen over het water: dat ziende, krijgt men pas een voorstelling van
+de rijkdommen van dit land en van de beginnende ontwikkeling onder dat
+deel van het volk, dat aan de oude trage sleur van het inlanderleven
+zich heeft onttrokken, om met dien natuurlijken rijkdom zijn voordeel
+te doen. Op Java ziet men zoo iets niet. De rijkdom van het land is,
+misschien, grooter nog. Maar die er van profiteert is de Hollander
+en de vreemde Oosterling.
+
+Hier zijn geen, of bijna geen Arabieren; maar weinig Chineezen;
+handeldrijvende Hollanders of andere Westerlingen evenmin. (Eén
+enkele, hoor ik, woont te Kendangan). Handelsman is de Bandjarees
+zelf.--Men kan, geloof ik, wel zeggen, dat hij dat geworden is in
+den omgang met Arabieren in hun eigen land. Komt men op den pasar,
+dan ziet men het plein als in tweeën gescheiden: de eene helft is
+voor den kleinhandel, echt-Inlandsch, zooals men het precies zoo op
+Java of op Bali zou zien: etenswaar, medicijnen, bloemen, stukgoed,
+snuisterijen; daar krielt het van vrouwen en van slenterende,
+sigaretten rooken de, koekjes etende en "stroop" drinkende mannen;
+ook al weer precies als op Java. Maar de andere helft, dat is het
+terrein van den groothandel. Het is er leeg, in vergelijk met de
+stampvolle klein-markt haast verlaten. Maar ieder van die mannen, die
+hier met een opschrijfboekje en een linnen geldzak rondgaan tusschen
+de met copra volgeladen ossenkarren, verhandelt alléén zooveel als
+een paar honderd van die klein-venters en koopers. En het treft dat
+bijna allen den hadji-tulband dragen. De tocht naar Mekka is hun
+studie-tijd in de wetenschap van den handel geweest.
+
+Niettemin dient gezegd dat Mekkagangers gevonden worden ook onder
+gering en arm-gebleven volk. Zelfs vrouwen ziet men met den om de
+slapen gevouwen sluier der hadji's die zwaar werk doen. Maar over
+het algemeen kan gezegd, dat de èchte Maleier, de niets-doener,
+de dobbelaar en liefhebber van hanengevechten, die naar den pasar
+gaat als naar een feest, terwijl zijn vrouw naast hem zwoegt met
+een mand op den rug, die zij aan een zeel over het voorhoofd spannend
+draagt,--dat die de thuis-blijver is. Terwijl de Maleier van het nieuwe
+slag, die naar den pasar gaat om geld te verdienen, die copra opkoopt
+en boschproducten, en in zijn eigen prauw naar Bandjermasin brengt,
+en die daarvandaan terugkeert met rijst uit Rangoon en winkelwaar
+uit Europa,--dat die de Mekka-ganger is. Op de markt te Kendangan
+ziet men de twee typen naast elkander.
+
+
+
+
+
+Langs de Barito
+
+
+Van Kendangan terug naar de Barito, die ik tot Poeroek Djahoe op
+wilde varen, tot in het hart van Borneo toe, nam ik inplaats van
+den land-, den waterweg, die door een geheel systeem van riviertjes,
+beken en kanalen gaat. De prauw was telefonisch besteld uit Negara
+(zoo zonderling zit hier oud en nieuw dooreen). Een matras, een
+kussen, een muskieten-tent en een provisie eten en drinken voor den
+dag maakten er een geriefelijk woninkje van. Het binnenkomen had zijn
+moeilijkheden: de opening tusschen dak en prauwrand is maar laag:
+men moet kruipend er door en tegelijk precies in het midden den
+voet zetten om de prauw in evenwicht te doen blijven. Veel ruimte
+is er ook niet. Althans niet in het verticale; men kan niet anders
+dan liggen of, eenigszins bukkend, zitten. Maar met dat al bevond
+ik deze wijze van reizen een alleraangenaamste. Het is betrekkelijk
+koel op het water; geen stof; geen muskieten binnen het zorgvuldig
+vastgemaakte gordijn: de prauw maakt een zachte schommelbeweging
+op den maatslag van de riemen, die uit het groenige water blanke
+fonteintjes opwippen; rechts en links glijdt het bedrijvige leven
+voorbij van de rivier, en de oevers maken daar een lijst langs van
+stammen, tot halver hoogte gezien, aanlegplaatsen, badhuisjes, buurten
+van op palen staande hutten, waar naakte kinders omheen spelen. De
+prauw vaart midden tusschen badende vrouwen door. Van een vlot,
+waar een man languit ligt te rooken onder een muskieten-gordijn,
+dat als een draperie schuin weggeslagen in plooien afhangt van het
+atapdak, terwijl zijn kameraad met een vlag-vormigen waaier van
+gevlochten vezel een houtskolenvuurtje aanwakkert onder den kokenden
+rijstpot, worden de roeiers aangeroepen met een vraag waarvandaan en
+waarheen. Van bruggetjes, waar wij onderdoor glijden, kijken, vroolijk
+en nieuwsgierig, gezichten naar beneden. De Bandjarees is vrijmoedig:
+de tegenwoordigheid van een Hollander belemmert hem niet. Mijn roeiers
+en het volk op prauwen, vlotten, steigers, brugjes zijn doorloopend
+in gesprek. De reis, die van halfacht 's ochtends tot ruim tien uur
+'s avonds duurde, was zoo vol vroolijkheid en afwisseling, dat ze
+mij geen oogenblik te lang leek.
+
+Te Marabahan kwam ik weer aan boord van den kleinen Paketvaartstoomer,
+de Negara. Rechts en links had zij een breede laadprauw aan
+zich hangen, vol volk en vracht, die zij van Bandjermasin en de
+tusschenliggende plaatsjes af de rivier opsleepte, het binnenland
+in; tot daar waar de stroomversnellingen, gevaarlijk tusschen de
+steenbanken en zandplaten der bedding, het meevoeren van zulk een
+last onmogelijk maken, hield zij die twee prauwen bij zich, als een
+vogel onder uitgespreide vlerken haar jongen. En onder al de drukte
+van lossen en laden, landen en aan boord komen door, hadden wij van
+het dek der Negara af altijd-door het schouwspel van geregeld zijn
+gang gaand, huiselijk inlanderleven op de prauwen. Over den rand
+heen werd in de rivier gewasschen en gebaad; op uitgerolde matten
+werd geslapen en gedobbeld; vrouwen zaten elkanders haar schoon
+te maken; kinderen speelden op de stille manier van hun slag; tegen
+zonsondergang verschenen mannen op de plecht, spreidden een matje uit,
+en verrichtten met knielen, terneerbuigen van het voorhoofd tot den
+grond toe, en weder opstaan, het Moslemgebed. En tot driemaal per
+dag toe--het was almee bij wijze van tijdverdrijf, denk ik--werd er
+gekookt en gegeten. Zij hadden--mannen zoowel als vrouwen--kleine
+draagbare oventjes van gebakken klei bij zich, zooals er te Negara
+gemaakt worden: daar ging een houtskoolvuurtje in en de rijstpot of
+de pan met toespijs boven op. Die toespijs was meest "terasi"--een
+gegiste brij van visch. De Maleiers hebben een spreekwoord: "gekookte
+terasi, gebakken terasi, het is eenerlei, het eene stinkt zoo erg
+als het andere:" het spreekwoord heeft gelijk.
+
+Van Marabahan naar Poeroek Djahoe is het vier dagen stoomen: de eerste
+drie blijft het landschap hetzelfde. Het is al maar oerwoud. Hier en
+daar is een bres gekapt in den eentonig-groenen hoogen wal. Daar staat
+een gehucht van bruine huisjes, met een landingsplaats, waar volk
+staat te wachten op de boot. Er liggen rijstvelden links en rechts,
+op de primitiefste manier ontgonnen in het woud: door verbranding. De
+geblakerde stompen der afgehouwen boomen steken zwart op uit het
+groen. Het dorpje en het ruige veld glijden voorbij en weer begint
+het oerwoud. Geen teeken van menschelijk leven valt er waar te
+nemen. Maar het is er, niettemin. Een volk van woudloopers is hier
+doende met het kappen en omlaagrukken van den wilden rotan, die in
+gewrongen bundels en trossen van als touw zoo taaie stengels door het
+geboomte geslingerd hangt; met het zoeken van gom- en harssoorten,
+en met het inzamelen van de was en den honing der wilde bijen,
+die hun zwartige, op groote zakken gelijkende nesten ophangen aan
+de takken der "kwala"-boomen. Hier en ginder ziet men een enkelen
+van die bijzonder hooge boomen, verdonkerd door de nesten der bijen,
+boven het omringende groen uitsteken; en dan hoort men hoe hevig en
+lang er om zulk een boom gevochten is. De was wordt hoog betaald,
+met tot f 90 per pikol toe; en de hoeveelheid is aan het slinken,
+te oordeelen naar de exportcijfers van Bandjermasin, die voor 1909
+een hoeveelheid aangeven van ruim 16.000 K. G. en voor 1911 slechts
+ruim 4000: vandaar al die strijd. Ook de getah, die uit bast getapt
+en uit bladeren gekookt wordt, gaat, over het geheel gerekend,
+achteruit in hoeveelheid: van ruim 100.000 pikol in 1909, daalde ze
+tot ruim 70.000 in 1911. Waarschijnlijk niet omdat er niet meer is
+in het bosch, maar omdat dat meerdere onbereikbaar is, zelfs voor
+Bandjareesche woudloopers. Als er eens een begin gemaakt werd met
+regelmatige exploitatie--ja, dàn!--De rotan is, ook op primitieve wijze
+ingezameld, nog overvloedig loonend. Overal ziet men de dunne buigende
+stengels met hun wimpelende bladers boven de boomtoppen uitsteken. Het
+lijkt wel of ze te sneller aangroeit, naarmate er meer van gekapt
+wordt. Van ruim 42.000 pikol in 1909, steeg de export tot ruim 47.000
+in '11 van dunnen rotan, die in opgetroste pakken wordt verkocht:
+geheele heuvels van zulke pakken zag ik op de landingsplaatsen liggen:
+de prauwen waren er volgeladen mee op den terugtocht naar Bandjar; in
+de zwaardere soorten, de rotanstokken, is de vooruitgang nog beter te
+zien: van ruim 40.000 tot ruim 1 millioen stuks. Ook de voorraad hout
+is onuitputtelijk: geen nog zoo rauwe manier van roofexploitatie kan
+daar een merkbare vermindering in brengen. Bij honderden en nog eens
+honderden drijven de stammen, tot vlotten samengebonden, de Barito
+af, en al haar zijrivieren. Meest wel bamboe en allerlei wildhout;
+maar dikwijls toch ook is aan het diepe inzinken van het vlot te
+zien, dat er vele stammen van edele soort tusschen zijn; djati en
+de verschillende soorten die onder den naam van ijzerhout bekend
+zijn niet alleen, maar menigten van andere, nog nooit in Europeesche
+havens ingevoerd, en die toch prachtig materiaal voor bouw- en zelfs
+voor schrijnwerk zouden zijn. Jaren geleden al werden mij door een
+houtvester op Java monsters getoond van Borneo-hout, dat hij op
+zijn reizen, de Barito op, meegevoerd had, achter zijn prauw aan;
+gevlamd, geplekt, met donkere rozetten geteekend, fijn gestreept,
+gesterreld hout, in de prachtigste tinten van goudgeel tot zwart toe,
+met allerlei spelingen in het roodachtige, het grijze, het paarse
+zelfs. Hij had zijn best gedaan om er een markt voor te vinden in
+Holland en was niet geslaagd. Het gezicht van al die vlotten riep
+de herinnering wakker en den wensch naar nieuwe pogingen en beter
+uitslag. Als men denkt aan de armoe van Holland juist aan goed hout!
+
+De zwarigheid zit waarschijnlijk in het vervoer: bij tijden is de
+Barito zoo laag, dat zelfs vlotten blijven liggen. Zeker is het deze
+omstandigheid, die de exploitatie tegenhoudt van de steenkolenbeddingen
+langs de oevers. Waar de grond begint te rijzen, naar het gebergte toe,
+komen die aan de steilere oevers te zien. Groote brokken steenkool
+liggen voor het oprapen tusschen het struikgewas. De Negara deed er
+haar voorraad van op. De steenkool is, hoor ik, niet zoo goed als de
+Engelsche, maar veel beter dan de Japansche, en zou de exploitatie
+zeker rijkelijk loonen, kon ze maar vervoerd. Maar daar zit 't hem. De
+waterweg is gebrekkig; een landweg is er niet. Een Hollandsche
+maatschappij, die de zaak begon, heeft haar moeten opgeven. Een
+Chinees doet het nu in het klein.
+
+Op den tocht naar boven kregen wij een bewijs voor oogen van de
+moeilijkheden der vaart op de Barito: een Chineesche stoomboot,
+gestrand op een zandbank. We vernamen dat zij daar al sedert drie
+maanden zit, met geen geweld weer vlot te krijgen. En zelven
+ondervonden wij de weer-strevende kracht van den stroom bij de
+groote versnellingen rondom het midden in de rivier gelegen eilandje,
+Poeloe Asoe. Viermaal werd de stoomer teruggeslagen van de wervelende
+water-glooiïng, en eenmaal zoo dicht tegen den oever aan, dat takken en
+kruinen van boomen met gekraak over het geheele dek schoten: de vijfde
+poging eerst bracht de Negara in het weer gladde water bovenstrooms,
+veilig uit het gevaar.
+
+Zóó is de toestand; een schatrijk land, een volk voor ontwikkeling
+vatbaar; een begin van Westerschen handel, die ook voor den Inlander
+van voordeel en nut zal kunnen zijn; maar voorshands alles nog
+belemmerd en stokkend, omdat het eerst-noodige ontbreekt: voldoende
+middelen van verkeer.
+
+
+
+
+
+
+SUMATRA
+
+
+Aankomst te Medan
+
+
+Aan boord van de "Rumphius" al--(en o! hoe heeft het me gespeten,
+dat de reis niet langer duurde, en ik geen tijd had voor het volle
+genot van al de mooie dingen in die nieuwe drijvende "rariteit-kamer,"
+die schilderachtige zeventiend'-eeuwsche figuren langs de wanden,
+en die prachtige vogels, al dat loover, kruid en gebloemte, en die
+blazoenkleuren tusschen namen en jaartallen glorend op glas, waarmee
+Lion Cachet een waardige omgeving heeft gemaakt voor de beeltenis
+van den grooten natuuronderzoeker, die ook een geschiedschrijver
+was, den Blinde, die zooveel meer dan eenig ziende zag!) Nu dan, aan
+boord van de "Rumphius" al krijgt de naar Medan stevenende reiziger
+een voorgevoel van de belangrijkheid en snelle ontwikkeling der stad
+en tevens van het voorloopige van sommige Medansche toestanden. In
+den meest letterlijken en lichamelijken zin krijgt hij dat gevoel:
+namelijk als het schip begint te slingeren. En dat zit zóó: het
+verkeer van Medan is in den laatsten tijd verdriedubbeld; de schepen
+moesten driemaal meer ruimte hebben dan waarmee zij vroeger konden
+volstaan; en om rustig op het water te liggen, heeft een groot schip
+een bepaalden diepgang noodig. Maar tegen zulk een diepgang is de
+ingang der Medansche haven, Belawan, door een zandbank versperd. En
+daarom moeten schepen breed zijn en plat, en slingeren, Medan en de
+zandbank ter eer. Niet lang overigens zal het meer behoeven. Een
+begin is al gemaakt met het groote werk, dat Medan een haven zal
+verschaffen zóo als de stad die behoeft. Belawan heeft al den trek
+van het nieuwtijdsche en grootscheepsche in zijn ruimen--en toch reeds
+te eng blijkenden--aanleg, in zijn gedrang van reizigers en koelies,
+in zijn hooge en breede viaduct vooral, dat kenteekenende bouwsel van
+een verkeer, waarbij de ren der donderende treinen den mensch geen
+plaats meer laat op den beganen grond. Te sterker treft, daarna, de
+eenzaamheid van de streek, waardoor de lijn naar Medan loopt. Alles
+moeras-poelen, plassen, laag struikgewas, slingerplanten, een groep
+hooge boomen, verloren staande hier en ginder. Watervogels reppen zich
+klapwiekend weg voor den trein. Geen menschelijk wezen is ergens te
+zien. De spoorbaan is de eenige weg--een eindeloos-lange brug van de
+haven naar het vasteland. Eindelijk is het bereikt: de grond begint
+te rijzen. Kleine stations, elk met een groepje huizen erom en er
+achter, staan op langs de lijn, vestigingen, vroeger van Hollanders,
+sedert lang al voor Medan verlaten en nu door inlanders en Chineezen
+bewoond. Zijwegen loopen het land in naar de tabaksondernemingen,
+tegen den voet van de heuvels gelegen, die, naar het Westen toe, in
+al hoogere klingen opstijgen naar de blauw tegen de lucht glanzende
+toppen der Bataksche bergen. Dan komt, blinkend van nieuwheid, het
+stationsgebouw van Medan.
+
+Geheel anders is de stad dan eenige andere in Indië. Alles er aan is
+nieuw, frisch, op bedrijvigheid berekend en verkeer. Het is goed te
+zien dat de bouwers de handen vrij hebben gehad en ruimte naar allen
+kant, in den letterlijken zin en ook in den overdrachtelijken. Een
+goede dertig jaar geleden was hier niets dan woud en wildernis,
+waar een rivier breed doorheen stroomde, en, ergens in de verte, een
+Maleisch vorstje, niet veel rijker noch beschaafder dan het half-wilde,
+half-boersche volk, van wier schatting-duiten hij leefde. Het nieuwe
+bedrijf, dat van die wildernis een voor de wereldmarkt teelende
+landbouw-streek zou maken, vond nergens hinderende grenzen, noch
+machtsverhoudingen, sterk genoeg om het te dwingen tot concessies met
+zijn wezen en behoefte in strijd. Het "paleis" van den Sultan--of beter
+de paleizen, want hij heeft een nieuw gebouwd voor het oude, waarin hij
+zich niet thuis voelde, en zijn harem is in een afzonderlijk, groot,
+getorend en gekoepeld gebouw gevestigd, en ook de "troonopvolger" heeft
+een eigen, statig verblijf--de paleizen van den Sultan, en de groote
+school voor zijn en zijner verwanten kinderen, en het rechtsgebouw,
+waar de rechtspraak in zijn naam over een (al verminderend) aantal
+onderdanen wordt uitgeoefend, en, ten slotte, de groote, waarlijk
+prachtige moskee, zijn blijdschap en trots, met haar vijf koepels en
+slanke minaret, waarvan des avonds het gebed der Moslemin af klinkt:
+die geheele steenen sultanspracht is, inderdaad, het zegeteeken van
+den tabaksbouwer.
+
+Uit de grondpacht van de altijd door zich uitbreidende ondernemingen,
+uit de sommen door de Nederlandsch-Indische regeering uitgekeerd
+als vergoeding voor rechten, die zonder tabaksteelt en tabakshandel
+nooit anders dan leege woorden waren geweest, uit de algemeene
+welvaart door het nieuwe bedrijf ontstaan, is dat alles verrezen. De
+opvolger der boersche Maleische vorstjes van voorheen zou zich kunnen
+noemen: Sultan van Deli, bij Tabaks genade. Het geval heeft zijn
+komiek-in-grooten-stijl:--en zijn zwarigheden....
+
+Medan, dan, is een stad in den Europeeschen stijl van nieuwe
+steden. Het heeft een winkelwijk, waar aan weerszij van de breede
+straat groote met spiegelruiten blinkende winkels staan, vol nieuw,
+duur goed; het heeft een waterleiding, die tot in alle hoeken van de
+stad een koel, kostelijk-helder water brengt, op de bergen ontsprongen
+en door een natuurlijken filter van zeventig meter hoog zand gezeefd;
+het heeft electrisch licht in de huizen en langs de straten; een
+villa-wijk, waar langs de schaduwige lanen de huizen te midden
+van grasvelden en bloembedden liggen; een plantsoen; een wijd, door
+groote en hooge gebouwen omringd plein, waar in het koele van den dag
+voetbal-spelers en tennissers bij menigten aan het spel zijn. Zelfs
+de geringe buurten, als die der Chineezen en die der Britsch-Indiërs,
+hebben lucht en licht en een algemeenen schijn van zindelijkheid, van
+welvaart zelfs. Het ziet er alles wèl-verzorgd, nauwkeurig-geregeld,
+goed onderhouden uit.
+
+In die wijde lichte ruimten is het bont van allerlei
+nationaliteiten. Veel Oostersch volk woelt door elkaar in de
+Vorstenlanden en meer nog te Soerabaja en in Bandjermasin. Maar hier in
+Deli zijn voor de tientallen van daar honderdtallen en uit een grooter
+aantal verder uiteengelegen streken afkomstig. Hier zijn niet enkel
+Chineezen en kooplieden uit Bombay, maar ook Japanners, Bengaleezen,
+Sikhs, Arabieren. Zij houden ook goeddeels aan hun eigen dracht en
+gewoonten vast. Kom in de Chineesche wijk en daar ziet ge de vrouwen
+loopen in wijde broek en baadje van glimmend-zwart katoen, met een
+kind op den arm, dat midden op zijn kaal geschoren kopje drie sluike
+vlokken haar heeft hangen en om zijn hals een tooisel van veelsnoerige
+goud-en-bonte kettingen. Tegen den avond komen de mannen voor hun
+deur een pijp opium rooken. Zij zitten in groepjes bijeengehurkt
+om een dobbelspel, vlak aan de straat. Door de openstaande huisdeur
+komt het altaar van de goede geesten en de voorvaderen te zien, met
+veel bloemen en verguldsel opgesmukt. Met de armen op de boomen van
+het lichte tweewielige wagentje, dat zij, als een paard, trekken,
+slenteren de hongkong-mannen voorbij, op hun gemak als in de stad
+waarnaar zij heeten. Het Chineesche element is sterk hier in Medan:
+zoo groot een bestanddeel van de bevolking maakt het uit, dat men in
+het openbare leven er rekening mee moet houden, en kennisgevingen,
+op de muren aangeplakt, in twee talen gesteld zijn: in het Hollandsch
+en in het Chineesch. Het Chineesche kerkhof beslaat breede strooken
+lands, vlak langs de stad. Er is een prachtig versierde Chineesche
+tempel, en de majoor-Chinees, die den drank in pacht heeft, het spel,
+en tot pas geleden de opium, is verscheiden malen millionair.
+
+De andere nationaliteiten, niet zoo talrijk noch zoo machtig als
+de Chineezen, houden niettemin evenzeer aan hun eigen trant en
+gewoonten vast. Japansche vrouwtjes, hier gekomen om op de eenig
+voor hen mogelijke wijze, en die in hun eigen land niet veracht
+wordt, een sommetje te verdienen waarop zij, teruggekeerd in Japan,
+kunnen trouwen en een huishouden opzetten, loopen in sluiken kimono
+op hoog-gezoolde schoenen; een enkele duwt, moederlijk behoedzaam, een
+alleraardigst poppetje van een kind, ook in kimono, in een Europeesch
+kinderwagentje. De Britsch-Indiërs dragen ieder het kostuum van hun
+eigen streek. Daar zijn Sikhs, met prachtige gestalten en trotsche
+gezichten, indrukwekkend onder een zorgvuldig-geplooiden witten
+tulband, hoog als een bisschops-myter. Daar zijn Bengaleezen, zwart
+als brons, met een vuurrooden lap om de lenden, gemakkelijk gaande
+naast hun kar, een arm op den schoft van den roomwitten gebulten
+trekos. Bombay kooplui loopen in geruiten zijden sarong en met goud
+geborduurd mutsje. Vrouwen vertoonen zich getooid met een fel-gekleurde
+bloem in de wrong van hun golvend blauw-zwart haar, en, in beide
+neusvleugels, een door en door gedreven wit-beenen of wit-houten
+stiftje, dat van verre al zonderling blinkt in het duister van het
+wel-besneden gezicht. Arabieren, mager en felkijkend als havikken,
+loopen met naakte voeten in gele en roode sloffen, een soort witten
+talaar over een bont onderkleed, en een tulband. De Javanen hebben
+hun sarong op de traditioneele wijze geplooid, en hun vrouwen dragen
+de kabaja en den karakteristieken haarknoop. En ook het vele volk
+uit Borneo laat zich herkennen onder Maleiers en Bataks uit.
+
+Dat alles komt hierheen, om den arbeid in de tabakstuinen. De
+Chineezen zijn de eigenlijke arbeiders, de verbouwers van de plant;
+de Bengaleezen de hoeders en verzorgers van het trekvee; de statige
+Sikhs, (wier imposant uiterlijk volslagen gebrek aan moed en kracht
+schijnt goed te maken) de wachters; de Javanen doen het grondwerk, hun
+vrouwen het sorteeren van de bladeren in de schuur; de Bandjareezen
+zijn de timmerlui en huisbouwers. Als een zuigende maalstroom werkt
+het bedrijf, die van rondom alle wateren zijn kolk in trekt. Onder
+de Europeanen, onnoodig te zeggen, een overeenkomstige mengeling
+van nationaliteiten, als blijkt uit de namen op kantoren en winkels;
+veel Zwitsers en Zuid-Duitschers, veel Schotten en veel Engelschen. De
+Engelsche invloed doet zich het sterkst voelen. Er is iets Engelsch
+zelfs in het uiterlijk der stad, met die wijde rechte straten en,
+binnen banden van asfalt, het prachtig-onderhouden, schitter-groene
+gras.
+
+Buitengewoon interessant om waar te nemen is die malende rassen-kolk,
+door een sterk bedrijf in werveling gehouden, en gespijsd, jaar op
+jaar, met stroomen van honderden uit het westen, van tien duizenden
+uit het Oosten. Wat daar nog eens uit te voorschijn zal komen, boven
+en behalve geld?
+
+
+
+
+
+Tabak in Deli
+
+
+In ergere mate dan ooit nog sedert het begin van deze reis heb ik hier
+in Deli het te voelen gekregen, hoe groot een afstand ons Westerlingen
+scheidt van den Oosterling. Daar ligt voor aller oogen het groote werk
+van de Delische tabakscultuur. Maar van de tienduizenden die dat werk
+verrichten zijn voor den Westerling enkel ettelijke Westerlingen de
+verklaarders. Ook al kende hij de vele talen van die menigten van
+Oostersche arbeiders, ook al kon hij persoonlijk Battaks, Boyans,
+Bandjareezen, Javanen, Soendaneezen, Boegis ondervragen, hij zou niet
+te weten komen hoe zij over dat werk in betrekking tot henzelven
+oordeelen. Het historisch gewordene wantrouwen van het overwonnen
+ras is te diep, dan dat het zoo voetstoots een onbaatzuchtige
+belangstelling in het overwinnende zou kunnen aannemen. Wie van
+buitenaf in Deli komt, zal het niet anders leeren kennen dan van
+het standpunt van den Westerling en den werkgever uit: nooit van het
+standpunt van den Oosterling en den werknemer uit. Mijn voorstelling
+zal niet anders dan een éenzijdige kunnen wezen; voor meér geef ik
+ze niet.
+
+Het is overbekend uit hoe klein begin de industrie is ontstaan die op
+het oogenblik voor de wereldmarkt werkt: de tabaksteelt op de Oostkust
+van Sumatra. Iedereen heeft het verhaal wel gehoord hoe een jonge man
+die, op Java zijnde, toevallig had gehoord dat tabak van bijzonder
+goede hoedanigheid groeide in Deli, op goed geluk daarheen ging,
+in een Chineesch vaartuigje; hoe hij, met een paar meubels van den
+schipper geleend zoo goed en kwaad als het ging, een Inlander-woning
+inrichtte die de Sultan hem in huur afstond; en hoe hij aan het
+werk ging met Europeesche helpers die het al spoedig opgaven en met
+Inlandsch werkvolk dat niet graag werken wou. De pionier beproefde
+de methode die hij op Java had zien slagen: op zijn Vorstenlandsch
+trachtte hij den arbeid van het volk te koopen door het belang van
+den vorst. Maar de moeite die voor de beloofde f 0.50 per pikol tabak
+de Sultan van Deli deed om zijn onderdanen tot planten te brengen
+was onvoldoende of vergeefs: en de planter moest omzien naar ander
+werkvolk. Hij dacht er te zullen komen met Javanen, een gezelschap
+hadji's te Penang overgebleven. [16] Maar de hadji's wilden veel
+liever preeken dan planten of plukken. Ten slotte nam hij de proef met
+Chineezen uit Singapore. Zij bleken onkundig van landbouw-werk: maar
+de begeerte om geld te verdienen en de leerzaamheid van den Chinees
+hielpen over dien hinderpaal heen. Een vorm werd gevonden voor de
+verhouding van werkgever en werknemers: het werk zou verricht worden
+in contract en betaald volgens een vastgestelde taak,--de aflevering
+van duizend boomen. Daarmee was ontstaan wat tot zulke reusachtige
+afmetingen zou opgroeien en beide zooveel goed en zooveel kwaad zou
+voortbrengen--een industrie in een nieuw land met uit den vreemde
+binnengebrachte arbeiders, volgens contract werkende.
+
+De pionier had in enkele jaren een reusachtig vermogen gewonnen. Die
+volgden op den weg door hem gebaand kwamen in groepen. Bij getalen
+werden maatschappijen opgericht. [17] Het werk ging nu in het groot.
+
+De streek waar het werd aangevangen was een wildernis,--oerwoud
+doorsiepeld van een ontelbare menigte riviertjes en beken, die in
+vrijwel evenwijdigen loop de Oostelijke hellingen van het Bataksche
+hoogland afgerend, op den vlakkeren grond gaandeweg vertragen; in
+poelen en moerassen liggen hun mondingen langs het zeestrand. Er waren
+duizenden en tienduizenden arbeiders noodig om in die woestenij ruimte
+te hakken en te graven voor de tabak. Het werd een trek als van een
+verhuizend volk uit alle omliggende landen waar honger geleden werd
+naar Deli: uit Britsch-Indië, uit Java, uit Borneo, uit China. Uit
+Europa ook, uit het ook-hongerige-Europa. Uit Holland, uit Engeland,
+uit België, Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, uit Polen zelfs
+(als men af kan gaan op dien naam van Polonia, dien een onderneming
+kreeg, zooals anderen de namen van Gallia, Helvetia, Hessia) kwamen
+arbeiders voor het tabaksveld, arbeiders met het hoofd, door de
+financiers-groepen in de verschillende landen die hun kapitaal in de
+nieuwe industrie staken, uitgezonden als leiders van de arbeiders
+met de hand. Tusschen de strandmoerassen en het barre gebergte,
+omringd door het al verder weggedrongen oerwoud, was iets als een
+kleine staat ontstaan. En de werkingen daarvan deden zich al spoedig
+naar alle zijden gelden.
+
+Het eerst wijzigde het gevestigde bestaan zich naar den nieuwen
+toestand. Door een serie van reorganisaties, die in 1873 begonnen,
+aanhield tot 1902, werd Deli losgemaakt eerst uit zijn verband met
+het Sultanaat van Siak, toen uit dat met de residentie Riouw; tot
+een afzonderlijk gewest gemaakt, kreeg het Medan tot hoofdplaats
+en de overige tabakvoortbrengende streken als onderafdeelingen. Het
+Nederlandsche gezag werd er versterkt tegenover dat van den Sultan,
+die voet voor voet moest wijken. De regeering trok de rechten aan
+zich over de menschen en over het geld: een nieuwe wet bracht onder
+Nederlandsch gezag en recht al wie in Nederlandschen staatsdienst of
+in dienst van Europeanen werkte; een verdrag met den Sultan bracht
+in de Nederlandsch-Indische schatkist de al aanzienlijker bedragen
+der in- en uitvoerrechten. Daar behalve de Sultan van Deli, die
+om zijn vijandschap met dien van Siak belang had bij een leven in
+vrede en vriendschap met de Hollanders, al de Sumatraansche vorstjes
+zich tegen die uitbreiding der Hollandsche machtsfeer verzetten
+en tabak-ondernemingen door gewapende benden werden aangevallen,
+kwamen troepen, die de nieuwe orde van zaken met den sterken arm
+doorzetten. De planters werden bevestigd in het pas gewonnen bezit,
+en nieuw land werd voor hen opengesteld.
+
+Onderwijl hadden zij zich onderling verstaan ter bevordering hunner
+gemeenschappelijke belangen: de Plantersvereeniging was opgericht. In
+het jaar volgend op dat der oprichting (1872) kwam de nieuwe
+organisatie tegenover de regeering te staan in zake de verhouding
+tusschen de planters en hun werkvolk. De wijze waarop de regeering
+die wilde regelen oordeelden de planters een voor hen nadeelige. Zij
+verzetten zich. De strijd was begonnen, waarin de koelie-ordonnanties
+van 1880, '91, '97, 1903 de wapenstilstanden waren en het ontwerp
+Blommestein met de tegen-actie der planters het laatst-geleden treffen.
+
+De snelle uitbreiding, ook in de ruimte, der nieuwe cultuur, had
+inmiddels de behoefte doen ontstaan aan middelen van verkeer. Een
+dochter-maatschappij der Delische, kwam de Deli-spoor tot stand. Zij
+werd in Holland zuur aangezien. Men vertrouwde haar niet recht. De
+Hollandsche geldbelegger, de groote zoo goed als de kleine, bewaarde
+zijn fiducie en zijn dubbeltjes voor Amerikaansche durf-allen en den
+Russischen Vogel Grijp, die met twee snavels tegelijk kan scheuren
+en slikt met een dubbele keel. De Deli-spoor zou er niet gekomen
+zijn zonder de Delische tabakkers. Zij begon te bouwen in 1883. En
+zulk een volharding, geestkracht en mate van wetenschap stelde zij
+tegenover aanvankelijk gebrek aan geld en de schijnbaar onverwinlijke
+moeielijkheden der natuur van het moerassige, zwaar overgroeide land,
+dat in 1890 de lijn voltooid was, die, 102 K. M. lang, de eiland-haven
+Belawan met Deli Toewa, Medan en Timbang Langkat verbond; en dat
+die 102 K. M. lengte gaandeweg uitgroeide tot ruim 262, loopend
+langs drie en twintig stations en haltes, terwijl rijtuigen, wagens
+en locomotieven vermeerderd werden tot een aantal, dat in 1911 het
+transport bewerkstelligde van ruim twee millioen reizigers en ruim
+400.000 ton vrachtgoederen. [18] Een begin is gemaakt voor een verdere
+uitbreiding van 123 K. M. lengte naar Assahan en Dollok Merassan, in
+het Oosten der Bataksche hoogvlakte, waar de nieuw begonnen cultures
+van rubber, gambier, copra en oliepalm behoefte hebben aan transport
+voor hun producten, terwijl het plan overwogen wordt voor den bouw van
+nog eens 200 K. M. spoorlijn het binnenland in. En inmiddels heeft
+dezelfde maatschappij den heerweg door de lucht gebouwd waarlangs
+de gedachte gaat en de levende stem. Van de haven tot de hoogvlakte
+en den heelen wijden ring van ondernemingen langs loopt de telefoon;
+en het telegraafnet heeft bijna 200 K. M. lengte.
+
+Tegenover dien groei vertoonde zich echter het verval: de
+onvermijdelijke neven-verschijnselen van een snelle industrieele
+ontwikkeling vertoonden zich: speculatie, overproductie, instorting. De
+jaren van 1884 tot '92 waren de magere die op zoo vele vette volgden,
+en van die vette vele verslonden. Rijke menschen werden tusschen
+ochtend en avond arm. Van de tabaksondernemingen ging alles wat buiten
+het eigenlijke centrum der teelt lag ten gronde. In Padang en Bedagei
+kon van zeventien ondernemingen maar eén enkele in stand gehouden
+worden. De ellende werd zoo erg dat een fonds moest opgericht "voor
+hulp-behoevende Europeanen." Er was geen geld, er was geen werk, en
+het scheen haast of het er nooit meer zou komen, na de groote crisis
+op de tabaksmarkt van '92, die op een jaar van misoogst, van lage
+prijzen en van faillissementen volgde. Echter, de tabaksteelt kwam er
+weer bovenop, en werd krachtiger nog na haar zware ziekte dan zij van
+tevoren was geweest. Als de landbouw en het zuivelbedrijf in Holland
+toen deed, als de suikerindustrie op Java al had gedaan, deed zij:
+zij verbeterde te allen kant haar methodes, zij verbeterde haar gewas,
+zij verbeterde haar arbeid. In '88 al had de organisatie der planters,
+ijverend voor altijd ruimer immigratie van werkvolk uit China, het
+Immigrantenbureau opgericht, waardoor regeling en nauwkeurige contrôle
+en een directe snelle correspondentie met het emigratiecentrum
+Swatow tot stand kwam. De vraag der openbare gezondheid eischte
+strenge voorzorgen tegenover het vele immigrantenvolk uit voortdurend
+besmette streken: de planters bouwden een quarantaine-station uit
+ruime beurs, naar de beste methoden. Daarmee was het niet gedaan. Op
+de ondernemingen ziek wordend werkvolk had geneeskundige hulp van
+noode. De bestaande was geheel onvoldoende. Zelfs met de beste zorgen
+en voorzorgen kon zelfs de meest voorzichtige en behalve voorzichtige
+meest menschlievende planter het niet bereiken, dat een zieke koelie
+naar den eisch werd verpleegd in het kleine hospitaal der onderneming,
+noch voorkomen dat zijn ziekte de oorzaak werd van de ziekte van
+wie weet hoeveel andere menschen. De verspreide en daarom zwakke
+krachten werden vereenigd en een centraal ziekenhuis opgericht te
+Medan, speciaal op de gewoonten van den Oosterling en den aard der
+tropische ziekten aangelegd. En naast dat huis voor herstellenden
+werd er een gebouwd voor wie niet meer herstellen zouden: een asyl
+voor gebrekkige, ziekelijke en oude koelies.
+
+Maar ook daar bleef het niet bij: gedachtig aan het woord dat
+voorkomen beter is dan genezen, sloegen de planters de handen ineen
+om een instituut tot stand te brengen waar de oorzaak der ziekten
+bestudeerd kon worden en proefondervindelijk de middelen tot wering
+onderzocht. Het Pathologisch Laboratorium verrees.
+
+Tegelijk en op dezelfde wijze--die van wetenschappelijk onderzoek en
+proefneming--gingen zij aan de verbetering van de geheele cultuur. Er
+werden proefvelden aangelegd en onder deskundig beheer gesteld. En in
+het laboratorium begon de arbeid met nieuwe methoden om de ziekten
+der tabaksplant te genezen, om op haar terende insecten te weren en
+om de voorwaarden van haar wasdom altijd door te verbeteren. Terwijl
+hun onvermoeibaar initiatief den toch zoo wijd getrokken en zoovele
+andere belangen omsluitenden kring van het eigen belang doorbrak
+met den bouw van een leiding, die de stad Medan zuiver drinkwater
+bracht uit de heuvels. Medan was in den tusschentijd gegroeid. Het
+was een stad geworden, éenig in Nederlandsch-Indië, een stad met
+"Europeeschen" zweem, ruim, regelmatig, zindelijk, met alle gerieven
+voorzien; en met een gehéél eigenaardig kenmerk: de jeugd van alle
+Europeesche bewoners. Als bijna al het andere is ook dit--dat er geen
+oude menschen zijn in Medan noch in Deli--weer een uitwerking van
+den voorspoed der tabaksindustrie: de menschen kunnen hier in korter
+tijd dan elders geld genoeg verdienen om verderen arbeid in de tropen
+onnoodig te maken. En jong nog en voor anderen werkkring bruikbaar
+gaan zij naar hun geboorteland terug, niet denkend aan "ver-indischen"
+en blijven. Zooals dat eenzame inlanderhuisje met het van een schipper
+geleend huisraad, waarin de pionier der Delische tabaksteelt begon
+met te wonen, het spiegelbeeld was van Deli in 1863, zoo is de volk-
+en geldrijke stad van jonge menschen Medan het spiegelbeeld van Deli
+in 1912.
+
+Zoovele en zoodanige dan zijn de uitwerkingen geweest van wat nu
+haast vijftig jaar geleden begon. Andere staan te wachten. En
+daaronder zullen er naar alle waarschijnlijkheid wel zijn, die
+niet toegejuicht zullen worden door wie die vroegere, terecht,
+toejuichten. Niet alleen de werkers hebben het werk gemaakt: ook het
+werk maakte de werkers. Zij zijn andere menschen nu, dan zij twintig
+of zelfs tien jaar geleden waren, de Delische koelies. Zij hebben
+gehoord van den strijd der arbeiders tegen het kapitaal in Europa;
+zij hebben eenzelfden strijd in hun eigen land zien beginnen, en bewust
+of onbewust, hebben zelfs diegenen de gevolgen ervan ondervonden, die
+niet zelven er aan deelnamen. Voor den Javaan en den Soendanees uit een
+afgelegen kleine dessa waar geen Europeaan ooit kwam, voor de mannen
+uit den binnenlanden van Borneo en het Sumatraansche gebergte is het
+koelieschap in Deli de ingang tot een nieuwe wereld geworden. En de
+Chinees is tot politiek bewustzijn ontwaakt.--Hoe zal dat alles Deli
+aandoen? Alleen dáarover is verschil van gevoelen: over de wijze van
+de inwerking. Niet over de vraag of zich, ja dan neen, eene inwerking
+zal doen gevoelen. Dat wordt aangenomen voor een zekerheid.
+
+
+
+
+
+Tabak en Tabakkers
+
+
+Toen ik voor het eerst een tabaksveld zag, in Mei, was het bloeitijd
+en oogsttijd tevens. In lange vegen lag het lichtroode waas van
+den bloesem gespreid over het grove grootbladerige groen van de
+heuvelvelden. En overal, tusschen de hooge struiken waar zij het blad
+afplukten, op de fel-zonnige paadjes waarlangs zij de volle manden
+naar de droogschuur droegen, was het Chineesche koelievolk aan den
+arbeid. In de schuren, koel en donker voor wie er binnenkwam uit
+den blakenden zonneschijn, zaten de Javaansche vrouwen het blad te
+rijgen aan dunne bamboe-stokken. Van de nok der hooge schuur af tot
+op manshoogte boven den vloer hing het vol van als franje afbengelend
+gebladerte, frisch groen, verleppend groen, geel, vaal, fijnbruin;
+en de tabaksreuk maakte de lucht prikkelig.
+
+Ik kwam terug in Juli; toen was de "schuurtijd" begonnen. Het volk,
+dat over de uitgestrekte velden her en der verspreid had geloopen, was
+bijeen in het middelpunt der onderneming: de groote fermenteer-schuur;
+en in de fermenteer-schuur ook was de tabak, die op die velden
+gegroeid en in al de droogschuren droog geworden was. In rijen van
+geweldige bergen en mijten, rechtgestapeld als hooischelven, stond de
+oogst opgetast van het eene eind der haast onafzienbaar-lange schuur
+tot het andere; en langs de wanden, in een dubbele rij er om heen,
+zaten vijfhonderd Chineezen het blad te sorteeren op lengte en op
+kleur; terwijl een menigte vrouwen op den verhoogden vloer in het
+midden zich heen en weer bewoog tusschen broeiende stapels tabak,
+die afgebroken en in een andere schikking der bladerbundels weer
+opgebouwd werden. In een afzonderlijk gedeelte van de schuur zaten
+de beoordeelaars, Chineesche mannen, Javaansche vrouwen, aan wie de
+sorteerders van de tabak hun werk kwamen toonen; zonder een woord
+te spreken, met een tegelijk snel en rustig gebaar, namen zij aan,
+bezagen en keurden goed of keurden af, naar twee zijden de bundels
+werpend. En de Chineesche boekhouder achter zijn lessenaar schreef van
+iederen koelie op wat hem aan loon toekwam. Binnenkort zou de laatste
+voor het laatste werk zijn uitbetaald, en de tabak, gepakt in de op
+Borneo gevlochten matten, aan boord gebracht van het stoomschip dat
+de waar naar de Amsterdamsche veiling brengt.
+
+De tabak die toen in de fermenteer-schuur behandeld werd,
+was uitgezaaid in December en overgeplant in Februari en
+Maart. Vijf-en-vijftig dagen had de plant daarna gebruikt om tot
+vollen wasdom en bloei te komen. De maand Mei was de tijd voor het
+oogsten geweest. Het had twintig dagen geduurd voor het groene blad
+in de droogschuren bruin was geworden; twee maanden voor de stapels
+gefermenteerd waren voor de eerste maal, en nog eens tweemaal zes weken
+voor het gesorteerd en voor de tweede maal gefermenteerd was. In negen
+maanden was de kringloop van het bedrijf voltooid geworden. En reeds
+waren op het veld de arbeiders al weer aan het werk die de velden
+bereidden voor een nieuwen oogst.
+
+Behalve het persen voor het in balen pakken van de tabak, is al de
+arbeid aan plant en product in die negen of tien maanden verricht,
+arbeid met de hand. Het bedrijf is eenvoudig, vergeleken vooral met
+de suiker. Maar inplaats van de complicaties door machinalen arbeid
+en door scheikundige onderzoekingen, heeft het niet minder bezwaren
+van anderen aard, ten deele van de teelt op zichzelve, ten deele van
+plaatselijke omstandigheden het onvermijdelijke gevolg.
+
+De tabaksteelt eischt, volgens het oordeel der planters, een rusttijd
+van acht jaar voor den akker na elken oogst. Dat maakt een voortdurend
+verplaatsen noodig van de woningen voor de assistenten en de koelies
+en van de schuren voor het drogen van het blad. Drie jaar lang kunnen
+de gebouwen blijven staan: de grond aan weerszij der "plantwegen"
+waarop het gewas wordt geteeld, ligt verdeeld in drie strooken,
+die de eene na de andere beplant worden. Is de oogst van de derde
+veld-strook afgehaald, dan begint de verhuizing-in-'t groot. Een
+nieuw stuk wordt in bewerking genomen van grond, die acht jaar
+lang braak heeft gelegen: en mèt het werk gaan de werkers en het
+werkgereedschap daarheen. Bij die periodieke verhuizing komt nog een
+jaarlijksche: in den "schaar-tijd" komen alle assistenten (op één na,
+die het volk surveilleert, dat bij het veldwerk blijft) te wonen
+in de huizen gelegen op het "emplacement," d. w. z. het terrein
+rondom het administrateurshuis, de fermenteerschuur, het kantoor
+en het koeliekampement. Die vele verhuizingen (een van de oorzaken
+die den assistenten het beginnen van een geregeld huishouden en een
+gezinsleven langen tijd onmogelijk hebben gemaakt) vorderen veel tijd,
+den arbeid van een groote menigte volk- en hooge uitgaven.
+
+Maar een moeilijkheid, zwaarder dan deze, en dergelijke uit het
+bedrijf voortkomende, is de bijkomstige, teweeggebracht door de
+oorspronkelijke gesteldheid der streek, onbewoonbare wildernis als zij
+was: de ontstentenis van inheemsch werkvolk, en de noodzakelijkheid van
+te werken met uit den vreemde geïmporteerde arbeiders van verschillende
+en ten deele onderling vijandige nationaliteiten. Dat was de groote
+moeilijkheid nu vijftig jaar geleden, en dat is de groote moeilijkheid
+vandaag nog. En de vrees van velen is dat het de groote moeilijkheid
+zal blijven, en een nog grootere worden misschien wel!--in de toekomst.
+
+Nemen wij als gemiddelde grootte van een onderneming aan 4000 bouw
+(waarvan altijd maar 1/8 in bewerking onder het heerschende stelsel van
+bebouwen), dan is daarvoor noodig, werkende onder een administrateur
+en van vier tot zes employé's, een volk van duizend arbeiders, mannen
+en vrouwen, van wie de helft gezinnen hebben. Van die duizend zijn
+vijfhonderd Chineezen, mannen alleen. De andere vijfhonderd, allen
+of zoo goed als allen getrouwd, mannelijke en vrouwelijke arbeiders,
+zijn, Javanen, Boegineezen, Boyans, Bandjareezen, Bataks, volk van
+de Westkust van Sumatra, Klingaleezen en Sikhs. Van deze vele rassen
+heeft elk een eigen soort arbeid, waaraan het zich houdt, zoo goed
+als eigen gewoonten en zeden die het geëerbiedigd wil zien, en eigen
+vooroordeelen, die het wonen en werken afzonderlijk van alle anderen
+tot een noodzakelijkheid maken, om niet te spreken van eigen ondeugden,
+waarmee rekening gehouden moet worden.
+
+De Chineezen zijn verreweg de beste arbeiders en aan wie het werk
+dat de meeste zorg vereischt toevertrouwd kan worden. De Chineezen
+wonen afzonderlijk, zoowel in den tijd van het veldwerk als in den
+schuurtijd, en gehoorzamen aan eigen opzichters, "tandils," die weer
+onder een hoofd-tandil staan. Zij hebben een tempel op de onderneming;
+en een theater (in den trant van de zeventiend'-eeuwsche theaters van
+Londen gebouwd) en een speelhuis, alleen voor zichzelven. Maar met
+die afscheiding naar buiten is het niet gedaan: ze zijn ook onderling
+gescheiden. Naar Deli komen Chineezen van drieërlei ras: Hailokhong,
+Teoetjoe (uitgesproken tjautjoe) en Keh. Hailokhong en Teoetjoe zijn
+echte landbouwers; Keh zijn ambachtslieden; Hailokhong en Teoetjoe
+zien verachtelijk neer op Keh. Bij die uit verre tijden dateerende
+verdeeldheid is onlangs de nieuwe gekomen tusschen oud-Chinees en
+jong-Chinees, keizersgezinde en republikein. Verder zijn allen,
+zonder onderscheid, hartstochtelijke spelers en is hun eenig spel
+het dobbelen, zoodat wie als goede vrienden neerzitten rondom het
+matje waarop de zeshoekige speeltol draait, elkaar misschien als
+doodsvijanden naar de keel vliegen aan het eind van het spel. De
+administrateur en zijn assistenten moeten op alles bedacht zijn om
+moord en doodslag te voorkomen bij nachtelijke opstootjes in het
+speelhuis.
+
+De Javanen zijn vooral grond-arbeiders, terwijl de vrouwen het lichte
+werk doen. Zij wonen in een eigen kampong, waar alles op zijn Javaansch
+is ingericht; hebben als gouvernementsonderdanen geen eigen bestuur,
+maar wel eigen mandoers en ook eigen velden voor rijstbouw. Zij
+dobbelen even erg als de Chineezen en zitten nog veel dieper dan
+dezen in speelschulden. Zij zijn min of meer getrouwd onder elkaar
+(dikwijls min) en die toestand van labiel evenwicht in het echtelijke
+veroorzaakt rare duikelingen, vooral als de evenwicht-verstoorders,
+als nog al eens gebeurt, Chineezen zijn.
+
+De Boyans (lieden van Bawean) zijn huizen-bouwers, en goed voor
+hun werk, maar al te langzaam. De traagheid maakt dat zij het veld
+moeten ruimen voor de handiger Bandjareezen. Er zijn er velen op
+de ondernemingen, boschloopers, houtkappers, timmerlui, die bij het
+gestadige afbreken en weer opbouwen hun werk hebben. Als reden voor
+de verhuizing naar Deli geven zij wel eens op: afkeer van de op Borneo
+gevorderde heerendiensten (die echter volgens officieele gegevens niet
+zwaar zijn). De aard van hun werk laat hun lange tijden van vrijheid,
+die zij gebruiken voor de bebouwing van gronden, tegen betaling van een
+huur in gewas van de onderneming gehuurd. Zij werken onder een eigen
+mandoer, maar hebben (als gouvernements-onderdanen) geen eigen bestuur.
+
+Bataks werken in menigte op de tabaksvelden. Zij hebben daar eigen
+dorpen, waarin zij, evenals op de Hoogvlakte, onder een eigen
+bestuur leven. Hun prachtige bouwstijl heeft al erg geleden onder
+de verhuizing naar deze nieuwe omgeving, die aan den anderen kant op
+sommige schadelijke overleveringen, als b.v. het tanden-afvijlen, weer
+gunstig inwerkt. Eén kwade gewoonte houden zij bijzonder hardnekkig
+vast: het brandbrieven-schrijven. De administrateur die op een dag
+aan zijn huis, of aan een tabaks-schuur, een bamboekokertje vindt
+hangen met een miniatuur houten mes en fakkel als zinnebeelden van
+doodslag en brandstichting, begrijpt daaruit dat er een Batak op de
+onderneming is die grieven heeft. Het behoeven geen grieven tegen
+hem, den administrateur, of zelfs tegen een der employé's te zijn:
+ze kunnen evengoed een mandoer, een anderen koelie, een dorpsgenoot
+van den bedreiger gelden. Maar in elk geval, de administrateur is de
+bedreigde: hij moet zorgen dat de grief, welke zij dan ook wezen moge,
+wordt weggenomen.
+
+De Klingaleezen die voor eigen rekening uit Madras en Pondicherry
+komen, leven in kongsies, onder een eigen hoofd, den kling-tandil. Zij
+zijn karrevoerders en verzorgers van het vee, en als zoodanig goede
+werklui. Maar zij geven veel overlast door hun onverbeterlijke
+drankzucht. De andere Britsch-Indiërs, Bengaleezen en Afghanen, zijn
+boodschappenloopers en nachtwakers. Een Afghaan, rijzig gebouwd, met
+felle oogen uit een trotsch-besneden gezicht kijkend, en nog grooter
+en fierder door den hoogen witten tulband, is een indrukwekkende
+verschijning, voor wie Inlanders en Chineezen beiden ontzag voelen. Dat
+komt hem te pas bij zijn nachtwakers-dienst en niet minder bij zijn
+woekeraars-beroep. Wie zou aan zulk een imposante persoonlijkheid
+twintig percent interest in de maand durven weigeren? Veel eer dan
+tegen hèm zal de koelie opstaan tegen den mandoer, die zijn werk
+afkeurt, of tegen den employé, die hem wegens luiheid doet bestraffen.
+
+Deze en zoodanige dan zijn de arbeiders op de tabaksvelden. En licht
+in te zien is de moeilijkheid voor de leiders eener onderneming,
+eene op zich zelf eenvoudige cultuur met hen te drijven, zóo dat
+het werk zijn geregelden gang gaat en ernstige botsingen daarbij
+vermeden worden, zoowel tusschen werkgever en werknemer als tusschen
+de arbeiders onderling.
+
+Van de kwade kansen waaraan de tabakscultuur onderhevig is, kansen van
+klimaat, markt, werkvolk afhankelijk, krijgt men ten naastenbij een
+voorstelling uit enkele cijfers door de Plantersvereeniging officieel
+medegedeeld. Van de 125 maatschappijen, sedert veertig jaar opgericht,
+die een gezamenlijk kapitaal vertegenwoordigden van 104 millioen,
+zijn geliquideerd of hebben het werk gestaakt niet minder dan 83,
+met een kapitaal van 51 millioen. En van de overblijvende 42 zijn er
+maar 13 met een kapitaal van 23 millioen, welker aandeelen boven pari
+staan; wel is waar zéér hoog daarboven.
+
+De goede kansen tegenover die kwade staande, komen uit in dien
+hoogen koers.
+
+De twee tegen elkander afwegend heeft een bekende autoriteit op het
+gebied van de tabakscultuur in Deli en haar geschiedenis als zijn
+eind-oordeel uitgesproken: dat er in het geheel bij de tabak tot nog
+toe meer geld verloren was dan gewonnen.
+
+
+
+De geschiedenis van Deli is in het verkleind en in het versneld een
+herhaling van die van Nederlandsch-Indië; en als voor de kolonie is
+er voor de streek een tijd geweest, dat vooral zij daarheen gingen,
+die nergens anders meer terecht konden. Voor Deli is die tijd nog
+niet sedert zoo lang voorbij; een twaalf, vijftien jaar geleden werd
+het nog vaak genoeg, en met genoeg reden, gezegd van jonge mannen van
+beter allooi: "te fatsoenlijk voor Deli." Dat hoort men niet meer. De
+wisselwerking van betere omstandigheden en betere menschen, omtrent
+1900 begonnen, heeft den toestand gunstig veranderd. Nu het noodlottig
+trouwverbod, uit een tijd dateerend van primitieve toestanden ter eene
+en kortzichtig eigenbelang ter andere zij, grootendeels of geheel is
+opgeheven, dank zij den moed dier eersten, die hun carrière er aan
+waagden om hun menschenrecht te verdedigen; nu er, ook door hen,
+die geen administrateur worden, toch weer behoorlijk geld wordt
+verdiend; nu er goede wegen gekomen zijn, gemakkelijke gemeenschap
+met Medan, spoorweg, telegraaf, telefoon; en geneeskundige hulp, de
+beste die in geheel Indië verleend wordt, dadelijk te krijg is: nu
+komen ook jonge mannen van goede opvoeding en goed gedrag naar Deli,
+als naar een passenden werkkring. Bij de tabak verdienen zij veel
+meer dan bij de thee of de koffie; en, daar het getal employé's op
+een tabaksonderneming van vier tot zes is, terwijl het gecompliceerde
+suikerbedrijf het drie- en vierdubbele aantal vordert op een fabriek,
+hebben "tabaksassistenten" een even veel malen grootere kans op het
+administrateurschap als "suikeremployé's."
+
+Eén nadeel echter--en het is een heel erg--schrikt velen van Deli
+af: de onveiligheid. Zij is er altijd geweest: van het begin af zijn
+aanslagen van koelies op Europeanen voorgekomen. Maar betrekkelijk
+veelvuldiger zijn zij geworden juist in den laatsten tijd, nu de
+oorzaken van haat der koelies tegen de Europeesche leiders van het
+bedrijf juist minder zijn geworden.
+
+Middellijk is dit een gevolg, een treurig gevolg, van een goede en
+verheugelijke zaak: de ontwaking van den Oosterling.
+
+De nieuwe ideeën nemen, het is waar, zonderlinge vormen aan in die
+voor het overgroote meerendeel nog totaal ongeschoolde hersens. Men
+kan hooren vertellen, onder Chineezen, dat een onlangs (op de Westkust
+van Sumatra) ingevoerde belasting der Nederlandsch-Indische regeering
+moet dienen om aan de Chineesche het "bloed-geld" te betalen voor de
+slachtoffers der jongstleden troebelen te Soerabaja. En de Maleische
+krantjes wagen het niet hun abonné's andere dan overwinningsberichten
+te brengen omtrent den strijd, dien de Beheerscher der Geloovigen
+tegen Italië voert. Maar hoe wonderlijk ook vergroeid, het idee is
+er en zit onverwrikbaar vast, dat de Oosterling, lang geminacht en
+geknecht, het juk van den Westerling heeft afgeworpen en tegenover hem
+staat nu als de eene mensch tegenover den andere: gelijken. Zoodat,
+wie vroeger zwijgend het grievendste onrecht verdragen zou hebben,
+vandaag zelfs tegen een geringe verongelijking zich met de uiterste
+heftigheid verzet.
+
+De arbeidsinspectie, ingesteld, om het terloops te vermelden,
+naar aanleiding van feiten niet in Deli voorgevallen--het waren de
+koeliemishandelingen in Redjang Lebong, die den stoot gaven tot de
+oprichting--de arbeidsinspectie, die zelfs van partijdigheid voor
+de koelies beschuldigd is geworden, maakt eigen richting overbodig,
+zoo goed als zij op zichzelf ongeoorloofd is. Maar de koelie ziet dat
+zelden, indien ooit, in. Maar al te dikwijls schrijft hij een uitspraak
+te zijnen gunste inplaats van aan rechtvaardigheidszin aan angst toe
+en vindt er op zijn best een aansporing in om een volgend maal liever
+zichzelven recht te verschaffen dan er op te wachten uit de hand van
+wie het hem toch moeten geven. Misschien is aan zulke averechtsche
+voorstellingen ook déze omstandigheid schuld, dat de inspecteerende
+ambtenaars voor het verkeer met de vele talen sprekende koelies zich
+van tolken bedienen: over zulk een omweg gaande kan veel verloren
+raken of verkeerd terecht komen. Slotsom: er is gevaarlijk veel kans
+dat het zelfbewustzijn van den koelie zal omslaan in overmoed.
+
+Nu de assistent. Meestal is hij een jonge man; de beginnelingen zijn
+even twintig. Hij heeft nog weinig menschenkennis; ervaring in het
+leiden van ondergeschikten, zooals hij er nu ten getale van tachtig
+tegelijk onder zich krijgt, nog in het geheel geen. Hij weet wat zijn
+werk is: helpen winstmaken, een zoo groot mogelijke winst. Daarvan
+hangt het af of hij spoedig vooruitkomt. Zijn eigenbelang drijft hem
+voort. Achter het zijne staat dat van zijn administrateur. Achter
+dat van den administrateur, dat van den hoofdadministrateur, weer
+daarachter dat van de directie en de aandeelhouders der Maatschappij,
+in een volgorde van toenemende kracht en nadruk. Dus voortgedreven komt
+de assistent te staan tegenover den koelie, de Westersche assistent
+tegenover den Oosterschen koelie. Er is gevaarlijk veel kans dat de
+ijver van den employé zal overslaan in dwingelandij.
+
+Vlak naast elkaar liggen de dyamiet-patroon en de lont: de
+allerkleinste vonk en daar laait en dondert de ontploffing.
+
+Er zijn ondernemingen waar dikwijls, er zijn er andere waar uiterst
+zelden botsingen tusschen werkvolk en leiders voorkomen. Voor een
+belangrijk deel zal dat liggen aan den administrateur. Het is voor
+hem niet gedaan met het verbod van slaan; dat verbod is er een dat
+iedere administrateur geeft, terwijl hij toch weet dat het niet strikt
+opgevolgd zal worden. Het denkbeeld van de minderwaardigheid van het
+gekleurde ras zit er al te diep in bij den blanke dan dat zelfs de
+humaan-voelende, in wien tegenover een blanken werkman de aandrift tot
+slaan niet op zou komen, zich tegenover den koelie altijd beheerschen
+zou. De groote kunst is: het voorkomen van de kans op botsingen. Dat
+is, natuurlijk, maar binnen bepaalde grenzen mogelijk in welk bedrijf
+ook; en in een bedrijf waar de ondergeschikte zoo zelfstandig moet
+handelen als in de tabaksteelt, kunnen die grenzen niet anders dan
+betrekkelijk nauw zijn. Het goede voorbeeld en wat men opvoeding van
+den assistent door den administrateur zou mogen noemen, moeten het
+overige doen.
+
+Degenen die in de preventieve kracht van straffen gelooven,
+eischen een strengere bestraffing, en vooral een spoedigere, voor
+koelie-misdrijven. Zij houden vol dat een dag of wat gevangenis
+en het te werk stellen aan den openbaren weg, het "grassprietjes
+trekken," geen straf is die den koelie van dienstweigering of van
+een aanval op een Europeaan zal weerhouden. Een voorstel is gedaan
+om tot werk onwilligen van regeeringswege te doen arbeiden aan een
+werk van openbaar nut, door de regeering ondernomen; dit werk te doen
+volvoeren voor den kost zonder loon; en uit de loon-waarde, na aftrek
+van de kosten voor voeding van den koelie, den planter de schade te
+doen vergoeden, door de dienstweigering geleden. Het is een der vele
+voorstellen naar aanleiding van het ontwerp-Blommestein geformuleerd,
+en waarop voor het eerste nog geen beslissing gewacht kan worden.
+
+Die meer dan van het bestraffen der misdrijven verwachten van het
+wegnemen dier toestanden, waaruit misdrijven voortkomen, dringen
+aan vooral op het afschaffen van het dobbelspel, dat de koelies
+demoraliseert en voorbeschikt tot allerlei geweldpleging. De regeering
+heeft indertijd zulk een verbod overwogen, [19] maar is niet overgegaan
+tot de uitvaardiging er van. Men weet dat in de Straits het verbod een
+uitwerking heeft gehad, aan de beoogde lijnrecht tegenovergesteld. Er
+wordt te meer gedobbeld in het geheim, buiten alle contrôle. Zelfs
+komen uit de gewesten, waar het spelen geoorloofd is, de speellustigen
+naar de verboden streek, om bijzonder hoog te kunnen dobbelen. Het
+oordeel van den bekenden Maleiervriend en kenner van Maleische
+toestanden, Frank Swettenham, luidt, dat men om het dobbelen te
+beletten, achter iederen Inlander een politieagent zou moeten zetten,
+en achter dien politieagent een tweeden, om den eerste op de vingers te
+zien, en zoo voort tot in het oneindige. Wat hij daarmee van Maleiers
+zeide, kan met gelijk recht gezegd van Chineezen. Waar de zaken zoo
+liggen, moeten de pogingen, die door weldenkende administrateurs
+gedaan zijn en nog worden, om het dobbelspel te weren wel vergeefs
+blijven. Een zeker toezicht oefent de Chineesche "tandil" uit, die de
+speelpacht (in onderpacht van den majoor-Chinees te Medan) heeft. Dat
+belet niet, dat er soms gevaarlijke twisten onder de spelers ontstaan,
+of dat zware verliezen geleden worden. De verbitterde verliezers zijn
+de volgende dagen in een toestand van ingehouden woede, die bij de
+geringste aanleiding tot een uitbarsting kan komen. Wie alles goed
+bedenkt, zal zich niet zoozeer over het voorkomen van botsingen
+tusschen Europeesche leiders en Oostersch werkvolk verwonderen,
+als wel over de betrekkelijke zeldzaamheid van zulke botsingen.
+
+De betrekkingen tusschen administrateur en employé's zijn, als in
+wezen eveneens die tusschen werkgever en werknemers zijnde, eveneens
+aan velerlei storing onderhevig en op zichzelven reeds bezwaard met
+de kwade kansen die elke tegenstelling van belangen medebrengt. En
+natuurlijk is bij een botsing de zwakkere, de employé, in het
+nadeel. Maar dezelfde oorzaken die in zooveel andere opzichten een
+verandering ten goede hebben bewerkt, hebben het ook hier gedaan. De
+employé van 1911 staat er beter voor dan de employé van 1890 deed. En
+de toenemende uitbreiding der cultuur, waarvan een toenemende behoefte
+aan geschikte arbeidskrachten het gevolg is, heeft voor "achter-gevolg"
+weer een toenemende verbetering van de positie der employé's, en een
+vermeerdering van hun middelen van verweer tegen onredelijke eischen
+of willekeur.
+
+Een grief niet tegen de administratie maar tegen de Directie der
+maatschappijen is, dat de inkomens en vooral de percentages aan
+employé's toegekend, buiten alle verhouding veel lager zijn dan die,
+toegekend aan de administrateurs.
+
+De administrateurs van hun kant oordeelen hun hoog salaris de niet meer
+dan redelijke vergoeding voor de verantwoordelijkheid die zij dragen.
+
+Beide eindelijk, althans velen van beide categoriën, voelen als een
+onrechtmatige beperking van hun persoonlijke vrijheid de bepaling
+door de maatschappijen gemaakt, dat de beambten een deel van het
+hun toekomende in de winst op rente moeten laten staan bij hun
+maatschappij.
+
+Daartegenover stellen de maatschappijen die bepaling voor als genomen
+enkel in het belang der beambten.
+
+
+
+De behoefte aan werkvolk uit den vreemde en de noodzakelijkheid om
+het door gunstige voorwaarden aan te trekken; de bemoeienis van de
+regeering sedert '72; vertoogen, nu en dan, van den kant van China,
+het vaderland van de meerderheid der koelies; de drang der openbare
+meening; en, zonder twijfel, ook de eigen menschelijkheid en zin
+voor recht hebben de planters gebracht tot een arbeiders-politiek,
+die van Deli een model-industrie-streek heeft gemaakt in meer dan
+een opzicht; in dat van de hygiëne vooral. Wat den buitenstaander
+het eerste treft, op de goedgeleide ondernemingen, is het gezonde
+uiterlijk van het werkvolk.
+
+Te danken is dat aan een beter loon dan òf Javanen òf Chineezen in
+hun eigen land krijgen; aan een betere huisvesting; aan de wettelijke
+beperking van den arbeidstijd (tot een maximum van tien uren); aan de
+verstrekking, in gedeeltelijke voldoening van het loon, van deugdelijke
+rijst, een marktwaarde hebbende van pl.m. f 13 (van het jaar is het
+f 13.50), voor f 9.75; aan het geven van velden die de koelies voor
+eigen gebruik bebouwen; en, vooral, aan den geneeskundigen dienst,
+dien de planters voor hun volk hebben ingericht.
+
+De afdeeling Sumatra's Oostkust der Vereeniging tot Bevordering
+der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch-Indië heeft daar
+de publieke aandacht op gevestigd met de brochure, die zij uitgaf
+naar aanleiding van het ontwerp Blommestein, dat, in het oordeel der
+artsen, dien gunstigen toestand bedreigde. De hier volgende opgaven
+zijn grootendeels aan die brochure ontleend. De oorspronkelijke
+toestand was: iedere onderneming behandelde haar eigen zieken. Uit
+den aard der zaak was die behandeling onvoldoende. De versnipperde
+krachten werden vereenigd en een geneeskundige dienst kwam tot stand,
+die twintig centrale hospitalen bouwde, een centraal pathologisch
+en bacteriologisch laboratorium, en een quarantaine-station,
+en een staf aanstelde van twee-en-twintig Europeesche medici en
+drie dokters-djawa. In vergelijking met de overige bevolking van
+Nederlandsch-Indië wordt voor de Delische koelies zestig maal meer
+aan geneeskundige hulp uitgegeven: bijna een millioen jaarlijks
+(f 900.000) voor ongeveer 120.000 contract-koelies op Deli, tegen
+ongeveer 5 millioen voor ongeveer 35 millioen inwoners van geheel
+Nederlandsch-Indië. Het gevolg komt ten duidelijkste uit in de cijfers
+der sterfte-statistiek, die, in tien jaar tijds van 60 op 1000 tot 15
+op 1000 zijn gedaald, cijfers tot nog toe nergens elders op tropische
+ondernemingen bereikt, terwijl die van veel plaatsen van vijf tot tien
+maal hooger zijn; en bij een vergelijking met West-Europeesche landen
+alleen voor de meest gunstig-gestelde klasse van arbeiders cijfers
+worden gevonden gelijk aan die van sommige Delische maatschappijen. Een
+niet te berekenen weldaad is vooral voor de Javanen--de Chineezen komen
+over het algemeen in betere lichamelijke gesteldheid hier aan--de
+geneeskundige behandeling op Deli. De overgroote meerderheid--de
+laatste statistiek noemt 85 pct.--lijdt aan mijnwormziekte. Oogziekten,
+ingewandsaandoeningen en allerlei slepende kwalen die het gevolg
+zijn van onvoldoende voeding en huisvesting zijn algemeen onder hen,
+evenals koortsen. Zij worden daarvan genezen, met of zonder eigen
+goedvinden. Dat klinkt zonderling; maar de Javaan is, ook op dit
+punt, een groot kind. Veel liever is hij ziek en blijft ziek, zoowat
+sukkelend en knoeiend met de geneesmiddelen van een doekoen en allerlei
+talismans, bezweringsformulieren, en tooverkunstjes, dan dat hij naar
+een hospitaal gaat waar hij aan strenge regels is gebonden en leelijke
+drankjes misschien moet slikken. En wat Javanen uit kinderachtigheid
+doen, dat doen Chineezen uit verkeerde zuinigheid. Zij kunnen niet
+verdienen als zij in het hospitaal liggen. De Deli Spoor kon indertijd,
+toen zij door een moerasachtige streek een lijn bouwde waar malaria
+uitbrak, van de Chineesche koelies die het werk aangenomen hadden,
+het niet gedaan krijgen, dat zij de voor hen beschikbaar gestelde
+woningen op een afstand van het moeras gelegen, betrokken; ze verloren
+met heen en weer reizen te veel tijd: liever liepen zij de kans van
+aan malaria te sterven. Toen het sterftecijfer 50 pct. bereikte
+verliep het volk. De Deli Spoor begon opnieuw met eigen koelies,
+die zij inkwartierde in een koortsvrije streek, wien zij belette
+vóor zonsopgang en na zonsondergang te werken, en voorging met
+het prophylactisch innemen van kinine; daarmee was aan de sterfte
+een eind gemaakt. Op geheel dezelfde wijze moeten de Delische
+planters tegen hun Chineesche koelies optreden: en zij hebben bij
+hen hetzelfde gelukkige resultaat bereikt. De koelie werkende onder
+het koelie-contract dat hem te dezen opzichte dwingt [20], is onder
+en door dien dwang in een beteren toestand gekomen dan de naar eigen
+gebrekkig inzicht levende vrije arbeider ooit bereikt. En dit voordeel
+voor het individu is tegelijk een voordeel voor de gemeenschap, want
+doordat de zieke in een hospitaal verpleegd, dus geïsoleerd wordt,
+houdt het gevaar op, dat hij zijn omgeving besmet--een gevaar dat
+moeilijk overschat kan worden bij het groote aantal infectieuze
+ziekten waaraan vooral Javaansche koelies lijden--dysenterie,
+cholera, mijnwormziekte, om maar de meestvoorkomende te noemen. Het
+vooroordeel der arbeiders is gaandeweg aan het verdwijnen tegenover de
+dagelijksche ervaring. Dat zij den algemeenen toestand op de Delische
+tabaksondernemingen waardeeren, blijkt trouwens uit de cijfers. Volgens
+de laatstverschenen statistiek zijn er van elke honderd tachtig die na
+verloop van hun contract het vernieuwen. Zij gaan wel terug naar hun
+land, omdat zij, de reis vrij hebbend, hun familie op willen zoeken
+en hun belangen waarnemen in hun geboorteland; maar na afdoening
+van zaken komen zij weerom. In de laatste jaren--nadat de treurige
+gevolgen van de inzinking in de jaren 1890 verdwenen, of zoo goed als
+verdwenen waren--heeft Deli onder werkzoekers zulk een goeden naam
+gekregen, dat koelieronselaars op Java "voor den overwal" wervend,
+werkvolk kunnen lokken met de voorstelling van Deli als land van
+bestemming, wanneer zij inderdaad naar andere streken geëxpedieerd
+zullen worden, waarheen zij niet wetens en willens zouden gaan. Wat
+de Chineezen aangaat: de Chineesche regeering, die in 1909 emigratie
+uit Chineesche havens naar Banka en Billiton heeft verboden [21]
+laat die naar Deli vrij. Het streven van de planters is tegenwoordig,
+de aanwerving zooveel mogelijk te bevrijden van de misbruiken die haar
+terecht in discrediet hebben gebracht. Voor de Chineesche koelies is
+het al, gedeeltelijk, bereikt door dat systeem dat de werving uit
+de handen der ronselaars neemt en legt in die der koelies zelven,
+die repatrieërend, familie en kennissen werven, met wie zij dan
+terugkeeren naar Deli. Er zal nu op Java hetzelfde beproefd worden.
+
+Zoo, ongeveer, doet Deli zich voor aan den buitenstaander die, als
+Westerling, van Westerlingen-standpunt er naar ziet. Hoe lijkt het
+den Oosterling? Hoe staat de koelie tegenover de onderneming van
+Europeesche kapitalisten en planters?
+
+Ik kan het niet zeggen. Maar over de geheele wereld is degeen die werkt
+in het nadeel tegenover dengeen die bezit, ziet hij dus de dingen van
+den anderen kant, meet hij dus met een anderen maatstaf. En in een
+kolonie is de arbeider tweemaal in het nadeel: éénmaal als arbeider
+en éénmaal als lid van een overwonnen en daarenboven economisch
+en cultureel nog achterlijk ras. Het oordeel van den koelie over
+Deli moet dus op hoofdpunten tegenovergesteld zijn aan dat van den
+Deli-kapitalist of den planter.
+
+Het onweerlegbaar bewijs--als er nog een noodig mocht zijn--dat
+niettegenstaande alle voordeelen de overgroote meerderheid van de
+koelies met den toestand niet tevreden is: de poenale sanctie is
+noodig gebleken om hen aan het werk te houden. Die moet hier doen wat
+in het van nature armere Europa de wreede honger doet: dwingen. Het
+lijkt een veel erger teeken, dat koelies de Europeesche employé's
+soms aanvallen. Maar wèl bezien is het dat niet. De aanslagen zijn,
+op het groote aantal koelies gerekend, zeer zeldzaam. En daarbij,
+hebben zij niet de beteekenis die in Europa de aanslag van een arbeider
+op een werkgever zou hebben. Onder Europeanen zal men in het algemeen
+uit de hevigheid van de weerwraak tot de hevigheid van de beleediging
+kunnen besluiten. Maar met Oosterlingen kan men dat niet, omdat hun
+inborst de verhoudingen (voor een Westerling de natuurlijke) tusschen
+oorzaak en gevolg in het psychische verandert.
+
+Zoo moeilijk het voor ons is het gemoedsleven van den Oosterling te
+begrijpen, zóoveel weten allen die eenigen omgang met hem hebben
+gehad: dat bepaalde aandoeningen niet dadelijk hem tot handelen
+brengen, maar lang blijven nawerken en gaandeweg aan intensiteit
+toenemend, ten slotte, soms zonder oogenschijnlijke aanleiding,
+uitbarsten in een daad, die geheel en al buiten verhouding staat
+tot de aanvankelijke oorzaak. Verder: dat onder den invloed van in
+bepaalde vormen nog voortlevende communistische opvattingen, hij de
+gemeenschap verantwoordelijk stelt voor het bedrijf van welk ook harer
+leden. En, eindelijk, dat hij in hartstocht alle bezinning plotseling
+verliest, "mataglap" wordt, "verduisterd van oogen," en letterlijk
+in den blinde naar een slachtoffer slaat. Die dat weet, weet ook,
+dat het niet een erge verongelijking behoeft te wezen, die met een
+bloedige wraak gewroken wordt, en dat het evenmin de verongelijker
+zelf behoeft te zijn die getroffen wordt door de weerwraak. Terwijl,
+zonderling genoeg, werkelijke hardvochtigheid niet dan hoogst zelden
+oproer verwekt tegen den hardvochtige.
+
+Veel dat nu geweten noch begrepen wordt, zou voor allen duidelijk
+worden, wilde iemand den arbeid ondernemen uit de vonnissen der
+Delische rechtbank de op koelie-delicten betrekkelijke af te zonderen,
+en uit "het juridisch" in het Hollandsch te vertalen. Althans datgene
+wat nu in volle onwetendheid misdaan wordt, ware dan te vermijden. Dat
+is natuurlijk niet meer dan een onderdeel van het geheel waartegen het
+verzet der koelies gaat. En zoo zijn ook de koelie-aanslagen op dezen
+of genen mandoer, tandil, employé, administrateur, minder-beduidend
+dan die gebleken noodwendigheid van de poenale sanctie, als teeken
+van de stemming der arbeiders, tegenover dezen of genen meerdere niet,
+maar tegenover het geheele systeem.
+
+Het Delische systeem is, ten slotte, het koloniale systeem in het
+klein; en de toestanden op Deli op kleinere schaal--en behoudens de
+verschillen veroorzaakt daardoor dat zooveel koelies niet-Inlanders
+zijn,--vrijwel dezelfde als die in de geheele kolonie.
+
+Het afloopende systeem van belangen, dat inlandsche vorsten en
+edelen aan de zijde van den overheerscher brengt tegenover hun
+eigen landgenooten, wordt herhaald in het systeem, dat met premies
+op koelie-werving en koelie-arbeid, tandils en mandoers op de hand
+van den ondernemer brengt. Oneindig veel beter dan onder zijn eigen
+vorsten vroeger heeft de inlander het nu onder het Nederlandsche
+gezag; en oneindig veel beter dan als "vrij man" in zijn eigen land
+heeft Chinees en Javaan het op Deli onder den planter.
+
+Niettemin heeft de Nederlandsche Regeering ten slotte troepen
+noodig. En niettemin behoeft de planter een bijzondere wet. Waarom
+anders dan omdat, ondanks alles de Inlander en de koelie het belang
+niet hebben bij de handhaving van de toegepaste stelsels dat de
+Nederlandsche Staat en de Deli-Maatschappijen er bij hebben, en dat
+inziende, zich gaan verzetten?
+
+De gedachte aan mogelijke gevolgen is voelbaar in de moreele atmosfeer
+van Deli.
+
+
+
+
+
+Naar de Bataksche hoogvlakte
+
+
+In de weinige uren tusschen dageraad en middag kan men van Medan naar
+de Hoogvlakte der Bataks komen--van de twintigst'eeuwsche beschaving
+naar den natuurstaat. Een uitstekende weg en automobielen maken het
+verbijsterende wonder mogelijk.
+
+De weg, die, bij ongelijke deelen, door de planters, den Sultan en de
+Ned.-Indische regeering is aangelegd, loopt van Medan af een tijdlang
+tusschen tabaksvelden door, waar hoog, breed, bruin en ruig in hun
+rieten bekleeding, als reuzen in berenpelzen, de groote droogschuren
+staan, en over ondernemingen, waar de huizen van administrateurs en
+assistenten villa's lijken in een wijd, mooi aangelegd park. Dan begint
+hij te stijgen. Het landschap verandert; in groote golvingen, op en
+neer, deinen groen-blauwe heuvelrijen aan, de vorm van verre toppen,
+flauw ontwaard eerst tegen het blauw der lucht, wordt duidelijker,
+diepe schaduw en koelte van woud valt over den weg, die, wittig,
+in lange slingeringen klimt, uit een verborgen ravijn klinkt het
+ruischen en schuren, dat snel water doet over gesteente. Al hooger
+stijgt de zon aan de fel-blauwe lucht, waarin witte wolken verblindend
+blinken; maar het is koel hier als in allervroegsten morgen; het gras,
+het hooge varenkruid, het struikgewas langs de steilten blinkt van
+dauw. Een lichte wind komt en gaat, in golven van frischheid. En
+alles geurt zoo. Niet het dauwige en zonnige gras alleen, of al
+dat kruizemunt-achtige bladerruig langs den weg, of de oranje,
+roode en paarse bloem-tuiltjes der lantana, die de hellingen als
+met vonken oversprenkelen, of, zoetst van alles, de arèn-bloesem,
+in lange, donkere trossen hangende langs den stam, die als een zuil
+zoo slank onder zijn kapiteel van uitbuigende blader-takken, zwart
+en monumentaal tegen den vuur-blauwen hemel staat; maar van overal,
+uit alles, tot uit vochtige steenen en de naakte bruine aarde zelve
+toe, komt wèl-reuk gewademd. Een niet goed te benoemen fijnheid in
+de atmosfeer, iets ijls, teeders, héél-zuivers veredelt de forsche
+weelderigheid der tropische natuur. Van den rand van een steil ravijn
+af gezien, waarlangs de bergen oprijzen, donker van woud, ligt de
+verre flauw-blauwe Medansche vlakte, met de fonkelstreep van de zee
+langs haar zoom, als een andere, vreemde, vèr-verwijderde wereld.
+
+Twee dagen voor dien van onze reis had een aardstorting een gedeelte
+van den weg overstelpt: werkvolk was nog bezig met wegruimen en
+gelijk maken, en een twintig man kwamen te hulp om den auto over
+de zacht-inzakkende plek te krijgen. Ik had al Bataks gezien te
+Medan. Als Zigeuners zaten ze, langs den eenen kant van de Esplanade,
+voor de lange rij van hun overhuifde buffelkarren in het gras gehurkt,
+ieder bij zijn koopwaar, vruchten meest en groenten uit het gebergte,
+en flesschen palmwijn; 's avonds flikkerden hun wachtvuurtjes;
+zonderling keken de donkere gezichten op uit den schijn. Maar hier
+pas, in hun eigen omgeving, zoo velen bij elkaar, en buiten het
+verwarrend vergelijk met de vele andere Oosterlingentypen der stad,
+kwam hun eigenlijk wezen goed uit. Niet groot van stuk zijn zij echter
+forsch gebouwd, en hun bewegingen bedaard en krachtig. In het gezicht
+vertoonen zij tweeërlei type: het eene, het Maleische, dat grof is van
+trekken en ommelijn, heeft iets sombers en dreigends; wat komt door een
+boven de oogen sterk vooruitspringend voorhoofd. Het andere maakt een
+zeer verschillenden indruk; de trekken zijn rechtlijnig, de glanzige
+oogen lang en smal, de mond welgevormd, het gezicht ovaal. Er is
+verwantschap tusschen dit type van Batak en de Britsch-Indiërs, die men
+in Medan ziet. Inderdaad wordt een immigratie uit vastelandsch Indië,
+als voor eeuwen plaats gehad hebbende, door ethnografen aangenomen. De
+weg naar de Hoogvlakte loopt langs het Batakdorp Sibolangit; wij gingen
+het bezien. De wijze van binnenkomst was over eenige steenen en een
+bamboe omheining heen. Weg of pad was er niet te bekennen. De huizen
+stonden her en der, elk op zichzelf. Wonderlijke huizen! en mooi! Aan
+niets doen zij zoozeer denken als aan sierlijke schepen. De wanden,
+van planken, als die van een schip, staan, evenals scheepswanden,
+schuins naar buiten. Men peinst, verbaasd, over de reden die de
+menschen tot zulk een bouw gebracht mag hebben. Half verwacht men
+dat het huis, als een schip, zal beginnen te slingeren in den wind;
+en men gaat denken aan verschrikkelijk geweld van zee en storm, iets
+als de zeebeving van Krakatau bijvoorbeeld, die een heele vloot van
+visschersschepen omhoog geslingerd en op het gebergte weer neergeworpen
+heeft; daar zijn dan de scheepsrompen tot huizen verbouwd....
+
+Die lage, schuins-uitgebouwde huizen staan op palen, een voet of
+vijf boven den grond; en onder een geweldig hoog dak, waaronder zij,
+als verloren, schuil gaan. (Zóo gaat een schip schuil onder de wijdte
+en hoogte van zijn volle zeilen.) De nok van dat bovenmatig hooge,
+steile dak, is versierd met gehoornde buffelkoppen, die bukken tegen
+een onzichtbaren vijand: de storm, de bliksem en de donder zijn het,
+die zij dus dreigend afweren. Onder dat toornige en het donker van
+het met riet en zwarte palmvezel gedekte dak, staat vroolijk het
+driekant van den gevel vol aardige kleuren, in een sierlijk patroon
+beschilderd. De lage wanden van het huis zijn ook versierd. Ten
+eerste met het zwartige vlechtsel van arenvezel-touw, dat de planken,
+in een gleuf gevoegd, bijeenhoudt--want de Batak, als elke Maleier,
+spijkert niet, maar bindt zijn huis in elkaar. Door de wijze waarop
+dat touw door de reten wordt geregen ontstaat de teekening van twee
+paren reusachtige hagedissenkoppen (een kop en pooten aan elk einde
+van het lange lijf) naar voor- en achtergevel van het huis gericht. Een
+tweede ornament is een geschilderde rand van rankend gebladerte, dat,
+onder de hagedissen, langs den wand loopt. Zóó, tegelijk imposant en
+vroolijk, half paalwoning, half schip, donker van dak en bont van
+gevel, staat het wonderlijk-mooie huis van den Batak, de heemstede
+elk van acht gezinnen. De bewoners zien er stemmiger uit. Mannen en
+vrouwen dragen kleederen van één kleur, indigo-blauw; hier en daar
+enkel loopt een randje van wat lichter blauw, soms een simpel motiefje,
+door inbinden van de nog ongeverfde stof verkregen, een rij ovaaltjes,
+die op snoeren kralen lijken, zoo bij den eersten oogopslag. Een enkele
+heeft aan het korte jak wat versiersel van gestikte figuren, kleur op
+kleur. De indruk is wat somber en eentonig voor oogen, gewend aan de
+kleurige kleedij van Java en vooral, het prachtige Bali. Maar niettemin
+staat al dat blauw van kleeren en bruin van huid mooi bij elkaar. De
+kinderen fleuren het op met een menigte sieraden, die zij om hals en
+polsen, op de borst en langs het gezicht dragen: zilveren armbanden,
+kettingen van groote zilveren muntstukken (Straitsdollars en oude
+Spaansche matten vooral), gouden bellen en bolletjes, allerlei fijn
+sieraad aan dunne snoertjes, dat, boven aan de oorschelp vastgemaakt,
+langs hun wangen bengelt. De vrouwen tooien zich met een eigenaardig
+gevouwen hoofddoek, die als een breede rol boven het voorhoofd ligt
+en een langen, gewrongen, horizontaal uitstaanden kegel vormt tegen
+het achterhoofd aan. Aan weerszijden blinken daar hand-lange zilveren
+ornamenten in lier-vorm tegen, dubbele, van elkander afgewende spiralen
+aan langen stengel; het linksche ornament naar voren, het rechtsche
+naar achteren gericht. Deze "oorijzers" en de blauwe kegel-kap, die
+zij in fatsoen houden, vormen een even schilderachtigen als vreemden
+hoofdtooi. Alleen geeft het den Westerling een pijnlijk gevoel te zien,
+hoe de zware zilveren stengel boven door de oorschelp der vrouwen
+heengaat. Het sieraad zit wel vast in den hoofddoek, maar wordt toch
+door het oor ook vastgehouden. En, naar ik hoor, gebeurt het vaak,
+dat bij het gebukte werken op den akker, zulk een ornament losschiet,
+en de oorschelp doorscheurt.
+
+Vrijmoedig als de Bataks gelukkig nog zijn, kwamen mannen, vrouwen
+en kinderen op ons toe, vroegen van waar en waarheen en wat wij
+kwamen doen, en boden ons een dronk aan: het zoete water uit eenige
+klappernoten, die een jongen rap uit den boom ging halen.
+
+Zij zagen er welvarend en weltevreden uit, goed-hartig ook,
+niettegenstaande het donkerende van dat over de oogen uitspringende
+en licht-fronsende voorhoofd. En de kleine kinders, dik-gebuikt
+en piep-smerig, waren allerliefst. Door kippen, honden en horden
+pikzwarte varkens heen brachten zij ons naar de plek, waar de omheining
+overgeklommen kon worden. En wij kregen een vriendschappelijken groet
+mede op de weer voortspoedende reis naar de hoogvlakte. Een goed uur
+later hadden wij haar bereikt--een gedempt-groene, hemel-wijde rondte
+binnen een kring van in verte verflauwende ketens en toppen, waar
+boven uit, majestueus, twee bergkolossen rijzen: de harmonisch-aan
+stijgende Sinaboen, de schoone kegel, in het Zuidelijke Westen; en
+in het Noord-Oost, geweldig met zijn gescheurde toppen en fel-bleeke
+zwavel-schacht, de Si-bajak, wiens naam "de Heerscher" beduidt.
+
+
+
+
+
+Onder de Karo-Bataks
+
+
+In gezelschap van den besturenden ambtenaar waren wij de nieuwe
+leiding bij Payong gaan zien, die aan de menschen en de velden
+dezer van droogte verterende streek water toe zal voeren. Een lange
+ris vrouwen, den bamboe-schalm op het hoofd, die hier voor emmer,
+schepper, kan en vat wordt gebruikt, kwam juist het steile paadje
+van het dorp naar de rivier af. Ons ziende, bleven zij staan. "Eh,
+zusters, wat zijn dat voor Hollandsche mannen, die met den Toewan
+Besar zijn meegekomen?" Eene riep terug: "Dat zijn geen mannen,
+maar vrouwen!"--"O, vriendinnen!, hoor Djaroeng, hoe zij spot! Zij
+noemt mannen vrouwen!"--"Neen, vaders-zuster, ik spot niet! Die
+twee zijn werkelijk Hollandsche vrouwen." Al de vrouwtjes begonnen
+te lachen. Wat? Geen sarong noch slendang aan, en geen doek op het
+hoofd, maar een witten hoed, zooals de Groote Heer zelf er een droeg,
+en op den openbaren weg in zijn gezelschap en in gesprek met hem,
+en geen last op het hoofd, noch een kind in de draagsjerp, neen,
+geheel en al niets doende, vrij en frank, voor eigen genoegen gaande
+naar eigen wil--dat zouden vrouwen wezen? Zelfs de kleine meisjes,
+wichtjes van een jaar of vijf, zes, die met een nog kleiner wicht op
+den rug zwoegden, moesten er om lachen.
+
+Zoo zeldzaam zijn nog, daar waar de groote weg ophoudt, de aanrakingen
+geweest tusschen Hollanders en Bataks.
+
+Er zijn vier stammen van Bataks: de Toba, in de streek rondom het
+Toba-meer, die voor de bakermat van het volk geldt; de Timor ten
+Oosten, de Pakpak ten Westen van hen; en in het Noorden de Karo,
+die voor de meest beschaafden gelden. Onze kritische beschouwsters
+bij de waterleiding waren Karo-vrouwen.
+
+Het is een demokratisch-gezind slag. Voor de expeditie van 1904 en de
+regeling der toestanden door het gouvernement leefden zij in hun dorpen
+onder het gezag van hoofden, die zij zelven kozen en handhaafden zoo
+lang het hun goed docht. Het beginsel van erf-opvolging bestond;
+maar sterker dan die theorie was de practijk, die eischte,--en
+doorzette--dat de best-geschikte hoofd werd. Die geschiktheid bestond
+in vaardigheid met de tong en vaardigheid met de vuist. Een radja moest
+welbespraakt zijn. Want elk Karo-dorp had altijd door geschillen met
+elk ander Karo-dorp, over akkers, over recht van jagen, van visschen,
+van houtkappen, van weiden en gras-snijden. En die geschillen werden
+in den raad der dorpshoofden besproken en beslecht. Ieder hoofd trad
+daar op als advokaat van zijn dorp: het kwam er dus op aan dat hij
+een goed advokaat was. Verder werden geschillen, die op die vreedzame
+wijs niet bijgelegd konden, uitgevochten met de wapens. Dat gebeurde
+veel. Want de uitspraak der hoofden-vergadering was niet bindend;
+alleen raad-gevend. Wilde iemand dien raad niet aanvaarden, dan zei hij
+het en trok van leer. In het gevecht van dorp tegen dorp, (dat evengoed
+particuliere als gemeenschaps-aangelegenheden betreffen kon; want het
+was in alle dingen één voor allen en allen voor een bij de Bataks),
+was, alweer, de radja de aanvoerder; daarom kwam het er op aan dat hij
+een goed soldaat was. Was hij het een en het ander, dan bleven zijn
+aanhangers hem trouw, en hij behoefde zich weinig te bekommeren om de
+op erf-opvolging gegronde aanspraken van mededingers. Te Kaban-Djahe,
+het groote welvarende dorp dat om ligging, zielental en rijkdom door
+landbezit en opkomenden handel wel kan gelden als hoofdplaats der
+Karo-Bataks, wonen nog twee hoofden, die het echte type van dien tijd
+vertoonen, de een vooral vechtersbaas, de andere vooral redenaar; zij
+zijn bekend onder de teekenende namen van "de Grove" (Pa M'Belgah)
+en "het Lampje" (Pa Palita) mededingers van oudsher, en natuurlijk,
+elkanders doodsvijanden. De redetwisten waaruit Het Lampje zegevierend
+te voorschijn kwam zijn verwaaid. Maar de sporen van de oorlogen door
+den "Grove" uitgevochten zijn menigvuldig in en rondom Kaban-Djahe.
+
+Die oorlogen werden namelijk gevoerd van kleine vestingen en
+hinderlagen uit. Elke heuveltop die den omtrek van het vijandige
+dorp overheerscht was een vesting. En hinderlagen werden gemaakt
+door het graven van een kuil in den ruig-bewassen grond, waarin een
+man zich staande kon verbergen, tot aan de oogen toe: hij zag en
+werd niet gezien: wie er aankwam dien schoot hij in de beenen. Er
+vielen niet vele dooden bij die "oorlogen," het was veel geschreeuw
+en weinig wonden. Maar de schade aan veld en vee toegebracht was
+dikwijls belangrijk. En altijd bestond de kans dat de Atjehers er bij
+kwamen, wanneer het met zulke schade niet afliep. De Atjehers waren de
+"condottieri" der Bataks: zij vochten voor eigen voordeel in anderer
+zaak. Zij kwamen hun hulp aanbieden tegen betaling. De Karo's waren
+van die hulp dikwijls gansch niet gediend; maar namen aan, tegen heug
+en meug, omdat ze niet anders durfden. De Atjehers waren vechtersbazen,
+hun klewangs sneden vleesch. En als ze de overwinning hadden bevochten
+betaalden zij zichzelven onpartijdiglijk uit het bezit van bondgenoot
+en vijand beide. Zoo was het een toestand van voortdurende onrust,
+van voortdurend gevaar waarin de Bataks leefden. Dat is misschien
+wel de reden waarom zij zich zoo weinig verzet hebben tegen de
+annexatie. Terwijl zij bukten voor de macht van den sterkere,
+begrepen zij dat zulk bukken hun voordeel zou kunnen aanbrengen. Het
+waren maar enkele dorpen die zich ernstig verweerden. Van de meesten
+kwamen de hoofden hun onderwerping aanbieden, na niet veel meer dan
+een schijn van verzet. Eéne voorwaarde echter stelden zij allen,
+zonder uitzondering, en met den meesten nadruk: de grond moest hun
+eigendom blijven, dat zonder hun wil niet vervreemd kon worden. Zij
+wilden geen toestanden als in het benedenland, waar de sultans het land
+verkochten aan de planters. Toen zij die toezegging ontvangen hadden
+legden zij zich zonder meer bij de nieuwe toestanden neer. Zij schijnen
+er tevreden onder, nu. Waarschijnlijk is het betalen der belasting op
+den duur nog voordeeliger dan de kwade kansen van het oorlogje voeren
+[22]. En van de heerendiensten zien zij het resultaat in goede wegen,
+toenemend vervoer en volle markten.
+
+In het begin, trouwens, trachtten zij daar hun vrouwen voor
+te spannen. De vrouw van den Batak is nu eenmaal zijn werk- en
+last-dier. Dáárvoor heeft hij haar van haar vader gekocht. En als zij
+zijn veldarbeid deed, waarom dan niet zijn arbeid in heerendienst? Bij
+dozijnen stonden de vrouwen te graven, te houwen en te hakken aan
+den weg. Het werd verboden. Dat gaf een rumoer! En niet, als een
+Westerling denken zou, onder de mannen alleen, neen, de vrouwen
+waren het die het luidst protesteerden. Huilend kwamen zij op het
+kantoor van den ambtenaar. "Ach Groote Heer, heb medelijden! Ach, ach,
+mijn arme man! Och, och, mijn lieve zoontje! Hij moet werken! werken
+met een spade! Wij bidden den Grooten Heer, dat wij het mogen doen,
+zooals het toch de plicht is van ons vrouwen!"--Zij hebben de bakens
+verzet sedert. Nu kan men ze zien komen: "Mijnheer, wilt u zoo goed
+zijn en mijn man eens manieren leeren? Hij wil zijn werk niet doen!"
+
+Het eigenlijke werk van den Batak is de akkerbouw. Dat gaat op tamelijk
+primitieve wijze. Er is op de Hoogvlakte weinig, men mag wel zeggen
+géén bevloeid land, en even weinig water. De smalle beken loopen door
+beddingen, diep ingesleten in den lossen tuf-grond. Van de heuvels
+af gezien lijken het ravijnen, wat donkerder groen van struikgewas en
+geboomte tusschen het lichte groen van den alang-alang. Er is weinig
+plaats voor den sawah-bouw van Javanen en Baliërs. De Batak bouwt op
+drogen grond. In eeuwenlangen roofbouw heeft hij den bodem uitgeput,
+zoodat bemesting noodzakelijk is geworden. Waar dat wordt ingezien,
+is een schrede vooruit gedaan op den goeden weg. Daar ziet men over
+het geheel meer arbeid en zorg besteden aan den grond, en ook beter
+gereedschap: den ploeg bijvoorbeeld. Maar als hij er kans toe ziet,
+bespaart de Batak zich die inspanning en maakt een rijstakker door
+een veld alang-alang of een met struweel begroeide helling in brand te
+steken. Eenige jaren achtereen geeft de grond hem dan vanzelf vrucht
+genoeg. Dien bodem ploegt hij ook niet met een kouter. De vrouwen gaan
+er heen, een heele schaar, van twaalf tot twintig. Op een rij staande,
+stooten zij aangepunte staven in den grond, bewegen die tweemaal heen
+en weer, en wrikken, alle tegelijk. Groote schollen aarde worden zoo
+opgelicht en gekeerd. Daarmee is dan de akker voldoende bewerkt. Het is
+een zonderling gezicht, zulk een rij den grond "omstekende" vrouwen;
+met hun lange staken lijken zij lans-draagsters, zich oefenend in
+een spiegel-gevecht.
+
+De roekelooze wijze van roof-bouwen door het verbranden van gras
+en struikgewas, die den bodem op zichzelf verarmt--immers de hitte
+doodt de micro-organismen die hem vruchtbaar maken,--bedreigt ook
+nog den woudrijkdom, of althans wat van den vroegeren woudrijkdom
+is overgebleven, der streek. Zoodat toestanden te vreezen zijn als
+waaronder tegenwoordig Italië lijdt--vermindering van regenval, en,
+bij het neerkomen van buien, wegspoelen der teelaarde door de nergens
+tegengehouden waterstroomen. Dit, om nog te zwijgen van het gebrek
+aan timmer- en aan brandhout. Maar de Batak is, als in het algemeen
+de natuur-mensch, zorgeloos. En zelfs strenge straffen helpen maar
+weinig tegen een kwaad dat zijn gemak dient.
+
+De rijst op droge gronden groeiend eischt de zorgen niet die de
+in moerasbed geteelde behoeft. Zij kan aan zichzelve overgelaten
+tot den tijd van rijp worden. Dan komen wakers om de rijstdiefjes
+te verjagen. En over het veld wordt een net van touwen gespannen,
+dat door een enkelen ruk van het wachthuisje uit, in beweging kan
+gebracht. Bonte lappen fladderen er aan; bamboe-schalmen geven
+klappend en fluitend geluid, de boer loopt er langs en schreeuwt
+vervaarlijk. Het ligt niet aan het rumoer, wanneer de rijstdiefjes
+niet, verschrikt, zéer verre blijven.
+
+Het oogsten is voor het heele dorp het groote feest van het
+jaar. Daarvan blijft niemand weg. En de scholen laten de kinders vrij
+om te gaan helpen.
+
+De korrels worden, op den akker zelf, uit de aar gedreven, doordat
+de oogsters ze met de voeten treden. Dan scheppen de vrouwen alles in
+een vlakke mand die zij op het hoofd tillen: gaan in den wind staan,
+en laten, vooroverbuigend, korrels, kaf, onkruid, aarde, alles in
+een langzamen scheut ter aarde vallen. De wind die er door blaast,
+voert den lichten afval mee; en de korrels vallen op een hoop.
+
+In den avond komt men de vrouwen tegen met gevlochten zakken vol
+rijst op het hoofd. Het stampen in het gemeenschappelijk blok is de
+voltooiing van den arbeid.
+
+Er kan rijst genoeg groeien in de Karo-streek om de bevolking te voeden
+en nog een zekere hoeveelheid te exporteeren ook. Maar daarvoor zouden
+andere methodes noodig wezen, en vooral, beter gereedschap. Dat echter
+zal de Westerling er moeten brengen.
+
+Hoewel nog altijd in de eerste plaats landbouwer, begint, sedert
+er wegen door zijn land zijn aangelegd, de Batakker al meer en
+meer handelsman te worden. Op den grooten weg, dien de vereende
+arbeid van planters, gouvernement en zelfbestuur heeft aangelegd
+van Medan naar de Hoogvlakte, gaan dag en nacht de Bataksche karren
+heen en weer, die rijst, groenten, aardappels en vruchten naar Medan
+brengen en van de stad terugkomen met petroleum, gedroogde visch,
+geweven goederen en allerlei steedsche waar, vroeger onbekend
+in de Batak-dorpen en tegenwoordig dagelijks gebruikt. Lucifers,
+bijvoorbeeld. De ouderwetsche manier was (evenals bij ons) vuur
+slaan met een vuursteen en een stukje metaal, en de vonk opvangen in
+een soort tondel. Op de markt van Kaban Djahe heb ik een oud wijfje
+vinden zitten, dat kleingeklopte vuursteenen te koop had en gezien
+hoe klanten die kochten en zorgvuldig wegborgen in de lange lederen
+rol met een zilveren ketting omsnoerd, waarin een Batak al zulk klein
+gerief bij elkaar houdt; en den zilversmid van het dorp heb ik met
+zulk een vuursteen en tondeldoos den houtskool-oven zien aanmaken,
+waarin hij zilver ging smelten. Maar het jonge volk weet daar niet
+meer van: het gebruikt lucifers. Op diezelfde markt, die "tiga,"
+van gepraat zoemende als een bijenkorf, zoodat men haar hoorde
+nog eer men haar zag, verborgen als zij lag binnen een kring van
+uitgespannen karren, waaromheen de room-witte, bultige Bengaalsche
+trekossen het wreede gras liepen af te weiden, her en der, tusschen
+kittige Batak-hitjes in,--op diezelfde "tiga," waar het oude wijfje
+zat met haar klein-geklopte vuursteenen, had een jonge Batak een heele
+uitstalling van lucifersdoosjes, smaakvol geschikt tusschen pakjes
+sigaretten in. De lucifers kwamen uit Japan. Daar had men den ouden
+en den allernieuwsten tijd vlak naast elkander.
+
+Met vele andere Bataksche dingen gaat dat als met de lucifers en de
+vuursteenen. Het oude handhaaft zich nog, maar het nieuwe wordt met
+den dag sterker. Daar gaan, over de heuvels, de oude "Batakpaadjes,"
+de zonderlinge weggetjes die soms een heelen voet diep in den grond
+zijn ingesleten, zoodat men er in loopt als met geboeide enkels: langs
+die paadjes houdt het oude zijn oude sleur. Maar reeds komen er aan,
+en aldoor komen zij dichter bij, en reeds is hun gang aangewezen,
+de diepten van het binnenland in, reeds komen er aan de groote
+wegen, breed dat karren er op rijden kunnen, en verhard, sommige,
+tegen wegsleurend geweld van regenbuien: en langs die wegen houdt het
+nieuwe zijn intrek. Men zou, met de oogen op den grond, kunnen zeggen,
+wat van de twee in een streek te vinden is. Wel te verstaan, doen niet
+alle groote wegen zoo goeden dienst: die van Koeala naar Koeta Tani,
+die tegen het advies in van de meeste ambtenaren der streek door
+de regeering is doorgezet, en wel ten koste van twaalf ton, loopt
+door een verlaten streek, ten gerieve van heen en weer marcheerende
+soldaten alleen. Maar daarentegen zal er nu een gemaakt worden, die de
+Bataklanden, door den Medanschen weg reeds met de Oostkust verbonden,
+ook met de Westkust verbindt. Van Pamatang Si Antar, het opkomende
+cultuur-centrum in het land der Timor-Bataks (waarheen van Medan uit
+een spoorlijn geprojecteerd is), zal die weg gaan, in aansluiting
+bij een reeds bestaanden, maar die noodig verbeterd moet worden,
+door Z.O. Tapanoeli, naar Balige, aan den zuidelijken oever van het
+Toba-Meer, en vandaar dwars over het gebergte en door het land der
+Toba-Bataks naar Siboga. Daarmee zal dan het geheele cultuurgebied in
+Noord-Sumatra één geworden zijn, en de stroom van handel en verkeer
+langs vrije banen kunnen vloeien.
+
+Wat de toch nog zoozeer gestremde en belemmerde beweging tot nu
+toe al gedaan heeft, merkt men aan kleine dingen en aan groote
+beide. De Bataks hebben van Westersche instellingen er dadelijk
+vier overgenomen, met ware geestdrift: lucifers, parapluies,
+naaimachines en de gramofoon. Men komt geen Batak op reis tegen,
+hetzij man of vrouw, anders dan met een parapluie op het hoofd
+gedragen--zoo'n echte dikke "besteedster." Op elke tiga zit de
+"toekang mesjien," de reizende kleermaker, die met een Wheeler en
+Wilson op het hoofd van de eene tiga naar de andere wandelt, overal
+met ongeduld verbeid, en been-kruiselings zich neerzet in de schaduw
+van een uitgespannen ossenkar om badjoes en broeken in elkaar te
+flansen en om de blauwe jakjes van Bataksche nufjes te versieren
+met rijen lichtblauw stiksel. Wat de gramofoon aangaat, die is in de
+Doesoen (de "kolonie" eigenlijk, dorpen, van het centrale Batakgebied
+uit gesticht in het lagere land), in de Doesoen geloof ik, meer in
+gebruik dan op de eigenlijke hoogvlakte: de Doesoen-Bataks zijn in
+alle opzichten meer ge-europeaniseerd dan de bergmenschen, doordat
+zij meer met Westerlingen in aanraking komen. Maar te Medan kan men
+de Bataksche handelaars van "boven" in getale zich zien verdringen
+rondom de open deur waaruit een gramofoon zingt, lacht, praat en
+schreeuwt. Hoe meer geweld hoe mooier! Vuur; beschutting tegen den
+regen; sieraad; luidruchtige vroolijkheid: dat hebben de Bataks om
+te beginnen gekozen uit de mars van den grooten kramer: Europa.
+
+De Doesoen-Bataks ook al betere dingen: bijvoorbeeld betere ideeën
+omtrent schoonheid en hygiëne. De Bataksche adat eischt, evenals de
+Javaansche, het afvijlen van de tanden: volgens Kruyt (Het Animisme in
+den Indischen Archipel) een uiting van het algemeen onder animistische
+volkeren verbreide idee, dat de geesten der afgestorvenen afgunstig
+zijn op de levenden, om dat groote geluk van het leven, dat zij
+moeten missen; en dat hun afgunst gepaaid moet worden met het ten
+offer brengen van kleine gedeelten van de levende persoonlijkheid;
+weshalve ook de overblijvende tandstompjes zwart gemaakt moesten
+worden om ze aan de naijverige geestenblikken te onttrekken en
+den mond geheel tandeloos te doen schijnen. Dat afvijlen van de
+tanden is een barbaarsche proceduur, gruwelijk pijnlijk, hoewel de
+gepijnigden, meisjes zoowel als jongens, er een eer in stellen,
+de urenlange marteling te verdragen zonder een kik te geven. En
+de ergste ontstekingen en ziekten in de van het beschermende email
+ontbloote tanden zijn er natuurlijk het gevolg van. Onder den invloed
+der gaaftandige Westerlingen beginnen nu de Doesoen-Bataks te breken
+met dien adat. Een gaaf en blank gebit, vroeger voor "honden-tanden"
+gescholden, vindt nu al zijn bewonderaars onder jonkvolk.
+
+Veel is op dit punt van hygiëne te danken aan de zending, die
+onvermoeid is in den strijd tegen vooroordeel en vuiligheid. Er
+is wat te doen, op dat gebied, onder de Bataks! Hun dorpen zijn
+ware broeinesten van besmettelijke ziekten: cholera, typhus,
+pokken, allerlei walgelijke uitslag, lepra zelfs en nog andere
+verminkende kwalen. Elk huis staat om zoo te zeggen boven zijn
+eigen mesthoop. Dat dat niet zoozeer in het oog valt, is alleen te
+danken aan de varkens. De gevolgen kan men zich voorstellen. Veel
+is er al verbeterd sedert de vaccinatie is ingevoerd, wat in 1894
+in de Doesoen, 1904 pas op de Hoogvlakte gebeurde. De Batak, die
+zeer gesteld is op een gave, gladde huid, en de pokkenlitteekens
+verafschuwt, greep het middel tegen de gevreesde ziekte aan. Maar
+op andere punten is hij niet zoo licht te overtuigen geweest. En
+van wat te dien opzichte is verbeterd, komt de eer grootendeels toe
+aan de zending. Een zendingshuis hier is een kliniek, een apotheek,
+een consultatie-kamer. Tweemaal dagelijks zag ik te Kaban Djahe de
+zieken daarheen gaan. Zij kwamen met klachten, kwalen en wonden, en
+gingen getroost en geholpen weer heen. De zending heeft ook een asyl
+opgericht voor de leprozen; zonder tegenstand laten de ongelukkigen
+zich daarheen brengen. Op dat punt is de Hoogvlakte er beter aan toe
+dan Medan, waar de leprozen in al hun afzichtelijke verderfelijkheid
+vrij door de straten loopen. Het gouvernement geeft hierin de
+zending steun--en niet zonder dwingende noodzaak: want behalve dat de
+sterke arm der politie nu en dan toch en terdege noodig is om orde
+te houden onder de melaatschen, is ook de geldbuidel van den staat
+noodig om aan hun onderhoud tegemoet te komen. De familie der lijders
+namelijk laat hen gewoonlijk aan hun lot over: het eerste medelijden,
+dat dringt tot het brengen van eten aan den balling uit het gezin,
+verflauwt nog al spoedig. Medelijdend zijn de Bataks nu eenmaal niet,
+of, althans, niet lang achtereen. Als een moeder bij de geboorte van
+haar kind sterft (het gebeurt nog al eens) begraven zij doode moeder
+en levend kind te zamen. Een zendelingsvrouw, die ik leerde kennen,
+redde een paar van de kleine slachtoffers, verhongerd en half-dood al,
+en koesterde ze weer gezond. Toen dat bekend was geworden, brachten de
+Bataks haar van links en rechts moederlooze kinders in huis. De eigen
+families schoven den last bedaard van zich af. Vlak daartegenover
+staat de hulpvaardigheid, die Bataks elkander in het algemeen
+bewijzen, en ook de hooge eer waarin zij het moederschap houden,
+en hun wensch naar kinder-rijkdom, die tot uiting komt in allerlei
+al lang tot vaste gezegden en gemeenplaatsen geworden heilwenschen
+bij elk huwelijk gedaan, en in het stereotype slot van oude verhalen:
+zij leefden gelukkig en hadden zeer vele kinderen. Er zijn wel meer
+van die tegenstellingen in het Batak-karakter, moeilijk te begrijpen
+voor den vreemdeling: de verslagen van het Zendinggenootschap bewaren
+voorbeelden bij menigte ervan, zooals zij trouwens over het geheel
+een rijke bron van kennis zijn voor het zedelijk en verstandelijk
+zoowel als voor het stoffelijk leven van dit volk.
+
+De zending, die sedert 1890 onder de Doesoen Bataks en sedert 1905
+op de Hoogvlakte werkt, heeft ook het onderwijs in de hand genomen
+en wordt daarbij door de regeering met groote subsidies gesteund. De
+bewondering, die de zelfopofferende arbeid der zendelingen voor het
+lichamelijk welzijn der Bataks en voor wat zij het geestelijk heil
+van dit volk achten, van elken onpartijdige vergt, behoeft hem niet
+te dwingen tot medegaan met hun en der regeering gedragslijn op het
+gebied van het onderwijs. Het onderwijs is voor de zending, uit den
+aard der zaak, een middel om het christendom ingang te doen vinden:
+niets minder, maar ook niets meer. Daardoor wordt het van het doel
+op zichzelf, dat het behoort te zijn, een middel en van hoofdzaak
+een bijzaak. Bij dit principieele bezwaar komt nog een practisch,
+op zichzelf al voldoende, om de beste bedoelingen en de ijverigste
+pogingen te verijdelen: gebrek aan onderwijzers. De zending is
+begonnen met zooveel mogelijk scholen te bouwen, en in die scholen,
+waarvoor zij geen onderwijzers had, als schoolmeesters inlanders te
+plaatsen die zoowat konden lezen, schrijven en rekenen. In het beste
+geval waren het kweekelingen uit de zendingsschool in de Minahasa. De
+onvoldoende getallen werden aangevuld zoo goed en zoo kwaad als het
+ging. Gewoonlijk ging het kwaad. Waar zouden opeens de leerkrachten
+vandaan gekomen zijn? Als er dus een getal van 46 scholen met een
+bevolking van 3677 leerlingen genoemd wordt in officieele verslagen,
+zijn het geen "scholen" noch "leerlingen" in den zin dien men gewoon
+is aan die woorden te hechten. De zending inspecteert haar scholen en
+de inspecteerende ambtenaar van het inlandsche onderwijs heeft het
+oppertoezicht. De ambtenaar, onder wien de Hoogvlakte ressorteert,
+heeft ongeveer honderd gouvernementsscholen op ver uiteen gelegen
+plaatsen te inspecteeren; en van andere, waaronder die der Bataksche
+zending, ongeveer zeshonderd, eveneens her en der verspreid. De
+zendelingen op de Hoogvlakte zijn met hun drieën (een vierde,
+die hulp-onderwijzer is, heeft voor uitsluitend werk de vorming
+van inlandsche onderwijzers aan een nieuw opgerichte kweekschool)
+en hebben met hun drieën de zorg voor een bevolking van 130.000
+zielen. Uit die getallen make men zich een voorstelling van den
+toestand; dan zal men er niet verbaasd over staan dat bij een
+examen voor de locale schoolcommissie van uit de zendingsscholen
+voortgekomen aspirant-onderwijzers werk te voorschijn komt, o.a. in
+sommetjes--optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen met heele
+getallen,--dat niet anders bewijst dan de eigen, dringende behoefte aan
+onderwijs van het overgroote meerendeel dier onderwijzers-in-hope. Er
+bestaat nu een kweekschool. De jongens die daar komen, leerlingen
+van de zendingsschooltjes, hebben na het verlaten van die scholen
+een paar jaar in den kampong rondgeloopen (hun ouders en zijzelven
+verkiezen dat zoo) en moeten weer van voren af aan beginnen. Aan het
+hoofd van de school staat een Hollander, een zendeling, die de akte
+van hulponderwijzer heeft. Die hulponderwijzer is de eenige, zegge de
+eenige, Hollander in die geheele menigte van "onderwijzers," zijnde en
+wordende. Bij zulke toestanden vermogen persoonlijke eigenschappen,
+ook de voortreffelijkste en zeldzaamste, maar weinig. Tenzij de
+regeering met der regeering krachten doe wat der regeering is, zal
+van de beschaving, die in den vorm van onderwijs van Nederland uit
+moet gaan, aan den Batak niet veel ten goede komen.
+
+
+
+
+
+Westkust van Sumatra
+
+
+In enkele uren draagt de langs een tandradbaan klimmende trein den
+reiziger uit het witte en het zwarte stof van Emmahaven naar Fort
+de Kock. De spoor dient voor het vervoer van de Ombilinsteenkool,
+waarvan datzelfde zwarte stof afkomstig is, en dat merkt men
+zoowel aan den buitengewoon lagen prijs van het vervoer (het
+personenvervoer is immers maar een bijzaak naast de hoofdzaak, het
+steenkolenvervoer) als aan het schrikkelijke stuiven en warrelen
+van scherp steenkolenstof in de wagens en aan de wolken stinkenden
+en verstikkenden rook. De onaangenaamheden zijn trouwens gering in
+vergelijking met de onberekenbare voordeelen die de steenkool de streek
+heeft aangebracht. En verder is de reis zoo mooi, dat men al spoedig
+aan niet anders dan aan genieten en bewonderen meer denkt. Door aldoor
+stijgend landschap gaat de weg, in lange slingeringen. De kloof der
+Anei gaat open. Achter trage golvingen van den grond rijzen heuvels
+op, dan berghellingen, donker oerwoud, waarvan schuimwit, de beken
+met wervelende watervalletjes afstorten in de onstuimige rivier,
+grijs-blauw als een alpenstroom wanneer de sneeuw smelt. Al koeler
+waait de wind den uitkijkende in het gezicht. De Inlanders die aan
+de stopplaatsen langs de lijn wachten, de jonge meisjes vooral,
+hebben een roodachtigen schijn door het bruin der wangen spelen.
+
+Fort de Kock ligt binnen een krans van bergen, Merapi, Singalang,
+Sago, Ophir, en de tallooze lagere kruinen en deinende heuvelklingen,
+die groen en bruin golven tusschen het blinkende blauw dier steile
+toppen. De frischheid van de bergen ligt als een waas over alle
+dingen in het stadje. Er is overal geruisch en geklok van water,
+een glans van natte rijstvelden in diepte van golvige dalletjes, heel
+licht groen op de hellingen, een koele lucht, een reuk van bloemen,
+die rijk bedauwd in de zon staan. Alle tuinen zijn vol rozen. Zelfs
+zoo maar in het wild langs veldweggetjes en tusschen hagen bloeien
+licht-roode maandrozen. En scheiding tusschen landstraat en erven
+maakt niet een gemetseld muurtje of houten heining, maar het dichtste
+gewas van breedbladige heesters, overschitterd van goud-geel gebloemte.
+
+Op zijn aardigst is Fort de Kock 's Zondags, wanneer het pasar is. De
+straat loopt omhoog naar het wijde marktplein, geleidelijk eerst,
+dan, steil, als een heel breede trap, zooals men in Italiaansche
+stadjes wel ziet. Van de hoogte af, waar men staat als aan den rand
+van een recht-afvallend ravijn, ziet men uit de lage verte van den
+weg, wit blinkend tusschen het groen van boomrijen, het pasarvolk
+er aankomen, stuwend als een langzame bonte rivier. Boven het vlak
+der voetgangers steken hotsende karbouwenkarren op. Aan den voet van
+de steilte verdeelt zich de stroom. De hotsende karren, achter de
+breede grauwe buffelbeesten aan, stuwen, nòg langzamer, tegen den
+traag-stijgenden weg op, die langs het aardige park tegenover het
+residentie-erf buigt, overschaduwd door een reusachtig-spreidende
+groep waringins. De voetgangers beklimmen de breede trap. Aan den
+kant, in de waringin-schaduw, staan de eerste stalletjes. Daar begint
+al het markten, het gonzende gebabbel, het toonen en bekijken. De
+helder gekleurde baadjes van de vrouwen, waar de slendangs en de op
+een bijzonder sierlijke wijze gevouwen hoofddoeken in afstekende
+tinten tegen uitblinken, maken den zonneschijn bont. Op het wijde
+plein, waar de markt gehouden wordt, heeft het bestuur enkele jaren
+geleden loodsen laten bouwen; sedert is het verkeer zóó toegenomen, dat
+jaarlijks f 20.000 aan pacht voor verkoopplaatsen in de negari-kas komt
+en het getal pasar-bezoekers op drukke dagen tot 40.000 stijgt. Men
+krijgt een goeden indruk van de welvaart der bevolking en van haar
+nijverheid en handelsgeest hier. De menschen zijn, over het algemeen,
+goed gekleed. Niet mooi, wel is waar; vooral jonge vrouwen en alle
+aankomende meisjes loopen in een soort vormloos, om den hals als een
+zak dichtgehaald hemd met lange mouwen: en de eigenlijke landsdracht,
+door die onbeholpen nabootsing van slechte Westersche modellen al
+meer en meer verdrongen, de lange kabaja, die, aan den hals ondiep
+ingespleten, over het hoofd heen wordt aangetrokken, en tot over
+de knieën afhangt, is al evenmin sierlijk, al helpt hier de bonte,
+aardig gedrapeerde slendang, en de hoofddoek, geplooid op een heel
+eigenaardige en sierlijke wijze, die, wonderlijk genoeg, herinnert
+aan den hoofdtooi van de vrouwen op sommige vroeg-Italiaansche
+schilderijen. Maar zoo al niet bevallig, wèl goed verzorgd, zindelijk
+en frisch van kleur is over het algemeen de kleedij van de vrouwen,
+die daarenboven nog vermooid wordt door allerlei gouden en zilveren
+sieraad. De dracht van de mannen is, als overal buiten Java en Bali,
+leelijk en karakterloos. Maar dat zij, even goed als de vrouwen, een
+geheel anderen tooi kennen voor feestdagen, en wat meer beteekent,
+dat het volk het geld heeft om zich dien tooi aan te schaffen, ziet men
+in de kraampjes van Silindoengsche weefsels en sarongs uit Atjeh. Dat
+is allerprachtigst goed, het eene geheel doorschijnend, het andere
+stijf en hard van dichtheid, zijde alle twee en doorweven met goud-
+en zilverdraad. Een Siloengkangsche sluier kost een tien tot vijftien
+gulden, een sarong uit Atjeh van vijf en twintig tot tachtig. Men ziet
+hier ook waar het geld vandaan komt, dat tegen zulke kostbare dingen
+opweegt; ten minste, waar het voor een groot deel vandaan komt; van
+den handel, dien het volk in eigen handen heeft. Op dezen geheelen
+vollen pasar, waar naast de voortbrengselen van het vruchtbare land,
+import uit Europa, Amerika, Britsch-Indië, Siam, China en Japan te koop
+ligt, is niet één vreemde koopman, Chinees noch Arabier te zien. Op
+Java hebben die het heft in handen, de Chinees die zijn winkels
+en werkplaatsen over het heele eiland heeft staan, de Arabier die
+rondgaat met het linnen geldzakje over den schouder, waar de Javaan
+zoo weinig uithaalt en zooveel in terug brengt. Op Borneo zijn het
+Chineesche stoomertjes, die de Barito bevaren om boschproduct. Zelfs
+op de Bataksche hoogvlakte zijn het Chineezen, die den opkoop van
+vruchten, groenten, eieren en kippen georganiseerd hebben voor de
+markt te Medan en den zorgeloozen Batak, behalve de moeite ook de
+winst afnemen. De Minangkabauer echter doet zijn eigen zaken zelf af.
+
+Rondom Fort de Kock ligt een krans van welvarende dorpen, daar kan
+men zien hoe dit volk zijn huizen bouwt. Het verval in stijl en goeden
+smaak, dat een onafscheidelijke schaduwzijde is van de hier en nu nieuw
+groeiende dingen, doet zich ook hier gevoelen aan haastig saamgeflanste
+vierkante bouwsels onder een dak van gegolfd zink. Maar er is toch nog
+overvloedig genoeg van inheemschen trant om zulk een dorp een lust
+voor de oogen en voor de gedachte te maken. De huizen staan hoog,
+dikwijls op palen; een trap, die soms van steen gemetseld is en met
+treden en balustrade in sierlijken zwaai zich opricht, klimt naar den
+ingang. De deur is versierd met snijwerk, dat in sprekende kleuren
+beschilderd is. In overeenstemming met de versiering der deur is de
+geheele wand van het houten huis getooid; een breede lijst kleurig
+snijwerk loopt beneden langs de ramen; een smallere boven, waarvan
+de kleuren en de figuren licht gedempt worden door de schaduw van den
+dakrand, en waar, in den wind wuivend, allerlei fijn plantengroeisel
+over afhangt, orchideeën en varens, mossen, teer slingergewas, dat in
+de dichtgespreide palmvezel van het dak, de zwarte idjoek, zijn behoef
+aan voedsel en vochtigheid vindt. Boven al dat bonte van groen, kleur
+en soms sober aangebracht verguldsel, rijst het dak donker en hoog, met
+een lange nok, gebogen als de halve maan, waarop een tweede, kleinere
+nok rust, volgens dezelfde schoone lijn gebogen, zoodat vier slanke,
+scherpe spitsen twee aan twee oprijzen tegen de lucht. Aan de huizen
+van rijke geslachten--want het huis is onvervreemdbaar familiebezit
+hier--is nog een afzonderlijke uitbouw aangebracht in de lengte, van de
+vloerbalken tot aan de spits van den gevel zoo kwistig gebeeldhouwd,
+beschilderd en verguld, dat het denkbeeld van bouwwerk verdwijnt,
+voor dat van een architectonisch kleinood. En de schoonheidszin van
+den Minangkabauer heeft met den bouw van zulk een woning nog geen
+volle bevrediging gevonden. Neen! nu moet hij ook zijn voorraadschuur
+nog bouwen en tooien in denzelfden trant. Dwars door een tuin, die vol
+bloemen en bloeiend vruchtgeboomte staat, maakt hij een breed pad naar
+den ingang van zijn erf; en aan weerszij daarvan zet hij een kleine
+rijstschuur, als een wieg van onder smal en van boven breed, op palen
+geheven, met een overhangend dak gedekt, en aan alle vier de wanden,
+van beneden tot boven, bont van vroolijk-kleurig ornament. Zulk een
+woonstee met den blauwen Indischen hemel er boven, en het welige
+groen der gaarde half verbergend, half omlijstend, rondom, iets
+mooiers is niet te bedenken. En het genot van den beschouwer wordt
+volkomen door de wetenschap, dat die verheugelijke woning een vesting
+is en een sterkte, onneembaar voor welken vijandelijken nood ook,
+onvervreemdbaar de tijden door, waarin van moeder op dochter, al een
+geheele afdalende reeks gezinnen uit hetzelfde geslacht zijn kinderen
+heeft grootgebracht, en waarin nu nog ongeborenen zullen opgroeien,
+even veilig als eens die eersten, wier trots op het familiebezit in
+den rijken tooi van huis en voorraadschuren zijn uiting vond.
+
+Althans, zoo zal het wezen, indien het aloude stelsel ongerept blijft,
+dat de Minangkabauer tot nog toe heeft gehandhaafd, zelfs tegen den
+geestdrijvenden Islam in, het matriarchale stelsel. Maar zal dat oude
+blijven? Het is de vraag. Het heeft nieuwe vijanden gekregen in dezen
+allerlaatsten tijd.
+
+Volgens de jongste onderzoekers van de geschiedenis van het
+matriarchaat is deze vorm van het gezinsleven, voortgekomen uit de
+uitbreiding van den exogamischen huwelijksregel over een geheele
+groep van onderling gehuwde stammen verloren gegaan daar waar een
+volk van het zwervende jagersleven overging tot landbouwbedrijf en
+handel. Toen de man de plaats van kostwinner voor het gezin hernam,
+door de vrouw bezet gehouden zoo lang haar arbeid in den landbouw in
+het klein meer leeftocht verschafte dan de zijne op de wisselvallige
+jacht, hernam hij ook de overmacht, en het patriarchale recht werd
+buiten alle vergelijking grooter dan ooit het matriarchale geweest was.
+
+Bij de Minangkabauers is het echter anders gegaan. De landbouw is
+hun voornaamste middel van bestaan en het zware werk daarvan wordt
+door de mannen verricht. De handel bloeit en is, althans in zijn
+belangrijkste onderdeelen, geheel in handen van de mannen. Maar
+niettemin heeft onder hen het matriarchale stelsel zich gehandhaafd
+tot op den huidigen dag toe.
+
+Zoo als het in den loop der tijden geworden is, werkt het hoofdzakelijk
+als een economische bescherming van de familie, vertegenwoordigd in
+de eerste plaats door haar vrouwelijke leden.
+
+In de Minangkabausche familie is al het vaste goed, het huis, het
+erf, het veld, eigendom van de moeder en erfdeel van de dochters. Ook
+hebben zij alléén en uitsluitend het vruchtgebruik daarvan, waarover
+zij beschikken naar eigen goeddunken. Echter mag ook de moeder van
+dit bezit, dat niet geldt als het afzonderlijk-hare, maar als het
+bezit der geheele familie, geen, hoe gering ook, gedeelte verkoopen
+of op eenige wijze vervreemden. Alleen in geval van nood, en dan nog
+alleen na raadplegen met en met goedkeuring van de geheele familie,
+mag het, voor een bepaalden tijd, verpand, wanneer voldoende zekerheid
+gegeven wordt, dat het te rechter tijd weer ingelost zal worden.
+
+Op die wijze is het beschermd tegen slecht beheer en verkwisting van
+den man niet alleen, maar evengoed tegen slecht beheer en verkwisting
+van de vrouw zelve. Raadgever en helper van de gezins-moeder,
+vertegenwoordiger van haar en haar gezin naar buiten en verdediger
+van hun rechten, is haar oudste broeder. De geheele familie waakt er
+voor dat hij zijn plichten vervult en van zijn rechten geen misbruik
+maakt. En zijn erfgenamen zijn niet zijn eigen kinderen, maar de
+kinderen zijner zuster, wier toeziende voogd (om met een nieuwtijdsch
+woord de oude betrekking te noemen) hij levenslang is geweest. Zijn
+opvolger, of in het (zeldzame) geval van ontzetting zijn vervanger,
+is de in leeftijd op hem volgende broeder, of bij ontstentenis,
+naaste mannelijke bloedverwant in de vrouwelijke linie. De echtgenoot,
+van zijn kant, staat in dezelfde verhouding tot en vervult dezelfde
+plichten jegens zijn eigen, vrouwelijke, familie, als nader hem
+aangaande dan het uit zijn huwelijk voortgekomen gezin. Zoo houden de
+oudere vormen van verwantschap en huwelijk te midden van de nieuwere
+overheerschend stand.
+
+De Minangkabauers hebben bij deze inrichting hunner maatschappij zich
+klaarblijkelijk wèl bevonden. Want zij hebben met hand en tand er aan
+vastgehouden, de tijden door, tegen alle vreemde invloeden in. En
+zoo ijverige Mohammedanen ze zijn, tegenover het Mohammedaansche
+patriarchaat hebben zij hun matriarchaat gehandhaafd. Zelfs de
+Padris hebben die oude sterkte niet kunnen slechten. Zij staat op
+den huidigen dag nog vast. En als men hier, waar trouwen, scheiden
+en hertrouwen toch even gemakkelijk gaat als op Java, en ook, als op
+Java, het huwelijk polygaam is, niet als op Java, verstooten vrouwen
+vindt die bedelen of zich verkoopen en verlaten gezinnen die te gronde
+gaan, dan is dat te danken aan het matriarchaat. De Javaansche en de
+Minangkabausche familie zijn te vergelijken bij een rijstveld op de
+bergen en een rijstveld in het dal. In een mild seizoen staat ook het
+van regen afhankelijke bergveld welig en onder de zorg van een goeden
+vader gedijt ook het Javaansche gezin. Maar er zijn dorre jaren en er
+zijn nalatige vaders. Het rijstveld in de vlakte echter, door leidingen
+bevloeid en omringd met dijkjes, groent en bloeit, ook al valt weken
+achtereen geen regen, en het Minangkabausche gezin heeft dak, voedsel
+en kleedij, ook al is de vader een verkwister of een doeniet.
+
+Dat is de goede kant van het oude stelsel.
+
+Maar er is een andere.
+
+De Europeesche tegenstanders van het matriarchaat beweren dat het de
+mannen lui en zorgeloos maakt, omdat zij zich altijd zeker voelen van
+een toevlucht in het moederhuis; en onverschillig voor hun kinderen en
+voor eigen-gewonnen geld tegelijkertijd omdat zij toch aan die kinderen
+dat geld niet kunnen nalaten, maar altijd de gedachte hebben dat zij
+werken en sparen voor hun zusters-kinderen. Van Inlanders zal men zulk
+een redeneering niet hooren. Zij schijnt ook moeilijk te bewijzen. Een
+doe-niet zou niet geduld worden in het moederhuis. De handelsgeest en
+ondernemingszin van den Minangkabauer, die den Chinees en zelfs den
+Arabier van de markt houdt--en dat niettegenstaande zijn overdreven
+vereering van al wat met den Islam samenhangt--bewijst voldoende dat,
+integendeel, de uitsluiting van erfelijk bezit middellijk gunstig
+op hem heeft gewerkt: een geval te vergelijken bij dat van jongere
+zoons uit Engelsche groot-grondbezittersfamilies, die door noodzaak
+gedreven, den weg van den arbeid opgaan, en krachten ontwikkelen die
+anders waarschijnlijk verschrompeld zouden zijn. Immers, nergens
+anders dan in Engeland vindt men afstammelingen van aanzienlijke
+geslachten menigvuldig onder de uitbreiders en vermeerders van het
+rijk. En wat de onverschilligheid omtrent hun kroost betreft, zij
+wordt in gelijke zoo niet hoogere mate gevonden onder de patriarchaal
+georganiseerde bevolking van de overige eilanden van den Archipel. De
+Minangkabauers met wie ik hierover sprak waren eenparig van oordeel
+dat, hier zoowel als ginder, die onverschilligheid een der vele
+treurige gevolgen is van het polygame huwelijk, dat het vormen van
+een eensgezind gezin belet, en den groei van al de zachte gevoelens
+die daaruit ontkiemen. Hun grieven tegen het matriarchaat,--want ook
+Inlanders en vooral de vooruitstrevenden onder hen hebben die--hun
+grieven waren andere. Zij achten in de eerste plaats de vrouw zelve
+benadeeld er door. De "adat," die haar veiligheid verleent, ontneemt
+haar vrijheid en de mogelijkheid van zelfstandige ontwikkeling.
+
+Als het kind meisje wordt, sluit men haar op in het moederhuis, en daar
+blijft zij, als een gevangene haast, zoo streng bewaakt, tot den dag
+van haar huwelijk toe. Zelfs naar den pasar gaat zij niet, noch naar
+het veld. Op den akker--dien de vaders en de broeders bebouwen--ziet
+men niet anders dan kleine meisjes of oudere vrouwen, het allerlichtste
+werk verrichten en den mannen het eten brengen. In het oorspronkelijke
+matriarchale stelsel past die opsluiting van de vrouw niet, zoomin
+als haar uitsluiting van den veldarbeid, die immers juist haar eigen
+en eigenlijk werk was in de allervroegste tijden. Dat moet onder den
+invloed van den Islam er in zijn gekomen. Het is te begrijpen dat
+het den vrouwen veel kwaad doet. En nog meer, zoo mogelijk, schaadt
+hen het vroege huwelijk. Het is geen zeldzaamheid dat een meisje van
+twaalf, dertien jaar wordt uitgehuwelijkt. Zij kent haar aanstaanden
+man niet, noch hij haar, geen van beider toestemming wordt gevraagd,
+de wederzijdsche ouders beslissen en handelen voor hen. Het meisje
+krijgt in den regel (in de streek rondom het meer van Singkarah gebeurt
+dat niet, naar ik van inlanders hoor) een bruidschat mee. Waar dit de
+regel is, houdt men zich zoo stipt daaraan, dat de adat de verplichting
+tot het meegeven van den bruidschat heeft gemaakt tot een van de vier
+gevallen waarin vaste goederen verpand mogen worden. [23] Het jonge
+paar krijgt een vertrek in het moederhuis ter bewoning. Ook getrouwd
+blijft dus een vrouw onder de bescherming wel, maar tevens onder het
+gezag van haar moederlijke familie, in het bijzonder van het hoofd
+dier familie, den oudsten broeder der moeder, den "mamak." Tot een
+eigen, zelfstandig familie-leven komt zij nooit. Het gebeurt wel,
+dat een man, die een voldoend eigen inkomen heeft, een huis inricht
+in de kampong waar zijne vrouw bij hem komt inwonen. Maar ten eerste
+is zulk een inkomen een betrekkelijk zeldzaam voorkomend iets, daar
+een man verplicht is met het zijne zijn moeder en zusters bij te
+staan. En verder is ook onder de Minangkabauers het polygame huwelijk
+in zwang. De drie of vier vrouwen van een man wisselen elkander af in
+zijn huis. En geen van allen beschouwt het als het hare of wijdt er
+eenige de minste zorg aan. Nog liever dan in zulk een schijn-tehuis
+zijn zij in de moederlijke woning, onder der moeder gezag en dat van
+den "mamak."
+
+Op de jongens werkt het stelsel even ongunstig in den
+tegenovergestelden zin: inplaats van dwang bewerkt het voor hen
+bandeloosheid. Op zijn tiende jaar al--en soms vroeger nog--gaat
+een jongen het moederhuis uit en krijgt zijn plaats in een der
+gemeenschappelijke mannen-huizen van het dorp. Hoe hij daar opgroeit
+is na te gaan: in het wilde. Lichamelijke verwaarloozing is het minste
+nog van de kwaden, waartoe hij, noodzakelijkerwijze, vervalt. Het
+wordt ook niet beter als hij opgroeit en trouwt. In het huis van
+zijn vrouws familie blijft hij de gast. Rechten heeft hij enkel in
+het mannenhuis van zijn eigen familie, in de "soerau."
+
+Dit dan zijn de, inderdaad, ernstige grieven, die ontwikkelde
+Minangkabauers hebben tegen het in andere opzichten weer hoog door
+hen gewaardeerde matriarchaat.
+
+Het stelsel begint te brokkelen, niet door hun of iemands persoonlijk
+toedoen, maar onder de inwerking van veranderende--en in al sneller
+tempo veranderende--omstandigheden. De Minangkabauer is buitengewoon
+intelligent, hij bezoekt vlijtig en met uitstekend gevolg de
+gouvernementsscholen, hij slaagt bij examens, hij wordt ambtenaar,
+en het is uit met het leven in de kampong. Hij moet gaan waar zijn
+ambt hem roept. Nu kan hij niet langer een min of meer tijdelijke
+inwoner zijn in het huis van zijn schoonmoeder. Hij moet een eigen
+huis hebben, een eigen gezinsleven is het gevolg; aan welk gevolg weer
+een geheele reeks gevolgen hangt. Veelal is het monogame huwelijk
+daaronder. Verder laat de oude structuur los op die plekken waar de
+behoefte aan gereed geld er aan gewrikt heeft. Het adat-verbod van
+verkoop van vaste goederen wordt door hoe langer hoe meer bezitters
+in den wind geslagen: het kàn niet gehandhaafd in vele gevallen. Een
+nieuwe ontwikkeling is, door denzelfden nood begunstigd, onder de
+vrouwen begonnen. Zij gaan naar nieuw-opgerichte industriescholen om
+kant te leeren maken, dien zij verkoopen. Verscheidenen al kunnen
+lezen en schrijven, zelfs onder de ouderen; de meisjesscholen zijn
+vol. Een pionierster van de vrouwenbeweging, de dochter van een
+inlandschen onderwijzer aan de kweekschool te Fort de Kock, heeft als
+eenig meisje onder al die jonge mannen den cursus afgeloopen en een
+buitengewoon goed examen afgelegd. Zij is nu naar Batavia gegaan om
+te leeren voor de Nederlandsche hulponderwijzers-acte. De zoon van
+denzelfden vooruitstrevend-gezinden voorganger van zijn volk is te
+Batavia werkzaam op een handelskantoor en verloofd met een meisje dat
+hij in zijn vaders huis heeft leeren kennen, en met wie vrije keuze
+hem verbonden houdt. Dat alles zijn dingen die tegen den ouden adat,
+zooals hij oorspronkelijk is en zóo als hij onder vreemde invloeden
+is geworden, rechtstreeks ingaan. De strijd is begonnen tusschen het
+oude en het nieuwe. Men moet hopen, dat de uitkomst het goede ongerept
+zal laten dat het oude, terecht, aan vele harten dierbaar maakte,
+en eerwaardig.
+
+
+
+
+
+Nieuwe ontwikkelingen ter Westkust van Sumatra
+
+
+In een bijzondere mate is de Minangkabauer ontvankelijk voor het
+nieuwe, wanneer de deugdelijkheid daarvan hem op overtuigende wijs
+wordt aangetoond. De algemeene houding van den Oosterling (bewesten
+Suez verandert dat als bekend) tegenover een nieuw denkbeeld is die
+van den welgestelden huisbewoner tegenover een inbreker: woedend
+verbarricadeert hij alle deuren van zijn verstand. Maar de menschen
+van Minangkabau--althans een gestadig toenemend getal onder hen, dat
+wel binnenkort de meerderheid zal worden--gaan een nieuw idee tegemoet
+als een bezoeker; en gaarne met welkom en eerbewijs. Duidelijker dan
+aan iets anders kan men dat zien aan den groei en de uitwerkingen
+van de kweekschool voor onderwijzers te Fort-de-Kock.
+
+De instelling heeft al een lange geschiedenis. Meer dan een halve
+eeuw is het reeds geleden dat na het houden van een enquête, waarbij
+bleek, dat het Inlandsche onderwijs ter Westkust van Sumatra ten
+eenenmale onvoldoende was, de regeering overging tot het oprichten
+te Fort-de-Kock, van een normaalschool; uit die normaalschool is de
+tegenwoordige kweekschool voor Inlandsche onderwijzers voortgekomen.
+
+De normaalschool leverde de resultaten niet op, die men er van had
+verwacht. Het lag voor een deel aan het gehalte der leerlingen die,
+vrijwel onvoorbereid, van hier en ginder kwamen; voor een deel aan
+het gehalte van de onderwijzers. Nieuwe onderwijskrachten als men van
+de school had gehoopt, bracht zij niet voort. De leerlingen werden
+ambtenaars--klerken, pakhuismeesters, vaccinateurs, opzichters bij de
+(toen nog van gouvernementswege gedreven) koffiecultuur. Een hervorming
+aan hoofd en leden was noodig. Zij geschiedde in '73. De school werd
+uitsluitend bestemd voor opleiding van Inlandsche onderwijzers. Er
+kwamen Hollandsche onderwijzers aan het hoofd--een directeur en
+tweede onderwijzer, die beide de hoofdacte moesten hebben, een
+derde met hulp-acte, en verder deugdelijk geschoolde Inlandsche
+onderwijzers; en er werd een ruim program van studie opgemaakt, waarin
+de Hollandsche taal plaats had, en verder rekening werd gehouden
+met de behoeften van den Inlandschen dorpeling. Dadelijk stroomden
+de leerlingen toe: zelfs getrouwde mannen kwamen op de schoolbanken
+zitten om van dit heilzame nieuwe hun deel te ontvangen. Het werd
+al spoedig noodig de school uit te breiden. Een nieuw gebouw werd
+gezet, waarin vijftig inwonende leerlingen ieder een kamer hadden;
+daarop een externen-school op hetzelfde terrein, waar de leerlingen
+van de hoogste klas der kweekschool onderwijs gaven onder toezicht
+van de kweekschool-onderwijzers. Toen kwam de slechte tijd die aan het
+onderwijs hier als aan dat door heel Indië erge scha toegebracht. Een
+verkeerde zuinigheid beknibbelde op het volstrekt noodige. Van 1884
+tot 1904 werd geen Hollandsch onderwezen: het gevolg een periode
+van stilstand in de volksontwikkeling. In 1904 echter werd het
+onderwijs in het Hollandsch weer ingevoerd, de cursustijd met twee
+jaar verlengd, het Europeesch personeel vermeerderd, en gelegenheid
+gegeven aan Inlandsche jongelui, die ambtenaar wilden worden,
+om deel te nemen aan het onderwijs; dit echter op eigen kosten,
+terwijl de aspirant-onderwijzers een toelage van f 10.--(vroeger
+was het f 15) van het gouvernement ontvingen. In getale kwamen nu
+de aspirant-ambtenaars; in getale, niettegenstaande die vermindering
+van de toelage met een vol derde, de aspirant-onderwijzers. Er moest
+weer bijgebouwd, tot er plaats was voor omtrent honderd inwonende
+leerlingen. En niettemin bleek nog altijd de ruimte onvoldoende. Dat
+is nog altijd zoo voortgaande. Ik had gelegenheid het te zien tijdens
+mijn verblijf in Fort-de-Kock. De weg voor de kweekschool was van
+den vroegen ochtend af druk van aspirant-leerlingen, gekomen voor het
+admissie-examen. En gekomen, van wie weet hoever, wie weet hoe! Er ligt
+nog maar weinig spoorlijn ter Westkust, de reizen moeten gedaan te
+paard, in karretjes, te voet. Het zijn alleen de meest welgestelden,
+uitteraard maar een zeer klein deel van al de opkomenden, die de reis
+per as betalen kunnen. Ook een paard is voor verreweg de meesten
+nog veel te duur. Zij gaan te voet--niet uren ver, maar dag-reizen
+ver, door de blakende zon, berg op, berg af, ravijnen neer en op,
+rivieren door. Zij eten wat in een blad gekookte rijst, die zij van
+huis meegenomen hebben, met wat toespijs misschien, hier en ginder
+voor een paar duiten gekocht bij een zoetelaar aan den weg. Zij slapen
+in het mannenhuis van het dorp, dat zij bij het vallen van den nacht
+nog juist bereikt hebben. Men moet zich dat alles goed voorstellen om
+te begrijpen, hoe sterk het verlangen is dat zulke dorpsjongens om
+het meerdere weten en het betere bestaan dat zij er kunnen winnen,
+drijft naar de "Sekola Radja" te Fort-de-Kock. Er werd me gezegd
+dat de bij het examen afgewezenen vaak uitbarsten in snikken. Zulk
+een droefheidsuiting is zeer, zeer zeldzaam bij een Inlander. De
+teleurstelling moet hem wel in het hart geraakt hebben als hij de
+klacht niet weerhouden kan.
+
+De leerlingen komen uit alle gewesten van Sumatra; met de
+Minangkabauers vermengen zich Bataks van de Hoogvlakte, uit de
+Doesoens, uit de streek rondom het Toba-meer; bewoners van Nias
+en de kleine eilanden langs de kust; Mandhelingers; Atjehers. De
+laatsten komen niet uit eigen beweging: zij worden gezonden door de
+regeering, die begrijpelijkerwijs voor de eindelijke pacificatie van
+Atjeh meer verwacht van een goede opvoeding van het komende geslacht,
+dan van kogels en bajonetten. Zij zijn op de school een lastig element,
+hoovaardig tegenover andere Inlanders, stug tegenover de onderwijzers,
+met een zekere ostentatie vasthoudend aan nationale zeden, waarvan
+de strenge uiterlijke waarneming van godsdienstige plichten er een
+is. Er wordt over gedacht een apart gebouwtje voor hen te zetten
+op het erf der kweekschool, om botsingen te voorkomen. Over het
+geheel is de uitzending der Atjehers naar hier een zaak die veel
+geld kost. Maar hoeveel meer het ook nog mocht wezen, goedkooper dan
+oorlog voeren is het in alle geval, om van belangrijker voordeelen
+dan enkel-geldelijke nog te zwijgen. Als een bijzonder bewijs van de
+aantrekkingskracht der school--en tevens wijst het feit op een geheel
+nieuwe ontwikkeling in het volksbestaan, die, middellijk toch ook als
+een uitwerking van het school-onderwijs moet worden beschouwd--als
+een bijzonder bewijs van haar aantrekkingskracht mag het gelden,
+dat ook een meisje dezen laatsten cursus heeft gevolgd. Zij heeft
+nu juist een bijzonder goed examen afgelegd. Men stelle zich voor,
+hoe onverbiddelijk de matriarchale "adat" het aankomende meisje binnen
+haar moeders huis opsluit, en hoe vast het denkbeeld geworteld zit in
+Oosterlingenhersens dat een vrouw niet noodig heeft iets, wat ook,
+te leeren; en mete bij vergelijking de kracht der nieuwe idee over
+het gemoed van zulk een meisje en van haar ouders. Geen twijfel of
+op den weg, dien zij zoo moedig als eerste is ingeslagen, zullen haar
+zusters nu spoedig in menigte volgen.
+
+Dat de kweekschool zulk een toeloop heeft is te begrijpen als men
+let op den aard van het onderwijs, en men mag wel zeggen, van de
+opvoeding die de leerlingen er krijgen. Want het is niets minder
+dan een werkelijke opvoeding. In hun eigen dorp hebben zij niets
+van dien aard gehad--in hun tehuis kan men niet zeggen, want althans
+de Minangkabausche man hééft geen thuis: hij groeit in het wilde op
+in het mannenhuis van zijn familie. En wat de overigen aangaat, een
+tehuis in onzen zin van het woord kennen ook zij niet: hoogstens een
+plek waar zij slapen en eten. Hier heeft ieder zijn eigen kamer en
+die moet hij zelf in orde en schoon houden. Dat is een heel ding voor
+hen, vooral voor jongens van deftigen huize, die altijd van kind af
+bediend en gehoorzaamd zijn, en werk met handen gedaan verachten. Maar
+de regel is onverbiddelijk. En het gelukkige resultaat, dat jongens
+die slordig, vuil en traag waren, toen ze kwamen, ordelijk en op
+hun omgeving als op zichzelf kieskeurig worden na eenige maanden
+verblijf op de school. Verder geeft het onderwijs hun wat zij in
+hun dorp kunnen gebruiken: het onderwijs in plantkunde komt hun te
+pas bij de sawah-bewerking, dat in de dierkunde voor hun vee. En
+tevens winnen zij daarbij voor zichzelven, want inplaats van de
+fantastische voorstellingen omtrent het menschelijk lichaam en gestel,
+die de Inlandsche overlevering hun heeft opgedrongen, en waardoor
+zij de voorbestemde slachtoffers worden van allerlei kwakzalverij
+en toovermiddeltjes, krijgen zij nu een begrip van bloedsomloop en
+spijsvertering, waarop zich een doelmatige gezondheidsleer laat
+opbouwen. De natuurkunde bewijst hun eenzelfden dienst tegenover
+het geloof aan allerlei wonderdadige krachten, die door middel van
+amuletten en spreuken over de machten der natuur te verkrijgen zouden
+zijn. En ten slotte helpt het onderwijs in de Maleische taal (het
+Riouwsch-Maleisch, in alle scholen van Nederlandsch-Indië onderwezen)
+hen over belemmerende dialect-verschillen heen naar een nationale
+taal. Het Hollandsch maakt hun den weg open naar wat zij ooit meer
+verlangen zullen van kennis.
+
+Dat hij het belangrijke van zulke geestelijke aanwinsten inziet, en
+niet aarzelt vàn zich te werpen wat hem belemmert in het streven
+daarnaar--dat is de kenmerkende trek in het karakter van den
+Minangkabauer.
+
+Tegenover de partij der vernieuwers van de inlandsche maatschappij
+op Sumatra staat die der behoudzuchtigen, hoewel in den laatsten
+tijd zeker verzwakt, nog altijd zeer sterk. De drijvende kracht zijn
+hier de Hadji's, de hulptroepen, de aanhangers van den onveranderden
+matriarchalen adat.
+
+Uiteraard zijn de twee eigenlijk vijanden. In het begin van de vorige
+eeuw heeft de partij der Moslimsche geestdrijvers, de Padri's,
+de vreedzame adat-aanhangers te vuur en te zwaard bekrijgd,
+omdat zij weigerden het matriarchaat op te heffen en weigerden
+zich te onderwerpen aan de tucht der dweepers. Men weet hoe de
+vervolgden in hun wanhoop den Westerling, Engelschman en Hollander,
+te hulp riepen tegen de eigen landgenooten. En onder de asch van het
+gedwongen pais-en-vree houden smeult de haat der Hadji's nog. Want het
+matriarchaat is den extreem-patriarchaal denkenden Moslim een doorn in
+het oog; en de adat-aanhanger wil van die oude wet geen tittel noch
+jota laten vallen. Maar dit groote geschil, zoo goed als kleinere,
+die de twee partijen in het kamp der behoudzucht verdeelen, vallen weg
+voor den vereenigenden invloed van den gemeenschappelijken haat tegen
+het nieuwe. Het Westersch-politieke woord verstaande in Oosterschen
+zin, zou men mogen spreken van een coalitie van adat en Islam.
+
+Als gezegd, de Islam-partij is de drijvende kracht. Van Mekka uit,
+waar een kolonie Javanen en Maleiers zich heeft gevormd, wordt de geest
+der dweepzucht aangevuurd. De pelgrims worden in die kolonie gastvrij
+ontvangen, in zaken van den godsdienst onderwezen, aangespoord tot het
+maken van propaganda. Als drijver keert naar Sumatra menigeen terug die
+als half-onverschillige naar Mekka ging. Ook de Maleische pers wordt
+in den dienst geprest van het Islamisme, of, beter gezegd misschien,
+het Pan-Islamisme. De oorlog dien Turkije tegen Italië voert wordt
+verheerlijkt als een "heilige oorlog." Altijd is de overwinning
+aan de zijde der Geloovigen. Brochuretjes worden verspreid, die
+niet anders zijn dan schendschriften, om het Nederlandsch-Indisch
+gouvernement verdacht te maken. Zoo grof kan de laster niet zijn of
+hij vindt geloof. De toon van de manifestaties der "Ware Russische
+Mannen" tegen de voorstanders van liberale ideeën en tegen de Joden
+wordt in deze soort publicaties geëvenaard. De Islam-partijders
+grijpen het voor de hand liggende middel aan om den Inlander tegen
+het Westerlingen-bestuur op te zetten; zij beschuldigen het van
+afpersing en uitzuiging, en sporen het volk aan tot het weigeren
+van belastingopbrengst. Men heeft het kunnen zien in de laatste
+troebelen. Het ging niet om die belasting. Zij was zeer laag, men
+mag wel zeggen te laag, als men in aanmerking neemt de welgesteldheid
+van den Sumatraan, en de armoede van den Javaan, van wiens oneindig
+hoogere belasting-opbrengst de Sumatraan profiteert bij het voor handel
+en verkeer geschikt maken van zijn land. Zeer gemakkelijk hadden de
+bewoners der Westkust die geringe belasting kunnen opbrengen. Maar de
+eisch van het gouvernement was juist wat den geestdrijvers in hun kraam
+te pas kwam om het volk tegen het nieuwigheden-invoerend bestuur op
+te zetten. En zij behoefden niet eens hun moed in te spreken voor een
+gewapend verzet. Zij gaven hun volgelingen wat moed voordeelig verving:
+het geloof in hun onkwetsbaarheid. Koperen en beenen amuletten, bij
+hoopen door de vrome sluwaards verkocht, (en niet goedkoop ook),
+waren de denkbeeldige bescherming van de strijders der heilige
+zaak. In het witte gewaad, dat hen als medestanders der Padri's, als
+"Witte Menschen" kenbaar maakte, trokken zij op tegen de soldaten,
+die zij slechts met de nagels even behoefden te schrammen, om hen dood
+neer te doen storten, terwijl kogels en bajonetten noch sabels zouden
+vermogen hunzelven ook maar het lichtste letsel toe te brengen. Zulk
+wondergeloof is zeker verzwakt geworden door de ontzettende nederlaag,
+die zij toen leden, en door o. a. het zonderlinge toeval, dat een der
+ergste stokebranden en raddraaiers, die zelf voorzichtiglijk buiten
+het gevaar zich had gehouden waarin hij zijn volgelingen joeg, dat
+die door een verdwaalden kogel neergeveld werd, waar hij schijnbaar
+veilig op zijn eigen erf stond, verre van het gevecht. Maar geheel
+te niet gedaan is het vertrouwen in spreuken en amuletten daarom
+niet. Men heeft het dezer dagen kunnen zien, toen een rijke Inlander,
+bezitter van pepertuinen, aangeslagen voor een belasting, waarvan hij
+het tienvoud gemakkelijk had kunnen betalen, zich weigerachtig toonde
+en het gouvernement tartte dwang op hem toe te passen: hij behoefde
+maar de hand uit te strekken tegen de politiemannen, om hen dood ter
+aarde te doen vallen, zulke krachtige tooverspreuken kende hij. De
+man heeft het er werkelijk op aan laten komen. Het zou interessant
+zijn te weten, wat hij later in de gevangenis gedacht heeft over die
+tooverspreuk. Waarschijnlijk: dat hij een of andere fout had gemaakt
+bij het opzeggen.
+
+De Westerling, zelfs als hij jaren en jaren onder hen gewoond heeft en
+vriendschappelijk (voor zoover dat mogelijk is) met hen is omgegaan,
+zal altijd vreemd staan tegenover het gemoedsleven van den Oosterling,
+wiens wordingsgeschiedenis immers, als enkeling en als volks-deel,
+een van zijn eigene geheel verschillende en daarenboven hem slechts
+gebrekkig bekende is. De Westersche reiziger, wien niet dan enkele
+weken, of op zijn allergunstigst maanden, gegund zijn om een Oostersch
+land en volk waar te nemen, heeft geen keuze dan bij voorbaat van alle
+diepgaande beoordeelingen afzien. In het onderhavige geval zal ik, dit
+doende, echter wel het oordeel mogen weergeven, dat een zeer ontwikkeld
+inlander, een man op jaren reeds, van bezadigde denk-gewoonten en
+helder inzicht, tegenover mij uitsprak over de drijfveeren en de
+doeleinden der Islam-partijders. Het is waar, dat hij een overtuigd
+aanhanger der nieuwe denkbeelden is, en als zoodanig gevaar loopt de
+onpartijdigheid te verliezen tegenover hen die dat nieuwe bestrijden.
+
+Volgens hem is het geen vaderlandsliefde, noch overtuiging des harten
+die de Islam-partij drijft in hun heimelijk-gevoerden strijd tegen
+den Westerling. Hij gaf niet toe, dat die idee van "vaderland" eenige
+macht had over den Minangkabauer, voor wien de Atjeher, de Niasser, de
+Batak, om van den Javaan en den Bandjarees te zwijgen, vreemdelingen
+zijn,--niet zoo als de Westerling voor hem een vreemdeling is,
+wel is waar, maar toch: vreemdelingen. En evenmin geloofde hij
+aan waren godsdienst-ijver. Die immers zou zich moeten uiten in de
+rechtvaardigheid, de gastvrijheid, de barmhartigheid jegens den arme
+en hulpbehoevende, die de Koran den geloovige als plicht voorhoudt;
+terwijl integendeel deze geestdrijvers woekeraars, bedriegers en
+uitzuigers zijn. Naar zijn overtuiging was wat hen bezielde niet
+anders dan eigenbelang van het minstwaardige soort. Zij wilden macht
+om met die macht geld te winnen, het meest mogelijke geld van de meest
+mogelijke menschen. De duiten, die in de staatskas gestort worden en
+besteed aan wegenbouw, bruggen, scholen, dorps-rijstschuren, worden
+onttrokken aan de moskee-kas en aan hun eigen diepe zakken. Daarvandaan
+het ophitsen tegen dat "hùn" geld weghalende Westerlingen-bestuur. En
+te dien einde de politiek van volks-verdomming, door middel van het
+aankweeken van bijgeloof.
+
+Als het krachtigste, misschien wel het eenige wapen in den strijd
+tegen dit soort Pan-Islamisme, prijzen velen de prediking van het
+Christendom. Maar hier schijnt twijfel geoorloofd. De ervaring
+heeft bewezen, dat het aannemen van de Christelijke leer niet
+hetzelfde is als het afzweren van bijgeloof: onverdachte getuigenis
+daaromtrent is te vinden in de jaarverslagen der verschillende
+zendingsgenootschappen. Ook kan het geval zich voor-doen--en inderdaad
+doet het zich zeer dikwijls voor--dat juist de meest intelligente en
+ook de van inborst en aanleg beste inlanders tot het Christendom zich
+niet voelen aangetrokken als het hun geboden wordt in de plaats van
+hun overgeërfden godsdienst. De eene theorie wordt tegenover de andere
+gesteld: zij geven de voortreffelijkheid van die eene boven de andere
+niet toe. Raden Adjeng Kartini, betreurder nagedachtenis, heeft in
+haar boek welsprekende uiting gegeven aan het gevoel der dusgezinden.
+
+Maar hier op de westkust zien wij een ontwikkeling beginnen, die niet
+als bespiegeling tegenover bespiegeling, maar tegenover bespiegeling
+als daad en werkelijkheid staat.
+
+Het voorbeeld van den Westerling heeft den Minangkabauer gebracht tot
+het besef, dat een beter leven zoowel mogelijk als wenschelijk is,
+dan hij tot nog toe in zijn dorp heeft geleefd. Behoeften zijn in hem
+wakker geworden, die hij vroeger niet kende. Een deugdelijk onderwijs
+heeft krachten in hem ontwikkeld, door het gebruik waarvan hij die
+behoeften zal kunnen bevredigen. De wisselwerking van toenemende
+begeerte en voldoening, waarvan de beschaving het resultaat is,
+is ook voor hem begonnen.
+
+Wij zien dat de koffie-cultuur herleeft, die gestorven scheen, toen de
+hatelijke dwang tot planten en verkoopen werd afgenomen van het volk,
+en dat heuvels en steile berghellingen, vroeger een wildernis van
+alang-alang, nu zorgvuldig beplant staan met fleurige struiken-rijen;
+dat de sawah-bewerking, lang achterlijk, zoo goed is nu, dat uit Java
+overgekomen ambtenaren, verwonderd, niets te verbeteren vinden, daar
+alles wat zij dachten in te voeren hier al in gebruik is; dat vrouwen,
+aan den adat-dwang zich onttrekkend, op de hier en daar opgerichte
+kantscholen een nieuwe kunst komen leeren; dat meisjes met jongens
+tegelijk naar de school gaan en in het Hollandsch examen afleggen
+in vakken, hun vroeger niet eens bij name bekend; dat schooljongens
+sportclubs oprichten en muziekgezelschappen en gezamenlijk zich
+abonneeren op Hollandsche tijdschriften; wij zien dat het volk begrip
+van hygiëne begint te krijgen, dat de Inlandsche arts bij een zieke
+geroepen wordt inplaats van de doekoen met haar tooverkunstjes,
+en dat de pokken verdwijnen door de veldwinnende vaccinatie; dat,
+hoe zeldzaam ook nog, gezinnen zich beginnen te vormen van vader
+en moeder met de kinderen die zij te zamen opvoeden tot bruikbare
+leden der samenleving. Het is niet waarschijnlijk dat de Inlander,
+zoo ver den weg van het nieuwe al opgegaan en zooveel reeds daarbij
+gewonnen hebbend, tot prijsgave van zulke winst en terugkeer tot het
+oude zich zal laten dwingen, in naam van welke en onder hoe schoonen
+schijn vertoonde theorie dan ook. Hij behoeft slechts verder geholpen
+te worden op den ingeslagen weg, en de onwaarschijnlijkheid zal
+onmogelijkheid worden. Uitbreiding tot vele plaatsen van een onderwijs
+als dat te Fort-de-Kock wordt gegeven; credietinstellingen, die den
+kleinen ondernemer op de been helpen en houden; wegen, bruggen en
+spoorlijnen om den oogst van het boertje in de binnenlanden te brengen
+op de baan van het wereldverkeer; en de drijvers die, baatzuchtig
+of verdwaasd, met Koranteksten den haat tegen het nieuwe prediken,
+zullen prediken voor doovemans ooren.
+
+
+
+
+
+Europeesche ondernemingen op de Westkust--Een Theetuin
+
+
+Europeesche moet men wel zeggen: in dit bijzondere geval heeft de
+algemeene Indische gewoonte van tegenover het Inlandsche element
+niet het Hollandsche te stellen maar het "Europeesche," een goede
+reden van bestaan: de ondernemers op de Westkust van Sumatra zijn,
+inderdaad, burgers van vele landen van Europa. Op mijn-ondernemingen
+zijn het vooral Duitschers en Engelschen: begrijpelijk genoeg, daar
+die in hun geboorteland door practijk zoowel als door theorie den
+mijnbouw leeren kennen. Op landbouw-ondernemingen zijn de Hollanders
+in de meerderheid: waarin misschien de uitwerking gezien mag van
+de eeuwenoude scholing en de sedert een twintig jaar met nieuwe
+kracht oplevende practijk van ons volk in zaken van akkerbouw en
+boomteelt. Beide soorten van ondernemingen liggen, in deze streek,
+verre van de centra van bevolking, het binnenland in, de "rimboe"
+als men hier zegt: bij een vergelijking van de Westkust van Sumatra
+met de Oostkust, of met Java, is dat wel het eerste dat als een
+kenmerkend verschil treft. De reden is een historische. Evenals op
+Java en op de Oostkust heet op de Westkust de onbebouwde grond het
+eigendom van den souverein, de souverein die vroeger de vorst en
+tegenwoordig de Nederlandsche Staat is. Maar anders dan op Java,
+waar sedert eeuwen al vorsten-tirannie den boer zijn rechten had
+ontnomen, of op Oost-Sumatra, waar een dungezaaide bevolking den
+moerassigen en zwaar met woud overgroeiden bodem braak liet liggen,
+kwam op de Westkust de koloniseerende staat tegenover den inboorling te
+staan. Hier waren de menschen vrij en stout: en de grond vruchtbaar. De
+theorie van den Staatseigendom van alle woeste gronden is in hoofdzaak
+theorie gebleven; en een theorie waarvan de Minangkabauer weinig weet
+en nog minder zich aantrekt. De woeste grond is, in zijn oordeel,
+zijn eigendom. Hangende nadere regelingen van de zaak heeft een
+voorzichtig beleid moeilijkheden ontweken door alleen in de "rimboe,"
+ver van alle dorpen en alle mogelijke en bedenkbare aanspraken van
+Inlanders, grond in pacht te geven aan Westersche ondernemers.
+
+De wildernis in dus, liep de weg, dien van Fort-de-Kock uit ik volgde
+naar een nieuw begonnen thee-onderneming in het gebergte.
+
+Het eerste gedeelte van dien weg is zoo voortreffelijk aangelegd,
+dat een automobiel er met volle vaart over rijden kan zonder ergens
+te horten of te stooten. In effen snelheid glijdt het prachtige
+landschap voorbij, hellingen, heuvels, steilten van rechtrijzend
+gebergte, plotseling uit wijkend woud de diepte van een ravijn, waar
+de koelte en de eigenaardige reuk van water over gesteente bruisend
+uit opstijgt. Soms wordt de weg zoo smal tusschen steilte en afgrond
+dat uit de auto de inzittende recht de diepte in blikt aan den eenen
+kant en aan den anderen haast met de hand de aard-orchideeën meent te
+kunnen plukken, die, in trossen afhangen van den bergmuur. Dan wordt,
+in lange slingers dalend, de weg weer breed, en heuvels wijken en
+blijven achter, een vlakte gaat open waar de bergen wijd en ver omheen
+staan. Hier was, voor ons, het eindpunt van den automobielweg. Den
+volgenden ochtend zouden wij te paard verder gaan langs een smal
+steil pad, het bergbosch door.
+
+Er kwam bezoek in de pasanggrahan, waar wij voor den nacht waren
+afgestapt. Wij hoorden verhalen omtrent het leven in de streek. Het
+is er nog vrij eenzaam en wild. Dicht bij de pasanggrahan hebben
+de tijgers hun pad van de met alang alang begroeide berghelling
+naar de vlakte: een grooten boom aan den landweg hoorden wij den
+"tijgerboom" noemen, hij staat op het punt waar het pad van de tijgers
+den weg van de menschen kruist. Na donker gaat niemand onvergezeld
+en ongewapend daar langs. Men hoort veel van geiten en kalveren, van
+volwassen buffels zelfs, die door een tijger zijn meegesleept uit de
+kraal: en soms ook van menschen, 's nachts aangevallen midden in het
+dorp. Niettemin waren de Inlanders er niet toe te bewegen geweest een
+val te bouwen op den "wissel" van de tijgers--het vaste pad dat zij
+houden: in zulk een val moet een geit opgesloten, die met haar angstig
+geblaat het roofdier lokt: en zij vonden het "jammer van de geit." Een
+ambtenaar van het binnenlandsch bestuur maakte aan het uitstellen
+en uitvluchten zoeken een eind, door een geit cadeau te doen aan
+het dorp; waarop het bouwen van de val en de vangst van een tijger
+volgden. Hij maakte zich echter geen illusies omtrent een bekeering
+van de dorpelingen tot redelijker ideeën. Als de tijger gevangen
+was, dan kwam het niet door de val met de blatende geit er in, maar
+door het Lot, dat den tijger dien nacht en die plek had voorbeschikt
+tot sterven. "Het was het uur van zijn dood." Het fatalisme van den
+Islam? Neen: het fatalisme van den natuurmensch--zwak te midden van
+geweldige machten levend, dat onder anderen in het Islamietisch geloof
+een leerstellige uitdrukking heeft gevonden.
+
+Den volgenden ochtend met het aanlichten van den dag stegen wij te
+paard. Het stortregende. Maar eenmaal in het woud voelden wij daar
+maar weinig meer van. Alleen was het pad dikwijls moeilijk voor de
+geduldig zwoegende hitjes; met uitglijden en struikelen worstelden
+zij tegen de stroomende steilten op, waar stortbeek was geworden wat
+gister nog voetpad was. Tegen den middag bereikten wij den bergpas;
+en kort daarna, bij helderen zonneschijn, de onderneming.
+
+Het eerste waaraan de aanwezigheid en arbeid van menschen waren waar te
+nemen, waren de groote, leege plekken van kaalgekapte hellingen, als
+holen en gaten in het ruige zwartgroen van het oerwoud. Tienduizenden
+stammen, van loof en takken ontdaan, naakt uitgeschud, liggen strak en
+bleekgrijs over den grond. Loof en rijs zijn verbrand in vuren, die de
+wind mijlen ver over de hellingen heeft geblazen. De zware takken zijn
+omlaag gestooten in de ravijnen en de opbruisende bergbeken. De stammen
+blijven liggen waar zij gevallen zijn, om met wind en weer de lange
+jaren door te vermolmen tot teel-aarde, goed voor de jonge thee. Het
+is niet mogelijk anders; de versche herinnering aan den tocht door het
+bergwoud leert het ons, ook zonder de verklaring van den planter. Maar
+daar die gevelde wouden te zien vermolmen, en dan te denken aan de
+Deli Spoor, die door den nood gedwongen plannen overweegt om het
+hout voor haar dwarsliggers uit Rusland te laten komen--dat geeft
+iemand toch een zonderling gevoel. Wegen, bruggen, bruggen, wegen,
+van de Westkust naar de Oostkust over moeras, ravijn en gebergte heen,
+wanneer zal er geld genoeg wezen om die te maken? Het begin van het
+wegennet is er: en dat juist doet zoo haken naar de voltooiing. Want
+met zulk begin begint van allerlei mee, dat zònder niet gekomen zou
+zijn en dat voor zijn ontwikkeling juist op die voltooiing wacht. Als,
+bijvoorbeeld, de onderneming, die wij nu bezagen.
+
+De gerooide hellingen langs, waaroverheen van den verren woudrand
+af de bijlslagen van houthakkers klonken, en waar hier en ginder
+uit hoopen rijs een vuurtje glom, bleek in den zonneschijn, onder
+rechtopgaanden blauwen rook, gingen wij, het pad volgende, langs een
+koelte-ademend ravijn. Toen kwamen wij daar waar het ontginningswerk al
+eerder begonnen was en de bewerking van den grond al gaande. Zooals de
+rijstbouwer een helling aanlegt voor zijn sawah, zoo had de planter de
+heuvels gefatsoeneerd voor zijn thee: in smalle terrassen. Het geheele
+beloop van voet, helling en kruin stond geteekend in evenwijdige
+lijnen, juist zooals dat in rijststreken te zien is. Evenwel met een
+onderscheid: het rijstterras heeft een kleinen dam als zoom, die het
+water vasthoudt op de planten; het theeterras daarentegen een geul,
+een "vang-goot," die, nog versterkt door een heg van struikgewas, de
+aarde moet opvangen en tegenhouden, door de slagregens losgespoeld van
+de helling. Een menigte koelievolk was aan het graven van terrassen
+en vanggoten: mansvolk alles. Maar verderop arbeidden vrouwen. Op
+een geterrasseerde helling waren zij bezig plantgaten voor de thee te
+steken, volgens een maat, die zij aan een met knoopen gemerkt touw en
+een bamboelat bij zich droegen, en met een verrassende behendigheid en
+vlugheid pasten langs den grond: het geknoopte touw voor den afstand
+van de plantgaten langs de golvende terrassen, de lat voor den afstand
+van de gatenrijen in de breedte der aardstrook.
+
+Weer een eind verder zagen wij de heuvels geheel en al groen. Daar
+stond--al krachtig opgeschoten--datgene wat in de plaats was
+gekomen van het oer-woud, en waarvoor al die arbeid van kappen,
+rooien, branden, graven en meten de voorbereiding was geweest:
+de jonge thee. Het fijne frissche loof, teer-tintelend in de zon,
+was als water zoo koel tegen de oogen, zooals het daar doorschijnend
+lag te gloren te midden van het zwartige oerwoud-groen.
+
+Het huis van den planter stond op een heuveltje, midden in dien nieuwen
+tuin. De planter had het zelf, met zijn eigen werkvolk, van het hout
+dat rondom groeide, gebouwd; en de kleur, de glans en de zachte geur
+van het woud hingen nog aan dak en wanden. Het was maar klein: en
+de planter dacht aan den bouw van een grooter en geriefelijker. Maar
+daarmede, als met zooveel anders op de jonge onderneming, moest nog
+gewacht op ontwikkelingen, die eerst de toekomst brengen kon. Terwijl
+wij thee dronken op het smalle bordesje, tusschen opgangs-trap en
+huisdeur, en fotografieën bezagen van thee-tuinen op Java, om tot
+een voorstelling te komen van wat de heuvels rondom ons zouden zijn
+over eenige jaren, verhaalde de planter ons van zijn werk en zijn
+verwachtingen.
+
+De eerste thee die op Java gezaaid werd--dat was in 1826--was uit
+China afkomstig. Maar die soort wordt sedert lang al niet meer
+gekweekt. De "Chineesche thee" van tegenwoordig is meestal oogst
+uit inlander-tuintjes, grof blad, dat met allerlei sterk geurende
+bloemen welriekend gemaakt en op onzindelijke en gebrekkige wijs
+bereid is. Verpakking in Chineesch papier moet aan de herkomst uit
+China doen gelooven. De goede thee, die op Java wordt gekweekt, is
+de Assamsche soort. Als de stammetjes drie voet hoog zijn, begint
+de pluk; als ze de vijf voet hebben bereikt, worden zij geknot tot
+struiken. Het uitsnijden van den stam dwingt het boompje tot het
+maken van een menigte zijtakken. Op gelijke hoogte gesnoeid, vormen
+die een groot "snijvlak," waarvan altijd door weer hoeveelheden jong
+uitloopend blad te plukken zijn. Dit is het werk uitsluitend van
+vrouwen: het vereischt een lichte, behoedzame hand. De bereiding van
+het geplukte blad, het drogen, dat technisch "flensen" heet, en het
+oprollen der bladeren tot de kleine staafjes zooals de thee-verbruiker
+die kent, gaat tegenwoordig geheel machinaal: ook de thee heeft
+de algemeene ontwikkeling medegemaakt, die handenarbeid door het
+zindelijker, nauwkeuriger en sneller, weshalve goedkooper, werk van
+de machine vervangt. En evenals de techniek de bereiding, bevordert
+het wetenschappelijk onderzoek de teelt van de thee. De experimenten
+door de gebroeders Bosscha in het laboratorium en op de proefvelden
+van de onderneming Malabar gedaan, komen den planters van heel Java
+ten goede. Het is alweer dezelfde ontwikkeling, als die zoovele andere
+Indische cultures hebben doorgemaakt: van overlevering of probeeren
+in het wilde, naar wetenschappelijk onderzoek en methode. Tezelfder
+tijd is er naar het verbeterde product een steeds grooter vraag
+gekomen. De teelt breidt zich uit: nieuwe landen gaan meedoen, onder
+andere Sumatra. Hoe bij uitstek geschikt het koele klimaat en de rijke
+woudbodem van de Westkust voor het gedijen der thee zijn, zagen wij aan
+den forschen groei en het welige loof van den jongen aanplant rondom.
+
+Er is echter ter Westkust een moeielijkheid, elders onbekend: zij ligt
+in den eisch van vrouwenarbeid in verband met het matriarchaat. De
+vrouw van deze streek is onder het matriarchale stelsel over het
+algemeen wèl genoeg verzorgd, gevoed, gekleed, gehuisvest, om te
+kunnen leven, zonder arbeid om loon. En degenen, die dat toch niet
+kunnen, vinden zulken arbeid op het erf van dorpsgenooten en zoeken
+niet verder. De theeplanter moet dus lokken met de allergunstigste
+voorwaarden van loon, arbeidstijd, huisvesting en gelegenheid tot
+aanschaffing van kleeding en verder behoef van de best mogelijke
+soort tegen den laagst mogelijken prijs. Maar als hij er al in
+slaagt op die wijze een voldoend aantal vrouwen te winnen voor een
+begin van exploitatie, dan zal hij niettemin bedacht moeten blijven
+op de mogelijkheid, hun aantal te vermeerderen naarmate van zijn
+vermeerderenden oogst. De onderneming heeft twee vrouwelijke arbeiders
+noodig tegen één mannelijken. Handhaven zich, ongewijzigd, de oude
+toestanden, dan moet hij arbeidsters gaan zoeken op Java. Veranderen
+zij, dan kan hij ze ook op Sumatra vinden; maar in welken getale,
+dat zal, onder andere, van den aard en het tempo dier veranderingen
+afhangen.
+
+Niet de natuur is het, maar de maatschappij, die voornamelijk de
+ontwikkeling van de thee-cultuur ter Westkust van Sumatra zal bepalen.
+
+
+
+
+
+Europeesche ondernemingen op de Westkust.--Een Goudmijn
+
+
+De groote aardplooi, die, van Malakka tot Amerika over den Maleischen
+archipel en Japan loopend, de oppervlakte van het land tot gebergten
+vervormt, houdt in het andesiet-gesteente, waaruit hij op Sumatra
+bestaat, groote hoeveelheden goud- en zilvererts vast. Dat hebben van
+oudsher de inboorlingen geweten, en van hen leerden het immigranten
+en veroveraars. De goudmijnen, die nu Redjang Lebong, Lebong Soelit,
+Simau heeten, zijn voor eeuwen al, door Maleiers eerst, toen door
+Hindoes geëxploiteerd: Salida, zuidelijk van Painan, bij Padang, is
+een oude mijn van de O. I. Compagnie, die bij haar komst de Inlandsche
+gouddelvers daar reeds aan den arbeid vond. De methoden van exploitatie
+waren natuurlijk primitief, en het gewonnen goud en zilver, waarvan
+het grootste deel gevonden werd in het zand van de bergstroompjes,
+maar een uiterst gering gedeelte van de hoeveelheden, in de scheuren
+en barsten van het vaste gesteente beklemd. De werkwijzen van den
+nieuwen tijd pas, toepassing van wat sedert het eind der achttiende
+eeuw de nieuwe wetenschap omtrent den bouw der aarde had ontdekt,
+konden in hun schuilplaats de kostbare ertsen vinden en bemachtigen. De
+oude mijnen, veelal sedert lang al weer verlaten, werden met dynamiet,
+met kracht van water, stoom, electriciteit, opengebroken en doorboord,
+in de richtingen die de speurende geologen hadden aangewezen. En in
+het hart van de wildernis, waar zelfs nog geen inboorlingen ooit
+zich hadden gewaagd, werden er nieuwe ontdekt. Anderhalve dagreis
+ver van de theeplantage in het oerwoud ligt een van de rijkste dier
+nieuw-ontdekte goudmijnen; een Duitsch geoloog vond haar in 1909.
+
+Er was al lang naar gezocht, door hem en door anderen. Zij allen
+gingen af op twee stukjes gouderts die een Inlander had gevonden:
+want de oude traditie van het goud-zoeken is nog levend onder het
+volk, en jagers en woudloopers hebben er verwonderlijk goed slag van
+het erts op te sporen. Een Engelsch geoloog ging de wildernis in,
+bracht eenige maanden met zoeken door en kwam tot de slotsom, dat
+de brokjes toevalligerwijs op de vindplaats gekomen moesten zijn en
+dat er geen goud-ader liep door het gesteente van die streek. Hij
+was een deskundige, die naam had gemaakt door nasporingen in
+Australië: de maatschappij die hem uitgezonden had hield zich
+aan zijn verklaring. Niet de Duitsche geoloog. En nu bleek weer,
+wat zoo dikwijls al gebleken is bij een vergelijk van Duitsche en
+Engelsche methodes, resultaten van Duitsch en Engelsch onderwijs:
+de Duitsche, die wetenschappelijk is bereikte het doel, waar de
+Engelsche, die empirisch is had gefaald. De Duitscher hield zich aan
+zijn gedachte, die verder zag dan zijn oogen konden zien. Hij bleef aan
+het zoeken; maanden niet, maar jaren hield hij vol. En ten laatste vond
+hij. Een bekend geoloog, hoogleeraar aan een Duitsche universiteit,
+won in Duitschland belangstelling en vertrouwen voor de zaak. Een
+maatschappij werd gevormd, grootendeels met Duitsch, maar ook wel
+met Hollandsch kapitaal. In Juli 1909 kwam een Duitsch mijn-ingenieur
+met een geheelen staf van geschoolde krachten. En in Mei 1910 reed de
+eerste buffelkar door het woud en over de bergen langs een effen weg
+tot aan de plek toe waar het huis van den ingenieur werd gebouwd. Een
+heirleger arbeiders was aan het werk op de onderneming, om langs de
+steile hellingen, op de spitse toppen plaats te maken voor wegen en
+voor woningen. En terwijl de eerste houten huisjes in elkaar getimmerd
+werden, vorderden de ingenieurs met den arbeid aan de mijn. De eene
+was bezig met den bouw van dammen, kanalen, bassins, om het water van
+de rivier en de vele bronnetjes en beken der berghellingen te sturen
+naar de plek waar zijn druk of zijn snelheid zou omgezet worden in
+arbeid. Een tweede bracht de electrische installatie tot stand, die
+overal nacht en donkerheden met witte helderheid zou doorstralen,
+het gesproken woord langs metalen draden dragen over ravijnen en
+bergtoppen, en de lucht vangen en samenpersen tot de drijvende kracht,
+die vèr in het binnenste van den berg de groote boor duwen zou door
+het gesteente. Een derde brak met dynamiet gangen open in de helling,
+met balken en stutten geschoord tegen den druk van den berg en met een
+ijzeren weg bevloerd voor den rit van de zware wagens, die het erts
+zouden vervoeren. En in het kleine laboratorium op den heuveltop,
+primitief ingericht, wat de geriefelijkheid van den werker, maar in
+alles volkomen wat den eisch van het werk betreft, was een vierde bezig
+met het onderzoek van het erts, dat, verbrijzeld en boven felwitte
+vlammen gesmolten, het goud en zilver losliet uit hun verbinding met
+waardelooze stoffen. Het bleek rijk. Het geel-blinkende spitsje aan
+den kegel, die uit den puntig-toeloopenden smeltkroes te voorschijn
+kwam, toonde een aanzienlijker hoeveelheid edel metaal in het erts
+dan indertijd voldoende was om het vreemde kapitaal te lokken naar de
+mijnen van Transvaal. De zes jaren zoekens van den Duitschen geoloog
+waren verantwoord.
+
+Op dit oogenblik is de onderneming, hoewel nog niet in alle onderdeden
+voltooid, krachtig in werking. Inplaats van die eerste buffelkarren
+is het nu een geweldige vracht-automobiel, die, langs den nieuw
+aangelegden weg, met dozijnen bruggen, kloven en rivier-ravijnen
+overspannend, en in geleidelijke stijging heenslingerend over
+de steilten, de groote kisten met machinerieën aanvoert van
+het naastbijgelegen spoorwegstation. Een zaag, door waterkracht
+gedreven, verdeelt de zware stammen, die de buffelspannen in kettingen
+komen aansleepen uit het oerwoud, in planken tot op een millimeter
+precies gelijk in dikte. Het erts, dat al bij hoopen geborgen ligt
+in bewaarplaatsen terzijde van altijd weer nieuw gemaakte gangen,
+uitgebroken in den berg, zal niet in Europa maar op de onderneming
+zelf verwerkt worden: en daarvoor wordt nu tegen een hooge helling aan
+het groote gebouw van rotsblokken ineengevoegd, waar de hamerende,
+verbrijzelende en fijn-schiftende machines komen te staan. In de
+reusachtige kisten, waar namen van Duitsche fabrieken op staan,
+liggen die al te wachten. En bouwmeesters en opzichters drijven aan
+tot haast, want bij den dag groeien de hoopen erts. En telkens worden
+nieuwe lagen gevonden. Het gunstige toeval deed er mij getuige van
+zijn hoe een nieuwe ader ontbloot werd, een bijzonder rijke. Wij
+hadden een geruimen tijd al geloopen door de mijn, ieder met zijn
+mijnlampje in de hand. Op den zwarten grond glinsterden rails,
+donkere waterplassen, hoopen steengruis, een stuk gereedschap hier
+en ginder. Wij bukten onder balken door, langs een pijpleiding of
+een electrischen draad. Uit zijgangen kwam een waarschuwend sein,
+en, met al luider wordend geratel, een reeks ertskarren; de donkere
+gezichten van de koelies, hurkend tusschen de brokken, glansden
+voorbijrijdend op in het lantaarnschijnsel. En terwijl dat voortgleed
+langs den mijnwand, maakte het al de teere, fijne kleuren wakker,
+die daar zoo lang in donker van grond geslapen hadden: zuiver wit,
+zacht grijs, paars en een bloemig-helder en vroolijk licht-rood. De
+erts-aderen liepen zwartig daar doorheen, met plotselinge scherpe
+flikkeringen. Opeens bleef onze gids staan. Wij hoorden uitroepen,
+zagen verraste gezichten, een blanke hand tastte in de opening, waarvan
+juist een bruine hand de boor wegtrok. In het Hollandsch en in het
+Duitsch door elkander klonk de tijding ons tegen van de rijke vondst.
+
+De inlander, die de groote boor hanteerde, keek als al de anderen naar
+het schitterende brok erts in de hand van den hoofd-ingenieur. Wat
+er op dat oogenblik door zijn hoofd ging?
+
+Misschien niets dan een vluchtige verbazing. "Wah! zooveel goud en
+zilver in den grond!" En een oogenblik later zet hij de boor weer
+tegen den mijnwand, en voelt de sterke schudding van samengeperste
+lucht tegen draaiend staal en van staal tegen gesteente, en denkt,
+àls hij al aan iets denkt, aan het eind van zijn werkdag, aan de
+uitbetaling van het loon op "Hari Besar" en aan het dobbelspel,
+heimelijk 's nachts bij den rondreizenden croupier, wiens komst op
+de onderneming de koelies elkander toegefluisterd hebben.
+
+Maar misschien denkt hij toch ook aan iets anders. Misschien denkt hij
+er over, welk een onderscheid het maakt, of een mensch oude gewoonte
+en de getuigenis van zijn zinnen volgt, of dat hij te rade gaat met
+het onderzoekende verstand: die Westerlingen met hun vele boeken en
+hun machines vinden immers schatten, waar hij en zijns gelijken nooit
+meer vonden dan kleinigheden! En misschien wordt er dan iets in hem
+wakker als het begin van een begeerte naar weten.
+
+Het is maar een misschien. Maar wie gezien heeft, hoe zulk een koelie,
+vroeger daglooner misschien op een gebrekkig bebouwden Javaanschen
+bergakker, of visscher in een prauw, die aan een schrapenden hadji
+hoort, of woudlooper, in de moerasbosschen van Borneo djeloetoeng
+zoekend,--hoe zulk een stomp voortvegeteerend mensch na enkele weken
+op een onderneming al weet om te gaan met gecompliceerde machines,
+die gelooft dat het "misschien" een goede kans heeft op den duur een
+"waarschijnlijk" te worden.
+
+
+
+
+
+
+CELEBES
+
+
+Makassar
+
+
+Van Soerabaja naar Makassar is het nog geen twee etmalen stoomens;
+de laatste indrukken van de afvaart zijn nog levendig in de
+herinnering als de eerste van de aankomst al weer met de kracht van
+het tegenwoordige oogenblik hen overmachtigen. Eergisterenmiddag
+was het de drukte van het Oedjong-kwartier te Soerabaja: de nauwe
+straten en de schuifelende menschenvolte van de Chineesche wijk;
+de rivier, bont van beschilderde prauwen, waarlangs aan de eene
+zijde, pakhuizen, magazijnen, loodsen voorbij, de tram stoomt, aan
+de andere de spoortrein; dan de wijde zee, miskleurd een eind ver,
+door het uitspoelende grauw, goor en bruin der rivier, maar aan
+gene zij van een scherp getrokken grens, die met de golving op- en
+neergaat, doch nergens wijkt, plotseling fonkelend blauw; en her en
+der verspreid over dat tintelende watervlak, dat de donkere rompen
+spiegelt, en de schaduw en schittering der rookpluimen, een vloot
+van statige schepen, waar doorheen de haastende stoombarkas haar
+weg zoekt naar de boot der Paketvaart. Schemering daarna en nacht,
+een dag van enkel zee en lucht, weer donker; en dan, met zonsopgang,
+de naderende kust van Celebes, waar, als een wacht en voorpost, een
+klein lichtgeel eiland voor ligt, maar juist ruim genoeg voor een
+half dozijn bruine hutjes, tusschen laag geboomte verstoken, en een
+dunnen hoogen seinpaal. Recht vooruit, tegen den al feller wordenden
+zonneglans in, dommelt tusschen nevelig-groen geboomte met spitse
+donkere daken Makassar. Ontelbare visschersprauwen liggen op de ree,
+blinkende met hun vierkante schuins gestelde zeilen, die wachten
+op den wind. Reusachtig daartusschen steken groote stoomschepen
+op. Verscheiden liggen er al gemeerd aan de kade, een Engelsche
+stoomer naast een Chinees. De scherpe fluiten gillen, de machines
+bonzen en ratelen, van zwaaiend uitgerekte kranen-armen af dalen
+geweldige bonken van in kettingen saamgesnoerde balen en kisten naar
+de volgehoopte kade, waar de donkere koeliedrommen warrend dooreen
+bewegen tusschen de rij der schepen en de rij der loodsen, gapende
+open aan weerszij. Dat alles geeft een indruk van sterken groei, zoo
+plotseling begonnen, dat de gewende verhoudingen opeens en overal te
+klein zijn geworden. De schepen moeten vaak op elkander wachten om
+er een plaats aan de kade te krijgen, wordt mij verteld. Kooplieden
+en zeevolk wachten verlangend op de nieuwe haven.
+
+Achter de aanlegplaats loopt een lange straat, die ook al ruimte
+te kort komt voor het gedrang. Dat gaat naar de kade links af: en
+recht uit naar de Chineesche wijk verderop, die met een rij smalle,
+diep inloopende huizen, half winkel, half pakhuis, gedrongen staat
+langs het strand. In het voorbijgaan ziet men door open achterpoorten
+den fellen glans van de zee en het rechtlijnig gewar van masten en
+takeltuig als achtergrond van een kantoor vol schrijvende klerken, een
+donkere ruimte, waar balen en kisten opgehoopt staan, een winkel, waar
+de menschen in- en uitloopen, of een naar de straat open huiskamer met
+spelende kinders op den vloer, rondom de moeder, die op- en neergaat
+met een kleintje op den arm.
+
+De Maleische buurt ligt als een wederpart van de Chineesche aan gene
+zij van een ruim open plein ten westen van de aanlegplaats. Ook hier
+loopen huizen en erven tot vlak aan zee. 's Morgens in de vroegte
+kan men de naakte kinders zóo uit de huisdeur, half in slaap nog,
+het water in zien loopen. De wijk is zorgvuldig aangelegd met
+een rechtlijnig rooster van straten en dwarssteegjes. En telkens,
+tusschen bruin van huisjes en groen van geboomte door, komt weer
+het zee-blauw blinken, en een groot schuins gestreken zeil scheert
+voorbij, of een prauwtje dat met zijn wijduitgeslagen vlerken en de
+reppende riemen der roeiers een wonderlijk waterdier lijkt, driftig
+op weg naar meer ruimte. De inlandsche wijk is veel minder vol, veel
+minder druk dan de Chineesche; maar bedrijvig toch ook, en verrassend
+door den zweem van orde, zindelijkheid en welvaren die over menschen
+en dingen ligt. Zij gaat van lieverlede langs een breede straat,
+aan het uiteinde waarvan, alweer, de zee blinkt, over in de buurt
+waar de Hollanders wonen: zoodat aan de ééne zijde nette inlandsche
+huizen staan met gevlochten wanden en bladeren dak, en aan de andere
+kalkwitte steenen Hollanderhuizen op ommuurde erven.
+
+De Hollandsche stad van Makassar verschilt weinig van die van zooveel
+andere steden op Java of Sumatra; witte huizen, elk in zijn eigen
+tuin, aan weerskanten van wegen met zwaar geboomte beplant. Twee wijde
+pleinen geven iets ruims en luchtigs aan den aanleg. Het eene gaat
+tot aan het strand en heeft de fonkelingen en wijde verschieten van
+de reede tusschen de stammen van de oude tamarinde- en kanariboomen,
+die breed hun schaduwen spreiden. Aan de westelijke zijde van dit
+plein ligt het fort.
+
+Het is de oude sterkte van de zeventiend' eeuwsche kolonisten,
+die haar ouden naam nog draagt: Rotterdam. De geweldige muur staat
+ongeschonden. En daarboven uit komen spitse roode daken tusschen veel
+geboomte. Het is als een brokje van een oude Hollandsche stad midden
+in dit tropische landschap, onder dezen fellen tropischen hemel. In
+den hoogen breeden muur is een poort, die niet recht doorgaat, maar
+zoo is gebouwd, dat de weg een hoek maakt: om den toegang te beter
+te kunnen verdedigen, was dat. En die poort door komt men als in een
+afzonderlijk stadje. Rondom staan huizen: één groot en aanzienlijk,
+op zichzelf alleen; het huis van den commandant nu, het huis van den
+"koopman" vroeger; de anderen in een rij, met gelijke ramen en daar
+boven, gelijke kleine venstertjes onder het dak. In het midden staat
+de kerk. Het gebouw is nu kleeding-magazijn; maar de oude bouwtrant,
+de hooge vensters, de trap naar de poort, en tot zelfs het antieke
+smeedwerk van scharnieren en slot toe, doen het, alle verandering
+en nieuwigheid ten spijt, een kerk blijven. En die indruk blijft,
+zelfs als men binnengaat, en in plaats van bankenrijen, kasten ziet,
+en militairen inplaats van koster en kerkgangers.
+
+Rondom, tusschen kerk en huizen, is een groene hof, vol schaduw,
+gras, aardige paadjes en gebloemte. Hier kan men wandelen, en, naar
+de oude muren en spitse daken opkijkende, een oogenblik gelooven in
+Haarlem te zijn, of in Naarden, ergens, tusschen de wallen en de stad.
+
+Er is sprake van geweest de oude gebouwen af te breken: dat is
+gelukkig voorkomen. Al te mooi, en, in Indië althans, al te zeldzaam
+is zoo iets ouds. Al te zeldzaam en mooi vooral in zijn tegenstelling
+met die andere schoonheid van het nieuwe, in jonge kracht opkomend,
+dat hier gaat bloeien aan de haven. Nu pas beginnend zal het over een
+jaar of wat in volle fleur staan. En dan zullen Verleden en Heden te
+schooner zijn, het eene door het andere.
+
+
+
+
+
+Door Paré Paré en Boni. De Meeren
+
+
+Van Makassar naar Paré Paré, de opkomende haven, die de hoofdplaats is
+van het gewest Paré Paré, gaat de weg der schepen door den Spermunde
+Archipel. Mooiers is niet te bedenken dan deze vaart. Terwijl het
+schip zijn lange, gladde, schuins wegglanzende vorens trekt over de
+klare zee, waar de weerspiegeling van de hooge stapelwolken langs
+de kim blank door blauw brekend op en neer wiegelt, zwemt het door
+een geheelen zwerm heuvelige tot van den zoom van de zee toe groen
+overlooverde eiland-dorpen heen. Half op het strand, half in het water,
+staan op hooge palen de bruine visschershuisjes in een rij. Benden
+naakte kinderen spelen er om heen. De vloot van prauwen, smal en
+lang, op vlerken van breed-uitgebouwde bamboestammen evenwichtig
+schommelend, ligt her en der verstrooid, wachtend op den wind. Telkens
+verandert het zeelandschap, telkens andere eilandjes duiken op uit
+het flonkerige, van blank, groen, bruin en violet doorblonken en
+doorschaduwd blauw. Enkele staan alleen, als heuveltoppen; andere
+liggen dicht te zamen, donkergroene eilandjes, lichtgroene ondiepten,
+zandbanken, die wit, fijn grijs en goudig geel opschijnen door al
+dunner overgloring van water, dat popelt van verschietende kleuren. Dan
+weer wijken de eilandjes. En achter een breedte van diepere zee, die
+haar eigen donker azuur weer toont, rijzen hoog en ver, wazig blauw,
+de bergen van het Oostelijke vasteland. Hier in het opene varen de
+groote Makassaarsche handelsprauwen, hoog van boeg als een zeventiend'
+eeuwsch galjoen, met volle zeilen voor den wakkerenden wind. Het
+scheepsvolk, Boegineezen met stoute gezichten, zonen van zeevaarders,
+die meteen zeeroovers waren op de wijde wateren tusschen Malakka en
+Nieuw-Guinea, zien onverschillig langs de groote stoomboot heen die
+hun vaartuig dicht voorbijstreeft.
+
+De vaart duurt ongeveer een halven dag. Om acht uur de haven van
+Makassar uitgestoomd, gingen wij om drie ten anker voor Paré Paré.
+
+De baai is bekoorlijk mooi. Tusschen den vasten wal, een ver
+vooruitspringende kaap, en een rij eilandjes, in langen zwaai zich
+strekkend, ingesloten, ligt zij, zoo vreedzaam als een groot meer,
+het strand, de huizen en de groene heuvels daarachter te spiegelen. Het
+plaatsje is in de lengte gebouwd, de lijn van het strand volgend, met
+een buurt inlandsche visschershuisjes, een Chineesche winkelstraat, een
+groep officierswoningen. Het assistent-residentshuis is pas voltooid,
+zoo nieuw nog, dat struiken of gras den tijd nog niet gehad hebben,
+het ruime erf rondom groen te maken. De weg die van den steiger er heen
+leidt is ook nieuw, ruig van nog ongebroken stukken koraalsteen. De
+handelsbeweging te Paré Paré is in den allerlaatsten tijd plotseling
+en sterk toegenomen, en een krachtige verdere ontwikkeling wordt in
+de naaste toekomst gehoopt. De zorgvuldig onderhouden zindelijkheid
+en ordelijkheid van het plaatsje en de nieuwe aanbouw van woningen
+en wegen geven een met die verwachtingen overeenstemmenden indruk
+van nieuw ontwakend leven.
+
+Den tocht het binnenland in naar de groote meren van Sidenreng en Tempe
+begonnen wij den volgenden ochtend voor zonsopgang. Het landschap
+bleef liefelijk zoolang de baai in zicht bleef met haar wisselende
+verschieten, die wijder werden naarmate de weg al steiler klom. Toen
+verdween die glans en die wijdheid en aan weerszij schoof bruinachtig,
+even golvend veld aan, waar hier en ginder een mager boomgroepje op
+stond. Een paar weken geleden had het er hier zeker anders en fleuriger
+uitgezien; toen was alles goud van de rijpe rijst. Maar nu de kleur
+er af was, lag het land armelijk in de eentonige onbeduidendheid van
+zijn formatie ten toon: uren achtereen hetzelfde, zonder teekening of
+verschiet. Met dat al is de grond uitnemend vruchtbaar. Zelfs zooals
+ze nu zijn, gebrekkig gebouwd en geheel afhankelijk van den regen,
+die soms weken lang weggehouden wordt door een heeten drogen bergwind,
+brengen de velden een rijken rijstoogst op. En die kan verdubbeld,
+wanneer een goede irrigatie tot stand komt. In het Noorden van
+het groote eiland, aan de Tomini-bocht, is daarmee al een goed
+begin gemaakt; het gouvernement heeft daar als zijn helpers en als
+onderwijzers van het landbouwende volk Baliërs, die, om misdrijven
+tegen den adat uit hun land gebannen, in een kolonie op de Oostkust
+van Celebes leven, en hun vaderlandsche tradities overbrengen op den
+vreemden bodem. Naarmate de invloedskring van het goede voorbeeld
+verder zich uitbreidt, loopt over grootere breedten van rijstveld het
+leven-brengende water. Wie weet hoe spoedig al Celebes even groen,
+frisch en vruchtbaar is als Bali.
+
+Voorloopig blijkt de bemoeienis van het bestuur uit den goeden
+staat van de wegen, en uit de volkomen veiligheid. Het is moeilijk
+voor wie hier vreedzaam langs den effen weg rijdt, zich voor te
+stellen, hoe kort geleden alles nog wildernis was en strijd. Dat de
+Celebes-expeditie, overigens, zoo snel afliep, schijnt wel grootendeels
+een gevolg van den slechten toestand, waarin het geringe volk verkeerde
+onder den druk van eene overheersching, in naam door zijn eigen
+vorsten en adel, in werkelijkheid door de Arabische geldschieters,
+die vorsten en adel in hun macht hadden, uitgeoefend. Kleine boeren,
+kleine kooplui, visschers, zeevolk, woudloopers konden het onder "de
+Compagnie" onmogelijk slechter en al heel licht beter krijgen dan zij
+het hadden onder hun eigen radja's. Dat zij niet teleurgesteld zijn
+geworden, merkt men aan de wijze waarop zij, in het binnenland,
+reizende Hollanders bejegenen--zonder een zweem van angst of
+onderdanigheid, maar voorkomend en zelfs gastvrij.
+
+De menschen, die wij langs den weg zagen, waren haast allen
+marktgangers, dragend hun waar. Van het binnenland naar de kust gaande,
+mannen en vrouwen die in manden van nog groen palmblad houtskool
+droegen, palm-suiker, gedroogde visch uit de meren, en visch-broedsel
+dat in de poelen en vijvertjes van de dorpen wordt uitgeplant. In de
+reusachtige kalebassen, die hier voor kruik en vat gebruikt worden,
+hadden zij palmwijn; en op den rug van geduldige lastpaardjes ("pateke"
+heeten ze), zakken rijst van hun velden en zakken zand en kalk uit
+hun groeven; het was goed te zien dat er gebouwd wordt op Celebes. De
+mannen die van de kust kwamen, droegen meest zout het binnenland
+in. De behoefte daaraan is nijpend. Gebrek aan zout is de oorzaak,
+zeggen deskundigen, van de huidziekte, die met haar wittige schilfers
+dit anders kloeke en welgebouwde volk mismaakt. Tot aan kleine kinderen
+toe is die akelige vaalheid te zien. Zij schijnen er overigens niet
+veel door te lijden. Het innerlijk-gezonde van het volksgestel komt
+uit in krachtigen gang en rechte houding, en zijn vroolijkheid in
+de felle kleuren van zijn kleedij, die paars tegen vuurrood, groen
+tegen geel, blauw tegen oranje blinkt in de zon.
+
+Twee derden ongeveer van den weg heeft de reiziger achter zich,
+als hij het hoogste punt van den onmerkbaar stijgenden weg bereikt,
+en plotseling, verrassend schoon en stout, een wijd berglandschap
+ziet liggen. Een paar kilometer verder verandert al weer het aanzien
+van het land. Hier is toch een vlakte, waaruit, allerzonderlingst,
+enkele kegelvormige heuvels opsteken. Men krijgt den indruk of dat de
+toppen moeten zijn van een gebergte, waarvan valleien en hellingen
+verborgen liggen onder die als een waterspiegel effen vlakte, het
+bezinksel misschien van een binnenzee uit een verre geologische
+periode. Het meer van Sidenreng, zilverig langs den gezichteinder
+glanzend, ware dan het achterblijfsel dier zee, bij haar laatste ebbe
+in een verzakking van den bodem gevangen.... Met die zonderlinge
+kegelheuveltjes voor oogen, en over den weg verstrooid, stukken
+koraal en schelpen, die breken onder den stap van het paardje, komt
+men allicht tot zulke verbeeldingen.
+
+Alakoeang, het gehucht waar wij halt wilden houden, ligt tegen den
+voet van twee steil-ronde heuveltjes aan, in een aardig nestje van
+groen, verkwikkend voor oogen die vijf uren achtereen niets dan
+kaal veld en zonneschijn hebben gezien. Wij bekortten, verlangend,
+den afstand door een voetpaadje te volgen, het steile van de laatste
+helling af, een paar ondiepe beken en plassen door, en over een ruig,
+grauw, met brokken overzaaid veld. Voor twaalven nog waren wij in de
+pasanggrahan. En door de wijde reten van bamboevloer en peloepoehwanden
+heen woei de koele wind ons in het gezicht, die er aankwam van over
+de Meeren.
+
+Vlak tegenover de pasanggrahan van Alakoeang wordt, eens in de vijf
+dagen, pasar gehouden. Juist den avond voor pasardag waren wij er
+aangekomen. Het vroolijk gerucht dat nog voor zonsopgang alle hanen
+van het dorp aan het kraaien maakte, wekte ons in de vroegte. De
+toestanden hier zijn nog primitief; dat was aan den pasar zoo goed als
+aan de pasanggrahan te merken. De verkoopers zaten, met hun koopwaar op
+het matje rondom zich uitgestald, op den grond. Een enkele maar had,
+bij wijze van loods, vier bamboestijltjes met een schuins dakje van
+riet en blaren, tot berging van zichzelf en zijn waar. De stalletjes
+waren op zijn best twee-en-een-halven voet hoog. Men moest zich bukken
+om te zien wat er onder zat: en dat bleek dan te zijn een stapeltje
+opgevouwen sarongs--klaarblijkelijk Hollandsche import--een hoopje
+ijzerwerk, spijkers, kettingen, hangsloten, of een paar blikken
+petroleum, met misschien nog wat eetwaar of eenige aarden potten
+en kannen. Zoo armelijk als het geheele gedoente was, ging het toch
+vroolijk toe op den pasar. En de moeders hadden kans gezien om haar
+kleintjes met sieraad van zilver en verguld op te tooien. Elke kleine
+naaktlooper had een blinkende medaille op de borst en een blinkende
+medaille op den rug hangen, als middelpunt van gekruiste snoeren. Er
+waren alleraardigst bewerkte bij; de kinderen, in het geheel niet
+bang of verlegen, lieten hun sieraad en zichzelf gereedelijk bekijken,
+en de moeders stonden er glimlachend bij.
+
+Van Alakoeang is het ongeveer een uur rijden naar Teteadji, het
+eerstvolgende dorp aan den landweg. Hier doet de onmiddellijke
+nabijheid van de meeren zich kond in de zwarte netten, die aan
+alle huizen hangen, en in stapels visch, drogende in de zon. Alleen
+vrouwen en kinders zagen wij binnen in het halfdonker der hoog op
+palen gebouwde woningen. Het mansvolk was met de booten uit.
+
+De aanhoudende droogte, die het geheele land van de kust af tot hier
+toe vaal had geschroeid, had den waterspiegel tot ver beneden het
+gewone peil doen dalen, en land gemaakt waar anders water is; de
+blinkende zoom van het meer lag nu wel een twintig minuten rijdens
+ver van het oeverdorp af. Van hier gezien pas toont het landschap
+de ontzaggelijke grootte van zijn afmetingen. De heuvels en bergen,
+die den rand vormen der vallei, liggen onduidelijk, flauw paars
+en blauwachtig, langs den horizont. En onafzienbaar als een zee,
+glanst tot in de verten toe het meer, dat de middelste laagte der
+wijde inzinking overspreidt.
+
+Uit den geheelen omtrek komt het volk hier visschen, en van het eene
+oeverdorp met zeilen en riemen varen naar het andere. Maar het meer
+is zoo wijd dat die menigten vaartuigjes er in verloren gaan. De
+eenzaamheid blijft ongestoord. In het riet langs de oevers en op de
+vele zandbanken nestelen duizenden vogels, die niet opvliegen, zelfs
+als de prauw vlak voorbijvaart; het is of zij de menschen niet eens
+bemerken, zoo zeker zijn zij hier in hun eigen rijk en recht. De
+roeiers van onze prauw joegen er een paar op met luid geroep en
+klappen in de handen. Zij zweefden een eindweegs voort, wielden, en
+streken weer neer, zoo dichtbij, dat de droppels van de opslaande
+schepriemen hen besproeiden. Meest in aantal en verscheidenheid
+waren de meeuwen,--groote roodbruine, zooals ook langs de zeekust
+vliegen, parelgrijze met paarlmoerachtige glansen langs de borst
+en de onderzijde der vleugels, en kleine, heel smalle, die zoo wit
+waren als schuim, en een langen, scherptrillenden kreet uitstieten,
+terwijl zij in wijde kringen zeilden. Hoog in de lucht hingen donkere
+roofvogels, die, als zij plotseling neerschoten op den bespieden
+visch, een ruischend gerucht maakten met hun groote, grauw-bruine
+vlerken. Er stonden witte reigers hoogpootig te blinken tusschen
+'t riet. Langs de zandbanken waadden op ooievaars gelijkende vogels
+die, als pelikanen, een grooten zak tusschen snavel en hals hadden
+hangen. En overal, op het water, langs het zand, tusschen de biezen,
+schitterden prachtige waterhoentjes, met flikkerblauwe borst en een
+schelrooden kam op den kleinen helderoogden kop. Onze prauw zwom:
+de vogels zwommen: het ging alles in vrede en vriendschap.
+
+We waren al een goed uur onderweg, toen wij de eerste visschersbooten
+tegenkwamen. Zij blonken ons met purperen zeilen tegemoet, die vierkant
+tusschen rechte staken gespannen stonden. Toen zij vlakbij waren,
+zagen wij dat die zeilen sarongs waren, zooals wij er op den pasar
+van Alakoeang en aan de voorbijgangers op den weg gezien hadden. Het
+scheen al te zonderling om het te gelooven, zelfs op eigener oogen
+getuigenis. Maar het inlandsche hoofd, dat de reis mede maakte,
+verzekerde dat het inderdaad sarongs waren die het varende volk hier
+voor zeilen gebruikt. Twee boven elkander uitgespannen vormen een
+windvanger, groot en sterk genoeg voor deze lichte scheepjes. Zoo
+gerieft dit volk zichzelf en zijn vaartuig met één en hetzelfde
+stuk goed, sarong vandaag, morgen zeil. Er waren een menigte prauwen
+op het meer, en óverschoon die schittering in de zon van purperen,
+rozenroode, oranje en vioolpaarse zeilen tusschen het blauwe water
+en de blauwe lucht.
+
+Het meer van Sidènreng is met het meer van Tempe verbonden door een
+waterloop, rivier in den regentijd, beekje in de droge maanden. Er
+was ons gezegd dat het ditmaal geheel uitgedroogd was, en dat wij een
+paar uur door modder te baggeren zouden hebben, om van het eene meer
+naar het andere te komen. Maar er bleek nog juist zóóveel water te
+staan, als voor onze prauw voldoende was. Tusschen blauwige biezen en
+allerlei fijngebloemd watergewas wrikten de mannen het bootje voort. En
+we kwamen er anderen tegen, die wij voorbijgingen met wederzijdsch
+wijken en even dringen, zooals menschen zouden doen in een nauwe drukke
+straat. Al die prauwen vervoerden visch, versche en droge. Dat wist
+men al lang voordat men het zag. Vooral de droge visch--hoopen platte
+grauwe beesten, den dungetanden muil opgesperd als in een verstarden
+geeuw--was van verre al te merken. En dat niet alleen op de booten,
+maar spoedig ook al van den wal. Langs weerskanten van het modderige
+kanaal stonden hier, daar, overal, atap hutjes, waar visch lag te
+drogen in de zon. Op den vloer van het paal-huisje, op den grond er
+omheen, op de stellage van bamboestijlen en -horden er naast, overal
+lag visch. Mannen en vrouwen, die langs het smalle pad gingen, liepen
+gebukt onder lasten visch. Naakte kinders lagen te spelen tusschen
+hoopen visch. En het voedsel, dat driften waggelende kwekkende eenden
+onder zand, schelpen en wier te voorschijn haalden, was ook al visch.
+
+Halverwege het meer van Tempe overgevaren, kwamen wij aan de plaats
+waar een deel van al dien overvloed van visch vandaan komt. Het is
+een lange, modderig-bruine ondiepte, met opstekende zandbanken hier
+en ginder, en tusschen grijsgroene biezeneilandjes een enkele poel
+dieper, klaarder water. Eenige visschersprauwen lagen er voor anker,
+roerloos boven het even-rimpelend spiegelbeeld van hun donkere kiel en
+roode en oranje zeilen. De mannen waadden rond in het ondiepe water,
+in elke hand een met de opening omlaag gekeerde korf, die zij onder
+het voortgaan, rechts en links om de beurt neerstieten tot op den
+bodem, waar, in de modder, de visch verscholen ligt. Voelen zij een
+spartelend bewegen in de mand, dan steken zij, door een opening in den
+omhooggekeerden bodem, den arm erin en grijpen hun vangst. De mand,
+die niet in een gevlochten rand maar in een krans van scherpe pinnen
+uitloopt, is gemakkelijk neer te duwen en gemakkelijk op te halen uit
+de weeke modder. Het is verwonderlijk om te zien hoe vlug de visschers
+ermee voortkomen, rechts, links, bij elken plonzenden stap door het
+water een stoot met de mand omlaag. Zoo vroeg als het nog was in den
+morgen, de wachtende prauwen lagen al half vol met visch.
+
+Met netten ook wordt er gevischt op de meren. Wij kwamen een geheele
+reeks prauwen tegen, die de vangst al binnen hadden, en naar huis
+varend met volle zeilen, het zwartige vischtuig tusschen de masten
+gespreid droegen, om te drogen in den wind.
+
+En vóór de dorpen langs den oever, wier zoetklinkende namen de
+roeiers ons noemen,--Alasaleyo Tjelingingi, Tempe--stond allerlei
+vischtuig uitgezet, fuiken van wonderlijk fatsoen, en staketsels,
+die, in bochten en slingers loopend, een waren doolhof vormen, waar
+de binnenzwemmende visch niet meer uit ontkomt.
+
+De roeiers zeggen ons de namen van al dat vischtuig, de namen van de
+visch, die overal, met een plons en een flikkering, opspringt uit het
+water, de namen van de vogels, die, voorbijscherend, er op jagen. Zij
+lachen, als zij zien dat dat alles wordt opgeschreven en nog meer,
+als het hoofd hun verklaart, dat het in een courant komt te staan
+en dat menschen in Holland het lezen zullen! Ze zijn vroolijk. De
+roeitocht van zeven uren aan een stuk heeft hen niet moe gemaakt. Als
+in de Oostelijke verte de daken van Tempe zichtbaar worden, roept
+er een iets tot zijn kameraden. Meteen buigen tien lenige lichamen
+diep voorover, de korte schepriemen vallen en springen met een slag,
+waar het water in regenboog-doorgloorde buien van opstuift, de prauw
+schiet vogelvlug vooruit. De drie roeiers naast het roer, achter op
+de prauw, laten hun riemslag dwars tegen de maat van dien der anderen
+in vallen. Als een huppelende dans klinkt dat. Een van de roeiers
+begint te zingen, de anderen vallen in. De bruine daken komen nader,
+de oever duikt op en rijst, aan den Zuidelijken horizont worden hooge
+bergen al helderder. Uit het meer varen wij een rivier binnen. Het
+is de Walanaë, die rustig en breed het land invloeit. Op den hoogen
+oever ligt Tempe, dicht gedrongen met honderden bruine daken langs den
+bochtigen loop der rivier gevlijd. Een half uur achtereen zien wij die
+menigte van huizen. Al groeiende zijn twee groote dorpen elkander zoo
+dicht genaderd, dat zij den voorbijvarende één lijken. Wij dachten
+nog Tempe te zien, toen de roeiers hun riemen inhaalden, en terwijl
+zij de prauw tegen den wal lieten drijven, zeiden zij dat hier het
+doel van den tocht bereikt was, Singkang.
+
+Singkang is wat men een provinciale hoofdplaats zou kunnen noemen:
+het centrum van het onderdistrict Singkang, dat, als een der rijkste,
+met verscheiden andere landschappen ressorteert onder de afdeeling
+Boni. Het dorp ziet er welvarend uit; de menschen dragen degelijke,
+soms zelfs zwierige kleedij, de paardjes, die het marktvolk in rijen
+langs den weg drijft, zijn doorvoed en verzorgd en stappen stevig onder
+hun last; op zindelijke erven staan wèl onderhouden, huizen die van
+goed materiaal gebouwd zijn. Nog een teeken van welvaart, het beste
+wel: het volk wil leeren. Pas is de nieuwe school vergroot geworden,
+en reeds blijkt ze alweer te klein. En niet alleen de jongens zijn het,
+neen, evengoed de meisjes, voor wie haar ouders onderwijs begeeren. Als
+uit deze laatste bijzonderheid op te maken valt, is het de handel,
+waaraan Singkang zijn voorspoed dankt. Een bevolking die hoofdzakelijk
+van den landbouw en van huis-industrie leeft, meent allicht dat
+zij met lezen, schrijven en rekenen niet van noode heeft. En als
+zij, min of meer gedwongen, haar jongens, die zij veel liever voor
+buffel-herders gebruikt, al naar de school laat gaan, dan houdt zij
+stellig en zeker haar meisjes toch thuis. Handelsvolk is wel wijzer.
+
+De pasanggrahan van Singkang ligt op den steilen oever der rivier. Van
+de achtergalerij uit heeft men, over het smalle tuintje heen,
+het uitzicht op de veerpont die daar heen en weer zwaait over het
+breede sterk-stuwende water. Op pasardagen,--en pasar is het in
+Singkang tweemaal in de vijfdaagsche week,--krijgt men hier een
+indruk van de levendigheid van het handelsverkeer der streek. Voor
+zonsopgang al begint het gedrang aan de pont, van dragende menschen
+en bepakte paardjes. Daar komen ze aan, met rijst, met visch, met
+maïs, met vruchten en groenten, met geweven goed, met kalk, met
+atap. De slaperige veerman, dien zij wakker geroepen hebben, is nog
+niet te voorschijn gekomen uit zijn deur, of zij hebben, dringend en
+schikkend, hun plaats al gewonnen op den bamboehorden-vloer, die over
+twee tot prauwenfatsoen uitgeholde boomstammen is vastgemaakt. En
+de pont is nog niet halverwege den stroom, of een nieuwe menigte is
+al weer saamgeloopen aan den voet der oeverhelling. Wie tegen een
+uur of acht naar den pasar gaat, kan daar eenige duizenden menschen
+bijeenzien. Het gemiddelde aantal wordt mij genoemd als van zeven
+tot acht duizend. De pasarrechten, door den vorst van het district
+gepacht, maken een aanzienlijk deel uit van zijn inkomsten. Als de
+pogingen slagen, die het gouvernement doet, ter invoering van betere
+landbouw-methoden, vooral als een irrigatiestelsel tot stand komt,
+dat de rijstopbrengst van de streek eenige malen verveelvuldigen zal,
+zullen handel en verdienste in een nog snellere en meerdere mate
+toenemen dan zij deze allerlaatste jaren reeds deden.
+
+Celebes is van oudsher een land van handelaren geweest. Lang voordat de
+Compagnie er kwam, hadden Makassaren en Boegineezen rijkdommen gewonnen
+in een handel, die over tusschenstations heen, verbindingen gehad moet
+hebben tot met China toe: getuige de hoeveelheden "schoon porselijn"
+die Rumphius in zijn "Ambonse Historie" telkens weer opnoemt onder
+den buit, door expedities der Compagnie in Celebes behaald. Maar die
+handel was van een avontuurlijke soort, en de handelsman bijwijlen
+roover, en dikwijls genoeg ook weer beroofde. Zoolang hij op zee was
+moest hij zijn waar en zichzelf zien te weren tegen "het kwaadaardig
+gebroedsel" van Ternate en Ceram, handelaars-piraten, als hijzelf. En
+aan land was het nog wel zoo erg: daar loerde op hem zijn eigen
+radja met zijn aanhang, tegen wie geen snelheid van schepriemen
+en zeilen en geen scherpte van forsch gezwaaid zwaard hem helpen
+konden. De vorst, of de edelman, of erger nog dan een van beiden,
+de Arabische geldschieter, die den een als den ander in zijn macht
+had, trad zijn huis binnen, zag er iets wat hem beviel, nam het. Hij
+durfde niet kikken. Hij moest nog blij toe zijn om wat ze hem wel
+wilden laten. Tegenover den edelman en den vorst had de gemeene man
+geen rechten. In het binnenland van Celebes heeft die toestand zich
+gehandhaafd tot in dezen tegenwoordigen tijd toe. Het nieuwe régime
+pas, dat niet alleen in naam, maar ook inderdaad het Nederlandsche
+gezag in de plaats van dat der inlandsche vorsten stelde, heeft er
+een eind aan gemaakt. En van dien keer der zaken dateert de opkomst
+en bij den dag in ongestoorde ontwikkeling rijkere bloei van den
+inlandschen handel, waardoor het geheele dorpsleven veranderende is.
+
+Een einde gemaakt heeft het Nederlandsche bestuur ook aan de slavernij:
+"met één pennestreek." En men zou verwachten dat de uitwerking van dit
+verbod een nog diepergaande zijn moest, en die nog grootere en snellere
+veranderingen in de inlandsche maatschappij teweeg moest brengen. Op
+dit oogenblik echter--hoewel het in de toekomst stellig veranderen
+zal,--is dat niet het geval. De opheffing der slavernij heeft de slaven
+zelven vrijwel onverschillig gelaten. Op den pasar van Singkang hadden
+wij een ontmoeting, die ons van die onverschilligheid een merkwaardig
+staaltje gaf. Er was daar een gezelschap danseressen, onder geleide
+van een oude vrouw. Terwijl de meisjes in haar bonte kleedij, wuivende
+sluiers en aureool van vergulde bloemen op lange stelen rondom haar
+beschilderd voorhoofd trillende, een langzamen rondedans dansten, zong
+de oude een lang, eentonig lied, naar de maat waarvan zij haar schreden
+schikten. Toen zij zweeg, hielden zij op en verbraken den kring. De
+oude kwam naar voren en nam het geld van de toeschouwers in ontvangst,
+dat zij wegstak in haar slendang. De meisjes keken er zelfs niet naar,
+onverschillig, als omtrent iets dat hen niet aanging. Wij hoorden
+dat zij ook werkelijk geen het minste belang hadden bij de opbrengst
+van hun arbeid. Zij waren het eigendom der oude vrouw, die hen, jong,
+van hun ouders had gekocht, hen onderwezen had in dansen en zingen,
+hen voedde en kleedde, en zich het geld, dat zij verdienden met haar
+vertooningen, toeëigende. Het bleek een erkende instelling te zijn, en
+een door het geheele binnenland verspreide. Het gebeurt wel dat zulk
+een meisje een minnaar vindt en trouwen wil: dan moet de vrijer haar
+loskoopen van haar meesteres. Het gebeurt ook wel dat er een wegloopt,
+omdat zij het eeuwig rondzwervende en toch eng-gebonden leven niet
+langer harden kan misschien, of misschien ook omdat de man, die haar
+trouwen wil, geen geld genoeg heeft om haar vrijheid te koopen. Dan
+wordt er jacht op haar gemaakt en de gevangene teruggegeven aan
+haar meesteres. Natuurlijk: als het geval voor den ambtenaar van het
+Binnenlandsch Bestuur werd gebracht, was het oogenblik van klagen en
+het oogenblik van recht en vrijheid krijgen, één. Dat weten zij ook,
+allen: de ouders die het kind "afstaan voor geld," de oude vrouw die
+hen exploiteert, de meisjes zelven. En niettemin gaan de eenen voort
+met onrecht doen in volkomen gerustheid, en de anderen met onrecht
+lijden in volkomen gelatenheid. Vraagt men: waarom dan toch?, dan is
+het antwoord: "Wij zijn het altijd zoo gewend geweest."
+
+Dat was het antwoord dat wij kregen op de markt te Singkang; en dat
+is het antwoord dat ambtenaars van het B. B. krijgen, wanneer zij
+"slaven" trachten uit te leggen dat zij niet langer slaven zijn,
+en vrij om te gaan waarheen, te leven zooals en te doen wat zij
+willen. De "slaven" hooren de verklaring aan, hoffelijk en zwijgend,
+naar inlander-manier. Maar bij zich-zelven denken zij: "Dat is weer
+zulk een nieuwigheid van de Blanda's waaraan geen verstandig mensch
+zich zal storen. Ik ben een slaaf geweest. Mijn vader en moeder
+zijn slaven geweest. Mijn grootouders en overgrootouders, en al mijn
+voorouders voor zoover iemand het kan nagaan zijn slaven geweest. Mijn
+kinderen zullen ook slaven zijn. Als nu de Companie beveelt dat
+dat anders moet worden, wordt het daarom anders? De Companie kan
+wel bevelen dat wij inlanders allen een blanke huid moeten hebben
+voortaan. Maar wij blijven bruin! Laat de Companie maar zeggen dat
+wij voortaan vrij zullen zijn! Wij blijven slaven."
+
+Een enkele heeft de openhartigheid het ronduit te zeggen. En dan valt
+den "bevrijder" de repliek moeilijk.
+
+"Slavernij" in het Hollandsch en "slavernij" in het Makassaarsch of
+Boegineesch of Ternataansch of welke andere talen meer in Celebes
+en in de Molukken gesproken worden, is niet hetzelfde. Zelfs voor
+gekochte of geroofde slaven was de meester maar zelden hard: en
+de slaaf op zijn erf geboren, als kind van ouders die zijner ouders
+slaven geweest waren, was een lid van zijn gezin. De slaaf diende hem,
+zeker. Maar ook vele van zijn arme bloedverwanten dienden hem. Bepaalde
+grenzen omsloten de verplichtingen van den slaaf; daarbuiten had hij
+ook rechten. Dat ging zoover, dat een slaaf eigen bezit kon hebben en
+inderdaad dikwijls had. Zoodat het voor den Westerling onbegrijpelijke
+geval zich voordeed, dat de slaaf rijk was, en de meester arm. En
+dan was het juist de slavernij, die den rijken slaaf beschermde,
+daar waar de vrije man onbeschermd bleef. De radja of de "edelman"
+die een vrijen koopman plunderde, wachtte zich wel den koopman aan
+te tasten, die, als slaaf, onder de bescherming van een anderen
+grooten heer stond. Terwijl die groote heer zelf zijn slaaf ontzag,
+gedeeltelijk omdat de adat dat voorschreef en gedeeltelijk omdat
+hij hem als een huisgenoot genegen was. Dat de verhouding al sedert
+eeuwen zoo geweest moet zijn, blijkt uit een verhaal, dat Rumphius
+doet omtrent "den Koninck van Ternate, Hamsa" en Hamsa's slaaf "den
+ouden roover Djouw Loehoe." Hamsa had den roover, dien hij op last
+der Compagnie gevangen had genomen, weer losgelaten en op de toornige
+vraag waarom, niet anders geantwoord dan "dat dezelve zijn slaaf was,
+denwelke hij telkens weder konde krijgen als hij begeerde." Toen
+de gouverneur-generaal hem aan zijn woord hield en eischte dat hij
+Djouw Loehoe zou te voorschijn doen komen uit de sterkte, waar hij
+zich in allerijl verschanst had, bleek de ware toestand. "Djouw
+Loehoe wist den Koning niets ter wille, latende hem aanzeggen dat
+hij wel bekende Zijn Hoogheids slaaf te wezen, maar dat hij voor die
+reis niet konde afkomen, vreezende dat hij hem mede in onze handen
+mocht leveren." De Koning vertrok dan met een langen neus." Waar van
+zoo oudsher de verhouding van slaaf tot meester een zoodanige was,
+is het ten slotte zoo verwonderlijk niet, dat de Westerling daarin
+nog geen verandering teweeg heeft kunnen brengen.
+
+
+
+
+
+Pampanoea en Watampone
+
+
+Op den weg naar de golf van Boni en Badjoa, dat de schepen der
+Paketvaart aandoen, is Pampanoea het op Singkang volgende station. De
+zachtjes krakende en kabbelende veerpont brengt den reiziger naar
+de overzij der Walanaë, en een landweg op die door een vruchtbare
+zorgvuldig bebouwde streek loopt. Zij is dicht bevolkt. Groepjes
+hutten, het al groeiende begin van gehuchten, staan overal tusschen de
+akkers langs den weg. De heerschende bouwtrant is hier dezelfde als op
+Makassar: het huis dat van bamboe-reepen gevlochten is, staat manshoog
+op palen. De voorzijde heeft drie langwerpig hooge vierkante openingen
+als vensters, die dikwijls hetzij met gebeeldhouwde stijltjes, hetzij
+met gordijnen zijn versierd, wat een Westersch-properen en gezelligen
+glimp geeft aan het geheel. Aardig komen de gezichten der bewoners
+te voorschijn binnen die omlijsting, wanneer zij den voorbijrijdenden
+reiziger nakijken. Wij zagen twee van zulke huizen in aanbouw. Van het
+eene stonden de gevel, vensters en alles voltooid, tegen het bloeiende
+citroen-boschje van het erf geleund, te wachten op het gereed komen
+van de zijwanden en den achtergevel. Het huisgezin was bezig die te
+vlechten, met hun allen op den grond gehurkt rondom een rooster van
+platgeslagen en gespleten bamboelatten, dat zij dichtten met behendig
+doorgestoken reepen. Voor den avond zouden zij wel klaar zijn, leek
+het, en de vier wanden, aan de randen samengehecht met een windsel
+van rottan, dat tegelijk stevigheid en versiering geeft, vastgemaakt
+hebben aan de bamboestijlen en op den houten vloer. En den volgenden
+dag kon dan het dak er op, waarvoor de bedekking,--droog blad van den
+arenpalm tot strooken saamgevlochten,--op den pasar van Singkang was
+gekocht. En de buren, gekomen om te helpen aan den bouw, zouden met het
+gezin de inwijding der nieuwe woning vieren bij een maaltijd waarvoor
+ieder een portie spijzen had meegebracht. Het andere huis, waaraan
+wij de bouwers bezig zagen was een al bewoond, dat vergroot werd. De
+verbouwing had geen verhuizing noodig gemaakt. De wijdere wanden en
+het hoogere dak waren om en over het oude huisje heen gezet; klein,
+donker en dicht zat het binnen in de ijle overhuiving. In het bruine
+tinteldonker achter de deur-opening kwam het huisgezin te zien, dat in
+zijn snellen groei het stulpje zoo naar alle kanten uiteen had geduwd:
+zeker een dozijn kinders, dicht om de moeder en een dampenden pot rijst
+heengedrongen. Ieder kreeg zijn portie op een stuk pisangblad bij wijze
+van een bord. Het allerkleinste werd gevoerd met balletjes samengeknede
+rijst, die de moeder hem met den duim achter in de keel duwde,
+onbekommerd om zijn gehuil: een schreeuw, een prop, een schreeuw,
+een prop, om de beurt. Terwijl dus beneden in het oude huis gegeten
+en gevoerd werd, werd gewerkt boven in het nieuwe; onder de handen
+van den schrijlings over den nok gezeten huisvader vorderde het dak.
+
+Wij bereikten Pampanoea even voor den middag. Na Singkang met zijn
+bedrijvig gewoel langs de rivier en op den pasar, en zijn dicht
+aaneengedrongen huizen, lijkt dit Pampanoea, dat de officieele
+hoofdplaats van de streek en een garnizoensplaats is, al heel klein
+en stil. Strategische redenen hebben de keuze van het gouvernement
+bepaald: Pampanoena is van meér punten uit en gemakkelijker te bereiken
+dan Singkang, waarheen de hoofdweg de in ontelbare bochten slingerende
+rivier is. Als garnizoens-plaats heeft het dorpje een "ver-Hollandscht"
+voorkomen; breede, rechte, goed onderhouden wegen en een aardig park,
+waaromheen de huizen der officieren gelegen zijn. Het inlandsche
+dorp, van deze omgeving uit niet te zien, heeft ook iets Hollandsch:
+in zooverre namelijk, als het ordelijk en zindelijk is. Aan het eigen
+goedvinden van de bewoners overgelaten is een inlandsch gehucht dat
+zelden of nooit. Het materiaal waarvan de huisjes zijn gebouwd is
+van het lichtste: het heeft veel te verduren van het klimaat, in de
+lange stormachtige regentijden: reparatie is altijd door noodig. En
+dat is iets waartoe een Oosterling zichzelven niet gauw of graag
+brengt. Of het om een wonderwerk van architectuur als een Balischen
+tempel gaat, of om een boerenhutje hier in het binnenland van Celebes,
+dat is hetzelfde. Wat eenmaal vervalt dat laten zij liefst verder
+vervallen. De Baliërs hebben het zelfs verstaan aan deze hun trage
+nalatigheid een glimp van godsdienst te geven: de goden willen niet dat
+het vervallende hersteld worde. Het moet vervallen tot het niet meer
+is. En dan moet de ledige plaats ingenomen door het nieuwe. Makassaren
+en Boegineezen, Moslims, houden zulke bespiegelingen niet. Maar hun
+practijk is dezelfde. Men kan huizen zien van welgestelde gezinnen
+waar het dak in flarden van afhangt. Een vergelijking van gehuchten
+als Alakoeang of Teteadji in de afgelegen meren-streek met Singkang of
+Paré Paré of Pampanoea, standplaatsen van ambtenaren van het B. B.,
+maakt de verandering duidelijk die Westersch toezicht in Oostersche
+toestanden te weeg brengt.
+
+Althans in woning-toestanden; in andere opzichten blijken sleur en
+vooroordeel dikwijls nog te sterk. Bijvoorbeeld in dat van hygiëne. De
+inlander heeft daarvan geen begrip. Getuige de manier waarop een
+moeder haar kokhalzend kind volstopt met voedsel--en met wàt voor
+voedsel soms! "Als mijn kind niet eet, sterft mijn kind." Als al
+slikkende "mijn kind" tòch sterft--en ach! in getale sterven de
+kleinen in inlandsche dorpen!--dan is het de "wil van Toean Allah"
+geweest. Evenzoo is het de wil van Toean Allah wanneer in tijden van
+epidemie vele honderden menschen sterven, die uit stinkende slooten
+en poelen drinken; of wanneer zeere oogen met een slip van gore
+kleedij afgewischt, dof worden en blind; of als huidziekten en wonden,
+aan het toeval overgelaten, een mensch den dood aandoen. "Zeker was
+het zijn uur om te sterven." In geheele streken van Celebes zijn de
+pokken epidemisch. Het bestuur heeft de vaccine-campagne er tegen
+begonnen. Maar nu het volk er toe te krijgen dat het aan die om
+zijnentwille begonnen campagne meedoet! Alweer: het is de wil van
+Toean Allah volgens welken een mensch de pokken krijgt of niet krijgt:
+en aan dien wil verandert geen medicijn iets. Soms hoort men nog een
+andere reden opgeven voor dien algemeenen onwil. Om der zonderlingheid
+wille dient zij vermeld, zij het dan ook al onder voorbehoud. Velen
+gelooven, zegt men, dat wie eenmaal de pokken heeft gehad in
+dit leven, in het volgende er van verschoond zal blijven. Daarom
+vinden zij het zaak de ziekte te hebben, en wie zoo ongelukkig is
+niet vanzelf haar te krijgen, gaat naar een fortuinlijker buurman
+en haalt een beetje besmetting. Het moet geen geringe voldoening
+zijn in een tijdelijk geschonden gezicht den waarborg van eeuwige
+schoonheid te bezitten!--Meenen zij het werkelijk zoo? Men hoort
+het, en men leest het zelfs in officieele mededeelingen. Maar het
+blijft altijd uitermate moeilijk te weten te komen of zoo iets een
+persoonlijke opvatting is, of eene misschien tijdelijk of toevallig
+in een bepaalde streek heerschende, waar de een of andere dweepzieke
+fantast vat gekregen heeft op de kinderlijke gemoederen, dan wel of het
+werkelijk een algemeen vastgehouden overtuiging is. De Oosterling is,
+om redenen voor hem voldoende, zeer gesloten tegenover den Westerschen
+overheerscher. En ook wie met al den ijver en de belangstelling die
+uit oprechte sympathie voortkomen zijn leven gadeslaat, zal zich
+moeten neerleggen bij het besef, dat hij niet dan in zeer zeldzame
+gevallen meer dan den buitenkant er van te zien krijgt.
+
+De verbinding van het binnenland met de golf van Boni gaat langs de
+rivier, die bij Singkang de Walanaë heet en verderop twee, driemaal
+van naam verandert, bij het opnemen van andere stroomen. De mail, die
+de booten der Paketvaart te Badjoa afgeven, wordt in een sloep aan
+wal gehaald en met een stoombarkasje het binnenland in gebracht. De
+menschen wachten op die barkas als een kleine honderd jaar geleden,
+klein-stedelingen door heel Europa wachtten op de post-koets. En wie
+kan, schikt zijn reizen naar de vaarbeurten van het bootje, liever
+dan over de moeilijke wegen een tocht te ondernemen. Ook wij deden dat.
+
+Van het midden van haar breeden vloed uit, die goor en dik van
+opwolkende modderwervelingen langs de flanken der barkas stuwde, zagen
+wij de rivier laag in haar bedding liggen. Slijkerig zwart langs den
+zoom van het water, grauw omkorst hoogerop, hingen ontbloote wortels
+van boomen en struweel. In den nacht nog, klaarblijkelijk, was het
+water onder het toch al buitengewoon lage peil verder gezakt. Het trof
+te meer te hooren, hoe kortgeleden nog diezelfde trage slinkende stroom
+den geheelen omtrek langs zijn beide oevers onder water had gezet,
+en de opkomende maïs-velden der dorpelingen had doen verrotten in
+een vloed die drie maanden achtereen bleef staan. Een bleeke streep
+langs de stammen van den steilen oever was er van achtergebleven
+als een peil-merk der natuur zelve. En een ander merk zou de zoeker
+kunnen vinden in leeg geworden huisjes en verzwakte lichamen. Zulke
+schommelingen tusschen verdorring en watersnood zijn niet zeldzaam
+in deze streek, waar weken achtereen soms een heete van kalkdeeltjes
+doorstoven wind van de verschroeide hoogvlakte overheen blaast, en
+in den regentijd de bergen, als een dijk in de luchtzee staande, den
+Westmoesson tegenhouden, waarop de zware regenwolken komen aangezeild.
+
+De kronkelige rivier kan de plotselinge vloeden niet verzwelgen noch
+snel genoeg afvoeren. Regularisatie is allerdringendst behoef. Maar
+ook hier weer is het--waar moet het geld, waar moeten de arbeiders
+met het hoofd en de arbeiders met de handen vandaan gehaald?
+
+Voorshands wordt er gewerkt aan nieuwe wegen en het is een lust om
+te zien hoe die vorderen, een lust om te zien ook dat het volk,
+in heerendienst opgeroepen, er aan werkt zooals menschen werken
+die weten hun eigen belang te dienen. Zij hebben het ervaren,
+dat zij langs een ordentelijken weg gauwer vooruitkomen, meer
+kunnen verdragen en vervoeren van huis naar pasar, meer kunnen
+verdienen dus met minder moeite, dan langs de ruige paadjes over
+stok en steen, door poelen en kreupelhout, waarmee zij vroeger zich
+tevreden stelden. Zoo iets stellen de geboren handelslui die zij zijn,
+op den rechten prijs. Hetzelfde geldt voor den aanleg van telegraaf-
+en telefoonlijnen. Zij kenden in het begin het gebruik er niet van. En
+toen kwam het voor dat zij, in alle onschuld, de leidingen doorsneden,
+om van dat mooie, blinkende metaaldraad arm- en enkelbanden voor hun
+kinders te maken. De leiding was, in hun idee, "een wegwijzer voor
+de Companie" en wèl zonde en jammer daarvoor metaal te gebruiken,
+terwijl het toch met rottan precies even goed ging: waarom zij,
+eerlijk, overal waar zij draad wegnamen, er rottan voor in de plaats
+inlaschten. Maar sedert een invloedrijk hoofd, half verdwaasd van
+blijden schrik, de stem van een ver verwijderden vriend door de
+telefoon te hooren kreeg, en aan al zijn volgelingen het wonder mee
+ervaren liet, heeft dat opgehouden. Op zijn hoogst wordt een heel
+enkelen keer door dezen of genen, wien vaderliefde en schoonheidszin
+al te sterk worden, een heel klein eindje gediefd van het draad dat
+de palen aan hun stut verbonden houdt.
+
+Bij een van de vele kleine gehuchten die als lafenis zoekende kudden
+langs den oever zich neergelegd hebben, verlieten wij den stroom en
+zochten een eind ver langs den nieuwen en voor onze oogen groeienden,
+daarna langs den ouden, vervallenden weg, de richting naar de grot
+van Mampoe. Er was ons gezegd, dat het gezicht daarvan alléén al loon
+genoeg was voor meer tijd en moeite dan de reis door Paré Paré en Boni
+kost. Zoozeer gespannen bleek onze verwachting toch nog kleiner dan de
+werkelijkheid. Iets zoo fantastisch-schoons als dit binnen-bergsche
+gebouw van blanke zalen, hoog als het schip van een kathedraal en
+gedragen op zuilen waarlangs het afdruipend gesteente als tapijten,
+als vaandels, als prachtig gewonden kransen en festoenen hangt,
+vermag de verbeelding niet zich voor te stellen.
+
+De ingang is weinig bemerkbaar, verscholen als hij ligt onder de
+overhangende helling van den berg en al het dichte groen dat daar
+weeldert in den zonneschijn. Achter de lage, lange poort ligt al een
+drempel steenachtige grond, waar nog het daglicht helder schijnt, en
+schaduwtjes van hangende ranken luchtig liggen. Daarachter, opeens,
+zinkt de vloer omlaag, rijst de welving omhoog, wijken de wanden in
+schemering. Een duisternis in de verte is de neerglijdende ingang
+tot een nog wijdere spelonk. Klein bewegen de lichtjes er door
+heen van de in bossen saamgebonden dorre palmtakken, waarmede als
+met smeulende flambouwen de inlandsche gidsen voorgaan. Als zij de
+toortsen met een zwaai doen ontvlammen, staat een ruimte belicht wit
+als versch ivoor: een zuiver-witte koepel langs vijf zuiver-witte
+zuilengroepen opgegroeid uit een wittig-grijzen grond. Geen zweem
+van kleur, geen verste echo van verstervend geluid breekt de witheid
+en de stilte. Achter de machtigste der veelvuldig samengestelde,
+opwaarts strevende, neerwaarts vlietende zuilenbundels ligt de
+uitgang onzichtbaar.
+
+De smalle gang klimt, herwint den half-dag van de voorste grot,
+kronkelt door hoekig versperde nauwten naar daarboven en daarachter
+gelegenen. In de eene valt de zonneschijn door de bres, die een
+geweldige aardstorting heeft gemaakt in de flank van den berg. Een
+jonge boom groeit slank door de opening omhoog. Luchtwortels hangen
+er in af van een waringin, die ergens, buiten staat. Tot een andere
+hebben regen en plantengroei een weg gevonden langs verborgen
+scheuren. Als een wonderlijke hemel, waaraan de regenboog schijnt,
+staat het wittige verwulft gestreept met breede banden groen, bruin,
+oranje en rood. Er is een derde, een vierde, een vijfde, waar het op
+den grond afgedropen steen-vocht tot vormen zich heeft geschikt, die
+het leven in de natuur daarbuiten nabootsen. Daar ligt--de Inlandsche
+gidsen houden hun takken-flambouwen hoog om het vlammenschijnsel er
+over te doen spelen--"de gestrande prauw," wier stuurman in zorgelijk
+nadenken op de plecht zit, het hoofd op de rechterhand. De "krokodil
+en de schildpad" kruipen naar het zwarte hol toe, dat de oever lijkt
+van een ondergrondsche rivier. Een kudde herten is versteend in de
+houding van doodelijk-beangste vlucht voor den jagenden ruiter en
+zijn honden. En het rijstveld wordt aangewezen op een brokkelige
+steilte, waar een reusachtige schoof donker tegen het licht staat
+van de daarachter gelegen instorting. En "het graf van den Radja,"
+die op de jacht hierheen verdoold, den weg terug niet meer kon
+vinden, en het hoofd op de steenen neerleggend, zich overgaf aan den
+eeuwigen slaap. Zijn Raden ajoe is hier, die hem ging zoeken; en de
+geheele stoet van vrouwen, die haar volgde. Maar achter die zalen
+van een roerloos gedrang van steenen gestalten vol, liggen andere
+ruimten, ledig geheel en al. Door het wittige zand, dat den vloer
+fijn bestrooit, valt een van verre gekomen licht, blauwachtig als
+het schijnsel van de maan. En in weder andere hangen aan de wanden
+zonderlinge klompen, zwart tegen grauw, en een voortdurend geruisch
+vervult de lucht, dat doet denken aan het schurende spoelen van een
+rivier over steenachtigen grond. Hier is het kil. Telkens waaien
+lichte vlagen koude. En men begrijpt niet waar vandaan, in deze van
+alle zijden besloten spelonk, tot de fakkeldragers, hun toorts in
+een snellen cirkel zwaaiend, het licht opwerpen tot aan de welving,
+waar, in een zwarte werveling, tienduizenden vleermuizen warrelen,
+die de lucht wannen met hun reppende vlerken.
+
+De doolhof van zalen en gangen met zijn wonderlijke versteenigen
+heeft in de verbeelding van het volk een weerspiegeling geworpen
+van legenden, even wonderlijk als verward. Het bleek ons dat zij
+gaarne die vertellen. Geheel anders dan de eene deed de ander het. Hun
+stemmen mompelden en morden in de bedompte lucht, terwijl zij elkander
+tegensprekend in de rede vielen. Maar de meesten hielden toch vast aan
+het verhaal van den Radja en zijn gemalin, die voor vele honderden
+jaren, door een boozen geest in gestalte van een jachthond verlokt,
+deze grot binnengekomen waren en na lang dwalen versteend. En wij
+bemerkten, in het heengaan, dat bij "het graf van den Radja"--den
+kring kleinere steenen die een groot, langwerpig blok omringt--eenige
+vruchten neergelegd waren als offer.
+
+Na de duisternis, de koelte, het zwijgen, kwam ons toen het zonnige
+landschap en het groepje huisjes waar vrouwen aan het rijst-stampen
+waren, vreemd voor. En gedachten over de legende van den jager en zijn
+liefste reden met ons mee langs den dagelijkschen weg naar Watampone.
+
+Watampone, een garnizoensplaats nu en een druk handeldrijvend inlandsch
+dorp, is de oude residentie der vorsten van Boni. Reliquieën uit hun
+glorie-tijd worden als in een soort museum bewaard in een huisje van
+hout en atap, tot het complex van het vroegere vorstelijk verblijf
+behoorend, en de nawerkingen van het oude regime zijn nog sterk in
+de inlandsche maatschappij.
+
+De "rijks-sieradiën van Boni" werden ons vertoond door den bewaker,
+een oudachtig man, die in gelaat, gebaren, spraak en houding, in
+zonderlinge vermenging, tegelijk iets priesterlijks had en iets
+slaafs. Voor hij de zware kisten opende, ontstak hij een reuk-offer
+van "doepa" in een bronzen komfoortje, dat een gerimpeld oud vrouwtje,
+stellig ook een slavin vroeger in het vorstelijk gezin, hem bukkend en
+hurkend bracht. Toen nam hij, met ceremonieuzen omslag, de schatten
+uit hun schrijn. Daar kwamen eerst kostbare wapens te voorschijn,
+zwaarden, als die Balische edelen in hun familie-schat bewaren, met
+"pamor" ingelegd staal, geborgen in een gouden scheede, prachtig
+gedreven en met robijnen en diamanten versierd. Toen werden zijden
+vaandels ontvouwen, beschilderd en geborduurd. Het eene was de vlag,
+die gouverneur-generaal Speelman namens de Oost-Indische Compagnie
+aan den Bonischen bondgenoot vereerde: op de breede, witte zij, licht
+vergeeld van ouderdom en in de vouwen gebroken, staat een met volle
+zeilen en wapperende driekleur varend Hollandsch schip geschilderd,
+tusschen zon en maan, die, als reuzen verbeeld, elkander de hand
+reiken, terwijl een rondom loopende zinspreuk verklaart dat Boni en de
+Edele Compagnie vereend zullen blijven zoolang als zon en maan zullen
+schijnen. Twee saamgeklonken ijzeren ringen, door inlegsel van goud
+sierlijk gemaakt, verzinnebeelden verder dat verbond,--duidelijker
+dan in de bedoeling van den gever gelegen kan hebben: inderdaad,
+het goud is voor de Edele Compagnie geweest, en het ijzer voor
+Boni! Een gouden keten, geweldig zwaar en dik, van het soort dat
+Rumphius bedoeld moet hebben, als hij schreef van "gouden slangen,"
+gevormd door schakels niet, maar door gróote schubben, toont hoe de
+Compagnie haar bondgenoot dankte voor hulp met de wapenen. Zij werd
+aan den Vorst van Palakka vereerd, na zijn gelukkige veldtochten
+in West-Sumatra en in Noord-Celebes, in 1672. En de scalp van den
+vorst, de lange, grove zwarte haren los er langs zwierend, wordt als
+allerkostbaarste reliquie vertoond, zorgvuldig gespannen over een
+houten schedel. Er is sprake van geweest de "rijkssieradiën van Boni"
+over te brengen naar Batavia, waar zeker het vele goud en edelgesteente
+veiliger zou wezen dan hier. Maar men heeft ze in Watampone gelaten,
+met ommezicht naar de gevoelens der bevolking. Het blijkt immers uit
+de offers van wierook, bloemen en vruchten, geregeld nedergelegd in de
+grafkoepels der sultans, een eindweegs buiten het dorp, hoezeer zij nog
+steeds gehecht is aan de nagedachtenis van haar oude vorsten. Men zou
+met recht mogen vragen, waarom dan toch? Veel goeds heeft zij waarlijk
+van hen niet ervaren! Maar datgene wat de dessaman op het sultansgraf
+komt eeren, is zeker niet deze of gene Aroe, van wiens daden, goed
+of kwaad, hij immers niets weet; maar, eerder, een vage voorstelling
+van eigen land en stam vereenzelvigd met de reeks zijner heerschers.
+
+Van den laatsten, die door den Boni-oorlog--(als men met zulk een
+groot woord éen enkel gevecht mag noemen)--uit gezag, huis en land
+verdreven werd, hoort men spreken als van een goedaardigen zwakkeling,
+geheel versuft door opium-schuiven. Zijn eenig genoegen--en eenige
+bezigheid tevens--was het visschen. Het beheer of wanbeheer over
+zijn land liet hij over aan de "anak aroeng" (de afstammelingen der
+vorstelijke familie en de edelen), en aan de Arabische geldschieters,
+die die anak-aroeng, en hem zelven ook, in hun macht hadden, als
+geldschieters niet alleen, maar ook als bloedverwanten; want de
+Arabieren, slimme politici, waren veelal met vrouwen uit de heerschende
+families getrouwd. Het nieuwe bestuur heeft nu een eind gemaakt aan
+wat men "de wettige macht van den adel" zou kunnen noemen. Niet langer
+kan een anak-aroeng het paard van een dorpeling verbeurd verklaren,
+omdat het onder zijn huis door is geloopen, of de karbouw van den
+dorpeling, omdat die langs den rand van zijn veld heeft gegraasd. En
+hij zal het ook niet meer wagen een rijstveld van den kleinen man
+te laten afoogsten of uit het huis van een Boegineeschen handelsman
+te halen wat hem belieft. Maar de macht en het aanzien, door oude
+traditie hem verleend, heeft de adel ook onder het nieuwe regime
+behouden. Gewillig buigt de geringe man daarvoor. Het is zelfs niet
+zeldzaam dat hij gehoorzaamt, wanneer een anak-aroeng hem een bevel
+geeft, voor zijn eigen welzijn gevaarlijk; een bevel, bijvoorbeeld,
+tot moord. Eenige maanden geleden werd in een dorp, aan de Noordkust
+van de Golf van Boni gelegen, een afschuwelijke moord gepleegd; bij
+het gerechtelijk onderzoek verklaarden de daders op bevel van een
+anak-aroeng gehandeld te hebben. In de gevangenis van een ander dorp
+in deze streek zag ik zelf twee vrouwen, die te zamen een oud paar
+hadden geworgd. Het paar stond in het dorp bekend voor gifmengers. De
+radja had bevolen hen te dooden. De twee vrouwen hadden het gedaan. De
+zaak was nog niet ten volle onderzocht en bewezen: maar er werd, in
+dezer voege, over gesproken als over iets dat volkomen vast stond
+en aan allen bekend was. Niemand scheen er iets afkeurenswaardigs
+in te vinden. De twee vrouwen hadden kalme, zachte gezichten. Toen
+ik ze zag in de gevangenis, waren ze bezig met hun beiden een klein
+meisje, het kind van de jongste der twee, te voeren. Het zat op het
+matje tusschen de twee in. En de oudere vrouw zag het zoo vriendelijk
+aan als de moeder zelve. Het zal wel onvermijdelijk wezen dat zij
+gestraft worden voor moord. Maar even onvermijdelijk zal hun gelaten
+afkeuring van het vonnis zijn. Zij hebben immers niet anders gedaan
+dan wat zij meenden te moeten doen: gehoorzaamd aan hun meerdere.
+
+De adel onderhoudt het denkbeeld van die meerderheid in het volk en
+in zichzelf door de handhaving van een uiterst strenge kasten-wet. De
+geboorte bepaalt uitsluitend de waarde van den mensch. Omdat hij de
+zoon was, niet van zijns vaders gemalin, met hem in rang en afstamming
+gelijk, maar van een bij-vrouw, uit geringere familie voortgekomen,
+werd de laatste Radja minder dan zijn voorgangers geëerd. De dochter
+van een aanzienlijk geslacht huwt niet met den zoon uit een minder
+edel. Liever blijft zij ongetrouwd, zoozeer dat tegen alle Oostersche
+denkbeelden en zeden ingaat. Er zijn verscheiden "prinsessen" op
+Celebes, dochters van regeerende vorsten of regeerende vorstinnen
+(want ook vrouwen regeeren hier) die om die reden niet trouwen.
+
+De jonge man van goeden huize heeft, van de eerste jongelingsjaren af
+al, een niet-officieele vrouw. Als kind is zij zijn dienend speelnootje
+geweest; zijn slavinnetje zou zij kort geleden nog geheeten hebben. Op
+zijn dertiende of veertiende jaar is zij door zijn moeder hem als
+vrouw gegeven. Gaat hij later een huwelijk aan met een vrouw van zijn
+eigen stand, dan moet hij de laag-geborene verwijderen: een vrouw van
+adellijken stand behoeft geen bijvrouw te dulden. Zóózeer heeft het
+standsbegrip zelfs de Mohammedaansche zede gewijzigd, die toch voor
+onaantastbaar geldt. Nog meer. Ook het huwelijk tusschen gelijken in
+rang blijft door die gelijkheid beheerscht en van haar afhankelijk,
+zooals het op haar gebaseerd is. Een vermindering in aanzien van de
+ouders brengt vermindering in aanzien van de dochter teweeg: zij is
+niet langer haars mans gelijke, zij heeft niet langer haar adellijke
+voorrechten; hij kan, om zijn eigen rang en voorrecht te handhaven,
+haar verstooten. Het gebeurt herhaaldelijk, naar mij verzekerd wordt,
+dat een schoonzoon zich dus losmaakt van aan lager wal geraakte
+schoonouders, om het even wat de oorzaak van den achteruitgang zij,
+eigen schuld of ongeluk.
+
+Het natuurlijk gevoel blijkt, dat spreekt vanzelf, dikwijls sterker
+dan al dat kunstmatige. Een man weigert zijn laag-geboren liefste te
+verstooten om de wille van de aanzienlijke vrouw, die zijn ouders hem
+bevelen te trouwen. Een jonkman en een jong meisje willen zich niet
+laten dwingen door de conventie, die op grond van verschil in stand
+hun vereeniging verbiedt, en vluchten te zamen.
+
+Elk geval van dien aard maakt een steen los uit het oude gebouw
+van feodale instellingen. En het schijnt wel dat in den laatsten
+tijd zij al veelvuldiger worden: de rebellen weten immers dat het
+Westerlingenbestuur hen beschermen zal tegen de vergelding, die
+onder het oude regime stellig hen getroffen hebben zou. Gelieven
+zoeken hulp en toevlucht bij den "toewan petor" (als, met een
+echt-inlandsche vervorming van het oud-Portugeesche "fettor" de
+controleur wordt genoemd) zooals Romeo en Julia het deden bij den
+vromen klooster-broeder--vertegenwoordigers, de een en de ander,
+van een gezag boven familietwisten of stands-verschil verheven.
+
+Maar, hoewel in aantal toenemend, blijven zulke gevallen toch
+uitzonderingen. De regel is: de traditie. Traditie houdt de vereering
+levendig voor den vorst, den onder Nederlandsch gezag "regeerende" of
+den uit alle macht ontzette en buiten de landpalen verbannene. Traditie
+houdt de voorrechten hoog van den adel. Traditie beheerscht huwelijk
+en gezinsleven. En er zal nog heel wat water door de Walanaë loopen,
+voor dat verandert.
+
+Als veelal in streken met nog maar gebrekkig ontwikkeld verkeer, vindt
+men ook in het binnenland van Paré Paré en van Boni dicht bij elkander
+gelegen plaatsjes elk met zijn eigen bijzonderheden op zichzelf staan:
+wat het eene voor gewoonte heeft is in het andere uitzondering, wat
+het eene maakt is in het andere niet te krijg. Pampanoea en Watampone
+zijn maar ettelijke uren gaans van elkander verwijderd, maar elk
+van de twee heeft zijn eigen industrie, in het ander onbekend. In
+Pampanoea is het vlechtwerk van fijn slag. De vrouwen maken daar
+allersierlijkste mandjes--men zou ze om het fatsoen beter schaaltjes
+met overgestulpten deksel noemen--soms van bladerreepen, die zij eerst
+verven, en die zij, in hun sprekende kleuren, weten te schikken tot
+allerlei aardige patronen; en soms (dat is de kostbaarste soort) van
+de goudgele glanzende en buigzame stengels eener orchidee. Stapels
+van dat aardige goedje kan men op den pasar daar vinden. Vraag er
+naar in Watampone: "dat maken de menschen hier niet." Daarentegen
+maken ze heel mooi aardewerk: lampjes, komforen en koelkruiken van
+velerlei fatsoen en versiersel; zelfs het grofste, dat op den pasar
+bij hoopen opgestapeld staat, en voor een paar duiten het stuk wordt
+verkocht, is aardig om te zien. Onder het fijnere, waarvoor zuiverder
+klei wordt gebruikt, die bij het bakken een bijzonder mooie warm-roode
+kleur krijgt, zijn ware pronkstukjes van primitieve kunst. Men zou
+deze naïeve ceramiek, evenals het vlechtwerk van Pampanoea, wijder
+bekend en gewaardeerd wenschen, ware het niet dat dan het gevaar zou
+kunnen ontstaan, dat overal dreigt waar kunstwerk handelswaar wordt:
+dat om de wille van de winst de kunstenaar zijn waar vervormt naar
+den minder goeden smaak van den kooper. Aan het batik- en koperwerk
+van Java kan men het zien hoe noodlottig Westersche navraag wordt
+voor Oostersche kunstnijverheid.
+
+De pasar van Watampone, waar wij het mooie aardewerk vonden, werd
+geheel beheerscht en geregeerd door een statigen, zwierig gekleeden
+Arabier. Hij toonde ons de markt of het zijn eigen huis en erf was,
+hij maakte met ons "le tour du propriétaire." Alles week voor hem
+op zij. Hij had, hoorden wij, de pasar-rechten gepacht. Te Singkang
+was het eenige huis, dat een zinken dak had en hoog daarmee uitblonk
+boven al die bruine atap-nokjes, ons van verre al gewezen als het
+huis van een Arabier. En we hadden gehoord van de feesten waarmee
+hij een volle maand lang het huwelijk van een zijner dochters zou
+vieren. Klaarblijkelijk hebben de Arabieren een goed deel herwonnen
+van wat zij al verloren hadden gegeven, toen zij voor de naderende
+troepen Boni ontruimden, nu vier jaar geleden.
+
+Hun bondgenooten van toen, de anak-aroeng, hebben zich niet zoo goed
+weten te schikken naar de veranderde omstandigheden. Met den val van
+den Radja--hij, arme sukkel, zucht nog altijd dat hij den oorlog met
+"de Compagnie" niet gewild heeft, hij vroeg niet anders dan in rust
+en pais zijn opium te mogen schuiven en zijn vischje te vangen,--met
+den val van den Radja viel hun geheele staat. Het gouvernement volgt
+een politiek van conciliatie tegenover de vroegere machthebbers:
+jaargelden en decoraties aan de vorsten, benoemingen tot aanzienlijke
+ambten aan de anak-aroeng. Maar het getal van zulke ambten is beperkt,
+de oudste zoons komen als eersten in aanmerking, de jongeren moeten
+zichzelven zien te redden. Dat kunnen (of willen) zij maar zelden; zij
+zijn nu eenmaal gewend aan het zoete niets-doen en lui-lekker-leven
+van den kraton, gewend aan het verzorgd, gevoed en gediend worden
+door slaven. Als de familie hen niet onderhoudt--en families zijn
+nog al eens weigerachtig!--rest hun niet anders dan stelen: werken
+natuurlijk buiten quaestie zijnde. En nu ook die tijden al weer
+voorbij zijn, toen het stelen in grooten stijl mogelijk was, op zee
+in snelle roofschepen, of te land onder zulk een vaandel als Speelman
+aan Aroe Palakka vereerde, doen zij het bescheiden in het klein:
+als veedieven. De besturende en rechtsprekende ambtenaren hier in
+de streek hebben meer dan met iets anders last en werk met klachten
+van dorpelingen over vee-diefstal. En slag op slag zijn het jongere
+zoons uit anak-aroeng families, die als aanvoerders der dievenbenden
+ontdekt worden. Het geringe volk, zoo gedwee het in andere opzichten
+tegenover den adel zich houdt, verdedigt zijn rechten op het stuk van
+het bezit. De wetenschap, dat het een anak-aroeng is, die zijn span
+buffels heeft weggehaald uit het veld, of van zijn vetste koe niet
+meer dan de horens en de hoeven heeft achtergelaten in een boschje
+even buiten het dorp, weerhoudt den dorpeling niet van een klacht
+bij den "toean pettor."
+
+Hij zou zeker beter kunnen doen dan klagen: hij zou kunnen
+voorkomen. Het ligt voor een goed deel aan hemzelven dat hij
+bestolen wordt. Nergens wordt zoo slecht als hier in de streek voor de
+veiligheid van het bezit gezorgd. Het vee wordt 's nachts niet naar het
+dorp teruggedreven en opgesloten in stal of kraal: het blijft buiten,
+in kampen, die, op zijn best, met een muur van los opeenliggende
+steenen omheind zijn. Op zijn hoogst tegen de wilde varkens is dat
+een afsluiting. Er is gepoogd het volk tot doelmatiger verzorging van
+zijn eigendom te brengen; vergeefsche moeite. Naar hun voorgeven is er
+geen plaats op de erven voor een stal, geen plaats in het dorp voor een
+kraal, geen tijd om beter afsluiting te maken, geen mogelijkheid om op
+gezamenlijke kosten een waker aan te stellen. Inplaats van overreding
+is bevel geprobeerd: het hielp zoolang als de bevelende op de plaats
+bleef, maar geen dag langer. Verdween hij, dan verdween de dwang,
+en verheugd keerde alles terug tot de zoete vrijheid om zorgeloos
+te zijn. Het is misschien een van de vele slechte gevolgen van het
+Oostersch-feodale stelsel, nog zoo kort geleden hier het heerschende,
+dat dit volk niet tot gemeenschappelijk overleg en samenwerking te
+krijgen is, overal scheidingen van rang en stand gevoelende. In dat
+geval kan het nieuwe regime verbetering brengen, ook hierin. Hoe
+spoedig al, of over hoe lang eerst, dat zal, onder andere, afhangen
+van het tempo waarin de middelen van verkeer zich ontwikkelen. In
+het binnenland is daarvan nog maar het allereerste begin aanwezig.
+
+Watampone met zijn overkoepelde sultansgraven, zijn rijkssieradiën
+en feodale tradities, met zijn krachtig opkomend nieuw leven ook,
+dat onzeker nog naar nieuwe ruimte zoekt, is maar een uur rijdens ver
+van Badjoa, het havendorpje aan de Golf. De reiziger doet evenwel wijs
+als hij veel meer dan dien theoretisch-noodigen tijd er voor neemt om
+naar de boot te komen. Bij laag-water moet hij een halven kilometer
+ver over slib geschoven, aan gene zijde van dat breede slijkstrand
+eerst kan hij uit de smalle prauw, die een dozijn inlanders voortduwen,
+overstappen in de zeilboot, die hem de volle zee inbrengt, en langszij
+den Paketvaart-stoomer. Ons ging het zoo. Omdat de telefoon-verbinding
+tusschen Paloppo en Watampone verstoord was (en werkelijk toch nergens
+draad gestolen!), zoodat wij niet te weten konden komen hoe laat de
+boot de vorige haven op haar koers verlaten had en wanneer zij dus te
+Badjoa kon zijn, waren we daarenboven nòg een uur vroeger dan wegens de
+ebbe noodig geweest zou zijn op weg gegaan. Het dorpshoofd, dat ons te
+Badjoa opwachtte, een dikke jonge kerel, bijzonder kruiïg gekleed in
+een zwart jasje met blinkende knoopen en een rozerood-en-wit geruiten
+sarong, sierlijk opgewipt over zijn ter zijde uitstekenden kris, ried
+voor alle zekerheid den tocht over het slijk maar dadelijk te beginnen,
+en op zee het oogenblik af te wachten waarop de rookpluim der stoomboot
+aan den horizont opging. Aan den voet van den steiger lag de vlerkprauw
+al te wachten, en de twintig heerendienstplichtigen waren ter plaatse,
+die haar over het slibstrand zouden trekken: zij ging namelijk om de
+mail voor het binnenland van boord te halen. Als op de Walanaë zouden
+ook op het slijkstrand wij weer passagiers met de post zijn.
+
+De twintig mannen grepen de vlerken aan, waarmee de uitgeholde boomstam
+straks op het water zijn evenwicht zou houden. Zij schoven en trokken,
+met hooge stemmen elkander toeroepend, terwijl zij tot halverwege de
+knieën voortplonsden door het groenachtig grijze zeeslib. Rondom, hier,
+daar, ginder, waren menschen en vogels aan het krabben-zoeken. Geheele
+scharen meeuwen trippelden over het slijk, reigers stonden op lange
+pooten, naakte kinderen liepen er tusschen door, die hun hand in
+blootgekomen gaten staken en er een spartelende klauwende krab uit
+te voorschijn trokken. Wij zagen de verschrikte beesten wegvluchten
+voor het schuddende naderen der prauw, dwars wegscharrelend uit den
+verontrusten schuilhoek.
+
+Een goed half uur lang duurde de zonderlinge tocht. Toen spoelden
+de eerste golven tegen de prauw. Eenige van de koelies liepen het
+water in, spoelden slijk en zweet af en sprongen druipend nat in het
+vaartuigje, dat zij met korte riemslagen roeiden naar de wachtende
+zeilprauw. Die had al veel volk aan boord, kooplui met balen, zakken
+en kisten en visschers met hun versche vangst. Door een opening in de
+bamboehorde, die het dek vormde, kwam af en toe een jongen te zien,
+met gebogen rug bewegend in het donker en het zwalpende nat daar
+beneden. Alles wachtte op de boot. De sergeant, die de post ging
+halen, ontdekte als eerste haar blauwe rookwolk aan de kim. Een half
+uur later voeren wij op de "Spilbergen." En de deinzende kust van
+Boni begon te verflauwen, werd onduidelijk tusschen lucht en zee,
+en verdween uit zicht.
+
+
+
+
+
+
+MOLUKKENREIS
+
+
+Ambon
+
+
+Uit verten van Noord en van Zuid komen flauwe bergen aangedreven,
+waas-blauw eerst, dan azuur, dan in gloor en schaduw van modelleering
+heerlijk groen. En de wijde baai, groot golvend, vereffent tusschen
+haar naderende oevers tot zij stil wordt als een geleidelijk
+uitvloeiend meer. Klaar tot in diepe verten van blauw toe glanst
+zij langs den zoom van de welig begroeide heuvels. Daar tegenaan,
+met een rij witte huizen langs het water en op een landspits, donker
+van geboomte, een grijzig fort, ligt Ambon. Aan den ingang haast
+van de havenstraat laten de groote schepen, heengevaren door een
+ontelbare vloot van prauwen en bruinzeilde visschersvaartuigjes,
+het anker vallen.
+
+Een smalle pier, op gering verkeer maar berekend, langs een aan
+weerskanten bespoelden weg verlengd, die onder een poort doorgaat en
+tusschen pakhuizen heen, loopt naar de stad.
+
+Hier, langs en bij de haven is haar drukste buurt--een paar lange
+straten, parallel, recht toe recht aan met dwarsstraatjes er tusschen,
+waarlangs winkels zijn en werkplaatsen, een enkel kantoor. Hier is
+ook de markt, drie lange donkere loodsen, waar, van de diepte uit,
+de glans doorheen schijnt van de baai en de donkerblauwe bergen van
+Leitimor. Dichtbij komen de visschers aan, en trekken hun prauwtjes
+op het strand. In de vroege morgen-uren vooral is het hier bont
+van menschen.
+
+Het is het volk op straat aan te zien hoe sterk gemengd zijn afkomst
+is. De meesten hebben glanzig krulhaar, groote rechtstaande oogen,
+een krachtig bruine tint, waaraan vermenging met de Papoea's te merken
+is, die vroeger, als slaven, bij menigten op het eiland leefden. Maar
+Javaansche en Chineesche kenmerken zijn ook bij de vleet te vinden, in
+gelige tint, in hooge jukbeenderen, in een wat schralen lichaamsbouw;
+en in het geheel niet zeldzaam het Arabische profiel, of trekken die
+zweemen naar het Westersche type, naar het gebogen Latijnsche of naar
+het rechtlijnige Germaansche. Zoowel mannen als vrouwen hebben een
+vrijen gang en blik, hun gezicht staat levendig, zij spreken met een
+heldere stem, waarin een klank te hooren is van zingen. Wat aan hun
+kleeding opvalt is het vele zwart.
+
+Oorspronkelijk moet dit zwart volkseigen geweest zijn: evenals het
+donkere blauw van de Bataks misschien wel het behulp van menschen,
+die niet veel tijd willen besteden aan het wasschen van hun
+kleeren. Maar het is gaandeweg--en hoe dan ook--het teeken geworden,
+waaraan een bijzondere klasse zich liet kennen als in naam door
+godsdienst, inderdaad door bepaalde voorrechten verscheiden van het
+overblijvende deel der bevolking. Het zwart is nu de dracht van de
+Christenen, die, sedert de dagen van de Oost-Indische Compagnie,
+de bevoorrechten geweest zijn onder de inboorlingen en het nog zijn
+op dezen huidigen dag. In de stad Ambon--anders dan in de over het
+eiland verspreide dorpjes, de "negorijen"--zijn zij allen of bijna
+allen "burgers." Hun geschiedenis begint met de zeventiende eeuw. De
+eerste Hollandsche bestuurders van Ambon hadden dit denkbeeld: van
+het eiland een Hollandsche volksplanting te maken. Rumphius geeft
+hun gedachtengang weer, als hij de overwegingen beschrijft, waarmee
+Cornelis Matelieff toezag, "hoe licht de Ambonees in 't bosch zijn
+brood uit boom kapte, zijn wijn ook daaruit tapte, in de riviertjes
+een garnaaltje of vischje wist te vangen, dat hij met moeskruiden,
+die daar in 't wild wiesen, in een pot van groene bamboe toegemaakt,
+met een gauwigheid wist te koken, en dat over een vuur, dat hij al
+mede voor de vuist door 't wrijven van eenige houtjes tegen malkander
+wist te maken, en diergelijke mooie dingen meer, die beter voor een
+Hollanders oog dan voor zijn maag zijn." De bedenking aan 't slot
+is Rumphius' kritiek. Matelieff en zijn geestverwanten dachten zoo
+niet. Zij geloofden aan enkel heil voor Hollanders op Ambon, dat
+Land van Kokanje, die Rijstebrij-berg--of Sago-berg dan, want dat
+"uit boom in bosch gekapte brood" was de sago--en zij gingen aan den
+slag om er Hollanders heemsch te maken, en tegelijkertijd Ambonneezen
+Hollandsch. Zóó moest het lukken!
+
+De Hollanders hadden maar al te vaak tot nog toe een losbandig leven
+geleid, waarbij zij "niet anders als verachte slavinnen" tot gezelschap
+hadden: Matelieff ijverde voor het huwelijk met "een dochter des lands"
+en voor een behoorlijke opvoeding der kinderen, met catechisatie en
+onderwijs in lezen, schrijven, rekenen "en het zingen der psalmen." De
+Inlandsche kinders moesten ook ter school. In het binnenland wilden de
+ouders daar niet graag aan, zij hielden de kleinen liever thuis als
+hun helpers bij het werk op den akker. De beroemdste van Matelieff's
+opvolgers haalde hen over met "schoolvoeding"--een pond rijst per
+dag voor ieder kind dat kwam.
+
+Wie der Compagnie echter goede diensten bewezen had, kreeg daarvoor een
+loon, dat hem geheel en al tot haar verknochten dienaar zou maken, tot
+een bijna-Hollander. Dat loon was het "burgerschap," dat hem onthief
+van de verplichte lasten, waaronder de Ambonnees zoo ongelukkig gebukt
+ging: o. a. het telen van kruidnagels voor de Compagnie en het roeien,
+weken lang, van de zware corra-corra's, waarin de Compagnies-dienaren
+uittrokken op den hongi-tocht, om de kruidnagel-bosschen in andere
+streken dan de door hen bepaalde, te vernielen. Als "burger" hield
+de Ambonnees op een "negorijman" te zijn: hij was een bondgenoot van
+de Compagnie, een Hollander op zijn Ambonsch. Hij was uit de klasse
+der overheerschten gehaald en gezet op een plaats tusschen haar en
+de heerschers in, en wel zoo dicht bij de heerschers, dat hij zich
+verbeelden kon een van de hunnen te wezen.
+
+Hoe meer hij op hen geleek, hoe eerder hij aan die vereenzelviging
+gelooven kon. Om burger te worden behoefde hij wel geen christen
+te wezen. Maar als christen-burger was hij toch veel nader aan de
+begeerde gelijkheid dan als Mohammedaansch burger. Er kwamen véle
+christen-burgers. Van hen, en van degenen die later de klasse
+vermeerderden,--op het scheiden van de markt maakte o. a. het
+Engelsche tusschenbestuur "burgers" bij dozijnen tegelijk,--stammen
+de hedendaagsche burgers af, de menschen in het zwart, die men 's
+ochtends op den pasar tegenkomt. Zij zijn uitermate trotsch op hun
+stand. Elke christen in Ambon acht zich méér dan elke Mohammedaan:
+elk "burger" acht zich véel meer dan elke "negorijman." Maar iemand
+die christen en burger beide is--tusschen dien en welken anderen
+inlander ook, ligt een afstand onoverzienbaar: want hij is een
+zoo-goed-als-Hollander. Tusschen hem en zijn vurig bewonderd Westersch
+voorbeeld is maar éen rang: die van den Indo, den afstammeling van
+den met "een dochter des lands" getrouwden kolonist naar het hart
+van Matelieff en de zijnen. Het onderscheid is heden ten dage nog
+maar in éen ding te vinden: in den Hollandschen familienaam van
+den Indo. Dat is zoowat alles wat er van Matelieff's toch zoo goed
+bedoelde plannen terecht is gekomen. De Indische natuur is sterk:
+zijn Hollandsche leer kon nog niet weten, hoezéer.
+
+Het systeem van de O.-I. Compagnie, het is wèl bekend, heeft Ambon
+arm gemaakt. Door sommigen--Riedel bijvoorbeeld--is zelfs gezegd,
+dat het aan het eiland niet alleen zijn natuurlijke rijkdommen,
+maar twee derden van zijn bewoners ontnomen heeft. De schade was
+ook met den besten wil niet te herstellen, toen de Staat die taak
+beproefde. "Onbegrijpelijk ellendig en diep ongelukkig" vond immers van
+der Capellen de Molukken. Het was of den Inlanders de kracht ontbrak
+zelfs om de toegestoken hand te grijpen en zich te laten optrekken
+uit den armoe-kuil. Er is sedert veel gedaan, veel hersteld, ellende
+als in de jaren 1820 is er niet meer. Maar niettemin: op het rijke
+eiland is het volk arm.
+
+Dat het niet lijdt onder die armoe--lijden wat een Westerling lijden
+noemt althans--dat het daarbij vroolijk is zelfs, en kan lachen,
+zingen en dansen zooals het--zoo allerliefst!--doet, komt omdat het
+toch zijn dak en zijn dagelijksch genoeg aan eten en aan drinken
+heeft. Van den sago-boom, die wild in het bosch groeit, krijgt het
+de bouwstof voor zijn huis en de bouwstof voor zijn lichaam. De
+geweldige bladstelen zijn zijn planken, de gevouwen bladeren zijn
+dak, het merg van den stam is zijn brood. Er is niet zooveel sago
+meer op Amboina als vroeger; waaraan misschien de zorgeloosheid
+van den Ambonner schuld is--Rumphius, die hulpvaardig zich met hen
+bemoeide, klaagt daarover--en zeker het systeem van de Compagnie,
+die den grond van het eiland en de krachten van het volk in beslag
+nam voor de kruidnagelteelt. Maar véél is er toch nog, en wat er
+tekort komt, dat wordt ruimschoots aangevuld door de aanplantingen en
+de dorpsbosschen van Ceram, waar de Ambonneezen het gaan halen. Een
+stam kost daar gemiddeld f 2.50.
+
+De sagopalm groeit vanzelf: weliger wel bij goede verzorging, die
+hem lucht en ruimte geeft, en knagende insecten van hem afhoudt,
+maar toch ook zonder dat, en rondom den stam komt meer jonge opslag
+dan voedsel en plaats voor opgroeien kan vinden. Hij groeit tot zijn
+tijd van bloeien is gekomen. Als de geweldige bloemtros, die uit zijn
+hart opschiet, zaad gaat zetten, begint hij te verwelken en is na
+eenige maanden dood. Voor dien tijd is het merg volkomen gerijpt. De
+inlander, die, tegen den stam tikkend, aan het geluid heeft gehoord
+dat dit zoo is, kapt den boom om, hakt er de bladeren af en neemt een
+lang stuk schors weg, zoodat het merg ontbloot wordt. Dat gaat hij er
+nu uithalen. Hij heeft dan een stuk bamboe, met een kantig steentje
+in het ondereind geklemd, of enkel maar toegespitst. Daarmee, als met
+een hamer en beitel tegelijk, klopt hij het merg los van tusschen de
+houtige vezels die er doorheenloopen. Aan het ondereind van den stam,
+dien hij glooiend heeft gestut, is een grove lap gebonden, een stuk
+weefsel van den boom zelf afgehaald, bij wijze van zeef. Daartegenaan
+spoelt hij met gudsen water, langs den trog van den uitgeholden stam
+gezonden, het losgeklopte merg. Vezels en splinters blijven vóór de
+primitieve zeef, het meeldragende water loopt er door, komt terecht
+in een zinkbak, van de groote bladscheede van den boom gemaakt,
+en bezinkt. Als het meel gedroogd is, kan het, zóó in een aarden
+oventje gestrooid, dat in vierkante hokken is verdeeld, tot broodjes
+gevormd en gebakken worden: die blijven maandenlang goed. Uit een goed
+uitgegroeiden boom--een van dertig voet lang en een voet of vijf in
+omtrek--is tusschen negenhonderd en duizend pond sago te halen. Dat
+kan een man in een dag of vier vijf doen. En in evenveel tijd kan een
+vrouw er broodjes van bakken van een half pond elk: ze heeft niet
+anders te doen dan haar aarden oventje te vullen met meel en het
+heet te laten worden boven een houtskool-vuur. In enkele minuten is
+alles klaar. Nu worden voor een goed dagrantsoen vijf sago-broodjes
+gerekend. Dus met de achttienhonderd uit zulk een stam is onze vriend
+een jaar lang voorzien.
+
+Hij zal er natuurlijk wat bij moeten hebben: visch. Ook die is niet
+moeilijk te krijgen. Als hij een "negorijman" is, heeft hij recht
+van visschen op bepaalde plekken langs de kust, waar hij zijn lange
+staketsels uitzet om met vloed de visch te vangen en haar tegen te
+houden in het verloopend getij; en hij kan gaan schelpen en krabben
+zoeken op de riffen en de zandbanken. Heeft hij als "burger" zijn
+negorijrechten verloren, dan is het nog zoo slim niet: de heele zee
+is vol visch! Wie omlaag kijkt over de verschansing van de stoomboot
+kan ze zien zwemmen op de ankerplaats: prachtige dieren, rozerood
+en purper sommige, en sommige paarlemoer en regenboogkleurig, en
+zwart-en-groen, en bruin met paarse stippen. Ze springen spelend uit
+het water op in zoo dichte scholen, dat de plons van het neervallen
+doet gelooven aan het overboord slaan van lading. En om de pier heen
+is het soms een gedrang van kleine vischjes als een massieve bank van
+beesten. Wie er zijn hengel in uitgooit,--een touwtje met een kromme
+speld doet het al, er hoeft niet eens een aas aan--die haalt op. En
+in Februari, Maart, April komt ook nog de "Kaor," de overstelpende
+massa van zeewormen, waar de heele baai wit van ziet, en die men maar
+voor het opscheppen heeft. Wat water om het steenharde sagobrood in te
+weeken, of anders wat sagomeel tot een stijfselachtige pap gekookt,
+een zaadje Spaansche peper, een ui en eenige druppels citroensap bij
+de visch: en het smakelijk maal is gereed.
+
+Om er een waar feest van te maken, is alleen nog maar een slok
+sagoeweer noodig. Daar komen elken ochtend de dorpelingen mee naar
+stad; bij dozijnen komt men ze tegen omtrent den pasar. De vrouwen
+dragen de groote kruiken--die niet anders zijn dan uitgeholde
+kalebassen--op het hoofd, de mannen hebben er twee bengelen aan het
+bamboejuk, dat piepend wipt over hun schouders. Zonder veel kosten
+is de drank gemaakt: een snede in den rijpenden bloesemtros van een
+arenpalm, een bamboegeleding gehangen aan den opgebonden steel, en
+in den schalm vol zoetig nat een wortel gelegd die het bitter maakt
+terwijl het gaat gisten: daarmee zijn de productiekosten voldaan,
+zoodat de verkoopprijs goed kan wezen, wat hij is: een schijntje. Voor
+enkele duiten heeft de kooper sagoeweer te over om er nog vroolijker
+van te worden dan hij van gelukkige nature al is. Als hij nu nog 's
+avonds een feestje hebben kan--en dat kan hij allicht: een fluitspeler,
+wat iedere Ambonnees is, eenige vroolijke meisjes, die er in overvloed
+zijn, en de gastvrijheid van een kennis, die nooit tevergeefs wordt
+verzocht, en daar is de danspartij al aan den gang--als hij nu ook
+'s avonds nog zijn feestje heeft, dan zijn al zijn wenschen vervuld.
+
+Gelukkig. Maar nog veel meer helaas. Want nu hij met zoo geringe
+inspanning alles kan krijgen wat hij behoeft, laat hij het ook
+daarbij blijven en hij komt niet toe aan die wisselwerking van
+elkander aldoor opdrijvende begeerte en inspanning die de voorwaarde
+van alle ontwikkeling is. Hij kan goed onderwijs krijgen; hij neemt
+het zoolang het moet, en laat het liggen zoo spoedig als het kan. Hij
+wordt geen ambachtsman, dat is hem veel te lastig, dat laat hij over
+aan den Chinees. Niet voor niets heeten de straten in de havenbuurt van
+Ambon, waar de winkels en werkplaatsen zijn, "Chineesche straten." Hij
+wil geen handel drijven. Dat is hem veel te zorgelijk. Het is de
+moeite waard eens te gaan kijken op den pasar. Er zijn daar drie
+loodsen, twee voor "inlanders," een voor "vreemde Oosterlingen." In
+de loods der vreemde Oosterlingen, d. w. z. der Chineezen, Arabieren
+en Klingaleezen, liggen manufacturen te koop, ijzer- en koperwerk,
+conserven, glas, porselein; de Chinees, de Arabier, de Kling zit
+achter zijn waar met zijn kasboek op zijn knieën en zijn oogen op
+den gaanden en komenden man.
+
+In de loods voor Inlanders--en vooral er omheen, waar een
+randje schaduw is en toch niet betaald hoeft te worden voor
+standplaats!--liggen sago-broodjes, visch, eendeneieren, vruchten
+(altijd onrijp, want de vijf, zes duiten voor djamboe en pisang zijn
+vandaag noodig en dus kan niet gewacht tot overmorgen, als er tien
+of twaalf voor gegeven zou worden) bij tijd en wijle ook eenige
+ongelukkige kippen, bij de pooten tot een tros aaneengebonden en
+de snavels amechtig open, zóó mager, dat de gewrichtshoeken door
+het gevederte heen te zien komen: en de eigenaars, zielstevreden,
+hurken op een kluitje met mogelijke klanten bijeen rondom een komfoor,
+waarboven gedroogde visch geroosterd wordt; zoovelen als hun mond
+niet vol hebben, praten allemaal tegelijk.
+
+Zij behoéven niet te werken.
+
+Nu doen zij het ook niet.
+
+Véél liever lui dan moe!
+
+De vreemde Oosterlingen worden menschen. De Ambonnees blijft tot zijn
+dood toe een kind.
+
+Eén behoefte is er weliswaar, die den al-te-weinig behoevenden
+Ambonnees prikkelt: die aan rang en aanzien in de maatschappij. Maar
+ongelukkig kan ook dááraan zonder inspanning voldaan worden; en dat
+dit zoo is, komt voort uit het systeem door de Compagnie ingevoerd en
+tot op dezen huidigen dag gehandhaafd, van den godsdienst te maken
+tot een klasse-onderscheiding. Het aangeboren klasse-gevoel ook van
+den weinig en zelfs in het geheel niet beschaafden Oosterling--het is
+te vinden immers onder Boegineezen en Batakkers--dat in den Ambonnees
+nog even levendig is als het van oudsher was, vindt een ruimen uitweg
+in het Christendom.
+
+'s Zondags in de kerk: daar kan men het waarnemen. De vrouwen van de
+"burgerij" komen in haar mooie kleeren: de eene in een zonderlinge
+stijf geplooide japonrok, waaroverheen de geborduurde kabaja, de
+andere in sarong en kabaja en met muiltjes aan die aan de punt zijn
+opgewipt, een derde met een kapsel door vijf zilveren haarspelden
+vastgehecht als bijzondere tooi, terwijl een vierde er maar drie
+draagt en een vijfde geen ander verschil toont met de dagelijksche
+dracht van zwart katoen dan een wit zakdoekje in de hand bij het
+gezangboek gevouwen. Dat zijn geen toevalligheden noch kleinigheden;
+dat zijn klasse-onderscheidingen. Er zijn vijf klassen van burgers,
+en hun vrouwen toonen het onderscheid in bijzonderheden van hun dracht.
+
+Wee dergene, die het wagen zou om in opgewipte muiltjes naar de kerk te
+gaan als zij geen recht had dan op platte, of die vijf zilveren naalden
+in haar "kondeh" zou willen steken, terwijl haar stand er haar maar
+drie gunde! Het is nog niet lang geleden dat, bij opklimming in stand
+door huwelijk (afdaling kwam niet voor) de hulpprediker er aan te pas
+moest komen om de bruid in haar nieuw klasse-gewaad in te zegenen,
+vóór zij naar de kerk ging, en haar te vermanen tot het betrachten
+der "deugden aan dien hoogeren stand voegende." Die ceremonie is
+afgeschaft. Maar van het gevoel is niets verdwenen.
+
+De wet zelve wakkert het aan. Het leger heeft soldaten noodig en de
+Ambonnees met zijn wild Alfoerenbloed is een uitstekend soldaat. Elke
+Ambonnees. Maar de wet maakt een onderscheid: de christen-Ambonnees
+is de beste. Om dat duidelijk te maken geeft zij den Christen f 200
+als handgeld, terwijl de Mohammedaan maar f 60 krijgt. En behandelt
+zij den Mohammedaanschen soldaat in het hospitaal als inlander,
+samen met Javanen, en den Christen-soldaat als Europeaan, samen met
+Hollanders. De Christen-Ambonnees is "gelijkgesteld," hem "competeeren"
+dingen waarop de Europeaan recht heeft en de inlander niet.
+
+Natuurlijk zijn de gevolgen allerbedroevendst. Natuurlijk wordt een
+geregelde knoei-handel gedreven met namen en doop-ceelen (bad-briefje
+is de inlanderterm, letterlijk vertaald), waardoor Mohammedanen f 200
+handgeld trachten in te palmen inplaats van f 60, en zijn aanklachten,
+onderzoek vanwege de justitie en veroordeelingen tot gevangenisstraf
+wegens vervalsching van staat aan de orde van den dag. Natuurlijk
+loopen de Christen-negorijen leeg van krachtige mannen, en blijven er
+niet dan grijsaards, mismaakten en lepra-lijders over als (mogelijke)
+beoefenaars van een ambacht. Natuurlijk komt het aan het Christendom
+allerminst ten goede, wanneer eerzucht en geldzucht tot beweegredenen
+worden gemaakt voor het toetreden tot de gemeente der Christenen.
+
+Maar tot op dezen dag toe is het zóo. En de naar "rang" begeerige
+Ambonnees bevredigt zijn verlangen door zoo vroeg mogelijk lidmaat
+van de kerk te worden en bij alle mogelijke gelegenheden te pronken
+met zijn hoedanigheid van "Christen."
+
+Men moet zich, overigens, bij dat woord niet al te veel voorstellen
+van hetgeen er gewoonlijk onder begrepen wordt. De Ambonnees is wel
+heel precies op het bijkomstige en absoluut onbeduidende in de letter
+van de leer: maar in hoofdzaken, naar den geest, is hij laksch en
+laat zich zoo wat gaan op zijn oude fetisjisten-natuur.
+
+Dit werd mij verteld omtrent het een en het ander door een inwoner van
+Ambon, die er vele jaren geweest was en in een betrekking waardoor
+hij de beste gelegenheid had tot beoordeeling van zulke dingen: de
+Ambonsche Christen wil zijn Bijbel lezen in een bepaalde vertaling,
+die van Leydekker. Er zijn er later betere gemaakt, maar voor hem
+is de beteekenis van den tekst onafscheidelijk vast aan enkele,
+bepaalde uitdrukkingen van Leydekker, in de betere vertalingen door
+andere vervangen. Nu die fouten er aan ontbreken, wil hij den nieuwen
+Bijbel niet. In het doopsformulier is het woord "zoon" vertaald door
+"mannelijk kind:" dát is in het Maleisch de wijze waarop "zoon" en
+"dochter" onderscheiden wordt, "mannelijk kind" en "vrouwelijk kind;"
+een afzonderlijk woord voor zoon en voor dochter bestaat niet. Een
+jonge predikant die vond dat zulk een uitdrukkelijke bijvoeging
+van het "mannelijk" waar geen gedachte aan vrouwelijk mogelijk was,
+hier zoo min behoefde als in het dagelijksch leven, waar ze in zulk
+een geval ook achterwege blijft, liet bij een doop dat "mannelijk"
+weg en sprak alleen van "kind." Er volgde een dusdanige commotie in
+de gemeente, door geen verklaringen of vermaningen van een ouderen
+leeraar tot bedaren te brengen, dat overplaatsing van den jongen man
+noodig werd. Aan een eed daarentegen hecht de letter-vereerder zoo
+hooge waarde niet. Als hij door middel dáarvan absolute zekerheid
+zal geven omtrent belofte of verklaring dan moet de eed gedaan op een
+of ander heilig voorwerp: bij voorbeeld bij de geldkist in de kerk,
+waarin de giften aan de armen geworpen worden.
+
+Twee Christenen hebben ruzie. Matulessi ziet over de borst van
+Sopamena een gouden horlogeketting glanzen, dien hij den dag te voren
+aan Mantulameten heeft geleend. "Dat is mijn ketting--hoe kom je
+daaraan?"--"In het geheel niet! dat is mijn eigen ketting!" Hevige
+ruzie. Matulessi krijgt zijn wederpartij de kerk in en naar de
+geldkist, grist hem den ketting af en maakt ze vast aan de kist. "Als
+ze van jou is, haal ze er dan maar af." Dat durfde Sopamena niet. Want
+dan zou hij door den bliksem getroffen of door een slang gestoken
+of door een krokodil verslonden zijn geworden. Dat geloof zat zoo
+vast in hem als ooit in een zijner verre voor-vaderen, die bij den
+heiligen steen in het bosch moest zweren en uit vrees voor geestenwraak
+meineed meed.
+
+De voorbeelden zouden te vermenigvuldigen zijn, ook met zulke die
+uitwerkingen veel minder onschadelijk van de antieke gedachtengangen
+aantoonen: het braak laten liggen van een akker bijvoorbeeld, of het
+staken van een onderneming, hoe noodig ook, ter wille van een slecht
+voorteeken, een muis over den weg, het gekras van een bepaalden vogel
+in de boomen. Het ongemak en het gebrek zelfs daaruit ontstaan wordt
+als iets onvermijdelijks verdragen. Wie dat niet wilde doen, wie
+tegen de waarschuwing in ging en den toorn van de geesten trotseerde,
+zou het immers bekoopen met den dood! Daar helpt geen redeneeren tegen.
+
+Het lijkt echter of er verandering op komst is, of de Ambonnees begint
+wakker te worden uit den eeuwenlangen dommel. Er zijn er onder de jonge
+mannen en onder de jonge vrouwen ook, en de weinigen worden met den dag
+meer, die niet langer tevreden zijn met het plantenleven van vroeger,
+die het er op wagen willen met hun krachten. Inplaats van soldaat te
+worden, probeeren die in den handel te komen of in administratieve
+betrekkingen bij de scheepvaart. Er komen jonge Ambonneezen plaatsing
+zoeken bij de Koninklijke Paketvaart, bijvoorbeeld, met de verklaring,
+dat het hun niet om het salaris te doen is, maar om de gelegenheid
+zich te oefenen in geregeld administratief werk. Er zijn ook wel
+Ambonneezen onder het scheepsvolk, die zich oefenen in het schrijven,
+sedert de schooldagen weer afgewend of heelemaal verleerd. Die vroeger
+het leeren voor het schoolmeesterschap voor hoogste ambitie hadden,
+verlangen nu naar middelbaar onderwijs of zelfs naar studie aan een
+universiteit. Tehupejori heeft navolgers gevonden op het moedig
+betreden pad. En meisjes die haar oudere zusters zien knutselen
+met veeren en was om er bouquetten van te maken en als Ambonsche
+curiositeiten te koop te bieden aan toeristen, gaan zelven den gang
+naar de kweekschool, leeren zuiver Hollandsch spreken inplaats van
+het brabbel-Maleisch met verdraaide Portugeesche woorden wonderlijk
+vermengd, dat het taal-eigen van Ambon is, en doen een goed examen
+als onderwijzeres. Zij worden geplaatst aan inlandsche scholen,
+op Amboina en de Oeliase--de eilanden Haroekoe, Saparoea, Noesa
+Laoet,--en voldoen daar, schijnt het, zeer goed.
+
+Het is alles nog, weliswaar, maar een begin. Maar dat er een
+begin is, hoe klein van beweging dan ook, is iets gewichtigs en
+verheugelijks. Men mag nu toch gelooven aan een toekomst voor de oude
+Molukkenstad, waar tot heden toe alles het verleden is.
+
+
+
+
+
+Banda
+
+
+De boot, die in den laten namiddag het anker licht uit de baai van
+Ambon, komt met het krieken van den dag de uiterste eilandjes voorbij
+van de wijd uitgestrooide Banda-groep, en de engte binnen tusschen
+den eiland-vulkaan, Goenoeng Api en Banda Neira, groen van woud.
+
+De hooge rookpluim boven den krater vangt het eerste licht en begint
+te gloren in blank en rozerood, als de hooge vederwolkjes aan de
+lucht. De schemerende engte gaat open, de onvergelijkelijk schoone
+baai straalt op binnen haar krans van eilanden. Het Oostersche licht
+maakt den naakten bruinen vulkaan klaar rood, dat de ribbels en diepe
+groeven, die van den kraterrand af spreidend omlaag loopen, vol glans
+schieten en de zuivere spits doorschijnend staat als een vlam. Al meer
+goud gaat spelen door het steil opstijgende groen van Banda Lontar,
+dat in langen halfboog den zuideroever bouwt der baai. Met spreidende
+flardenkruinen komen de palmbosschen aan den voet uit den morgendommel
+te voorschijn en tusschen de nakende halmachtige stammen het bruin van
+inlanderhutjes; de kanari-wouden, die tegen de hoogten op staan, worden
+in glans en donkerte zwevende gouden koepels. Als nu de heele hemel
+daglicht wordt komt van onder de purpertinten, die over kabbelende
+golfjes heen wegglijden, het diepe blauw van de baai op, blauw dat is
+als blauw vuur. Een liggende laaie gloeit het water. De weerspiegeling
+van de glooiende oevers giet groen en bruin in dat felle blauw, en er
+loopt een witte flikkering langs de randen, waar de golving aanbruist
+tegen een zaaisel van rotsblokken. De diepte waarin het schip zijn
+anker laat vallen is de krater van een ontzaglijken vulkaan, waar de
+zee in binnenstroomde toen kruin en wanden instortten voor het geweld
+der laatste verscheurende uitbarsting. Of van de diepe vuren de gloed
+nòg schijnt door golven van land en water, door de bergen heen en de
+baai, zoo fel zijn alle kleuren.
+
+Het stadje ligt aan den lagen oever van Banda Neira, met grauwige
+gescheurde van loover overhangen tuinmuurtjes uit het water op,
+bruine daken en een enkel rood er tusschen onder lage boomkruinen,
+en aan gene zij van de steenen trap, waar altijd prauwen liggen te
+dobberen, een ankerplaats voor de vloot der visschers. De douane-loods
+is vlak voor aan den steiger; tusschen hoopen zakken en opgestapelde
+kisten en vaten heen gaat de kortste weg naar de stad.
+
+Men loopt er als in een droom, die altijd maar weer verwarrend over
+nieuw begint en te loor gaat: zóó is hier het leven stil blijven
+staan. De straten zijn zonder menschen, zonder geluid. Groote huizen
+staan er langs, zwaar gebouwd tegen den schok van de aardbevingen;
+de voorgalerij is met marmer bevloerd, en er is iets sierlijks aan
+de pilaren en aan het houtwerk van de deuren; aan de poort in den
+hoogen tuinmuur een verdwijnende zweem van ornament. Maar het is alles
+verlaten, leeg, dood. Een troepje naakte inlandsche kinderen spelend
+bij den put, een vrouwtje dat een verschoten sarong uithangt over
+een lijn, door het groen van een verwilderden tuin gespannen, lijken
+de eenige bewoners. Het is haast verwonderlijk voorbij de gesloten
+gevels aan een huis te komen, dat door open deuren en vensters
+leven naar buiten laat. Sedert de laatste daling van de noten- en
+foelie-prijzen, dus sedert een goede twintig jaar, is dat zoo. Het
+herstel is langzaam aan beginnende, nu. Er komen weer noten en foelie
+aan den boom, de Paketvaartstoomers dragen ze weg naar de schepen die
+op Amsterdam varen. Daar is de markt beter geworden. En op het eiland
+zijn de methoden van den nieuwen tijd in de plaats gekomen voor de
+sleur van vroeger, toen het allemaal maar op goed geluk ging en de
+planters violen lieten zorgen.
+
+Zooals het gaat op buitenplaatsjes, waar de aankomst van de boot
+de gebeurtenis is een of twee keer in de maand, kregen wij bezoek
+aan boord. Die verhalen toen van oud-ingezetenen, over den ouden
+tijd! Eerst: de vrijlating van de slaven, voor wie de muren om
+de oude erven zoo hoog gemaakt waren, indertijd. Nu mochten ze de
+poort uit! Ze stonden klaar, gepakt en gezakt, man, vrouw en kind,
+te wachten op den slag van twaalven in den nacht van Oud op Nieuw,
+die hen vrij maakte. En er waren rijke planters, die hout hakten en
+water haalden op 1 Januari, terwijl hun vrouwen rijst stampten onder
+het afdakje in den tuin. Toen de goede jaren kort voor 1870. Het
+begon te gaan, zóo zóo, met het vrije arbeidersvolk en de gestraften,
+die de plaats hadden ingenomen van de slaven. De prijzen stegen in
+Europa, en met een plotselingen sprong na den slag van Magenta, toen
+Keizerin Eugénie voor haar lievelingskleur dat bloedige rood koos,
+door cynische vleierij naar het slagveld genoemd, dat enkel uit foelie
+bereid kon worden. Tot f 300 ging de prijs van den pikol omhoog!--Waar
+moest men heen met al het geld! De fantasie van de planters vloog niet
+hoog. Hoe zou zij? Ze hadden in hun jeugd, voor alle onderwijs, lezen,
+schrijven en rekenen, les gehad van gepasporteerde soldaten, aan den
+wal gezette stuurlui, een tijd lang zelfs van een ondermeester, die
+geen Hollandsch verstond; en als jonge mannen en vrouwen waren zij het
+eiland nooit afgekomen en hadden de slaven tot makkers gehad op het erf
+van hun arm-geworden ouders. Zij konden niet anders verzinnen dan wat
+zij gezien hadden: Bandasche dingen. De een liet zijn binnengalerij
+bevloeren met rijksdaalders, de ander stak op een feest zijn sigaar
+aan met een bankje van f 25, een derde verzon een schip vol ijs uit
+Noorwegen te laten komen om de champagne te koelen voor een bruiloft,
+de vierde ging niet anders meer dan met muziek voorop, heel Banda
+als gast en een sleep van dragers met manden vol lekker eten en
+drinken achterna zijn perken "inspecteeren," en een vijfde kreeg
+een plotseling verlangen naar het gekwaak van Hollandsche kikkers,
+waarvan hij een grootvader had hooren vertellen, en bestelde een lading
+uit Holland, die in een reusachtigen bak aankwam, glimmend groen en
+kwakend dat het dek er van dreunde. Ja! dat waren nog eens jolige
+jaren! De oude heeren die er van vertelden eindigden met een zucht en
+staarden hoofdschuddend voor zich heen. Te bedenken dat de foelie,
+die f 300 gedaan had nog maar met moeite f 170 haalt, en de noten,
+waarvoor f 150 de gewone prijs was, nù op zijn best f 25!
+
+Wij gingen een van de oude notenperken zien. Het was als een
+wandeling in een overheerlijk mooi park. De noteboom is teeder, men
+moet hem beschutten tegen geweld van wind en regenbuien en tegen de
+schroeiende zon; daarom worden in de perken kanari-boomen geplant,
+die hoog groeiend en breed, wolken beschermend loover uitbreiden boven
+de notemuskaatplantage. Frisch staan in de doorschijnende schaduw,
+tintelig van zonneplekken, de lichtgroene boompjes. Zij hebben een mooi
+fatsoen, kegelvormig is om den rechten gladden stam de luchtige bouw
+van het gebladerte geschikt. De bloesem is onaanzienlijk: een kleine
+geel-groene kelk, op eenige passen afstand niet te onderkennen van het
+blad. Maar hij geeft een heerlijken, kruidig-zoeten geur, dezelfde
+in het veel zachtere en vollere, die uit de foelie komt. De noten
+hangen dik. De rijpe, zoo groot als een abrikoos en naar die vrucht
+ook wat zweemend door den langwerpig ronden vorm, de diepe groeve
+overlangs en het rijke geel der schil, maken een mooie schittering
+in de donkerte van schaduw en dicht loof. De grond ligt bezaaid met
+de overrijpe vruchten die opengebarsten zijn langs de groef. Zwart
+en rood tusschen helder geel komt het binnenste te zien, de glimmend
+zwarte pit, die heel en al ingesponnen zit in een fijn vertakt groeisel
+van felroode foelie. Al die vroolijke kleuren verschieten en vergaan
+bij de bereiding van de noot. De glanzige schil gaat van de pit af als
+zij boven den rook is gedroogd tot zij, ineengekrompen, rammelt in het
+omhulsel; bestoven bruin komt zij ten laatste te voorschijn uit het
+kalkwater. En de foelie op vlakke wannen uitgespreid, waar de zon het
+felste schijnt, wordt eerst geel en dan verlept ros-bruin. Wij zagen
+dat op het erf van de oude planterswoning. Zij ligt tusschen kanari-
+en muskaatnotenboomen, op de kruin van den heuvel, waar het perk
+tegen op is geplant, en waar, in de schaduw, grafzerken schemeren
+van haast een eeuw her. Rondom den van bloemen bonten tuin staan de
+loodsen en schuren en het pakhuis, dat vroeger een woonhuis was,
+en waar op twee gedenkplaten het jaar en de dag gegrift staan van
+geweldige aardbevingen, toen dak en muren instortten en het huis van
+de grondslagen af nieuw werd opgebouwd. Door de blauwige donkerte
+van de droogschuur, waar op een zolder van sagobladstengels de noten
+lagen te drogen, bewogen halfnaakte mannen, wonderlijk belicht door de
+schijnsels van vijf groote knetterende en smokende vuren, die zij deden
+opvlammen met sissend neerploffende wildhout-blokken. Een oude man
+zat gehurkt noten te schiften met zeven van verschillende grofte. En
+van de loods achter hem naar den tuin gingen vrouwen heen en weer
+met wannen vol foelie, die van verre schitterde in den zonneschijn.
+
+De eigenaar van het perk, een Arabier, die behalve planter, ook
+parelvisscher is en handelaar in al de ontelbare voortbrengselen van de
+eilanden en de zeeën tusschen Ceram en Nieuw-Guinea, heeft een museum,
+waarin hij kijkers bereidwillig rondleidt. Als alle toeristen doen,
+gingen ook wij er heen. We zagen er een parel waarvoor f 20.000 was
+geboden en paradijsvogels in een groote volière samen met de groene
+boschduif, lansen en schilden uit "de Papoe," prachtig oud Chineesch
+en Japansch porselein, wortelhout uit Ceram en ebbenhout van Boeroe,
+geel schildpad, vlinders, zeldzame schelpen en koraalgewassen. En
+kregen al kijkend, vragend en luisterend het begin van een voorstelling
+omtrent den rijkdom der Molukken.
+
+
+
+
+
+Ceram
+
+
+Varende rondom Ceram, krijgt men van het groote eiland--het grootste
+van de Molukken is het--den indruk dat het éen enkele lange berg
+is, steil op uit zee, met scheuren in de flanken, ingereten en diep
+uitgespoeld door de regenrivieren die met een vaart van de toppen
+afgeschoten komen, en met, langs den voet, kleine, groene vlakten om
+de monding van de heftige korte stroomen heen.
+
+Het is zwaar bewoud. Van zee uit gezien zijn de bosschen als een
+donkere wolk tegen wanden aan en over hoogten heen. In dat zwartige
+groen glanst soms een lichtere plek, dat is alang-alang, het hooge
+gras van de wildernis, waar een man te paard in verdwijnt. Waar
+het woud gekapt is, schiet het op, fijn groen eerst, dan gelig als
+het begint te verdorren in de Oostmoesson-zon, dan wit als zilver
+van bloesempluimen. De inlanders steken het in brand om de herten
+er uit op te jagen, die voedsel en schuilplaats tegelijk zoeken in
+de halmendichtheid. Dan is een poos lang de kale plek zwart; en de
+eerste regen maakt alles wéer fijn groen.
+
+De steile kust heeft hier en daar zachte glooiingen; groen, komen ze
+van de vertragende helling afgegleden, met een blinkend witten smallen
+zandzoom langs het fonkelende blauw van het water. In de diepte
+van de baai liggen eenige huisjes, er staat een loods waar lading
+wacht op de boot. Het karakter van al die havendorpjes is vrijwel
+hetzelfde; Piroe aan de Zuidkust, het eerste dat de schepen aanloopen;
+op de Noordkust Wahai; om de Oost terug naar de Zuidkust, Teloeti,
+Amahei; het zijn alle oude Alfoerendorpjes met een splinternieuwen
+schijn van Nederlandschen regelmaat en zindelijkheid er over heen,
+die uitgaat van de civielgezaghebbers-woning op den achtergrond. De
+huisjes zijn nieuw, de gaba-gaba van de wanden glanst nog, en ze zijn
+langs de rooilijn opgezet aan weerskanten van een rechten breeden weg,
+met een goed onderhouden afrastering er langs.
+
+Achter dien ringmuur van ordelijke dorpen ligt het binnenland van
+Ceram woest. Wat men de kust langs reizende daarvan gewaar wordt,
+is niet veel meer dan een enkele troep Alfoeren, halfnaakt uit hun
+bergen naar het strand gekomen om handel te drijven. Zij komen met
+boschproducten, rottan, dammar, groote knobbels wortelhout; met huiden
+en horens van herten, en willen Europeesch product mee terug nemen.
+
+Het eiland wordt gezegd rijk te zijn. De Westersche ondernemer begint
+de exploitatie. Op de Noordkust wordt naar petroleum geboord, op de
+Zuidkust heeft een Moluksche vennootschap den boschaankap begonnen;
+een Australische firma, wie, lang geleden al, een streek land in
+concessie is gegeven, ook in het Zuidelijke binnenland, is een paar
+jaar geleden den klapperaanplant in het groot begonnen. Er groeit
+prachtig hout in de Ceramsche wouden, wit ebbenhout, kajoe-koening,
+dat citroengeel ziet en waar ook kleurstof uit wordt gemaakt, lingoa,
+een rood-gevlamde mahonie-soort, salamoeli, dat op notenhout lijkt,
+en nu het wortelhout plotseling zoo in de mode is gekomen, wordt
+ook van die knobbelige uitwassen voor groote waarden uit het woud
+gehaald. Kajoepoeti, waar de bekende sterk geurende olie uit wordt
+gestookt, die hoe langer hoe meer voor medicijn gebruikt wordt in
+Europa, groeit hier ook veel. En de klapper schijnt al even goed te
+willen als de sago-palm, waarvan er geheele wouden zijn. Elk dorp aan
+de Oostkust heeft zijn bosschen--aanplantingen kan men het haast niet
+noemen, want de boom maakt zooveel opslag, dat inplaats van planten
+eer kappen noodig zou zijn, zoodat de eigenaars zich in den regel de
+moeite niet geven om de jonge spruiten in te boeten; en behalve daar
+groeit de sago nog wild in het bosch ook. De menschen van Ambon komen
+met heele dorpen tegelijk over in hun prauwen om sago te "kloppen." Ze
+blijven een veertien daag of drie weken en hebben dan een provisie,
+waar ze niet alleen met vrouw en kinders van eten kunnen, een jaar
+lang, maar ook nog genoeg overhouden om te verkoopen op de markt.
+
+Op het algemeen type van kustdorpen maken twee een uitzondering:
+Kilimoeri en Geser, op kleine eilandjes tegenover elkander gelegen
+aan den voet van het steile kalkgebergte der Oostkust. Die twee zijn
+door en door, wel niet Alfoersch maar toch Inlandsch; er is geen
+zweem van het Westersche element aan te bekennen. Het zijn overoude
+handelsplaatsen. Terwijl in het Ceramsche binnenland de Alfoeren, "de
+wilde berg-boeren," zooals Rumphius ze noemt, koppensnellers-tochten
+hielden, terwijl zij als roofvogels neerschietend uit hun horsten
+van dorpen op het hakkelige gebergte, den guerillakrijg tegen
+de Compagnie zoo verwoed en hardnekkig voerden, dat de Ambonsche
+gouverneurs ten laatste in arren moede het opgaven, besluitend hen te
+laten voor wat zij waren en "geen Compagnie's soldaten meer aan die
+lompe nesten te verspillen;" terwijl dus de binnenlanders vochten,
+verdienden de strand-Cerammers geld. Zij waren kooplui, zij moesten
+eenigermate geregelde toestanden hebben. De orde die de expedities
+van de laatste jaren gewapenderhand in Ceram moesten brengen was hier
+al van oudsher thuis.
+
+Kilimoeri is de oudste van de twee rijke handelsdorpen: Geser is,
+naar de volksoverlevering wil, gesticht door inwoners van Kilimoeri,
+die in een burgerstrijd het verloren hadden. Zij leggen hun naam uit
+als beteekenende "de uitgewekenen."
+
+Wat slag van volk het eigenlijk is, zou moeilijk te zeggen
+vallen. De heele Zuidkust van Ceram is door gemengd volk bewoond, veel
+Ternataners, Javanen, Chineezen, Papoea's ook, hebben zich daar in den
+loop der tijden gevestigd, als handelaars soms, als schippers die heen
+en weer voeren tusschen de eilanden en Nieuw Guinea; als slaven ook
+zijn zij er heen gebracht. Het was er zoo bont, vroeger, dat de dorpen
+elkanders taal niet verstonden, en een derde noodig hadden voor het
+verkeer. Op Geser is het samenstel nog meer ingewikkeld schijnt het. De
+plaats is al van oudsher een verzamelpunt voor de meest verscheiden
+rassen uit de verst uiteengelegen streken. Maar de taal, door het
+handelsbelang ingevoerd en staande gehouden, is het gewone Maleisch.
+
+Geser is een "atol," het laatste uit deze groep van koralen-eilanden:
+volgens sommige geologen althans, terwijl anderen het ontkennen:
+een verschil van meening dat wel verklaard is uit een verschil in
+de definitie door de eenen en door de anderen van dien term "atol"
+gegeven. Hoe dan ook, het doet zich voor als een groen-begroeide ring
+rondom een middelpunt van water. Het binnenste van het eilandje is
+een zilt meer, dat langs een rivierachtig kanaal volvloeit uit en weer
+leegvloeit in de zee, naarmate de vloed opkomt of het getij verloopt
+in ebbe. Rond alom groeit kreupelbosch: een gewas dat lijkt op griend,
+en met kleine onaanzienlijke bloesempjes heel zoet geurt. Dat wademt
+wonderlijk door de lucht van zeewater, koraal, schelpen en wier heen
+die uit het meer opslaat. En wonderlijk is het, over de schelpen
+op den bodem van het klare water de schaduw te zien glijden van de
+boschduiven, als zij af- en aanvliegen naar de waringin-boomen vol
+rijpzoete vruchtjes aan genen kant van het kreupelbosch.
+
+Het dorp is langs de bochten van het strand gebouwd. Men kan de kracht
+van het vertier zien aan de wijze waarop nieuwe buurten opkomen en oude
+vernieuwd worden, zoodat midden tusschen grauwe, verweerde huisjes
+er staan waarvan de planken nog wit zijn. Aan den zoom van de oude
+buurt begint een prachtig-breede laan, die uitloopt op een verschiet
+van zee en donkerblauwe kustbergen. Aan weerszij, in de schaduw,
+liggen heilige graven, waar de koopvaarders een offer komen brengen,
+als ze op handelsreis gaan: om zeker te zijn van goede verdienste en
+behouden thuiskomst. Die hier begraven liggen, zijn vrome hadji's. Zij
+zijn, in naam, Mohamedanen, het volk van Geser; maar dat belet hen
+niet op deze hadji-graven de offers te brengen van het heidendom, hun
+voorvaderen sirih en betel aan te bieden, in ruil voor hun hulp bij
+de voorgenomen zaak, en de geesten van de zee en den storm allerlei
+te beloven, als zij hun schip met vrede willen laten. Daarna gaan zij
+ook wel naar de moskee. Maar niet te dikwijls, zou men zeggen. Het
+kleine gebouwtje, dat bij de graven staat, is zoo vervallen, stoffig
+en vuil, als enkel een zelden of nooit bezocht huis wezen kan.
+
+Het is misschien ook niet noodig, daar nòg eens te gaan bidden. De
+geesten en de voorouders zorgen, in ruil voor al die pinang, wezenlijk
+heel goed. Anders zouden de menschen van Geser, man, vrouw en nakend
+klein kind, niet zoo veel goud en zilver kunnen dragen als ze doen.
+
+
+
+
+
+Van Boeroe tot Ternate
+
+
+De eigenlijke Molukken, historisch gesproken, zijn de eilanden,
+in een keten langs de Westkust van Halmaheira gelegen: Ternate,
+Tidore, Batjan, Makjan, Motir: de zee van deze streek heet nòg de
+Molukken-zee. Dat Ambon en de eilanden daaromheen later dien naam
+kregen, houdt misschien wel verband met het overbrengen van het
+voornaamste Molukken-product, den kruidnagel, van de Molukken naar
+Ambon, en met de daaropvolgende beperking van dien boom tot Ambon
+alléén door het extirpatiestelsel; in de taal van den handel en dus
+van de wijde wereld kwam daardoor Ambon in de plaats van de eigenlijke
+Moluksche eilanden.
+
+Het is overheerlijk mooi varen in deze streek. Het eene rotsige en
+wuivend-groene eiland na het andere duikt op uit het flikkerende
+blauw van de zee. In een statige rij rijzen de vulkanen, vèr-blauw,
+met een blink van wit gewolkte om den kruin. Al-door verschieten,
+in opglans en wegdonkering, klare kleuren: het azuur van de zee waar
+de zonneschijn overheen huppelt in zwermen van stippelvonkjes, wordt
+fijn groen over ondiepten, pauwe-glanzig boven de fel-witte zandstrook
+die langs den voet van de eilandjes opschijnt. De weerspiegeling van de
+toppen en van de groote gloeiend-witte wolken, hoog rondom den horizon,
+door den golfslag gebroken tot een lange reeks van glansbeeldjes, ligt
+in rechte banen van wit en van groen over het blauw. Wazig in de verte,
+dommelblauw, of naar het paarse zweemend soms, worden de eilandbergen
+al klaarder en krachtiger, naarmate zij het schip tegemoet varen,
+tot zij, dichtbij, geweldig hoog, staan als een steil woud of als
+een naakte bruine vulkaankegel. In dageraad en zonsondergang vlamt
+alles van purper.
+
+Uit de Ceram-streek komende, vaart het schip eerst naar Boeroe. Daar
+voor is het water bijwijlen licht-groen, als boven een rif, boven
+de menigte van kwallen, millioenen en millioenen doorschijnige
+schijven van beesten, vademen hoog boven elkander drijvend, een
+halve mijl ver. De oever en de recht opgaande heuvelwand schemeren,
+grijzig-gestreept van kajoepoetih stammen: op de hoogte staan de magere
+boomen, met hun als berken blanke, ranke stammen en hun héél hoog
+gedragen ijle kruin, scherp geteekend tegen het luchteblauw. Als het
+koel wordt, strijkt de wind een kruidige geur af van het gebladerte. De
+haven, waar het schip binnenvalt, is een schoone, wijde baai, waar
+twee dorpjes tegenover elkander liggen, Kajeli en Namalea. Achter
+de huisjes van Kajeli om gaat een steil brokkelpad naar de kruin van
+den heuvel, dun begroeid met knie-hoog kajoepoetih-gewas, waar hier
+en ginder, mager, recht de hoogte in met zijn doorzichtige kruin,
+een volwassen boom tusschen staat. Van den top af is de geheele baai
+te zien, met Namalea, kleintjes bruin, aan den voet van bleek-groene
+heuvels. De twee groote bergspitsen tegen de lucht, een hoogere,
+een lagere, zijn de Moeder en de Dochter.
+
+Na Boeroe is een tijd lang open zee. En dan, Obi voorbij, komt het
+eerste Molukken-eiland Batjan, dat een en al klapperbosch is. En dan
+begint de trotsche reeks van de vulkanen: Makjan met zijn geknotten
+top; Motir, zuiver toegespitst als een pyramide. Mareh, dat lager ligt,
+met een afdruilenden slier van wolken langs zijn diep-geribde flanken,
+en dan prachtigst van allen, de trotsche piek van Tidoor. Daarachter
+komt, flauw en fijn, de piek van Ternate te zien.
+
+De stad ligt op den Oostelijken oever van het eilandje tegen den voet
+van den altijd rookenden vulkaan aangebouwd, de huizen maar even te
+zien in dicht boomengroen. De straat langs de haven heeft maar een
+enkele rij huizen, en aan de overzij een reeks prachtige boomen tegen
+den glans van de baai met de zeilende schepen; zij is altijd druk
+van volk. Op boot-dagen rijden de karretjes, met hun kleine ruige
+hitten, in een onafgebroken reeks, propvol Chineezen en kleurige
+Arabieren, en het gewoel rondom de goederenloods en over de pier
+duurt van dagworden tot donker. Achter dien rand van rumoer ligt de
+binnenstad stil met wijde wegen, waarlangs de erven vol bloemen zijn
+en de ouderwetsch-lage huizen orchideeën hebben hangen tusschen de
+pilarenrij. De straten hebben namen die aan oude tijden doen denken:
+Fiscaal-straat, Weeshuisstraat, Lijnbaanstraat. Aan de Noordelijke
+grens staat het vroeg zeventiend'eeuwsche Fort Oranje, dat Cornelis
+Matelieff de Jonge bouwde tegen den Spanjool.
+
+De Sultan van Ternate, die de Hollanders er in haalde om hem
+tegen Portugeezen en Spanjaarden te helpen, was een machtig-rijke
+potentaat. Francis Drake, die, een goede twintig jaar voor de komst
+van Van Waerwijck hem bezocht, stond versteld van de pracht die
+hij ten toon spreidde. "De koning," schreef hij in zijn bericht
+(Wallace heeft het voor zijn Malay Archipelago overgenomen uit
+de verzameling van Hakluyt), "de koning liet boven zijn hoofd een
+prachtigen troonhemel dragen met gedreven gouden sieraden, en had
+een wacht van twaalf speerdragers. Van het middel tot de voeten was
+hij in de kostbaarste gouden kleederen gehuld. In zijn kapsel waren
+onderscheiden ringen van gouddraad, ongeveer een duim breed, keurig
+ingevlochten, zoodat zij een fraaie en vorstelijke vertooning maakten,
+eenigermate gelijkende op een kroon. Hij had een keten van goud met
+zeer groote schalmen tweemaal om den hals gewonden, zijn linkerhand
+was getooid met een diamant, een smaragd, een robijn en een turkoois,
+en aan zijn rechterhand droeg hij twee ringen, waarvan de eene met
+een zeer grooten en zuiveren turkoois, de ander met een aantal kleine
+diamanten prijkte. [24]
+
+Al die rijkdom kwam enkel en alleen van de kruidnagelen. De Heeren
+Zeventien wisten wèl waarom zij in hun instructie aan J. P. Koen
+schreven: "de eilanden van Banda ende Molucques zijn het principale
+wit waarnaar wij schieten." Dat schieten heeft Ternate, althans zijn
+vorsten, ànders getroffen dan het ongelukkige Banda en anders dan
+Ambon ook. Banda werd uitgemoord, omdat het volk van den handel in
+notemuskaat ook met anderen dan de zuinig-betalende Compagnie niet
+verkoos af te laten. De Ambonneezen, hoofden als kampong-volk, werden
+uit hun bergen naar het strand gehaald, aan het teelen gezet van
+den nieuw-ingevoerden kruidnagelboom en met slagen naar de prauwen
+gedreven, die zij roeien moesten op de verfoeide extirpatietochten
+langs de eilanden. De Ternataansche Sultan, hun oppermachtig gebieder
+echter kreeg zoóveel geld, dat hij zonder spijt zijn monopolie
+overgaf aan de Compagnie: twaalfduizend rijksdaalders in het jaar
+wat wel met acht of tien vermenigvuldigd mag, om overeen te komen
+met de tegenwoordige waarde van geld. Hij profiteerde trouwens
+ook nog op andere manieren van de Compagnie. Hij was Heer van de
+Papoesche eilanden en van groote streken op de kust van Nieuw Guinea,
+waar een artikel gehaald werd, al even voordeelig in den handel als
+de kruidnagel: slaven. En het was juist de Compagnie, die door de
+gestadige vraag naar slaven, met wie zij op het uitgemoorde Banda
+de notenperken bewerkte en op Ambon het ontbrekende kwartsvolk
+aanvulde, de prijs van slaven uit de Papoe deed stijgen. Zoo wiesch
+de Compagnie's hand de Sultan's hand en beide werden schoon--zoo niet
+in den zin van rein, dan toch in dien van fraai: blinkend van het goud!
+
+Hoezeer de Sultans gesteld waren op de vriendschap met de heeren van
+de Compagnie, blijkt wel hieruit, dat er troonopvolgers vernoemd zijn
+naar gouverneurs-generaal: Prins Zwaardekroon: het klinkt!--al is
+misschien de fraaiigheid van "Prins Mossel" en "Prins van der Parra"
+een gedwongene geweest, later. En voor bewijs daarvoor dat, van den
+weeromstuit, het volk de Hollanders al evenzeer ging bewonderen, mag
+de overlevering gelden die de Sultans van Ternate, Tidore, Djilolo en
+Batjan tot afstammelingen maakt van een hemelnimf en een Hollander. Het
+aardige verhaal, dat door allerlei bijzonderheden aan de sage van
+den Nibelungenheld en de Zwanen-jonkvrouwen doet denken, is in het
+oud-Ternataansche gebied verspreid tot op de Noordkust van Nieuw-Guinea
+toe, waar de Papoea's het elkander vertellen in het Noefoorsch. [25]
+
+Het oude fort staat nog op Ternate, met zijn dikke wallen,
+die de kruidnagelhaalders en hun schatten beschermden tegen
+Spanjaard en Portugees. Maar wat op dezen dag de welvaart zoo vol
+de Ternatanenhuizen doet binnenvloeien, dat is niet de kruidnagel
+meer: dat is het gevederte van den Paradijsvogel. De booten die naar
+Nieuw-Guinea varen, zijn elk jaar in Maart en weer in Augustus, vol
+Ternatanen, die als "jagers" gaan en met een riem vol geld terugkeeren.
+
+Om betere redenen dan in den Compagniestijd naar den uitslag van nagel-
+en notenoogst, wordt nu in Ternataansche streken gewacht naar wat de
+vogeljacht opbrengt: de pacht, door het gouvernement geheven, is méér
+dan noodig om het gewest eindelijk en ten laatste--na vierhonderd
+jaar van onverschilligheid eerst en onmacht later--eenigermate op
+orde te brengen. Ternate is wel een welvarende en welgeregelde stad:
+maar in de binnenlanden van het groote eiland, aan den rand waarvan
+zij drijft, in het binnenland van Halmaheira is de toestand een
+àndere. Het is pas drie jaar geleden, dat officieel werd geconstateerd
+hoe het alleen in naam georganiseerd was, en genomen maatregelen niet
+anders waren noch kónden zijn dan halve, voor voorloopig gebruik
+zelfs onvoldoende. Op het groote eiland--zonder Ternate en Hiri
+is het te besturen gebied grooter dan de Padangsche Bovenlanden,
+of Bali en Lombok te zamen, of Bantam, Batavia en Krawang bij
+elkaar,--zijn maar enkele Hollandsche ambtenaren geplaatst met
+eenige Indo's en Ambonneezen als bestuursassistenten tot hulp. Het
+prestige van den Ternataanschen Sultan is er nog overweldigend. De
+middelen van verkeer zijn uitermate gebrekkig voor zoover ze niet
+geheel en al ontbreken. Wat dat zeggen wil zal een ieder begrijpen,
+die bedenkt wat, in het algemeen, de aard van absolute vorsten en
+de lijdzaamheid van weinig-ontwikkelde volkeren is, en hóe absoluut
+en lang-gevestigd al het gezag van de Ternataansche sultans. Een
+voorbeeld, hoe het kort geleden nog maar,--in de jaren '80--toeging
+op Sanana. Sanana is de hoofdplaats van Soela Besi, een eilandje dat
+(op den weg der Paketvaartbooten), tusschen Boeroe en de Obi-groep
+ligt. Het hoort onder het sultanaat Ternate en is dicht bevolkt.
+
+Het eiland is vruchtbaar: er groeit (op droge velden) rijst, er zijn
+klapperboomen in menigte en rijk dragende sago-palm, het mooie roode
+lingoa-hout komt voor in de bosschen, en ebbenhout, kostbaarste van
+alle Indische houtsoorten, wordt ook gekapt; er is rotan te halen
+uit het woud, en was van wilde bijen; en uit de zee wordt schildpad
+opgediept; en bijwijlen drijft in de omringende engten amber, dat
+zijn dubbel gewicht aan zilver waard is: een stuk van de beste soort,
+de donkerbruine, van 3 à 4 pond, brengt omtrent f 4000 op. Van dit
+alles wordt schatting opgebracht aan den Sultan, wat in de praktijk
+wil zeggen: aan de gemachtigden, etc. etc. van den Sultan.
+
+Sedert de dagen van den grootvader van den tegenwoordigen Sultan nu,
+waren de Arabieren de handelaars, en, als zoodanig, de eigenlijke
+heerschers op Soela Besi. Zij kwamen er al die kostelijke producten
+halen en betaalden wel eens met duiten en anders met katoen. Voor een
+vrouwenkabaja is de maat 3 el, en de waarde daarvan f O.75. Nu. De
+Arabieren kwamen hout, was, rijst, copra, klapperolie, schildpad en
+lola-schelpen koopen voor kabaja-stukken, geprijsd op f 3.
+
+Met de rotan kwamen duiten er bij te pas, want de rotan wordt niet
+anders aangebracht dan door volk uit het wilde bosch-binnenland en
+dat heeft voor zich of zijn vrouwen zoo geen kabaja's noodig. Saïd
+Alhadar,--dat was de Arabier die contract voor rotan had met den
+Sultan,--ging daarom koperen duiten op den grond uittellen, tegenover
+de neergelegde stengels rotan. De stengels moesten hem, natuurlijk,
+aan het strand, waar de prauwen ze maar voor het inladen hadden,
+geleverd worden. En, natuurlijk moesten ze ook behoorlijk geschild en
+schoongemaakt zijn, want dat te doen is een heele arbeid, die tijd,
+moeite en krachten kost. En dan moesten de stengels goed dik zijn, en
+afgekapt op een maat van drie vadem. Voor zulk een stengel wou hij dan
+1 duit geven, of voor een pikol van zulke stengels 100 duiten, dat is
+f O.83 in Nederlandsche munt berekend. En zulk een pikol verkocht Saïd
+Alhadar voor f 4.50 of ook wel eens f 5. Wat Saïd Alhadar bijzonder
+goed beviel en ook wel bekwam; maar der bevolking minder. En als Saïd
+Alhadar met den rotan, deden andere zonen van Hadramaut met de was, of
+het schildpad, of het ebbenhout, of de rijst. En ook dién edelen van
+Hadramaut beviel dit goed en bekwam het wèl; maar ook der bevolking,
+die met hèn handelde, bekwam en beviel het maar slecht. Hoe echter
+zou iemand gewaagd hebben zich tegen de Arabieren te verzetten, die
+gemachtigden en lasthebbers en vrienden immers waren van den Heer,
+die glanst gelijk de Zon, den Sultan van Ternate?
+
+Dat duurde, totdat in 1909 een resident van Ternate op dienstreis Soela
+Besi bezocht, en een onderhoud had met Arabieren op Sanana en met den
+Sultan in zijn hoofdstad. Waarna kabaja-stukken van f 3 verdwenen zijn,
+en rotan-stengels van drie vaam lengte met 1 1/2 cent betaald worden
+en door den kooper uit het bosch gehaald en schoongemaakt door hem. In
+vele andere dingen ook is velerlei veranderd, en de veranderingen
+zijn den Arabieren maar zeer matig bevallen en bekomen, maar der
+bevolking daarentegen uitstekend. Wat Saïd Alhadar aangaat, die is,
+eenigen tijd later, plotseling weggeroeid van Sanana, en sedert nooit
+weer aan komen roeien. Van het waarom weet de toenmalige posthouder
+het nadere misschien wel.
+
+Er zijn vele Saïd Alhadars op Halmaheira. Er moesten ook vele
+posthouders zijn, om van civiel-gezaghebbers en controleurs, en
+eigenlijk misschien zelfs wel, assistent-residenten niet te spreken,
+wanneer overal op Halmaheira het zoo goed zou gaan als het nu op
+Sanana gaat. Maar het geld (volgens Heinrich Heine, het vervloekte
+geld), dat men niet heeft?
+
+Daaraan nu zal, onder andere, de pacht op de paradijsvogels
+helpen. Verleden jaar was de binnenkomende som bijna een
+halve ton--precies gezegd f 45.000. Daarvoor kan heel wat
+binnenlandsch-bestuurd worden. En er wordt voor de toekomst nog meer
+gehoopt. Want Ternataansche jagers vermeerderen en dames worden al
+doller en doller op paradijsvogelveeren voor hun hoed.
+
+Er is gewaarschuwd, dat paradijsvogels spoedig in allen ernst
+paradijs-bewoners zullen zijn als het zoo voortgaat. Maar die het
+weten kunnen, stellen gerust. De Paradijshaan--de hennen zijn maar
+stemmig-bruine diertjes--krijgt zijn siervederen pas op zijn vierde
+jaar, terwijl hij verder na het eerste al in alle opzichten volwassen
+is. Dus kan het nooit meer dan een, betrekkelijk gering, gedeelte van
+de menigte zijn, waarop elk seizoen geschoten wordt. En de landstreek,
+waar de jagers op buit uitgaan, is een nog veel geringer deel van
+het ontzaglijke Nederlandsch Nieuw-Guinea-gebied.
+
+Een standpunt van humaniteit--en dat tegenover zóó prachtige
+diertjes!--zou gemakkelijker te verdedigen wezen, als het niet
+zoo ernstige belangen van menschen gold. Er zijn ook Engelschen,
+die verklaren, dat het Britsche gouvernement zich daarop heeft
+geplaatst met het verbod van jacht op paradijsvogels in Britsch
+Nieuw-Guinea. Maar daarentegen zijn er weer niet-Engelschen, die een
+heel andere reden aannemen voor het verbod dan dierenliefde. Op
+paradijsvogels moet geschoten met geweren en geweren ziet de
+Britsche regeering nu eenmaal niet graag in de handen van haar
+Papoesche beschermelingen--wezenlijk, niet dan uiterst ongaarne. Dus
+dan kunnen er, vanzelf, geen paradijsvogels (onder andere) worden
+geschoten. Zoodat het veel eenvoudiger is bij het einde te beginnen
+en te zeggen: In Britsch Nieuw-Guinea is de vogeljacht verboden:
+zooals ook is geschied.
+
+Die de zaak zoo uitleggen, doen tegelijk opmerken dat van de in
+Nederlandsch Guinea geschoten vogels een overgroot deel den weg naar
+Engeland opgaat, naar de groote Londensche markt.
+
+En zoo is dan de hoed van een Londensche elegante de laatste
+nestelplaats van een vogel, die anders allicht terecht zou komen in
+den schelpen bovenarmband of in den takkebos-breeden stijfgekroesden
+ragebol van een spiernakenden Papoea, als hij met zijn beste paar
+wildezwijn-slagtanden door de doorboorde neusvleugels geschoven,
+gaat dansen op een koppensnellersfeest.
+
+
+
+
+
+
+NIEUW GUINEA
+
+
+Naar het land van de paradijsvogels
+
+
+Het schip gaat naar de Humboldts-baai van ruim tot reeling vol
+opkoopers van vogelhuiden en ruilwaar. Achter den wand van zeildoek,
+die het haast ledige dek van de eerste klasse afgrenst van de derde,
+is het een enkele gepakte, gestuwde, opgetaste massa van lichamen,
+liggende, gehurkt, weggedoken tusschen pakken, vaten, kisten, boven
+op hoopen zakken geklommen, aanhangende tegen stapels planken aan. 's
+Avonds schijnt het electrische licht op roerlooze rijen, zoo dicht
+en vast aaneengevoegd als de planken van het dek zelf. Beneden,
+in de kajuit van de tweede klasse, waar het licht op valt van den
+koekoek, zitten langs alle tafels, geen plaats onbezet, Chineezen,
+den dag door bezig met papieren en boeken. En de gangen langs de
+laadkuilen en de hutten van de scheepsofficieren zijn versperd met
+kisten, waaromheen altijd een schuifelend gedrang is van Chineezen
+en Ternatanen. De Chineesche handelaars gaan als opkoopers van
+vogelhuiden, de Ternataansche en Amboneesche "jagers" als opkoopers
+van de arbeidskracht waardoor die huiden uit het binnenland van Noord
+Nieuw-Guinea aan de kust gebracht worden. Van de eigenlijke jagers,
+de Papoea's, is de naam overgegaan op hen. De organisatie van het
+bedrijf is déze, langs afdalende reeks. Bovenaan staat een of ander
+groot handelslichaam, een Chineesche kongsie, of een Europeesche
+vennootschap, met verbindingen naar de wereldmarkt. Onder de
+groote firma staan de Chineesche opkoopers, in een massa zelve weer
+samengesteld uit grootere en kleinere, waarvan de enkele grootere
+koopen van de vele kleinere. Onder de Chineesche opkoopers staan
+de jagers, Ternatanen, Boegi's, Amboneezen, Cerammers, volk van
+Geser. Onder de jagers staan de Papoea's. Een enkele maal onderhandelt
+een groote firma rechtstreeks met de jagers, maar de verre afstand
+tusschen de steden waar zij hun kantoren en hun agenten hebben, en de
+woonplaatsen van de jagers, her en der door den archipel verspreid,
+maakt dat dit niet anders dan bij uitzondering kan gebeuren.
+
+De firma, of anders de grootere onder de opkoopers, verschaffen
+het toebehoor voor de jacht, de jachtakte, "licentie" heet ze hier,
+en het geweer met ammunitie, aan de jagers. Verder geven ze hun een
+voorschot van om en bij de vijftig gulden, (het middel van bestaan
+voor hun achterblijvende gezinnen gedurende hun afwezigheid), het geld
+voor de reis, en de waar, waarvoor een Papoea op de jacht naar vogels
+gezonden kan worden: dat wil zeggen: rood katoen, kralen, neusstangen,
+halskettingen, armbanden, spiegeltjes, pruimtabak en vooral messen. De
+verdienste van den jager moet komen van het aantal vogels, dat hij,
+boven een van te voren vastgesteld aantal, en na verrekening van het
+voorschot in geld en waren, aan de firma levert tegen een bepaalden
+prijs, soms de locale marktprijs. Hij gaat dus op eigen risico "de
+Papoe in." Hier zoekt hij de werkelijke jagers, de mannen uit het
+binnenland. Terwijl, als hij een Ternataan is, en ook Amboneezen doen
+dit wel, hij zelf ook "als geweer" het bosch in gaat.
+
+De Papoea neemt niet anders mee voor een veertien dagen of drie
+weken woud-loopen dan een pak sago, gedroogde visch, tabak, een mes
+en zijn jachtgereedschap. Het mes--een gewoon Hollandsch keukenmes
+kan men hem zien gebruiken, zoo een met een dik rood-geverfd
+houten heft, en ook zwaardere kapmessen, als Maleiers altijd
+hanteeren--is voor de meeste binnenlanders nog iets nieuws en
+kostbaars, van de hoogste waarde op zulk een tocht door het bosch,
+waarbij ze vroeger niet dan hun naakte handen als hulp hadden tegen
+versperrend gewas. Zij gaan nu dáárheen waar een "speelboom" staat,
+d. w. z. een boom, waarin de Paradijshaantjes neerstrijken om met
+opgeheven vleugels en wijd-gespreide bossen van sierpluimen te
+pronken voor de hennetjes. Dikwijls staan zulke boomen niet ver van
+een Papoeagehucht; maar dan zijn ze allicht vast eigendom. En ook een
+midden in de eenzaamheid staande boom kan al bezit zijn; dat wordt
+aangewezen door een "verbods-teeken," een tak met een blad er op
+gestoken, bij den stam. Wie zulk een "verbod" schond, zou zeker door
+een doodelijke ziekte of door ongeluk in zijn gezin getroffen worden.
+
+Er wordt dus gezocht tot een speelboom is gevonden waarop nog
+niemand rechten heeft. De Papoea gaat op de loer liggen, en wacht
+zijn kans. Bij voorkeur zal hij op den grooten "gelen Paradijsvogel"
+schieten, die van onder zijn purperig-bruine vleugels een schitterend
+oranje pluimenbos opsteekt, van wel twee voet lang. Of anders op
+den effen zwarten, die bij elke beweging glansen van groen, rood en
+paars laat opschijnen uit het zwarte fluweel van zijn gevederte; of
+op den kleineren (dien Franschen Petit Emeraude noemen) die pluimen
+heeft, niet oranje, maar stroogeel, met witte spitsjes; dat zijn
+er al mee van de meest waardevolle. Hij moet zorgen den vogel zóó
+te raken dat geen bloed de vederen besmeurt: de vlekken die niet
+weer weg te nemen zijn, maken hem waardeloos. Dan worden vleugels
+en pooten afgesneden en het afgestroopte huidje op een platte houten
+pen opgespleten en gedroogd. Heeft hij er genoeg, dan brengt hij zijn
+buit naar den jager, voor rood en blauw katoen, kettingen, armbanden
+en neus-stangen. En het handels-artikel geworden bruilofts-kleed
+der vogels gaat van den jager naar den opkooper, van den opkooper
+naar de groote firma op Ternate, Makassar, Soerabaja, Batavia, van
+de groote firma naar den "veeren-fabrikant" te Londen of te Parijs,
+van den veeren-fabrikant, die het in een nieuw fatsoen heeft gebracht,
+naar de modiste, van de modiste naar de elegante vrouw, bij wier zijde,
+bont en juweelen een hoed met Paradijsvogel-pluimen behoort. En de lap
+rood katoen, de neus-stangen en de tabak van den Papoe doen in laatste
+gedaantewisseling zich voor als een chèque van een vijfhonderd gulden.
+
+Voor het begin van het proces, waardoor die metamorphose tot stand
+komt, gaat nu dit schip vol menschen "naar de Papoe," allen in
+gespannen verwachting naar hun deel van vermenigvuldigende waarden,
+dat voor elk grooter is naarmate hij verder van den arbeid aan den
+oorsprong af staat. De Chineesche opkoopers zijn bezorgd omtrent het
+hunne, sedert bekend geworden is dat een groote Europeesche firma
+van de achttienhonderd uitgegeven licenties er meer dan tweehonderd
+verworven heeft.
+
+Een Chineesche groothandelaar, eerste-klasse passagier, die vorig
+seizoen driehonderd corges (pakken van twintig stuks) huiden naar
+Makassar heeft verkocht voor f 650 de corge, houdt veel overleg met
+zijn landgenooten, ernstig kijkend. Beneden in de gangen, om het luik
+heen, tusschen bossen pisangs, manden vol orchideeën, rissen witte
+kakatoea's en purper-blauw-geel-groene lorries, op het voordek van
+het schip, rondom de winch, bij het ankergat, tusschen de stapels
+der opgerolde trossen, worden al door kisten open gemaakt met kralen,
+glazen armbanden en celluloïde neusstangen--Oostenrijksch fabrikaat,
+dat de schelpen-ringen en de varkensslagtanden van vroeger gaat
+vervangen. Handel aan boord is verboden, al die kisten hoorden in
+het ruim. Maar geen nog zoo scherp toezicht ziet door de listen heen,
+waarmee Ternataansche en Chineesche jagers koopwaar voor bagage bij
+zich houden. En het meest wat onophoudelijke waakzaamheid vermag
+is een uiterlijke orde en regel handhaven onder dien onderling
+wantrouwenden en afgunstigen troep, die van uit de verte al loert op
+de Paradijsvogels en de Papoea's.
+
+
+
+Het eerste station van de booten op Noord Nieuw-Guinea is tegenover
+Sorong op het eilandje Doom--niet veel meer dan een groene heuvel met
+op den kruin een grooten boom, onder den lommer waarvan binnenkort
+het huis van een bestuursambtenaar zal staan. Hier kwamen de eerste
+Papoea's aan boord en de eerste Paradijsvogel. Van den vogel was
+niet veel te zien: hij was "aangehaald," als contrabande in beslag
+genomen, wijl geschoten in het seizoen waarin de jacht verboden is,
+en zat stevig ingepakt in bruin papier. Aan de Papoea's viel des te
+meer te bekijken; zij hadden niets aan dan een lendedoek van dunne
+bruine stof, die boombast bleek te wezen. Het taaie groeisel wordt in
+water geweekt, van het allergrofste ontdaan en zoo lang geklopt, tot
+het niet dikker of stijver meer is dan gewoon katoenen weefsel. Het
+zat om de leest der mannen heen zoo glad als een sarong.
+
+De vier, voor al de anderen aan boord geklommen, waren gekomen om zich
+als jagers aan te bieden, en tegelijk matjes te verkoopen daar in de
+streek gemaakt,--aardige dingen van sagobladstelen, met levendige
+kleuren beschilderd. Aan hun manieren--ze rookten sigaretten en
+namen, als iets waaraan ze al lang gewend waren, een glas vruchtensap
+aan--was het te zien, dat zij al vaak met Westerlingen te doen hadden
+gehad. Het waren slanke, krachtig gebouwde menschen, bronsbruin,
+met een geweldigen bos heel fijn gekroesd haar, dat er uitzag of het
+zou veeren als er op gedrukt werd, en waarin ze allerlei versiersels
+hadden gestoken: lange naalden van gesneden hout, beenen pennen,
+een veertje. Zij hadden opgewekte gezichten met een helderen blik
+in de groote glanzend zwarte oogen, en een forschen arendsneus. Het
+geheel zou mooi geweest zijn, zonder den breeden, groven mond,
+waarin iets dierlijks was. Het waren waarschijnlijk geen Papoea's van
+zuiver ras. De heele kuststreek heeft een sterk gemengde bevolking;
+handelaars van Geser, Ceram laoet, de Zuidkust van Ceram, Boegineezen,
+Tidoreezen, Ternatanen hebben van oudsher overal hier gevaren, zoo ver
+als het gebied--hoezeer dan ook maar schijngebied,--van de Moluksche
+vorsten reikte. Misschien dat de vermenging met meer ontwikkelde
+rassen een oorzaak is van hun gereede aanpassing aan nieuwtijdsche
+handelsgebruiken. Zij stonden met opkoopers en jagers zakelijk te
+onderhandelen. Ten slotte gingen zij naar het kuildek en richtten
+zich in voor de reis. Een die zijn sigaret wilde opsteken maakte
+vuur door twee bamboe-latjes vlug tegen elkander te wrijven. Het
+antieke gebaar riep daar midden op de stoomboot een vizioen op van
+pas half-menschelijk leven.
+
+Te Manokwarie, de hoofdplaats van het gewest, die maar een dag
+stoomens van Sorong verwijderd is, kregen wij Papoea's te zien van,
+op het oog, hetzelfde ras, maar die een anderen ontwikkelingsgang
+gevolgd hadden dan de Sorongsche. Zij waren Christenen, en droegen
+kleeren. Er kwamen er een groote menigte aan boord om het gezin van
+een zendeling te verwelkomen. En later op den dag was het op den
+steiger een ware oploop om het wonderdier te zien, door de familie
+medegebracht: een paard. Er zijn op Nieuw-Guinea noch paarden, noch
+runderen. Kort geleden heeft de zendeling er runderen ingevoerd,
+die goed gedijen. Dit paard was nu wéer een nieuw wonder. De vrouwen
+vooral waren er over uit. De mannen, van wie de meesten al eens met
+de prauw, of misschien zelfs wel met de stoomboot naar den Maleischen
+Archipel waren geweest, hielden zich bedaarder.
+
+Om de Geelvinkbaai heen, langs de kust en op de vele kleine eilanden
+liggen een menigte Papoeadorpen, op palen gebouwd, half op zand, half
+in water bij ebbe, rondom in zee als de vloed opkomt. De boot doet
+er verscheiden aan: als eerste, Roon. Het eilandje ligt tusschen de
+Geelvinkbaai en de Baai van Wandamen, als de eigenlijke spits van
+een ver vooruitspringende kaap die de twee scheidt. Vlak in het
+Zuiden, aan de overzij van de smalle straat die het afsnijdt van
+het vasteland, staan donkerblauw en prachtig hooge bergen; de wijde
+Geelvinkbaai, onafzienbaar als een zee, ligt, uitgegoten naar Oost
+en Noord, met zwermen eilandjes overstrooid. Aan het strand staat
+het Papoea-gehucht op zijn bruine palen, in twee groepjes van lange
+laag-gedakte hutten. Het witte zand blikkert fel er tusschen. Prachtige
+kleuren hebben de ondiepten rondom: allerlei groen, van het lichtste,
+zon-doorblonkene tot een dof en ondoorschijnend malakiet, dooraderd
+met wittige schuimstrepen, paars in breede banen daarlangs. Als
+een regenboog uit het blauw van de lucht glanst die groen-en-paarse
+zoom uit het blauwe water. Zoo rechtop uit de zee, dat de wortels,
+blootgespoeld, hangen in de branding, klimt een woud langs de steile
+helling. Veel laurierboomen groeien er in. De lucht om de hutjes is
+bitter van den fijn-prikkeligen geur. Over de wankele brugjes, die
+van de woningen naar den woudzoom gaan, loopen, rank-rechtop, donkere
+menschen. Er dobbert een prauw hier en daar, aan een paal gebonden.
+
+Op de Zuidkust van Japen--het langgerekte eiland, dat in het Noorden
+de Geelvinkbaai halverwege sluit,--ligt Ansoes, waar de vogeljagers
+heengaan om den prachtigen geel-gepluimden Paradijsvogel. In de
+diepte van een zuiver ronde baai ligt het gehucht lang uitgebouwd,
+over de breedte van het gladde, klare water. In het Oosten is de
+bouw begonnen: daar zijn de hutjes al oud. Naar het Westen toe worden
+zij al nieuwer. Daar is de steiger, daar is de lange rij Chineesche
+winkeltjes, waar,--als een trottoir--een brug van drie planken langs
+loopt: wankelliggende stammen worden het op het eind; een ijl leuninkje
+staat er onzeker tegen aan. Een geheele vloot prauwen, aan één kant
+maar gevlerkt en met een geweldig matten zeil op, dobbert rondom
+den steiger. Een naakte jongen, met een snoer schelpen om den hals,
+flikkerwit in de zon tegen zijn goudachtig bruin, roeit zijn hollen
+boomstam vol orchideeën naar de stoomboot.
+
+Pom ligt op de Noordkust van Japen. Als een reusachtige school
+schildpadden drijft het dorp, elke schildpad een lange bruine
+woning met een gladden ronden rug van een dak. Wel een twee honderd
+voet lang is zulk een woning. Naast en achter elkander liggen ze
+daar. Als wij er tusschen komen, in onze prauw, zijn we midden in
+een groot waterdorp. We varen een waterstraat af, een waterplein op,
+watersteegjes door, her en der. Achter de flonkering van water,
+die groen en zonneblank door een woud van zwartige palen speelt,
+achter de lange, gedoken dakenruggen, is een lage oever, groen van
+woud. Allerlei klaar gekwinkeleer klinkt er uit, schelle vogelkeeltjes,
+waardoorheen de groote stem van de kroonduif roept; zoo zonderling,
+dat het lijkt of uit de verte een diep-inzettende scheepssirene
+schalt. Dwars over de baai vliegen kaketoes, donker tegen het felle
+blauw van den hemel, met een doorschijnend gloorrandje langs de bocht
+van de scherpgespitste vleugels, en de randen van den staart als een
+waaier gespreid. Weinig menschen zijn maar in het dorp. Vanochtend in
+het eerste licht hebben wij in een lange "vrouwen-prauw" een menigte
+vrouwen zien wegroeien om de oostelijke kaap, naar de bosschen,
+waar zij den dag door damar zullen zoeken. De mannen zijn allen op
+de stoomboot, bij de Chineezen en de Ternatanen, met hun kisten vol
+moois. Wij klimmen een huis binnen, waar een meisje van een jaar of
+twaalf, op den vloer-rand gezeten, met voeten afbengelend boven het
+water, haastig opspringt, en vlucht, zonder zelfs om te kijken naar
+ons geroep. We hebben den voet nog niet op de los gelegde stammen
+van den ingang--het watergroen flikkert er doorheen--of we zien haar,
+een eind ver weg al, over het water heenschieten, in haar smalle prauw.
+
+We bezien het huis, waarin zeker meer dan honderd menschen te zamen
+leven. De ingang is, klaarblijkelijk, gemeenschappelijk terrein. Aan
+een paal hangt een geweldige schildpad-schaal, waarin langs den
+rand vierkante gaten zijn uitgebroken: om het vleesch, zegt de
+Ternataan, die onze gids en tolk is. De beenige, scherp-getande
+zaag van een zaagvisch leunt tegen den wand tusschen een rommel
+vischtuig: schepnetten, werpnetten, drietandige speren, waarmee de
+visch geharpoeneerd wordt, een boog en bundels visch-pijltjes, die
+aangespitste nerven van sagoblad zijn. Een bonk sagomeel, in bladeren
+gewikkeld, hangt aan een stijl. Op den grond ligt een groot stuk
+zware boomschors, waarin half verkoolde stukken hout nog gloeien--de
+haard, waarboven het gevluchte meisje zeker juist wat sago had willen
+roosteren en een stuk schildpadvleesch.
+
+Achter deze vóór-ruimte liggen de afzonderlijke kamers, elk door een
+gezin bewoond, aan weerskanten van een gang die door het geheele
+huis heen loopt. Dit gedeelte, de eigenlijke woning, is met zorg
+afgewerkt. De gang heeft een vloer van vastgevoegde planken, de deuren
+sluiten in den langen houten wand. Ze zijn alle dicht nu, de gezinnen
+zijn uit. Dat zullen zij overdag wel meest altijd wezen, de vader op
+de jacht of op de zee, de moeder met de kleinste kinders in het bosch
+om damar te zoeken of in de tuinen aan het werk, die tegen de heuvels
+aan met omkappen van een enkelen boom en in brand steken van gras en
+struikgewas ten ruwste gemaakt zijn, de groote kinders op het strand,
+bezig met het zoeken van schelpdieren en krabben. En dan hindert het
+ook niet veel dat zoo'n "éénkamerswoning" een hokje is van niet meer
+dan een voet of tien in het vierkant, en zoo laag, onder de schuinte
+van het dak, dat de bewoners er maar juist in kunnen staan. Zij zijn
+er alleen wanneer zij er niets van merken--als zij slapen.
+
+
+
+
+
+Beoosten Kaap d'Urville
+
+
+Kaap d'Urville is de Oostelijke grens van de Geelvink-baai: hier begint
+de oceaan. Het water lijkt effen. En toch schommelt het schip. Het
+voelt de groote golvingen van de Stille Zuidzee.
+
+Langs deze kust en op de eilandjes, die in een ver vooruitgeschoven
+rij erlangs liggen, wonen de Papoea telandjang, de naakte Papoea's.
+
+Toen wij Wakdé naderden, kwam een geheele zwerm ons in prauwen
+tegemoet. Ze droegen niets dan, van het snoer rond hun middel
+afhangend, een lapje bont katoen, en aan hals en armen een aantal
+ringen, banden en kettingen van kralen en schelpen. In hun armbanden
+hadden sommigen een bundel dracaena-bladeren gestoken. Zij waren
+getatoueerd, sommigen met een teekening van donkerblauwe lijnen,
+stippels en plekken, die een mooi patroon vormden over borst, buik
+en dijen, aan de polsen ook en op den rug; anderen met een dergelijk
+patroon, waarvan de lijnen bestonden uit litteekens van breedingekorven
+sneden. Zij hadden roode klei in hun haar gekneed, zoodat het in een
+krans van strakke rosachtige pieken om hun voorhoofd heen stond. En
+hun gezicht was met zwarte verf zóó beschilderd, dat het leek of zij
+een masker droegen. De meesten hadden het zitten tot over den neus,
+maar er waren er, die het scheef over één oog droegen--het voorhoofd
+zwart, den neuswortel en één oog zwart, één jukbeen zwart, de rest
+van het gezicht natuurlijk-bruin. En sommigen hadden, wat bijna nòg
+zonderlinger stond, als het ware een sluier van zwart halverwege
+over het gezicht laten zakken, enkel maar lijnen, recht en gegolfd,
+met zwarte stippeltjes er tusschen. (Of die soms dames met voiles van
+gemoesde tulle gezien hadden?) Sommigen hadden een hoed op, hoewel zij
+overigens zorgvuldig naakt waren gebleven. Zij kwamen er aanroeien in
+prauwen, die uitgeholde boomstammen waren, met een opening zoo nauw,
+dat de roeier tusschen de naar binnen gebogen randen alleen tot de
+knieën toe de beenen kon passen, en zàt boven op de prauw. De bootjes
+waren vroolijk beschilderd met roode en zwarte sterren en versierd
+met beeldhouwwerk, forsch gefatsoeneerde koppen van kakatoes of van
+schildpadden, vooruitstekende op den steven. Van het strand van Wakdé
+af kwamen zij in zulke menigten, dat de zee tusschen het schip en
+den wal een wemelend plein geleek.
+
+Het dorp ligt tegen een achtergrond van woud en van
+palmen-aanplanting. Langs het strand, als een aanspoelsel uit de
+branding der wereldzee van verre beschavingen, loopt een ordelijke
+straat, waarlangs nieuwe huizen staan, in aanbouw nog vele, genummerd
+in de rij. Daarachter, met hutjes van gaba-gaba en atap, begint het
+eigenlijke Wakdé, het Papoea-dorp.
+
+Middelpunt er van is een tempel; aan de geesten en de voorouders
+toegewijd. Het is een gaba-gaba gebouw van het allereenvoudigste
+fatsoen onder een hoog en puntig met bladeren bespreid dak. De geheele
+gevel is beschilderd, reep voor reep, met doorloopende patronen van
+rood en zwart, elke reep weer anders, zoodat het geheel een samenstel
+wordt van verticale strepen. Een trapje, met gebeeldhouwde leuningen
+en op de posten twee hurkende figuren, klimt naar de deuropening,
+waardoorheen een inkijk is van ledige schemering. De tempel moet nog
+maar kort geleden opgericht zijn, het rood en zwart is versch op de
+sagopalm-stengels der wanden. Maar toch begint hij al te vervallen;
+het bladerenspreidsel van het dak hangt in flarden, de trap leunt
+scheef tegen den ingang. En rondom is een wildernis van breed-bladerige
+planten opgeschoten, waartegen gewaarschuwd wordt als tegen een nest
+van slangen. Er is geen zendingspost op Wakdé. Vanzelf moeten dus
+onder deze Papoea's de voorstellingen in verval zijn geraakt, die
+kort geleden nog krachtig genoeg waren om zich te uiten in tempelbouw.
+
+Rondom, en naar het strand van den achterwal heen, liggen, onregelmatig
+verspreid, de hutten van het dorp: bruine paalwoninkjes, met ladders
+naar den ingang, die opgetrokken kunnen worden. De bouw van alle
+is dezelfde, dezelfde ook als die van den tempel, recht op en neer,
+wanden van sagopalm-stengels en een dak van sagopalm-blad. Precies
+in het midden van den gevel is de hoogste van drie openingen, deuren
+en vensters tegelijk, op gelijke afstanden waarvan de twee andere
+zijn aangebracht. De verdeeling van het binnenhuis komt te zien:
+een vrij groote middenruimte, doorloopend van voor- naar achtergevel,
+en aan weerszij, afgeschoten, donker, veilig, kleinere ruimten, waar,
+onduidelijk, een rommel van voorraad gereedschap, rijs en vischnetten
+te ontwaren is, en waaruit gezichten te voorschijn kijken van
+vrouwen en kinders. De vrouwen zijn, met een goren lap om de lenden,
+maar weinig meer bekleed dan de mannen, en, als zij, met snoeren van
+kralen en schelpen omhangen, houten pennen door een warrigen haarbos
+gestoken. Allen, jonge als oude, hebben lippen vuurrood van de sirih,
+en een pruim achter de kiezen, waar de wang in een scheeven bult over
+uitstaat; de kalk voor de sirih-pruim dragen zij bij zich in een soort
+fleschjes, die kleine uitgeholde pompoenen zijn, alleraardigst met een
+zwarte teekening versierd. Een enkele heeft een dergelijke teekening op
+de borst getatoueerd. In vergelijking met de mannen zijn het schrale,
+armelijke wezens, wien ontbering aan is te zien en arbeid vèr boven
+hun krachten. Zelfs de jongsten, die een kind aan de borst houden,
+zien er oud uit. Klaarblijkelijk zijn zij het, die al het akkerwerk
+doen, terwijl de mannen zwerven en jagen.
+
+Het station dat op Wakdé volgt is het laatste in de rij. Hollandia, aan
+de Humboldtsbaai, eindpunt der Noord-Nieuw-Guinea reis. De boot laat
+het anker vallen voor een drukke kleine handelsplaats aan de monding
+van een rivier. Dicht gerijd staan langs beide oevers de huisjes,
+de stroom is als een dobberende markt. Bij de aanlegplaats staan
+loodsen en een pakhuis; Chineezen met gouden ketting van knoopsgat
+naar borstzak van hun khaki jas controleeren het binnenbrengen uit
+de laadprauw van kisten, waarop namen van Europeesche steden en
+fabrikanten staan.
+
+Aan de overzij van de baai, enkele minuten roeiens ver, ligt het oude
+Papoea-gehucht op een zandbank maar juist boven het water uit. Er
+staan hutten op als hooge, hoekige bijenkorven, op palen, dicht
+aaneengedrongen op de smalle plek. Reusachtige schildpadschalen, aan
+palen gehangen, drogen in de zon; de stank slaat den naderende over
+het water tegen. De gezichten van de naakte, war-harige, vervuilde
+wezens, die in een zwijgenden troep hem tegemoet zien, zijn een afweer,
+nog erger haast dan de stank. Denkende aan wat verhaald wordt van hun
+stompzinnige wreedheid, dingen die ongeloofelijk lijken en onmogelijk,
+begint hij nú te gelooven daaraan.
+
+
+
+
+
+Chineesche winkels
+
+
+Te Sorong al begon het; hier in de Humboldtsbaai, in dat bedrijvige
+dorp, waar de boot haar laatste vracht ontlaadt, is het nog; en
+nergens, op de geheele lange reis was het er niet--het Chineesche
+winkelbedrijf. Niet ééne was er van al de vele aanlegplaatsen,--Saonek,
+Manokwarie, Roon, de Wooibaai, Ansoes, Pom, Mokmer, Wakdé,--of langs
+het strand stond een wal van Chineesche toko's, splinternieuw alle,
+sommige niet eens af nog; en Chineezen stonden te wachten op de
+ladingen gaba-gaba, planken, dakzink, atap in reepen, die langs
+het laadbord de vlet in gleden, en op de Chineesche timmerlui, uit
+Ambon en Menado meegekomen om, voor een dagloon van f 3, beginnend
+met den eersten dag van uitreis en eindigend met den laatsten van de
+terugreis, over een anderhalve maand te beginnen, van al dat materiaal
+weer Chineesche winkels te maken.
+
+De kust is, in wording, één Chineesche winkelstraat, honderd-en-vijftig
+geografische mijlen lang in de vogelvlucht gemeten, met voor zichtbare
+klanten een troep spiernaakte, een stuk gedroogde visch kauwende
+Papoea's. De reiziger ziet er naar, verbaasd, tot hij, instee van
+de oogen, de herinnering te hulp neemt. Die begint aan een lange
+geschiedenis.
+
+Het is wèl bekend hoe het land van de Paradijsvogels niet dan half bij
+toeval, half bij dwang Nederlandsch koloniaal gebied is geworden--bij
+toeval een exploitatieland van de Oost Indische Compagnie, die er
+weinig voordeel van heeft gehaald, bij dwang der omstandigheden en
+annexatie, bij stukken en brokken, een bezit van den staat, die de
+desolate erfenis aanvaarden moest en later, tegen wil en dank meest,
+verdedigen tegen andere gegadigden.
+
+In den bloeitijd van de O. I. C. waren "de Papoesche Eilanden"
+nog onbekend land voor haar, al wist zij, dat de Molukkenvorsten
+daarvandaan groote rijkdommen haalden, en dat Portugeezen zich daar
+hadden gevestigd en Spanjaarden. Een gerucht dat er goud te vinden
+zou wezen, prikkelde den ondernemingslust.
+
+Er werd een schip gezonden naar de Zuidwestkust, om te zien wat er
+aan was van het op Ceram gehoorde omtrent den rijkdom dier streek,
+en een contract werd gemaakt met den Sultan van Batjan, die daar vage
+rechten had. Tien jaar later eerst kwamen de schepen der Compagnie op
+de Noordkust, geheel bij toeval, gedurende een tocht, ondernomen om
+een anderen weg naar Indië te vinden, dan die bij octrooi haar was
+toegestaan. De kust en eenige der dichtbij gelegen eilanden werden
+onderzocht, maar er leek weinig te halen, zooals op heel Nieuw-Guinea,
+waar van goud niets gevonden was, en de muskaatnoten--een in het
+wild groeiende soort--van veel minder hoedanigheid bleken, dan
+die op Banda geteeld werden, terwijl er voor den pluk geen handen
+te vinden waren, en het volk kwaadaardig slag was, verraderlijk en
+moordzuchtig. Ook bleek de kust gevaarlijk te bezeilen. De regeering
+verbood ten slotte den handel. En dat hij hervat werd, kwam door
+denzelfden dwang, die, onder geheel veranderde omstandigheden,
+anderhalve eeuw later de formeele annexatie te weeg zoude brengen,
+alle aarzelende voorzichtigheid, en zuinigheid óok, ten spijt:
+door den dreigenden binnenval van den vreemdeling. De Compagnie,
+die zich wilde verweren "met de wapenen die God ons gegeven heeft,"
+als bij een andere gelegenheid een van haar doortastende pioniers
+verlof vroeg te doen, kreeg ongelijk van de hooge regeering bij het
+gevankelijk opbrengen van den Engelschen ontdekkingsreiziger William
+Dampier naar Ambon. Zóo hardhandig ging het niet. De tijd van betoogen
+en onderhandelen begon, contracten werden vertoond, met Moluksche
+vorsten gesloten, met sultans van Batjan, Tidore, Ternate. Het was niet
+anders dan een schijngezag dat zij op Nieuw-Guinea uitoefenden, en hun
+eenige functie: het innen van schatting en het rooven van slaven. Maar
+een ander gezag was er zelfs ook niet in schijn, en ook de Engelschen
+wisten gedurende het interim niet beter te doen om eenigermate rust
+te krijgen in het land, dan de potentaten van Tidore en Ternate,
+met elkander erfelijk in een krijg, die ook in Nieuw-Guinea werd
+uitgevochten, te bewegen tot vredesluiting. Toen daarop Nieuw-Guinea
+mèt den Oost-Indischen archipel terug kwam aan Nederland, erkenden
+opeenvolgende regeeringen, soms zwijgend, soms uitdrukkelijk, het
+recht van den Sultan van Tidore, dat eindelijk zelfs uitgebreid werd,
+over gebied, trouwens, waar het Nederlandsche gezag zich nog nooit had
+doen gelden. Het leek veiliger de verantwoordelijkheid voor wat daar
+gebeurde over te laten aan anderen, nu men de middelen eenmaal niet
+bezat om het zelf te beletten: zeeroof, slavenhalen, moord en doodslag.
+
+Dat alles was het gevolg van Moluksche regeersystemen, maar
+Westersche handelsontwikkelingen hadden het ergste nog verergerd
+met den invoer--ter sluiks--van jenever, opium en vuurwapenen; dit
+laatste om de Paradijsvogeljacht.
+
+Op zichzelf was deze geen nieuwigheid uit het Westen. Het is bekend,
+onder anderen uit Wallace's boek, hoe op het laatst van de zestiende
+eeuw al Portugeezen, Hollanders en Engelschen dien handel gaande vonden
+in de Molukken. "Godenvogels" noemden de Maleiers om hun schoonheid de
+schitterende diertjes, wat de Portugeezen, met een verchristelijking
+van het denkbeeld vertaalden als "Paradijsvogels." Jan Huygen van
+Linschoten zag er, op die reis waarvan hij zijn beroemd verhaal
+zou doen. Als het anno 1598 aan een schrijver paste, gaf hij
+den "Godenvogel" een latijnschen naam en verhaalde van de "Avis
+paradisea." En het Hollandsche "paradijsvogel" ontstond, dat andere
+volkeren ieder in de eigen taal overnamen en waaraan de fantastische
+dierkunde van den tijd de voorstelling vastmaakte van een vogel zonder
+pooten, die nergens nestelde noch neerstreek, maar op uitgebreide
+pluimen dreef in den zonneschijn. Er waren immers ook nooit anders dan
+verminkte huidjes naar Europa gekomen. Trouwens, in de Molukken zelven
+werd niet anders gezien: de vogels waren handels-artikel, enkel om
+de pluimen. Dat de Papoea's ze als schatting opbrachten aan den radja
+van Ternate ziet men onder anderen ook uit het Noefoorsche sprookje,
+tegenwoordig nog verteld, van hoe de Paradijsvogels in een prauw naar
+Ternate voeren, om schatting te brengen aan den Sultan. De handel in
+de huiden was dus een oorspronkelijk-inlandsche. Maar hij veranderde
+toch van karakter, hij werd wereldhandel, door de navraag uit het
+Westen in den nieuwen tijd. Wallace zag het begin van die verandering,
+en voorspelde erge gevolgen voor de vogels. De allerergste kwamen
+voor de menschen. Concurrentie onder moord en doodslag, vuurwapenen
+onder de wilden, de jenever als ruilmiddel. Van de Merauke rivier
+in het Zuid-Westen af tot aan de Hollandiabaai in het Noord-Oosten
+werd de kust van Nieuw-Guinea een hel. Beccari en Mikloecho Maclay
+schreven op en lieten het aan de wereld lezen wat zij met eigen
+oogen gezien hadden. Er ging een schreeuw op over de "koloniale
+mogendheid" die zulke dingen duldde. Gevaar begon te dreigen van allen
+kant. Australische avonturiers, die op de Zuid-Westkust kwamen om
+wilde muskaatnoten--de prijs was een voorlaad-geweer van f 10 voor
+een mand met f 100 waarde aan noten--trachtten van Papoea-hoofden
+het land te koopen dat de koloniale regeering, voor complicaties
+beducht, hen geweigerd had. De Berlijnsche conferentie van 84, ter
+regeling van internationale koloniale belangen bijeengeroepen, gaf
+een definitie van koloniaal bezit die de Nederlandsche autoriteit
+over het gebied der Molukkenvorsten in Nieuw-Guinea tot een
+hachelijke quaestie maakte. Engeland beklaagde zich over invallen
+van Papoesche rooverbenden, Nederlandsche onderdanen in naam, in
+Britsch Nieuw-Guinea. Toen was het geen wil meer maar een moet. De
+schaduwen der Molukkenvorsten gleden weg van het land en ambtenaren
+van het Binnenlandsch Bestuur stapten aan wal. Als laatste herinnering
+misschien aan vroegere toestanden werd Zuid-West Nieuw-Guinea een
+afdeeling van het gewest Ambon, Noord Nieuw-Guinea een afdeeling
+van Ternate. De regeering zat in de Papoesche prauw: zij roeide met
+de riemen die er in lagen--schepriemen, voor Westerlingen-handen
+de deugdelijkste niet. De Paradijsvogel-handel was er een van. Er
+werd geprobeerd uit het onvermengde kwaad een vermengd goed te
+maken. Het licentiestelsel moest aan het land het allernoodigste geld
+verschaffen om een begin van organisatie en beschaving te brengen. Om
+het allerergste gespuis te weren werd de bepaling gemaakt, dat niemand
+tot de aanvrage van een jacht-acte zou toegelaten worden dan wie op
+de kust als handelaar met een winkel gevestigd was.
+
+Een poging werd nog gedaan ten gunste van een Nederlandsche
+maatschappij, om de jacht tot monopolie te maken. De voorstanders
+voerden als reden aan, dat exploitatie door een Nederlandsch
+handelshuis het best zou beantwoorden aan de bedoeling der
+wet, namelijk van den handel een middel tot beschaving van
+den Papoea te maken. De tegenstanders wezen op het gevaarlijke
+van het monopolie-stelsel en de behoefte van Nieuw-Guinea aan de
+ontwikkeling, die concurrentie mede kan brengen. Een buitenlandsche
+firma verzette zich heftig tegen bevoorrechting van het Nederlandsche
+kapitaal. De zaak werd in de Tweede Kamer besproken en het
+voorstel verworpen. Allen, die wilden, begonnen den wedstrijd. De
+overweldigende meerderheid waren Chineezen, bouwers van winkels
+en winkeltjes in soorten, van de keurige toko's in Manokwarie af,
+als een Europeanen-huis gebouwd en vol Europeeschen import, tot de
+gaba-gaba-doos met gegolfd zinken deksel toe, waarin op Pom of Wakdé de
+speculant in vogelhuiden neergehurkt zit, tusschen een zak rijst en een
+baal rood katoen. En zoo ontstond en staat--voor zoolang de Parijsche
+mode het zal beschikken--die Chineesche winkelwijk, die met de zee
+voor straat van 131° tot 141° Oosterlengte langs den evenaar loopt.
+
+De hoop is, dat daarlangs de beschaving binnen zal komen in
+Nieuw-Guinea.
+
+
+
+
+
+Fakfak
+
+
+Het eerste station op de reis naar Zuidwest Nieuw-Guinea is Kokas, een
+klein plaatsje aan de Zuidkust van de Maccluer Baai, spiksplinternieuw
+blinkend met twee groepen houten, met zink gedakte huisjes ter weerszij
+van een heuvel, die op de kruin het huis van den bestuursambtenaar
+draagt. Zuidwaarts kaap Fatagar om, en het Oosten in, gaat dan de
+vaart naar Fakfak.
+
+De vestiging ligt prachtig tegen de steilte aan van een rotsachtige
+baai, die door een eilandje van de zee is afgedamd. Het gesteente
+van de rots is lichtgrijs, wit bijna. Struikgewas en allerlei
+slingerplanten hangen er met hun rijk groen langs, het klaarblauwe
+water kaatst groen en wit licht overblauwd terug. Op een smal strookje
+fel-wit zand staat een buurt Chineesche winkels. De Papoea-hutjes
+zijn tegen de hoogte aangebouwd. Er loopt een steil pad langs, dat,
+boven, over de kruin van de rots weer naar beneden duikt. Daar ligt het
+eigenlijke dorp langs een ondiepen inham van de zee--hutjes op palen,
+die bij ebbe boven zwarte modder staan. Doode stammen, naakt en bleek,
+met allerlei wrak en nameloos aanspoelsel tusschen de starre takken,
+steken uit de zwartigheid op, waarin kinders rondwaden op den zoek
+naar krabben en schelpgedierte. De mannen en vrouwen van het dorp
+dragen een dunnen schijn van kleeding. Fakfak is, in den korten tijd,
+sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag verstreken, een centrum
+geworden van inlandschen handel: paradijsvogelhuiden komen hierheen uit
+het oostelijke binnenland, massooi,--de sterk-geurende schors waaruit
+in Europa de basis gewonnen wordt voor allerlei reukwerk--damar uit de
+bosschen, en schelpen uit de strandzee langs Kaimana. Er wonen veel
+Moluksche handelaars rondom, die een missigit hebben op het eilandje
+voor de baai, Serang. Vandaar die schijn van kleedij.
+
+De binnenlanders, die met hun vogelhuiden en massooi naar Fakfak
+komen, loopen naakt, ten hoogste enkelen met een lap katoen, van
+voren afhangende van het vezelsnoer rond hun middel. Den dag voor
+onze aankomst was er juist een bende van veertig binnengebracht:
+als gijzelaars voor stamgenooten, die op een raaktocht waren gegaan
+en een aantal koppen gesneld hadden. De omweg over onschuldigen heen
+is de kortste, de eenige dikwijls om een Papoeaschen schuldige te
+bereiken. Het volk zelf gaat dien weg bij voorkeur. "Als wij den boom
+willen vellen, die naast ons huis staat, dan hakken wij er een om,
+een eindweegs verder in de rij. De vallende velt den naaste, tot de
+laatste dengene velt dien wij eigenlijk meenen." Nooit velt een Papoea
+den "eigenlijk gemeenden" man, die sterker is dan hijzelf. Neen! Hij
+kiest een derde, die te eenenmale vreemd is aan de vijandschap en haar
+oorzaak, doch sterk genoeg om die vijandschap uit te vechten, ware het
+zijn eigen zaak. Door de opzettelijke beleediging wordt de zaak nu tot
+de zijne gemaakt, en meteen hem uitgelegd, met wien hij ze uit moet
+vechten. Hij gaat heen en raakt den "eigenlijk gemeende." Zoo komt
+de zaak in orde. Het gebeurt wel dat de over-te-brengen beleediging
+hem zelven zóó treft, dat hij ze niet meer overbrengen kàn. Een man,
+die een moord te wreken heeft en den moordenaar niet aandurft, zal den
+derde dooden, en zijn stam van de bedoeling in kennis stellen. Dan gaat
+de sterkste van den stam er op uit, in de plaats van den verslagene, en
+doodt den oorspronkelijken moordenaar. De moord op den tusschenpersoon
+wordt niet als misdaad gerekend, noch als eenige reden van haat
+of vijandschap. Geheel met den Papoeaschen gedachtengang strookte
+dus die gevangenneming van veertig man, die aan den sneltocht niet
+medegedaan hadden. Nu zouden hun bloedverwanten natuurlijk zorgen de
+koppensnellers te vinden, en hen ter berechting te brengen naar Fakfak.
+
+De laatste flarden van wildemans-romantiek, waarmede westersche
+onwetendheid den koppensneller omhangt, vallen van hem af, wanneer
+men hem in zijn eigen land ziet, en de wijze verneemt waarop hij te
+werk gaat. Er is geen zweem van wilden moed in, het is door-en-door
+arglistig, wreed en jammerlijk laf. Op de Noordkust is het vijandschap,
+die tot dien sluipmoord aanzet; hier op de Westkust zijn het met
+den godsdienst verband houdende voorstellingen. Aan een nieuwgeboren
+kind kan niet een willekeurige naam gegeven worden; het moet de naam
+zijn, door eenig mensch op dat oogenblik levende gedragen, en die
+naam kan hem niet anders afgenomen dan met zijn leven tegelijk. In
+den donker besluipt de bende snellers het dorp, waar zij den meesten
+buit en den minsten tegenweer denken te vinden, en verschuilen zich
+langs de wegen die naar het veld gaan of in het woud. Die met het
+aanlichten van den dag daarlangs komen, worden, van de hinderlaag
+uit, met pijlen en speren doorschoten, in den rug. Man, vrouw of
+kind, dat is eender. De moordenaar vergt den gewonde zijn naam af,
+terwijl hij hem den hals van de schouders zaagt met een bamboelatje,
+dat, zoo dikwijls het afstompt, wordt gescherpt op den rand van een
+schelp. Het duurt lang. Een plotselinge ruk trekt, ten laatste, de
+wervelstreng doormidden. Het geheele binnenland is nog het rijk van
+den koppensneller. Geen ander afdoend middel is te vinden tegen den
+gruwel dan ijzeren dwang, dwang met de wapenen. Het verstand is er
+nog niet, waarop een beroep gedaan zou kunnen worden, het gevoel is
+er nog niet, dat gaande gemaakt zou moeten worden, om den eigen wil
+te bewegen tot het betere. Het slechte moet eerst onmogelijk gemaakt
+worden. Hoe? met een paar dozijn gewapende politie-manschappen voor
+een land zoo groot als half-Borneo!
+
+Voor wie gevangen werden was de straf vroeger dwangarbeid in
+ballingschap. Het bleek, in de praktijk, de doodstraf. De Papoea
+verdroeg, met zijn lichaam, de rijstvoeding van Celebes of Sumatra
+niet, met zijn gemoed niet het heimwee; hij stierf al na korten
+tijd. Nu is van de straf de ballingschap afgenomen: koppensnellers
+doen hun dwangarbeid, werkende aan de wegen, die door hun eigen
+land worden aangelegd: te Fakfak, te Merauke, te Manokwarie. En nu
+gebeurt het gelukkige. De onmogelijkheid, waarin ze zijn gekomen om
+den ouden moorddrang te volgen, het geregelde leven, de zekerheid van
+elken dag genoeg te zullen eten en drinken, elken nacht tegen dauw
+en kilte dek genoeg te zullen hebben, de veiligheid, ongekend tot
+nog toe door hen die nooit konden weten waar hun plotselinge vijand
+vandaan zou komen, noch zelfs wie hij was, de vaste arbeid eindelijk,
+te zamen met vele gelijken, doen het menschelijke ontkiemen in wat
+eerst maar een wezen van het woud en de wildernis was. Als de eerste
+schrik en wantrouwige haat geweken zijn, begint hij te beseffen dat
+het toch beter zóó is, toch beter, zelfs onder dwang, met goedwilligen
+samen te wezen, zelf goedwillig, dan, in volle vrijheid, een vijand
+onder vijanden. Langzaam aan wordt ook de dwang minder hard te
+verdragen. Hij gaat wennen aan den arbeid. Als zijn tijd om is,
+hebben zich behoeften en gewoonten in hem gevormd, waaruit een nieuwe
+levenswijze kan ontstaan; hij is voor het betere vatbaar geworden. Het
+besef van die verandering drukt hij, op zijne wijze, uit, als hij
+verlof vraagt om het bruine dwang-arbeiders-pak te mogen behouden,
+dat hij, zóó gekleed, gekenteekend voor "goed-vriend van de Kompenie"
+in zijn bergdorp moge terugkeeren. Het verzoek wordt vaak gedaan.
+
+Het is een al oude manier van de Papoea's in het binnenland,
+"beschaving" te gaan halen bij de stammen langs de kust, tot wie zij
+opzien als tot hun meerderen en beteren. Die menschen, die immers
+geleerd hadden van vreemdelingen uit rijkere landen, van Chineezen,
+Arabieren, Cerammers, Boegis, wisten en hadden van allerlei, waarvan
+de binnenlanders nog nooit vernomen hadden. Zij aten beter voedsel,
+zij gebruikten beter werktuigen, hun leven was gemakkelijker. Graag
+kwamen zij daarom naar de kust met hun troepen buitgemaakte slaven,
+hun massooi, hun paradijsvogelhuiden en hun damar. En zij trachtten
+zooveel mogelijk van hun eigen vrouwen te doen trouwen met mannen op
+de kust, en zooveel mogelijk vrouwen van de kust mee te krijgen naar
+hun eigen dorpen, om door verwantschap zoowel als door handelsverkeer
+de verbintenis nauwer te maken van hun wildernissen met de kust. De
+nieuwe manier, waarbij ouders in het binnenland bewogen worden, hun
+dochters voor een paar jaar naar Fakfak te laten gaan, als huisgenoot
+van een "goeroe"--een inlandschen schoolonderwijzer, Ambonees of
+man uit de Minahassa meest--, of anders als pleegkind in het gezin
+van een met het gouvernement bevriend hoofd, komt hun daarom niet
+als iets vreemds voor, niet als een Westersche nieuwigheid, die men
+wantrouwen moet. De meisjes komen gaarne en blijven gaarne, en nemen,
+als ze teruggaan, onder andere de gewoonte van zich te wasschen mee.
+
+Zij van hùn kant, de ontslagen dwangarbeiders van den hùnnen,
+brengen zoo nieuwe mogelijkheden het binnenland in. Zij willen wel,
+de Papoea's: alléén: zij moeten eerst geholpen worden om te willen.
+
+Dat voor zulk helpen toch zooveel geld noodig is!
+
+En dat de helpers zoo weinig maar hebben!
+
+
+
+
+
+Merauke
+
+
+Mannen kwamen aan boord, naakt van hoofd tot voeten, met gezichten
+zwart en fel-rood geverfd, door hun neusvleugels scherpe lange
+slagtanden gestoken, en aan den arm bossen stinkende stukken huid van
+een wild zwijn. Zij liepen met een lichten, sterken gang, hun voeten
+veerden als zij den grond aanraakten. Een trotsch jong dier loopt zoo,
+lichtweg den boschgrond slaande met zijn hoeven. Zij waren als dieren
+schoon, het was de blik van een dier die uit de zwarte oogen kwam,
+half-wild, half-schuw. Zij droegen wapens: een hoogen boog, pijlen,
+een speer; zij hadden sieraden aan: een ring uit de wrong van een
+schelp geslepen om den pols, snoeren van schelpen en hondetanden
+om den hals; en van hun haar, dat, met roode klei doorkneed, als
+een breede krans hun om het voorhoofd stond, waren achter aan den
+schedel lange vlechten gestrengeld, bont van ingevoegde stengels en
+bladerreepen. Zelfs de wapens en het sieraad namen dat dierlijke niet
+weg; aan hen leek het een natuurlijk-gegroeid verweer als klauwen,
+scheurende tanden, horens, een natuurlijk gegroeid siersel als manen en
+prachtige kleuren van vacht. Die menschelijke dieren waren Kaja Kaja's,
+Papoea's, inheemsch in de van giftige moerassen walmende streek die wel
+"Duivelsland" is genoemd: "the Devil's own country." Hun eigenlijke
+naam is Marinda. Maar den eersten keer, dat zij, niet als vijanden
+op een stoomboot afgeroeid kwamen, schreeuwden zij uit de verte dat
+woord Kaya Kaya, dat "goede vrienden" beduidt: het is hun sedert
+onder Westerlingen voor naam gebleven.
+
+Zij; en de Toegeri, de "messendragers," om wier invallen op
+Engelsch gebied te keeren Merauke gebouwd werd twaalf jaar geleden;
+de moordzuchtige woestelingen langs de Digoel; noordelijk de kust
+op, zij die langs de Golf van Maccluer wonen, menschenjagers van
+oudsher, en nog zoo lang geleden niet menscheneters, kinder-roovers,
+slavenhaalders, koppensnellers; als dieren woest en als dieren
+vervolgers en vervolgden tegelijk, hebben zij sedert eeuwen in dit
+verschrikkelijke land geleefd.
+
+De sterke stammen op de bergen joegen de zwakkeren: de zwakkeren
+vluchtten, telkens opgejaagd, telkens weer verder. Zij kwamen aan de
+kust, tusschen de moerassen. Daar besprongen de vreemdelingen hen, de
+Ceramsche en Boegineesche zeeroovers. Zij kropen weg in de bosschen,
+langs de monding van de groote rivieren, zij kregen de vergiftige
+moeraskoortsen, zij hongerden bij het bittere armzalige voedsel,
+hun bloed verarmde, hun huid werd ziek, hun gedachte was niet anders
+meer dan hoe zich te verbergen, hoe zich te verweren, zij werden bang
+en boosaardig. Nog vinden de exploratie-detachementen die de groote
+rivieren opgaan, in hun nestelplaatsen troepen van zulke wezens
+zitten, die bouwen in het geboomte. Anderen waren gelukkiger, zij
+sloegen de vijanden af, of werden bondgenooten met hen. Zij hielpen
+hen slavenhalen, zij gingen het bosch in en schoten Paradijsvogels,
+die zij den vreemdelingen verkochten. Er kwamen er vele, al meer van
+al verder gelegen landen, na de Cerammers en de Boegies en de mannen
+van Ternate en Tidore, kwamen Chineezen en Arabieren. En toen kwamen
+er van landen nòg verder af, toen kwamen de blanken. Ook zij wilden
+slaven in de allereerste plaats, ook zij Paradijsvogels, reukhout,
+hars, schelpen, parels. Maar zij brachten iets wat nog nooit door
+iemand vroeger gebracht was in ruil; jenever en vuurwapenen. Toen werd
+het nog veel erger onder de Papoea's dan het al was. Het allerergste
+werd nog erger. Die eerste blanken voor wier nagelbosschen op Banda
+de slaven gehaald werden inplaats van het volk dat zij uitgemoord
+hadden op het eiland, hadden hen om hun gezicht en gedaante monsters
+genoemd, morsige varkens, een beestachtige natie; nu werden zij het
+naar het gemoed. De Kaja-Kaja's zijn hun afstammelingen, geworden
+wat zij worden moesten.
+
+Er ligt een Kaja-Kaja gehucht in de buurt van Merauke, een klein
+uur gaans verder langs het strand. De weg er heen gaat door een
+klapper-aanplanting, waarvan de "copra-ruilers," hier op de Zuidkust
+wat op de Noordkust de "jagers" zijn, den oogst komen ophalen. Een
+regelmatig rooster van rechte slooten over het geheele terrein heen
+getrokken, zóó dat de stortvloeden van den natten moesson een snelle
+afwatering vinden naar de zee, ligt daar als een bewijs van wat het
+volk van het gehucht met zijn weinig ontwikkeld verstand bedenken en
+met zijn gebrekkige werktuigen--als een aangepunte stok, in steê van
+een spade gebruikt, een werktuig heeten mag--uitvoeren kan.
+
+Het gehucht ligt open en bloot tusschen den boschrand en het strand
+van de zee, zonder eenige afsluiting, haag, hek noch heining. Het is
+niet anders dan een paar dozijn hutten, zoo armzalig, scheef geduwd
+door den zeewind, verzakt in het zand, vervallend, aan flarden, dat
+het een hoop bladers en takken lijkt door den storm bijeengewerveld
+uit het knakkende bosch, eer dan menschelijk bouwsel. Er is een zekere
+orde in te zien, toch. Een staketsel scheidt het in tweeën. De helft
+naar het strand toe is het vrouwen-verblijf; de helft naar het bosch
+toe het kamp van de mannen.
+
+In het midden daarvan staat het feesthuis, een vierkant van palen
+met een dak er op. De palen zijn hier en daar versierd met grof
+rood en zwart schilderwerk, het dak met een afhangende franje
+van verdord klapperblad. Het eigenlijke sieraad echter ontbreekt:
+menschenhoofden. De rijen schedels die hier vroeger hingen, liggen
+nu te Merauke en de vervanging door versche is, sedert een paar
+jaar, ondoenlijk gebleken. De mannen van het dorp houden hier den
+gezamenlijken maaltijd als zij met een buit van kangaroe of wild zwijn
+zijn teruggekomen uit het woud; hier ook hun drinkgelagen. Niet van
+jenever: de invoer van alcohol is, als die van geweren en kruit,
+verboden, en hier in de nabijheid van Merauke waarschijnlijk ook
+zoo goed als onmogelijk. Maar op vele plaatsen, in den Maleischen
+archipel zoowel als op Nieuw-Guinea, groeien in het wild planten
+wier sap bedwelmt. Hier is het de "wati," een kruidachtig struikje
+waar alle bosschen vol van zijn; het groeit tot aan de hutten van het
+gehucht toe. Uit de bitter-geurige bladeren en stengels komt een sap
+dat eerst vroolijk, dan half-dol, dan bewusteloos maakt. Het wordt er
+uit geperst door kauwen, wat, met het opvangen van het sap, het werk
+van de vrouwen is. Den avond voor onze komst was er, waarschijnlijk,
+een feest in de loods geweest. Wij vonden er een man op den grond
+liggen, bewusteloos-dronken. Anders was er niemand. De overigen
+waren naar de boot--"een schip-vol rijst is aangekomen!", was in de
+vroegte al geroepen; of naar het hospitaal van de missionarissen
+van het Heilig Hart, met de een of andere wond, bij ontnuchtering
+gewaar geworden; of mogelijk naar de tuinen, waarin de broeders
+trachten hen ketellah obi en allerlei groenten te doen verbouwen;
+of--meer waarschijnlijk--op de jacht. In het vrouwendorp was eenige
+beweging. De meesten ook van hen waren weg, zij werkten in de tuinen of
+zij vischten op de zee. Maar er waren er toch een paar achtergebleven
+met eenige jongens en meisjes van een jaar of tien, en één kleintje,
+van misschien drie--het eenige kind in het geheele gehucht, als wij
+van onzen gids hoorden. Het vrouwendorp zag er nog ellendiger uit--als
+het kan--dan het mannendorp. Een lange loods met één wand, die naar de
+zee was gekeerd, en een rij ten ruwste van de takken ontdane stammen,
+met de schors er nog aan, als pijlers om aan den anderen kant het
+schuins afhangende bladerdak te stutten, was de gezamenlijke woning
+van een aantal vrouwen-en-kindergezinnen. Op de breede bank, bed en
+tafel tegelijk, langs de geheele lengte van de loods loopend, waren
+de plaatsen afgedeeld door hoopjes van elks bezittingen--een mat,
+bamboe-schalmen om water in te dragen, een van bladreepen gevlochten
+zak, een vezelen net, een paar klappernoten. De etens-voorraad van het
+dorp hing aan de palen--klompen steenhard sagomeel in bladers gepakt,
+rissen gedroogde visch, een stuk vleesch, dat in den rook zwart was
+geworden. In een hoek lag een zieke--verlamd, als we hoorden, sedert
+jaren. Her en der liepen, knorrend, zwarte varkens, die wroetten in
+allerlei afval van klapperschalen, vischgraten en leege schelpen. Aan
+den ingang van een afzonderlijk krot zat een vrouw met een biggetje op
+den schoot, dat zij koesterde of het een kind was. De vrouwen waren,
+als de mannen, geheel naakt. Als sieraad hadden ook zij een tatouage
+van litteekens. Die worden, als de huwbare leeftijd intreedt, met
+scherpe schelpen aangebracht, en verduidelijkt door inwrijving van de
+wonden met asch, wat het spoedige sluiten belet en breede litteekens
+doet ontstaan. Zooals die versiering met litteekens het onderscheid
+was tusschen kind en meisje, zoo was een ellendig-vervallen voorkomen
+het onderscheid tusschen meisje en vrouw. Waren zij jong, waren
+zij oud, die getrouwde vrouwen, moeder een enkele, de anderen alle
+kinderloos? Het was niet te zeggen. Allen waren zij mager, holoogd,
+suf, vuil. Allen ook hadden zij litteekens, àndere nog en wreedere
+dan die voor sieraad ingekorvene. Van vrouwelijke gedaante was niets
+meer over dan wat sterker was gebleken dan afbeuling, mishandelingen
+en afzichtelijke ziekten. Aan verscheidene onder hen was in het
+hospitaal van de missie het haast verloren leven teruggegeven. Waartoe
+eigenlijk? Voor de vermeerdering van welk nut, welke vreugde, welke
+liefelijkheid ter wereld? Als ooit omtrent barmhartige hulp zulk een
+vraag gedaan mocht, dan mocht het hier. En als ooit, ook door wie een
+afkeer heeft van dwang, naar dwang verlangd mag worden, om den wille
+van het eigen best van den gedwongene, dan mag dat hier in Merauke.
+
+
+
+
+
+Langs de Geelvink-Baai
+
+
+Tusschen de woestelingen van de Hollandia Baai en het zieke volk van
+Merauke staan de Geelvinkbaaiers als een ander slag menschen. Bij
+de oppervlakkigste beschouwing valt het op. Of zij minder geleden
+hebben van slavenjagers in een oud, of van handelaars in vogelhuiden
+en copra-ruilers in een jonger verleden; of zij oorspronkelijk van
+beter ras zijn of met beter zich hebben vermengd; of zij meer voordeel
+hebben gehad van Westerschen invloed--welke de oorzaken ook mogen
+wezen, de toestand is zóó, dat zij in alle opzichten het beste er
+aan toe zijn van al de kustbewonende Papoea's in het Nederlandsch
+gebied. Sommige onderzoekers houden het er voor, dat zij vroeger
+op een veel hoogeren trap van beschaving gestaan hebben. Materieele
+overblijfselen van die beschaving zijn wel is waar tot nog toe niet
+gevonden: maar zij gelooven er geestelijke te kunnen aantoonen in
+hun taal en hun godsdienst. [26] De taal, het Noefoorsch, dat van
+de Oostkust van Halmaheira tot het eiland Japen in de Geelvink-Baai
+wordt gesproken, kent woordvorming door een soort reduplicatie; de
+godsdienst heeft nog een verdwijnend spoor van monotheïsme; een gebed
+tot een oppersten God wordt nog hier en daar uitgesproken.--Overigens
+zijn de Geelvinkbaaiers zoo goed als Marindineezen en "Naakte Papoea's"
+echte wilden, die van letter- en cijferschrift noch munt weten, geen
+eigenlijke werktuigen kennen en maar bitter weinig van landbouw, en
+leven van jacht en visscherij; terwijl zij, even goed als die anderen,
+koppensnellers zijn. Het onderscheid zit meer in een toch zachtere
+zede, een frisscher lichaamsgesteldheid en een vroolijker karakter.
+
+Het voorvaderlijke bedrijf, waar ook de Noefoor nog met hart en
+ziel aan is gehecht, is de jacht; zijn visscherij is eigenlijk óók
+jacht. Zooals hij met een speer naar een kangoeroe of naar een wild
+zwijn werpt, zoo werpt hij ook met een speer naar schildpadden of
+naar visschen. Geen van allen zijn het gevaarlijke dieren, waarop
+hij jaagt; er zijn er geen in Nieuw-Guinea met uitzondering alleen
+van het wilde zwijn, dat hij ook dikwijls probeert te dooden met een
+springlans: een scherp gepunte stok, door een strik zóó gebogen, dat
+als het dier in den strik geraakt, de lans, uitschietend, hem in het
+lichaam treft. Het komt misschien door die afwezigheid van gevaar en
+van de noodzaak bijgevolg, om vastberadenheid en moed te ontwikkelen,
+dat de Papoea nogal laf is. Zijn vechten gaat meest met den mond. En
+de koppensneller valt van achteren aan.
+
+Aan landbouw is hij moeilijk te krijgen, niettegenstaande alle
+pogingen van de zending op Zuid- en Noordkust en van het binnenlandsch
+bestuur. Hij doet, als het niet anders kan, het allergrofste werk
+in de tuinen: het kappen van een boom, het uithalen van wortels of
+steenbrokken; voor het overige laat hij zijn vrouw zorgen als, nog
+niet zoo lang geleden, zijn slaaf.
+
+Tot voor korten tijd hield de geheele kust slaven. Dikwijls waren
+dat gevangenen uit de oorlogjes, die ieder dorp altijd door tegen
+zijn buur-dorpen voerde; dikwijls ook waren zij als kinderen van hun
+bloedverwanten voor slaaf gekocht; met weezen was zulk een verkoop
+en aankoop iets algemeens. Bij den dood van den vader ontlastte de
+familie zich op die wijze van de kinderen, voor wie zij anders had
+moeten zorgen.
+
+Op de hoofdplaats zelf van het district, den zetel van het bestuur,
+is zoo iets pas gebeurd, wat eerst na lang onderzoek aan het licht
+kwam. Een Papoea was 's nachts op koeskoes [27] gaan jagen. In het
+donker zijn speer werpend naar de plek waar hij iets hoorde ritselen,
+trof hij doodelijk een kind. De familie was een machtige, die een jaar
+of wat geleden zeker leven voor leven genomen zou hebben. Zij voegde
+zich nu naar de nieuwe wet en verklaarde genoegen te willen nemen met
+een geldboete. Er werd niets meer van de zaak gehoord en zij scheen
+geschikt, toen het uitkwam, dat de boete die inderdaad was betaald,
+niet geld was, maar een kind, dat aan de familie van het vermoorde
+was gegeven voor slaaf. Het bleek uit een bergdorp gehaald en het
+kind van een weduwe. Om den last van de opvoeding niet te dragen
+(men hoort hier véél van dien last, maar ziet er niets en begrijpt er
+nog minder van), hadden de bloedverwanten van den overleden vader het
+jongetje toen maar voor slaaf verkocht, terwijl zij de moeder opnieuw
+uithuwelijkten. Het bevel om het kind terug te geven aan de moeder en
+in zijn plaats geld aan te nemen, verwekte een hevige ontevredenheid
+en bedreiging met opstand. Ten slotte echter schikte de beleedigde
+familie zich, en het kind kwam bij de moeder terug.
+
+Overigens, de slavernij was van oudsher al geen harde hier. De slaven
+werden als leden van het gezin beschouwd, in den dagelijkschen
+omgang. Daarvandaan dat de taak van hun bevrijding een zoo te
+eenenmale ondankbare was. In de Noefoorsche sprookjes, door Van
+Hasselt verzameld en vertaald, heeft men een aardig spiegelbeeld van
+het leven, dat heeren en slaven te zamen leidden. Altijd, als een
+kleine jongen gaat visschen in zijn prauw, is zijn slaafje bij hem,
+als zijn vrindje en kameraad. Ernstige vragen bespreekt een meester
+met zijn ouden slaaf en neemt zijn raad wel aan ook. Een vrouw zit
+bekommerd over het lange wegblijven van haar man, die op een verre
+reis is; haar slavin komt binnenloopen. "Wees niet langer bedroefd,
+hij is terug, onze heer! Ik heb zijn prauw gezien in de verte!" Aan
+alle feesten van het gezin hebben de slaven deel. En met zijn meester
+gaat de slaaf op jacht, als een paar vroolijke makkers.
+
+Het is aan het dorp van den Noefoor goed te zien, dat hij een jager is,
+een zwerver, een eenzelvig mensch die geen nòg zoo geringen dwang of
+regel kan velen: er is geen muur of greppel of haag of wat voor soort
+omheining dan ook om zulk een gehucht. De hutten staan her en der, zoo
+en wáar als de bouwer heeft goed gevonden ze te zetten. Niet anders is
+het met zijn bestuur. Eigenlijk is er geen, behalve daar waar invloeden
+van buiten af hebben ingewerkt. Alléen aan zijn familiehoofd bewijst
+hij een zekere mate van eerbied en volgzaamheid. Hij houdt zich ook bij
+dat hoofd wanneer hij in het dorp van een ander geslacht gaat wonen. De
+familie-organisatie, de oudste, is de alleén sterke, die door latere,
+zwakkere, (uitheemsch van oorsprong), heenbreekt. Het volk is nog niet
+gekomen tot een meer omvattend verband; het heeft de soort arbeid die
+daartoe opvoedt, nog niet verricht. Aan zijn familie-hoofd brengt de
+Noefoor ook nu en dan schatting: niet dikwijls en niet veel; maar toch:
+schatting. Aan het "vreemde" dorpshoofd niet. Toen de nieuw-ingevoerde
+belastingen geïnd zouden worden door de dorpshoofden, die het bestuur
+bij de organisatie van Noord-Nieuw-Guinea had aangesteld, bleek dàt
+de moeielijkheid. "Wij willen ons zweet niet aan vreemden geven!" Wie
+ooit een Papoea in zijn doen en laten,--in zijn láten vooral,--heeft
+waargenomen, zal dat Papoeasche "ons zweet" verhollandschen met
+"het zweet van onze vrouwen." Maar de bedoeling is duidelijk genoeg:
+zij willen dat het zweet in de familie blijft.
+
+De familie zoo hoog waardeerend, is de Papoea natuurlijk ook zeer
+trotsch op geboorte en bloedverwantschap. Zijn hoogste roem is te
+behooren tot een geslacht van vrijen, die van ouder tot ouder vrijen
+geweest zijn en met slaven noch hun afstammelingen zich vermengd
+hebben. Fier zal een "edelman" zeggen: "Ik heb geen droppel lood
+in mijn bloed, het is alles puur zilver en goud!" Een familiehoofd
+wordt enkel uit zulk een geslacht gekozen. Een oudste zoon--daaraan
+verandert de meest vriendschappelijke verhouding niets--mag nooit
+met een slavin trouwen.
+
+In dorpsvergaderingen zal een man, die "lood in zijn bloed heeft,"
+bescheiden moeten zijn. Bij een op den voorgrond plaatsen van zijn
+opinie krijgt hij allicht te hooren, dat meepraten aan een afstammeling
+van slaven niet betaamt. Eén uitzondering alleen is op dien regel:
+wanneer een kinderloos paar een slavenkind aanneemt voor eigen. Dat
+gebeurt met een curieuze ceremonie, die zweemt naar het ritueel van
+den Christelijken doop: uit een schaal, waarin een of ander gouden
+voorwerp ligt, wordt "goudwater" over het slavenkind gesprenkeld,
+terwijl het een nieuwen naam krijgt. Zoo wordt de smet van zijn
+lage afkomst van hem afgewasschen en hij opgenomen in de nieuwe
+familie-gemeenschap. Niemand durft hem later slaafsche geboorte
+verwijten: hij is de erfgenaam van den "adel" zijner pleegouders. [28]
+
+Er is, officieel, geen slavernij meer tegenwoordig; maar met de
+instelling kunnen niet tegelijk de gevoelens, die uit haar zijn
+opgegroeid, afgeschaft worden. De vrije Papoea, die de zoon van vrijen
+is, minacht den vrijen Papoea, die de zoon is van onvrijen. Dat is
+op een verbijsterende wijze aan den dag gekomen bij de invoering van
+het onderwijs. Op de scholen gingen de pleegkinderen van de zending,
+weesjes, geroofde kinderen, slaven-kinderen ook. En dat maakte,
+dat de hoofden de hunne er van weghielden in het begin. "Waar het
+kind van een slaaf onderwezen wordt, daar kunnen ònze kinderen niet
+onderwezen worden."
+
+Klassegevoel als een belemmering voor de beschaving onder wilden,
+dat is iets waar men, als Europeaan, niet vanzelf op verdacht zou zijn.
+
+
+
+Bij het zwervende leven dat van oudsher de Papoea geleid heeft,
+komt de verzorging van het gezin geheel en al, de kostwinning bijna
+geheel en al neder op de thuis blijvende, op de vrouw. Zij is het die
+den last draagt waarover hij zoo kan klagen. Zij werkt in de tuinen,
+ze plant de groenten en de maïs, ze draagt op haar rug de zware vracht
+van den oogst naar huis; langs het strand en op de koraalriffen zoekt
+zij schelpdieren en krabben, 's avonds kan men haar tegenkomen met een
+walmig bamboe-toortsje, bukkend langs den rand van het strandbosch om
+de slakken te zoeken waarmee als aas gehengeld wordt. Te Fakfak gaat
+zij met de prauw de zee in, en schiet met pijl en boog op de visch. De
+verkenningstroepen, die het binnenland achter de Humboldtsbaai in
+gingen, zagen in het Sentani-meer vrouwen naar visch duiken, als
+watervogels drijvend met de armen over een bamboe, dien ze loslieten
+als zij in de diepte een visch zagen. Is er damar te halen in de
+streek, fossiele, die opgegraven wordt uit den alouden woudgrond, of
+levende die van de stammen kan geschraapt, dan zijn het de vrouwen die
+hem gaan halen, in prauwen die zij zelven roeien. Natuurlijk zorgen zij
+voor het eten, en voor het vuur waarop het gekookt wordt, en voor de
+brandstof voor dat vuur. In Fakfak zorgen zij zelfs voor den bouw van
+het huis: dak-dekken is daar vrouwenwerk. Als vanzelf spreekt is ook de
+verzorging van de kinderen haar taak; zooals de Papoea het uitdrukt:
+"Zij zijn er om voor onze kinderen te zorgen." En waar kleeren van
+boombast gedragen worden zijn zij het die den bast moeten weeken en
+dun kloppen. (Weven echter doen zij niet. Zij hebben den stap nog niet
+gedaan die van knoopen tot weven leidt: de uitvinding van het werktuig,
+om den arbeid te verrichten, voor de menschelijke hand te fijn. De
+geweven kleeren die de Papoea's beginnen te dragen, zijn import,
+meest Europeesche, door de vogelhuiden-opkoopers het land ingebracht.)
+
+Voor den Papoea is het dus zaak te trouwen, dat er behoorlijk voor hem
+gezorgd en gewerkt wordt wanneer hij er op uitgaat, de kangoeroe's en
+de wilde varkens achterna, of de Paradijsvogels of de visschen. En
+omdat vrouwen schaarsch zijn--alle berichten stemmen overeen op dit
+punt van de groote minderheid in getallen van de vrouwen onder de
+Papoea's--moet hij, of zijn familie, bij de pinken zijn om er bijtijds
+een te krijgen.
+
+Allerwonderlijkst komen hier de verwarde dooreengroeisels te zien van
+ouder en nieuwer in het volksbestaan van den Papoea; overblijfsels
+uit den tijd dat hij nog in een stamverband geleefd moet hebben,
+en de jongelingen van den eenen stam hun vrouw gingen rooven uit
+den anderen, zitten dooreengestrengeld en verknoopt met manieren en
+berekeningen, zooals hij er geleerd kan hebben van de huidenhandelaars
+uit den ouden tijd, uitgeslapen Ternataansch en Ceramsch volk. De
+voorvaderlijke wijs van huwelijksluiting is de schaking; en zij geldt
+nòg. Maar de algemeen-gebruikelijke is een schikking tusschen twee
+families, die wèl beschouwd niet anders is dan een koop en verkoop
+van de wederzijdsche kinderen, waarbij de voorwaarden van betaling
+en levering allernauwkeurigst zijn bepaald. Daar vrouwen een artikel
+zijn, meer gevraagd dan aangeboden, zorgt de bruigoms-familie vroeg
+er bij te zijn. Kinderverlovingen komen véel voor. "We leggen de
+prauw maar vast voor anker, anders mocht ze eens wegdrijven," zegt
+de voorzienige bruigoms-familie dan. Van het oogenblik af dat de
+twee gezinnen het éens zijn geworden, wat niet gebeurt dan na een
+schijnvertooning van onwil door de familie der "bruid," beginnen zij
+over en weer met het bijeenbrengen van den bruidschat, die voor een
+gedeelte later aan het jonge paar komt om er hun huishouden mee op te
+zetten en voor de rest een wederzijdsch geschenk van de twee families
+aan elkander is. De giften gaan van de eene familie naar de andere
+gelijk op, en er wordt met de grootste zorg door elk der twee gewaakt
+dat niets meer gegeven worde dan terugontvangen. Het boekhouden gaat
+bij middel van stokjes, die in bundeltjes bijeen worden gebonden. Dìt
+beteekent: een visch gegeven; dàt: een bos pisang; dit andere weer:
+geholpen met sagokloppen, of meegeroeid in de boot; want ook diensten
+en handreikingen worden beschouwd als betaling, toegebracht aan den
+bruidschat. Vandaar groote moeilijkheden, als de zaak ten slotte
+toch niet doorgaat, omdat een der twee, volwassen, plotseling een
+eigen wil toont en een ander kiest, als in den laatsten tijd nog al
+eens, en zelfs hoe langer hoe meer, voorkomt. In dat geval moet de
+gecompliceerde rekening uiteengehaald met vergelijking van stokjes
+en bundeltjes, en een "schande-prijs" betaald worden--want ook de
+aangedane beleediging kan in materieele waarde worden omgezet--aan
+de teleurgestelde familie.
+
+Dit is alles zoo zakelijk mogelijk. Maar door de handelsgewoonte
+heen komt plotseling de oude zede weer te voorschijn in het verbod
+aan verloofden, hoe jong ook, om elkander te ontmoeten; in het gebod
+aan den jongen, om zich voor alle leden van zijn meisjes familie te
+verschuilen, wáár hij er ook een tegenkomt; en in de wijze waarop
+het trouwen van het aan-elkander-gekochte paar wordt gevierd, met de
+dramatische vertooning van een roof en daarvoor genomen weerwraak. Als
+had de bruidegom hun bloedverwante geroofd, gaan de jonge mannen uit de
+familie van het meisje in een dreigende bende naar zijn huis--of wat
+op dien dag daarvoor geldt--en breken het uit weerwraak tot den grond
+toe af, door met stokken ernaar te gooien, dat geen spaander aan den
+anderen blijft. De bruigom verschijnt op den splinterhoop en biedt,
+als boete, aan ieder der beleedigden een geschenk, dat tegenwoordig
+bestaat uit een mes--een gewoon Hollandsch keukenmes met rood houten
+heft is het gewilde soort. Die uitgave moet de bruigomsfamilie zich
+getroosten, en zij loopt dikwijls hoog genoeg op. Het gebeurt wel, dat
+een paar honderd wrekers van maagdenroof een huis komen afbreken. Maar
+de kosten van wederopbouw heeft de familie althans niet. Het huis is
+ook maar een voorstelling, een theaterhuis, om het zoo uit te drukken,
+geheel waardeloos en van te voren voor de vernieling aangewezen. Het
+is dan, òf een geheel vervallen krot, òf een huis, verlaten omdat
+daarin iemand gestorven is (wanneer een huis verlaten móet worden);
+òf, ook wel, een nieuw, dat niet betrokken mocht om dat er, in den
+eersten nacht toen de bouwer er voor proef ging slapen, gekraak in is
+vernomen, wat de aanwezigheid kenbaar maakt van een boozen geest. Van
+zulke waardelooze huizen zijn er altijd genoeg in elk dorp. Zoo wordt
+de schade, die de wildeman zou willen aanrichten, vernuftiglijk door
+den koopman ondervangen. En 't is eere gewaard en kosten gespaard
+bij het bruilofts-drama.
+
+De affaire wordt voortgezet: het jonge paar betrekt met het toegewezene
+deel van den familiebruidschat een kamertje in het huis van de
+bruidegoms-ouders. Van nu af is alle voordeel aan den kant van deze
+laatsten. Zij hebben een zoo goed als niet betaalde werkkracht in huis
+gekregen. Zij wordt behoorlijk uitgebuit. Zelfs het moederschap wordt
+beschouwd als een dienst aan den man en zijn familie. De moeder-zelve
+heeft geen rechten op haar kinderen: enkel plichten tegenover hen als
+tegenover het eigendom van haar man en zijn familie, wier eigendom zij
+zelve is. "Wij trouwen om kinderen te hebben, en de vrouwen zijn er
+om voor onze kinderen te zorgen." Zoo neemt de Papoea de verhouding
+op. Als het ongeluk wil dat tijdens afwezigheid van den vader een
+kind ziek wordt en sterft, dan zal hij dat zeker met een mishandeling
+wreken aan de schuldige moeder die zijn eigendom heeft verwaarloosd.
+
+Dit belet hem niet het recht van den eigenaar uit te oefenen, om
+zich van een bezit, dat hem bezwaarlijk valt, te ontdoen. Wanneer hij
+vindt, dat het huisgezin te talrijk wordt, zoodat hij wel eens voor
+de noodzaak kon komen te staan "hard te moeten werken om allen te
+voeden," en wanneer "de last van het kinderen grootbrengen" hem dan
+te zwaar lijkt voor zijn zwakke krachten, mag hij een kind ter dood
+brengen. In de Hollandiabaai moet dit véél voorkomen. En er wordt
+zelfs gezegd, dat uit angst voor den toorn van den man, rampzalige
+moeders zelven hun pas-geborenen vermoorden. Langs de Geelvinkbaai,
+waar de toestanden in alles gunstiger zijn en de zeden ook zachter,
+hoort men niet dan zelden van kindermoord.
+
+Bij de nieuwe huwelijkswetgeving voor Christenen afgekondigd, worden
+de vrije keuze van jongen man en jong meisje tegenover familie-dwang,
+en de rechten van de moeder op haar kind gevrijwaard. Om dit laatste
+is zij door de mannen met grooten onwil vernomen. Maar al mokkende
+en dreigende schikken zij zich toch, zooals zij mokkend en dreigend
+zich geschikt hebben in het verbod van slaven halen en het verbod
+van koppensnellen. En misschien hebben de verstandigsten het al
+ingezien, dat ook deze nieuwe beperking van hun "rechten" ten slotte
+een bevordering van hun welzijn is.
+
+
+
+In den strijd dien koopman en wildeman, voeren om het hart van den
+Papoea, is de koopman aan de winnende hand; hoezéér, dat komt te zien
+in de Papoeasche opvattingen omtrent recht en rechtvaardigheid. De
+wildeman laat zijn schorren schreeuw nog hooren: wond voor wond, bloed
+voor bloed, leven voor leven! Maar de koopman dringt al verder door met
+zijn nuchtere beschouwing, dat ten slotte toch niemand veel heeft aan
+bloed en dat eigen bate beter is dan vijands schâ, en een ronde boete
+wèl zoo veel goed maakt als een afgezaagd hoofd. Hij heeft het gedaan
+gekregen dat het denkbeeld: geleden onrecht om te zetten in voordeel,
+werd toegepast op een heele reeks vergrijpen, van de ernstigste tot de
+lichtste. Voor het verbreken van trouw, hetzij voor het huwelijk of er
+na: boete. Voor een wond in drift geslagen: boete. Voor een leeggeroofd
+veld: boete. Voor een onbeleefdheid: boete. Van "vergeten en vergeven"
+geen quaestie; er wordt niets doorgehaald in de rekeningcourant die
+iedereen met iedereen anders heeft, de vriend met den vriend zelfs,
+de broeder met den broeder, de man met de vrouw. Maar van "nadragen"
+ook geen quaestie: er wordt niets dubbel opgeschreven. Aan den eenen
+kant van het kasboek de beleediging; aan den anderen de boete; en
+volgens vast tarief--een tarief zonder veel vijven en zessen,--waarop
+niets wordt afgedongen en waarbij ook niets wordt overvraagd. Wie
+ruzie heeft gemaakt en weer vrede wil hebben, komt aandragen met zijn
+boete. Nu, dan krijgt hij ook vrede. Alles is in orde.
+
+Tot deze eerste halte op den weg uit het oerwoud naar de stad nog
+in verten achter den horizont verborgen, de halte waar al zoovele
+volkeren, als nu in de steden wonen, hun legerplaats gehad hebben,
+is de Papoea uit eigen krachten gekomen. Maar daar staat hij nu en
+kan niet verder, omdat de wildeman hem met zijn rooddruipende vuisten
+vastgegrepen houdt, schreeuwend om "leven voor leven." Voor doodslag
+neemt hij nog geen boete aan, wanneer hij niet gedwongen wordt.
+
+Pas nu, hier aan de Geelvink-baai, dicht bij de hoofdplaats Manokwarie,
+zijn twee voorvallen gebeurd waaruit ook de buitenstaander, wiens
+waarneming niet anders dan oppervlakkig zijn kan, een begrip kan
+winnen omtrent de kracht die dat idee nog in den Papoea heeft. De
+gevallen zijn te merkwaardiger om de rol die het geestelijke er
+in speelt. Dit is het eerste. Een man van Andy wenscht te trouwen
+met een weduwe uit zijn dorp. Het familiehoofd geeft toestemming,
+onder voorwaarde dat de geest van den overleden echtgenoot verzoend
+wordt door een menschenoffer. Gewillig gaat de vrijer heen, ziet
+een vrouw aan het strand die schelpen zoekt en slaat haar dood. Haar
+familie eischt leven voor leven. Maar daar Andy een dorp is, sterker
+dan het hunne, verzinnen zij een list tegen een ander waarmee zij
+bevriend zijn, lokken acht mannen in een hinderlaag en vermoorden
+hen. Nu is het de zaak van dat dorp om het met Andy uit te vechten:
+en de reeks van sluipmoorden uit wraak en weerwraak kon tot in het
+oneindige voortgezet worden als "de Kompenie" het niet stuitte. Het
+oorspronkelijk-beleedigde dorp kan daar buiten blijven: aan zijn
+verplichting is voldaan, het heeft leven voor leven genomen. Het
+waren onschuldige levens. Dat doet er niet toe.
+
+Dit is het tweede geval. Een deputatie mannen uit een kustdorp komt
+bij het bestuurshoofd behoorlijk verlof vragen tot doodslag. Er is
+een man in hun dorp gestorven die toch nog niet oud was: dus is hij
+gedood door toovenarij. Een droom, door den vriend van den doode
+gedroomd terwijl hij in het open graf naast het lijk sliep, heeft
+den moordenaar kenbaar gemaakt. Nu komen de bloedverwanten om zijn
+hoofd. De verbittering was groot, toen zij in plaats van het gevraagde
+verlof den raad kregen op hun beurt den toovenaar te betooveren tot
+de dood er op volgde. (Wat in 't voorbijgaan opgemerkt, wel lijkt
+te bewijzen dat zij toch zoo steevast niet meer waren in het geloof
+aan de kracht der toovenarij; en voor alle zekerheid maar liever een
+aangescherpte bamboe-lat namen.) Zonder de vrees voor "de Kompenie"
+hadden de bloedwrekers triomfen gevierd langs de Geelvink-baai. Zooals
+het nu is hebben zij het bij morren moeten laten. Misschien duurt
+het morren niet eens lang. Er zijn er altijd wel enkele onder de
+malcontenten die, niettegenstaande alle tegenstribbelen, ten slotte
+toch eigenlijk wel geholpen willen worden om los te komen uit den
+greep van den wildeman. Anders zouden wij het niet zoo dikwijls hooren
+en zien, dat Papoea's hulp en raad komen vragen bij den Westerling
+en dat ambtenaren, zendelingen van beide gezindten en leiders van
+verkenningstroepen die het wilde binnenland ingaan, met vreugde worden
+binnengehaald in de dorpen.
+
+
+
+De sombere fantasie waaruit het geloof aan toovenarij is opgegroeid,
+het koppensnellen om aan een kind een naam te kunnen geven, en de
+verwordingsellende op de Zuidwestkust, heeft een tegenhanger in een
+allerliefelijkste: tegenover den zwarten schrik van het oerwoud, zijn
+geuren, zijn vogelgezang en zijn schijnsel van zon en maan. Veel er
+van is al--helaas, maar hoe kan het anders?--verdwijnende. Alleen
+bij overlevering weten wij nog van den maneschijndans der vrouwen
+en hun gezang als de mannen verre zijn op hun reis. "Deze maan die
+wij zien is dezelfde die onze mannen zien, ginder in de verte." [29]
+En hoeveel moet er al verloren zijn gegaan waarvan wij niets weten!
+
+Maar veel is toch nog over. Op dezen dag nog halen de Noefooren
+van de Geelvink-baai den jongeling die zijn eerste reis naar "het
+Buitenland" heeft gedaan, naar het eiland in het Rijk der Vier Radja's,
+Salwatti, bij zijn terugkomst in met het aloude gezang van den held,
+terugkeerende met het takje thijm in de hand, de plant die enkel op
+Salwatti groeit; en zij hangen aan de triomfbogen waardoor zij hem
+heen leiden, afbeeldingen van de maan, vriendelijke gezellin der
+zwervenden. Nog dansen de vroolijke jonge meisjes den bamboe-dans,
+waarbij jonge mannen twee op den grond liggende bamboestangen op
+de maat van koorgezang tegen elkander slaan, en de danseres haar
+vlugge voeten rept daartusschen en daarnaast, dat niet een enkele
+slag haar enkels treft. Nog worden de oude sprookjes verhaald van
+den reus Uri, den oolijken bedrieger, lievelingsheld van den Papoea,
+van den stoutmoedigen Boeginees die in het onderaardsche hol den
+monsterlijken duizendpoot aandurfde om zijn twee oogen van louter
+goud; van de blondlokkige schoone in de Tritonschelp, en den jongen
+held die haar vond, en won voor vrouw; van den verwachten Leider
+van alle Papoea's, die toovermacht verkreeg van de Avondster toen
+hij haar ving in zijn klapperboom waar zij aan den koker vol zoet
+bloemensap nipte. [30] Op dezen eigen dag nog viert de stam der
+Marindineezen het Majo-feest, in dans, gebaar en plechtigheid de
+geschiedenis voorstellend van het volk, zoo als het in nog dierlijke
+gedaante aan de groote moeder van alle leven, de Zee, ontstegen,
+van dieren, elementen en geesten vriendschap en hulpbetoon ontving
+ter mensch-wording. [31] Nog zingen op feestnachten de mannen van
+de Zuidkust vierstemmige gezangen in koren van honderden, te zamen
+gezeten aan het strand van de ster-lichte zee. De eilanders die te
+Wakdee aan boord van ons schip kwamen en er een tifa vonden staan,
+grepen de groote trom en begonnen op de maat van haar diep-dreunende
+slagen een dans van de jacht, met de buiging naar den grond die het
+spoor zoekt van den kasuaris, en met den snellen armzwaai die den
+vluchtenden vogel vèr heen de speer na zendt.
+
+Dans, feestelijk koorgezang, sprookje dat natuurmacht herschept tot
+mensch, ons eigen ras kende ze in dien verren tijd toen het nog een
+kind was zooals nu het Papoea-ras een kind is. Wij waren eens wat
+zij nu zijn.
+
+Op vele plaatsen in Indië komt den Westerling die gedachte tegen,
+bij de waarneming van veler rassen gebruiken en gedragingen. En het
+wordt hem dan te moede soms of hij in stede van ruimten te doorreizen,
+tijd heeft doorreisd, voor mijlen, eeuwen. En of verschil in leeftijd
+de verklaring ware van alle ander verschil tusschen blanke rassen
+en bruine.
+
+Het broederlijk gevoel verwelkomt die gedachte, Zij brengt zulke
+zekerheid van, over alle tegenwoordige dingen heen, in de toekomst,
+een allerschoonst geluk.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+
+  Pag.
+AANKOMST:
+
+ Sabang op Poeloe-Weh 7
+
+
+JAVA:
+
+ Van Tandjong Priok naar Djombang 15
+ In het Dorp 21
+ Rijstoogst 41
+ Sultans Land 47
+ Suikerland 69
+ Armoeland 80
+ Djokjasche Landheeren 91
+ Madjawarna 102
+ Een bevloeiïngswerk 122
+
+
+BALI:
+
+ Singaradja 133
+ Een wijk van de stad 140
+ Rijst en rijstbouwers 150
+ Balische vrouwen 157
+ Goesti Djilantik 167
+ Bali als het land van Goden en Geesten 178
+ Het verleden op Bali en de toekomst 191
+
+
+BORNEO:
+
+ Eerste indrukken van Borneo 203
+ Stroomopwaarts het binnenland in 211
+ Oude en nieuwe dingen in een centrum van
+ inlandsche nijverheid 223
+ Een centrum van inlandschen handel 230
+ Langs de Barito 238
+
+
+SUMATRA:
+
+ Aankomst te Medan 247
+ Tabak in Deli 254
+ Tabak en Tabakkers 263
+ Naar de Bataksche hoogvlakte 283
+ Onder de Karo-Batak 291
+ Westkust van Sumatra 307
+ Nieuwe ontwikkelingen ter Westkust van Sumatra 326
+ Europeesche ondernemingen op de Westkust.--Een Theetuin 338
+ Europeesche ondernemingen op de Westkust.--Een Goudmijn 347
+
+
+CELEBES:
+
+ Makassar 355
+ Door de Paré Paré en Boni.--De Meeren 360
+ Pampanoea en Watampone 378
+
+
+MOLUKKENREIS:
+
+ Ambon 401
+ Banda 415
+ Ceram 422
+ Van Boeroe tot Ternate 428
+
+
+NIEUW-GUINEA:
+
+ Naar het land van de paradijsvogels 441
+ Beoosten Kaap d'Urville 452
+ Chineesche winkels 459
+ Fakfak 465
+ Merauke 474
+ Langs de Geelvinkbaai 480
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Handboek van Insulinde, door D. van Hinloopen Labberton,
+f 9,738,000.
+
+[2] Verslag van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Soerabaja
+over het jaar 1910.
+
+[3] De Hollander betaalt ook in geld: nl. voor al zulke
+landbouwverrichtingen als niet begrepen zijn in de oorspronkelijke
+contracten. Deze zijn gesloten in een tijd toen cultuur-methodes
+veel eenvoudiger waren dan tegenwoordig. Er wordt dus voor allerlei
+werk--herhaald bemesten, bijvoorbeeld--bij betaald. Dit o. a. maakt
+dat de arbeider op Hollandsche ondernemingen er beter aan toe is dan
+die in Javanen-dienst.
+
+[4] Kalff. Indische Gids, 94 en 97. Aangehaald bij Clive Day "The
+Policy and Administration of the Dutch in Java."
+
+[5] Woordenboek van Nederlandsch-Indië: Vorstenlanden, door Rouffaer.
+
+[6] Ik grijp de gelegenheid aan om voor de inrichting in Holland de
+hulp te vragen die Indië haar niet geven kan: wetenschappelijke. De
+bibliotheek heeft erg gebrek aan nieuwe medische literatuur. Zouden
+heeren artsen en uitgevers hier niet eens willen helpen?
+
+[7] De Zendingseeuw voor Nederlandsch Oost-Indië: VI Het Nederlandsch
+Zendelinggenootschap 261.
+
+[8] Woorden van een Christen-Javaan, aangehaald in de Mededeelingen
+vanwege het Nederlandsche Zendelinggenootschap. Verslag omtrent den
+werkkring Madjawarna in 1910, blz. 134.
+
+[9] Zendingseeuw etc. p. 255.
+
+[10] t. a. p.
+
+[11] De drie kasten zijn in afdalende rij, die der Brahmanen, die der
+Ksatrya, die der Wessya. De leden der Triwangda hebben nog enkele
+historische voorrechten op de gemeenen, de Kaoela. De Ksatrya zijn
+zoo goed als verdwenen en de Wessya nemen hun plaats in.
+
+[12] W. R. van Hoëvell. Reis over Java, Madura en Bali in het midden
+van 1847. Deel III blz. 45 en vlg.
+
+[13] De eigenlijke naam van de door Hollanders dikwijls Dèn Pasar
+genoemde plaats.
+
+[14] De plant wordt zoo genoemd om de gelijkenis van haar rozig-paarsen
+bloemtros met dien van de hyacint. Ik zag slechts een enkel exemplaar
+in bloei.
+
+[15] Hierbij is er veel, die niet in de zon, maar boven vuur gedroogd
+is, wat ik, persoonlijk, te Kendangan niet zag geschieden.
+
+[16] Javanen, naar den hadji-titel begeerig doch van den Mekka-tocht
+afkeerig, gaan naar Penang om zich den schijn te geven van den tocht
+te hebben volbracht en keeren na enkele weken, als van Mekka komend
+terug. De bron waaruit schrijfster dezes putte geeft geen zekerheid
+omtrent de vraag of de planter met zulke namaak-hadji's te doen had,
+of met toevallig onder weg opgehouden echte.
+
+[17] Het Rekest en Betoog der Deli Plantersvereeniging aan
+den G. G. van Ned. Indië naar aanleiding van het ontwerp van
+mr. v. Blommestein noemt als het getal der tot 1910 toe opgerichte
+maatschappijen 125 met een gezamenlijk kapitaal van ruim 104 millioen.
+
+[18] Reizigers 2,314,994 in 1911 tegen 823.860 in 1901.
+
+Vrachtgoederen 429,653 ton in 1911 tegen 205.577 ton in 1901.
+
+Rapport van den hoofdadministrateur aan den resident ter Oostkust
+van Sumatra.
+
+[19] Mr. H. J. Bool. Arbeidswetgeving in de Residentie Oostkust van
+Sumatra: blz. 13, noot.
+
+[20] Niet met de letter van de wet; maar volgens de uitlegging die
+zoowel werkgevers als werknemers er altijd aan gegeven hebben. Van
+Ned.-Indische koelies werken alléén Javanen in contract.
+
+[21] Volgens een officieele mededeeling in Engelsche vertaling
+aangehaald op blz. 45 van het "Rekest en Betoog der Deli
+Plantersvereeniging aan den G. G. van Ned.-Indië naar aanleiding van
+het ontwerp Blommestein," waar tevens vermeld staat "dat de toestanden
+op Banka door meer toezicht veel verbeterd zijn."
+
+[22] Belasting in geld: progressief van 2 1/2 % voor een inkomen
+per gezin van f 50 in 't jaar tot 4 1/2 % voor een inkomen van f
+ 630 en daarboven. Heerendiensten 40 dagen per jaar als maximum: 4
+daarvan zijn voor de hoofden. Bij wegenarbeid wordt de nacht op het
+werk doorgebracht gerekend voor 1/2 dagarbeid, in de practijk is het
+maximum 24.
+
+[23] De drie andere gevallen zijn: als er geen geld is voor de
+begrafenis van een lid der familie, geen geld om het begonnen
+familiehuis af te bouwen, geen geld om een schuld bij hanengevechten
+aangegaan, te voldoen, voor het geval de verliezer een "penghoeloe,"
+een dorpshoofd is.--De bruidschat is soms verkeerdelijk voorgesteld
+als de "koopsom" van den man.
+
+[24] Vertaling van Veth "Insulinde."
+
+[25] Zie Van Hasselt: Noefoorsche Sprookjes.
+
+[26] M. Müller leidt deze stelling uit de taal af; uit den godsdienst
+van Hasselt, wiens vertaling van Noefoorsche sprookjes hier al
+meermaals is aangehaald, en van wien ook afkomstig zijn de hieronder
+volgende mededeelingen omtrent het gezinsleven, den godsdienst en de
+feesten der Noefooren.
+
+[27] Een klein nacht-dier, een buidel-drager.
+
+[28] Mondelinge mededeeling van v. Hasselt, zendeling te Manokwarie.
+
+[29] Volgens mondelinge mededeelingen van Van Hasselt, zendeling
+te Manokwarie.
+
+[30] Noefoorsche sprookjes, vertaald door Van Hasselt.
+
+[31] Jos Viegen, M. S. O. pastoor te Merauke in het tijdschrift
+v.h. Kon. Ned. Aard. Genootschap, 15 Maart 1912.
+
+
+
+
+
+
+
+ AUGUSTA DE WIT
+
+ JAVA
+ FACTS and FANCIES
+
+ WITH 160 ILLUSTRATIONS
+
+ ROYAL 8o FL. 5.75 IN BEAUTIFUL BINDING
+
+
+Prologue.--First glimpses.--A Batavia Hotel.--The Town.--A colonial
+home.--Social life.--Glimpses of native life.--Native life in the
+streets.--On the beach.--Of Buitenzorg.--In the hill-country.--In
+the dessa.
+
+Recensie van HENRI BOREL in "De Gids":
+
+
+ "Toen ik dit heerlijke, weldadige, mooie, o! zoo mooie boek in
+ handen kreeg van Augusta de Wit, dacht ik, dat wanneer er nog
+ eens een paar schrijvers als deze opstonden, dan zou eindelijk
+ de hoop ontstaan een Nederlandsch-Indische literatuur te
+ krijgen, die door haar verfrisschenden, verreinenden invloed
+ het leven daar kon zuiveren van materialisme.--Ik meende
+ vroeger altijd dat het aan Indië zelf lag, dat het daar geen
+ land was om mooie dingen te zien en daar vreugdevol van te
+ schrijven. Maar nu is het gekomen! dit mooie boek heeft het
+ mij doen zien."
+
+
+Uitgave van: W. P. VAN STOCKUM & ZOON, Den Haag
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Natuur en Menschen in Indië, by Augusta de Wit
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUUR EN MENSCHEN IN INDIË ***
+
+***** This file should be named 28259-8.txt or 28259-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/8/2/5/28259/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/28259-8.zip b/28259-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..8e3aada
--- /dev/null
+++ b/28259-8.zip
Binary files differ
diff --git a/28259-h.zip b/28259-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..5741130
--- /dev/null
+++ b/28259-h.zip
Binary files differ
diff --git a/28259-h/28259-h.htm b/28259-h/28259-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..e56aef3
--- /dev/null
+++ b/28259-h/28259-h.htm
@@ -0,0 +1,9544 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>Natuur en Menschen in Indi&euml;</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Augusta de Wit">
+<meta name="DC.Creator" content="Augusta de Wit">
+<meta name="DC.Title" content="Natuur en Menschen in Indi&euml;">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+/* Standard CSS stylesheet */
+
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.advertisment
+{
+background-color:#FFFEE0;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3, .pseudoh3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4, pseudoh4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+color: white;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+
+.red
+{
+color: red;
+}
+
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.centertable
+{
+/* center the table */
+margin: 0px auto;
+}
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+
+.caps
+{
+text-transform:uppercase;
+}
+
+.fraktur
+{
+font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+
+.rm
+{
+font-style: normal;
+}
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+
+.poem
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsdisc { list-style-type: disc; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+
+
+
+
+
+/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+" */
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+p.dropcap:first-letter
+{
+color: #001FA4;
+font-weight: bold;
+}
+
+sub, sup
+{
+line-height: 0;
+}
+
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Natuur en Menschen in Indië, by Augusta de Wit
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Natuur en Menschen in Indië
+
+Author: Augusta de Wit
+
+Release Date: March 6, 2009 [EBook #28259]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUUR EN MENSCHEN IN INDIË ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="490" height="720"></div><p>
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><p class="aligncenter">Natuur en Menschen in Indi&euml;
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/titlepage1.gif" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="472" height="720"></div><p>
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">Nederlandsche Bibliotheek</h1>
+<h2 class="byline">Onder leiding van L. Simons</h2>
+<h2 class="docImprint">Boeken zijn de universiteit onzer dagen.
+<br>
+Uitgegeven door: De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur Amsterdam
+</h2>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/titlepage2.gif" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="480" height="720"></div><p>
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<h2 class="byline"><span class="docAuthor">Augusta de Wit</span></h2>
+<h1 class="docTitle">Natuur en Menschen in <span class="corr" id="xd0e132" title="Bron: Indie">Indi&euml;</span></h1>
+<h2 class="docImprint">Met 45 illustraties</h2>
+</div><div class="div1 advertisment"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p000.jpg" alt="" width="474" height="336"></div><p>
+
+</p>
+<p class="aligncenter">AUGUSTA DE WIT
+
+</p>
+<p lang="en" class="aligncenter">JAVA<br>
+<span class="smallcaps">FACTS and FANCIES</span>
+
+</p>
+<p lang="en" class="aligncenter">WITH 160 ILLUSTRATIONS
+
+</p>
+<p lang="en" class="aligncenter">ROYAL 8<sup>o</sup> FL. <b>5.75</b> IN BEAUTIFUL BINDING
+
+</p>
+<p lang="en"><i>Prologue.</i>&#8212;<i>First glimpses.</i>&#8212;<i>A Batavia Hotel.</i>&#8212;<i>The Town.</i>&#8212;<i>A colonial home.</i>&#8212;<i>Social life.</i>&#8212;<i>Glimpses of native life.</i>&#8212;<i>Native life in the streets.</i>&#8212;<i>On the beach.</i>&#8212;<i>Of Buitenzorg.</i>&#8212;<i>In the hill-country.</i>&#8212;<i>In the dessa.</i>
+
+</p>
+<p>Recensie van HENRI BOREL in &#8220;De Gids&#8221;:
+
+
+</p>
+<div class="blockquote">
+<p>&#8220;Toen ik dit heerlijke, weldadige, mooie, o! zoo mooie boek in handen kreeg van Augusta de Wit, dacht ik, dat wanneer er nog
+eens een paar schrijvers als deze opstonden, dan zou eindelijk de hoop ontstaan een Nederlandsch-Indische literatuur te krijgen,
+die door haar verfrisschenden, verreinenden invloed het leven daar kon zuiveren van materialisme.&#8212;Ik meende vroeger altijd
+dat het aan Indi&euml; zelf lag, dat het daar geen land was om mooie dingen te zien en daar vreugdevol van te schrijven. Maar nu
+is het gekomen! dit mooie boek heeft het mij doen zien.&#8221;
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p class="aligncenter"><span class="smallcaps">Uitgave van</span>: W. P. VAN STOCKUM &amp; ZOON, <span class="smallcaps">Den Haag</span>
+
+
+
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="body"><span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span><div class="div0">
+<h2 class="normal">AANKOMST</h2><span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span><div id="ch1" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Sabang op Poeloe-Weh</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>it rotsige eilandje dan, is de uiterste spits van Indi&euml;, de ver-vooruitspringende kaap van die wereld van bergen, te allen
+kant door zee omgolfd. Bij het flauwe wisselvallige schijnsel dat van maan en sterren uit een lucht vol drijvende wolken valt,
+zien wij het zwart en steil opstaan uit zee, een duister berggevaarte dichtbij, daarachter in wijden zwaai de verte in wijkend
+een baai, waarvan de heuvelige kust als een lager gezonkene, dichtere, donkerdere wolk tegen den hemel ligt. Een enkel groot
+licht schijnt uit die duisternissen. Is het een ster? is het een sein?
+
+</p>
+<p>Het schip streeft recht op de wijde baai toe. Van de brug af, waar ik sta, is het zonderling om te zien, die smalle wig van
+planken met de dunne lijnen van de reeling er om heen, en daarboven het als spinneweb zoo teer toonende takelwerk, dat licht
+op en neer beweegt tegen de sterrelucht; zoo smal, zoo broos, zoo fijn alles, midden door die geweldig golvende zee zijn eigen
+onnaspeurlijken weg houdend, recht op dien zwarten muur van rotsen aan, waartegen een enkele van die onafzienbaar lange golven
+het wel te pletter lijkt te kunnen slaan. En wat is dat ster-achtige licht nu, daar zoo ver?
+
+</p>
+<p>Plotseling vlamt een purperen gloed over de plecht, de <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span>brug, tegen mast en schoorsteenen omhoog. Twee matrozen zwaaien fakkels rood Bengaalsch licht, een op het dek, de ander hoog
+op den schuins omhoogstrevenden tentbalk, op de uiterste hoogste spits van het schip. In zijn beide, steil opgestrekte handen
+zwaait hij de fakkels hoog boven zijn hoofd. Wolken purperen licht en rook waaien uit die wervelende vlammenbronnen. Vuurrood
+staat de halfnaakte fakkelzwaaier met zijn steile armen en achterover geworpen hoofd, vuurrood de dicht opeengedrongen drom
+mannen, haastig uit het donkere diep van het schip naar boven gerend om den eersten blik op de Indische kust, vuurrood aan
+weerszij van die smalle wig menschen de zee, waar het schuim, in lange lijnen schuins wegstrevend van den boeg, bloost als
+een strooisel rozen. En, meteen, flikkeren, ontelbaar, lichtjes op uit die bergachtige duisternis vooruit en veranderen het
+gesteente in een woonplaats van menschen. Het Bengaalsche licht is het sein geweest, dat het naderende schip de mail aan boord
+heeft; nu haast alles in Sabang het tegemoet. Als wij aankomen staat de pier vol menschen. In het electrische licht schitteren
+de witgekleede Hollanders fel uit de bonte menigte van inlanders en Chineezen te voorschijn.
+
+</p>
+<p>Wij gaan aan wal om de haven-inrichtingen te zien, waarheen de waarnemende administrateur van de maatschappij Sabang ons vriendelijk
+zijn geleide heeft aangeboden.
+
+</p>
+<p>Sabang is trotsch op die inrichtingen&#8212;vijf electrisch gedreven kolentips, en uitmuntend ingerichte loodsen langs een verre
+lengte van de prachtige haven. De natuurlijke voordelen van de diepe, tegen zeegang en wind van alle zijden beschermde baai
+zijn door zulk gerief zoozeer verhoogd, dat Sabang nu voor de beste en best-ingerichte haven van het geheele Oosten wordt
+geroemd, en dat door de zeelui van allerlei landaard die hier komen kolen innemen. De Engelschen maken <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span>geen uitzondering. Zij spreken met de daad de meening tegen, indertijd door de naar Poeloe-Weh afgevaardigde deskundigen tegenover
+de Engelsche regeering geuit: dat de baai voor een haven niet geschikt was: Veel Engelsche schepen vallen hier binnen.
+
+</p>
+<p>Een groote handelshaven zal Sabang echter eerst kunnen worden wanneer haar achterland Atjeh, en met name de peper-cultuur
+aldaar, zich ontwikkelt.
+
+</p>
+<p>Het werkvolk dat de haven, de electrische centrale en de gasfabriek bedient&#8212;ijs wordt hier met behulp van uit Europa ge&iuml;mporteerd
+zwavelig zuur gemaakt van het water uit het meertje, waaraan Poeloeh Weh (zoetwater-eiland) zijn naam ontleent&#8212;het werkvolk
+bestaat niet uit eilanders, maar uit Javanen van Midden-Java en Chineezen, enkele Arabieren ook. Sabang is alweer een van
+de vele sluizen waardoor Java en China hun te veel aan hongerige menschen spuien. De Chineezen zag ik bij mijn aankomst aan
+het werk, in de kolenloods, waar zij den tip bedienden&#8212;bij zestien tegelijk hingen zij de volle zware kolenmanden aan de sterk-gehaakte
+kettingstreng, die ze de hoogte in trok of ze de slurf geweest ware van het olifantachtige monster dat daar zoo zwart en geweldig
+omhoog stond, den kop uitgerekt over het schip.
+
+</p>
+<p>De groote hoed, dien zij als bescherming tegen het neerstuivende kolengruis droegen, hield hun gezicht in de schaduw: maar
+aan hun bouw&#8212;zij liepen half-naakt&#8212;en meer nog aan de vlugheid en veerkracht van hun bewegingen was te zien dat zij jong waren,
+welgevoed en gezond. Ik hoorde hen prijzen verre boven de Javanen, om hun ijver en werklust. Bij den bouw van de haven, zeide
+men mij, toen de zware blokken koraalsteen opgestapeld moesten tegen de zee, arbeidden de Chineezen met een voortvarendheid,
+of zij, om het loon niet enkel, maar om het werk zelf ook, met pleizier in wat zij tot stand brachten, zich <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>inspanden: zij lachten, als een moeilijk te verplaatsen blok ten laatste goed lag en vast. Terwijl de Javanen onverschillig
+en loom waren. Hun minderheid in spierkracht en algeheele vitaliteit bij de Chineezen vergeleken, schijnt mij een bijna voldoende
+verklaring voor die minderheid van hun werk. Zoowel Chineezen als Javanen schuiven en rooken opium.
+
+</p>
+<p>Ik zag den volgenden ochtend de wijk van het werkvolk, waar inlanders en Chineezen van elkander gescheiden wonen in op het
+oog zindelijke, ruime, w&egrave;l-gebouwde huizen, aan weerskanten van een goed-gerioleerden weg. De Chineezen zijn hier&#8212;volgens
+hun gewoonte&#8212;zonder gezinnen. Van de Javanen hebben sommigen hun vrouw bij zich. Een aantal vrouwen zag ik in een groote koele
+schuur aan het malen van de rijst, volgens een methode, die de korrel het binnenste vliesje, het zoogenaamde zilvervlies,
+laat behouden. Het dieet van rijst met het zilvervlies is een afdoend voorbehoedmiddel gebleken tegen de beri-beri, waaronder
+het volk vroeger zwaar te lijden had. De korrel is echter minder oogelijk dan de gepelde blanke rijst. Vandaar een vooroordeel
+ertegen, dat nog altijd niet geheel overwonnen is. In zake uitbetaling van het loon, voedselverstrekking en feestdagen worden
+Javanen en Chineezen behandeld elk volgens zijn nationale gewoonten. Die ik zag waren allen welvarend van voorkomen, en de
+vrouwen ordentelijk, zelfs min of meer sierlijk, in de kleeren. Voor enkele huizen stonden bloemen: de kleine jasmijnstruik,
+die hier melatih heet, een roosje, een Canna, in een oud petroleumblik op de trap, een oleander of een citroenboompje in den
+vollen grond ervoor. Er groeiden vruchtboomen in de ruimte tusschen de huizen, bananen, kokospalmen, brood-boomen, die met
+hun breed spreidend gebladerte het zinken dak der huizenrij koel hielden. In <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span>de groote, gemeenschappelijke keuken voor de Javanen waren vrouwen bezig met het morgen-maal. Er lag iets opgewekts in het
+voorkomen van het geheele koelie-dorpje, menschen en dingen. Ik nam mezelve stellig voor terug te komen om de al te vluchtige
+indrukken te verdiepen, en tevens, na de menschen ook de natuur van Poeloe-Weh te leeren kennen. Zij moet zeer schoon zijn:
+van de kust af is dat al wel te zien; en ik hoorde wonderen van de &#8220;zeetuinen&#8221;&#8212;de banken en zandplaten met allerlei bont en
+zonderling zeegewas begroeid, waarboven, in het lucht-klare water, de prachtig-gekleurde visschen spelen.
+
+</p>
+<p>Over de reeling der Willem II geleund, zag ik nog lang naar de schoone welig-groene bergen en den wijd-uitgegoten glans der
+baai, waar een vloot van spiegelende schepen dreef. Strak en zwart stonden de reikhalzende kolentips tegen den vroeg-ochtendhemel.
+Daar ginder was de ijsfabriek&#8212;een stukje door menschen gemaakten winter, onaantastbaar onder den gloed der tropische zon;
+en de electrische centrale ernaast, die een elementaire kracht temt tot drager van lasten en stoker van vuren, in dienst van
+meesters, duizenden mijlen ver weg. De koelies, Chineezen, Javanen, Arabieren, aan het lossen van alweer een ander schip,
+waren te zien als een bonte wemelende hoop, waar hier en ginder, in bevelende houding, een witgekleede Westerling tusschen
+stond: een &#8220;Europeaan,&#8221; als men hier, kenteekenend, zegt voor Hollander.
+
+</p>
+<p>Een overstelpend rijke en schoone natuur, bijna ongerept nog, en te midden daarvan, zonder eenigen overgang of geleidelijkheid,
+toegepaste wetenschap en modern grootbedrijf; een heterogene groep Westerlingen als vertegenwoordigers van een enkel blank
+heerschers-ras staande tegenover een heterogenen drom Oosterlingen, samengesmolten tot &eacute;en enkel <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span>bruin ras van overheerschten; en over alles heen dat tijdelijke, voorloopige, het altijddoor komen om weer weg te gaan: het
+waren de elementen van het leven in Indi&euml;, die daar, op het rots-eilandje, zichtbaar, naast elkander lagen.
+
+</p>
+<p>Terwijl Sabang weggleed achter de ronding van den gezichtseinder, dacht ik: &#8220;Dit is dan de inleiding geweest.&#8221; <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span>
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="normal">JAVA</h2><span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span><div id="ch2" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Van Tandjong Priok naar Djombang</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-n.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-n.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">N</span>een, ik geloof niet dat het ergens op deze schoone wereld schooner is dan hier op Java! Zooveel schoons heb ik toch al gezien;
+maar zoo veel en zoo velerlei allerschoonst als n&uacute;, hier, nooit nog, nergens. Bijna zeven uur lang onderweg van Tandjong Priok
+naar Bandoeng in de Preanger: na de rustpooze van den nacht, &#8217;s ochtends om 6 uur verder tot &#8217;s avonds 7, toen de trein stilhield
+aan het Djombangsche station: in die haast twintig uur, en op dien afstand van het uiterste Westen tot den Oosthoek van Java
+zag ik, altijddoor, ontelbaar, in de bontste verscheidenheid, en onophoudelijk veranderend, alle schoonheden van hemel, licht,
+atmosfeer, van velden en tintelende heuvels, stroomende wateren, bergen blauw tegen de blauwe lucht, een vlakte wijd uitgegoten
+als de zee zelve; van jaargetij en klimaat, anders in de vlakte, anders in de hoogte, stroomend van regen hier, dor en heet
+nog elders; en van menschelijk werk en bedrijf ook, dat, het schoonst van alles, met al die schoone verandering van uur en
+grond en seizoen mede veranderde. Het was zulk een feest, zoo overvloedig, dat de oogen en de gedachte niet dan een duizelend
+deel van den rijkdom grijpen of vasthouden konden.
+<span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span></p>
+<p>Van Tandjong Priok naar Batavia loopt de weg door een moeras-streek, ruig van een haast-verbijsterend rijken groei van onnoembaar-vele
+soorten heester-gewas met varens en palmen vermengd, waar hier en ginder boomgroepen uit opsteken, en, overal, bij duizenden
+de wijd-open lichtpaarse bloemkelken van een weelderig slingerkruid overheen gestippeld liggen. Dan komen, even, de v&oacute;orstations
+van de stad: Weltevreden en Meester-Cornelis. Tusschen witgekleede Hollanders staan Chineezen gestaart, maar verder op zijn
+Europeesch gekleed: en daar wachten sierlijk gekleede Javaansche vrouwtjes op den &#8220;vuurwagen&#8221; die hen naar stad zal brengen;
+een venter van vruchten en zoetigheidjes zit op den grond gehurkt, tusschen zijn volle manden; door open deuren heen komt
+een breedte van het stationsplein te zien, en een reeks tweewielige rijtuigen met heel kleine hitjes bespannen. Dan verdwijnt
+dat alles weer. Een inlandsche wijk komt te zien langs de lijn. Daar staan, ieder op zijn eigen, door een bloeiende haag omsloten
+erf, aardige huisjes, met het karakteristieke dak; het lijkt op een zittenden vogel, hals opgerekt, vleugels uitgespreid&#8212;dat
+zelfs aan het armelijkste Javaansche hutje zulk een sierlijk voorkomen geeft. Veel van die erfjes zijn met vruchtboomen beplant,
+als moestuin aangelegd; en de tuiniers zijn er aan het werk, terwijl hier en ginder, onder een afdakje, een vrouw te voorschijn
+komt om den trein na te kijken, en een paar naakte kinderen die met jonge geitjes sollend, op een draf naar de heg geloopen
+komen, krijschend van pret. Nu verdwijnt het gehuchtje, het laatste eenzame hutje verdwijnt. Het landschap begint te golven,
+de weg stijgt, aan weerskanten komen heuvels op. Overal, uit het pluimige groen van bamboeboschjes te voorschijn, die luchtig
+aan de hellingen hangen, wuivend op den lichten wind, breken beekjes <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>te voorschijn en wit-beschuimde kleine watervallen. De heuvels worden steiler, de spoorweg loopt nu vlak langs de hellingen,
+halfweg er tegen op nu en dan, door een kleine tunnel dan weer, een eind verder over een brug, die de bocht van het trac&eacute;
+mede-makend over een ravijn heen is gebouwd. Telkens als de heuvelwand uiteen wijkt verschijnt een prachtiger vergezicht,
+over een voorgrond van rijstvelden, in trage glooi&iuml;ngen klimmend, heen, naar al hooger en steiler stijgende hoogten in de
+verte. Met zonsondergang is de hoogvlakte van Bandoeng bereikt, flonkergroen binnen een hemelwijden kring van bergen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag om 6 uur begon de reis van Bandoeng naar Djombang. Nu was het nog veel heerlijker! Daar lag de prachtige
+vlakte, floersig nog van fijnen nevel, die overal boven de blankstaande rijstvelden hing te gloren in het morgenrood. De bergen
+waren blauw als de blauwe hemel zelf, de eene toppenreeks van de andere, nog hoogere, gescheiden door lange witte wolkensleepen,
+die al helderder blonken in het al verhelderende licht. Een overheerlijk kleurenspel begon over het geheele wijde landschap.
+De roode dageraadswolken kleurden de sawah dat de jonge rijsthalmen leken te staan in een purperen meer. Onder het optrekkende
+nevelwit werden ontelbare tinten van groen levendig, van dat allerteerste, der pas uitgeplante rijst, dat nog haast geel is,
+tot het zware blauw-groen van her en der verspreide dorpsboschjes. De gedaante van de verre bergen verscheen als kleur, blauwig-zwarte
+diepten naast purper-bruine en fel-groene hoogten. De verre ketenen waren zoo fijn, zoo ijl, zoo doorzichtig als de lucht.
+Veel louterder en luchtiger dan wolken leken zij een deining van azuren hemelzee zelve, onafzienbaar lange rijen luchtgolven,
+flonkerend getopt. Een onuitsprekelijk gevoel van vreugde en verlangende kracht sprong overeind in <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>het hart, antwoordend op al die schoonheid van land, en zon en die veerkrachtige golving naar telkens alweer zulk een blinkend
+hoogen top van de klare bergen door de klare lucht.
+
+</p>
+<p>Op de rijstvelden was het landvolk al aan den arbeid; het was verwonderlijk om te zien op hoe velerlei wijs. De bouw van de
+rijst is afhankelijk van water; en de ligging, hooger of lager tegen een heuveltje aan, of in de vlakte, de richting van een
+kloof in het verre gebergte misschien, die den regenbrengenden westenwind doorliet of keerde, maakten zooveel verschil hier,
+dat op dicht bijeen gelegen velden al de verschillende stadi&euml;n van bewerking van den grond en van groei van het gewas vielen
+waar te nemen. Ik zag de bruine kluiten ploegen, en een weinig verder het blankstaande veld eggen, waar het buffelspan plonsend
+door het water waadde, tot over de knie&euml;n toe. Vrouwen&#8212;alleen vrouwen, niet een enkele man was er bij&#8212;waren bezig met het
+uitzetten van de gelig-groene bossen zaailingen, die een drager, behoedzaam over het smalle dijkje loopend, haar bracht, bij
+twintigtallen tegelijk aan beide uiteinden van zijn zwiepend juk gehangen. Er werd gewied. Er werd water in- en uitgelaten
+op de velden. En op &eacute;en plek zag ik zelfs den oogst beginnen: feestelijk gekleede vrouwen die hun gladden zwarten haarwrong
+met een bloem hadden versierd, plukten, vlak langs den spoorweg, een voor een de zwaar-knikkende halmen af, die zij, tot een
+schoof bijeen vlijden in hun armen. Niet dan gebrekkig kan het gezegd worden hoe overschoon het alles was, hoe wonderlijk
+de pracht van dat landschap, waar de velden meeren waren en heuvels stonden als torens van groen kristal, van spits tot grondvesten
+kabbelig overvloten van klaar water dat trapsgewijs afdalende rijstakkertjes doorschijnend maakte, en hoe de glorie van den
+duizelhoogen hemel, en hoe het loutere blauw der bergen <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>zoo volkomen overeenstemde met het geruste bewegen van die fijne bloembont gekleede menschen op den akker. De grootsche rijkdom
+der natuur overweldigde niet maar dr&oacute;eg den mensch.
+
+</p>
+<p>Op die flonkergroene hoogvlakten van Bandoeng en Lel&egrave;s volgde het lage land langs de Zuiderkust; het lag vlak als een golflooze,
+dofgroene zee, waar de nog donkerder groene boschjes die van binnen dorpen zijn, als klippen steil en plotseling uit opstaken.
+Aan de kleine stationnetjes was het druk van inlanders, marktgangers klaarblijkelijk. De dracht der vrouwen was weer eenigszins
+anders dan in het hoogland. Maar ook d&eacute;ze droegen die lange sjerp, de van rechterschouder naar linkerheup geslagen slendang,
+die tegelijk sieraad is en gereedschap, om het zoo uit te drukken; want zij dragen er al hun lasten in, van een kind af, schrijlings
+op hun heup gezeten met den kleinen rug tegen de slendang geleund, tot hun sirih-doos, portietje rijst voor den tocht en bos
+vruchten voor de markt toe. Bijzonder veel en prachtig ooft zag ik hier. Mijn medereizigers vertelden mij dat er inderdaad
+in Djokjakarta beter ooft wordt geteeld dan ergens elders op Java.
+
+</p>
+<p>De dag ging ten einde. Van de moerasvelden, purperig in wolkenspiegeling, keerde het landbouwersvolk naar huis, den lichten
+houten ploeg over den schouder. Bedaard stapten de groote grijze buffels, grazend langs den weg. Boven de dorps-boschjes stegen
+de dunne blauwe rookwolkjes uit van het rijs-vuur waarop de huisvrouwen de rijst kookten voor het gezin. Weinige minuten later
+was het overal stil. Bij het minderende licht zag ik de bergen weer verschijnen in het Westen eerst, dan in het Oosten. De
+geweldige massa die zoo zwart doemde tegen de klaarheid der opengaande sterrelucht was de Kloet, aan den voet waarvan Djombang
+ligt.
+<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span></p>
+<p>Wij bereikten het station een uur over den tijd. De trein had langzaam moeten rijden, hoorde ik, over een aanzienlijk gedeelte
+van den weg waar verzakking dreigde. De ingenieurskunst heeft wonderen gedaan bij den bouw van deze lijn: maar de altijdwerkende
+<span class="corr" id="xd0e284" title="Bron: aardkost">aardkorst</span> van de vulcanenstreek vastleggen kan geen menschenkunst.
+
+</p>
+<p>De volle maan bescheen den weg naar het gastvrije huis waar ik gewacht werd. Ik zag rietvelden blauw-blank glinsteren, en
+fel-wit een steilen fabrieksschoorsteen. Overdag, ik wist het wel, zou dit alles arbeid zijn: maar nu mocht ik het zien als
+schoonheid, na de schoonheid van morgen en middag en avond, de schoonheid van den nacht.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">In het Dorp</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-h.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-h.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">H</span>et woord is misleidend door de associaties die het oproept. In niets gelijkt een Javaansch dorp op wat in Europa met dien
+naam wordt genoemd. Zijn meest zichtbare trek is zijn onzichtbaarheid. Met huizen, wegen en menschen ligt het diep verborgen
+in dichtheid van geboomte, waarom dat dichtst groeiende van alle tropisch gewas, de bamboe, nog als een levende muur is opgericht.
+Aan den rechtlijnigen vorm alleen, en, nu en dan, aan de rookwolkjes die er uit opstijgen, is zulk een bosch dat van binnen
+een dorp is, te onderkennen van een bosch van enkel boomen, een bosch d&oacute;or en d&oacute;or. In deze streek, waar de suikerindustrie
+aan tienduizenden handen werk geeft, staan de dorpen, de &#8220;dessa&#8217;s,&#8221; zoo dicht op elkander, dat men in enkele uren gaans er
+gemakkelijk twintig door wandelen kan. Als steile donkere eilanden rijzen zij allerwegen op boven de lichtgroene en blauwige
+zee van rijstvelden en riettuinen, en hier en ginder zijn ze samen gegroeid tot als een vastland dat den halven horizon donker
+maakt.
+
+</p>
+<p>Waar, door het wijkende rijstgroen, zulk een bosch doordringt tot aan den grooten weg toe, ziet de voorbijganger er hier en
+ginder een opening in. Daar staat een luchtige, uit gele bamboestijlen ineengevoegde <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span>poort, waaraan een bord, wit met zwarte letters, Latijnsche boven Javaansche, beschilderd: Dessa zus, onderdistrict z&oacute;o: en
+zonderling genoeg lijken zulke schriftteekens en zulk een stadhuiswoord aan den ingang van een woud. De rechte breede schemergroene
+laan, waarvan de poort den ingang vormt, is de hoofdweg van het dorp. Er loopen kinderen te spelen, spiernaakt, met ronde
+glimmende rijst-buikjes. Een akkerman, den lichten houten ploeg over den schouder, drijft zijn ossenspan voor zich uit, naar
+het veld. Een vrouwtje komt er aan, op weg naar de markt, haar koopwaar in de bonte sjerp, de &#8220;slendang,&#8221; die zij schuins
+van schouder naar heup geslagen heeft. En het getokkel van den rijststamper in het holle blok komt van her en der uit haast
+ondoordringbare dichtheid van loover tegelijk met kirren en diep-gorgelend geroekoe van gekooide tortelduiven.
+
+</p>
+<p>Groen is hier alles, groen, een van alle kanten opstijgende, uitspreidende, neerhangende volte van groen, een hol niet, niet
+een spelonk, neen, een berg van groen, waarin holen en gangen gewroet zijn, als de holen en gangen van konijnen in een zandhoop.
+Aan de regelmatigheid alleen van die gangen, recht en rechthoekig op elkaar, is de menschelijke gedachte te herkennen, die
+naar een nieuwe wet de natuur herschept.
+
+</p>
+<p>Aan weerszij van de rechte lanen, en door een strakke haag er van afgescheiden, die, hier een bamboe staketsel is, en ginder
+een bloeiende hegge, liggen, ieder afzonderlijk op het eigen erf, de woonhuizen, bruine, als vogelnesten van vezel gevlochten
+hutjes, waarvan het met &#8220;alang-alang&#8221; (het breedbladige gras der wildernis) bespreide dak, van vier zijden steil opgetrokken
+naar een hoogen nok, en omgeven van een traag-glooienden afdakvormenden rand, bij den eersten oogopslag doet denken aan een
+<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>vogel, die met waaksch-opgestoken kop en gespreide vlerken het nest bebroedt. Pisangboomen met hun zeegroene prachtig gebogen
+vaandels van bladeren staan er omheen. Terzijde, in de schaduw van de donkere met witten bloesem getooide citroenstruiken
+bij den put staat een vrouw rijst te stampen. En allicht komt een tweede te zien, in de open huisdeur, waar zij, neergehurkt
+naast het komfoor vol glorende houtskool en het ijzeren pannetje met gesmolten was, bezig is een sarong te batikken.
+
+</p>
+<p>Het binnenkomen in die huisjes is niet moeilijk: de bewoners ontvangen vriendelijk een belangstellenden bezoeker, al lachen
+zij tersluiks om die belangstelling die zij onbegrijpelijk vinden. Ik ben er in verscheiden geweest, die alle op elkander
+leken. Door een open deur, die gewoonlijk enkel een stuk wand is, verschuifbaar in de groeven van een onderen boven-dorpel
+van bamboe, kwam ik in een vensterloos vertrek, waar het licht blauwig naar binnen weefde door de van bamboereepen gevlochten
+wanden. De vloer was de begane grond zelf, ten ruwste gelijk gemaakt en hard door stampen met houten juffers. Voor alle huisraad
+stonden er een paar slaapbanken&#8212;in fatsoen als heel lage niet breede tafels&#8212;van naast elkaar gevoegde bamboe-schalmhelften,
+met een bonte rietmat bespreid, en waarop wel eens een enkel klein, vuil kussentje lag. Een van de slaapbanken, die van de
+ouders kennelijk, was afgeschut met een laag rieten scherm. En aan de hoeken daarvan, en hier en ginder aan pennen in de stijlen
+van het huis gedreven, hing een sarong, een slendang, een reusachtige hoed van bladeren en vezels gevlochten, van een meter
+middellijn soms, de beschutting van den akkerman tegen zon zoowel als regen. Een tafel en stoelen van Europeesch fatsoen en
+gebrekkig inlandsch maaksel, zag ik maar in een enkele woning; met de petroleum-hanglamp <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span>(Duitsch fabrikaat, zou ik zeggen) is dat klaarblijkelijk al weelde. Maar stellig wist ik in den eenen hoek landbouwgereedschap
+te liggen, een spade, een houweel, een groot kapmes; en in den anderen allicht het batik-gerei van de huisvrouw, met, troostend
+er naast, het sirih-doosje waarin de geliefde versnapering, betel-noot, gambir, sirih-blad en een weinigje kalk, om er een
+smakelijke pruim van te rollen.
+
+</p>
+<p>Tegen dit &eacute;ene vertrek&#8212;slaap-, eet- en woonruimte tegelijk&#8212;dat het heele huisje inneemt, is dan op zijde, onder de voortgezette
+glooi&iuml;ng van het afdak, een keukentje aangebouwd. Op den grond is een lage gemetselde oven die gestookt wordt met kokosnootdoppen,
+droog riet en rijsthout; de huisvrouw moet al in beteren doen zijn als zij er houtskool voor gebruikt. Als zij voor dat oventje
+doende is met haar pot, zit zij gehurkt. Zij heeft er aarden pannen, potten en kannen voor, die onder de zwartigheid van roet
+en lang gebruik een mooie tint van rood of zachtgeel laten zien. De rijst kookt zij in een mandje van fijn vlechtwerk. En
+verder heeft zij een wan om de zelf-gestampte rijst te wannen. Zij doet dit met een eigenaardige draaiende beweging, waardoor
+niet enkel het kaf wordt weggeslingerd, maar de groote grove korrels van de kleine en gebrokene afgescheiden komen te liggen.
+Een bamboe drievoet, waarop &#8217;s avonds het olielampje komt te staan, voltooit de inrichting van de keuken. Zij heeft geen schoorsteen.
+De rook zoekt zijn weg naar buiten, als het licht naar binnen: door het vlechtwerk van de wanden.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p025.jpg" alt="Straatmuzikanten." width="509" height="696"><p class="figureHead">Straatmuzikanten.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Zo&oacute; zien de meeste dessa-huisjes er uit, woningen van arm volkje dat of nooit eigen akker bezeten heeft, of bij de al erger
+wordende versnippering van hun familiebezit zoo smalle reepjes zich toegewezen ziet dat het loonende van den bouw verloren
+gaat, en zij het veldje liever verkoopen aan een rijkeren <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span>dorpsgenoot,&#8212;een woekeraar veelal, met den eerbied-eischenden titel van &#8220;hadji&#8221; getooid sedert een tocht naar Mekka; of, langs
+allerlei omwegen, om de letter der wet die het verbiedt ongerept te laten, aan een Chinees of Arabier.
+
+</p>
+<p>De woningen van de rijkeren zijn kenbaar, vooral aan de aanwezigheid van een rijstschuur en een stal op het erf. En een enkele
+maal ziet men zulk een huis wel van steen en met pannendak gebouwd. Het meest komt dat voor in de buurt van fabrieken. Deze
+hebben altijd bouwmateriaal van noode. Vanzelf ontstaan kleine Inlandsche ondernemingen, waar van de klei, hier en daar op
+sawah-gronden te vinden, steenen worden gebakken en pannen. De opzichters, de &#8220;mandoers,&#8221; en de eigenaars van trekvee die
+in den oogsttijd het suikerriet vervoeren, verdienen genoeg om een huis van steenen en pannen te zetten, zoo niet ineens,
+dan zoetjes aan, zoodat men wel eens gemetselde grondslagen ziet die een tijd van voorspoed in de toekomst wachten om de hoogte
+in te groeien; of een steenen huis, voorloopig met blad gedekt. Er zijn stellig zeer veel meer steenen Inlanderhuizen in de
+dorpen nu, dan een jaar of tien geleden.
+
+</p>
+<p>In zulk een steenen huis is meer gerief te vinden, natuurlijk, dan in het rieten hutje. Er staat in het slaapvertrek, dat
+afgeschoten is van de woonruimte, een kleerenkist: de bewoners hebben m&eacute;er dan het &eacute;ene stel dat de armeren dragen tot het
+in lompen van hen afvalt, of het tweede, dat gewoonlijk bij den pandhuishouder ligt opgeborgen. De keuken is een afzonderlijk
+gebouwtje, met een loods er naast voor brandstoffen, waar de houten ploeg ligt en de eggen. En misschien is er, behalve den
+buffelstal, ook nog een stal voor een hitje, en staat zelfs, ergens onder een afdak, een licht wagentje geborgen. Maar zoo
+iets is zeldzaam, zelfs onder meergegoeden. Wat echter opvalt <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span>aan de erven van allerarmsten en gegoeden gelijkelijk, is de verwaarloozing van den grond. Het v&oacute;orerf ziet er knap uit: slordigheid
+daar zou den nalatige straf en boete bezorgen vanwege het dessa-bestuur. Maar verderop, daar waar het niet in het oog valt,
+is het ellendig gesteld. Groote stukken grond&#8212;vruchtbare grond&#8212;liggen overwoekerd van onkruid. Wordt er al geplant&#8212;cassave
+bijvoorbeeld en verschillende peulvruchten,&#8212;dan blijft het veld jaar in jaar uit zonder mest, terwijl de velerlei afval, die
+daarvoor te gebruiken zou zijn, verbrand wordt en zelfs stalmest onverzameld blijft liggen. &#8220;Mest maakt den grond te heet&#8221;&#8212;antwoordde
+mij gisteren een vrouwtje, met wie ik daarover sprak. Haast nergens ook ziet men eenigermate onderhouden vruchtboomen. Wat
+groeit moet maar groeien zooals het wil. Het een neemt het andere licht en lucht weg. Behalve de kokospalmen, die zichzelven
+redden met hun hoog boven alle ander vruchtgeboomte in de zonnige lucht opgestoken kruinen, vindt geen enkele andere ooftboom
+zijn behoef. En wat een rijke gaard kon wezen, is niet anders dan een wildernis, als zoodanig zeker mooi, zoo vol fonkelschaduw
+en gouden lichtgesprankel als zijn ondoordringbare looverdichtheid zit, maar den mensch van geenerlei nut. De kleine, wrange,
+rimpelige vruchten zijn zelfs den vogels en den dievenden eekhorentjes te zuur. Aandrang op verbetering, door het Bestuur
+geoefend, heeft tot nog toe maar weinig geholpen. De dessaman laat zijn erf verwilderen. Het is een van die hier zoo menigvuldige
+gevallen van gebrek te midden der rijkste natuur geleden, waarvan de verklaring zeker niet in het voor de hand liggende en
+hedendaagsche gevonden kan worden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span></p>
+<p>Het eerste wat de ervarene uit het aanzien van een dessa te weten komt, dat is het karakter van het dessa-hoofd, den loerah,
+als zoodanig. Een goed onderhouden omheining en poort, een effen dessaweg, slooten waar het water frisch doorstroomt, en nette
+voor-erven bij de huisjes, dat wil zeggen: de loerah is ijverig, nauwlettend en heeft den wind onder zijn volkje. Een heg
+vol gaten en neergetrapt hier en ginder, een weg die naar gelang van het seizoen zandpad is of modderbeek, stinkende slooten
+en erven met een paar slordige bezemzwaaien zoowat aangeveegd, dat wil zeggen: de loerah is liever lui dan moe, en als hij
+niet op zijn eigen veld is, ligt hij strootjes te rooken op de baleh-baleh (de slaapbank) thuis. Zoo de loerah is, zoo is
+zijn dorp, en zoo het dorp is, zoo is ook weer de loerah. De twee maken&#8212;en breken&#8212;elkaar.
+
+</p>
+<p>De Javaansche dessa is, men weet het, haar eigen baas. De N. I. regeering bemoeit zich niet, of althans zoo weinig als maar
+eenigermate mogelijk, met haar aangelegenheden. En de loerah, het dessahoofd, is de rechtstreeks door de stemgerechtige dessalieden
+zelven gekozene, die ook op een klacht hunnerzijds weder afgezet kan worden. Zijn functies zijn: belastingheffen, toezicht
+houden op veiligheid van persoon en have, waken over de behoorlijke vervulling van dessa-diensten, door de daartoe verplichte
+mannen, en regeling van de periodieke verdeeling der dessa-velden, daar waar het communale bezit heerscht. De belastingheffing
+verbindt hem met de N. I. regeering: al zijn andere functies worden verricht ten behoeve van enkel en alleen de dessa, wier
+beambte hij is. De dessa betaalt hem daarvoor niet in geld, maar in grond, met &#8220;sawahs,&#8221; welker grootte verband houdt met
+ligging en grondgesteldheid van het dessagebied. De N. I. regeering betaalt hem met een percentage van de belasting. Dat alles
+lijkt eenvoudig, duidelijk en nauwkeurig <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span>bepaald, en de inlandsche dorps-organisatie een model van democratische instelling. Dat eenvoud, duidelijkheid en nauwkeurigheid
+eigenschappen zijn van de abstraheerende gedachte en geenszins van het werkelijke leven, en dat de inhoud van een instelling
+en haar vorm twee&euml;rlei dingen zijn, begrijpt, voor de hoeveelste maal! wie wat nader met dessa&#8217;s en met loerahs kennis maakt.
+
+</p>
+<p>Van de loerahs hier in den omtrek heb ik er enkele leeren kennen, van den ouden stijl, van den nieuwen stijl en van wat men
+den &#8220;permanenten stijl&#8221; zou kunnen noemen.
+
+</p>
+<p>Een van den ouden stijl is de loerah van (ik zal fantasie-namen geven) van Djatirang. Wij bezochten hem onverwachts. Aan het
+uiterlijk der dessa al hadden wij gezien dat de loerah een zorgvuldig administrator was. Het voorkomen van zijn huis bevestigde
+dien indruk. Het was een woning zooals een eenigermate gegoede dessaman er een bouwt, ruim, koel, maar zonder eenige overdaad.
+Er was een afzonderlijk gedeelte voor het ontvangen van gasten alleen bestemd, een &#8220;pendoppo,&#8221; die hier het voorgedeelte van
+het huis vormde (het staat wel eens geheel afzonderlijk, als een luchtig huisje, op pilaren, zonder muren). Deze pendoppo,
+wier vloer de begane grond was, had een rieten dak, onder het hooge midden waarvan, als een soort tweede zoldering, om de
+doorstralende hitte af te weren, een vierkante horde van bamboe vlechtwerk hing. Een dubbele rij houten pilaartjes liep door
+de geheele lengte van het vertrek, dat, schat ik, vijftien meter op twaalf geweest zal zijn. En in het midden stond een ronde
+houten tafel, met eenige stoelen er omheen en een hanglampje van gegoten metaal er boven. Een oud, vrij vuil kamerscherm verborg
+den toegang tot het binnenhuis. Voor versiering hingen aan de pilaren portretten van de Koningin, den Prins, <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span>den Mikado en den Keizer van China, in dubbeltallen, elk portret tegenover zijn duplicaat. (En wat beteekent anders symmetrie,
+als &#8217;t u belieft?)
+
+</p>
+<p>De loerah kwam met zooveel haast als zijn deftigheid toeliet, toen hij van ons bezoek vernam.
+
+</p>
+<p>Het was een man van een goede vijftig, met een schrander, energiek gezicht, grof van trekken en donkerbruin, als in tegenstelling
+met dat der aanzienlijken, het type van den kleinen man is op Java. De medaille voor vijf-en-twintigjarige ambtsvervulling,
+een groot paars kristal in zilveren sterrepunten gevat, gloorde op het zwart lustre jasje, dat hij in der haast aangeschoten
+had: een mooi-gebatikte sarong hing hem om de beenen met dien specialen drie- en vierdubbelen plooi van voren, die aan het
+kleedingstuk het karakter geeft van een feestkostuum; en de loerah hield&#8212;uiterste elegantie,&#8212;de slippen van die lang afhangende
+plooien met een sierlijken duim en wijsvinger op, zoodat zijn sarong als een waaier terzijde van hem uitgespreid stond. Op
+eenigen afstand van ons hurkte hij neer op den grond, en maakte de &#8220;sembah,&#8221; den groet van saamgevouwen handen, opgeheven
+naar het even nijgend gezicht. Toen wij naar zijn familie vroegen (mijn tochtgenoot deed het woord voor mij, die het Maleisch
+nog slechts onvoldoende ken) deed hij zijn vrouw halen, een aardig persoontje, zoo jong dat zij eer zijn kleindochter had
+kunnen wezen. Wij hoorden later dat zij de tiende was in een reeks echtgenooten, die hij om der wille van de huiselijke harmonie
+oordeelkundig verdeeld hield over tien afzonderlijke huishoudens in even zoo vele onderling op behoorlijken afstand gelegen
+dessa&#8217;s. De kinderen uit al die huwelijken waren ten getale van tien in zijn eigen huis aanwezig, de oudste een knappe jonge
+man, zelf al vader van opgeschoten jongens, het jongste een zuigeling op den arm van zijn moeder. De kinders zagen er allen
+<span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span>welvarende uit, en diegenen onder hen die gekleed waren, zaten knap in de kleeren. Naar school ging geen van hen. De loerah
+had het zelf zonder lezen en schrijven ver genoeg gebracht in de wereld. En als zijn jongens op de schoolbanken moesten zitten,
+wie zou dan de buffels hoeden, en gras gaan snijden, &#8217;s ochtends? Hij hoopte dat zijn oudste zoon te zijner tijd hem opvolgen
+zou als loerah. Dat zal wel. De dessa is best tevreden met hem en zijn heele familie. Als een bewijs van de tucht die hij
+handhaaft, zeide men mij dat er in deze dessa nooit iets gestolen werd. Dat wil niet zeggen dat er geen dieven zijn; maar
+dat ze naar een andere dessa gaan als ze willen stelen.
+
+</p>
+<p>De loerah van Gandasoli is van een nieuwer type. Hij is een deftig man, niet bruin, maar matgeel in het gezicht, met een hoogen
+neus, en een zorgvuldig verpleegd snorretje. Hij draagt een staanden kraag, een gouden horlogeketting, en verscheiden ringen
+aan zijn fijne langgenagelde vingers. Zijn vrouw heeft diamanten in de ooren en gouden spelden aan haar kabaja van donkerpaarse
+zij. Zijn schoonzoon is naar Mekka geweest, en draagt, zijn Panislamitische gezindheid openlijk ten toon spreidend, niet alleen
+den tulband, maar, over zijn Javanen-sarong heen, ook nog den witten neteldoekschen rok der Arabische mode.
+
+</p>
+<p>De loerah&#8212;die tegelijkertijd &#8220;bau&#8221; is, d. w. z. loerah over een complex van kleinere dessa&#8217;s&#8212;had ons verwacht en ontving ons
+in zijn pendoppo, de sierlijkste ontvangstzaal wel die men hoeft te wenschen, met het groen en de koelte van een welverzorgden
+tuin rondom, beschilderde pijlers en aan de zoldering beeldhouwwerk. Hij gaf ons de hand, met een lichte buiging, voor hij
+op den grond nederhurkte, en onder het gesprek liet hij merken, dat hij Hollandsch niet alleen, maar zelfs een dozijn woorden
+Engelsch verstond. Zijn dochtertjes werden binnengeroepen en <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>kwamen aan de hand der in paarse zij gekleede moeder, de twee kleinsten in jurkjes zooals Hollandsche kinders er dragen. De
+&#8220;bau&#8221; bestemt zijn zoons voor het loerah-schap of voor den dienst als schrijver op een gouvernementsbureau: zij gaan allen
+op de Hollandsche school te Djombang. De &#8220;bau&#8221; heeft een keurig rijtuigje met een span goed-getuigde hitten ervoor. En zijn
+woonhuis is geriefelijk gemaakt met Europeesche meubels, met bedden zelfs, die door neteldoeksche gordijnen beschermd worden
+tegen de muskieten. Als verfrissching bood hij ons Pilsener bier aan, waarvan hij zelf, met vrouw en schoonzoon, meedronk.
+Dat alleen al was een aanduiding van zijn positie en zijn eigen waardeering ervan. De boersche loerah van Djatirang had, op
+een afstand neerhurkend, toegezien hoe wij het zoete water dronken uit de kokosnoten, op ons verzoek versch van den boom gehaald.
+
+</p>
+<p>De loerah van Merangan was niet thuis, toen wij hem wilden bezoeken. Wij moesten dus volstaan met, terwijl de bediende heen
+was gegaan om ons bezoek aan te melden, wat rond te zien in zijn pendoppo, waar een prachtige gamelan stond, zeker een duizend
+gulden waard. De deur naar het binnenhuis was kunstig gebeeldhouwd en gestoken, z&oacute;&oacute; dat de paneelen, evenals Moorsche mesjrebijeh&#8217;s,
+het licht en de koelte doorlieten. Portretten van heerschers (dat mist nergens!) hingen aan den muur, de Tsaar tegenover den
+Duitschen Keizer. En een levensgroot in hout gebeeldhouwd hert, wien een klein rood streepje langs het oog geschilderd was
+om een doodelijke wond van jagershand te verzinnebeelden, lag aan een driemaal omgewonden ketting op zij van de deur.
+
+</p>
+<p>Dessa Merangan heeft een ellendig-arm voorkomen, in sterke tegenstelling met al deze weelde in het huis van den loerah. De
+verklaring bleek die <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span>weelde zelf. De loerah van Merangan weet zich andere inkomsten uit zijn dessa te verschaffen dan de bij de wet bepaalde. Hij
+leent geld uit: markt-vrouwtjes komen &#8217;s ochtends bij hem om &#402;&nbsp;1 en brengen &#8217;s avonds &#402;&nbsp;1.25 weerom: als men bedenken wil,
+dat op pasardagen vrijwel iedere dessavrouw gaat, als koopster of als verkoopster, en dat elke vijfde dag een pasardag is,
+krijgt men een kijk op des loerah&#8217;s &#8220;verdienste.&#8221; Grooter sommen ook leent hij uit: bijvoorbeeld, op de vervaldagen der belastingen,
+wanneer de dessalieden het geld niet gereed hebben liggen. Die dessalieden zouden naar een door de regeering ingestelde voorschotbank
+kunnen gaan. Maar daar moeten zij het tegen 12 pct. in het jaar geleende geld op zijn tijd terugbetalen. En de loerah vraagt
+wel 200 of 300 pct. in het jaar, maar daarentegen is hij schikkelijk op terugbetalings-termijnen. En vooral&#8212;hij is de loerah!
+Hoe zou Kromo naar een ander durven gaan, als zijn eigen loerah hem geld wil leenen?
+
+</p>
+<p>Verder: er wordt nog al eens gestolen in de dessa. Diefstallen moeten aan het licht gebracht: er moet &#8220;ketrangan,&#8221; helderheid
+komen in zulk een zaak, dat eischt het gewestelijk bestuur. Maar voor &#8220;ketrangan&#8221; zijn, als volgens Montecuculi voor den oorlog,
+drie dingen noodig: het eerste is geld, het tweede is geld, en het derde is geld. Is dat geld bij den loerah, dan is de ketrangan
+bij den assistent-resident. Een &#8220;schuldige&#8221; wordt gestraft, een verdachte gaat vrij uit, en iedereen is tevreden. De Hollandsche
+ambtenaar met de &#8220;ketrangan,&#8221; de &#8220;schuldige&#8221; met een kleinen troost in klinkende argumenten, de verdachte met zijn buit en
+zijn vrijheid, en de loerah met de drie bovengenoemde noodige dingen.
+
+</p>
+<p>Dit zijn een paar van de meest bekende manieren waarop loerah&#8217;s als die van Merangan de duiten van den boer in de dubbeltjes
+van den loerah veranderen. <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span>Zonder twijfel zijn er nog een menigte meer.
+
+</p>
+<p>En de dessa&#8217;s waar die tooverkunstenaars heerschen zijn zoo goed te onderkennen als de dessa&#8217;s van den ijverigen en van den
+luien loerah. Hun bijzonder kenmerk is: een rijke loerah-woning te midden van armzalige boeren-hutjes.
+
+</p>
+<p>Mij wordt verteld, dat het ouderwetsche loerah-type zachtjes aan verdwijnt voor het elegante nieuwe, en dat onder beiderlei
+slag degelijke dorps-bestuurders worden gevonden. Omtrent de verhouding waarin het &#8220;permanente type&#8221; tot de twee andere staat,
+hoorde ik niet veel.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De loerah van Njamploengan is, wegens gebleken onbetrouwbaarheid in den dienst, ontslagen. Nu is het dorp in spanning over
+de keuze van een nieuw hoofd. Het ambt moet begeerlijk wezen, want van de pasars&#8212;elken dag is er markt, in elk dorp, ongerekend
+de groote markten die om de vijf dagen gehouden worden&#8212;van de pasars komt de tijding dat er wel zes of zeven candidaten zijn,
+waaronder een broeder van den afgezetten loerah, en dat de stemmenwervers het druk hebben. Met klinkende argumenten, buiten
+gezicht en gehoor van den meest argwanenden Nederlandschen ambtenaar te berde gebracht, en waarvan alleen een verre echo op
+te vangen valt uit dorpspraatjes, trachten zij stemgerechtigden te overtuigen, ieder van de verdiensten van zijn lastgever.
+De argumenten wegen, schijnt het, op tegen een rijksdaalder in den regel, soms zelfs tegen een gulden of vier. Of, om te beter
+te kunnen kiezen, er wel eens argumenten worden aangehoord van twee, of zelfs van meer zijden?
+
+</p>
+<p>Op den vastgestelden dag, &#8217;s ochtends om acht uur, ga ik naar Njamploengan, en het huis van den afgezetten loerah, waar de
+vergadering en verkiezing <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span>gehouden wordt. De weg is bont van de menschen. (Altijd weer treft dat: dat bonte. In Holland is een straat vol menschen zwart:
+op Java is zij zoo kleurig als een bloemtuin. En stil, stil! geen geluid uit n&oacute;g zulk een volte; en ordelijk: nergens een
+die stoot of dringt.) Als spreeuwen op een telegraafdraad zitten zij, mannetje aan mannetje, op den hoogen berm aan weerszij
+van den weg. Er zit een geheele drom gehurkt voor de poort van een der candidaten, den broeder van den afgezetten loerah.
+En weer een bonte zwijgende menigte omringt de poort van den vorigen loerah&#8212;het bordje met &#8220;Jachman, Loerah&#8221; er op, dat zoo
+trotsch daar prijkte, is weg, zie ik,&#8212;en heeft zich, ter weerszij van den oprit, in rijen op zijn erf geschaard, van den ingang
+af tot vlak voor het huis toe.
+
+</p>
+<p>In de pendoppo komt de vader van Jachman de binnentredenden tegemoet. De oude is in zijn tijd zelf loerah geweest, en treedt
+met een zekere waardigheid op. Hij ziet er uit als iemand die een kleinen tegenslag in zaken gehad heeft, maar vertrouwt dien
+spoedig te boven te komen. Jachman, de ongeluksvogel, zit neerslachtig tegen den muur gehurkt. Op de plaats naast hem heeft
+klaarblijkelijk de oude heer gezeten; en een derde lijkt wel te wachten op den broeder-candidaat-loerah, die het tijdelijk
+gezonken aanzien der familie, hoopt men, weer zal in de hoogte brengen. Bij den ingang van de pendoppo rechts, hurken op een
+mat een half dozijn dessa-beambten bijeen, kenbaar aan hun roode, gele en groene bandelieren. De ronde tafel met een inktkoker
+er op, en twee leuningstoelen er naast, wacht op den controleur en den wedana, de leiders der vergadering.
+
+</p>
+<p>Hun komst wordt geseind door een plotselingen opstoot onder de al dichter toegestroomde menigte op het erf. Ineens is alles
+leeg. Als zij hun plaats hebben ingenomen en de twee lichte rijtuigjes zijn de poort <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span>uit, golft de menschendrom weer te voorschijn uit de struiken, de heg, het slootje, het veld, manshooge ketela, waar ze zich
+verborgen had. Maar de zon brandt fel. En een heele troep zoekt de schaduw van de ketela weer op. De schoone planten, die
+op lupinen gelijken, reusachtig vergroot, houden breed hun frisch groen loof geheven tegen het zonnelicht, dat in druppels
+en uiteenspattende stralen er doorheen schiet. In hun bonte kleeren, wit, geel, paars, lichtrood, zit het nieuwsgierige volkje
+daar te glanzen in de fonkelige schaduw, tusschen stengels en bladeren in.
+
+</p>
+<p>De assistent-wedana is bezig met luider stem de rol op te lezen van de stemgerechtigden; onder dat geroep, dat door het altijd
+weerkeeren van de diep-sonore Javaansche &Ocirc;, als een slag op een bronzen bekken, tot een soort galmend recitatief wordt, komen
+een voor een de geroepenen binnen, die een druk-doende dorpsschrijver met de hand op hun schouder nederdrukt, ieder op zijn
+plaats in rijen van tien. Zoo komen ze te zitten met zijn tachtigen. Er is een vrouw bij, die de schrijver bij den arm neemt,
+en op een afzonderlijke plaats zet. Als weduwe die grond bezit heeft zij het stemrecht, dat in deze dessa aan grondbezitters
+(en aan hen alleen) toekomt. De gedrongen menigte toekijkers daar buiten, voor zoover het menschen van Njamploengan zijn,
+zijn &#8220;bijwoners&#8221;: lieden zonder eigendom, die met werken huisvesting verdienen bij de meer gegoeden.
+
+</p>
+<p>De controleur spreekt in &#8217;t Javaansch de kiezers toe, hun verklarende waarom Jachman uit zijn ambt ontzet is, wat de plichten
+zijn van den loerah, wat de rechten der bevolking, welke de bescherming die de N. I. regeering haar toezegt tegenover een
+hoofd dat zijn ambt misbruikt. Zij zitten te luisteren met inpassibele gezichten, de oogen op den grond. Nu en dan zegt er
+een&#8212;altijd dezelfde is het, een <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span>met zorg gekleed man van middelbaren leeftijd, die zich voelt, klaarblijkelijk: &#8220;Ingeh&#8221;&#8212;ja. En dan zien de anderen hem ter
+sluiks aan, bewonderend: die durft! Zoo maar ja! zeggen, hardop, tegen den heer controleur en den wedana&#8212;een wedana die tegelijk
+Patih is, nog wel, en die daar zit als een Hollander bijna, met een witte jas, precies als die de controleur draagt, een gouden
+horlogeketting, en een gouden lorgnet! De wedana-patih neemt op zijn beurt het woord: &#8220;Ingeh! Ingeh!&#8221;&#8212;Zij hebben alles goed
+begrepen.
+
+</p>
+<p>Nu komen de candidaten te voorschijn voor het loerahschap&#8212;zes of zeven niet, maar tien. Zij moeten&#8212;een bijzonderheid die te
+denken geeft&#8212;hun kris afgeven. De zelfbewuste schrijver stapt met een trofee van tien sierlijke dolken heen. Dan hurken de
+tien mededingers op een rij vooraan. Al het volk buiten komt naar voren gedrongen om hen te zien: zelfs de wegschuilers in
+het ketela-veld verlaten de koelte daarvoor. Zij hebben den tijd van kijken, terwijl de candidaten antwoorden op de vragen
+naar naam, beroep, leeftijd en woonplaats. De vraag naar den leeftijd brengt allen in verlegenheid. Wie weet dat nu?! Het
+wordt een gissen, waarbij de wedana en de controleur helpen. &#8220;Dertig jaar? en je bent al grijs! Eer vijftig, zou ik zeggen.&#8221;&#8212;Goed!
+Vijftig jaar ben ik.&#8212;Maar ben je dat nu wezenlijk?&#8212;Wie weet? Misschien vijf en veertig!&#8212;Best. Je bent vijf en veertig.&#8212;De
+tweede zoon van het oude dessahoofd, een jonge kerel met een stoutmoedig gezicht, geeft ook dertig op, wat hij waarschijnlijk
+nog niet is; en voor zijn beroep dat van karrevoerder. Als de laatste van de tien de vragen heeft beantwoord, krijgen zij
+allen het bevel zich om te keeren. Nu zitten ze dus met het gezicht naar de kiezers. Buiten is het een muur van gespannen
+toekijkenden.
+<span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span></p>
+<p>De controleur vraagt: of de kiezers deze mannen kennen voor eerlijke lieden, en aan wie het dessa-bestuur goed toevertrouwd
+zou zijn? Of zij gezond zijn en sterk? Of zij nooit in de gevangenis gezeten hebben?&#8212;Ingeh!&#8212;Ingeh!&#8212;Bot&egrave;n. (Neen). Dan kan
+de verkiezing beginnen. De zelfbewuste schrijver en eenige ambtgenooten jagen de toekijkers buiten uiteen en doen de kiezers
+naar buiten gaan. De candidaten, die zich weer hebben omgekeerd, hooren een vermanende toespraak aan van den controleur. Dan
+worden de kiezers weer binnengelaten. En ieder hurkt neer achter den candidaat zijner keuze. De oude loerah gaat zitten achter
+zijn zoon, den karrevoerder. De weduwe ook. Het blijkt dat zij niet eens weet wie hij is en hoe hij heet. Onder het gelach
+der anderen zegt een buurman &#8217;t haar zachtjes voor. De gezichten van de candidaten zijn merkwaardig om te bezien. G&eacute;&eacute;n kijkt
+om, om te weten hoeveel er achter hem, hoevelen er achter zijn mededingers zitten. Maar zij schijnen het te voelen. Een, die
+niet een enkelen voorstemmer heeft, zit treurig in een werkelijk treffende houding van droefheid. Een ander, even arm aan
+vrienden, houdt zich onverschillig, en een derde lotgenoot doet of hij in het algemeen nieuwsgierig is naar den afloop. De
+karrevoerder heeft zulk een langen sleep stemmers achter zich aan, dat ze het lange huis uit en een eindweegs den tuin in
+zijn, wanneer de drukke schrijver zich met de zaak bemoeit, en van die lange rij een korte dubbele maakt. Hij merkt het, de
+karreman. Zijn gezicht staat hevig gespannen, zijn oogen vliegen heen en weer. Maar hij houdt zich goed. Hij ziet niet om.
+Alle tachtig kiezers hebben gekozen. De schrijver telt, de controleur en de wedana controleeren. De namen van de candidaten
+worden nog eens opgelezen: de dubbele namen, op zijn Javaansch: de naam op den trouwdag aangenomen, de naam als <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>kind gedragen. &#8220;Niti, alias Moedjadi.&#8221; Aan dat &#8220;alias,&#8221; zonderling klinkend voor een Westerling tusschen die Javaansche namen,
+zijn ze al goed gewend: ze spreken het vloeiend uit. De karreman heeft de meerderheid, blijkt het: 44 stemmen. Nog eens vraagt
+de controleur den kiezers, of ze bij hun verklaring blijven, dat er niets is te zeggen op den candidaat.&#8212;Zij blijven er bij.
+&#8220;Dan zal ik den heer president de keuze voorleggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De kiezers gaan het huis uit, het volk stroomt toe, de karreman is omringd van vrienden, die hem streelen, den arm om zijn
+schouders leggen, hem omhelzen bijna. Van de niet-gekozenen zijn er drie zoozeer verslagen, dat zij vergeten hun kris terug
+te vragen,&#8212;hun kris, het familie-erfstuk, den allerkostbaarsten schat! De schrijver loopt hen na met de wapens. De oude loerah
+kijkt tevreden. Zelfs de afgezette is niet zoo neerslachtig of verlegen meer als straks. De familie is gerehabiliteerd.
+
+</p>
+<p>Thuiskomend hoorde ik&#8212;alweer zat de zegsman op den pasar&#8212;dat de karrevoerder, pas getrouwd met de dochter van een rijken loerah
+uit de buurt, &#402;&nbsp;5 per stem had betaald uit den zak van zijn schoonvader. Wat hem niet had belet tegenover den controleur de
+plechtige verklaring af te leggen dat hij niemand met eenigerlei dwang, belofte of gift bewogen had tot het uitbrengen van
+zijn stem op hem, zoomin als het de ontvangers van de &#402;&nbsp;5 belet had te ontkennen dat zij op zulk een wijze bewogen waren geworden
+tot hun verkiezing van den karreman.
+
+</p>
+<p>Dat wil overigens niet zeggen dat de karreman geen geschikte loerah voor Njamploengan zal zijn, al zullen die schoonvaderlijke
+&#402;&nbsp;200 wel uit Njamploengansche gordels weer te voorschijn moeten komen. Njamploengan heeft al een oude voorkeur voor zijn
+familie, als uit de herhaalde keuze blijkt. Zijn <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>familie is gegoed. En dat moet de familie van een loerah zijn. Of hoe wil hij anders, als de nood aan den dessa-man komt,
+diens borg zijn voor hoofdgeld of landrente? Z&oacute;o zit het.
+
+</p>
+<p>Voor den Oosterling is de vraag eenvoudig.
+
+</p>
+<p>En de Westerling, die er eindelijk in geslaagd is den hem ongewonen gedachtengang zoo eenigermate te volgen, vraagt zich tevergeefs
+af w&agrave;t de dessa nu eigenlijk is: een communistische dorpsorganisatie, als de Russische &#8220;mir&#8221; van onze dagen, of de Germaansche
+markgenootschap van het verre verleden; een familie-bezit, als deze of gene Hollandsche stad in den ergst-vervallen pruikentijd;
+een soort economisch-politieke onderneming, waarvan de loerah en zijn familie eigenaar en aandeelhouders zijn?
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Rijstoogst</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>e velden staan rijp. Het landvolk gaat aan &#8217;t oogsten. Nu is de arbeid vreugd. Tot dit hoogtepunt van het landbouwersjaar
+heeft een geheele reeks van verrichtingen en godsdienstige plechtigheden het akkervolk opgevoerd. Elke nieuwe toestand van
+den akker en van de plant, van de eerste bereiding van den grond, en van het strooien van het zaad af, is gewijd geworden
+met een &#8220;slametan,&#8221; een offer aan geesten, goden, voorouders, aan Moeder Aarde en Vader Hemel, een eerbetoon aan de seizoenen,
+aan zon, maan en sterren, een inzegening van het landbouwgereedschap, een bezwering van schadelijk gedierte. Als twaalfde
+komt nu het schoonste van al de feesten, de oogst der rijpe aren, en de groote Slametan, de &#8220;Sedekah Boemi,&#8221; het offermaal
+van den oogst dat straks de geheele dessa vieren zal in de woning van den loerah. En het feest-zelf is niet feestelijker voor
+den boer en zijn gezin dan het blijde werk, het oogsten.
+
+</p>
+<p>Vroeg in den morgen&#8212;de zon is nog achter den nevelenden en wolkenden Keloet-berg&#8212;komen zij er aan, op weg naar het veld, de
+vrouwen, die hun dolkvormig rijstmesje als een sieraad achter in den kraag der kabaya hebben steken, om te plukken, <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>de mans, met draagstok of juk, om de bossen te torsen, naar waar de eigenaar van het veld ze zal tellen om ieder zijn loon
+uit te keeren. Voor het vroolijke werk zijn ze vroolijk gekleed, licht en kleurig. Alleen oude menschen dragen het stemmige
+effen blauw, en even-geschakeerd bruin. Al wat jong is verheldert dat met geel, rood, rose, paars, helgroen. De mannen hebben
+witte, gele, blauwe zonnehoeden op. Van de meisjes dragen er vele bloemen in het haar, en sieradi&euml;n in de ooren en om den
+hals. Het tanige rijstveld&#8212;want het bruin en grauw der verdorde halmen verdoft het zuivere aren-goud&#8212;wordt zoo fleurig als
+een bloemtuin waar zij er in gaan.
+
+</p>
+<p>En of ze bloemen plukten ook, zoo licht en sierlijk bewegen die oogstende vrouwen. Zij hebben een mesje in den vorm van een
+dolk: aan houten gevest een houten kling waaraan een smal ijzer scherpte geeft. Dit dolkje houden zij in de rechterhand, met
+twee vingers aan weerskanten van de greep, en den duim vrij, om den halm, dien zij met de linkerhand omvatten, tegen het lemmet
+aan te drukken. Z&oacute;&oacute;, alsof zij een ruiker zochten, die zij bloem voor bloem garen en bijeenhouden in den gebogen linkerarm,
+gaan zij langzaam door het veld. Boven het schurende geruisch van de dorre halmen waarlangs zij heen strijken, klinken hun
+stemmen in een zacht-vroolijk gegons. Zoo bont als vlinders zijn zij om te zien in hun kleurige kleedij, zoo tevreden-druk
+als bijen. Het is hun eigen voedsel dat zij halen. Want zij worden betaald, straks, niet in geld, maar in rijst. Van elke
+vijftien bossen in de eene dessa, van elke tien in de andere is &eacute;&eacute;n voor den oogster. De gezinnen van de pluksters brengen
+hun bossen samen ieder op zijn eigen plek; men moet zien hoe zij ze daar behandelen en schikken. Zij komen er aan, den arm
+vol aren; zuiver-geel, zwaar, zacht-ineengezegen hangt de volle <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span>schoof. Met een handige beweging grijpen zij haar wringend aan, terwijl zij een koord van halmen er om heen slaan; en zoo
+sierlijk als hadden zij een ruiker in de hand, kappen zij de korte stelen gelijk, geven er nog een paar lichte slagen tegen
+aan, met de vlakke hand, en zetten het schootje op een rij bij de andere, die daar staan te blinken, in het midden dun, boven
+en beneden breed van schuins uitspreidende aren en stengeleinden. Hun heele gedrag is dat van menschen die met liefde iets
+doen wat zij heel pleizierig vinden. Van de spanning die zoo sterk te voorschijn komt in den oogst van het Westen, onder de
+sikkel-zwaaiende mannen, en diep naar den grond bukkende vrouwen, is hier niets te zien. Er is gezegd, dat tijd gewonnen zou
+worden als de Javaan ook de sikkel gebruikte, en men heeft zich met afkeuring er over verbaasd dat hij het niet wilde. Maar
+een goede reden voor dien onwil is duidelijk. Dit met de hand plukken eischt een menigte handen, en elk van die handen beurt
+loon. Het gebruik van een sikkel zou de overgroote menigte buiten werk en loon stellen. Een bijkomstige reden is, dat de Javaan
+het stroo laat staan, omdat hij er geen gebruik voor heeft. Met de hand kan de halm korter onder de aar afgesneden worden
+dan met een sikkel zou kunnen. Aan zulke practische redenen geeft de &#8220;adat&#8221; de wijding van traditie en godsdienstig gevoel:
+en daarmee is de gewoonte onaantastbaar geworden.
+
+</p>
+<p>Naarmate de vrouwen hun bossen aanbrengen dragen de mannen die naar den berm van den weg. Daar komt straks de eigenaar om
+ze te tellen. Al dunner en bleeker wordt het veld, al blinkender de berm. De oogsters gaan zitten tusschen hun bossen. Een
+sukkeldravende marskramer, die uit de verte al de drukte ontwaard heeft, komt er bij met zijn schommelende kastje vol vruchtenstroop
+en rijstkoekjes. Een paar buffelkarren wachten op hun vracht van <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>schooven. Eenige &#8220;sadoo&#8217;s&#8221;&#8212;dos-&agrave;-dos heette oorspronkelijk het tweewielige door een hit getrokken voertuigje&#8212;staan te wachten
+op mogelijke klanten, de boomen op den grond, het hitje los, en grazend hier of daar in de schaduw. Het is een vertier als
+op een pasar, langs den kant van het veld, tot de eigenaar bezien en nageteld heeft, en ieder van de oogsters met zijn deel
+rijst naar huis gaat. De mannen dragen de bossen twee aan twee over een stok hangend, of opgestapeld in een soort aan het
+juk hangende kooien, zoo hoog en breed, dat de drager verdwijnt tusschen de schommelende gouden schelven. De vrouwen tassen
+ze op in de breed-uitgehaalde slendang, en torsen tusschen arm en heup. Thuis gekomen spreiden zij de bossen uit om te drogen.
+En in de middagzon is het een geschitter van fijnstralig en rondfonkelend goud, waarheen men ziet. De voorerven van alle huisjes
+liggen overspreid met halmen. Wie aan zijn erf geen ruimte genoeg had, is op het dak van zijn huis geklommen en heeft de aren
+gestrooid over het in de zon blakerende riet. En een ander weer heeft zijn rijst naar den grooten weg gedragen. De prachtige
+rijkdomskleur verguldt de bermen, den kant van de waterleiding, de bruggen, en tot zelfs de baan tusschen de rails van de
+stoomtram toe. Naakte, rondbuikige kinders houden er de wacht bij, spelend onderwijl met vlieger-oplaten.
+
+</p>
+<p>Het is een bekoorlijk gezicht, al dat jonge goedje midden in het blinkend voedsel. En moeilijk zich te verweren tegen de betooverende
+voorstelling, dat daar voor onze oogen het Leven groeit, korrels uit de aarde, menschjes uit de korrels, in een overvloed
+die, onuitputtelijk, altijd-door zich vernieuwen zal. De schijn is zoo schoon! Maar de werkelijkheid ligt geheel anders, er
+naast. Rondom de afgeoogste velden staan er andere nog hoog in het gewas. Daar <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>staan de halmen dun tusschen woekerend onkruid. Plekken vaal groen, in het geel, voren en kuilen van laag-gebleven groeisel
+tusschen het hoog-opgeschotene toonen waar de grond verarmd is, waar het voedende water niet is gekomen, waar na de verstopping
+een plotselinge overstrooming van de leidingen het verderfelijke vulcaanzand heeft uitgestort, dat sedert de groote uitbarsting
+van 1902 onstelpbaar afvloeit van den Kloet. Hier en daar komen ook de fouten aan den dag, door den boer bij de bewerking
+begaan. Het land is ondiep geploegd; hij heeft, om den lagen prijs, slechte rijst genomen om uit te zaaien; de jonge planten
+zijn te lang op de kweekbedding gelaten en bij het overplanten op het rijstveld niet ingekort. Aan parallel loopende strepen
+van donkerder groen is te zien waar de mest nagewerkt heeft, die de suikerplanter het vorige jaar, toen hij den akker in huur
+had, aanbracht in de plantgeulen van het riet, een verrijking van den grond, waar de boer zijn rijst op teren laat, zonder
+er verder iets bij te voegen. Niet anders dan een magere oogst kan hier gehaald. En zullen de boeren zelfs dat weinige in
+de schuur bergen? Van den eersten oogstdag af al hebben de karren der Chineesche opkoopers zwaar geladen langs den weg gereden.
+Wat daar op lag was de oogst van z&oacute;o en z&oacute;o veel kleine boeren, de dubbele en <span class="corr" id="xd0e429" title="Bron: driebubbele">driedubbele</span> waarde van het &#8220;voorschot&#8221; dat de woekeraar hun aanbood, drie maanden geleden, toen zij geld noodig hadden voor de belasting,
+voor zaai-rijst, voor den slamettan ter wijding van het werkbegin, voor de afdoening van schuld van verleden jaar, voor de
+honderd en een dingen waarvoor een Javaan altijd in geldnood zit. En die oogst gaat naar de stad, <span class="corr" id="xd0e432" title="Bron: wachten">wachtend</span> op den tijd van schaarschte en hooge prijzen. Er zal niet veel van terugkomen in kleine boerenhuisjes.
+
+</p>
+<p>Hoeveel komt daar eigenlijk? hoeveel Javaansche <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span>rijst? Is het overvloedig? Is het zelfs maar genoeg? Op geen millioenen pikols na. Invoer in Java en Madoera, over 1907, aan
+gepelde rijst voor een waarde van bijna tien millioen gulden.<a class="noteref" id="xd0e439src" href="#xd0e439">1</a> Invoer in het achterland van <span class="corr" id="xd0e442" title="Bron: Soerabaya">Soerabaja</span> alleen, gedurende 1909, aan rijst uit Saigon en Rangoon voornamelijk, een hoeveelheid van ruim 2 millioen pikols; invoer
+in 1910, toen de oogst bijzonder slecht was, omtrent 4&frac12; millioen pikols, voor een bedrag van tusschen 22 en 25 millioen,<a class="noteref" id="xd0e445src" href="#xd0e445">2</a> voor deze streek alleen. Inplaats van den schijnbaren overvloed is er een verschrikkelijk tekort.
+
+</p>
+<p>Hoe zal dat te beteren zijn?
+
+</p>
+<p>Van Karel Holle, &#8220;den vriend van den landman&#8221; wordt, onder vele andere verhalen, dit gedaan: de boeren zijner streek, gewoon
+hem in alles om hulp en raad te vragen, kwamen op een goeden dag bij hem met de bede hun toch het machtige toovermiddel te
+openbaren, waardoor zijn velden zooveel rijker oogst droegen dan de hunne. Toen toonde hij hun een zilverstuk.
+
+</p>
+<p>Zilver voor landbouw-onderwijs, zilver voor landbouw-crediet, zilver voor irrigatie vooral, <span class="letterspaced">zilver genoeg</span>, met dat toovermiddel ware de schoone schijn van Java&#8217;s rijkdom wel te hertooveren in een schooner werkelijkheid.
+
+</p>
+<p>Maar totdat die talisman wordt aangewend....
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e439src" id="xd0e439">1</a></span> Handboek van Insulinde, door D. van Hinloopen Labberton, &#402;&nbsp;9,738,000.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e445src" id="xd0e445">2</a></span> Verslag van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Soerabaja over het jaar 1910.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Sultans-Land</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>e Sultan van Djokjakarta huwt zes van zijn dochters uit. Sedert het begin van de feestelijkheden stroomt het van feestvierders
+naar de hoofdstad, uit het sultanaat niet alleen en uit het andere vorstenland, Soerakarta, maar uit al de omliggende residenties,
+Madioen, Kediri, de Kedoe. Dat is een geregelde, aanhoudende, geluidlooze beweging van honderden en honderden en honderden
+donkere, donker-gekleede, gedempt-sprekende menschen, al maar de breede tamarindenlaan langs, die van het station naar het
+hart der stad gaat. De Westerlingen verdwijnen te eenenmaal voor de oogen en voor de gedachte. Zij zijn er niet meer. Daar
+staan langs den weg wel groote witte huizen, daar staan, in lange rijen, de winkels, daar staat, met hooge pijlers en blinkenden
+marmeren vloer, de societeit; en diep in, achter de twee reusachtige waringins van den ingang en een wijden tuin vol grauwe
+godenbeelden, het residentie-gebouw: maar zij lijken daar slechts te staan ter wille van den donkeren menschenstroom, z&oacute;o
+als hooge dijken staan langs een rivier. De dijken zijn er, dat is goed, maar daaraan denken wij verder niet, we zien naar
+de rivier.
+
+</p>
+<p>Het zwaarst en het langzaamst stuwt de stroom <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span>langs den grooten weg d&aacute;ar waar de passar gehouden wordt. Het feest is tegelijk een marktgang. Het boerenvolk van den omtrek
+komt verkoopen en koopen op de hoofdplaats. De rijst, de vruchten, de kippen en duiven, die ze in bengelende korven, aan een
+zwiependen bamboestaak, in de slendang, op de <span class="letterspaced">achterover</span> gebogen hand hebben meegedragen van huis, worden in den loop van den ochtend centen en dubbeltjes, en voor de middag om is,
+feest-tooi. Koopers en verkoopers, druk aan het toonen, bekijken, loven en bieden, houden op telkens als er midden op den
+breeden weg, uit de verte al aangekondigd door den glimp van vergulden pajong, een kratonbewoner of aanzienlijk gast van den
+Sultan nadert.
+
+</p>
+<p>Bij menigten komen zij. Het zijn de leenmannen van den suzerein, houders van apanage-gronden, hoofden van districten, van
+dorpen, van gehuchten, tot wier leen-plicht en hulde het behoort op de feesten van den leenheer te verschijnen met gevolg
+en geschenken. Zij toonen hun rang in den breederen of smalleren gouden rand van den pajong, dien een dienaar hun boven &#8217;t
+hoofd houdt en in &#8217;t aantal hunner volgelingen; hun rijkdom in hun juweelen-tooi en de pracht van de kris die zij op den rug
+dragen, schuins door den gordel gestoken, z&oacute;o dat het korte buis er door opgelicht wordt. Hoogmoedig, met een strakken blik
+voor zich ziende, gaan zij door de menigte, die rechts en links voor hen uitwijkt. Zij hebben een ander type dan het geringe
+volk, het type van den Hindoe: lang gezicht, hoogen, scherp gebogen neus, gelige tint. In blik en houding toonen zij den trots
+van hun afkomst, al deze edelen, wier voorouders, voor vijftien eeuwen met die van den Sultan als veroveraars op Java gekomen
+zijn. De minste zoo goed als de machtigste onder hen is in deze dagen des Sultans gast in den Kraton.
+<span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span></p>
+<p>Het Sultans-verblijf ligt hoog-ommuurd, als een stad in de stad. Het groote voor-plein, van den hoofdingang uit te overzien,
+is wijd als een veld. De waringinboomen, in onafgebroken rij langs de vier zijden van het vierkant staande&#8212;zij zijn geschoren
+en behouwen tot het fatsoen van reusachtige staatsie-pajongs, natuur-dingen, herschapen tot verheerlijking van den vorst&#8212;de
+geweldige waringinboomen lijken klein in die ruimte. Maar die ontzaglijke verhouding is het eenige dat den indruk van vorstelijkheid
+geeft. Wat achter de waringin-rijen te zien komt aan gebouwen is armoedig. Gebouwen is te aanzienlijk een woord voor die wanden
+van bamboe en daken van blad, die de bewakers van poort en plein beschutten. En wat achter een tweede poort en tweede plein
+te zien komt is weinig deftiger. Het geheel doet eer denken aan een geringe stadswijk dan aan de omgeving van een vorsten-woon.
+
+</p>
+<p>Dat belet den inlander niet, den Kraton te beschouwen met een tegelijk verheerlijkenden en vreesachtigen eerbied. En inderdaad
+heeft hij daar ook reden toe: het onoogelijke gewar van vele huisjes, muren, pleintjes, nauwe straten omsluit den Bezitter
+van al het hunne. De grond van Djokja is het eigendom van den Sultan. Volkomen als een middeleeuwsch vorst in Europa, en nog
+machtiger zelfs dan die, in dit opzicht dat geen geestelijke macht tegenover hem staat, zooals de kerk stond tegenover de
+koningen van den feodalen tijd, is hij <i>de</i> groot-grondbezitter, de eenige. Alle andere bezit is van het zijne afgeleid, voorwaardelijk, tijdelijk. Dat weet de &#8220;gogol,&#8221;
+de kleine man, de boer. En tegenover die wetenschap&#8212;en ervaring!&#8212;beduidt het voor hem al zeer weinig&#8212;zelfs als hij het werkelijk
+<span class="letterspaced">weet</span>, wat betwijfeld mag, in zoover &#8220;weten&#8221; gelijkgesteld wordt met begrijpen en conclusie trekken&#8212;beduidt het voor <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>hem weinig of niets dat de politieke macht van den Sultan niet meer is dan een al haast weggekrompen schaduw. De economische
+houdt hem in dienstbaarheid van dat hij geboren wordt totdat hij sterft. Niet zijn geld&#8212;want geld heeft hij niet&#8212;maar zijn
+arbeid en de arbeid van zijn vrouw en de arbeid van zijn kinderen, is des Sultans, door middel van al de vazallen die langs
+een lange afdalende reeks grond van den Sultan &#8220;in leen&#8221; hebben. Hij wordt voor dien arbeid betaald, alweer in grond: de Hollandsche
+ondernemer, suiker-planter of tabaks-bouwer<a class="noteref" id="xd0e492src" href="#xd0e492">1</a> of de Javaansche apanage-houder voor wien hij werkt, staat hem dien af, juist z&oacute;oveel als hem, met hulp van zijn heele gezin,
+en bijverdienstetjes hier en ginder, in het leven kan houden. De oogst van al het overige gaat langs de weer opklimmende reeks
+van dorpshoofden, ondernemers of apanage-houders, regenten, toemeng-goens, edelen, prinsen van allerlei rang naar den Kandjeng
+Sultan Hamangkoe Boewana, den &#8220;Drager der Wereld.&#8221;
+
+</p>
+<p>De inkomsten van het Sultanaat bedragen (met inbegrip van de rijkskas) vier millioen: die van den Sultan persoonlijk een millioen
+ongeveer. De Ratoe (de wettige gemalin), de kroonprins en trouwens al de leden der uitgebreide vorstenfamilie hebben, naar
+gelang van hun rang, eigen inkomsten uit de landen waarmee zij door den Sultan, of door diens &#8220;minister der domeinen&#8221; Mangko
+Boemi, den &#8220;Drager van den Grond&#8221; beleend worden. Dat niettemin de <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span>omgeving van den vorst zoo schamel is, valt te begrijpen, door wie bedenkt, ten eerste hoeveel geld er achterblijft in hoevele
+van die vele handen tusschen de gevende van den kleinen boer en de ontvangende van den Sultan uitgestrekt; en ten tweede,
+hoeveel monden hun dagelijksch voedsel en hoeveel lichamen kleeding en huisvesting uit die vorstelijke hand verwachten. De
+inlander of ook wel de halfbloed&#8212;welk een menigte van menigten Indo-Europeanen zijn er te Djokja!&#8212;zal den vreemdeling, trotsch,
+zeggen: &#8220;Er wonen tienduizend menschen, mannen, vrouwen en kinderen, in den Kraton.&#8221; Een ambtenaar van het binnenlandsch bestuur,
+uitstekend kenner van Djokjasche toestanden, zegt mij: Vierduizend. Vierduizend&#8212;dat is een gezin dat wel eenige honderdduizenden
+in het jaar vereten, verkleeden, verwonen kan, zonder het bijzonder weelderig te doen....
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik is het groote gezin bezig zich te tooien voor de bruiloft; zes dochters van het gezinshoofd. In de kleine
+huisjes zitten overal mannen en vrouwen te naaien aan sitsen badjoe&#8217;s&#8212;zwart sits met blauwe bloemen en groene bladers is het
+in &eacute;en wijk, rood-en-geel sits in een andere, en verderop rose, en lichtgroen, en paarsig; iedere prins kleedt zijn gevolg
+van dienaren in eenzelfde kleur. Het zal vroolijk staan in den grooten optocht. De tienduizenden uit het Sultanaat, uit Soerakarta,
+Kediri, Madioen, de Kedoe verheugen zich daarop.
+
+</p>
+<p>De Djokjasche societeit staat aan den viersprong van breede, prachtig door waringin- en tamarindeloover overhangen lanen,
+waar de weg langs gaat van den Danoeredjon, het verblijf van den rijksbestierder, naar den kraton. De stoet zal straks voorbijkomen,
+die van den Danoeradjon, waar de zes bruidegoms te gast zijn bij den Rijksbestierder, de huwelijksgeschenken naar de Sultansdochters
+in den <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span>kraton brengt. Op het bordes van het witte gebouw zit een groepje Hollanders, mannen en vrouwen in witte kleeren. Aan den
+overkant van den weg, tusschen de geweldige waringin-stammen, is het een glooi&iuml;ng van bruine zwartoogde gezichten, van den
+grond op waar de kinders tegen elkander aangedrongen zitten, tot de hoogte van de achterste der op vijf, zes, zeven rijen
+achter elkander staande volwassenen, duizenden en duizenden die haast roerloos wachten. Tusschen dat brokje wit en die lange
+helling bruin door bewegen groepjes kratonbedienden, volk van den pasar vlak bij, en nu en dan een ruiter, of een rijtuig
+waarin zorgvuldig gekleede Javanen hoogmoedig in blik en houding zitten, achter wie een dienaar een vergulden pajong gesloten
+opgericht houdt: het zijn familieleden van den Sultan op weg naar den Danoeredjon, waar de stoet opgesteld zal worden. De
+onafhankelijke prins, Pakoe Alam, is met zijn vrouw en zijn zusters in de societeit, en kijkt met de Hollanders toe. Er wordt
+verteld dat de Sultan hem zijn Hollanders-manieren, zijn wit-linnen pak, zijn zuiver Hollandsch op de Hoogere Burgerschool
+geleerd, en zijn automobiel zeer kwalijk neemt; en dat hij zich daar weinig aan stoort. Sedert een uur ongeveer zijn aldoor
+troepjes voorbijgekomen, die straks deel zullen uitmaken van den stoet. Vrouwen in zijden kabaia&#8217;s en met fonkelende sieradi&euml;n
+op de borst en in den zwarten glimmenden haarknoop, die op zilveren presenteerblaadjes met een lap fluweel of zijde toegedekte
+kostbaarheden dragen; lange reeksen kraton-bedienden, voorafgegaan door twee aan twee onder een kleurigen pajong wandelende
+hoogere beambten, die een groenen triomfboog van saamgesnoerde en versierde stengels suikerriet dragen, en in sierlijke potten
+allerlei gewas: rijst, sirih, terong (aubergine), ketela, tabak, in verzinnebeelding van den wensch, dat het aan <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span>de dingen van dagelijksche behoefte en genot den jonggehuwden nooit moge ontbreken. De bedienden hebben boven den donkeren
+sarong&#8212;niet anders dan bruin in velerlei schakeering wordt in de Vorstenlanden gedragen&#8212;bonte baadjes aan van sits, rood,
+rose, geel, fel groen, gebloemd op zwarten grond. De beambten in het zwart dragen den &#8220;koeloek,&#8221; het staatsie-hoofddeksel,
+een afgeknotten kegel, soms glimmend zwart of glimmend vuurrood gelakt, soms kleurloos en doorzichtig: daar hangt het haar
+in een wrong en lossen sliert of sierlijk gedraaiden krul onder uit.
+
+</p>
+<p>Achter de dragers der symbolische planten komen er die in op een baar staande of aan draagstokken hangende huisjes&#8212;huisjes
+met deur en vensters en een dak, zoo geschilderd, dat het met roode pannen gedekt lijkt,&#8212;allerlei keukengerei dragen: sierlijk
+gevlochten mandwerk, aarden potten, pannen, kruiken, en zoowaar, allernuchterst grijs-ge&euml;mailleerd goed, tot zelfs een ketel
+op een petroleumtoestel toe. De prijzen hangen er nog aan. Een stem uit de groep Hollanders zegt: &#8220;Dat gaat overmorgen terug
+naar den winkel: de gewone afspraak.&#8221; Twee ganzen in een kooi, die met halfgespreide vlerken hun evenwicht probeeren te houden
+tegen het geschommel in, komen achteraan: en daarachter een heele rij mannen met leege kooien over het hoofd gestelpt: woningen
+voor de duiven, die in geen Javaansch heem ontbreken mogen. Na een poos verschijnen muzikanten: op sierlijke stellages dragen
+zij gamelan-speeltuig. In telkens andere wanorde, zooals het toeval het heeft geschikt, komen zes maal achtereen dergelijke
+groepen, de zes afdeelingen die den stoet zullen samenstellen, voorbij. Een half uur nadat de laatste verdwenen is, komt,
+pajong-dragers voorop, de geordende optocht uit de richting van den Danoeredjon er aan. <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>Vroolijk van al dat blauw, paars, rozerood, vermiljoen, groen, oranje, geel, dat getemperd en in onderlinge overeenstemming
+wordt gebracht door het stemmige bruin van de sarongs, en waarboven, gouden, hier en daar een pajong schittert, beweegt de
+bonte stoet door lommer en licht. Er boven uit, als bootjes op een kleurigen stroom, varen de drie groen-en-gouden draagstoelen
+der bruidegoms-zusters en -nichten, die, als afgezanten, de geschenken gaan aanbieden aan de bruiden. Door de glazen wanden
+komt maar even een glimp te zien van hun zacht-kleurige kleedij, en van het getintel van goud en edelsteenen overal op hen.
+De laatste draagstoel is voorbij. De stoet wordt onregelmatig: kinders loopen nieuwsgierig er tusschen door: de vrouwen lachen
+en babbelen. Onder de mannen zijn er die, bedaard, een strootje opsteken, terwijl zij, even, het met roodpannen-dak beschilderde
+huisje, het petroleum-stel, den ketel van grijs email, of de kooi met de waggelende ganzen, neerzetten op den weg. Met al
+zijn symbolen wordt de stoet zelf een symbool, in zijn staatsie, geleenden pronk, namaak van Westersche dingen, nalatigheid
+en wanorde een symbool van Vorstenlandsche toestanden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In den kraton wordt &#8220;de Ontmoeting der Bruiden en Bruidegoms&#8221; plechtig gevierd. Het feest is in &#8220;de Gouden Troonzaal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat verrassing na de gore armoe der buitenwijken, die kern van pracht in het Sultansverblijf!
+
+</p>
+<p>De &#8220;zaal&#8221; is een &#8220;pendoppo,&#8221; zooals ook door mindere hoofden, bij welgestelde loerahs zelfs, gebouwd wordt voor ontvangst
+van gasten: maar in het prachtige. Een marmeren, rondom met treden oprijzende vloer; gebeeldhouwde, beschilderde en vergulde
+<span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>pijlers; en een koepeldak dat prachtig rood en goud uitstraalt van een gouden hoogte. De gouden troonzetel van den Sultan,
+waarnaast de vergulde leuningstoel staat van den resident, glanst in het midden van al dat wit en rood en goud. En de sultan
+zelf is niettegenstaande de somberte van zijn kleedij een enkele flikkering, zooveel goud en edelgesteente hangt hem om hoofddoek
+en kris-scheede, op de borst, om den hals, aan de vingers. Door de spiegelglazen wanden der troonzaal heen flikkert bont als
+een zwerm kapellen op een bloembed een geheele schaar kleine meisjes, op den marmeren vloer van een tweede, lager gelegen
+zaal neergehurkt, de jonge zustertjes van de bruiden, wel vijftien of twintig, prachtig in feesttooi, armen en schouders bloot,
+en behangen met kleinoodi&euml;n, de kleine gezichten beschilderd en omlijst door scherpe punten van het weggeschoren en bijgeschilderd
+haar, waarvan de wrong, hoog tegen het achterhoofd, overspannen is door zilveren netwerk, en vlak in het midden beprijkt met
+een scharlakenroode bloem.
+
+</p>
+<p>Achter die tweede marmeren zaal gaan weer treden omhoog naar een derde, op den achtergrond waarvan in nissen tusschen rood
+en gouden wanden, twee staatsiebedden schemeren, met zijden kussens bespreid. Een leger dienende vrouwen, ook met ontbloote
+armen<span class="corr" id="xd0e523" title="Bron: -"></span> en schouders en sarong hoog gegordeld onder zijden boezemkleed, zit op gekruiste beenen langs den rechterwand der zaal. In
+het midden, tusschen de twee praalbedden, in een schijn van heel zachtgekleurde en glanzige stoffen, zijn al de oudere, getrouwde
+zusters bijeen; weder een twintig wel. En links, alleen, zitten de zes bruiden, uit de verte te zien als een z&oacute;&oacute; neergestreken
+pauwenvlucht, enkel goud en flonkering.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p056.jpg" alt="Het adellijke bruidspaar zit te prijk." width="720" height="477"><p class="figureHead">Het adellijke bruidspaar zit te prijk.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Er is muziek geweest: het Wilhelmus, het Wien <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>Neerlandsch bloed, met oorverscheurenden wanklank van geweldig geslagen bronzen gamelan-bekkens, van harpen, cithers en Perzische
+viool tusschen trompetgeschetter door. De Sultan is opgestaan en gearmd met den Resident&#8212;zonderling genoeg die zwart-gerokte
+Westerling naast den sarong en hoofddoek en flonkerende kris dragenden Javaan&#8212;naar den opgang der gouden troonzaal gegaan,
+van die achterste zaal uit, waar de zes bruiden, kruipende genaderd, hem de knie hebben gekust.
+
+</p>
+<p>En nu naderen, van den eenen kant de bruiden, ieder tusschen twee oudere zusters, van den anderen de bruidegoms, ieder tusschen
+twee oudere broeders.
+
+</p>
+<p>Het is verblindend, verbijsterend prachtig.
+
+</p>
+<p>Geen vrouwen lijken dat meer, die fonkelende gestalten, die daar zoo langzaam, met neergehouden oogleden, voorbijgaan, maar
+wezens uit een vreemde wereld. Met elke schrede die zij doen, loopen flikkeringen van rood en goud hen van voet tot boezem.
+De uiteinden van een somber-blauwe, van glanzen zilver en brons doorspeelde sjerp, die van achteren in rond-uitstaande plooi&iuml;ng
+bochtig onder het middel hangt, zijn van voren over elkaar geslagen, en maken een lichte fladder-beweging voor hun knie&euml;n.
+Een snoer van bloemen en lichtgroene bladers hangt daar luchtig over heen. Boven het met goud beschilderde boezemkleed van
+purperen zij, hangen op de geelgezalfde en bepoederde borst, in haar geheele breedte haar bedekkend, drie halve manen van
+in zilver gevatte diamanten, de eene boven de andere. Aan weerszij van het beschilderde gezicht, strak als een masker, stralen
+zilveren en diamanten oorsieraden, als vleugels gespreid en afstaande. Een lichtgroene aigrette siddert op het hoofd. En aan
+de strak neergehouden armen en aan de handen, in de handen der geleidende zusters gevat, pralen spangen, banden, ringen, van
+<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span>de schouders af tot aan de spitsen der vingers toe.
+
+</p>
+<p>De bruigoms, die hen tegemoet komen, naakt van hals tot gordel, en met gelijken tooi van ringen, armspangen en diamanten trits
+van halve manen op de borst behangen, dragen prachtige krissen en een hoofd-sieraad, half helm, half fantastische kroon. Vlak
+tegenover elkander houden zij stil: zes bruiden tusschen twaalf zusters, zes bruigoms tusschen twaalf broeders: zij schijnen
+afgodsbeelden te midden van dienende priesters. Een lichte beweging gaat opeens langs de roerlooze rij: de acolyten hebben
+bruiden en bruigoms elk een klein voorwerp in de hand gegeven. Het is een peperhuisje van pisang-blad gedraaid, dat de bestanddeelen
+bevat van de sirih-pruim. Zonder de oogen op te heffen werpen de paren het elkander toe. Dan bukken de bruigoms en bieden
+uit een voor hen neergezette schaal hun bruid rijst aan: een zinnebeeld van de gemeenschappelijke maaltijden van nu aan.
+
+</p>
+<p>Zij wijken terug van elkaar. De Sultan treedt tusschen bruiden en bruigoms. Dan komt de hoogste in rang naar voren, Joedonegoro,
+die de aangenomen zoon van den Sultan is, en omvat zijn bruid. Zijn broeder treedt naast hem. Te samen beuren zij haar op
+en dragen haar naar de poort van den Kraton. De andere volgen, iedere bruid door bruigom en bruigoms-broeder gedragen. De
+kleine zustertjes wachten bij de draagstoelen, waarnaast aan weerskanten tien in het rood gedoste dragers staan. Bruiden en
+bruidsmeisjes worden er in getild. En de stoet verdwijnt, de donkere poorten uit.
+
+</p>
+<p>De menigte toeschouwers gaat, zonder eenig gerucht te maken, uiteen. De Hollanders zoeken hun rijtuigen te bereiken zonder
+bespat te worden door de modder en de plassen, die de stortregen van dezen ochtend op het voorplein heeft achtergelaten. En
+<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span>een enkele haast zich om nog eens, van de societeit uit, den stoet te zien van de gasten die straks deel zullen nemen aan
+het feestmaal in den Danoeredjon, en den dans zullen zien dien de dansers van den Sultan daar opvoeren.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Het eigenaardige van Djokja is, dat men er niet aan went. Integendeel. Hoe langer men deze stad bekijkt, hoe meer vreemde,
+onverwachte, verwonderlijke dingen men er vindt. Niet onder de Hollandsche bevolking alleen, hoewel daar waarlijk ook genoeg!
+noch zelfs onder de Indo-Europeesche, hoewel d&aacute;&aacute;r van een soort waarvan men de wedergade zou moeten zoeken, (barok als het
+klinkt) in verhalen van Gogol of Turgenjew. Maar onder de Javaansche bevolking. Het Djokja van de Djokjaneezen. Dat is het
+verwonderlijkste van alles. De wonderlijkheid zit voor een deel hierin, dat in de geheele, een zeventig duizend bewoners bergende
+stad, maar twee&euml;rlei menschen wonen en die van de onderling scherpst contrasteerende klassen der maatschappij: namelijk vorsten
+met hun omgeving, en arm volk. Wat overal elders op de wereld tusschen die twee uitersten verbindend leeft, bestaat hier &ograve;f
+niet, &ograve;f alleen in een vorm waarvan men aarzelt te zeggen of het er een van worden is of van vergaan. In de verre middeleeuwen
+hebben, misschien in een of ander handwerk bedreven hoorigen, die van tijd tot tijd hun werk ruilden met dat van de hoorigen
+van een anderen gebieder, z&oacute;&oacute; om een kasteel heen gewoond als ambachtsvolk en kleine handeldrijvenden hier in Djokja om den
+kraton. Die vergelijking zal maken wie het stadsvolk beschouwt als verkeerende in een staat van wording, met feodale toestanden
+achter en burgerlijke v&oacute;&oacute;r zich. En hij <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>zal de drukte op den passar aanzien voor een teeken van al sterker wordend handelsvertier.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p060.jpg" alt="Danseressen van den Sultan voeren een dramatischen dans uit." width="503" height="695"><p class="figureHead">Danseressen van den Sultan voeren een dramatischen dans uit.</p>
+<p>Uitgave van Ingen.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Die passar, midden in de stad, aan een breede, door prachtige tamarinden beschaduwde laan, is een plek van altijd hernieuwde
+bekoring. Telkens anders en telkens weder even mooi. In den half-donker van de lange loodsen en op de fel-bezonde paden daar
+tusschen, waar de duizenden koopers en kramers ordelijk verdeeld blijven, is het aldoor een blinken en verschieten van kleuren,
+een wemelend voorbijglijden van bewegingen, gezichten die lachen en ernstig worden, gestalten die, bukkend, aandragen met
+altijd meer koopwaar. Verschillende ruimten zijn bestemd voor verschillende waar. Langs den straatweg, als ware het de zoom
+van den passar, zit in een lange rij het volk der marskramers. Netjes geschikt op een gevlochten mat, stallen zij hun garen
+en band uit, kammen, zeep, knoopen, den gewonen inhoud ook van een Westerlingen-mars; en tabak, inlandsche tabak, door Javanen
+geteeld. Maar achter dien zoom beginnen de verschillende wijken van de markt, de groepen loodsen voor een en dezelfde waar
+bestemd. In het Hollandsch en in het Javaansch staat het boven den ingang geschreven: vleesch, groenten, vruchten, visch,
+geweven goederen, ijzerwerk. Vaste gewoonte, schijnt het, vult aan waar administratieve voorzorg te kort is geschoten, en
+vogels van gelijke pluimage betrekken gelijk verblijf. De goudsmeden en handelaars in juweelen zitten in &eacute;&eacute;n loods bij elkaar,
+en bij elkaar de Britsch-Indi&euml;rs met hun balen zij en hun borduurwerk van goud op fluweel, en de vogelverkoopers hebben allen
+aan den uithoek van de markt bij de brug, hun rijen kooien opgehangen, waarin rijstdiefjes, dwerg-papagaaien, beo&#8217;s en vooral
+honderden duiven zich zitten te nebben in den zonneschijn. Hier is het altijd druk. Want een duif mag op geen <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span>Javaansch erf ontbreken; haar gekir brengt immers geluk aan! En liefhebbers van duiven-wedstrijden hurken in kringen om de
+neergezette kooi, waar de koopman een vogel in wijst, die hoog vliegen, of in bijzonder diepe en krachtige tonen koeren kan.
+De markt-drentelaars komen hier bijeen in getale. De duiven gaan van hand tot hand, betast, geaaid, bekeken, gecritiseerd.
+Een waronghouder loopt er tusschen door met glazen geschaafd ijs, waarop vruchtennat is gegoten, rijst in zakjes van pisang-blad
+gekookt, en sigaretten. Er wordt veel verhaald, veel gebluft en veel, met groote heftigheid, tegengesproken.
+
+</p>
+<p>Vrouwen ziet men hier zelden of nooit. Die gaan naar de markt om zaken te doen. Ze komen uit den geheelen omtrek van de stad,
+uit gehuchten tot op twaalf en vijftien kilometer afstands gelegen. Ze zijn in den nacht op weg gegaan, om de koelte, en om
+vroeg te komen, en vijf of zes uren onderweg geweest met een zwaren last op den rug: vruchten, groenten, aardappelen, allerlei
+kweeksel uit de koele heuvelstreek, bloemen van hun eigen erf, zoetigheid pas bereid, gevlochten matjes in rollen, waaronder
+het kleine figuur der draagster verdwijnt, potten, schalen, schenkkannen van rood aardewerk, behoedzaam opgebouwd tot een
+heuvel, die alleen over den weg lijkt te wandelen. Zij komen verkoopen om te koopen. De tros pisangs of de stronk boerekool
+in hun linkerhand verandert in een mandje rijst voor het huishouden, tabak voor den man, garen en naalden voor haar zelve,
+in haar rechter. Daar zijn er die met niet anders dan een paar doer&egrave;n-vruchten in haar slendang komen en met een waarde van
+drie stuivers aan rijst en medicijnen weggaan, en den morgen goed besteed achten, als zij thuis komen, nog juist op tijd om
+voor het middagmaal te zorgen. Om zulke allerkleinstigheidjes gaat het hier.
+<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span></p>
+<p>Er zijn, dat is waar, ook winkeltjes in de stad, door inlanders gehouden. In een afzonderlijke wijk staan ze bij elkaar. Maar
+ook in die winkeltjes is alles gering, klein, schamel. Het zijn wezenlijk &#8220;winkels&#8221; in den oorspronkelijken zin, in een hoekje
+van een aanzienlijker gebouw weggedoken stalletjes. Maar weinig lijken zij op de overvolle blinkende toko&#8217;s der Chineezen
+in de wijk vlak er naast.
+
+</p>
+<p>Met de Javaansche industrie staat het niet anders of beter geschapen. Er is betrekkelijk veel nijverheid in Djokja: maar,
+alweer, van een armelijk, sukkelend slag. In een afzonderlijke wijk bijeen wonen bij voorbeeld kleermakers. Ik kwam door die
+buurt in de week voor de kraton-feesten en herkende ze als de hunne, toen ik in de deur en onder het afdak van al die lage,
+vuile, uit het lood gezakte huisjes mannen zag zitten naaien aan baadjes van allemaal hetzelfde zwarte, groen-en-blauw bebloemde
+sits. In een andere wijk, vrijwel buiten de stad, voor men aan het zonderlinge rood-en-witte gedenkteeken komt dat de een
+of andere sultan voor zijn gemalin heeft opgericht, wonen de batikkers: men ziet de kains en hoofddoeken hangen, in het halfdonker
+der openstaande huizen. Er zijn schoenmakers, timmerlui en schrijnwerkers, vervaardigers van wayang-poppen en dergelijke curiositeiten,
+waarnaar de al veelvuldiger naar Djokja komende vreemdeling vraagt, goud- en zilversmeden, en zelfs een enkele wapensmid,
+die de edele oude kunst van het pamor-smeden uitoefent en een meester is in zijn vak.
+
+</p>
+<p>Maar wat is dat alles arm en klein!
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p064.jpg" alt="De vervaardiger van wayangpoppen beitelt zijn fantastische figuren uit buffelleer." width="523" height="403"><p class="figureHead">De vervaardiger van wayangpoppen beitelt zijn fantastische figuren uit buffelleer<span class="corr" id="xd0e577" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div><p>
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span></p>
+<p>Ik ben in eenige van die huisjes geweest: bij een batikster, een goudsmid, den wapensmid. En overal heb ik hetzelfde gevonden:
+vlijtig werk, gebrekkig werktuig, schamelste verdienste. De batikster mag misschien niet eens medegerekend: zij is een Britsch-Indische
+<span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>en heeft, zoo niet industrieel dan toch commercieel moderne idees. Haar winkel heet &#8220;<span lang="en">The Old <span class="corr" id="xd0e587" title="Bron: Curisiosity">Curiosity</span> Shop</span>.&#8221; (Jawel: wij lezen Dickens weer, tegenwoordig.) Het staat er vol snuisterijen, Javaansche, echte, mooie en ook andere. Maar
+de eigenlijke werkplaats, op het achtererf, daar is het alles op zijn echt Djokjaasch: nauw, donker, een doolhof je van galerijtjes,
+loodsen, potstalletjes, hokken, met een trap op hier en een trap af daar, een paar vrouwen aan den arbeid onder een zonnezeil,
+eenige kuipen met blauwe, bruine en gele verf rondom een put, droogtonnen tusschen djamboe- en sawoe manila-boomen gespannen,
+waaraan ka&iuml;ns, half nog in de was, hangen uit te druipen, en in een trillenden kring van hitte en bleekrooden schijn, een
+houtskool-vuur in steenen komfoor, waarop was staat te smelten. Het verwonderlijke is het mooie werk in zulk een omgeving
+gemaakt.
+
+</p>
+<p>De goudsmid is al niet beter behuisd of ingericht. Met zijn drie helpers zit hij op den vloer van zijn werkplaats achter een
+raampje van bamboestijlen, waardoor het licht maar karig naar binnen komt. In een wonderlijk tafeltje&#8212;geen voet hoog is het
+blad boven den grond&#8212;heeft hij allerlei laadjes en hokjes waar hij goud en zilver, edelsteenen, en de gewichten van zijn goudschaaltje
+in bewaart, die niet anders zijn dan de mooie roode zaadpitten van een zekere klimplant. Zijn helpers komen &#8217;s ochtends op
+de fiets&#8212;hun drie machines staan in een hoek geleund. Maar hij smelt zijn goud en zilver in een aarden kroesje, dat hij op
+een potscherf te midden van gloeiende houtskolen zet; en daar hurkt hij naast om met een waaier-vlagje van gevlochten palm-vezel
+den gloed aan te wakkeren. Door de werkplaats ziet men in zijn huis. Dat de vrouw op orde en een zeker decorum gesteld is,
+blijkt uit het <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span>bescheiden &#8220;praalbed&#8221; in een nis van den muur, een soort bedstede, en waarvoor ook gordijntjes hangen, opgebouwd. Maar niettemin
+is zij in versleten, verschoten kleeren gestoken, en van de kinders is er maar &eacute;&eacute;n gekleed, en dat ten halve enkel, alleen
+met een baadje, waaronder zijn naakte beenen mager te voorschijn komen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p066.jpg" alt="Een blindeman zit zachtjes te spelen op zijn &#8220;retab,&#8221; zijn tweesnarige Perzische viool." width="476" height="625"><p class="figureHead">Een blindeman zit zachtjes te spelen op zijn &#8220;retab,&#8221; zijn tweesnarige Perzische viool.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De wapensmid is, als gezegd, een meester in zijn vak, een man van overge&euml;rfde bekwaamheid. Hij verhaalt u met een rustigen
+trots, dat zijn voorvaderen de wapensmeden waren van de Keizers van Mataram. Zijn zoon, en zijn kleinzoon, die, met een broederszoon,
+zijn helpers zijn in de smidse, zetten de traditie van het geslacht voort. Op het kleine, zware aambeeld, dat de litteekens
+toont van den arbeid van vier generaties, smeedt hij die prachtige krissen, waar op het blauwzwart van het staal het fel-blanke
+nikkel in figuren van bladers, golven, vlammen blinkt. Daar zijn er bij die vorsten worden aangeboden als waardig geschenk.
+En hij werkt even vlijtig, de oude man met zijn zoon en kleinzoon, als vaardiglijk. Niettemin zou hij zijn gezin niet kunnen
+verzorgen, als zijn vrouw niet een bijverdienste aanbracht met het houden van een &#8220;warong&#8221; aan den weg.
+
+</p>
+<p>Zoo staat het met de Djokjasche nijverheid.
+
+</p>
+<p>En van die stoffelijke armoe is een geestelijke het gevolg. Deze ambachtslieden hanteeren hun ambacht als iets doods. Zij
+herhalen tot in het oneindige een paar gegeven voorbeelden. Daar is niet &eacute;&eacute;n batikster die ooit een nieuwe teekening bedenkt.
+De goudsmid maakt oorknoppen en armbanden n&ugrave; precies zooals hij ze twintig jaar geleden gemaakt heeft en over twintig jaar
+nog maken zal. Zelfs de wapensmid houdt zich aan de vijf traditioneele motieven voor de versiering van zijn krissen, en heeft
+nog nooit bedacht of hij ook niet eens wat anders zou kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span>smeden dan die en lans-punten. Gelukkig nog, wanneer de ambachtsman zich aan de Javaansche traditie houdt en niet vervalt
+in de zin-leege navolging van slechte westersche voorbeelden! Heb ik bij den goudsmid geen (vertaalden) Duitschen catalogus
+van armbanden, ringen en broches zien slingeren? &#8220;Geloof, Hoop en Liefde&#8221;&#8212;symbool, anker, kruis en hart vereend, om als kabaja-speld
+te dragen, een briljanten &#8220;sieraad&#8221; in den vorm van een vraagteeken (d&agrave;t suggereerde ten minste een en ander, hoewel dan zeker
+niet-bedoelde dingen) en een dasspeld die een jockey-pet was met een karwats er om heen. En venten de bewerkers van buffelleer
+geen ceintuurs met wayangpoppen beschilderd, langs de hotels, en de batiksters geen (gedrukte) tafelloopers met vergeetmijnietjes
+in de hoeken?
+
+</p>
+<p>De Javaansche koopman is arm.
+
+</p>
+<p>De Javaansche ambachtsman is arm, arm aan het lijf, arm aan de ziel.
+
+</p>
+<p>Zij zijn <span class="corr" id="xd0e613" title="Niet in bron">een </span>arm volkje, wonend in steegjes en krotjes rondom het zwaar-ommuurde verblijf van een van duizenden bloedverwanten en dienaren
+omgeven vorst.
+
+</p>
+<p>Tusschen die twee is niets.
+
+</p>
+<p>N&ograve;g niets?
+
+</p>
+<p>Of niets m&eacute;&eacute;r?
+
+</p>
+<p>D&agrave;t is het wat men zou willen weten.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e492src" id="xd0e492">1</a></span> De Hollander betaalt ook in geld: nl. voor al zulke landbouwverrichtingen als niet begrepen zijn in de oorspronkelijke contracten.
+Deze zijn gesloten in een tijd toen cultuur-methodes veel eenvoudiger waren dan tegenwoordig. Er wordt dus voor allerlei werk&#8212;herhaald
+bemesten, bijvoorbeeld&#8212;bij betaald. Dit o. a. maakt dat de arbeider op Hollandsche ondernemingen er beter aan toe is dan die
+in Javanen-dienst.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Suikerland</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-t.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-t.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">T</span>elkens rijst voor oogen, die zoeken wat de gedachte weet dat te vinden is, de verbergende wand op van heuvelklingen en steilen
+berg. Wie daar boven uit kon stijgen! Wie neer kon kijken op Djokja van de ruime hoogten uit, waar de sperwer spiedend drijft!
+Hij zou het land zien liggen als van donkere berg-eilanden doorbroken, een prachtig-blauwgroene zee, waar her en der, meeuwen
+gelijk, die rustend drijven op een golf, verblindend witte stippen blinken. En begon het te donkeren, dan zou hij de zwartgeworden
+zee overgloord zien van veruitstralende blanke helderheden, zoo vele als hij eerst witte stippen had geteld, en overal tusschen
+die blanke en gestadige glanzen in, rood geflakker, rosse rook, een mist, een dunnen nevel van vuur, dien de wind verdicht
+tot vlammen of uiteendrijft in smeulenden rook; en glimmende vonken zou hij, als levende wezens zeker van hun weg, door brand
+en duisternis heen zien bewegen op de groote blanke licht-eilanden toe. Dan had hij Djokja gezien als suikerland met de witte
+fabrieksschoorsteenen te midden van de blauwgroene riet-tuinen, en, door de duisternis glimmend, de locomotieven van de lange
+treinen, die langs afgeoogste velden, waar heuvels <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>verbranden van dor blad, riet naar de stampende molens dragen. En die schijnbaar zoo van zelf sprekende vereeniging van industrie
+en landbouw, die complexen van fabriek en suikerrietveld ziende, die een heel land innemen, had hij voor eigen oogen gehad
+een ding z&oacute;&oacute; zonderling, dat het wel &eacute;&eacute;nig mag heeten: de vereeniging, zooals zij waarschijnlijk nergens elders op de wereld
+te vinden is, van twintigste-eeuwsche arbeidsmethode en middeleeuwsche heerschappij over grond en menschen. Het wonderlijk
+samengroeisel staat op het punt van een gescheiden te worden. Binnenkort zal het levende deel tot krachtiger ontwikkeling
+gekomen, het afstervende in ontbinding verdwenen zijn. En dan zal wie het niet met eigen oogen zag moeite hebben te gelooven
+dat het ooit bestond, dat ooit een industrie in samenwerking vereenigd heeft gehouden de nieuwste machines uit Hengelo, Amsterdam,
+Halle, Brunswijk, Glasgow, de methodes van het groot-kapitalisme, en het wetenschappelijk onderzoek aan den eenen kant, met,
+aan den anderen, feodaal landbezit en de arbeidskracht van een volk, dat met huis, erf en veld te zamen voor zoo en zooveel
+jaar tegen zoo en zooveel geld gepacht wordt van den vorst als van zijn bezitter.
+
+</p>
+<p>De zonderlinge toestand is een gevolg van overoude oorzaken, en zelf al oud.
+
+</p>
+<p>Overal op Java gold vroeger de vorst als de eigenaar van den grond: maar zijn eigendomsrecht werd beperkt door dat van den
+ontginner. Wie woesten grond maakte tot vruchtbaren, verkreeg daardoor dien grond in eigendom. In de streek die later de Vorstenlanden
+zou heeten, veranderde die toestand ten voordeele van den vorst. Wanneer en door welke oorzaken schijnt niet bekend; maar
+bij hun komst in de streek vonden de Hollanders dien veranderden toestand als een gevestigden en klaarblijkelijk <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>sedert zeer lang reeds heerschenden. In het toen geldende stelsel was de vorst onbeperkt eigenaar van den grond en feitelijk
+onbeperkt eigenaar van de krachten der bewoners. Zij konden niet anders bezitten dan wat hij hun gaf, en in ruil daarvoor
+moesten zij betalen wat hij van hen eischte. Dat was niet minder dan de helft van al het gewas en diensten tot aan de alleruiterste
+grens van hun krachten. Uit dat bezit aan grond en krachten onderhield de vorst zijn dienaren. De leden van zijn familie,
+de machtige edelen, de legeraanvoerders, de bestuurders van gewesten, kortom allen, die, onder welken titel dan ook, een deel
+van zijn gezag uitoefenden, ontvingen een overeenkomstig deel van zijn bezit: land en menschen, waarvan zij echter weer, evenals
+het volk, schatting in oogst en diensten aan hem moesten opbrengen. Van den Soenan af tot op den laagst in rang staanden edelman
+of ambtenaar toe, was er als een trap waarlangs verplichtingen daalden, rechten opklommen. De Sultan had alle rechten en geen
+verplichtingen; zijn laagste vazal enkele rechten en vele verplichtingen; het gemeene volk geene rechten en alle verplichtingen.
+De Oost-Indische Compagnie trad geleidelijk in des Sultans plaats en besnoeide zijn macht ten voordeele van hare eigene, doch
+liet in de hoofdzaak het oude stelsel voortbestaan: van het geheele land, na aftrek van een bepaald gedeelte (&#8533;) als betaling
+van toezicht houdende hoofden, was de helft voor het volk, de helft voor den vorst. Opeenvolgende wijzigingen, waarvan de
+diepst ingrijpende door Daendels en later door Raffles werden aangebracht, lieten altijd nog dit stelsel ongerept. En het
+bleef bestaan toen in de 19de eeuw eindelijk de Hollandsche ondernemer optrad en in de plaats kwam van den Javaanschen edelman
+of ambtenaar, den vorstenvazal. Als aan dezen werd nu aan hem de <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>helft toegewezen van den oogst, door de bevolking geteeld, en als deze had nu hij het recht op arbeid en diensten van den
+boer; als deze ook betaalde hij voor het een en het ander schatting aan den vorst.
+
+</p>
+<p>Het groote onderscheid echter was dit: dat de Hollandsche ondernemer geen rijst behoefde als de Javaansche apanage-houder,
+maar wel arbeid om een voordeeliger product dan rijst te telen. Hij trof daarom een schikking met de boeren. Inplaats van
+rijst zouden zij hem, onbetaald, zooveel arbeid leveren als voldoende zou wezen om de verschuldigde hoeveelheid rijst te telen,
+doch dien arbeid besteden aan de cultuur van suikerriet. Wat daarvoor meer noodig was dan voor rijst, zou hij hun betalen;
+de cultuur van het riet namelijk eischt veel meer arbeid dan die van de rijst. Daar, verder, op tijd en kracht van den boer
+de velerlei diensten die hij onder allerlei benamingen aan den Sultan bewijzen moest, zwaar drukten, kocht de Hollandsche
+ondernemer voor zooveel mogelijk die diensten af. De Sultan nam genoegen met het geld instee van den dienst. En zoo werd de
+rijstbouwer van den Sultan rietbouwer van den fabrikant, verhoudingen uit den tijd van de Hindoevorsten overgebracht op de
+moderne industrie, en de Djokjasche sawahs veranderd in wimpelende riettuinen, waar in de plaats van het wachtershuisje, speelplaats
+van op rijstdiefjes passende kinderen, de fabriek verrees, dreunend van den slag der door een beek gedreven machine. Die fabrieken
+uit het begin der jaren achttienhonderd, klein nog en eenvoudig ingericht, waren het eigendom van &eacute;&eacute;n man, den oprichter.
+Gewoonlijk was het iemand op goed geluk naar Java gegaan&#8212;een koloniaal soms, of een matroos, een enkele maal een Franschman,
+langs allerlei wonderlijke wegen uit de legers van Napoleon zoo ver weg gedwaald; mannen die kwamen zonder <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span>een rooden duit op zak; maar vol goeden moed en durf en inzicht in toestanden en karakters. Zij vonden hun weg naar het hof,
+en, dikwijls, naar de gunst van den Sultan. Er waren er die met dochters uit den Kraton trouwden, en bij wijze van bruidschat
+land in leen kregen: groote fortuinen werden op zulk een grondslag opgebouwd. De teelt van het riet, het maken van de suiker
+kon op een primitieve, weinig-kostbare wijze geschieden; er was nog geen ziekte in het riet, nog geen concurrentie op de markt,
+nog geen dwang van welken aard ook tot vermeerdering van productie en vermindering van uitgaven. Maar ook dat veranderde.
+De slechte jaren kwamen. Wat nu niet mee kon met den nieuwen tijd moest voorgoed achterblijven en ging ten onder.
+
+</p>
+<p>Van de kleine met waterkracht gedreven fabriekjes verdween het laatste. De rijkdom van &eacute;&eacute;n man was niet voldoende voor den
+bouw en de inrichting van de groote nieuwe fabrieken, voor het aanschaffen van de dure nieuwe machines, voor het pachten van
+de groote complexen land. Geheele families werden gezamenlijk eigenaar, vennootschappen, maatschappijen. De aandeelen kwamen
+aan de markt. En wie vandaag deze of gene van de achttien groote fabrieken in Djokja ziet, wier schoorsteenen uit het blauwig
+blinkende rietveld opsteken als uit een zomersche zee een vuurtoren, kan zich vermaken met de gedachte, dat op hetzelfde oogenblik
+misschien de een of andere couponknipper in Amsterdam of Den Haag of Harleveen in den vorm van een strookje papier de hem
+competeerende portie naar zich toe haalt van de schatten, onder dien blinkenden schoorsteen uit dat wimpelende riet te voorschijn
+geperst; en dat de orde-, vrede- en menschlievende Nederlander, zachtzinniglijk aldus knippende, metterdaad zich verklaart
+voor afstammeling-naar-den-gelde en politiek erfgenaam van oude <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span>Djokjasche Sultans en Soenans van Mataram, de verdrukkers, uitzuigers en keelbeulen van hun volk.
+
+</p>
+<p>Wel wonderlijk hangen in deze wonderlijke wereld de dingen aan elkaar....
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Wie in dezen tijd langs Djokjasche wegen gaat, beweegt zich te midden van een gestadig stroomende rivier van riet. Het is
+riet op de lange vrachttreinen, riet op tram-wagons, riet op lorriereeksen, riet op buffelkarren. Het lijkt of de velden zelf
+zijn opgestaan en bewegen. De lucht is vol van den zachten geur, die uit de snede der afgekapte halmen opstijgt. Op de kale
+akkers loopen buffels het lichtgroene kruid af te weiden, dat in den schemerdonker tusschen de hooge stengels is opgegroeid,
+mannen laden een kar vol met afgestroopt blad, waarmee zij het dak van hun huisje in de dessa nieuw gaan dekken, om een brandenden
+hoop afval speelt een bende spiernaakte jongens met het triomfante pleizier dat jongens de heele wereld over in een vuurtje
+hebben. En naast dat afgeoogste veld staan rechts en links andere nog in vollen rijkdom, blinkend en wimpelend; en verderop
+glanzen, laag bij den grond, de akkers, waar het jonge riet, in het begin van het jaar aan stekken in den grond gezet, al
+forsch en bladerrijk staat; en verre weg, tegen de wijkende bruine en roodachtig-paarse hellingen aan, wazen hier en ginder,
+vegen van teeder groen, dat alweer suikerriet is, in de koelte gezaaid en opgekweekt tot het, telkens van een hooger naar
+een lager gelegen veld gebracht, rijp zal wezen voor het planten in de vlakte. En verder weg nog, niet voor het oog zichtbaar
+meer, maar duidelijk genoeg staat het voor de gedachte, groeit het riet van de proefstations, de zorgelijk <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span>behoede, beschutte, begoten en gekoesterde eerstelingen van nieuwe soorten, uit verre streken hierheen gebracht, of gekweekt
+uit de vermenging van de beste der inheemsche rietsoorten. Van zoo ver af begint het al,&#8212;dat bewegen van het riet naar de
+fabriek toe: heel langzaam eerst, met kweeken en stekken; telkens komen de stekken v&aacute;n stekken uit hun verte en hun hoogte
+wat dichter bij de fabriek&#8212;het proefstation, de &#8220;grootmoeder-tuin,&#8221; de &#8220;moeder-tuin,&#8221; de bibit-tuin; dan plotseling omlaag
+de vlakte in, naar het veld, waar de stekken zullen opgroeien tot rijpe planten; dan, na een jaar of veertien maanden, de
+oogst en de snelle stroom naar de fabriek toe.
+
+</p>
+<p>De dagen door golft die stroom, de nachten door. De zon schijnt er op, de maan en de nachtgloor der sterren. Over zijn monding
+in de fabriek gaat het felle electrische licht op, wanneer de zon is ondergegaan over zijn bronnen op de heuvels.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p076.jpg" alt="De stekken zijn opgegroeid tot rijpe planten." width="524" height="695"><p class="figureHead">De stekken zijn opgegroeid tot rijpe planten.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Rondom is de zwarte tropische nacht, de zwarte hemel staat vol sterrengeflikker, immense boomkruinen maken een donkerte midden
+in donkerheid. En te midden van die duisternis, die als een wal ondoordringbaar staat, schittert, als de klaarlichte dag zoo
+wit, de fabriek met haar reeks van stralende ramen en hoog in de lucht zwevende groepen blanke lampen. De passar aan beide
+zijden van den grooten weg en midden op een door boomen omgeven pleintje, waar dozijnen vrouwtjes zitten met uitstallingen
+van allerlei eetwaar; de groepen koelies, op hun hielen gehurkt, die onder praten en gelach en met het rooken van een strootje
+zich verpoozen; de lange rechte straat, aan weerskanten waarvan de witgekalkte employ&eacute;s-huizen staan, elk in zijn bloeiend
+tuintje: dat alles komt met zoo vele en scherpe bijzonderheden uit, als zelfs in den zonneschijn niet. En door <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span>die felle klaarheid beweegt nu de lange trein rietwagens, zwarte wagens, bevracht met achter en voor in een boog afhangende
+halmen-bundels, groene, bruine, paarsige; de grauwe buffels en de roodbonte ossen trekken bedaard stappend. De karrevoerders
+zitten half in slaap: hun beesten kennen den draai van den weg naar de weegbrug. Op het plein bij het pakhuis loopen al buffels
+los: zij grazen nog wat langs den berm, terwijl zij naar stal gaan. Voor de groote fabriekspoort, waar de rails van Decauville-lijnen
+en spoorwegen, elkander kruisend, ruiten van een reusachtig dambord maken, loopen, schijnbaar vanzelf, wagens de fabriek in
+en weer uit, hooggeladen naar binnen, hol en hoekig naar buiten. Koelies loopen duwend en roepend mee. Ze zijn anders dan
+anders, hier en nu. Het meestal onhoorbare volk is luidruchtig. Zij joelen als er een zijn bundel riet onhandig van den wagen
+gooit, als er een uitglijdt op den glibberigen vloer, als een karredrijver zijn ossen niet bijtijds uit den weg kan krijgen.
+Het felle licht, de snelle beweging, het dreunende geluid uit de fabriek, die sterke menschelijke wil die zich doet gelden
+tegenover de donker-stille natuur, heeft hun eigen levenswil gaande gemaakt.
+
+</p>
+<p>In de fabriek staat de molen te zingen met een geweldige stem. Prachtig gaat de klank op uit het ijzer-zwarte en staal-blanke
+gevaarte dat daar staat te draaien met zijn pletterende rol en te dreunen met al zijn platen, krukken, hefboomen, een klank
+als van een orgel waar verschillende registers tegelijk in uitgetrokken zijn, zoo dat de vox humana zingt en ook de bazuinen,
+en een fijne, klare, hooge toon drijft op een dreunende wolk van donkere galmen. De grond-zelf geeft mee met het harmonische
+gedaver. En die menigte van machines, waaraan blinkende dingen bewegen, stangen <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>en krukken opgaan en neer, wielen wentelen, riemen trillen, lijken te bewegen alle op de maat van dat geweldige gezang, het
+gezang van den pletterenden, malenden molen, die, als een reusachtige werkman, overvol van kracht uit volle borst zingt bij
+zijn werk.
+
+</p>
+<p>De molen zingt, de machines draaien en dansen. Het riet komt naar binnen gestroomd, of ook het riet luisterde naar die muziek.
+Hier is de lange groene stroom, op de verre heuvels ontsprongen, aan zijn monding gekomen. Met golven schiet de vloed van
+stengels den &#8220;carrier&#8221; langs en, de wentelende brug over, den molen in. Een vormelooze massa komt er uit aan den eenen kant,
+een troebele beek aan den anderen. En door gemetselde kanalen en vijvers heen stroomt onophoudelijk het vuile, met taai geel
+wit schuim bedekte sap, dat vermengd met zuiverende kalk en zwaveldampen, verhit in reusachtige ketels, bezonken, gefilterd,
+verdampt, gekookt, ten laatste uit de centrifuges door bukkende vrouwen wordt losgemaakt als sneeuwwitte suiker. Bergen gelige
+suiker liggen in een anderen hoek van de fabriek: daar staan de half-naakte koelies, tot aan de knie&euml;n ingezonken, met groote
+houten spaden in te scheppen. Ontelbaar in de rij, staan de zakken vol bruine melasse, uitpuilend onder den druk van de zware
+stroop, die na enkele oogenblikken zoo hard is geworden als steen. Door goten, die, als duizend-pooten, op ontelbare, bewegelijke
+stangen staan, al maar heen en weer schuddend, loopt gelige en blanke en bruine suiker met schokken voort. Suiker, als zwarte
+modder, borrelt in een diepen bak. Suiker wordt met lange bezems bijeengeveegd als stof van den grond. En in het laboratorium
+staat, precieus in kleine stopfleschjes geborgen, suiker, die van vlakke kristalletjes flikkert als de sneeuw, als sneeuw
+zoo smetteloos, zoo fel wit.
+<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span></p>
+<p>Straks stroomt al dat product de fabriek uit. De kostbare witte suiker naar de haven, waar de schepen al wachten op den last
+voor Britsch-Indi&euml;, Japan, Australi&euml;, Amerika; de gele en bruinige naar de booten op Amsterdam, waar de raffinaderijen stampen
+en stoomen, de melasse naar de arakbranderijen en de fabrieken van vee-voeder. En de lange treinen, die de suiker dus veranderd
+en nog altijd verder te veranderen wegdragen, komen de lange treinen tegen, die de suiker aandragen in haar oorspronkelijke
+gedaante, als lang, zwaar-buigend, groen en bruin en paarsig riet.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Armoeland</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>jokjakarta is het land van ongerijmdheden en tegenstellingen. Er zijn er onder die meer nog dan het verbijsterde verstand
+het geschokte en verontwaardigde gevoel treffen. Daarvan is wel de ergste: de tegenstelling tusschen den rijkdom dien Westersche
+wetenschap en werkwijze te voorschijn brengen uit den Djokjaschen grond, en de ellende van het dienzelfden grond bebouwende
+en mede dien rijkdom helpende voortbrengen Djokjasche volk, terneergedrukt onder middeleeuwsch-despotische instellingen.
+
+</p>
+<p>Die ellende is nog niet eens het ergst in den vorm van armoe. Zeker zijn deze menschen arm. Ik ben in dessa&#8217;s geweest waar&#8212;als
+men de woning van den bekel uitzonderde&#8212;in al die huisjes samen voor nog geen &#402;&nbsp;5 aan huisraad en kleeren was; en de waarde
+van de huizen zelf werd door de bewoners op &#402;&nbsp;1.50 geschat: dat althans was de som die zij bij den administrateur kwamen vragen
+na een brand, om nieuw te bouwen. Maar in de aangrenzende gouvernementslanden, in de Kedoe bijvoorbeeld, zijn stellig even
+arme dorpen te vinden.
+
+</p>
+<p>Zij is erger in den vorm van ziekte. Er is veel oogziekte hier en veel huiduitslag. Wie een groote <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span>menigte bij elkaar ziet, niet in de stad, waar zorgvuldige kleeding een aangenamen schijn spreidt over uitgemergelde gedaanten,
+maar op de velden, waar de menschen half-naakt aan het werk te voorschijn komen zooals zij werkelijk zijn, krijgt een indruk
+van verregaande zwakte en lichamelijke ontaarding: een troep kinderen is een allerdroevigst schouwspel; niets kinderlijks
+meer is er in die hoekige holle gezichten met de rood-ontstoken oogen, niets dat er uitziet of het wil groeien, aan die scharminkelige
+kleine lichamen. Maar lichamelijk leed is er ook in andere streken van Java veel en erg onder gering volk.
+
+</p>
+<p>Neen, de ergste ellende van dit volk, en de eigenlijk-Vorstenlandsche dat is zijn geestelijke ellende, zijn stompe, onverschillige
+willoosheid. Uit die doffe gezichten is zelfs de uitdrukking van verlangen naar iets beters verdwenen. En wie hen in hun dagelijksch
+zijn en doen eenigen tijd waarneemt, voelt soms de vrees in zich opkomen, dat zij van iets beters geen baat zouden hebben.
+Een mensch die al te lang honger heeft geleden, verdraagt geen spijs; die al te zwaar geboeid is geweest, kan zijn leden niet
+gebruiken, als hij de vrijheid herwint.
+
+</p>
+<p>Het Djokjasche volk is gewonnen, geboren en getogen in een wereld, die, met alles wat op haar leeft, en beweegt, het eigendom
+is van &eacute;en oppermachtig wezen, zoo verheven en in alles volmaakt, dat hij een godheid schijnt meer dan een mensch. De macht
+van den Sultan is zoo alomtegenwoordig, alles omvattend, alles doordringend in die wereld, als in de stoffelijke de dampkring.
+Er is geen ontkomen aan, er is geen mogelijkheid van leven daarbuiten, er is geen verzet of verweer tegen. Zooals de aarde
+gedrenkt wordt door regen en verwoest wordt door regen, en niet anders dan lijdelijk kan zijn onder de <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span>lafenis of onder de vernieling, zoo wordt door den wil van den Sultan het volk beweldadigd of te gronde gericht en kan niet
+anders dan lijdelijk wezen onder genade of onder gramschap.
+
+</p>
+<p>De Sultan echter is ver. Hij woont in zijn prachtigen kraton. Een gering man ziet hem niet, dan, misschien eens, &eacute;&eacute;nmaal,
+in zijn leven, wanneer hij in het gevolg van zijn bekel, die zelf weer in het gevolg is van den apanagehouder, machtig edelman
+of prins uit het Sultansgeslacht, naar den kraton opgaat, schatting en geschenken dragend. Dichter bij, en door die nabijheid
+grooter van invloed op zijn dagelijksch bestaan, is de apanagehouder, de pachter-leenman van den Sultan, in alle machten en
+rechten over hemzelven, zijn grond en zijn gewas, des Sultans plaatsvervanger. Voor den apanagehouder is de helft van zijn
+oogst in den Westmoesson, het derde van zijn oogst in den Oostmoesson. Voor den apanagehouder zijn de beste vruchten van zijn
+erf.
+
+</p>
+<p>De apanagehouder bouwt een huis, geeft een feest, maakt een reis, trouwt een zoon of dochter uit: de kleine man brengt bamboe
+uit het bosch, de steenen die hij zelf gebakken heeft, uit den oven en bouwt het huis; hij neemt voor een paar dagen eten
+in een gevlochten zakje en zijn draagjuk over de schouders, en volgt als lastdrager zweetend en dravend den apanagehouder
+op reis; hij gaat houtskool branden in het bosch, haalt de laatste rijst uit zijn schuur, slacht een paar kippen of zijn geit,
+en brengt alles naar de keuken, waar de feestmaaltijd van den apanagehouder wordt bereid. De rijst van den apanagehouder wordt
+rijp op het veld, de rivier bedreigt zijn gronden, zijn vee heeft herders noodig op een nieuwe wei, zijn huis bewaking tegen
+dieven: de kleine man bouwt wachterhuisjes en zet er zijn kinderen op wacht, hij gaat naar de rivier en bouwt dammen van bamboe-vlechtwerk
+<span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span>en keien, hij stuurt zijn zoon om de buffels te weiden, en gaat zelf des nachts waken bij het huis van den apanagehouder.
+Soms komt de apanagehouder met zijn vrouwen en zijn kinderen en zijn dienaren de apanage bezoeken. De bekel ontruimt zijn
+huis voor hem en bedient hem, hurkende, zelf. De apanagehouder blijft met zijn vrouwen, zijn kinderen en zijn dienaren tot
+er niets meer in of om de dessa is, dat de moeite van het blijven loont.
+
+</p>
+<p>Op den apanagehouder volgt de bekel, zijn pachter-rentmeester. Die is vlak bij den kleinen man, en door die allernaaste nabijheid
+is diens invloed op zijn leven het allergrootst. Al wat de apanagehouder doet, dat doet ook de bekel; maar hij doet het nog
+veel erger. Zooals immers de apanagehouder pacht opbrengt aan den vorst, zoo brengt de bekel pacht op aan den apanagehouder.
+Daarom, als de vorst een pikol rijst eischt of een gulden belasting of een dag arbeid, eischt de apanagehouder twee pikols,
+twee gulden, twee dagen; en de bekel, natuurlijk, drie pikols, drie guldens, drie dagen. En omdat de bekel zelf in de dessa
+leeft en precies weet wat er in ieder huis gebeurt, kan hij den dessaman &#8220;vinden&#8221; op honderd manieren, waarvan de apanagehouder
+niet weet. En de kleine man brengt zijn rijst; betaalt zijn koperen duiten, arbeidt op het veld van den bekel, in zijn stal,
+op zijn erf, aan zijn waterleiding, aan zijn huis. De bekel is de plaatsvervanger van den apanagehouder, die de plaatsvervanger
+is van den Sultan, die alle macht en recht over alle dingen en menschen bezit: hoe zou een gering mensch anders kunnen dan
+hem in alles gehoorzamen!
+
+</p>
+<p>Nu komt voor den apanagehouder een Hollander in de plaats, een suikerplanter: Kromo verneemt het op een goeden dag. Zijn dessa,
+zijn velden en hijzelf zijn nu van den suikerplanter, zooals ze vroeger waren van een Javaanschen ambtenaar, hoveling, zoon,
+<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span>dochter of afstammeling tot in het vierde geslacht van den Sultan. De macht-hebber is een andere, de macht is dezelfde over
+hem. Het is waar dat de macht-hebber hem met die macht tot andere dingen dwingt: niet meer tot rijstplanten, aanbrengen van
+levensmiddelen en bouwmaterialen, dragen van lasten, maar tot het bouwen van suikerriet en het werken aan wegen en bruggen.
+Het is ook waar, dat hij van den Hollander eenig geld verdienen kan, wat hij nooit verdiende van den Javaan, voor werk trouwens
+dat zwaarder is dan het werken voor den Javaan. Maar wat ook anders is geworden, dit &eacute;ene is gebleven: de dwang. En dien dwang
+te verdragen van een Hollander valt Kromo n&ograve;g zwaarder dan hem te verdragen van een Javaan. Als hij zich veilig weet, uit
+hij zijn geringschatting voor zijn nieuwen eigenaar door hem te vergelijken bij een ondergeschikte van den vroegeren, den
+apanagehouder: hij noemt den planter &#8220;een blanken bekel.&#8221;
+
+</p>
+<p>De bruine bekel overigens is gebleven. Hij die vroeger oogst deed opbrengen, doet nu arbeid opbrengen: dat is het eenige verschil,
+voor Kromo g&eacute;en, in zoover het zijn afhankelijkheid van den bekel betreft. Soms is die er zelfs nog erger op geworden: want
+voor den arbeid volgens Westersche werkwijzen is toezicht noodig, welk toezicht wordt uitgeoefend door een &#8220;mandoer.&#8221; En dikwijls
+is de bekel tevens die mandoer&#8212;de Hollandsche ondernemer heeft voor zijn nieuwe doeleinden de oude organisatie gebruikt. De
+bekelmandoer heeft Kromo nu niet alleen bij de resultaten van zijn werk, maar ook bij zijn werk zelf in zijn macht. Wordt
+een gewone dessaman tot mandoer gemaakt, dan is almee voor hem de winst niet groot. De dessaman-mandoer maakt van zijn nieuwe
+plichten vliegensvlug nieuwe rechten: als hij zorgen moet voor het werk van den planter, zal hij tegelijkertijd zorgen voor
+zichzelf. Daarmee volgt hij de eeuwenheugende <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>traditie, daarmee volgt hij het voorbeeld van den Sultan en den apanagehouder en den bekel: hij neemt zijn plaats in, in de
+rij van verdrukkers en verdrukten, die, als de symbolische dieren der Oostersche kunst de een op den rug van den ander staan.
+En met nog een machthebber me&eacute;r bovenop hem, hurkt Kromo als onderste op den grond.
+
+</p>
+<p>Daar zit hij.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In het beeldhouw-werk, dat het geweldige Baraboedhoer-monument versiert en die overschoone tempels van Mendoet, Kalassan Prambanan
+en zooveel anders nog als er over is gebleven uit het tempelbouwende verleden van Java, is een der altijd weer terugkeerende
+voorstellingen, de houding van diepe nederigheid en zelfvergetende toewijding, aangenomen door elken mindere tegenover zijn
+meerdere, door een dienaar tegenover zijn heer, door een zoon tegenover zijn vader, door een krijgsman tegenover zijn vorst.
+
+</p>
+<p>In de wajang-vertooningen der aloude drama&#8217;s, zooals die tot op dit oogenblik toe gehouden worden&#8212;onlangs werd de bruiloft
+der zes Sultansdochters er door opgeluisterd&#8212;zijn altijd weer terugkeerende uitdrukkingen, de formules van nederig verlof
+vragen van een mindere aan zijn meerdere,&#8212;verlof om voor hem te verschijnen, om te spreken, om heen te gaan, ten einde zijn
+bevelen uit te voeren.
+
+</p>
+<p>Het duizendjarig beeldhouw-werk, het duizendjarig drama aanschouwend met die ontroering, die uitgaat van dingen, verdwenen
+en vergeten uit de stoffelijke werkelijkheid, doch onvergankelijk levend door de kunst, verwondert de Westerling zich over
+de zinnebeeldende kracht der Oostersche kunst en haar idealiseerend <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span>vermogen: tot welk een hoogte heeft zij alledaagsche dingen opgevoerd! Welk een gedachtevorm gevonden voor het vormloos-stoffelijke!
+
+</p>
+<p>Laat diezelfde Westerling er nu getuige van zijn hoe een Djokjasche koeli,&#8212;een lastdrager, een karrevoerder, een bemodderde
+werker in het suikerriet-veld&#8212;den administrateur tegemoet komt, die hem tot zich roept, of, vooral, den Javaanschen ambtenaar
+op reis door de streek, den wedana, den Regent: dan zal hij, verbaasd, zien hoe wat hij voor den stijl der hooge kunst had
+gehouden, de stijl is van het dagelijksch leven: de koeli houdt zich in de houding, hij spreekt in de taal van de tempelreliefs
+en de wajang-vertooningen. Die aloude voorstellingen gaven, zeer weinig veranderd slechts, de werkelijkheid van dien tijd
+weder. En een ter hoofdzaak gelijke werkelijkheid geeft het ceremonieel weder dat de hedendaagsche koelie in acht neemt wanneer
+hij hoog-Javaansch spreekt en &#8220;sembah&#8221; verricht tegen een machtiger dan hij. Zoo drukt hij zijn diep besef uit van de macht
+van dien andere, en van zijn eigen afhankelijkheid. Niet alleen zijn lichaam vernedert zich in die neergedoken ineengebogen
+houding; neen! in de hof-taal die hij spreekt vernedert zich zijn gedachte-zelf. Daar is in hem niets meer dat overeind staat.
+
+</p>
+<p>Laat iemand hem nu zeggen dat hij &#8220;rechten&#8221; heeft; hoe zal hem dat aandoen? Hoe zal het een lamme aandoen, wanneer men hem
+wijst naar de hooge bergen?
+
+</p>
+<p>De kleine man heeft rechten, en me&eacute;r rechten op Hollandsche ondernemingen dan op Javaansche apanages. Maar hij laat die niet
+gelden. Hoe zou hij?
+
+</p>
+<p>Er zijn landhuurders geweest die van die gelaten onderwerping aan het onrecht, die geestelijke zwakte van den kleinen man,
+een afschuwelijk misbruik maakten. E&eacute;n wordt er genoemd die door onmenschelijke <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span>dwingelandij en afpersing het ongelukkige volk op zijn land zoover heeft gebracht, dat de geheele bevolking van twee dorpen
+emigreerde, velden en huizen, het weinige, alles wat zij in de wereld bezat, er aan gevend om maar aan hem te ontkomen. Hij
+liet de vruchtboomen omkappen en de huisjes verbranden en plantte nog me&eacute;r tabak dan waarvoor hij anders plaats had gehad.
+Zoo volslagen verstoken van menschelijk gevoel niet alleen, maar van alle schaamte en begrip van recht was deze man, dien
+de andere landhuurders hadden uitgestooten uit hun vereeniging, dat hij hulp van de regeering eischte om zijn onwettige praktijken
+tegenover de eindelijk zich verwerende bevolking door te zetten.
+
+</p>
+<p>Er is een eind gemaakt aan het schandaal. En uit het vele kwaad is dit goede voortgekomen, dat de Resident, van zijn bevoegdheid
+gebruik makende, voor landbouw-ondernemingen in Djokja nadere bepalingen vaststelde, die het landhuur-reglement aanvulden
+en verbeterden ten gunste van de inlandsche bevolking. Dat was in 1906. De nieuwe bepalingen worden, naar ik hoor, over het
+algemeen vrijwel in acht genomen, en op vele fabrieken zelfs zeer stipt. Van eene weet ik door eigen waarneming, dat de beheerder
+niet alleen nauwgezet zich aan zijn exploitatie-regeling houdt, maar op werkelijk humane wijze de bevolking op zijn landen
+te hulp komt in haar behoeften. Hij laat hen den tijd om hun velden naar den eisch te bewerken; hij laat hen vrij cultuurdiensten
+te verrichten in de uren die hen het best schikken, in verband met den arbeid op hun eigen grond; van het recht op &eacute;en dag
+van de vijf heerendienst (inplaats van &eacute;en dag op de zeven) hem toekomende in ruil voor de velerlei feodale lasten, waarvan
+de onderneming het volk heeft losgekocht, maakt hij g&eacute;en gebruik; vroeger-onbetaalde arbeid (als <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>bijvoorbeeld het inhalen van den oogst) die verzacht is geworden tot betaalden, hoewel verplichten arbeid, wordt gaandeweg
+tot geheel-vrijen arbeid gemaakt; bij slechten oogst krijgt het volk hulp; er is een school gebouwd op de onderneming. Zooals
+deze eene zijn er m&eacute;er. Ook brengt, afgezien zelfs van den goeden wil van een administrateur en een directie, de landverhuur
+aan Hollanders der bevolking voordeel aan. In het systeem van wisselbouw profiteeren hun velden van de diepe bewerking en
+de bemesting, het vorig jaar daarop aangebracht voor de teelt van het suikerriet: als streepen van donkerder groen liggen
+op het lichte groen der rijst de vorig-jaarsche plantgeulen van den goed-verzorgden riet-tuin geteekend. Evenzeer komen hun
+de waterleidingen, de dammen en de sluizen ten goede, die zij in dienst van den planter hebben gebouwd. Zij leeren betere
+werkwijzen van hem, als blijkt uit den inlandschen tabak-bouw. De vele dessa-lieden, die geen recht op de velden hebben&#8212;(van
+het gezin erft de oudste zoon alleen dit recht)&#8212;krijgen gelegenheid tot geldverdienen in vrijen arbeid op het veld, bij het
+oogst-transport en vooral in de fabriek.
+
+</p>
+<p>Maar niettemin, niettegenstaande zulke algemeene voordeelen als de Westersche exploitatie op zichzelf en zulke bijzondere
+als het rechtvaardigheidsgevoel van een goeden beheerder aan het volk van Djokja aanbrengen, blijft het er slecht aan toe.
+Die voordeelen maken de nadeelen niet goed. De hoeveelheid loon die zij derven door gedwongen arbeid is te groot. Het stuk
+land is te groot dat zij moeten laten aan den ondernemer. En boven alle mate veel te groot is de macht van den man die tusschen
+hen en den ondernemer in staat, de macht van den bekel.
+
+</p>
+<p>De bekel is de verpersoonlijking van het verderfelijke oude systeem, dat sterker is dan welke goede <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>wil ook. Zijn ambt is erfelijk, een lange traditie verleent hem prestige tegenover het dessa-volk. De landhuurder, die hem
+kent als een verdrukker van het volk, kan hem niet ontslaan. Daarvoor is een vonnis van de rechtbank noodig, na behoorlijk
+onderzoek. Maar hoe bewijzen van schuld te krijgen, als de verdrukten tegen den verdrukker niet willen getuigen? De bekel-mandoer
+houdt den koelies een gedeelte af van hun loon: hij laat hen om niet, werken op zijn ambtsveld; hij ziet vruchten op hun erf,
+kippen en duiven in de kooi, een geit in den stal, en beveelt den koelie hem die te brengen: heeft de koelie bij zeldzaam
+toeval, geld, dan &#8220;leent&#8221; hij het; heeft de koelie een knappe dochter dan neemt hij haar tot bijvrouw, maakt den schoonvader
+in alles gedwee door de vrees van een verstooting, en verstoot haar toch, wanneer er van het huisgezin niets meer te halen
+is. En de koelie verdraagt dat alles en zwijgt. Het is de bekel, wiens vader en grootvader zijn eigen vader en grootvader
+op dezelfde wijze geplaagd hebben. Eerst als hij geen keus meer heeft dan tusschen totalen ondergang en verzet, verzet hij
+zich, op de &eacute;&eacute;nig voor hem mogelijke wijze, langs een omweg. De bekel is verantwoordelijk voor het werk op de onderneming:
+hij treft, hem in die verantwoordelijkheid. Hij verwaarloost de tuinen, slecht, of slechts in schijn arbeidend; hij steekt
+het rijpe riet in brand. De menschkundige of, om precies te spreken, de Djokjaneeskundige administrateur, die in plaats van
+tegen onwilligen en brandstichters tegen den bekel een onderzoek met de noodige omzichtigheid begint, en, v&oacute;&oacute;r alles, zorgt
+dat geen weerwraak hen die de waarheid zeggen treffen kan, verneemt d&agrave;n eerst van toestanden, die hij van tevoren zoo min
+had kunnen weten als verhelpen.
+
+</p>
+<p>De reorganisatie is op komst, die het monsterlijke vergroeisel van feodalisme en moderne industrie vaneen <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span>scheidt, den inlander zijn deel aan den grond hergeeft in den ouden vorm van gemeenschappelijk grondbezit, den ondernemer
+tegen hooger loon ook beter, immers niet-gedwongen, arbeid aanbiedt en door een geregeld belastingstelsel en betalingen uit
+de Rijkskas de verandering voltooit, die een eeuw geleden al begon, het omzetten van betaling in grond en arbeid in betaling
+met geld. Iedereen zal daarbij gebaat zijn, behalve de kleine-groote tiran, de bekel, die verdwijnen moet. En zoo zouden zelfs
+op dit oogenblik de nu nog heerschende toestanden eigenlijk geen andere beteekenis meer hebben dan een historische, als het
+niet was om de uitwerking, die zij, een zoo lange reeks van geslachten door, hebben gehad op den inlander, om zijn geestelijke
+ellende, die niet tegelijk met de oorzaken, waaruit zij ontstond, opgeheven kan worden. De kleine man mort tegen de verandering,
+die toch om zijnentwille gebeurt. &#8220;De Kompenie wil den heer Sultan het land afnemen en ons alles wat wij verdienen, voor belastingen.&#8221;
+Dat heeft de bekel hun gezegd; aan den bekel, hun onderdrukker, maar hun Javaanschen, hun erfelijken, hun <span class="letterspaced">rechtmatigen</span> onderdrukker, houden zij zich tegenover den Hollander, zelfs wanneer die als helper komt.
+
+</p>
+<p>Het onrecht heeft te lang geduurd: de geesten zijn er naar gegroeid, <span class="letterspaced">ver</span>groeid. De gedachten zijn krom en klein geworden, de wil hangt slap. Wie dat goed gezien heeft en begrepen, zal niet verbaasd
+staan, noch teleurgesteld, als de reorganisatie aanvankelijk dit volk weinig baat. Den zieke moet den tijd gelaten om weer
+gezond te worden en het gebruik te winnen van zijn nieuwe krachten. Dan eerst zal voor hem een nieuw leven kunnen beginnen.
+
+
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Djokjasche Landheeren</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-e.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-e.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">E</span>r zijn er geen meer. Een reorganisatie, dieper gaande dan eenige die het beleid van regeerders bedenken of bewerkstelligen
+kan, heeft hen weg-georganiseerd: de hervorming van de suikerteelt na de groote crisis. De omstandigheden zijn verdwenen en
+kunnen nooit wederkeeren, waaronder, op andere wijze dan alle andere Indische ondernemers, de Djokjasche landheeren van den
+ouden stempel groot geworden zijn. Zij waren een afzonderlijk geslacht.
+
+</p>
+<p>Niet van suiker kweekten zij een grondige en omvattende kennis, maar van menschen, van Djokjasche menschen, van den Sultan,
+den Kraton en den land-houdenden adel, meest van al. De grond was onuitputtelijk rijk: elken dag in den Oostmoesson scheen
+de zon, elken dag in den Westmoesson regende de regen, wat kon het riet anders doen dan groeien? Het water, dat langs den
+van noord naar zuid hellenden grond stroomt met gelijkmatig verval, draaide hun rietmolen, geen concurrent streefde hun opzij,
+laat staan voorbij, met lage prijzen; hoe konden ze anders dan grof geld verdienen? Maar die het in zijn hand had of zon,
+regen, water, grond, voor hen veranderden in goud, dat was de Sultan, en met hem zijn ontelbare familie en de adel. Die moesten
+zij te vriend <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span>krijgen en hebben en houden, als zij landheeren wilden zijn.
+
+</p>
+<p>De taak was geen lichte; en zwaarder dan voor anderen moet zij voor hen zijn geweest, die, men kan wel zeggen zonder uitzondering,
+voortkwamen uit een omgeving aan alle hoofschheid vreemd.
+
+</p>
+<p>Het was niet de bloem der natie, die in hun tijd naar &#8220;den Oost&#8221; ging. Van de gouverneurs-generaal zelfs der pas ontbonden
+Oost-Indische Compagnie waren er vele, die niet eens tot den eenigermate beschaafden stand behoorden. Wij weten van een soldaat,
+een sergeant, een matroos, een kajuitsjongen die Landvoogd werden, van raadsleden naar de kolonie gekomen uit het weeshuis,
+als gesjeesd student, als kwakzalver.<a class="noteref" id="xd0e779src" href="#xd0e779">1</a> De aanstaande Djokjasche landheeren, erfgenamen in een zekeren zin van de Compagnie, wier val hun opkomst immers pas mogelijk
+maakte, waren huns gelijken en kornuiten. En er zullen er wel ettelijke onder geweest zijn van het slag wien de Compagnie
+den recommandatiebrief placht mee te geven, met de drie H&#8217;s, die niet beteekenden &#8220;Helpt Hem Haastig,&#8221; maar &#8220;Houdt Hem Hier.&#8221;
+Dat alles was weerbarstig hout om er hovelingen uit te snijden, al hoefden het dan ook maar hovelingen op zijn Javaansch te
+zijn.
+
+</p>
+<p>Maar het geluk diende hen. Zij kwamen op het tijdstip dat het Oostersch-feodale stelsel juist genoeg vervallen was om weerloos
+te zijn tegen het indringen van een nieuw krachtig element, maar nog sterk genoeg om tegen al wat minder sterk was zich te
+weren. Er was een bres gevallen in den kraton-muur; wie er d&oacute;or kon zat daar binnen veilig en op zijn gemak. De bres was ongeveer
+een halve eeuw geleden uitgebroken, <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>in 1755, toen de Compagnie, krachtens voor enkele jaren verkregen rechten het oude keizerrijk van Mataram deelde in Soerakarta
+en Djokjakarta. De Djokjasche Sultan die (als tot op dezen dag toe) het prestige miste dat, in de oogen der Vorstenlandsche
+Javanen, den uit de oudere lijn stammenden Soesoehoenan van Solo omgeeft, wilde althans een hofstaat hebben aan dien van zijn
+Soloschen bloedverwant gelijk; en een even groot aantal ambtenaren, als vroeger in het onverdeelde Mataram met landbezit bij
+wijze van salaris was beloond, moest nu van de helft van die oppervlakte zijn deel krijgen. Wanhopige pogingen tot oplossing
+van de onoplosbare moeilijkheden hadden voor eenig resultaat, de ontevredenheid der apanagehouders. Het werd nog erger toen
+Raffles kwam, en het zoozeer besnoeide gebied van den Sultan (dat alweer het gebied der apanagehouders was) nog verder besnoeide,
+z&oacute;o ver, dat hij in het leven sneed.
+
+</p>
+<p>Onder het eene voorwendsel of het andere of zonder eenig voorwendsel hoegenaamd, nam Raffles den Sultan land af: de Kedoe
+en de Patjitanstreek, waar de beste apanages lagen; gronden voor den <span class="corr" id="xd0e791" title="Bron: Onafhankelijken">onafhankelijken&gt;</span> Prins dien hij (het voorbeeld van Daendels in Solo volgend) instelde, den Pakoe-Alam; gronden voor den Chinees van wien hij
+een Javaansch edelman maakte; gronden voor den onafhankelijken Prins van Solo, tot loon voor zijn diensten aan Raffles bewezen
+in den oorlog tegen Djokja.
+
+</p>
+<p>De Sultans zagen zich te redden zoo goed en kwaad als het kon. Het was meestal kwaad. Zij waren, in de laatste jaren van de
+18de eeuw al, begonnen aan hun familie-leden met geld goed te maken, wat zij hun aan land moesten te kort doen; zij zetten
+het systeem voort ten opzichte van de andere groote leenmannen.<a class="noteref" id="xd0e796src" href="#xd0e796">2</a> <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span>Dat had zijn grenzen echter, om begrijpelijke redenen nog al nauwe grenzen. Toen maakten de Sultans van weinig veel op dezelfde
+manier als de Westersche vorsten het hebben gedaan, ten tijde dat in Europa de vervanging van het feodale door het burgerlijke
+stelsel begon: zooals de Westersche koningen de munt vervalschten, vervalschten de Oostersche het land: voor het gehalte,
+de maat. De oude Sultan S&eacute;poeh, onder wien de eerste huurders in &#8217;t land kwamen, was daarin een virtuoos. Hij kon z&oacute;&oacute; knap
+meten dat een land, dat de eerste maal van opmeten tien bouw groot had geheeten, bij den tweeden keer vijftien bouw groot
+bleek, en bij een derden misschien wel twintig, en wie weet hoe groot het ten slotte werd, als de Sultan maar vaak genoeg
+liet opmeten. De ambtenaren en de sultansafstammelingen werden volgens hun rang bedacht met al die &#8220;nieuwe landen van den
+Sultan.&#8221; Maar alweer moest er geld bij om dat luchtige grondbezit toch &eacute;enig gewicht te geven, al maar meer van het verwenschte
+geld dat er niet was en nog erger &#8220;niet-was&#8221; dan ooit, sedert Raffles de schatten uit den veroverden kraton had weggehaald.
+Daar kregen de nieuwkomelingen hun kans! Zij zelven hadden ook wel geen geld, maar zij konden het maken: met suikerriet-bouw.
+De Engelsche en Amerikaansche koopers boden immers tegen elkander op voor het kostelijke product. De suikerrietstengel bleek
+de tooverstaf die grond in goud veranderde. Inplaats van aan zijn priaji&#8217;s gaf de Sultan zijn apanagegronden aan de Hollandsche
+ondernemers.
+
+</p>
+<p>Daar waren de landhuurders aan boord van het schip dat hen naar de Goudkust varen zou; maar zij moesten zeemanschap gebruiken,
+daar waren gevaarlijke klippen te ontzeilen. De vijandschap van de vroegere apanagehouders eerst, die zelfs tegen redelijke
+vergoeding in geld zich verzetten omdat, als zijzelven <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span>wel merkten, het geld hun door de vingers liep, terwijl de levering in naturali&euml;n nergens anders heen kon dan naar hun maag.
+En daarnaast de vijandschap van Hollandsche koloniebestuurders, die den staat de rol toewenschten, vroeger vervuld door de
+Compagnie, die van groothandelaar, en den universeel-erfgenaam van haar belangen bedreigd vonden door de Djokjasche mindere
+legatarissen. De landheeren schenen tot schipbreuk gedoemd en ondergang, toen de voorstanders van het vernieuwd-oude het verbod
+teweeg brachten van landverhuur aan Europeanen. Maar de nood van den Kraton werd hun uitkomst. Want het Sultanaat kon de enorme
+sommen niet opbrengen als schadeloosstelling voor het verbreken der aangegane contracten gevorderd. Wat lang al gebrouwd had
+brak los: de Java-oorlog, waarvoor de gekrenkte rechten van Dipa Negara aanleiding waren en voorwendsel. En het stelsel kwam
+ten val, dat tot zulke noodlottige uitkomsten had geleid. Het verbod van landverhuur werd door de opvolgers van den verbieder
+te niet gedaan. En na be&euml;indiging van den Java-oorlog begon een nieuwe, voorspoedige periode voor de landhuurders. Dat was
+wel hun glorietijd. Toen werden de grondslagen gelegd voor die reusachtige, rijkdomgebouwen, die hoe vervallen, afgebroken,
+verminderd dan ook, tot op den dag van vandaag toe voor zoovele hunner afstammelingen de prachtige levensherberg zijn. De
+Javaansche adel kon hun niet langer schaden. De Nederlandsche regeering liet hen met rust, van cultuur-stelsel en verbod van
+ontginning van woeste gronden verschoond, die in de gouvernementslanden den lust tot ondernemen stuitten. De Sultan was hun
+vriend. Voor de vullers van zijn schatkist, voor de bestrijders van zijn vijanden, wat zou voor die te goed wezen? Hij gaf
+hun voorrechten, arbeiders, land, voor weinig pacht soms, in een <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>enkel geval om niet; hij gaf hun prachtige geschenken in huizen, goud, edelgesteenten; soms gaf hij hun een dochter of kleindochter
+tot vrouw. De landheeren waren in het pronkvertrek en in de schatkamer ge&iuml;nstalleerd van den ouden feodalen burcht, door de
+bres waarvan hun aanvoerders van 1800 zich heen hadden gewrongen. Zij zijn er een goede halve eeuw in gebleven. Het verblijf
+heeft vele en wonderlijke dingen gedaan aan hun uiterlijken, zoowel als aan hun innerlijken mensch. Wie op den huidigen dag
+door Djokja gaat, door stad en ommelanden, zal van die dingen de laatste sporen nog gewaar worden aan hun achterkleinkinderen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Wat de Djokjasche Indo-families, afstammelingen van de oude landheeren, onderscheidt van alle andere, is, spelend in haast
+ontelbare schakeeringen, de vermenging van het Javaansch-aristocratische met het Westersch-democratische element.
+
+</p>
+<p>In hun uiterlijk komt dat te voorschijn in de gelige tint der huid, veel lichter dan zij elders bij Indo&#8217;s is, en in den snit
+van het gezicht, dat smal is, en in kaak en kin wat zwak, maar nooit grof gevormd; terwijl bij alle rankheid de lichaamsbouw
+krachtig is en de bewegingen vlug.
+
+</p>
+<p>In het innerlijk toont zich de vermenging in ondernemingslust en doorzettingsvermogen, waartegenover de spilzucht staan en
+de achteloosheid in geldzaken van in erfelijken rijkdom opgegroeide aanzienlijken, voor wie zulke geringschatting van wat
+voor de groote meerderheid het levensbelang is, een teeken is van superioriteit; en vooral in een vormelijkheid en een zekere
+verfijning die uit het Oostersche principe voortkomt, en in een aan het dichterlijke verwanten <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>aanleg, die op zijn alleronverwachtst schuil kan gaan voor Westersche nuchterheden, en een enkele maal ook wel voor Westersche
+ruwheid, hoewel dat toch maar zelden. Westersch in het algemeen, niet in het bijzonder Hollandsch: er is hier veel vreemd
+bloed.
+
+</p>
+<p>Fransch bijvoorbeeld. De stichter van een der oudste en machtigste landheerenfamilies in de Vorstenlanden was een Franschman,
+een kok uit de Napoleontische legers, die in zijn pollepel een maarschalksstaf bleek te bezitten. Hij kwam langs de hemel
+weet welke wonderlijke wegen naar Java en aan het hof van den opvolger van dien Sultan Sepoeh, die zulk een opmerkelijk talent
+had voor het uitbreiden van land door meting. Het was een man van echt-franschen geest, voortvarend, moedig, en verliefd op
+het buitengewone, dat de verbeelding aanvuurt; maar tegelijk van het puur-avontuurlijke en romantische teruggehouden door
+een precies begrip van de waarde van geld. Hij begon met den Sultan lekkere schotels voor te zetten, en won zijn waardeering
+als kok. De weg door de maag naar het hart was een korte bij den vorstelijken lekkerbek. De knappe kok werd kameraad en bleek
+als beraden in&#8212;altijd benarde en hopeloos verwarde&#8212;geldelijke zaken zijn gewicht in goud waard. De Sultan gaf hem goud, in
+den vorm van land, en, om hem te meer aan zich te binden, een van zijn dochters (hij was er vrijgevig mee en k&ograve;n het zijn).
+De Franschman veranderde zijn voor een Javaansche tong niet uit te spreken naam, en schikte zich ook verder naar Javaanschen
+landaard. Als gemaal van een Sultansdochter leefde hij Sultan-lijk op zijn met breede roeden gemeten landen. Hij bouwde er
+een huis dat eer een kraton genoemd mocht, een labyrinth van gebouwen met een muur van ettelijke voeten dik en zware poorten
+er om heen. Hij richtte een eigen legercorps op, dat hij,&#8212;dacht hij nog aan den Grooten Keizer?&#8212;<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span>zijn &#8220;legioen&#8221; noemde. Hij had zijn eigen muziekkorps, zijn eigen menagerie, zijn eigen stoet jagers. En hij had ook een kris
+en een speer, die als de wapenen der legendarische helden van het Westen, als Durandal en Excalibur, een eigen naam hadden.
+Met die kris en die speer trok hij, aan het hoofd van zijn legioen op tegen Dipa Negara&#8217;s benden in 1825. En de dikke muur
+van zijn kraton weerstond alle aanvallen. Toen hij met zijn sultansdochter de zilveren bruiloft vierde was niet enkel het
+geheele hof met alle edelen en ambtenaren bij hem te gast en niet enkel de andere landhuurders, allemaal met vrouwen, kinderen
+en dienstboden, maar de geheele bevolking van de streek, voor wie hij een goed en rechtvaardig meester was.
+
+</p>
+<p>Een landgenoot van hem kwam in de jaren 50, ook een soldaat, en ook uit een &#8220;Napoleontisch&#8221; leger: uit dat van den derden
+Napoleon, dat in de Krim had gevochten. Wie weet, had hij niet voor Sebastopol gestaan?, den aanval gezien van &#8220;<span lang="en">The Light Brigade</span>&#8221; en gehoord hoe er gezegd werd: &#8220;<span lang="fr">C&#8217;est magnifique mais ce n&#8217;est pas la guerre!</span>&#8221; Er bleef iets als een atmosfeer van avontuur en gevaar om hem zweven, zelfs hier in Djokja. Hij kwam een samenzwering op
+het spoor in den kraton. Een van de bijvrouwen van den Sultan, een eerzuchtige, geestkrachtige, onversaagde vrouw, zooals
+er tusschenbeide, verwonderlijk, opstaan uit den allen geest en moed verstikkenden druk van het kratonleven, was de ziel ervan.
+Haar bewoog het eenige wat zelfs onder zulken druk niet te verpletteren is: de moederliefde. Zij wilde haar zoon tot troonopvolger
+doen verklaren, in plaats van den zoon der Sultane. In het geheim had zij reeds een aanzienlijken aanhang. Haar toeleg werd
+ontdekt en zij vluchtte, niet om zich met haar zoontje te bergen, maar integendeel, om van een veilige plaats uit den strijd
+openlijk te beginnen. De Fransche dragonder <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>zette haar en haar gewapend geleide in den nacht na, joeg de mannen op de vlucht, en bracht haar met het kind terug in den
+kraton. De regeering, wie de schrik van 25 nog niet uit het geheugen was gegaan, beval hem aan in de gunst van den Koning,
+die den dragonder tweeden luitenant maakte. Toen hij, altijd nog in Djokja, het vijftigjarige jubileum van zijn officierschap
+vierde, werd de grijze tweede luitenant bevorderd tot kapitein.
+
+</p>
+<p>De Hollanders, ook de soldaten onder hen, lieten zich veel minder aan de glorie der wapenen gelegen liggen. Zij waren&#8212;ten
+minste de besten onder hen waren&#8212;in hun hart kooplui; kooplui dan van het hero&iuml;sche slag dat in Holland bloeide in de zeventiende
+eeuw, en waarvan onder de aanzienlijke geldmannen van hun eigen tijd, renteniers als zij geen speculanten waren, al lang de
+laatste eigenschappen waren verloren gegaan. Met gerechtvaardigden trots spreken hun afstammelingen heden van hen. Van dezen,
+die ontwikkelingen voorzag, toen zelfs nog niet in beginsel aanwezig, en aan zijn land telkens nieuwe stukken aanvoegde, zoodat
+het als met scherpe wiggen drong in nog onbezet gebied, overal waar water overvloedig was. Van genen die op zijn landen om
+de vijf paal een post had waar acht paarden gestald stonden, met het aanlichten van den dag uitreed, zijn velden langs, en
+niet terug kwam voor het donkerde. Hij wist alles wat overal gebeurde, hij was alomtegenwoordig. Vermoeidheid kende hij niet,
+het woord &#8220;gemak&#8221; had geen zin voor hem. Van een derde, geplaagd met een zwak gestel, dat de kilte van de Djokjasche nachten
+slecht verdroeg: maar die rheumatieklijder als hij was, er op uit ging, elken dag om de ontginningen te inspecteeren, die
+hij overal in de streek had liggen.
+
+</p>
+<p>Dat is het Westersche element, dat niet ten onder <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span>te brengen was door welke verslappende invloeden ook. Maar niettemin liet het Oostersche zich ook gelden: in hen, wel is waar,
+niet zoo sterk als in hun kinderen. Bijna allen werden zij hartstochtelijke dobbelaars in den omgang met de kratonbewoners,
+voor wie dobbelen de eenige uitkomst is uit de doodschheid van hun leege dagen. Zij dronken zwaar ook. En zoo niet zij zelf,
+dan hun kinderen, verkwistten ontzaggelijke rijkdommen op geheel Oostersche manier, dat wil zeggen, zonder eenigen smaak of
+zin, in pure, baldadige, roekeloosheid.
+
+</p>
+<p>Van dit alles dragen hun huidige afstammelingen het kenmerk.
+
+</p>
+<p>Niet in gelijke mate. Als in de industrie, waaruit hun macht en beteekenis is voortgekomen, is ook in die kleine wereld-op-zich-zelf,
+die de oud-Djokjasche families vormen, een element te onderscheiden dat ten onder gaat, en een ander dat zich snel vervormt,
+zich aanpassend aan nieuwe omstandigheden: terwijl bovendien, tusschen de twee in, een derde staat, onveranderlijk, in zijn
+hoedanigheid, maar slinkend bij den dag.
+
+</p>
+<p>Dit element is een kleine, en al kleiner wordende groep, dat de oude kenmerken duidelijk vertoont. Bij de andere twee zijn
+ze verbasterd.
+
+</p>
+<p>Daar is, aan den eenen kant, de groote meerderheid die gaandeweg terugzinkt in het Inlander-element. Het is alleen nog maar
+het bezit van wat meer of minder fortuin dat, een onzekere afsluiting, hen daarvan scheidt. Of zij zelven in steenen huizen
+wonen, &#8220;Europeesch&#8221; huisraad gebruiken en&#8212;bij gelegenheid&#8212;in Europeesche dracht voor den dag komen, hun naaste familie woont
+in den kampong, en zij zelven voelen zich daar thuis.
+
+</p>
+<p>Aan den anderen kant staat een groep, weinig in getal maar door karaktereigenschappen de sterkste, <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>die binnen afzienbaren tijd geheel Hollander zal zijn geworden. De mannen die &#8220;in het landelijke&#8221; zijn hebben een technische
+opvoeding ontvangen in Holland. En&#8212;ontwikkeling van de allerlaatste jaren&#8212;onder de meisjes zijn er die zich zelfstandig willen
+maken door een beroep, soms een waarvoor studie aan de universiteit noodig is.
+
+</p>
+<p>Over blijven, als erfgenamen van den ouden tijd, eenige weinige, oudere menschen, tijdgenooten, velen van hen, van den ouden
+Sultan, en zijn goede vrienden en bloedverwanten, die hij aanspreekt met &#8220;broeder&#8221; als zij onder elkander zijn, en die de
+jonge pangeran&#8217;s en raden ajoe&#8217;s &#8220;Oom&#8221; noemen. Zij zijn de bewaarders van al wat in Djokja het verleden is: de hoofsche etiquette,
+de geschiedenis van het Sultanaat en die van het oude landheerendom, die immers een eeuw lang dezelfde geschiedenis geweest
+zijn; van de opvattingen en zeden van vroeger. Veel merkwaardigs, veel moois ook is daaronder. En al te gader heeft het de
+aandoenlijke bekoring van wat uniek geweest is, en wat spoedig voor altijd verdwenen zal zijn.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e779src" id="xd0e779">1</a></span> Kalff. Indische Gids, 94 en 97. Aangehaald bij Clive Day &#8220;<span lang="en">The Policy and Administration of the Dutch in Java</span>.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e796src" id="xd0e796">2</a></span> Woordenboek van Nederlandsch-Indi&euml;: Vorstenlanden, door Rouffaer.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Madjawarna</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-l.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-l.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">L</span>angs een smal en steenachtig pad, dat soms opeens steil steeg en weer zachtaan ging rijzen dan, en waar overal veel schaduw
+omheen was met een glimpje van bloemen telkens en het lichte geluid van kabbelend water, klommen wij de heuvels in boven Madjawarna.
+De zendeling van den post, wiens gast ik voor eenige dagen was, wilde mij aan een ontginning op de kruin van den heuvel toonen
+hoe Madjawarna, als zoo menig ander Christenen-dorp, was ontstaan uit de nederzetting van een enkel gezin midden in de wildernis.
+
+</p>
+<p>Het pad, door naakte voeten in gras en kruid gesleten, liep door het opene eerst, door struikgewas en boomopslag, dan door
+een hoog en donker djati-woud, dat den grond bestrooide met zijn reusachtige bladeren, bultig-bol als gedreven bronzen kommen.
+Alles was er bruin: bruin van naakten grond, bruin van verdorrend gebladerte, bruin van gladde, rechte zuilen van stammen,
+waar geen loover van afhing, waar geen struweel tusschen opschoot. Heel in de hoogte pas gloorde het groen der geweldige kruinen
+tegen de lucht, schuins doorstraald van namiddagzon; daar kwam veel helder vogelgefluit uit, allerlei fijne schelle tonen,
+boven het diepe gekoer van woudduiven <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>uit en de lach-roep telkens van den gelen wielewaal. Het was een andere wereld, daar in de hoogte en waar wij gingen in den
+halfdonker.
+
+</p>
+<p>E&eacute;n enkelen keer kwamen wij een mensch tegen, het was een mager, armelijk gekleed, oud vrouwtje, met slierten wit haar langs
+het ingevallen gezicht, die een hitje, even afgejakkerd en oud als zijzelve, en bepakt met twee, van weerszij hem tegen de
+ribben schokkende, manden vol gras, voor zich uit de helling afdreef. Wij vonden het spoor van een ander mensch, die kort
+geleden hier gegaan was, den geleider van een houttransport: de zware stam, aan een ketting door buffels gesleept, had een
+glimmende streep getrokken over het pad. Anders was van menschelijke nabijheid niets te merken. Op plekken was het djati-woud
+minder dicht en gaf ruimte aan ander geboomte, breeder en ijler van groei, waar met groote schijnsels en glanzen het licht
+door heen viel; de boschrand ging open tegen de lucht, en de wijde vlakte van Djombang gloorde op uit de diepte, fonkelgroen
+van zonnig rijstveld. Dat verdween weer en dan was het woud nog donkerder en nog eenzamer dan te voren.
+
+</p>
+<p>De weg ging een steil ravijn door, en weer tegen een helling op. Toen werd het licht. Rondom lagen de groote stammen geveld.
+En midden in de open plek op de kruin van den heuvel verscheen het huisje van den ontginner, van bamboe gevlochten, bleek
+en glimmig nog van nieuwheid.
+
+</p>
+<p>Het was zoo laag dat wij bukken moesten om binnen te komen, en schemerdonker als het bosch zelf: z&oacute;o rook het er ook: een
+reuk van grond, dorre bladers en hout. Het huisgezin zat op een matje tegenover ons, wien zij stoelen hadden aangeboden. De
+kinderen, een kloek met kuikens, een jong geitje en een magere, spitsneuzige hond zochten elk zijn plaats op de mat en tusschen
+de stoelen. <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span>De man vertelde, met zijn zachte gedempte stem.
+
+</p>
+<p>Het was te merken dat hij op de komst van den zendeling had gewacht om in allerlei beslommeringen raad te krijgen. De vrouw
+zei een woordje nu en dan. Zij zat met een kind aan de borst. Waakzaam zag het verstandig-blikkende gezicht over het donzige
+koppetje van den zuigeling heen.
+
+</p>
+<p>Die twee menschen hadden met hun eigen handen alles wat om en aan hen was gemaakt: hun kleeren, hun huisje, hun velden. De
+ma&iuml;skolven van den vorigen oogst hingen, goudig glimmend door de schemering, aan rijen onder het lage dak. En op het veld
+rijpten de nieuwe al. Zij toonden ons, wel-voldaan, den weligen akker. Rondom was ruimte voor nieuwe ontginning; in hun hart
+en handen was moed. Zij hoopten enkel op buren en vriendschappelijke hulp. Maar die zou wel komen op dezen vruchtbaren grond,
+die voor arbeid verzekerde welvaart geeft.
+
+</p>
+<p>Op den terugweg aan den rand van het al nachtelijk wordend woud zag ik nog eens om naar het gelig-schemerende huisje, dat
+de kiem was van een gehucht, wie weet hoe spoedig misschien een dorp van gezeten boeren, eigenaars van den grond. Uit juist
+zulk een kiem, zulk een gezin-in-een-huisje, begon, een goede vijftig jaar geleden, Madjawarna zich te ontwikkelen. Midden
+in het wilde woud, dat de vlakte toen bedekte, kapte een Christen-inlander, die zich onder zijn Mohamedaansche dorpsgenooten
+niet langer op zijn plaats had gevoeld, een plek open, waar hij een huisje kon zetten en wat voedsel bouwen voor zich en zijn
+gezin. Een broeder kwam met het zijne om hem te helpen. De ontginning werd een gehuchtje van eenige gezinnen; al spoedig een
+dorp; het oude recht dat den ontginner tot eigenaar maakt van den grond, beschermde de christen-gemeente toen ook Mohamedanen
+zich daar kwamen neerzetten.
+<span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span></p>
+<p>Het is nu een dorp van meer dan vijfduizend zielen. Aan het voorkomen en de kleedij van de menschen, hun huizen en erven,
+de breede wel-onderhouden wegen is het te zien dat het dagelijksch leven er zijn eisch heeft en nog een begin van overvloed
+ook. De dorpsvelden zijn goed verzorgd. Er staat vee in de stallen, roodbruine runderen en ruige grauwe buffels die den ploeg
+trekken door den drassigen akker, een enkele heeft een paardje. Op de markt, naast de brug, waar de rivier met een frisch
+gebruis onder door schiet, ligt de kostelijke rijst op hoopen en heuveltjes tusschen kramen vol waar.
+
+</p>
+<p>Het huis van den zendeling staat midden in het dorp, tusschen de inlander-huizen in. Men heeft er maar korten tijd te zijn
+om te bemerken dat het een soort kantongerecht, notaris-kantoor, consultatie-bureau en huishoudschool is in de oogen van de
+dorpelingen. Een bescheiden kuchje, een &#8220;Ik vraag verlof,&#8221; meer gefluisterd dan gesproken, dat is alweer een vrager om raad
+of hulp, die, onhoorbaar het erf opgekomen, neerhurkt ter zij van de kleine voorgalerij. Uit de gesprekken van een enkelen
+na-middag zou men vrijwel het beeld van de samenleving in het dorp kunnen construeeren.
+
+</p>
+<p>Wongso komt de hulp van den &#8220;pandita&#8221; vragen in een moeilijk geval. Hij heeft zijn huis&#8212;zijn mooi huis, met een pas nieuw
+dak!&#8212;verhuurd aan een mantri van den waterstaat, omdat hij zulk een grooten meneer &#8217;t niet dorst weigeren. Maar de mantri
+staat bekend voor een kwaden betaler. Als nu de pandita maar wilde.... Met de eene &#8220;sembah&#8221; na de andere ontvouwt Wongso een
+plan, zooals een duizend jaar geleden menige kleine landbezitter in Duitschland, Frankrijk, Holland, Engeland het den abt
+van een machtig klooster voorgelegd heeft, als zijn ridderlijke nabuur hem wat al te zwaar benauwde: <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>hij wil zijn huis aan den pandita overdragen, en de pandita zal de huur opeischen van den boozen mantri. Gelukkiger in dit
+opzicht dan de Westersche grondbezitter, die zijn eigenerfde akkers tot leengoed maakte om ze niet heel en al te verliezen,
+weet Wongso dat hij het maar voor het vragen heeft om zijn huis terug te krijgen van den pandita.
+
+</p>
+<p>Jachman heeft zich muizenissen in het hoofd gehaald over de zekerheid of onzekerheid van zijn erfelijk-individueel bezit aan
+sawah, dat immers nooit goed te bewijzen is. Hij verzoekt dat de pandita registratie als agrarisch eigendom voor hem zal aanvragen
+bij den Landraad. Pas als hij den &#8220;brief&#8221; van den Landraad in handen heeft &#8220;zal zijn hart koel zijn.&#8221; Nu, namelijk, &#8220;brandt
+het.&#8221;
+
+</p>
+<p>Sidin&#8212;het is de rijkaard van het dorp&#8212;komt de geboorte aangeven van een kind en legt een rolletje guldens, blinkend van tusschen
+riem en sarong te voorschijn gehaald, op de tafel van den pandita, met het verzoek dat de pandita een boekje van de spaarbank
+late halen en er in opschrijve, dat Sidin deze guldens aan de postspaarbank te bewaren geeft voor zijn kind.
+
+</p>
+<p>Sarkam en Djembar zijn na een woedenden twist, dien zij liefst met het mes beslecht hadden, door de buren overreed den pandita
+tot scheidsrechter te vragen in hun zaak. Daar zitten zij, met fonkelende oogen, links en rechts van de kamermat.
+
+</p>
+<p>Niti&#8217;s huis is afgebrand. Hij komt met getuigen, die verklaren dat de brand op het dak begonnen is: brandstichting dus. Hij
+zal niet zeggen dat hij zijn medeminnaar verdenkt, die gehoopt heeft op die wijze zijn huwelijk te verhinderen, voor het sluiten
+waarvan de pandita immers het bezit van een eigen huis eischt. Maar het is hem duidelijk genoeg aan te zien dat hij van des
+pandita&#8217;s alwetendheid uitredding <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>verwacht, ook zonder, mogelijk compromittante, medewerking zijnerzijds.
+
+</p>
+<p>En inmiddels staan Mb&ocirc;q-Ari, Mb&ocirc;q-Sarinten, Sima en Sarkina te wachten op de zendelingsvrouw om hulp bij het maken van kleeren,
+het geven van medicijn aan een ziek kind, en het overreden van een dochter die anders wil dan vader en moeder, plotseling,
+nu er sprake is van vrijen en trouwen.
+
+</p>
+<p>Er gaat geen dag voorbij zonder dat hulp gevraagd en gegeven wordt in zulke dingen.
+
+</p>
+<p>Zeker komen er ook die den zendeling zoeken als leeraar van den godsdienst, die helderheid begeeren voor hun gedachte, vrede
+voor hun hart. Maar zij zijn, klaarblijkelijk, in de minderheid.
+
+</p>
+<p>De stoffelijke belangen zijner gemeenteleden behartigen, z&oacute;&oacute; als zij dat met haast kinderlijke hulpbehoefte en vertrouwen
+van hem verwachten; en dat uiteraard afwijkende zoo niet rechtstreeks weerstrevende in gelijke richting doen loopen met wat
+hij hun allerhoogste belang moet achten, het geloof in en het be-leven van een wereld-verzakenden godsdienst: en te waken
+daarbij, dat niet de schijn van het eene de werkelijkheid van het andere bedekke: dat is het moeilijke probleem dat dag aan
+dag den zendeling in het Javaansche dorp wordt gesteld.
+
+</p>
+<p>Toen de man, wiens naam onafscheidelijk verbonden blijft aan Madjawarna, toen Kruijt hier in &#8217;64 zijn levenswerk begon, vond
+hij de jonge gemeente in een ongunstigen toestand. Vreemde elementen waren binnengedrongen in de Christenen-nederzetting,
+en de strengere moraal die daar een sterkte had moeten vinden, was bezweken onder den aanval. Er werd opium geschoven, gedobbeld,
+n&aacute; feesten waarbij verloopen vrouwen dansten, met messen gevochten, er werd gestolen en gemoord in Madjawarna. Tegenover zulke
+euvelen die hij hoofdzakelijk, zoo niet <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>uitsluitend, aan de Mohammedaansche immigratie weet, koos hij een politiek, die den indringelingen de keuze liet enkel tusschen
+vereenzelviging met de gemeente der Christenen of verwijdering uit de dessa. De oude Javaansche zede, die aan den ontginner
+een overwegend aandeel geeft bij de regeling der dessa-zaken, verschafte hem (bij samenwerking met die ontginners, immers
+Christenen), de mogelijkheid daartoe.
+
+</p>
+<p>Overreding tot overgang naar het Christendom of anders uitwijking, verplichting tot kerkgang van volwassenen en verplichting
+tot schoolgang van kinderen, elimineerden gaandeweg de vreemde elementen. Later volgde op de negatieve actie een positieve
+door den bouw van een kerk, van een school en van een ziekenhuis, terwijl ook een spaarbank werd opgericht, een kweekschool
+voor onderwijzers en ten slotte een ambachtsschool. Het was een wereld-in-het-klein met organen voor al hare behoeften, lichamelijke,
+zedelijke, verstandelijke, huishoudelijke, die de onvermoeid arbeidende vriend van den inlander ten slotte daar had opgebouwd.
+Hij mocht verwachten dat zij zou groeien en gedijen. In velerlei opzicht heeft zij dat gedaan. De welvaart in Madjawarna en
+de omliggende Christendessa&#8217;s is daarvan een zichtbaar en tastbaar bewijs. En niet die gemeenten alleen, maar de geheele streek,
+in een omtrek die bij den dag zich uitbreidt, heeft baat bij de twee scholen en bij het ziekenhuis.
+
+</p>
+<p>Het hospitaal dat in &#8217;92 werd opgericht om vijftig pati&euml;nten te bergen, heeft op het oogenblik ruimte en verpleging voor meer
+dan tweehonderd.<a class="noteref" id="xd0e915src" href="#xd0e915">1</a> Er is onlangs&#8212;voornamelijk de suikerfabrikanten van de streek hebben de gelden daartoe bijgedragen&#8212;<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>een doelmatig ingericht operatiegebouw bijgezet. Het heeft een afgezonderd liggende afdeeling voor melaatschen. En de polikliniek
+wordt door gemiddeld honderdtwintig pati&euml;nten per dag bezocht, die zelfs uit plaatsen, waar openbare ziekenhuizen zijn, hierheen
+komen.
+
+</p>
+<p>De Javaan wordt dikwijls voorgesteld als een natuurkind, gelukkig, gezond, tevreden, en alleen door de aanraking met Westersche
+onnatuur in gevaar gebracht. Een half uur in de voorgalerij van het zendingshospitaal zou de kuur zijn voor zulke zoogenaamd
+dichterlijke waan-voorstellingen. Wat een stroom van ellende gaat hier naar binnen! Wonden, misvormingen, gezichten afschuwelijk
+door vuilen uitslag en zweren, lichamen ellendig verminkt, oogen waaruit de blik al bijna verdwenen is, leden die, lam, hangen.
+En onder die vele en velerlei zieken hoeveel, ach! hoeveel kinderen, tot allerkleinsten toe, als verflensende bloemetjes slap
+en bleek hangende in de draagsjerp van de bekommerd-kijkende moeder! Het hart krimpt ineen bij de voorstelling van wat er
+geleden zou worden, werd hier geen hulp geboden. In de processie van ellendigen zijn het talrijkst de lijders aan wonden.
+De Javanen gaan blootsvoets: zij treden op splinters, doorns, scherven. Op den akker, bij het grassnijden, bij het bamboe
+hakken, hanteeren zij een kort zwaar mes: een onhandige beweging slaat een wond tot op het been toe. Zij werken in fabrieken:
+de gewoonte maakt hen onachtzaam tusschen machines. Misschien is de kwetsuur onbeteekenend geweest eerst. Maar fatalistische
+onverschilligheid, verwaarloozing, onzindelijkheid en de praktijken van den Indischen kwakzalver, den doekoen, maken van een
+schram al spoedig een etterende, invretende wonde. Het zijn ijselijkheden die de dokter en de verpleegsters te heelen krijgen,
+dag aan dag.
+<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span></p>
+<p>Ook teringzieken komen er in helaas! nog altijd vermeerderende getallen. De voorwaarden waaronder het geringe volk leeft,
+bevorderen de akelige armoedziekte, die te voorschijn komt in allerlei afzichtelijke gezwellen en misvormingen van het beenderstelsel.
+De behandeling in het hospitaal doet wat alleen-doenlijk is zoolang niet betere levensomstandigheden een betere volksgezondheid
+voortbrengen: veel pijn verzachten.
+
+</p>
+<p>Dan komen de ooglijders. Volgens de ervaring van den behandelenden arts zijn zij er in een menigte, waarvan de statistiek
+(<span lang="fr">l&#8217;art de pr&eacute;ciser les choses qu&#8217;on ignore</span>) geen flauwe voorstelling geeft: schrikwekkend. Java is een van de vier wereldcentra der &#8220;Egyptische oogziekte;&#8221; (Egypte,
+Amsterdam en de provincie Limburg de drie andere) en de achteloosheid en onkunde der lijders verergert het op zichzelf al
+zoo erge kwaad. Mits bijtijds aangebracht, vermag medische hulp hiertegen echter veel. En, gelukkig, wint die overtuiging
+veld onder de Javanen, zoodat, wie vroeger zich maar overgaf als hij het al grijzer en donkerder zag worden om zich heen,
+en zich niet meer uit huis durfde wagen zonder een leidende hand, nu vol vertrouwen bij den zendingsdokter komt, en zelfs
+voor de deur van de donkere kamer, en voor het fel uit den nacht opschitterende oogspiegeltje en de scherpe druppels uit het
+spuitje niet meer terugschrikt. Het is aandoenlijk de gezichten te zien in de afdeeling voor ooglijders: een weinig opgeheven
+naar waar, door het verdonkerende verband heen, het licht te voelen is, als tastend naar een, nog verre, maar toch al maar
+dichterbij komende vreugde. En zooals nu en dan een, met schuin gehouden hoofd, een heel klein glansje poogt te vangen onder
+den blinddoek, en een ander, door een zwarten bril heen, zijn hand beziet, <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span>duidelijk voor het eerst weer sedert wie weet hoe langen tijd! De kinderen zitten heel stil, ontroerend-geduldig, met een
+bloempje of een stuk speelgoed, dat een verpleegster hen in de hand heeft gegeven. Als zij den stap van den dokter hooren,
+verhelderen de kleine gezichten. Hij belooft hun dat ze gauw weer naar huis mogen en spelen met de broertjes en zusjes.
+
+</p>
+<p>Er zijn v&eacute;&eacute;l kinderen in het ziekenhuis, lijders aan allerlei ziekten, operatie-pati&euml;ntjes ook, v&eacute;le. Men moet zich den angst
+en den afschuw, dien de Javaan voor het mes van den chirurgijn voelt, eerst goed voorstellen om te kunnen begrijpen wat dat
+beteekent: een overwinning, door zuivere menschenliefde behaald op vooroordeel niet alleen, maar op het wantrouwen, de vrees,
+den haat die drie honderd jaar lang bruin van blank gescheiden hebben gehouden op Java.
+
+</p>
+<p>Voor een deel is die overwinning te danken aan het wijze inzicht dat onnoodige botsingen vermijdt; er wordt in het ziekenhuis
+niet gestreefd naar bekeering der pati&euml;nten. Wel vindt de Christen er de gemeenschap in geestelijke dingen die hij zoekt,
+doch den Mohammedaan wordt zij niet opgedrongen. Vandaar dat zelfs priesters het ziekenhuis der zending zoeken.
+
+</p>
+<p>Met de school staat het anders: deze is bepaald confessioneel. Zij is opgericht om kinderen op te leiden tot de Christelijke
+wereldbeschouwing. Niettemin zenden ook Mohammedaansche ouders, en die willen dat hun kinderen Mohamedanen zullen blijven,
+hun kinderen er heen. Het gebeurt zelfs dat de Moslim-kinderen er in de meerderheid zijn. In een school, voorverleden jaar
+in een naburige dessa opgericht, waar maar weinig Christenen wonen, is de proportie van Mohammedanen tot Christen-kinderen
+<span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span>zelfs als van bijna vier tot een. Blijkbaar tellen de niet-Christenen het confessioneele gevaar voor weinig of niets tegenover
+de winst die hun kinderen voor het geheele leven hebben van een opvoeding op de zendingsschool. Het geval is analoog met dat
+van het hospitaal, in zoover als ook de school beantwoordt aan een behoefte die anders onvervuld zou blijven: want de inlandsche
+dessaschool, waar niet anders geleerd wordt dan het op een dreun opzeggen van onverstane Koran-teksten, wordt zelfs door weinig
+nadenkenden in dezen tijd niet meer aangezien voor zulk een vervulling. Zooals zij den arts en de verpleging in het ziekenhuis
+zoeken, liever dan den doekoen en zijn toovermiddeltjes, zoo zoeken zij ook den schoolmeester en het, zij het dan ook Christelijk
+gericht, onderwijs liever dan den goeroe en zijn Arabische spreuken.
+
+</p>
+<p>De opleiding in de zendingsschool is gericht in de eerste plaats op de vorming van het karakter in Christelijk-deugdzamen
+zin; de ontwikkeling van het denken door het aanbrengen van kennis is tot dat doel een middel. Zij gaat te werk volgens een
+methode, die door de hernieuwers van het onderwijs in Duitschland begonnen en bij ons te lande nagevolgd, door den tegenwoordigen
+leider der school is gewijzigd naar de behoeften van den Javaan.
+
+</p>
+<p>De school neemt het dessa-kind op van zijn derde of vierde jaar af: zulk een kleintje komt in de fr&ouml;belklasse. Met zijn vijfde
+of zesde begint het dan aan het eigenlijke school-onderwijs dat, als het in zijn geheel wordt gevolgd zes jaar duurt, en omschreven
+kan worden als: het stelselmatig ordenen, tot een helder begrip herleiden en aan zijn welzijn dienstbaar maken van de ervaringen
+van zijn dagelijksch leven, zooals dat van kinder- tot jongelings-leeftijd verloopt. Het Javaansche volkskarakter heeft een
+eigenaardige <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span>neiging tot het verzamelen van volkomen onnutte mystieke &#8220;kennis;&#8221; die neiging wordt tegengegaan. De kinderen leeren, stelselmatig,
+door aanschouwing, begrip en toepassing, belang stellen in wat hen het meest onmiddellijk aangaat. Zij leeren alles omtrent
+hun huis, hun huisraad, hun erf, de planten en vruchten die er op groeien, de dieren die er verzorgd worden. Zij maken modellen
+van wat hun vertoond is en uitgelegd: van een huisje, een schuur, een kar, akkergereedschap en huisraad. Zij teekenen een
+paard en een buffel, kippen, eenden, duiven, terwijl zij leeren hoe die dieren behandeld en verzorgd moeten worden. Zoo worden
+zij geprikkeld tot zelfwerkzaamheid, die een eind maakt aan het gedachtelooze n&aacute;-doen dat zooveel bedorven heeft en altijd
+nog bederft van den goeden aanleg van het Javaansche volk. Het is alleraardigst om te zien met welk een pleizier en handigheid
+de kleine knutselaar van klei en van rijststroo-halmen door bolletjes was verbonden, zijn heele omgeving in het klein nabootst
+en speelgoed maakt met schoolwerk tegelijk. De twee eerste jaren gaan er aan, hem op die manier zijn naaste omgeving, en zichzelven
+in die omgeving te doen kennen. Dan breidt zijn ervaring zich uit; hij wordt in theorie (als in de praktijk) een werkend lid,
+van zijn gezin eerst, dan van zijn dessa: hij leert met luisteren, herhalen en doen, wat er gebeurt in huis, in school, op
+de sawah, in de warong, op den pasar, in de smidse en den timmermanswinkel. En in het vijfde en zesde jaar wordt de kring
+uitgebreid tot de uiterste, voor hem beschikbare grenzen, over de hoofdplaats van de streek en geheel Java, waarbij hij dan
+de inrichting leert kennen van het dessa-bestuur, de politie, de spaarbank, de gesteldheid van het land, de middelen van verkeer,
+de toestanden, en die niet alle zooals zij op dezen dag zijn, maar zooals zij zich, sedert de laatste, zeg, vijftig <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>jaar, ontwikkeld hebben. Lezen en schrijven, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis van Java voor zoover ze voor hem bevattelijk
+en nuttig zijn, leert hij in dit verband. En tevens wordt zijn aanleg voor muziek en voor teekenen langs <span class="corr" id="xd0e948" title="Bron: specitiek-Javaansche">specifiek-Javaansche</span> lijnen ontwikkeld. Op zijn twaalfde jaar (dan is het Javaansche kind jonkman en jong-meisje) heeft de leerling zooveel begrip
+van de samenleving als hij om harent- zoowel als om zijnzelfswil behoeft; en het mogelijke is gedaan om zijn werklust te ontwikkelen
+en zijn zin voor de gemeenschap.
+
+</p>
+<p>Een kweekschool voor onderwijzers is verbonden aan deze school. En zij sluit aan bij een ambachtsschool, die tegelijk werkplaats
+en winkel, degelijk huisraad levert voor uiterst matigen prijs, zoodat de dessa-man al begint daar te koopen, terwijl de leerlingen
+er gevormd worden tot handige timmerlui en schrijnwerkers, die hun kost kunnen winnen onafhankelijk van den hoe langer zoo
+meer precairen landbouw. Naast die vak-opleiding voor jongens staat er eene voor meisjes, een naaischool onder leiding van
+de onderwijzersvrouw, en een zorgvuldige opleiding voor het huishouden die, in haar huiselijken kring, de vrouw van den zendeling
+aan een vast aantal dochters van gemeenteleden geeft.
+
+</p>
+<p>Resultaten van deze inrichtingen en methoden der zending zijn het die zoo verblijdend te zien komen in de algemeene welgesteldheid
+van Madjawarna en zijn omgeving.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Weinig dingen zijn zoo moeilijk als een Javaan afbrengen van overlevering en oude gewoonte. Een woord als dat van Potgieter:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<p class="line">&#8220;Slechts vernieuwing kan behouden
+
+</p>
+<p class="line">Achter raakt wie stil blijft staan,&#8221;</p>
+</div><span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span><p>heeft voor hem geen zin. Het is voor de zending geen geringe roem, dat zij werkelijk er in geslaagd is hem zooveel en zoo
+velerlei nieuws te doen aanvaarden. Zoo als zij hem er toe gebracht heeft zijn stoffelijk en zijn verstandelijk bestaan te
+vernieuwen en vernieuwend te verbeteren, zoo streeft zij ook en uiteraard hoofdzakelijk, naar een vernieuwing en verbetering
+van zijn zedelijk bestaan. De resultaten zijn niet zoo spoedig bereikbaar, noch zelfs, bereikt, zoo dadelijk bemerkbaar op
+dit gebied als op de twee andere. Niettemin valt toch al bij vergelijking van Madjawarna met het gewone type der Javaansche
+dessa een groote verandering ten goede waar te nemen in de openbare, zoowel als in de huiselijke zeden.
+
+</p>
+<p>Dit bijvoorbeeld, dat het dorpshoofd en de leden van het dorpsbestuur niet Mohammedanen zijn, maar Christenen: dat is al een
+nieuwigheid die gelijk geacht mag worden aan een omwenteling in de oude orde van dessa-dingen. Voor den dessa-man is geen
+scheiding ooit denkbaar geweest van kerk en staat, om op zijn Westersch te spreken. Althans sedert de Mohammedaansche verovering
+is de beheerscher van het land het hoofd van den godsdienst geweest, en alle van hem uitgaand en afdalend gezag dit twee-ledige:
+staatkundig en kerkelijk. Nog altijd is voor den kleinen man vooral, de Soesoehoenan van Soerakarta de opperheer van Java,
+koning en priester tegelijk. (De Sultan van Djokja, als uit een jongeren, en later, door de macht van vreemden tot de heerscherswaardigheid
+gekomen tak, geniet niet hetzelfde aanzien.) Hij gelooft dat de Soenan de zon kan doen schijnen en den regen vallen. Als het
+hem gebeuren mag den Soenan te zien&#8212;Vorstenlanders maken vaak opzettelijk de reis naar Solo&#8212;zal hij het heele jaar gezond
+blijven. Op het nieuwjaarsfeest vecht hij om een scherf van het vaatwerk waaruit de Soenan <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span>gegeten heeft, en bergt die als &#8220;djimat,&#8221; als geluk-aanbrengenden talisman, in zijn huis. Al gaat hij niet zoo ver als de
+Vorstenlander die uit vergodenden eerbied den ingang van zijn huis niet op dezelfde hemelstreek durft maken als waarop de
+Kraton-poort is gericht, op het Oosten, hij beschouwt toch den priester-koning als een wezen zoo verheven, dat reeds zijne
+nabijheid heiligt. Tegenover een Vorstenlander als zoodanig gedraagt hij zich als tegenover zijne meerdere. Een Vorstenlandsch
+gebruik is voor hem de &#8220;adat&#8221; bij uitnemendheid. Een sarong of een hoofddoek uit de Vorstenlanden is een kostbaar en ook gelukaanbrengend
+bezit. Geen grootere glans kan verleend worden aan een regenten-familie dan door een huwelijk met een Solosche of Djokjasche
+vorstendochter.
+
+</p>
+<p>Van dien grootste daalt het gezag verminderd wel, maar niet in aard veranderd, op de kleineren af. De regent van de streek
+is de hoofdpriester van de streek. Het dessa-hoofd is de dessa-priester, die voorgaat bij godsdienstige plechtigheden en voorzit
+bij de offer-feesten van het dorp. Een Christen, dus een niet-priester, haast zou men mogen zeggen een tegenpriester als dessa-hoofd,
+dat was een breuk in wat onverbrekelijk had geschenen. Er is indertijd gewaarschuwd voor het gevaarlijke van de proefneming:
+men vreesde voor oproer. Niets van dat alles! Op de geleidelijkste en vreedzaamste wijs heeft de groote vernieuwing haar beslag
+gekregen. Misschien hielp daartoe, wat Madjawarna betreft, een recht nog ouder dan de Islam: het ontginnersrecht dat gezag
+geeft over de dessa, en de godsdienst van den ontginner van 1818 was het die het nieuwe recht van zijn opvolgers beschermde.
+Maar in andere christendorpen ligt het geval anders: zonder den beschermenden schijn van welke oude denkbeelden ook, is dit
+nieuwe er <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>ter overwinning gekomen. En, merkwaardig! uit eigen beweging hebben zelfs Mohammedaansche dessa-lieden hun Christenhoofd dezelfde
+voorrechten toegestaan, ten opzichte van akkerbezit en dorpsdiensten als den Mohammedaanschen loerah toekomen. Dat hij geen
+deel neemt aan de offerfeesten wordt, als nadeel, blijkbaar gering geacht tegenover het voordeel dat een op betere beginselen
+rustend bestuur aanbrengt. Het is weer hetzelfde geval als met het ziekenhuis en de school; omdat het blijkbaar, tastbaar,
+zichtbaar beter is, wint het nieuwe het van het nog zoo vereerde en hartstochtelijk vastgehouden oude.
+
+</p>
+<p>In het huiselijk leven is een dergelijke vernieuwing bemerkbaar. Er is tegelijkertijd meer vrijheids-gevoel en meer verantwoordelijkheidsbesef
+in gekomen. Man en vrouw scheiden zoo licht niet van elkander als gewoonlijk Javanen doen, onder wie drie, vier, vijf maal
+scheiden en hertrouwen niets ongewoons is. De ouders nemen de opvoeding der kinderen ter harte. Er zijn er zelfs al bij wie
+die zorg zich uit op een wijze haast ondenkbaar voor een gewonen Javaan: door zorg voor de toekomst der kinderen. Zij hebben
+een spaarbank-boekje op den naam van hun kind, en brengen geregeld daar op in. Zij laten de kinderen op school, zoo lang zij
+maar eenigszins het zonder hun mede-arbeid en -verdienste kunnen stellen. En ook de meisjes krijgen een opvoeding, wat onder
+gewone dessa-lieden nooit gebeurt. Tegelijk komt een zekere vrijheid in de houding der kinderen tegenover de ouders. Zij ligt
+niet in de Javaansche zede. Zoolang het klein is wordt het Javaansche kind vertroeteld en ook verwend en bedorven tot in het
+ongeloofelijke. Den geheelen dag solt een Javaansche moeder met haar kind. Het gaat de &#8220;slendang&#8221; niet uit. Als het kikt wordt
+het aan de borst gelegd. Zelfs in de kerk. Geen sprake <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>er van dat het een oogenblik, op nog zoo veilige plek, alleen wordt gelaten, een oogenblik aan n&ograve;g zoo goede hoede van een
+ander toevertrouwd. &#8220;Als mijn kind niet uit mij drinkt, sterft mijn kind.&#8221; Het &#8220;drinkt uit zijn moeder&#8221; nog wanneer het al
+begint te rooken. Ieder die door de velden loopt kan dit tafereeltje zien: een jongen van een jaar of drie die van zijn kornuiten
+bij het rijst-bewaken of het rietblad-stroopen wegloopt naar de borst der geduldig-neerhurkende moeder, en, verzadigd, een
+strootje opsteekt en wegwandelt. Maar laat de dreumes grooter worden en met vertroetelen is het uit. Tegenover een volwassen
+kind zijn ouders streng, om niet te zeggen hard. Er wordt bevolen, en nooit gezegd waarom. Er wordt gestraft en gewoonlijk
+niet rechtvaardig of redelijk, laat staan zachtzinnig. Naar eigen wil van een zoon of dochter wordt zelfs niet gevraagd bij
+een huwelijk. Dat is anders geworden sedert de zending de huwelijksinzegening afhankelijk heeft gesteld van de verklaring
+van bruid en bruidegom beiden, dat zij uit vrijen wil elkander tot echtgenoot nemen. &#8220;Als u mij dwingen wilt moet ik gehoorzamen,
+maar ik zal voor den pandita verklaren dat ik gedwongen ben&#8221; heeft al eens een &agrave;l te autoritairen vader tot inzicht en toegeven
+gebracht. Terwijl een verdere vrijheids-vermeerdering voor het kind bereikt is door een tweeden eisch der zending: dat het
+jonge paar een eigen woning hebbe. Gewoonlijk trekt het bij de ouders van den man in. Het is een gebruik dat, als bekend,
+ook onder het Russische boerenvolk heerscht, (altijd door vindt men punten van overeenkomst tusschen Javanen en Russen, in
+het Westen en in het Oosten de hedendaagsche-middeleeuwers) de lezers van Gorki&#8217;s novellen weten met welke gevolgen. Zij zijn
+hier op Java dezelfde. In het Christenendorp is de mogelijkheid voor hun ontstaan afgesneden.
+<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span></p>
+<p>De levenswijze van den enkeling ook is veranderd onder den invloed der nieuwe denkbeelden. Hoewel door geen tekst letterlijk
+verboden, z&oacute;o als bijvoorbeeld alcoholische dranken verboden zijn door een Korantekst (en niettemin, hoe langer hoe meer helaas,
+gedronken worden), wordt toch drinken, opiumschuiven en dobbelen geacht voor een christen ongepast te wezen, evenals het leenen
+tegen woeker-rente, de &#8220;nieuwe adat&#8221; is daartegen. Het is niet aan te nemen dat dat alles in het geheel niet meer voorkomt
+onder Christenen; maar stellig is het zeldzamer onder hen.
+
+</p>
+<p>Zooveel dan heeft de zending gewonnen. Heeft zij ook gewonnen wat haar het allerbelangrijkste moet schijnen, de innerlijke
+bekeering van den Javaan? Uit de woorden van zendelingen, zooals zij opgeteekend staan in hun eigen organen, uit de herhaalde
+klachten over het langzame vorderen van den zendingsarbeid, de zeldzaamheid der toetreding van volwassenen tot het Christendom,
+en de kracht die, alle belijdenis van den Christelijken godsdienst ten spijt, het oude, animistische bijgeloof en de fataliteits-idee,
+beide even verderfelijk, nog over den geest van den Javaan blijken te behouden, uit zulke klachten schijnt het gewettigd de
+gevolgtrekking te maken dat de zending tot dit haar hoogste doel, tot nog toe niet zoo dicht is genaderd als tot die andere
+doeleinden, in het stoffelijke, verstandelijke en maatschappelijk-zedelijke gelegen.
+
+</p>
+<p>&#8220;In zijn verslag over 1898 klaagt hij (Kreemer) zeer over de oppervlakkigheid zijner bekeerlingen. Hij miste bij hen maar
+al te vaak energie en een levendige opvatting van het Christendom; en typen van ontwikkelde, in het hart getroffen Christen-Javanen,
+die.... als een bewijs van den zegenrijken invloed der zending vertoond kunnen worden, zijn schaarsch.&#8221;<a class="noteref" id="xd0e986src" href="#xd0e986">2</a>
+<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Geeft men den menschen in de eene hand rijst, in de andere den godsdienst, dan is de hand met rijst steeds aan den mond,
+de andere zoover mogelijk uitgestrekt.&#8221;<a class="noteref" id="xd0e992src" href="#xd0e992">3</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Er is geen andere weg (dan land-ontginning) om het Evangelie meer ingang te doen vinden, en het tot gemeengoed van dit diep
+gezonken volk te doen worden.&#8221;<a class="noteref" id="xd0e997src" href="#xd0e997">4</a>
+
+</p>
+<p>&#8220;Er komt van lieverlede orde en regel in het leven van den Javaanschen Christen. Hij wordt werkzamer, begint zich beter te
+kleeden; toont bij toeneming de behoefte om goed te wonen en zich netter in te richten; van opium-pijp, dansmeiden en spel
+is <span class="letterspaced">geheel</span> afstand gedaan; de lommerd blijft onbezocht; de landrente wordt geregeld gekweten; de kinderen, ook de meisjes, gaan allen
+school; en van echtscheiding, anders schering en inslag onder de Javanen, wordt niet, of hoogst zelden, gesproken; politiezaken
+komen niet voor.&#8221;<a class="noteref" id="xd0e1005src" href="#xd0e1005">5</a>
+
+</p>
+<p>Met zulke zeggingen in de gedachte, en het schouwspel van een dorp als Madjawarna voor oogen, voelt de beschouwer die onpartijdig
+tracht te staan, de gedachte opkomen dat de Javaan van de zending andere gaven zoekt en aanneemt dan die eene, die zij de
+e&eacute;ne-kostelijke acht en dat hij &#8220;Christen&#8221; wordt om vooruit te komen in de wereld.
+
+</p>
+<p>Als dat zoo is, dan heeft de zending een ander doel gediend dan zij voor het hare koos. Die haar overtuigingen deelen zullen
+zich daarover bedroeven. Die een andere wereldbeschouwing hebben, zullen bedenken hoe dit niet de eerste maal zou zijn dat
+<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span>over de beweging der enkelen heen, en er tegen in zelfs, en toch en zelfs juist door middel daarvan, de maatschappij haar
+eigen voorwaartschen gang gaat, naar haar eigen, nog achter onzen gezichteinder verborgen doel.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e915src" id="xd0e915">1</a></span> Ik grijp de gelegenheid aan om voor de inrichting in Holland de hulp te vragen die Indi&euml; haar niet geven kan: wetenschappelijke.
+De bibliotheek heeft erg gebrek aan nieuwe medische literatuur. Zouden heeren artsen en uitgevers hier niet eens willen helpen?
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e986src" id="xd0e986">2</a></span> De Zendingseeuw voor Nederlandsch Oost-Indi&euml;: VI Het Nederlandsch Zendelinggenootschap 261.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e992src" id="xd0e992">3</a></span> Woorden van een Christen-Javaan, aangehaald in de Mededeelingen vanwege het Nederlandsche Zendelinggenootschap. Verslag omtrent
+den werkkring Madjawarna in 1910, blz. 134.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e997src" id="xd0e997">4</a></span> Zendingseeuw etc. p. 255.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1005src" id="xd0e1005">5</a></span> t. a. p.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch10" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Een bevloei&iuml;ngswerk.</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n het stroomgebied van de Solo ontspringt en verzinkt weer in den drassigen grond de Pritjetan. Zij is een van die vele &#8220;tijdelijke
+rivieren&#8221; op Java die in de regenmaanden aanwassen tot een woesten vloed, en in den drogen tijd slinken tot verdwijnens toe.
+Haar bovenloop gaat door een wijd dal tusschen twee met een verren zwaai naar elkander toe buigende landruggen ingesloten,
+waarvandaan de grond langzaam aan oprijst naar de streek waardoor de naaste der vele van de bergen komende zijrivieren der
+Solo vloeit. In den Westmoesson, als ontelbare bronnen en aderen opengaan in den doordrenkten grond, zwelt de Pritjetan tot
+een sleurenden stroom die over zinking en zwelling heen voortrent naar de groote rivieren. Maar zoo haast de regens ophouden
+ebt zij van de hellingen weer weg, ligt als een slijmerig groene plas in de kom van het dal, wordt een smalle en al smallere
+kronkelbeek, en is ten slotte niet meer dan een dunne trage spreng, die wegsiepelt in een moeras. Het dal, beurt aan beurt
+verdronken en verdorrend, is gaandeweg verlaten door de bevolking die er verhongerde, zoo rijk als de grond is. De weinigen
+die nog bleven, leden ellende. Zij geneerden zich met houthakken in de groote <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span>djatibosschen van den omtrek, met sprokkelen, het plukken van djatiblad dat zij op de passars in den omtrek verkochten als
+inpak-materiaal voor eetwaar, van hout-diefstal natuurlijk ook. Op de hellingen trachtten zij tabak te telen; in de kuilen
+rijst. Het gebeurde soms wel dat zij tot zeven malen in een jaar opnieuw plantten en van den nu verschroeiden, dan verdronken
+grond niet &eacute;enmaal een eenigszins voldoenden oogst wonnen. Wie een kip slachtte, deed het in het geheim, om niet overvallen
+en mishandeld of misschien doodgeslagen te worden voor het begeerlijke maal. Van het dagenlange zwerven door het scherpe woud
+kregen kinders als volwassenen, vrouwen en mannen, wonden aan de voeten, die gaandeweg invraten, tot het been bloot kwam;
+niemand was er die hen verzorgde. Om zulke ellende te verhelpen, dadelijk, en een toekomst te beginnen van allengs toenemende
+welvaart, werd verleden jaar het groote werk aangevangen dat de Pritjetan zal maken tot den w&egrave;l-geregelden bevloeier van de
+streek.
+
+</p>
+<p>Het is het eerste werk van dien aard en die groote verhoudingen, op Java van regeeringswege begonnen. Twee en een halven K.
+M<sup>2</sup>. oppervlakte heeft het dal, dat door den afsluitdam veranderd zal worden in een vergaarkom voor de bandjirwateren der rivier;
+de capaciteit zal zijn van tien millioen M<sup>3</sup>.; zeventien M. hoog bij vierhonderd lang en, op zijn zwaarst, negentig breed, de reusachtige dam die de watermassa tegenhoudt;
+en het langs twee kanalen rechts en links van den aftapduiker afgevoerde water zal voldoende wezen om meer dan zesduizend
+bouw grond geschikt te maken voor rijst-teelt. Zesduizend bouw rijst, in dit altijd meer rijst behoevende land! Het moest
+heerlijk zijn te zien hoe zoo iets w&egrave;rd. Wij gingen.
+
+</p>
+<p>Van het Djombangsche uit naar de Pritjetan-vallei <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>is de tocht een gang van de volheid der technische beschaving terug naar de natuur. Het begin van den weg loopt langs enkel
+fabrieken en spoorweglijnen; suikerfabrieken links en rechts van den langen, door zware tjikarren stukgereden weg; twee ijsfabrieken,
+waarvan het groote wiel gewenteld wordt door een voorbijstroomend, met dammen en sluizen driftig gemaakt riviertje; de stad
+Djombang dan, het drukke station van spoor- en tramlijnen, de straten waarlangs automobielen stuiven; weer fabrieken, groote,
+pasgebouwde, dreunend van zwaren machineslag; de dijk langs de Brantas en over de breede rivier heen de twee lange bruggen,
+zwaar en breed, de eene voor het algemeen verkeer, de andere als spinrag dun en zwart om te zien, twee smalle ijzeren staven
+op vele smalle ijzeren stutsels, de brug van de Babat-Djombangtram. Aan gene zij van de groote, als een meer breede en rustig-vloeiende
+rivier, weer een suikerfabriek met geweldigen schoorsteen boven de boomen uit, weer een drukke straat tusschen Chineesche
+winkeltjes en woninkjes door, en altijd nog de blinkende rails der tramlijn. Maar nu wordt het stiller. Voor onzen automobiel
+vliegen zwermen vogels op uit de vaalgele Oostmoessonpadi, die armelijk op het veld staat, verdord in de laatste gloeiende
+weken, waarin niet een enkele bui is gevallen. Verderop gaan pluksters door het veld; zij bewegen langzaam, geluideloos, lusteloos
+door den geringen oogst. Er staan armelijke huisjes aan den weg, dun van wanden onder een uitgerafeld rieten dak. Dan is ook
+dat verdwenen. En de weg duikt de schaduw in van het bosch.
+
+</p>
+<p>Het is djati-bosch, gouvernements-aanplant. De groote gladde, bruine zuilen van stammen staan geregeld in de rij. Er zijn
+kenmerken op aangebracht, hier, ginder, daar alweer, met roode en zwarte teekens, <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>met kepen diep gekerfd in den bast. Opeens wordt alles licht, dan, heelenal grijs: hier is het bosch &#8220;geringd.&#8221; Om de stammen
+heen loopt een breede witte wond, waar de bast is afgelicht van het hout. Z&oacute;&oacute; moet de boom doodgaan, &#8220;sterven op stam.&#8221; Het
+duurt twee jaar voor de laatste toppen zijn uitgedroogd en het levende organisme verstijfd is tot bouwstof. Mager als geraamten,
+strak als steen staat het bleeke bosch te sterven. En zonderling, vlak daarnaast weer, het herbeginnende groen, dof grof groen
+van djati met verrassend daar tusschen op een enkele plek de teedere, tintelend-lichte looverwolk van een tamarinde, een lente
+van een boom, en, schitterend in de zon, djoewars in vollen bloei, goudgeel.
+
+</p>
+<p>Nog altijd loopt naast ons het spoor der tram. En, tusschen de boomen, op een enkele plaats, komt een tweede spoor te zien,
+in de hoogte, een spoor door de lucht, over afgezaagde stammen loopend; de mono-rail, waarlangs van de heuvels af, hangende
+ijzeren wagens met boomstammen bevracht, in een vliegende vaart naar beneden komen. De exploitatiechef der tram, onze gids
+op dezen tocht, legt ons de constructie in W-vorm der wagens uit, waarvan hij de uitvinder is en eerste toepasser. Het is
+niet mogelijk, dat, zelfs bij de scherpste bocht, de slingerende wagens ooit uit het gewicht raken. In den regentijd, als
+de boschwegen in moeras veranderen, gaat ongestoord het hout-transport zijn gang langs dezen luchtigen weg, de eene ijzeren
+staaf op de onthoofde boomen gedragen. Overal in het bergland van Java op cultuur- en houtaankapondernemingen begint men nu
+met den aanleg van zulke monorails.
+
+</p>
+<p>Wij hebben het punt bereikt waar wij den landweg moeten verlaten. Van hier naar het waterwerk gaat de tocht verder in een
+lorrie. Er is een dakje van gevlochten blad over gemaakt en twee omgekeerde <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>leege petroleum-kisten staan er in voor banken. Zes halfnaakte koelies duwen ons voort over het smalle spoor, op zijn dwarsliggers
+van jonge djati-stammen en zijn dijk van zand en kalksteen, omgewoeld op plekken door een stortbui, plotseling gisteren gevallen.
+Heuvel op kruipen, heuvel af vliegen wij, de koelies tusschen ons in. We zien tegen glooi&iuml;ngen op en in kuilen akkertjes van
+enkele voeten in het vierkant, armzalige lapjes tabak- en rijstveld. In lompen gekleede sprokkelaars gaan bukkend door het
+bosch. Wij komen mannen tegen als wandelende heuvels bladeren, die den langen weg af gaan naar een pasar ergens in den omtrek.
+Dan wordt, laag gelegen, een lang vlak gebouw zichtbaar, wit en grauw. De van zweet gudsende koelies laten de lorrie stilstaan
+voor de woning van den ingenieur. Hij brengt ons naar het werk.
+
+</p>
+<p>Van een hoogte van uitgegraven en opgeworpen aarde uit zien wij het wordende liggen. Daar blakert, grauwwit in de felle zon,
+de groote aftapduiker, tusschen gemetselde muren vier lange rechte kanalen, waardoor het water uit de groote vergaarkom, onder
+den dam door, geleid zal worden naar de bevloei&iuml;ngs-kanalen. Op een uitgestrektheid cementen vloer aan gene zij van den duiker
+is een ploeg werkvolk aan den arbeid. Recht in de rij staan zij, met zware stampers, het uitgegoten cement vast te stampen,
+onder toezicht van den mandoer, een grooten, pikzwarten neger, in hemelsblauwen broek en wit hemd, die als een zeeman op het
+schommelende scheepsdek, wijdbeens staat, en zijn orders geeft op een bootmansfluitje. De cementen vloer wordt de bedding
+van het water dat naar den uitwoelbak stroomt. Als in een echte bedding is hier al een bronnetje te voorschijn gesprongen.
+Het mag niet gestopt&#8212;levend water laat zich niet terugdringen: het vingersmalle <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span>straaltje zou den geheelen geweldigen dam van binnen uit gaan uithollen, en uiteen woelen. Er wordt een afzonderlijk kanaaltje
+gemaakt in den cementen vloer voor het borrelende bronnetje: een koeli is er bezig aan. Aan genen kant van het cement flikkert
+tusschen gemetselde wanden een plas, vlak en plat, waar des vier stroomen uit den duiker bruisend neerstorten zullen en tot
+effen rust komen voor zij, naar links en naar rechts de twee lange leidingen in gaan, die wat nu moeras is en zandwoestijn
+bij beurten zullen veranderen in vruchtbaar veld.
+
+</p>
+<p>Rondom dien duiker in de diepte, als rondom den grondslag van het langzaam opgroeiende werk, is een leger arbeiders doende.
+Er wordt beton gemaakt. Daar slaan dozijnen steenkloppers den harden grauwen kali-steen voor stuk. Tot heuvelhoogte al is
+de hoop steenslag gegroeid: de mannen zitten klein aan den voet van den blinkenden schervenberg. Het onafgebroken geknetter
+van brekenden hamerslag en verbrijzeld gesteente maakt de lucht aan het trillen. Terzij van den steenslag-heuvel staat een
+gehucht van loodsen, blinkend met daken van gegolfd metaal. Met kracht van handen en met kracht van machines wordt de verbrijzelde
+steen gemengd met zand en met cement: eindeloos komen de rijen zware witte zakken er aan, die eenige duizenden mijlen ver
+weg, aan de overzij van de wereldzee, langs Engelsche rivieren, gevuld zijn.
+
+</p>
+<p>Op den vloer van de machineloods liggen de lange ijzeren stangen, die aan het eind omgebogen moeten tot in elkander grijpende
+haken. Dan worden zij gevoegd in het reusachtige rasterwerk, dat daar buiten over den grond ligt, een strak en toch veerkrachtig
+net van ijzeren mazen, dat den uitgegoten en dadelijk verstarden stroom van beton in onverbrekelijken vorm en vastigheid zal
+vangen. De groote dam, <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span>die op den aftapduiker komt te staan, in een boog tegen den loop der rivier gericht, de groote dalkom afsluitend, zal voor
+binnensten kern zulk een muur van kalk en ijzer hebben. De zachte siepeling van het water kan niet door het beton. De druk
+en drang van het water verwringt het ijzer niet.
+
+</p>
+<p>De ingenieur schetst in groote trekken den gang dien het werk moet volgen: het aanleggen van den dam: het bouwen van de twee
+torens op den duiker waarvan uit het windwerk wordt geregeerd, dat het water toelaat in de kanalen of afsluit: de oprichting
+van een nood-overlaat; de verlegging van de in wijde bocht kronkelende rivier recht aan op den duiker.
+
+</p>
+<p>De &#8220;rivier&#8221; is nu een smalle loome beek, groen van slijmerig gewas. Zij komt er aan uit het in wijdte weg-blauwende dal of
+zij niet verder meer kan van moeheid en watergebrek, en liefst zou blijven, liggen in plasjes. Er is een inspanning van gedachte
+en verbeelding toe noodig om zich voor te stellen dat die groene slingersloot over zes weken een stroomende zee zal zijn.
+&#8220;De Pritjetan heeft in banjir-tijd een maximum afvoer van 300 kub. M. per seconde,&#8221; zegt de ingenieur, en laat ons in nadenken
+over de cijfers, die voor de leeken-gedachte niet tot een beeld willen worden. Maar dan wijst hij naar het dal, de wijde blauwige
+holte, waar een jong djati-bosch opgroeiende is: &#8220;Over drie jaar vaart daar onze motor-boot.&#8221; De herinnering aan Hollandsche
+plassen helpt deze Indische werkelijkheid veranderen tot de voorstelling van wat zij eenmaal zal zijn.
+
+</p>
+<p>Als wij uit de laaie van middagzon pal op cement en zink teruggekomen zijn in het koele huis, krijgen wij werk en landschap
+in kaart gebracht te beschouwen.
+
+</p>
+<p>Daar staat het, wit op blauw: lijnen, cijfers, letters, die geheele wijde overweldigende werkelijkheid <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span>gevangen in teekens. Toovenaars hebben zulke dingen beproefd, lang geleden, als zij onbekende machten wilden dwingen in menschendienst.
+Daar staat het plan van het werk, de loop van den stroom, de ligging van het land. Nog enkele jaren, en de tooverteekening
+zal een nieuwe werkelijkheid zijn geworden, en die groote onbekende die bij den dag en bij het uur al minder onbekend wordt
+voor het indringende denken der zoekers, de Natuur, zal al weder een van haar tallooze krachten overgegeven hebben in den
+dienst van de maatschappij.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="normal">BALI</h2><span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span><div id="ch11" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Singaradja</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>e boot die van <span class="corr" id="xd0e1084" title="Bron: Soerabaya">Soerabaja</span> uit de buurt ingaat der kleine Soenda-Eilanden komt in den ochtend voor Boeleleng aan. Met het aanlichten van den dag al
+is de Balische kust in zicht gekomen. Twee doorschijnend blauwe toppen rijzen, zachtaan, omhoog aan de Oosterkim, spits de
+eene, de andere als een lange golf geleidelijk op zich heffende. Zij groeien de breedte en de diepte in, tot een groep van
+schoone bergen, tot een lange keten dan, donker langs de hellingen van woud. Langs den voet in wijde slingers van kaap en
+inham, loopt naar het Zuiden toe een zacht-glooiend strand weg; breedten flonker-blauwe zee, waar fel in de al klaarder schijnende
+zon witte zeilen blinken, liggen tusschen bosch en verren bergwand. In de diepte van een wijd-uitgebogen baai kleuren stippels
+helder rood; dat zijn de daken van Boeleleng. Zoo haast ligt het schip niet stil, of in een zwerm van bootjes, kano&#8217;s, prauwen,
+komt, met den oogst van het land het volk er aangevaren; het is of het eiland zelf het aangestevende schip tegemoet komt.
+De schuitjes liggen opgehoopt met vruchten, allerlei daaronder dat nieuw is in vorm en kleur. Op breede prauwen, bij dertig
+en veertig tegelijk, komt goudgeel vee aangedreven, zoo sierlijk van bouw, <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>dat de groep denken doet aan een in &#8217;t nauw gedreven en samenschuilende kudde herten. En de mannen, die uit de dobberende
+vaartuigjes in de doorzichtig blauwe slagschaduw onder het schip naar het dek komen opklimmen, zijn rank en krachtig tegelijk
+van lijf, en hebben lichte gezichten, waarin de oogen lachend staan.
+
+</p>
+<p>Boeleleng, dat met zijn uiterste huizen tot vlak aan het water reikt, is een drukke handelsplaats. Altijd liggen aan weerszij
+van de pier schepen en schuiten; de booten van de Paketvaart, Chineesche zeilers, Makassaarsche prauwen, die als een oud-Hollandsch
+galjoen van voor naar achter steil oploopen, prachtig als met opgespreide wieken zwemmende zwanen op het water; bij twintig
+tegelijk dobberen geankerd de Inlanderbootjes langs het strand, de zeilen tusschen schuins hangende kokospalmen. Naast den
+vervallenden dooden-tempel, vlak aan het water, waarvan de schoone, rijk gebeeldhouwde poorten nog staan, ligt een groot pakhuis,
+onder het afdak waarvan troepen vrouwen koffie verlezen. Verderop zijn houtstapelplaatsen en schuren waar bergen huiden liggen
+opgestapeld. En de lange winkelstraat is vol van allerlei Chineesch en Britsch-Indisch goed. Als overal in aan zee gelegen
+handelsplaatsen heeft ook hier het drukke verkeer het lands-eigene weggesleten. In die lange, nauwe straat, waar de winkeltjes
+tegen elkander aangedrongen staan, is niets te zien dat niet in een Soerabajasche of Semarangsche winkelbuurt van het mindere
+slag ook gevonden kan worden. Het is er Oostersch-internationaal. In de schaduwige diepte van de openstaande koophuizen komen,
+donker tegen een achtergrond van bonte sarongs en stukken sits, haviksprofielen van magere Arabieren te zien en paffig-witte
+vollemaansgezichten van Britsch-Indi&euml;rs wien een met goud geborduurd <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>kapje schuin op het haar staat. Armeni&euml;rs, zwart gebaard, met tapir-gezichten, een en al neus en vooruitstekende bovenlip,
+wandelen gewichtig, zelf-bewust als mannen van geld. Overal zijn Chineezen, en Chineezen van alle slag, gezeten handelsmannen,
+marskramers, die hun staart in een vettigen krans om het hoofd gebonden hebben, koelies. Zij bewonen een geheele buurt, rechthoekig
+op de zeestraat aangebouwd. Het is goed te zien hoe overwegend hun aandeel in het handelsleven van het eiland al sedert oudsher
+is: de pasmunt is Chineesch. De bronzen duiten, met een gat in het midden voor het aanrijgen, hangen den marktgangers aan
+snoeren over den schouder.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p135.jpg" alt="Voor de prachtig getooide poort van den dorpstempel houden, de knots op de knie, boloogde reuzen de wacht." width="528" height="694"><p class="figureHead">Voor de prachtig getooide poort van den dorpstempel houden, de knots op de knie, boloogde reuzen de wacht.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Van Boeleleng naar Singaradja, de hoofdplaats van Bali, loopt een lange, breede, rechte weg, sedert kort pas aangelegd, met
+jonge tamarindeboompjes aan weerszij, gemetselde kanalen voor het afvloeiende sawah-water en een leiding, die uit de bronnen
+van het gebergte&#8212;hoog en blauw in het verschiet&#8212;het zuivere drinkwater de vlakte in brengt. Ten halve maar verborgen achter
+die westersche regelmatigheid en orde begint hier het echte Bali, het Bali van de Bali&euml;rs. Een muur langs de heuvelhooge bermen
+van den weg beneemt het gezicht op de Inlander-huizen; maar de daken, dicht opeen, zonder ergens een groenen boom ertusschen,
+de gevels van grauwen steen of klei, een rijstschuurtje, door als pauwen gevleugelde leeuwenbeelden bewaakt, een godenhuisje,
+versierd en bebloemd, komen hier en ginder er boven uit. De pasar ligt op een viersprong, en daarnaast, tusschen geboomte,
+het aan vier zijden open feest-gebouw, door een vervaarlijk gevlerkt, geklauwd en geslagtand monster boven den hoofdingang
+bewaakt; wat verderop de ommuurde badplaats der aanzienlijken; en daar, waar de weg begint te klimmen naar de heuvel-gehuchten,
+<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span>de dorpstempel met zijn prachtig getooide poorten, aan weerszij waarvan, de knots op de knie, boloogde reuzen de wacht houden.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p137.jpg" alt="De schoone vrouwen gaan naakt tot aan de leest toe, die zij met een bonte sjerp omwinden. De zware haarwrong versieren zij met een bloem." width="526" height="694"><p class="figureHead">De schoone vrouwen gaan naakt tot aan de leest toe, die zij met een bonte sjerp omwinden. De zware haarwrong versieren zij
+met een bloem.
+</p>
+<p>Fotogr. Gr&uuml;ndler.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Op dezen weg is het van het aanlichten van den dag tot schemeravond druk van volk.
+
+</p>
+<p>Wat mooi slag van menschen! Groot, rank, rechtop. Het mooist zijn de vrouwen. Zij dragen zware lasten&#8212;zoo zwaar, dat zij zonder
+hulp die niet op kunnen tillen&#8212;op het hoofd, en de voortdurende spanning heeft de spieren van hals, borst en rug tot volkomen
+schoonheid ontwikkeld. Een arm opgerekt naar den in evenwicht zwevenden last, met de andere hand een tip van de donkere boven-sarong
+sierlijk optillend, waaronder een bont onderkleed te voorschijn komt, het tot den gordel naakte bovenlijf omfladderd van een
+dunne, kleurige slendang, purper, oranjegeel, fel-groen, viool-paars, gaan zij daarheen met wiegende passen, een weinig draaiend.
+Het is een lust hen aan te zien komen, een lust hen na te zien. Hun haar zit in een dikke wrong schuins tegen den linkerkant
+van het hoofd geschikt. Allen hebben zij er bloemen in gestoken, tjempaka&#8217;s meest, of roode en witte oleanders. Zij zien er
+uit, niettegenstaande dien zwaren last op hun hoofd, of zij naar een feest gaan.
+
+</p>
+<p>De mannen zijn over het algemeen groot van stuk, met forsche ledematen. Zij bewegen zich met een zelfbewuste waardigheid.
+Van de Hollanders, die zij groeten, ontvangen zij een wedergroet. Zelfs armelijk-gekleeden, ja zelfs koelies, hebben hun sarong
+op een doordacht-sierlijke wijze geschikt, met een van voren tot op den grond afhangende slip, die, men begrijpt niet recht
+hoe, wegwuift voor elke schrede die zij neerzetten. Het kastenstelsel heerscht op Bali, sedert, haast vijfhonderd jaar geleden,
+de Javaansche Hindoes, in volksverhuizing vluchtend voor den <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span>Islam, het hier invoerden.<a class="noteref" id="xd0e1115src" href="#xd0e1115">1</a> Maar van de scherpe afscheiding die de echte Hindoe-zede eischt, is, uiterlijk, zoo min iets aan hen te bemerken als van
+Javaansche gedweeheid en gedempte vormelijkheid. Wel moet het een krachtig ras zijn geweest, dat oorspronkelijke Bali&euml;rvolk,
+dat trekken van zijn wezen zich hebben kunnen handhaven tot in een zoo ver nageslacht toe, tegen zooveel en zoo sterke vreemde
+invloeden in.
+
+</p>
+<p>Of de hedendaagsche Bali&euml;rs daarvan iets gevoelen? Men moet aannemen van niet. Want zij plachten vanouds op de Bali&euml;rs van
+het binnenland, de Bali-aga, die zich met de Javanen niet hadden vermengd en hun oud-Heidensche gebruiken in eere hielden,
+met minachting neer te zien als op &#8220;boschmenschen.&#8221; En met trots noemen zij zichzelven Javanen-afstammelingen, &#8220;lieden van
+Madjapahit.&#8221; Maar de herinnering heeft wel veiliger en dieper schuilhoeken dan in het brein. En een herinnering die niet in
+de hersens zit maar in het bloed, onbewust en onverdringbaar, zulk een herinnering aan die verre voorouders, die &#8220;boschmenschen,&#8221;
+zou datgene wel eens kunnen wezen wat den Bali&euml;r van vandaag juist als Bali&euml;r kenmerkt: zijn waardigheid, zijn vrijheidszin,
+zijn levenslust.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1115src" id="xd0e1115">1</a></span> De drie kasten zijn in afdalende rij, die der Brahmanen, die der Ksatrya, die der Wessya. De leden der Triwangda hebben nog
+enkele historische voorrechten op de gemeenen, de Kaoela. De Ksatrya zijn zoo goed als verdwenen en de Wessya nemen hun plaats
+in.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch12" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Een wijk van de stad</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n den zuidwestelijken hoek van den wegen-viersprong bij Singaradja ligt een wijk gevoegd, waarbinnen alles bijeen is wat tot
+de samenstelling behoort van een Balische stad: een buurt geringe huisjes, een badplaats, de markt, de feest-loods, eenige
+huizen van aanzienlijke leden der drie kasten, en de dorps-tempel. De aanleiding tot mijn eerste bezoek daar,&#8212;het gold de
+geringe buurt,&#8212;was een eenigszins griezelige. Er was gesproken in de pasanggrahan, over de wijzen waarop de Bali&euml;rs handelen
+met hun dooden. De Hindoe-wet beveelt lijkverbranding. Maar de ceremonie is kostbaar: van twee tot drieduizend gulden is er
+mee gemoeid. Hoe doen de armen? De allerarmsten, was het antwoord, begraven hun dooden tot tijd en wijle een lijkverbranding
+plaats heeft. Hun wordt dan door den rijke verlof gegeven tot mededoen, en de opgegraven overblijfselen, of als die in stof
+zijn verdwenen, een den doode verbeeldende figuur van lontarblad, wordt meegedragen in den stoet en bij het feest der verbranding.
+Die echter eenigermate bemiddeld zijn, houden het stoffelijk overschot van die hun lief zijn geweest, in hun woning. De echt-Balische
+manier is, door een bijzondere behandeling het lijk te doen krimpen en <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span>drogen, tot het hard is als hout; in windsels stijf gewikkeld blijft het dan, in een afzonderlijk opgericht huisje, op het
+familie-erf, den dag der verbranding afwachten. Onder Westerlingen-invloed heeft zich dit gebruik veranderd in het kisten
+van het lijk, nadat het met bepaalde, eenigermate bederfwerende middelen is behandeld; ook de kist blijft op het familie-erf,
+en zelfs vlak bij de woning. Het verhaal leek mij ongelooflijk; ik volgde den Bali&euml;r, die het mij had gedaan, naar een huis
+in de volksbuurt, waar hij me zeide, dat ik met eigen oogen mij kon overtuigen van de nauwkeurigheid zijner mededeelingen.
+
+</p>
+<p>De weg er heen, vol hobbels en kuilen, ging langs lage muurtjes, waar hier en daar bloeiend en vruchtdragend geboomte overheen
+hing: een vonkel-bloemige granaatappel, een citroen-boom vol wit en goud, een purperen djamboe. Hij stiet een houten poort
+open, die langs posten en bovendorpel versierd was met prachtig snijwerk, lotusbloemen voorstellend en een geweldigen Vogel
+Grijp, en bracht mij binnen in een ruimte, waar alles &eacute;&eacute;n kleur leek&#8212;de kleur van den grond-zelf. Een twintig huizen van grauwen,
+met grauwe klei bepleisterden, baksteen stonden hier bijeen in groepen, die door lage leemen muren gescheiden waren. Er lagen
+daken op van droog riet, droog gebladerte, drogen vezel, bruin, grijs, zwart. Een geheele kudde varkens, slijk-zwarte ruige
+borstelbeesten met een stijf-opstaande maan, van kop tot staart den geheelen rug langs, en vervaarlijk-geslagtanden snuit,
+was aan het wroeten in allerlei onnoemelijke vuilnis. Uit alle hoeken kwamen honden aangeschoten, scharminkelig mager en afzichtelijk
+van schurft, die met den staart tusschen de beenen en opgestrekten kop losbarstten in een tegelijk woedend en bang, scherp-huilend
+geblaf. Op dat teeken van onraad kwamen <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>menschen te voorschijn; omringd door een troep spiernaakte kinders, mannen en vrouwen in gore kleedij. Zij brachten ons, dienstvaardig,
+waar wij wezen moesten, bij het gezin dat eenige weken geleden een der grootouders had verloren. En daar zag ik werkelijk,
+onder een soort troonhemel, bedekt met bonte kleeden en omgeven met schalen vol offeranden van vruchten en bloemen en allerlei
+symbolisch sieraad, de lijkkist. In de kleine loods, vlak tegen het woonhuis aan, waar zij te praal stond, waren de kinders
+aan het spelen; muziekinstrumenten stonden in een hoek. Naar de woning, waar het weefraam der bedrijvige huisvrouw te zien
+kwam, stond de deur wijd open.&#8212;Het angstige ontzag voor den dood is iets Westersch-Christelijks: dat wordt iemand op een ietwat
+verbijsterende wijze in het bewustzijn teruggeroepen door zulk een tooneel.
+
+</p>
+<p>Het geheele gezin&#8212;een knap paar de vader en moeder, en de kinders, het een al mooier dan het ander&#8212;was ons tot gidsen op een
+wandeling door de buurt. Overal was het hetzelfde: vuiligheid. Overal wroetende varkens, schurftige honden, afval, modder,
+lompen, stank. Naar de handbreede scheuren in de leemen huismuren zag men onwillekeurig, met het idee, dat d&aacute;ar straks nog
+meer vuiligheid uit zou komen, doorlekkend van binnen uit. Maar het was duidelijk dat het niemand hinderde. De klaaroogde
+kinderen, die tusschen varkens en honden als tusschen prettige speelkameraden over den grond rolden, kraaiden het uit van
+pleizier. Een jonge vrouw, aan den arbeid voor den maaltijd van het gezin, zat op den huisdrempel groenten tot moes te wrijven,
+vlak naast een reusachtig zwijn, dat zijn rug schuurde tegen den deurpost. Languit op een mat lag een man, pas terug van de
+sawah, waar hij met zijn buffels den geheelen werkmorgen,&#8212;van zes tot elf,&#8212;<span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>had geploegd, si&euml;sta te houden. Wat rondom stonk was erger dan een mestvaalt; maar hij, de armen onder het hoofd, lag daar
+in schaduw en niets-doen, te neuri&euml;n van onuitsprekelijke tevredenheid. En, eigenlijk waarom ook niet? Waarom zou vuilnis
+vroolijkheid weren?&#8212;
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p143.jpg" alt="Van Rafa&euml;ls doek naar Singaradja verhuisd." width="522" height="693"><p class="figureHead">Van Rafa&euml;ls doek naar Singaradja verhuisd.</p>
+<p>Fotogr. Gr&uuml;ndler.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De koele rustplaats van den zanger was de vloer, die tusschen de palen van een h&eacute;&eacute;l hoog gebouwde rijstschuur als een soort
+van luchtige, naar alle zijden opene, tweede verdieping maakte, waar een weefraam de gewone plaats aanwees der vrouwen van
+het gezin, en, tusschen een sirihdoos en allerlei keukengerei, een vechthaan in zijn korf stond. De vloer van de rijst-bewaarplaats
+hield dit alles in de schaduw. Naar boven kijkende, zag ik daar iets bonts. Het waren aan weerszijden, naast de hoekpijlers
+der schuur, alleraardigste godenbeeldjes, opgesierd als dansers, en in een houding of zij juist wilden beginnen. Wat een vroolijkheid
+moet er in het hart van den beeldsnijder geweest zijn, toen hij zoo luchtig hun gevouwen kleeren schikte, en hun al dien mooien
+opschik aan hals en polsen gaf, en dien lach op het gezicht! Zijn naam, waarnaar ik vroeg, wist het echtpaar niet. &#8220;Ieder
+werkman hier kan zoo iets maken.&#8221;&#8212;Gelukkig Bali!
+
+</p>
+<p>Voor afscheid brachten mijn geleiders mij naar de Godenhuisjes: enkel vierkante pilaren, met een nis er in, bij wijze van
+verblijf voor den god. In &eacute;en lag een tak blankbloemige tjempaka, tusschen witte en gelige lelies. Zeker was het de akkerman,
+die uit een bloeiend boschje buiten den ruiker had geplukt; en zijn huisgod aangeboden, met een gemurmeld: &#8220;Ik vraag zegen!&#8221;
+
+</p>
+<p>De lucht rondom was zoet van den geur.
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p145.jpg" alt="Hij kwam mij tegemoet, gekleed als voor een feestelijken gang naar den tempel." width="526" height="694"><p class="figureHead">Hij kwam mij tegemoet, gekleed als voor een feestelijken gang naar den tempel.</p>
+<p>Fotogr. Gr&uuml;ndler.</p>
+</div><p>
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span></p>
+<p>Een dag of wat later kwam ik terug in de stadswijk om een bezoek te brengen aan een aanzienlijk en zeer rijk man, een lid
+van de laagste der drie heerschende kasten, die der Wessya&#8217;s, en als zoodanig den titel van Goesti voerend, die een beroemde
+collectie van Balische kunstvoorwerpen bezit, houtsnijwerk, gouden en zilveren vaatwerk, antieke wapens en zijden stoffen.
+
+</p>
+<p>Hij kwam mij tegemoet, gekleed als voor een feestelijken gang naar den tempel, in een purperen, met goud doorweven opperkleed,
+dat, van onder de armen in een plooienrijke slip afhangend, sleepte voor zijn voeten. Zijn handen, waarvan de linker nagels
+had van vier of vijf centimeter lang&#8212;kenmerk van den aanzienlijke die geen handenwerk verricht&#8212;fonkelden van de ringen. En
+hij had een kris in den gordel die in een gouden scheede stak, en waarvan de greep, een gouden godenbeeldje, kwistig versierd
+was met robijnen. Zijn zoon was maar weinig minder kostbaar gekleed. Met een trots dien zij verborgen achter glimlachende
+hoffelijkheid, toonden zij mij inderdaad vorstelijke schatten. Ingemetseld in den muur der voorgalerij (het huis is naar Europeeschen
+trant gebouwd) een beeldhouwwerk in djatihout, dat den strijd voorstelt van twee fabelachtige wezens, een draak en een gevleugelden
+leeuw, te midden van de opstrevende en in slingers afhangende takken van een fantastisch gewas. Daarna wapens, sedert onheuglijke
+tijden al erfelijk in hun geslacht, krissen, breede klewangs, lansen en speren, waarvan het kostbare versieringsmateriaal,
+ivoor, zilver, goud, edelgesteente, zoo kostelijk niet was als de fantasie die er de zonderlingste en schoonste voorstellingen
+in had uitgedrukt. Allerlei tempelgereedschap ook: schalen voor bloemen- en vruchtofferanden, bekers voor gewijd water, gouden
+horentjes, waarin <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>de biddende de bloem steekt die hij tusschen saamgelegde vingerspitsen opheft naar de nis van het godenhuisje. Ten laatste
+zijden stoffen, waarvan sommige met goud- of met zilverdraden doorweven waren, andere een teekening vertoonden van zeer zacht
+in elkander overgaande kleuren, en andere weer motieven van bloemen, vruchten en vogels. Dat alles was het werk van de vrouwen
+der familie. &#8220;Zij doen niet anders, hun geheele leven lang,&#8221; zei de Goesti. Het was den meisjes, die nu werden binnengeroepen,
+aan te zien, dat zij met zulk prachtig werk stilzittend hun leven doorbrachten. Alles aan hen, hun gezicht, handen, hun bouw,
+hun houding, was fijn en ietwat zwakkelijk. Zij geleken maar weinig op die schoone sterke vrouwen uit de volksklasse, die
+met een zwaren. last op het hoofd als dansende over den weg gaan.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p147.jpg" alt="De dorpstempel is een meesterstuk van onze bekwaamste bouwmeesters en beeldhouwers." width="720" height="477"><p class="figureHead">De dorpstempel is een meesterstuk van onze bekwaamste bouwmeesters en beeldhouwers.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De meisjes brachten mij door het huis en over het geheele erf. En daar zag ik nu weer, in hoe andere vorm en verhouding dan
+ook, wat de vorige maal op het erf van den Soedra in de volksbuurt mij zoo getroffen had, de &#8220;innige vermenging&#8221; van vuil
+en kostelijk mooi. Zooals op het Soedraerf de fijne godenbeeldjes, midden tusschen de varkens, de modder en de lompen, zoo
+hier in het Wessya-verblijf gore bedden, groen uitgeslagen muren en als een korst van viezigheid, overal te midden van de
+gouden schatten en meesterwerken van oude sierkunst.
+
+</p>
+<p>De Goesti, die veel met Westerlingen omgaat, is zich klaarblijkelijk bewust van den indruk dien die vereeniging van dingen,
+in h&uacute;n voorstelling onvereenigbaar, op hen maken moet. Hij kwam, wat hij wist dat mijn gedachte moest zijn, tegemoet. Terwijl
+hij mij de &#8220;feest-loods&#8221; toonde (de pendoppo van de Javanen), die verwonderlijk mooi versierd was met schilder- en beeldhouwwerk
+langs alle stijlen <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span>en onder het middelpunt van de als in stralen nederdalende zoldering een leeuw, die pauwen-blauwe vlerken uitspreidt, nam
+hij uit het vergulde lofwerk een bloem weg, die al half kleurloos was geworden en, wormstekig, afbrokkelde. &#8220;Wij maken mooie
+dingen, maar ze onderhouden, dat doen wij niet.&#8221; Ik vroeg waarom? De vraag bleek lastig. Het voorhoofd fronsend, bracht de
+Goesti zijn langgenagelde, zwaar beringde linkerhand aan de kin. Eindelijk:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo is het,&#8221; zei hij. &#8220;Zie een huis als dit, waarin vroeger de broeder van den Radja heeft gewoond: het is kostbaar; het
+vervalt. Zie den dorpstempel, waarvoor wij allen zeer veel geld hebben opgebracht, en dat gaarne, en meer, velen van ons,
+dan wij volgens den aanslag behoefden te geven, want een Bali&euml;r eert de goden met vreugde. De dorpstempel is een meesterwerk
+van onze bekwaamste bouwmeesters en beeldhouwers. Ook de dorpstempel vervalt. Wij l&aacute;ten hem vervallen. Waarom? Ik ben een
+Bali&euml;r, en ik weet het niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>En ineens ontplooide zich zijn voorhoofd en hij begon uit volle borst te lachen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Z&oacute;&oacute; zijn wij Bali&euml;rs!&#8221; riep hij, &#8220;zoo zijn wij!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ziedaar.
+
+</p>
+<p>Er zit niet anders op, dan zich er in te schikken.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch13" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Rijst en rijstbouwers</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-w.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-w.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">W</span>ie van Singaradja naar het aardige heuveldorp Gitgit gaat, volgt een weg tusschen rijstvelden door. Zij liggen, blank als
+licht kabbelende vijvers langs de helling, hier, ginder beginnen zij al te sprieten. Op plekken staan zij, flonkergroen, vol
+in den halm en het dunne zilverwaasje begint er al over te komen van den opengaanden bloesem. De weg klimt slingerend, voorbij
+grauwe dessa&#8217;s, leemen huizen met rieten daken achter een hoogen leemen muur, die tegen week worden en wegspoelen onder stortbuien
+beveiligd is door bossen slordig er over geworpen alang-alang; voorbij bonte tempelpoorten, door grijnzende monsters bewaakt,
+die uitpuilende oogen hebben en slagtanden en vlerken aan de schouders; voorbij pasars, waar koopers en verkoopers aan een
+warong koffie zitten te drinken: onderwijl staan hun korven met vechthanen in de schaduw, en tegen den kant van den weg liggen,
+in wijdmazig bamboe-vlechtsel, een soort fuik, waarin zij door twee man naar den pasar gepikoeld zijn, knorrende zwarte varkens.
+Allerlei marktvolk komt den steilen weg af, koopwaar vervoerend op grobaks en op pakpaardjes, dragend aan het juk, dragend
+op het hoofd. Jonge, ranke kerels drijven goudkleurig vee <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>voor zich uit. Een oud wijfje wandelt met een varken, dat zij een touw om het lijf heeft gebonden. Een geheele rij vrouwen
+komt er aan met kruiken sagoweer op het hoofd, zakken ketela, groente, rijst, stapels kains en sitsen goed, en zelfs levende
+biggetjes, die worstelend tegen het touw, waarmee zij aan elkander en aan den vierkanten draagbak vastgesjord zijn, zwarte
+snuiten in de hoogte steken en wijdmuils schreeuwen, terwijl de draagster onbekommerd voortloopt met haar lichte, sierlijke
+schreden. De grauwe gehuchtjes, de tempels, de pasars komen er aan, staan even stil, zijn voorbij, de marktgangers haasten
+de steilte af, den klimmende tegemoet, en zijn verdwenen, maar altijd door blijven de rijstvelden, blanke, gespikkelde, flonkergroene,
+zilverig overwaasde rijstvelden. De hellingen zijn er mee bekleed. De toppen flikkeren er van. Het kleine gemurmel van de
+watervalletjes, die van elk hooger gelegen naar elk lager gelegen veld afsuizelen over de dijkjes, is h&eacute;&eacute;l zacht te hooren
+onder het bruisen van den aanstrijkenden bergwind door, die de stijfbladerige palmen ontroert. De reuk van de bloeiende rijst
+maakt de lucht zoet.
+
+</p>
+<p>Gitgit ligt vrij op een rondom van dal en diepte omgeven top. Bij de pasanggrahan, half weggescholen onder een groep zware
+<span class="corr" id="xd0e1203" title="Bron: kanarieboomen">kanariboomen</span> ligt, midden in een tuin waar frisch de rozen bloeien, een luchtig tuinhuisje, aan den uitersten rand der steilte. Daar vandaan
+ziet men, van de donkere bergen in het Zuiden en Oosten afhellend naar de Noordelijke zee, het geheele wijde land liggen;
+en van de bergen tot de zee is het groen van rijst. De barre steen en het zilte water enkel zijn zonder dat schitterige groen,
+waar het geheele menschenleven van het eiland van groeit en gedijt.
+
+</p>
+<p>De Bali&euml;r is er trotsch op, dat op zijn eiland meer <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span>en betere rijst groeit dan op Java, overigens voor hem het land van alle voortreffelijkheden, en dat zelfs Javanen naar Bali
+komen, om zijn wijze van rijstteelt te bestudeeren. De irrigatie hier is eene voortreffelijke. Het land is zeer steil en bergachtig,
+de rivieren loopen snel en driftig door diepe ravijnen, en de taak om het water te vangen en gelijkelijk te verdeelen over
+de velden, was dus een zeer moeilijke. Dat de Bali&euml;r haar zoo goed volbracht heeft, dankt hij aan de eendracht die ook hier
+macht is. Van den beginne aan is hij te werk gegaan in vereeniging met kameraden, en aan twintig, veertig, vijftig mannen
+viel gemakkelijk, wat voor een enkele onmogelijk ware geweest. De landbouw hier berust op co&ouml;peratie. Eigenaars van sawahs
+(dikwijls zij, wier velden uit een en dezelfde leiding het water ontvangen), sluiten zich aaneen tot een vereeniging, eenigermate
+vergelijkbaar bij onze oude waterschappen, die alles regelt wat op den rijstbouw betrekking heeft.
+
+</p>
+<p>De &#8220;Soebak&#8221; stelt den tijd van bevloeien, ploegen, planten, oogsten vast. Hij bepaalt de hoeveelheid water waarop ieder akkerman
+recht heeft; hij houdt het toezicht op dammen, tunnels en leidingen; hij int bijdragen en stelt het door ieder verschuldigde
+vast; en het recht van boete-heffing geeft hem het middel, zich te doen gehoorzamen. Als een oogst mislukt, wordt door den
+Soebak een onderzoek ingesteld, om uit te maken of nalatigheid van den landman zelf soms schuld is daaraan. De vergadering
+beslist bij meerderheid van stemmen. Wordt de boer schuldig bevonden, dan moet hij niet alleen het volle belastingbedrag,
+over een goeden oogst verschuldigd, betalen, doch een boete op den koop toe. Al de Soebak-leden om de beurt maken deel uit
+van het bestuur. Alle leden zijn gelijk voor zijne wetten; een lid van een der <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span>drie kasten heeft geen meerdere rechten noch mindere verplichtingen dan een eenvoudige Soedra (of om hem te noemen met den
+naam dien hij liever hoort, Kaoela). Wat, in het voorbijgaan gezegd, den hoogen ouderdom van deze volksinstelling bewijst,
+en haar kracht, waartegen de veroverende Hindoe-Javanen hun voorrechten niet hebben kunnen handhaven. Als vele andere voortreffelijke
+dingen in het Balische volksbestaan is ook de Soebak een erfenis der oer-Bali&euml;rs. De Nederlandsche regeering heeft het systeem
+volgens haar eigen lijnen uitgebreid; de Soebaks, waarvan de indeeling waar dat kon in overeenstemming is gebracht met den
+loop der rivieren, vereenigd in groepen, met ieder een eigen bestuur; en als hoofd van al de groepen in een landschap een
+ambtenaar met uitgebreide bevoegdheden aangesteld, die den alouden titel voert van &#8220;Groot-Soebakhoofd&#8221; Sedehan Agong. De Sedehan
+Agong van Boeleleng, een man van kunde en rusteloos-ijverig, heeft den rijstbouw in het landschap opgevoerd tot een nieuwe
+hoogte. De Javaansche deskundigen komen bij hem in de leer.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik is, in het grootste gedeelte van de vlakte, de rijstbouw begonnen. Ware ik een paar weken vroeger gekomen,
+ik had het feest kunnen bijwonen van het herbeginnende landbouw-jaar, het wed-ploegen. Nu moest ik me tevreden stellen met
+de beschrijving die de Sedehan Agong er mij van gaf.
+
+</p>
+<p>Eerst wordt een optocht gehouden naar den Soebaktempel midden in het veld, die aan de Rijstgodin, Dewi Sri, is gewijd, en
+naar het offerhuisje,&#8212;enkel een vierkante baksteenen pilaar, met een nis er in&#8212;van den Watergod, om beider hulp en zegen te
+vragen voor het beginnende werk. Dan komen de boeren op een groot veld bijeen, ieder met zijn ploeg en zijn span stieren.
+De beesten zijn prachtig <span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span>opgesierd; sommige met een bekleedsel van uitgeslagen, beschilderd en verguld leer, in den trant van de ornamenten die wajang-spelers
+dragen, allen met groen en bloemen. Zij dragen geweldig groote houten klokken om den hals, van anderhalf tot twee voet breed,
+die een klank geven als van een gong, en die hen dwingen den kop hoog te dragen. Het is de trots van den eigenaar wanneer
+de stier ook den staart hoog draagt bij het ploegen, in het verlengde van den rug gestrekt, en dan met een hoek naar beneden
+gebogen. Voor een mooi span wordt tot vierhonderd rijksdaalders toe gegeven, (om te rekenen als een Bali&euml;r, die niet anders
+kent dan een Chineeschen duit en een Hollandschen rijksdaalder). Zulk een hartstocht heeft de Bali&euml;r voor mooi vee. Als dan
+de groote goudgele prachtig-opgetuigde beesten langzaam voorbij treden over het veld, met gespannen spieren den ploeg trekkend,
+dien de feestelijk-gekleede akkerman bestuurt, terwijl het gebeier van al die diepe houten klokken een heerlijke muziek maakt,
+dan viert de Bali&euml;r zijn verheuglijkste feest. Het ernstige, strak-belijnde Brahmanen-gezicht van den Sedehan Agong glansde
+terwijl hij er van verhaalde.
+
+</p>
+<p>Nu dan is het ploegen in vollen gang. Om 5 uur al gaat de boer met zijn span naar den akker; en met zijn beesten samen plonst
+hij door het zwalpende lauwe sawah-water tot elven toe. Dan is het si&euml;sta-tijd. Is het ploegvee een stieren- of ossen-span,
+dan keert het naar de dessa terug; maar karbouwen blijven in het veld om te baden in een poel. Met een touw aan de horens
+getuierd aan een paal in &#8217;t veld liggen de groote grauwe beesten daar als schepen voor anker. Zij verroeren zich niet, uren
+achtereen; het water rimpelt boven hun gelijkmatigen ademtocht. De ploeger ligt niet ver van zijn vee in <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span>het gras langs den weg, of op de bale-bale van een wachthuisje. Zijn kinderen brengen hem zijn middagmaal, rijst met een droog
+vischje, een gezouten ei, wat scherpe toespijs, en allicht een portie varkensvleesch. Misschien brengen zij ook een kruik
+water mee uit de nieuw aangelegde leiding. Maar, zoo niet, dan weet hij toch wel aan een dronk te komen. In den sawah-plas
+staat vastgemetseld een groote filter, een gefatsoeneerd en uitgehold rotsblok. Het water siepelt van buiten naar binnen.
+(&#8220;Zooals bij de filters van Pasteur&#8221; verduidelijkt de dokter djawa). Hij treedt naar den filter, doopt er zijn kruik in en
+laat ze vol-klokken; en het hoofd achterover giet hij zich den straal recht in de keel eerst, over gezicht en borst dan; gedrenkt,
+druipnat, water van buiten, water van binnen, staat hij als een plant na den regen te glanzen van sap en frisschigheid.
+
+</p>
+<p>&#8217;s Middags werkt hij niet met zijn vee; met de spade bearbeidt hij de hoekjes en zoomen, die met den ploeg niet te bereiken
+zijn geweest. Hij zorgt dat de twee Soebak-inspecteurs niets te berispen zullen vinden als ze straks voorbij komen op hun
+ronde. Als de rijst uit de kweekbeddingen is overgeplant, (anders dan elders is dat hier mannenwerk), heeft hij vooreerst
+vacantie. Alleen geregeld wieden is noodig en het onderhoud van de dijkjes. Het neemt weinig tijd. Hij heeft de dagen vrij
+voor zijn geliefkoosd spel van hanen te laten vechten. Nu al zijn velen zoo ver. Op den grooten weg&#8212;mijn kamer in de pasanggrahan
+ziet er op uit&#8212;zie ik den geheelen dag mannen voorbij drentelen met gekooide vechthanen; en in de feest-loods, en in alle
+warongs en pasar-schuurtjes langs de wegen zitten ze in groepen bijeen. Zij wedden met hartstocht; men zou zeggen, met verwoedheid,
+als zulk een woord paste bij een Bali&euml;r. Een oude inwoner van Singaradja, goed van <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>inlander-zaken op de hoogte, verzekert mij dat een gewone Soedra-boer op een enkelen dag soms tot twee, drie honderd gulden
+verliest. Hij wedt met handenvol rijksdaalders. Dat trekt hij zich verder niet aan. Vandaag verloren, morgen gewonnen, denkt
+hij. En verder, is de geldschieter er goed voor; en verder zijn vrouw, die dan maar eens wat ijveriger moet zijn op de markt,
+en aan den weefstoel; en ten slotte, zijn rijstoogst, ook al is die al verpand en verkocht. Alles komt terecht op Bali, zoo
+lang er rijst is! En die is er altijd.
+
+</p>
+<p>Nu zelfs, terwijl in de vlakte pas de bouw is begonnen, zijn op de heuvels al velden rijp. De eerste oogst-processies gaan
+voorbij, muziek voorop, met bonte wimpeltjes aan bamboestaken en in het midden een verguld miniatuur-tempeltje op een baar
+gedragen. De vrouwen, die van al de landbouwverrichtingen aan den oogst alleen deelnemen, dragen sierlijke mandjes op het
+hoofd met offergaven van vruchten en bloemen. En hun stemmen klinken schel boven die der mannen uit in het feestgezang, dat
+Dewi Sri en al de goden van den akkerbouw prijst.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch14" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Balische vrouwen</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>en geheelen dag van zonsopgang tot donker, en overal, behalve enkel en alleen in het veld, zijn hier bij menigte de vrouwen
+te zien; en altijd, arbeidende.
+
+</p>
+<p>Dat begint al voor dag en dauw. Tegelijk met het gekraai van den eersten haan is het getokkel te hooren van stampers in het
+rijstblok; op een erf, waar niemand anders nog beweegt, staan ongekamd en slordig in de kleeren, de vrouwen de rijst te stampen
+voor het maal van elven. De zon is nog niet boven de boomen, of in troepen al komen zij den weg af naar den pasar, op horden,
+in manden, in zakken en gevlochten nappen hun koopwaar op het hoofd torsend. Zij zitten den heelen dag achter het tafeltje
+van een warong, naast een draagbaar leemen oventje waarop boven een houtskool-vuur, de eene versnapering na de andere wordt
+klaargemaakt voor den gaanden en komenden man. Tegen zonsondergang kan men hen bij troepen vinden zitten rondom de steenen
+pijlers van de waterleiding; ieder op haar beurt vullen zij onder de kraan de groote zwart steenen potten, zoo zwaar, dat
+de eene de andere moet helpen bij het optillen, als zij die, boordevol, op het hoofd plaatsen. En het is al lang donker, en
+op zijn baleh-baleh ligt de akkerman zichzelven in slaap te zeuren met <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span>een of anderen eentonigen deun, als nog langs de dorpsstraat de dubbele tik van haar weefspoel klinkt, bij het licht van een
+pitje in een halven klapperdop vol olie heen en weer geworpen door de schering: de ijverige huismoeder doet af wat zij nog
+afgedaan kan krijgen van haar eindelooze taak om haar gezin in de kleeren te houden, met twee stel van alles voor ieder per
+jaar. En of het nu in het begin van het landbouwjaar is, wanneer ook de man zwaar werkt, of later in den tijd, wanneer hij
+er zijn rust en zijn genoegen van neemt, dat maakt voor haar geen onderscheid: zij werkt maar gestadig door.
+
+</p>
+<p>Maar het moet den Bali&euml;r niet gezegd worden, dat eigenlijk de vrouwen de harde werkers zijn op zijn eiland. &#8220;Wat verdient
+een vrouw? Misschien een kwartje op een dag!, niet eens genoeg dat zij er zelf van eten kan. Neen, die verdient en het werk
+doet, dat is de man. Hij werkt op de sawah!&#8221; Dat zij niet mee doet aan wat voor den Bali&euml;r het eigenlijke werk is, aan den
+rijstbouw, dat maakt de vrouw voor hem tot een minderwaardig wezen. En de minachting voor haar als zoodanig brengt het weer
+mee dat het werk dat zij w&egrave;l verricht, en all&eacute;&eacute;n verricht, gekleineerd wordt. Dat zij veel meer verdienen moet dan een kwartje
+per dag, om haar gezin in stand te helpen houden, hier, waar de levensstandaard hoog is en ruim &#402;&nbsp;0.30 gerekend wordt voor
+den dagelijkschen kost all&eacute;&eacute;n van een volwassene, behoeft geen betoog, te minder als men bedenkt hoeveel, in de tijden dat
+hij zelf weinig of niets verdient, een man op Bali noodig heeft voor zijn genoegens,&#8212;hanengevechten, dobbelen, opiumschuiven.
+Maar het komt nu eenmaal in zijn kraam te pas zijn vrouw en dus haar arbeid, voor niets te tellen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p159.jpg" alt="Meisjes van een jaar of acht gaan als koopvrouw naar de markt." width="526" height="697"><p class="figureHead">Meisjes van een jaar of acht gaan als koopvrouw naar de markt.</p>
+<p>Fotogr. Gr&uuml;ndler.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Een Balische vrouw is voor een Balischen man geen m&egrave;nsch; zij is een ding, dat hem behoort zooals <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160">160</a>]</span>andere dingen hem behooren, en waarmee hij doen kan wat hij wil.
+
+</p>
+<p>De eerste eigenaar van een vrouw is haar vader. Hij telt haar niet mee onder zijn kinderen; &#8220;kinderen&#8221; dat zijn alleen de
+zoons. Hij waardeert haar alleen,&#8212;dat echter nog al hoog&#8212;als een soort productie-middel: van arbeid eerst, van geld later.
+Het gaat een huisgezin goed, waarin veel meisjes zijn. Van hun vijfde of zesde jaar af werken zij. Niet aan wat wij huishoudelijk
+werk noemen&#8212;in een Balisch huis is voor &#8220;huishouden&#8221; geen gelegenheid, noch noodzaak; gekookt wordt maar eens per dag: gewasschen
+wordt nooit iets; een Bali&euml;r draagt zijn kleeren zooals ze zijn&#8212;of worden&#8212;tot ze hem, letterlijk!&#8212;van &#8217;t lijf vallen; zij
+werken aan geld-inbrengend werk. Kinders, die hun moeder nog niet tot aan het middel komen, loopen al achter haar aan mee
+naar de markt met een last groenten, hout en geweven goed op hun hoofdjes. Kinders van zes jaar zitten al aan den weefstoel
+en weven geruite kains. En ze zijn nog niet veel ouder als ze met koekjes aan den weg zitten en de duiten narekenen van hun
+klanten.
+
+</p>
+<p>Zijn ze volwassen, dan brengen ze een som in&eacute;ens op, wanneer zij geschaakt worden, in werkelijkheid haar koopprijs, in naam
+de boete, die de minnaar voor zijn rooven van het meisje aan den vader moet betalen. Hoe mooier en van hoe aanzienlijker geboorte
+zij is, hoe hooger die prijs of boete.
+
+</p>
+<p>De schaking is er maar een voor den vorm, zij is met het meisje afgesproken, en iedereen, de vader incluis, is op de hoogte
+van de plannen van den &#8220;schaker&#8221; en het volkomen met hem eens. Daardoor wordt zij het eigendom van haar man, die nu op zijn
+beurt zooveel voordeel uit haar trekt als hij kan. Hij laat haar werken, zooals hij het zijn buffelspan en zijn mager paardje
+laat doen: eer meer dan minder. En <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span>zoomin als jegens zijn ploegvee en lastdier legt de Bali&euml;r-wet hem tegenover haar verplichtingen op. Totdat het Nederlandsche
+gouvernement paal en perk stelde aan zijn rechten over haar, waren zij onbegrensd: hij kon haar, om zijn schulden te betalen,
+verpanden of verkoopen; het kwam dikwijls voor bij in weddingschap-schulden geraakte liefhebbers van hanengevechten; hij kon
+haar, voor ontrouw, dooden, zonder dat iemand hem ter verantwoording riep. Dat hij haar verstiet, als &#8217;t hem in zijn hoofd
+kwam een andere te nemen, en twee tegelijk hem te lastig docht in huis, was iets dat vanzelf sprak. Het kon ook voorkomen&#8212;en
+het kwam werkelijk nog al eens voor&#8212;dat een meisje zich niet tot vrouw wou l&aacute;ten nemen, noch als z&oacute;oveelste, noch zelfs als
+eerste en voorloopig eenige. Dan werd zij, in ernst en meenens, geschaakt: met geweld. En tenzij zij bevrijd werd voor de
+roover met zijn handlangers haar het huis van een helper had binnengesleept, werd zij, door die daad van roof en geweld zelf,
+zijn wettig eigendom en tegen wil en dank zijn vrouw. Een boete, of eigenlijk koopprijs, viermaal hooger dan de gewone, werd
+voldoende schadeloosstelling voor haar familie geacht. Aan eenig recht van haarzelve dacht niemand. Een poging om zulk een
+recht geldend te maken en te verdedigen zou haar zelfs duur te staan zijn gekomen. Het is voorgekomen, dat de roover, door
+de bloedverwanten van het meisje achterhaald, haar doodde, liever dan haar los te laten. Een dokter-djawa in deze streek heeft
+eens een meisje te verplegen gekregen dat uit zeventien wonden bloedend op den weg was blijven liggen, toen de woesteling
+die haar geschaakt had op de vlucht ging voor haar bloedverwanten. Wonder boven wonder herstelde zij. Het is nog niet lang
+geleden dat een ambtenaar van het binnenlandsch bestuur, nu nog op het eiland, heelmeesters-diensten <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span>bewees aan een ander arm schepsel, die zelve zich had trachten te bevrijden uit den greep van haar roover, en wie hij in woede
+zijn kris dwars door de borst had gestooten. Zij stierf na ondragelijke pijnen. Behalve waarschijnlijk de moeder, trok niemand
+zich veel van het geval aan. Het Nederlandsche bestuur, dat de schaking-voor-den-vorm, als een volksgebruik en de wettige
+huwelijksvorm der Bali&euml;rs, erkent, heeft aan de echte schaking een eind, of zoo goed als een eind gemaakt, door bedreiging
+daarvan met de eenige straf waarvoor een Bali&euml;r werkelijk beducht is: verbanning. Het is een van de vele maatregelen, waardoor
+in den laatsten tijd de toestand der vrouw hier te lande eenigermate is verbeterd.
+
+</p>
+<p>Men zou denken, dat de ruwheid van zeden, die in zulk een verdrukking van de zwakkere zich uit, alleen kon heerschen onder
+de afstammelingen der oorspronkelijke bevolking van Bali, der Bali-aga, der &#8220;boschmenschen.&#8221; Niets daarvan. Onder de op hun
+adel en oude beschaving zoo trotsche triwangsa is het niet anders. Ik vroeg een aanzienlijk en zeer rijk man, een Wessya,
+wiens vrouw en dochters als prinsessen gekleed gaan bij de tempelfeesten, van voorhoofd tot enkels overflonkerd van goud en
+gesteente, en bedreven zijn in allerlei prachtig en kunstig sierwerk, terwijl de meisjes, die school zijn gegaan, lezen en
+schrijven kunnen en vloeiend Maleisch spreken, behalve laag en hoog Balineesch,&#8212;ik vroeg den Goesti, of de vrouwen van zijn
+kaste in haar eigen huis en gezin eenig gezag hadden? Zijn verbaasde lach was als antwoord duidelijk genoeg. Degene dien ik
+een vorig maal zoo minachtend over vrouwenarbeid had hooren spreken, een kundig, en, naar Bali&euml;r-begrippen, fijn beschaafd
+man, was een Brahmaan. Zij hebben zelfs de hun toch stellig vreemde zede van de schaking-met-onderling-goedvinden aangenomen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span>Kort voor de vestiging van het Nederlandsch gezag is hier te Singaradja op klaarlichten dag een meisje uit de familie van
+den Radja geschaakt, wie, om het geval goed duidelijk te maken, de schaker een mand over het hoofd had gezet, zoodat het leek
+of zij blindelings en hulpeloos de vrouwen volgde, die haar aan de handen voorttrokken, den &#8220;roover&#8221; na en zijn woning binnen.
+De zoo naijverig bewaakte voorrechten van de triwangsa gelden in het geval van de vrouwen alleen tegenover het laag-geboren
+volk: tegenover hun mannelijke gelijken in rang zijn zij zoo al iets, dan toch zeer weinig meer dan tegenover den Soedra-man
+de Soedra-vrouw is.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p163.jpg" alt="De pedanda istri verricht priesterlijken dienst in den tempel." width="720" height="478"><p class="figureHead">De pedanda istri verricht priesterlijken dienst in den tempel.</p>
+<p>Fotogr. Gr&uuml;ndler<span class="corr" id="xd0e1276" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>En niettemin! De Bali&euml;r-vrouw, de vrouw uit de volksklasse vooral, is een vroolijk, onafhankelijk zich gedragend, van lijf
+en geest krachtig mensch. Niemand kan haar aanzien en waarnemen in haar dagelijksch zijn zonder door die tegenstelling tusschen
+haar uiterlijke omstandigheden en haar karakter getroffen te worden. De druk zelf heeft haar weerstand tegen den druk gegeven.
+De harde arbeid heeft haar sterk gemaakt. De klein-handel, die geheel in haar handen ligt, en de gestadige omgang met die
+geslepen kooplui en geldschieters, Arabieren, Klingaleezen, Chineezen, heeft haar omzichtigheid geleerd en berekening en tegelijk
+zelfbeheersching en zelfvertrouwen. En het bewustzijn zooveel bij te dragen tot de welvaart van haar gezin vervult haar met
+een rustigen trots.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p165.jpg" alt="In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit Goesti Djilantik als een stille toeschouwer bij de dingen waarvan hij zoo lang de bewerker en beweger is geweest." width="503" height="696"><p class="figureHead">In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit Goesti Djilantik als een stille toeschouwer bij de dingen waarvan hij zoo
+lang de bewerker en beweger is geweest.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Is het misschien een zijdelingsche erkenning van de rechtmatigheid van dien trots? De wetten van al die vereenigingen die
+het maatschappelijk leven van den Bali&euml;r beheerschen, van de dessa-vereeniging en den Soebak af tot den kleinsten &#8220;bandjar&#8221;
+toe, verbinden het recht van lidmaatschap aan den <span class="corr" id="xd0e1287" title="Bron: huwelijken">huwelijksen</span> staat: geen vrouw, geen rechten. Een jonkman telt <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166">166</a>]</span>niet: een weduwnaar moet een vrouwelijke bloedverwant in huis nemen om als lid der dessa-vereeniging gehandhaafd te blijven.
+En ook de godsdienstige zede ruimt der vrouw plaats en rechten in naast den man. Er zijn vrouwelijke priesters, even hoog
+in aanzien als de mannelijke, en die denzelfden titel van pedanda voeren en gelijken dienst verrichten in de tempels. Aan
+de jonge meisjes, die de godsdienstige feesten met gezang en reidans opluisteren, is het vergund een vereeniging te vormen
+ter behartiging van haar eigene belangen. Ook vrouwelijke dokters&#8212;half heksen en waarzegsters, half kruidkundigen&#8212;staan in
+aanzien en goede verdienste. De practijk heeft, ook hier, de theorie verbeterd, en het leven de wet.
+
+</p>
+<p>De Balische vrouwen laten de wetten wetten zijn, en lachen het leven aan met haar heldere oogen. Zij weten wel waarom.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167">167</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch15" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Goesti Djilantik</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-h.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-h.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">H</span>ij is nog in leven.
+
+</p>
+<p>In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit hij als een stille toeschouwer bij de dingen, waarvan hij zoo lang de krachtige
+bewerker en beweger is geweest. In de dagen van de Lombok-expeditie klonk zijn naam tot in de verste hoeken van Indi&euml; en van
+Nederland. Nu is die een leeg geluid geworden. In de overgroote meerderheid wordt geen gedachte meer wakker bij dien klank.
+De enkelen echter, bij wie hij een herinnering oproept, zeggen: &#8220;De verrader!&#8221; Die hem kennen, en het best weten hoe zijn
+gedrag geweest is in 1894 op Lombok en in 1906 te Karang Assem tegenover de Hollanders, in de jaren daartusschen tegenover
+zijn eigen volk, weten dat hij beter verdient dan smaad of vergetelheid. En als eens de geschiedenis hem herdenkt, zal zij
+hun eenparig oordeel moeten bekrachtigen en getuigen, dat Goesti Djilantik, door welke beweegredenen dan ook geleid, beiden,
+Nederland en Bali, het verlies van honderden menschenlevens heeft bespaard en dat het voor een niet gering deel zijn verdienste
+is, zoo het Balische volk gereedelijk en met goeden wil den weg is opgegaan, waarlangs het komen zal tot de zeer te wenschen
+ontwikkeling van zijn stoffelijke, verstandelijke en zedelijke krachten.
+<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168">168</a>]</span></p>
+<p>Goesti Djilantik, die de stedehouder van Karang Assem is geweest, eerst onder den vorst van Lombok, toen onder de Nederlandsch-Indische
+Regeering, is de afstammeling van een Hindoe-Javaansch geslacht, waarvan de stichter omstreeks de helft van de vijftiende
+eeuw naar Bali kwam om het eiland voor den vorst van Madjapahit te veroveren. Toen deze, voor den Islam vluchtend, van het
+vermeesterde eiland zijn nieuw rijk maakte, gaf hij zijn veldoverste Karang Assem land in leen. De afstammelingen van Gadja
+Mada vergenoegden zich niet lang met het vazallenschap. Zij stonden op tegen de opvolgers van hun leenheer, de vorsten van
+Kloengkoeng, ontnamen hun groote stukken van hun gebied, veroverden het omliggende land, en waren vorsten van Lombok geworden
+toen omtrent 1700 de Oost-Indische Compagnie in deze streken zich trachtte te vestigen. Het was een Karangassemer dien Valentijn
+noemt als &#8220;den Coninck van Baly;&#8221; en een Karangassemer ook was die radja van Boeleleng tot wien de O.-I. Compagnie het verzoek
+richtte haar het monopolie te gunnen van die zeer voordeelige trafiek, den slavenhandel. Nu begon in den levensloop van het
+oude geslacht een nieuwe periode: de tijd van het geweld was voorbij, de tijd van overleg en list was begonnen. De Karangassemers
+moesten zien hoe zij de positie, die zij op de oorspronkelijke inwoners van Bali eerst en op hun Hindoe-Javaansche stamgenooten
+later veroverd hadden, nu op hun beurt handhaafden tegenover den veroveraar uit het Westen, die weer sterker was dan zij.
+Zij deden het door beurtelings voor hem en voor hun landgenooten partij te kiezen, aldus de politiek beginnend die hun late
+nazaat Goesti Djilantik ten einde zou voeren. Na den val van de Compagnie volgden zij tegenover de Nederlandsch-Indische Regeering
+dezelfde gedragslijn. Zij behandelden haar <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169">169</a>]</span>als gelijke. Dat werd hun mogelijk niet alleen maar zelfs gemakkelijk gemaakt door de Regeering zelve. Het was in de Jan-Saliedagen
+van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. En toen daar een nieuwe kracht wakker werd, had die nog te zeer zich te weren tegen
+de overal haar belemmerende sleur binnen de eigen grenzen, dan dat zij in Indi&euml;, en nog wel in zulk een uithoek van Indi&euml;
+als Bali, de hand aan het werk had kunnen slaan. Het meeste wat op Bali verkregen werd was een contract met de vorsten der
+acht landschappen van het eiland; een contract waarmee de Nederlandsche Regeering een erkenning van haar oppergezag bedoelde,
+terwijl de Balische vorsten er niet anders dan een vriendschapsverbond in zagen,&#8212;bedrogen naar het wel schijnt, aangaande
+den zin van dien term souvereiniteit die in hunne taal niet over te zetten is: van Ho&euml;vell althans verklaart dit in ronde
+woorden.<a class="noteref" id="xd0e1312src" href="#xd0e1312">1</a> Der Regeering eerste poging om haar &#8220;rechten&#8221; geldend te maken deed den oorlog losbarsten. De Karangassemers volgden hun
+oude taktiek van &#8220;jagen met de honden en loopen met den haas.&#8221; Maar ditmaal tevergeefs. Zij kwamen in het gedrang, moesten
+vluchten, en het hoofd van het geslacht verloor zijn rijk aan Nederland en zijn leven aan zijn eigen opstandige onderdanen.
+Karang Assem werd als loon voor bewezen diensten toegevoegd aan dat Lomboksche rijk dat vroeger van Karang Assem uit veroverd
+was, en waar nog een afstammeling uit het Karangassemsche vorstengeslacht regeerde. Deze zond twee van zijn neven&#8212;het waren
+broeders&#8212;als stedehouders naar het nieuwe wingewest. De twee broeders hadden een derden, zeer veel jongeren, zoon van een
+andere moeder, een kind nog toen zij, <span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span>in &#8217;49, naar Karang Assem gingen. Een en dertig jaar later kwam die broeder, een man van veertig nu, uit Lombok tot hen gevlucht
+uit vrees voor zijn leven. De vluchteling was Goesti Djilantik.
+
+</p>
+<p>In de poeri levende van zijn oom, den radja van Lombok, had hij liefde opgevat voor een van diens dochters en de wederliefde
+van het meisje gewonnen. Nu was zij, als dochter van eene <span class="corr" id="xd0e1322" title="Bron: Ksatria">Ksatrya</span> vrouw, de meerdere in kaste van Djilantik, wiens moeder tot de lagere kaste der Wessya behoorde en het huwelijk van een vrouw
+uit hoogere met een man uit lagere kaste is een misdrijf, waarop de Bali&euml;r-wet de doodstraf voor beiden stelt. De verhouding
+der twee werd ontdekt. Door overhaaste vlucht alleen kon Djilantik zijn leven redden, dat zijn vijanden, eene sterke partij
+in de poeri, eischten, ter voldoening aan de wet. De oude vorst was hem welgezind: misschien heeft die zijn vlucht begunstigd.
+
+</p>
+<p>In elk geval, hij liet het toe, dat zijn beide stedehouders in Karang Assem den vluchteling opnamen en hem als &#8220;poenggawa&#8221;
+het bestuur gaven over een deel van hun gebied. Tien jaar later stierf de eene der twee stedehouders. Toen stelde de radja
+Goesti Djilantik in zijn plaats aan. Bij den kort daarop gevolgden dood van den tweeden maakte hij hem zelfs tot eenig stedehouder
+van Karang Assem.
+
+</p>
+<p>Djilantik betoonde zich een wijs en rechtvaardig bestuurder. Anders dan vroeger zijn oudere broeder, dien het volk &#8220;Doeniet&#8221;
+noemde, nam hij de belangen van den kleinen man ter harte. Hij vergde geen zware heerendiensten; hij perste geen arbeid noch
+opbrengst van de velden af; hij was geen wedder bij hanengevechten; meisjes en vrouwen waren veilig in zijn gebied,&#8212;een zeldzaam
+iets in een land, waar maagdenroof niet voor misdrijf geldt, en waar, in sommige streken, de bevolking er toe gekomen is,
+<span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172">172</a>]</span>haar dochters het gezicht te mismaken met sneden over de wangen, om hen te vrijwaren voor het lot, naar de poeri van den vorst
+te worden gesleept. Het volk van Karang Assem werd Djilantik&#8217;s vriend.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p171.jpg" alt="Die vlieger gaat mooi op!" width="525" height="696"><p class="figureHead">Die vlieger gaat mooi op!</p>
+<p>Fotogr. Gr&uuml;ndler.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Zijn naaste bloedverwanten echter waren zijn vijanden. Zijn benoeming tot stedehouder had de rechten gekrenkt van de nakomelingen
+zijner beide oudere broeders. En in zijn grenzenlooze eerzucht had Djilantik den meest rechthebbende, den oudsten zoon van
+zijn broeder Poetoe, uit zijn weg geruimd door wat niet anders genoemd kan worden dan een zedelijke sluipmoord. De jonge man
+had zich schuldig gemaakt&#8212;als indertijd Djilantik zelf&#8212;aan kastevermenging. Zelf een Wessya zijnde&#8212;alle vorsten van Bali (met
+uitzondering slechts van die van Kloengkoeng, Bangli en Gianjar) behooren tot deze laagste der drie kasten, die gaandeweg
+de eigenlijke vorstenkaste, de Ksatrya, verdrongen heeft&#8212;had hij de liefde verworven van een Brahmanen-dochter. Zijn eigen
+vader liet hem, met het meisje te zamen, krissen. Maar die hem daartoe had overreed en aangezet, was Djilantik. Het is mogelijk
+de vrees voor weerwraak geweest, die Djilantik, met prijsgeving van de toch zoo brandend begeerde en met zoodanige middelen
+verkregen macht van het stedehouderschap, Bali deed verlaten, toen de oude radja van Lombok, zijn oom, hem een poenggawa-schap
+op zijn eiland aanbood, als loon voor de hulp, door Djilantik hem bewezen in een oorlog tegen de oproerige Sasaks.
+
+</p>
+<p>Daar begonnen de dingen, die den radja in botsing moesten brengen met de regeering. Djilantik kwam te staan waar sedert anderhalve
+eeuw zijn vaderen telkens gestaan hadden&#8212;tusschen landgenoot en vreemden overheerscher in het nauw. Hij deed als zij gedaan
+hadden, en als ten slotte toch ook natuurlijk is dat een zwakkere doet: hij trachtte <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173">173</a>]</span>tusschen beiden door te glippen. Den poenggawa&#8217;s, die tot den oorlog dreven&#8212;want de machtige edelen waren de strijdlustigen,
+niet het volk, noch de oude radja, die stokdoof en zoo goed als verlamd, zelfs tot de gedachte aan vechten niet in staat meer
+was&#8212;den poenggawa&#8217;s ried hij te wachten tot na het lijkverbrandingsfeest van zijn broeder, den ouden stedehouder van Karang
+Assem, die het vorige jaar was gestorven. Den Nederlandschen ambtenaar en bevelhebber der troepen verklaarde hij, dat geen
+oorlog te vreezen was: hij hoopte werkelijk dien met uitstellen, paaien en nogmaals uitstellen te kunnen voorkomen. Dat is
+zijn &#8220;verraad&#8221; geweest. Voor rechtvaardigheid is het woord te hard, al moet erkend, dat zijn houding geen volkomen eerlijke
+was. Dit echter is wel te onthouden: hij verzette zich tegen de oorlogspartij uit alle macht; hij verklaarde bij het eerste
+schot dat viel, met zijn twaalfhonderd Bali&euml;rs Lombok te zullen verlaten, en volvoerde dat voornemen; hij weigerde het radja-schap,
+dat nog op het allerlaatste oogenblik de poenggawa&#8217;s hem aanboden, om hem tot blijven en deelneming aan hun strijd te bewegen.
+Natuurlijk niet uit &#8220;trouw aan het gouvernement,&#8221; maar omdat zijn helder verstand hem de vergeefschheid toonde van den strijd
+tegen Westersche wapenen. Zooals hij het den poenggawa&#8217;s had voorgehouden: &#8220;Wanneer het ei wil vechten tegen den steen, wie
+verliest dan?&#8221;&#8212;Te Karang Assem loerden zijn neven, Poetoe en K&#8217;toet, op hem. Hij vluchtte naar het gebergte. Toen bleek de
+vriendschap van zijn volk. Gewapenden waren opgeroepen om &#8220;een vijand van de vorsten&#8221; dood of levend terug te brengen: maar
+zij wisten niet, dat die vijand Djilantik was. Toen het hun gezegd werd, stieten de mannen hun lansen met de spits in den
+grond, ten teeken van hun weigering om hem te bevechten. De neven werden tot <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174">174</a>]</span>vergiffenis vragen en onderwerping gedwongen.
+
+</p>
+<p>Tien jaar later kwam de beurt die Lombok had gehad aan Bali: het Nederlandsch gezag, dat tot nog toe een naam geweest was,
+werd een werkelijkheid. Weder was het toen Djilantik die tusschen &#8220;het ei&#8221; en &#8220;den steen&#8221; zijn handen hield. Zonder hem had
+zijn neef Poetoe, de onverzoenlijke vreemdelingen-vijand, Karang Assem medegesleept in een met Bangli en Kloengkoeng gezamenlijk
+te voeren oorlog tegen Nederland. De wijze, waarop Djilantik dat voorkwam, was weer dezelfde die hij op Lombok had gevolgd:
+ter wille van het goede doel zoowel vriend als vreemde misleiden. Tegenover de Nederlandsche ambtenaren ontkende hij, dat
+eenige beweging gaande was; tegenover de poenggawa&#8217;s eischte hij uitstel, met belofte van latere vrijheid tot handelen. Een
+groot godsdienstig feest, waarvoor al sedert drie jaren de vorstelijke familie zich voorbereidde, was het gereede voorwendsel.
+Het uitstel dat hij dus won was er een van een half jaar. De regeering maakte zich den tijd te nutte. Haar oorlogsschepen
+en troepen kwamen aan drie dagen voor het feest, waarop tienduizend gewapende mannen, tempel-gangers in schijn, oorlogvoerders
+inderdaad, met Poetoe aan het hoofd, verschenen zouden zijn. Djilantik&#8217;s taktiek had verschrikkelijkheden voorkomen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p175.jpg" alt="De knaap heeft het witte gewaad der biddenden aangelegd om in den tempel te gaan offeren." width="483" height="693"><p class="figureHead">De knaap heeft het witte gewaad der biddenden aangelegd om in den tempel te gaan offeren.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het moet den ouden man zwaar gevallen zijn; maar toen de vestiging van het Nederlandsche gezag op Karang Assem een eind maakte
+aan zijn levenslangen droom, de herwinning van het radjaschap, heeft hij bij het voldongen feit zich neergelegd, en den nieuwen
+staat van zaken zonder voorbehoud aanvaard. Meer dan dat. Toen hij er eenmaal van overtuigd was geworden, doordat hij met
+zijn eigen oogen het zag, dat de Westersche beschaving hemzelven en zijn volk verder zou brengen dan zij ooit op hun <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176">176</a>]</span>eigen wegen konden komen; dat bruggen over rivieren en ravijnen, wegen van het gebergte uit naar de zee, rijtuigen en paarden
+(er waren er geen hier, onder Hollandsch bestuur pas reed het eerste karretje over de eerste brug), dat stoomschepen, telegraaf
+en telefoon nuttige dingen waren, toen heeft hij zijn uiterste best gedaan om die aan Karang Assem te verschaffen. Toen hij
+aan zichzelven de uitwerking had leeren kennen van kinine en begrepen had wat hygi&euml;nische voorzorgen vermogen tegen velerlei
+ziekten, die onder dit ongeloofelijk-vuile en zorgelooze volk heerschen, heeft hij op een vaderlijk-listige manier zijn Karangassemers,
+wantrouwig en weerbarstig als zij waren, voor het geloof in Westersche wetenschap gewonnen. Zijn neef Bagoes, te wiens behoeve
+hij van het stedehouderschap afstand deed, heeft hij diezelfde denkbeelden ingeprent. En voor het opkomende geslacht gezorgd
+door den bouw uit zijn eigen middelen, met ruime hand verstrekt, van een school.
+
+</p>
+<p>Hij is vier-en-zeventig nu: maar oud naar het lichaam alleen: zijn geest is zoo krachtig en frisch als die van een jongen
+man. In het hol-wangige en door het verlies van de tanden klein geworden gezicht, waaromheen het haar, dat glad naar achter
+gekamd tot in den nek afhangt, een gitzwarten glans heeft, staan de donkere oogen vurig, bijna fel. Hij maakt levendige gebaren
+onder het spreken, als een echte Bali&euml;r, dien geen adat tot vormelijkheid kan bedwingen. Wat hij zegt, zegt hij met een zekere
+drift, alsof hij met zijn geheele persoonlijkheid voor zijn opinie instaat. En hij vraagt&#8212;vraagt veel&#8212;met de tot in bijzonderheden
+doordringende volharding en op de systematische wijze van wie iets nieuws volkomen begrijpen wil om het in zijn beschouwing
+van de menschen en het leven organisch te kunnen opnemen. Een antwoord neemt hij niet voetstoots <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177">177</a>]</span>aan: maar bewaart het tot hij het op zijn waarachtigheid heeft beproefd door vergelijking met het antwoord op dezelfde vragen
+door een anderen zegsman gegeven. Zelfs als hij zich een telefoon-toestel of een ontsmettingsmethode laat uitleggen, gaat
+hij op die wijze te werk; het Oosterlingen-wantrouwen blijft wakker, ook waar het niet behoeft.
+
+</p>
+<p>De beide malen dat ik gelegenheid kreeg hem te zien en te spreken, en het gesprek te volgen, dat hij, geruimen tijd achtereen
+en over verschillende onderwerpen, met anderen voerde, kreeg ik den indruk van een buitengewone persoonlijkheid. Wat zijn
+bestuur en voorbeeld op Bali tot stand hebben gebracht, zal, ten volle, pas de toekomst toonen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178">178</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1312src" id="xd0e1312">1</a></span> W. R. van <span class="corr" id="xd0e1314" title="Bron: H&ouml;evell">Ho&euml;vell</span>. Reis over Java, Madura en Bali in het midden van 1847. Deel III blz. 45 en vlg.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch16" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Bali als het land van Goden en Geesten</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n de voorstelling van den Bali&euml;r is zijn eiland het Land der Goden: en hij heeft het van hen in bruikleen. Zooals op Java
+de vorst de souverein van den grond is, zoo is het hier de godheid. Haar geldt de hulde en de dienst van alle menschelijke
+bewoners van het land. Haar raad wordt ingewonnen, haar hulp afgesmeekt, haar wordt dank betuigd, vergiffenis gevraagd, verontschuldigingen
+aangeboden, onder alle omstandigheden van het leven. De Bali&euml;r gaat met haar om als met een onzichtbaren doch alom tegenwoordigen
+en al-machtigen vorst, uit wiens handen hij alles heeft ontvangen wat hij bezit, en wien hij daarvoor dank, rekenschap en
+dienst schuldig is.
+
+</p>
+<p>In de theorie is deze zijn godsdienst een der ontelbaar vele vormen van het Hindoe&iuml;sme op Bali; immers vond het Javaansche
+Hindoe&iuml;sme een veilige wijkplaats toen het voor den Islam vluchtte die Java vermeesterd had. Maar een andere godsdienst leefde
+in de harten der Bali&euml;rs, toen de Javanen hier kwamen: het antieke Polynesische Heidendom. En onder den nieuwen invloed van
+het veroverende en hooger beschaafde volk bleef het oude zich handhaven, zooals, onder den vloed van zoet water aan een rivier-uitmonding
+in de zee het zilte blijft, en de groei van koralen <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179">179</a>]</span>en zee-anemonen diep in de donkerte. De machten door de oorspronkelijke Bali&euml;rs ge&euml;erd, de zon, de zee, de lucht, het water
+van meren en rivieren, de geheime kracht die het veld vruchtbaar maakt en de kudde, die allen worden, soms onder den naam
+van Hindoe-godheden, soms ook onder hun eigenen nog, tot op dezen dag toe, ge&euml;erd en gediend op het eiland. Het is een toestand
+zooals het Westen in de middeleeuwen kende, toen onder het officieele Christendom de oude Heidengoden een maar half hen verbergende
+wijkplaats hadden gevonden, en aan Maria offers werden gebracht zooals Freya er verlangde, en op Kerstmis met groote vuren
+en het slachten van vee het Winterfeest der sedert eeuwen al vergeten voorvaderen werd gevierd.
+
+</p>
+<p>De groote schoone tempels zijn gewijd aan de Hindoe-goden; Siwa wordt genoemd als de opperste van alle goden; de drie Hindoe-kasten,
+die der Brahmanen aan het hoofd, doen het Kaoela-volk, de Soedra-kaste, waartoe zij, de overwinnende Javanen, het oorspronkelijke
+Bali&euml;r-volk verlaagd hebben, bukken voor hun gezag; dooden worden verbrand en hun asch in zee of in een immers naar de zee
+stroomende, rivier geworpen, naar de zede der Hindoes. Maar niettemin meent de Bali&euml;r als hij Siwa zegt, de zon of de lucht,
+met Brahma het vuur, met Wisjnoe het water; niettemin heeft zich onder de Soedra&#8217;s een afzonderlijke klasse gehandhaafd, afstammelingen
+waarschijnlijk van aloude aanvoerders-geslachten, die in een zekere mate deel hebben aan de voorrechten der triwangsa, zelfs
+aan het priesterlijke der Brahmanen-kaste; en er waren nog voor betrekkelijk korten tijd geheele dorpen op het eiland die
+hun dooden in het bosch neerlegden, en het wijwater der Brahmaansche priesters weigerden. Dit ook is klaarblijkelijk een revanche
+van den ouden godsdienst, dat niet de goden, maar de <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180">180</a>]</span>geesten, de &#8220;boeta&#8217;s&#8221; in de eerste plaats, ontzien en ge&euml;erd worden. Als hun aanbidders en &#8220;landgenooten&#8221; zijn deze oude Heidensche
+goden tot een lageren rang neder gedwongen door den veroverenden Hindoe; monsters en reuzen heeten zij nu inplaats van goden.
+En zij moeten, &#8220;in effigie&#8221; voor de poort gezeten der tempels, het verblijf van hun overwinnaars bewaken als het Kaoela-volk
+de poeri van vorst en edelman. Maar met dat al hebben zij zich gehandhaafd in de harten, en niet van het Kaoelavolk alleen,
+maar van het kwansuis Hindoesche Javanendom even goed, en dat wel zoo krachtig, dat eerst de booze geest wordt gevleid en
+verzoend, voor de goede god wordt aangebeden.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p181.jpg" alt="De mannen die op het godsdienstige feest zullen dansen zijn allerprachtigst gekleed." width="527" height="720"><p class="figureHead">De mannen die op het godsdienstige feest zullen dansen zijn allerprachtigst gekleed.</p>
+<p>Fotogr. Gr&uuml;ndler.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Want als boos stelt de Bali&euml;r zich alle geesten voor: misschien wel omdat zij verdrongen zijn uit hun eigen land en rechten?
+Hij probeert hen te paaien. Dat kost niet veel geld of moeite: een geestenhand is gauw gevuld! Een paar koperen duiten als
+men heel vrijgevig wil zijn, een kliekje eten, anders desnoods een paar bloemen, aardig op een blad geschikt, dat is al genoeg
+voor den dagelijkschen dienst. Natuurlijk bij groote gelegenheden komt er meer aan te pas. Als iemand ziek is, bijvoorbeeld,
+wat immers altijd de schuld is van een boozen geest, dan begrijpt een ieder, dat die geest al in een bijzonder booze bui verkeeren
+moet en dat er dus iets bijzonders gedaan moet worden om hem weer in zijn humeur te brengen, zoodat hij toelaat, dat de zieke
+beter wordt. Daarom worden bij epidemie&euml;n groote godsdienstige feesten gevierd, waarop de booze geest wordt voorgesteld onder
+de gedaante van een reusachtigen, rood-en-goud-geklauwden tijger, wiens woede bedaart door het gezang en den dans van prachtig
+gekleede kinderen. Hier in het Badoengsche, bijvoorbeeld, waar ik nu sedert eenigen tijd ben, heerschte verleden jaar de <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182">182</a>]</span>cholera. Toen gaf de poenggawa van Mengwi, die buitengewoon gezien is, omdat men hem voor zeer geleerd in geheime wetenschappen
+en eigenlijk voor een toovenaar houdt, zulk een feest: de tijger was een tijger, zooals hij bij zulk een voornaam heer past:
+hij had een gouden kop en een gouden staart, en zijn geheele lichaam was bedekt met pauweveeren. De dansers die voor hem dansten,
+de wierook die werd ontstoken, de instrumenten waarop muziek werd gemaakt, het was alles van het allerprachtigste. Tegen zooveel
+beleefdheden was de booze luim van den cholera-geest niet bestand. Het bestuur, dat rivieren en leidingen had doen desinfecteeren,
+zag dat het zich die moeite had kunnen besparen. Dadelijk na het feest te Mengwi nam de cholera af en na een korten tijd was
+er in heel Badoeng geen zieke meer. Zulke &#8220;verzoenings-feesten&#8221; hebben echter nooit meer dan een tijdelijke uitwerking. Het
+is noodig, daarom, de geesten in den waan te brengen van tijd tot tijd, dat er in het geheel geen menschen meer zijn op Bali,
+aan wie zij hun toorn en wrok kunnen koelen, dan blijven zij vanzelf weg. Voor een poosje althans. Dan wel is waar komen zij
+toch weer terug. Maar de Balische geestenleer ignoreert zulke kleinigheden. Een maal in het jaar daarom wordt de groote plechtigheid
+van het &#8220;Eenzaam Maken&#8221; gehouden. Met vreeselijk getier, geschreeuw, gegalm, met slaan op gongs en op houtblokken worden alle
+geesten uit hun schuilhoeken opgejaagd en mettervlucht de lucht ingedreven. Dan trekken de Bali&euml;rs zich terug in hun huizen
+en sluiten de dorpspoorten. Vier-en-twintig uren lang mag niemand zich op den weg vertoonen, mag geen licht schijnen, geen
+vuur branden, moet het geheele eiland verlaten lijken en leeg. Werken op de sawah, koopen en verkoopen op de markt, blijven
+gedurende verscheidene dagen nog <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184">184</a>]</span>verboden. Het gebruik, dat den nieuw opkomenden handel van den Pasar belemmerde, is voor deze streek onschadelijk gemaakt
+door een vaderlijke list van het bestuur; de Balische geesten, heeft het verklaard, hebben het alleen op Balische menschen
+voorzien; op Europeanen, op Chineezen, Arabieren en al het overige &#8220;Islam-volk,&#8221; slaan zij geen acht. Zijn er dus slechts
+geen Bali&euml;rs op den weg dan geldt voor de geesten Bali als ledig en verlaten, en zij vliegen ver weg van dat woeste land.
+Met die uitlegging hebben de Bali&euml;rs volkomen genoegen genomen. Nu blijven zij in hun huizen terwijl de handel zijn ongestoorden
+gang gaat, en beide partijen zijn tevreden. Het zal overigens misschien zoo lang niet meer duren of ook Bali&euml;rs&#8212;zij krijgen
+bij den dag meer belang en rechtstreeksch aandeel in den al levendiger wordenden handel&#8212;zullen er iets op vinden om mede te
+profiteeren van deze schikking met de geesten.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p183.jpg" alt="In Tempeldracht." width="524" height="694"><p class="figureHead">In Tempeldracht.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p185.jpg" alt="Juist de mooiste tempels worden ontsierd door die optooi&iuml;ng met porceleinen borden." width="527" height="693"><p class="figureHead">Juist de mooiste tempels worden ontsierd door die optooi&iuml;ng met porceleinen borden.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Wat de goden betreft, die zijn goed en eischen geen offers ter verzoening, maar offers van hulde en dankbaarheid alleen. Die
+worden hun dan ook met genoegen gebracht. Geen erf of men ziet bloemen liggen in de &#8220;godenhuisjes&#8221; en een van bladreepen gevlochten
+versiersel voor de nis, naast de poort, van den &#8220;taksoe,&#8221; den dienenden geest die als bemiddelaar optreedt tusschen menschen
+en goden; geen dag in het jaar of men ziet offeraars, feestelijk gekleed en sierlijke schalen vruchten en bloemen dragend,
+op weg naar de tempels. Er zijn er ten minste drie in elk, zelfs het kleinste, gehucht: de dorps-tempel, om zoo te zeggen
+het geestelijke gemeentehuis, waar alle openbare zaken behandeld worden, en tevens feesten gevierd en gasten&#8212;goden zoowel
+als menschen van elders&#8212;geherbergd; de tempel op of bij de begraafplaats, waar de dooden de verbranding wachten, aan de doodengodin
+Doerga gewijd: de tempel aan <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186">186</a>]</span>het strand, ver gelegen soms van het dorp, maar niettemin aan dat dorp behoorend, waar de goden der zee worden ge&euml;erd. Op
+grootere plaatsen wordt dat getal van drie een veelvoud van drie. Te Singaradja bijvoorbeeld, te Karang Assem en hier te Badoeng<a class="noteref" id="xd0e1404src" href="#xd0e1404">1</a> zijn er tempels meer dan buurten en wijken. Zij vertoonen alle hetzelfde type: dat van het Balische erf in het groot en in
+het mooi. Rondom loopt een muur, bij de &#8220;armere&#8221; tempeltjes van klei, bij de &#8220;rijkere&#8221; tempels van steen; twee poorten, een
+op het Zuiden, een op het Westen, staan daarin open: uit den voorhof, waarheen zij toegang geven, leidt een derde poort tot
+het heiligste binnengedeelte, dat door een versierden muur, een soort steenen scherm, vlak achter die poort gebouwd, wordt
+beschut tegen den blik van voorbijgangers, juist z&oacute;o als de Bali&euml;r zijn huiselijkheid tegen den blik van den vreemde-op-de-straat
+beschut. In dat binnenste gedeelte staan de woningen van de goden, van de mindere, de Dewa&#8217;s, en van de hoogere, de Batara&#8217;s,
+die sierlijk zijn al naarmate de huizen van hun aanbidders dat ook zijn; soms enkel maar van bamboevlechtsel en in de zon
+gedroogden steen; soms gemetseld, en versierd met beeldhouwwerk, door steenen monsters bewaakt, gedragen op beschilderde en
+vergulde pijlers, en van deuren voorzien, een en al fijn gestoken werk, kleur en goud. De Chineesche invloed, die veel moois
+en ook veel leelijks op Bali heeft teweeggebracht, is hier een erg storend element; juist de mooiste tempels worden ontsierd
+door een optooi&iuml;ng met porcelein. Het is begonnen, waarschijnlijk, met Chineesche borden en schotels, die althans op zich
+zelven mooi toonen, hoe leelijk dan ook als toevoegsel aan architectuur. Op het oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188">188</a>]</span>echter zit allerlei grof goed in tempelmuren gemetseld; tot boeren-aardewerk van Regout toe, zooals het volk van de Gooistreek
+het koopt op de Hilversumsche markt, heb ik hier in het Badoengsche en in Mengwi gevonden. De soldaten van de expedities van
+1906 hebben hier en daar, alle discipline ten spijt, geprobeerd de borden die hun de mooiste leken, uit het metselwerk te
+lichten, en in die poging alles doen barsten en breken. Nu, leelijker dan het was, kon het niet worden. Het is verdrietig
+om te zien; zelfs de prachtige Meradjan Kesiman, een vorstelijke familie-tempel, is geschonden door al die witte en bonte
+ronde plekken, als door een afschuwelijken uitslag. Er is een inspanning der gedachte noodig om, zelfs in de herinnering,
+daarover heen te komen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p187.jpg" alt="In den tempel van Batoer, aan den voet van den zwarten vulcaan, worden goden-verheerlijkende feesten gevierd, met gamelan-muziek en wapendans." width="720" height="480"><p class="figureHead">In den tempel van Batoer, aan den voet van den zwarten vulcaan, worden goden-verheerlijkende feesten gevierd, met gamelan-muziek
+en wapendans.
+</p>
+<p>Fotogr. Gr&uuml;ndler<span class="corr" id="xd0e1414" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Naar die vele tempels, Balisch gebouwd, Chineesch versierd, door Hindoe-goden bewoond, gaan dag aan dag de honderden. De godsdienstige
+feesten van het Bali-jaar zijn ontelbaar; bij alle belangrijke familiegebeurtenissen wordt er een gevierd; evenzoo voor &#8220;den
+verjaardag&#8221; van het vee, van de wapens, van de vruchtboomen en tuinen, van de kunst van het lezen en schrijven. Ik had een
+geleerden Goesti op bezoek, onlangs, toevallig juist op &#8220;den verjaardag van het letterschrift,&#8221; die mij dat denkbeeld poogde
+duidelijk te maken. &#8220;Dit,&#8221; zei hij, en lei zijn van ringen flonkerende hand op een brief, &#8220;dit noemt u letters: maar het is
+een Godin! en deze dag is de dag, waarop zij, voor eeuwen &#8220;uit haar moeder kwam.&#8221; Daarom vieren wij haar heden met optochten,
+en niemand mag van morgen- tot avondschemering lezen of schrijven.&#8221; Daarbij keek hij naar mijn pen of hij zeggen wou &#8220;het
+is u ook geraden dat maar te laten vandaag.&#8221;&#8212;Behalve al deze algemeene feestdagen heeft elk dorp er nog bijzondere voor zijn
+eigen bijzondere goden&#8212;de bijzondere goden, in wie de oude beschermgeesten <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190">190</a>]</span>van den Heidentijd zoo licht te herkennen zijn. Zoodat van de 420 dagen van het Balische jaar er weinig zijn, of geen misschien,
+zonder den glans van een godenverheerlijkend feest; een optocht soms, met galm van gongs en bamboekokers; op andere keeren
+een dans van dessa-maagden en jonge mannen, of van kinders in de dracht van krijgslieden en prinsessen; een tocht naar het
+zeestrand om een wonderdadig beeld te baden; een pelgrimsgang, alle de tempels van een landschap rond, waarbij de meegedragen
+goden elkander bezoeken; en, altijd, een vroolijk maal aan de offeranden den goden aangeboden, waarvan de hemellingen den
+geur alleen tot zich nemen, de substantie overlatend aan hun aanbidders.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p189.jpg" alt="In het koepeltje hangt de koelkoel, het holle houtblok, dat dreunend geslagen uit mijlenverren omtrek al het volk oproept." width="526" height="697"><p class="figureHead">In het koepeltje hangt de koelkoel, het holle houtblok, dat dreunend geslagen uit mijlenverren omtrek al het volk oproept.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>En dat, offers en eerbewijs, is alles wat die goede goden den menschen afvragen; het is maar voor de leus, als, een heel enkele
+maal, eens wordt gerept van zedelijke verplichtingen. De goden-zelven nemen het onder elkander &oacute;&oacute;k zoo nauw niet, als ieder
+wel weet, die de heilige verhalen kent. Een hulde-betoon dat op zichzelf een genoegen is; meer vergen zij niet. En in ruil
+daarvoor geven de milden een gelukkig bestaan op Bali en de eeuwige zaligheid in een hemel, die een verheerlijkt Bali is.
+
+</p>
+<p>Wat kan tegenover zooveel aangenaams, eenige andere godsdienst stellen?
+
+</p>
+<p>En wat wonder als niet &eacute;&eacute;n er in geslaagd is in eenigen getale belijders te winnen op Bali?
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191">191</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1404src" id="xd0e1404">1</a></span> De eigenlijke naam van de door Hollanders dikwijls D&egrave;n Pasar genoemde plaats.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch17" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Het verleden op Bali en de toekomst</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-a.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-a.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">A</span>an den grooten weg van D&egrave;n Pasar naar Mengwi, tegenover het schoone met Gane&ccedil;a-beelden versierde torenkoepeltje van den &#8220;koelkoel&#8221;
+het holle houtblok, dat dreunend geslagen, uit mijlenverren omtrek al het volk oproept, daar ligt, modderig van nooit wegzakkende
+plassen en ruig overgroeid, de ledige plek waar eenmaal de poeri stond van den Radja van Pametjoetan; en de plaats is nog
+aan te wijzen van de poort, waaruit de vorst met al de zijnen, vrouwen, kinderen, bloedverwanten, volgelingen en slaven, dien
+vreeselijken uitval deed, den dood tegemoet, waarbij wie niet viel door de kogels van den vijand, stierf onder de lanssteken
+van den vriend, en vrouwen en kinderen elkander afmaakten met de kris. Aan deze en gene der vele tempels van den omtrek der
+stad is de schade nog te zien, door baldadigheid hier, bij ongelukkig toeval ginder, toegebracht aan muren en beelden. Men
+hoort nu en dan van leden der oude vorstenhuizen van Bandoeng, van Tabanan, van Gianjar en Bangli, die in ballingschap leven
+op Lombok, en geregeld bezocht worden door hun getrouwen. En men ziet een enkele maal in den dichten drom der toeschouwers
+bij een hanengevecht of een of andere wayang-vertooning, mannen <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192">192</a>]</span>die het litteeken dragen van een kogelwond of een lanssteek, en die, soms, <span class="corr" id="xd0e1444" title="Bron: ontvluchten">ontvlucht</span> zijn uit den massamoord van 1906, en soms de door ambulance en artsen uit den zieltogenden hoop geredden. Een ledige plek,
+verminkte tempelmuren, litteekens: dat zijn de eenige zichtbare herinneringen aan den grooten ommekeer die het verleden van
+Bali scheidt van zijn heden en zijn toekomst. In de gedachte van het volk is er, indien dat kan, nog minder van overgebleven.
+&#8220;De Bali&euml;rs denken alleen aan hun eigen belangen. Om hun vorsten denken zij niet!&#8221; Een Wessya, die met mij sprak over vroeger
+en nu, zeide dat met een zekere bitterheid. Hij sprak als edelman: de tijd van de vorsten was ook zijn en zijner gelijken
+tijd. Maar diezelfde woorden zouden op een anderen toon geklonken hebben uit den mond van een Kaoela. En als het geringe volk
+de vorsten vergeten is, dan komt dat, omdat het in de gelukkige natuur van den Bali&euml;r ligt het kwade spoedig te vergeten;
+van hun vorsten hebben zij zelden, indien al ooit, iets anders dan kwaad ondervonden. Goesti Djilantik van Karang Asem is
+een uitzondering; een alleenstaande mag wel gezegd; de overige Balische vorsten waren wat overal en altijd alleenheerschers
+zijn geweest: dwingelanden. Zij en hun volgelingen leefden van het kleine volk; en zij ontzagen het noch in zijn arbeid, noch
+in zijn eigendom, noch zelfs in zijn lijf en leven. Zij hadden honderd manieren voor &eacute;en om het bezit van den Kaoela tot het
+hunne te maken: belastingen en heffingen tot in het oneindige; vonnissen voor lichte overtredingen, waarvan verbeurdverklaring
+van veld, huis, vee en alle overig bezit het gevolg was; naasting van de erfenis van hen, die zonder zoons of allernaasten
+mannelijken bloedverwant overleden; willekeurige grensveranderingen, waardoor de sawah van een Kaoela plotseling de sawah
+van den vorst of van <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193">193</a>]</span>een zijner bloedverwanten of edelen werd. Het volk kon nog van geluk spreken als zijn radja enkel maar hebzuchtig was, en
+niet tevens wellustig en wreed. Er waren streken, waar de mannen hun vrouwen en dochters met kerven over het gezicht mismaakten,
+opdat de Radja hen niet zou doen oplichten en naar zijn poeri sleepen. Het is nog maar kort geleden, dat de stedehouders van
+Gianjar en Bangli bij verdrag met de Nederlandsch-Indische regeering afstand deden van het recht weduwen en dochters van zonder
+zoon overleden erflaters als slavinnen te nemen, evenals verstooten vrouwen door den man als slavin aangeboden. Het is bekend,
+hoe in 1903 de zoon van den pas overleden radja van Tabanan twee van zijns vaders vrouwen tot den &#8220;vrijwilligen&#8221; vuurdood
+op diens brandstapel dwong. Minder bekend, misschien, van welken aard de straffen waren waarmede de vorsten overtredingen
+der adat-wet of, evengoed, persoonlijke &#8220;beleedigingen&#8221; wreekten. Diezelfde Wessya, die zoo verontwaardigd sprak over de ontrouw
+van het Bali&euml;rvolk aan hun vorsten, verhaalde mij afschuwelijke bijzonderheden van terechtstellingen waarvan hij ooggetuige
+was geweest, nog in 1905&#8212;ik zal ze den lezer besparen. En het volk van Karang Asem spreekt nog met haat en vrees van den vorstenzoon
+K&#8217;toet, Goesti Djilantik&#8217;s neef en doodsvijand, den zwaarlijvigen, vadsigen doe-niet, die zijn genoegen vond in folteren.
+Het is te begrijpen, dat het volk van Zuid-Bali, toen het, eindelijk, tot een botsing kwam tusschen de regeering en de inlandsche
+vorsten, die vorsten hun eigene zaak alleen liet uitvechten, en zich aan den vreemden overwinnaar gewillig onderwierp. Zij
+konden het nooit slechter krijgen dan zij het hadden; beter al heel licht. De uitzondering die Tabanan maakte, toen na de
+gevangenneming en den zelfmoord van den vorst en zijn zoon, een opstand uitbrak onder <span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194">194</a>]</span>de aanvoering van eene zijner dochters, was een uitzondering alleen in schijn. De Radja-dochter gedroeg zich als een door
+de Godheid bezielde. Een dergelijk geval heeft zich nu pas in het Kloengkoengsche voorgedaan, op kleine schaal. Door een beroep
+op zijn godsdienstige gevoelens is de Bali&euml;r altijd te winnen. Maar zelfs toen lieten de meesten het bij offers en wierook,
+die zij aan de prinses en hare volgelingen aanboden als aan goden. Toen het op vechten aankwam, vluchtte het grootste getal
+ook van hen die haar gevolgd waren. De opstand was voorbij nog eer hij goed begonnen was, en de prinses, die v&oacute;or het eerste
+treffen al een toevlucht had gezocht in het gebergte, werd verlaten zelfs door haar bloedverwanten, die haar als Radja hadden
+beloofd te huldigen. De weinige gewonden zochten vertrouwelijk de ambulance op, om zich te laten verbinden, en de leiders
+boden, zonder eenige vrees, hun onderwerping aan bij de regeering: zij hadden aan de Godheid gehoorzaamd door te willen vechten;
+nu zij het verloren hadden, waren zij wel tevreden weer naar huis te mogen gaan. Het doorslaande bewijs van de eigenlijke
+gezindheid van den kleinen man in Bali werd het volgende jaar, 1908, gegeven door de bevolking van Gianjar: een optocht van
+eenige honderden kwam naar D&egrave;n Pasar met het verzoek om uitbreiding van het rechtstreeksche bestuur over Gianjar. Hun verzoek
+werd niet ingewilligd: maar, langs een omweg verkregen zij toch wat zij verlangden, zekerheid van eigendom en leven. De eenigszins
+ingewikkelde toestand was deze: de vroegere Radja van Gianjar, de toenmalige stedehouder, was wel gewillig tot toegeven aan
+de rechtmatige eischen van het volk, maar hij dorst niet te handelen, uit angst voor een overmachtigen vazal, den Tjokorda
+van Oeboet. Die was, en is nog, een der rijksten, zoo niet de allerrijkste van Bali; door zijn <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195">195</a>]</span>schatten aan goud en juweelen, door zijn uitgestrekt grondbezit en door de menigte van zijn heerendienstplichtigen, schuldenaars,
+en volgelingen, vrijwillige en gedwongene van alle slag, had hij de werkelijke macht in handen, waarvan de Radja alleen maar
+den schijn bezat. En hij gebruikte die macht om een ommekeer van zaken te beletten, die hem er van berooven zou. De optocht
+der honderden naar D&egrave;n Pasar echter was hem een waarschuwing. Hij besloot dreigende gevaren te voorkomen. En om niet de mindere
+te worden van andere rijksgrooten, bood hij de regeering zijn hulp aan bij het invoeren van nieuwe wetten en bepalingen, die
+hun aller macht evenzeer beperkten als zij het zijn eigene deden. Zoo heeft hij dus Gianjar van zichzelven bevrijd. Er is
+nu, in de practijk, geen noemenswaardig verschil meer tusschen den toestand van het volk van Gianjar onder het bestuur van
+den stedehouder, en dien van het volk in de rechtstreeks bestuurde landschappen.
+
+</p>
+<p>In het Badoengsche beter nog dan elders, kan men zien hoe goed reeds nu en met den dag nog hoeveel beter wordend, die nieuwe
+toestand is.
+
+</p>
+<p>Het bestuur is begonnen met het eerst-noodige: goede wegen en bruggen. Daar heeft eerst, natuurlijk, het volk veel tegen gehad:
+het is zwaar werk wegen te bouwen in de tropen: de diensten die zij, zonder betaling voor den vorst verrichtten, waren lang
+zoo zwaar niet geweest als deze nieuwe heerendiensten. Maar ten slotte kwam de ervaring die hun leerde dat zij met deze nieuwe
+heerendiensten ook hun eigen belangen hadden gediend. De cijfers van in- en uitvoer uit de voornaamste haven van Zuid-Bali,
+Benoa in Badoeng, zijn welsprekend. Een vergelijking van die over 1908 met die over 1911 toont dat de invoer m&eacute;&eacute;r dan verdubbeld,
+de uitvoer bijna verdubbeld is: invoer 1908 voor een waarde van <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196">196</a>]</span>&#402;&nbsp;646,280; 1911 voor &#402;&nbsp;1,455,164; uitvoer 1908 voor &#402;&nbsp;1,141,781; 1911 voor <span class="corr" id="xd0e1459" title="Niet in bron">&#402;&nbsp;</span>2,179,209. Het verschil kon nog sterker zijn als niet oude sleur nog een groot gedeelte van den uitvoer, die van vee vooral,
+voortdreef langs de gewende hoewel slechte wegen naar de havens in Noord en West. Maar waarschijnlijk zal die gewoonte vanzelf
+wel uitsterven; te eer nu de nieuwe haven er komt te Serangan tegenover Benoa (eergister werd het Regeeringsbesluit bekend,
+dat den bouw toestaat) zoodat ook de al grootendeels gebouwde weg van D&egrave;n Pasar naar zee, waarmee gewacht werd tot er zekerheid
+zou zijn omtrent de haven, nu voltooid zal worden. Vroeger was de handel voornamelijk het bedrijf van vreemde Oosterlingen,
+Chineezen vooral, die hier woonden als in de handelssteden van middeleeuwsch Europa de Joden, rijk, geminacht en altijd bedreigd
+met afpersing. Nu zal ook de Bali&euml;r zijn deel daaraan krijgen. Het begint al met de copra; in het <span class="corr" id="xd0e1462" title="Bron: Karangasemsche">Karangassemsche</span> zag ik een kelapatuin die zijn eigenaar &#402;&nbsp;4000 winst opbrengt in &#8217;t jaar; de bewoner van een onaanzienlijk huisje hier te
+D&egrave;n Pasar zeide mij gemiddeld &#402;&nbsp;13 per dag te verdienen met den verkoop van copra. Van regeeringswege worden inlichtingen
+verstrekt omtrent de beste wijze van bereiding. Er zal nog veel meer verdiend worden als de Bali&euml;r zijn vruchten den tijd
+tot rijpen laat, en enkel in de zon inplaats van op het vuur droogt. Het strenge toezicht op den veestapel en het verbod van
+uitvoer van de beste exemplaren, vroeger roekeloos aan Chineesche en Europeesche opkoopers afgestaan, hebben ook den veerijkdom
+vermeerderd. En de bemoeienis met den akkerbouw, den rijstoogst. Sedert de vaccinatie is ingevoerd, zijn de pokken verminderd,
+vroeger hier endemisch, z&oacute;&oacute;, dat het volk den tijd rekende naar de periodisch terugkeerende hevige uitbarstingen van de ziekte.
+De dwang <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197">197</a>]</span>tot althans een eerste begin van zindelijkheid werkt gunstig op den algemeenen gezondheidstoestand. Die voordeelen, die de
+menschen elken dag in de beurs en aan den lijve ondervinden hebben hen gaandeweg verzoend ook met wat hun in het begin hard
+viel. De heerendiensten trouwens zijn hier niet zwaar. Als er in de weinige jaren sedert de vestiging van het Nederlandsch
+gezag al zoo zeer veel is verricht op Bali, meer dan in &eacute;&eacute;n van de Buitenbezittingen, dan komt dat door de veelheid der handen,
+die het werk licht maakte. De heerendienstplichtigen komen niet meer dan 40 dagen in het jaar uit: maar zij tellen bij duizenden.
+Zuid-Bali heeft een bevolking van gemiddeld 175 zielen op de vierkante mijl: 600,000 ruim in het geheel. Evenmin als de belasting
+in arbeid, drukt de belasting in geld hen zwaar: de landrente over het geheele zuiden van het eiland bedraagt niet meer dan
+ruim een half millioen. Eene andere belasting wordt in Zuid-Bali van inboorlingen niet geheven.
+
+</p>
+<p>Het beschavingswerk is, natuurlijk, nog pas in zijn begin. Het wegennet, moet uitgebreid over het geheele eiland: er moet
+gezorgd voor voldoende, zuiver drinkwater; voor middelen van verkeer, sneller dan de Balische &#8220;grobak;&#8221; voor uitbreiding van
+telegraaf en telefoon; voor scholen&#8212;de weinige die er reeds zijn, kunnen de aantallen van onderwijs begeerenden niet bergen&#8212;;
+voor geneeskundige hulp, die altijd door verlangd wordt door veel meer zieken dan geholpen kunnen worden. Zeker moet ook,
+op den duur, rechtsgelijkheid verkregen: de triwangsa, die over het algemeen niet meer dan 5 pct. van de geheele bevolking
+uitmaakt, geniet, ondanks alle sedert kort ingevoerde beperkingen, toch nog altijd groote voorrechten boven het Kaoela-volk,
+dat langzamerhand ongeduldig wordt onder dien door niets meer gemotiveerden <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198">198</a>]</span>toestand. Daarmee zou tegelijk de hardheid vervallen, waarmede kastevermenging wordt gestraft, zelfs nu nog, nu het Hollandsche
+bestuur de doodstraf van vroeger heeft vervangen door verbanning. En zoo is er nog veel begeerlijks, dat de Bali&euml;r het recht
+heeft van den Hollander te verwachten, om niet eens&#8212;als iets dat vanzelf spreekt&#8212;te noemen den plicht om den inboorling te
+beschermen tegen mogelijke verdrukking door de overmacht van het Europeesche kapitaal, als het zich eenmaal hier gevestigd
+zal hebben. Niemand kan ook de schoonheid aanschouwen van de Balische kunst in architectuur, tooneel en dingen van dagelijksch
+gebruik, zonder den wensch, dat alles beschermd moge blijven tegen ongunstige invloeden uit het Westen. Met die bescherming
+is gelukkig al een begin gemaakt: van den assistent-resident van Badoeng is een plan uitgegaan&#8212;en door alle poenggawa&#8217;s van
+het rechtstreeks bestuurde gebied zoo goed als door de &#8220;zelfbesturen&#8221; is het met instemming aanvaard&#8212;om te D&egrave;n Pasar een museum
+te stichten, een complex van gebouwen, dat een model van Balische architectuur en een schatkamer tevens zal zijn van Balische
+kunst. Elk landschap zal er zijn eigen gebouw hebben, in zijn eigen trant opgetrokken, waarin zijn eigenaardige stijl in voorwerpen
+van dagelijksch gebruik een uiting vindt en de voortbrengselen van zijn nijverheid tentoongesteld worden. Het zal geen doode
+verzameling wezen van allerlei en nog wat. De tempel, die erbij behoort, zal open staan, als elke poera; en het groote bad,
+de &#8220;pantjoeran,&#8221; wordt ingericht voor dagelijksch gebruik. De opbrengst van het voor verkoop tentoongestelde zal dienen voor
+onderhoud van het museum, waarvoor men vreemdelingenbezoek mag verwachten, zoodra wegen voltooid en een nu nog zoo goed als
+ten eenenmale ontbrekende gelegenheid tot verblijf tot stand <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199">199</a>]</span>gebracht zal zijn. En dat aldoor aanschouwde en door vreemden bewonderde voorbeeld van zijn eigen kunst zal, zoo mag men hopen,
+helpen om den Bali&euml;r te beschermen tegen navolging van uitheemsche wansmakelijkheden.
+
+</p>
+<p>Dit alles is zeer te hopen en zeer goed te bereiken ook: in het geheel geen onbenaderbaar ideaal. Maar er voor noodig is,
+behalve inzicht en goede wil, kracht: een kracht, die oneindig grooter moet worden dan zij nu nog is, om werkelijk iets blijvends
+tot stand te kunnen brengen. Er zijn hier mannen noodig en vrouwen ook, die hart hebben voor het werk der beschaving, het
+schoonste, dat de Westerling in het oude Oosten volbrengen kan, en het &eacute;&eacute;nige dat zijn verovering en zijn tijdelijk bezit
+van des Oosterlings land rechtvaardigt.
+
+</p>
+<p>Mochten zij toch, en spoedig, komen!
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201">201</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="normal">BORNEO</h2><span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203">203</a>]</span><div id="ch18" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Eerste indrukken van Borneo</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-a.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-a.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">A</span>an boord van de Koninklijke Paketvaartboot zijn wij op weg naar Borneo: van Soerabaja naar Bandjermasin. Er zijn maar weinig
+passagiers in de eerste klasse, een half dozijn; op het derde-klasse gedeelte van het dek echter is het vol. Het geheele gezelschap
+der opvarenden, Europeanen en Oosterlingen te zamen, geeft in zijn bonte samenstelling ten naaste bij een begrip van de wordende
+maatschappij in het land waarheen wij op weg zijn.
+
+</p>
+<p>In de derde klas zijn het Maleiers, Javanen, Chineezen, Arabieren. De Javanen zijn grootendeels koelies, mannen en vrouwen,
+die op de vele rubberondernemingen gaan werken, met een contract voor drie jaar. De vrouwen hebben zich huiselijk ingericht,
+met matten, kussens, aarden potjes met eten en de welbeminde sirih-doos. Zij zitten en liggen op het dek niet anders dan ze
+het zouden doen in hun eigen huis op Java. De mannen zitten te rooken.
+
+</p>
+<p>De Chineezen houden zich afzonderlijk van de overigen en bij elkaar. Er zijn er verscheiden bij, die hun staart hebben afgeknipt,
+daarmee te kennen gevend, dat zij republikeinsch gezind zijn en eene geheel nieuwe orde van zaken toegedaan in het verre Chineesche
+vaderland, en ook in het tegenwoordige, <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204">204</a>]</span>het vaderland-bij-adoptie, Nederlandsch-Indi&euml;. Zij spreken gedempt en druk, misschien wel over de troebelen in Soerabaja van
+een dag of wat geleden, den onverwachten aanval van de lieden uit Macao op den kapitein-Chinees, en de houding van het Nederlandsche
+bestuur. Was de aanval werkelijk onverwacht? Er wordt onder Hollanders wel aan getwijfeld. Op de strakke gezichten dier druk
+en zacht sprekenden is niets te lezen. Zij konden het even goed over hun zaken hebben als over de gebeurtenissen in China
+en op Java. Het zijn kooplui. In Bandjermasin hebben zij landgenooten, d&ugrave;s bloedverwanten, zakenvrienden, mede-leden van de
+groote nationale bonden, bij de vleet. Verder het binnenland in mogen zij zich voorshands niet vestigen. Officieel en in theorie.
+De practijk is rekkelijker.
+
+</p>
+<p>Van de inlanders, de Maleiers vooral, zijn er velen in Arabische dracht. Het zijn hadji&#8217;s die de Arabische kleedij aangenomen
+hebben ten blijke van die vervulling van den oppersten godsdienstplicht, den pelgrimstocht naar Mekka. Voor een inlander&#8212;Javaan
+of Maleier&#8212;is die reis, behalve een daad van vroomheid, ook nog een pleizier-, een zaken- en een studie-reis. Hij spaart er
+jaren voor: hij maakt wat hij heeft te gelde, en steekt zich in de schuld om de plus minus &#402;&nbsp;300, die de reis kost, bijeen
+te krijgen. Hij weet dat het goed-belegd kapitaal is. Want hij, die in zijn dorpje gevegeteerd heeft tot nog toe, nooit komend
+buiten den engen kring van de pasars uit den naasten omtrek, hij zal nu de wijde wereld leeren kennen, en wat daar te koop
+is. En in de school van het sluwste handelaars-volk ter wereld zal hij begrip krijgen van handel en nering, en zich kunnen
+oefenen in die moeilijke kunst van het geldmaken, waarin de Arabieren in Indi&euml; hem zoozeer de baas zijn, en waardoor zij in
+goeden doen komen, terwijl <span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205">205</a>]</span>hij, onwetende, arm blijft. Nog een voordeel voor den Mekka-pelgrim: zijn hadji-titel en zijn Arabische kleedij geven hem
+aanspraak op den eerbied van zijn geloofsgenooten, en op al de voordeelen die daarvan het uitvloeisel zijn. Van het een en
+het ander weet de hadji goed gebruik te maken. In de Inlandsche handelswijken van Soerabaja staat het &#8220;Hadji&#8221; op den gevel
+van een menigte winkels en werkplaatsen. De prauwen die de Brantas op- en afvaren tusschen de havens en het binnenland tot
+Kediri toe, met rijst, petroleum en allerlei toko-artikelen stroomop, met suiker van de vele fabrieken stroomaf, zijn haast
+alle het eigendom van hadji&#8217;s, die prauwvoerders en sleepers in hun dienst hebben. En dezen hadji&#8217;s aan boord, meest Bandjareezen
+en mannen uit het binnenland, terugkomend van een zakenreis naar Java, is de welvaart aan te zien aan zware gouden horloge-kettingen
+en dikke gouden ringen, waarin diamanten flikkeren. Er zijn, kennelijk, zaken te doen op Borneo.
+
+</p>
+<p>Ook de passagiers der eerste klasse zijn mannen van zaken; en ook dit kleine gezelschap is internationaal. Er is een Duitscher
+bij, een rubberplanter; een jaar of tien geleden heeft hij in moeras en oerwoud de onderneming begonnen waarop nu een duizend
+koelies werken, onder een staf van ge&euml;mployeerden van allerlei landaard. Zijn buurman aan tafel is een Engelschman uit Calcutta,
+&agrave;l te donker van tint en oogen en al te tenger van gestalte om voor een volbloed Engelschman te kunnen doorgaan. Hij komt,
+hoor ik, machines koopen voor een Engelsche maatschappij, die van een Duitsche een kolenmijn heeft overgenomen. Met de twee
+in gesprek zit een jonge Hollandsche ingenieur, die naar petroleum gaat boren. Namen van Hollandsche, Duitsche, Engelsche,
+Amerikaansche en Russische maatschappijen <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206">206</a>]</span>worden genoemd. Ik hoor van een paar Denen, die op een naburig eilandje een kolenmijn exploiteeren en voor het vervoer een
+contract hebben met een Japansche firma. Zoo komt, van uit alle vier de hoeken van de wereld, het kapitaal naar het nieuw
+te ontginnen land. Bandjermasin moet nu al een soort Kosmopolis zijn.&#8212;In &#8217;t voorbijgaan&#8212;hoe lang zal dat woord nog zijn tegenwoordigen
+klank, den klank van iets bonts en buitengewoons, behouden? Op een plek als dit Paketboot-dek, en in zulk een gezelschap,
+denkt men allicht: niet zoo heel lang meer! Men hoort met ooren, met ziet met oogen den keer der dingen, en het begin van
+een tijd waarin het burgerschap van een land tegenover het wereldburgerschap verdwijnen zal, zooals een vierhonderd jaar geleden
+het poorters-gevoel verdween voor het ontwakende nationaliteits-besef.
+
+</p>
+<p>Het begint al te donkeren. Wij naderen de monding van den grooten stroom, die van het bergachtige hart van Borneo uit naar
+de zuidelijke kust stroomt: de Barito. Aan haar zuidelijkste zijrivier, de Martapoera, ligt Bandjermasin.
+
+</p>
+<p>De invaart is hachelijk bij nacht, wegens ondiepten en banken van slib. Maar de afnemende maan geeft licht door een scheurend
+floers van wolken heen: de kapitein waagt het. Wij stoomen de Barito-monding binnen, breed als een zee-arm, dan Oostwaarts
+de Martapoera op. De dichte flikkering van lichtjes in de verte is Bandjermasin.
+
+</p>
+<p>Op de wandeling naar het hotel&#8212;rijtuigen zijn hier niet,&#8212;zie ik van de stad&#8212;of, om op zijn Indisch te spreken, van de &#8220;plaats,&#8221;&#8212;niet
+anders dan een gestadigen glans van water, waarop lichtjes flikkeren en weerkaatsing van huizen en boomen zwart tegen een
+flauw wit van manegloor ligt. Het hotel, een ware doolhof van gebouwen, gebouwtjes, overdekte galerijen, <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207">207</a>]</span>staat op palen. Inplaats van over paden loop ik over planken door den tuin. Door den kier van de vensterluiken zie ik alweer
+water. En een geluid van riemslagen en kabbeling van golven tegen een strevenden steven is het laatste wat ik, in halfslaap
+al, hoor.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Den geheelen morgen ben ik aan en op de rivier geweest. Een vroolijke drukte als het daar is, een leven, een bedrijvigheid!
+De Bandjareezen, lijkt het wel, wonen op het water. Hun huizen staan langs den oever, maar meer in de rivier dan op het land.
+Als men de winkelbuurt doorgaat denkt men aan een gewone stad: daar is een breede, goed onderhouden straat; daar staan in
+regelmatige rij de huizen,&#8212;groote Chineesche winkels, pakhuizen, werkplaatsen, de loodsen van den pasar. Maar men kijkt wat
+verder naar binnen in het half donker van die in de diepte gebouwde huizen: daar gloort licht: door een wijd openstaande poort
+komt zonneschijn naar binnen en de spelende glans van water, het bruine dak van een prauw glijdt voorbij. En als men den hoek
+van de straat om slaat, staat men opeens voor de volle breedte van de rivier, en daarlangs, langs de breede waterstraat, staan
+de achtergevels van de huizen hoog op palen, en loopplanken, bruggetjes, steigers, dobberende vlotten maken als het ware een
+smalleren weg, een soort &#8220;kleine steentjes&#8221; er langs. Hier, niet aan de voorzijde, is de eigenlijke drukte. Bij dozijnen liggen
+de sierlijke prauwen&#8212;lang, zwart, smal, als Venetiaansche gondels rank gebogen met hoog opstaanden en versierden boeg&#8212;naast
+elkander gedrongen, voor de aanlegplaatsen. En koopwaar wordt in en uit gedragen. Sommige van die groote prauwen&#8212;ze zijn een
+twintig meter lang, op het oog&#8212;zijn <span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208">208</a>]</span>zelf winkels: als een wand die van den vloer tot aan het dak reikt, staat over de geheele lengte in het midden van de prauw
+een dubbele winkelkast; in de hokjes ligt Europeesche exportwaar opgestapeld: blikjes, sigaretten, lucifers, leerwerk, snuisterijen,
+garen en band, manufacturen van alle slag. De koopman zit naast zijn druipenden riem; de klanten komen er aangeroeid, klampen
+den drijvenden winkel aan, en laten zich hun begeer binnen boord reiken. Dat is misschien een stapel bont sarong-goed, recht
+uit Twenthe; kant opgeklost op een blauw stuk karton waarop in groote letters &#8220;<span lang="en">Made in Austria;</span>&#8221; Engelsch shirting; Britsch-Indische zij. Er wordt aangeprezen en afgedongen. Een prauw scheert weg, twee andere komen er
+aan.
+
+</p>
+<p>De rivier is er vol van: woonprauwen, winkelprauwen, vrachtprauwen, prauwen vol rijst, prauwen vol vruchten, prauwen vol kippen
+en snaterende ganzen. Tusschen de groote vaartuigen door schieten bij dozijnen de kleintjes,&#8212;uitgeholde boomstammen, waar
+de roeier achterin zit, terwijl de boeg even opgetild staat boven het water: als waterspinnen zoo vlug en nukkig schieten
+zij met korte sprongen vooruit. Midden op de rivier zwoegt een stoombootje; een eindelooze sleep vrachtprauwen hangt er aan.
+Ik tel er honderd en zie onduidelijk in de verte, nog een menigte meer. Geweldige houtvlotten drijven stroomaf. De stammen
+zijn aan elkander vastgesjord tot een vloer; een huis staat er op; een heel gezin woont daar. De kinders loopen te spelen
+en de moeder, aan den kant van het vlot gehurkt, spoelt kleeren, terwijl de man en de zoons het drijvende erf tusschen schuiten
+en prauwen door boegseeren, voorzichtig dat het niet tegen de straat van steigers aanbonkt. De geweldige stammen komen uit
+de bosschen van het binnenland. En daarvandaan komt <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210">210</a>]</span>ook de sago en de rotan, en de djeloetong en de copal, en de damar, die de stoombootjes van Chineesche handelaars en de schepen
+van de Paketvaart, van de Borneo-Sumatra en van de Borneosche Industrie-Maatschappij, die de ontelbare honderden prauwen en
+bootjes met rustelooze bedrijvigheid aanvoeren. Men hoeft de tot zinkens toe geladen vaartuigen maar te zien, om te begrijpen,
+dat er nog veel meer noodig zouden zijn voor een behoorlijk vervoer. En dat, wederom, als dat vervoer er eenmaal was, de overvloed
+van producten nog grooter zou worden.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p209.jpg" alt="Geweldige vlotten drijven de rivier af. De houtkappers hebben er hun huis op staan." width="690" height="462"><p class="figureHead">Geweldige vlotten drijven de rivier af. De houtkappers hebben er hun huis op staan.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Borneo is pas in het begin van zijn ontwikkeling. Wat er van worden zal, is nog niet te zeggen: maar vast en zeker, iets overweldigend
+groots. En de Barito in het Zuiden, de Mahakam in het Oosten, de rivier van Pontianak in het Westen zijn voor dat nieuwe leven
+de stuwende straten.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211">211</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch19" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Stroomopwaarts het binnenland in</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-s.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-s.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">S</span>edert van ochtend halfacht zijn wij op weg naar het binnenland, stroomopwaarts langs de Barito. De tocht begon in een &#8220;tambangan,&#8221;
+die ons van den oever naar het diepe midden bracht van den stroom en naar den kleinen stoomer, die daar lag te wachten om
+de reis de Barito op te beginnen. De &#8220;tambangan,&#8221; de rank gebouwde, sierlijk gedaakte Borneaansche gondel, is het nationale
+vaartuig bij uitnemendheid, en tevens het kostelijkste bezit van den Inlander. Een gezin dat een tambangan heeft, is er goed
+aan toe. Met de tambangan wordt gevischt, vracht gevaren, handel gedreven de vele riviermarkten langs, wordt overgezet, worden
+reizigers vervoerd op dagenlange tochten. Een prauw van de grootte van die, waarin wij vanochtend geroeid werden, kost vijfhonderd
+gulden. Meest is zij een familie-erfstuk: het taaie ijzerhout van haar kiel houdt het een dertig jaar uit. De eigenaar behandelt
+haar met zorg, en met iets wat wel haast liefde mag heeten: ongeveer als een Hollandsch keuterboertje zijn eenige koe. Men
+hoeft hem maar bezig te zien, om dat te begrijpen. De wijze waarop deze booten geroeid worden, is een aan de bij ons gebruikelijke
+recht tegenovergestelde: de roeiers zitten met het gezicht naar den steven, en slaan <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212">212</a>]</span>de riemen van voren benedenwaarts naar achteren, zoodat zij vooruit komen door het water van zich weg te duwen, zooals een
+vliegende vogel de lucht van zich wegduwt. De stuurman, die als hoofd van de bemanning der boot met &#8220;tambangan&#8221; wordt aangeroepen,
+staat of hurkt achterop: staat hij, dan kijkt hij over het dak van het gondelhuisje heen; gehurkt, houdt hij door een driekant
+venstertje in den achterwand den koers in het oog. Nooit, nergens laat hij de prauw aanstooten. Ik verbaasde mij er over hoe
+vlug en veilig de onze, een smallen gladden visch gelijk, heengleed door de dichte scholen van vaartuigen waar de rivier donker
+van zag. Bij de gewone verkeersdrukte had de Paketvaartboot het vertier van laden en lossen aangebracht: en in den nacht was
+er een schip aangekomen, met een paar honderd Mekka-gangers aan boord, wien nu geheele zwermen verwanten, vrienden en vereerders
+tegemoet kwamen varen. De stroom geleek een drijvende stad, met allernauwste straten. Maar zonder aan een van die honderden
+her- en der-schietende, riemen reppende bootjes, zwaargaande vrachtprauwen, schommelende houtvlotten zich te schrammen of
+te schuren, zonder een hort of een stoot, stuurde onze tambangan naar de stoomboot. Zij voer weg: en langs ons heen gleed
+aan weerskanten der rivier de waterstad voorbij, schepen die drijvende huizen, huizen die vastgemeerde schepen, straten die
+kanalen zijn. Over plaatsen waarom lang en fel gevochten is, voeren wij daar. Van de eerste jaren van vijftienhonderd af hebben
+Spanjaarden, Portugeezen, Hollanders, Engelschen met de inboorlingen en met elkander gestreden om het bezit van de rivier.
+Wij lezen hoe de Engelschen een faktorij bouwden op een vlot; en later een sterkte op palen; en hoe het volk, dat zij door
+hun aanmatigenden trots verbitterd hadden, <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213">213</a>]</span>eindelijk tegen hen opstond en met zulk een woede hen aanviel, dat zij zich moesten redden op de schepen en dat diegenen,
+die het leven er afbrachten, op de vlucht naar Batavia hun heil moesten zoeken. Op den strijd met de wapenen volgde de strijd
+met het geld: de uitslag was voor den strijder die het het langst volhield, voor de Oost-Indische Compagnie, niet gunstiger.
+Zij had het volk van Bandjermasin gedwongen peper voor haar te bouwen. &#8220;Maar,&#8221; zegt Veth, &#8220;de staatkunde der Compagnie had
+Bandjermasin als een slang omkronkeld; maar toen zij het geheel in haar macht had, voelde zij haar eigen krachten uitgeput,
+en liet het uit eigen beweging los.&#8221; Nadat Daendels den post had ontruimd, haalden de Bandjareezen zelf de Engelschen weer
+in, en Alexander Hare begon zijn avontuurlijke politiek van kolonisatie met Javanen, die hij met geweld uit hun dorpen deed
+oplichten. Het herstelde Nederlandsche gezag maakte daaraan een einde, en het scheen omtrent de jaren twintig, dat de toestand
+geregeld was geworden. Toch is sedert, als men weet, dit moedige volk niet minder dan tot driemaal toe opgestaan om te trachten
+zijn vrijheid te herwinnen. Nu schijnt het wel dat het zich bij de voldongen feiten heeft neergelegd. Misschien heeft het
+nieuwe handelsverkeer en de voordeelen, die onder het Hollandsche bestuurstelsel van tegenwoordig ook het geringe volk daardoor
+geniet, het zijne daartoe bijgebracht.
+
+</p>
+<p>Het schip heeft Bandjermasin achter den boeg: de huizen zijn verdwenen en de schepen, een enkel visschersbootje, enkel nog
+maar met een mannetje er in, dat zijn net uitwerpt, een kano, waarin, onder een reusachtigen hoed, tot over de randen van
+het vaartuigje heenreikend, een vrouw met een paar kinders, meer te zien dan te raden valt, komen hier en ginder de rivier
+afgedreven. Plotseling gaat als <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214">214</a>]</span>een groot zacht licht voor ons open: uit de smallere Martapoera stevent het schip de schijnbaar oneindige wijdte van de Barito
+in. Als op een zee zeilen wij&#8212;een rustig golvende, paarsig-bruine zee. In een schemerige verte komt flauw een lage oever te
+zien. Als na eenigen tijd de koers der boot den wal nadert, zie ik, dat wat een strook laag land leek, hoogstammig oerwoud
+is, en besef door de gedachte beter nog dan zooeven door de zinnen de ontzaggelijkheid der afmetingen van den prachtigen stroom.
+Hij is hier bijna een kilometer breed. Het plan is geopperd, eenige jaren geleden, om de haven van Bandjer, waar groote schepen
+niet dan met moeite draaien kunnen, hierheen te verleggen; de plaats was zelfs al gekozen: aan den linkeroever, tegenover
+Poeloe Kembang, het Bloemeneiland, op Hollandsche kaarten als Apeneiland genoemd, om de menigte grijze apen, die het bevolken,
+en die door de inlanders voor heilig gehouden en met offers ge&euml;erd worden; een goede weg naar Bandjer loopt daar langs. Maar
+de handelsstand opperde bezwaren; het plan werd niet verwezenlijkt. Misschien echter komt de nieuwe haven er toch nog, de
+rivier-ruimte voor Bandjer zal de al aangroeiende menigte der handelsvloot, Inlandsche en vreemde, zoo heel lang niet meer
+kunnen bergen. Borneo is een land waar de dingen snel groeien. In de streek rondom Bandjer is sedert 1897 de bevolking van
+25.000 op 46.000 gestegen. Die van het geheele gewest, Zuider- en Ooster-Afdeeling Borneo, wordt geschat op anderhalf millioen.
+De gelegenheid voor handel en scheepvaart zal evenzoo moeten groeien.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p215.jpg" alt="Er zijn vervaarlijk veel krokodillen in de Barito. Als zij er een vangen brengen de Inlanders het dier, gebonden en gekneveld, naar den bestuursambtenaar, om de premie." width="513" height="376"><p class="figureHead">Er zijn vervaarlijk veel krokodillen in de Barito. Als zij er een vangen brengen de Inlanders het dier, gebonden en gekneveld,
+naar den <span class="corr" id="xd0e1555" title="Bron: bestuurs-ambtenaar">bestuursambtenaar</span>, om de premie.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Wij varen de invloei&iuml;ng voorbij van de Kwien, den waterweg naar Bandjer. Te midden van een vloot van kleinere vaartuigen ligt
+er een stoomboot, die tweehonderd prauwen op sleeptouw heeft. Een lang dorp van bruine paalwoningen staat langs den <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216">216</a>]</span>oever gerijd. Spiernaakte kwajongens, van te voren al glimmend van pret, komen op een ren den oever afgevlogen, springen in
+een prauw en roeien de boot tegemoet, om zich eens heerlijk te laten schommelen op de lange schuinsche golven van het kielzog.
+Die geen prauw bezit, springt in het water. De zwarte koppen, de bruine natte lachende gezichten bobbelen rondom het schip.
+Er zijn krokodillen bij honderden in de Barito; het pleizier is zooveel te grooter.
+
+</p>
+<p>Het paaldorpje verdwijnt, rondom is weer de groote eenzaamheid. Wij varen zoo dicht langs den oever nu, dat ik het gebladerte
+van boomen en heestergewas, en zelfs de wilde vruchten aan de takken en de bloemen tusschen varens en oeverriet onderkennen
+kan. Daar die lage, op varenpollen gelijkende bladerbossen, wijd uitgespreid, dat zijn struiken van de nipah, die alleen d&aacute;ar
+groeit, waar zeewater haar drenkt: mijlenver stroomt bij vloedgetij de zee de Barito op. Die grootere, die als fonteinen van
+bladeren staan, zijn sagopalmen. Lange, zwiepende sprieten van rotan steken boven de toppen uit van het hooge wildhout. Een
+ficus toont hier en ginder zijn donkerglimmig gebladerte. Bijwijlen komt onder het zware groen het bruin te zien van daken,
+en langs het oeverriet het donkere vlechtwerk van uitgezette fuiken. Door een bres in den boomenwal zie ik ruige rijstvelden,
+op primitieve wijze bebouwd. De zon hangt dofrood op den rand van het westelijk oeverwoud. De vlottende eilandjes water-hyacint,
+die langzaam tegen het schip aangedreven komen, spiegelen roode bladeren in een rooden vloed. Dan vangen aan weerszijde van
+de rivier houten hutjes den afschijn en staan verguld. Wij hebben Marabahan bereikt, de hoofdplaats van de streek die wij
+zooeven binnengevaren zijn.
+
+</p>
+<p>Het is de eerste post in het binnenland.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217">217</a>]</span></p>
+<p>Sedert eenige dagen ben ik nu te Marabahan, het welvarende inlander-dorp aan de samenvloeiing van de Bahan (door Hollanders
+meest Negara genoemd) met de Barito, aan welke ligging het zijn naam Moeara-Bahan eigenlijk, dat is mond van de Bahan, te
+danken heeft. De geweldige breedte der vereenigde rivieren ligt voor mij uitgegoten. En altijd door heb ik het gevoel van
+op het water te zijn. De dorpsweg, de huizen, het geheele land heeft iets vlottends, iets dat drijft en schommelt.
+
+</p>
+<p>Op de kaart is het goed te zien hoe het water doende is met den opbouw van Borneo. Rondom een middelpunt met naar alle zijden
+zich rekkende uitloopers van gebergte, brengen, van buitenaf de zee, van binnen uit de groote stroomen, zand, slib en moerasgrond
+aan. Het zuidelijke deel van het eiland, het stroomgebied van de beneden-Barito, ligt als een diepe, vlakke driehoek tusschen
+heuvelklingen, die van het Noordelijk bergland uit naar Zuid-West en Zuid-Oost loopen. Al stroomende heeft de Barito met haar
+zijrivieren, die alle van het Oostelijk gebergte komen, het opgebouwd. Het is nog maar ten halve gevormd en gestevigd. Ook
+in den eigenlijken zin van het woord is Borneo een land in wording.
+
+</p>
+<p>Het volk heeft stroomop den loop van het water gevolgd. Bij menigten liggen de dorpen langs de groote rivieren. Allen zijn
+ze op dezelfde wijze gebouwd: in een enkele oneindig lange reeks huizen langs het water, als langs een natuurlijken weg. En
+zoo dicht opeen soms dat de laatste huizen van het eene dorp pas den voorbijvarende uit het oog zijn, of de eerste van het
+volgende dagen al weer op. Geen van deze dorpen heeft als de Javaansche een omheining, ter afsluiting van welken aard ook.
+En evenmin ziet men eenige scheiding tusschen de erven. Enkel hier en ginder staat een los ineengevoegd <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218">218</a>]</span>staketsel naar den landweg toe, dat langs een geheele rij loopt en waarin poortjes tot elk erf afzonderlijk toegang geven.
+Het is zoo van buiten af al te zien, dat niettegenstaande de sterke immigratie die van oudsher uit Java hierheen is gegaan,
+en, die onder hoezeer veranderde omstandigheden dan ook, nog steeds aanhoudt, het Borneaansche dorp zijn eigen van de Javaansche
+wezenlijk verschillende wijze van ontwikkeling heeft gevolgd. Hier wonen geen menschen die zich op het land hebben vastgezet,
+met een tuin en zorgvuldig, van vader op zoon, bebouwden akker. Dit zijn reizende en trekkende handelslieden, voor wie het
+water de handelsweg is. Vandaag zijn zij hier, morgen ginder. Zij binden zich maar weinig aan een plek.&#8212;Verleden zag ik uit
+de Negara er aan komend, een groot vlot voorbij drijven, waarop een geheel huis stond. Niet een scheepshuisje, als er zoo
+veel op prauwen en vlotten staan: neen! een wezenlijk, echt huis, een huis dat ergens op het land had gestaan. Op een goeden
+morgen klaarblijkelijk, had het den bewoner verveeld, juist d&agrave;ar te wonen. Hij had zijn buren bij elkaar geroepen, met hun
+allen hadden zij het huis, zoo als het daar stond, van zijn palen getild, en op een vlot: Vrouw en kinders waren op den vloer
+gaan zitten op de gewende plaats. En de man met een langen boom in de handen, om zijn huis en huisgezin, met de kippen, de
+koe, en den rijstvoorraad voor eenige dagen, van vastraken aan den oever en verongelukken verre te houden, was voorop gaan
+staan, uitkijk houdend naar een plek die hem beter aanstond voor woonplaats. Hij zal wel ergens aan den westelijken Barito-oever
+beland zijn denk ik. En wie dezer dagen gaat kijken zal het oude huis op het nieuwe erf zien staan.
+
+</p>
+<p>Als overal langs de rivier, hebben te Marabahan alle huizen een soort uitbouw aan het water, tegelijk <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219">219</a>]</span>een plaats om te landen van de boot uit, en een plaats om te baden en te wasschen en te plassen voor de huisbewoners. Het
+vlot bestaat uit boomstammen van een bepaalde soort, die alleen in het oerwoud worden gevonden. De boom moet op stam gestorven
+zijn en al zoolang gestaan hebben, dat insecten tijd hebben gehad, om hem in zijn geheele lengte en breedte te doorboren met
+honderdduizenden uitgeknaagde gangetjes. Dan wordt hij geveld en naar de rivier geroeid&#8212;geroeid, want ook het oerwoud van
+Borneo staat in het water: de bosch-grond is een bosch-vloed. Dikwijls kan men inlanders zien, die op zulk een stam, licht
+als een kurk drijvend, de rivier afkomen. Ze hebben het schuitje, waarin zij uitgetogen zijn, achter aan den stam vastgemaakt.
+Daar zitten ze schrijlings op den boom, de afhangende voeten koel in het water, een pagaai in de hand, waarmee ze nu en dan
+den hen af-voerenden stroom een nalatig slagje helpen, een zonnehoed op het hoofd, een strootje in den mond; zij lijken donkere,
+misschien door de tabak lichtelijk van hun hemelsche waardigheid omlaag gehaalde, rivier-goden. Een vlot van zulke stammen
+gemaakt houdt het tien jaar uit tegen de drie die gaaf hout weerstand zou kunnen bieden aan de wrijving en schuring van het
+water. De steigers zijn los verbonden aan den wal, zoodat ze met den stroom kunnen rijzen en dalen. Ze hebben veel speelruimte
+noodig. Want het vloedgetijde der zee doet zich gevoelen tot op 150 mijlen de rivier op. En als de zware regens vallen boven
+in het gebergte, het bronnenland van de stroomen, stijgen zij binnen enkele uren meters hoog. Tot tien meter toe heeft het
+plotselinge waterstands-verschil bedragen: huizen, aan gene zij van den landweg gebouwd, stonden aan het water, en de steiger
+dreef op gelijke hoogte met den deurdrempel.
+<span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220">220</a>]</span></p>
+<p>De weg is op zulke gebeurlijkheden berekend: een sterke schoei&iuml;ng beveiligt hem aan den rivierkant. De planken van die schoei&iuml;ng
+zijn, ondergronds, dwars onder den weg door, met kabels verbonden aan zware, diep ingegraven stammen aan gene zij. Het mag
+gezegd: de weg ligt voor anker.
+
+</p>
+<p>Langs zijn landwaartsche zij liggen de huizen: of liever, staan zij. Want allen zijn op palen gebouwd. Om het gewicht, dat
+de drasse grond moet dragen, zoo gering mogelijk te maken, zijn er de lichtste bouwstoffen voor genomen: hout en vlechtsel
+van riet en bladeren. En verder is dat gewicht nog verdeeld door den vorm, waarin het huis is gebouwd: dien van een kruis.
+Van een lang middengedeelte steken rechts en links twee korte dwarse uitbouwsels uit. Het dak is berekend op de zware regens
+die hier vallen: steil loopt het op naar een spitsen nok. Zoo staat voor hemelwater en voor grondwater het huis veilig; als
+het overdekte nest van een watervogel in de biezen hoog en droog.
+
+</p>
+<p>Van opzij gezien, lijkt het als op een trap gebouwd: het voorste gedeelte staat op lage palen; hooger zijn die welke het middendeel
+dragen; daarop volgt op nog hooger palen gebouwd, een derde deel. Men begrijpt de reden van dezen bouwtrant moeilijk; tenzij
+dan volgens de uitlegging die zooveel zonderlings verklaart: als het uitwerksel van een oude gewoonte, die zich heeft gehandhaafd
+ook onder veranderde omstandigheden, waardoor haar eigenlijke reden van bestaan werd opgeheven. Aan den rivier-oever, waar
+stellig de eerste huizen gestaan hebben, is de doelmatigheid van zulk een trapsgewijs opklimmen der woning duidelijk genoeg:
+van het watervlak tot den glooienden oever, van daar tot de hoogte van den vasten wal. Men zal dien stijl behouden hebben
+uit sleur, voor woningen die niet aan het water stonden. <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221">221</a>]</span>Er zijn er die vijf van zulke, telkens een paar treden hooger gelegen, afdeelingen hebben.
+
+</p>
+<p>De ruimte onder het huis is, al naar gelang van de hoogte, kippenhok, runderstal, voorraadschuur. &#8217;s Avonds wordt er een vuurtje
+van dorre bladers en groen rijs ontstoken. De rook die daar van opstijgt, dringt door de reten van den vloer het huis binnen
+en verdrijft de giftige muskieten, de plaag van dit land.
+
+</p>
+<p>Er moet voor de duidelijkheid bij gezegd, dat de vloer van al deze huizen, zelfs van de goed gebouwde, die aan rijke lieden
+hooren, niet van planken is, maar van uit rotan gevlochten horden. De vezel is taai genoeg om het gewicht van menschen en
+huisraad (trouwens dit laatste is niet veel!) te dragen. Buigzaam echter is hij ook. Over zulk een vloer te loopen, die meegeeft
+onder elken stap, doet iemand wanen in een schommelende boot te zijn, en zoeken naar zijn evenwicht.
+
+</p>
+<p>Te Negara, een centrum van inlandsche industrie, kwam ik onlangs in een smidse, waar van die groote, op zwaarden gelijkende
+grasmessen gesmeed worden, die over het geheele eiland afzet vinden. Het was een wonderlijke tegenstelling, de lange zware
+staven ijzer te zien liggen op dien onder hun gewicht inzakkenden horden-vloer. En ik vroeg me af, hoe ter wereld daar vastigheid
+genoeg was voor het aambeeld en de zware hamerslagen die er op neer dreunen. De oplossing van het raadsel vond ik toen ik
+weer buiten stond. Tusschen de dunnere palen waarop het geheele huis rustte stond in het midden een geweldige djatistam, die
+dwars door den vloer heenging. Het boveneinde van dezen stam was het, dat het aambeeld vormde&#8212;het eenige punt van vaststaande
+stevigheid in het geheele huis.
+
+</p>
+<p>Het volk van Marabahan is, als dat van de meeste <span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222">222</a>]</span>dorpen langs de rivier waar die langs oerwoud stroomt, zoekers van en handelaars in djeloetoeng (eigenlijk beloepantoeng genoemd),
+het wittige boomsap waaruit, onder andere dingen, ook een (minder goede) soort caoutchouc gemaakt wordt. Dit is weer geheel
+en al een schippersbedrijf: want in kano&#8217;s gaan ze het woud in en op prauwen vervoeren zij de <span class="corr" id="xd0e1601" title="Bron: djeloetong">djeloetoeng</span> naar Bandjermasin. Het past dus goed bij het &#8220;rivierleven&#8221; van den Bandjarees. Maar terzelfder tijd als djeloetoeng-zoekers
+zijn de oeverbewoners van de Barito en de andere groote stroomen van Borneo rijstbouwers: de rijst is hun hoofdvoedsel. En
+het curieuse is dat zij zelf dat essentieel-landelijke bedrijf van den veldbouw veranderd hebben in iets waterigs, als men
+het zoo mag uitdrukken. Op vele plaatsen namelijk is geen geschikte grond aanwezig voor rijstkweekbeddingen. Wat doet onze
+Waterman? Van pisangstammen of van grove matten maakt hij een vlot, dat hij met slib overspreidt en te water laat. Daarop
+zaait hij zijn rijst uit. Een tweemaal herhaalde verplanting brengt later de plantjes over eerst naar een begin van vasten
+grond langs den oever, dan naar het hooger gelegen veld, waarop de aren zullen bloeien en rijp worden. Zoo heeft hij zelfs
+zijn akker op het water.
+
+</p>
+<p>De oude waarheid dat de mensch een wezen is, in de hoogste mate begaafd met het vermogen van aanpassing aan zelfs de ongunstigste
+omstandigheden, treft iemand met geheel nieuwe kracht en beteekenis bij de waarneming van zulke dingen.
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223">223</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch20" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Oude en nieuwe dingen in een centrum van inlandsche nijverheid</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">V</span>olkrijk als een heirweg is de Barito bij Marabahan.
+
+</p>
+<p>Bij de menigten van schuiten, vlotten, prauwen, schepen, die de groote stroom heen en weer draagt tusschen bovenloop en monding,
+voegen zich hier de menigten van de Negara, die met haar stelsel van zijrivieren en kanalen de groote verkeersweg is voor
+een dichtbevolkte nijverheids-streek. Het middelpunt van die nijverheid is het groote dorp Negara, een eindweegs stroomopwaarts
+van haar invloei&iuml;ng in de Barito, aan de Negara-rivier gelegen. Naar het oosten, langs de vele zijstroompjes, die van noord
+en zuid haar toevloeien, liggen Margasari, Moeara Moening, Kloempang, de bedrijvige marktplaats Kendangan, en hoeveel dorpen
+en dorpjes meer nog, vol bedrijvig volk. Heen en weer, tusschen al die plaatsjes en Bandjermasin, waar, via de Paketvaart-booten
+en de Javaansche havens, het wereldverkeer begint, gaat altijd door de tocht van allerlei vaartuig, met lange rookwolken,
+die spiegelend den vloed verdonkeren, met vlaggen en spitse wimpeltjes bij dag, met lichtjes zwevend in de hoogte of vlak
+boven het water schommelend en een afschijn van verborgen vuur bij nacht, met riemengeplas en ver heen roepende stemmen en
+den schreeuw van stoomfluiten <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224">224</a>]</span>aldoor. De groote menigte van die vaartuigen zijn Inlandersschuitjes&#8212;visschersbooten, vrachtprauwen, tambangans. Maar daar
+tusschendoor, gering in getal, maar elk op zichzelf aan een geheele vloot van die primitieve scheepjes gelijk, gaan de sterke
+snelle stoombooten hun gang&#8212;die van de Koninklijke Paketvaart, van de Borneosche Industrie-Maatschappij, van de Borneo-Sumatra,
+van de groote Chineesche firma&#8217;s, die Westersche methodes toepassen. Zichtbaar in zijn duidelijkste zinnebeeld, een transportmiddel
+door machinerie bewogen, gaat de nieuwe tijd het binnenland van Borneo in met het onheugelijk-oude vreedzaam in gezelschap.
+Den geheelen stroom langs zijn de uitwerkingen van die vermenging, eigenaardig en belangrijk genoeg soms, waar te nemen, hier
+wat minder, da&aacute;r wat m&eacute;er duidelijk. Ik had gelegenheid ze van nabij en in bijzonderheden te zien, te Negara.
+
+</p>
+<p>Negara is beroemd hoofdzakelijk voor scheepsbouw en voor sierlijk koperwerk. Maar nog een menigte andere takken van nijverheid
+groeien en bloeien hier. Ten eerste alles wat met scheepsbouw verband houdt: houtzagen, touwslaan, vlechten van &#8220;atap,&#8221; dak
+voor de groote prauwen, en hout-snijden ter versiering van stevens en wanden. Dan het maken van landbouwgereedschap, vooral
+van de breede, zware messen, met zulk een geduchten slag er in, waarmee de Bandjarees hout kapt en gras snijdt. Veel timmerwerk
+ook wordt hier gedaan: het gestoken werk, waarmee de huizen der rijken in deze streek versierd zijn, komt allemaal uit Negara.
+Dat alles is voor Inlander-behoef. Maar nu komt de invloed van het nieuw-tijdsche Westen met andere eischen. Voor een deel
+gaan die zoowat samen met de behoeften van de Inlandsche markt. De kopersmeden bijvoorbeeld, die sirih-stellen en geld-kistjes
+maken voor <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225">225</a>]</span>den Inlander, maken voor den Europeaan koperen siergoedje, als b.v. miniatuur-tambangans, bloemen-bakjes, sigaren-kokers,
+etc. etc. Voor een ander deel heeft de arbeid voor de Europeesche markt dien voor de Inlandsche bijna geheel of geheel en
+al verdrongen. Er zijn hier wagenmakers, die wel een grobak bouwen volgens Javaansch model, maar vooral toch zich toeleggen
+op het bouwen van lichte rijtuigjes, zooals all&eacute;en bruikbaar zijn op de smalle drassige wegen van het binnenland. Als model
+hebben zij daarvoor buggies ge&iuml;mporteerd uit Amerika. En als geheel op de Westersche behoefte berekend, mag men wel de industrie
+van het mattenvlechten aanzien. De Inlanders gebruiken die matten wel is waar; zij slapen op een matje, zij pakken op reis
+hun hebben en houden in een matje; maar de verbruikers in het groot zijn de suiker- en de tabakbouwers. Verleden was de export
+van matten uit Bandjermasin van de ruim 7 millioen stuks, die hij bedroeg in 1909, gestegen tot 15&frac12; millioen. Van de biezen,
+voor die matten benoodigd, worden tegenwoordig plantingen aangelegd. Het voor de markt gereed maken van rotan ook is een op
+Europa berekende industrie. De vrachten geschilde, op maat gesneden en gesorteerde rotan, die op vaartuigen van alle fatsoen
+en slag de Negara en de Barito afdrijven&#8212;ruim 47.000 pikol rotan in bundels, ruim 1&#8539; millioen rotan stokken werden in 1911
+uitgevoerd&#8212;gaan alle naar de groote meubelfabrieken in Europa.
+
+</p>
+<p>Dat belet niet, dat werkwijzen en gereedschap nog echt inlandsch zijn: tusschen de zuiver-inlandsche industrie&euml;n, als die
+van den prauwen-bouw, en de voor de Europeesche markt berekende is er op dat punt geen verschil. Een prauw wordt gebouwd,
+een mat wordt gevlochten met hetzelfde gereedschap, op dezelfde manier, n&uacute;, als het tweehonderd jaar geleden <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226">226</a>]</span>gebeurde. En die dat doen, zijn niet een ondernemer met zijn arbeiders, maar een gezinshoofd met zijn zoons, broeders, neven,
+zoodat het bedrijf het gezamenlijke bezit is van een geheele familie, ook al weer naar overouden trant. Er wordt niet betaald
+volgens den tijd van werken, en ook niet per stuk. Maar bij verkoop van het werk deelen, volgens bepaalde proportie, zij die
+daaraan meegewerkt hebben in de winst. Zoo althans werd de zaak mij uitgelegd bij den koperslager, die mij als de beste in
+zijn vak was aangewezen, en bij een messen-smid. En het districtshoofd van Negara, die mij bij de twee bracht, zeide nog,
+dat dit hier zoo de algemeene wijze van arbeid- en winst-deeling was.
+
+</p>
+<p>Dat districtshoofd, de Kjai, was zelf een merkwaardig voorbeeld van oudtijds-Oostersche en nieuwtijds-Westersche elementen
+in vereeniging. Hij had geheel en al het voorkomen van een Maleier van aanzienlijke afkomst, en had zich ook gehouden aan
+den godsdienst van zijn volk, Islam in schijn, in wezen animisme. Maar hij had Hollandsch geleerd, dat hij, wel niet vloeiend
+maar toch duidelijk en zelfs zonder sterk accent sprak. En hij droeg, op dien tocht door Negara, Hollandsche kleeren. Zijn
+zoons laat hij een Hollandsche opvoeding geven. Van zijn dochters sprak hij niet. Ik vermoed dat die, naar den conservatieven
+trant, het geheele Oosten door ten aanzien van vrouwen betracht, op zijn echt-Inlandsch zullen opgroeien.
+
+</p>
+<p>De eerste werkplaats waarheen de Kjai mij bracht was die van een prauw-bouwer. In een groote loods, waarvan het los uit bladeren
+en vlechtwerk ineengevoegde dak de lucht liet doorschemeren, en onder de boomen van een drassig erf rondom, in het midden
+waarvan het huis van den scheepsbouwer op hooge palen stond, was een aantal werklieden aan den arbeid <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227">227</a>]</span>op vier prauwen van verschillende grootte. Zij hadden gereedschap van eigenaardig model, blijkbaar heel oud al. Onder andere,
+bijlen in den vorm van een houweel, het blad haaks op den steel gezet, waarvan zij zich bedienden als van een schaaf, en dat
+met zulk een behendigheid dat het harde ijzerhout zoo glad als satijn werd onder de bewerking. Op de werf werd alleen de kiel
+van de tambangans gebouwd; iets waaraan vijf werklui anderhalve maand werk hebben en van &#402;&nbsp;60 tot &#402;&nbsp;130 samen verdienen. De
+opstaande wanden zijn het werk van een ander slag ambachtsvolk; de sieraden aan boeg, wanden, pijlertjes, dat doet weer een
+ander; het dak, dat uit een geraamte van gebogen bamboe en een dek van vlechtwerk bestaat, maakt een derde; de arbeids-verdeeling,
+men ziet het, kennen de Bandjareezen al. Nog niet de vereeniging van het verdeelde in een gemeenschappelijke werkplaats.
+
+</p>
+<p>Bij den koperslager bemerkte ik dat ook sommige toestellen en hulpmiddelen bij den arbeid hen al bekend zijn: de werkman,
+die bezig was een sirih-kistje te maken, had er een gemakkelijke manier op om wanden en deksel met open-werk te versieren:
+het blaadje koper ging tusschen twee open-werk ijzeren platen; en met een stel beitels, die precies de vormen van de openingen
+in het ijzer hadden, werd het koper weggestoken; in een paar minuten was alles klaar. In geen Europeesche fabriek had het
+meer werktuigelijk kunnen gebeuren. Het drijven van het koper zag ik niet: maar naar het voltooide werk te oordeelen, dat
+de bestuurder van de werkplaats&#8212;tevens het hoofd van het talrijke gezin, door het werkvolk gevormd&#8212;mij toonde, moet daarin
+toch wel wat meer eigen gedachte en kunstvaardigheid steken.
+
+</p>
+<p>Het werk van den messen-smid was geheel en al <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228">228</a>]</span>ouderwets Inlandsch. Ook hij arbeidde met al zijn familie-leden samen, een paar vrouwen incluis, die de zo&oacute; bekoelde messen
+glad en blinkend schuurden. Zijn aambeeld stond vastgekeild in een zwaren stam, die door den gevlochten vloer der smidse heen,
+en door het water dat onder het huisje zwalpte, diep in den moerassigen bodem was ingegraven. En de blaasbalg, die het vuur
+in den leemen oven wakker hield, bestond uit een stel zware bamboe-schalmen, waaruit de dwars-schotten waren weggenomen, en
+waarin, door middel van een kleinen hefboom, zuigers op en neer werden bewogen. Het ijzer echter dat hij verwerkte&#8212;de rotan
+vloer lag geheel verzakt onder de zware staven&#8212;kwam &#8220;uit Holland&#8221; naar hij zei, met &#8220;Holland&#8221; alle verre landen aan de overzij
+der zee, waar blanke menschen wonen, bedoelende; het zal wel Duitsche export-waar geweest zijn. Ergens in den omtrek van Essen
+misschien was dat ijzer gesmolten, gelouterd, in fatsoen gebracht, door geschoold werkvolk met behulp van ingewikkelde machinerie,
+onder toezicht van ingenieurs, die jaren van studie en practijk aan hun werk hadden gegeven. En nu werd het hier in het binnenland
+van Borneo, in een vezelen huisje, half in half uit het water als een eenden-nest, door een naakten bruinen Bandjarees gesmeed
+tot messen, om er gras mee te snijden en takken te kappen in de &#8220;rimboe,&#8221; in de wildernis. Dat was een zonderling einde na
+zulk een begin.
+
+</p>
+<p>De Kjai, die mij van den smid nog naar een pottebakker bracht&#8212;daar was &agrave;lles, materiaal &egrave;n werkwijze &egrave;n bestemming Inlandsch&#8212;en
+toen de dorpsstraat langs, waar hij mij fuiken en allerlei vischtuig liet zien in de rivier drijvende om vangst, en daarna
+in zijn eigen tambangan terug naar de pasanggrahan, kwam in den namiddag, hoffelijk, weer, om een officieel bezoek te brengen.
+De mantri had hem gelaten <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229">229</a>]</span>in de soort vliegenkast-in-het-groot, die aan de waterzijde van de pasanggrahan is aangebouwd, als de eenige, voor muggen
+veilige plaats van het huis. Toen ik er binnenkwam, zat hij de Nieuwe Rotterdamsche Courant te lezen, die mij juist dien ochtend
+uit Bandjermasin was nagezonden, en die ik open op de tafel had laten liggen toen ik met hem uitging. Ik onderdrukte tegelijk
+mijn verwondering en wat ik hem had willen zeggen over dat Essensche ijzer, dat ik in Bandjareesche &#8220;parangs&#8221; had zien veranderen.
+Voor iemand, die de inlandsche prauwen en de stoomboot van de Paketvaart tezamen de Negara had zien binnenstoomen, was er
+immers, welbeschouwd geen reden tot verbazing.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230">230</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch21" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Een centrum van inlandschen handel</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-z.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-z.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">Z</span>ooals Negara een middelpunt van inlandsche nijverheid is voor het zuiden van Borneo, zoo is Kendangan een middelpunt van inlandschen
+handel. Het dorp ligt aan een zijrivier van de Negara, ten Oosten van het dorp Negara. Inlanders gaan heen en weer langs den
+waterweg, die door de bochtige rivier en een geheel stelsel van dien afstand bekortende kanaaltjes loopt. Den landweg, veel
+korter nog, kunnen zij niet benutten, omdat die over zeker twintig van zijn goed veertig K. M. lengte geen bevrachte kar verdraagt.
+Het is niet anders dan een smalle dijk, tusschen een moeras aan den eenen kant, en een kanaal aan den anderen, uit opgebaggerde
+modder, vermengd met van elders aangevoerd zand, gebouwd. Waar nu het kanaal is, was vroeger de weg. En voortdurende arbeid
+is noodig om te voorkomen dat die nieuwe weg, uit de opgevischte bestanddeelen van den vroegeren gebouwd, niet weer op zijn
+beurt een kanaal worde. Elke regenbui&#8212;en het regent maar altijd door over dit dampende waterland&#8212;doorsopt hem, dat de aarde
+in bruine scheuten weglekt uit het netwerk van wortels, vezels en rafelende stengels, dat zijn eigenlijke consistentie uitmaakt.
+Terwijl wij er over heen rijden&#8212;ook al weer in een regenbui&#8212;<span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231">231</a>]</span>in een allerlichtst Amerikaansch karretje van het model zooals tegenwoordig in Negara nagevolgd wordt door inlandsche wagenbouwers&#8212;zwalpt
+de grond of hij zoo dadelijk zich wou begeven onder de kletsend neervallende hoefslagen van het paardje.
+
+</p>
+<p>Vlak als de zee en als de zee onafzienbaar, ligt rondom het moeras. Zelfs onder het glasachtig-doorschijnende grijs van de
+dichte regenstralen en het sluierende rook-grijs der neerdruilende wolken-lucht blinkt het fel-groen, als van eigen licht.
+Het is de water-hyacint, die er die glanzige krachtige kleur aan geeft. Dicht als grashalmen in de wei staan over het wijde
+waterveld haar groote ronde bladers, rechtop op sappig-gezwollen stengel.<a class="noteref" id="xd0e1655src" href="#xd0e1655">1</a> Het moeras groeit er langzamerhand dicht van. Als na zware buien het water wast en begint te stroomen, sleurt het er lange
+strooken van mee, die, als vlottende eilanden, de prauwenvaart op de Negara stremmen, en van den oever tot in het midden van
+den stroom de breede Barito groen maken. Maar bij millioenen van millioenen nieuw ontspruitend, heeft de weelderende plant
+in enkele etmalen de ledige plaatsen hernomen met haar sterke, rond-uitspreidende pollen. Tot aan den horizon toe maakt zij
+alles fel-groen. Hier en ginder donkert er een veeg bruin overheen van met lange pluimen bloeiend riet. Blank glanzen plassen
+op en kleine meren. En op een enkele plaats, plotseling en hel als zwevende vlammetjes, zuiverrood, zuiverwit schitteren,
+v&eacute;r heen over een de diepten van het landschap in loopend veld, duizenden <span class="corr" id="xd0e1658" title="Bron: lotos-bloemen">lotusbloemen</span>, rond stralend op hun hooge stelen. Daarna is het eeuwige groen nog eentoniger en triester geworden. Het is of juist de felheid
+van zijn tint, onnatuurlijk <span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232">232</a>]</span>onder dat dempende grijs van wolken en regenstralen, het te somberder maakt. Er is iets onheilspellends in. Verderfelijke
+koortsen, lijkt het, moeten opwalmen uit dat giftige groen. Een zoo ellendig land zag ik nog nergens. Het is niet alleen verlaten
+van alle bewust leven, maar het ziet er uit, of geen leven er ooit zou kunnen komen, laat staan dan blijven.
+
+</p>
+<p>Het is er, niettemin. Geheel alleen op de ledige vlakte staan twee visschershutten, het dak aan rafels, de wanden gescheurd,
+scheef voorover op verzakkende palen. De mannen verschijnen een eind verder, aan den rand van een blinkenden plas, waar zij
+hun net in gespreid hebben. Zij hebben hun gore lompen over het hoofd getrokken, tegen den killen regen en tegen de wolken
+venijnig-stekende muskieten, die, door den rook van het smeulende vuur niet te verdrijven, zoemend hen omzwermen. Als grauwe,
+ruige, door wind en weer verhavende vogels staan zij daar op hun magere beenen. De ellende van hun bestaan is uit de verte
+hun aan te zien. Het stoomertje van de Koninklijke Paketvaart, dat om de veertien dagen te Negara komt, wordt dikwijls aangeklampt
+door arm volk uit deze streek, uren roeiens ver gekomen in hun sampans om wat kinine en medicijn tegen de kwaadaardige huidziekten,
+die over hun heele lichaam in walgelijke wonden uitbreken. De watervogels zijn er beter aan toe, die tenminste tegen het water
+kunnen. En die er ook genoeg eten uit ophalen, wat de visschers niet alle dag doen. Dikwijls schuilt de visch weg in de ondiepe
+plekken van het moeras, onbereikbaar voor hengel of net. Dan nemen de visschers een zonderling middel te baat: zij steken
+het moeras in brand. Voor de smeulende hitte vlucht de visch naar de meertjes, waar fuiken en netten al gespreid staan.
+
+</p>
+<p>Als de zon eenigen tijd achtereen onafgebroken <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233">233</a>]</span>heeft geschenen en riethalmen en verdorde bladeren van watergewas heeft gedroogd, wordt de smeulende gloed wel eens een vlam,
+die overwaait op den weg en zijn turfachtigen grond in brand zet. Het komt voor dat mijlenver die smalle strook aarde in rook
+en bleekgele kruipende vlammetjes verandert. Een neergudsende regenbui bluscht den brand weer. Kort voor onze komst moest
+dat hier en ginder gebeurd zijn: op plekken zagen wij den weg zwart verkoold.
+
+</p>
+<p>De tijd leek eindeloos dat wij al maar over dien smallen zwalpenden weg door de water-hyacint reden, doorweekt van regen,
+en aangezicht en handen brandend van de giftige steken der muskieten, die als een dunne nevel om ons heen dreven. Maar ten
+laatste kwam een verandering. De grond begon een weinig te rijzen. Inlanderhutten stonden in groepen bijeen, naast elk huisje
+eenige kleine terpen waarop klapperboomen groeiden. Toen werd het riet dichter, de waterhyacint verdween voor struikgewas,
+allengs hooger staken boomen er uit op, de weg klom over bruggen, en werd hard en breed, eindelijk was het vast land rondom.
+En daar verscheen al het eerste teeken van westersche beschaving: een telegraaf-leiding. Even voor den middag bereikten wij
+Kendangan.
+
+</p>
+<p>Het dorp gaat geheel en al schuil onder de klappers. Zoo dicht staan de hooge, smalle stammen, dat men, langs den dorpsweg
+rijdend, den indruk krijgt van te bewegen door een reusachtig halmenveld. Van links en rechts komen de huizen te zien tusschen
+die zwartige strepen. Ze zijn gebouwd volgens het bekende model, hoog op palen, en met trapsgewijs oploopende verdiepinkjes,
+als klommen zij uit de rivier naar den hoog-en-drogen oeverkant op. Stevig en wel-verzorgd, vele zelfs versierd met gebeeldhouwde
+pijlertjes en Negaraasch snijwerk langs balustrade <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234">234</a>]</span>en dak, staan zij midden op ruime erven, waar hier en daar, in de rond-plekkende schaduw van de palmkruinen, aardig heestergewas
+bloeit. Van diezelfde palmen komt de welvaart, die hier over alles haar aangenamen schijn heeft gespreid. Kendangan leeft
+van de copra. Op de wekelijksche markt, waarheen het volk uit den geheelen omtrek geroeid, gereden en geloopen komt, is copra
+de voornaamste waar.
+
+</p>
+<p>De bereiding gaat op primitieve wijze. Als de vruchten rijp zijn, worden zij van den boom geplukt (de Kendanganner, die v&eacute;&eacute;l
+liever lui is dan moe, heeft soms een aap dien hij daarop africht) en op een puntig ijzer in twee&euml;n gespleten. Ontdaan van
+de houtige schil, worden dan de kern-helften in de zon gedroogd. Op het voorgalerijtje van ieder huis in het dorp liggen ze
+bij hoopen opgetast. Opkoopers rijden rond met een ossenkar om, wat voor den verkoop gereed is, mee te nemen naar de markt.
+Op pasar-dagen is de grond van het ruime plein er mee bespreid, zoodat er niet dan smalle paadjes tusschen over blijven, die
+de politie werk heeft om open te houden; en de heele lucht is vervuld van den eigenaardigen, onaangenamen, zurigen reuk. De
+hoeveelheid copra hangt, overigens, af van het weer. Drie dagen regen maken de markt flauw. Want de zon is het die de copra
+moet drogen. Doet zij het niet, dan doet het niemand anders. De Bandjareezen hebben wel naar de vraag van de Westersche markt
+zich geschikt, maar willen nog aan geen Westersche methodes van productie. Het gaat ook wel op zijn inlandsch, vinden zij.
+Zij verdienen toch genoeg.
+
+</p>
+<p>De export-cijfers van Bandjermasin toonen hoezeer de copra-handel toegenomen is in den allerlaatsten tijd. In 1909 was de
+uitvoer ruim twee millioen pikol: in 1911 was het ruim vier millioen. Dat komt alles door inlandsche kooplui van inlandsche
+planters. <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235">235</a>]</span>Z&oacute;o als Kendangan zijn er een menigte dorpen in de Zuidooster-afdeeling van Borneo, die geheel en al van deze teelt en dezen
+handel leven. De inlander heeft daarmee, blijkbaar, een groot voordeel gewonnen. Maar dat voordeel heeft zijn nadeel, en geen
+gering nadeel ook. De loonende en geen werk hoegenaamd eischende klapperteelt heeft den rijstbouw overbodig gemaakt en tegelijk
+daarmede de inspanning, de orde en het gemeenschappelijk overleg van het landbouwersleven. De luiheid van den natuurlijken
+mensch heeft zich in den Bandjarees&#8212;niet in de vrouwen, wel te verstaan, maar in de mannen&#8212;ontwikkeld tot wat werkelijk een
+zedelijke ziekte mag heeten. Het is hem een genot den geheelen dag en zijn geheele leven lang absoluut niets te doen. De aap
+plukt de klappers; de vrouw splijt ze; de zon droogt ze; de voerman haalt ze op; hij zelf ligt op zijn mat en neemt het geld
+er voor aan. En dan gaat hij pleizier maken. Dat wil zeggen: drinken, dobbelen en wedden bij hanengevechten. Het eind van
+de pret is gewoonlijk vechten. Daar heeft hij zijn &#8220;parang&#8221; voor&#8212;zijn gesmeed mes uit Negara, dat bij het handvat smal is
+en aan het uiteinde breed, en waarvan de slag door dik hout en door vleesch en been al even gemakkelijk gaat. Een geschil
+over een paar duiten bij het dobbelen, een slok palmwijn of bier uit den toko van den Chinees te veel, een extra venijnige
+slag door den eenen vechthaan den anderen toegebracht&#8212;en het mes wordt uit den riem getrokken. Naar ik hoor hebben de vechtersbazen
+langer tijd noodig voor hun genezing tegenwoordig dan vroeger: het bier en de met allerlei chemicali&euml;n geurig en kleurig gemaakte
+foezel, waarop zij zich onthalen, beginnen hun werking te doen gevoelen, zelfs op deze ijzersterke gestellen.
+
+</p>
+<p>Om het verleden te treuren geeft niet veel&#8212;maar <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236">236</a>]</span>men zou aan de verleiding toegeven, tegenover zulke toestanden, en wenschen, dat men de noodzakelijke ontwikkeling der feiten
+kon tegenhouden en den Bandjarees weer maken tot wat hij was, voor de Westerling in zijn land kwam.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Pasar-dag op het groote plein van Kendangan, dat geheel vol ligt met uitgespreide copra,<a class="noteref" id="xd0e1689src" href="#xd0e1689">2</a> waar de opkoopers, met hun scherp kijkende oogen, keurend doorheen gaan; terwijl langs den landweg op lange rijen de volgeladen
+ossenkarren er aan komen en op de rivier de prauwen zoo dicht naast elkaar vastgemeerd liggen, dat zij een breeden vloer vormen
+over het water: dat ziende, krijgt men pas een voorstelling van de rijkdommen van dit land en van de beginnende ontwikkeling
+onder dat deel van het volk, dat aan de oude trage sleur van het inlanderleven zich heeft onttrokken, om met dien natuurlijken
+rijkdom zijn voordeel te doen. Op Java ziet men zoo iets niet. De rijkdom van het land is, misschien, grooter nog. Maar die
+er van profiteert is de Hollander en de vreemde Oosterling.
+
+</p>
+<p>Hier zijn geen, of bijna geen Arabieren; maar weinig Chineezen; handeldrijvende Hollanders of andere Westerlingen evenmin.
+(E&eacute;n enkele, hoor ik, woont te Kendangan). Handelsman is de Bandjarees zelf.&#8212;Men kan, geloof ik, wel zeggen, dat hij dat geworden
+is in den omgang met Arabieren in hun eigen land. Komt men op den pasar, dan ziet men het plein als in twee&euml;n gescheiden:
+de eene helft is voor den kleinhandel, echt-Inlandsch, zooals men <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237">237</a>]</span>het precies zoo op Java of op Bali zou zien: etenswaar, medicijnen, bloemen, stukgoed, snuisterijen; daar krielt het van vrouwen
+en van slenterende, sigaretten rooken de, koekjes etende en &#8220;stroop&#8221; drinkende mannen; ook al weer precies als op Java. Maar
+de andere helft, dat is het terrein van den groothandel. Het is er leeg, in vergelijk met de stampvolle klein-markt haast
+verlaten. Maar ieder van die mannen, die hier met een opschrijfboekje en een linnen geldzak rondgaan tusschen de met copra
+volgeladen ossenkarren, verhandelt all&eacute;&eacute;n zooveel als een paar honderd van die klein-venters en koopers. En het treft dat
+bijna allen den hadji-tulband dragen. De tocht naar Mekka is hun studie-tijd in de wetenschap van den handel geweest.
+
+</p>
+<p>Niettemin dient gezegd dat Mekkagangers gevonden worden ook onder gering en arm-gebleven volk. Zelfs vrouwen ziet men met
+den om de slapen gevouwen sluier der hadji&#8217;s die zwaar werk doen. Maar over het algemeen kan gezegd, dat de &egrave;chte Maleier,
+de niets-doener, de dobbelaar en liefhebber van hanengevechten, die naar den pasar gaat als naar een feest, terwijl zijn vrouw
+naast hem zwoegt met een mand op den rug, die zij aan een zeel over het voorhoofd spannend draagt,&#8212;dat die de thuis-blijver
+is. Terwijl de Maleier van het nieuwe slag, die naar den pasar gaat om geld te verdienen, die copra opkoopt en boschproducten,
+en in zijn eigen prauw naar Bandjermasin brengt, en die daarvandaan terugkeert met rijst uit Rangoon en winkelwaar uit Europa,&#8212;dat
+die de Mekka-ganger is. Op de markt te Kendangan ziet men de twee typen naast elkander.
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238">238</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1655src" id="xd0e1655">1</a></span> De plant wordt zoo genoemd om de gelijkenis van haar rozig-paarsen bloemtros met dien van de hyacint. Ik zag slechts een enkel
+exemplaar in bloei.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1689src" id="xd0e1689">2</a></span> Hierbij is er veel, die niet in de zon, maar boven vuur gedroogd is, wat ik, persoonlijk, te Kendangan niet zag geschieden.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch22" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Langs de Barito</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">V</span>an Kendangan terug naar de Barito, die ik tot Poeroek Djahoe op wilde varen, tot in het hart van Borneo toe, nam ik inplaats
+van den land-, den waterweg, die door een geheel systeem van riviertjes, beken en kanalen gaat. De prauw was telefonisch besteld
+uit Negara (zoo zonderling zit hier oud en nieuw dooreen). Een matras, een kussen, een muskieten-tent en een provisie eten
+en drinken voor den dag maakten er een geriefelijk woninkje van. Het binnenkomen had zijn moeilijkheden: de opening tusschen
+dak en prauwrand is maar laag: men moet kruipend er door en tegelijk precies in het midden den voet zetten om de prauw in
+evenwicht te doen blijven. Veel ruimte is er ook niet. Althans niet in het verticale; men kan niet anders dan liggen of, eenigszins
+bukkend, zitten. Maar met dat al bevond ik deze wijze van reizen een alleraangenaamste. Het is betrekkelijk koel op het water;
+geen stof; geen muskieten binnen het zorgvuldig vastgemaakte gordijn: de prauw maakt een zachte schommelbeweging op den maatslag
+van de riemen, die uit het groenige water blanke fonteintjes opwippen; rechts en links glijdt het bedrijvige leven voorbij
+van de rivier, en de oevers maken daar een lijst langs van stammen, <span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239">239</a>]</span>tot halver hoogte gezien, aanlegplaatsen, badhuisjes, buurten van op palen staande hutten, waar naakte kinders omheen spelen.
+De prauw vaart midden tusschen badende vrouwen door. Van een vlot, waar een man languit ligt te rooken onder een muskieten-gordijn,
+dat als een draperie schuin weggeslagen in plooien afhangt van het atapdak, terwijl zijn kameraad met een vlag-vormigen waaier
+van gevlochten vezel een houtskolenvuurtje aanwakkert onder den kokenden rijstpot, worden de roeiers aangeroepen met een vraag
+waarvandaan en waarheen. Van bruggetjes, waar wij onderdoor glijden, kijken, vroolijk en nieuwsgierig, gezichten naar beneden.
+De Bandjarees is vrijmoedig: de tegenwoordigheid van een Hollander belemmert hem niet. Mijn roeiers en het volk op prauwen,
+vlotten, steigers, brugjes zijn doorloopend in gesprek. De reis, die van halfacht &#8217;s ochtends tot ruim tien uur &#8217;s avonds
+duurde, was zoo vol vroolijkheid en afwisseling, dat ze mij geen oogenblik te lang leek.
+
+</p>
+<p>Te Marabahan kwam ik weer aan boord van den kleinen Paketvaartstoomer, de Negara. Rechts en links had zij een breede laadprauw
+aan zich hangen, vol volk en vracht, die zij van Bandjermasin en de tusschenliggende plaatsjes af de rivier opsleepte, het
+binnenland in; tot daar waar de stroomversnellingen, gevaarlijk tusschen de steenbanken en zandplaten der bedding, het meevoeren
+van zulk een last onmogelijk maken, hield zij die twee prauwen bij zich, als een vogel onder uitgespreide vlerken haar jongen.
+En onder al de drukte van lossen en laden, landen en aan boord komen door, hadden wij van het dek der Negara af altijd-door
+het schouwspel van geregeld zijn gang gaand, huiselijk inlanderleven op de prauwen. Over den rand heen werd in de rivier gewasschen
+en gebaad; op uitgerolde matten werd <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240">240</a>]</span>geslapen en gedobbeld; vrouwen zaten elkanders haar schoon te maken; kinderen speelden op de stille manier van hun slag; tegen
+zonsondergang verschenen mannen op de plecht, spreidden een matje uit, en verrichtten met knielen, terneerbuigen van het voorhoofd
+tot den grond toe, en weder opstaan, het Moslemgebed. En tot driemaal per dag toe&#8212;het was almee bij wijze van tijdverdrijf,
+denk ik&#8212;werd er gekookt en gegeten. Zij hadden&#8212;mannen zoowel als vrouwen&#8212;kleine draagbare oventjes van gebakken klei bij zich,
+zooals er te Negara gemaakt worden: daar ging een houtskoolvuurtje in en de rijstpot of de pan met toespijs boven op. Die
+toespijs was meest &#8220;terasi&#8221;&#8212;een gegiste brij van visch. De Maleiers hebben een spreekwoord: &#8220;gekookte terasi, gebakken terasi,
+het is eenerlei, het eene stinkt zoo erg als het andere:&#8221; het spreekwoord heeft gelijk.
+
+</p>
+<p>Van Marabahan naar Poeroek Djahoe is het vier dagen stoomen: de eerste drie blijft het landschap hetzelfde. Het is al maar
+oerwoud. Hier en daar is een bres gekapt in den eentonig-groenen hoogen wal. Daar staat een gehucht van bruine huisjes, met
+een landingsplaats, waar volk staat te wachten op de boot. Er liggen rijstvelden links en rechts, op de primitiefste manier
+ontgonnen in het woud: door verbranding. De geblakerde stompen der afgehouwen boomen steken zwart op uit het groen. Het dorpje
+en het ruige veld glijden voorbij en weer begint het oerwoud. Geen teeken van menschelijk leven valt er waar te nemen. Maar
+het is er, niettemin. Een volk van woudloopers is hier doende met het kappen en omlaagrukken van den wilden rotan, die in
+gewrongen bundels en trossen van als touw zoo taaie stengels door het geboomte geslingerd hangt; met het zoeken van gom- en
+harssoorten, en met het inzamelen van de was en den honing der wilde bijen, die <span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241">241</a>]</span>hun zwartige, op groote zakken gelijkende nesten ophangen aan de takken der &#8220;kwala&#8221;-boomen. Hier en ginder ziet men een enkelen
+van die bijzonder hooge boomen, verdonkerd door de nesten der bijen, boven het omringende groen uitsteken; en dan hoort men
+hoe hevig en lang er om zulk een boom gevochten is. De was wordt hoog betaald, met tot &#402;&nbsp;90 per pikol toe; en de hoeveelheid
+is aan het slinken, te oordeelen naar de exportcijfers van Bandjermasin, die voor 1909 een hoeveelheid aangeven van ruim 16.000
+K. G. en voor 1911 slechts ruim 4000: vandaar al die strijd. Ook de getah, die uit bast getapt en uit bladeren gekookt wordt,
+gaat, over het geheel gerekend, achteruit in hoeveelheid: van ruim 100.000 pikol in 1909, daalde ze tot ruim 70.000 in 1911.
+Waarschijnlijk niet omdat er niet meer is in het bosch, maar omdat dat meerdere onbereikbaar is, zelfs voor Bandjareesche
+woudloopers. Als er eens een begin gemaakt werd met regelmatige exploitatie&#8212;ja, d&agrave;n!&#8212;De rotan is, ook op primitieve wijze
+ingezameld, nog overvloedig loonend. Overal ziet men de dunne buigende stengels met hun wimpelende bladers boven de boomtoppen
+uitsteken. Het lijkt wel of ze te sneller aangroeit, naarmate er meer van gekapt wordt. Van ruim 42.000 pikol in 1909, steeg
+de export tot ruim 47.000 in &#8217;11 van dunnen rotan, die in opgetroste pakken wordt verkocht: geheele heuvels van zulke pakken
+zag ik op de landingsplaatsen liggen: de prauwen waren er volgeladen mee op den terugtocht naar Bandjar; in de zwaardere soorten,
+de rotanstokken, is de vooruitgang nog beter te zien: van ruim 40.000 tot ruim 1 millioen stuks. Ook de voorraad hout is onuitputtelijk:
+geen nog zoo rauwe manier van roofexploitatie kan daar een merkbare vermindering in brengen. Bij honderden en nog eens honderden
+drijven de stammen, tot vlotten samengebonden, de Barito af, en al haar <span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242">242</a>]</span>zijrivieren. Meest wel bamboe en allerlei wildhout; maar dikwijls toch ook is aan het diepe inzinken van het vlot te zien,
+dat er vele stammen van edele soort tusschen zijn; djati en de verschillende soorten die onder den naam van ijzerhout bekend
+zijn niet alleen, maar menigten van andere, nog nooit in Europeesche havens ingevoerd, en die toch prachtig materiaal voor
+bouw- en zelfs voor schrijnwerk zouden zijn. Jaren geleden al werden mij door een houtvester op Java monsters getoond van
+Borneo-hout, dat hij op zijn reizen, de Barito op, meegevoerd had, achter zijn prauw aan; gevlamd, geplekt, met donkere rozetten
+geteekend, fijn gestreept, gesterreld hout, in de prachtigste tinten van goudgeel tot zwart toe, met allerlei spelingen in
+het roodachtige, het grijze, het paarse zelfs. Hij had zijn best gedaan om er een markt voor te vinden in Holland en was niet
+geslaagd. Het gezicht van al die vlotten riep de herinnering wakker en den wensch naar nieuwe pogingen en beter uitslag. Als
+men denkt aan de armoe van Holland juist aan goed hout!
+
+</p>
+<p>De zwarigheid zit waarschijnlijk in het vervoer: bij tijden is de Barito zoo laag, dat zelfs vlotten blijven liggen. Zeker
+is het deze omstandigheid, die de exploitatie tegenhoudt van de steenkolenbeddingen langs de oevers. Waar de grond begint
+te rijzen, naar het gebergte toe, komen die aan de steilere oevers te zien. Groote brokken steenkool liggen voor het oprapen
+tusschen het struikgewas. De Negara deed er haar voorraad van op. De steenkool is, hoor ik, niet zoo goed als de Engelsche,
+maar veel beter dan de Japansche, en zou de exploitatie zeker rijkelijk loonen, kon ze maar vervoerd. Maar daar zit &#8217;t hem.
+De waterweg is gebrekkig; een landweg is er niet. Een Hollandsche maatschappij, die de zaak begon, heeft haar moeten opgeven.
+Een Chinees doet het nu in het klein.
+<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243">243</a>]</span></p>
+<p>Op den tocht naar boven kregen wij een bewijs voor oogen van de moeilijkheden der vaart op de Barito: een Chineesche stoomboot,
+gestrand op een zandbank. We vernamen dat zij daar al sedert drie maanden zit, met geen geweld weer vlot te krijgen. En zelven
+ondervonden wij de weer-strevende kracht van den stroom bij de groote versnellingen rondom het midden in de rivier gelegen
+eilandje, Poeloe Asoe. Viermaal werd de stoomer teruggeslagen van de wervelende water-glooi&iuml;ng, en eenmaal zoo dicht tegen
+den oever aan, dat takken en kruinen van boomen met gekraak over het geheele dek schoten: de vijfde poging eerst bracht de
+Negara in het weer gladde water bovenstrooms, veilig uit het gevaar.
+
+</p>
+<p>Z&oacute;&oacute; is de toestand; een schatrijk land, een volk voor ontwikkeling vatbaar; een begin van Westerschen handel, die ook voor
+den Inlander van voordeel en nut zal kunnen zijn; maar voorshands alles nog belemmerd en stokkend, omdat het eerst-noodige
+ontbreekt: voldoende middelen van verkeer.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245">245</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="normal">SUMATRA</h2><span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247">247</a>]</span><div id="ch23" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Aankomst te Medan</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-a.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-a.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">A</span>an boord van de &#8220;Rumphius&#8221; al&#8212;(en o! hoe heeft het me gespeten, dat de reis niet langer duurde, en ik geen tijd had voor het
+volle genot van al de mooie dingen in die nieuwe drijvende &#8220;rariteit-kamer,&#8221; die schilderachtige zeventiend&#8217;-eeuwsche figuren
+langs de wanden, en die prachtige vogels, al dat loover, kruid en gebloemte, en die blazoenkleuren tusschen namen en jaartallen
+glorend op glas, waarmee Lion Cachet een waardige omgeving heeft gemaakt voor de beeltenis van den grooten natuuronderzoeker,
+die ook een geschiedschrijver was, den Blinde, die zooveel meer dan eenig ziende zag!) Nu dan, aan boord van de &#8220;Rumphius&#8221;
+al krijgt de naar Medan stevenende reiziger een voorgevoel van de belangrijkheid en snelle ontwikkeling der stad en tevens
+van het voorloopige van sommige Medansche toestanden. In den meest letterlijken en lichamelijken zin krijgt hij dat gevoel:
+namelijk als het schip begint te slingeren. En dat zit z&oacute;&oacute;: het verkeer van Medan is in den laatsten tijd verdriedubbeld;
+de schepen moesten driemaal meer ruimte hebben dan waarmee zij vroeger konden volstaan; en om rustig op het water te liggen,
+heeft een groot schip een bepaalden diepgang noodig. Maar tegen zulk <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248">248</a>]</span>een diepgang is de ingang der Medansche haven, Belawan, door een zandbank versperd. En daarom moeten schepen breed zijn en
+plat, en slingeren, Medan en de zandbank ter eer. Niet lang overigens zal het meer behoeven. Een begin is al gemaakt met het
+groote werk, dat Medan een haven zal verschaffen z&oacute;o als de stad die behoeft. Belawan heeft al den trek van het nieuwtijdsche
+en grootscheepsche in zijn ruimen&#8212;en toch reeds te eng blijkenden&#8212;aanleg, in zijn gedrang van reizigers en koelies, in zijn
+hooge en breede viaduct vooral, dat kenteekenende bouwsel van een verkeer, waarbij de ren der donderende treinen den mensch
+geen plaats meer laat op den beganen grond. Te sterker treft, daarna, de eenzaamheid van de streek, waardoor de lijn naar
+Medan loopt. Alles moeras-poelen, plassen, laag struikgewas, slingerplanten, een groep hooge boomen, verloren staande hier
+en ginder. Watervogels reppen zich klapwiekend weg voor den trein. Geen menschelijk wezen is ergens te zien. De spoorbaan
+is de eenige weg&#8212;een eindeloos-lange brug van de haven naar het vasteland. Eindelijk is het bereikt: de grond begint te rijzen.
+Kleine stations, elk met een groepje huizen erom en er achter, staan op langs de lijn, vestigingen, vroeger van Hollanders,
+sedert lang al voor Medan verlaten en nu door inlanders en Chineezen bewoond. Zijwegen loopen het land in naar de tabaksondernemingen,
+tegen den voet van de heuvels gelegen, die, naar het Westen toe, in al hoogere klingen opstijgen naar de blauw tegen de lucht
+glanzende toppen der Bataksche bergen. Dan komt, blinkend van nieuwheid, het stationsgebouw van Medan.
+
+</p>
+<p>Geheel anders is de stad dan eenige andere in Indi&euml;. Alles er aan is nieuw, frisch, op bedrijvigheid berekend en verkeer.
+Het is goed te zien dat de bouwers de handen vrij hebben gehad en ruimte naar <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249">249</a>]</span>allen kant, in den letterlijken zin en ook in den overdrachtelijken. Een goede dertig jaar geleden was hier niets dan woud
+en wildernis, waar een rivier breed doorheen stroomde, en, ergens in de verte, een Maleisch vorstje, niet veel rijker noch
+beschaafder dan het half-wilde, half-boersche volk, van wier schatting-duiten hij leefde. Het nieuwe bedrijf, dat van die
+wildernis een voor de wereldmarkt teelende landbouw-streek zou maken, vond nergens hinderende grenzen, noch machtsverhoudingen,
+sterk genoeg om het te dwingen tot concessies met zijn wezen en behoefte in strijd. Het &#8220;paleis&#8221; van den Sultan&#8212;of beter de
+paleizen, want hij heeft een nieuw gebouwd voor het oude, waarin hij zich niet thuis voelde, en zijn harem is in een afzonderlijk,
+groot, getorend en gekoepeld gebouw gevestigd, en ook de &#8220;troonopvolger&#8221; heeft een eigen, statig verblijf&#8212;de paleizen van
+den Sultan, en de groote school voor zijn en zijner verwanten kinderen, en het rechtsgebouw, waar de rechtspraak in zijn naam
+over een (al verminderend) aantal onderdanen wordt uitgeoefend, en, ten slotte, de groote, waarlijk prachtige moskee, zijn
+blijdschap en trots, met haar vijf koepels en slanke minaret, waarvan des avonds het gebed der Moslemin af klinkt: die geheele
+steenen sultanspracht is, inderdaad, het zegeteeken van den tabaksbouwer.
+
+</p>
+<p>Uit de grondpacht van de altijd door zich uitbreidende ondernemingen, uit de sommen door de Nederlandsch-Indische regeering
+uitgekeerd als vergoeding voor rechten, die zonder tabaksteelt en tabakshandel nooit anders dan leege woorden waren geweest,
+uit de algemeene welvaart door het nieuwe bedrijf ontstaan, is dat alles verrezen. De opvolger der boersche Maleische vorstjes
+van voorheen zou zich kunnen noemen: Sultan van Deli, bij Tabaks <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250">250</a>]</span>genade. Het geval heeft zijn komiek-in-grooten-stijl:&#8212;en zijn zwarigheden....
+
+</p>
+<p>Medan, dan, is een stad in den Europeeschen stijl van nieuwe steden. Het heeft een winkelwijk, waar aan weerszij van de breede
+straat groote met spiegelruiten blinkende winkels staan, vol nieuw, duur goed; het heeft een waterleiding, die tot in alle
+hoeken van de stad een koel, kostelijk-helder water brengt, op de bergen ontsprongen en door een natuurlijken filter van zeventig
+meter hoog zand gezeefd; het heeft electrisch licht in de huizen en langs de straten; een villa-wijk, waar langs de schaduwige
+lanen de huizen te midden van grasvelden en bloembedden liggen; een plantsoen; een wijd, door groote en hooge gebouwen omringd
+plein, waar in het koele van den dag voetbal-spelers en tennissers bij menigten aan het spel zijn. Zelfs de geringe buurten,
+als die der Chineezen en die der Britsch-Indi&euml;rs, hebben lucht en licht en een algemeenen schijn van zindelijkheid, van welvaart
+zelfs. Het ziet er alles w&egrave;l-verzorgd, nauwkeurig-geregeld, goed onderhouden uit.
+
+</p>
+<p>In die wijde lichte ruimten is het bont van allerlei nationaliteiten. Veel Oostersch volk woelt door elkaar in de Vorstenlanden
+en meer nog te Soerabaja en in Bandjermasin. Maar hier in Deli zijn voor de tientallen van daar honderdtallen en uit een grooter
+aantal verder uiteengelegen streken afkomstig. Hier zijn niet enkel Chineezen en kooplieden uit Bombay, maar ook Japanners,
+Bengaleezen, Sikhs, Arabieren. Zij houden ook goeddeels aan hun eigen dracht en gewoonten vast. Kom in de Chineesche wijk
+en daar ziet ge de vrouwen loopen in wijde broek en baadje van glimmend-zwart katoen, met een kind op den arm, dat midden
+op zijn kaal geschoren kopje drie sluike vlokken haar heeft hangen en om zijn hals een tooisel van veelsnoerige goud-en-bonte
+<span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251">251</a>]</span>kettingen. Tegen den avond komen de mannen voor hun deur een pijp opium rooken. Zij zitten in groepjes bijeengehurkt om een
+dobbelspel, vlak aan de straat. Door de openstaande huisdeur komt het altaar van de goede geesten en de voorvaderen te zien,
+met veel bloemen en verguldsel opgesmukt. Met de armen op de boomen van het lichte tweewielige wagentje, dat zij, als een
+paard, trekken, slenteren de hongkong-mannen voorbij, op hun gemak als in de stad waarnaar zij heeten. Het Chineesche element
+is sterk hier in Medan: zoo groot een bestanddeel van de bevolking maakt het uit, dat men in het openbare leven er rekening
+mee moet houden, en kennisgevingen, op de muren aangeplakt, in twee talen gesteld zijn: in het Hollandsch en in het Chineesch.
+Het Chineesche kerkhof beslaat breede strooken lands, vlak langs de stad. Er is een prachtig versierde Chineesche tempel,
+en de majoor-Chinees, die den drank in pacht heeft, het spel, en tot pas geleden de opium, is verscheiden malen millionair.
+
+</p>
+<p>De andere nationaliteiten, niet zoo talrijk noch zoo machtig als de Chineezen, houden niettemin evenzeer aan hun eigen trant
+en gewoonten vast. Japansche vrouwtjes, hier gekomen om op de eenig voor hen mogelijke wijze, en die in hun eigen land niet
+veracht wordt, een sommetje te verdienen waarop zij, teruggekeerd in Japan, kunnen trouwen en een huishouden opzetten, loopen
+in sluiken kimono op hoog-gezoolde schoenen; een enkele duwt, moederlijk behoedzaam, een alleraardigst poppetje van een kind,
+ook in kimono, in een Europeesch kinderwagentje. De Britsch-Indi&euml;rs dragen ieder het kostuum van hun eigen streek. Daar zijn
+Sikhs, met prachtige gestalten en trotsche gezichten, indrukwekkend onder een zorgvuldig-geplooiden witten tulband, hoog als
+een bisschops-myter. Daar zijn Bengaleezen, zwart als <span class="pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252">252</a>]</span>brons, met een vuurrooden lap om de lenden, gemakkelijk gaande naast hun kar, een arm op den schoft van den roomwitten gebulten
+trekos. Bombay kooplui loopen in geruiten zijden sarong en met goud geborduurd mutsje. Vrouwen vertoonen zich getooid met
+een fel-gekleurde bloem in de wrong van hun golvend blauw-zwart haar, en, in beide neusvleugels, een door en door gedreven
+wit-beenen of wit-houten stiftje, dat van verre al zonderling blinkt in het duister van het wel-besneden gezicht. Arabieren,
+mager en felkijkend als havikken, loopen met naakte voeten in gele en roode sloffen, een soort witten talaar over een bont
+onderkleed, en een tulband. De Javanen hebben hun sarong op de traditioneele wijze geplooid, en hun vrouwen dragen de kabaja
+en den karakteristieken haarknoop. En ook het vele volk uit Borneo laat zich herkennen onder Maleiers en Bataks uit.
+
+</p>
+<p>Dat alles komt hierheen, om den arbeid in de tabakstuinen. De Chineezen zijn de eigenlijke arbeiders, de verbouwers van de
+plant; de Bengaleezen de hoeders en verzorgers van het trekvee; de statige Sikhs, (wier imposant uiterlijk volslagen gebrek
+aan moed en kracht schijnt goed te maken) de wachters; de Javanen doen het grondwerk, hun vrouwen het sorteeren van de bladeren
+in de schuur; de Bandjareezen zijn de timmerlui en huisbouwers. Als een zuigende maalstroom werkt het bedrijf, die van rondom
+alle wateren zijn kolk in trekt. Onder de Europeanen, onnoodig te zeggen, een overeenkomstige mengeling van nationaliteiten,
+als blijkt uit de namen op kantoren en winkels; veel Zwitsers en Zuid-Duitschers, veel Schotten en veel Engelschen. De Engelsche
+invloed doet zich het sterkst voelen. Er is iets Engelsch zelfs in het uiterlijk der stad, met die wijde rechte straten en,
+binnen banden van asfalt, het prachtig-onderhouden, schitter-groene gras.
+<span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253">253</a>]</span></p>
+<p>Buitengewoon interessant om waar te nemen is die malende rassen-kolk, door een sterk bedrijf in werveling gehouden, en gespijsd,
+jaar op jaar, met stroomen van honderden uit het westen, van tien duizenden uit het Oosten. Wat daar nog eens uit te voorschijn
+zal komen, boven en behalve geld?
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254">254</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch24" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Tabak in Deli</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n ergere mate dan ooit nog sedert het begin van deze reis heb ik hier in Deli het te voelen gekregen, hoe groot een afstand
+ons Westerlingen scheidt van den Oosterling. Daar ligt voor aller oogen het groote werk van de Delische tabakscultuur. Maar
+van de tienduizenden die dat werk verrichten zijn voor den Westerling enkel ettelijke Westerlingen de verklaarders. Ook al
+kende hij de vele talen van die menigten van Oostersche arbeiders, ook al kon hij persoonlijk Battaks, Boyans, Bandjareezen,
+Javanen, Soendaneezen, Boegis ondervragen, hij zou niet te weten komen hoe zij over dat werk in betrekking tot henzelven oordeelen.
+Het historisch gewordene wantrouwen van het overwonnen ras is te diep, dan dat het zoo voetstoots een onbaatzuchtige belangstelling
+in het overwinnende zou kunnen aannemen. Wie van buitenaf in Deli komt, zal het niet anders leeren kennen dan van het standpunt
+van den Westerling en den werkgever uit: nooit van het standpunt van den Oosterling en den werknemer uit. Mijn voorstelling
+zal niet anders dan een &eacute;enzijdige kunnen wezen; voor me&eacute;r geef ik ze niet.
+
+</p>
+<p>Het is overbekend uit hoe klein begin de industrie is ontstaan die op het oogenblik voor de wereldmarkt <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255">255</a>]</span>werkt: de tabaksteelt op de Oostkust van Sumatra. Iedereen heeft het verhaal wel gehoord hoe een jonge man die, op Java zijnde,
+toevallig had gehoord dat tabak van bijzonder goede hoedanigheid groeide in Deli, op goed geluk daarheen ging, in een Chineesch
+vaartuigje; hoe hij, met een paar meubels van den schipper geleend zoo goed en kwaad als het ging, een Inlander-woning inrichtte
+die de Sultan hem in huur afstond; en hoe hij aan het werk ging met Europeesche helpers die het al spoedig opgaven en met
+Inlandsch werkvolk dat niet graag werken wou. De pionier beproefde de methode die hij op Java had zien slagen: op zijn Vorstenlandsch
+trachtte hij den arbeid van het volk te koopen door het belang van den vorst. Maar de moeite die voor de beloofde &#402;&nbsp;0.50 per
+pikol tabak de Sultan van Deli deed om zijn onderdanen tot planten te brengen was onvoldoende of vergeefs: en de planter moest
+omzien naar ander werkvolk. Hij dacht er te zullen komen met Javanen, een gezelschap hadji&#8217;s te Penang overgebleven.<a class="noteref" id="xd0e1778src" href="#xd0e1778">1</a> Maar de hadji&#8217;s wilden veel liever preeken dan planten of plukken. Ten slotte nam hij de proef met Chineezen uit Singapore.
+Zij bleken onkundig van landbouw-werk: maar de begeerte om geld te verdienen en de leerzaamheid van den Chinees hielpen over
+dien hinderpaal heen. Een vorm werd gevonden voor de verhouding van werkgever en werknemers: het werk zou verricht worden
+in contract en betaald volgens een vastgestelde taak,&#8212;de aflevering van duizend boomen. Daarmee was ontstaan wat tot zulke
+reusachtige afmetingen <span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256">256</a>]</span>zou opgroeien en beide zooveel goed en zooveel kwaad zou voortbrengen&#8212;een industrie in een nieuw land met uit den vreemde
+binnengebrachte arbeiders, volgens contract werkende.
+
+</p>
+<p>De pionier had in enkele jaren een reusachtig vermogen gewonnen. Die volgden op den weg door hem gebaand kwamen in groepen.
+Bij getalen werden maatschappijen opgericht.<a class="noteref" id="xd0e1785src" href="#xd0e1785">2</a> Het werk ging nu in het groot.
+
+</p>
+<p>De streek waar het werd aangevangen was een wildernis,&#8212;oerwoud doorsiepeld van een ontelbare menigte riviertjes en beken,
+die in vrijwel evenwijdigen loop de Oostelijke hellingen van het Bataksche hoogland afgerend, op den vlakkeren grond gaandeweg
+vertragen; in poelen en moerassen liggen hun mondingen langs het zeestrand. Er waren duizenden en tienduizenden arbeiders
+noodig om in die woestenij ruimte te hakken en te graven voor de tabak. Het werd een trek als van een verhuizend volk uit
+alle omliggende landen waar honger geleden werd naar Deli: uit Britsch-Indi&euml;, uit Java, uit Borneo, uit China. Uit Europa
+ook, uit het ook-hongerige-Europa. Uit Holland, uit Engeland, uit Belgi&euml;, Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, uit Polen zelfs
+(als men af kan gaan op dien naam van Polonia, dien een onderneming kreeg, zooals anderen de namen van Gallia, Helvetia, Hessia)
+kwamen arbeiders voor het tabaksveld, arbeiders met het hoofd, door de financiers-groepen in de verschillende landen die hun
+kapitaal in de nieuwe industrie staken, uitgezonden als leiders van de arbeiders met de hand. Tusschen de strandmoerassen
+en het barre gebergte, omringd <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257">257</a>]</span>door het al verder weggedrongen oerwoud, was iets als een kleine staat ontstaan. En de werkingen daarvan deden zich al spoedig
+naar alle zijden gelden.
+
+</p>
+<p>Het eerst wijzigde het gevestigde bestaan zich naar den nieuwen toestand. Door een serie van reorganisaties, die in 1873 begonnen,
+aanhield tot 1902, werd Deli losgemaakt eerst uit zijn verband met het Sultanaat van Siak, toen uit dat met de residentie
+Riouw; tot een afzonderlijk gewest gemaakt, kreeg het Medan tot hoofdplaats en de overige tabakvoortbrengende streken als
+onderafdeelingen. Het Nederlandsche gezag werd er versterkt tegenover dat van den Sultan, die voet voor voet moest wijken.
+De regeering trok de rechten aan zich over de menschen en over het geld: een nieuwe wet bracht onder Nederlandsch gezag en
+recht al wie in Nederlandschen staatsdienst of in dienst van Europeanen werkte; een verdrag met den Sultan bracht in de Nederlandsch-Indische
+schatkist de al aanzienlijker bedragen der in- en uitvoerrechten. Daar behalve de Sultan van Deli, die om zijn vijandschap
+met dien van Siak belang had bij een leven in vrede en vriendschap met de Hollanders, al de Sumatraansche vorstjes zich tegen
+die uitbreiding der Hollandsche machtsfeer verzetten en tabak-ondernemingen door gewapende benden werden aangevallen, kwamen
+troepen, die de nieuwe orde van zaken met den sterken arm doorzetten. De planters werden bevestigd in het pas gewonnen bezit,
+en nieuw land werd voor hen opengesteld.
+
+</p>
+<p>Onderwijl hadden zij zich onderling verstaan ter bevordering hunner gemeenschappelijke belangen: de Plantersvereeniging was
+opgericht. In het jaar volgend op dat der oprichting (1872) kwam de nieuwe organisatie <span class="corr" id="xd0e1796" title="Bron: tevenover">tegenover</span> de regeering te staan in zake de verhouding tusschen de planters en hun werkvolk. De wijze waarop de regeering die wilde
+regelen <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258">258</a>]</span>oordeelden de planters een voor hen nadeelige. Zij verzetten zich. De strijd was begonnen, waarin de koelie-ordonnanties van
+1880, &#8217;91, &#8217;97, 1903 de wapenstilstanden waren en het ontwerp Blommestein met de tegen-actie der planters het laatst-geleden
+treffen.
+
+</p>
+<p>De snelle uitbreiding, ook in de ruimte, der nieuwe cultuur, had inmiddels de behoefte doen ontstaan aan middelen van verkeer.
+Een dochter-maatschappij der Delische, kwam de Deli-spoor tot stand. Zij werd in Holland zuur aangezien. Men vertrouwde haar
+niet recht. De Hollandsche geldbelegger, de groote zoo goed als de kleine, bewaarde zijn fiducie en zijn dubbeltjes voor Amerikaansche
+durf-allen en den Russischen Vogel Grijp, die met twee snavels tegelijk kan scheuren en slikt met een dubbele keel. De Deli-spoor
+zou er niet gekomen zijn zonder de Delische tabakkers. Zij begon te bouwen in 1883. En zulk een volharding, geestkracht en
+mate van wetenschap stelde zij tegenover aanvankelijk gebrek aan geld en de schijnbaar onverwinlijke moeielijkheden der natuur
+van het moerassige, zwaar overgroeide land, dat in 1890 de lijn voltooid was, die, 102 K. M. lang, de eiland-haven Belawan
+met Deli Toewa, Medan en Timbang Langkat verbond; en dat die 102 K. M. lengte gaandeweg uitgroeide tot ruim 262, loopend langs
+drie en twintig stations en haltes, terwijl rijtuigen, wagens en locomotieven vermeerderd werden tot een aantal, dat in 1911
+het transport bewerkstelligde van ruim twee millioen reizigers en ruim 400.000 ton vrachtgoederen.<a class="noteref" id="xd0e1803src" href="#xd0e1803">3</a> Een begin is gemaakt voor een verdere uitbreiding van 123 K. M. lengte naar Assahan en Dollok Merassan, in het Oosten der
+Bataksche <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259">259</a>]</span>hoogvlakte, waar de nieuw begonnen cultures van rubber, gambier, copra en oliepalm behoefte hebben aan transport voor hun
+producten, terwijl het plan overwogen wordt voor den bouw van nog eens 200 K. M. spoorlijn het binnenland in. En inmiddels
+heeft dezelfde maatschappij den heerweg door de lucht gebouwd waarlangs de gedachte gaat en de levende stem. Van de haven
+tot de hoogvlakte en den heelen wijden ring van ondernemingen langs loopt de telefoon; en het telegraafnet heeft bijna 200
+K. M. lengte.
+
+</p>
+<p>Tegenover dien groei vertoonde zich echter het verval: de onvermijdelijke neven-verschijnselen van een snelle industrieele
+ontwikkeling vertoonden zich: speculatie, overproductie, instorting. De jaren van 1884 tot &#8217;92 waren de magere die op zoo
+vele vette volgden, en van die vette vele verslonden. Rijke menschen werden tusschen ochtend en avond arm. Van de tabaksondernemingen
+ging alles wat buiten het eigenlijke centrum der teelt lag ten gronde. In Padang en Bedagei kon van zeventien ondernemingen
+maar e&eacute;n enkele in stand gehouden worden. De ellende werd zoo erg dat een fonds moest opgericht &#8220;voor hulp-behoevende Europeanen.&#8221;
+Er was geen geld, er was geen werk, en het scheen haast of het er nooit meer zou komen, na de groote crisis op de tabaksmarkt
+van &#8217;92, die op een jaar van misoogst, van lage prijzen en van faillissementen volgde. Echter, de tabaksteelt kwam er weer
+bovenop, en werd krachtiger nog na haar zware ziekte dan zij van tevoren was geweest. Als de landbouw en het zuivelbedrijf
+in Holland toen deed, als de suikerindustrie op Java al had gedaan, deed zij: zij verbeterde te allen kant haar methodes,
+zij verbeterde haar gewas, zij verbeterde haar arbeid. In &#8217;88 al had de organisatie der planters, ijverend voor altijd ruimer
+immigratie van werkvolk uit China, het Immigrantenbureau opgericht, <span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260">260</a>]</span>waardoor regeling en nauwkeurige contr&ocirc;le en een directe snelle correspondentie met het emigratiecentrum Swatow tot stand
+kwam. De vraag der openbare gezondheid eischte strenge voorzorgen tegenover het vele immigrantenvolk uit voortdurend besmette
+streken: de planters bouwden een quarantaine-station uit ruime beurs, naar de beste methoden. Daarmee was het niet gedaan.
+Op de ondernemingen ziek wordend werkvolk had geneeskundige hulp van noode. De bestaande was geheel onvoldoende. Zelfs met
+de beste zorgen en voorzorgen kon zelfs de meest voorzichtige en behalve voorzichtige meest menschlievende planter het niet
+bereiken, dat een zieke koelie naar den eisch werd verpleegd in het kleine hospitaal der onderneming, noch voorkomen dat zijn
+ziekte de oorzaak werd van de ziekte van wie weet hoeveel andere menschen. De verspreide en daarom zwakke krachten werden
+vereenigd en een centraal ziekenhuis opgericht te Medan, speciaal op de gewoonten van den Oosterling en den aard der tropische
+ziekten aangelegd. En naast dat huis voor herstellenden werd er een gebouwd voor wie niet meer herstellen zouden: een asyl
+voor gebrekkige, ziekelijke en oude koelies.
+
+</p>
+<p>Maar ook daar bleef het niet bij: gedachtig aan het woord dat voorkomen beter is dan genezen, sloegen de planters de handen
+ineen om een instituut tot stand te brengen waar de oorzaak der ziekten bestudeerd kon worden en proefondervindelijk de middelen
+tot wering onderzocht. Het Pathologisch Laboratorium verrees.
+
+</p>
+<p>Tegelijk en op dezelfde wijze&#8212;die van wetenschappelijk onderzoek en proefneming&#8212;gingen zij aan de verbetering van de geheele
+cultuur. Er werden proefvelden aangelegd en onder deskundig beheer gesteld. En in het laboratorium begon de arbeid <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261">261</a>]</span>met nieuwe methoden om de ziekten der tabaksplant te genezen, om op haar terende insecten te weren en om de voorwaarden van
+haar wasdom altijd door te verbeteren. Terwijl hun onvermoeibaar initiatief den toch zoo wijd getrokken en zoovele andere
+belangen omsluitenden kring van het eigen belang doorbrak met den bouw van een leiding, die de stad Medan zuiver drinkwater
+bracht uit de heuvels. Medan was in den tusschentijd gegroeid. Het was een stad geworden, &eacute;enig in Nederlandsch-Indi&euml;, een
+stad met &#8220;Europeeschen&#8221; zweem, ruim, regelmatig, zindelijk, met alle gerieven voorzien; en met een geh&eacute;&eacute;l eigenaardig kenmerk:
+de jeugd van alle Europeesche bewoners. Als bijna al het andere is ook dit&#8212;dat er geen oude menschen zijn in Medan noch in
+Deli&#8212;weer een uitwerking van den voorspoed der tabaksindustrie: de menschen kunnen hier in korter tijd dan elders geld genoeg
+verdienen om verderen arbeid in de tropen onnoodig te maken. En jong nog en voor anderen werkkring bruikbaar gaan zij naar
+hun geboorteland terug, niet denkend aan &#8220;ver-indischen&#8221; en blijven. Zooals dat eenzame inlanderhuisje met het van een schipper
+geleend huisraad, waarin de pionier der Delische tabaksteelt begon met te wonen, het spiegelbeeld was van Deli in 1863, zoo
+is de volk- en geldrijke stad van jonge menschen Medan het spiegelbeeld van Deli in 1912.
+
+</p>
+<p>Zoovele en zoodanige dan zijn de uitwerkingen geweest van wat nu haast vijftig jaar geleden begon. Andere staan te wachten.
+En daaronder zullen er naar alle waarschijnlijkheid wel zijn, die niet toegejuicht zullen worden door wie die vroegere, terecht,
+toejuichten. Niet alleen de werkers hebben het werk gemaakt: ook het werk maakte de werkers. Zij zijn andere menschen nu,
+dan zij twintig of zelfs tien jaar geleden waren, de Delische koelies. Zij hebben gehoord <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262">262</a>]</span>van den strijd der arbeiders tegen het kapitaal in Europa; zij hebben eenzelfden strijd in hun eigen land zien beginnen, en
+bewust of onbewust, hebben zelfs diegenen de gevolgen ervan ondervonden, die niet zelven er aan deelnamen. Voor den Javaan
+en den Soendanees uit een afgelegen kleine dessa waar geen Europeaan ooit kwam, voor de mannen uit den binnenlanden van Borneo
+en het Sumatraansche gebergte is het koelieschap in Deli de ingang tot een nieuwe wereld geworden. En de Chinees is tot politiek
+bewustzijn ontwaakt.&#8212;Hoe zal dat alles Deli aandoen? Alleen d&aacute;arover is verschil van gevoelen: over de wijze van de inwerking.
+Niet over de vraag of zich, ja dan neen, eene inwerking zal doen gevoelen. Dat wordt aangenomen voor een zekerheid.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263">263</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1778src" id="xd0e1778">1</a></span> Javanen, naar den hadji-titel begeerig doch van den Mekka-tocht afkeerig, gaan naar Penang om zich den schijn te geven van
+den tocht te hebben volbracht en keeren na enkele weken, als van Mekka komend terug. De bron waaruit schrijfster dezes putte
+geeft geen zekerheid omtrent de vraag of de planter met zulke namaak-hadji&#8217;s te doen had, of met toevallig onder weg opgehouden
+echte.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1785src" id="xd0e1785">2</a></span> Het Rekest en Betoog der Deli Plantersvereeniging aan den G. G. van Ned. Indi&euml; naar aanleiding van het ontwerp van mr. v.
+Blommestein noemt als het getal der tot 1910 toe opgerichte maatschappijen 125 met een gezamenlijk kapitaal van ruim 104 millioen.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1803src" id="xd0e1803">3</a></span> Reizigers 2,314,994 in 1911 tegen 823.860 in 1901.
+
+</p>
+<p class="footnote">Vrachtgoederen 429,653 ton in 1911 tegen 205.577 ton in 1901.
+
+</p>
+<p class="footnote">Rapport van den hoofdadministrateur aan den resident ter Oostkust van Sumatra.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch25" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Tabak en Tabakkers</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-t.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-t.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">T</span>oen ik voor het eerst een tabaksveld zag, in Mei, was het bloeitijd en oogsttijd tevens. In lange vegen lag het lichtroode
+waas van den bloesem gespreid over het grove grootbladerige groen van de heuvelvelden. En overal, tusschen de hooge struiken
+waar zij het blad afplukten, op de fel-zonnige paadjes waarlangs zij de volle manden naar de droogschuur droegen, was het
+Chineesche koelievolk aan den arbeid. In de schuren, koel en donker voor wie er binnenkwam uit den blakenden zonneschijn,
+zaten de Javaansche vrouwen het blad te rijgen aan dunne bamboe-stokken. Van de nok der hooge schuur af tot op manshoogte
+boven den vloer hing het vol van als franje afbengelend gebladerte, frisch groen, verleppend groen, geel, vaal, fijnbruin;
+en de tabaksreuk maakte de lucht prikkelig.
+
+</p>
+<p>Ik kwam terug in Juli; toen was de &#8220;schuurtijd&#8221; begonnen. Het volk, dat over de uitgestrekte velden her en der verspreid had
+geloopen, was bijeen in het middelpunt der onderneming: de groote fermenteer-schuur; en in de fermenteer-schuur ook was de
+tabak, die op die velden gegroeid en in al de droogschuren droog geworden was. In rijen van geweldige bergen en mijten, rechtgestapeld
+als hooischelven, <span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264">264</a>]</span>stond de oogst opgetast van het eene eind der haast onafzienbaar-lange schuur tot het andere; en langs de wanden, in een dubbele
+rij er om heen, zaten vijfhonderd Chineezen het blad te sorteeren op lengte en op kleur; terwijl een menigte vrouwen op den
+verhoogden vloer in het midden zich heen en weer bewoog tusschen broeiende stapels tabak, die afgebroken en in een andere
+schikking der bladerbundels weer opgebouwd werden. In een afzonderlijk gedeelte van de schuur zaten de beoordeelaars, Chineesche
+mannen, Javaansche vrouwen, aan wie de sorteerders van de tabak hun werk kwamen toonen; zonder een woord te spreken, met een
+tegelijk snel en rustig gebaar, namen zij aan, bezagen en keurden goed of keurden af, naar twee zijden de bundels werpend.
+En de Chineesche boekhouder achter zijn lessenaar schreef van iederen koelie op wat hem aan loon toekwam. Binnenkort zou de
+laatste voor het laatste werk zijn uitbetaald, en de tabak, gepakt in de op Borneo gevlochten matten, aan boord gebracht van
+het stoomschip dat de waar naar de Amsterdamsche veiling brengt.
+
+</p>
+<p>De tabak die toen in de fermenteer-schuur behandeld werd, was uitgezaaid in December en overgeplant in Februari en Maart.
+Vijf-en-vijftig dagen had de plant daarna gebruikt om tot vollen wasdom en bloei te komen. De maand Mei was de tijd voor het
+oogsten geweest. Het had twintig dagen geduurd voor het groene blad in de droogschuren bruin was geworden; twee maanden voor
+de stapels gefermenteerd waren voor de eerste maal, en nog eens tweemaal zes weken voor het gesorteerd en voor de tweede maal
+gefermenteerd was. In negen maanden was de kringloop van het bedrijf voltooid geworden. En reeds waren op het veld de arbeiders
+al weer aan het werk die de velden bereidden voor een nieuwen oogst.
+<span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265">265</a>]</span></p>
+<p>Behalve het persen voor het in balen pakken van de tabak, is al de arbeid aan plant en product in die negen of tien maanden
+verricht, arbeid met de hand. Het bedrijf is eenvoudig, vergeleken vooral met de suiker. Maar inplaats van de complicaties
+door machinalen arbeid en door scheikundige onderzoekingen, heeft het niet minder bezwaren van anderen aard, ten deele van
+de teelt op zichzelve, ten deele van plaatselijke omstandigheden het onvermijdelijke gevolg.
+
+</p>
+<p>De tabaksteelt eischt, volgens het oordeel der planters, een rusttijd van acht jaar voor den akker na elken oogst. Dat maakt
+een voortdurend verplaatsen noodig van de woningen voor de assistenten en de koelies en van de schuren voor het drogen van
+het blad. Drie jaar lang kunnen de gebouwen blijven staan: de grond aan weerszij der &#8220;plantwegen&#8221; waarop het gewas wordt geteeld,
+ligt verdeeld in drie strooken, die de eene na de andere beplant worden. Is de oogst van de derde veld-strook afgehaald, dan
+begint de verhuizing-in-&#8217;t groot. Een nieuw stuk wordt in bewerking genomen van grond, die acht jaar lang braak heeft gelegen:
+en m&egrave;t het werk gaan de werkers en het werkgereedschap daarheen. Bij die periodieke verhuizing komt nog een jaarlijksche:
+in den &#8220;schaar-tijd&#8221; komen alle assistenten (op &eacute;&eacute;n na, die het volk surveilleert, dat bij het veldwerk blijft) te wonen in
+de huizen gelegen op het &#8220;emplacement,&#8221; d. w. z. het terrein rondom het administrateurshuis, de fermenteerschuur, het kantoor
+en het koeliekampement. Die vele verhuizingen (een van de oorzaken die den assistenten het beginnen van een geregeld huishouden
+en een gezinsleven langen tijd onmogelijk hebben gemaakt) vorderen veel tijd, den arbeid van een groote menigte volk- en hooge
+uitgaven.
+
+</p>
+<p>Maar een moeilijkheid, zwaarder dan deze, en dergelijke uit het bedrijf voortkomende, is de bijkomstige, <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266">266</a>]</span>teweeggebracht door de oorspronkelijke gesteldheid der streek, onbewoonbare wildernis als zij was: de ontstentenis van inheemsch
+werkvolk, en de noodzakelijkheid van te werken met uit den vreemde ge&iuml;mporteerde arbeiders van verschillende en ten deele
+onderling vijandige nationaliteiten. Dat was de groote moeilijkheid nu vijftig jaar geleden, en dat is de groote moeilijkheid
+vandaag nog. En de vrees van velen is dat het de groote moeilijkheid zal blijven, en een nog grootere worden misschien wel!&#8212;in
+de toekomst.
+
+</p>
+<p>Nemen wij als gemiddelde grootte van een onderneming aan 4000 bouw (waarvan altijd maar &#8539; in bewerking onder het heerschende
+stelsel van bebouwen), dan is daarvoor noodig, werkende onder een administrateur en van vier tot zes employ&eacute;&#8217;s, een volk van
+duizend arbeiders, mannen en vrouwen, van wie de helft gezinnen hebben. Van die duizend zijn vijfhonderd Chineezen, mannen
+alleen. De andere vijfhonderd, allen of zoo goed als allen getrouwd, mannelijke en vrouwelijke arbeiders, zijn, Javanen, Boegineezen,
+Boyans, Bandjareezen, Bataks, volk van de Westkust van Sumatra, Klingaleezen en Sikhs. Van deze vele rassen heeft elk een
+eigen soort arbeid, waaraan het zich houdt, zoo goed als eigen gewoonten en zeden die het ge&euml;erbiedigd wil zien, en eigen
+vooroordeelen, die het wonen en werken afzonderlijk van alle anderen tot een noodzakelijkheid maken, om niet te spreken van
+eigen ondeugden, waarmee rekening gehouden moet worden.
+
+</p>
+<p>De Chineezen zijn verreweg de beste arbeiders en aan wie het werk dat de meeste zorg vereischt toevertrouwd kan worden. De
+Chineezen wonen afzonderlijk, zoowel in den tijd van het veldwerk als in den schuurtijd, en gehoorzamen aan eigen opzichters,
+&#8220;tandils,&#8221; die weer onder een hoofd-tandil staan. Zij <span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267">267</a>]</span>hebben een tempel op de onderneming; en een theater (in den trant van de zeventiend&#8217;-eeuwsche theaters van Londen gebouwd)
+en een speelhuis, alleen voor zichzelven. Maar met die afscheiding naar buiten is het niet gedaan: ze zijn ook onderling gescheiden.
+Naar Deli komen Chineezen van drie&euml;rlei ras: Hailokhong, Teoetjoe (uitgesproken tjautjoe) en Keh. Hailokhong en Teoetjoe zijn
+echte landbouwers; Keh zijn ambachtslieden; Hailokhong en Teoetjoe zien verachtelijk neer op Keh. Bij die uit verre tijden
+dateerende verdeeldheid is onlangs de nieuwe gekomen tusschen oud-Chinees en jong-Chinees, keizersgezinde en republikein.
+Verder zijn allen, zonder onderscheid, hartstochtelijke spelers en is hun eenig spel het dobbelen, zoodat wie als goede vrienden
+neerzitten rondom het matje waarop de zeshoekige speeltol draait, elkaar misschien als doodsvijanden naar de keel vliegen
+aan het eind van het spel. De administrateur en zijn assistenten moeten op alles bedacht zijn om moord en doodslag te voorkomen
+bij nachtelijke opstootjes in het speelhuis.
+
+</p>
+<p>De Javanen zijn vooral grond-arbeiders, terwijl de vrouwen het lichte werk doen. Zij wonen in een eigen kampong, waar alles
+op zijn Javaansch is ingericht; hebben als gouvernementsonderdanen geen eigen bestuur, maar wel eigen mandoers en ook eigen
+velden voor rijstbouw. Zij dobbelen even erg als de Chineezen en zitten nog veel dieper dan dezen in speelschulden. Zij zijn
+min of meer getrouwd onder elkaar (dikwijls min) en die toestand van labiel evenwicht in het echtelijke veroorzaakt rare duikelingen,
+vooral als de evenwicht-verstoorders, als nog al eens gebeurt, Chineezen zijn.
+
+</p>
+<p>De Boyans (lieden van Bawean) zijn huizen-bouwers, en goed voor hun werk, maar al te langzaam. De traagheid maakt dat zij
+het veld moeten ruimen <span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268">268</a>]</span>voor de handiger Bandjareezen. Er zijn er velen op de ondernemingen, boschloopers, houtkappers, timmerlui, die bij het gestadige
+afbreken en weer opbouwen hun werk hebben. Als reden voor de verhuizing naar Deli geven zij wel eens op: afkeer van de op
+Borneo gevorderde heerendiensten (die echter volgens officieele gegevens niet zwaar zijn). De aard van hun werk laat hun lange
+tijden van vrijheid, die zij gebruiken voor de bebouwing van gronden, tegen betaling van een huur in gewas van de onderneming
+gehuurd. Zij werken onder een eigen mandoer, maar hebben (als gouvernements-onderdanen) geen eigen bestuur.
+
+</p>
+<p>Bataks werken in menigte op de tabaksvelden. Zij hebben daar eigen dorpen, waarin zij, evenals op de Hoogvlakte, onder een
+eigen bestuur leven. Hun prachtige bouwstijl heeft al erg geleden onder de verhuizing naar deze nieuwe omgeving, die aan den
+anderen kant op sommige schadelijke overleveringen, als b.v. het tanden-afvijlen, weer gunstig inwerkt. E&eacute;n kwade gewoonte
+houden zij bijzonder hardnekkig vast: het brandbrieven-schrijven. De administrateur die op een dag aan zijn huis, of aan een
+tabaks-schuur, een bamboekokertje vindt hangen met een miniatuur houten mes en fakkel als zinnebeelden van doodslag en brandstichting,
+begrijpt daaruit dat er een Batak op de onderneming is die grieven heeft. Het behoeven geen grieven tegen hem, den administrateur,
+of zelfs tegen een der employ&eacute;&#8217;s te zijn: ze kunnen evengoed een mandoer, een anderen koelie, een dorpsgenoot van den bedreiger
+gelden. Maar in elk geval, de administrateur is de bedreigde: hij moet zorgen dat de grief, welke zij dan ook wezen moge,
+wordt weggenomen.
+
+</p>
+<p>De Klingaleezen die voor eigen rekening uit Madras en Pondicherry komen, leven in kongsies, onder <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269">269</a>]</span>een eigen hoofd, den kling-tandil. Zij zijn karrevoerders en verzorgers van het vee, en als zoodanig goede werklui. Maar zij
+geven veel overlast door hun onverbeterlijke drankzucht. De andere Britsch-Indi&euml;rs, Bengaleezen en Afghanen, zijn boodschappenloopers
+en nachtwakers. Een Afghaan, rijzig gebouwd, met felle oogen uit een trotsch-besneden gezicht kijkend, en nog grooter en fierder
+door den hoogen witten tulband, is een indrukwekkende verschijning, voor wie Inlanders en Chineezen beiden ontzag voelen.
+Dat komt hem te pas bij zijn nachtwakers-dienst en niet minder bij zijn woekeraars-beroep. Wie zou aan zulk een imposante
+persoonlijkheid twintig percent interest in de maand durven weigeren? Veel eer dan tegen h&egrave;m zal de koelie opstaan tegen den
+mandoer, die zijn werk afkeurt, of tegen den employ&eacute;, die hem wegens luiheid doet bestraffen.
+
+</p>
+<p>Deze en zoodanige dan zijn de arbeiders op de tabaksvelden. En licht in te zien is de moeilijkheid voor de leiders eener onderneming,
+eene op zich zelf eenvoudige cultuur met hen te drijven, z&oacute;o dat het werk zijn geregelden gang gaat en ernstige botsingen
+daarbij vermeden worden, zoowel tusschen werkgever en werknemer als tusschen de arbeiders onderling.
+
+</p>
+<p>Van de kwade kansen waaraan de tabakscultuur onderhevig is, kansen van klimaat, markt, werkvolk afhankelijk, krijgt men ten
+naastenbij een voorstelling uit enkele cijfers door de Plantersvereeniging officieel medegedeeld. Van de 125 maatschappijen,
+sedert veertig jaar opgericht, die een gezamenlijk kapitaal vertegenwoordigden van 104 millioen, zijn geliquideerd of hebben
+het werk gestaakt niet minder dan 83, met een kapitaal van 51 millioen. En van de overblijvende 42 zijn er maar 13 met een
+kapitaal van 23 millioen, welker aandeelen boven pari staan; wel is waar z&eacute;&eacute;r hoog daarboven.
+<span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270">270</a>]</span></p>
+<p>De goede kansen tegenover die kwade staande, komen uit in dien hoogen koers.
+
+</p>
+<p>De twee tegen elkander afwegend heeft een bekende autoriteit op het gebied van de tabakscultuur in Deli en haar geschiedenis
+als zijn eind-oordeel uitgesproken: dat er in het geheel bij de tabak tot nog toe meer geld verloren was dan gewonnen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De geschiedenis van Deli is in het verkleind en in het versneld een herhaling van die van Nederlandsch-Indi&euml;; en als voor
+de kolonie is er voor de streek een tijd geweest, dat vooral zij daarheen gingen, die nergens anders meer terecht konden.
+Voor Deli is die tijd nog niet sedert zoo lang voorbij; een twaalf, vijftien jaar geleden werd het nog vaak genoeg, en met
+genoeg reden, gezegd van jonge mannen van beter allooi: &#8220;te fatsoenlijk voor Deli.&#8221; Dat hoort men niet meer. De wisselwerking
+van betere omstandigheden en betere menschen, omtrent 1900 begonnen, heeft den toestand gunstig veranderd. Nu het noodlottig
+trouwverbod, uit een tijd dateerend van primitieve toestanden ter eene en kortzichtig eigenbelang ter andere zij, grootendeels
+of geheel is opgeheven, dank zij den moed dier eersten, die hun carri&egrave;re er aan waagden om hun menschenrecht te verdedigen;
+nu er, ook door hen, die geen administrateur worden, toch weer behoorlijk geld wordt verdiend; nu er goede wegen gekomen zijn,
+gemakkelijke gemeenschap met Medan, spoorweg, telegraaf, telefoon; en geneeskundige hulp, de beste die in geheel Indi&euml; verleend
+wordt, dadelijk te krijg is: nu komen ook jonge mannen van goede opvoeding en goed gedrag naar Deli, als naar een passenden
+werkkring. Bij de tabak verdienen zij veel meer dan bij de thee of de koffie; en, daar het <span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271">271</a>]</span>getal employ&eacute;&#8217;s op een tabaksonderneming van vier tot zes is, terwijl het gecompliceerde suikerbedrijf het drie- en vierdubbele
+aantal vordert op een fabriek, hebben &#8220;tabaksassistenten&#8221; een even veel malen grootere kans op het administrateurschap als
+&#8220;suikeremploy&eacute;&#8217;s.&#8221;
+
+</p>
+<p>E&eacute;n nadeel echter&#8212;en het is een heel erg&#8212;schrikt velen van Deli af: de onveiligheid. Zij is er altijd geweest: van het begin
+af zijn aanslagen van koelies op Europeanen voorgekomen. Maar betrekkelijk veelvuldiger zijn zij geworden juist in den laatsten
+tijd, nu de oorzaken van haat der koelies tegen de Europeesche leiders van het bedrijf juist minder zijn geworden.
+
+</p>
+<p>Middellijk is dit een gevolg, een treurig gevolg, van een goede en verheugelijke zaak: de ontwaking van den Oosterling.
+
+</p>
+<p>De nieuwe idee&euml;n nemen, het is waar, zonderlinge vormen aan in die voor het overgroote meerendeel nog totaal ongeschoolde
+hersens. Men kan hooren vertellen, onder Chineezen, dat een onlangs (op de Westkust van Sumatra) ingevoerde belasting der
+Nederlandsch-Indische regeering moet dienen om aan de Chineesche het &#8220;bloed-geld&#8221; te betalen voor de slachtoffers der jongstleden
+troebelen te Soerabaja. En de Maleische krantjes wagen het niet hun abonn&eacute;&#8217;s andere dan overwinningsberichten te brengen omtrent
+den strijd, dien de Beheerscher der Geloovigen tegen Itali&euml; voert. Maar hoe wonderlijk ook vergroeid, het idee is er en zit
+onverwrikbaar vast, dat de Oosterling, lang geminacht en geknecht, het juk van den Westerling heeft afgeworpen en tegenover
+hem staat nu als de eene mensch tegenover den andere: gelijken. Zoodat, wie vroeger zwijgend het grievendste onrecht verdragen
+zou hebben, vandaag zelfs tegen een geringe verongelijking zich met de uiterste heftigheid verzet.
+<span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272">272</a>]</span></p>
+<p>De arbeidsinspectie, ingesteld, om het terloops te vermelden, naar aanleiding van feiten <span class="letterspaced">niet</span> in Deli voorgevallen&#8212;het waren de koeliemishandelingen in Redjang Lebong, die den stoot gaven tot de oprichting&#8212;de arbeidsinspectie,
+die zelfs van partijdigheid voor de koelies beschuldigd is geworden, maakt eigen richting overbodig, zoo goed als zij op zichzelf
+ongeoorloofd is. Maar de koelie ziet dat zelden, indien ooit, in. Maar al te dikwijls schrijft hij een uitspraak te zijnen
+gunste inplaats van aan rechtvaardigheidszin aan angst toe en vindt er op zijn best een aansporing in om een volgend maal
+liever zichzelven recht te verschaffen dan er op te wachten uit de hand van wie het hem toch moeten geven. Misschien is aan
+zulke averechtsche voorstellingen ook d&eacute;ze omstandigheid schuld, dat de inspecteerende ambtenaars voor het verkeer met de
+vele talen sprekende koelies zich van tolken bedienen: over zulk een omweg gaande kan veel verloren raken of verkeerd terecht
+komen. Slotsom: er is gevaarlijk veel kans dat het zelfbewustzijn van den koelie zal omslaan in overmoed.
+
+</p>
+<p>Nu de assistent. Meestal is hij een jonge man; de beginnelingen zijn even twintig. Hij heeft nog weinig menschenkennis; ervaring
+in het leiden van ondergeschikten, zooals hij er nu ten getale van tachtig tegelijk onder zich krijgt, nog in het geheel geen.
+Hij weet wat zijn werk is: helpen winstmaken, een zoo groot mogelijke winst. Daarvan hangt het af of hij spoedig vooruitkomt.
+Zijn eigenbelang drijft hem voort. Achter het zijne staat dat van zijn administrateur. Achter dat van den administrateur,
+dat van den hoofdadministrateur, weer daarachter dat van de directie en de aandeelhouders der Maatschappij, in een volgorde
+van toenemende kracht en nadruk. Dus voortgedreven komt de assistent te staan tegenover den koelie, de Westersche assistent
+tegenover den <span class="pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273">273</a>]</span>Oosterschen koelie. Er is gevaarlijk veel kans dat de ijver van den employ&eacute; zal overslaan in dwingelandij.
+
+</p>
+<p>Vlak naast elkaar liggen de dyamiet-patroon en de lont: de allerkleinste vonk en daar laait en dondert de ontploffing.
+
+</p>
+<p>Er zijn ondernemingen waar dikwijls, er zijn er andere waar uiterst zelden botsingen tusschen werkvolk en leiders voorkomen.
+Voor een belangrijk deel zal dat liggen aan den administrateur. Het is voor hem niet gedaan met het verbod van slaan; dat
+verbod is er een dat iedere administrateur geeft, terwijl hij toch weet dat het niet strikt opgevolgd zal worden. Het denkbeeld
+van de minderwaardigheid van het gekleurde ras zit er al te diep in bij den blanke dan dat zelfs de humaan-voelende, in wien
+tegenover een blanken werkman de aandrift tot slaan niet op zou komen, zich tegenover den koelie altijd beheerschen zou. De
+groote kunst is: het voorkomen van de kans op botsingen. Dat is, natuurlijk, maar binnen bepaalde grenzen mogelijk in welk
+bedrijf ook; en in een bedrijf waar de ondergeschikte zoo zelfstandig moet handelen als in de tabaksteelt, kunnen die grenzen
+niet anders dan betrekkelijk nauw zijn. Het goede voorbeeld en wat men opvoeding van den assistent door den administrateur
+zou mogen noemen, moeten het overige doen.
+
+</p>
+<p>Degenen die in de preventieve kracht van straffen gelooven, eischen een strengere bestraffing, en vooral een spoedigere, voor
+koelie-misdrijven. Zij houden vol dat een dag of wat gevangenis en het te werk stellen aan den openbaren weg, het &#8220;grassprietjes
+trekken,&#8221; geen straf is die den koelie van dienstweigering of van een aanval op een Europeaan zal weerhouden. Een voorstel
+is gedaan om tot werk onwilligen van regeeringswege te doen arbeiden aan een werk van openbaar nut, door de regeering ondernomen;
+<span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274">274</a>]</span>dit werk te doen volvoeren voor den kost zonder loon; en uit de loon-waarde, na aftrek van de kosten voor voeding van den
+koelie, den planter de schade te doen vergoeden, door de dienstweigering geleden. Het is een der vele voorstellen naar aanleiding
+van het ontwerp-Blommestein geformuleerd, en waarop voor het eerste nog geen beslissing gewacht kan worden.
+
+</p>
+<p>Die meer dan van het bestraffen der misdrijven verwachten van het wegnemen dier toestanden, waaruit misdrijven voortkomen,
+dringen aan vooral op het afschaffen van het dobbelspel, dat de koelies demoraliseert en voorbeschikt tot allerlei geweldpleging.
+De regeering heeft indertijd zulk een verbod overwogen,<a class="noteref" id="xd0e1912src" href="#xd0e1912">1</a> maar is niet overgegaan tot de uitvaardiging er van. Men weet dat in de Straits het verbod een uitwerking heeft gehad, aan
+de beoogde lijnrecht tegenovergesteld. Er wordt te meer gedobbeld in het geheim, buiten alle contr&ocirc;le. Zelfs komen uit de
+gewesten, waar het spelen geoorloofd is, de speellustigen naar de verboden streek, om bijzonder hoog te kunnen dobbelen. Het
+oordeel van den bekenden Maleiervriend en kenner van Maleische toestanden, Frank Swettenham, luidt, dat men om het dobbelen
+te beletten, achter iederen Inlander een politieagent zou moeten zetten, en achter dien politieagent een tweeden, om den eerste
+op de vingers te zien, en zoo voort tot in het oneindige. Wat hij daarmee van Maleiers zeide, kan met gelijk recht gezegd
+van Chineezen. Waar de zaken zoo liggen, moeten de pogingen, die door weldenkende administrateurs gedaan zijn en nog worden,
+om het dobbelspel te weren wel vergeefs blijven. Een zeker toezicht oefent de <span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275">275</a>]</span>Chineesche &#8220;tandil&#8221; uit, die de speelpacht (in onderpacht van den majoor-Chinees te Medan) heeft. Dat belet niet, dat er soms
+gevaarlijke twisten onder de spelers ontstaan, of dat zware verliezen geleden worden. De verbitterde verliezers zijn de volgende
+dagen in een toestand van ingehouden woede, die bij de geringste aanleiding tot een uitbarsting kan komen. Wie alles goed
+bedenkt, zal zich niet zoozeer over het voorkomen van botsingen tusschen Europeesche leiders en Oostersch werkvolk verwonderen,
+als wel over de betrekkelijke zeldzaamheid van zulke botsingen.
+
+</p>
+<p>De betrekkingen tusschen administrateur en employ&eacute;&#8217;s zijn, als in wezen eveneens die tusschen werkgever en werknemers zijnde,
+eveneens aan velerlei storing onderhevig en op zichzelven reeds bezwaard met de kwade kansen die elke tegenstelling van belangen
+medebrengt. En natuurlijk is bij een botsing de zwakkere, de employ&eacute;, in het nadeel. Maar dezelfde oorzaken die in zooveel
+andere opzichten een verandering ten goede hebben bewerkt, hebben het ook hier gedaan. De employ&eacute; van 1911 staat er beter
+voor dan de employ&eacute; van 1890 deed. En de toenemende uitbreiding der cultuur, waarvan een toenemende behoefte aan geschikte
+arbeidskrachten het gevolg is, heeft voor &#8220;achter-gevolg&#8221; weer een toenemende verbetering van de positie der employ&eacute;&#8217;s, en
+een vermeerdering van hun middelen van verweer tegen onredelijke eischen of willekeur.
+
+</p>
+<p>Een grief niet tegen de administratie maar tegen de Directie der maatschappijen is, dat de inkomens en vooral de percentages
+aan employ&eacute;&#8217;s toegekend, buiten alle verhouding veel lager zijn dan die, toegekend aan de administrateurs.
+
+</p>
+<p>De administrateurs van hun kant oordeelen hun hoog salaris de niet meer dan redelijke vergoeding voor de verantwoordelijkheid
+die zij dragen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276">276</a>]</span></p>
+<p>Beide eindelijk, althans velen van beide categori&euml;n, voelen als een onrechtmatige beperking van hun persoonlijke vrijheid
+de bepaling door de maatschappijen gemaakt, dat de beambten een deel van het hun toekomende in de winst op rente moeten laten
+staan bij hun maatschappij.
+
+</p>
+<p>Daartegenover stellen de maatschappijen die bepaling voor als genomen enkel in het belang der beambten.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De behoefte aan werkvolk uit den vreemde en de noodzakelijkheid om het door gunstige voorwaarden aan te trekken; de bemoeienis
+van de regeering sedert &#8217;72; vertoogen, nu en dan, van den kant van China, het vaderland van de meerderheid der koelies; de
+drang der openbare meening; en, zonder twijfel, ook de eigen menschelijkheid en zin voor recht hebben de planters gebracht
+tot een arbeiders-politiek, die van Deli een model-industrie-streek heeft gemaakt in meer dan een opzicht; in dat van de hygi&euml;ne
+vooral. Wat den buitenstaander het eerste treft, op de goedgeleide ondernemingen, is het gezonde uiterlijk van het werkvolk.
+
+</p>
+<p>Te danken is dat aan een beter loon dan &ograve;f Javanen &ograve;f Chineezen in hun eigen land krijgen; aan een betere huisvesting; aan
+de wettelijke beperking van den arbeidstijd (tot een maximum van tien uren); aan de verstrekking, in gedeeltelijke voldoening
+van het loon, van deugdelijke rijst, een marktwaarde hebbende van pl.m. &#402;&nbsp;13 (van het jaar is het &#402;&nbsp;13.50), voor &#402;&nbsp;9.75; aan
+het geven van velden die de koelies voor eigen gebruik bebouwen; en, vooral, aan den geneeskundigen dienst, dien de planters
+voor hun volk hebben ingericht.
+
+</p>
+<p>De afdeeling Sumatra&#8217;s Oostkust der Vereeniging <span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277">277</a>]</span>tot Bevordering der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch-Indi&euml; heeft daar de publieke aandacht op gevestigd met de
+brochure, die zij uitgaf naar aanleiding van het ontwerp Blommestein, dat, in het oordeel der artsen, dien gunstigen toestand
+bedreigde. De hier volgende opgaven zijn grootendeels aan die brochure ontleend. De oorspronkelijke toestand was: iedere onderneming
+behandelde haar eigen zieken. Uit den aard der zaak was die behandeling onvoldoende. De versnipperde krachten werden vereenigd
+en een geneeskundige dienst kwam tot stand, die twintig centrale hospitalen bouwde, een centraal pathologisch en bacteriologisch
+laboratorium, en een quarantaine-station, en een staf aanstelde van twee-en-twintig Europeesche medici en drie dokters-djawa.
+In vergelijking met de overige bevolking van Nederlandsch-Indi&euml; wordt voor de Delische koelies zestig maal meer aan geneeskundige
+hulp uitgegeven: bijna een millioen jaarlijks (&#402;&nbsp;900.000) voor ongeveer 120.000 contract-koelies op Deli, tegen ongeveer 5
+millioen voor ongeveer 35 millioen inwoners van geheel Nederlandsch-Indi&euml;. Het gevolg komt ten duidelijkste uit in de cijfers
+der sterfte-statistiek, die, in tien jaar tijds van 60 op 1000 tot 15 op 1000 zijn gedaald, cijfers tot nog toe nergens elders
+op tropische ondernemingen bereikt, terwijl die van veel plaatsen van vijf tot tien maal hooger zijn; en bij een vergelijking
+met West-Europeesche landen alleen voor de meest gunstig-gestelde klasse van arbeiders cijfers worden gevonden gelijk aan
+die van sommige Delische maatschappijen. Een niet te berekenen weldaad is vooral voor de Javanen&#8212;de Chineezen komen over het
+algemeen in betere lichamelijke gesteldheid hier aan&#8212;de geneeskundige behandeling op Deli. De overgroote meerderheid&#8212;de laatste
+statistiek noemt 85 pct.&#8212;lijdt aan mijnwormziekte. <span class="pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278">278</a>]</span>Oogziekten, ingewandsaandoeningen en allerlei slepende kwalen die het gevolg zijn van onvoldoende voeding en huisvesting zijn
+algemeen onder hen, evenals koortsen. Zij worden daarvan genezen, met of zonder eigen goedvinden. Dat klinkt zonderling; maar
+de Javaan is, ook op dit punt, een groot kind. Veel liever is hij ziek en blijft ziek, zoowat sukkelend en knoeiend met de
+geneesmiddelen van een doekoen en allerlei talismans, bezweringsformulieren, en tooverkunstjes, dan dat hij naar een hospitaal
+gaat waar hij aan strenge regels is gebonden en leelijke drankjes misschien moet slikken. En wat Javanen uit kinderachtigheid
+doen, dat doen Chineezen uit verkeerde zuinigheid. Zij kunnen niet verdienen als zij in het hospitaal liggen. De Deli Spoor
+kon indertijd, toen zij door een moerasachtige streek een lijn bouwde waar malaria uitbrak, van de Chineesche koelies die
+het werk aangenomen hadden, het niet gedaan krijgen, dat zij de voor hen beschikbaar gestelde woningen op een afstand van
+het moeras gelegen, betrokken; ze verloren met heen en weer reizen te veel tijd: liever liepen zij de kans van aan malaria
+te sterven. Toen het sterftecijfer 50 pct. bereikte verliep het volk. De Deli Spoor begon opnieuw met eigen koelies, die zij
+inkwartierde in een koortsvrije streek, wien zij belette v&oacute;or zonsopgang en na zonsondergang te werken, en voorging met het
+prophylactisch innemen van kinine; daarmee was aan de sterfte een eind gemaakt. Op geheel dezelfde wijze moeten de Delische
+planters tegen hun Chineesche koelies optreden: en zij hebben bij hen hetzelfde gelukkige resultaat bereikt. De koelie werkende
+onder het koelie-contract dat hem te dezen opzichte dwingt<a class="noteref" id="xd0e1940src" href="#xd0e1940">2</a>, is onder en door <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279">279</a>]</span>dien dwang in een beteren toestand gekomen dan de naar eigen gebrekkig inzicht levende vrije arbeider ooit bereikt. En dit
+voordeel voor het individu is tegelijk een voordeel voor de gemeenschap, want doordat de zieke in een hospitaal verpleegd,
+dus ge&iuml;soleerd wordt, houdt het gevaar op, dat hij zijn omgeving besmet&#8212;een gevaar dat moeilijk overschat kan worden bij het
+groote aantal infectieuze ziekten waaraan vooral Javaansche koelies lijden&#8212;dysenterie, cholera, mijnwormziekte, om maar de
+meestvoorkomende te noemen. Het vooroordeel der arbeiders is gaandeweg aan het verdwijnen tegenover de dagelijksche ervaring.
+Dat zij den algemeenen toestand op de Delische tabaksondernemingen waardeeren, blijkt trouwens uit de cijfers. Volgens de
+laatstverschenen statistiek zijn er van elke honderd tachtig die na verloop van hun contract het vernieuwen. Zij gaan wel
+terug naar hun land, omdat zij, de reis vrij hebbend, hun familie op willen zoeken en hun belangen waarnemen in hun geboorteland;
+maar na afdoening van zaken komen zij weerom. In de laatste jaren&#8212;nadat de treurige gevolgen van de inzinking in de jaren
+1890 verdwenen, of zoo goed als verdwenen waren&#8212;heeft Deli onder werkzoekers zulk een goeden naam gekregen, dat koelieronselaars
+op Java &#8220;voor den overwal&#8221; wervend, werkvolk kunnen lokken met de voorstelling van Deli als land van bestemming, wanneer zij
+inderdaad naar andere streken ge&euml;xpedieerd zullen worden, waarheen zij niet wetens en willens zouden gaan. Wat de Chineezen
+aangaat: de Chineesche regeering, die in 1909 emigratie uit Chineesche havens naar Banka en Billiton heeft verboden<a class="noteref" id="xd0e1945src" href="#xd0e1945">3</a> laat die naar Deli vrij. Het streven van <span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280">280</a>]</span>de planters is tegenwoordig, de aanwerving zooveel mogelijk te bevrijden van de misbruiken die haar terecht in discrediet
+hebben gebracht. Voor de Chineesche koelies is het al, gedeeltelijk, bereikt door dat systeem dat de werving uit de handen
+der ronselaars neemt en legt in die der koelies zelven, die repatrie&euml;rend, familie en kennissen werven, met wie zij dan terugkeeren
+naar Deli. Er zal nu op Java hetzelfde beproefd worden.
+
+</p>
+<p>Zoo, ongeveer, doet Deli zich voor aan den buitenstaander die, als Westerling, van Westerlingen-standpunt er naar ziet. Hoe
+lijkt het den Oosterling? Hoe staat de koelie tegenover de onderneming van Europeesche kapitalisten en planters?
+
+</p>
+<p>Ik kan het niet zeggen. Maar over de geheele wereld is degeen die werkt in het nadeel tegenover dengeen die bezit, ziet hij
+dus de dingen van den anderen kant, meet hij dus met een anderen maatstaf. En in een kolonie is de arbeider tweemaal in het
+nadeel: &eacute;&eacute;nmaal als arbeider en &eacute;&eacute;nmaal als lid van een overwonnen en daarenboven economisch en cultureel nog achterlijk ras.
+Het oordeel van den koelie over Deli moet dus op hoofdpunten tegenovergesteld zijn aan dat van den Deli-kapitalist of den
+planter.
+
+</p>
+<p>Het onweerlegbaar bewijs&#8212;als er nog een noodig mocht zijn&#8212;dat niettegenstaande alle voordeelen de overgroote meerderheid van
+de koelies met den toestand niet tevreden is: de poenale sanctie is noodig gebleken om hen aan het werk te houden. Die moet
+hier doen wat in het van nature armere Europa de wreede honger doet: dwingen. Het lijkt een veel erger teeken, dat koelies
+de Europeesche employ&eacute;&#8217;s soms aanvallen. Maar w&egrave;l bezien is het dat niet. De aanslagen <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281">281</a>]</span>zijn, op het groote aantal koelies gerekend, zeer zeldzaam. En daarbij, hebben zij niet de beteekenis die in Europa de aanslag
+van een arbeider op een werkgever zou hebben. Onder Europeanen zal men in het algemeen uit de hevigheid van de weerwraak tot
+de hevigheid van de beleediging kunnen besluiten. Maar met Oosterlingen kan men dat niet, omdat hun inborst de verhoudingen
+(voor een Westerling de natuurlijke) tusschen oorzaak en gevolg in het psychische verandert.
+
+</p>
+<p>Zoo moeilijk het voor ons is het gemoedsleven van den Oosterling te begrijpen, z&oacute;oveel weten allen die eenigen omgang met
+hem hebben gehad: dat bepaalde aandoeningen niet dadelijk hem tot handelen brengen, maar lang blijven nawerken en gaandeweg
+aan intensiteit toenemend, ten slotte, soms zonder oogenschijnlijke aanleiding, uitbarsten in een daad, die geheel en al buiten
+verhouding staat tot de aanvankelijke oorzaak. Verder: dat onder den invloed van in bepaalde vormen nog voortlevende communistische
+opvattingen, hij de gemeenschap verantwoordelijk stelt voor het bedrijf van welk ook harer leden. En, eindelijk, dat hij in
+hartstocht alle bezinning plotseling verliest, &#8220;mataglap&#8221; wordt, &#8220;verduisterd van oogen,&#8221; en letterlijk in den blinde naar
+een slachtoffer slaat. Die dat weet, weet ook, dat het niet een erge verongelijking behoeft te wezen, die met een bloedige
+wraak gewroken wordt, en dat het evenmin de verongelijker zelf behoeft te zijn die getroffen wordt door de weerwraak. Terwijl,
+zonderling genoeg, werkelijke hardvochtigheid niet dan hoogst zelden oproer verwekt tegen den hardvochtige.
+
+</p>
+<p>Veel dat nu geweten noch begrepen wordt, zou voor allen duidelijk worden, wilde iemand den arbeid ondernemen uit de vonnissen
+der Delische rechtbank de op koelie-delicten betrekkelijke af te zonderen, en uit &#8220;het juridisch&#8221; in het Hollandsch te vertalen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282">282</a>]</span>Althans datgene wat nu in volle onwetendheid misdaan wordt, ware dan te vermijden. Dat is natuurlijk niet meer dan een onderdeel
+van het geheel waartegen het verzet der koelies gaat. En zoo zijn ook de koelie-aanslagen op dezen of genen mandoer, tandil,
+employ&eacute;, administrateur, minder-beduidend dan die gebleken noodwendigheid van de poenale sanctie, als teeken van de stemming
+der arbeiders, tegenover dezen of genen meerdere niet, maar tegenover het geheele systeem.
+
+</p>
+<p>Het Delische systeem is, ten slotte, het koloniale systeem in het klein; en de toestanden op Deli op kleinere schaal&#8212;en behoudens
+de verschillen veroorzaakt daardoor dat zooveel koelies niet-Inlanders zijn,&#8212;vrijwel dezelfde als die in de geheele kolonie.
+
+</p>
+<p>Het afloopende systeem van belangen, dat inlandsche vorsten en edelen aan de zijde van den overheerscher brengt tegenover
+hun eigen landgenooten, wordt herhaald in het systeem, dat met premies op koelie-werving en koelie-arbeid, tandils en mandoers
+op de hand van den ondernemer brengt. Oneindig veel beter dan onder zijn eigen vorsten vroeger heeft de inlander het nu onder
+het Nederlandsche gezag; en oneindig veel beter dan als &#8220;vrij man&#8221; in zijn eigen land heeft Chinees en Javaan het op Deli
+onder den planter.
+
+</p>
+<p>Niettemin heeft de Nederlandsche Regeering ten slotte troepen noodig. En niettemin behoeft de planter een bijzondere wet.
+Waarom anders dan omdat, ondanks alles de Inlander en de koelie het belang niet hebben bij de handhaving van de toegepaste
+stelsels dat de Nederlandsche Staat en de Deli-Maatschappijen er bij hebben, en dat inziende, zich gaan verzetten?
+
+</p>
+<p>De gedachte aan mogelijke gevolgen is voelbaar in de moreele atmosfeer van Deli.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283">283</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1912src" id="xd0e1912">1</a></span> Mr. H. J. Bool. Arbeidswetgeving in de Residentie Oostkust van Sumatra: blz. 13, noot.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1940src" id="xd0e1940">2</a></span> Niet met de letter van de wet; maar volgens de uitlegging die zoowel werkgevers als werknemers er altijd aan gegeven hebben.
+Van Ned.-Indische koelies werken all&eacute;&eacute;n Javanen in contract.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e1945src" id="xd0e1945">3</a></span> Volgens een officieele mededeeling in Engelsche vertaling aangehaald op blz. 45 van het &#8220;Rekest en Betoog der Deli Plantersvereeniging
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e1947" href="#xd0e1947">280n</a>]</span>aan den G. G. van Ned.-Indi&euml; naar aanleiding van het ontwerp Blommestein,&#8221; waar tevens vermeld staat &#8220;dat de toestanden op
+Banka door meer toezicht veel verbeterd zijn.&#8221;
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch26" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Naar de Bataksche hoogvlakte</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n de weinige uren tusschen dageraad en middag kan men van Medan naar de Hoogvlakte der Bataks komen&#8212;van de twintigst&#8217;eeuwsche
+beschaving naar den natuurstaat. Een uitstekende weg en automobielen maken het verbijsterende wonder mogelijk.
+
+</p>
+<p>De weg, die, bij ongelijke deelen, door de planters, den Sultan en de Ned.-Indische regeering is aangelegd, loopt van Medan
+af een tijdlang tusschen tabaksvelden door, waar hoog, breed, bruin en ruig in hun rieten bekleeding, als reuzen in berenpelzen,
+de groote droogschuren staan, en over ondernemingen, waar de huizen van administrateurs en assistenten villa&#8217;s lijken in een
+wijd, mooi aangelegd park. Dan begint hij te stijgen. Het landschap verandert; in groote golvingen, op en neer, deinen groen-blauwe
+heuvelrijen aan, de vorm van verre toppen, flauw ontwaard eerst tegen het blauw der lucht, wordt duidelijker, diepe schaduw
+en koelte van woud valt over den weg, die, wittig, in lange slingeringen klimt, uit een verborgen ravijn klinkt het ruischen
+en schuren, dat snel water doet over gesteente. Al hooger stijgt de zon aan de fel-blauwe lucht, waarin witte wolken verblindend
+blinken; maar het is koel hier als in allervroegsten <span class="pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284">284</a>]</span>morgen; het gras, het hooge varenkruid, het struikgewas langs de steilten blinkt van dauw. Een lichte wind komt en gaat, in
+golven van frischheid. En alles geurt zoo. Niet het dauwige en zonnige gras alleen, of al dat kruizemunt-achtige bladerruig
+langs den weg, of de oranje, roode en paarse bloem-tuiltjes der lantana, die de hellingen als met vonken oversprenkelen, of,
+zoetst van alles, de ar&egrave;n-bloesem, in lange, donkere trossen hangende langs den stam, die als een zuil zoo slank onder zijn
+kapiteel van uitbuigende blader-takken, zwart en monumentaal tegen den vuur-blauwen hemel staat; maar van overal, uit alles,
+tot uit vochtige steenen en de naakte bruine aarde zelve toe, komt w&egrave;l-reuk gewademd. Een niet goed te benoemen fijnheid in
+de atmosfeer, iets ijls, teeders, h&eacute;&eacute;l-zuivers veredelt de forsche weelderigheid der tropische natuur. Van den rand van een
+steil ravijn af gezien, waarlangs de bergen oprijzen, donker van woud, ligt de verre flauw-blauwe Medansche vlakte, met de
+fonkelstreep van de zee langs haar zoom, als een andere, vreemde, v&egrave;r-verwijderde wereld.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p285.jpg" alt="De lage schuins-uitgebouwde huizen op palen een voet of vijf boven den grond staande, gaan schuil onder een geweldig-hoog dak." width="522" height="407"><p class="figureHead">De lage schuins-uitgebouwde huizen op palen een voet of vijf boven den grond staande, gaan schuil onder een geweldig-hoog
+dak.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Twee dagen voor dien van onze reis had een aardstorting een gedeelte van den weg overstelpt: werkvolk was nog bezig met wegruimen
+en gelijk maken, en een twintig man kwamen te hulp om den auto over de zacht-inzakkende plek te krijgen. Ik had al Bataks
+gezien te Medan. Als Zigeuners zaten ze, langs den eenen kant van de Esplanade, voor de lange rij van hun overhuifde buffelkarren
+in het gras gehurkt, ieder bij zijn koopwaar, vruchten meest en groenten uit het gebergte, en flesschen palmwijn; &#8217;s avonds
+flikkerden hun wachtvuurtjes; zonderling keken de donkere gezichten op uit den schijn. Maar hier pas, in hun eigen omgeving,
+zoo velen bij elkaar, en buiten het verwarrend vergelijk met de vele andere Oosterlingentypen der stad, kwam hun eigenlijk
+<span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286">286</a>]</span>wezen goed uit. Niet groot van stuk zijn zij echter forsch gebouwd, en hun bewegingen bedaard en krachtig. In het gezicht
+vertoonen zij twee&euml;rlei type: het eene, het Maleische, dat grof is van trekken en ommelijn, heeft iets sombers en dreigends;
+wat komt door een boven de oogen sterk vooruitspringend voorhoofd. Het andere maakt een zeer verschillenden indruk; de trekken
+zijn rechtlijnig, de glanzige oogen lang en smal, de mond welgevormd, het gezicht ovaal. Er is verwantschap tusschen dit type
+van Batak en de Britsch-Indi&euml;rs, die men in Medan ziet. Inderdaad wordt een immigratie uit vastelandsch Indi&euml;, als voor eeuwen
+plaats gehad hebbende, door ethnografen aangenomen. De weg naar de Hoogvlakte loopt langs het Batakdorp Sibolangit; wij gingen
+het bezien. De wijze van binnenkomst was over eenige steenen en een bamboe omheining heen. Weg of pad was er niet te bekennen.
+De huizen stonden her en der, elk op zichzelf. Wonderlijke huizen! en mooi! Aan niets doen zij zoozeer denken als aan sierlijke
+schepen. De wanden, van planken, als die van een schip, staan, evenals scheepswanden, schuins naar buiten. Men peinst, verbaasd,
+over de reden die de menschen tot zulk een bouw gebracht mag hebben. Half verwacht men dat het huis, als een schip, zal beginnen
+te slingeren in den wind; en men gaat denken aan verschrikkelijk geweld van zee en storm, iets als de zeebeving van Krakatau
+bijvoorbeeld, die een heele vloot van visschersschepen omhoog geslingerd en op het gebergte weer neergeworpen heeft; daar
+zijn dan de scheepsrompen tot huizen verbouwd....
+
+</p>
+<p>Die lage, schuins-uitgebouwde huizen staan op palen, een voet of vijf boven den grond; en onder een geweldig hoog dak, waaronder
+zij, als verloren, schuil gaan. (Z&oacute;o gaat een schip schuil onder de wijdte en hoogte van zijn volle zeilen.) De nok van <span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287">287</a>]</span>dat bovenmatig hooge, steile dak, is versierd met gehoornde buffelkoppen, die bukken tegen een onzichtbaren vijand: de storm,
+de bliksem en de donder zijn het, die zij dus dreigend afweren. Onder dat toornige en het donker van het met riet en zwarte
+palmvezel gedekte dak, staat vroolijk het driekant van den gevel vol aardige kleuren, in een sierlijk patroon beschilderd.
+De lage wanden van het huis zijn ook versierd. Ten eerste met het zwartige vlechtsel van arenvezel-touw, dat de planken, in
+een gleuf gevoegd, bijeenhoudt&#8212;want de Batak, als elke Maleier, spijkert niet, maar bindt zijn huis in elkaar. Door de wijze
+waarop dat touw door de reten wordt geregen ontstaat de teekening van twee paren reusachtige hagedissenkoppen (een kop en
+pooten aan elk einde van het lange lijf) naar voor- en achtergevel van het huis gericht. Een tweede ornament is een geschilderde
+rand van rankend gebladerte, dat, onder de hagedissen, langs den wand loopt. Z&oacute;&oacute;, tegelijk imposant en vroolijk, half paalwoning,
+half schip, donker van dak en bont van gevel, staat het wonderlijk-mooie huis van den Batak, de heemstede elk van acht gezinnen.
+De bewoners zien er stemmiger uit. Mannen en vrouwen dragen kleederen van &eacute;&eacute;n kleur, indigo-blauw; hier en daar enkel loopt
+een randje van wat lichter blauw, soms een simpel motiefje, door inbinden van de nog ongeverfde stof verkregen, een rij ovaaltjes,
+die op snoeren kralen lijken, zoo bij den eersten oogopslag. Een enkele heeft aan het korte jak wat versiersel van gestikte
+figuren, kleur op kleur. De indruk is wat somber en eentonig voor oogen, gewend aan de kleurige kleedij van Java en vooral,
+het prachtige Bali. Maar niettemin staat al dat blauw van kleeren en bruin van huid mooi bij elkaar. De kinderen fleuren het
+op met een menigte sieraden, die zij om hals en polsen, <span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288">288</a>]</span>op de borst en langs het gezicht dragen: zilveren armbanden, kettingen van groote zilveren muntstukken (Straitsdollars en
+oude Spaansche matten vooral), gouden bellen en bolletjes, allerlei fijn sieraad aan dunne snoertjes, dat, boven aan de oorschelp
+vastgemaakt, langs hun wangen bengelt. De vrouwen tooien zich met een eigenaardig gevouwen hoofddoek, die als een breede rol
+boven het voorhoofd ligt en een langen, gewrongen, horizontaal uitstaanden kegel vormt tegen het achterhoofd aan. Aan weerszijden
+blinken daar hand-lange zilveren ornamenten in lier-vorm tegen, dubbele, van elkander afgewende spiralen aan langen stengel;
+het linksche ornament naar voren, het rechtsche naar achteren gericht. Deze &#8220;oorijzers&#8221; en de blauwe kegel-kap, die zij in
+fatsoen houden, vormen een even schilderachtigen als vreemden hoofdtooi. Alleen geeft het den Westerling een pijnlijk gevoel
+te zien, hoe de zware zilveren stengel boven door de oorschelp der vrouwen heengaat. Het sieraad zit wel vast in den hoofddoek,
+maar wordt toch door het oor ook vastgehouden. En, naar ik hoor, gebeurt het vaak, dat bij het gebukte werken op den akker,
+zulk een ornament losschiet, en de oorschelp doorscheurt.
+
+</p>
+<p>Vrijmoedig als de Bataks gelukkig nog zijn, kwamen mannen, vrouwen en kinderen op ons toe, vroegen van waar en waarheen en
+wat wij kwamen doen, en boden ons een dronk aan: het zoete water uit eenige klappernoten, die een jongen rap uit den boom
+ging halen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p289.jpg" alt="De vrouwen tooien zich met een eigenaardig gevouwen hoofddoek, die als een breede rol boven het voorhoofd ligt." width="515" height="693"><p class="figureHead">De vrouwen tooien zich met een eigenaardig gevouwen hoofddoek, die als een breede rol boven het voorhoofd ligt.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Zij zagen er welvarend en weltevreden uit, goed-hartig ook, niettegenstaande het donkerende van dat over de oogen uitspringende
+en licht-fronsende voorhoofd. En de kleine kinders, dik-gebuikt en piep-smerig, waren allerliefst. Door kippen, honden en
+horden pikzwarte varkens heen brachten zij ons <span class="pagenum">[<a id="pb290" href="#pb290">290</a>]</span>naar de plek, waar de omheining overgeklommen kon worden. En wij kregen een vriendschappelijken groet mede op de weer voortspoedende
+reis naar de hoogvlakte. Een goed uur later hadden wij haar bereikt&#8212;een gedempt-groene, hemel-wijde rondte binnen een kring
+van in verte verflauwende ketens en toppen, waar boven uit, majestueus, twee bergkolossen rijzen: de harmonisch-aan stijgende
+Sinaboen, de schoone kegel, in het Zuidelijke Westen; en in het Noord-Oost, geweldig met zijn gescheurde toppen en fel-bleeke
+zwavel-schacht, de Si-bajak, wiens naam &#8220;de Heerscher&#8221; beduidt.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291">291</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch27" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Onder de Karo-Bataks</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n gezelschap van den besturenden ambtenaar waren wij de nieuwe leiding bij Payong gaan zien, die aan de menschen en de velden
+dezer van droogte verterende streek water toe zal voeren. Een lange ris vrouwen, den bamboe-schalm op het hoofd, die hier
+voor emmer, schepper, kan en vat wordt gebruikt, kwam juist het steile paadje van het dorp naar de rivier af. Ons ziende,
+bleven zij staan. &#8220;Eh, zusters, wat zijn dat voor Hollandsche mannen, die met den Toewan Besar zijn meegekomen?&#8221; Eene riep
+terug: &#8220;Dat zijn geen mannen, maar vrouwen!&#8221;&#8212;&#8220;O, vriendinnen!, hoor Djaroeng, hoe zij spot! Zij noemt mannen vrouwen!&#8221;&#8212;&#8220;Neen,
+vaders-zuster, ik spot niet! Die twee zijn werkelijk Hollandsche vrouwen.&#8221; Al de vrouwtjes begonnen te lachen. Wat? Geen sarong
+noch slendang aan, en geen doek op het hoofd, maar een witten hoed, zooals de Groote Heer zelf er een droeg, en op den openbaren
+weg in zijn gezelschap en in gesprek met hem, en geen last op het hoofd, noch een kind in de draagsjerp, neen, geheel en al
+niets doende, vrij en frank, voor eigen genoegen gaande naar eigen wil&#8212;dat zouden vrouwen wezen? Zelfs de kleine meisjes,
+wichtjes van een jaar of vijf, zes, die met een nog kleiner <span class="pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292">292</a>]</span>wicht op den rug zwoegden, moesten er om lachen.
+
+</p>
+<p>Zoo zeldzaam zijn nog, daar waar de groote weg ophoudt, de aanrakingen geweest tusschen Hollanders en Bataks.
+
+</p>
+<p>Er zijn vier stammen van Bataks: de Toba, in de streek rondom het Toba-meer, die voor de bakermat van het volk geldt; de Timor
+ten Oosten, de Pakpak ten Westen van hen; en in het Noorden de Karo, die voor de meest beschaafden gelden. Onze kritische
+beschouwsters bij de waterleiding waren Karo-vrouwen.
+
+</p>
+<p>Het is een demokratisch-gezind slag. Voor de expeditie van 1904 en de regeling der toestanden door het gouvernement leefden
+zij in hun dorpen onder het gezag van hoofden, die zij zelven kozen en handhaafden zoo lang het hun goed docht. Het beginsel
+van erf-opvolging bestond; maar sterker dan die theorie was de practijk, die eischte,&#8212;en doorzette&#8212;dat de best-geschikte hoofd
+werd. Die geschiktheid bestond in vaardigheid met de tong en vaardigheid met de vuist. Een radja moest welbespraakt zijn.
+Want elk Karo-dorp had altijd door geschillen met elk ander Karo-dorp, over akkers, over recht van jagen, van visschen, van
+houtkappen, van weiden en gras-snijden. En die geschillen werden in den raad der dorpshoofden besproken en beslecht. Ieder
+hoofd trad daar op als advokaat van zijn dorp: het kwam er dus op aan dat hij een goed advokaat was. Verder werden geschillen,
+die op die vreedzame wijs niet bijgelegd konden, uitgevochten met de wapens. Dat gebeurde veel. Want de uitspraak der hoofden-vergadering
+was niet bindend; alleen raad-gevend. Wilde iemand dien raad niet aanvaarden, dan zei hij het en trok van leer. In het gevecht
+van dorp tegen dorp, (dat evengoed particuliere als gemeenschaps-aangelegenheden betreffen kon; want het was in alle dingen
+&eacute;&eacute;n voor allen en allen voor een bij de Bataks), was, <span class="pagenum">[<a id="pb294" href="#pb294">294</a>]</span>alweer, de radja de aanvoerder; daarom kwam het er op aan dat hij een goed soldaat was. Was hij het een en het ander, dan
+bleven zijn aanhangers hem trouw, en hij behoefde zich weinig te bekommeren om de op erf-opvolging gegronde aanspraken van
+mededingers. Te Kaban-Djahe, het groote welvarende dorp dat om ligging, zielental en rijkdom door landbezit en opkomenden
+handel wel kan gelden als hoofdplaats der Karo-Bataks, wonen nog twee hoofden, die het echte type van dien tijd vertoonen,
+de een vooral vechtersbaas, de andere vooral redenaar; zij zijn bekend onder de teekenende namen van &#8220;de Grove&#8221; (Pa M&#8217;Belgah)
+en &#8220;het Lampje&#8221; (Pa Palita) mededingers van oudsher, en natuurlijk, elkanders doodsvijanden. De redetwisten waaruit Het Lampje
+zegevierend te voorschijn kwam zijn verwaaid. Maar de sporen van de oorlogen door den &#8220;Grove&#8221; uitgevochten zijn menigvuldig
+in en rondom Kaban-Djahe.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p293.jpg" alt="De lier-vormige &#8220;oor-ijzers&#8221; en de blauwe kegelkap, daardoor in fatsoen gehouden, vormen een even zonderlingen als schilderachtigen hoofdtooi." width="465" height="617"><p class="figureHead">De lier-vormige &#8220;oor-ijzers&#8221; en de blauwe kegelkap, daardoor in fatsoen gehouden, vormen een even zonderlingen als schilderachtigen
+hoofdtooi.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Die oorlogen werden namelijk gevoerd van kleine vestingen en hinderlagen uit. Elke heuveltop die den omtrek van het vijandige
+dorp overheerscht was een vesting. En hinderlagen werden gemaakt door het graven van een kuil in den ruig-bewassen grond,
+waarin een man zich staande kon verbergen, tot aan de oogen toe: hij zag en werd niet gezien: wie er aankwam dien schoot hij
+in de beenen. Er vielen niet vele dooden bij die &#8220;oorlogen,&#8221; het was veel geschreeuw en weinig wonden. Maar de schade aan
+veld en vee toegebracht was dikwijls belangrijk. En altijd bestond de kans dat de Atjehers er bij kwamen, wanneer het met
+zulke schade niet afliep. De Atjehers waren de &#8220;condottieri&#8221; der Bataks: zij vochten voor eigen voordeel in anderer zaak.
+Zij kwamen hun hulp aanbieden tegen betaling. De Karo&#8217;s waren van die hulp dikwijls gansch niet gediend; maar namen aan, tegen
+heug en meug, omdat ze niet anders durfden. <span class="pagenum">[<a id="pb296" href="#pb296">296</a>]</span>De Atjehers waren vechtersbazen, hun klewangs sneden vleesch. En als ze de overwinning hadden bevochten betaalden zij zichzelven
+onpartijdiglijk uit het bezit van bondgenoot en vijand beide. Zoo was het een toestand van voortdurende onrust, van voortdurend
+gevaar waarin de Bataks leefden. Dat is misschien wel de reden waarom zij zich zoo weinig verzet hebben tegen de annexatie.
+Terwijl zij bukten voor de macht van den sterkere, begrepen zij dat zulk bukken hun voordeel zou kunnen aanbrengen. Het waren
+maar enkele dorpen die zich ernstig verweerden. Van de meesten kwamen de hoofden hun onderwerping aanbieden, na niet veel
+meer dan een schijn van verzet. E&eacute;ne voorwaarde echter stelden zij allen, zonder uitzondering, en met den meesten nadruk:
+de grond moest hun eigendom blijven, dat zonder hun wil niet vervreemd kon worden. Zij wilden geen toestanden als in het benedenland,
+waar de sultans het land verkochten aan de planters. Toen zij die toezegging ontvangen hadden legden zij zich zonder meer
+bij de nieuwe toestanden neer. Zij schijnen er tevreden onder, nu. Waarschijnlijk is het betalen der belasting op den duur
+nog voordeeliger dan de kwade kansen van het oorlogje voeren<a class="noteref" id="xd0e2032src" href="#xd0e2032">1</a>. En van de heerendiensten zien zij het resultaat in goede wegen, toenemend vervoer en volle markten.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p295.jpg" alt="De hoofdman van Kaban-Djahe, bekend onder den teekenenden bijnaam van Pah m&#8217; Belgah, &#8220;de Grove,&#8221; vertoont het echte type van dien tijd: dat van den vechtersbaas." width="489" height="628"><p class="figureHead">De hoofdman van Kaban-Djahe, bekend onder den teekenenden bijnaam van Pah m&#8217; Belgah, &#8220;de Grove,&#8221; vertoont het echte type van
+dien tijd: dat van den vechtersbaas.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In het begin, trouwens, trachtten zij daar hun vrouwen voor te spannen. De vrouw van den Batak is nu eenmaal zijn werk- en
+last-dier. D&aacute;&aacute;rvoor heeft hij haar van haar vader gekocht. En als zij zijn veldarbeid deed, waarom dan niet zijn arbeid in
+heerendienst? <span class="pagenum">[<a id="pb297" href="#pb297">297</a>]</span>Bij dozijnen stonden de vrouwen te graven, te houwen en te hakken aan den weg. Het werd verboden. Dat gaf een rumoer! En niet,
+als een Westerling denken zou, onder de mannen alleen, neen, de vrouwen waren het die het luidst protesteerden. Huilend kwamen
+zij op het kantoor van den ambtenaar. &#8220;Ach Groote Heer, heb medelijden! Ach, ach, mijn arme man! Och, och, mijn lieve zoontje!
+Hij moet werken! werken met een spade! Wij bidden den Grooten Heer, dat wij het mogen doen, zooals het toch de plicht is van
+ons vrouwen!&#8221;&#8212;Zij hebben de bakens verzet sedert. Nu kan men ze zien komen: &#8220;Mijnheer, wilt u zoo goed zijn en mijn man eens
+manieren leeren? Hij wil zijn werk niet doen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Het eigenlijke werk van den Batak is de akkerbouw. Dat gaat op tamelijk primitieve wijze. Er is op de Hoogvlakte weinig, men
+mag wel zeggen g&eacute;&eacute;n bevloeid land, en even weinig water. De smalle beken loopen door beddingen, diep ingesleten in den lossen
+tuf-grond. Van de heuvels af gezien lijken het ravijnen, wat donkerder groen van struikgewas en geboomte tusschen het lichte
+groen van den alang-alang. Er is weinig plaats voor den sawah-bouw van Javanen en Bali&euml;rs. De Batak bouwt op drogen grond.
+In eeuwenlangen roofbouw heeft hij den bodem uitgeput, zoodat bemesting noodzakelijk is geworden. Waar dat wordt ingezien,
+is een schrede vooruit gedaan op den goeden weg. Daar ziet men over het geheel meer arbeid en zorg besteden aan den grond,
+en ook beter gereedschap: den ploeg bijvoorbeeld. Maar als hij er kans toe ziet, bespaart de Batak zich die inspanning en
+maakt een rijstakker door een veld alang-alang of een met struweel begroeide helling in brand te steken. Eenige jaren achtereen
+geeft de grond hem dan vanzelf vrucht genoeg. Dien bodem ploegt hij ook niet met een kouter. De vrouwen gaan er heen, een
+heele <span class="pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298">298</a>]</span>schaar, van twaalf tot twintig. Op een rij staande, stooten zij aangepunte staven in den grond, bewegen die tweemaal heen
+en weer, en wrikken, alle tegelijk. Groote schollen aarde worden zoo opgelicht en gekeerd. Daarmee is dan de akker voldoende
+bewerkt. Het is een zonderling gezicht, zulk een rij den grond &#8220;omstekende&#8221; vrouwen; met hun lange staken lijken zij lans-draagsters,
+zich oefenend in een spiegel-gevecht.
+
+</p>
+<p>De roekelooze wijze van roof-bouwen door het verbranden van gras en struikgewas, die den bodem op zichzelf verarmt&#8212;immers
+de hitte doodt de micro-organismen die hem vruchtbaar maken,&#8212;bedreigt ook nog den woudrijkdom, of althans wat van den vroegeren
+woudrijkdom is overgebleven, der streek. Zoodat toestanden te vreezen zijn als waaronder tegenwoordig Itali&euml; lijdt&#8212;vermindering
+van regenval, en, bij het neerkomen van buien, wegspoelen der teelaarde door de nergens tegengehouden waterstroomen. Dit,
+om nog te zwijgen van het gebrek aan timmer- en aan brandhout. Maar de Batak is, als in het algemeen de natuur-mensch, zorgeloos.
+En zelfs strenge straffen helpen maar weinig tegen een kwaad dat zijn gemak dient.
+
+</p>
+<p>De rijst op droge gronden groeiend eischt de zorgen niet die de in moerasbed geteelde behoeft. Zij kan aan zichzelve overgelaten
+tot den tijd van rijp worden. Dan komen wakers om de rijstdiefjes te verjagen. En over het veld wordt een net van touwen gespannen,
+dat door een enkelen ruk van het wachthuisje uit, in beweging kan gebracht. Bonte lappen fladderen er aan; bamboe-schalmen
+geven klappend en fluitend geluid, de boer loopt er langs en schreeuwt vervaarlijk. Het ligt niet aan het rumoer, wanneer
+de rijstdiefjes niet, verschrikt, z&eacute;er verre blijven.
+
+</p>
+<p>Het oogsten is voor het heele dorp het groote feest <span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299">299</a>]</span>van het jaar. Daarvan blijft niemand weg. En de scholen laten de kinders vrij om te gaan helpen.
+
+</p>
+<p>De korrels worden, op den akker zelf, uit de aar gedreven, doordat de oogsters ze met de voeten treden. Dan scheppen de vrouwen
+alles in een vlakke mand die zij op het hoofd tillen: gaan in den wind staan, en laten, vooroverbuigend, korrels, kaf, onkruid,
+aarde, alles in een langzamen scheut ter aarde vallen. De wind die er door blaast, voert den lichten afval mee; en de korrels
+vallen op een hoop.
+
+</p>
+<p>In den avond komt men de vrouwen tegen met gevlochten zakken vol rijst op het hoofd. Het stampen in het gemeenschappelijk
+blok is de voltooiing van den arbeid.
+
+</p>
+<p>Er kan rijst genoeg groeien in de Karo-streek om de bevolking te voeden en nog een zekere hoeveelheid te exporteeren ook.
+Maar daarvoor zouden andere methodes noodig wezen, en vooral, beter gereedschap. Dat echter zal de Westerling er moeten brengen.
+
+</p>
+<p>Hoewel nog altijd in de eerste plaats landbouwer, begint, sedert er wegen door zijn land zijn aangelegd, de Batakker al meer
+en meer handelsman te worden. Op den grooten weg, dien de vereende arbeid van planters, gouvernement en zelfbestuur heeft
+aangelegd van Medan naar de Hoogvlakte, gaan dag en nacht de Bataksche karren heen en weer, die rijst, groenten, aardappels
+en vruchten naar Medan brengen en van de stad terugkomen met petroleum, gedroogde visch, geweven goederen en allerlei steedsche
+waar, vroeger onbekend in de Batak-dorpen en tegenwoordig dagelijks gebruikt. Lucifers, bijvoorbeeld. De ouderwetsche manier
+was (evenals bij ons) vuur slaan met een vuursteen en een stukje metaal, en de vonk opvangen in een soort tondel. Op de markt
+van Kaban Djahe heb ik een oud wijfje vinden zitten, dat kleingeklopte vuursteenen <span class="pagenum">[<a id="pb300" href="#pb300">300</a>]</span>te koop had en gezien hoe klanten die kochten en zorgvuldig wegborgen in de lange lederen rol met een zilveren ketting omsnoerd,
+waarin een Batak al zulk klein gerief bij elkaar houdt; en den zilversmid van het dorp heb ik met zulk een vuursteen en tondeldoos
+den houtskool-oven zien aanmaken, waarin hij zilver ging smelten. Maar het jonge volk weet daar niet meer van: het gebruikt
+lucifers. Op diezelfde markt, die &#8220;tiga,&#8221; van gepraat zoemende als een bijenkorf, zoodat men haar hoorde nog eer men haar
+zag, verborgen als zij lag binnen een kring van uitgespannen karren, waaromheen de room-witte, bultige Bengaalsche trekossen
+het wreede gras liepen af te weiden, her en der, tusschen kittige Batak-hitjes in,&#8212;op diezelfde &#8220;tiga,&#8221; waar het oude wijfje
+zat met haar klein-geklopte vuursteenen, had een jonge Batak een heele uitstalling van lucifersdoosjes, smaakvol geschikt
+tusschen pakjes sigaretten in. De lucifers kwamen uit Japan. Daar had men den ouden en den allernieuwsten tijd vlak naast
+elkander.
+
+</p>
+<p>Met vele andere Bataksche dingen gaat dat als met de lucifers en de vuursteenen. Het oude handhaaft zich nog, maar het nieuwe
+wordt met den dag sterker. Daar gaan, over de heuvels, de oude &#8220;Batakpaadjes,&#8221; de zonderlinge weggetjes die soms een heelen
+voet diep in den grond zijn ingesleten, zoodat men er in loopt als met geboeide enkels: langs die paadjes houdt het oude zijn
+oude sleur. Maar reeds komen er aan, en aldoor komen zij dichter bij, en reeds is hun gang aangewezen, de diepten van het
+binnenland in, reeds komen er aan de groote wegen, breed dat karren er op rijden kunnen, en verhard, sommige, tegen wegsleurend
+geweld van regenbuien: en langs die wegen houdt het nieuwe zijn intrek. Men zou, met de oogen op den grond, kunnen zeggen,
+wat van de twee in een streek te <span class="pagenum">[<a id="pb301" href="#pb301">301</a>]</span>vinden is. Wel te verstaan, doen niet alle groote wegen zoo goeden dienst: die van Koeala naar Koeta Tani, die tegen het advies
+in van de meeste ambtenaren der streek door de regeering is doorgezet, en wel ten koste van twaalf ton, loopt door een verlaten
+streek, ten gerieve van heen en weer marcheerende soldaten alleen. Maar daarentegen zal er nu een gemaakt worden, die de Bataklanden,
+door den Medanschen weg reeds met de Oostkust verbonden, ook met de Westkust verbindt. Van Pamatang Si Antar, het opkomende
+cultuur-centrum in het land der Timor-Bataks (waarheen van Medan uit een spoorlijn geprojecteerd is), zal die weg gaan, in
+aansluiting bij een reeds bestaanden, maar die noodig verbeterd moet worden, door Z.O. Tapanoeli, naar Balige, aan den zuidelijken
+oever van het Toba-Meer, en vandaar dwars over het gebergte en door het land der Toba-Bataks naar Siboga. Daarmee zal dan
+het geheele cultuurgebied in Noord-Sumatra &eacute;&eacute;n geworden zijn, en de stroom van handel en verkeer langs vrije banen kunnen
+vloeien.
+
+</p>
+<p>Wat de toch nog zoozeer gestremde en belemmerde beweging tot nu toe al gedaan heeft, merkt men aan kleine dingen en aan groote
+beide. De Bataks hebben van Westersche instellingen er dadelijk vier overgenomen, met ware geestdrift: lucifers, parapluies,
+naaimachines en de gramofoon. Men komt geen Batak op reis tegen, hetzij man of vrouw, anders dan met een parapluie op het
+hoofd gedragen&#8212;zoo&#8217;n echte dikke &#8220;besteedster.&#8221; Op elke tiga zit de &#8220;toekang mesjien,&#8221; de reizende kleermaker, die met een
+Wheeler en Wilson op het hoofd van de eene tiga naar de andere wandelt, overal met ongeduld verbeid, en been-kruiselings zich
+neerzet in de schaduw van een uitgespannen ossenkar om badjoes en broeken in elkaar te flansen en om de blauwe jakjes <span class="pagenum">[<a id="pb302" href="#pb302">302</a>]</span>van Bataksche nufjes te versieren met rijen lichtblauw stiksel. Wat de gramofoon aangaat, die is in de Doesoen (de &#8220;kolonie&#8221;
+eigenlijk, dorpen, van het centrale Batakgebied uit gesticht in het lagere land), in de Doesoen geloof ik, meer in gebruik
+dan op de eigenlijke hoogvlakte: de Doesoen-Bataks zijn in alle opzichten meer ge-europeaniseerd dan de bergmenschen, doordat
+zij meer met Westerlingen in aanraking komen. Maar te Medan kan men de Bataksche handelaars van &#8220;boven&#8221; in getale zich zien
+verdringen rondom de open deur waaruit een gramofoon zingt, lacht, praat en schreeuwt. Hoe meer geweld hoe mooier! Vuur; beschutting
+tegen den regen; sieraad; luidruchtige vroolijkheid: dat hebben de Bataks om te beginnen gekozen uit de mars van den grooten
+kramer: Europa.
+
+</p>
+<p>De Doesoen-Bataks ook al betere dingen: bijvoorbeeld betere idee&euml;n omtrent schoonheid en hygi&euml;ne. De Bataksche adat eischt,
+evenals de Javaansche, het afvijlen van de tanden: volgens Kruyt (Het Animisme in den Indischen Archipel) een uiting van het
+algemeen onder animistische volkeren verbreide idee, dat de geesten der afgestorvenen afgunstig zijn op de levenden, om dat
+groote geluk van het leven, dat zij moeten missen; en dat hun afgunst gepaaid moet worden met het ten offer brengen van kleine
+gedeelten van de levende persoonlijkheid; weshalve ook de overblijvende tandstompjes zwart gemaakt moesten worden om ze aan
+de naijverige geestenblikken te onttrekken en den mond geheel tandeloos te doen schijnen. Dat afvijlen van de tanden is een
+barbaarsche proceduur, gruwelijk pijnlijk, hoewel de gepijnigden, meisjes zoowel als jongens, er een eer in stellen, de urenlange
+marteling te verdragen zonder een kik te geven. En de ergste ontstekingen en ziekten in de van het beschermende email ontbloote
+tanden zijn er <span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303">303</a>]</span>natuurlijk het gevolg van. Onder den invloed der gaaftandige Westerlingen beginnen nu de Doesoen-Bataks te breken met dien
+adat. Een gaaf en blank gebit, vroeger voor &#8220;honden-tanden&#8221; gescholden, vindt nu al zijn bewonderaars onder jonkvolk.
+
+</p>
+<p>Veel is op dit punt van hygi&euml;ne te danken aan de zending, die onvermoeid is in den strijd tegen vooroordeel en vuiligheid.
+Er is wat te doen, op dat gebied, onder de Bataks! Hun dorpen zijn ware broeinesten van besmettelijke ziekten: cholera, typhus,
+pokken, allerlei walgelijke uitslag, lepra zelfs en nog andere verminkende kwalen. Elk huis staat om zoo te zeggen boven zijn
+eigen mesthoop. Dat dat niet zoozeer in het oog valt, is alleen te danken aan de varkens. De gevolgen kan men zich voorstellen.
+Veel is er al verbeterd sedert de vaccinatie is ingevoerd, wat in 1894 in de Doesoen, 1904 pas op de Hoogvlakte gebeurde.
+De Batak, die zeer gesteld is op een gave, gladde huid, en de pokkenlitteekens verafschuwt, greep het middel tegen de gevreesde
+ziekte aan. Maar op andere punten is hij niet zoo licht te overtuigen geweest. En van wat te dien opzichte is verbeterd, komt
+de eer grootendeels toe aan de zending. Een zendingshuis hier is een kliniek, een apotheek, een consultatie-kamer. Tweemaal
+dagelijks zag ik te Kaban Djahe de zieken daarheen gaan. Zij kwamen met klachten, kwalen en wonden, en gingen getroost en
+geholpen weer heen. De zending heeft ook een asyl opgericht voor de leprozen; zonder tegenstand laten de ongelukkigen zich
+daarheen brengen. Op dat punt is de Hoogvlakte er beter aan toe dan Medan, waar de leprozen in al hun afzichtelijke verderfelijkheid
+vrij door de straten loopen. Het gouvernement geeft hierin de zending steun&#8212;en niet zonder dwingende noodzaak: want behalve
+dat de sterke arm der politie nu en dan toch en terdege noodig is om orde <span class="pagenum">[<a id="pb304" href="#pb304">304</a>]</span>te houden onder de melaatschen, is ook de geldbuidel van den staat noodig om aan hun onderhoud tegemoet te komen. De familie
+der lijders namelijk laat hen gewoonlijk aan hun lot over: het eerste medelijden, dat dringt tot het brengen van eten aan
+den balling uit het gezin, verflauwt nog al spoedig. Medelijdend zijn de Bataks nu eenmaal niet, of, althans, niet lang achtereen.
+Als een moeder bij de geboorte van haar kind sterft (het gebeurt nog al eens) begraven zij doode moeder en levend kind te
+zamen. Een zendelingsvrouw, die ik leerde kennen, redde een paar van de kleine slachtoffers, verhongerd en half-dood al, en
+koesterde ze weer gezond. Toen dat bekend was geworden, brachten de Bataks haar van links en rechts moederlooze kinders in
+huis. De eigen families schoven den last bedaard van zich af. Vlak daartegenover staat de hulpvaardigheid, die Bataks elkander
+in het algemeen bewijzen, en ook de hooge eer waarin zij het moederschap houden, en hun wensch naar kinder-rijkdom, die tot
+uiting komt in allerlei al lang tot vaste gezegden en gemeenplaatsen geworden heilwenschen bij elk huwelijk gedaan, en in
+het stereotype slot van oude verhalen: zij leefden gelukkig en hadden zeer vele kinderen. Er zijn wel meer van die tegenstellingen
+in het Batak-karakter, moeilijk te begrijpen voor den vreemdeling: de verslagen van het Zendinggenootschap bewaren voorbeelden
+bij menigte ervan, zooals zij trouwens over het geheel een rijke bron van kennis zijn voor het zedelijk en verstandelijk zoowel
+als voor het stoffelijk leven van dit volk.
+
+</p>
+<p>De zending, die sedert 1890 onder de Doesoen Bataks en sedert 1905 op de Hoogvlakte werkt, heeft ook het onderwijs in de hand
+genomen en wordt daarbij door de regeering met groote subsidies gesteund. De bewondering, die de zelfopofferende arbeid <span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305">305</a>]</span>der zendelingen voor het lichamelijk welzijn der Bataks en voor wat zij het geestelijk heil van dit volk achten, van elken
+onpartijdige vergt, behoeft hem niet te dwingen tot medegaan met hun en der regeering gedragslijn op het gebied van het onderwijs.
+Het onderwijs is voor de zending, uit den aard der zaak, een middel om het christendom ingang te doen vinden: niets minder,
+maar ook niets meer. Daardoor wordt het van het doel op zichzelf, dat het behoort te zijn, een middel en van hoofdzaak een
+bijzaak. Bij dit principieele bezwaar komt nog een practisch, op zichzelf al voldoende, om de beste bedoelingen en de ijverigste
+pogingen te verijdelen: gebrek aan onderwijzers. De zending is begonnen met zooveel mogelijk scholen te bouwen, en in die
+scholen, waarvoor zij geen onderwijzers had, als schoolmeesters inlanders te plaatsen die zoowat konden lezen, schrijven en
+rekenen. In het beste geval waren het kweekelingen uit de zendingsschool in de Minahasa. De onvoldoende getallen werden aangevuld
+zoo goed en zoo kwaad als het ging. Gewoonlijk ging het kwaad. Waar zouden opeens de leerkrachten vandaan gekomen zijn? Als
+er dus een getal van 46 scholen met een bevolking van 3677 leerlingen genoemd wordt in officieele verslagen, zijn het geen
+&#8220;scholen&#8221; noch &#8220;leerlingen&#8221; in den zin dien men gewoon is aan die woorden te hechten. De zending inspecteert haar scholen
+en de inspecteerende ambtenaar van het inlandsche onderwijs heeft het oppertoezicht. De ambtenaar, onder wien de Hoogvlakte
+ressorteert, heeft ongeveer honderd gouvernementsscholen op ver uiteen gelegen plaatsen te inspecteeren; en van andere, waaronder
+die der Bataksche zending, ongeveer zeshonderd, eveneens her en der verspreid. De zendelingen op de Hoogvlakte zijn met hun
+drie&euml;n (een vierde, die hulp-onderwijzer is, heeft voor uitsluitend <span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306">306</a>]</span>werk de vorming van inlandsche onderwijzers aan een nieuw opgerichte kweekschool) en hebben met hun drie&euml;n de zorg voor een
+bevolking van 130.000 zielen. Uit die getallen make men zich een voorstelling van den toestand; dan zal men er niet verbaasd
+over staan dat bij een examen voor de locale schoolcommissie van uit de zendingsscholen voortgekomen aspirant-onderwijzers
+werk te voorschijn komt, o.a. in sommetjes&#8212;optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen met heele getallen,&#8212;dat niet anders
+bewijst dan de eigen, dringende behoefte aan onderwijs van het overgroote meerendeel dier onderwijzers-in-hope. Er bestaat
+nu een kweekschool. De jongens die daar komen, leerlingen van de zendingsschooltjes, hebben na het verlaten van die scholen
+een paar jaar in den kampong rondgeloopen (hun ouders en zijzelven verkiezen dat zoo) en moeten weer van voren af aan beginnen.
+Aan het hoofd van de school staat een Hollander, een zendeling, die de akte van hulponderwijzer heeft. Die hulponderwijzer
+is de eenige, zegge de eenige, Hollander in die geheele menigte van &#8220;onderwijzers,&#8221; zijnde en wordende. Bij zulke toestanden
+vermogen persoonlijke eigenschappen, ook de voortreffelijkste en zeldzaamste, maar weinig. Tenzij de regeering met der regeering
+krachten doe wat der regeering is, zal van de beschaving, die in den vorm van onderwijs van Nederland uit moet gaan, aan den
+Batak niet veel ten goede komen.
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb307" href="#pb307">307</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e2032src" id="xd0e2032">1</a></span> Belasting in geld: progressief van 2&frac12;&nbsp;% voor een inkomen per gezin van &#402;&nbsp;50 in &#8217;t jaar tot 4&frac12;&nbsp;% voor een inkomen van &#402;&nbsp;630
+en daarboven. Heerendiensten 40 dagen per jaar als maximum: 4 daarvan zijn voor de hoofden. Bij wegenarbeid wordt de nacht
+op het werk doorgebracht gerekend voor &frac12; dagarbeid, in de practijk is het maximum 24.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch28" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Westkust van Sumatra</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n enkele uren draagt de langs een tandradbaan klimmende trein den reiziger uit het witte en het zwarte stof van Emmahaven
+naar Fort de Kock. De spoor dient voor het vervoer van de Ombilinsteenkool, waarvan datzelfde zwarte stof afkomstig is, en
+dat merkt men zoowel aan den buitengewoon lagen prijs van het vervoer (het personenvervoer is immers maar een bijzaak naast
+de hoofdzaak, het steenkolenvervoer) als aan het schrikkelijke stuiven en warrelen van scherp steenkolenstof in de wagens
+en aan de wolken stinkenden en verstikkenden rook. De onaangenaamheden zijn trouwens gering in vergelijking met de onberekenbare
+voordeelen die de steenkool de streek heeft aangebracht. En verder is de reis zoo mooi, dat men al spoedig aan niet anders
+dan aan genieten en bewonderen meer denkt. Door aldoor stijgend landschap gaat de weg, in lange slingeringen. De kloof der
+Anei gaat open. Achter trage golvingen van den grond rijzen heuvels op, dan berghellingen, donker oerwoud, waarvan schuimwit,
+de beken met wervelende watervalletjes afstorten in de onstuimige rivier, grijs-blauw als een alpenstroom wanneer de sneeuw
+smelt. Al koeler waait de wind den uitkijkende in het gezicht. De Inlanders <span class="pagenum">[<a id="pb308" href="#pb308">308</a>]</span>die aan de stopplaatsen langs de lijn wachten, de jonge meisjes vooral, hebben een roodachtigen schijn door het bruin der
+wangen spelen.
+
+</p>
+<p>Fort de Kock ligt binnen een krans van bergen, Merapi, Singalang, Sago, Ophir, en de tallooze lagere kruinen en deinende heuvelklingen,
+die groen en bruin golven tusschen het blinkende blauw dier steile toppen. De frischheid van de bergen ligt als een waas over
+alle dingen in het stadje. Er is overal geruisch en geklok van water, een glans van natte rijstvelden in diepte van golvige
+dalletjes, heel licht groen op de hellingen, een koele lucht, een reuk van bloemen, die rijk bedauwd in de zon staan. Alle
+tuinen zijn vol rozen. Zelfs zoo maar in het wild langs veldweggetjes en tusschen hagen bloeien licht-roode maandrozen. En
+scheiding tusschen landstraat en erven maakt niet een gemetseld muurtje of houten heining, maar het dichtste gewas van breedbladige
+heesters, overschitterd van goud-geel gebloemte.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p309.jpg" alt="Zoo goed als de vrouwen kennen de mannen een prachtigen tooi voor feestdagen." width="720" height="472"><p class="figureHead">Zoo goed als de vrouwen kennen de mannen een prachtigen tooi voor feestdagen.</p>
+<p>Fotogr. Nieuwenhuis<span class="corr" id="xd0e2102" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Op zijn aardigst is Fort de Kock &#8217;s Zondags, wanneer het pasar is. De straat loopt omhoog naar het wijde marktplein, geleidelijk
+eerst, dan, steil, als een heel breede trap, zooals men in Italiaansche stadjes wel ziet. Van de hoogte af, waar men staat
+als aan den rand van een recht-afvallend ravijn, ziet men uit de lage verte van den weg, wit blinkend tusschen het groen van
+boomrijen, het pasarvolk er aankomen, stuwend als een langzame bonte rivier. Boven het vlak der voetgangers steken hotsende
+karbouwenkarren op. Aan den voet van de steilte verdeelt zich de stroom. De hotsende karren, achter de breede grauwe buffelbeesten
+aan, stuwen, n&ograve;g langzamer, tegen den traag-stijgenden weg op, die langs het aardige park tegenover het residentie-erf buigt,
+overschaduwd door een reusachtig-spreidende groep waringins. De voetgangers beklimmen de breede <span class="pagenum">[<a id="pb310" href="#pb310">310</a>]</span>trap. Aan den kant, in de waringin-schaduw, staan de eerste stalletjes. Daar begint al het markten, het gonzende gebabbel,
+het toonen en bekijken. De helder gekleurde baadjes van de vrouwen, waar de slendangs en de op een bijzonder sierlijke wijze
+gevouwen hoofddoeken in afstekende tinten tegen uitblinken, maken den zonneschijn bont. Op het wijde plein, waar de markt
+gehouden wordt, heeft het bestuur enkele jaren geleden loodsen laten bouwen; sedert is het verkeer z&oacute;&oacute; toegenomen, dat jaarlijks
+&#402;&nbsp;20.000 aan pacht voor verkoopplaatsen in de negari-kas komt en het getal pasar-bezoekers op drukke dagen tot 40.000 stijgt.
+Men krijgt een goeden indruk van de welvaart der bevolking en van haar nijverheid en handelsgeest hier. De menschen zijn,
+over het algemeen, goed gekleed. Niet mooi, wel is waar; vooral jonge vrouwen en alle aankomende meisjes loopen in een soort
+vormloos, om den hals als een zak dichtgehaald hemd met lange mouwen: en de eigenlijke landsdracht, door die onbeholpen nabootsing
+van slechte Westersche modellen al meer en meer verdrongen, de lange kabaja, die, aan den hals ondiep ingespleten, over het
+hoofd heen wordt aangetrokken, en tot over de knie&euml;n afhangt, is al evenmin sierlijk, al helpt hier de bonte, aardig gedrapeerde
+slendang, en de hoofddoek, geplooid op een heel eigenaardige en sierlijke wijze, die, wonderlijk genoeg, herinnert aan den
+hoofdtooi van de vrouwen op sommige vroeg-Italiaansche schilderijen. Maar zoo al niet bevallig, w&egrave;l goed verzorgd, zindelijk
+en frisch van kleur is over het algemeen de kleedij van de vrouwen, die daarenboven nog vermooid wordt door allerlei gouden
+en zilveren sieraad. De dracht van de mannen is, als overal buiten Java en Bali, leelijk en karakterloos. Maar dat zij, even
+goed als de vrouwen, een geheel anderen tooi kennen voor feestdagen, en wat meer beteekent, <span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312">312</a>]</span>dat het volk het geld heeft om zich dien tooi aan te schaffen, ziet men in de kraampjes van Silindoengsche weefsels en sarongs
+uit Atjeh. Dat is allerprachtigst goed, het eene geheel doorschijnend, het andere stijf en hard van dichtheid, zijde alle
+twee en doorweven met goud- en zilverdraad. Een Siloengkangsche sluier kost een tien tot vijftien gulden, een sarong uit Atjeh
+van vijf en twintig tot tachtig. Men ziet hier ook waar het geld vandaan komt, dat tegen zulke kostbare dingen opweegt; ten
+minste, waar het voor een groot deel vandaan komt; van den handel, dien het volk in eigen handen heeft. Op dezen geheelen
+vollen pasar, waar naast de voortbrengselen van het vruchtbare land, import uit Europa, Amerika, Britsch-Indi&euml;, Siam, China
+en Japan te koop ligt, is niet &eacute;&eacute;n vreemde koopman, Chinees noch Arabier te zien. Op Java hebben die het heft in handen, de
+Chinees die zijn winkels en werkplaatsen over het heele eiland heeft staan, de Arabier die rondgaat met het linnen geldzakje
+over den schouder, waar de Javaan zoo weinig uithaalt en zooveel in terug brengt. Op Borneo zijn het Chineesche stoomertjes,
+die de Barito bevaren om boschproduct. Zelfs op de Bataksche hoogvlakte zijn het Chineezen, die den opkoop van vruchten, groenten,
+eieren en kippen georganiseerd hebben voor de markt te Medan en den zorgeloozen Batak, behalve de moeite ook de winst afnemen.
+De Minangkabauer echter doet zijn eigen zaken zelf af.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p311.jpg" alt="Minangkabausche kinderen." width="519" height="694"><p class="figureHead">Minangkabausche kinderen.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p313.jpg" alt="Als zij zich tooien voor een feest dragen de vrouwen van Minangkabau prachtige weefsels, sluiers van Siloengkang en zijden sarongs met zilver en goed doorwerkt." width="720" height="473"><p class="figureHead">Als zij zich tooien voor een feest dragen de vrouwen van Minangkabau prachtige weefsels, sluiers van Siloengkang en zijden
+sarongs met zilver en goed doorwerkt.
+</p>
+<p>Fotogr. Nieuwenhuis<span class="corr" id="xd0e2120" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Rondom Fort de Kock ligt een krans van welvarende dorpen, daar kan men zien hoe dit volk zijn huizen bouwt. Het verval in
+stijl en goeden smaak, dat een onafscheidelijke schaduwzijde is van de hier en nu nieuw groeiende dingen, doet zich ook hier
+gevoelen aan haastig saamgeflanste vierkante bouwsels onder een dak van gegolfd zink. Maar er is toch <span class="pagenum">[<a id="pb314" href="#pb314">314</a>]</span>nog overvloedig genoeg van inheemschen trant om zulk een dorp een lust voor de oogen en voor de gedachte te maken. De huizen
+staan hoog, dikwijls op palen; een trap, die soms van steen gemetseld is en met treden en balustrade in sierlijken zwaai zich
+opricht, klimt naar den ingang. De deur is versierd met snijwerk, dat in sprekende kleuren beschilderd is. In overeenstemming
+met de versiering der deur is de geheele wand van het houten huis getooid; een breede lijst kleurig snijwerk loopt beneden
+langs de ramen; een smallere boven, waarvan de kleuren en de figuren licht gedempt worden door de schaduw van den dakrand,
+en waar, in den wind wuivend, allerlei fijn plantengroeisel over afhangt, orchidee&euml;n en varens, mossen, teer slingergewas,
+dat in de dichtgespreide palmvezel van het dak, de zwarte idjoek, zijn behoef aan voedsel en vochtigheid vindt. Boven al dat
+bonte van groen, kleur en soms sober aangebracht verguldsel, rijst het dak donker en hoog, met een lange nok, gebogen als
+de halve maan, waarop een tweede, kleinere nok rust, volgens dezelfde schoone lijn gebogen, zoodat vier slanke, scherpe spitsen
+twee aan twee oprijzen tegen de lucht. Aan de huizen van rijke geslachten&#8212;want het huis is onvervreemdbaar familiebezit hier&#8212;is
+nog een afzonderlijke uitbouw aangebracht in de lengte, van de vloerbalken tot aan de spits van den gevel zoo kwistig gebeeldhouwd,
+beschilderd en verguld, dat het denkbeeld van bouwwerk verdwijnt, voor dat van een architectonisch kleinood. En de schoonheidszin
+van den Minangkabauer heeft met den bouw van zulk een woning nog geen volle bevrediging gevonden. Neen! nu moet hij ook zijn
+voorraadschuur nog bouwen en tooien in denzelfden trant. Dwars door een tuin, die vol bloemen en bloeiend vruchtgeboomte staat,
+maakt hij een breed pad naar den ingang van zijn <span class="pagenum">[<a id="pb316" href="#pb316">316</a>]</span>erf; en aan weerszij daarvan zet hij een kleine rijstschuur, als een wieg van onder smal en van boven breed, op palen geheven,
+met een overhangend dak gedekt, en aan alle vier de wanden, van beneden tot boven, bont van vroolijk-kleurig ornament. Zulk
+een woonstee met den blauwen Indischen hemel er boven, en het welige groen der gaarde half verbergend, half omlijstend, rondom,
+iets mooiers is niet te bedenken. En het genot van den beschouwer wordt volkomen door de wetenschap, dat die verheugelijke
+woning een vesting is en een sterkte, onneembaar voor welken vijandelijken nood ook, onvervreemdbaar de tijden door, waarin
+van moeder op dochter, al een geheele afdalende reeks gezinnen uit hetzelfde geslacht zijn kinderen heeft grootgebracht, en
+waarin nu nog ongeborenen zullen opgroeien, even veilig als eens die eersten, wier trots op het familiebezit in den rijken
+tooi van huis en voorraadschuren zijn uiting vond.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p315.jpg" alt="Een Minangkabausch huis is een lust voor de oogen." width="523" height="691"><p class="figureHead">Een Minangkabausch huis is een lust voor de oogen.</p>
+<p>Fotogr. Nieuwenhuis<span class="corr" id="xd0e2134" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Althans, zoo zal het wezen, indien het aloude stelsel ongerept blijft, dat de Minangkabauer tot nog toe heeft gehandhaafd,
+zelfs tegen den geestdrijvenden Islam in, het matriarchale stelsel. Maar zal dat oude blijven? Het is de vraag. Het heeft
+nieuwe vijanden gekregen in dezen allerlaatsten tijd.
+
+</p>
+<p>Volgens de jongste onderzoekers van de geschiedenis van het matriarchaat is deze vorm van het gezinsleven, voortgekomen uit
+de uitbreiding van den exogamischen huwelijksregel over een geheele groep van onderling gehuwde stammen verloren gegaan daar
+waar een volk van het zwervende jagersleven overging tot landbouwbedrijf en handel. Toen de man de plaats van kostwinner voor
+het gezin hernam, door de vrouw bezet gehouden zoo lang haar arbeid in den landbouw in het klein meer leeftocht verschafte
+dan de zijne op de wisselvallige jacht, hernam hij ook de overmacht, en het patriarchale recht werd buiten alle vergelijking
+<span class="pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318">318</a>]</span>grooter dan ooit het matriarchale geweest was.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p317.jpg" alt="De Minangkabauer bouwt een rijstschuur die gelijkt op een wieg, op palen gezet en spits overkapt." width="524" height="683"><p class="figureHead">De Minangkabauer bouwt een rijstschuur die gelijkt op een wieg, op palen gezet en spits overkapt.</p>
+<p>Fotogr. Nieuwenhuis<span class="corr" id="xd0e2148" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Bij de Minangkabauers is het echter anders gegaan. De landbouw is hun voornaamste middel van bestaan en het zware werk daarvan
+wordt door de mannen verricht. De handel bloeit en is, althans in zijn belangrijkste onderdeelen, geheel in handen van de
+mannen. Maar niettemin heeft onder hen het matriarchale stelsel zich gehandhaafd tot op den huidigen dag toe.
+
+</p>
+<p>Zoo als het in den loop der tijden geworden is, werkt het hoofdzakelijk als een economische bescherming van de familie, vertegenwoordigd
+in de eerste plaats door haar vrouwelijke leden.
+
+</p>
+<p>In de Minangkabausche familie is al het vaste goed, het huis, het erf, het veld, eigendom van de moeder en erfdeel van de
+dochters. Ook hebben zij all&eacute;&eacute;n en uitsluitend het vruchtgebruik daarvan, waarover zij beschikken naar eigen goeddunken. Echter
+mag ook de moeder van dit bezit, dat niet geldt als het afzonderlijk-hare, maar als het bezit der geheele familie, geen, hoe
+gering ook, gedeelte verkoopen of op eenige wijze vervreemden. Alleen in geval van nood, en dan nog alleen na raadplegen met
+en met goedkeuring van de geheele familie, mag het, voor een bepaalden tijd, verpand, wanneer voldoende zekerheid gegeven
+wordt, dat het te rechter tijd weer ingelost zal worden.
+
+</p>
+<p>Op die wijze is het beschermd tegen slecht beheer en verkwisting van den man niet alleen, maar evengoed tegen slecht beheer
+en verkwisting van de vrouw zelve. Raadgever en helper van de gezins-moeder, vertegenwoordiger van haar en haar gezin naar
+buiten en verdediger van hun rechten, is haar oudste broeder. De geheele familie waakt er voor dat hij zijn plichten vervult
+en van zijn rechten geen misbruik maakt. En zijn erfgenamen zijn niet zijn eigen kinderen, maar de kinderen zijner zuster,
+wier toeziende <span class="pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319">319</a>]</span>voogd (om met een nieuwtijdsch woord de oude betrekking te noemen) hij levenslang is geweest. Zijn opvolger, of in het (zeldzame)
+geval van ontzetting zijn vervanger, is de in leeftijd op hem volgende broeder, of bij ontstentenis, naaste mannelijke bloedverwant
+in de vrouwelijke linie. De echtgenoot, van zijn kant, staat in dezelfde verhouding tot en vervult dezelfde plichten jegens
+zijn eigen, vrouwelijke, familie, als nader hem aangaande dan het uit zijn huwelijk voortgekomen gezin. Zoo houden de oudere
+vormen van verwantschap en huwelijk te midden van de nieuwere overheerschend stand.
+
+</p>
+<p>De Minangkabauers hebben bij deze inrichting hunner maatschappij zich klaarblijkelijk w&egrave;l bevonden. Want zij hebben met hand
+en tand er aan vastgehouden, de tijden door, tegen alle vreemde invloeden in. En zoo ijverige Mohammedanen ze zijn, tegenover
+het <span class="corr" id="xd0e2163" title="Bron: Mohamedaansche">Mohammedaansche</span> patriarchaat hebben zij hun matriarchaat gehandhaafd. Zelfs de Padris hebben die oude sterkte niet kunnen slechten. Zij staat
+op den huidigen dag nog vast. En als men hier, waar trouwen, scheiden en hertrouwen toch even gemakkelijk gaat als op Java,
+en ook, als op Java, het huwelijk polygaam is, niet als op Java, verstooten vrouwen vindt die bedelen of zich verkoopen en
+verlaten gezinnen die te gronde gaan, dan is dat te danken aan het matriarchaat. De Javaansche en de Minangkabausche familie
+zijn te vergelijken bij een rijstveld op de bergen en een rijstveld in het dal. In een mild seizoen staat ook het van regen
+afhankelijke bergveld welig en onder de zorg van een goeden vader gedijt ook het Javaansche gezin. Maar er zijn dorre jaren
+en er zijn nalatige vaders. Het rijstveld in de vlakte echter, door leidingen bevloeid en omringd met dijkjes, groent en bloeit,
+ook al valt weken achtereen geen regen, en het Minangkabausche gezin <span class="pagenum">[<a id="pb320" href="#pb320">320</a>]</span>heeft dak, voedsel en kleedij, ook al is de vader een verkwister of een doeniet.
+
+</p>
+<p>Dat is de goede kant van het oude stelsel.
+
+</p>
+<p>Maar er is een andere.
+
+</p>
+<p>De Europeesche tegenstanders van het matriarchaat beweren dat het de mannen lui en zorgeloos maakt, omdat zij zich altijd
+zeker voelen van een toevlucht in het moederhuis; en onverschillig voor hun kinderen en voor eigen-gewonnen geld tegelijkertijd
+omdat zij toch aan die kinderen dat geld niet kunnen nalaten, maar altijd de gedachte hebben dat zij werken en sparen voor
+hun zusters-kinderen. Van Inlanders zal men zulk een redeneering niet hooren. Zij schijnt ook moeilijk te bewijzen. Een doe-niet
+zou niet geduld worden in het moederhuis. De handelsgeest en ondernemingszin van den Minangkabauer, die den Chinees en zelfs
+den Arabier van de markt houdt&#8212;en dat niettegenstaande zijn overdreven vereering van al wat met den Islam samenhangt&#8212;bewijst
+voldoende dat, integendeel, de uitsluiting van erfelijk bezit middellijk gunstig op hem heeft gewerkt: een geval te vergelijken
+bij dat van jongere zoons uit Engelsche groot-grondbezittersfamilies, die door noodzaak gedreven, den weg van den arbeid opgaan,
+en krachten ontwikkelen die anders waarschijnlijk verschrompeld zouden zijn. Immers, nergens anders dan in Engeland vindt
+men afstammelingen van aanzienlijke geslachten menigvuldig onder de uitbreiders en vermeerders van het rijk. En wat de onverschilligheid
+omtrent hun kroost betreft, zij wordt in gelijke zoo niet hoogere mate gevonden onder de patriarchaal georganiseerde bevolking
+van de overige eilanden van den Archipel. De Minangkabauers met wie ik hierover sprak waren eenparig van oordeel dat, hier
+zoowel als ginder, die onverschilligheid een der vele treurige gevolgen is <span class="pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321">321</a>]</span>van het polygame huwelijk, dat het vormen van een eensgezind gezin belet, en den groei van al de zachte gevoelens die daaruit
+ontkiemen. Hun grieven tegen het matriarchaat,&#8212;want ook Inlanders en vooral de vooruitstrevenden onder hen hebben die&#8212;hun
+grieven waren andere. Zij achten in de eerste plaats de vrouw zelve benadeeld er door. De &#8220;adat,&#8221; die haar veiligheid verleent,
+ontneemt haar vrijheid en de mogelijkheid van zelfstandige ontwikkeling.
+
+</p>
+<p>Als het kind meisje wordt, sluit men haar op in het moederhuis, en daar blijft zij, als een gevangene haast, zoo streng bewaakt,
+tot den dag van haar huwelijk toe. Zelfs naar den pasar gaat zij niet, noch naar het veld. Op den akker&#8212;dien de vaders en
+de broeders bebouwen&#8212;ziet men niet anders dan kleine meisjes of oudere vrouwen, het allerlichtste werk verrichten en den mannen
+het eten brengen. In het oorspronkelijke matriarchale stelsel past die opsluiting van de vrouw niet, zoomin als haar uitsluiting
+van den veldarbeid, die immers juist haar eigen en eigenlijk werk was in de allervroegste tijden. Dat moet onder den invloed
+van den Islam er in zijn gekomen. Het is te begrijpen dat het den vrouwen veel kwaad doet. En nog meer, zoo mogelijk, schaadt
+hen het vroege huwelijk. Het is geen zeldzaamheid dat een meisje van twaalf, dertien jaar wordt uitgehuwelijkt. Zij kent haar
+aanstaanden man niet, noch hij haar, geen van beider toestemming wordt gevraagd, de wederzijdsche ouders beslissen en handelen
+voor hen. Het meisje krijgt in den regel (in de streek rondom het meer van Singkarah gebeurt dat niet, naar ik van inlanders
+hoor) een bruidschat mee. Waar dit de regel is, houdt men zich zoo stipt daaraan, dat de adat de verplichting tot het meegeven
+van den bruidschat heeft gemaakt tot een van de vier gevallen waarin vaste goederen verpand mogen <span class="pagenum">[<a id="pb322" href="#pb322">322</a>]</span>worden.<a class="noteref" id="xd0e2180src" href="#xd0e2180">1</a> Het jonge paar krijgt een vertrek in het moederhuis ter bewoning. Ook getrouwd blijft dus een vrouw onder de bescherming
+wel, maar tevens onder het gezag van haar moederlijke familie, in het bijzonder van het hoofd dier familie, den oudsten broeder
+der moeder, den &#8220;mamak.&#8221; Tot een eigen, zelfstandig familie-leven komt zij nooit. Het gebeurt wel, dat een man, die een voldoend
+eigen inkomen heeft, een huis inricht in de kampong waar zijne vrouw bij hem komt inwonen. Maar ten eerste is zulk een inkomen
+een betrekkelijk zeldzaam voorkomend iets, daar een man verplicht is met het zijne zijn moeder en zusters bij te staan. En
+verder is ook onder de Minangkabauers het polygame huwelijk in zwang. De drie of vier vrouwen van een man wisselen elkander
+af in zijn huis. En geen van allen beschouwt het als het hare of wijdt er eenige de minste zorg aan. Nog liever dan in zulk
+een schijn-tehuis zijn zij in de moederlijke woning, onder der moeder gezag en dat van den &#8220;mamak.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op de jongens werkt het stelsel even ongunstig in den tegenovergestelden zin: inplaats van dwang bewerkt het voor hen bandeloosheid.
+Op zijn tiende jaar al&#8212;en soms vroeger nog&#8212;gaat een jongen het moederhuis uit en krijgt zijn plaats in een der gemeenschappelijke
+mannen-huizen van het dorp. Hoe hij daar opgroeit is na te gaan: in het wilde. Lichamelijke verwaarloozing is het minste nog
+van de kwaden, waartoe hij, noodzakelijkerwijze, vervalt. Het wordt ook niet beter als hij opgroeit en trouwt. In het huis
+<span class="pagenum">[<a id="pb324" href="#pb324">324</a>]</span>van zijn vrouws familie blijft hij de gast. Rechten heeft hij enkel in het mannenhuis van zijn eigen familie, in de &#8220;soerau.&#8221;
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p323.jpg" alt="Aanzienlijke vrouwen." width="522" height="398"><p class="figureHead">Aanzienlijke vrouwen.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Dit dan zijn de, inderdaad, ernstige grieven, die ontwikkelde Minangkabauers hebben tegen het in andere opzichten weer hoog
+door hen gewaardeerde matriarchaat.
+
+</p>
+<p>Het stelsel begint te brokkelen, niet door hun of iemands persoonlijk toedoen, maar onder de inwerking van veranderende&#8212;en
+in al sneller tempo veranderende&#8212;omstandigheden. De Minangkabauer is buitengewoon intelligent, hij bezoekt vlijtig en met
+uitstekend gevolg de gouvernementsscholen, hij slaagt bij examens, hij wordt ambtenaar, en het is uit met het leven in de
+kampong. Hij moet gaan waar zijn ambt hem roept. Nu kan hij niet langer een min of meer tijdelijke inwoner zijn in het huis
+van zijn schoonmoeder. Hij moet een eigen huis hebben, een eigen gezinsleven is het gevolg; aan welk gevolg weer een geheele
+reeks gevolgen hangt. Veelal is het monogame huwelijk daaronder. Verder laat de oude structuur los op die plekken waar de
+behoefte aan gereed geld er aan gewrikt heeft. Het adat-verbod van verkoop van vaste goederen wordt door hoe langer hoe meer
+bezitters in den wind geslagen: het k&agrave;n niet gehandhaafd in vele gevallen. Een nieuwe ontwikkeling is, door denzelfden nood
+begunstigd, onder de vrouwen begonnen. Zij gaan naar nieuw-opgerichte industriescholen om kant te leeren maken, dien zij verkoopen.
+Verscheidenen al kunnen lezen en schrijven, zelfs onder de ouderen; de meisjesscholen zijn vol. Een pionierster van de vrouwenbeweging,
+de dochter van een inlandschen onderwijzer aan de kweekschool te Fort de Kock, heeft als eenig meisje onder al die jonge mannen
+den cursus afgeloopen en een buitengewoon goed examen afgelegd. Zij is <span class="pagenum">[<a id="pb325" href="#pb325">325</a>]</span>nu naar Batavia gegaan om te leeren voor de Nederlandsche hulponderwijzers-acte. De zoon van denzelfden vooruitstrevend-gezinden
+voorganger van zijn volk is te Batavia werkzaam op een handelskantoor en verloofd met een meisje dat hij in zijn vaders huis
+heeft leeren kennen, en met wie vrije keuze hem verbonden houdt. Dat alles zijn dingen die tegen den ouden adat, zooals hij
+oorspronkelijk is en z&oacute;o als hij onder vreemde invloeden is geworden, rechtstreeks ingaan. De strijd is begonnen tusschen
+het oude en het nieuwe. Men moet hopen, dat de uitkomst het goede ongerept zal laten dat het oude, terecht, aan vele harten
+dierbaar maakte, en eerwaardig.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326">326</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e2180src" id="xd0e2180">1</a></span> De drie andere gevallen zijn: als er geen geld is voor de begrafenis van een lid der familie, geen geld om het begonnen familiehuis
+af te bouwen, geen geld om een schuld bij hanengevechten aangegaan, te voldoen, voor het geval de verliezer een &#8220;penghoeloe,&#8221;
+een dorpshoofd is.&#8212;De bruidschat is soms verkeerdelijk voorgesteld als de &#8220;koopsom&#8221; van den man.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch29" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Nieuwe ontwikkelingen ter Westkust van Sumatra</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-i.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">I</span>n een bijzondere mate is de Minangkabauer ontvankelijk voor het nieuwe, wanneer de deugdelijkheid daarvan hem op overtuigende
+wijs wordt aangetoond. De algemeene houding van den Oosterling (bewesten Suez verandert dat als bekend) tegenover een nieuw
+denkbeeld is die van den welgestelden huisbewoner tegenover een inbreker: woedend verbarricadeert hij alle deuren van zijn
+verstand. Maar de menschen van Minangkabau&#8212;althans een gestadig toenemend getal onder hen, dat wel binnenkort de meerderheid
+zal worden&#8212;gaan een nieuw idee tegemoet als een bezoeker; en gaarne met welkom en eerbewijs. Duidelijker dan aan iets anders
+kan men dat zien aan den groei en de uitwerkingen van de kweekschool voor onderwijzers te Fort-de-Kock.
+
+</p>
+<p>De instelling heeft al een lange geschiedenis. Meer dan een halve eeuw is het reeds geleden dat na het houden van een enqu&ecirc;te,
+waarbij bleek, dat het Inlandsche onderwijs ter Westkust van Sumatra ten eenenmale onvoldoende was, de regeering overging
+tot het oprichten te Fort-de-Kock, van een normaalschool; uit die normaalschool is de tegenwoordige kweekschool voor Inlandsche
+onderwijzers voortgekomen.
+
+</p>
+<p>De normaalschool leverde de resultaten niet op, <span class="pagenum">[<a id="pb327" href="#pb327">327</a>]</span>die men er van had verwacht. Het lag voor een deel aan het gehalte der leerlingen die, vrijwel onvoorbereid, van hier en ginder
+kwamen; voor een deel aan het gehalte van de onderwijzers. Nieuwe onderwijskrachten als men van de school had gehoopt, bracht
+zij niet voort. De leerlingen werden ambtenaars&#8212;klerken, pakhuismeesters, vaccinateurs, opzichters bij de (toen nog van gouvernementswege
+gedreven) koffiecultuur. Een hervorming aan hoofd en leden was noodig. Zij geschiedde in &#8217;73. De school werd uitsluitend bestemd
+voor opleiding van Inlandsche onderwijzers. Er kwamen Hollandsche onderwijzers aan het hoofd&#8212;een directeur en tweede onderwijzer,
+die beide de hoofdacte moesten hebben, een derde met hulp-acte, en verder deugdelijk geschoolde Inlandsche onderwijzers; en
+er werd een ruim program van studie opgemaakt, waarin de Hollandsche taal plaats had, en verder rekening werd gehouden met
+de behoeften van den Inlandschen dorpeling. Dadelijk stroomden de leerlingen toe: zelfs getrouwde mannen kwamen op de schoolbanken
+zitten om van dit heilzame nieuwe hun deel te ontvangen. Het werd al spoedig noodig de school uit te breiden. Een nieuw gebouw
+werd gezet, waarin vijftig inwonende leerlingen ieder een kamer hadden; daarop een externen-school op hetzelfde terrein, waar
+de leerlingen van de hoogste klas der kweekschool onderwijs gaven onder toezicht van de kweekschool-onderwijzers. Toen kwam
+de slechte tijd die aan het onderwijs hier als aan dat door heel Indi&euml; erge scha toegebracht. Een verkeerde zuinigheid beknibbelde
+op het volstrekt noodige. Van 1884 tot 1904 werd geen Hollandsch onderwezen: het gevolg een periode van stilstand in de volksontwikkeling.
+In 1904 echter werd het onderwijs in het Hollandsch weer ingevoerd, de cursustijd met twee jaar verlengd, het Europeesch personeel
+vermeerderd, <span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328">328</a>]</span>en gelegenheid gegeven aan Inlandsche jongelui, die ambtenaar wilden worden, om deel te nemen aan het onderwijs; dit echter
+op eigen kosten, terwijl de aspirant-onderwijzers een toelage van &#402;&nbsp;10.&#8212;(vroeger was het &#402;&nbsp;15) van het gouvernement ontvingen.
+In getale kwamen nu de aspirant-ambtenaars; in getale, niettegenstaande die vermindering van de toelage met een vol derde,
+de aspirant-onderwijzers. Er moest weer bijgebouwd, tot er plaats was voor omtrent honderd inwonende leerlingen. En niettemin
+bleek nog altijd de ruimte onvoldoende. Dat is nog altijd zoo voortgaande. Ik had gelegenheid het te zien tijdens mijn verblijf
+in Fort-de-Kock. De weg voor de kweekschool was van den vroegen ochtend af druk van aspirant-leerlingen, <span class="corr" id="xd0e2216" title="Bron: ge-gekomen">gekomen</span> voor het admissie-examen. En gekomen, van wie weet hoever, wie weet hoe! Er ligt nog maar weinig spoorlijn ter Westkust,
+de reizen moeten gedaan te paard, in karretjes, te voet. Het zijn alleen de meest welgestelden, uitteraard maar een zeer klein
+deel van al de opkomenden, die de reis per as betalen kunnen. Ook een paard is voor verreweg de meesten nog veel te duur.
+Zij gaan te voet&#8212;niet uren ver, maar dag-reizen ver, door de blakende zon, berg op, berg af, ravijnen neer en op, rivieren
+door. Zij eten wat in een blad gekookte rijst, die zij van huis meegenomen hebben, met wat toespijs misschien, hier en ginder
+voor een paar duiten gekocht bij een zoetelaar aan den weg. Zij slapen in het mannenhuis van het dorp, dat zij bij het vallen
+van den nacht nog juist bereikt hebben. Men moet zich dat alles goed voorstellen om te begrijpen, hoe sterk het verlangen
+is dat zulke dorpsjongens om het meerdere weten en het betere bestaan dat zij er kunnen winnen, drijft naar de &#8220;Sekola Radja&#8221;
+te Fort-de-Kock. Er werd me gezegd dat de bij het examen afgewezenen <span class="pagenum">[<a id="pb329" href="#pb329">329</a>]</span>vaak uitbarsten in snikken. Zulk een droefheidsuiting is zeer, zeer zeldzaam bij een Inlander. De teleurstelling moet hem
+wel in het hart geraakt hebben als hij de klacht niet weerhouden kan.
+
+</p>
+<p>De leerlingen komen uit alle gewesten van Sumatra; met de Minangkabauers vermengen zich Bataks van de Hoogvlakte, uit de Doesoens,
+uit de streek rondom het Toba-meer; bewoners van Nias en de kleine eilanden langs de kust; Mandhelingers; Atjehers. De laatsten
+komen niet uit eigen beweging: zij worden gezonden door de regeering, die begrijpelijkerwijs voor de eindelijke pacificatie
+van Atjeh meer verwacht van een goede opvoeding van het komende geslacht, dan van kogels en bajonetten. Zij zijn op de school
+een lastig element, hoovaardig tegenover andere Inlanders, stug tegenover de onderwijzers, met een zekere ostentatie vasthoudend
+aan nationale zeden, waarvan de strenge uiterlijke waarneming van godsdienstige plichten er een is. Er wordt over gedacht
+een apart gebouwtje voor hen te zetten op het erf der kweekschool, om botsingen te voorkomen. Over het geheel is de uitzending
+der Atjehers naar hier een zaak die veel geld kost. Maar hoeveel meer het ook nog mocht wezen, goedkooper dan oorlog voeren
+is het in alle geval, om van belangrijker voordeelen dan enkel-geldelijke nog te zwijgen. Als een bijzonder bewijs van de
+aantrekkingskracht der school&#8212;en tevens wijst het feit op een geheel nieuwe ontwikkeling in het volksbestaan, die, middellijk
+toch ook als een uitwerking van het school-onderwijs moet <span class="corr" id="xd0e2223" title="Niet in bron">worden </span>beschouwd&#8212;als een bijzonder bewijs van haar aantrekkingskracht mag het gelden, dat ook een meisje dezen laatsten cursus heeft
+gevolgd. Zij heeft nu juist een bijzonder goed examen afgelegd. Men stelle zich voor, hoe onverbiddelijk de matriarchale &#8220;adat&#8221;
+het aankomende meisje binnen haar moeders huis opsluit, <span class="pagenum">[<a id="pb330" href="#pb330">330</a>]</span>en hoe vast het denkbeeld geworteld zit in Oosterlingenhersens dat een vrouw niet noodig heeft iets, wat ook, te leeren; en
+mete bij vergelijking de kracht der nieuwe idee over het gemoed van zulk een meisje en van haar ouders. Geen twijfel of op
+den weg, dien zij zoo moedig als eerste is ingeslagen, zullen haar zusters nu spoedig in menigte volgen.
+
+</p>
+<p>Dat de kweekschool zulk een toeloop heeft is te begrijpen als men let op den aard van het onderwijs, en men mag wel zeggen,
+van de opvoeding die de leerlingen er krijgen. Want het is niets minder dan een werkelijke opvoeding. In hun eigen dorp hebben
+zij niets van dien aard gehad&#8212;in hun tehuis kan men niet zeggen, want althans de Minangkabausche man h&eacute;&eacute;ft geen thuis: hij
+groeit in het wilde op in het mannenhuis van zijn familie. En wat de overigen aangaat, een tehuis in onzen zin van het woord
+kennen ook zij niet: hoogstens een plek waar zij slapen en eten. Hier heeft ieder zijn eigen kamer en die moet hij zelf in
+orde en schoon houden. Dat is een heel ding voor hen, vooral voor jongens van deftigen huize, die altijd van kind af bediend
+en gehoorzaamd zijn, en werk met handen gedaan verachten. Maar de regel is onverbiddelijk. En het gelukkige resultaat, dat
+jongens die slordig, vuil en traag waren, toen ze kwamen, ordelijk en op hun omgeving als op zichzelf kieskeurig worden na
+eenige maanden verblijf op de school. Verder geeft het onderwijs hun wat zij in hun dorp kunnen gebruiken: het onderwijs in
+plantkunde komt hun te pas bij de sawah-bewerking, dat in de dierkunde voor hun vee. En tevens winnen zij daarbij voor zichzelven,
+want inplaats van de fantastische voorstellingen omtrent het menschelijk lichaam en gestel, die de Inlandsche overlevering
+hun heeft opgedrongen, en waardoor zij de voorbestemde slachtoffers worden van allerlei kwakzalverij en toovermiddeltjes,
+<span class="pagenum">[<a id="pb331" href="#pb331">331</a>]</span>krijgen zij nu een begrip van bloedsomloop en spijsvertering, waarop zich een doelmatige gezondheidsleer laat opbouwen. De
+natuurkunde bewijst hun eenzelfden dienst tegenover het geloof aan allerlei wonderdadige krachten, die door middel van amuletten
+en spreuken over de machten der natuur te verkrijgen zouden zijn. En ten slotte helpt het onderwijs in de Maleische taal (het
+Riouwsch-Maleisch, in alle scholen van Nederlandsch-Indi&euml; onderwezen) hen over belemmerende dialect-verschillen heen naar
+een nationale taal. Het Hollandsch maakt hun den weg open naar wat zij ooit meer verlangen zullen van kennis.
+
+</p>
+<p>Dat hij het belangrijke van zulke geestelijke aanwinsten inziet, en niet aarzelt v&agrave;n zich te werpen wat hem belemmert in het
+streven daarnaar&#8212;dat is de kenmerkende trek in het karakter van den Minangkabauer.
+
+</p>
+<p>Tegenover de partij der vernieuwers van de inlandsche maatschappij op Sumatra staat die der behoudzuchtigen, hoewel in den
+laatsten tijd zeker verzwakt, nog altijd zeer sterk. De drijvende kracht zijn hier de Hadji&#8217;s, de hulptroepen, de aanhangers
+van den onveranderden matriarchalen adat.
+
+</p>
+<p>Uiteraard zijn de twee eigenlijk vijanden. In het begin van de vorige eeuw heeft de partij der Moslimsche geestdrijvers, de
+Padri&#8217;s, de vreedzame adat-aanhangers te vuur en te zwaard bekrijgd, omdat zij weigerden het matriarchaat op te heffen en
+weigerden zich te onderwerpen aan de tucht der dweepers. Men weet hoe de vervolgden in hun wanhoop den Westerling, Engelschman
+en Hollander, te hulp riepen tegen de eigen landgenooten. En onder de asch van het gedwongen pais-en-vree houden smeult de
+haat der Hadji&#8217;s nog. Want het matriarchaat is den extreem-patriarchaal denkenden Moslim een doorn in het oog; en de adat-aanhanger
+wil van die oude <span class="pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332">332</a>]</span>wet geen tittel noch jota laten vallen. Maar dit groote geschil, zoo goed als kleinere, die de twee partijen in het kamp der
+behoudzucht verdeelen, vallen weg voor den vereenigenden invloed van den gemeenschappelijken haat tegen het nieuwe. Het Westersch-politieke
+woord verstaande in Oosterschen zin, zou men mogen spreken van een coalitie van adat en Islam.
+
+</p>
+<p>Als gezegd, de Islam-partij is de drijvende kracht. Van Mekka uit, waar een kolonie Javanen en Maleiers zich heeft gevormd,
+wordt de geest der dweepzucht aangevuurd. De pelgrims worden in die kolonie gastvrij ontvangen, in zaken van den godsdienst
+onderwezen, aangespoord tot het maken van propaganda. Als drijver keert naar Sumatra menigeen terug die als half-onverschillige
+naar Mekka ging. Ook de Maleische pers wordt in den dienst geprest van het Islamisme, of, beter gezegd misschien, het Pan-Islamisme.
+De oorlog dien Turkije tegen Itali&euml; voert wordt verheerlijkt als een &#8220;heilige oorlog.&#8221; Altijd is de overwinning aan de zijde
+der Geloovigen. Brochuretjes worden verspreid, die niet anders zijn dan schendschriften, om het Nederlandsch-Indisch gouvernement
+verdacht te maken. Zoo grof kan de laster niet zijn of hij vindt geloof. De toon van de manifestaties der &#8220;Ware Russische
+Mannen&#8221; tegen de voorstanders van liberale idee&euml;n en tegen de Joden wordt in deze soort publicaties ge&euml;venaard. De Islam-partijders
+grijpen het voor de hand liggende middel aan om den Inlander tegen het Westerlingen-bestuur op te zetten; zij beschuldigen
+het van afpersing en uitzuiging, en sporen het volk aan tot het weigeren van belastingopbrengst. Men heeft het kunnen zien
+in de laatste troebelen. Het ging niet om die belasting. Zij was zeer laag, men mag wel zeggen te laag, als men in aanmerking
+neemt de welgesteldheid van den Sumatraan, <span class="pagenum">[<a id="pb333" href="#pb333">333</a>]</span>en de armoede van den Javaan, van wiens oneindig hoogere belasting-opbrengst de Sumatraan profiteert bij het voor handel en
+verkeer geschikt maken van zijn land. Zeer gemakkelijk hadden de bewoners der Westkust die geringe belasting kunnen opbrengen.
+Maar de eisch van het gouvernement was juist wat den geestdrijvers in hun kraam te pas kwam om het volk tegen het nieuwigheden-invoerend
+bestuur op te zetten. En zij behoefden niet eens hun moed in te spreken voor een gewapend verzet. Zij gaven hun volgelingen
+wat moed voordeelig verving: het geloof in hun onkwetsbaarheid. Koperen en beenen amuletten, bij hoopen door de vrome sluwaards
+verkocht, (en niet goedkoop ook), waren de denkbeeldige bescherming van de strijders der heilige zaak. In het witte gewaad,
+dat hen als medestanders der Padri&#8217;s, als &#8220;Witte Menschen&#8221; kenbaar maakte, trokken zij op tegen de soldaten, die zij slechts
+met de nagels even behoefden te schrammen, om hen dood neer te doen storten, terwijl kogels en bajonetten noch sabels zouden
+vermogen hunzelven ook maar het lichtste letsel toe te brengen. Zulk wondergeloof is zeker verzwakt geworden door de ontzettende
+nederlaag, die zij toen leden, en door o. a. het zonderlinge toeval, dat een der ergste stokebranden en raddraaiers, die zelf
+voorzichtiglijk buiten het gevaar zich had gehouden waarin hij zijn volgelingen joeg, dat die door een verdwaalden kogel neergeveld
+werd, waar hij schijnbaar veilig op zijn eigen erf stond, verre van het gevecht. Maar geheel te niet gedaan is het vertrouwen
+in spreuken en amuletten daarom niet. Men heeft het dezer dagen kunnen zien, toen een rijke Inlander, bezitter van pepertuinen,
+aangeslagen voor een belasting, waarvan hij het tienvoud gemakkelijk had kunnen betalen, zich weigerachtig toonde en het gouvernement
+tartte dwang op hem toe te passen: hij behoefde maar de <span class="pagenum">[<a id="pb334" href="#pb334">334</a>]</span>hand uit te strekken tegen de politiemannen, om hen dood ter aarde te doen vallen, zulke krachtige tooverspreuken kende hij.
+De man heeft het er werkelijk op aan laten komen. Het zou interessant zijn te weten, wat hij later in de gevangenis gedacht
+heeft over die tooverspreuk. Waarschijnlijk: dat hij een of andere fout had gemaakt bij het opzeggen.
+
+</p>
+<p>De Westerling, zelfs als hij jaren en jaren onder hen gewoond heeft en vriendschappelijk (voor zoover dat mogelijk is) met
+hen is omgegaan, zal altijd vreemd staan tegenover het gemoedsleven van den Oosterling, wiens wordingsgeschiedenis immers,
+als enkeling en als volks-deel, een van zijn eigene geheel verschillende en daarenboven hem slechts gebrekkig bekende is.
+De Westersche reiziger, wien niet dan enkele weken, of op zijn allergunstigst maanden, gegund zijn om een Oostersch land en
+volk waar te nemen, heeft geen keuze dan bij voorbaat van alle diepgaande beoordeelingen afzien. In het onderhavige geval
+zal ik, dit doende, echter wel het oordeel mogen weergeven, dat een zeer ontwikkeld inlander, een man op jaren reeds, van
+bezadigde denk-gewoonten en helder inzicht, tegenover mij uitsprak over de drijfveeren en de doeleinden der Islam-partijders.
+Het is waar, dat hij een overtuigd aanhanger der nieuwe denkbeelden is, en als zoodanig gevaar loopt de onpartijdigheid te
+verliezen tegenover hen die dat nieuwe bestrijden.
+
+</p>
+<p>Volgens hem is het geen vaderlandsliefde, noch overtuiging des harten die de Islam-partij drijft in hun heimelijk-gevoerden
+strijd tegen den Westerling. Hij gaf niet toe, dat die idee van &#8220;vaderland&#8221; eenige macht had over den Minangkabauer, voor
+wien de Atjeher, de Niasser, de Batak, om van den Javaan en den Bandjarees te zwijgen, vreemdelingen zijn,&#8212;niet zoo als de
+Westerling voor hem een vreemdeling <span class="pagenum">[<a id="pb335" href="#pb335">335</a>]</span>is, wel is waar, maar toch: vreemdelingen. En evenmin geloofde hij aan waren godsdienst-ijver. Die immers zou zich moeten
+uiten in de rechtvaardigheid, de gastvrijheid, de barmhartigheid jegens den arme en hulpbehoevende, die de Koran den geloovige
+als plicht voorhoudt; terwijl integendeel deze geestdrijvers woekeraars, bedriegers en uitzuigers zijn. Naar zijn overtuiging
+was wat hen bezielde niet anders dan eigenbelang van het minstwaardige soort. Zij wilden macht om met die macht geld te winnen,
+het meest mogelijke geld van de meest mogelijke menschen. De duiten, die in de staatskas gestort worden en besteed aan wegenbouw,
+bruggen, scholen, dorps-rijstschuren, worden onttrokken aan de moskee-kas en aan hun eigen diepe zakken. Daarvandaan het ophitsen
+tegen dat &#8220;h&ugrave;n&#8221; geld weghalende Westerlingen-bestuur. En te dien einde de politiek van volks-verdomming, door middel van het
+aankweeken van bijgeloof.
+
+</p>
+<p>Als het krachtigste, misschien wel het eenige wapen in den strijd tegen dit soort Pan-Islamisme, prijzen velen de prediking
+van het Christendom. Maar hier schijnt twijfel geoorloofd. De ervaring heeft bewezen, dat het aannemen van de Christelijke
+leer niet hetzelfde is als het afzweren van bijgeloof: onverdachte getuigenis daaromtrent is te vinden in de jaarverslagen
+der verschillende zendingsgenootschappen. Ook kan het geval zich voor-doen&#8212;en inderdaad doet het zich zeer dikwijls voor&#8212;dat
+juist de meest intelligente en ook de van inborst en aanleg beste inlanders tot het Christendom zich niet voelen aangetrokken
+als het hun geboden wordt in de plaats van hun overge&euml;rfden godsdienst. De eene theorie wordt tegenover de andere gesteld:
+zij geven de voortreffelijkheid van die eene boven de andere niet toe. Raden Adjeng Kartini, betreurder nagedachtenis, heeft
+in haar boek welsprekende <span class="pagenum">[<a id="pb336" href="#pb336">336</a>]</span>uiting gegeven aan het gevoel der dusgezinden.
+
+</p>
+<p>Maar hier op de westkust zien wij een ontwikkeling beginnen, die niet als bespiegeling tegenover bespiegeling, maar tegenover
+bespiegeling als daad en werkelijkheid staat.
+
+</p>
+<p>Het voorbeeld van den Westerling heeft den Minangkabauer gebracht tot het besef, dat een beter leven zoowel mogelijk als wenschelijk
+is, dan hij tot nog toe in zijn dorp heeft geleefd. Behoeften zijn in hem wakker geworden, die hij vroeger niet kende. Een
+deugdelijk onderwijs heeft krachten in hem ontwikkeld, door het gebruik waarvan hij die behoeften zal kunnen bevredigen. De
+wisselwerking van toenemende begeerte en voldoening, waarvan de beschaving het resultaat is, is ook voor hem begonnen.
+
+</p>
+<p>Wij zien dat de koffie-cultuur herleeft, die gestorven scheen, toen de hatelijke dwang tot planten en verkoopen werd afgenomen
+van het volk, en dat heuvels en steile berghellingen, vroeger een wildernis van alang-alang, nu zorgvuldig beplant staan met
+fleurige struiken-rijen; dat de sawah-bewerking, lang achterlijk, zoo goed is nu, dat uit Java overgekomen ambtenaren, verwonderd,
+niets te verbeteren vinden, daar alles wat zij dachten in te voeren hier al in gebruik is; dat vrouwen, aan den adat-dwang
+zich onttrekkend, op de hier en daar opgerichte kantscholen een nieuwe kunst komen leeren; dat meisjes met jongens tegelijk
+naar de school gaan en in het Hollandsch examen afleggen in vakken, hun vroeger niet eens bij name bekend; dat schooljongens
+sportclubs oprichten en muziekgezelschappen en gezamenlijk zich abonneeren op Hollandsche tijdschriften; wij zien dat het
+volk begrip van hygi&euml;ne begint te krijgen, dat de Inlandsche arts bij een zieke geroepen wordt inplaats van de doekoen met
+haar tooverkunstjes, en dat de pokken verdwijnen door de veldwinnende <span class="pagenum">[<a id="pb337" href="#pb337">337</a>]</span>vaccinatie; dat, hoe zeldzaam ook nog, gezinnen zich beginnen te vormen van vader en moeder met de kinderen die zij te zamen
+opvoeden tot bruikbare leden der samenleving. Het is niet waarschijnlijk dat de Inlander, zoo ver den weg van het nieuwe al
+opgegaan en zooveel reeds daarbij gewonnen hebbend, tot prijsgave van zulke winst en terugkeer tot het oude zich zal laten
+dwingen, in naam van welke en onder hoe schoonen schijn vertoonde theorie dan ook. Hij behoeft slechts verder geholpen te
+worden op den ingeslagen weg, en de onwaarschijnlijkheid zal onmogelijkheid worden. Uitbreiding tot vele plaatsen van een
+onderwijs als dat te Fort-de-Kock wordt gegeven; credietinstellingen, die den kleinen ondernemer op de been helpen en houden;
+wegen, bruggen en spoorlijnen om den oogst van het boertje in de binnenlanden te brengen op de baan van het wereldverkeer;
+en de drijvers die, baatzuchtig of verdwaasd, met Koranteksten den haat tegen het nieuwe prediken, zullen prediken voor doovemans
+ooren.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb338" href="#pb338">338</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch30" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Europeesche ondernemingen op de Westkust&#8212;Een Theetuin</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-e.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-e.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">E</span>uropeesche moet men wel zeggen: in dit bijzondere geval heeft de algemeene Indische gewoonte van tegenover het Inlandsche
+element niet het Hollandsche te stellen maar het &#8220;Europeesche,&#8221; een goede reden van bestaan: de ondernemers op de Westkust
+van Sumatra zijn, inderdaad, burgers van vele landen van Europa. Op mijn-ondernemingen zijn het vooral Duitschers en Engelschen:
+begrijpelijk genoeg, daar die in hun geboorteland door practijk zoowel als door theorie den mijnbouw leeren kennen. Op landbouw-ondernemingen
+zijn de Hollanders in de meerderheid: waarin misschien de uitwerking gezien mag van de eeuwenoude scholing en de sedert een
+twintig jaar met nieuwe kracht oplevende practijk van ons volk in zaken van akkerbouw en boomteelt. Beide soorten van ondernemingen
+liggen, in deze streek, verre van de centra van bevolking, het binnenland in, de &#8220;rimboe&#8221; als men hier zegt: bij een vergelijking
+van de Westkust van Sumatra met de Oostkust, of met Java, is dat wel het eerste dat als een kenmerkend verschil treft. De
+reden is een historische. Evenals op Java en op de Oostkust heet op de Westkust de onbebouwde grond het eigendom van den souverein,
+de souverein die vroeger de vorst en tegenwoordig <span class="pagenum">[<a id="pb340" href="#pb340">340</a>]</span>de Nederlandsche Staat is. Maar anders dan op Java, waar sedert eeuwen al vorsten-tirannie den boer zijn rechten had ontnomen,
+of op Oost-Sumatra, waar een dungezaaide bevolking den moerassigen en zwaar met woud overgroeiden bodem braak liet liggen,
+kwam op de Westkust de koloniseerende staat tegenover den inboorling te staan. Hier waren de menschen vrij en stout: en de
+grond vruchtbaar. De theorie van den Staatseigendom van alle woeste gronden is in hoofdzaak theorie gebleven; en een theorie
+waarvan de Minangkabauer weinig weet en nog minder zich aantrekt. De woeste grond is, in zijn oordeel, zijn eigendom. Hangende
+nadere regelingen van de zaak heeft een voorzichtig <span class="corr" id="xd0e2277" title="Bron: b leid">beleid</span> moeilijkheden ontweken door alleen in de &#8220;rimboe,&#8221; ver van alle dorpen en alle mogelijke en bedenkbare aanspraken van Inlanders,
+grond in pacht te geven aan Westersche ondernemers.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p339.jpg" alt="Het Karbouwengat bij Fort de Kock." width="527" height="693"><p class="figureHead">Het Karbouwengat bij Fort de Kock.</p>
+<p>Foto&#8211;Nieuwenhuijs.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De wildernis in dus, liep de weg, dien van Fort-de-Kock uit ik volgde naar een nieuw begonnen thee-onderneming in het gebergte.
+
+</p>
+<p>Het eerste gedeelte van dien weg is zoo voortreffelijk aangelegd, dat een automobiel er met volle vaart over rijden kan zonder
+ergens te horten of te stooten. In effen snelheid glijdt het prachtige landschap voorbij, hellingen, heuvels, steilten van
+rechtrijzend gebergte, plotseling uit wijkend woud de diepte van een ravijn, waar de koelte en de eigenaardige reuk van water
+over gesteente bruisend uit opstijgt. Soms wordt de weg zoo smal tusschen steilte en afgrond dat uit de auto de inzittende
+recht de diepte in blikt aan den eenen kant en aan den anderen haast met de hand de aard-orchidee&euml;n meent te kunnen plukken,
+die, in trossen afhangen van den bergmuur. Dan wordt, in lange slingers dalend, de weg weer breed, en heuvels wijken en blijven
+<span class="pagenum">[<a id="pb341" href="#pb341">341</a>]</span>achter, een vlakte gaat open waar de bergen wijd en ver omheen staan. Hier was, voor ons, het eindpunt van den automobielweg.
+Den volgenden ochtend zouden wij te paard verder gaan langs een smal steil pad, het bergbosch door.
+
+</p>
+<p>Er kwam bezoek in de pasanggrahan, waar wij voor den nacht waren afgestapt. Wij hoorden verhalen omtrent het leven in de streek.
+Het is er nog vrij eenzaam en wild. Dicht bij de pasanggrahan hebben de tijgers hun pad van de met alang alang begroeide berghelling
+naar de vlakte: een grooten boom aan den landweg hoorden wij den &#8220;tijgerboom&#8221; noemen, hij staat op het punt waar het pad van
+de tijgers den weg van de menschen kruist. Na donker gaat niemand onvergezeld en ongewapend daar langs. Men hoort veel van
+geiten en kalveren, van volwassen buffels zelfs, die door een tijger zijn meegesleept uit de kraal: en soms ook van menschen,
+&#8217;s nachts aangevallen midden in het dorp. Niettemin waren de Inlanders er niet toe te bewegen geweest een val te bouwen op
+den &#8220;wissel&#8221; van de tijgers&#8212;het vaste pad dat zij houden: in zulk een val moet een geit opgesloten, die met haar angstig geblaat
+het roofdier lokt: en zij vonden het &#8220;jammer van de geit.&#8221; Een ambtenaar van het binnenlandsch bestuur maakte aan het uitstellen
+en uitvluchten zoeken een eind, door een geit cadeau te doen aan het dorp; waarop het bouwen van de val en de vangst van een
+tijger volgden. Hij maakte zich echter geen illusies omtrent een bekeering van de dorpelingen tot redelijker idee&euml;n. Als de
+tijger gevangen was, dan kwam het niet door de val met de blatende geit er in, maar door het Lot, dat den tijger dien nacht
+en die plek had voorbeschikt tot sterven. &#8220;Het was het uur van zijn dood.&#8221; Het fatalisme van den Islam? Neen: het fatalisme
+van den natuurmensch<span class="pagenum">[<a id="pb342" href="#pb342">342</a>]</span>&#8212;zwak te midden van geweldige machten levend, dat onder anderen in het Islamietisch geloof een leerstellige uitdrukking heeft
+gevonden.
+
+</p>
+<p>Den volgenden ochtend met het aanlichten van den dag stegen wij te paard. Het stortregende. Maar eenmaal in het woud voelden
+wij daar maar weinig meer van. Alleen was het pad dikwijls moeilijk voor de geduldig zwoegende hitjes; met uitglijden en struikelen
+worstelden zij tegen de stroomende steilten op, waar stortbeek was geworden wat gister nog voetpad was. Tegen den middag bereikten
+wij den bergpas; en kort daarna, bij helderen zonneschijn, de onderneming.
+
+</p>
+<p>Het eerste waaraan de aanwezigheid en arbeid van menschen waren waar te nemen, waren de groote, leege plekken van kaalgekapte
+hellingen, als holen en gaten in het ruige zwartgroen van het oerwoud. Tienduizenden stammen, van loof en takken ontdaan,
+naakt uitgeschud, liggen strak en bleekgrijs over den grond. Loof en rijs zijn verbrand in vuren, die de wind mijlen ver over
+de hellingen heeft geblazen. De zware takken zijn omlaag gestooten in de ravijnen en de opbruisende bergbeken. De stammen
+blijven liggen waar zij gevallen zijn, om met wind en weer de lange jaren door te vermolmen tot teel-aarde, goed voor de jonge
+thee. Het is niet mogelijk anders; de versche herinnering aan den tocht door het bergwoud leert het ons, ook zonder de verklaring
+van den planter. Maar daar die gevelde wouden te zien vermolmen, en dan te denken aan de Deli Spoor, die door den nood gedwongen
+plannen overweegt om het hout voor haar dwarsliggers uit Rusland te laten komen&#8212;dat geeft iemand toch een zonderling gevoel.
+Wegen, bruggen, bruggen, wegen, van de Westkust naar de Oostkust over moeras, ravijn en gebergte heen, wanneer zal er geld
+genoeg wezen om die te maken? Het <span class="pagenum">[<a id="pb343" href="#pb343">343</a>]</span>begin van het wegennet <span class="letterspaced">is</span> er: en dat juist doet zoo haken naar de voltooiing. Want met zulk begin begint van allerlei mee, dat z&ograve;nder niet gekomen
+zou zijn en dat voor zijn ontwikkeling juist op die voltooiing wacht. Als, bijvoorbeeld, de onderneming, die wij nu bezagen.
+
+</p>
+<p>De gerooide hellingen langs, waaroverheen van den verren woudrand af de bijlslagen van houthakkers klonken, en waar hier en
+ginder uit hoopen rijs een vuurtje glom, bleek in den zonneschijn, onder rechtopgaanden blauwen rook, gingen wij, het pad
+volgende, langs een koelte-ademend ravijn. Toen kwamen wij daar waar het ontginningswerk al eerder begonnen was en de bewerking
+van den grond al gaande. Zooals de rijstbouwer een helling aanlegt voor zijn sawah, zoo had de planter de heuvels gefatsoeneerd
+voor zijn thee: in smalle terrassen. Het geheele beloop van voet, helling en kruin stond geteekend in evenwijdige lijnen,
+juist zooals dat in rijststreken te zien is. Evenwel met een onderscheid: het rijstterras heeft een kleinen dam als zoom,
+die het water vasthoudt op de planten; het theeterras daarentegen een geul, een &#8220;vang-goot,&#8221; die, nog versterkt door een heg
+van struikgewas, de aarde moet opvangen en tegenhouden, door de slagregens losgespoeld van de helling. Een menigte koelievolk
+was aan het graven van terrassen en vanggoten: mansvolk alles. Maar verderop arbeidden vrouwen. Op een geterrasseerde helling
+waren zij bezig plantgaten voor de thee te steken, volgens een maat, die zij aan een met knoopen gemerkt touw en een bamboelat
+bij zich droegen, en met een verrassende behendigheid en vlugheid pasten langs den grond: het geknoopte touw voor den afstand
+van de plantgaten langs de golvende terrassen, de lat voor den afstand van de gatenrijen in de breedte der aardstrook.
+<span class="pagenum">[<a id="pb344" href="#pb344">344</a>]</span></p>
+<p>Weer een eind verder zagen wij de heuvels geheel en al groen. Daar stond&#8212;al krachtig opgeschoten&#8212;datgene wat in de plaats
+was gekomen van het oer-woud, en waarvoor al die arbeid van kappen, rooien, branden, graven en meten de voorbereiding was
+geweest: de jonge thee. Het fijne frissche loof, teer-tintelend in de zon, was als water zoo koel tegen de oogen, zooals het
+daar doorschijnend lag te gloren te midden van het zwartige oerwoud-groen.
+
+</p>
+<p>Het huis van den planter stond op een heuveltje, midden in dien nieuwen tuin. De planter had het zelf, met zijn eigen werkvolk,
+van het hout dat rondom groeide, gebouwd; en de kleur, de glans en de zachte geur van het woud hingen nog aan dak en wanden.
+Het was maar klein: en de planter dacht aan den bouw van een grooter en geriefelijker. Maar daarmede, als met zooveel anders
+op de jonge onderneming, moest nog gewacht op ontwikkelingen, die eerst de toekomst brengen kon. Terwijl wij thee dronken
+op het smalle bordesje, tusschen opgangs-trap en huisdeur, en fotografie&euml;n bezagen van thee-tuinen op Java, om tot een voorstelling
+te komen van wat de heuvels rondom ons zouden zijn over eenige jaren, verhaalde de planter ons van zijn werk en zijn verwachtingen.
+
+</p>
+<p>De eerste thee die op Java gezaaid werd&#8212;dat was in 1826&#8212;was uit China afkomstig. Maar die soort wordt sedert lang al niet
+meer gekweekt. De &#8220;Chineesche thee&#8221; van tegenwoordig is meestal oogst uit inlander-tuintjes, grof blad, dat met allerlei sterk
+geurende bloemen welriekend <span class="corr" id="xd0e2314" title="Bron: gemaakten">gemaakt en</span> op onzindelijke en gebrekkige wijs bereid is. Verpakking in Chineesch papier moet aan de herkomst uit China doen gelooven.
+De goede thee, die op Java wordt gekweekt, is de Assamsche soort. Als de stammetjes drie voet hoog zijn, begint de pluk; als
+ze de vijf voet hebben bereikt, <span class="pagenum">[<a id="pb345" href="#pb345">345</a>]</span>worden zij geknot tot struiken. Het uitsnijden van den stam dwingt het boompje tot het maken van een menigte zijtakken. Op
+gelijke hoogte gesnoeid, vormen die een groot &#8220;snijvlak,&#8221; waarvan altijd door weer hoeveelheden jong uitloopend blad te plukken
+zijn. Dit is het werk uitsluitend van vrouwen: het vereischt een lichte, behoedzame hand. De bereiding van het geplukte blad,
+het drogen, dat technisch &#8220;flensen&#8221; heet, en het oprollen der bladeren tot de kleine staafjes zooals de thee-verbruiker die
+kent, gaat tegenwoordig geheel machinaal: ook de thee heeft de algemeene ontwikkeling medegemaakt, die handenarbeid door het
+zindelijker, nauwkeuriger en sneller, weshalve goedkooper, werk van de machine vervangt. En evenals de techniek de bereiding,
+bevordert het wetenschappelijk onderzoek de teelt van de thee. De experimenten door de gebroeders Bosscha in het laboratorium
+en op de proefvelden van de onderneming Malabar gedaan, komen den planters van heel Java ten goede. Het is alweer dezelfde
+ontwikkeling, als die zoovele andere Indische cultures hebben doorgemaakt: van overlevering of probeeren in het wilde, naar
+wetenschappelijk onderzoek en methode. Tezelfder tijd is er naar het verbeterde product een steeds grooter vraag gekomen.
+De teelt breidt zich uit: nieuwe landen gaan meedoen, onder andere Sumatra. Hoe bij uitstek geschikt het koele klimaat en
+de rijke woudbodem van de Westkust voor het gedijen der thee zijn, zagen wij aan den forschen groei en het welige loof van
+den jongen aanplant rondom.
+
+</p>
+<p>Er is echter ter Westkust een moeielijkheid, elders onbekend: zij ligt in den eisch van vrouwenarbeid in verband met het matriarchaat.
+De vrouw van deze streek is onder het matriarchale stelsel over het algemeen w&egrave;l genoeg verzorgd, gevoed, gekleed, gehuisvest,
+om te kunnen leven, zonder arbeid om <span class="pagenum">[<a id="pb346" href="#pb346">346</a>]</span>loon. En degenen, die dat toch niet kunnen, vinden zulken arbeid op het erf van dorpsgenooten en zoeken niet verder. De theeplanter
+moet dus lokken met de allergunstigste voorwaarden van loon, arbeidstijd, huisvesting en gelegenheid tot aanschaffing van
+kleeding en verder behoef van de best mogelijke soort tegen den laagst mogelijken prijs. Maar als hij er al in slaagt op die
+wijze een voldoend aantal vrouwen te winnen voor een begin van exploitatie, dan zal hij niettemin bedacht moeten blijven op
+de mogelijkheid, hun aantal te vermeerderen naarmate van zijn vermeerderenden oogst. De onderneming heeft twee vrouwelijke
+arbeiders noodig tegen &eacute;&eacute;n mannelijken. Handhaven zich, ongewijzigd, de oude toestanden, dan moet hij arbeidsters gaan zoeken
+op Java. Veranderen zij, dan kan hij ze ook op Sumatra vinden; maar in welken getale, dat zal, onder andere, van den aard
+en het tempo dier veranderingen afhangen.
+
+</p>
+<p>Niet de natuur is het, maar de maatschappij, die voornamelijk de ontwikkeling van de thee-cultuur ter Westkust van Sumatra
+zal bepalen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb347" href="#pb347">347</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch31" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Europeesche ondernemingen op de Westkust.&#8212;Een Goudmijn</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>e groote aardplooi, die, van Malakka tot Amerika over den Maleischen archipel en Japan loopend, de oppervlakte van het land
+tot gebergten vervormt, houdt in het andesiet-gesteente, waaruit hij op Sumatra bestaat, groote hoeveelheden goud- en zilvererts
+vast. Dat hebben van oudsher de inboorlingen geweten, en van hen leerden het immigranten en veroveraars. De goudmijnen, die
+nu Redjang Lebong, Lebong Soelit, Simau heeten, zijn voor eeuwen al, door Maleiers eerst, toen door Hindoes ge&euml;xploiteerd:
+Salida, zuidelijk van Painan, bij Padang, is een oude mijn van de O. I. Compagnie, die bij haar komst de Inlandsche gouddelvers
+daar reeds aan den arbeid vond. De methoden van exploitatie waren natuurlijk primitief, en het gewonnen goud en zilver, waarvan
+het grootste deel gevonden werd in het zand van de bergstroompjes, maar een uiterst gering gedeelte van de hoeveelheden, in
+de scheuren en barsten van het vaste gesteente beklemd. De werkwijzen van den nieuwen tijd pas, toepassing van wat sedert
+het eind der achttiende eeuw de nieuwe wetenschap omtrent den bouw der aarde had ontdekt, konden in hun schuilplaats de kostbare
+ertsen vinden en bemachtigen. De oude mijnen, veelal sedert lang al weer verlaten, <span class="pagenum">[<a id="pb348" href="#pb348">348</a>]</span>werden met dynamiet, met kracht van water, stoom, electriciteit, opengebroken en doorboord, in de richtingen die de speurende
+geologen hadden aangewezen. En in het hart van de wildernis, waar zelfs nog geen inboorlingen ooit zich hadden gewaagd, werden
+er nieuwe ontdekt. Anderhalve dagreis ver van de theeplantage in het oerwoud ligt een van de rijkste dier nieuw-ontdekte goudmijnen;
+een Duitsch geoloog vond haar in 1909.
+
+</p>
+<p>Er was al lang naar gezocht, door hem en door anderen. Zij allen gingen af op twee stukjes gouderts die een Inlander had gevonden:
+want de oude traditie van het goud-zoeken is nog levend onder het volk, en jagers en woudloopers hebben er verwonderlijk goed
+slag van het erts op te sporen. Een Engelsch geoloog ging de wildernis in, bracht eenige maanden met zoeken door en kwam tot
+de slotsom, dat de brokjes toevalligerwijs op de vindplaats gekomen moesten zijn en dat er geen goud-ader liep door het gesteente
+van die streek. Hij was een deskundige, die naam had gemaakt door nasporingen in Australi&euml;: de maatschappij die hem uitgezonden
+had hield zich aan zijn verklaring. Niet de Duitsche geoloog. En nu bleek weer, wat zoo dikwijls al gebleken is bij een vergelijk
+van Duitsche en Engelsche methodes, resultaten van Duitsch en Engelsch onderwijs: de Duitsche, die wetenschappelijk is bereikte
+het doel, waar de Engelsche, die empirisch is had gefaald. De Duitscher hield zich aan zijn gedachte, die verder zag dan zijn
+oogen konden zien. Hij bleef aan het zoeken; maanden niet, maar jaren hield hij vol. En ten laatste vond hij. Een bekend geoloog,
+hoogleeraar aan een Duitsche universiteit, won in Duitschland belangstelling en vertrouwen voor de zaak. Een maatschappij
+werd gevormd, grootendeels met Duitsch, maar ook wel met Hollandsch kapitaal. In Juli 1909 kwam een Duitsch mijn-ingenieur
+<span class="pagenum">[<a id="pb349" href="#pb349">349</a>]</span>met een geheelen staf van geschoolde krachten. En in Mei 1910 reed de eerste buffelkar door het woud en over de bergen langs
+een effen weg tot aan de plek toe waar het huis van den ingenieur werd gebouwd. Een heirleger arbeiders was aan het werk op
+de onderneming, om langs de steile hellingen, op de spitse toppen plaats te maken voor wegen en voor woningen. En terwijl
+de eerste houten huisjes in elkaar getimmerd werden, vorderden de ingenieurs met den arbeid aan de mijn. De eene was bezig
+met den bouw van dammen, kanalen, bassins, om het water van de rivier en de vele bronnetjes en beken der berghellingen te
+sturen naar de plek waar zijn druk of zijn snelheid zou omgezet worden in arbeid. Een tweede bracht de electrische installatie
+tot stand, die overal nacht en donkerheden met witte helderheid zou doorstralen, het gesproken woord langs metalen draden
+dragen over ravijnen en bergtoppen, en de lucht vangen en samenpersen tot de drijvende kracht, die v&egrave;r in het binnenste van
+den berg de groote boor duwen zou door het gesteente. Een derde brak met dynamiet gangen open in de helling, met balken en
+stutten geschoord tegen den druk van den berg en met een ijzeren weg bevloerd voor den rit van de zware wagens, die het erts
+zouden vervoeren. En in het kleine laboratorium op den heuveltop, primitief ingericht, wat de geriefelijkheid van den werker,
+maar in alles volkomen wat den eisch van het werk betreft, was een vierde bezig met het onderzoek van het erts, dat, verbrijzeld
+en boven felwitte vlammen gesmolten, het goud en zilver losliet uit hun verbinding met waardelooze stoffen. Het bleek rijk.
+Het geel-blinkende spitsje aan den kegel, die uit den puntig-toeloopenden smeltkroes te voorschijn kwam, toonde een aanzienlijker
+hoeveelheid edel metaal in het erts dan indertijd voldoende was om het vreemde kapitaal te lokken naar de mijnen van <span class="pagenum">[<a id="pb350" href="#pb350">350</a>]</span>Transvaal. De zes jaren zoekens van den Duitschen geoloog waren verantwoord.
+
+</p>
+<p>Op dit oogenblik is de onderneming, hoewel nog niet in alle onderdeden voltooid, krachtig in werking. Inplaats van die eerste
+buffelkarren is het nu een geweldige vracht-automobiel, die, langs den nieuw aangelegden weg, met dozijnen bruggen, kloven
+en rivier-ravijnen overspannend, en in geleidelijke stijging heenslingerend over de steilten, de groote kisten met machinerie&euml;n
+aanvoert van het naastbijgelegen spoorwegstation. Een zaag, door waterkracht gedreven, verdeelt de zware stammen, die de buffelspannen
+in kettingen komen aansleepen uit het oerwoud, in planken tot op een millimeter precies gelijk in dikte. Het erts, dat al
+bij hoopen geborgen ligt in bewaarplaatsen terzijde van altijd weer nieuw gemaakte gangen, uitgebroken in den berg, zal niet
+in Europa maar op de onderneming zelf verwerkt worden: en daarvoor wordt nu tegen een hooge helling aan het groote gebouw
+van rotsblokken ineengevoegd, waar de hamerende, verbrijzelende en fijn-schiftende machines komen te staan. In de reusachtige
+kisten, waar namen van Duitsche fabrieken op staan, liggen die al te wachten. En bouwmeesters en opzichters drijven aan tot
+haast, want bij den dag groeien de hoopen erts. En telkens worden nieuwe lagen gevonden. Het gunstige toeval deed er mij getuige
+van zijn hoe een nieuwe ader ontbloot werd, een bijzonder rijke. Wij hadden een geruimen tijd al geloopen door de mijn, ieder
+met zijn mijnlampje in de hand. Op den zwarten grond glinsterden rails, donkere waterplassen, hoopen steengruis, een stuk
+gereedschap hier en ginder. Wij bukten onder balken door, langs een pijpleiding of een electrischen draad. Uit zijgangen kwam
+een waarschuwend sein, en, met al luider wordend geratel, een reeks ertskarren; <span class="pagenum">[<a id="pb351" href="#pb351">351</a>]</span>de donkere gezichten van de koelies, hurkend tusschen de brokken, glansden voorbijrijdend op in het lantaarnschijnsel. En
+terwijl dat voortgleed langs den mijnwand, maakte het al de teere, fijne kleuren wakker, die daar zoo lang in donker van grond
+geslapen hadden: zuiver wit, zacht grijs, paars en een bloemig-helder en vroolijk licht-rood. De erts-aderen liepen zwartig
+daar doorheen, met plotselinge scherpe flikkeringen. Opeens bleef onze gids staan. Wij hoorden uitroepen, zagen verraste gezichten,
+een blanke hand tastte in de opening, waarvan juist een bruine hand de boor wegtrok. In het Hollandsch en in het Duitsch door
+elkander klonk de tijding ons tegen van de rijke vondst.
+
+</p>
+<p>De inlander, die de groote boor hanteerde, keek als al de anderen naar het schitterende brok erts in de hand van den hoofd-ingenieur.
+Wat er op dat oogenblik door zijn hoofd ging?
+
+</p>
+<p>Misschien niets dan een vluchtige verbazing. &#8220;Wah! zooveel goud en zilver in den grond!&#8221; En een oogenblik later zet hij de
+boor weer tegen den mijnwand, en voelt de sterke schudding van samengeperste lucht tegen draaiend staal en van staal tegen
+gesteente, en denkt, &agrave;ls hij al aan iets denkt, aan het eind van zijn werkdag, aan de uitbetaling van het loon op &#8220;Hari Besar&#8221;
+en aan het dobbelspel, heimelijk &#8217;s nachts bij den rondreizenden croupier, wiens komst op de onderneming de koelies elkander
+toegefluisterd hebben.
+
+</p>
+<p>Maar misschien denkt hij toch ook aan iets anders. Misschien denkt hij er over, welk een onderscheid het maakt, of een mensch
+oude gewoonte en de getuigenis van zijn zinnen volgt, of dat hij te rade gaat met het onderzoekende verstand: die Westerlingen
+met hun vele boeken en hun machines vinden immers schatten, waar hij en zijns gelijken nooit meer vonden <span class="pagenum">[<a id="pb352" href="#pb352">352</a>]</span>dan kleinigheden! En misschien wordt er dan iets in hem wakker als het begin van een begeerte naar weten.
+
+</p>
+<p>Het is maar een misschien. Maar wie gezien heeft, hoe zulk een koelie, vroeger daglooner misschien op een gebrekkig bebouwden
+Javaanschen bergakker, of visscher in een prauw, die aan een schrapenden hadji hoort, of woudlooper, in de moerasbosschen
+van Borneo djeloetoeng zoekend,&#8212;hoe zulk een stomp voortvegeteerend mensch na enkele weken op een onderneming al weet om te
+gaan met gecompliceerde machines, die gelooft dat het &#8220;misschien&#8221; een goede kans heeft op den duur een &#8220;waarschijnlijk&#8221; te
+worden.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb353" href="#pb353">353</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="normal">CELEBES</h2><span class="pagenum">[<a id="pb355" href="#pb355">355</a>]</span><div id="ch32" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Makassar</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">V</span>an Soerabaja naar Makassar is het nog geen twee etmalen stoomens; de laatste indrukken van de afvaart zijn nog levendig in
+de herinnering als de eerste van de aankomst al weer met de kracht van het tegenwoordige oogenblik hen overmachtigen. Eergisterenmiddag
+was het de drukte van het Oedjong-kwartier te Soerabaja: de nauwe straten en de schuifelende menschenvolte van de Chineesche
+wijk; de rivier, bont van beschilderde prauwen, waarlangs aan de eene zijde, pakhuizen, magazijnen, loodsen voorbij, de tram
+stoomt, aan de andere de spoortrein; dan de wijde zee, miskleurd een eind ver, door het uitspoelende grauw, goor en bruin
+der rivier, maar aan gene zij van een scherp getrokken grens, die met de golving op- en neergaat, doch nergens wijkt, plotseling
+fonkelend blauw; en her en der verspreid over dat tintelende watervlak, dat de donkere rompen spiegelt, en de schaduw en schittering
+der rookpluimen, een vloot van statige schepen, waar doorheen de haastende stoombarkas haar weg zoekt naar de boot der Paketvaart.
+Schemering daarna en nacht, een dag van enkel zee en lucht, weer donker; en dan, met zonsopgang, de naderende kust van Celebes,
+waar, als een wacht en voorpost, een <span class="pagenum">[<a id="pb356" href="#pb356">356</a>]</span>klein lichtgeel eiland voor ligt, maar juist ruim genoeg voor een half dozijn bruine hutjes, tusschen laag geboomte verstoken,
+en een dunnen hoogen seinpaal. Recht vooruit, tegen den al feller wordenden zonneglans in, dommelt tusschen nevelig-groen
+geboomte met spitse donkere daken Makassar. Ontelbare visschersprauwen liggen op de ree, blinkende met hun vierkante schuins
+gestelde zeilen, die wachten op den wind. Reusachtig daartusschen steken groote stoomschepen op. Verscheiden liggen er al
+gemeerd aan de kade, een Engelsche stoomer naast een Chinees. De scherpe fluiten gillen, de machines bonzen en ratelen, van
+zwaaiend uitgerekte kranen-armen af dalen geweldige bonken van in kettingen saamgesnoerde balen en kisten naar de volgehoopte
+kade, waar de donkere koeliedrommen warrend dooreen bewegen tusschen de rij der schepen en de rij der loodsen, gapende open
+aan weerszij. Dat alles geeft een indruk van sterken groei, zoo plotseling begonnen, dat de gewende verhoudingen opeens en
+overal te klein zijn geworden. De schepen moeten vaak op elkander wachten om er een plaats aan de kade te krijgen, wordt mij
+verteld. Kooplieden en zeevolk wachten verlangend op de nieuwe haven.
+
+</p>
+<p>Achter de aanlegplaats loopt een lange straat, die ook al ruimte te kort komt voor het gedrang. Dat gaat naar de kade links
+af: en recht uit naar de Chineesche wijk verderop, die met een rij smalle, diep inloopende huizen, half winkel, half pakhuis,
+gedrongen staat langs het strand. In het voorbijgaan ziet men door open achterpoorten den fellen glans van de zee en het rechtlijnig
+gewar van masten en takeltuig als achtergrond van een kantoor vol schrijvende klerken, een donkere ruimte, waar balen en kisten
+opgehoopt staan, een winkel, waar de menschen in- en uitloopen, of een naar de straat open huiskamer <span class="pagenum">[<a id="pb357" href="#pb357">357</a>]</span>met spelende kinders op den vloer, rondom de moeder, die op- en neergaat met een kleintje op den arm.
+
+</p>
+<p>De Maleische buurt ligt als een wederpart van de Chineesche aan gene zij van een ruim open plein ten westen van de aanlegplaats.
+Ook hier loopen huizen en erven tot vlak aan zee. &#8217;s Morgens in de vroegte kan men de naakte kinders z&oacute;o uit de huisdeur,
+half in slaap nog, het water in zien loopen. De wijk is zorgvuldig aangelegd met een rechtlijnig rooster van straten en dwarssteegjes.
+En telkens, tusschen bruin van huisjes en groen van geboomte door, komt weer het zee-blauw blinken, en een groot schuins gestreken
+zeil scheert voorbij, of een prauwtje dat met zijn wijduitgeslagen vlerken en de reppende riemen der roeiers een wonderlijk
+waterdier lijkt, driftig op weg naar meer ruimte. De inlandsche wijk is veel minder vol, veel minder druk dan de Chineesche;
+maar bedrijvig toch ook, en verrassend door den zweem van orde, zindelijkheid en welvaren die over menschen en dingen ligt.
+Zij gaat van lieverlede langs een breede straat, aan het uiteinde waarvan, alweer, de zee blinkt, over in de buurt waar de
+Hollanders wonen: zoodat aan de &eacute;&eacute;ne zijde nette inlandsche huizen staan met gevlochten wanden en bladeren dak, en aan de
+andere kalkwitte steenen Hollanderhuizen op ommuurde erven.
+
+</p>
+<p>De Hollandsche stad van Makassar verschilt weinig van die van zooveel andere steden op Java of Sumatra; witte huizen, elk
+in zijn eigen tuin, aan weerskanten van wegen met zwaar geboomte beplant. Twee wijde pleinen geven iets ruims en luchtigs
+aan den aanleg. Het eene gaat tot aan het strand en heeft de fonkelingen en wijde verschieten van de reede tusschen de stammen
+van de oude tamarinde- en kanariboomen, die breed hun schaduwen <span class="pagenum">[<a id="pb358" href="#pb358">358</a>]</span>spreiden. Aan de westelijke zijde van dit plein ligt het fort.
+
+</p>
+<p>Het is de oude sterkte van de zeventiend&#8217; eeuwsche kolonisten, die haar ouden naam nog draagt: Rotterdam. De geweldige muur
+staat ongeschonden. En daarboven uit komen spitse roode daken tusschen veel geboomte. Het is als een brokje van een oude Hollandsche
+stad midden in dit tropische landschap, onder dezen fellen tropischen hemel. In den hoogen breeden muur is een poort, die
+niet recht doorgaat, maar zoo is gebouwd, dat de weg een hoek maakt: om den toegang te beter te kunnen verdedigen, was dat.
+En die poort door komt men als in een afzonderlijk stadje. Rondom staan huizen: &eacute;&eacute;n groot en aanzienlijk, op zichzelf alleen;
+het huis van den commandant nu, het huis van den &#8220;koopman&#8221; vroeger; de anderen in een rij, met gelijke ramen en daar boven,
+gelijke kleine venstertjes onder het dak. In het midden staat de kerk. Het gebouw is nu kleeding-magazijn; maar de oude bouwtrant,
+de hooge vensters, de trap naar de poort, en tot zelfs het antieke smeedwerk van scharnieren en slot toe, doen het, alle verandering
+en nieuwigheid ten spijt, een kerk blijven. En die indruk blijft, zelfs als men binnengaat, en in plaats van bankenrijen,
+kasten ziet, en militairen inplaats van koster en kerkgangers.
+
+</p>
+<p>Rondom, tusschen kerk en huizen, is een groene hof, vol schaduw, gras, aardige paadjes en gebloemte. Hier kan men wandelen,
+en, naar de oude muren en spitse daken opkijkende, een oogenblik gelooven in Haarlem te zijn, of in Naarden, ergens, tusschen
+de wallen en de stad.
+
+</p>
+<p>Er is sprake van geweest de oude gebouwen af te breken: dat is gelukkig voorkomen. Al te mooi, en, in Indi&euml; althans, al te
+zeldzaam is zoo iets ouds. Al te zeldzaam en mooi vooral in zijn tegenstelling met <span class="pagenum">[<a id="pb359" href="#pb359">359</a>]</span>die andere schoonheid van het nieuwe, in jonge kracht opkomend, dat hier gaat bloeien aan de haven. Nu pas beginnend zal het
+over een jaar of wat in volle fleur staan. En dan zullen Verleden en Heden te schooner zijn, het eene door het andere.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb360" href="#pb360">360</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch33" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Door Par&eacute; Par&eacute; en Boni. De Meeren</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">V</span>an Makassar naar Par&eacute; Par&eacute;, de opkomende haven, die de hoofdplaats is van het gewest Par&eacute; Par&eacute;, gaat de weg der schepen door
+den Spermunde Archipel. Mooiers is niet te bedenken dan deze vaart. Terwijl het schip zijn lange, gladde, schuins wegglanzende
+vorens trekt over de klare zee, waar de weerspiegeling van de hooge stapelwolken langs de kim blank door blauw brekend op
+en neer wiegelt, zwemt het door een geheelen zwerm heuvelige tot van den zoom van de zee toe groen overlooverde eiland-dorpen
+heen. Half op het strand, half in het water, staan op hooge palen de bruine visschershuisjes in een rij. Benden naakte kinderen
+spelen er om heen. De vloot van prauwen, smal en lang, op vlerken van breed-uitgebouwde bamboestammen evenwichtig schommelend,
+ligt her en der verstrooid, wachtend op den wind. Telkens verandert het zeelandschap, telkens andere eilandjes duiken op uit
+het flonkerige, van blank, groen, bruin en violet doorblonken en doorschaduwd blauw. Enkele staan alleen, als heuveltoppen;
+andere liggen dicht te zamen, donkergroene eilandjes, lichtgroene ondiepten, zandbanken, die wit, fijn grijs en goudig geel
+opschijnen door al dunner overgloring van water, dat popelt <span class="pagenum">[<a id="pb361" href="#pb361">361</a>]</span>van verschietende kleuren. Dan weer wijken de eilandjes. En achter een breedte van diepere zee, die haar eigen donker azuur
+weer toont, rijzen hoog en ver, wazig blauw, de bergen van het Oostelijke vasteland. Hier in het opene varen de groote Makassaarsche
+handelsprauwen, hoog van boeg als een zeventiend&#8217; eeuwsch galjoen, met volle zeilen voor den wakkerenden wind. Het scheepsvolk,
+Boegineezen met stoute gezichten, zonen van zeevaarders, die meteen zeeroovers waren op de wijde wateren tusschen Malakka
+en Nieuw-Guinea, zien onverschillig langs de groote stoomboot heen die hun vaartuig dicht voorbijstreeft.
+
+</p>
+<p>De vaart duurt ongeveer een halven dag. Om acht uur de haven van Makassar uitgestoomd, gingen wij om drie ten anker voor Par&eacute;
+Par&eacute;.
+
+</p>
+<p>De baai is bekoorlijk mooi. Tusschen den vasten wal, een ver vooruitspringende kaap, en een rij eilandjes, in langen zwaai
+zich strekkend, ingesloten, ligt zij, zoo vreedzaam als een groot meer, het strand, de huizen en de groene heuvels daarachter
+te spiegelen. Het plaatsje is in de lengte gebouwd, de lijn van het strand volgend, met een buurt inlandsche visschershuisjes,
+een Chineesche winkelstraat, een groep officierswoningen. Het assistent-residentshuis is pas voltooid, zoo nieuw nog, dat
+struiken of gras den tijd nog niet gehad hebben, het ruime erf rondom groen te maken. De weg die van den steiger er heen leidt
+is ook nieuw, ruig van nog ongebroken stukken koraalsteen. De handelsbeweging te Par&eacute; Par&eacute; is in den allerlaatsten tijd plotseling
+en sterk toegenomen, en een krachtige verdere ontwikkeling wordt in de naaste toekomst gehoopt. De zorgvuldig onderhouden
+zindelijkheid en ordelijkheid van het plaatsje en de nieuwe aanbouw van woningen en wegen geven een met die verwachtingen
+overeenstemmenden indruk van nieuw ontwakend leven.
+<span class="pagenum">[<a id="pb362" href="#pb362">362</a>]</span></p>
+<p>Den tocht het binnenland in naar de groote meren van Sidenreng en Tempe begonnen wij den volgenden ochtend voor zonsopgang.
+Het landschap bleef liefelijk zoolang de baai in zicht bleef met haar wisselende verschieten, die wijder werden naarmate de
+weg al steiler klom. Toen verdween die glans en die wijdheid en aan weerszij schoof bruinachtig, even golvend veld aan, waar
+hier en ginder een mager boomgroepje op stond. Een paar weken geleden had het er hier zeker anders en fleuriger uitgezien;
+toen was alles goud van de rijpe rijst. Maar nu de kleur er af was, lag het land armelijk in de eentonige onbeduidendheid
+van zijn formatie ten toon: uren achtereen hetzelfde, zonder teekening of verschiet. Met dat al is de grond uitnemend vruchtbaar.
+Zelfs zooals ze nu zijn, gebrekkig gebouwd en geheel afhankelijk van den regen, die soms weken lang weggehouden wordt door
+een heeten drogen bergwind, brengen de velden een rijken rijstoogst op. En die kan verdubbeld, wanneer een goede irrigatie
+tot stand komt. In het Noorden van het groote eiland, aan de Tomini-bocht, is daarmee al een goed begin gemaakt; het gouvernement
+heeft daar als zijn helpers en als onderwijzers van het landbouwende volk Bali&euml;rs, die, om misdrijven tegen den adat uit hun
+land gebannen, in een kolonie op de Oostkust van Celebes leven, en hun vaderlandsche tradities overbrengen op den vreemden
+bodem. Naarmate de invloedskring van het goede voorbeeld verder zich uitbreidt, loopt over grootere breedten van rijstveld
+het leven-brengende water. Wie weet hoe spoedig al Celebes even groen, frisch en vruchtbaar is als Bali.
+
+</p>
+<p>Voorloopig blijkt de bemoeienis van het bestuur uit den goeden staat van de wegen, en uit de volkomen veiligheid. Het is moeilijk
+voor wie hier vreedzaam langs den effen weg rijdt, zich voor te stellen, <span class="pagenum">[<a id="pb363" href="#pb363">363</a>]</span>hoe kort geleden alles nog wildernis was en strijd. Dat de Celebes-expeditie, overigens, zoo snel afliep, schijnt wel grootendeels
+een gevolg van den slechten toestand, waarin het geringe volk verkeerde onder den druk van eene overheersching, in naam door
+zijn eigen vorsten en adel, in werkelijkheid door de Arabische geldschieters, die vorsten en adel in hun macht hadden, uitgeoefend.
+Kleine boeren, kleine kooplui, visschers, zeevolk, woudloopers konden het onder &#8220;de Compagnie&#8221; onmogelijk slechter en al heel
+licht beter krijgen dan zij het hadden onder hun eigen radja&#8217;s. Dat zij niet teleurgesteld zijn geworden, merkt men aan de
+wijze waarop zij, in het binnenland, reizende Hollanders bejegenen&#8212;zonder een zweem van angst of onderdanigheid, maar voorkomend
+en zelfs gastvrij.
+
+</p>
+<p>De menschen, die wij langs den weg zagen, waren haast allen marktgangers, dragend hun waar. Van het binnenland naar de kust
+gaande, mannen en vrouwen die in manden van nog groen palmblad houtskool droegen, palm-suiker, gedroogde visch uit de meren,
+en visch-broedsel dat in de poelen en vijvertjes van de dorpen wordt uitgeplant. In de reusachtige kalebassen, die hier voor
+kruik en vat gebruikt worden, hadden zij palmwijn; en op den rug van geduldige lastpaardjes (&#8220;pateke&#8221; heeten ze), zakken rijst
+van hun velden en zakken zand en kalk uit hun groeven; het was goed te zien dat er gebouwd wordt op Celebes. De mannen die
+van de kust kwamen, droegen meest zout het binnenland in. De behoefte daaraan is nijpend. Gebrek aan zout is de oorzaak, zeggen
+deskundigen, van de huidziekte, die met haar wittige schilfers dit anders kloeke en welgebouwde volk mismaakt. Tot aan kleine
+kinderen toe is die akelige vaalheid te zien. Zij schijnen er overigens niet veel door te lijden. Het innerlijk-gezonde van
+het volksgestel <span class="pagenum">[<a id="pb364" href="#pb364">364</a>]</span>komt uit in krachtigen gang en rechte houding, en zijn vroolijkheid in de felle kleuren van zijn kleedij, die paars tegen
+vuurrood, groen tegen geel, blauw tegen oranje blinkt in de zon.
+
+</p>
+<p>Twee derden ongeveer van den weg heeft de reiziger achter zich, als hij het hoogste punt van den onmerkbaar stijgenden weg
+bereikt, en plotseling, verrassend schoon en stout, een wijd berglandschap ziet liggen. Een paar kilometer verder verandert
+al weer het aanzien van het land. Hier is toch een vlakte, waaruit, allerzonderlingst, enkele kegelvormige heuvels opsteken.
+Men krijgt den indruk of dat de toppen moeten zijn van een gebergte, waarvan valleien en hellingen verborgen liggen onder
+die als een waterspiegel effen vlakte, het bezinksel misschien van een binnenzee uit een verre geologische periode. Het meer
+van Sidenreng, zilverig langs den gezichteinder glanzend, ware dan het achterblijfsel dier zee, bij haar laatste ebbe in een
+verzakking van den bodem gevangen.... Met die zonderlinge kegelheuveltjes voor oogen, en over den weg verstrooid, stukken
+koraal en schelpen, die breken onder den stap van het paardje, komt men allicht tot zulke verbeeldingen.
+
+</p>
+<p>Alakoeang, het gehucht waar wij halt wilden houden, ligt tegen den voet van twee steil-ronde heuveltjes aan, in een aardig
+nestje van groen, verkwikkend voor oogen die vijf uren achtereen niets dan kaal veld en zonneschijn hebben gezien. Wij bekortten,
+verlangend, den afstand door een voetpaadje te volgen, het steile van de laatste helling af, een paar ondiepe beken en plassen
+door, en over een ruig, grauw, met brokken overzaaid veld. Voor twaalven nog waren wij in de pasanggrahan. En door de wijde
+reten van bamboevloer en peloepoehwanden heen woei de koele wind ons in het gezicht, die er aankwam van over de Meeren.
+
+</p>
+<p>Vlak tegenover de pasanggrahan van Alakoeang <span class="pagenum">[<a id="pb365" href="#pb365">365</a>]</span>wordt, eens in de vijf dagen, pasar gehouden. Juist den avond voor pasardag waren wij er aangekomen. Het vroolijk gerucht
+dat nog voor zonsopgang alle hanen van het dorp aan het kraaien maakte, wekte ons in de vroegte. De toestanden hier zijn nog
+primitief; dat was aan den pasar zoo goed als aan de pasanggrahan te merken. De verkoopers zaten, met hun koopwaar op het
+matje rondom zich uitgestald, op den grond. Een enkele maar had, bij wijze van loods, vier bamboestijltjes met een schuins
+dakje van riet en blaren, tot berging van zichzelf en zijn waar. De stalletjes waren op zijn best twee-en-een-halven voet
+hoog. Men moest zich bukken om te zien wat er onder zat: en dat bleek dan te zijn een stapeltje opgevouwen sarongs&#8212;klaarblijkelijk
+Hollandsche import&#8212;een hoopje ijzerwerk, spijkers, kettingen, hangsloten, of een paar blikken petroleum, met misschien nog
+wat eetwaar of eenige aarden potten en kannen. Zoo armelijk als het geheele gedoente was, ging het toch vroolijk toe op den
+pasar. En de moeders hadden kans gezien om haar kleintjes met sieraad van zilver en verguld op te tooien. Elke kleine naaktlooper
+had een blinkende medaille op de borst en een blinkende medaille op den rug hangen, als middelpunt van gekruiste snoeren.
+Er waren alleraardigst bewerkte bij; de kinderen, in het geheel niet bang of verlegen, lieten hun sieraad en zichzelf gereedelijk
+bekijken, en de moeders stonden er glimlachend bij.
+
+</p>
+<p>Van Alakoeang is het ongeveer een uur rijden naar Teteadji, het eerstvolgende dorp aan den landweg. Hier doet de onmiddellijke
+nabijheid van de meeren zich kond in de zwarte netten, die aan alle huizen hangen, en in stapels visch, drogende in de zon.
+Alleen vrouwen en kinders zagen wij binnen in het halfdonker der hoog op palen gebouwde woningen. Het mansvolk was met de
+booten uit.
+<span class="pagenum">[<a id="pb366" href="#pb366">366</a>]</span></p>
+<p>De aanhoudende droogte, die het geheele land van de kust af tot hier toe vaal had geschroeid, had den waterspiegel tot ver
+beneden het gewone peil doen dalen, en land gemaakt waar anders water is; de blinkende zoom van het meer lag nu wel een twintig
+minuten rijdens ver van het oeverdorp af. Van hier gezien pas toont het landschap de ontzaggelijke grootte van zijn afmetingen.
+De heuvels en bergen, die den rand vormen der vallei, liggen onduidelijk, flauw paars en blauwachtig, langs den horizont.
+En onafzienbaar als een zee, glanst tot in de verten toe het meer, dat de middelste laagte der wijde inzinking overspreidt.
+
+</p>
+<p>Uit den geheelen omtrek komt het volk hier visschen, en van het eene oeverdorp met zeilen en riemen varen naar het andere.
+Maar het meer is zoo wijd dat die menigten vaartuigjes er in verloren gaan. De eenzaamheid blijft ongestoord. In het riet
+langs de oevers en op de vele zandbanken nestelen duizenden vogels, die niet opvliegen, zelfs als de prauw vlak voorbijvaart;
+het is of zij de menschen niet eens bemerken, zoo zeker zijn zij hier in hun eigen rijk en recht. De roeiers van onze prauw
+joegen er een paar op met luid geroep en klappen in de handen. Zij zweefden een eindweegs voort, wielden, en streken weer
+neer, zoo dichtbij, dat de droppels van de opslaande schepriemen hen besproeiden. Meest in aantal en verscheidenheid waren
+de meeuwen,&#8212;groote roodbruine, zooals ook langs de zeekust vliegen, parelgrijze met paarlmoerachtige glansen langs de borst
+en de onderzijde der vleugels, en kleine, heel smalle, die zoo wit waren als schuim, en een langen, scherptrillenden kreet
+uitstieten, terwijl zij in wijde kringen zeilden. Hoog in de lucht hingen donkere roofvogels, die, als zij plotseling neerschoten
+op den bespieden visch, een ruischend gerucht maakten met hun groote, <span class="pagenum">[<a id="pb367" href="#pb367">367</a>]</span>grauw-bruine vlerken. Er stonden witte reigers hoogpootig te blinken tusschen &#8217;t riet. Langs de zandbanken waadden op ooievaars
+gelijkende vogels die, als pelikanen, een grooten zak tusschen snavel en hals hadden hangen. En overal, op het water, langs
+het zand, tusschen de biezen, schitterden prachtige waterhoentjes, met flikkerblauwe borst en een schelrooden kam op den kleinen
+helderoogden kop. Onze prauw zwom: de vogels zwommen: het ging alles in vrede en vriendschap.
+
+</p>
+<p>We waren al een goed uur onderweg, toen wij de eerste visschersbooten tegenkwamen. Zij blonken ons met purperen zeilen tegemoet,
+die vierkant tusschen rechte staken gespannen stonden. Toen zij vlakbij waren, zagen wij dat die zeilen sarongs waren, zooals
+wij er op den pasar van Alakoeang en aan de voorbijgangers op den weg gezien hadden. Het scheen al te zonderling om het te
+gelooven, zelfs op eigener oogen getuigenis. Maar het inlandsche hoofd, dat de reis mede maakte, verzekerde dat het inderdaad
+sarongs waren die het varende volk hier voor zeilen gebruikt. Twee boven elkander uitgespannen vormen een windvanger, groot
+en sterk genoeg voor deze lichte scheepjes. Zoo gerieft dit volk zichzelf en zijn vaartuig met &eacute;&eacute;n en hetzelfde stuk goed,
+sarong vandaag, morgen zeil. Er waren een menigte prauwen op het meer, en &oacute;verschoon die schittering in de zon van purperen,
+rozenroode, oranje en vioolpaarse zeilen tusschen het blauwe water en de blauwe lucht.
+
+</p>
+<p>Het meer van Sid&egrave;nreng is met het meer van Tempe verbonden door een waterloop, rivier in den regentijd, beekje in de droge
+maanden. Er was ons gezegd dat het ditmaal geheel uitgedroogd was, en dat wij een paar uur door modder te baggeren zouden
+hebben, om van het eene meer naar het andere te komen. Maar er bleek nog juist z&oacute;&oacute;veel water <span class="pagenum">[<a id="pb368" href="#pb368">368</a>]</span>te staan, als voor onze prauw voldoende was. Tusschen blauwige biezen en allerlei fijngebloemd watergewas wrikten de mannen
+het bootje voort. En we kwamen er anderen tegen, die wij voorbijgingen met wederzijdsch wijken en even dringen, zooals menschen
+zouden doen in een nauwe drukke straat. Al die prauwen vervoerden visch, versche en droge. Dat wist men al lang voordat men
+het zag. Vooral de droge visch&#8212;hoopen platte grauwe beesten, den dungetanden muil opgesperd als in een verstarden geeuw&#8212;was
+van verre al te merken. En dat niet alleen op de booten, maar spoedig ook al van den wal. Langs weerskanten van het modderige
+kanaal stonden hier, daar, overal, atap hutjes, waar visch lag te drogen in de zon. Op den vloer van het paal-huisje, op den
+grond er omheen, op de stellage van bamboestijlen en -horden er naast, overal lag visch. Mannen en vrouwen, die langs het
+smalle pad gingen, liepen gebukt onder lasten visch. Naakte kinders lagen te spelen tusschen hoopen visch. En het voedsel,
+dat driften waggelende kwekkende eenden onder zand, schelpen en wier te voorschijn haalden, was ook al visch.
+
+</p>
+<p>Halverwege het meer van Tempe overgevaren, kwamen wij aan de plaats waar een deel van al dien overvloed van visch vandaan
+komt. Het is een lange, modderig-bruine ondiepte, met opstekende zandbanken hier en ginder, en tusschen grijsgroene biezeneilandjes
+een enkele poel dieper, klaarder water. Eenige visschersprauwen lagen er voor anker, roerloos boven het even-rimpelend spiegelbeeld
+van hun donkere kiel en roode en oranje zeilen. De mannen waadden rond in het ondiepe water, in elke hand een met de opening
+omlaag gekeerde korf, die zij onder het voortgaan, rechts en links om de beurt neerstieten tot op den bodem, waar, in de modder,
+de visch verscholen <span class="pagenum">[<a id="pb369" href="#pb369">369</a>]</span>ligt. Voelen zij een spartelend bewegen in de mand, dan steken zij, door een opening in den omhooggekeerden bodem, den arm
+erin en grijpen hun vangst. De mand, die niet in een gevlochten rand maar in een krans van scherpe pinnen uitloopt, is gemakkelijk
+neer te duwen en gemakkelijk op te halen uit de weeke modder. Het is verwonderlijk om te zien hoe vlug de visschers ermee
+voortkomen, rechts, links, bij elken plonzenden stap door het water een stoot met de mand omlaag. Zoo vroeg als het nog was
+in den morgen, de wachtende prauwen lagen al half vol met visch.
+
+</p>
+<p>Met netten ook wordt er gevischt op de meren. Wij kwamen een geheele reeks prauwen tegen, die de vangst al binnen hadden,
+en naar huis varend met volle zeilen, het zwartige vischtuig tusschen de masten gespreid droegen, om te drogen in den wind.
+
+</p>
+<p>En v&oacute;&oacute;r de dorpen langs den oever, wier zoetklinkende namen de roeiers ons noemen,&#8212;Alasaleyo Tjelingingi, Tempe&#8212;stond allerlei
+vischtuig uitgezet, fuiken van wonderlijk fatsoen, en staketsels, die, in bochten en slingers loopend, een waren doolhof vormen,
+waar de binnenzwemmende visch niet meer uit ontkomt.
+
+</p>
+<p>De roeiers zeggen ons de namen van al dat vischtuig, de namen van de visch, die overal, met een plons en een flikkering, opspringt
+uit het water, de namen van de vogels, die, voorbijscherend, er op jagen. Zij lachen, als zij zien dat dat alles wordt opgeschreven
+en nog meer, als het hoofd hun verklaart, dat het in een courant komt te staan en dat menschen in Holland het lezen zullen!
+Ze zijn vroolijk. De roeitocht van zeven uren aan een stuk heeft hen niet moe gemaakt. Als in de Oostelijke verte de daken
+van Tempe zichtbaar worden, roept er een iets tot zijn kameraden. Meteen buigen tien lenige lichamen <span class="pagenum">[<a id="pb370" href="#pb370">370</a>]</span>diep voorover, de korte schepriemen vallen en springen met een slag, waar het water in regenboog-doorgloorde buien van opstuift,
+de prauw schiet vogelvlug vooruit. De drie roeiers naast het roer, achter op de prauw, laten hun riemslag dwars tegen de maat
+van dien der anderen in vallen. Als een huppelende dans klinkt dat. Een van de roeiers begint te zingen, de anderen vallen
+in. De bruine daken komen nader, de oever duikt op en rijst, aan den Zuidelijken horizont worden hooge bergen al helderder.
+Uit het meer varen wij een rivier binnen. Het is de Walana&euml;, die rustig en breed het land invloeit. Op den hoogen oever ligt
+Tempe, dicht gedrongen met honderden bruine daken langs den bochtigen loop der rivier gevlijd. Een half uur achtereen zien
+wij die menigte van huizen. Al groeiende zijn twee groote dorpen elkander zoo dicht genaderd, dat zij den voorbijvarende &eacute;&eacute;n
+lijken. Wij dachten nog Tempe te zien, toen de roeiers hun riemen inhaalden, en terwijl zij de prauw tegen den wal lieten
+drijven, zeiden zij dat hier het doel van den tocht bereikt was, Singkang.
+
+</p>
+<p>Singkang is wat men een provinciale hoofdplaats zou kunnen noemen: het centrum van het onderdistrict Singkang, dat, als een
+der rijkste, met verscheiden andere landschappen ressorteert onder de afdeeling Boni. Het dorp ziet er welvarend uit; de menschen
+dragen degelijke, soms zelfs zwierige kleedij, de paardjes, die het marktvolk in rijen langs den weg drijft, zijn doorvoed
+en verzorgd en stappen stevig onder hun last; op zindelijke erven staan w&egrave;l onderhouden, huizen die van goed materiaal gebouwd
+zijn. Nog een teeken van welvaart, het beste wel: het volk wil leeren. Pas is de nieuwe school vergroot geworden, en reeds
+blijkt ze alweer te klein. En niet alleen de jongens zijn het, neen, evengoed de meisjes, voor wie haar ouders onderwijs begeeren.
+<span class="pagenum">[<a id="pb371" href="#pb371">371</a>]</span>Als uit deze laatste bijzonderheid op te maken valt, is het de handel, waaraan Singkang zijn voorspoed dankt. Een bevolking
+die hoofdzakelijk van den landbouw en van huis-industrie leeft, meent allicht dat zij met lezen, schrijven en rekenen niet
+van noode heeft. En als zij, min of meer gedwongen, haar jongens, die zij veel liever voor buffel-herders gebruikt, al naar
+de school laat gaan, dan houdt zij stellig en zeker haar meisjes toch thuis. Handelsvolk is wel wijzer.
+
+</p>
+<p>De pasanggrahan van Singkang ligt op den steilen oever der rivier. Van de achtergalerij uit heeft men, over het smalle tuintje
+heen, het uitzicht op de veerpont die daar heen en weer zwaait over het breede sterk-stuwende water. Op pasardagen,&#8212;en pasar
+is het in Singkang tweemaal in de vijfdaagsche week,&#8212;krijgt men hier een indruk van de levendigheid van het handelsverkeer
+der streek. Voor zonsopgang al begint het gedrang aan de pont, van dragende menschen en bepakte paardjes. Daar komen ze aan,
+met rijst, met visch, met ma&iuml;s, met vruchten en groenten, met geweven goed, met kalk, met atap. De slaperige veerman, dien
+zij wakker geroepen hebben, is nog niet te voorschijn gekomen uit zijn deur, of zij hebben, dringend en schikkend, hun plaats
+al gewonnen op den bamboehorden-vloer, die over twee tot prauwenfatsoen uitgeholde boomstammen is vastgemaakt. En de pont
+is nog niet halverwege den stroom, of een nieuwe menigte is al weer saamgeloopen aan den voet der oeverhelling. Wie tegen
+een uur of acht naar den pasar gaat, kan daar eenige duizenden menschen bijeenzien. Het gemiddelde aantal wordt mij genoemd
+als van zeven tot acht duizend. De pasarrechten, door den vorst van het district gepacht, maken een aanzienlijk deel uit van
+zijn inkomsten. Als de pogingen slagen, die het gouvernement doet, ter invoering van betere landbouw-methoden, vooral <span class="pagenum">[<a id="pb372" href="#pb372">372</a>]</span>als een irrigatiestelsel tot stand komt, dat de rijstopbrengst van de streek eenige malen verveelvuldigen zal, zullen handel
+en verdienste in een nog snellere en meerdere mate toenemen dan zij deze allerlaatste jaren reeds deden.
+
+</p>
+<p>Celebes is van oudsher een land van handelaren geweest. Lang voordat de Compagnie er kwam, hadden Makassaren en Boegineezen
+rijkdommen gewonnen in een handel, die over tusschenstations heen, verbindingen gehad moet hebben tot met China toe: getuige
+de hoeveelheden &#8220;schoon porselijn&#8221; die Rumphius in zijn &#8220;Ambonse Historie&#8221; telkens weer opnoemt onder den buit, door expedities
+der Compagnie in Celebes behaald. Maar die handel was van een avontuurlijke soort, en de handelsman bijwijlen roover, en dikwijls
+genoeg ook weer beroofde. Zoolang hij op zee was moest hij zijn waar en zichzelf zien te weren tegen &#8220;het kwaadaardig gebroedsel&#8221;
+van Ternate en Ceram, handelaars-piraten, als hijzelf. En aan land was het nog wel zoo erg: daar loerde op hem zijn eigen
+radja met zijn aanhang, tegen wie geen snelheid van schepriemen en zeilen en geen scherpte van forsch gezwaaid zwaard hem
+helpen konden. De vorst, of de edelman, of erger nog dan een van beiden, de Arabische geldschieter, die den een als den ander
+in zijn macht had, trad zijn huis binnen, zag er iets wat hem beviel, nam het. Hij durfde niet kikken. Hij moest nog blij
+toe zijn om wat ze hem wel wilden laten. Tegenover den edelman en den vorst had de gemeene man geen rechten. In het binnenland
+van Celebes heeft die toestand zich gehandhaafd tot in dezen tegenwoordigen tijd toe. Het nieuwe r&eacute;gime pas, dat niet alleen
+in naam, maar ook inderdaad het Nederlandsche gezag in de plaats van dat der inlandsche vorsten stelde, heeft er een eind
+aan gemaakt. En van dien keer der zaken dateert <span class="pagenum">[<a id="pb374" href="#pb374">374</a>]</span>de opkomst en bij den dag in ongestoorde ontwikkeling rijkere bloei van den inlandschen handel, waardoor het geheele dorpsleven
+veranderende is.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p373.jpg" alt="In bonte kleedij, wuivenden sluier en aureool van langgesteelde gulden bloemen om haar beschilderd voorhoofd, dansten de meisjes een langzamen rondedans." width="484" height="636"><p class="figureHead">In bonte kleedij, wuivenden sluier en aureool van langgesteelde gulden bloemen om haar beschilderd voorhoofd, dansten de meisjes
+een langzamen rondedans.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Een einde gemaakt heeft het Nederlandsche bestuur ook aan de slavernij: &#8220;met &eacute;&eacute;n pennestreek.&#8221; En men zou verwachten dat de
+uitwerking van dit verbod een nog diepergaande zijn moest, en die nog grootere en snellere veranderingen in de inlandsche
+maatschappij teweeg moest brengen. Op dit oogenblik echter&#8212;hoewel het in de toekomst stellig veranderen zal,&#8212;is dat niet het
+geval. De opheffing der slavernij heeft de slaven zelven vrijwel onverschillig gelaten. Op den pasar van Singkang hadden wij
+een ontmoeting, die ons van die onverschilligheid een merkwaardig staaltje gaf. Er was daar een gezelschap danseressen, onder
+geleide van een oude vrouw. Terwijl de meisjes in haar bonte kleedij, wuivende sluiers en aureool van vergulde bloemen op
+lange stelen rondom haar beschilderd voorhoofd trillende, een langzamen rondedans dansten, zong de oude een lang, eentonig
+lied, naar de maat waarvan zij haar schreden schikten. Toen zij zweeg, hielden zij op en verbraken den kring. De oude kwam
+naar voren en nam het geld van de toeschouwers in ontvangst, dat zij wegstak in haar slendang. De meisjes keken er zelfs niet
+naar, onverschillig, als omtrent iets dat hen niet aanging. Wij hoorden dat zij ook werkelijk geen het minste belang hadden
+bij de opbrengst van hun arbeid. Zij waren het eigendom der oude vrouw, die hen, jong, van hun ouders had gekocht, hen onderwezen
+had in dansen en zingen, hen voedde en kleedde, en zich het geld, dat zij verdienden met haar vertooningen, toe&euml;igende. Het
+bleek een erkende instelling te zijn, en een door het geheele binnenland verspreide. Het gebeurt wel dat zulk een meisje een
+minnaar vindt <span class="pagenum">[<a id="pb375" href="#pb375">375</a>]</span>en trouwen wil: dan moet de vrijer haar loskoopen van haar meesteres. Het gebeurt ook wel dat er een wegloopt, omdat zij het
+eeuwig rondzwervende en toch eng-gebonden leven niet langer harden kan misschien, of misschien ook omdat de man, die haar
+trouwen wil, geen geld genoeg heeft om haar vrijheid te koopen. Dan wordt er jacht op haar gemaakt en de gevangene teruggegeven
+aan haar meesteres. Natuurlijk: als het geval voor den ambtenaar van het Binnenlandsch Bestuur werd gebracht, was het oogenblik
+van klagen en het oogenblik van recht en vrijheid krijgen, &eacute;&eacute;n. Dat weten zij ook, allen: de ouders die het kind &#8220;afstaan
+voor geld,&#8221; de oude vrouw die hen exploiteert, de meisjes zelven. En niettemin gaan de eenen voort met onrecht doen in volkomen
+gerustheid, en de anderen met onrecht lijden in volkomen gelatenheid. Vraagt men: waarom dan toch?, dan is het antwoord: &#8220;Wij
+zijn het altijd zoo gewend geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was het antwoord dat wij kregen op de markt te Singkang; en dat is het antwoord dat ambtenaars van het B. B. krijgen,
+wanneer zij &#8220;slaven&#8221; trachten uit te leggen dat zij niet langer slaven zijn, en vrij om te gaan waarheen, te leven zooals
+en te doen wat zij willen. De &#8220;slaven&#8221; hooren de verklaring aan, hoffelijk en zwijgend, naar inlander-manier. Maar bij zich-zelven
+denken zij: &#8220;Dat is weer zulk een nieuwigheid van de Blanda&#8217;s waaraan geen verstandig mensch zich zal storen. Ik ben een slaaf
+geweest. Mijn vader en moeder zijn slaven geweest. Mijn grootouders en overgrootouders, en al mijn voorouders voor zoover
+iemand het kan nagaan zijn slaven geweest. Mijn kinderen zullen ook slaven zijn. Als nu de Companie beveelt dat dat anders
+moet worden, wordt het daarom anders? De Companie kan wel bevelen dat wij inlanders allen een blanke huid moeten hebben voortaan.
+Maar wij blijven bruin! Laat de Companie <span class="pagenum">[<a id="pb376" href="#pb376">376</a>]</span>maar zeggen dat wij voortaan vrij zullen zijn! Wij blijven slaven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een enkele heeft de openhartigheid het ronduit te zeggen. En dan valt den &#8220;bevrijder&#8221; de repliek moeilijk.
+
+</p>
+<p>&#8220;Slavernij&#8221; in het Hollandsch en &#8220;slavernij&#8221; in het Makassaarsch of Boegineesch of Ternataansch of welke andere talen meer
+in Celebes en in de Molukken gesproken worden, is niet hetzelfde. Zelfs voor gekochte of geroofde slaven was de meester maar
+zelden hard: en de slaaf op zijn erf geboren, als kind van ouders die zijner ouders slaven geweest waren, was een lid van
+zijn gezin. De slaaf diende hem, zeker. Maar ook vele van zijn arme bloedverwanten dienden hem. Bepaalde grenzen omsloten
+de verplichtingen van den slaaf; daarbuiten had hij ook rechten. Dat ging zoover, dat een slaaf eigen bezit kon hebben en
+inderdaad dikwijls had. Zoodat het voor den Westerling onbegrijpelijke geval zich voordeed, dat de slaaf rijk was, en de meester
+arm. En dan was het juist de slavernij, die den rijken slaaf beschermde, daar waar de vrije man onbeschermd bleef. De radja
+of de &#8220;edelman&#8221; die een vrijen koopman plunderde, wachtte zich wel den koopman aan te tasten, die, als slaaf, onder de bescherming
+van een anderen grooten heer stond. Terwijl die groote heer zelf zijn slaaf ontzag, gedeeltelijk omdat de adat dat voorschreef
+en gedeeltelijk omdat hij hem als een huisgenoot genegen was. Dat de verhouding al sedert eeuwen zoo geweest moet zijn, blijkt
+uit een verhaal, dat Rumphius doet omtrent &#8220;den Koninck van Ternate, Hamsa&#8221; en Hamsa&#8217;s slaaf &#8220;den ouden roover Djouw Loehoe.&#8221;
+Hamsa had den roover, dien hij op last der Compagnie gevangen had genomen, weer losgelaten en op de toornige vraag waarom,
+niet anders geantwoord dan &#8220;dat dezelve <span class="pagenum">[<a id="pb377" href="#pb377">377</a>]</span>zijn slaaf was, denwelke hij telkens weder konde krijgen als hij begeerde.&#8221; Toen de gouverneur-generaal hem aan zijn woord
+hield en eischte dat hij Djouw Loehoe zou te voorschijn doen komen uit de sterkte, waar hij zich in allerijl verschanst had,
+bleek de ware toestand. &#8220;Djouw Loehoe wist den Koning niets ter wille, latende hem aanzeggen dat hij wel bekende Zijn Hoogheids
+slaaf te wezen, maar dat hij voor die reis niet konde afkomen, vreezende dat hij hem mede in onze handen mocht leveren.&#8221; De
+Koning vertrok dan met een langen neus.&#8221; Waar van zoo oudsher de verhouding van slaaf tot meester een zoodanige was, is het
+ten slotte zoo verwonderlijk niet, dat de Westerling daarin nog geen verandering teweeg heeft kunnen brengen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb378" href="#pb378">378</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch34" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Pampanoea en Watampone</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-o.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-o.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">O</span>p den weg naar de golf van Boni en Badjoa, dat de schepen der Paketvaart aandoen, is Pampanoea het op Singkang volgende station.
+De zachtjes krakende en kabbelende veerpont brengt den reiziger naar de overzij der <span class="corr" id="xd0e2492" title="Bron: Walan&auml;e">Walana&euml;</span>, en een landweg op die door een vruchtbare zorgvuldig bebouwde streek loopt. Zij is dicht bevolkt. Groepjes hutten, het al
+groeiende begin van gehuchten, staan overal tusschen de akkers langs den weg. De heerschende bouwtrant is hier dezelfde als
+op Makassar: het huis dat van bamboe-reepen gevlochten is, staat manshoog op palen<span class="corr" id="xd0e2495" title="Niet in bron">.</span> De voorzijde heeft drie langwerpig hooge vierkante openingen als vensters, die dikwijls hetzij met gebeeldhouwde stijltjes,
+hetzij met gordijnen zijn versierd, wat een Westersch-properen en gezelligen glimp geeft aan het geheel. Aardig komen de gezichten
+der bewoners te voorschijn binnen die omlijsting, wanneer zij den voorbijrijdenden reiziger nakijken. Wij zagen twee van zulke
+huizen in aanbouw. Van het eene stonden de gevel, vensters en alles voltooid, tegen het bloeiende citroen-boschje van het
+erf geleund, te wachten op het gereed komen van de zijwanden en den achtergevel. Het huisgezin was bezig die te vlechten,
+met hun allen op den grond gehurkt <span class="pagenum">[<a id="pb379" href="#pb379">379</a>]</span>rondom een rooster van platgeslagen en gespleten bamboelatten, dat zij dichtten met behendig doorgestoken reepen. Voor den
+avond zouden zij wel klaar zijn, leek het, en de vier wanden, aan de randen samengehecht met een windsel van rottan, dat tegelijk
+stevigheid en versiering geeft, vastgemaakt hebben aan de bamboestijlen en op den houten vloer. En den volgenden dag kon dan
+het dak er op, waarvoor de bedekking,&#8212;droog blad van den arenpalm tot strooken saamgevlochten,&#8212;op den pasar van Singkang was
+gekocht. En de buren, gekomen om te helpen aan den bouw, zouden met het gezin de inwijding der nieuwe woning vieren bij een
+maaltijd waarvoor ieder een portie spijzen had meegebracht. Het andere huis, waaraan wij de bouwers bezig zagen was een al
+bewoond, dat vergroot werd. De verbouwing had geen verhuizing noodig gemaakt. De wijdere wanden en het hoogere dak waren om
+en over het oude huisje heen gezet; klein, donker en dicht zat het binnen in de ijle overhuiving. In het bruine tinteldonker
+achter de deur-opening kwam het huisgezin te zien, dat in zijn snellen groei het stulpje zoo naar alle kanten uiteen had geduwd:
+zeker een dozijn kinders, dicht om de moeder en een dampenden pot rijst heengedrongen. Ieder kreeg zijn portie op een stuk
+pisangblad bij wijze van een bord. Het allerkleinste werd gevoerd met balletjes samengeknede rijst, die de moeder hem met
+den duim achter in de keel duwde, onbekommerd om zijn gehuil: een schreeuw, een prop, een schreeuw, een prop, om de beurt.
+Terwijl dus beneden in het oude huis gegeten en gevoerd werd, werd gewerkt boven in het nieuwe; onder de handen van den schrijlings
+over den nok gezeten huisvader vorderde het dak.
+
+</p>
+<p>Wij bereikten Pampanoea even voor den middag. Na Singkang met zijn bedrijvig gewoel langs de rivier en op den pasar, en zijn
+dicht aaneengedrongen <span class="pagenum">[<a id="pb380" href="#pb380">380</a>]</span>huizen, lijkt dit Pampanoea, dat de officieele hoofdplaats van de streek en een garnizoensplaats is, al heel klein en stil.
+Strategische redenen hebben de keuze van het gouvernement bepaald: Pampanoena is van me&eacute;r punten uit en gemakkelijker te bereiken
+dan Singkang, waarheen de hoofdweg de in ontelbare bochten slingerende rivier is. Als garnizoens-plaats heeft het dorpje een
+&#8220;ver-Hollandscht&#8221; voorkomen; breede, rechte, goed onderhouden wegen en een aardig park, waaromheen de huizen der officieren
+gelegen zijn. Het inlandsche dorp, van deze omgeving uit niet te zien, heeft ook iets Hollandsch: in zooverre namelijk, als
+het ordelijk en zindelijk is. Aan het eigen goedvinden van de bewoners overgelaten is een inlandsch gehucht dat zelden of
+nooit. Het materiaal waarvan de huisjes zijn gebouwd is van het lichtste: het heeft veel te verduren van het klimaat, in de
+lange stormachtige regentijden: reparatie is altijd door noodig. En dat is iets waartoe een Oosterling zichzelven niet gauw
+of graag brengt. Of het om een wonderwerk van architectuur als een Balischen tempel gaat, of om een boerenhutje hier in het
+binnenland van Celebes, dat is hetzelfde. Wat eenmaal vervalt dat laten zij liefst verder vervallen. De Bali&euml;rs hebben het
+zelfs verstaan aan deze hun trage nalatigheid een glimp van godsdienst te geven: de goden willen niet dat het vervallende
+hersteld worde. Het moet vervallen tot het niet meer is. En dan moet de ledige plaats ingenomen door het nieuwe. Makassaren
+en Boegineezen, Moslims, houden zulke bespiegelingen niet. Maar hun practijk is dezelfde. Men kan huizen zien van welgestelde
+gezinnen waar het dak in flarden van afhangt. Een vergelijking van gehuchten als Alakoeang of Teteadji in de afgelegen meren-streek
+met Singkang of Par&eacute; Par&eacute; of Pampanoea, standplaatsen van ambtenaren van het B. B., maakt de verandering <span class="pagenum">[<a id="pb381" href="#pb381">381</a>]</span>duidelijk die Westersch toezicht in Oostersche toestanden te weeg brengt.
+
+</p>
+<p>Althans in woning-toestanden; in andere opzichten blijken sleur en vooroordeel dikwijls nog te sterk. Bijvoorbeeld in dat
+van hygi&euml;ne. De inlander heeft daarvan geen begrip. Getuige de manier waarop een moeder haar kokhalzend kind volstopt met
+voedsel&#8212;en met w&agrave;t voor voedsel soms! &#8220;Als mijn kind niet eet, sterft mijn kind.&#8221; Als al slikkende &#8220;mijn kind&#8221; t&ograve;ch sterft&#8212;en
+ach! in getale sterven de kleinen in inlandsche dorpen!&#8212;dan is het de &#8220;wil van Toean Allah&#8221; geweest. Evenzoo is het de wil
+van Toean Allah wanneer in tijden van epidemie vele honderden menschen sterven, die uit stinkende slooten en poelen drinken;
+of wanneer zeere oogen met een slip van gore kleedij afgewischt, dof worden en blind; of als huidziekten en wonden, aan het
+toeval overgelaten, een mensch den dood aandoen. &#8220;Zeker was het zijn uur om te sterven.&#8221; In geheele streken van Celebes zijn
+de pokken epidemisch. Het bestuur heeft de vaccine-campagne er tegen begonnen. Maar nu het volk er toe te krijgen dat het
+aan die om zijnentwille begonnen campagne meedoet! Alweer: het is de wil van Toean Allah volgens welken een mensch de pokken
+krijgt of niet krijgt: en aan dien wil verandert geen medicijn iets. Soms hoort men nog een andere reden opgeven voor dien
+algemeenen onwil. Om der zonderlingheid wille dient zij vermeld, zij het dan ook al onder voorbehoud. Velen gelooven, zegt
+men, dat wie eenmaal de pokken heeft gehad in dit leven, in het volgende er van verschoond zal blijven. Daarom vinden zij
+het zaak de ziekte te hebben, en wie zoo ongelukkig is niet vanzelf haar te krijgen, gaat naar een fortuinlijker buurman en
+haalt een beetje besmetting. Het moet geen geringe voldoening zijn in een tijdelijk geschonden gezicht den waarborg <span class="pagenum">[<a id="pb382" href="#pb382">382</a>]</span>van eeuwige schoonheid te bezitten!&#8212;Meenen zij het werkelijk zoo? Men hoort het, en men leest het zelfs in officieele mededeelingen.
+Maar het blijft altijd uitermate moeilijk te weten te komen of zoo iets een persoonlijke opvatting is, of eene misschien tijdelijk
+of toevallig in een bepaalde streek heerschende, waar de een of andere dweepzieke fantast vat gekregen heeft op de kinderlijke
+gemoederen, dan wel of het werkelijk een algemeen vastgehouden overtuiging is. De Oosterling is, om redenen voor hem voldoende,
+zeer gesloten tegenover den Westerschen overheerscher. En ook wie met al den ijver en de belangstelling die uit oprechte sympathie
+voortkomen zijn leven gadeslaat, zal zich moeten neerleggen bij het besef, dat hij niet dan in zeer zeldzame gevallen meer
+dan den buitenkant er van te zien krijgt.
+
+</p>
+<p>De verbinding van het binnenland met de golf van Boni gaat langs de rivier, die bij Singkang de Walana&euml; heet en verderop twee,
+driemaal van naam verandert, bij het opnemen van andere stroomen. De mail, die de booten der Paketvaart te Badjoa afgeven,
+wordt in een sloep aan wal gehaald en met een stoombarkasje het binnenland in gebracht. De menschen wachten op die barkas
+als een kleine honderd jaar geleden, klein-stedelingen door heel Europa wachtten op de post-koets. En wie kan, schikt zijn
+reizen naar de vaarbeurten van het bootje, liever dan over de moeilijke wegen een tocht te ondernemen. Ook wij deden dat.
+
+</p>
+<p>Van het midden van haar breeden vloed uit, die goor en dik van opwolkende modderwervelingen langs de flanken der barkas stuwde,
+zagen wij de rivier laag in haar bedding liggen. Slijkerig zwart langs den zoom van het water, grauw omkorst hoogerop, hingen
+ontbloote wortels van boomen en struweel. In den nacht nog, klaarblijkelijk, was het water <span class="pagenum">[<a id="pb383" href="#pb383">383</a>]</span>onder het toch al buitengewoon lage peil verder gezakt. Het trof te meer te hooren, hoe kortgeleden nog diezelfde trage slinkende
+stroom den geheelen omtrek langs zijn beide oevers onder water had gezet, en de opkomende ma&iuml;s-velden der dorpelingen had
+doen verrotten in een vloed die drie maanden achtereen bleef staan. Een bleeke streep langs de stammen van den steilen oever
+was er van achtergebleven als een peil-merk der natuur zelve. En een ander merk zou de zoeker kunnen vinden in leeg geworden
+huisjes en verzwakte lichamen. Zulke schommelingen tusschen verdorring en watersnood zijn niet zeldzaam in deze streek, waar
+weken achtereen soms een heete van kalkdeeltjes doorstoven wind van de verschroeide hoogvlakte overheen blaast, en in den
+regentijd de bergen, als een dijk in de luchtzee staande, den <span class="corr" id="xd0e2516" title="Bron: Westmousson">Westmoesson</span> tegenhouden, waarop de zware regenwolken komen aangezeild.
+
+</p>
+<p>De kronkelige rivier kan de plotselinge vloeden niet verzwelgen noch snel genoeg afvoeren. Regularisatie is allerdringendst
+behoef. Maar ook hier weer is het&#8212;waar moet het geld, waar moeten de arbeiders met het hoofd en de arbeiders met de handen
+vandaan gehaald?
+
+</p>
+<p>Voorshands wordt er gewerkt aan nieuwe wegen en het is een lust om te zien hoe die vorderen, een lust om te zien ook dat het
+volk, in heerendienst opgeroepen, er aan werkt zooals menschen werken die weten hun eigen belang te dienen. Zij hebben het
+ervaren, dat zij langs een ordentelijken weg gauwer vooruitkomen, meer kunnen verdragen en vervoeren van huis naar pasar,
+meer kunnen verdienen dus met minder moeite, dan langs de ruige paadjes over stok en steen, door poelen en kreupelhout, waarmee
+zij vroeger zich tevreden stelden. Zoo iets stellen de geboren handelslui die zij zijn, <span class="pagenum">[<a id="pb384" href="#pb384">384</a>]</span>op den rechten prijs. Hetzelfde geldt voor den aanleg van telegraaf- en telefoonlijnen. Zij kenden in het begin het gebruik
+er niet van. En toen kwam het voor dat zij, in alle onschuld, de leidingen doorsneden, om van dat mooie, blinkende metaaldraad
+arm- en enkelbanden voor hun kinders te maken. De leiding was, in hun idee, &#8220;een wegwijzer voor de Companie&#8221; en w&egrave;l zonde
+en jammer daarvoor metaal te gebruiken, terwijl het toch met rottan precies even goed ging: waarom zij, eerlijk, overal waar
+zij draad wegnamen, er rottan voor in de plaats inlaschten. Maar sedert een invloedrijk hoofd, half verdwaasd van blijden
+schrik, de stem van een ver verwijderden vriend door de telefoon te hooren kreeg, en aan al zijn volgelingen het wonder mee
+ervaren liet, heeft dat opgehouden. Op zijn hoogst wordt een heel enkelen keer door dezen of genen, wien vaderliefde en schoonheidszin
+al te sterk worden, een heel klein eindje gediefd van het draad dat de palen aan hun stut verbonden houdt.
+
+</p>
+<p>Bij een van de vele kleine gehuchten die als lafenis zoekende kudden langs den oever zich neergelegd hebben, verlieten wij
+den stroom en zochten een eind ver langs den nieuwen en voor onze oogen groeienden, daarna langs den ouden, vervallenden weg,
+de richting naar de grot van Mampoe. Er was ons gezegd, dat het gezicht daarvan all&eacute;&eacute;n al loon genoeg was voor meer tijd en
+moeite dan de reis door Par&eacute; Par&eacute; en Boni kost. Zoozeer gespannen bleek onze verwachting toch nog kleiner dan de werkelijkheid.
+Iets zoo fantastisch-schoons als dit binnen-bergsche gebouw van blanke zalen, hoog als het schip van een kathedraal en gedragen
+op zuilen waarlangs het afdruipend gesteente als tapijten, als vaandels, als prachtig gewonden kransen en festoenen hangt,
+vermag de verbeelding niet zich voor te stellen.
+
+</p>
+<p>De ingang is weinig bemerkbaar, verscholen als <span class="pagenum">[<a id="pb385" href="#pb385">385</a>]</span>hij ligt onder de overhangende helling van den berg en al het dichte groen dat daar weeldert in den zonneschijn. Achter de
+lage, lange poort ligt al een drempel steenachtige grond, waar nog het daglicht helder schijnt, en schaduwtjes van hangende
+ranken luchtig liggen. Daarachter, opeens, zinkt de vloer omlaag, rijst de welving omhoog, wijken de wanden in schemering.
+Een duisternis in de verte is de neerglijdende ingang tot een nog wijdere spelonk. Klein bewegen de lichtjes er door heen
+van de in bossen saamgebonden dorre palmtakken, waarmede als met smeulende flambouwen de inlandsche gidsen voorgaan. Als zij
+de toortsen met een zwaai doen ontvlammen, staat een ruimte belicht wit als versch ivoor: een zuiver-witte koepel langs vijf
+zuiver-witte zuilengroepen opgegroeid uit een wittig-grijzen grond. Geen zweem van kleur, geen verste echo van verstervend
+geluid breekt de witheid en de stilte. Achter de machtigste der veelvuldig samengestelde, opwaarts strevende, neerwaarts vlietende
+zuilenbundels ligt de uitgang onzichtbaar.
+
+</p>
+<p>De smalle gang klimt, herwint den half-dag van de voorste grot, kronkelt door hoekig versperde nauwten naar daarboven en daarachter
+gelegenen. In de eene valt de zonneschijn door de bres, die een geweldige aardstorting heeft gemaakt in de flank van den berg.
+Een jonge boom groeit slank door de opening omhoog. Luchtwortels hangen er in af van een waringin, die ergens, buiten staat.
+Tot een andere hebben regen en plantengroei een weg gevonden langs verborgen scheuren. Als een wonderlijke hemel, waaraan
+de regenboog schijnt, staat het wittige verwulft gestreept met breede banden groen, bruin, oranje en rood. Er is een derde,
+een vierde, een vijfde, waar het op den grond afgedropen steen-vocht tot vormen zich heeft geschikt, die het leven in de natuur
+<span class="pagenum">[<a id="pb386" href="#pb386">386</a>]</span>daarbuiten nabootsen. Daar ligt&#8212;de Inlandsche gidsen houden hun takken-flambouwen hoog om het vlammenschijnsel er over te
+doen spelen&#8212;&#8220;de gestrande prauw,&#8221; wier stuurman in zorgelijk nadenken op de plecht zit, het hoofd op de rechterhand. De &#8220;krokodil
+en de schildpad&#8221; kruipen naar het zwarte hol toe, dat de oever lijkt van een ondergrondsche rivier. Een kudde herten is versteend
+in de houding van doodelijk-beangste vlucht voor den jagenden ruiter en zijn honden. En het rijstveld wordt aangewezen op
+een brokkelige steilte, waar een reusachtige schoof donker tegen het licht staat van de daarachter gelegen instorting. En
+&#8220;het graf van den Radja,&#8221; die op de jacht hierheen verdoold, den weg terug niet meer kon vinden, en het hoofd op de steenen
+neerleggend, zich overgaf aan den eeuwigen slaap. Zijn Raden ajoe is hier, die hem ging zoeken; en de geheele stoet van vrouwen,
+die haar volgde. Maar achter die zalen van een roerloos gedrang van steenen gestalten vol, liggen andere ruimten, ledig geheel
+en al. Door het wittige zand, dat den vloer fijn bestrooit, valt een van verre gekomen licht, blauwachtig als het schijnsel
+van de maan. En in weder andere hangen aan de wanden zonderlinge klompen, zwart tegen grauw, en een voortdurend geruisch vervult
+de lucht, dat doet denken aan het schurende spoelen van een rivier over steenachtigen grond. Hier is het kil. Telkens waaien
+lichte vlagen koude. En men begrijpt niet waar vandaan, in deze van alle zijden besloten spelonk, tot de fakkeldragers, hun
+toorts in een snellen cirkel zwaaiend, het licht opwerpen tot aan de welving, waar, in een zwarte werveling, tienduizenden
+vleermuizen warrelen, die de lucht wannen met hun reppende vlerken.
+
+</p>
+<p>De doolhof van zalen en gangen met zijn wonderlijke versteenigen heeft in de verbeelding van het <span class="pagenum">[<a id="pb387" href="#pb387">387</a>]</span>volk een weerspiegeling geworpen van legenden, even wonderlijk als verward. Het bleek ons dat zij gaarne die vertellen. Geheel
+anders dan de eene deed de ander het. Hun stemmen mompelden en morden in de bedompte lucht, terwijl zij elkander tegensprekend
+in de rede vielen. Maar de meesten hielden toch vast aan het verhaal van den Radja en zijn gemalin, die voor vele honderden
+jaren, door een boozen geest in gestalte van een jachthond verlokt, deze grot binnengekomen waren en na lang dwalen versteend.
+En wij bemerkten, in het heengaan, dat bij &#8220;het graf van den Radja&#8221;&#8212;den kring kleinere steenen die een groot, langwerpig blok
+omringt&#8212;eenige vruchten neergelegd waren als offer.
+
+</p>
+<p>Na de duisternis, de koelte, het zwijgen, kwam ons toen het zonnige landschap en het groepje huisjes waar vrouwen aan het
+rijst-stampen waren, vreemd voor. En gedachten over de legende van den jager en zijn liefste reden met ons mee langs den dagelijkschen
+weg naar Watampone.
+
+</p>
+<p>Watampone, een garnizoensplaats nu en een druk handeldrijvend inlandsch dorp, is de oude residentie der vorsten van Boni.
+Reliquie&euml;n uit hun glorie-tijd worden als in een soort museum bewaard in een huisje van hout en atap, tot het complex van
+het vroegere vorstelijk verblijf behoorend, en de nawerkingen van het oude regime zijn nog sterk in de inlandsche maatschappij.
+
+</p>
+<p>De &#8220;rijks-sieradi&euml;n van Boni&#8221; werden ons vertoond door den bewaker, een oudachtig man, die in gelaat, gebaren, spraak en houding,
+in zonderlinge vermenging, tegelijk iets priesterlijks had en iets slaafs. Voor hij de zware kisten opende, ontstak hij een
+reuk-offer van &#8220;doepa&#8221; in een bronzen komfoortje, dat een gerimpeld oud vrouwtje, stellig ook een slavin vroeger in het vorstelijk
+gezin, hem bukkend en <span class="pagenum">[<a id="pb388" href="#pb388">388</a>]</span>hurkend bracht. Toen nam hij, met ceremonieuzen omslag, de schatten uit hun schrijn. Daar kwamen eerst kostbare wapens te
+voorschijn, zwaarden, als die Balische edelen in hun familie-schat bewaren, met &#8220;pamor&#8221; ingelegd staal, geborgen in een gouden
+scheede, prachtig gedreven en met robijnen en diamanten versierd. Toen werden zijden vaandels ontvouwen, beschilderd en geborduurd.
+Het eene was de vlag, die gouverneur-generaal Speelman namens de Oost-Indische Compagnie aan den Bonischen bondgenoot vereerde:
+op de breede, witte zij, licht vergeeld van ouderdom en in de vouwen gebroken, staat een met volle zeilen en wapperende driekleur
+varend Hollandsch schip geschilderd, tusschen zon en maan, die, als reuzen verbeeld, elkander de hand reiken, terwijl een
+rondom loopende zinspreuk verklaart dat Boni en de Edele Compagnie vereend zullen blijven zoolang als zon en maan zullen schijnen.
+Twee saamgeklonken ijzeren ringen, door inlegsel van goud sierlijk gemaakt, verzinnebeelden verder dat verbond,&#8212;duidelijker
+dan in de bedoeling van den gever gelegen kan hebben: inderdaad, het goud is voor de Edele Compagnie geweest, en het ijzer
+voor Boni! Een gouden keten, geweldig zwaar en dik, van het soort dat Rumphius bedoeld moet hebben, als hij schreef van &#8220;gouden
+slangen,&#8221; gevormd door schakels niet, maar door gr&oacute;ote schubben, toont hoe de Compagnie haar bondgenoot dankte voor hulp met
+de wapenen. Zij werd aan den Vorst van Palakka vereerd, na zijn gelukkige veldtochten in West-Sumatra en in Noord-Celebes,
+in 1672. En de scalp van den vorst, de lange, grove zwarte haren los er langs zwierend, wordt als allerkostbaarste reliquie
+vertoond, zorgvuldig gespannen over een houten schedel. Er is sprake van geweest de &#8220;rijkssieradi&euml;n van Boni&#8221; over te brengen
+naar Batavia, waar zeker het vele <span class="pagenum">[<a id="pb389" href="#pb389">389</a>]</span>goud en edelgesteente veiliger zou wezen dan hier. Maar men heeft ze in Watampone gelaten, met ommezicht naar de gevoelens
+der bevolking. Het blijkt immers uit de offers van wierook, bloemen en vruchten, geregeld nedergelegd in de grafkoepels der
+sultans, een eindweegs buiten het dorp, hoezeer zij nog steeds gehecht is aan de nagedachtenis van haar oude vorsten. Men
+zou met recht mogen vragen, waarom dan toch? Veel goeds heeft zij waarlijk van hen niet ervaren! Maar datgene wat de dessaman
+op het sultansgraf komt eeren, is zeker niet deze of gene Aroe, van wiens daden, goed of kwaad, hij immers niets weet; maar,
+eerder, een vage voorstelling van eigen land en stam vereenzelvigd met de reeks zijner heerschers.
+
+</p>
+<p>Van den laatsten, die door den Boni-oorlog&#8212;(als men met zulk een groot woord &eacute;en enkel gevecht mag noemen)&#8212;uit gezag, huis
+en land verdreven werd, hoort men spreken als van een goedaardigen zwakkeling, geheel versuft door opium-schuiven. Zijn eenig
+genoegen&#8212;en eenige bezigheid tevens&#8212;was het visschen. Het beheer of wanbeheer over zijn land liet hij over aan de &#8220;anak aroeng&#8221;
+(de afstammelingen der vorstelijke familie en de edelen), en aan de Arabische geldschieters, die die anak-aroeng, en hem zelven
+ook, in hun macht hadden, als geldschieters niet alleen, maar ook als bloedverwanten; want de Arabieren, slimme politici,
+waren veelal met vrouwen uit de heerschende families getrouwd. Het nieuwe bestuur heeft nu een eind gemaakt aan wat men &#8220;de
+wettige macht van den adel&#8221; zou kunnen noemen. Niet langer kan een anak-aroeng het paard van een dorpeling verbeurd verklaren,
+omdat het onder zijn huis door is geloopen, of de karbouw van den dorpeling, omdat die langs den rand van zijn veld heeft
+gegraasd. En hij zal het ook niet meer wagen een rijstveld van den kleinen man te laten <span class="pagenum">[<a id="pb390" href="#pb390">390</a>]</span>afoogsten of uit het huis van een Boegineeschen handelsman te halen wat hem belieft. Maar de macht en het aanzien, door oude
+traditie hem verleend, heeft de adel ook onder het nieuwe regime behouden. Gewillig buigt de geringe man daarvoor. Het is
+zelfs niet zeldzaam dat hij gehoorzaamt, wanneer een anak-aroeng hem een bevel geeft, voor zijn eigen welzijn gevaarlijk;
+een bevel, bijvoorbeeld, tot moord. Eenige maanden geleden werd in een dorp, aan de Noordkust van de Golf van Boni gelegen,
+een afschuwelijke moord gepleegd; bij het gerechtelijk onderzoek verklaarden de daders op bevel van een anak-aroeng gehandeld
+te hebben. In de gevangenis van een ander dorp in deze streek zag ik zelf twee vrouwen, die te zamen een oud paar hadden geworgd.
+Het paar stond in het dorp bekend voor gifmengers. De radja had bevolen hen te dooden. De twee vrouwen hadden het gedaan.
+De zaak was nog niet ten volle onderzocht en bewezen: maar er werd, in dezer voege, over gesproken als over iets dat volkomen
+vast stond en aan allen bekend was. Niemand scheen er iets afkeurenswaardigs in te vinden. De twee vrouwen hadden kalme, zachte
+gezichten. Toen ik ze zag in de gevangenis, waren ze bezig met hun beiden een klein meisje, het kind van de jongste der twee,
+te voeren. Het zat op het matje tusschen de twee in. En de oudere vrouw zag het zoo vriendelijk aan als de moeder zelve. Het
+zal wel onvermijdelijk wezen dat zij gestraft worden voor moord. Maar even onvermijdelijk zal hun gelaten afkeuring van het
+vonnis zijn. Zij hebben immers niet anders gedaan dan wat zij meenden te moeten doen: gehoorzaamd aan hun meerdere.
+
+</p>
+<p>De adel onderhoudt het denkbeeld van die meerderheid in het volk en in zichzelf door de handhaving van een uiterst strenge
+kasten-wet. De geboorte bepaalt uitsluitend de waarde van den mensch. Omdat <span class="pagenum">[<a id="pb391" href="#pb391">391</a>]</span>hij de zoon was, niet van zijns vaders gemalin, met hem in rang en afstamming gelijk, maar van een bij-vrouw, uit geringere
+familie voortgekomen, werd de laatste Radja minder dan zijn voorgangers ge&euml;erd. De dochter van een aanzienlijk geslacht huwt
+niet met den zoon uit een minder edel. Liever blijft zij ongetrouwd, zoozeer dat tegen alle Oostersche denkbeelden en zeden
+ingaat. Er zijn verscheiden &#8220;prinsessen&#8221; op Celebes, dochters van regeerende vorsten of regeerende vorstinnen (want ook vrouwen
+regeeren hier) die om die reden niet trouwen.
+
+</p>
+<p>De jonge man van goeden huize heeft, van de eerste jongelingsjaren af al, een niet-officieele vrouw. Als kind is zij zijn
+dienend speelnootje geweest; zijn slavinnetje zou zij kort geleden nog geheeten hebben. Op zijn dertiende of veertiende jaar
+is zij door zijn moeder hem als vrouw gegeven. Gaat hij later een huwelijk aan met een vrouw van zijn eigen stand, dan moet
+hij de laag-geborene verwijderen: een vrouw van adellijken stand behoeft geen bijvrouw te dulden. Z&oacute;&oacute;zeer heeft het standsbegrip
+zelfs de Mohammedaansche zede gewijzigd, die toch voor onaantastbaar geldt. Nog meer. Ook het huwelijk tusschen gelijken in
+rang blijft door die gelijkheid beheerscht en van haar afhankelijk, zooals het op haar gebaseerd is. Een vermindering in aanzien
+van de ouders brengt vermindering in aanzien van de dochter teweeg: zij is niet langer haars mans gelijke, zij heeft niet
+langer haar adellijke voorrechten; hij kan, om zijn eigen rang en voorrecht te handhaven, haar verstooten. Het gebeurt herhaaldelijk,
+naar mij verzekerd wordt, dat een schoonzoon zich dus losmaakt van aan lager wal geraakte schoonouders, om het even wat de
+oorzaak van den achteruitgang zij, eigen schuld of ongeluk.
+
+</p>
+<p>Het natuurlijk gevoel blijkt, dat spreekt vanzelf, <span class="pagenum">[<a id="pb392" href="#pb392">392</a>]</span>dikwijls sterker dan al dat kunstmatige. Een man weigert zijn laag-geboren liefste te verstooten om de wille van de aanzienlijke
+vrouw, die zijn ouders hem bevelen te trouwen. Een jonkman en een jong meisje willen zich niet laten dwingen door de conventie,
+die op grond van verschil in stand hun vereeniging verbiedt, en vluchten te zamen.
+
+</p>
+<p>Elk geval van dien aard maakt een steen los uit het oude gebouw van feodale instellingen. En het schijnt wel dat in den laatsten
+tijd zij al veelvuldiger worden: de rebellen weten immers dat het Westerlingenbestuur hen beschermen zal tegen de vergelding,
+die onder het oude regime stellig hen getroffen hebben zou. Gelieven zoeken hulp en toevlucht bij den &#8220;toewan petor&#8221; (als,
+met een echt-inlandsche vervorming van het oud-Portugeesche &#8220;fettor&#8221; de controleur wordt genoemd) zooals Romeo en Julia het
+deden bij den vromen klooster-broeder&#8212;vertegenwoordigers, de een en de ander, van een gezag boven familietwisten of stands-verschil
+verheven.
+
+</p>
+<p>Maar, hoewel in aantal toenemend, blijven zulke gevallen toch uitzonderingen. De regel is: de traditie. Traditie houdt de
+vereering levendig voor den vorst, den onder Nederlandsch gezag &#8220;regeerende&#8221; of den uit alle macht ontzette en buiten de landpalen
+verbannene. Traditie houdt de voorrechten hoog van den adel. Traditie beheerscht huwelijk en gezinsleven. En er zal nog heel
+wat water door de Walana&euml; loopen, voor dat verandert.
+
+</p>
+<p>Als veelal in streken met nog maar gebrekkig ontwikkeld verkeer, vindt men ook in het binnenland van Par&eacute; Par&eacute; en van Boni
+dicht bij elkander gelegen plaatsjes elk met zijn eigen bijzonderheden op zichzelf staan: wat het eene voor gewoonte heeft
+is in het andere uitzondering, wat het eene maakt is in het andere niet te krijg. Pampanoea en Watampone <span class="pagenum">[<a id="pb393" href="#pb393">393</a>]</span>zijn maar ettelijke uren gaans van elkander verwijderd, maar elk van de twee heeft zijn eigen industrie, in het ander onbekend.
+In Pampanoea is het vlechtwerk van fijn slag. De vrouwen maken daar allersierlijkste mandjes&#8212;men zou ze om het fatsoen beter
+schaaltjes met overgestulpten deksel noemen&#8212;soms van bladerreepen, die zij eerst verven, en die zij, in hun sprekende kleuren,
+weten te schikken tot allerlei aardige patronen; en soms (dat is de kostbaarste soort) van de goudgele glanzende en buigzame
+stengels eener orchidee. Stapels van dat aardige goedje kan men op den pasar daar vinden. Vraag er naar in Watampone: &#8220;dat
+maken de menschen hier niet.&#8221; Daarentegen maken ze heel mooi aardewerk: lampjes, komforen en koelkruiken van velerlei fatsoen
+en versiersel; zelfs het grofste, dat op den pasar bij hoopen opgestapeld staat, en voor een paar duiten het stuk wordt verkocht,
+is aardig om te zien. Onder het fijnere, waarvoor zuiverder klei wordt gebruikt, die bij het bakken een bijzonder mooie warm-roode
+kleur krijgt, zijn ware pronkstukjes van primitieve kunst. Men zou deze na&iuml;eve ceramiek, evenals het vlechtwerk van Pampanoea,
+wijder bekend en gewaardeerd wenschen, ware het niet dat dan het gevaar zou kunnen ontstaan, dat overal dreigt waar kunstwerk
+handelswaar wordt: dat om de wille van de winst de kunstenaar zijn waar vervormt naar den minder goeden smaak van den kooper.
+Aan het batik- en koperwerk van Java kan men het zien hoe noodlottig Westersche navraag wordt voor Oostersche kunstnijverheid.
+
+</p>
+<p>De pasar van Watampone, waar wij het mooie aardewerk vonden, werd geheel beheerscht en geregeerd door een statigen, zwierig
+gekleeden Arabier. Hij toonde ons de markt of het zijn eigen huis en erf was, hij maakte met ons &#8220;<span lang="fr">le tour du propri&eacute;taire</span>.&#8221; Alles week voor hem op zij. Hij had, hoorden wij, de <span class="pagenum">[<a id="pb394" href="#pb394">394</a>]</span>pasar-rechten gepacht. Te Singkang was het eenige huis, dat een zinken dak had en hoog daarmee uitblonk boven al die bruine
+atap-nokjes, ons van verre al gewezen als het huis van een Arabier. En we hadden gehoord van de feesten waarmee hij een volle
+maand lang het huwelijk van een zijner dochters zou vieren. Klaarblijkelijk hebben de Arabieren een goed deel herwonnen van
+wat zij al verloren hadden gegeven, toen zij voor de naderende troepen Boni ontruimden, nu vier jaar geleden.
+
+</p>
+<p>Hun bondgenooten van toen, de anak-aroeng, hebben zich niet zoo goed weten te schikken naar de veranderde omstandigheden.
+Met den val van den Radja&#8212;hij, arme sukkel, zucht nog altijd dat hij den oorlog met &#8220;de Compagnie&#8221; niet gewild heeft, hij
+vroeg niet anders dan in rust en pais zijn opium te mogen schuiven en zijn vischje te vangen,&#8212;met den val van den Radja viel
+hun geheele staat. Het gouvernement volgt een politiek van conciliatie tegenover de vroegere machthebbers: jaargelden en decoraties
+aan de vorsten, benoemingen tot aanzienlijke ambten aan de anak-aroeng. Maar het getal van zulke ambten is beperkt, de oudste
+zoons komen als eersten in aanmerking, de jongeren moeten zichzelven zien te redden. Dat kunnen (of willen) zij maar zelden;
+zij zijn nu eenmaal gewend aan het zoete niets-doen en lui-lekker-leven van den kraton, gewend aan het verzorgd, gevoed en
+gediend worden door slaven. Als de familie hen niet onderhoudt&#8212;en families zijn nog al eens weigerachtig!&#8212;rest hun niet anders
+dan stelen: werken natuurlijk buiten quaestie zijnde. En nu ook die tijden al weer voorbij zijn, toen het stelen in grooten
+stijl mogelijk was, op zee in snelle roofschepen, of te land onder zulk een vaandel als Speelman aan Aroe Palakka vereerde,
+doen zij het bescheiden in het klein: als veedieven. De besturende <span class="pagenum">[<a id="pb395" href="#pb395">395</a>]</span>en rechtsprekende ambtenaren hier in de streek hebben meer dan met iets anders last en werk met klachten van dorpelingen over
+vee-diefstal. En slag op slag zijn het jongere zoons uit anak-aroeng families, die als aanvoerders der dievenbenden ontdekt
+worden. Het geringe volk, zoo gedwee het in andere opzichten tegenover den adel zich houdt, verdedigt zijn rechten op het
+stuk van het bezit. De wetenschap, dat het een anak-aroeng is, die zijn span buffels heeft weggehaald uit het veld, of van
+zijn vetste koe niet meer dan de horens en de hoeven heeft achtergelaten in een boschje even buiten het dorp, weerhoudt den
+dorpeling niet van een klacht bij den &#8220;toean pettor.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hij zou zeker beter kunnen doen dan klagen: hij zou kunnen voorkomen. Het ligt voor een goed deel aan hemzelven dat hij bestolen
+wordt. Nergens wordt zoo slecht als hier in de streek voor de veiligheid van het bezit gezorgd. Het vee wordt &#8217;s nachts niet
+naar het dorp teruggedreven en opgesloten in stal of kraal: het blijft buiten, in kampen, die, op zijn best, met een muur
+van los opeenliggende steenen omheind zijn. Op zijn hoogst tegen de wilde varkens is dat een afsluiting. Er is gepoogd het
+volk tot doelmatiger verzorging van zijn eigendom te brengen; vergeefsche moeite. Naar hun voorgeven is er geen plaats op
+de erven voor een stal, geen plaats in het dorp voor een kraal, geen tijd om beter afsluiting te maken, geen mogelijkheid
+om op gezamenlijke kosten een waker aan te stellen. Inplaats van overreding is bevel geprobeerd: het hielp zoolang als de
+bevelende op de plaats bleef, maar geen dag langer. Verdween hij, dan verdween de dwang, en verheugd keerde alles terug tot
+de zoete vrijheid om zorgeloos te zijn. Het is misschien een van de vele slechte gevolgen van het Oostersch-feodale stelsel,
+nog zoo kort geleden hier het heerschende, dat dit volk niet tot gemeenschappelijk <span class="pagenum">[<a id="pb396" href="#pb396">396</a>]</span>overleg en samenwerking te krijgen is, overal scheidingen van rang en stand gevoelende. In dat geval kan het nieuwe regime
+verbetering brengen, ook hierin. Hoe spoedig al, of over hoe lang eerst, dat zal, onder andere, afhangen van het tempo waarin
+de middelen van verkeer zich ontwikkelen. In het binnenland is daarvan nog maar het allereerste begin aanwezig.
+
+</p>
+<p>Watampone met zijn overkoepelde sultansgraven, zijn rijkssieradi&euml;n en feodale tradities, met zijn krachtig opkomend nieuw
+leven ook, dat onzeker nog naar nieuwe ruimte zoekt, is maar een uur rijdens ver van Badjoa, het havendorpje aan de Golf.
+De reiziger doet evenwel wijs als hij veel meer dan dien theoretisch-noodigen tijd er voor neemt om naar de boot te komen.
+Bij laag-water moet hij een halven kilometer ver over slib geschoven, aan gene zijde van dat breede slijkstrand eerst kan
+hij uit de smalle prauw, die een dozijn inlanders voortduwen, overstappen in de zeilboot, die hem de volle zee inbrengt, en
+langszij den Paketvaart-stoomer. Ons ging het zoo. Omdat de telefoon-verbinding tusschen Paloppo en Watampone verstoord was
+(en werkelijk toch nergens draad gestolen!), zoodat wij niet te weten konden komen hoe laat de boot de vorige haven op haar
+koers verlaten had en wanneer zij dus te Badjoa kon zijn, waren we daarenboven n&ograve;g een uur vroeger dan wegens de ebbe noodig
+geweest zou zijn op weg gegaan. Het dorpshoofd, dat ons te Badjoa opwachtte, een dikke jonge kerel, bijzonder krui&iuml;g gekleed
+in een zwart jasje met blinkende knoopen en een rozerood-en-wit geruiten sarong, sierlijk opgewipt over zijn ter zijde uitstekenden
+kris, ried voor alle zekerheid den tocht over het slijk maar dadelijk te beginnen, en op zee het oogenblik af te wachten waarop
+de rookpluim der stoomboot aan den horizont opging. Aan den voet van den steiger lag de vlerkprauw al <span class="pagenum">[<a id="pb397" href="#pb397">397</a>]</span>te wachten, en de twintig heerendienstplichtigen waren ter plaatse, die haar over het slibstrand zouden trekken: zij ging
+namelijk om de mail voor het binnenland van boord te halen. Als op de Walana&euml; zouden ook op het slijkstrand wij weer passagiers
+met de post zijn.
+
+</p>
+<p>De twintig mannen grepen de vlerken aan, waarmee de uitgeholde boomstam straks op het water zijn evenwicht zou houden. Zij
+schoven en trokken, met hooge stemmen elkander toeroepend, terwijl zij tot halverwege de knie&euml;n voortplonsden door het groenachtig
+grijze zeeslib. Rondom, hier, daar, ginder, waren menschen en vogels aan het krabben-zoeken. Geheele scharen meeuwen trippelden
+over het slijk, reigers stonden op lange pooten, naakte kinderen liepen er tusschen door, die hun hand in blootgekomen gaten
+staken en er een spartelende klauwende krab uit te voorschijn trokken. Wij zagen de verschrikte beesten wegvluchten voor het
+schuddende naderen der prauw, dwars wegscharrelend uit den verontrusten schuilhoek.
+
+</p>
+<p>Een goed half uur lang duurde de zonderlinge tocht. Toen spoelden de eerste golven tegen de prauw. Eenige van de koelies liepen
+het water in, spoelden slijk en zweet af en sprongen druipend nat in het vaartuigje, dat zij met korte riemslagen roeiden
+naar de wachtende zeilprauw. Die had al veel volk aan boord, kooplui met balen, zakken en kisten en visschers met hun versche
+vangst. Door een opening in de bamboehorde, die het dek vormde, kwam af en toe een jongen te zien, met gebogen rug bewegend
+in het donker en het zwalpende nat daar beneden. Alles wachtte op de boot. De sergeant, die de post ging halen, ontdekte als
+eerste haar blauwe rookwolk aan de kim. Een half uur later voeren wij op de &#8220;Spilbergen.&#8221; En de deinzende kust van Boni begon
+te verflauwen, werd onduidelijk tusschen lucht en zee, en verdween uit zicht.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb399" href="#pb399">399</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="normal">MOLUKKENREIS</h2><span class="pagenum">[<a id="pb401" href="#pb401">401</a>]</span><div id="ch35" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Ambon</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-u.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-u.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">U</span>it verten van Noord en van Zuid komen flauwe bergen aangedreven, waas-blauw eerst, dan azuur, dan in gloor en schaduw van
+modelleering heerlijk groen. En de wijde baai, groot golvend, vereffent tusschen haar naderende oevers tot zij stil wordt
+als een geleidelijk uitvloeiend meer. Klaar tot in diepe verten van blauw toe glanst zij langs den zoom van de welig begroeide
+heuvels. Daar tegenaan, met een rij witte huizen langs het water en op een landspits, donker van geboomte, een grijzig fort,
+ligt Ambon. Aan den ingang haast van de havenstraat laten de groote schepen, heengevaren door een ontelbare vloot van prauwen
+en bruinzeilde visschersvaartuigjes, het anker vallen.
+
+</p>
+<p>Een smalle pier, op gering verkeer maar berekend, langs een aan weerskanten bespoelden weg verlengd, die onder een poort doorgaat
+en tusschen pakhuizen heen, loopt naar de stad.
+
+</p>
+<p>Hier, langs en bij de haven is haar drukste buurt&#8212;een paar lange straten, parallel, recht toe recht aan met dwarsstraatjes
+er tusschen, waarlangs winkels zijn en werkplaatsen, een enkel kantoor. Hier is ook de markt, drie lange donkere loodsen,
+waar, van de diepte uit, de glans doorheen schijnt van de baai <span class="pagenum">[<a id="pb402" href="#pb402">402</a>]</span>en de donkerblauwe bergen van Leitimor. Dichtbij komen de visschers aan, en trekken hun prauwtjes op het strand. In de vroege
+morgen-uren vooral is het hier bont van menschen.
+
+</p>
+<p>Het is het volk op straat aan te zien hoe sterk gemengd zijn afkomst is. De meesten hebben glanzig krulhaar, groote rechtstaande
+oogen, een krachtig bruine tint, waaraan vermenging met de Papoea&#8217;s te merken is, die vroeger, als slaven, bij menigten op
+het eiland leefden. Maar Javaansche en Chineesche kenmerken zijn ook bij de vleet te vinden, in gelige tint, in hooge jukbeenderen,
+in een wat schralen lichaamsbouw; en in het geheel niet zeldzaam het Arabische profiel, of trekken die zweemen naar het Westersche
+type, naar het gebogen Latijnsche of naar het rechtlijnige Germaansche. Zoowel mannen als vrouwen hebben een vrijen gang en
+blik, hun gezicht staat levendig, zij spreken met een heldere stem, waarin een klank te hooren is van zingen. Wat aan hun
+kleeding opvalt is het vele zwart.
+
+</p>
+<p>Oorspronkelijk moet dit zwart volkseigen geweest zijn: evenals het donkere blauw van de Bataks misschien wel het behulp van
+menschen, die niet veel tijd willen besteden aan het wasschen van hun kleeren. Maar het is gaandeweg&#8212;en hoe dan ook&#8212;het teeken
+geworden, waaraan een bijzondere klasse zich liet kennen als in naam door godsdienst, inderdaad door bepaalde voorrechten
+verscheiden van het overblijvende deel der bevolking. Het zwart is nu de dracht van de Christenen, die, sedert de dagen van
+de Oost-Indische Compagnie, de bevoorrechten geweest zijn onder de inboorlingen en het nog zijn op dezen huidigen dag. In
+de stad Ambon&#8212;anders dan in de over het eiland verspreide dorpjes, de &#8220;negorijen&#8221;&#8212;zijn zij allen of bijna allen &#8220;burgers.&#8221;
+Hun geschiedenis begint met de zeventiende eeuw. De eerste Hollandsche <span class="pagenum">[<a id="pb403" href="#pb403">403</a>]</span>bestuurders van Ambon hadden dit denkbeeld: van het eiland een Hollandsche volksplanting te maken. Rumphius geeft hun gedachtengang
+weer, als hij de overwegingen beschrijft, waarmee Cornelis Matelieff toezag, &#8220;hoe licht de Ambonees in &#8217;t bosch zijn brood
+uit boom kapte, zijn wijn ook daaruit tapte, in de riviertjes een garnaaltje of vischje wist te vangen, dat hij met moeskruiden,
+die daar in &#8217;t wild wiesen, in een pot van groene bamboe toegemaakt, met een gauwigheid wist te koken, en dat over een vuur,
+dat hij al mede voor de vuist door &#8217;t wrijven van eenige houtjes tegen malkander wist te maken, en diergelijke mooie dingen
+meer, die beter voor een Hollanders oog dan voor zijn maag zijn.&#8221; De bedenking aan &#8217;t slot is Rumphius&#8217; kritiek. Matelieff
+en zijn geestverwanten dachten zoo niet. Zij geloofden aan enkel heil voor Hollanders op Ambon, dat Land van Kokanje, die
+Rijstebrij-berg&#8212;of Sago-berg dan, want dat &#8220;uit boom in bosch gekapte brood&#8221; was de sago&#8212;en zij gingen aan den slag om er
+Hollanders heemsch te maken, en tegelijkertijd Ambonneezen Hollandsch. Z&oacute;&oacute; moest het lukken!
+
+</p>
+<p>De Hollanders hadden maar al te vaak tot nog toe een losbandig leven geleid, waarbij zij &#8220;niet anders als verachte slavinnen&#8221;
+tot gezelschap hadden: Matelieff ijverde voor het huwelijk met &#8220;een dochter des lands&#8221; en voor een behoorlijke opvoeding der
+kinderen, met catechisatie en onderwijs in lezen, schrijven, rekenen &#8220;en het zingen der psalmen.&#8221; De Inlandsche kinders moesten
+ook ter school. In het binnenland wilden de ouders daar niet graag aan, zij hielden de kleinen liever thuis als hun helpers
+bij het werk op den akker. De beroemdste van Matelieff&#8217;s opvolgers haalde hen over met &#8220;schoolvoeding&#8221;&#8212;een pond rijst per
+dag voor ieder kind dat kwam.
+
+</p>
+<p>Wie der Compagnie echter goede diensten bewezen <span class="pagenum">[<a id="pb404" href="#pb404">404</a>]</span>had, kreeg daarvoor een loon, dat hem geheel en al tot haar verknochten dienaar zou maken, tot een bijna-Hollander. Dat loon
+was het &#8220;burgerschap,&#8221; dat hem onthief van de verplichte lasten, waaronder de Ambonnees zoo ongelukkig gebukt ging: o. a.
+het telen van kruidnagels voor de Compagnie en het roeien, weken lang, van de zware corra-corra&#8217;s, waarin de Compagnies-dienaren
+uittrokken op den hongi-tocht, om de kruidnagel-bosschen in andere streken dan de door hen bepaalde, te vernielen. Als &#8220;burger&#8221;
+hield de Ambonnees op een &#8220;negorijman&#8221; te zijn: hij was een bondgenoot van de Compagnie, een Hollander op zijn Ambonsch. Hij
+was uit de klasse der overheerschten gehaald en gezet op een plaats tusschen haar en de heerschers in, en wel zoo dicht bij
+de heerschers, dat hij zich verbeelden kon een van de hunnen te wezen.
+
+</p>
+<p>Hoe meer hij op hen geleek, hoe eerder hij aan die vereenzelviging gelooven kon. Om burger te worden behoefde hij wel geen
+christen te wezen. Maar als christen-burger was hij toch veel nader aan de begeerde gelijkheid dan als Mohammedaansch burger.
+Er kwamen v&eacute;le christen-burgers. Van hen, en van degenen die later de klasse vermeerderden,&#8212;op het scheiden van de markt maakte
+o. a. het Engelsche tusschenbestuur &#8220;burgers&#8221; bij dozijnen tegelijk,&#8212;stammen de hedendaagsche burgers af, de menschen in het
+zwart, die men &#8217;s ochtends op den pasar tegenkomt. Zij zijn uitermate trotsch op hun stand. Elke christen in Ambon acht zich
+m&eacute;&eacute;r dan elke Mohammedaan: elk &#8220;burger&#8221; acht zich v&eacute;el meer dan elke &#8220;negorijman.&#8221; Maar iemand die christen en burger beide
+is&#8212;tusschen dien en welken anderen inlander ook, ligt een afstand onoverzienbaar: want hij is een zoo-goed-als-Hollander.
+Tusschen hem en zijn vurig bewonderd Westersch voorbeeld is maar &eacute;en rang: <span class="pagenum">[<a id="pb405" href="#pb405">405</a>]</span>die van den Indo, den afstammeling van den met &#8220;een dochter des lands&#8221; getrouwden kolonist naar het hart van Matelieff en
+de zijnen. Het onderscheid is heden ten dage nog maar in &eacute;en ding te vinden: in den Hollandschen familienaam van den Indo.
+Dat is zoowat alles wat er van Matelieff&#8217;s toch zoo goed bedoelde plannen terecht is gekomen. De Indische natuur is sterk:
+zijn Hollandsche leer kon nog niet weten, hoez&eacute;er.
+
+</p>
+<p>Het systeem van de O.-I. Compagnie, het is w&egrave;l bekend, heeft Ambon arm gemaakt. Door sommigen&#8212;Riedel bijvoorbeeld&#8212;is zelfs
+gezegd, dat het aan het eiland niet alleen zijn natuurlijke rijkdommen, maar twee derden van zijn bewoners ontnomen heeft.
+De schade was ook met den besten wil niet te herstellen, toen de Staat die taak beproefde. &#8220;Onbegrijpelijk ellendig en diep
+ongelukkig&#8221; vond immers van der Capellen de Molukken. Het was of den Inlanders de kracht ontbrak zelfs om de toegestoken hand
+te grijpen en zich te laten optrekken uit den armoe-kuil. Er is sedert veel gedaan, veel hersteld, ellende als in de jaren
+1820 is er niet meer. Maar niettemin: op het rijke eiland is het volk arm.
+
+</p>
+<p>Dat het niet lijdt onder die armoe&#8212;lijden wat een Westerling lijden noemt althans&#8212;dat het daarbij vroolijk is zelfs, en kan
+lachen, zingen en dansen zooals het&#8212;zoo allerliefst!&#8212;doet, komt omdat het toch zijn dak en zijn dagelijksch genoeg aan eten
+en aan drinken heeft. Van den sago-boom, die wild in het bosch groeit, krijgt het de bouwstof voor zijn huis en de bouwstof
+voor zijn lichaam. De geweldige bladstelen zijn zijn planken, de gevouwen bladeren zijn dak, het merg van den stam is zijn
+brood. Er is niet zooveel sago meer op Amboina als vroeger; waaraan misschien de zorgeloosheid van den Ambonner schuld is&#8212;Rumphius,
+die hulpvaardig zich <span class="pagenum">[<a id="pb406" href="#pb406">406</a>]</span>met hen bemoeide, klaagt daarover&#8212;en zeker het systeem van de Compagnie, die den grond van het eiland en de krachten van het
+volk in beslag nam voor de kruidnagelteelt. Maar v&eacute;&eacute;l is er toch nog, en wat er tekort komt, dat wordt ruimschoots aangevuld
+door de aanplantingen en de dorpsbosschen van Ceram, waar de Ambonneezen het gaan halen. Een stam kost daar gemiddeld &#402;&nbsp;2.50.
+
+</p>
+<p>De sagopalm groeit vanzelf: weliger wel bij goede verzorging, die hem lucht en ruimte geeft, en knagende insecten van hem
+afhoudt, maar toch ook zonder dat, en rondom den stam komt meer jonge opslag dan voedsel en plaats voor opgroeien kan vinden.
+Hij groeit tot zijn tijd van bloeien is gekomen. Als de geweldige bloemtros, die uit zijn hart opschiet, zaad gaat zetten,
+begint hij te verwelken en is na eenige maanden dood. Voor dien tijd is het merg volkomen gerijpt. De inlander, die, tegen
+den stam tikkend, aan het geluid heeft gehoord dat dit zoo is, kapt den boom om, hakt er de bladeren af en neemt een lang
+stuk schors weg, zoodat het merg ontbloot wordt. Dat gaat hij er nu uithalen. Hij heeft dan een stuk bamboe, met een kantig
+steentje in het ondereind geklemd, of enkel maar toegespitst. Daarmee, als met een hamer en beitel tegelijk, klopt hij het
+merg los van tusschen de houtige vezels die er doorheenloopen. Aan het ondereind van den stam, dien hij glooiend heeft gestut,
+is een grove lap gebonden, een stuk weefsel van den boom zelf afgehaald, bij wijze van zeef. Daartegenaan spoelt hij met gudsen
+water, langs den trog van den uitgeholden stam gezonden, het losgeklopte merg. Vezels en splinters blijven v&oacute;&oacute;r de primitieve
+zeef, het meeldragende water loopt er door, komt terecht in een zinkbak, van de groote bladscheede van den boom gemaakt, en
+bezinkt. Als het meel gedroogd is, kan het, z&oacute;&oacute; in een <span class="pagenum">[<a id="pb407" href="#pb407">407</a>]</span>aarden oventje gestrooid, dat in vierkante hokken is verdeeld, tot broodjes gevormd en gebakken worden: die blijven maandenlang
+goed. Uit een goed uitgegroeiden boom&#8212;een van dertig voet lang en een voet of vijf in omtrek&#8212;is tusschen negenhonderd en duizend
+pond sago te halen. Dat kan een man in een dag of vier vijf doen. En in evenveel tijd kan een vrouw er broodjes van bakken
+van een half pond elk: ze heeft niet anders te doen dan haar aarden oventje te vullen met meel en het heet te laten worden
+boven een houtskool-vuur. In enkele minuten is alles klaar. Nu worden voor een goed dagrantsoen vijf sago-broodjes gerekend.
+Dus met de achttienhonderd uit zulk een stam is onze vriend een jaar lang voorzien.
+
+</p>
+<p>Hij zal er natuurlijk wat bij moeten hebben: visch. Ook die is niet moeilijk te krijgen. Als hij een &#8220;negorijman&#8221; is, heeft
+hij recht van visschen op bepaalde plekken langs de kust, waar hij zijn lange staketsels uitzet om met vloed de visch te vangen
+en haar tegen te houden in het verloopend getij; en hij kan gaan schelpen en krabben zoeken op de riffen en de zandbanken.
+Heeft hij als &#8220;burger&#8221; zijn negorijrechten verloren, dan is het nog zoo slim niet: de heele zee is vol visch! Wie omlaag kijkt
+over de verschansing van de stoomboot kan ze zien zwemmen op de ankerplaats: prachtige dieren, rozerood en purper sommige,
+en sommige paarlemoer en regenboogkleurig, en zwart-en-groen, en bruin met paarse stippen. Ze springen spelend uit het water
+op in zoo dichte scholen, dat de plons van het neervallen doet gelooven aan het overboord slaan van lading. En om de pier
+heen is het soms een gedrang van kleine vischjes als een massieve bank van beesten. Wie er zijn hengel in uitgooit,&#8212;een touwtje
+met een kromme speld doet het al, er hoeft niet eens een aas aan&#8212;die haalt <span class="pagenum">[<a id="pb408" href="#pb408">408</a>]</span>op. En in Februari, Maart, April komt ook nog de &#8220;Kaor,&#8221; de overstelpende massa van zeewormen, waar de heele baai wit van
+ziet, en die men maar voor het opscheppen heeft. Wat water om het steenharde sagobrood in te weeken, of anders wat sagomeel
+tot een stijfselachtige pap gekookt, een zaadje Spaansche peper, een ui en eenige druppels citroensap bij de visch: en het
+smakelijk maal is gereed.
+
+</p>
+<p>Om er een waar feest van te maken, is alleen nog maar een slok sagoeweer noodig. Daar komen elken ochtend de dorpelingen mee
+naar stad; bij dozijnen komt men ze tegen omtrent den pasar. De vrouwen dragen de groote kruiken&#8212;die niet anders zijn dan
+uitgeholde kalebassen&#8212;op het hoofd, de mannen hebben er twee bengelen aan het bamboejuk, dat piepend wipt over hun schouders.
+Zonder veel kosten is de drank gemaakt: een snede in den rijpenden bloesemtros van een arenpalm, een bamboegeleding gehangen
+aan den opgebonden steel, en in den schalm vol zoetig nat een wortel gelegd die het bitter maakt terwijl het gaat gisten:
+daarmee zijn de productiekosten voldaan, zoodat de verkoopprijs goed kan wezen, wat hij is: een schijntje. Voor enkele duiten
+heeft de kooper sagoeweer te over om er nog vroolijker van te worden dan hij van gelukkige nature al is. Als hij nu nog &#8217;s
+avonds een feestje hebben kan&#8212;en dat kan hij allicht: een fluitspeler, wat iedere Ambonnees is, eenige vroolijke meisjes,
+die er in overvloed zijn, en de gastvrijheid van een kennis, die nooit tevergeefs wordt verzocht, en daar is de danspartij
+al aan den gang&#8212;als hij nu ook &#8217;s avonds nog zijn feestje heeft, dan zijn al zijn wenschen vervuld.
+
+</p>
+<p>Gelukkig. Maar nog veel meer helaas. Want nu hij met zoo geringe inspanning alles kan krijgen wat hij behoeft, laat hij het
+ook daarbij blijven en hij komt niet toe aan die wisselwerking van elkander <span class="pagenum">[<a id="pb409" href="#pb409">409</a>]</span>aldoor opdrijvende begeerte en inspanning die de voorwaarde van alle ontwikkeling is. Hij kan goed onderwijs krijgen; hij
+neemt het zoolang het moet, en laat het liggen zoo spoedig als het kan. Hij wordt geen ambachtsman, dat is hem veel te lastig,
+dat laat hij over aan den Chinees. Niet voor niets heeten de straten in de havenbuurt van Ambon, waar de winkels en werkplaatsen
+zijn, &#8220;Chineesche straten.&#8221; Hij wil geen handel drijven. Dat is hem veel te zorgelijk. Het is de moeite waard eens te gaan
+kijken op den pasar. Er zijn daar drie loodsen, twee voor &#8220;inlanders,&#8221; een voor &#8220;vreemde Oosterlingen.&#8221; In de loods der vreemde
+Oosterlingen, d. w. z. der Chineezen, Arabieren en Klingaleezen, liggen manufacturen te koop, ijzer- en koperwerk, conserven,
+glas, porselein; de Chinees, de Arabier, de Kling zit achter zijn waar met zijn kasboek op zijn knie&euml;n en zijn oogen op den
+gaanden en komenden man.
+
+</p>
+<p>In de loods voor Inlanders&#8212;en vooral er omheen, waar een randje schaduw is en toch niet betaald hoeft te worden voor standplaats!&#8212;liggen
+sago-broodjes, visch, eendeneieren, vruchten (altijd onrijp, want de vijf, zes duiten voor djamboe en pisang zijn vandaag
+noodig en dus kan niet gewacht tot overmorgen, als er tien of twaalf voor gegeven zou worden) bij tijd en wijle ook eenige
+ongelukkige kippen, bij de pooten tot een tros aaneengebonden en de snavels amechtig open, z&oacute;&oacute; mager, dat de gewrichtshoeken
+door het gevederte heen te zien komen: en de eigenaars, zielstevreden, hurken op een kluitje met mogelijke klanten bijeen
+rondom een komfoor, waarboven gedroogde visch geroosterd wordt; zoovelen als hun mond niet vol hebben, praten allemaal tegelijk.
+
+</p>
+<p>Zij beho&eacute;ven niet te werken.
+
+</p>
+<p>Nu doen zij het ook niet.
+
+</p>
+<p>V&eacute;&eacute;l liever lui dan moe!
+<span class="pagenum">[<a id="pb410" href="#pb410">410</a>]</span></p>
+<p>De vreemde Oosterlingen worden menschen. De Ambonnees blijft tot zijn dood toe een kind.
+
+</p>
+<p>E&eacute;n behoefte is er weliswaar, die den al-te-weinig behoevenden Ambonnees prikkelt: die aan rang en aanzien in de maatschappij.
+Maar ongelukkig kan ook d&aacute;&aacute;raan zonder inspanning voldaan worden; en dat dit zoo is, komt voort uit het systeem door de Compagnie
+ingevoerd en tot op dezen huidigen dag gehandhaafd, van den godsdienst te maken tot een klasse-onderscheiding. Het aangeboren
+klasse-gevoel ook van den weinig en zelfs in het geheel niet beschaafden Oosterling&#8212;het is te vinden immers onder Boegineezen
+en Batakkers&#8212;dat in den Ambonnees nog even levendig is als het van oudsher was, vindt een ruimen uitweg in het Christendom.
+
+</p>
+<p>&#8217;s Zondags in de kerk: daar kan men het waarnemen. De vrouwen van de &#8220;burgerij&#8221; komen in haar mooie kleeren: de eene in een
+zonderlinge stijf geplooide japonrok, waaroverheen de geborduurde kabaja, de andere in sarong en kabaja en met muiltjes aan
+die aan de punt zijn opgewipt, een derde met een kapsel door vijf zilveren haarspelden vastgehecht als bijzondere tooi, terwijl
+een vierde er maar drie draagt en een vijfde geen ander verschil toont met de dagelijksche dracht van zwart katoen dan een
+wit zakdoekje in de hand bij het gezangboek gevouwen. Dat zijn geen toevalligheden noch kleinigheden; dat zijn klasse-onderscheidingen.
+Er zijn vijf klassen van burgers, en hun vrouwen toonen het onderscheid in bijzonderheden van hun dracht.
+
+</p>
+<p>Wee dergene, die het wagen zou om in opgewipte muiltjes naar de kerk te gaan als zij geen recht had dan op platte, of die
+vijf zilveren naalden in haar &#8220;kondeh&#8221; zou willen steken, terwijl haar stand er haar maar drie gunde! Het is nog niet lang
+geleden dat, bij opklimming in stand door huwelijk (afdaling <span class="pagenum">[<a id="pb411" href="#pb411">411</a>]</span>kwam niet voor) de hulpprediker er aan te pas moest komen om de bruid in haar nieuw klasse-gewaad in te zegenen, v&oacute;&oacute;r zij
+naar de kerk ging, en haar te vermanen tot het betrachten der &#8220;deugden aan dien hoogeren stand voegende.&#8221; Die ceremonie is
+afgeschaft. Maar van het gevoel is niets verdwenen.
+
+</p>
+<p>De wet zelve wakkert het aan. Het leger heeft soldaten noodig en de Ambonnees met zijn wild Alfoerenbloed is een uitstekend
+soldaat. Elke Ambonnees. Maar de wet maakt een onderscheid: de christen-Ambonnees is de beste. Om dat duidelijk te maken geeft
+zij den Christen &#402;&nbsp;200 als handgeld, terwijl de Mohammedaan maar &#402;&nbsp;60 krijgt. En behandelt zij den Mohammedaanschen soldaat
+in het hospitaal als inlander, samen met Javanen, en den Christen-soldaat als Europeaan, samen met Hollanders. De Christen-Ambonnees
+is &#8220;gelijkgesteld,&#8221; hem &#8220;competeeren&#8221; dingen waarop de Europeaan recht heeft en de inlander niet.
+
+</p>
+<p>Natuurlijk zijn de gevolgen allerbedroevendst. Natuurlijk wordt een geregelde knoei-handel gedreven met namen en doop-ceelen
+(bad-briefje is de inlanderterm, letterlijk vertaald), waardoor Mohammedanen &#402;&nbsp;200 handgeld trachten in te palmen inplaats
+van &#402;&nbsp;60, en zijn aanklachten, onderzoek vanwege de justitie en veroordeelingen tot gevangenisstraf wegens vervalsching van
+staat aan de orde van den dag. Natuurlijk loopen de Christen-negorijen leeg van krachtige mannen, en blijven er niet dan grijsaards,
+mismaakten en lepra-lijders over als (mogelijke) beoefenaars van een ambacht. Natuurlijk komt het aan het Christendom allerminst
+ten goede, wanneer eerzucht en geldzucht tot beweegredenen worden gemaakt voor het toetreden tot de gemeente der Christenen.
+
+</p>
+<p>Maar tot op dezen dag toe is het z&oacute;o. En de naar <span class="pagenum">[<a id="pb412" href="#pb412">412</a>]</span>&#8220;rang&#8221; begeerige Ambonnees bevredigt zijn verlangen door zoo vroeg mogelijk lidmaat van de kerk te worden en bij alle mogelijke
+gelegenheden te pronken met zijn hoedanigheid van &#8220;Christen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Men moet zich, overigens, bij dat woord niet al te veel voorstellen van hetgeen er gewoonlijk onder begrepen wordt. De Ambonnees
+is wel heel precies op het bijkomstige en absoluut onbeduidende in de letter van de leer: maar in hoofdzaken, naar den geest,
+is hij laksch en laat zich zoo wat gaan op zijn oude fetisjisten-natuur.
+
+</p>
+<p>Dit werd mij verteld omtrent het een en het ander door een inwoner van Ambon, die er vele jaren geweest was en in een betrekking
+waardoor hij de beste gelegenheid had tot beoordeeling van zulke dingen: de Ambonsche Christen wil zijn Bijbel lezen in een
+bepaalde vertaling, die van Leydekker. Er zijn er later betere gemaakt, maar voor hem is de beteekenis van den tekst onafscheidelijk
+vast aan enkele, bepaalde uitdrukkingen van Leydekker, in de betere vertalingen door andere vervangen. Nu die fouten er aan
+ontbreken, wil hij den nieuwen Bijbel niet. In het doopsformulier is het woord &#8220;zoon&#8221; vertaald door &#8220;mannelijk kind:&#8221; d&aacute;t
+is in het Maleisch de wijze waarop &#8220;zoon&#8221; en &#8220;dochter&#8221; onderscheiden wordt, &#8220;mannelijk kind&#8221; en &#8220;vrouwelijk kind;&#8221; een afzonderlijk
+woord voor zoon en voor dochter bestaat niet. Een jonge predikant die vond dat zulk een uitdrukkelijke bijvoeging van het
+&#8220;mannelijk&#8221; waar geen gedachte aan vrouwelijk mogelijk was, hier zoo min behoefde als in het dagelijksch leven, waar ze in
+zulk een geval ook achterwege blijft, liet bij een doop dat &#8220;mannelijk&#8221; weg en sprak alleen van &#8220;kind.&#8221; Er volgde een dusdanige
+commotie in de gemeente, door geen verklaringen of vermaningen van een ouderen leeraar tot bedaren te brengen, dat overplaatsing
+van den jongen man <span class="pagenum">[<a id="pb413" href="#pb413">413</a>]</span>noodig werd. Aan een eed daarentegen hecht de letter-vereerder zoo hooge waarde niet. Als hij door middel d&aacute;arvan absolute
+zekerheid zal geven omtrent belofte of verklaring dan moet de eed gedaan op een of ander heilig voorwerp: bij voorbeeld bij
+de geldkist in de kerk, waarin de giften aan de armen geworpen worden.
+
+</p>
+<p>Twee Christenen hebben ruzie. Matulessi ziet over de borst van Sopamena een gouden horlogeketting glanzen, dien hij den dag
+te voren aan Mantulameten heeft geleend. &#8220;Dat is mijn ketting&#8212;hoe kom je daaraan?&#8221;&#8212;&#8220;In het geheel niet! dat is mijn eigen
+ketting!&#8221; Hevige ruzie. Matulessi krijgt zijn wederpartij de kerk in en naar de geldkist, grist hem den ketting af en maakt
+ze vast aan de kist. &#8220;Als ze van jou is, haal ze er dan maar af.&#8221; Dat durfde Sopamena niet. Want dan zou hij door den bliksem
+getroffen of door een slang gestoken of door een krokodil verslonden zijn geworden. Dat geloof zat zoo vast in hem als ooit
+in een zijner verre voor-vaderen, die bij den heiligen steen in het bosch moest zweren en uit vrees voor geestenwraak meineed
+meed.
+
+</p>
+<p>De voorbeelden zouden te vermenigvuldigen zijn, ook met zulke die uitwerkingen veel minder onschadelijk van de antieke gedachtengangen
+aantoonen: het braak laten liggen van een akker bijvoorbeeld, of het staken van een onderneming, hoe noodig ook, ter wille
+van een slecht voorteeken, een muis over den weg, het gekras van een bepaalden vogel in de boomen. Het ongemak en het gebrek
+zelfs daaruit ontstaan wordt als iets onvermijdelijks verdragen. Wie dat niet wilde doen, wie tegen de waarschuwing in ging
+en den toorn van de geesten trotseerde, zou het immers bekoopen met den dood! Daar helpt geen redeneeren tegen.
+
+</p>
+<p>Het lijkt echter of er verandering op komst is, of <span class="pagenum">[<a id="pb414" href="#pb414">414</a>]</span>de Ambonnees begint wakker te worden uit den eeuwenlangen dommel. Er zijn er onder de jonge mannen en onder de jonge vrouwen
+ook, en de weinigen worden met den dag meer, die niet langer tevreden zijn met het plantenleven van vroeger, die het er op
+wagen willen met hun krachten. Inplaats van soldaat te worden, probeeren die in den handel te komen of in administratieve
+betrekkingen bij de scheepvaart. Er komen jonge Ambonneezen plaatsing zoeken bij de Koninklijke Paketvaart, bijvoorbeeld,
+met de verklaring, dat het hun niet om het salaris te doen is, maar om de gelegenheid zich te oefenen in geregeld administratief
+werk. Er zijn ook wel Ambonneezen onder het scheepsvolk, die zich oefenen in het schrijven, sedert de schooldagen weer afgewend
+of heelemaal verleerd. Die vroeger het leeren voor het schoolmeesterschap voor hoogste ambitie hadden, verlangen nu naar middelbaar
+onderwijs of zelfs naar studie aan een universiteit. Tehupejori heeft navolgers gevonden op het moedig betreden pad. En meisjes
+die haar oudere zusters zien knutselen met veeren en was om er bouquetten van te maken en als Ambonsche curiositeiten te koop
+te bieden aan toeristen, gaan zelven den gang naar de kweekschool, leeren zuiver Hollandsch spreken inplaats van het brabbel-Maleisch
+met verdraaide Portugeesche woorden wonderlijk vermengd, dat het taal-eigen van Ambon is, en doen een goed examen als onderwijzeres.
+Zij worden geplaatst aan inlandsche scholen, op Amboina en de Oeliase&#8212;de eilanden Haroekoe, Saparoea, Noesa Laoet,&#8212;en voldoen
+daar, schijnt het, zeer goed.
+
+</p>
+<p>Het is alles nog, weliswaar, maar een begin. Maar dat er een begin is, hoe klein van beweging dan ook, is iets gewichtigs
+en verheugelijks. Men mag nu toch gelooven aan een toekomst voor de oude Molukkenstad, waar tot heden toe alles het verleden
+is.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb415" href="#pb415">415</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch36" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Banda</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>e boot, die in den laten namiddag het anker licht uit de baai van Ambon, komt met het krieken van den dag de uiterste eilandjes
+voorbij van de wijd uitgestrooide Banda-groep, en de engte binnen tusschen den eiland-vulkaan, Goenoeng Api en Banda Neira,
+groen van woud.
+
+</p>
+<p>De hooge rookpluim boven den krater vangt het eerste licht en begint te gloren in blank en rozerood, als de hooge vederwolkjes
+aan de lucht. De schemerende engte gaat open, de onvergelijkelijk schoone baai straalt op binnen haar krans van eilanden.
+Het Oostersche licht maakt den naakten bruinen vulkaan klaar rood, dat de ribbels en diepe groeven, die van den kraterrand
+af spreidend omlaag loopen, vol glans schieten en de zuivere spits doorschijnend staat als een vlam. Al meer goud gaat spelen
+door het steil opstijgende groen van Banda Lontar, dat in langen halfboog den zuideroever bouwt der baai. Met spreidende flardenkruinen
+komen de palmbosschen aan den voet uit den morgendommel te voorschijn en tusschen de nakende halmachtige stammen het bruin
+van inlanderhutjes; de kanari-wouden, die tegen de hoogten op staan, worden in glans en donkerte zwevende gouden koepels.
+Als nu de heele hemel daglicht wordt <span class="pagenum">[<a id="pb416" href="#pb416">416</a>]</span>komt van onder de purpertinten, die over kabbelende golfjes heen wegglijden, het diepe blauw van de baai op, blauw dat is
+als blauw vuur. Een liggende laaie gloeit het water. De weerspiegeling van de glooiende oevers giet groen en bruin in dat
+felle blauw, en er loopt een witte flikkering langs de randen, waar de golving aanbruist tegen een zaaisel van rotsblokken.
+De diepte waarin het schip zijn anker laat vallen is de krater van een ontzaglijken vulkaan, waar de zee in binnenstroomde
+toen kruin en wanden instortten voor het geweld der laatste verscheurende uitbarsting. Of van de diepe vuren de gloed n&ograve;g
+schijnt door golven van land en water, door de bergen heen en de baai, zoo fel zijn alle kleuren.
+
+</p>
+<p>Het stadje ligt aan den lagen oever van Banda Neira, met grauwige gescheurde van loover overhangen tuinmuurtjes uit het water
+op, bruine daken en een enkel rood er tusschen onder lage boomkruinen, en aan gene zij van de steenen trap, waar altijd prauwen
+liggen te dobberen, een ankerplaats voor de vloot der visschers. De douane-loods is vlak voor aan den steiger; tusschen hoopen
+zakken en opgestapelde kisten en vaten heen gaat de kortste weg naar de stad.
+
+</p>
+<p>Men loopt er als in een droom, die altijd maar weer verwarrend over nieuw begint en te loor gaat: z&oacute;&oacute; is hier het leven stil
+blijven staan. De straten zijn zonder menschen, zonder geluid. Groote huizen staan er langs, zwaar gebouwd tegen den schok
+van de aardbevingen; de voorgalerij is met marmer bevloerd, en er is iets sierlijks aan de pilaren en aan het houtwerk van
+de deuren; aan de poort in den hoogen tuinmuur een verdwijnende zweem van ornament. Maar het is alles verlaten, leeg, dood.
+Een troepje naakte inlandsche kinderen spelend bij den put, een vrouwtje dat een verschoten sarong uithangt over een lijn,
+<span class="pagenum">[<a id="pb417" href="#pb417">417</a>]</span>door het groen van een verwilderden tuin gespannen, lijken de eenige bewoners. Het is haast verwonderlijk voorbij de gesloten
+gevels aan een huis te komen, dat door open deuren en vensters leven naar buiten laat. Sedert de laatste daling van de noten-
+en foelie-prijzen, dus sedert een goede twintig jaar, is dat zoo. Het herstel is langzaam aan beginnende, nu. Er komen weer
+noten en foelie aan den boom, de Paketvaartstoomers dragen ze weg naar de schepen die op Amsterdam varen. Daar is de markt
+beter geworden. En op het eiland zijn de methoden van den nieuwen tijd in de plaats gekomen voor de sleur van vroeger, toen
+het allemaal maar op goed geluk ging en de planters violen lieten zorgen.
+
+</p>
+<p>Zooals het gaat op buitenplaatsjes, waar de aankomst van de boot de gebeurtenis is een of twee keer in de maand, kregen wij
+bezoek aan boord. Die verhalen toen van oud-ingezetenen, over den ouden tijd! Eerst: de vrijlating van de slaven, voor wie
+de muren om de oude erven zoo hoog gemaakt waren, indertijd. Nu mochten ze de poort uit! Ze stonden klaar, gepakt en gezakt,
+man, vrouw en kind, te wachten op den slag van twaalven in den nacht van Oud op Nieuw, die hen vrij maakte. En er waren rijke
+planters, die hout hakten en water haalden op 1 Januari, terwijl hun vrouwen rijst stampten onder het afdakje in den tuin.
+Toen de goede jaren kort voor 1870. Het begon te gaan, z&oacute;o z&oacute;o, met het vrije arbeidersvolk en de gestraften, die de plaats
+hadden ingenomen van de slaven. De prijzen stegen in Europa, en met een plotselingen sprong na den slag van Magenta, toen
+Keizerin Eug&eacute;nie voor haar lievelingskleur dat bloedige rood koos, door cynische vleierij naar het slagveld genoemd, dat enkel
+uit foelie bereid kon worden. Tot &#402;&nbsp;300 ging de prijs van den pikol omhoog!&#8212;Waar moest men heen met al het geld! De fantasie
+<span class="pagenum">[<a id="pb418" href="#pb418">418</a>]</span>van de planters vloog niet hoog. Hoe zou zij? Ze hadden in hun jeugd, voor alle onderwijs, lezen, schrijven en rekenen, les
+gehad van gepasporteerde soldaten, aan den wal gezette stuurlui, een tijd lang zelfs van een ondermeester, die geen Hollandsch
+verstond; en als jonge mannen en vrouwen waren zij het eiland nooit afgekomen en hadden de slaven tot makkers gehad op het
+erf van hun arm-geworden ouders. Zij konden niet anders verzinnen dan wat zij gezien hadden: Bandasche dingen. De een liet
+zijn binnengalerij bevloeren met rijksdaalders, de ander stak op een feest zijn sigaar aan met een bankje van &#402;&nbsp;25, een derde
+verzon een schip vol ijs uit Noorwegen te laten komen om de champagne te koelen voor een bruiloft, de vierde ging niet anders
+meer dan met muziek voorop, heel Banda als gast en een sleep van dragers met manden vol lekker eten en drinken achterna zijn
+perken &#8220;inspecteeren,&#8221; en een vijfde kreeg een plotseling verlangen naar het gekwaak van Hollandsche kikkers, waarvan hij
+een grootvader had hooren vertellen, en bestelde een lading uit Holland, die in een reusachtigen bak aankwam, glimmend groen
+en kwakend dat het dek er van dreunde. Ja! dat waren nog eens jolige jaren! De oude heeren die er van vertelden eindigden
+met een zucht en staarden hoofdschuddend voor zich heen. Te bedenken dat de foelie, die &#402;&nbsp;300 gedaan had nog maar met moeite
+&#402;&nbsp;170 haalt, en de noten, waarvoor &#402;&nbsp;150 de gewone prijs was, n&ugrave; op zijn best &#402;&nbsp;25!
+
+</p>
+<p>Wij gingen een van de oude notenperken zien. Het was als een wandeling in een overheerlijk mooi park. De noteboom is teeder,
+men moet hem beschutten tegen geweld van wind en regenbuien en tegen de schroeiende zon; daarom worden in de perken kanari-boomen
+geplant, die hoog groeiend en breed, wolken beschermend loover uitbreiden boven de <span class="pagenum">[<a id="pb419" href="#pb419">419</a>]</span>notemuskaatplantage. Frisch staan in de doorschijnende schaduw, tintelig van zonneplekken, de lichtgroene boompjes. Zij hebben
+een mooi fatsoen, kegelvormig is om den rechten gladden stam de luchtige bouw van het gebladerte geschikt. De bloesem is onaanzienlijk:
+een kleine geel-groene kelk, op eenige passen afstand niet te onderkennen van het blad. Maar hij geeft een heerlijken, kruidig-zoeten
+geur, dezelfde in het veel zachtere en vollere, die uit de foelie komt. De noten hangen dik. De rijpe, zoo groot als een abrikoos
+en naar die vrucht ook wat zweemend door den langwerpig ronden vorm, de diepe groeve overlangs en het rijke geel der schil,
+maken een mooie schittering in de donkerte van schaduw en dicht loof. De grond ligt bezaaid met de overrijpe vruchten die
+opengebarsten zijn langs de groef. Zwart en rood tusschen helder geel komt het binnenste te zien, de glimmend zwarte pit,
+die heel en al ingesponnen zit in een fijn vertakt groeisel van felroode foelie. Al die vroolijke kleuren verschieten en vergaan
+bij de bereiding van de noot. De glanzige schil gaat van de pit af als zij boven den rook is gedroogd tot zij, ineengekrompen,
+rammelt in het omhulsel; bestoven bruin komt zij ten laatste te voorschijn uit het kalkwater. En de foelie op vlakke wannen
+uitgespreid, waar de zon het felste schijnt, wordt eerst geel en dan verlept ros-bruin. Wij zagen dat op het erf van de oude
+planterswoning. Zij ligt tusschen kanari- en muskaatnotenboomen, op de kruin van den heuvel, waar het perk tegen op is geplant,
+en waar, in de schaduw, grafzerken schemeren van haast een eeuw her. Rondom den van bloemen bonten tuin staan de loodsen en
+schuren en het pakhuis, dat vroeger een woonhuis was, en waar op twee gedenkplaten het jaar en de dag gegrift staan van geweldige
+aardbevingen, toen dak en muren instortten en het huis van de grondslagen <span class="pagenum">[<a id="pb420" href="#pb420">420</a>]</span>af nieuw werd opgebouwd. Door de blauwige donkerte van de droogschuur, waar op een zolder van sagobladstengels de noten lagen
+te drogen, bewogen halfnaakte mannen, wonderlijk belicht door de schijnsels van vijf groote knetterende en smokende vuren,
+die zij deden opvlammen met sissend neerploffende wildhout-blokken. Een oude man zat gehurkt noten te schiften met zeven van
+verschillende grofte. En van de loods achter hem naar den tuin gingen vrouwen heen en weer met wannen vol foelie, die van
+verre schitterde in den zonneschijn.
+
+</p>
+<p>De eigenaar van het perk, een Arabier, die behalve planter, ook parelvisscher is en handelaar in al de ontelbare voortbrengselen
+van de eilanden en de zee&euml;n tusschen Ceram en Nieuw-Guinea, heeft een museum, waarin hij kijkers bereidwillig rondleidt. Als
+alle toeristen doen, gingen ook wij er heen. We zagen er een parel waarvoor &#402;&nbsp;20.000 was geboden en paradijsvogels in een
+groote voli&egrave;re samen met de groene boschduif, lansen en schilden uit &#8220;de Papoe,&#8221; prachtig oud Chineesch en Japansch porselein,
+wortelhout uit Ceram en ebbenhout van Boeroe, geel schildpad, vlinders, zeldzame schelpen en koraalgewassen. En kregen al
+kijkend, vragend en luisterend het begin van een voorstelling omtrent den rijkdom der Molukken.
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb421" href="#pb421">421</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch37" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Ceram</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-v.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">V</span>arende rondom Ceram, krijgt men van het groote eiland&#8212;het grootste van de Molukken is het&#8212;den indruk dat het &eacute;en enkele lange
+berg is, steil op uit zee, met scheuren in de flanken, ingereten en diep uitgespoeld door de regenrivieren die met een vaart
+van de toppen afgeschoten komen, en met, langs den voet, kleine, groene vlakten om de monding van de heftige korte stroomen
+heen.
+
+</p>
+<p>Het is zwaar bewoud. Van zee uit gezien zijn de bosschen als een donkere wolk tegen wanden aan en over hoogten heen. In dat
+zwartige groen glanst soms een lichtere plek, dat is alang-alang, het hooge gras van de wildernis, waar een man te paard in
+verdwijnt. Waar het woud gekapt is, schiet het op, fijn groen eerst, dan gelig als het begint te verdorren in de Oostmoesson-zon,
+dan wit als zilver van bloesempluimen. De inlanders steken het in brand om de herten er uit op te jagen, die voedsel en schuilplaats
+tegelijk zoeken in de halmendichtheid. Dan is een poos lang de kale plek zwart; en de eerste regen maakt alles w&eacute;er fijn groen.
+
+</p>
+<p>De steile kust heeft hier en daar zachte glooiingen; groen, komen ze van de vertragende helling afgegleden, met een blinkend
+witten smallen zandzoom <span class="pagenum">[<a id="pb422" href="#pb422">422</a>]</span>langs het fonkelende blauw van het water. In de diepte van de baai liggen eenige huisjes, er staat een loods waar lading wacht
+op de boot. Het karakter van al die havendorpjes is vrijwel hetzelfde; Piroe aan de Zuidkust, het eerste dat de schepen aanloopen;
+op de Noordkust Wahai; om de Oost terug naar de Zuidkust, Teloeti, Amahei; het zijn alle oude Alfoerendorpjes met een splinternieuwen
+schijn van Nederlandschen regelmaat en zindelijkheid er over heen, die uitgaat van de civielgezaghebbers-woning op den achtergrond.
+De huisjes zijn nieuw, de gaba-gaba van de wanden glanst nog, en ze zijn langs de rooilijn opgezet aan weerskanten van een
+rechten breeden weg, met een goed onderhouden afrastering er langs.
+
+</p>
+<p>Achter dien ringmuur van ordelijke dorpen ligt het binnenland van Ceram woest. Wat men de kust langs reizende daarvan gewaar
+wordt, is niet veel meer dan een enkele troep Alfoeren, halfnaakt uit hun bergen naar het strand gekomen om handel te drijven.
+Zij komen met boschproducten, rottan, dammar, groote knobbels wortelhout; met huiden en horens van herten, en willen Europeesch
+product mee terug nemen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p423.jpg" alt="De Alfoeren brengen boschproducten op de boot, rottan, dammar en groote knobbels wortelhout." width="499" height="642"><p class="figureHead">De Alfoeren brengen boschproducten op de boot, rottan, dammar en groote knobbels wortelhout.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het eiland wordt gezegd rijk te zijn. De Westersche ondernemer begint de exploitatie. Op de Noordkust wordt naar petroleum
+geboord, op de Zuidkust heeft een Moluksche vennootschap den boschaankap begonnen; een Australische firma, wie, lang geleden
+al, een streek land in concessie is gegeven, ook in het Zuidelijke binnenland, is een paar jaar geleden den klapperaanplant
+in het groot begonnen. Er groeit prachtig hout in de Ceramsche wouden, wit ebbenhout, kajoe-koening, dat citroengeel ziet
+en waar ook kleurstof uit wordt gemaakt, lingoa, een rood-gevlamde mahonie-soort, salamoeli, dat op notenhout <span class="pagenum">[<a id="pb424" href="#pb424">424</a>]</span>lijkt, en nu het wortelhout plotseling zoo in de mode is gekomen, wordt ook van die knobbelige uitwassen voor groote waarden
+uit het woud gehaald. Kajoepoeti, waar de bekende sterk geurende olie uit wordt gestookt, die hoe langer hoe meer voor medicijn
+gebruikt wordt in Europa, groeit hier ook veel. En de klapper schijnt al even goed te willen als de sago-palm, waarvan er
+geheele wouden zijn. Elk dorp aan de Oostkust heeft zijn bosschen&#8212;aanplantingen kan men het haast niet noemen, want de boom
+maakt zooveel opslag, dat inplaats van planten eer kappen noodig zou zijn, zoodat de eigenaars zich in den regel de moeite
+niet geven om de jonge spruiten in te boeten; en behalve daar groeit de sago nog wild in het bosch ook. De menschen van Ambon
+komen met heele dorpen tegelijk over in hun prauwen om sago te &#8220;kloppen.&#8221; Ze blijven een veertien daag of drie weken en hebben
+dan een provisie, waar ze niet alleen met vrouw en kinders van eten kunnen, een jaar lang, maar ook nog genoeg overhouden
+om te verkoopen op de markt.
+
+</p>
+<p>Op het algemeen type van kustdorpen maken twee een uitzondering: Kilimoeri en Geser, op kleine eilandjes tegenover elkander
+gelegen aan den voet van het steile kalkgebergte der Oostkust. Die twee zijn door en door, wel niet Alfoersch maar toch Inlandsch;
+er is geen zweem van het Westersche element aan te bekennen. Het zijn overoude handelsplaatsen. Terwijl in het Ceramsche binnenland
+de Alfoeren, &#8220;de wilde berg-boeren,&#8221; zooals Rumphius ze noemt, koppensnellers-tochten hielden, terwijl zij als roofvogels
+neerschietend uit hun horsten van dorpen op het hakkelige gebergte, den guerillakrijg tegen de Compagnie zoo verwoed en hardnekkig
+voerden, dat de Ambonsche gouverneurs ten laatste in arren moede het opgaven, besluitend hen te laten voor wat <span class="pagenum">[<a id="pb425" href="#pb425">425</a>]</span>zij waren en &#8220;geen Compagnie&#8217;s soldaten meer aan die lompe nesten te verspillen;&#8221; terwijl dus de binnenlanders vochten, verdienden
+de strand-Cerammers geld. Zij waren kooplui, zij moesten eenigermate geregelde toestanden hebben. De orde die de expedities
+van de laatste jaren gewapenderhand in Ceram moesten brengen was hier al van oudsher thuis.
+
+</p>
+<p>Kilimoeri is de oudste van de twee rijke handelsdorpen: Geser is, naar de volksoverlevering wil, gesticht door inwoners van
+Kilimoeri, die in een burgerstrijd het verloren hadden. Zij leggen hun naam uit als beteekenende &#8220;de uitgewekenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat slag van volk het eigenlijk is, zou moeilijk te zeggen vallen. De heele Zuidkust van Ceram is door gemengd volk bewoond,
+veel Ternataners, Javanen, Chineezen, Papoea&#8217;s ook, hebben zich daar in den loop der tijden gevestigd, als handelaars soms,
+als schippers die heen en weer voeren tusschen de eilanden en Nieuw Guinea; als slaven ook zijn zij er heen gebracht. Het
+was er zoo bont, vroeger, dat de dorpen elkanders taal niet verstonden, en een derde noodig hadden voor het verkeer. Op Geser
+is het samenstel nog meer ingewikkeld schijnt het. De plaats is al van oudsher een verzamelpunt voor de meest verscheiden
+rassen uit de verst uiteengelegen streken. Maar de taal, door het handelsbelang ingevoerd en staande gehouden, is het gewone
+Maleisch.
+
+</p>
+<p>Geser is een &#8220;atol,&#8221; het laatste uit deze groep van koralen-eilanden: volgens sommige geologen althans, terwijl anderen het
+ontkennen: een verschil van meening dat wel verklaard is uit een verschil in de definitie door de eenen en door de anderen
+van dien term &#8220;atol&#8221; gegeven. Hoe dan ook, het doet zich voor als een groen-begroeide ring rondom een middelpunt van water.
+Het binnenste van het eilandje is een zilt meer, dat langs een rivierachtig <span class="pagenum">[<a id="pb426" href="#pb426">426</a>]</span>kanaal volvloeit uit en weer leegvloeit in de zee, naarmate de vloed opkomt of het getij verloopt in ebbe. Rond alom groeit
+kreupelbosch: een gewas dat lijkt op griend, en met kleine onaanzienlijke bloesempjes heel zoet geurt. Dat wademt wonderlijk
+door de lucht van zeewater, koraal, schelpen en wier heen die uit het meer opslaat. En wonderlijk is het, over de schelpen
+op den bodem van het klare water de schaduw te zien glijden van de boschduiven, als zij af- en aanvliegen naar de waringin-boomen
+vol rijpzoete vruchtjes aan genen kant van het kreupelbosch.
+
+</p>
+<p>Het dorp is langs de bochten van het strand gebouwd. Men kan de kracht van het vertier zien aan de wijze waarop nieuwe buurten
+opkomen en oude vernieuwd worden, zoodat midden tusschen grauwe, verweerde huisjes er staan waarvan de planken nog wit zijn.
+Aan den zoom van de oude buurt begint een prachtig-breede laan, die uitloopt op een verschiet van zee en donkerblauwe kustbergen.
+Aan weerszij, in de schaduw, liggen heilige graven, waar de koopvaarders een offer komen brengen, als ze op handelsreis gaan:
+om zeker te zijn van goede verdienste en behouden thuiskomst. Die hier begraven liggen, zijn vrome hadji&#8217;s. Zij zijn, in naam,
+Mohamedanen, het volk van Geser; maar dat belet hen niet op deze hadji-graven de offers te brengen van het heidendom, hun
+voorvaderen sirih en betel aan te bieden, in ruil voor hun hulp bij de voorgenomen zaak, en de geesten van de zee en den storm
+allerlei te beloven, als zij hun schip met vrede willen laten. Daarna gaan zij ook wel naar de moskee. Maar niet te dikwijls,
+zou men zeggen. Het kleine gebouwtje, dat bij de graven staat, is zoo vervallen, stoffig en vuil, als enkel een zelden of
+nooit bezocht huis wezen kan.
+
+</p>
+<p>Het is misschien ook niet noodig, daar n&ograve;g eens te <span class="pagenum">[<a id="pb427" href="#pb427">427</a>]</span>gaan bidden. De geesten en de voorouders zorgen, in ruil voor al die pinang, wezenlijk heel goed. Anders zouden de menschen
+van Geser, man, vrouw en nakend klein kind, niet zoo veel goud en zilver kunnen dragen als ze doen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb428" href="#pb428">428</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch38" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Van Boeroe tot Ternate</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-d.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">D</span>e eigenlijke Molukken, historisch gesproken, zijn de eilanden, in een keten langs de Westkust van Halmaheira gelegen: Ternate,
+Tidore, Batjan, Makjan, Motir: de zee van deze streek heet n&ograve;g de Molukken-zee. Dat Ambon en de eilanden daaromheen later
+dien naam kregen, houdt misschien wel verband met het overbrengen van het voornaamste Molukken-product, den kruidnagel, van
+de Molukken naar Ambon, en met de daaropvolgende beperking van dien boom tot Ambon all&eacute;&eacute;n door het extirpatiestelsel; in de
+taal van den handel en dus van de wijde wereld kwam daardoor Ambon in de plaats van de eigenlijke Moluksche eilanden.
+
+</p>
+<p>Het is overheerlijk mooi varen in deze streek. Het eene rotsige en wuivend-groene eiland na het andere duikt op uit het flikkerende
+blauw van de zee. In een statige rij rijzen de vulkanen, v&egrave;r-blauw, met een blink van wit gewolkte om den kruin. Al-door verschieten,
+in opglans en wegdonkering, klare kleuren: het azuur van de zee waar de zonneschijn overheen huppelt in zwermen van stippelvonkjes,
+wordt fijn groen over ondiepten, pauwe-glanzig boven de fel-witte zandstrook die langs den voet van de eilandjes opschijnt.
+De weerspiegeling van de toppen en van <span class="pagenum">[<a id="pb429" href="#pb429">429</a>]</span>de groote gloeiend-witte wolken, hoog rondom den horizon, door den golfslag gebroken tot een lange reeks van glansbeeldjes,
+ligt in rechte banen van wit en van groen over het blauw. Wazig in de verte, dommelblauw, of naar het paarse zweemend soms,
+worden de eilandbergen al klaarder en krachtiger, naarmate zij het schip tegemoet varen, tot zij, dichtbij, geweldig hoog,
+staan als een steil woud of als een naakte bruine vulkaankegel. In dageraad en zonsondergang vlamt alles van purper.
+
+</p>
+<p>Uit de Ceram-streek komende, vaart het schip eerst naar Boeroe. Daar voor is het water bijwijlen licht-groen, als boven een
+rif, boven de menigte van kwallen, millioenen en millioenen doorschijnige schijven van beesten, vademen hoog boven elkander
+drijvend, een halve mijl ver. De oever en de recht opgaande heuvelwand schemeren, grijzig-gestreept van kajoepoetih stammen:
+op de hoogte staan de magere boomen, met hun als berken blanke, ranke stammen en hun h&eacute;&eacute;l hoog gedragen ijle kruin, scherp
+geteekend tegen het luchteblauw. Als het koel wordt, strijkt de wind een kruidige geur af van het gebladerte. De haven, waar
+het schip binnenvalt, is een schoone, wijde baai, waar twee dorpjes tegenover elkander liggen, Kajeli en Namalea. Achter de
+huisjes van Kajeli om gaat een steil brokkelpad naar de kruin van den heuvel, dun begroeid met knie-hoog kajoepoetih-gewas,
+waar hier en ginder, mager, recht de hoogte in met zijn doorzichtige kruin, een volwassen boom tusschen staat. Van den top
+af is de geheele baai te zien, met Namalea, kleintjes bruin, aan den voet van bleek-groene heuvels. De twee groote bergspitsen
+tegen de lucht, een hoogere, een lagere, zijn de Moeder en de Dochter.
+
+</p>
+<p>Na Boeroe is een tijd lang open zee. En dan, Obi voorbij, komt het eerste Molukken-eiland Batjan, dat <span class="pagenum">[<a id="pb430" href="#pb430">430</a>]</span>een en al klapperbosch is. En dan begint de trotsche reeks van de vulkanen: Makjan met zijn geknotten top; Motir, zuiver toegespitst
+als een pyramide. Mareh, dat lager ligt, met een afdruilenden slier van wolken langs zijn diep-geribde flanken, en dan prachtigst
+van allen, de trotsche piek van Tidoor. Daarachter komt, flauw en fijn, de piek van Ternate te zien.
+
+</p>
+<p>De stad ligt op den Oostelijken oever van het eilandje tegen den voet van den altijd rookenden vulkaan aangebouwd, de huizen
+maar even te zien in dicht boomengroen. De straat langs de haven heeft maar een enkele rij huizen, en aan de overzij een reeks
+prachtige boomen tegen den glans van de baai met de zeilende schepen; zij is altijd druk van volk. Op boot-dagen rijden de
+karretjes, met hun kleine ruige hitten, in een onafgebroken reeks, propvol Chineezen en kleurige Arabieren, en het gewoel
+rondom de goederenloods en over de pier duurt van dagworden tot donker. Achter dien rand van rumoer ligt de binnenstad stil
+met wijde wegen, waarlangs de erven vol bloemen zijn en de ouderwetsch-lage huizen orchidee&euml;n hebben hangen tusschen de pilarenrij.
+De straten hebben namen die aan oude tijden doen denken: Fiscaal-straat, Weeshuisstraat, Lijnbaanstraat. Aan de Noordelijke
+grens staat het vroeg zeventiend&#8217;eeuwsche Fort Oranje, dat Cornelis <span class="corr" id="xd0e2780" title="Bron: Matelief">Matelieff</span> de <span class="corr" id="xd0e2783" title="Bron: jonge">Jonge</span> bouwde tegen den Spanjool.
+
+</p>
+<p>De Sultan van Ternate, die de Hollanders er in haalde om hem tegen Portugeezen en Spanjaarden te helpen, was een machtig-rijke
+potentaat. Francis Drake, die, een goede twintig jaar voor de komst van Van Waerwijck hem bezocht, stond versteld van de pracht
+die hij ten toon spreidde. &#8220;De koning,&#8221; schreef hij in zijn bericht (Wallace heeft het voor zijn <span lang="en">Malay Archipelago</span> overgenomen uit de verzameling van Hakluyt), &#8220;de koning liet boven zijn hoofd een <span class="pagenum">[<a id="pb431" href="#pb431">431</a>]</span>prachtigen troonhemel dragen met gedreven gouden sieraden, en had een wacht van twaalf speerdragers. Van het middel tot de
+voeten was hij in de kostbaarste gouden kleederen gehuld. In zijn kapsel waren onderscheiden ringen van gouddraad, ongeveer
+een duim breed, keurig ingevlochten, zoodat zij een fraaie en vorstelijke vertooning maakten, eenigermate gelijkende op een
+kroon. Hij had een keten van goud met zeer groote schalmen tweemaal om den hals gewonden, zijn linkerhand was getooid met
+een diamant, een smaragd, een robijn en een turkoois, en aan zijn rechterhand droeg hij twee ringen, waarvan de eene met een
+zeer grooten en zuiveren turkoois, de ander met een aantal kleine diamanten prijkte.<a class="noteref" id="xd0e2793src" href="#xd0e2793">1</a>
+
+</p>
+<p>Al die rijkdom kwam enkel en alleen van de kruidnagelen. De Heeren Zeventien wisten w&egrave;l waarom zij in hun instructie aan J.
+P. Koen schreven: &#8220;de eilanden van Banda ende Molucques zijn het principale wit waarnaar wij schieten.&#8221; Dat schieten heeft
+Ternate, althans zijn vorsten, &agrave;nders getroffen dan het ongelukkige Banda en anders dan Ambon ook. Banda werd uitgemoord,
+omdat het volk van den handel in notemuskaat ook met anderen dan de zuinig-betalende Compagnie niet verkoos af te laten. De
+Ambonneezen, hoofden als kampong-volk, werden uit hun bergen naar het strand gehaald, aan het teelen gezet van den nieuw-ingevoerden
+kruidnagelboom en met slagen naar de prauwen gedreven, die zij roeien moesten op de verfoeide extirpatietochten langs de eilanden.
+De Ternataansche Sultan, hun oppermachtig gebieder echter kreeg zo&oacute;veel geld, dat hij zonder spijt zijn monopolie overgaf
+aan de Compagnie: twaalfduizend rijksdaalders in het jaar wat wel met acht of tien vermenigvuldigd mag, <span class="pagenum">[<a id="pb432" href="#pb432">432</a>]</span>om overeen te komen met de tegenwoordige waarde van geld. Hij profiteerde trouwens ook nog op andere manieren van de Compagnie.
+Hij was Heer van de Papoesche eilanden en van groote streken op de kust van Nieuw Guinea, waar een artikel gehaald werd, al
+even voordeelig in den handel als de kruidnagel: slaven. En het was juist de Compagnie, die door de gestadige vraag naar slaven,
+met wie zij op het uitgemoorde Banda de notenperken bewerkte en op Ambon het ontbrekende kwartsvolk aanvulde, de prijs van
+slaven uit de Papoe deed stijgen. Zoo wiesch de Compagnie&#8217;s hand de Sultan&#8217;s hand en beide werden schoon&#8212;zoo niet in den zin
+van rein, dan toch in dien van fraai: blinkend van het goud!
+
+</p>
+<p>Hoezeer de Sultans gesteld waren op de vriendschap met de heeren van de Compagnie, blijkt wel hieruit, dat er troonopvolgers
+vernoemd zijn naar gouverneurs-generaal: Prins Zwaardekroon: het klinkt!&#8212;al is misschien de fraaiigheid van &#8220;Prins Mossel&#8221;
+en &#8220;Prins van der Parra&#8221; een gedwongene geweest, later. En voor bewijs daarvoor dat, van den weeromstuit, het volk de Hollanders
+al evenzeer ging bewonderen, mag de overlevering gelden die de Sultans van Ternate, Tidore, Djilolo en Batjan tot afstammelingen
+maakt van een hemelnimf en een Hollander. Het aardige verhaal, dat door allerlei bijzonderheden aan de sage van den Nibelungenheld
+en de Zwanen-jonkvrouwen doet denken, is in het oud-Ternataansche gebied verspreid tot op de Noordkust van Nieuw-Guinea toe,
+waar de Papoea&#8217;s het elkander vertellen in het Noefoorsch.<a class="noteref" id="xd0e2802src" href="#xd0e2802">2</a>
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p433.jpg" alt="De kostbaarste van alle Indische houtsoorten, ebbenhout wordt hier gekapt." width="523" height="396"><p class="figureHead">De kostbaarste van alle Indische houtsoorten, ebbenhout wordt hier gekapt.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het oude fort staat nog op Ternate, met zijn dikke wallen, die de kruidnagelhaalders en hun schatten beschermden tegen Spanjaard
+en Portugees. Maar <span class="pagenum">[<a id="pb434" href="#pb434">434</a>]</span>wat op dezen dag de welvaart zoo vol de Ternatanenhuizen doet binnenvloeien, dat is niet de kruidnagel meer: dat is het gevederte
+van den Paradijsvogel. De booten die naar Nieuw-Guinea varen, zijn elk jaar in Maart en weer in Augustus, vol Ternatanen,
+die als &#8220;jagers&#8221; gaan en met een riem vol geld terugkeeren.
+
+</p>
+<p>Om betere redenen dan in den Compagniestijd naar den uitslag van nagel- en notenoogst, wordt nu in Ternataansche streken gewacht
+naar wat de vogeljacht opbrengt: de pacht, door het gouvernement geheven, is m&eacute;&eacute;r dan noodig om het gewest eindelijk en ten
+laatste&#8212;na vierhonderd jaar van onverschilligheid eerst en onmacht later&#8212;eenigermate op orde te brengen. Ternate is wel een
+welvarende en welgeregelde stad: maar in de binnenlanden van het groote eiland, aan den rand waarvan zij drijft, in het binnenland
+van Halmaheira is de toestand een &agrave;ndere. Het is pas drie jaar geleden, dat officieel werd geconstateerd hoe het alleen in
+naam georganiseerd was, en genomen maatregelen niet anders waren noch k&oacute;nden zijn dan halve, voor voorloopig gebruik zelfs
+onvoldoende. Op het groote eiland&#8212;zonder Ternate en Hiri is het te besturen gebied grooter dan de Padangsche Bovenlanden,
+of Bali en Lombok te zamen, of Bantam, Batavia en Krawang bij elkaar,&#8212;zijn maar enkele Hollandsche ambtenaren geplaatst met
+eenige Indo&#8217;s en Ambonneezen als bestuursassistenten tot hulp. Het prestige van den Ternataanschen Sultan is er nog overweldigend.
+De middelen van verkeer zijn uitermate gebrekkig voor zoover ze niet geheel en al ontbreken. Wat dat zeggen wil zal een ieder
+begrijpen, die bedenkt wat, in het algemeen, de aard van absolute vorsten en de lijdzaamheid van weinig-ontwikkelde volkeren
+is, en h&oacute;e absoluut en lang-gevestigd al het gezag van de Ternataansche sultans. Een voorbeeld, <span class="pagenum">[<a id="pb435" href="#pb435">435</a>]</span>hoe het kort geleden nog maar,&#8212;in de jaren &#8217;80&#8212;toeging op Sanana. Sanana is de hoofdplaats van Soela Besi, een eilandje dat
+(op den weg der Paketvaartbooten), tusschen Boeroe en de Obi-groep ligt. Het hoort onder het sultanaat Ternate en is dicht
+bevolkt.
+
+</p>
+<p>Het eiland is vruchtbaar: er groeit (op droge velden) rijst, er zijn klapperboomen in menigte en rijk dragende sago-palm,
+het mooie roode lingoa-hout komt voor in de bosschen, en ebbenhout, kostbaarste van alle Indische houtsoorten, wordt ook gekapt;
+er is rotan te halen uit het woud, en was van wilde bijen; en uit de zee wordt schildpad opgediept; en bijwijlen drijft in
+de omringende engten amber, dat zijn dubbel gewicht aan zilver waard is: een stuk van de beste soort, de donkerbruine, van
+3 &agrave; 4 pond, brengt omtrent &#402;&nbsp;4000 op. Van dit alles wordt schatting opgebracht aan den Sultan, wat in de praktijk wil zeggen:
+aan de gemachtigden, etc. etc. van den Sultan.
+
+</p>
+<p>Sedert de dagen van den grootvader van den tegenwoordigen Sultan nu, waren de Arabieren de handelaars, en, als zoodanig, de
+eigenlijke heerschers op Soela Besi. Zij kwamen er al die kostelijke producten halen en betaalden wel eens met duiten en anders
+met katoen. Voor een vrouwenkabaja is de maat 3 el, en de waarde daarvan &#402;&nbsp;O.75. Nu. De Arabieren kwamen hout, was, rijst,
+copra, klapperolie, schildpad en lola-schelpen koopen voor kabaja-stukken, geprijsd op &#402;&nbsp;3.
+
+</p>
+<p>Met de rotan kwamen duiten er bij te pas, want de rotan wordt niet anders aangebracht dan door volk uit het wilde bosch-binnenland
+en dat heeft voor zich of zijn vrouwen zoo geen kabaja&#8217;s noodig. Sa&iuml;d Alhadar,&#8212;dat was de Arabier die contract voor rotan
+had met den Sultan,&#8212;ging daarom koperen duiten op den grond uittellen, tegenover de <span class="pagenum">[<a id="pb436" href="#pb436">436</a>]</span>neergelegde stengels rotan. De stengels moesten hem, natuurlijk, aan het strand, waar de prauwen ze maar voor het inladen
+hadden, geleverd worden. En, natuurlijk moesten ze ook behoorlijk geschild en schoongemaakt zijn, want dat te doen is een
+heele arbeid, die tijd, moeite en krachten kost. En dan moesten de stengels goed dik zijn, en afgekapt op een maat van drie
+vadem. Voor zulk een stengel wou hij dan 1 duit geven, of voor een pikol van zulke stengels 100 duiten, dat is &#402;&nbsp;O.83 in Nederlandsche
+munt berekend. En zulk een pikol verkocht Sa&iuml;d Alhadar voor &#402;&nbsp;4.50 of ook wel eens &#402;&nbsp;5. Wat Sa&iuml;d Alhadar bijzonder goed beviel
+en ook wel bekwam; maar der bevolking minder. En als Sa&iuml;d Alhadar met den rotan, deden andere zonen van Hadramaut met de was,
+of het schildpad, of het ebbenhout, of de rijst. En ook di&eacute;n edelen van Hadramaut beviel dit goed en bekwam het w&egrave;l; maar
+ook der bevolking, die met h&egrave;n handelde, bekwam en beviel het maar slecht. Hoe echter zou iemand gewaagd hebben zich tegen
+de Arabieren te verzetten, die gemachtigden en lasthebbers en vrienden immers waren van den Heer, die glanst gelijk de Zon,
+den Sultan van Ternate?
+
+</p>
+<p>Dat duurde, totdat in 1909 een resident van Ternate op dienstreis Soela Besi bezocht, en een onderhoud had met Arabieren op
+Sanana en met den Sultan in zijn hoofdstad. Waarna kabaja-stukken van &#402;&nbsp;3 verdwenen zijn, en rotan-stengels van drie vaam
+lengte met 1&frac12; cent betaald worden en door den kooper uit het bosch gehaald en schoongemaakt door hem. In vele andere dingen
+ook is velerlei veranderd, en de veranderingen zijn den Arabieren maar zeer matig bevallen en bekomen, maar der bevolking
+daarentegen uitstekend. Wat Sa&iuml;d Alhadar aangaat, die is, eenigen tijd later, plotseling weggeroeid van Sanana, en sedert
+nooit weer aan komen roeien. Van het waarom weet <span class="pagenum">[<a id="pb437" href="#pb437">437</a>]</span>de toenmalige posthouder het nadere misschien wel.
+
+</p>
+<p>Er zijn vele Sa&iuml;d Alhadars op Halmaheira. Er moesten ook vele posthouders zijn, om van civiel-gezaghebbers en controleurs,
+en eigenlijk misschien zelfs wel, assistent-residenten niet te spreken, wanneer overal op Halmaheira het zoo goed zou gaan
+als het nu op Sanana gaat. Maar het geld (volgens Heinrich Heine, het vervloekte geld), dat men <span class="letterspaced">niet</span> heeft?
+
+</p>
+<p>Daaraan nu zal, onder andere, de pacht op de paradijsvogels helpen. Verleden jaar was de binnenkomende som bijna een halve
+ton&#8212;precies gezegd &#402;&nbsp;45.000. Daarvoor kan heel wat binnenlandsch-bestuurd worden. En er wordt voor de toekomst nog meer gehoopt.
+Want Ternataansche jagers vermeerderen en dames worden al doller en doller op paradijsvogelveeren voor hun hoed.
+
+</p>
+<p>Er is gewaarschuwd, dat paradijsvogels spoedig in allen ernst paradijs-bewoners zullen zijn als het zoo voortgaat. Maar die
+het weten kunnen, stellen gerust. De Paradijshaan&#8212;de hennen zijn maar stemmig-bruine diertjes&#8212;krijgt zijn siervederen pas
+op zijn vierde jaar, terwijl hij verder na het eerste al in alle opzichten volwassen is. Dus kan het nooit meer dan een, betrekkelijk
+gering, gedeelte van de menigte zijn, waarop elk seizoen geschoten wordt. En de landstreek, waar de jagers op buit uitgaan,
+is een nog veel geringer deel van het ontzaglijke Nederlandsch Nieuw-Guinea-gebied.
+
+</p>
+<p>Een standpunt van humaniteit&#8212;en dat tegenover z&oacute;&oacute; prachtige diertjes!&#8212;zou gemakkelijker te verdedigen wezen, als het niet
+zoo ernstige belangen van menschen gold. Er zijn ook Engelschen, die verklaren, dat het Britsche gouvernement zich daarop
+heeft geplaatst met het verbod van jacht op paradijsvogels in Britsch Nieuw-Guinea. Maar daarentegen zijn er weer niet-Engelschen,
+die een heel andere <span class="pagenum">[<a id="pb438" href="#pb438">438</a>]</span>reden aannemen voor het verbod dan dierenliefde. Op paradijsvogels moet geschoten met geweren en geweren ziet de Britsche
+regeering nu eenmaal niet graag in de handen van haar Papoesche beschermelingen&#8212;wezenlijk, niet dan <span class="letterspaced">uiterst</span> ongaarne. Dus dan kunnen er, vanzelf, geen paradijsvogels (onder andere) worden geschoten. Zoodat het veel eenvoudiger is
+bij het einde te beginnen en te zeggen: In Britsch Nieuw-Guinea is de vogeljacht verboden: zooals ook is geschied.
+
+</p>
+<p>Die de zaak zoo uitleggen, doen tegelijk opmerken dat van de in Nederlandsch Guinea geschoten vogels een overgroot deel den
+weg naar Engeland opgaat, naar de groote Londensche markt.
+
+</p>
+<p>En zoo is dan de hoed van een Londensche elegante de laatste nestelplaats van een vogel, die anders allicht terecht zou komen
+in den schelpen bovenarmband of in den takkebos-breeden stijfgekroesden ragebol van een spiernakenden Papoea, als hij met
+zijn beste paar wildezwijn-slagtanden door de doorboorde neusvleugels geschoven, gaat dansen op een koppensnellersfeest.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb439" href="#pb439">439</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e2793src" id="xd0e2793">1</a></span> Vertaling van Veth &#8220;Insulinde.&#8221;
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e2802src" id="xd0e2802">2</a></span> Zie Van Hasselt: Noefoorsche Sprookjes.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="normal">NIEUW GUINEA</h2><span class="pagenum">[<a id="pb441" href="#pb441">441</a>]</span><div id="ch39" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Naar het land van de paradijsvogels</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-h.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-h.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">H</span>et schip gaat naar de Humboldts-baai van ruim tot reeling vol opkoopers van vogelhuiden en ruilwaar. Achter den wand van zeildoek,
+die het haast ledige dek van de eerste klasse afgrenst van de derde, is het een enkele gepakte, gestuwde, opgetaste massa
+van lichamen, liggende, gehurkt, weggedoken tusschen pakken, vaten, kisten, boven op hoopen zakken geklommen, aanhangende
+tegen stapels planken aan. &#8217;s Avonds schijnt het electrische licht op roerlooze rijen, zoo dicht en vast aaneengevoegd als
+de planken van het dek zelf. Beneden, in de kajuit van de tweede klasse, waar het licht op valt van den koekoek, zitten langs
+alle tafels, geen plaats onbezet, Chineezen, den dag door bezig met papieren en boeken. En de gangen langs de laadkuilen en
+de hutten van de scheepsofficieren zijn versperd met kisten, waaromheen altijd een schuifelend gedrang is van Chineezen en
+Ternatanen. De Chineesche handelaars gaan als opkoopers van vogelhuiden, de Ternataansche en Amboneesche &#8220;jagers&#8221; als opkoopers
+van de arbeidskracht waardoor die huiden uit het binnenland van Noord Nieuw-Guinea aan de kust gebracht worden. Van de eigenlijke
+jagers, de Papoea&#8217;s, is de naam overgegaan op hen. De organisatie van het bedrijf is d&eacute;ze, <span class="pagenum">[<a id="pb442" href="#pb442">442</a>]</span>langs afdalende reeks. Bovenaan staat een of ander groot handelslichaam, een Chineesche kongsie, of een Europeesche vennootschap,
+met verbindingen naar de wereldmarkt. Onder de groote firma staan de Chineesche opkoopers, in een massa zelve weer samengesteld
+uit grootere en kleinere, waarvan de enkele grootere koopen van de vele kleinere. Onder de Chineesche opkoopers staan de jagers,
+Ternatanen, Boegi&#8217;s, Amboneezen, Cerammers, volk van Geser. Onder de jagers staan de Papoea&#8217;s. Een enkele maal onderhandelt
+een groote firma rechtstreeks met de jagers, maar de verre afstand tusschen de steden waar zij hun kantoren en hun agenten
+hebben, en de woonplaatsen van de jagers, her en der door den archipel verspreid, maakt dat dit niet anders dan bij uitzondering
+kan gebeuren.
+
+</p>
+<p>De firma, of anders de grootere onder de opkoopers, verschaffen het toebehoor voor de jacht, de jachtakte, &#8220;licentie&#8221; heet
+ze hier, en het geweer met ammunitie, aan de jagers. Verder geven ze hun een voorschot van om en bij de vijftig gulden, (het
+middel van bestaan voor hun achterblijvende gezinnen gedurende hun afwezigheid), het geld voor de reis, en de waar, waarvoor
+een Papoea op de jacht naar vogels gezonden kan worden: dat wil zeggen: rood katoen, kralen, neusstangen, halskettingen, armbanden,
+spiegeltjes, pruimtabak en vooral messen. De verdienste van den jager moet komen van het aantal vogels, dat hij, boven een
+van te voren vastgesteld aantal, en na verrekening van het voorschot in geld en waren, aan de firma levert tegen een bepaalden
+prijs, soms de locale marktprijs. Hij gaat dus op eigen risico &#8220;de Papoe in.&#8221; Hier zoekt hij de werkelijke jagers, de mannen
+uit het binnenland. Terwijl, als hij een Ternataan is, en ook Amboneezen doen dit wel, hij zelf ook &#8220;als geweer&#8221; het bosch
+in gaat.
+<span class="pagenum">[<a id="pb443" href="#pb443">443</a>]</span></p>
+<p>De Papoea neemt niet anders mee voor een veertien dagen of drie weken woud-loopen dan een pak sago, gedroogde visch, tabak,
+een mes en zijn jachtgereedschap. Het mes&#8212;een gewoon Hollandsch keukenmes kan men hem zien gebruiken, zoo een met een dik
+rood-geverfd houten heft, en ook zwaardere kapmessen, als Maleiers altijd hanteeren&#8212;is voor de meeste binnenlanders nog iets
+nieuws en kostbaars, van de hoogste waarde op zulk een tocht door het bosch, waarbij ze vroeger niet dan hun naakte handen
+als hulp hadden tegen versperrend gewas. Zij gaan nu d&aacute;&aacute;rheen waar een &#8220;speelboom&#8221; staat, d. w. z. een boom, waarin de Paradijshaantjes
+neerstrijken om met opgeheven vleugels en wijd-gespreide bossen van sierpluimen te pronken voor de hennetjes. Dikwijls staan
+zulke boomen niet ver van een Papoeagehucht; maar dan zijn ze allicht vast eigendom. En ook een midden in de eenzaamheid staande
+boom kan al bezit zijn; dat wordt aangewezen door een &#8220;verbods-teeken,&#8221; een tak met een blad er op gestoken, bij den stam.
+Wie zulk een &#8220;verbod&#8221; schond, zou zeker door een doodelijke ziekte of door ongeluk in zijn gezin getroffen worden.
+
+</p>
+<p>Er wordt dus gezocht tot een speelboom is gevonden waarop nog niemand rechten heeft. De Papoea gaat op de loer liggen, en
+wacht zijn kans. Bij voorkeur zal hij op den grooten &#8220;gelen Paradijsvogel&#8221; schieten, die van onder zijn purperig-bruine vleugels
+een schitterend oranje pluimenbos opsteekt, van wel twee voet lang. Of anders op den effen zwarten, die bij elke beweging
+glansen van groen, rood en paars laat opschijnen uit het zwarte fluweel van zijn gevederte; of op den kleineren (dien Franschen
+Petit Emeraude noemen) die pluimen heeft, niet oranje, maar stroogeel, met witte spitsjes; dat zijn er al mee van de meest
+waardevolle. Hij moet zorgen den vogel z&oacute;&oacute; <span class="pagenum">[<a id="pb444" href="#pb444">444</a>]</span>te raken dat geen bloed de vederen besmeurt: de vlekken die niet weer weg te nemen zijn, maken hem waardeloos. Dan worden
+vleugels en pooten afgesneden en het afgestroopte huidje op een platte houten pen opgespleten en gedroogd. Heeft hij er genoeg,
+dan brengt hij zijn buit naar den jager, voor rood en blauw katoen, kettingen, armbanden en neus-stangen. En het handels-artikel
+geworden bruilofts-kleed der vogels gaat van den jager naar den opkooper, van den opkooper naar de groote firma op Ternate,
+Makassar, Soerabaja, Batavia, van de groote firma naar den &#8220;veeren-fabrikant&#8221; te Londen of te Parijs, van den veeren-fabrikant,
+die het in een nieuw fatsoen heeft gebracht, naar de modiste, van de modiste naar de elegante vrouw, bij wier zijde, bont
+en juweelen een hoed met Paradijsvogel-pluimen behoort. En de lap rood katoen, de neus-stangen en de tabak van den Papoe doen
+in laatste gedaantewisseling zich voor als een ch&egrave;que van een vijfhonderd gulden.
+
+</p>
+<p>Voor het begin van het proces, waardoor die metamorphose tot stand komt, gaat nu dit schip vol menschen &#8220;naar de Papoe,&#8221; allen
+in gespannen verwachting naar hun deel van vermenigvuldigende waarden, dat voor elk grooter is naarmate hij verder van den
+arbeid aan den oorsprong af staat. De Chineesche opkoopers zijn bezorgd omtrent het hunne, sedert bekend geworden is dat een
+groote Europeesche firma van de achttienhonderd uitgegeven licenties er meer dan tweehonderd verworven heeft.
+
+</p>
+<p>Een Chineesche groothandelaar, eerste-klasse passagier, die vorig seizoen driehonderd corges (pakken van twintig stuks) huiden
+naar Makassar heeft verkocht voor &#402;&nbsp;650 de corge, houdt veel overleg met zijn landgenooten, ernstig kijkend. Beneden in de
+gangen, om het luik heen, tusschen bossen pisangs, manden vol orchidee&euml;n, rissen witte kakatoea&#8217;s en <span class="pagenum">[<a id="pb445" href="#pb445">445</a>]</span>purper-blauw-geel-groene lorries, op het voordek van het schip, rondom de winch, bij het ankergat, tusschen de stapels der
+opgerolde trossen, worden al door kisten open gemaakt met kralen, glazen armbanden en cellulo&iuml;de neusstangen&#8212;Oostenrijksch
+fabrikaat, dat de schelpen-ringen en de varkensslagtanden van vroeger gaat vervangen. Handel aan boord is verboden, al die
+kisten hoorden in het ruim. Maar geen nog zoo scherp toezicht ziet door de listen heen, waarmee Ternataansche en Chineesche
+jagers koopwaar voor bagage bij zich houden. En het meest wat onophoudelijke waakzaamheid vermag is een uiterlijke orde en
+regel handhaven onder dien onderling wantrouwenden en afgunstigen troep, die van uit de verte al loert op de Paradijsvogels
+en de Papoea&#8217;s.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Het eerste station van de booten op Noord Nieuw-Guinea is tegenover Sorong op het eilandje Doom&#8212;niet veel meer dan een groene
+heuvel met op den kruin een grooten boom, onder den lommer waarvan binnenkort het huis van een bestuursambtenaar zal staan.
+Hier kwamen de eerste Papoea&#8217;s aan boord en de eerste Paradijsvogel. Van den vogel was niet veel te zien: hij was &#8220;aangehaald,&#8221;
+als contrabande in beslag genomen, wijl geschoten in het seizoen waarin de jacht verboden is, en zat stevig ingepakt in bruin
+papier. Aan de Papoea&#8217;s viel des te meer te bekijken; zij hadden niets aan dan een lendedoek van dunne bruine stof, die boombast
+bleek te wezen. Het taaie groeisel wordt in water geweekt, van het allergrofste ontdaan en zoo lang geklopt, tot het niet
+dikker of stijver meer is dan gewoon katoenen weefsel. Het zat om de leest der mannen heen zoo glad als een sarong.
+<span class="pagenum">[<a id="pb446" href="#pb446">446</a>]</span></p>
+<p>De vier, voor al de anderen aan boord geklommen, waren gekomen om zich als jagers aan te bieden, en tegelijk matjes te verkoopen
+daar in de streek gemaakt,&#8212;aardige dingen van sagobladstelen, met levendige kleuren beschilderd. Aan hun manieren&#8212;ze rookten
+sigaretten en namen, als iets waaraan ze al lang gewend waren, een glas vruchtensap aan&#8212;was het te zien, dat zij al vaak met
+Westerlingen te doen hadden gehad. Het waren slanke, krachtig gebouwde menschen, bronsbruin, met een geweldigen bos heel fijn
+gekroesd haar, dat er uitzag of het zou veeren als er op gedrukt werd, en waarin ze allerlei versiersels hadden gestoken:
+lange naalden van gesneden hout, beenen pennen, een veertje. Zij hadden opgewekte gezichten met een helderen blik in de groote
+glanzend zwarte oogen, en een forschen arendsneus. Het geheel zou mooi geweest zijn, zonder den breeden, groven mond, waarin
+iets dierlijks was. Het waren waarschijnlijk geen Papoea&#8217;s van zuiver ras. De heele kuststreek heeft een sterk gemengde bevolking;
+handelaars van Geser, Ceram laoet, de Zuidkust van Ceram, Boegineezen, Tidoreezen, Ternatanen hebben van oudsher overal hier
+gevaren, zoo ver als het gebied&#8212;hoezeer dan ook maar schijngebied,&#8212;van de Moluksche vorsten reikte. Misschien dat de vermenging
+met meer ontwikkelde rassen een oorzaak is van hun gereede aanpassing aan nieuwtijdsche handelsgebruiken. Zij stonden met
+opkoopers en jagers zakelijk te onderhandelen. Ten slotte gingen zij naar het kuildek en richtten zich in voor de reis. Een
+die zijn sigaret wilde opsteken maakte vuur door twee bamboe-latjes vlug tegen elkander te wrijven. Het antieke gebaar riep
+daar midden op de stoomboot een vizioen op van pas half-menschelijk leven.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p447.jpg" alt="De Papoeas van deze streek hebben opgewekte gezichten met een helderen blik in de groote glanzige oogen en een forschen arendsneus. Geheele zwermen eilanders kwamen ons in prauwen tegemoet." width="500" height="639"><p class="figureHead">De Papoeas van deze streek hebben opgewekte gezichten met een helderen blik in de groote glanzige oogen en een forschen arendsneus.
+Geheele zwermen eilanders kwamen ons in prauwen tegemoet.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Te <span class="corr" id="xd0e2894" title="Bron: Manokwari">Manokwarie</span>, de hoofdplaats van het gewest, die maar een dag stoomens van Sorong verwijderd <span class="pagenum">[<a id="pb448" href="#pb448">448</a>]</span>is, kregen wij Papoea&#8217;s te zien van, op het oog, hetzelfde ras, maar die een anderen ontwikkelingsgang gevolgd hadden dan
+de Sorongsche. Zij waren Christenen, en droegen kleeren. Er kwamen er een groote menigte aan boord om het gezin van een zendeling
+te verwelkomen. En later op den dag was het op den steiger een ware oploop om het wonderdier te zien, door de familie medegebracht:
+een paard. Er zijn op Nieuw-Guinea noch paarden, noch runderen. Kort geleden heeft de zendeling er runderen ingevoerd, die
+goed gedijen. Dit paard was nu w&eacute;er een nieuw wonder. De vrouwen vooral waren er over uit. De mannen, van wie de meesten al
+eens met de prauw, of misschien zelfs wel met de stoomboot naar den Maleischen Archipel waren geweest, hielden zich bedaarder.
+
+</p>
+<p>Om de Geelvinkbaai heen, langs de kust en op de vele kleine eilanden liggen een menigte Papoeadorpen, op palen gebouwd, half
+op zand, half in water bij ebbe, rondom in zee als de vloed opkomt. De boot doet er verscheiden aan: als eerste, Roon. Het
+eilandje ligt tusschen de Geelvinkbaai en de Baai van Wandamen, als de eigenlijke spits van een ver vooruitspringende kaap
+die de twee scheidt. Vlak in het Zuiden, aan de overzij van de smalle straat die het afsnijdt van het vasteland, staan donkerblauw
+en prachtig hooge bergen; de wijde Geelvinkbaai, onafzienbaar als een zee, ligt, uitgegoten naar Oost en Noord, met zwermen
+eilandjes overstrooid. Aan het strand staat het Papoea-gehucht op zijn bruine palen, in twee groepjes van lange laag-gedakte
+hutten. Het witte zand blikkert fel er tusschen. Prachtige kleuren hebben de ondiepten rondom: allerlei groen, van het lichtste,
+zon-doorblonkene tot een dof en ondoorschijnend malakiet, dooraderd met wittige schuimstrepen, paars in breede banen daarlangs.
+Als een regenboog uit het blauw van de lucht glanst <span class="pagenum">[<a id="pb449" href="#pb449">449</a>]</span>die groen-en-paarse zoom uit het blauwe water. Zoo rechtop uit de zee, dat de wortels, blootgespoeld, hangen in de branding,
+klimt een woud langs de steile helling. Veel laurierboomen groeien er in. De lucht om de hutjes is bitter van den fijn-prikkeligen
+geur. Over de wankele brugjes, die van de woningen naar den woudzoom gaan, loopen, rank-rechtop, donkere menschen. Er dobbert
+een prauw hier en daar, aan een paal gebonden.
+
+</p>
+<p>Op de Zuidkust van Japen&#8212;het langgerekte eiland, dat in het Noorden de Geelvinkbaai halverwege sluit,&#8212;ligt Ansoes, waar de
+vogeljagers heengaan om den prachtigen geel-gepluimden Paradijsvogel. In de diepte van een zuiver ronde baai ligt het gehucht
+lang uitgebouwd, over de breedte van het gladde, klare water. In het Oosten is de bouw begonnen: daar zijn de hutjes al oud.
+Naar het Westen toe worden zij al nieuwer. Daar is de steiger, daar is de lange rij Chineesche winkeltjes, waar,&#8212;als een trottoir&#8212;een
+brug van drie planken langs loopt: wankelliggende stammen worden het op het eind; een ijl leuninkje staat er onzeker tegen
+aan. Een geheele vloot prauwen, aan &eacute;&eacute;n kant maar gevlerkt en met een geweldig matten zeil op, dobbert rondom den steiger.
+Een naakte jongen, met een snoer schelpen om den hals, flikkerwit in de zon tegen zijn goudachtig bruin, roeit zijn hollen
+boomstam vol orchidee&euml;n naar de stoomboot.
+
+</p>
+<p>Pom ligt op de Noordkust van Japen. Als een reusachtige school schildpadden drijft het dorp, elke schildpad een lange bruine
+woning met een gladden ronden rug van een dak. Wel een twee honderd voet lang is zulk een woning. Naast en achter elkander
+liggen ze daar. Als wij er tusschen komen, in onze prauw, zijn we midden in een groot waterdorp. We varen een waterstraat
+af, een waterplein <span class="pagenum">[<a id="pb450" href="#pb450">450</a>]</span>op, watersteegjes door, her en der. Achter de flonkering van water, die groen en zonneblank door een woud van zwartige palen
+speelt, achter de lange, gedoken dakenruggen, is een lage oever, groen van woud. Allerlei klaar gekwinkeleer klinkt er uit,
+schelle vogelkeeltjes, waardoorheen de groote stem van de kroonduif roept; zoo zonderling, dat het lijkt of uit de verte een
+diep-inzettende scheepssirene schalt. Dwars over de baai vliegen kaketoes, donker tegen het felle blauw van den hemel, met
+een doorschijnend gloorrandje langs de bocht van de scherpgespitste vleugels, en de randen van den staart als een waaier gespreid.
+Weinig menschen zijn maar in het dorp. Vanochtend in het eerste licht hebben wij in een lange &#8220;vrouwen-prauw&#8221; een menigte
+vrouwen zien wegroeien om de oostelijke kaap, naar de bosschen, waar zij den dag door damar zullen zoeken. De mannen zijn
+allen op de stoomboot, bij de Chineezen en de Ternatanen, met hun kisten vol moois. Wij klimmen een huis binnen, waar een
+meisje van een jaar of twaalf, op den vloer-rand gezeten, met voeten afbengelend boven het water, haastig opspringt, en vlucht,
+zonder zelfs om te kijken naar ons geroep. We hebben den voet nog niet op de los gelegde stammen van den ingang&#8212;het watergroen
+flikkert er doorheen&#8212;of we zien haar, een eind ver weg al, over het water heenschieten, in haar smalle prauw.
+
+</p>
+<p>We bezien het huis, waarin zeker meer dan honderd menschen te zamen leven. De ingang is, klaarblijkelijk, gemeenschappelijk
+terrein. Aan een paal hangt een geweldige schildpad-schaal, waarin langs den rand vierkante gaten zijn uitgebroken: om het
+vleesch, zegt de Ternataan, die onze gids en tolk is. De beenige, scherp-getande zaag van een zaagvisch leunt tegen den wand
+tusschen een rommel vischtuig: schepnetten, werpnetten, drietandige speren, <span class="pagenum">[<a id="pb451" href="#pb451">451</a>]</span>waarmee de visch geharpoeneerd wordt, een boog en bundels visch-pijltjes, die aangespitste nerven van sagoblad zijn. Een bonk
+sagomeel, in bladeren gewikkeld, hangt aan een stijl. Op den grond ligt een groot stuk zware boomschors, waarin half verkoolde
+stukken hout nog gloeien&#8212;de haard, waarboven het gevluchte meisje zeker juist wat sago had willen roosteren en een stuk schildpadvleesch.
+
+</p>
+<p>Achter deze v&oacute;&oacute;r-ruimte liggen de afzonderlijke kamers, elk door een gezin bewoond, aan weerskanten van een gang die door
+het geheele huis heen loopt. Dit gedeelte, de eigenlijke woning, is met zorg afgewerkt. De gang heeft een vloer van vastgevoegde
+planken, de deuren sluiten in den langen houten wand. Ze zijn alle dicht nu, de gezinnen zijn uit. Dat zullen zij overdag
+wel meest altijd wezen, de vader op de jacht of op de zee, de moeder met de kleinste kinders in het bosch om damar te zoeken
+of in de tuinen aan het werk, die tegen de heuvels aan met omkappen van een enkelen boom en in brand steken van gras en struikgewas
+ten ruwste gemaakt zijn, de groote kinders op het strand, bezig met het zoeken van schelpdieren en krabben. En dan hindert
+het ook niet veel dat zoo&#8217;n &#8220;&eacute;&eacute;nkamerswoning&#8221; een hokje is van niet meer dan een voet of tien in het vierkant, en zoo laag,
+onder de schuinte van het dak, dat de bewoners er maar juist in kunnen staan. Zij zijn er alleen wanneer zij er niets van
+merken&#8212;als zij slapen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb452" href="#pb452">452</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch40" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Beoosten Kaap d&#8217;Urville</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-k.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-k.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">K</span>aap d&#8217;Urville is de Oostelijke grens van de Geelvink-baai: hier begint de oceaan. Het water lijkt effen. En toch schommelt
+het schip. Het voelt de groote golvingen van de Stille Zuidzee.
+
+</p>
+<p>Langs deze kust en op de eilandjes, die in een ver vooruitgeschoven rij erlangs liggen, wonen de Papoea telandjang, de naakte
+Papoea&#8217;s.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p453.jpg" alt="Geheele zwermen eilanders kwamen ons in prauwen tegemoet." width="524" height="374"><p class="figureHead">Geheele zwermen eilanders kwamen ons in prauwen tegemoet.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toen wij Wakd&eacute; naderden, kwam een geheele zwerm ons in prauwen tegemoet. Ze droegen niets dan, van het snoer rond hun middel
+afhangend, een lapje bont katoen, en aan hals en armen een aantal ringen, banden en kettingen van kralen en schelpen. In hun
+armbanden hadden sommigen een bundel dracaena-bladeren gestoken. Zij waren getatoueerd, sommigen met een teekening van donkerblauwe
+lijnen, stippels en plekken, die een mooi patroon vormden over borst, buik en dijen, aan de polsen ook en op den rug; anderen
+met een dergelijk patroon, waarvan de lijnen bestonden uit litteekens van breedingekorven sneden. Zij hadden roode klei in
+hun haar gekneed, zoodat het in een krans van strakke rosachtige pieken om hun voorhoofd heen stond. En hun gezicht was met
+zwarte verf z&oacute;&oacute; beschilderd, dat het leek of zij een masker droegen. De meesten <span class="pagenum">[<a id="pb454" href="#pb454">454</a>]</span>hadden het zitten tot over den neus, maar er waren er, die het scheef over &eacute;&eacute;n oog droegen&#8212;het voorhoofd zwart, den neuswortel
+en &eacute;&eacute;n oog zwart, &eacute;&eacute;n jukbeen zwart, de rest van het gezicht natuurlijk-bruin. En sommigen hadden, wat bijna n&ograve;g zonderlinger
+stond, als het ware een sluier van zwart halverwege over het gezicht laten zakken, enkel maar lijnen, recht en gegolfd, met
+zwarte stippeltjes er tusschen. (Of die soms dames met voiles van gemoesde tulle gezien hadden?) Sommigen hadden een hoed
+op, hoewel zij overigens zorgvuldig naakt waren gebleven. Zij kwamen er aanroeien in prauwen, die uitgeholde boomstammen waren,
+met een opening zoo nauw, dat de roeier tusschen de naar binnen gebogen randen alleen tot de knie&euml;n toe de beenen kon passen,
+en z&agrave;t boven op de prauw. De bootjes waren vroolijk beschilderd met roode en zwarte sterren en versierd met beeldhouwwerk,
+forsch gefatsoeneerde koppen van kakatoes of van schildpadden, vooruitstekende op den steven. Van het strand van Wakd&eacute; af
+kwamen zij in zulke menigten, dat de zee tusschen het schip en den wal een wemelend plein geleek.
+
+</p>
+<p>Het dorp ligt tegen een achtergrond van woud en van palmen-aanplanting. Langs het strand, als een aanspoelsel uit de branding
+der wereldzee van verre beschavingen, loopt een ordelijke straat, waarlangs nieuwe huizen staan, in aanbouw nog vele, genummerd
+in de rij. Daarachter, met hutjes van gaba-gaba en atap, begint het eigenlijke Wakd&eacute;, het Papoea-dorp.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p455.jpg" alt="Het middelpunt van Wakd&eacute; is een tempel aan de voorouders en de geesten gewijd." width="523" height="406"><p class="figureHead">Het middelpunt van Wakd&eacute; is een tempel aan de voorouders en de geesten gewijd.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Middelpunt er van is een tempel; aan de geesten en de voorouders toegewijd. Het is een gaba-gaba gebouw van het allereenvoudigste
+fatsoen onder een hoog en puntig met bladeren bespreid dak. De geheele gevel is beschilderd, reep voor reep, met doorloopende
+patronen van rood en zwart, elke reep weer anders, zoodat het geheel een samenstel wordt <span class="pagenum">[<a id="pb456" href="#pb456">456</a>]</span>van verticale strepen. Een trapje, met gebeeldhouwde leuningen en op de posten twee hurkende figuren, klimt naar de deuropening,
+waardoorheen een inkijk is van ledige schemering. De tempel moet nog maar kort geleden opgericht zijn, het rood en zwart is
+versch op de sagopalm-stengels der wanden. Maar toch begint hij al te vervallen; het bladerenspreidsel van het dak hangt in
+flarden, de trap leunt scheef tegen den ingang. En rondom is een wildernis van breed-bladerige planten opgeschoten, waartegen
+gewaarschuwd wordt als tegen een nest van slangen. Er is geen zendingspost op Wakd&eacute;. Vanzelf moeten dus onder deze Papoea&#8217;s
+de voorstellingen in verval zijn geraakt, die kort geleden nog krachtig genoeg waren om zich te uiten in tempelbouw.
+
+</p>
+<p>Rondom, en naar het strand van den achterwal heen, liggen, onregelmatig verspreid, de hutten van het dorp: bruine paalwoninkjes,
+met ladders naar den ingang, die opgetrokken kunnen worden. De bouw van alle is dezelfde, dezelfde ook als die van den tempel,
+recht op en neer, wanden van sagopalm-stengels en een dak van sagopalm-blad. Precies in het midden van den gevel is de hoogste
+van drie openingen, deuren en vensters tegelijk, op gelijke afstanden waarvan de twee andere zijn aangebracht. De verdeeling
+van het binnenhuis komt te zien: een vrij groote middenruimte, doorloopend van voor- naar achtergevel, en aan weerszij, afgeschoten,
+donker, veilig, kleinere ruimten, waar, onduidelijk, een rommel van voorraad gereedschap, rijs en vischnetten te ontwaren
+is, en waaruit gezichten te voorschijn kijken van vrouwen en kinders. De vrouwen zijn, met een goren lap om de lenden, maar
+weinig meer bekleed dan de mannen, en, als zij, met snoeren van kralen en schelpen omhangen, houten pennen door een warrigen
+haarbos gestoken. Allen, jonge als oude, hebben <span class="pagenum">[<a id="pb458" href="#pb458">458</a>]</span>lippen vuurrood van de sirih, en een pruim achter de kiezen, waar de wang in een scheeven bult over uitstaat; de kalk voor
+de sirih-pruim dragen zij bij zich in een soort fleschjes, die kleine uitgeholde pompoenen zijn, alleraardigst met een zwarte
+teekening versierd. Een enkele heeft een dergelijke teekening op de borst getatoueerd. In vergelijking met de mannen zijn
+het schrale, armelijke wezens, wien ontbering aan is te zien en arbeid v&egrave;r boven hun krachten. Zelfs de jongsten, die een
+kind aan de borst houden, zien er oud uit. Klaarblijkelijk zijn zij het, die al het akkerwerk doen, terwijl de mannen zwerven
+en jagen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p457.jpg" alt="Het oude Papoea-gehucht staat op een zandbank maar juist boven het water uit." width="523" height="409"><p class="figureHead">Het oude Papoea-gehucht staat op een zandbank maar juist boven het water uit.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het station dat op Wakd&eacute; volgt is het laatste in de rij. Hollandia, aan de Humboldtsbaai, eindpunt der Noord-Nieuw-Guinea
+reis. De boot laat het anker vallen voor een drukke kleine handelsplaats aan de monding van een rivier. Dicht gerijd staan
+langs beide oevers de huisjes, de stroom is als een dobberende markt. Bij de aanlegplaats staan loodsen en een pakhuis; Chineezen
+met gouden ketting van knoopsgat naar borstzak van hun khaki jas controleeren het binnenbrengen uit de laadprauw van kisten,
+waarop namen van Europeesche steden en fabrikanten staan.
+
+</p>
+<p>Aan de overzij van de baai, enkele minuten roeiens ver, ligt het oude Papoea-gehucht op een zandbank maar juist boven het
+water uit. Er staan hutten op als hooge, hoekige bijenkorven, op palen, dicht aaneengedrongen op de smalle plek. Reusachtige
+schildpadschalen, aan palen gehangen, drogen in de zon; de stank slaat den naderende over het water tegen. De gezichten van
+de naakte, war-harige, vervuilde wezens, die in een zwijgenden troep hem tegemoet zien, zijn een afweer, nog erger haast dan
+de stank. Denkende aan wat verhaald wordt van hun stompzinnige wreedheid, dingen die ongeloofelijk lijken en onmogelijk, begint
+hij n&uacute; te gelooven daaraan.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb459" href="#pb459">459</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch41" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Chineesche winkels</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-t.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-t.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">T</span>e <span class="corr" id="xd0e2964" title="Bron: Sorang">Sorong</span> al begon het; hier in de Humboldtsbaai, in dat bedrijvige dorp, waar de boot haar laatste vracht ontlaadt, is het nog; en
+nergens, op de geheele lange reis was het er niet&#8212;het Chineesche winkelbedrijf. Niet &eacute;&eacute;ne was er van al de vele aanlegplaatsen,&#8212;Saonek,
+Manokwarie, Roon, de Wooibaai, Ansoes, Pom, Mokmer, Wakd&eacute;,&#8212;of langs het strand stond een wal van Chineesche toko&#8217;s, splinternieuw
+alle, sommige niet eens af nog; en Chineezen stonden te wachten op de ladingen gaba-gaba, planken, dakzink, atap in reepen,
+die langs het laadbord de vlet in gleden, en op de Chineesche timmerlui, uit Ambon en Menado meegekomen om, voor een dagloon
+van &#402;&nbsp;3, beginnend met den eersten dag van uitreis en eindigend met den laatsten van de terugreis, over een anderhalve maand
+te beginnen, van al dat materiaal weer Chineesche winkels te maken.
+
+</p>
+<p>De kust is, in wording, &eacute;&eacute;n Chineesche winkelstraat, honderd-en-vijftig geografische mijlen lang in de vogelvlucht gemeten,
+met voor zichtbare klanten een troep spiernaakte, een stuk gedroogde visch kauwende Papoea&#8217;s. De reiziger ziet er naar, verbaasd,
+tot hij, instee van de oogen, de herinnering te hulp neemt. Die begint aan een lange geschiedenis.
+<span class="pagenum">[<a id="pb460" href="#pb460">460</a>]</span></p>
+<p>Het is w&egrave;l bekend hoe het land van de Paradijsvogels niet dan half bij toeval, half bij dwang Nederlandsch koloniaal gebied
+is geworden&#8212;bij toeval een exploitatieland van de Oost Indische Compagnie, die er weinig voordeel van heeft gehaald, bij dwang
+der omstandigheden en annexatie, bij stukken en brokken, een bezit van den staat, die de desolate erfenis aanvaarden moest
+en later, tegen wil en dank meest, verdedigen tegen andere gegadigden.
+
+</p>
+<p>In den bloeitijd van de O. I. C. waren &#8220;de Papoesche Eilanden&#8221; nog onbekend land voor haar, al wist zij, dat de Molukkenvorsten
+daarvandaan groote rijkdommen haalden, en dat Portugeezen zich daar hadden gevestigd en Spanjaarden. Een gerucht dat er goud
+te vinden zou wezen, prikkelde den ondernemingslust.
+
+</p>
+<p>Er werd een schip gezonden naar de Zuidwestkust, om te zien wat er aan was van het op Ceram gehoorde omtrent den rijkdom dier
+streek, en een contract werd gemaakt met den Sultan van Batjan, die daar vage rechten had. Tien jaar later eerst kwamen de
+schepen der Compagnie op de Noordkust, geheel bij toeval, gedurende een tocht, ondernomen om een anderen weg naar Indi&euml; te
+vinden, dan die bij octrooi haar was toegestaan. De kust en eenige der dichtbij gelegen eilanden werden onderzocht, maar er
+leek weinig te halen, zooals op heel Nieuw-Guinea, waar van goud niets gevonden was, en de muskaatnoten&#8212;een in het wild groeiende
+soort&#8212;van veel minder hoedanigheid bleken, dan die op Banda geteeld werden, terwijl er voor den pluk geen handen te vinden
+waren, en het volk kwaadaardig slag was, verraderlijk en moordzuchtig. Ook bleek de kust gevaarlijk te bezeilen. De regeering
+verbood ten slotte den handel. En dat hij hervat werd, kwam door denzelfden dwang, die, onder geheel veranderde omstandigheden,
+<span class="pagenum">[<a id="pb461" href="#pb461">461</a>]</span>anderhalve eeuw later de formeele annexatie te weeg zoude brengen, alle aarzelende voorzichtigheid, en zuinigheid &oacute;ok, ten
+spijt: door den dreigenden binnenval van den vreemdeling. De Compagnie, die zich wilde verweren &#8220;met de wapenen die God ons
+gegeven heeft,&#8221; als bij een andere gelegenheid een van haar doortastende pioniers verlof vroeg te doen, kreeg ongelijk van
+de hooge regeering bij het gevankelijk opbrengen van den Engelschen ontdekkingsreiziger William Dampier naar Ambon. Z&oacute;o hardhandig
+ging het niet. De tijd van betoogen en onderhandelen begon, contracten werden vertoond, met Moluksche vorsten gesloten, met
+sultans van Batjan, Tidore, Ternate. Het was niet anders dan een schijngezag dat zij op Nieuw-Guinea uitoefenden, en hun eenige
+functie: het innen van schatting en het rooven van slaven. Maar een ander gezag was er zelfs ook niet in schijn, en ook de
+Engelschen wisten gedurende het interim niet beter te doen om eenigermate rust te krijgen in het land, dan de potentaten van
+Tidore en Ternate, met elkander erfelijk in een krijg, die ook in Nieuw-Guinea werd uitgevochten, te bewegen tot vredesluiting.
+Toen daarop Nieuw-Guinea m&egrave;t den Oost-Indischen archipel terug kwam aan Nederland, erkenden opeenvolgende regeeringen, soms
+zwijgend, soms uitdrukkelijk, het recht van den Sultan van Tidore, dat eindelijk zelfs uitgebreid werd, over gebied, trouwens,
+waar het Nederlandsche gezag zich nog nooit had doen gelden. Het leek veiliger de verantwoordelijkheid voor wat daar gebeurde
+over te laten aan anderen, nu men de middelen eenmaal niet bezat om het zelf te beletten: zeeroof, slavenhalen, moord en doodslag.
+
+</p>
+<p>Dat alles was het gevolg van Moluksche regeersystemen, maar Westersche handelsontwikkelingen <span class="pagenum">[<a id="pb462" href="#pb462">462</a>]</span>hadden het ergste nog verergerd met den invoer&#8212;ter sluiks&#8212;van jenever, opium en vuurwapenen; dit laatste om de Paradijsvogeljacht.
+
+</p>
+<p>Op zichzelf was deze geen nieuwigheid uit het Westen. Het is bekend, onder anderen uit Wallace&#8217;s boek, hoe op het laatst van
+de zestiende eeuw al Portugeezen, Hollanders en Engelschen dien handel gaande vonden in de Molukken. &#8220;Godenvogels&#8221; noemden
+de Maleiers om hun schoonheid de schitterende diertjes, wat de Portugeezen, met een verchristelijking van het denkbeeld vertaalden
+als &#8220;Paradijsvogels.&#8221; <span class="corr" id="xd0e2984" title="Bron: Dirck van Limschoten">Jan Huygen van Linschoten</span> zag er, op die reis waarvan hij zijn beroemd verhaal zou doen. Als het anno 1598 aan een schrijver paste, gaf hij den &#8220;Godenvogel&#8221;
+een latijnschen naam en verhaalde van de &#8220;Avis paradisea.&#8221; En het Hollandsche &#8220;paradijsvogel&#8221; ontstond, dat andere volkeren
+ieder in de eigen taal overnamen en waaraan de fantastische dierkunde van den tijd de voorstelling vastmaakte van een vogel
+zonder pooten, die nergens nestelde noch neerstreek, maar op uitgebreide pluimen dreef in den zonneschijn. Er waren immers
+ook nooit anders dan verminkte huidjes naar Europa gekomen. Trouwens, in de Molukken zelven werd niet anders gezien: de vogels
+waren handels-artikel, enkel om de pluimen. Dat de Papoea&#8217;s ze als schatting opbrachten aan den radja van Ternate ziet men
+onder anderen ook uit het Noefoorsche sprookje, tegenwoordig nog verteld, van hoe de Paradijsvogels in een prauw naar Ternate
+voeren, om schatting te brengen aan den Sultan. De handel in de huiden was dus een oorspronkelijk-inlandsche. Maar hij veranderde
+toch van karakter, hij werd wereldhandel, door de navraag uit het Westen in den nieuwen tijd. Wallace zag het begin van die
+verandering, en voorspelde erge gevolgen voor de vogels. De allerergste kwamen <span class="pagenum">[<a id="pb463" href="#pb463">463</a>]</span>voor de menschen. Concurrentie onder moord en doodslag, vuurwapenen onder de wilden, de jenever als ruilmiddel. Van de Merauke
+rivier in het Zuid-Westen af tot aan de Hollandiabaai in het Noord-Oosten werd de kust van Nieuw-Guinea een hel. Beccari en
+Mikloecho Maclay schreven op en lieten het aan de wereld lezen wat zij met eigen oogen gezien hadden. Er ging een schreeuw
+op over de &#8220;koloniale mogendheid&#8221; die zulke dingen duldde. Gevaar begon te dreigen van allen kant. Australische avonturiers,
+die op de Zuid-Westkust kwamen om wilde muskaatnoten&#8212;de prijs was een voorlaad-geweer van &#402;&nbsp;10 voor een mand met &#402;&nbsp;100 waarde
+aan noten&#8212;trachtten van Papoea-hoofden het land te koopen dat de koloniale regeering, voor complicaties beducht, hen geweigerd
+had. De Berlijnsche conferentie van 84, ter regeling van internationale koloniale belangen bijeengeroepen, gaf een definitie
+van koloniaal bezit die de Nederlandsche autoriteit over het gebied der Molukkenvorsten in Nieuw-Guinea tot een hachelijke
+quaestie maakte. Engeland beklaagde zich over invallen van Papoesche rooverbenden, Nederlandsche onderdanen in naam, in Britsch
+Nieuw-Guinea. Toen was het geen wil meer maar een moet. De schaduwen der Molukkenvorsten gleden weg van het land en ambtenaren
+van het Binnenlandsch Bestuur stapten aan wal. Als laatste herinnering misschien aan vroegere toestanden werd Zuid-West Nieuw-Guinea
+een afdeeling van het gewest Ambon, Noord Nieuw-Guinea een afdeeling van Ternate. De regeering zat in de Papoesche prauw:
+zij roeide met de riemen die er in lagen&#8212;schepriemen, voor Westerlingen-handen de deugdelijkste niet. De Paradijsvogel-handel
+was er een van. Er werd geprobeerd uit het onvermengde kwaad een vermengd goed te maken. Het licentiestelsel moest aan het
+land het allernoodigste geld <span class="pagenum">[<a id="pb464" href="#pb464">464</a>]</span>verschaffen om een begin van organisatie en beschaving te brengen. Om het allerergste gespuis te weren werd de bepaling gemaakt,
+dat niemand tot de aanvrage van een jacht-acte zou toegelaten worden dan wie op de kust als handelaar met een winkel gevestigd
+was.
+
+</p>
+<p>Een poging werd nog gedaan ten gunste van een Nederlandsche maatschappij, om de jacht tot monopolie te maken. De voorstanders
+voerden als reden aan, dat exploitatie door een Nederlandsch handelshuis het best zou beantwoorden aan de bedoeling der wet,
+namelijk van den handel een middel tot beschaving van den Papoea te maken. De tegenstanders wezen op het gevaarlijke van het
+monopolie-stelsel en de behoefte van Nieuw-Guinea aan de ontwikkeling, die concurrentie mede kan brengen. Een buitenlandsche
+firma verzette zich heftig tegen bevoorrechting van het Nederlandsche kapitaal. De zaak werd in de Tweede Kamer besproken
+en het voorstel verworpen. Allen, die wilden, begonnen den wedstrijd. De overweldigende meerderheid waren Chineezen, bouwers
+van winkels en winkeltjes in soorten, van de keurige toko&#8217;s in Manokwarie af, als een Europeanen-huis gebouwd en vol Europeeschen
+import, tot de gaba-gaba-doos met gegolfd zinken deksel toe, waarin op Pom of Wakd&eacute; de speculant in vogelhuiden neergehurkt
+zit, tusschen een zak rijst en een baal rood katoen. En zoo ontstond en staat&#8212;voor zoolang de Parijsche mode het zal beschikken&#8212;die
+Chineesche winkelwijk, die met de zee voor straat van 131&deg; tot 141&deg; Oosterlengte langs den evenaar loopt.
+
+</p>
+<p>De hoop is, dat daarlangs de beschaving binnen zal komen in Nieuw-Guinea.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb465" href="#pb465">465</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch42" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Fakfak</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-h.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-h.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">H</span>et eerste station op de reis naar Zuidwest Nieuw-Guinea is Kokas, een klein plaatsje aan de Zuidkust van de Maccluer Baai,
+spiksplinternieuw blinkend met twee groepen houten, met zink gedakte huisjes ter weerszij van een heuvel, die op de kruin
+het huis van den bestuursambtenaar draagt. Zuidwaarts kaap Fatagar om, en het Oosten in, gaat dan de vaart naar Fakfak.
+
+</p>
+<p>De vestiging ligt prachtig tegen de steilte aan van een rotsachtige baai, die door een eilandje van de zee is afgedamd. Het
+gesteente van de rots is lichtgrijs, wit bijna. Struikgewas en allerlei slingerplanten hangen er met hun rijk groen langs,
+het klaarblauwe water kaatst groen en wit licht overblauwd terug. Op een smal strookje fel-wit zand staat een buurt Chineesche
+winkels. De Papoea-hutjes zijn tegen de hoogte aangebouwd. Er loopt een steil pad langs, dat, boven, over de kruin van de
+rots weer naar beneden duikt. Daar ligt het eigenlijke dorp langs een ondiepen inham van de zee&#8212;hutjes op palen, die bij ebbe
+boven zwarte modder staan. Doode stammen, naakt en bleek, met allerlei wrak en nameloos aanspoelsel tusschen de starre takken,
+steken uit de zwartigheid op, waarin kinders rondwaden op den zoek naar <span class="pagenum">[<a id="pb467" href="#pb467">467</a>]</span>krabben en schelpgedierte. De mannen en vrouwen van het dorp dragen een dunnen schijn van kleeding. Fakfak is, in den korten
+tijd, sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag verstreken, een centrum geworden van inlandschen handel: paradijsvogelhuiden
+komen hierheen uit het oostelijke binnenland, massooi,&#8212;de sterk-geurende schors waaruit in Europa de basis gewonnen wordt
+voor allerlei reukwerk&#8212;damar uit de bosschen, en schelpen uit de strandzee langs Kaimana. Er wonen veel Moluksche handelaars
+rondom, die een missigit hebben op het eilandje voor de baai, Serang. Vandaar die schijn van kleedij.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p466.jpg" alt="Fakfak ligt tegen de steilte aan van een rotsachtige baai." width="485" height="632"><p class="figureHead">Fakfak ligt tegen de steilte aan van een rotsachtige baai.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De binnenlanders, die met hun vogelhuiden en massooi naar Fakfak komen, loopen naakt, ten hoogste enkelen met een lap katoen,
+van voren afhangende van het vezelsnoer rond hun middel. Den dag voor onze aankomst was er juist een bende van veertig binnengebracht:
+als gijzelaars voor stamgenooten, die op een raaktocht waren gegaan en een aantal koppen gesneld hadden. De omweg over onschuldigen
+heen is de kortste, de eenige dikwijls om een Papoeaschen schuldige te bereiken. Het volk zelf gaat dien weg bij voorkeur.
+&#8220;Als wij den boom willen vellen, die naast ons huis staat, dan hakken wij er een om, een eindweegs verder in de rij. De vallende
+velt den naaste, tot de laatste dengene velt dien wij eigenlijk meenen.&#8221; Nooit velt een Papoea den &#8220;eigenlijk gemeenden&#8221; man,
+die sterker is dan hijzelf. Neen! Hij kiest een derde, die te eenenmale vreemd is aan de vijandschap en haar oorzaak, doch
+sterk genoeg om die vijandschap uit te vechten, ware het zijn eigen zaak. Door de opzettelijke beleediging wordt de zaak nu
+tot de zijne gemaakt, en meteen hem uitgelegd, met wien hij ze uit moet vechten. Hij gaat heen en raakt den &#8220;eigenlijk gemeende.&#8221;
+Zoo komt de zaak in orde. <span class="pagenum">[<a id="pb469" href="#pb469">469</a>]</span>Het gebeurt wel dat de over-te-brengen beleediging hem zelven z&oacute;&oacute; treft, dat hij ze niet meer overbrengen k&agrave;n. Een man, die
+een moord te wreken heeft en den moordenaar niet aandurft, zal den derde dooden, en zijn stam van de bedoeling in kennis stellen.
+Dan gaat de sterkste van den stam er op uit, in de plaats van den verslagene, en doodt den oorspronkelijken moordenaar. De
+moord op den tusschenpersoon wordt niet als misdaad gerekend, noch als eenige reden van haat of vijandschap. Geheel met den
+Papoeaschen gedachtengang strookte dus die gevangenneming van veertig man, die aan den sneltocht niet medegedaan hadden. Nu
+zouden hun bloedverwanten natuurlijk zorgen de koppensnellers te vinden, en hen ter berechting te brengen naar Fakfak.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p468.jpg" alt="De binnenlanders loopen naakt; enkelen hebben een lap katoen van voren afhangen van het snoer rondom hun middel." width="523" height="395"><p class="figureHead">De binnenlanders loopen naakt; enkelen hebben een lap katoen van voren afhangen van het snoer rondom hun middel<span class="corr" id="xd0e3016" title="Niet in bron">.</span></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De laatste flarden van wildemans-romantiek, waarmede westersche onwetendheid den koppensneller omhangt, vallen van hem af,
+wanneer men hem in zijn eigen land ziet, en de wijze verneemt waarop hij te werk gaat. Er is geen zweem van wilden moed in,
+het is door-en-door arglistig, wreed en jammerlijk laf. Op de Noordkust is het vijandschap, die tot dien sluipmoord aanzet;
+hier op de Westkust zijn het met den godsdienst verband houdende voorstellingen. Aan een nieuwgeboren kind kan niet een willekeurige
+naam gegeven worden; het moet de naam zijn, door eenig mensch op dat oogenblik levende gedragen, en die naam kan hem niet
+anders afgenomen dan met zijn leven tegelijk. In den donker besluipt de bende snellers het dorp, waar zij den meesten buit
+en den minsten tegenweer denken te vinden, en verschuilen zich langs de wegen die naar het veld gaan of in het woud. Die met
+het aanlichten van den dag daarlangs komen, worden, van de hinderlaag uit, met pijlen en speren doorschoten, in den rug. Man,
+vrouw of kind, dat is eender. De moordenaar <span class="pagenum">[<a id="pb470" href="#pb470">470</a>]</span>vergt den gewonde zijn naam af, terwijl hij hem den hals van de schouders zaagt met een bamboelatje, dat, zoo dikwijls het
+afstompt, wordt gescherpt op den rand van een schelp. Het duurt lang. Een plotselinge ruk trekt, ten laatste, de wervelstreng
+doormidden. Het geheele binnenland is nog het rijk van den koppensneller. Geen ander afdoend middel is te vinden tegen den
+gruwel dan ijzeren dwang, dwang met de wapenen. Het verstand is er nog niet, waarop een beroep gedaan zou kunnen worden, het
+gevoel is er nog niet, dat gaande gemaakt zou moeten worden, om den eigen wil te bewegen tot het betere. Het slechte moet
+eerst onmogelijk gemaakt worden. Hoe? met een paar dozijn gewapende politie-manschappen voor een land zoo groot als half-Borneo!
+
+</p>
+<p>Voor wie gevangen werden was de straf vroeger dwangarbeid in ballingschap. Het bleek, in de praktijk, de doodstraf. De Papoea
+verdroeg, met zijn lichaam, de rijstvoeding van Celebes of Sumatra niet, met zijn gemoed niet het heimwee; hij stierf al na
+korten tijd. Nu is van de straf de ballingschap afgenomen: koppensnellers doen hun dwangarbeid, werkende aan de wegen, die
+door hun eigen land worden aangelegd: te Fakfak, te Merauke, te Manokwarie. En nu gebeurt het gelukkige. De onmogelijkheid,
+waarin ze zijn gekomen om den ouden moorddrang te volgen, het geregelde leven, de zekerheid van elken dag genoeg te zullen
+eten en drinken, elken nacht tegen dauw en kilte dek genoeg te zullen hebben, de veiligheid, ongekend tot nog toe door hen
+die nooit konden weten waar hun plotselinge vijand vandaan zou komen, noch zelfs wie hij was, de vaste arbeid eindelijk, te
+zamen met vele gelijken, doen het menschelijke ontkiemen in wat eerst maar een wezen van het woud en de wildernis was. Als
+de eerste schrik en wantrouwige haat geweken zijn, begint hij te beseffen <span class="pagenum">[<a id="pb472" href="#pb472">472</a>]</span>dat het toch beter z&oacute;&oacute; is, toch beter, zelfs onder dwang, met goedwilligen samen te wezen, zelf goedwillig, dan, in volle
+vrijheid, een vijand onder vijanden. Langzaam aan wordt ook de dwang minder hard te verdragen. Hij gaat wennen aan den arbeid.
+Als zijn tijd om is, hebben zich behoeften en gewoonten in hem gevormd, waaruit een nieuwe levenswijze kan ontstaan; hij is
+voor het betere vatbaar geworden. Het besef van die verandering drukt hij, op zijne wijze, uit, als hij verlof vraagt om het
+bruine dwang-arbeiders-pak te mogen behouden, dat hij, z&oacute;&oacute; gekleed, gekenteekend voor &#8220;goed-vriend van de Kompenie&#8221; in zijn
+bergdorp moge terugkeeren. Het verzoek wordt vaak gedaan.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p471.jpg" alt="In de oorlogsdracht die niet meer gedragen mag, Papoeas van Adaoet." width="516" height="367"><p class="figureHead">In de oorlogsdracht die niet meer gedragen mag, Papoeas van Adaoet.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het is een al oude manier van de Papoea&#8217;s in het binnenland, &#8220;beschaving&#8221; te gaan halen bij de stammen langs de kust, tot
+wie zij opzien als tot hun meerderen en beteren. Die menschen, die immers geleerd hadden van vreemdelingen uit rijkere landen,
+van Chineezen, Arabieren, Cerammers, Boegis, wisten en hadden van allerlei, waarvan de binnenlanders nog nooit vernomen hadden.
+Zij aten beter voedsel, zij gebruikten beter werktuigen, hun leven was gemakkelijker. Graag kwamen zij daarom naar de kust
+met hun troepen buitgemaakte slaven, hun massooi, hun paradijsvogelhuiden en hun damar. En zij trachtten zooveel mogelijk
+van hun eigen vrouwen te doen trouwen met mannen op de kust, en zooveel mogelijk vrouwen van de kust mee te krijgen naar hun
+eigen dorpen, om door verwantschap zoowel als door handelsverkeer de verbintenis nauwer te maken van hun wildernissen met
+de kust. De nieuwe manier, waarbij ouders in het binnenland bewogen worden, hun dochters voor een paar jaar naar Fakfak te
+laten gaan, als huisgenoot van een &#8220;goeroe&#8221;&#8212;een inlandschen schoolonderwijzer, Ambonees <span class="pagenum">[<a id="pb473" href="#pb473">473</a>]</span>of man uit de Minahassa meest&#8212;, of anders als pleegkind in het gezin van een met het gouvernement bevriend hoofd, komt hun
+daarom niet als iets vreemds voor, niet als een Westersche nieuwigheid, die men wantrouwen moet. De meisjes komen gaarne en
+blijven gaarne, en nemen, als ze teruggaan, onder andere de gewoonte van zich te wasschen mee.
+
+</p>
+<p>Zij van h&ugrave;n kant, de ontslagen dwangarbeiders van den h&ugrave;nnen, brengen zoo nieuwe mogelijkheden het binnenland in. Zij willen
+wel, de Papoea&#8217;s: all&eacute;&eacute;n: zij moeten eerst geholpen worden om te willen.
+
+</p>
+<p>Dat voor zulk helpen toch zooveel geld noodig is!
+
+</p>
+<p>En dat de helpers zoo weinig maar hebben!
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb474" href="#pb474">474</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch43" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Merauke</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-m.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-m.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">M</span>annen kwamen aan boord, naakt van hoofd tot voeten, met gezichten zwart en fel-rood geverfd, door hun neusvleugels scherpe
+lange slagtanden gestoken, en aan den arm bossen stinkende stukken huid van een wild zwijn. Zij liepen met een lichten, sterken
+gang, hun voeten veerden als zij den grond aanraakten. Een trotsch jong dier loopt zoo, lichtweg den boschgrond slaande met
+zijn hoeven. Zij waren als dieren schoon, het was de blik van een dier die uit de zwarte oogen kwam, half-wild, half-schuw.
+Zij droegen wapens: een hoogen boog, pijlen, een speer; zij hadden sieraden aan: een ring uit de wrong van een schelp geslepen
+om den pols, snoeren van schelpen en hondetanden om den hals; en van hun haar, dat, met roode klei doorkneed, als een breede
+krans hun om het voorhoofd stond, waren achter aan den schedel lange vlechten gestrengeld, bont van ingevoegde stengels en
+bladerreepen. Zelfs de wapens en het sieraad namen dat dierlijke niet weg; aan hen leek het een natuurlijk-gegroeid verweer
+als klauwen, scheurende tanden, horens, een natuurlijk gegroeid siersel als manen en prachtige kleuren van vacht. Die menschelijke
+dieren waren Kaja Kaja&#8217;s, Papoea&#8217;s, inheemsch in de van giftige moerassen walmende streek die wel &#8220;Duivelsland&#8221; <span class="pagenum">[<a id="pb475" href="#pb475">475</a>]</span>is genoemd: &#8220;<span lang="en">the Devil&#8217;s own country</span>.&#8221; Hun eigenlijke naam is Marinda. Maar den eersten keer, dat zij, niet als vijanden op een stoomboot afgeroeid kwamen, schreeuwden
+zij uit de verte dat woord Kaya Kaya, dat &#8220;goede vrienden&#8221; beduidt: het is hun sedert onder Westerlingen voor naam gebleven.
+
+</p>
+<p>Zij; en de Toegeri, de &#8220;messendragers,&#8221; om wier invallen op Engelsch gebied te keeren Merauke gebouwd werd twaalf jaar geleden;
+de moordzuchtige woestelingen langs de Digoel; noordelijk de kust op, zij die langs de Golf van Maccluer wonen, menschenjagers
+van oudsher, en nog zoo lang geleden niet menscheneters, kinder-roovers, slavenhaalders, koppensnellers; als dieren woest
+en als dieren vervolgers en vervolgden tegelijk, hebben zij sedert eeuwen in dit verschrikkelijke land geleefd.
+
+</p>
+<p>De sterke stammen op de bergen joegen de zwakkeren: de zwakkeren vluchtten, telkens opgejaagd, telkens weer verder. Zij kwamen
+aan de kust, tusschen de moerassen. Daar besprongen de vreemdelingen hen, de Ceramsche en Boegineesche zeeroovers. Zij kropen
+weg in de bosschen, langs de monding van de groote rivieren, zij kregen de vergiftige moeraskoortsen, zij hongerden bij het
+bittere armzalige voedsel, hun bloed verarmde, hun huid werd ziek, hun gedachte was niet anders meer dan hoe zich te verbergen,
+hoe zich te verweren, zij werden bang en boosaardig. Nog vinden de exploratie-detachementen die de groote rivieren opgaan,
+in hun nestelplaatsen troepen van zulke wezens zitten, die bouwen in het geboomte. Anderen waren gelukkiger, zij sloegen de
+vijanden af, of werden bondgenooten met hen. Zij hielpen hen slavenhalen, zij gingen het bosch in en schoten Paradijsvogels,
+die zij den vreemdelingen verkochten. Er kwamen er vele, al meer van al verder gelegen landen, na de Cerammers en de Boegies
+en de <span class="pagenum">[<a id="pb476" href="#pb476">476</a>]</span>mannen van Ternate en Tidore, kwamen Chineezen en Arabieren. En toen kwamen er van landen n&ograve;g verder af, toen kwamen de blanken.
+Ook zij wilden slaven in de allereerste plaats, ook zij Paradijsvogels, reukhout, hars, schelpen, parels. Maar zij brachten
+iets wat nog nooit door iemand vroeger gebracht was in ruil; jenever en vuurwapenen. Toen werd het nog veel erger onder de
+Papoea&#8217;s dan het al was. Het allerergste werd nog erger. Die eerste blanken voor wier nagelbosschen op Banda de slaven gehaald
+werden inplaats van het volk dat zij uitgemoord hadden op het eiland, hadden hen om hun gezicht en gedaante monsters genoemd,
+morsige varkens, een beestachtige natie; nu werden zij het naar het gemoed. De Kaja-Kaja&#8217;s zijn hun afstammelingen, geworden
+wat zij worden moesten.
+
+</p>
+<p>Er ligt een Kaja-Kaja gehucht in de buurt van Merauke, een klein uur gaans verder langs het strand. De weg er heen gaat door
+een klapper-aanplanting, waarvan de &#8220;copra-ruilers,&#8221; hier op de Zuidkust wat op de Noordkust de &#8220;jagers&#8221; zijn, den oogst komen
+ophalen. Een regelmatig rooster van rechte slooten over het geheele terrein heen getrokken, z&oacute;&oacute; dat de stortvloeden van den
+natten moesson een snelle afwatering vinden naar de zee, ligt daar als een bewijs van wat het volk van het gehucht met zijn
+weinig ontwikkeld verstand bedenken en met zijn gebrekkige werktuigen&#8212;als een aangepunte stok, in ste&ecirc; van een spade gebruikt,
+een werktuig heeten mag&#8212;uitvoeren kan.
+
+</p>
+<p>Het gehucht ligt open en bloot tusschen den boschrand en het strand van de zee, zonder eenige afsluiting, haag, hek noch heining.
+Het is niet anders dan een paar dozijn hutten, zoo armzalig, scheef geduwd door den zeewind, verzakt in het zand, vervallend,
+aan flarden, dat het een hoop bladers en takken lijkt <span class="pagenum">[<a id="pb477" href="#pb477">477</a>]</span>door den storm bijeengewerveld uit het knakkende bosch, eer dan menschelijk bouwsel. Er is een zekere orde in te zien, toch.
+Een staketsel scheidt het in twee&euml;n. De helft naar het strand toe is het vrouwen-verblijf; de helft naar het bosch toe het
+kamp van de mannen.
+
+</p>
+<p>In het midden daarvan staat het feesthuis, een vierkant van palen met een dak er op. De palen zijn hier en daar versierd met
+grof rood en zwart schilderwerk, het dak met een afhangende franje van verdord klapperblad. Het eigenlijke sieraad echter
+ontbreekt: menschenhoofden. De rijen schedels die hier vroeger hingen, liggen nu te Merauke en de vervanging door versche
+is, sedert een paar jaar, ondoenlijk gebleken. De mannen van het dorp houden hier den gezamenlijken maaltijd als zij met een
+buit van kangaroe of wild zwijn zijn teruggekomen uit het woud; hier ook hun drinkgelagen. Niet van jenever: de invoer van
+alcohol is, als die van geweren en kruit, verboden, en hier in de nabijheid van Merauke waarschijnlijk ook zoo goed als onmogelijk.
+Maar op vele plaatsen, in den Maleischen archipel zoowel als op Nieuw-Guinea, groeien in het wild planten wier sap bedwelmt.
+Hier is het de &#8220;wati,&#8221; een kruidachtig struikje waar alle bosschen vol van zijn; het groeit tot aan de hutten van het gehucht
+toe. Uit de bitter-geurige bladeren en stengels komt een sap dat eerst vroolijk, dan half-dol, dan bewusteloos maakt. Het
+wordt er uit geperst door kauwen, wat, met het opvangen van het sap, het werk van de vrouwen is. Den avond voor onze komst
+was er, waarschijnlijk, een feest in de loods geweest. Wij vonden er een man op den grond liggen, bewusteloos-dronken. Anders
+was er niemand. De overigen waren naar de boot&#8212;&#8220;een schip-vol rijst is aangekomen!&#8221;, was in de vroegte al geroepen; of naar
+het hospitaal van de missionarissen van het Heilig Hart, met de een of andere wond, bij ontnuchtering <span class="pagenum">[<a id="pb478" href="#pb478">478</a>]</span>gewaar geworden; of mogelijk naar de tuinen, waarin de broeders trachten hen ketellah obi en allerlei groenten te doen verbouwen;
+of&#8212;meer waarschijnlijk&#8212;op de jacht. In het vrouwendorp was eenige beweging. De meesten ook van hen waren weg, zij werkten
+in de tuinen of zij vischten op de zee. Maar er waren er toch een paar achtergebleven met eenige jongens en meisjes van een
+jaar of tien, en &eacute;&eacute;n kleintje, van misschien drie&#8212;het eenige <span class="letterspaced">kind</span> in het geheele gehucht, als wij van onzen gids hoorden. Het vrouwendorp zag er nog ellendiger uit&#8212;als het kan&#8212;dan het mannendorp.
+Een lange loods met &eacute;&eacute;n wand, die naar de zee was gekeerd, en een rij ten ruwste van de takken ontdane stammen, met de schors
+er nog aan, als pijlers om aan den anderen kant het schuins afhangende bladerdak te stutten, was de gezamenlijke woning van
+een aantal vrouwen-en-kindergezinnen. Op de breede bank, bed en tafel tegelijk, langs de geheele lengte van de loods loopend,
+waren de plaatsen afgedeeld door hoopjes van elks bezittingen&#8212;een mat, bamboe-schalmen om water in te dragen, een van bladreepen
+gevlochten zak, een vezelen net, een paar klappernoten. De etens-voorraad van het dorp hing aan de palen&#8212;klompen steenhard
+sagomeel in bladers gepakt, rissen gedroogde visch, een stuk vleesch, dat in den rook zwart was geworden. In een hoek lag
+een zieke&#8212;verlamd, als we hoorden, sedert jaren. Her en der liepen, knorrend, zwarte varkens, die wroetten in allerlei afval
+van klapperschalen, vischgraten en leege schelpen. Aan den ingang van een afzonderlijk krot zat een vrouw met een biggetje
+op den schoot, dat zij koesterde of het een kind was. De vrouwen waren, als de mannen, geheel naakt. Als sieraad hadden ook
+zij een tatouage van litteekens. Die worden, als de huwbare leeftijd intreedt, met scherpe schelpen aangebracht, <span class="pagenum">[<a id="pb479" href="#pb479">479</a>]</span>en verduidelijkt door inwrijving van de wonden met asch, wat het spoedige sluiten belet en breede litteekens doet ontstaan.
+Zooals die versiering met litteekens het onderscheid was tusschen kind en meisje, zoo was een ellendig-vervallen voorkomen
+het onderscheid tusschen meisje en vrouw. Waren zij jong, waren zij oud, die getrouwde vrouwen, moeder een enkele, de anderen
+alle kinderloos? Het was niet te zeggen. Allen waren zij mager, holoogd, suf, vuil. Allen ook hadden zij litteekens, &agrave;ndere
+nog en wreedere dan die voor sieraad ingekorvene. Van vrouwelijke gedaante was niets meer over dan wat sterker was gebleken
+dan afbeuling, mishandelingen en afzichtelijke ziekten. Aan verscheidene onder hen was in het hospitaal van de missie het
+haast verloren leven teruggegeven. Waartoe eigenlijk? Voor de vermeerdering van welk nut, welke vreugde, welke liefelijkheid
+ter wereld? Als ooit omtrent barmhartige hulp zulk een vraag gedaan mocht, dan mocht het hier. En als ooit, ook door wie een
+afkeer heeft van dwang, naar dwang verlangd mag worden, om den wille van het eigen best van den gedwongene, dan mag dat hier
+in Merauke.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb480" href="#pb480">480</a>]</span></p>
+</div>
+<div id="ch44" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Langs de Geelvink-Baai</h2>
+<p style="&#xA; background: url(images/initial-t.gif) no-repeat top left;&#xA; "><span style="&#xA; float: left;&#xA; width: 115px;&#xA; height: 110px;&#xA; background: url(images/initial-t.gif) no-repeat;&#xA; &#xA; text-align: right;&#xA; color: white;&#xA; ">T</span>usschen de woestelingen van de Hollandia Baai en het zieke volk van Merauke staan de Geelvinkbaaiers als een ander slag menschen.
+Bij de oppervlakkigste beschouwing valt het op. Of zij minder geleden hebben van slavenjagers in een oud, of van handelaars
+in vogelhuiden en copra-ruilers in een jonger verleden; of zij oorspronkelijk van beter ras zijn of met beter zich hebben
+vermengd; of zij meer voordeel hebben gehad van Westerschen invloed&#8212;welke de oorzaken ook mogen wezen, de toestand is z&oacute;&oacute;,
+dat zij in alle opzichten het beste er aan toe zijn van al de kustbewonende Papoea&#8217;s in het Nederlandsch gebied. Sommige onderzoekers
+houden het er voor, dat zij vroeger op een veel hoogeren trap van beschaving gestaan hebben. Materieele overblijfselen van
+die beschaving zijn wel is waar tot nog toe niet gevonden: maar zij gelooven er geestelijke te kunnen aantoonen in hun taal
+en hun godsdienst.<a class="noteref" id="xd0e3089src" href="#xd0e3089">1</a> De taal, het Noefoorsch, dat van de Oostkust van Halmaheira <span class="pagenum">[<a id="pb481" href="#pb481">481</a>]</span>tot het eiland Japen in de Geelvink-Baai wordt gesproken, kent woordvorming door een soort reduplicatie; de godsdienst heeft
+nog een verdwijnend spoor van monothe&iuml;sme; een gebed tot een oppersten God wordt nog hier en daar uitgesproken.&#8212;Overigens
+zijn de Geelvinkbaaiers zoo goed als Marindineezen en &#8220;Naakte Papoea&#8217;s&#8221; echte wilden, die van letter- en cijferschrift noch
+munt weten, geen eigenlijke werktuigen kennen en maar bitter weinig van landbouw, en leven van jacht en visscherij; terwijl
+zij, even goed als die anderen, koppensnellers zijn. Het onderscheid zit meer in een toch zachtere zede, een frisscher lichaamsgesteldheid
+en een vroolijker karakter.
+
+</p>
+<p>Het voorvaderlijke bedrijf, waar ook de Noefoor nog met hart en ziel aan is gehecht, is de jacht; zijn visscherij is eigenlijk
+&oacute;&oacute;k jacht. Zooals hij met een speer naar een kangoeroe of naar een wild zwijn werpt, zoo werpt hij ook met een speer naar
+schildpadden of naar visschen. Geen van allen zijn het gevaarlijke dieren, waarop hij jaagt; er zijn er geen in Nieuw-Guinea
+met uitzondering alleen van het wilde zwijn, dat hij ook dikwijls probeert te dooden met een springlans: een scherp gepunte
+stok, door een strik z&oacute;&oacute; gebogen, dat als het dier in den strik geraakt, de lans, uitschietend, hem in het lichaam treft.
+Het komt misschien door die afwezigheid van gevaar en van de noodzaak bijgevolg, om vastberadenheid en moed te ontwikkelen,
+dat de Papoea nogal laf is. Zijn vechten gaat meest met den mond. En de koppensneller valt van achteren aan.
+
+</p>
+<p>Aan landbouw is hij moeilijk te krijgen, niettegenstaande alle pogingen van de zending op Zuid- en Noordkust en van het binnenlandsch
+bestuur. Hij doet, als het niet anders kan, het allergrofste werk in de tuinen: het kappen van een boom, het uithalen <span class="pagenum">[<a id="pb482" href="#pb482">482</a>]</span>van wortels of steenbrokken; voor het overige laat hij zijn vrouw zorgen als, nog niet zoo lang geleden, zijn slaaf.
+
+</p>
+<p>Tot voor korten tijd hield de geheele kust slaven. Dikwijls waren dat gevangenen uit de oorlogjes, die ieder dorp altijd door
+tegen zijn buur-dorpen voerde; dikwijls ook waren zij als kinderen van hun bloedverwanten voor slaaf gekocht; met weezen was
+zulk een verkoop en aankoop iets algemeens. Bij den dood van den vader ontlastte de familie zich op die wijze van de kinderen,
+voor wie zij anders had moeten zorgen.
+
+</p>
+<p>Op de hoofdplaats zelf van het district, den zetel van het bestuur, is zoo iets pas gebeurd, wat eerst na lang onderzoek aan
+het licht kwam. Een Papoea was &#8217;s nachts op koeskoes<a class="noteref" id="xd0e3104src" href="#xd0e3104">2</a> gaan jagen. In het donker zijn speer werpend naar de plek waar hij iets hoorde ritselen, trof hij doodelijk een kind. De
+familie was een machtige, die een jaar of wat geleden zeker leven voor leven genomen zou hebben. Zij voegde zich nu naar de
+nieuwe wet en verklaarde genoegen te willen nemen met een geldboete. Er werd niets meer van de zaak gehoord en zij scheen
+geschikt, toen het uitkwam, dat de boete die inderdaad was betaald, niet geld was, maar een kind, dat aan de familie van het
+vermoorde was gegeven voor slaaf. Het bleek uit een bergdorp gehaald en het kind van een weduwe. Om den last van de opvoeding
+niet te dragen (men hoort hier v&eacute;&eacute;l van dien last, maar ziet er niets en begrijpt er nog minder van), hadden de bloedverwanten
+van den overleden vader het jongetje toen maar voor slaaf verkocht, terwijl zij de moeder opnieuw uithuwelijkten. Het bevel
+om het kind terug te geven aan de moeder en in zijn plaats geld aan te nemen, <span class="pagenum">[<a id="pb483" href="#pb483">483</a>]</span>verwekte een hevige ontevredenheid en bedreiging met opstand. Ten slotte echter schikte de beleedigde familie zich, en het
+kind kwam bij de moeder terug.
+
+</p>
+<p>Overigens, de slavernij was van oudsher al geen harde hier. De slaven werden als leden van het gezin beschouwd, in den dagelijkschen
+omgang. Daarvandaan dat de taak van hun bevrijding een zoo te eenenmale ondankbare was. In de Noefoorsche sprookjes, door
+Van Hasselt verzameld en vertaald, heeft men een aardig spiegelbeeld van het leven, dat heeren en slaven te zamen leidden.
+Altijd, als een kleine jongen gaat visschen in zijn prauw, is zijn slaafje bij hem, als zijn vrindje en kameraad. Ernstige
+vragen bespreekt een meester met zijn ouden slaaf en neemt zijn raad wel aan ook. Een vrouw zit bekommerd over het lange wegblijven
+van haar man, die op een verre reis is; haar slavin komt binnenloopen. &#8220;Wees niet langer bedroefd, hij is terug, onze heer!
+Ik heb zijn prauw gezien in de verte!&#8221; Aan alle feesten van het gezin hebben de slaven deel. En met zijn meester gaat de slaaf
+op jacht, als een paar vroolijke makkers.
+
+</p>
+<p>Het is aan het dorp van den Noefoor goed te zien, dat hij een jager is, een zwerver, een eenzelvig mensch die geen n&ograve;g zoo
+geringen dwang of regel kan velen: er is geen muur of greppel of haag of wat voor soort omheining dan ook om zulk een gehucht.
+De hutten staan her en der, zoo en w&aacute;ar als de bouwer heeft goed gevonden ze te zetten. Niet anders is het met zijn bestuur.
+Eigenlijk is er geen, behalve daar waar invloeden van buiten af hebben ingewerkt. All&eacute;en aan zijn familiehoofd bewijst hij
+een zekere mate van eerbied en volgzaamheid. Hij houdt zich ook bij dat hoofd wanneer hij in het dorp van een ander geslacht
+gaat wonen. De familie-organisatie, de oudste, is de alle&eacute;n sterke, die door latere, zwakkere, (uitheemsch <span class="pagenum">[<a id="pb484" href="#pb484">484</a>]</span>van oorsprong), heenbreekt. Het volk is nog niet gekomen tot een meer omvattend verband; het heeft de soort arbeid die daartoe
+opvoedt, nog niet verricht. Aan zijn familie-hoofd brengt de Noefoor ook nu en dan schatting: niet dikwijls en niet veel;
+maar toch: schatting. Aan het &#8220;vreemde&#8221; dorpshoofd niet. Toen de nieuw-ingevoerde belastingen ge&iuml;nd zouden worden door de
+dorpshoofden, die het bestuur bij de organisatie van Noord-Nieuw-Guinea had aangesteld, bleek d&agrave;t de moeielijkheid. &#8220;Wij willen
+ons zweet niet aan vreemden geven!&#8221; Wie ooit een Papoea in zijn doen en laten,&#8212;in zijn l&aacute;ten vooral,&#8212;heeft waargenomen, zal
+dat Papoeasche &#8220;ons zweet&#8221; verhollandschen met &#8220;het zweet van onze vrouwen.&#8221; Maar de bedoeling is duidelijk genoeg: zij willen
+dat het zweet in de familie blijft.
+
+</p>
+<p>De familie zoo hoog waardeerend, is de Papoea natuurlijk ook zeer trotsch op geboorte en bloedverwantschap. Zijn hoogste roem
+is te behooren tot een geslacht van vrijen, die van ouder tot ouder vrijen geweest zijn en met slaven noch hun afstammelingen
+zich vermengd hebben. Fier zal een &#8220;edelman&#8221; zeggen: &#8220;Ik heb geen droppel lood in mijn bloed, het is alles puur zilver en
+goud!&#8221; Een familiehoofd wordt enkel uit zulk een geslacht gekozen. Een oudste zoon&#8212;daaraan verandert de meest vriendschappelijke
+verhouding niets&#8212;mag nooit met een slavin trouwen.
+
+</p>
+<p>In dorpsvergaderingen zal een man, die &#8220;lood in zijn bloed heeft,&#8221; bescheiden moeten zijn. Bij een op den voorgrond plaatsen
+van zijn opinie krijgt hij allicht te hooren, dat meepraten aan een afstammeling van slaven niet betaamt. E&eacute;n uitzondering
+alleen is op dien regel: wanneer een kinderloos paar een slavenkind aanneemt voor eigen. Dat gebeurt met een curieuze ceremonie,
+die zweemt naar het ritueel van den Christelijken doop: uit een schaal, <span class="pagenum">[<a id="pb485" href="#pb485">485</a>]</span>waarin een of ander gouden voorwerp ligt, wordt &#8220;goudwater&#8221; over het slavenkind gesprenkeld, terwijl het een nieuwen naam
+krijgt. Zoo wordt de smet van zijn lage afkomst van hem afgewasschen en hij opgenomen in de nieuwe familie-gemeenschap. Niemand
+durft hem later slaafsche geboorte verwijten: hij is de erfgenaam van den &#8220;adel&#8221; zijner pleegouders.<a class="noteref" id="xd0e3121src" href="#xd0e3121">3</a>
+
+</p>
+<p>Er is, officieel, geen slavernij meer tegenwoordig; maar met de instelling kunnen niet tegelijk de gevoelens, die uit haar
+zijn opgegroeid, afgeschaft worden. De vrije Papoea, die de zoon van vrijen is, minacht den vrijen Papoea, die de zoon is
+van onvrijen. Dat is op een verbijsterende wijze aan den dag gekomen bij de invoering van het onderwijs. Op de scholen gingen
+de pleegkinderen van de zending, weesjes, geroofde kinderen, slaven-kinderen ook. En dat maakte, dat de hoofden de hunne er
+van weghielden in het begin. &#8220;Waar het kind van een slaaf onderwezen wordt, daar kunnen &ograve;nze kinderen niet onderwezen worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Klassegevoel als een belemmering voor de beschaving onder wilden, dat is iets waar men, als Europeaan, niet vanzelf op verdacht
+zou zijn.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Bij het zwervende leven dat van oudsher de Papoea geleid heeft, komt de verzorging van het gezin geheel en al, de kostwinning
+bijna geheel en al neder op de thuis blijvende, op de vrouw. Zij is het die den last draagt waarover hij zoo kan klagen. Zij
+werkt in de tuinen, ze plant de groenten en de ma&iuml;s, ze draagt op haar rug de zware vracht van den oogst naar huis; langs
+het strand en op de koraalriffen zoekt zij schelpdieren en krabben, &#8217;s avonds kan men haar tegenkomen <span class="pagenum">[<a id="pb486" href="#pb486">486</a>]</span>met een walmig bamboe-toortsje, bukkend langs den rand van het strandbosch om de slakken te zoeken waarmee als aas gehengeld
+wordt. Te Fakfak gaat zij met de prauw de zee in, en schiet met pijl en boog op de visch. De verkenningstroepen, die het binnenland
+achter de Humboldtsbaai in gingen, zagen in het Sentani-meer vrouwen naar visch duiken, als watervogels drijvend met de armen
+over een bamboe, dien ze loslieten als zij in de diepte een visch zagen. Is er damar te halen in de streek, fossiele, die
+opgegraven wordt uit den alouden woudgrond, of levende die van de stammen kan geschraapt, dan zijn het de vrouwen die hem
+gaan halen, in prauwen die zij zelven roeien. Natuurlijk zorgen zij voor het eten, en voor het vuur waarop het gekookt wordt,
+en voor de brandstof voor dat vuur. In Fakfak zorgen zij zelfs voor den bouw van het huis: dak-dekken is daar vrouwenwerk.
+Als vanzelf spreekt is ook de verzorging van de kinderen haar taak; zooals de Papoea het uitdrukt: &#8220;Zij zijn er om voor <span class="letterspaced">onze</span> kinderen te zorgen.&#8221; En waar kleeren van boombast gedragen worden zijn zij het die den bast moeten weeken en dun kloppen.
+(Weven echter doen zij niet. Zij hebben den stap nog niet gedaan die van knoopen tot weven leidt: de uitvinding van het werktuig,
+om den arbeid te verrichten, voor de menschelijke hand te fijn. De geweven kleeren die de Papoea&#8217;s beginnen te dragen, zijn
+import, meest Europeesche, door de vogelhuiden-opkoopers het land ingebracht.)
+
+</p>
+<p>Voor den Papoea is het dus zaak te trouwen, dat er behoorlijk voor hem gezorgd en gewerkt wordt wanneer hij er op uitgaat,
+de kangoeroe&#8217;s en de wilde varkens achterna, of de Paradijsvogels of de visschen. En omdat vrouwen schaarsch zijn&#8212;alle berichten
+stemmen overeen op dit punt van de groote minderheid in getallen van de vrouwen onder de Papoea&#8217;s&#8212;<span class="pagenum">[<a id="pb487" href="#pb487">487</a>]</span>moet hij, of zijn familie, bij de pinken zijn om er bijtijds een te krijgen.
+
+</p>
+<p>Allerwonderlijkst komen hier de verwarde dooreengroeisels te zien van ouder en nieuwer in het volksbestaan van den Papoea;
+overblijfsels uit den tijd dat hij nog in een stamverband geleefd moet hebben, en de jongelingen van den eenen stam hun vrouw
+gingen rooven uit den anderen, zitten dooreengestrengeld en verknoopt met manieren en berekeningen, zooals hij er geleerd
+kan hebben van de huidenhandelaars uit den ouden tijd, uitgeslapen Ternataansch en Ceramsch volk. De voorvaderlijke wijs van
+huwelijksluiting is de schaking; en zij geldt n&ograve;g. Maar de algemeen-gebruikelijke is een schikking tusschen twee families,
+die w&egrave;l beschouwd niet anders is dan een koop en verkoop van de wederzijdsche kinderen, waarbij de voorwaarden van betaling
+en levering allernauwkeurigst zijn bepaald. Daar vrouwen een artikel zijn, meer gevraagd dan aangeboden, zorgt de bruigoms-familie
+vroeg er bij te zijn. Kinderverlovingen komen v&eacute;el voor. &#8220;We leggen de prauw maar vast voor anker, anders mocht ze eens wegdrijven,&#8221;
+zegt de voorzienige bruigoms-familie dan. Van het oogenblik af dat de twee gezinnen het &eacute;ens zijn geworden, wat niet gebeurt
+dan na een schijnvertooning van onwil door de familie der &#8220;bruid,&#8221; beginnen zij over en weer met het bijeenbrengen van den
+bruidschat, die voor een gedeelte later aan het jonge paar komt om er hun huishouden mee op te zetten en voor de rest een
+wederzijdsch geschenk van de twee families aan elkander is. De giften gaan van de eene familie naar de andere gelijk op, en
+er wordt met de grootste zorg door elk der twee gewaakt dat niets meer gegeven worde dan terugontvangen. Het boekhouden gaat
+bij middel van stokjes, die in bundeltjes bijeen worden gebonden. D&igrave;t beteekent: een visch gegeven; d&agrave;t: <span class="pagenum">[<a id="pb488" href="#pb488">488</a>]</span>een bos pisang; dit andere weer: geholpen met sagokloppen, of meegeroeid in de boot; want ook diensten en handreikingen worden
+beschouwd als betaling, toegebracht aan den bruidschat. Vandaar groote moeilijkheden, als de zaak ten slotte toch niet doorgaat,
+omdat een der twee, volwassen, plotseling een eigen wil toont en een ander kiest, als in den laatsten tijd nog al eens, en
+zelfs hoe langer hoe meer, voorkomt. In dat geval moet de gecompliceerde rekening uiteengehaald met vergelijking van stokjes
+en bundeltjes, en een &#8220;schande-prijs&#8221; betaald worden&#8212;want ook de aangedane beleediging kan in materieele waarde worden omgezet&#8212;aan
+de teleurgestelde familie.
+
+</p>
+<p>Dit is alles zoo zakelijk mogelijk. Maar door de handelsgewoonte heen komt plotseling de oude zede weer te voorschijn in het
+verbod aan verloofden, hoe jong ook, om elkander te ontmoeten; in het gebod aan den jongen, om zich voor alle leden van zijn
+meisjes familie te verschuilen, w&aacute;&aacute;r hij er ook een tegenkomt; en in de wijze waarop het trouwen van het aan-elkander-gekochte
+paar wordt gevierd, met de dramatische vertooning van een roof en daarvoor genomen weerwraak. Als had de bruidegom hun bloedverwante
+geroofd, gaan de jonge mannen uit de familie van het meisje in een dreigende bende naar zijn huis&#8212;of wat op dien dag daarvoor
+geldt&#8212;en breken het uit weerwraak tot den grond toe af, door met stokken ernaar te gooien, dat geen spaander aan den anderen
+blijft. De bruigom verschijnt op den splinterhoop en biedt, als boete, aan ieder der beleedigden een geschenk, dat tegenwoordig
+bestaat uit een mes&#8212;een gewoon Hollandsch keukenmes met rood houten heft is het gewilde soort. Die uitgave moet de bruigomsfamilie
+zich getroosten, en zij loopt dikwijls hoog genoeg op. Het gebeurt wel, dat een paar honderd <span class="pagenum">[<a id="pb489" href="#pb489">489</a>]</span>wrekers van maagdenroof een huis komen afbreken. Maar de kosten van wederopbouw heeft de familie althans niet. Het huis is
+ook maar een voorstelling, een theaterhuis, om het zoo uit te drukken, geheel waardeloos en van te voren voor de vernieling
+aangewezen. Het is dan, &ograve;f een geheel vervallen krot, &ograve;f een huis, verlaten omdat daarin iemand gestorven is (wanneer een
+huis verlaten m&oacute;et worden); &ograve;f, ook wel, een nieuw, dat niet betrokken mocht om dat er, in den eersten nacht toen de bouwer
+er voor proef ging slapen, gekraak in is vernomen, wat de aanwezigheid kenbaar maakt van een boozen geest. Van zulke waardelooze
+huizen zijn er altijd genoeg in elk dorp. Zoo wordt de schade, die de wildeman zou willen aanrichten, vernuftiglijk door den
+koopman ondervangen. En &#8217;t is eere gewaard en kosten gespaard bij het bruilofts-drama.
+
+</p>
+<p>De affaire wordt voortgezet: het jonge paar betrekt met het toegewezene deel van den familiebruidschat een kamertje in het
+huis van de bruidegoms-ouders. Van nu af is alle voordeel aan den kant van deze laatsten. Zij hebben een zoo goed als niet
+betaalde werkkracht in huis gekregen. Zij wordt behoorlijk uitgebuit. Zelfs het moederschap wordt beschouwd als een dienst
+aan den man en zijn familie. De moeder-zelve heeft geen rechten op haar kinderen: enkel plichten tegenover hen als tegenover
+het eigendom van haar man en zijn familie, wier eigendom zij zelve is. &#8220;Wij trouwen om kinderen te hebben, en de vrouwen zijn
+er om voor onze kinderen te zorgen.&#8221; Zoo neemt de Papoea de verhouding op. Als het ongeluk wil dat tijdens afwezigheid van
+den vader een kind ziek wordt en sterft, dan zal hij dat zeker met een mishandeling wreken aan de schuldige moeder die zijn
+eigendom heeft verwaarloosd.
+
+</p>
+<p>Dit belet hem niet het recht van den eigenaar uit <span class="pagenum">[<a id="pb490" href="#pb490">490</a>]</span>te oefenen, om zich van een bezit, dat hem bezwaarlijk valt, te ontdoen. Wanneer hij vindt, dat het huisgezin te talrijk wordt,
+zoodat hij wel eens voor de noodzaak kon komen te staan &#8220;hard te moeten werken om allen te voeden,&#8221; en wanneer &#8220;de last van
+het kinderen grootbrengen&#8221; hem dan te zwaar lijkt voor zijn zwakke krachten, mag hij een kind ter dood brengen. In de Hollandiabaai
+moet dit v&eacute;&eacute;l voorkomen. En er wordt zelfs gezegd, dat uit angst voor den toorn van den man, rampzalige moeders zelven hun
+pas-geborenen vermoorden. Langs de Geelvinkbaai, waar de toestanden in alles gunstiger zijn en de zeden ook zachter, hoort
+men niet dan zelden van kindermoord.
+
+</p>
+<p>Bij de nieuwe huwelijkswetgeving voor Christenen afgekondigd, worden de vrije keuze van jongen man en jong meisje tegenover
+familie-dwang, en de rechten van de moeder op haar kind gevrijwaard. Om dit laatste is zij door de mannen met grooten onwil
+vernomen. Maar al mokkende en dreigende schikken zij zich toch, zooals zij mokkend en dreigend zich geschikt hebben in het
+verbod van slaven halen en het verbod van koppensnellen. En misschien hebben de verstandigsten het al ingezien, dat ook deze
+nieuwe beperking van hun &#8220;rechten&#8221; ten slotte een bevordering van hun welzijn is.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In den strijd dien koopman en wildeman, voeren om het hart van den Papoea, is de koopman aan de winnende hand; hoez&eacute;&eacute;r, dat
+komt te zien in de Papoeasche opvattingen omtrent recht en rechtvaardigheid. De wildeman laat zijn schorren schreeuw nog hooren:
+wond voor wond, bloed voor bloed, leven voor leven! Maar de koopman dringt al verder <span class="pagenum">[<a id="pb491" href="#pb491">491</a>]</span>door met zijn nuchtere beschouwing, dat ten slotte toch niemand veel heeft aan bloed en dat eigen bate beter is dan vijands
+sch&acirc;, en een ronde boete w&egrave;l zoo veel goed maakt als een afgezaagd hoofd. Hij heeft het gedaan gekregen dat het denkbeeld:
+geleden onrecht om te zetten in voordeel, werd toegepast op een heele reeks vergrijpen, van de ernstigste tot de lichtste.
+Voor het verbreken van trouw, hetzij voor het huwelijk of er na: boete. Voor een wond in drift geslagen: boete. Voor een leeggeroofd
+veld: boete. Voor een onbeleefdheid: boete. Van &#8220;vergeten en vergeven&#8221; geen quaestie; er wordt niets doorgehaald in de rekeningcourant
+die iedereen met iedereen anders heeft, de vriend met den vriend zelfs, de broeder met den broeder, de man met de vrouw. Maar
+van &#8220;nadragen&#8221; ook geen quaestie: er wordt niets dubbel opgeschreven. Aan den eenen kant van het kasboek de beleediging; aan
+den anderen de boete; en volgens vast tarief&#8212;een tarief zonder veel vijven en zessen,&#8212;waarop niets wordt afgedongen en waarbij
+ook niets wordt overvraagd. Wie ruzie heeft gemaakt en weer vrede wil hebben, komt aandragen met zijn boete. Nu, dan krijgt
+hij ook vrede. Alles is in orde.
+
+</p>
+<p>Tot deze eerste halte op den weg uit het oerwoud naar de stad nog in verten achter den horizont verborgen, de halte waar al
+zoovele volkeren, als nu in de steden wonen, hun legerplaats gehad hebben, is de Papoea uit eigen krachten gekomen. Maar daar
+staat hij nu en kan niet verder, omdat de wildeman hem met zijn rooddruipende vuisten vastgegrepen houdt, schreeuwend om &#8220;leven
+voor leven.&#8221; Voor doodslag neemt hij nog geen boete aan, wanneer hij niet gedwongen wordt.
+
+</p>
+<p>Pas nu, hier aan de Geelvink-baai, dicht bij de hoofdplaats Manokwarie, zijn twee voorvallen gebeurd waaruit ook de buitenstaander,
+wiens waarneming <span class="pagenum">[<a id="pb492" href="#pb492">492</a>]</span>niet anders dan oppervlakkig zijn kan, een begrip kan winnen omtrent de kracht die dat idee nog in den Papoea heeft. De gevallen
+zijn te merkwaardiger om de rol die het geestelijke er in speelt. Dit is het eerste. Een man van Andy wenscht te trouwen met
+een weduwe uit zijn dorp. Het familiehoofd geeft toestemming, onder voorwaarde dat de geest van den overleden echtgenoot verzoend
+wordt door een menschenoffer. Gewillig gaat de vrijer heen, ziet een vrouw aan het strand die schelpen zoekt en slaat haar
+dood. Haar familie eischt leven voor leven. Maar daar Andy een dorp is, sterker dan het hunne, verzinnen zij een list tegen
+een ander waarmee zij bevriend zijn, lokken acht mannen in een hinderlaag en vermoorden hen. Nu is het de zaak van dat dorp
+om het met Andy uit te vechten: en de reeks van sluipmoorden uit wraak en weerwraak kon tot in het oneindige voortgezet worden
+als &#8220;de Kompenie&#8221; het niet stuitte. Het oorspronkelijk-beleedigde dorp kan daar buiten blijven: aan zijn verplichting is voldaan,
+het heeft leven voor leven genomen. Het waren onschuldige levens. Dat doet er niet toe.
+
+</p>
+<p>Dit is het tweede geval. Een deputatie mannen uit een kustdorp komt bij het bestuurshoofd behoorlijk verlof vragen tot doodslag.
+Er is een man in hun dorp gestorven die toch nog niet oud was: dus is hij gedood door toovenarij. Een droom, door den vriend
+van den doode gedroomd terwijl hij in het open graf naast het lijk sliep, heeft den moordenaar kenbaar gemaakt. Nu komen de
+bloedverwanten om zijn hoofd. De verbittering was groot, toen zij in plaats van het gevraagde verlof den raad kregen op hun
+beurt den toovenaar te betooveren tot de dood er op volgde. (Wat in &#8217;t voorbijgaan opgemerkt, wel lijkt te bewijzen dat zij
+toch zoo steevast niet meer waren in het geloof aan de kracht der toovenarij; en voor <span class="pagenum">[<a id="pb493" href="#pb493">493</a>]</span>alle zekerheid maar liever een aangescherpte bamboe-lat namen.) Zonder de vrees voor &#8220;de Kompenie&#8221; hadden de bloedwrekers
+triomfen gevierd langs de Geelvink-baai. Zooals het nu is hebben zij het bij morren moeten laten. Misschien duurt het morren
+niet eens lang. Er zijn er altijd wel enkele onder de malcontenten die, niettegenstaande alle tegenstribbelen, ten slotte
+toch eigenlijk wel geholpen willen worden om los te komen uit den greep van den wildeman. Anders zouden wij het niet zoo dikwijls
+hooren en zien, dat Papoea&#8217;s hulp en raad komen vragen bij den Westerling en dat ambtenaren, zendelingen van beide gezindten
+en leiders van verkenningstroepen die het wilde binnenland ingaan, met vreugde worden binnengehaald in de dorpen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De sombere fantasie waaruit het geloof aan toovenarij is opgegroeid, het koppensnellen om aan een kind een naam te kunnen
+geven, en de verwordingsellende op de Zuidwestkust, heeft een tegenhanger in een allerliefelijkste: tegenover den zwarten
+schrik van het oerwoud, zijn geuren, zijn vogelgezang en zijn schijnsel van zon en maan. Veel er van is al&#8212;helaas, maar hoe
+kan het anders?&#8212;verdwijnende. Alleen bij overlevering weten wij nog van den maneschijndans der vrouwen en hun gezang als de
+mannen verre zijn op hun reis. &#8220;Deze maan die wij zien is dezelfde die onze mannen zien, ginder in de verte.&#8221;<a class="noteref" id="xd0e3177src" href="#xd0e3177">4</a> En hoeveel moet er al verloren zijn gegaan waarvan wij niets weten!
+
+</p>
+<p>Maar veel is toch nog over. Op dezen dag nog halen de Noefooren van de Geelvink-baai den jongeling die <span class="pagenum">[<a id="pb494" href="#pb494">494</a>]</span>zijn eerste reis naar &#8220;het Buitenland&#8221; heeft gedaan, naar het eiland in het Rijk der Vier Radja&#8217;s, Salwatti, bij zijn terugkomst
+in met het aloude gezang van den held, terugkeerende met het takje thijm in de hand, de plant die enkel op Salwatti groeit;
+en zij hangen aan de triomfbogen waardoor zij hem heen leiden, afbeeldingen van de maan, vriendelijke gezellin der zwervenden.
+Nog dansen de vroolijke jonge meisjes den bamboe-dans, waarbij jonge mannen twee op den grond liggende bamboestangen op de
+maat van koorgezang tegen elkander slaan, en de danseres haar vlugge voeten rept daartusschen en daarnaast, dat niet een enkele
+slag haar enkels treft. Nog worden de oude sprookjes verhaald van den reus Uri, den oolijken bedrieger, lievelingsheld van
+den Papoea, van den stoutmoedigen Boeginees die in het onderaardsche hol den monsterlijken duizendpoot aandurfde om zijn twee
+oogen van louter goud; van de blondlokkige schoone in de Tritonschelp, en den jongen held die haar vond, en won voor vrouw;
+van den verwachten Leider van alle Papoea&#8217;s, die toovermacht verkreeg van de Avondster toen hij haar ving in zijn klapperboom
+waar zij aan den koker vol zoet bloemensap nipte.<a class="noteref" id="xd0e3184src" href="#xd0e3184">5</a> Op dezen eigen dag nog viert de stam der Marindineezen het Majo-feest, in dans, gebaar en plechtigheid de geschiedenis voorstellend
+van het volk, zoo als het in nog dierlijke gedaante aan de groote moeder van alle leven, de Zee, ontstegen, van dieren, elementen
+en geesten vriendschap en hulpbetoon ontving ter mensch-wording.<a class="noteref" id="xd0e3187src" href="#xd0e3187">6</a> Nog zingen op feestnachten de mannen van de Zuidkust vierstemmige gezangen in koren van honderden, te zamen gezeten aan het
+strand van de ster-lichte zee. De eilanders die te <span class="pagenum">[<a id="pb495" href="#pb495">495</a>]</span>Wakdee aan boord van ons schip kwamen en er een tifa vonden staan, grepen de groote trom en begonnen op de maat van haar diep-dreunende
+slagen een dans van de jacht, met de buiging naar den grond die het spoor zoekt van den kasuaris, en met den snellen armzwaai
+die den vluchtenden vogel v&egrave;r heen de speer na zendt.
+
+</p>
+<p>Dans, feestelijk koorgezang, sprookje dat natuurmacht herschept tot mensch, ons eigen ras kende ze in dien verren tijd toen
+het nog een kind was zooals nu het Papoea-ras een kind is. Wij waren eens wat zij nu zijn.
+
+</p>
+<p>Op vele plaatsen in Indi&euml; komt den Westerling die gedachte tegen, bij de waarneming van veler rassen gebruiken en gedragingen.
+En het wordt hem dan te moede soms of hij in stede van ruimten te doorreizen, tijd heeft doorreisd, voor mijlen, eeuwen. En
+of verschil in leeftijd de verklaring ware van alle ander verschil tusschen blanke rassen en bruine.
+
+</p>
+<p>Het broederlijk gevoel verwelkomt die gedachte, Zij brengt zulke zekerheid van, over alle tegenwoordige dingen heen, in de
+toekomst, een allerschoonst geluk.
+
+
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament.gif" alt="Ornament." width="230" height="75"></div><p>
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e3089src" id="xd0e3089">1</a></span> M. M&uuml;ller leidt deze stelling uit de taal af; uit den godsdienst van Hasselt, wiens vertaling van Noefoorsche sprookjes hier
+al meermaals is aangehaald, en van wien ook afkomstig zijn de hieronder volgende mededeelingen omtrent het gezinsleven, den
+godsdienst en de feesten der Noefooren.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e3104src" id="xd0e3104">2</a></span> Een klein nacht-dier, een buidel-drager.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e3121src" id="xd0e3121">3</a></span> Mondelinge mededeeling van v. Hasselt, zendeling te Manokwarie.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e3177src" id="xd0e3177">4</a></span> Volgens mondelinge mededeelingen van Van Hasselt, zendeling te Manokwarie.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e3184src" id="xd0e3184">5</a></span> Noefoorsche sprookjes, vertaald door Van Hasselt.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href="#xd0e3187src" id="xd0e3187">6</a></span> Jos Viegen, M. S. O. pastoor te Merauke in het tijdschrift v.h. Kon. Ned. Aard. Genootschap, 15 Maart 1912.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back"><span class="pagenum">[<a id="pb497" href="#pb497">497</a>]</span><div id="toc" class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><h2 class="normal">Inhoud</h2>
+<ol class="lsoff">
+<li>&nbsp; <span class="tocPagenum">Pag.</span>
+
+</li>
+<li>AANKOMST:
+
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a href="#ch1">Sabang op Poeloe-Weh</a> <span class="tocPagenum">7</span></li>
+</ol>
+
+</li>
+<li>JAVA:
+
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a href="#ch2">Van Tandjong Priok naar Djombang</a> <span class="tocPagenum">15</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch3">In het Dorp</a> <span class="tocPagenum">21</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch4">Rijstoogst</a> <span class="tocPagenum">41</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch5">Sultans Land</a> <span class="tocPagenum">47</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch6">Suikerland</a> <span class="tocPagenum">69</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch7">Armoeland</a> <span class="tocPagenum">80</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch8">Djokjasche Landheeren</a> <span class="tocPagenum">91</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch9">Madjawarna</a> <span class="tocPagenum">102</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch10">Een bevloei&iuml;ngswerk</a> <span class="tocPagenum">122</span></li>
+</ol>
+
+</li>
+<li>BALI:
+
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a href="#ch11">Singaradja</a> <span class="tocPagenum">133</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch12">Een wijk van de stad</a> <span class="tocPagenum">140</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch13">Rijst en rijstbouwers</a> <span class="tocPagenum">150</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch14">Balische vrouwen</a> <span class="tocPagenum">157</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch15">Goesti Djilantik</a> <span class="tocPagenum">167</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch16">Bali als het land van Goden en Geesten</a> <span class="tocPagenum">178</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch17">Het verleden op Bali en de toekomst</a> <span class="tocPagenum">191</span></li>
+</ol>
+
+</li>
+<li>BORNEO:
+
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a href="#ch18">Eerste indrukken van Borneo</a> <span class="tocPagenum">203</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch19">Stroomopwaarts het binnenland in</a> <span class="tocPagenum">211</span>
+<span class="pagenum">[<a id="pb498" href="#pb498">498</a>]</span></li>
+<li><a href="#ch20">Oude en nieuwe dingen in een centrum van inlandsche nijverheid</a> <span class="tocPagenum">223</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch21">Een centrum van inlandschen handel</a> <span class="tocPagenum">230</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch22">Langs de Barito</a> <span class="tocPagenum">238</span></li>
+</ol>
+
+</li>
+<li>SUMATRA:
+
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a href="#ch23">Aankomst te Medan</a> <span class="tocPagenum">247</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch24">Tabak in Deli</a> <span class="tocPagenum">254</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch25">Tabak en Tabakkers</a> <span class="tocPagenum">263</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch26">Naar de Bataksche hoogvlakte</a> <span class="tocPagenum">283</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch27">Onder de Karo-Batak</a> <span class="tocPagenum">291</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch28">Westkust van Sumatra</a> <span class="tocPagenum">307</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch29">Nieuwe ontwikkelingen ter Westkust van Sumatra</a> <span class="tocPagenum">326</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch30">Europeesche ondernemingen op de Westkust.&#8212;Een Theetuin</a> <span class="tocPagenum">338</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch31">Europeesche ondernemingen op de Westkust.&#8212;Een Goudmijn</a> <span class="tocPagenum">347</span></li>
+</ol>
+
+</li>
+<li>CELEBES:
+
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a href="#ch32">Makassar</a> <span class="tocPagenum">355</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch33">Door de Par&eacute; Par&eacute; en Boni.&#8212;De Meeren</a> <span class="tocPagenum">360</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch34">Pampanoea en Watampone</a> <span class="tocPagenum">378</span></li>
+</ol>
+
+</li>
+<li>MOLUKKENREIS:
+
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a href="#ch35">Ambon</a> <span class="tocPagenum">401</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch36">Banda</a> <span class="tocPagenum">415</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch37">Ceram</a> <span class="tocPagenum">422</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch38">Van Boeroe tot Ternate</a> <span class="tocPagenum">428</span></li>
+</ol>
+
+</li>
+<li>NIEUW-GUINEA:
+
+
+<ol class="lsoff">
+<li><a href="#ch39">Naar het land van de paradijsvogels</a> <span class="tocPagenum">441</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch40">Beoosten Kaap d&#8217;Urville</a> <span class="tocPagenum">452</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch41">Chineesche winkels</a> <span class="tocPagenum">459</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch42">Fakfak</a> <span class="tocPagenum">465</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch43">Merauke</a> <span class="tocPagenum">474</span>
+
+</li>
+<li><a href="#ch44">Langs de Geelvinkbaai</a> <span class="tocPagenum">480</span></li>
+</ol>
+
+</li>
+</ol>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#toc">Inhoud</a>]
+</span><p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant" width="474" height="720"></div><p>
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="129"></div><p>
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op <a href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is produced by the Online Distributed Proofreading Team at <a href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">The English-language book mentioned in the advertisment is available on Google Books: <a href="http://books.google.com/books?id=4QMPAAAAYAAJ">Facts and Fancies about Java</a>, and as <a href="http://books.google.com/books?id=CyEQAAAAYAAJ">Java, Facts and Fancies</a>.
+
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde
+van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn
+gemarkeerd met het corr-element.
+
+</p>
+<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met &#8220;. Geneste
+dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ol class="lsoff">
+<li>2008-11-30 Begonnen.
+
+</li>
+</ol>
+<h3>Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e132"></a></td>
+<td width="40%">Indie</td>
+<td width="40%">Indi&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e284">20</a></td>
+<td width="40%">aardkost</td>
+<td width="40%">aardkorst</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e429">45</a></td>
+<td width="40%">driebubbele</td>
+<td width="40%">driedubbele</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e432">45</a></td>
+<td width="40%">wachten</td>
+<td width="40%">wachtend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e442">46</a></td>
+<td width="40%">Soerabaya</td>
+<td width="40%">Soerabaja</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e523">55</a></td>
+<td width="40%">-</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e577">63</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e587">64</a></td>
+<td width="40%">Curisiosity</td>
+<td width="40%">Curiosity</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e613">68</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">een </td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e791">93</a></td>
+<td width="40%">Onafhankelijken</td>
+<td width="40%">onafhankelijken&gt;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e948">114</a></td>
+<td width="40%">specitiek-Javaansche</td>
+<td width="40%">specifiek-Javaansche</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1084">133</a></td>
+<td width="40%">Soerabaya</td>
+<td width="40%">Soerabaja</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1203">151</a></td>
+<td width="40%">kanarieboomen</td>
+<td width="40%">kanariboomen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1276">164</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1287">164</a></td>
+<td width="40%">huwelijken</td>
+<td width="40%">huwelijksen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1314">169</a></td>
+<td width="40%">H&ouml;evell</td>
+<td width="40%">Ho&euml;vell</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1322">170</a></td>
+<td width="40%">Ksatria</td>
+<td width="40%">Ksatrya</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1414">188</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1444">192</a></td>
+<td width="40%">ontvluchten</td>
+<td width="40%">ontvlucht</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1459">196</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#402;&nbsp;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1462">196</a></td>
+<td width="40%">Karangasemsche</td>
+<td width="40%">Karangassemsche</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1555">214</a></td>
+<td width="40%">bestuurs-ambtenaar</td>
+<td width="40%">bestuursambtenaar</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1601">222</a></td>
+<td width="40%">djeloetong</td>
+<td width="40%">djeloetoeng</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1658">231</a></td>
+<td width="40%">lotos-bloemen</td>
+<td width="40%">lotusbloemen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1796">257</a></td>
+<td width="40%">tevenover</td>
+<td width="40%">tegenover</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2102">308</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2120">312</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2134">316</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2148">318</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2163">319</a></td>
+<td width="40%">Mohamedaansche</td>
+<td width="40%">Mohammedaansche</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2216">328</a></td>
+<td width="40%">ge-gekomen</td>
+<td width="40%">gekomen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2223">329</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">worden </td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2277">340</a></td>
+<td width="40%">b leid</td>
+<td width="40%">beleid</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2314">344</a></td>
+<td width="40%">gemaakten</td>
+<td width="40%">gemaakt en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2492">378</a></td>
+<td width="40%">Walan&auml;e</td>
+<td width="40%">Walana&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2495">378</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2516">383</a></td>
+<td width="40%">Westmousson</td>
+<td width="40%">Westmoesson</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2780">430</a></td>
+<td width="40%">Matelief</td>
+<td width="40%">Matelieff</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2783">430</a></td>
+<td width="40%">jonge</td>
+<td width="40%">Jonge</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2894">446</a></td>
+<td width="40%">Manokwari</td>
+<td width="40%">Manokwarie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2964">459</a></td>
+<td width="40%">Sorang</td>
+<td width="40%">Sorong</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2984">462</a></td>
+<td width="40%">Dirck van Limschoten</td>
+<td width="40%">Jan Huygen van Linschoten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e3016">469</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Natuur en Menschen in Indië, by Augusta de Wit
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUUR EN MENSCHEN IN INDIË ***
+
+***** This file should be named 28259-h.htm or 28259-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/8/2/5/28259/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/28259-h/images/back.jpg b/28259-h/images/back.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0b9a582
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/back.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/front.jpg b/28259-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..558e930
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-a.gif b/28259-h/images/initial-a.gif
new file mode 100644
index 0000000..8aff238
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-a.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-d.gif b/28259-h/images/initial-d.gif
new file mode 100644
index 0000000..4b5ef2f
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-d.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-e.gif b/28259-h/images/initial-e.gif
new file mode 100644
index 0000000..8e1c838
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-e.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-h.gif b/28259-h/images/initial-h.gif
new file mode 100644
index 0000000..073d32f
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-h.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-i.gif b/28259-h/images/initial-i.gif
new file mode 100644
index 0000000..54ff823
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-i.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-k.gif b/28259-h/images/initial-k.gif
new file mode 100644
index 0000000..86dff5a
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-k.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-l.gif b/28259-h/images/initial-l.gif
new file mode 100644
index 0000000..3fc071b
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-l.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-m.gif b/28259-h/images/initial-m.gif
new file mode 100644
index 0000000..d370de5
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-m.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-n.gif b/28259-h/images/initial-n.gif
new file mode 100644
index 0000000..2d0b1ae
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-n.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-o.gif b/28259-h/images/initial-o.gif
new file mode 100644
index 0000000..ebeb688
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-o.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-s.gif b/28259-h/images/initial-s.gif
new file mode 100644
index 0000000..32e3b31
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-s.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-t.gif b/28259-h/images/initial-t.gif
new file mode 100644
index 0000000..584881d
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-t.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-u.gif b/28259-h/images/initial-u.gif
new file mode 100644
index 0000000..173e559
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-u.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-v.gif b/28259-h/images/initial-v.gif
new file mode 100644
index 0000000..8960c83
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-v.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-w.gif b/28259-h/images/initial-w.gif
new file mode 100644
index 0000000..e9f35f7
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-w.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/initial-z.gif b/28259-h/images/initial-z.gif
new file mode 100644
index 0000000..5cf56ac
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/initial-z.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/ornament.gif b/28259-h/images/ornament.gif
new file mode 100644
index 0000000..34ea108
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/ornament.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p000.jpg b/28259-h/images/p000.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7f09f23
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p000.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p025.jpg b/28259-h/images/p025.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9313433
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p025.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p056.jpg b/28259-h/images/p056.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1b899db
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p056.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p060.jpg b/28259-h/images/p060.jpg
new file mode 100644
index 0000000..61285ff
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p060.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p064.jpg b/28259-h/images/p064.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8aa2bae
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p064.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p066.jpg b/28259-h/images/p066.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2e4094d
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p066.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p076.jpg b/28259-h/images/p076.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1710013
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p076.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p135.jpg b/28259-h/images/p135.jpg
new file mode 100644
index 0000000..28b9766
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p135.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p137.jpg b/28259-h/images/p137.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3ff0592
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p137.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p143.jpg b/28259-h/images/p143.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9103f8d
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p143.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p145.jpg b/28259-h/images/p145.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8225e05
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p145.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p147.jpg b/28259-h/images/p147.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3fa082b
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p147.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p159.jpg b/28259-h/images/p159.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5f96441
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p159.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p163.jpg b/28259-h/images/p163.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6868583
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p163.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p165.jpg b/28259-h/images/p165.jpg
new file mode 100644
index 0000000..938f4b0
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p165.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p171.jpg b/28259-h/images/p171.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fcc4021
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p171.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p175.jpg b/28259-h/images/p175.jpg
new file mode 100644
index 0000000..094987b
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p175.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p181.jpg b/28259-h/images/p181.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e91c1b4
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p181.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p183.jpg b/28259-h/images/p183.jpg
new file mode 100644
index 0000000..50817c8
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p183.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p185.jpg b/28259-h/images/p185.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d5d140f
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p185.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p187.jpg b/28259-h/images/p187.jpg
new file mode 100644
index 0000000..69ac1e3
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p187.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p189.jpg b/28259-h/images/p189.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e77ca31
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p189.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p209.jpg b/28259-h/images/p209.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7c0ed4e
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p209.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p215.jpg b/28259-h/images/p215.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fab5875
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p215.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p285.jpg b/28259-h/images/p285.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8a88419
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p285.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p289.jpg b/28259-h/images/p289.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d7f855c
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p289.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p293.jpg b/28259-h/images/p293.jpg
new file mode 100644
index 0000000..36bee1e
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p293.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p295.jpg b/28259-h/images/p295.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e0fc495
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p295.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p309.jpg b/28259-h/images/p309.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0898486
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p309.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p311.jpg b/28259-h/images/p311.jpg
new file mode 100644
index 0000000..58a804c
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p311.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p313.jpg b/28259-h/images/p313.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b92b57e
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p313.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p315.jpg b/28259-h/images/p315.jpg
new file mode 100644
index 0000000..460565b
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p315.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p317.jpg b/28259-h/images/p317.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b2010c7
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p317.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p323.jpg b/28259-h/images/p323.jpg
new file mode 100644
index 0000000..41f6633
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p323.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p339.jpg b/28259-h/images/p339.jpg
new file mode 100644
index 0000000..441faa5
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p339.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p373.jpg b/28259-h/images/p373.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e984fc9
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p373.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p423.jpg b/28259-h/images/p423.jpg
new file mode 100644
index 0000000..775339e
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p423.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p433.jpg b/28259-h/images/p433.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ee11906
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p433.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p447.jpg b/28259-h/images/p447.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8750ef6
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p447.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p453.jpg b/28259-h/images/p453.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8814b3b
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p453.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p455.jpg b/28259-h/images/p455.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fd3799f
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p455.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p457.jpg b/28259-h/images/p457.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9312859
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p457.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p466.jpg b/28259-h/images/p466.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ca07ab0
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p466.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p468.jpg b/28259-h/images/p468.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a86b946
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p468.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/p471.jpg b/28259-h/images/p471.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d207c1f
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/p471.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/spine.jpg b/28259-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c0b4d77
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/titlepage1.gif b/28259-h/images/titlepage1.gif
new file mode 100644
index 0000000..0896d2a
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/titlepage1.gif
Binary files differ
diff --git a/28259-h/images/titlepage2.gif b/28259-h/images/titlepage2.gif
new file mode 100644
index 0000000..4e69cbc
--- /dev/null
+++ b/28259-h/images/titlepage2.gif
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..9ab7a59
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #28259 (https://www.gutenberg.org/ebooks/28259)