diff options
Diffstat (limited to '27994-h')
| -rw-r--r-- | 27994-h/27994-h.htm | 6852 | ||||
| -rw-r--r-- | 27994-h/images/illustration.png | bin | 0 -> 40102 bytes |
2 files changed, 6852 insertions, 0 deletions
diff --git a/27994-h/27994-h.htm b/27994-h/27994-h.htm new file mode 100644 index 0000000..d17cca8 --- /dev/null +++ b/27994-h/27994-h.htm @@ -0,0 +1,6852 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Gekken, by Jac. van Looy. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- +body { + margin-left: 10%; + margin-right: 10%; +} + + h1,h2,h3 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; +} + +p { + margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; +} + +hr { + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; +} + +hr.pct05 { + width: 5%; +} + +hr.pct45 { + width: 45%; +} + +hr.pct65 { + width: 65%; +} + +.center {text-align: center;} + +/* Images */ +.figcenter { + margin: auto; + text-align: center; +} + +.illustration {width: 198px;} + +// --> +/* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Gekken, by Jac. Van Looy + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Gekken + +Author: Jac. Van Looy + +Release Date: February 4, 2009 [EBook #27994] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEKKEN *** + + + + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + + +<h1><big>G E K K E N</big></h1> + +<hr class="pct65" /> + + +<p class="center"> +<a href="#EERSTE_GEDEELTE"><b>EERSTE GEDEELTE</b></a><br /> +<a href="#I"><b>I.</b></a><br /> +<a href="#II"><b>II.</b></a><br /> +<a href="#III"><b>III.</b></a><br /> +<a href="#TWEEDE_GEDEELTE"><b>TWEEDE GEDEELTE</b></a><br /> +<a href="#IV"><b>IV.</b></a><br /> +<a href="#V"><b>V.</b></a><br /> +<a href="#VI"><b>VI.</b></a><br /> +<a href="#VII"><b>VII.</b></a><br /> +<a href="#Voetnoten"><b>Voetnoten</b></a><br /> +<a href="#Transcribers_notes"><b>Transcriber's notes</b></a><br /> +</p> + +<hr class="pct65" /> + + +<h3>JAC. VAN LOOY</h3> + +<hr class="pct05" /> + +<h1><big>G E K K E N</big></h1> + +<p class="center">TWEEDE DRUK</p> + +<div class="figcenter illustration"><br /> +<img src="images/illustration.png" width="198" height="200" alt="" title="" /><br/> +</div> + +<p class="center">AMSTERDAM / S. L. VAN LOOY / MCMXVI +</p> + + + + +<p class="center">Boek- en Kunstdrukkerij G. J. van Amerongen—Amersfoort</p> + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="EERSTE_GEDEELTE" id="EERSTE_GEDEELTE"></a>EERSTE GEDEELTE</h2> + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="I" id="I"></a>I.</h2> + + +<p>Johan had zijn tasch met teekengerij over den schouder +gehangen, zijn stoeltje tusschen de riemen geschoven en zoo +ging hij door de poortgang uit van het Hôtel-Central, waar +hij logeerde. 't Was later geworden dan hij had gedacht, hij +had eerst goed willen ontbijten,—dan was 't niet noodig +geweest, had hij met zich zelven geredeneerd, aan zijn maag +te denken vóór 't klokje van half zeven, het uur van de table +d'hôte.—Toen was Sarah de meid hem een brief komen +brengen, gisteren had hij zijn adres opgegeven bij de Engelsche +post.... pour mesjeu.... had ze gelispeld uit haar mond met +gebroken tanden; van onder den gelen foulard, dien ze als +een muts om haar oud voorhoofd hield gespannen en die om haar +nek afhing, had haar verlept moedergezicht eventjes vriendelijk +gelachen, of 't haar schelen kon, dat ze wat aangenaams te +geven had gehad. En hij was gaan zitten lezen, onderwijl +etend en van zijn chocolade drinkend, middenin voor de tafel, die +al heelemaal klaar was voor het tweede ontbijt, met wachtende +couverten, met voor elk couvert een wachtenden stoel.</p> + +<p>Rustigjes was hij nog wat blijven zitten, alleen in het eetzaaltje, +dat zoo aardig in de binnenplaats tusschen de vier +wanden was gemaakt, nu ja, matten, aangehecht tegen de +kolommen welke den bovenbouw droegen. Dat scheen elk +oogenblik te kunnen worden opgebroken, je zat er zoo echt +op reis.... Zware kapiteelen, zeegroen geverfd en primitief-Moorsch +van vorm als in de mooie moskee van Cordoba, +stolpten plomp boven de gevlochten wanden uit. Dan was +de tafel zoo aangenaam helder met zijn blank laken à l'anglaise +gedekt, groene planten prijkten bij gebrek aan bloemen, +'t was winter, tusschen de glinsterende tafelstellen en de +flikkerende karaffen, waarin het water gelend schommelde, +zoodra hij zijn armen maar even verlei. Als verdwaald leek +heel die nieuwerwetsche disch wel in het oude Moorsche +huis. Achter hem in een hoek was, éénig sieraad van het +zaaltje, een groote koperen schotel, Moorsch maaksel, vol +metaalglimmers op het buitensporig ornament, te pronk gezet +op een ruw houten sokkel, die met roode en groene lint-arabesken +op een oker-gelen grond en met dwaze draak-figuren +onhandig was beklad. Voor zijn oogen een deurtje +in de mat gemaakt. En boven zijn hoofd als het doorhangend +dak van een ambulante tent was 't zeil over de ruimte van +het patio gespannen, vastgesjord aan ringen in de architraaf, +dat 't zaaltje bedonkerde, maar tusschen de spanbochten der +touwen door, nog naar den lichten hemel kijken liet.</p> + +<p>Ongestoord had hij kunnen lezen wat een goede vriend, +een jong schilder als hij zelf, hem schreef. In langen tijd had +hij niet zoo'n prettige boodschap van huis gekregen, van uit +het Noord. De brief verhaalde van sneeuw en ijs.... koud.... +over schaatsenrijden op een buitenplaatsvijver.... van een +bekend wit huis, nu kil en stil tusschen zijn zwarte, verkleumde +boomen.... en van een hei vol sneeuw.... wijd wit. En +daardoor klaagden zachte herinneringen aan vroeger samenzijn, +en woorden waren er warm als rood bloed, zonnige +verzekering van weêr oplevende vriendschap, want 't was +een brief van vertrouwen, na veel lang over en weêr gekijf. +Niemand was gekomen; boven zijn hoofd, op het eerste bordes +rommelde de meid die de kamers daar deed; overigens was +het stil. De Engelschen, die in huis logeerden, kooplui met +koude zakenoogen, waren zeker allen al aan het handelen in +hun kantoortjes of magazijnen, in de hooge of in de lage +stad; zij kwamen niet lunchen dan na den middag. En tevreden, +omdat dat vervelende geval met zijn vriend eindelijk uit was, +in zijn gedachten al een hartelijk antwoord aan het schrijven, +was hij opgestaan, had zijn gereedschap van boven gehaald, +maar zoo was 't later geworden dan hij wel gewild had.</p> + +<p>Johan was nu reeds twee jaar pensionnaire, gesubsidiëerde +door het gouvernement en al dien tijd aan het reizen. Zoo +goed hij kon had hij voldaan aan al zijn verplichtingen en +ook de zending van geëischte studies was voor het tweede +studiejaar op tijd gebeurd. Wanneer daar in Amsterdam de +vorderingen voldoende werden bevonden, dan was het jaargeld +voor vier jaar lang toegezegd.</p> + +<p>In een tijd van gisting, toen om hem heen in zijn naaste +omgeving een jong gedachte-leven begon te bewegen, in +een tijd van veel plannen en gepraat, had Johan meêgedongen +naar den zoogenaamden Prijs van Rome, die, na jaren, van +nieuws aan wéér was uitgeloofd door de inrichting, waar +hij zijn opleiding had genoten.... O, dat was een heele +historie.... daar was heel wat aan vast, alvoor een liefhebber +werd toegelaten tot zoo'n wedstrijd.... Daar was eerstens +het weken lang zich drillen als een recruut, die de handgrepen +en de theorie goed kennen moet vóór hij afgeëxerceerd kan +worden, zich 't hoofd volstoppen met moeielijkheden, wel +zeker, bestemd om ze weêr te vergeten. Wat niet al? En +de examendagen zelve, die den prijskamp voorafgaan.... +een warboel van zenuwachtig- en de-kluts-glad-kwijt-zijn; +en de eigen verbazing in eens over je zelf hoe je zoo veel +weet. En dan het wanhopen en de lust om er-den-boel-bij-neêr-te-smijten.... +zonder de aanporring van een vriend, +die maar altijd bleef zeggen: er is maar éen weg naar Rome +en reizen, en die is dien je gaat nu, was hij er nooit gekomen. +Vervolgens de tijd van hard werken en 't verlangen en de +eerzucht van den jongen, die eens flink wil laten zien wat +hij alleen wel kan.</p> + +<p>En daarna.... maar och, hij herinnerde zich dat geval +niet graag.... woedend was hij geworden om die officiëele +onderscheiding, welke geen onderscheiding geweest was. Verbeeld +je.... Boos en beleedigd had hij voor zoo'n lammiteit, +als hij 't noemde, willen bedanken. Maar al de kameraden +hadden hem dwaas genoemd, hoe hij, die geen cent in de +wereld bezat, zou om zoo'n bagatel, om zoo iets, dat alle +dagen gebeurde, en dat wel bekeken nog eervoller op den +koop toe was, zulk een dommen streek doen.... wees wijzer. +En toen was hij het ook dom gaan vinden, blij dat ze het +hem allemaal afrieden, belust als hij was op de mooie reis, +graag naar 't onbekende. Was 't geen buitenkansje?.... Had +hij zich dat vroeger ooit durven voorstellen; hij, die voor +zes jaar nog op klompen liep, zou nu naar Italië worden +gestuurd, gestuurd door de Regeering, zooals zijn familie +zoo graag zei.</p> + +<p>En zijn weggaan was dan ook prachtig geweest, al de +kameraden hadden hem uitgeleid: hij was 't station ingestapt, +opgewonden van geluk, zijn nieuwe reisdeken als een mantel +omgeslagen, in schooljongensovermoed de roode binnenvoering +naar buiten. Hij herinnerde zich nog alles heel precies: 't +soort dag, het vroege uur, het reisbiljet naar Rome, voor +tien dagen geldig, de bagageverzorging, zijn angst dat alles +in de war loopen zou, de plagerijen, de profetieën dat hij +op een ongeluksdag op reis ging. En er was geen einde +gekomen aan 't handen-geven, de trein ging al, toen hij +nog een hand in zijn hand warm voelde. En wat een vragen +van gauw en veel schrijven, wat een beloften dat hij veel +brieven terug ontvangen zou. Zoo was hij gegaan op een +Februari-Vrijdag 't land uit, de ooren nog vol vriendenwoorden, +meênemend de beelden van vrienden aan wie zooveel +van zijn leven vastzat.</p> + +<p>Maar o, van die vrienden, ze hadden zijn mooi leven die +twee jaar lang verpest met hun brieven. Eerst waren ze opgehouden +te komen; dat was wel begrijpelijk geweest, ieder +had het natuurlijk druk, 't broeide al zoo, toen hij wegging. +Hij zelve had ook de handen vol; 't was niet gemakkelijk +zoo in eens op zich zelven te moeten rekenen, zoo in eens +te worden gezet heelenal voor eigen kunnen. 't Ging in den +eersten tijd goed, mooie dingen zien, af en toe een vriendelijken +brief, zoo was men ten minste niet alleen in de wereld. +Maar 't duurde niet lang, toen was er in eens, na lang +zwijgen, een brief gekomen, een brief als een plank, maar +geen hartelijkheid meer, en geen van zelven gaan; gepraat +van ouwelijke jeugd en wijs geredeneer.... wat.... die brief +rook vijandig.... wat was er toch gebeurd?.... een tijdje +later wist hij het; wat vroeger bepraat was geworden op +kamers of in cafés, dat werd nu openbaar gemeend, er werd +gevochten.... dat had mooie brieven gegeven, brieven die +als oorlog waren, lustig van den krijg, en wreed als strijd is, +brieven, waarin zinnen die als klaroenen klonken; maar daar +waren ook andere, bazige brieven, met veel langdradig geleuter +over anderen, en weinig mooi vertel van eigen doen.... +Hij voelde het wel.... al stond het niet in de regels.... hij +was gezet door de vrienden aan den kant van den vijand, +zoo in eens maar.... jawel, maar bliksem, dat was toch +larie.... och, wat hadden al die meeningen hem een last +gegeven.... hij, die daar in dat vreemde en liefelijke land +maar niets thuis was, en er toch geen oogen en vingers genoeg +had, die alles wel had willen vasthouden in dat land +zonder nevel, waar de eeuwige zon hem zoo begon te plagen +en ziek maakte, tot hij er als een sjouwerman werkte, planloos, +bang in klein-burgerlijk plichtbesef van te kort te komen, +van niet genoeg te zullen kunnen laten zien van al wat hij +gezien had.... En hoe was hij dikwijls met het beeld van +een vriend op reis en aan 't werk geweest, dàt zal ik voor +die maken en dàt voor die.... Werken, werken; ontevreden +zoekend naar rust; hij domkop die hij was geweest toen, was +maar door blijven hunkeren naar die vriendenbrieven, waarvan +hij, vóór hij ze las, al wist dat hij er wrevelig over worden +zou, wanneer er zijn onrust sarrend in werd beklaagd, wanneer +hij voor de zooveelste maal hooren moest, hoe zij allen thuis +al wisten wat ze wilden, hij die toch ook wel wilde veel, +al wist ie niet wat. Hij was Italië doorgegaan, ongelukkig in +redeloos gepruttel, overal naar toe waar zijn principalen hem +stuurden, doende naar hun gereglementeerde bepalingen. Hij +had zich vaak een officiëelen schooier gevoeld, reizend met +een zwarten rok in zijn koffer, maar die bekneld moet leven, +vóór de hooge visite stil met kastanjes dineert, alles op een +koopje doende, gedwongen elken stuiver om te keeren, driemaal, +eer hij 'm uitgaf, om toe te komen in het dure reizen. +En zwak en hulpbehoevend meer dan ooit, geslagen door de +ontzaggelijke voorbeelden die hij bestudeeren moest en die +hem nog meer in de war stuurden door hun vèr afstaan, +door hun hooge rust van bewustzijn, zoo vloekend met zijn +eigen eenzame en tastende onbewustheid. En hij had zijn +weifelende en woedende en grimmige ziel vaak uitgezegd in +menigen brief, hartstochtelijk en wild, over niets kon hij +spreken dan over zich zelven; en van heel dat vriendental +was er maar één geweest en altijd dezelfde, dien hij voelde +dat hem zag daar in de verte, en die met groot en medelijdend +zien, vermeed te gaan wroeten in de ellende van een +vriendenziel. Hoe zou hij er hem altijd om lief hebben.</p> + +<p>Het tweede jaar zou Spanje moeten worden bereisd. Maar +in Genua was hij toen plotseling ziek geworden, en door de +vriendelijke bemoeiing van den consul opgenomen in een +hospitaal. Een gezegende rust van drie maanden was er het +gevolg van geweest. O, dat weêr beter worden in het hoogliggend +hospitaal van Genua. Hij moest dat dikwijls de mooiste +herinnering vinden, die hij van Italië had meêgedragen. Zijn +ziekenkamer keek uit in den tuin; dat wakker-liggen daar, +na lang slapen, bij volle kennis, de dagen door, lekker +tusschen de heldere lakens. De kamer kraakzindelijk, 't medicijnfleschje +met altijd iets visiteachtigs er naast, vlak bij 't +bed op 't nachttafeltje, de wanden langs Engelsche bijbelteksten, +opgehangen achter glas, grooten druk, hij kon ze +vanuit zijn bed lezen. Maar dan het raam open, de jonge +zon blond en licht en veel vallend op 't balkon. En in den +tuin het voorjaar met al veel violetten, een geur van bosch +en zee binnenluchtend door het raam. En in zijn liggende +leden een aangloeiing, iets van gisting als in nieuwen wijn, +een aanspoeien weêr van kracht en gezondheid; maar in zijn +hoofd nog een teêr suizen, een week nagevoel alsof hij veel +vlugzout geroken had, iets ijls of er veel damp in de hersens +was. En een sterker proeven en een nieuwer zien en een +fijner hooren. O, die lange dagen in Genua's hoog op de +rotsen staand hospitaal. Dat dagen stil liggen kijken in de +zon, met de stille zorgen der direktrice altijd om zich, die +altijd verlangend dat hij slapen zou, op zachte voeten naar +binnen kwam, en de deur weêr uit, zwart en goedmoederlijk +met haar kuisch-gekapt haar. Maar ook dat toen verwenschte +diëet, die strenge, Zwitsersche dokter, die zijn tong kwam +zien en dan altijd zei: "Sie haben gestern zu viel gegessen." +En later, toen hij de dagen al opzat, dat wakker worden +soms midden in den nacht, van zelven, zonder pijn of behoefte, +dadelijk helder in den nacht, de nacht hoog om het +huis, zoo hoog in de lucht, en zoo heerlijk stil en toch zoo +raadselachtig vol met geluid zonder naam, dat hem de gewaarwording +gaf alsof hij 't blauw zag, 't onstoffelijke, kleurlooze +blauw der door sterrelicht ondoode aardschaduw. Daar kan +men stilliggend, lang over denken, en dan plots in zijn dichte +oogen een roode drang, en 't mooi opvlottende beeld van +een begeerde vrouw.</p> + +<p>Heelemaal hersteld was hij de tweede reis begonnen, tuk +op nieuwe indrukken, begeerig naar nieuwe beroering. De +dokter had hem den raad gegeven zich beter in acht te +nemen, zich niet meer zoo over stuur te werken, en dat zou +hij in geen geval doen. Neen zeker niet. Bovendien was de +beurs gevulder. Door de zorgen van een welmeenend beschermer +had een rijk verzamelaar tot aanmoediging veel van +zijn studies gekocht, al dat gewurm van verleden jaar was +uit de voeten; hij zou 't nu bedaarder aanleggen en wat +meer ook voor zijn plezier uit zijn. De behoefte naar land +en vrienden bestond bijna niet meer, een enkele maal schreef +hij aan zijn familie, om af en toe nog iets van huis te hooren.</p> + +<p>Maar onverwacht, hij was toen nog maar een maand in +Madrid, op een Aprilmorgen, daar was weêr een brief gekomen +van zijn besten studie-kameraad, een brief als een +akte geschreven met een zware hand. In ronde vriendenwoorden, +kort en zakelijk, was die brief van meening, dat +hij een onvrij man was, dat dit aan zijn tentoongesteld werk +was te zien, dat het er veel van had, of hij zich verkocht +voor een bezoldiging, dat hij laf een goed leven leed, waar +al zijn vroegere kameraden krom lagen, ontbeerden voor hun +ernstig zich-zelve-willen-wezen. 't Speet den schrijver zoo, 't +had hem zeer gedaan, maar op de expositie had hij een +kameraad hooren fluisteren tot een ander, en toen meer die +zeiën, dat zij zich in Johan hadden vergist, dat hij met massa's +werk den boel had willen overdonderen.... neen.... hij +mocht niet van zich laten zeggen, dat hij geen artist was, +dat was gezegd en er was reden voor geweest.</p> + +<p>Dat was als een slag op zijn hoofd gevallen, 't was hem +een oogenblik benauwd geweest in de keel en of zijn bloed +niet voort wou. Toen was hij met een vloek opgesprongen, +de deur uit en de straat op. Hij had dien dag door de +straten van Madrid gehold, de natheid niet voelend, en den +ijskouden regen niet, met niets in zich dan stomme kwaadheid +en in zijn hoofd huilend verdriet. 't Is niet waar, 't is toch +niet waar, griende het in hem dien dreinigen dag. Dagen +achtereen had hij in 't Museum niet kunnen schilderen, vies +van zijn besteld werk; daarna was hij er weêr naar toe +gezakt, als een hond in 't gareel, 't moest toch gedaan +worden. Maar lang daarna nog hadden die woorden hem +bezeten, hij herkauwde die bitterheden den geheelen dag +onder 't werken door: zou 't ook waar zijn, zou 't ook +waar zijn?</p> + +<p>En de eene dag verging na den anderen. Twintig brieven +was hij wel begonnen op dien eenen brief; geslingerd als +hij werd tusschen zelftwijfel en beleedigden trots, schreef hij +telkens wat anders; nu een brief waarin hij kroop als een +geslagen hond, excuses vindend, en dan weêr een anderen +met een hoog opgezetten toon; onvoldaan had hij ze alle +verscheurd, want langzamerhand vocht het zich van zelve +uit, voor de eerste maal misschien werd hij zich iets bewust +van zelfvoeling. En in dat gevoel slaagde het antwoord in +eens, schreef hij even kort en zakelijk, maar als een snauw, +als een dadelijken beet van zich af: "ik wil niet langer +worden geplaagd, laat me met rust."</p> + +<p>Maar een woord was gezaaid en het groeide tot een heel +ding in zijn jong leven. Wat hij zich verleden jaar nooit +precies had weten te zeggen, 't werd hem nu volmaakt +helder, zijn mooi reisbestaan was voor de tweede maal +bedorven.</p> + +<p>Hij was dat tweede jaar weêr net even ongelukkig, wetend +en zich bekennend: gij zijt laf, gij zijt laag, maar koppiger +nog dan ooit, volgend de voorschriften van zijn principalen, +punctueel in alles wat hem was voorgeschreven.... dat +heele gedoe, hij was het te haten begonnen. Hij had dagen +van rondgeboemel, laksch voor de dingen om hem heen, +afkeerig als iemand die met bedorven maag walgt voor een +lekker maal. Doch lang hield hij dat niet uit, werkman als +hij altijd geweest was, begon hij op nieuw, maar met geweld +zich verzettend tegen de stortbuien van emoties en van de +zich telkens nieuwe en opdringende gezichten; om er een +vast te houden maakte hij zich overal een thuis, klampte +hij zich vast aan eenmaal begonnen werk. Langzaam begon +hij zoo te zien wat zijn leven zou zetten; hier of ginder, +dat zou overal op 't zelfde neêrkomen. Soms midden in +ploeterend gewerk kreeg hij als in den weêrschijn van een +opslaande vlam een bruut inzicht in zijn toekomstig leven. +Zijn altijd alleen zijn, het zich altijd aanwrijven tegen dingen, +die zoo hoog onverschillig naast hem waren, joeg hem meer +en meer terug in zich zelf, hij begon zich te betrappen dat +hij als met een vriend hardop met zich zelven sprak.</p> + +<p>.... Wat had hij vaak zitten soezen zoo in een klein +landstadje, een hoop verdwaalde huizen in een woestenij van +zand, moê van den langen zomerdag, met gesloten oogen, +als de avond komend was met loome schemering. Dan was +de vlaktewind langs zijn hoofd en handen waaiend gegaan, +de straat inwalmend, zwoel als heete lucht weggewolkt van +veel vèr en groot vuur, zwaar van een opkomend onweêr +maar niet te zien, broeiend en somber als vooruitgeadem +van een naderende katastrofe; terwijl het treurde almaar +binnen in hem, dat niemand, ook geen vriend, ooit 't leed +van een ziel proeven zal als die ziel zelve; terwijl het duister +snel viel, tot de slaap in den zwarten nacht zijn hoofd kwam +omhuiven, en hij als een moegeweend kind, beweldadigd +tegen den muur ingedruild was. Met een tik op den schouder +was de waard hem komen wekken, die vroeg sloot om het +angstige weêr, en kreunend was hij ontwaakt, nààr in den +nacht en hij had wel gewenscht eeuwig zoo te kunnen blijven +rusten, en niet meer zoo te worden voortgejaagd.</p> + +<p>Maar de reis was verderop gegaan, zoo zijn route hem +aanwees. Brieven kwamen er bijna niet meer, zijn vrienden +lieten hem met vrede. Eerst maanden daarna ontving hij in +Granada weêr een tijding van zijn oudsten en besten kameraad, +een brief, waarin hij plots het worstelen van een hevig begeerend +mensch zag, als hij zelve was. De brief klaagde +ook over misverstand en och, dat sprak van zelf, over weinig +vriendschap. Dat had een nieuwe correspondentie gegeven, +en toen was het bij hem tot klaarheid gekomen, dat hij voor +zijn eigen rust aan dien tweeslachtigen en schijnheiligen toestand +een einde maken moest. Dàar, in een anderen brief +aan zijn principalen, beredeneerde hij, dat hij voor 't verder +genot der subsidie bedanken wilde. Wel bekroop hem de +vrees, hoe dan zoo in eens te leven, maar kom, dat zou wel +gaan; nu of over twee jaar, men bleef toch altijd staan voor +het eenmaal moeten beginnen, en dan was het verstandiger +nu dan over twee jaar. Hij had wat geld, en eens weêr in +Holland zou hij er wat bij zien te doen.... lessen geven.... +ook misschien wel eens wat verkoopen, eindelijk was die zaak +dus uit de wereld. Dit alles had hij aan zijn vriend geschreven, +ook dat hij toch zoo dichtbij, nog even naar Afrika's noordkust +wenschte over te steken en het antwoord op dien brief +was hem van morgen door Sarah de meid gebracht.</p> + +<p>'t Was de vierde dag dat Johan in Tanger was en hij +geloofde wel nu den weg alleen te zullen kunnen vinden, +zonder den gids Mohammed Ben Jachjemed. Prettig eindelijk +alleen uit te gaan. Men zag met zoo'n jongen eigenlijk niets. +De moskee nu ja, ook maar van buiten, en de gevangenis; +een Arabisch café van binnen, een tentoonstellingsding klaargemaakt +voor de toeristen, en een bazar voor de toeristen +met goedkoope nagemaakte mooiigheden voor de toeristen, +alles wat een reiziger zien moet of hij wil of niet. Nu zou +hij alleen slenteren kunnen, stilstaan als hij er lust in had, +zonder zoo'n uitlegger naast zich te hebben, zonder dat kitteloorigmakende +klep-klep van diens muiltjes almaar naast zich +te hooren, medegenomen te worden door dien slimmen Arabier, +die altijd wou rooken en dronk voor drie. Hij wou nu maar +op goed geluk gaan dwalen, in dat warnest van smerige +buurtjes, door dat doolhof van steegjes, met trapjes stijgend +naar steegjes en paadjes en slopjes zonder naam. 't Was +gisteren een vuile boel geweest, het had den geheelen dag +geregend; nu was 't droog en mooi weêr. Van morgen bij +het opstaan had hij uit het raam van zijn slaapkamertje de +buien nog gezien, vèr, wolken met vage koppen nog, boven +het rose, licht-lila en 't blond schaduwblauw der heuvels om +de baai, vèr weg uitgespreid, als een rook uitpluimend naar +de Spaansche kusten henen, naar Gibraltar, en naar Tarifa, +dat nog laag en onzichtbaar als in een mist gevangen lag. +Maar naar boven was de hemel nu weêr klaar, blauw toch +achter het wittige waas der hoogvlottende dampen; alom en +overal vervloeide het bleekgouden ochtendlicht er onder en +door het ruim vol vochten, als een noorsche voorjaarszon +alles doordringend, zeeg 't breed neêr. En 't had de baai doen +parelen, zilverig schuimspatte en spikkelde het licht op 't kalme +golfgekabbel, op 't blauwe, ebbende water der Middellandsche +Zee.</p> + +<p>Alles beloofde een mooien dag.</p> + +<p>Het steegje, toen hij 't hôtel uitging, lag voor hem als +de moddergrond van een sloot. Hij moest, wilde hij niet +door den grooten plas voor den ingang waden, langs de +muurkanten strompelen, houvast zoeken aan den muur, of zijn +voeten probeeren te zetten op de stukken puin, die in de +sopperige brij als droge eilandjes waren. Zijn tasch hinderde +hem geweldig. 't Ding was toch al vervelend genoeg.... +zoo'n heelen dag dat gebengel tegen je beenen.... en dat +omslachtige reisboek kon hij den dag door voelen. Kom, +met den ballast weêr naar boven, al genoeg gewerkt.... +maar je kon toch nooit weten.... Beter meê verlegen dan +om verlegen.</p> + +<p>Besluiteloos bleef Johan staan, een eindje ver al het straatje +in, op een hoop droog, grauw puin, waar middenin een paar +witgeworden steigerpalen als stammen uit opschoten.... Daar +werd een huis gemaakt.... nette lui, die Mooren.... 't was +goed om je beenen hier te breken.... Zal 'k 't doen, zal +'k 't niet doen.... dat de fataliteit beslisse.... we zijn nu +toch eenmaal in Marokko.</p> + +<p>Om zich zelven lachend in het stille straatje, haalde Johan +een muntstukje uit zijn zak.... kruis niet, munt wel.... en +kantelend vloog de cent langs de palen op, het streepje +zonhemel boven de steeg te gemoet.... Kijk.... daar boven +den muur daar staat je waarachtig de metselaar; de slimmerd +buigt over de straatgeul, nu 't koper klankspringend valt op +'t puin. Wat een mijnheer. Hij staat daar met zijn troffel +in zijn hand, als iemand die op visite is, propertjes in zijn +burnous, met een rood zijden tulband om zijn kalen knikker.... +een mooi lapje.... wijnrood met gele strepen, oud goudgeel.... +Eerst dien cent zoeken.... dáar.... hij ligt op zijn +kant.... neen.... eerlijk zijn, munt ligt boven.... vooruit +dus, 't noodlot heeft gesproken, er is maar éen god en +Mohammed is zijn profeet....</p> + +<p>Lacherig nog stapte Johan door, het straatje af, in eens +gedwongen schoor te loopen tegen den afzakkenden weg, +de hakken telkens geplant in de modder, schrap met den +rug achteruit, want almaar daalde de straatgeul tusschen de +smerige, vensterlooze muren door. Tusschen steile wanden, +die benauwd dichtbij waren, ging hij, tusschen gevangenisachtige, +leêgstaande stijgingen. Een heel enkele maal puilde +er een uitbouw uit den muur, geschraagd op schuine ijzers +in den steen gestut, of hij ging een klein diefachtig deurtje +voorbij dat stomdicht was. Van uit de verte, als 't gegons +in een zeehoorn, een gedruisch als van een brekenden zeevloed +of uitgeluiding van menigteleven. Overigens was 't +straatje doodstil in den looden, on-dagachtigen schemer, die +zijn oogenkijken telkens naar boven joeg, naar 't schijnen +van den vriendelijken daghemel. Het getroffel van den metselaar +hoorde hij hoog achter zich, metaal-lachen uit de lucht +vallend. Zooals de geul, die het regenwater in het zand +sappelt, met kronkels en onverwachte ellebooghoeken daalt +naar een plas, zoo daalde het naamlooze straatje naar het +kleine Zocco toe. Wat verder weêr ging hij een steegje +langs.... daalde het naar de haven? Veel licht scheen achter +in.... 't ging hem voorbij als een poortje naar 't licht. Bij +een onverwachten ellebooghoek was de muur links in eens +open, een groot portiek kwam en een inzicht in een ruim +gepleisterd portaal, koelig onder het gewelf. Laag op steenen +banken hurkten er een paar Mooren, de beenen gekruist +onder zich gehaald, de handen in de witte schootplooien, +roerloos als pagoden zittend. Zij rookten uit pijpjes van +roode leem, vaasjes, waar kostbre specerij in verbrand schijnt +te worden, en keken heet-droomerig den voorbijganger na, +tot ze weêr doken in hun gewichtig zwijgen. Johan herinnerde +zich onder 't loopen, hoe Jachjemed gisteren gezegd +had, dat daar een ambassade was, de Engelsche, indien hij +goed verstaan had. Maar het straatje begon snel te dalen. +Het marktrumoer steeg gelijk wasem in de tuit van een +ketel de monding der straatgeul in. Daar zette het lijf aan +van een mageren kerel in een blauwige jas, zijn kop met +roode fez boorde de steeg in. Voorover, als een man, die +tegen wind opgaat, klom hij met heftige buigingen in de +knieën. Hij kwam hooger, slijkspatten waren verdroogd tegen +den beenigen kant van zijn schenen, zijn schilferige voeten +trapten paarschig en ruig in muilen van okergeel leêr; die +hadden toonstukken als de kop van een stompen visch. Hij +sjokte aan door de dras van het glibberige paadje en week +voor den ander uit als voor een onreine. Met een paar +sprongen was Johan toen het steegje uit, neêrgevallen in de +volle zon van het kleine Zocco.</p> + +<p>En zooals voor iemand, die uit een stille kamer na lang +thuis zitten, plots komt te midden van een straat waar het +karnaval is, zoo was het voor zijn grage oogen dadelijk +feest van bewegend en van kleurig leven.</p> + +<p>Tusschen de huizen-ophooping, kubieke blokken zon met +schriel hier en daar een zwart gat, als een wantrouwend oog +in de van-buiten-nietszeggende oostersche woning; tusschen +vensterlooze witte muurvlakken—er was maar een enkele +muur met vensters achter groene jalouzieën dicht—onder +een breed-wit opgestapel van bordessen, als hoopen doozen +op elkaâr gekanteld, als groote dompers over veel leven +gezet, krioelde laag in een moeras van modder en afval, +een bont, veelrassig volk in druk-dagelijksch marktbedrijf. +Tusschen opstellinkjes van hout en zeildoek, opgezet tegen +beroeste en glibberig bemoste muurwanden; tusschen ambulante +winkeltjes waarin getulbande kooplui schemerden achter +hun rare waar; in een gekaleidoskoop van veel lappen en +toevalligheên, schoven, draafden en klutsten door een gespat +van drek, ruwe donkere kerels, kaalkoppig volk en verweerde +jongens. Als mieren, op den tast af, zochten ze hun weg +door de volte. En ze schreeuwden en kreten luid uit, tegen +elkaâr op, alsof ze woedend waren; maar joegen de pakezels +door 't gedrang, aanscheldend malkander in hun keeltaal en +met stokken dreigend onder het loopen door; maar voortslovend +pakken op rug of kop; maar ranselend hun ruige +beestjes.... hui.... hu. i.... hu. i, zonder stilstaan, rusteloos, +rusteloos.</p> + +<p>De twee ochtenden dat Johan het kleine Zocco met den +gids was overgeloopen, had hij het niet zoo rumoerig nog +gezien. Nu kreeg hij stompen en duwen overal tegelijk; en +toen hij, lacherig en uitermate in zijn schik om die onverwachte +kleurdrukte in de mooie zon, stil was blijven staan +in een leêg plekje, en zag hoe de drukte aankwam, 't gescharrel +samenkluwde en een oogenblik opstopte, alsof er +een ruzie was in den hoek van het lange straatplein, daar +onder den hoefijzerboog van een poort, ingang naar een +straat; en zag hoe boven gindsche huisblokken uit, de minaret +der moskee frisch-zeewatergroen, nat-glimmerig alsof hij pas +beregend was, opstak in de zonlucht, werd hij ruw opzij +geplompt en stoven er ruwe woorden van kwaadgestoorde +drukte zijn ooren in. Voor zich uit keek hij in den woedenden +kop van een kerel, rugs-òm kijkend naar hem toe, op den +loggen kop van een half-naakten neger, die voortsjokte achter +een ezel met vaten aan weêrskanten van zijn bast; een +loopenden zwarten vent, die telkens omkeek, uitscheldend +uit zijn lippensnoet een bui van schorre geluiden, de gebalde +vuist schuddend voor zijn raaskallend schonkengezicht. Maar +Johan lachte den glimmenden vent om zijn boosheid wat uit, +en ging verder. Hij wilde naar de kroeg van Antonio Sivory, +die verkocht toch van alles, die zou hem misschien ook wel +aan papier om op te krabbelen kunnen helpen;.... vervelend +dat hij om de goedkoopte zijn grooten koffer in Sevilla gelaten +had.... 't schetsboek in de tasch was zulk onaangenaam +papier, zoo erg jufferachtig.... dat kwam er van, van die +beroerde vrees te veel geld te zullen moeten uitgeven.... +briefpapier zou Antonio wel hebben.... het teekende heel +mooi met een zacht stuk krijt;.... dat verhaal in dien brief +van Frits was goed.... god.... als ie me eens hier kon zien +loopen.... hoe grappig.</p> + +<p>Johan liep of stond zonder 't besef te hebben van gaan +of staan, levend met zijn oogen alleen, soms met kleine, +wakkermakende bewustwordinkjes over den te nemen weg, +soms een oogenblik verstrooid door invallende gedachtetjes, +aangeblazen als tochtjes, als scheutjes koude lucht om een +warm hoofd. Hij liep de kraampjes langs; daar pluisde de +drukte uit, den stiller gekleurden rand gelijk om een bont-tafreelig +kleed. Tusschen stilstaand volk ging hij troepjes +van schunnige leêgloopers langs, die in de zon schurkten +onder hun vuile jassen, bruingroen en vet als oude olijven; +langs bijeenscholingen van stinkende parasietmenschen met +onverschillig strakke inboorlingengezichten, verdroogd en +vlooirood in de mantelkapschaduw.... Daar was 't straatje +waar hij in moest.... ja, 't was 't wel.... Een bejaarde +Jood kwam er hem uit te gemoet, gaande naar de stroomende +drukte. Hij dribbelde hard aan, een beetje tuimelend op zijn +oude mannenbeenen, 't magere lijf krom en afgewerkt tusschen +zijn laag en leêg schommelende handen. Van den hals af tot +boven de enkels, waar de pijpen van een sintelkleurige pantalon +dichtom knepen, was hij in zijn smerige kaftan sluik en tranig +en rood als wijnmoer; om het middel gegordeld en voor +het lijf was de jas dicht met een rij van veel kleine knoopjes. +Hij had een vaalzwart kalotje op 't gebukte hoofd, 't grijs +haar spritste er onder uit en piekte naar de uitgezakte +schouders.... een verschooierde bijbelsche Jood.... Hij strompelde +haastig aan zonder opkijken uit zijn droefgelijnde facie, +waarin de lip zorgvol hing, waar, langs den mageren uitstekenden +neus, twee diepe lijnen groeven naar de verscheefde mondspleet.... +den driehoek dien de smart donker snijdt in het +gelaat der menschen.... En hij ging zijn voorovervallenden +gang, den blik naar den grond alsof hij daar wat zocht, een +haastige, zwervende gestalte.... Johan bleef den ouden man +na staan kijken, en toen kwansuis; want daar liepen tegen +de zon een paar vrouwen de drukte uit en 't reisboek leerde, +dat het niet goed was van een vreemdeling nieuwsgierigheid +voor vrouwen te laten merken.... 't Was je toch een vertooning.... +leken het niet net spoken die twee aanwandelende +witte lappenpoppen.... hoopjes lijnwaad, vrouwenlichamen, +weggemoffeld in plooien.... Zouen ze mooi zijn?.... Ze +gingen hem langs en hij kon het teêre bewegen van een +hand raden onder de gelaat-slip van het weeke kleed. Zij +sloten zich geheel, ook het streepje voor de oogen, om +heelemaal niet gezien te worden door een ongewijde. Log +van gang traden zij met de vleezige bloote enkelvoeten, +sleepend door de modder hare mooie muiltjes, gouddraad-geel +met een roode hak onder het neêrgeslofte hielstuk, terwijl +het kleed stil en zwaar hun om de beenen hing. Het tweetal +ging het straatje in. Johan zag ze verdwijnen tusschen hun +stomme, alles verbergende huizen, zij zelve als dingen van +even onbegrijpelijk geheim.</p> + +<p>Het straatje, waar ook hij in moest, ging gelijkvloers uit +een hoek van het kleine Zocco; rechthoekig er meê was +daar een ander straatje, opschuivend weêr naar de hooge +stad.... Zoo kwam je op de fortificaties.... gisteren er +geweest met den gids.... bij dat monsterkanon van Krupp; +een geschenk van Koningin Victoria aan haren hoogen cousin +den Sultan van Marocco; stapels kogels er bij.... het kon +de geheele straat van Gibraltar bestrijken.... Wat had die +Ben Jachjemed gelachen, toen hij vertelde dat geen een Moor +wist hoe het te hanteeren, veel minder nog het af te schieten. +Hij zelve had 't vreemd aangezien, dien zwarten reus daar +zoo stevig staande, ijzerzwart, een massa somber Noordsch +intellekt, tusschen een rijk gegroei van veel aardige struiken, +rood en verweerd op den in puin vallenden rotswal. Kinderen +met fezjes op en zwarte staartjes midden op 't kruintje, in +oranje en groene en in bloemkleurige hemdjasjes speelden +er onder den loop, die als een omgevallen fabriekspijp in +de beestachtig zware tappen hing.... Maar in het eerste +steegje en dan het tweede dwars en dan weêr even rechtuit, +daar was Antonio's kroeg.</p> + +<p>Onwillig om het zon-violet van het donkere slop te moeten +ingaan, bleef hij nog wat kijkend staan. Onder het muurvlak +daar zaten een rist in doeken en plooien verscholen vrouwen, +hel met den witten wand in de vlakke zon. Donker streepte +het open voor de oogen, donker lag een kort blauw schaduwtje +achter hun breed zitten aan. Op doffe matten gehurkt zaten +zij, achter stapels van plat-rond en grof-grauw haverbrood, +verschanst achter hun eetwaar, veilig aan den rand der +drukte. Die had hij daar gisteren ook even onbewegelijk +zien zitten, die zaten daar misschien wel altijd, 't leken wel +dooien in witte lijkwaden.</p> + +<p>Achter zijn ooren gromde het marktleven, vol en gedragen +tusschen de wijduitstaande huisblokken, en de bewegelijke +kreten en schreeuwen vlogen er als pijlen doorheen.</p> + +<p>Vóór hem hurkte een aangekomen vrouw bij de mat in +het licht neêr.... Sapperloot, die was niet mager, wat een +breed bekken.... Over de brooden heên begon ze met een +koopvrouw een praatje, de beide vrouwen, stille gestalte +over gestalte, babbelden door den kier voor 't gezicht, naar +elkander.</p> + +<p>En een olieachtige kerel, duister bruin en blauw in de +zon, kwam als aanrollen uit het klimmende straatje en bukte +nog in de loopvaart der helling, nam een brood en ging er +meê vort, terwijl hij achter zich het geld onverschillig op +de mat smeet. Even kwam toen een hand uit een lappenvrouw, +de hoofddoek week open, de kin dook bloot, versierd +met drie streepjes als van uitgebleekten inkt, als merkjes +in een kerfstok. Johan zag de vingers, waaraan de nagels +tabakssapkleurig geverfd, verdwijnen met het geld, muntjes +geheimvol gestempeld, tusschen de wollen gaping van het +kleed. En het praten ging voort, lispelend met neusachtig +geneurie.... wonderlijk toch zoo'n gesloten leven....</p> + +<p>Johan liep weêr door, de broodenverkoopsters langs, +waarvan hij het oogengegluur achter zijn weggaan voelde, +hij zelve kijkend naar links en naar rechts, als een speurhond +met den neus in den wind.</p> + +<p>Hij keek over de markt in de druischende drukte. Het +scheen hem dat er onder die sjouwende en ploeterende +beweging maar weinig menschen waren uit het land zelve; +veel geslaaf van zwarten, veel gehandel van Hebreërs, veel +mannen en jongens, geleek wel, uit Europa's Zuid; maar +allen onordelijk, inboorlingachtig, maar allen bekleurd met +de dracht van het land: het gemakkelijke Moorsche hemd, +of jassen verflenst, verwelkt en verscheiden als oude vruchten, +of den eenzelfden goor-witten mantel met kap, plattend op +den rug tot een driehoek, bollend om den kop met de punt +omhoog; en door dat al, het schitteren der barbaarsche +sieraden, snellend door 't gekrioel als vonk-vliegende insekten: +het rinkelen van een hanger in een oorlel, het spiegelen van +een glas-juweel aan een rauwen knuist, armbanden, een raar +snoer, een oud zij koord, gestreept, getrest van kleurtjes, +bindend de vrije kleêren om de rappe leden, te pas gebracht +overal.</p> + +<p>Terwijl hij drentelde, op zijn plek blijvend bijna, de vrouwen +langs tot aan de kraampjes en dan terug, keek hij soms +onverwacht in het suffe kijken der leêgloopers. Hij zag ze +plotseling aan 't zinnen gaan, en loeren met de hand vooruit +om een aalmoes te bedelen. Maar, rein van uit de smerige +volte, waren het een paar deftige heeren die kwamen aanschommelen: +rijken van Tanger, luie vette lijven, breedbuikig, +uitgedijd, gewikkeld in flanel, mollig, smetteloos gewaad, +waaronder het purper bloosde. Hun hoofden waren bekoepeld +met een grooten tulband, wit en wijd om de slapen gewonden +en om het roode middenstuk, een samengesteld ding moeielijk +om uit te pluizen. Ze gingen hun pauwengang, haanachtig +voortstappend hun gewichtig leven, stil met zwijgend aangezicht, +bleek, ongenaakbaar en bizonder, veel gewasschen +en schoon geschoren, ieder met een schralen knevel onder +den neus, den baard kort langs de lekker uitziende wangen, +de eene zwart, maar de andere al grijs, vrouwmannen. Ze +gingen als plechtige lieden ieder met een slaaf achter zich, +die den inkoop droeg, schrijdend als gebieders tusschen veel +geknecht, den sleutel van 't huis in de hand. Ze wiegelden +pralend voort als komedianten doen kunnen, hun onverstoorbare +wijsheid ging tusschen de scrofuleuze schooiers door, die +uitweken om hun aalmoezen te rapen. Kleine kleuters schoten +in eens tusschen uit de beenen der mannen, ze kwamen de +mantelmouw kussen van den bejaarden heer, ze ontvingen +zijn handlegging op hun geschoren hoofdjes.</p> + +<p>De volle markt krioelde voort. Instinktmatig als insekten-arbeid +scheen het werk wel te worden gedaan. En tusschen +al dat drukbezige gingen stijf de donkere lichamen van +Europeërs, rechtop als opzichters tusschen slaven; een Engelsche +zaken-man die als een ledepop zijn strakken eenzelfden gang +liep, of een andere zinnende handelaar in zijn kokerachtig +konfectiekostuum; stukken donkere orde, bewuste, moderne +menschen in hun beknopte kleeding, tusschen al die uitbundigheid +van het kwistige en Orientalische gedoe. En 't was +àl feest; waar Johan ook keek, 't was overal een uiterlijkheid, +om er zich nooit met de oogen zat aan te kunnen drinken, +onder een zon zoo welig en zoo goud, die al het smerige +verguldde en de melaatschheden, die hij met de oogen niet +ontwijken kon, meêschitteren deed, als de parelmoerglansen van +verrotting zwevend en kleurkringelend op bewogen water, +onder dien éenen breeden en grooten val van het koninklijke +licht.</p> + +<p>Maar vlak voor het straatje naar Sivory's kroeg was +Johan als met een schok een andermaal blijven staan. Hij +keek in de gapende steeg, die naar boven zich voortschoof. +Tusschen de opstijging der huizen verdonkerde de geul naar +achteren in 't blauw van haar eigen schaduw; maar in de +diepte was weêr een blok zon, een vierkant stuk licht. Ook +voor den ingang viel de zon, vol boven de Zoccoruimte, +doch dadelijk onderschept door het huisblok van den steeghoek +waar Johan stond; een zware maar al korte vlaag schaduw +lag neêrgesmeten over het steenen pad vol gleuven en vuilnis, +met een grooten scheven rechthoek steeg het donker daar +tegen het bezonde muurstuk op. Daar, met zijn voeten in +den rouw der schaduw, maar met hoofd en bovenlijf tegen +den ouden wand in het bloeiende en blozende licht, beeldde +als een statue, een jonge man en die verschijning had hem +zoo hevig in de oogen getroffen.</p> + +<p>De jonge Arabier stond op zijn eenen voet, met krommende +teenen in het dikke slijk der schuine straat, want den +anderen had hij als voor de vloerkou opgetrokken en met +de zool tegen den muur geplant. Zooals een hagedis, die de +zonnige en warme plekken zoekt op zijn gescheurden muur, +zoo was hij zich daar aan het koesteren op zijn warm +plaatsje, buiten het gedrang, wars van het gewoel.</p> + +<p>Hij was bijna ongekleed. Een groote vod te kort om hem +van onder tot boven te dekken, een vervaalden lap gelijk +een oude Moskovische rietmat, van het bruin als dood loof, +hield hij om zich vast, met zijn hand bij elkaâr, om het +afglijden te beletten. Hij stond daar stil voor zich uit te +droomen, in een vertooning van zijn jong en onversleten +spiernaakt, den kop recht op de zuil van den hals, zoo een +koningsfiguur op een Aziatisch basrelief loom onder de +oogleên uitstaart. Boven de rafels van zijn voddenmantel +was een stuk van de platte borstplaat bloot, glanzend vleesch, +zonrood geroosterd. Hij was ongeschoren, zijn haar geleek +een pruik, 't kroesde rechtop en om het kleine voorhoofd +tot een dicht in elkaâr gegroei van korte, sterke krulletjes; +'t bracht Johan den schoolkop van Caracalla in eens in 't +geheugen terug. Doch zijn neus was lang, met een teêren +rug en zijn mond dun met stille lippen, verdonkerd onder +een jongen knevel en om de jongensachtige wangen het +gepluis van een beginnenden baard.</p> + +<p>Hij bleef maar stil, vergenoegelijk voor zich uit glimlachend; +wanneer zijn mantel wat afzakte, sjorde hij dien wat op, als +zijn eene voet moe of koud werd, verwisselde hij ze zoetjes; +zijn gelaat bleef stil met zijn heiligen lach,—als in een +Assyrischen muur de figuur van een koningszoon statig staat.</p> + +<p>Schaduwen van mannen vlotten Johans ooren langs, terwijl +hij te kijken stond naar dien mooien droomer daar vóór hem +in het vochte goud der zon.... zou hij niet eens omzien.... +zal 'k hem eens voorbij loopen....</p> + +<p>Maar met een klein rukje had de gestalte zich losgemaakt +van den muur, en kwam.</p> + +<p>Hij ging bezorgd en òplettend waar hij zijn voeten zou +zetten, angstig als liep hij op glazen beenen; hij schouderschurkte +onder zijn lapmantel, dien hij nu met beide handen +gesloten hield, één onder de borst en de andere onder den +buik; gelijk een kranke in zijn deken gewikkeld daalde hij +aan.... Wat was zijn hoofd forsch nu voorover.... zijn +borst sterk en breed.... en welk een macht in die armen.... +de spieren lagen met gleuven naast elkaâr.... daar zou hij +wel een man meê kunnen neêrslaan.... Op den vlakken +grond bleef hij een oogenblik dwalerig, toevend; toen ging +hij Johan voorbij, steeds met zijn genotlach om de lippen, +een wonderlijk inzichzelven gelach, met de wimpers nu op.</p> + +<p>En het blikken van een paar ernstige oogen, donkere +oogen, klaar verwonderd kinderkijken, vaag van een diep +naarbinnen leven, de blik van een bezetene maar zachtgezind, +was onverschillig over het kijken van den ander heengegleden, +onbewogen, niets hebbend gezien.</p> + +<p>De zonderling ging het steegje in, Johan hem achterna. +Het Zoccorumoer verdoofde, 't werd weêr 't geroezem in +een grooten zeehoorn gelijk.</p> + +<p>Achter den teêrloopenden man met zijn jonge reuzenschouders +liep hij in het donkere slop.... 't Leek wel of die +voorlooper dansen zou gaan.... Maar 't was om te schrikken +geweest, daar hurkte hij in eens neêr, en ging op zijn hielen +in de nis zitten van een insnijdende poortdeur. En uit een +groen aarden schotel, die daar voor hem scheen klaar gezet, +begon hij te eten. Hij greep er de witte rijst met zijn vingers +uit, en stopte die in zijn mond, zonder gulzigheid, zonder zijn +lach te breken, werktuigelijk etend, door niemand gemoeid, +uit den weg zittend, niemand moeiend.</p> + +<p>Want 't straatje werd druk een oogenblik door de markt-uitloozing. +'t Was niet mogelijk lang er in stil te blijven staan, +Johan ging dus zijn gang. Hij zag nog juist den man een +mageren hond met de hand van zijn schotel weren, die hard +aangehold meêvreten kwam. Het gedraaf van een paar kerels +achter zwaar-belaste ezels aan, die de steegbreedte vulden, +dreef ook hem voort. Ze gilden en hitsten hun "hu hu-i hu-i +hu-i," als op de pooten getrapte uitjankende honden.</p> + +<p>.... Daar was 't straatje, in 't midden zonnig, het leî zich +tot een binnenplaatsje uit, daar was Sivory's kroeg.</p> + +<p>Eer hij 't zelf goed wist, beziggehouden door 't weêr terug +turen in zich naar het visioen van dien verdwaasde, stond +hij in 't schemerdonker der kroeg, en dadelijk kwam hem het +praten van een mannenstem tegen, een roepen bijna, een +ironiek uit de mondhoeken uitgestooten luid spreken.—O, +daar hadt je den kolonel.... den grooten man met zijn +windbuil-manieren.... met zijn lange, bibberende snorpunten +à la Napoleon III.... Gisteren kennis gemaakt.... jawel....</p> + +<p>"Voilà monsieur le peintre avec son sac à malices."</p> + +<p>"C'est ça, monsieur Badaud."</p> + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="II" id="II"></a>II.</h2> + + +<p>De kolonel zat op zijn tabouretje voor het buffet, rechtop +alsof hij op een paard zat, de knieën wijduit. Hij was een +stevige veertiger met naden al om zijn neus, maar die zich +jonger voordeed door zijn blozenden kop en door zijn zwierige +kleêren. In een havannahkleurig jacket en vest, een stof met +groote ruiten, was hij jeugdig en achteloos gekleed; 't kostuum +deed zijn manhafte militaire schouders goed uitkomen. Om +zijn rooden soldatenhals met rimpels als groote barsten in +zijn vel sloot de slappe boord van het bonte flanellen hemd, +en daaronder was een das, wel wat waaierig en ijdeltuitig +gestrikt. Zijn geheele verschijning was net; zijn kleeding +uitermate goed geborsteld. Zijn pantalon, donker met breed +galon, ging strak om zijn ietwat kromme paardenmansbeenen; +met een klein voorzichtig plooitje had hij de pijpen op de +knieën wat opgehaald. En zijn laarzen glommen op de spitse +toonpunten, als was er geen modder op straat te zien geweest, +en ook zijn haar glansde gelijk het met olie besmeerde +hoofd van een Marseilliaan. Daardoor leek het zwarter en +viel de komende grijzing niet zoo in 't oog; want al was +zijn impériale ook lang niet zwart meer, maar van een uitgebeten +kleur, een verteerd zwart, de snor met zijn gesteven +drilpunten maakte weêr veel goed. Hij had een dikken gouden +ring met een groot cachet, een groenen steen, aan zijn +rechterhand glinsteren, ook een horlogeketting onder op zijn +vest, en onder zijn das, zoowaar nog, glom een speld die +een hoefijzer verbeeldde. Hij gaf nu een fermen duw aan zijn +flambart en trok hem mannelijk en somber over zijn voorhoofd +met ruige wenkbrauwen terecht.</p> + +<p>Blijkbaar had hij juist zitten opsnijden toen Johan binnenkwam; +voor Sivory, die dik lachmensch als hij was, zoo +gemakkelijk mogelijk zat, half neêrgelegd op de bank daar, +tegen den muur aan, den arm op zijn buffet.</p> + +<p>Sivory's heele gezicht was naar het lachen gegroeid, de +pret, die bij buien hem benauwde, als zijn kop openscheurde +in de hevigheid der geweldige lachsmart, als zijn zwaar +lichaam schokte en hem de tranen traag en pijnlijk uit de +klein geknepen oogjes werden geperst. Hij was zeer gezien +onder zijn klanten, hij was een goed waard, die met zijn +gasten meedronk, borgde, maar schacheraar in zijn hart en +van alle markten thuis. Dat alles wist Johan al heel gauw, +want Sivory was dadelijk, bij de eerste kennismaking al, zeer +vertrouwelijk alles gaan vertellen.</p> + +<p>Antonio, zooals ieder hem noemde, was Italiaan van afkomst. +Zijn vader, een vreemde snuiter, een aangetaste door +de vrijheidskoorts, een woelig kind uit de onrustige revolutietijden, +was al jong uit zijn land gejaagd, toen soldaat geworden +in de Fransche legers onder Pichegru, vervolgens met Lafayette +naar Amerika gegaan, later diens kok, eindelijk na veel, o +veel wonderbaarlijke gebeurtenissen hier in Tanger terechtgekomen +en daar wegwijzer geworden. In de oude reisboeken +werd hij nog altijd aanbevolen om zijn groote geschiktheid. +Hij had er een der eerste Fonda's opgericht en Antonio zette +nu op vaders begonnen manier het zaakje voort. Daardoor, +vertelde hij zelve, sprak hij 't Italiaansch even goed als zijn +vader; en 't Arabisch als een geboren Tangeriaan; ook 't +Spaansch als een Spanjaard van de overkust; bovendien was +zijn vrouw een Spaansche; en 't Engelsch sprak hij als een +inwoner van Gibraltar; en 't Fransch, bijna zijn dagelijksche +taal, gelijk een stuurman van de Trans-Atlantic, die alle veertien +dagen Tanger aandeed; en ook wel een paar woorden Duitsch +kon hij begrijpen.... Toen Johan hem vertellen moest dat hij +een Hollander was, had hij dadelijk "Gofferdom" gezegd, en +stuipachtig het hoofd achteruit en de handen op zijn knieën slaande +almaar, zich aan zijn vroolijkheid overgegeven als een dolblij kind.</p> + +<p>.... Ah oui.... er was hier nog een compatriote van +monsieur, die dat altijd in zijn baard knorde.... ah oui.... +de admiraal van de Marokkaansche vloot.... ha, ha, ha! +opperbevelhebber van één schip.... een oude Spaansche +kast.... dadelijk na de afdanking aan 't verrotten gevallen +en voor afbraak verkocht.... dat maar éens gediend had +om den Sultan te brengen naar een kustplaats waar een oproer +dreigde.... een lek ding met negen vreemde matrozen bemand; +nu, met hun admiraal al een jaar lang.... ha, ha, ha! op +non-aktiviteit.... die alle morgen vast om zijn paspoort +ging vragen en aldoor maar weêr werd afgescheept en zijn +hooge gage ontvangen bleef, omdat die Moorsche beambten +het zoo lastig vonden dat ding klaar te maken.... ha, ha, +hi, ha!.... Hij wordt altijd woedend als ik zeg, dat zijn taal +een bedenkseltje is van hemzelf.... als ik hem vraag of er +dan nooit eens iemand komen zal hier, om wat Hollandsch +te praten.... ha, ha.... Ge zult u wel amuseeren.... nous +avons encore ici d'autres....</p> + +<p>Johan had een der tabouretjes genomen en zich zettend, +Sivory toen gevraagd wat hij wenschte. Neen; groot papier, +ongeliniëerd, had deze niet; maar hij zou 't wel weten te +krijgen. En terstond had hij door het buffet geroepen, neusachtige +woorden gelijk een Arabier spreekt; en een Jodendeerne +met zwarte vlosharen bossend om haar hongerigen +kop, een prachtige meid, een vervuilde aankomende schoonheid, +kwam binnenslobberen achter het buffet om. Zij sloeg, de +boodschap aanhoorend, een koffiezakkig vaal omslagdoekje +over haar violette oude jurk, met vetkleuren om de randen +der mouwen en onder de armen, en keek wild-schrikkerig +in het opschijnende licht van de buitenstraat. Toen slemierde +zij de deur uit.</p> + +<p>—"'t Is nog wel wat vroeg voor een glaasje, is het niet?" +vroeg Sivory, en 't was Johan weêr zeer vreemd, die hooge, +jongensachtige stem uit dat groote lichaam te hooren komen.... +"maar wat dunkt u van een glas spuitwater.... bon?".... +"monsieur le docteur," babbelde hij voort, opgestaan naast +'t buffet, de hand aan de kruk van een siphon, terwijl zijne +oogen den straal, die met hevig schuimgeruisch in het glas +spoot, bewaakten; "dokter, daar is misschien iemand voor +u om meê te praten!"</p> + +<p>—"Gut," bromde het onverschillig van uit den hoek.</p> + +<p>—"Gut," lachte Sivory terug met een knakkenden knik +van zijn hoofd, tegelijk het accent nabauwend boven 't gesuis +van het uitparelende water.</p> + +<p>Johan had bij 't binnenkomen den man wel gezien, daar +achterin; de enkele keeren dat hij de kroeg had bezocht, had +hij er hem altijd zien zitten, in elkaâr gedoken, lurkend aan +een houten tyrolerpijp of met zijn neus boven een dampenden +rumgrog. Nu, zich omdraaiend op zijn stoeltje, groetboog hij +beleefd naar den als dokter aangesprokene, die ook een beetje +opgekomen, de hand onder den elleboog van den arm met +de pijp, moeielijk alsof hij zoo zijn bovenlijf van de tafel +moest aftillen, hem op zijn beurt in de oogen keek. Maar +hij groette flauwtjes terug, hij scheen schuw voor 't lichtschijnsel +in de kroeg, keek vóor zich neêr, deed een greep +naar zijn glas, dronk 't voor de helft uit, en zakte weêr terug +in zijn suffende hoekhouding.</p> + +<p>Vervloekt, wat had die dokter een bekende oogen, waar +had hij zulke oogen meer gezien.... zulk ver blauw.... dat +grotje in de pupil zoo angstig zwart.... nevel-oogen.... +oogen nat van een weenend licht....</p> + +<p>Johan, voelend dat de man geen praatje begeerde, draaide +weêr om en keek de deur voor zich uit. Naast hem begon +de kolonel op nieuw moppen te tappen voor Antonio, die +met zijn mond al klaar tot lachen zat.</p> + +<p>De kroeg, waar Johan zoo op zijn papier zat te wachten, +had iets van een hol of van een pakhuis; waarschijnlijk was +het vroeger, vóór dat de oude Antonio er zijn fonda<a href="#Voetnoot-1">[1]</a> begon, +een Arabische woning geweest. De twee deuren wagenwijd +open tegen den muur van het voorplaatsje aangeduwd, anders +was er geen licht. Ieder die er in kwam, liep dat plaatsje +over, dat óok wel een kamer scheen geweest te zijn vroeger, +tusschen een paar muurtjes door, een plaatsje, waar 't vies +nat was en de goot plasvol, alsof de kuip, die daar in den +hoek stond almaardoor lekte, of er zoo pas iemand hoopen +flesschen had zitten spoelen. Zoo liep die inkwam recht op +het buffet aan. Dat was een raar ding.... een insteek in +den muur, nauw, 't leek wel een uitgebroken bedstede, nu +tot een bergkast omgewerkt.... met drie rijen van planken, +waar vanalles opstond: veel schitterende flesschen geëtiquetteerd, +karaffen met gekleurde vochten, doosjes en pakken met +droge waar, trossen touw en kloentjes gekleurd garen. Vóor +de kast, de toonbank, een losstaande bak, een breede, roodgeverfde, +op zijn kop gezette kist, met een plint stevig aan +den grond.... wat zag het ding er gehavend uit.... van +onderen bij den vloer was het bekrast, bekrabd, verveloos, +als door ratten beknaagd; alsof al de menschen die binnen +waren gekomen, tegen de plint waren aangebotst, hun vaart +daar tegenaan hadden stil gestooten. Bovenop, een zinken +bak, een gladde veel gepoetste metalen bak, rondom met +koperen spijkertjes vast op het hout.... in 't lage straatlicht +een rondedans van rinkelende goudlichtjes om 't effen metaalgrijs. +Een paar flesschen, onder den greep van Antonio staande, +blonken er in den hoek; een natte vaatdoek, met den druk +van zijn herbergiershand er nog in, lag er tegen aan, een +hoopje sopperig grijs, katoen-dof op 't metaal en tegen het +harde glas der schenkflesschen.</p> + +<p>Maar wat vooral van dat onbeholpen buffet een stil +glimmend wondertje van schittering maakte, dat waren de +zware spelonkkleuren overal in de kroeg er om heen; de +wanden vetbruin en smookgrijs; het donkere gangetje, waar +de meid purper uit was komen aanslungelen, en er vlak +naast, maar in den hoekschen linkerwand, een groot poortinzicht +met het lichtlooze er achter van een tweede pakhuisruimte. +Een groezelig groenzwarte inkijk was daar, waarin +hij veel gewemel raden kon van spinrag en opgegaarde stof, +en waar een opgestapel uit schemerde van ronde tonbuiken, +logge dingen, onverzetbaar, met ijzeren hoepels om de duigen, +verroest rood. En van af den zolder en om het vierkant +der kastholte, bezemden de bossen kiff.... het kruid, dat de +Arabieren, kortgehakt en onder tabak gemengd, rooken.... +dat met een geurtje van wierook verbrandt.... Ze hingen +neêr, heiplanten, dorre franjes van een bleek kamillegroen +en deden de kroeg gelijken aan een drogerij of aan een +alchimistenwerkplaats. Eenige pistolen van oud kaliber met +den haan aan spijkers opgehangen en solide zeslooprevolvers +hingen er te koop, kreeftachtige dingen, of 't schaaldieren +waren in hun donker pantser.</p> + +<p>Rechts van het buffet, er tegenaan beginnend, verliep een +lange bank den muur langs; Sivory op de eene punt, de +dokter op de andere, daar behoorend in den toon.... menschen, +geborgen in den schemer van hun woning.... Een soort +scheepsbank was het, met een opengewerkte matten zitting, +afkomstig, leek wel, uit de derde-klaskajuit van een Transatlantic. +Een wit-houten tafel er voor, bekringd met drank-rondtetjes. +Naar achteren in de diepte van den rechterhoek +een paar kleinere tafels, oude tuintafels met marmer blad; +en er om heen slordige tabouretjes. Die stonden als gestrooid +over den vloer, bewarend iets nog, in hun onverschillig op +vier pooten staan, van de haast, waarmede de laatste bezitter +ze onder zijn loopen-gaan-willend lijf had weggestooten.</p> + +<p>Bij den ingang, half achter het deurlicht, helde als een +losgeloopen wagenrad, geleund tegen den muur, een groote +doos, en daarin een kolossale Zwitsersche kaas, die Antonio +vier dagen geleden ontvangen had. Een driehoek als een +hap was er al uitgesneden, de blanke, vette kaas uitstallend; +'t ding had de geheele ruimte met zijn stank verzadigd; en +onder om den hoek van de pakhuispoort, laag op den vloer, +een blakertje met een eindje vetkaars, vuil en beloopen, geel +vet, smelterig om de zwarte, uitgebluschte pit.... een nachtelijk +dingetje.</p> + +<p>Johan's kijken, niet te verzadigen door de wonderlijke +nieuwheid van alles om hem heen, dwaalde van uit de kroegschaûw +de deur uit. De straat over, kon hij door de wagenpoort +heen, recht in de werkplaats zien.... van een kleêrmaker, +bepaald.... Dat was zeker de baas.... Een man zat op zijn +vloermat laag, en zijn arm ging gestadig rukkerig op en neêr. +De kop was niet te zien, onder de fez, voorover.</p> + +<p>Naast hem, voor den drempel, zat een knechtje in een wit +mouwhempje peuterig te pieken, ijverig in de weêr aan een +stuk lap, zijn geschoren hoofdje bewegend naar links en rechts, +zijn geknutsel in zelfbewondering telkens betrachtend; een +slim, tanig en aapachtig kereltje, met de ooren rood en wijd +van het hoofd afstaande. En het vermaakte Johan het ingespannen +getreuzel van het ventje te gaan bekijken.</p> + +<p>—"Antonio, wil je me nog een rhum geven?" hoorde hij +achter zich den dokter roepen, onderworpen, alsof deze een +lesje opzei.</p> + +<p>De zon, blank in de straat, snelde gelijk een baan licht de +wagenpoort voorbij, schrampte op tegen den muur, berafelde +de oude steenkalk en het versplinterde hout van den uitgesleten +drempel; wanneer de jongen met zijn hoofd keerde, +glansde zijn rein schedeltje van een blauwend fosfoorlicht. +En een voorbijganger kwam stil in de lijst van het deurraam +en liep er weêr uit.... en wat later kwam er een ander, een +vettige vent in een donkere burnous. Hij schouderde zich in +zijn houding van grooten nietsdoener, steunzoekend tegen den +deurpost der werkplaats en begon een praatje, als een gedrocht +staande met zijn monsterachtig bekapt hoofd. Achter +zich hoorde Johan, Antonio weêr neêrvallen op zijn bank, +en het gulzig inhalen, het slobberen van den grog. In het +werkplaatsje keek de baas op, van achter zijn door een grooten +zwarten bril beringde oogen, een bril, als de kwakzalvers en +woekeraars dragen op oude Vlaamsche schilderijen. De kleêrmaker +bleef babbelen met zijn handen in den schoot.</p> + +<p>Maar achter Johan schaterde Antonio het uit, klakkend +zijn handen met een doffen vleeschslag op zijn dijen telkens. +De kolonel vertelde een geschiedenis uit zijn soldatenleven. +Hij trok, toen hij zag dat de andere kwam meêluisteren, +triomfantelijk zijn hoed recht, en begon ook dadelijk beleefd +zijn vertelling voor zijn twee hoorders te verdeelen: "voyez-vous, +monsieur le peintre.... imaginez-vous, Antonio." Zijn +vertel met veel delicate handaanduidingen begeleidend, speelde +hij het geval. En met zijn klankende, voor in den mond gesproken +stem, half zingend de phrases onder zijn nobele snorren +vandaan, was hij een smakelijk verteller zoo; als een man +die zich altijd op zijn voordeeligst wil laten zien, zat hij zwierig +op zijn tabouretje, rechtop, met de beenen aldoor wijduit, +als op een paard, de dijen strak, heelemaal niet burgerlijk, +maar verradend in het zorgvuldig telkens opgehaalde knieplooitje +van zijn pantalon, veel uurtjes van intieme beslommering.</p> + +<p>—"Bonjour, mijne heeren," en een ferm stappende man ging +achter den kolonel om. In den hoek naast het buffet zette +hij zich als op zijn vaste plaats.</p> + +<p>—"Bonjour, monsieur Crépieux. Hoe gaat het?"</p> + +<p>—"Merci," zei kortaf de binnengekomene, een jonge man, +korrekt gekleed, hooge witte boord, het haar bij den wortel +afgesneden, als geschoren was zijn hoofd onder den fantasiehoed. +Hij trok zijn manchetten recht, kijkend met een stuursch +gezicht, heerscherig met den kop van een willer, maar stompig +en hondachtig door zijn opgewipten neus met wijd snuivende +gaten en hooge wangbeenderen. Zijn knevel was stoppelig, +wreede haren gelijk geknipt om de lip, een kuilgleuf was in +zijn kin.</p> + +<p>—"Antonio," begon hij met zijn dwingerige stem, "hoeveel +glazen rum heeft de dokter gehad?"</p> + +<p>—"Twee, monsieur Crépieux, twee maar," de herbergier had +er de vingers bij opgestoken en schudde ze naast zijn lachkop, +als zwoer hij een grappigen eed.</p> + +<p>—"Twee.... hè.... niet meer geven van morgen, verstaat +ge.... Twee," herhaalde hij, als schreef hij ze op in zijn +hoofd. "Dokter...." riep hij vervolgens over het buffet heen, +"ik ben van morgen aan het atelier geweest, en gij waart er niet."</p> + +<p>—"Bien possible," zei deze, glansvlekkend den schemer +daar met zijn opkijkende oogen.</p> + +<p>—"En waarom? zou ik u willen vragen, ge wist toch +zeer goed dat Mustapha van morgen met vogels komen zou. +Heb ik het u gisteren niet laten weten, daar ik zelve geen +tijd had om u te komen spreken hier?"</p> + +<p>—"Ik weet het heel wel," antwoordde de gebogen man +met een vreemd accent, als een Zwitser het Fransch uitsprekend, +"ik weet het heel wel, maar 't wachten verveelde +me.... toen ben ik hem maar gaan zoeken op 't Zocco.... +daar ie toch te slenteren liep.... We hebben vier vogels +gekregen.... pas grand' chose.... twee arendjes en dan"....</p> + +<p>—"Dat maakt met de andere zes.... En hebt ge gisteren +een goede vangst gehad, hebt ge wat kunnen verzamelen +bij Kaap Espartel?"</p> + +<p>—"Gisteren?" een spoogje kwade lustigheid glimmerde in +de waterige oogen van den dokter, in zijn voorhoofd trokken +spotzieke rimpels op, als in 't voorhoofd van een komiek +grijnzenden aap.... "Gisteren.... o, een goede vangst, ik +heb vier schorpioenen gevangen, mooie volwassen exemplaren, +en drie calioptères, met nog ander klein goed.... 't heeft +moeite gekost.... ik heb er rotsblokken voor moeten omkantelen, +monsieur Crépieux, vous n'avez pas une idée comment +ces bêtes se cachent."</p> + +<p>—"Dat geloof ik graag," blufte de kolonel er tusschen. +"Dat lijkt me niet pleizierig, eerst een douche van collodion.... +puf.... en dan op een speld opgeprikt zich zelven te moeten +zien sterven."</p> + +<p>—"Hi, hi," lachte Antonio met een luchthappenden mond....</p> + +<p>—"Weet wel, monsieur Badaud, dat schorpioenen door +mij niet worden opgeprikt, maar bewaard op sterk water." +De dokter sprak haastiger nu, met een sneller slag, "weet +dat wel.... en geloof ook maar niet, dat uw agonie, par +exemple, zooveel zachter zal zijn dan van die beestjes.... en in +geen geval korter, monsieur Badaud.... Voor Antonio is dat +wat anders, die zal er gauw uit zijn, die zal nog eens doodblijven +in een apoplexie.... mijn God, wat lacht die man!"</p> + +<p>—"Ah, docteur, wat zijt ge weêr sinister." Als een lijkengrimas +was de lach om Antonio's lippen verstard. En de +kolonel zat een weinig verlegen met zijn geknakten bluf.</p> + +<p>—"Kom, kom, Antonio, maak je nu maar niet ongerust, +beste vriend.... af en toe een beetje huilen.... kom, kom, +dan zult ge wel oud worden.... Gisteren hadt ge meê moeten +gaan, dat was goed geweest, zooals laatst.... hebben we toen +geen plezier gehad samen.... já schudt uw hoofd en 't liegt +niet.... maar gisteren was 't glibberig op de rotsen, en +regen.... regen.... ik heb wel driemaal mijn nek kunnen +breken.... en dat zou toch jammer geweest zijn, niet waar, +monsieur Crépieux?"</p> + +<p>—"Taisez-vous, docteur, ge zijt weêr dronken."</p> + +<p>—"Ah, moi? par exemple.... 't is waar, ik hou van een +glaasje.... en waarom zou ik niet? houdt gij niet weêr van +andere dingen, monsieur Crépieux? heeft iedereen niet wàt +waar hij van houden moet?.... Et boire, n'est-ce-pas quelque +chose? Maar hoor toch eens aan hoeveel ik altijd om u denk, +en wat een moeite ik gehad heb om ónze schorpioenen goed, +vooral droog thuis te brengen.... waren ze niet goed droog, +Antonio? en ik heb soms tot aan mijn.... nun, nun.... zal +ik zeggen tot aan mijn lippen door het water moeten waden, +in het donker, door een kreek, die ik niet wist dat er was.... +non, non.... ik verzeker u, dat ze er 's morgens nog niet +was...."</p> + +<p>Tusschenbeide hadden zijn lippen even geklakt, zooals een +voerman doet, die zijn paard kalm sust, waneer het door +vliegen geplaagd wordt.</p> + +<p>—"Ah bah!" was hem de kolonel in de rede gevallen, +"met den regen, moi, je connais ça."</p> + +<p>—"We weten wel dat ge veel ondervonden hebt, monsieur +Badaud, vooraleer gij hier van uw renten kwaamt leven." +De dokter, toen hij dat gezegd had, stopte met een krommen +vinger de tabak wat vaster in zijn door het vuur zwart uitgevreten +pijpekop, zoog, half uit als de pijp onder 't praten +gegaan was, er den brand weêr in met een paar stevige +zuighalen en zakte toen achter een damp van blauwen rook, +in zijn suffende hoekhouding opnieuw weg.</p> + +<p>—"Cochon," hoorde Johan den kolonel onder zijn favorites +schelden.</p> + +<p>Met doffen beestenstap was een Moor komen binnensloffen +en hij stond nu voor de toonbank stil. Monsieur Badaud +schoof een weinig op zijde, alsof hij vies was; terwijl Antonio, +dadelijk in functie, zijn lichaam opheesch en in een dikkemanswaggeling +achter de mannen en voor 't buffet omliep, grappig +in zijn grijs linnen herbergiersbuisje, te kort van mouwen, dat +hem jongensachtig stond; 't hing met een diepe plooi opgeschort +boven de kussens van zijn geduchte billen. Hij donkerde +weg in de gangpoort, maar kwam dadelijk terug voor den dag, +doorbukkend onder de planken.... was daar een deurtje?.... +en te staan weêr in 't buffet, gedienstig, op en top verkooper, +het grijze lijf met den lachenden kop boven de toonbank op. +Hij herhaalde wat de man gevraagd had.... schorrig knorde +de landstaal, zooals een verkouden mensch spreekt.... bewoog +zich tusschen zijn flesschen, spoelend een glaasje, schenkend +toen den klaren brandewijn voor den begeerig wachtenden +Arabier, die, schuw tusschen de donkere moderne mannen, in +zijn witte burnous verhuld, naar niets keek dan naar den venijnglans +van het witte water. Het glaasje bevend vol, goot hij +toen dadelijk leêg in zijn gretig open lippen; als in een ontvangenden +nap vooruitstekend uit zijn achterover gegooiden +kop, wierp hij 't in zijn strot, in éen driftig verlangen van 't +gauw en ongezien binnen te hebben.... 'n clandestine dronk.... +Antonio maakte nog een bos kiff los, en de Arabier tastte achter +in den hangenden zak van zijn mantel, snuffelde geld er uit +op, en sjokte toen weêr weg, de wagenpoort uit en de zon in.</p> + +<p>Monsieur Crépieux redeneerde met monsieur Badaud. Ze +praatten gelijk welopgevoede lieden doen, als flaneurs die +elkaâr ontmoet hebben voor een café op een Parijsche +boulevard, heeren.</p> + +<p>—.... "ils m'ont abruti, monsieur, abruti, bien sûr, die +drie dienstjaren".... Johan zag over de toonbank heen, het +gebobbelde voorhoofd van monsieur Crépieux, koppig en +laag, boven koud metaalgrijze oogen met snel knippende +wimpers; het wreede geborstel van zijn stugharigen rondkop +en een dikke huidplooi in den nek als bij een dog. Hij bestelde +Antonio, die naar zijn plaats wou gaan, sigaretten; de beide +heeren rookten en redeneerden over het voor en tegen van +de conscriptie; Badaud met de handen op den knop van +zijn rotting.</p> + +<p>Johan ongeduldig om 't lange wachten, keek eens om naar +Antonio, weêr op zijn plaats. De waard haalde zijn schouders +op.... hij kon 't toch niet helpen, wanneer die meid wat +lang wegbleef, 't was zoo'n rakker, die meid, een straat-slentster.... +een wilde.... die zijn vrouw verschrikkelijk +veel last gaf.... gisteren had ze den kleinen jongen op de +steenen laten vallen.... ah oui, monsieur, een wilde, en die +had hij nog wel uit puur meêlij in zijn huis genomen....</p> + +<p>En in een opvlieging van zijn gragen lachlust, als had +hij plotseling iets bijzonder koddigs gezien, ging hij aan het +slaan op zijn knieën, wippend met zijn lichaam, wiegelend +zoo zijn pret, zijn binnenst plezier.</p> + +<p>—.... "oh.... een historie.... imaginez-vous, monsieur le +peintre.... een paar maanden geleden.... ze was toen nog +niet hier in huis, was die meid boven van een bordes gesprongen, +in de straat neêr.... hi, hi, hi.... met éen razenden +sprong had ze zich gered voor een ouden Arabier.... een +ouden Arabier.... een grand seigneur de la ville.... die haar +in huis gelokt en schande had willen aandoen.... ah! bougre.... +quelle courageuse!.... een sprong van meer dan vijf meter.... +hi.... hi.... hi.... ge ziet het, niet waar?.... le vieux.... +zóo.... de sidderende handen in de leêge lucht.... rien!.... +Rebecca beneden, ongedeerd, als een kat op haar pooten +terecht gekomen.... hi.... hi.... en dadelijk aan 't hollen +gegaan, schreeuwend haar angst uit, de straat langs.... 't +geval had opgang gemaakt.... rijke geloofsgenooten en ook +Christenen, zelfs de Fransche en Oostenrijksche gezanten +hadden geld voor haar bijeengebracht, dat nu op renten gezet, +bestemd bleef voor een bruidsschat.... Dat is de bedoeling, +begrijpt u.... want natuurlijk is ze dan eenmaal een +partij.... zal er wel een man om haar komen die haar eerlijk +trouwen wil."</p> + +<p>Monsieur Badaud, om Antonio's lachen bijgedraaid, minachtte: +"des contes à dormir debout" en redeneerde voort +met monsieur Crépieux, als twee dorpsheertjes, die de oude +nieuwtjes van hun plaatsje wel kennen.</p> + +<p>—.... "en of er dan geen politie was of recht?" had Johan +gevraagd.</p> + +<p>—"Securo," schudde Antonio, "hebben we onze justitie.... +daar.... kijk daar.... notre police de nuit.... regardez!"....</p> + +<p>Hij wees de wagenpoort uit, waar de leêglooper onveranderd +geschouderd stond tegen het werkplaatsje aan, verschemerend +achter den sluier der zon, die in de straat begon +te hangen.</p> + +<p>—"Ah oui.... zijn wapens.... wacht.... ik zal hem +roepen.... iedereen die hier komt, moet dat zien.... Holé +Saleh!" riep hij van zijn plaats vandaan, al molenwiekend +met zijn arm.</p> + +<p>—"Ik zal hem uit uw naam een glaasje offreeren, let +eens op."</p> + +<p>Van den lichten muur was de donkere schooier losgeraakt, +er afgevallen als een rijpe vrucht valt van zijn tak, weggekropen +in zijn nachtachtige jas, slofte hij aan en stond onnoozel.</p> + +<p>Dan dadelijk los van handen, begon hij, makend een breeden +zoom, zijn kap terug te vouwen naar achteren, lospellend +den kalen kop zoo, en hij kromde zich voorover naar het +glaasje, dat tot overloopens bol, bibberde weêr in zijn weeïge +glimmeringen van kleurloos vergif. Hij lebberde er het zoompje +af, den overvloed weg en goot het toen, als die andere, in +zijn verlangenden snoet.</p> + +<p>—"Kijk goed," lachte de herbergier.</p> + +<p>De nachtwacht, die zich de lippen langzaam likte, haalde +onder zijn jas een zwarte knots vandaan, een glinsterend ding, +glimmend van ijzerbeslag; met een luie handtoesteking, alsof +hij 't voor de zooveelste maal al deed, hield hij den knuppel +vooruit. En gelijk 't lichten van een plots opgestoken vlammetje, +lichtte in Johan's hoofd toen het preciese begrip, dat er een +klein comedietje daar voor hem werd gespeeld. Neen, maar.... +die was goed.... die schoelje van een nachtwacht had hem +nageloopen, overal op 't Zocco stil gestaan waar hij stil +stond, lekker op zijn verhemelte het vuurwater al proevend.... +sapristi.... hij wist wel dat de waard hem roepen zou, om +zijn knots te laten zien.</p> + +<p>—"Maar kijk dan toch," riep nu ook monsieur Badaud, +van-op zijn tabouret, achter den Arabier omkijkend.</p> + +<p>De kerel, in zijn jas zoo duister als van oud hout een +gesneden pop, stond met zijn glimmend wapen in zijn vuist, +onder zijn kap aan 't lachen, welwillend; 't smoel gekerfd +door een dwarse grijns.</p> + +<p>—"Oui, daar slaat hij meê," ginnegapte Antonio, terwijl +de nachtwacht bevestigend met zijn hoofd aan 't knikken viel.</p> + +<p>—"Un baiser de cet ange ne me paraît nullement doux," +meende de kolonel.</p> + +<p>—"Ah, oui, il frappe," herhaalde Antonio, die scheen te +gelooven dat de schilder het voor een grapje hield.</p> + +<p>Lacherig keek Johan 't ding aan, een ebbenhoutachtigen +knoet, die van boven wel de dikte had van een jongenspols; +een leêren lis was door 't dunne einde geregen en daarmeê +hing het om den pols van den politieman. En met allerlei +vondsten had de nachtwacht zijn wapen harder gemaakt; hij +had er alles maar ingeslagen wat hij meester had kunnen +worden, scheen wel; schoenspijkers veel, een zaaisel van ijzeren +koppen blank geschuurd door 't gebruik, als de beslagen schoenzolen +van Duitsche straatmuzikanten; of had hij het gedaan +voor 't kinderlijk plezier om de glinstering, of omdat hij er +zijn borrels meê verdienen moest?.... en platte plaatjes ijzer, +als stukjes glas, 't hout ingedreven, vreemde figuurtjes geworden, +door het toeval ontstaan in een wildemanssmaak voor versiering.</p> + +<p>—"Ge moogt het wel dichtbij bezien," vertaalde de waard, +"en 't in uw hand nemen, zegt hij."</p> + +<p>—"Geef den man nog maar een borrel, Antonio," lachte +Johan, die den nachtwacht als een opgewonden mechaniek +met zijn hoofd snel van ja zag staan knikken.</p> + +<p>—"Is hij niet aardig, ce bonhomme, notre garde de nuit?.... +als u van avond naar huis gaat, zult u wel over hem heen +moeten stappen, hij slaapt den godganschen nacht als een +hond op straat.... regent het.... dan kruipt hij in een ton.... +maar wees op uw hoede, maak hem niet wakker, want dan +slaat ie er op."</p> + +<p>—"En ondanks dat, of liever nog, juist daarom," begon +monsieur Crépieux te leeraren, "is men hier zekerder dan in +de straten van Parijs."</p> + +<p>De nachtwacht, weêr in zijn huid heelemaal gedoken, duisterde +als een schaduw weg, de zonstraat in.</p> + +<p>Monsieur Crépieux ging voort Johan te onderwijzen over +'t zonderlinge recht in Marokko, en de betrekkelijke afwezigheid +van misdaden; moord was nog de meest voorkomende +crime; meestal een wraakgeschiedenis; maar diefstal bijna +nooit, en dat liet zich begrijpen, facilement.... "U hebt natuurlijk +de prison gezien.... en door het kijkgat al die miserable +gevangenen daar.... voor 't meerendeel opstandelingen, politieke +misdadigers, een enkele ook voor bloedschande. Eenmaal +in 't hok, komen ze er nooit meer uit, ze vervunzen +in 't vuil, sterven spoedig, en de medegevangenen schuiven +het cadaver door 't zelfde gat terug, waardoor het is binnengekomen; +ze sterven allen klachtloos, de een na den ander, +berustende in hun stupide geloof: que tout est écrit."</p> + +<p>—"En voor diefstal hebben ze nog een veel grooter absolutisme. +De eerste maal dat een man steelt, 't zij een ezel van een +buurman, of een kip, of iets van die noodzakelijkheden, wat +die arme lui malkander maar te benijden hebben, krijgt hij +een geeseling.... vlàn!.... op zijn naakten rug; maar wordt +hij voor de tweede maal betrapt, comprenez-vous, dan hakt +de beul hem op het hooge huis, tout court, de rechterhand +af. En zoo het ten derdemale gebeurt, begrijpt u, of ook +wanneer de diefstal groot is, dan oefent de bestolene op 't +Kasbah geroepen, zelve recht en brandt met een gloeiend +gepunt ijzer.... s.s.t..... den toch onverbeterlijken dief de +oogen blind; u zult ze wel hebben gezien, er zijn er hier +eenigen, ze zitten bij de poorten, of aan de markt, op de +hurken te schommelen, te bedelen met de linkerhand en roepen +het medelijden van de voorbijgangers in, op het deuntje van +hun miserabel geloofsartikel: 'God is groot.' Gij zult ze gemakkelijk +herkennen, ze zitten altijd met den neus in de lucht, +zoekend het licht op hun verschroeide oogen, die er precies +uitzien als de oogen van zangvogels door den vogelaar blind +gebrand.... straffen.... 't lijf pijnigen.... eh bien.... daar +hebben ze hier verstand van.... middeleeuwen noch inquisitie +vonden verfijnder tortures dan deze kaalkoppen van schurken.... +ik noem bijvoorbeeld: 'les mains au sel'.... excuseer mij +zoo ik u niet verklaar wat dat zeggen wil.... trop horrible.... +trop.... maar gij begrijpt.... zulk een recht jaagt er de +vrees in."</p> + +<p>Kordaat in al zijn doen had hij een nieuwe sigaret van +het buffet genomen en ontstoken, zeggend, "hij rookte te +veel", haalde de teugen in, blazend den stralenden rook zijn +sper-neus uit, en zat dan met het witte dingie tusschen zijn +nog onderrichtende vingers. Hij besloot:</p> + +<p>—"Je vous dis.... la peur, c'est une bonne chose."</p> + +<p>—"Assurément, la peur, c'est une bonne chose," beaamde +monsieur Badaud, "ik herinner mij, hoe 'k eens in Algiers"....</p> + +<p>Maar de dokter viel in de rede:</p> + +<p>—"Zou mijnheer daar, niet gelooven gaan dat wij heiligen +zijn, monsieur Badaud.... oh, als u een Arabier was...."</p> + +<p>—"Taisez-vous, docteur."</p> + +<p>—"Ah bah, monsieur Crépieux, vous avez raison.... la +peur, c'est une bonne chose.... je me tais."</p> + +<p>En teruggezakt in zijn onbewegelijk-zijn, verborg hij zich +achter rook-mondevollen, terwijl de beide heeren kameraadschappelijk +elkaârs gezelschap dadelijk weêr zochten, Badaud +rooder geworden bovenop zijn koonen.</p> + +<p>—"Bepaald," zei hij half-hard-op, "de dokter is dronken."</p> + +<p>—"Sans doute," bevestigde monsieur Crépieux.</p> + +<p>—"Is het geen zonde van een man met zoo'n intelligentie?"</p> + +<p>Johan, die wel voelde hoe dit eigenlijk tot hem gezegd +werd, was niets op zijn gemak.... wat drommel, konden +die menschen hun vuil linnen niet en famille wasschen.... +kwam die vervelende meid maar terug.... Antonio was ook +al gevlogen.... als ze nu kwam, ging hij dadelijk weg.</p> + +<p>Gepulver van goudstof, zakte de zon in de straatgeul +neêr.... 't liep naar twaalf uur.... achter den zonnedamp +was de steeg als breeder, de witte muur van het werkplaatsje +stond achteruit, van warme weêrschijnen bebeefd. En weêr +een loopende man deisde voorbij, badend nu in den lichtdamp, +hard en dichtbij klepte de slag van zijn sloffen. Boven den +drempel uit zat het knechtje steeds ijverig te pieken, vol +aandacht turend op zijn prettig getreuzel, maar schimmig +verschijnend in zijn blank hemdjasje, zijn lichaampje verteerd +in de kracht van het krioelende licht.</p> + +<p>Diep en donker brokstemde van achter uit de kroeg het +gepraat der beide heeren; zonder het te willen was Johan +er bij, moest hij luisteren naar wat ze vertelden. Crépieux +klaagde over de moeielijkheid fatsoenlijke Arabische vrouwen +te naderen, maar monsieur Badaud beweerde dat ging wel +en vertelde toen een geval. Uit den hoek reutelde een +slurpje.... blijkbaar rekte de dokter zijn grog.... wat een +zonderlinge man, roofvogelneus onder weeke open-luchts-oogen.... +waar had hij dat kijken meer gezien.... was +'t niet....</p> + +<p>—.... "En ik hield een vijf-pesetastuk in de hoogte, zóo!" +verhaalde monsieur Badaud, "de vrouw keek om, in haar +kleed onzichtbaar.... ik lokte, zóo; ze kwam dichterbij, +kijkend bangig over de heggen van aloë's; ik weet het nog +heel precies, in de verte tegen de berghelling op was een +Moor met een span roode ossen aan 't ploegen. Ze kwam, +aarzelend wel, maar ze kwam; ik bleef den vijf-frank toonen, +zóo. En telkens omkijkend, ik was nog meer den hoek omgegaan, +of ook iemand haar zien kon, kwam ze tot bij mij +en maakte toen haar gelaat open.... En of ze mooi was.... +dat zou 'k meenen.... ik heb haar gekust op mond, oogen, +partout.... natuurlijk voor de vijf franken."</p> + +<p>—"Gelogen," drifte dokters stem den hoek uit.</p> + +<p>—"Maak u niet boos, monsieur Badaud."</p> + +<p>—"Ik zeg u dat het niet waar is, dat het een onmogelijkheid +is voor een Europeër een Arabische vrouw te kussen.... +moi aussi, je connais un peu mon Afrique, monsieur Badaud, +une putain, oui, se découvre, nooit een fatsoenlijke vrouw, +c'est de la blague...."</p> + +<p>—"En als ik u toch zeg...."</p> + +<p>—"Zeg wat u bevalt te zeggen, ik zal u zeggen, dat +het niet waar is."</p> + +<p>—"Ivrogne," schold de kolonel onder zijn favorites.</p> + +<p>Bah, wat stonk die kroeg naar kaas, 't was er benauwd, +onaangenaam.... eindelijk....</p> + +<p>Stuivend om den muurhoek, slobberde in haar violette +jurk de Jodenmeid naar binnen; het koelwitte papierrolletje, +als iets dat ze gevonden had, hield ze in de hand vooruit. +En achter haar rug om, in den stofregen van bleekgoud +vroeg-middaglicht, zag Johan, met éen blik, den mooien +jongen schooier, dien hij daar straks op het Zocco gezien +had, in het vierkant der wagenpoort treden, op zijn bloote +voeten ging hij, voorzichtig met teêren tred. Aan den overkant +keerde hij zijn rug tegen den muur, trok zijn been +dadelijk op, zich schikkende zoo goed en kwaad dat ging, +in zijn voddenmantel.</p> + +<p>—"Ik vraag u duizendmaal verschooning, monsieur le +peintre," kwam Antonio de gangpoort uit spreken, "maar die +meid vertelt een heele geschiedenis, ze is overal geweest, 't +is overal druk in de bovenbuurten, vanmiddag gaat de processie +weg."</p> + +<p>—"Wie is die man daar, Antonio?" vroeg Johan, schichtig.</p> + +<p>—"Soleimon? o, een arme gek: hij wacht daar bij mijn +buurman op zijn eten."</p> + +<p>—"Spreekt ge Duitsch, Herr Maler?".... 's dokters stem +was al haar kantigheid kwijt, "ja, ein wenig?.... mag ik +u raden voorzichtig te zijn, als ge dien man soms teekenen +gaat, een gek, dat is een heilige hier, verstaat ge?.... de +Arabieren zouden het u kwalijk nemen, ze zijn wat fanatiek, +als ge 't nog niet weet."</p> + +<p>—"Men zal mij geen kwaad doen."</p> + +<p>—"Zoo, gelooft ge?"</p> + +<p>—"Voilà, dokter, eindelijk iemand waar ge meê praten kunt."</p> + +<p>—"Merci, Antonio, maar ge vergeet den redacteur van +de Réveil, l'Alsacien.... en onzen minister dan met den +blauwen bandelier...."</p> + +<p>—"Ha, ha!" schaterde de herbergier. Toen, Johan opgestaan +ziende: "om twee uur, vergeet het niet, gaat de processie +weg, ils partent du Grand Zocco."</p> + +<p>—"Verzuim het niet, het is zeer interessant. Ce sont des +religieux, des fous, des mangeurs de moutons. Men moet dat +zien, 't is zeer belangrijk uit een ethnografisch oogpunt."</p> + +<p>—"Merci, monsieur Crépieux."</p> + +<p>—"Mag ik meêgaan?" verzocht de dokter, haastig zijn +hoek uitgeschoven.</p> + +<p>—"Adieu, mijne heeren."</p> + +<p>—"Om vier uur kom ik aan 't atelier, dokter," riep +monsieur Crépieux, bazig.</p> + +<p>—"Bonjour, Antonio."</p> + +<p>—"Au revoir, docteur, mijn groeten aan uw minister, ha, +ha, ha...."</p> + +<p>De beide mannen waren de kroeg uit en onder de zonne-neêrzinking. +Achter zich hoorde Johan, Antonio's lachen nog +rollen, toen zij 't gekje al voorbij waren. Rustig stond de +jongen tegen den muur te droomen, vertoonend zijn sterk +en bloeiend spiernaakt, stil lachend zijn gelukkigen glimlach, +bestrooid nu en belooverd met zon.</p> + +<p>Ze gingen naast elkaâr.</p> + +<p>—"Ich möchte wohl mit Shylock sagen," begon de dokter, +als iemand die hardop denkt, "Antonio ist ein guter Mann," +toen plots zichzelven voorstellend, en met de oogen vragend +den ander, zei hij: "Mein Name ist Vogel."</p> + + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="III" id="III"></a>III.</h2> + + +<p>—.... "wat ge me daar vertelde is zeer karakteristiek.... +also Sie sind Holländer!"</p> + +<p>Zij daalden door de breede hoofdstraat, recht onder de +zon, midden loopend in den uitgezakten weg over de hobbelige +keien naar de haven omdalend.</p> + +<p>—"Drôle de pays votre Hollande."</p> + +<p>Ze gingen langs den bazar, een tentoonstellingshuis, opzichtig +beschilderd, met achter de vensters, uitstalling van +filigrane-mooie dingen, en van veel aardewerk, dat naar +buiten glom uit de schaduw van 't mineraalkleurig verglaassel. +Ze liepen de moskee langs, waarvan de kerkpoort wijd open, +maar 't inzicht naar het heilige als achter een voorhang +versloten was door een hoogopstaande mat. Zweeterig-gele +sloffen, bij paren schots en scheef op den grond, want daar +binnen was 't altijd gebed. De straat droogde tot wit, er +liep geen mensch in de straat.</p> + +<p>—"Oui, ik ben er tweemaal geweest."</p> + +<p>Op de moskeetrappen en onder den rullen straatmuur lagen +duistere kerels languit te vadsen, als gestrafte dieven plat op +den buik, en er zaten er gerugd tegen den wand, vodderig, +met den kop weggeschrompeld in de schaduw van de kap; hun +monden waren opengevallen in de lamheid van den slaap.</p> + +<p>—"Ja, tweemaal.... wie die Zeit schnell geht.... +voyons.... ik was in Amsterdam voor een internationaal +hygiënisch Congres.... gemoedelijke lui die Hollanders.... +en de tweede maal, om relaties te zoeken voor een andere +groote reis door Afrika's binnenland, die ik toen prepareerde.... +ik was niet altijd wat ik nu ben.... wissen Sie.... +verstandige lui die Holländer.... natuurlijk is u ook een zeer +intelligente man."</p> + +<p>—"Hoe zoo?"</p> + +<p>Ze gingen drinkbakken voorbij, waar paarden aan slobberden, +roodbruine, als nieuwe kastanjes glimmend onder de +zon; een melkwitte hinnekte, den toom op den nek tusschen +het gespleten maanhaar; ze stonden met uitgerekte halzen, +water morsend langs de soepele lippen en langs de gele +graastanden, de bitten rinkelden tegen de bakken, ijzergeluid +klinkklonk in de zonnige straat.</p> + +<p>Bijna zonder eigen schaduw op den grond stapten ze; +Johan zag naast zich den dokter loopen, grooter dan hij +zelve, al liep deze ook met een ronden rug, als in de schouders +geknakt. Vogel ging voort in zijn schunnig-blauwe jas, glimmend +tot langs de beenpanden, de hand aan zijn pijp, rookblazend +veel boven zijn stijven romp, voorover geheld ook in de +daling. Hij ging zoetjes aan, als iemand die over den schouder +wat voorttrekt, als een myop mensch met halfdicht turende +oogen. Nu van ter zijde bekeken, was zijn snavelneus het +voornaamste van zijn gezicht, schedel en kaakstuk leken +onbelangrijk bijna; aan zijn voorhoofd, dat druk van rimpels, +bultte onder een ouden flaphoed, groezelden uitgebleekte, als +weggeschroeide wenkbrauwen. Weifelend kromp de kin +achteruit, stekelig van roode en grijze stoppels, ook waren +zijn wangen slordig onder een baard van acht dagen; maar +klein en verstandig schulpte het oor met een dikken luisterrand. +En zijn mond verdween geheel onder een bos half-cirkelende +snorharen, in 't midden als pegeltjes, altijd nat, onder de +dubbele beademing van mond en neus.</p> + +<p>Ze liepen de straat af, de weg elleboogde, en een poorttunnel +door. In den dunnen schemer zat er een schildwacht +op een bank, als een vrouw in witte kleêren, alleen zijn +oogen leefden. En zij daalden tusschen stomme muren, wallen; +hoog was het zonblauw.</p> + +<p>—"Verstandige lui, uw landgenooten," vervolgde Vogel +in een droge, opsommerige gewoonte van maar-door-praten, +"en extra-ordinaire gemüthlich." Hij gebruikte een onverschillige +manier van redeneeren, bandeloos sprong hij over van 't +Fransch- naar 't Duitsch-spreken.</p> + +<p>—"Die brave monsieur Crépieux met zijn schorpioenen.... +dat wil entomoloog spelen.... aartsdomme kerel.... ik had +ze wel in een half uurtje kunnen gevangen hebben.... maar +een anderen dag.... wissen Sie.... als ik een dag wat veel +gevangen heb, deponeer ik er wat van in den toren.... niet +zeggen, hoor.... Antonio versteht mich.... moest Crépieux +niet begrijpen kunnen, dat met nat weêr niet te vangen +is.... wijntje gedronken.... wissen Sie, met den wachter van +den vuurtoren op kaap Espartel, een landgenoot van me.... +nu ja, Oostenrijker.... ik ben Hongaar.... zijt ge al geweest +op kaap Espartel?.... Neen.... mooie wandeling...."</p> + +<p>Als iemand die de behoefte heeft zich uit te praten na +lange stomheid, raffelde zijn stem; lijmerig leuk, of spotziek, +met een ietwat dikke tong en dan in eens heel rad of het +van binnen bij hem stookte.</p> + +<p>Een Arabier draafde achter een ezel tegen de straat op: +brandrood gloeide zijn fez. De vent begon zijn beest te slaan +en aan te schelden, omdat 't niet voort wou, maar met luie +gretigheid lipte langs de rottige muurkanten naar de dorre +distels.</p> + +<p>—"Weet ge wat die meerschuimen pijpekop daar langs +ons uitschreeuwt? 'Vooruit, hond van een Christen,' roept +hij naar zijn bourriek.... We staan niet erg hoog aangeschreven, +vindt ge wel.... de kerel verlangt naar zijn slaapje.... ja, +slapen, slapen te kunnen!"</p> + +<p>'t Pad geelde, want het strandzand begon den weg te +bevloeren, 't loopen werd al moeielijk.... zoo dadelijk zou +de zee wel verschijnen. Maar de dokter sprak voort en +Johan's oogen begonnen van zelve het kijken te laten, hij +begon meê te loopen in de dommeling van den praatroes. +Telkens voelde hij wel het klotsgeschok van zijn teekentasch +tegen zijn beenen, maar overigens.... Wie zou hij zijn, wat +was dat voor een man?....</p> + +<p>—"Badaud is een jakhals.... wissen Sie, en Crépieux.... +ah bah!".... Vogel maakte met zijn pijp een zwaai door de +lucht of hij lastige vliegen wegjoeg; het klakte sussend +in zijn mond.... hij herhaalde: "ah bah.... wat kan dat u +schelen!"....</p> + +<p>—"Kaap Espartel?.... vier uren hier van daan," gaf hij +antwoord op Johan's vraag.... "altijd als ge den ouden weg +neemt, de nieuwe gaat in drie uren direct naar den toren.... +menig keertje er geweest.... de rotsen waar de toren op +staat, zijn rijk voor een snuffelaar als ik ben.... die vuurtoren.... +als ze maar durfden, braken de Mooren vandaag nog +dat ding af.... dom volk, zou amice Badaud zeggen.... maar +ik vraag, wat kan hun die straat van Gibraltar schelen?"</p> + +<p>—"Die toren? wel,.... die is daar gebouwd door een +Fransch ingenieur, voor rekening van een internationale +compagnie."</p> + +<p>—"Ja!.... een compagnie.... une compagnie.... wie +heeft ooit kunnen uitmaken wat een compagnie is, vraag +zulke dingen aan Antonio.... al de mogendheden hebben +er natuurlijk belang bij dat de vaart door de straat goed +is.... die toren is een internationale behoefte.... voilà ce +phare. Braun, mein guter Wiener, is daar wachter.... Immer +ganz allein da oben."</p> + +<p>—"Holland".... bromde hij weêr met zijn ontevreden +binnensmondsche stem, als hij antwoord geven moest.... +"Holland?.... weet niet, denk van niet.... Holland, zeg.... +hoeveel malen zijt ge Holland buiten Holland al tegen gekomen.... +Voor eenige jaren was hier nog een Hollandsch +consulaat.... de Belgische is nog een groote heer hier.... +maar 't was te duur, een eigen consulaat te hebben, en nu +neemt een ander 't baantje waar.... dass versteht sich.... +de Engelsche of de Zweedsche of de Belgische, of een die +het op een koopje voor drie, vier landjes gelijk waarneemt.... +hm, 't is een lastig ding.... vraag het maar aan Antonio, +die krijgt al zijn brandewijn uit Holland.... sind ja doch +wirklich ganz gemüthliche leute, die Holländer.... Drôle de +pays.... Rooken dat is goed tegen de vliegen, wissen +Sie!...."</p> + +<p>Hij snapte, mopperde, dikwijls moeielijk voor den ander +te verstaan; in zijn damp loopend, blies hij den rook machinaal +voor zich uit.</p> + +<p>—"Il y a là-bas du bon tabac, 't is waarlijk een culte +bij u, al die mooie winkels waar tabak verkocht wordt, on +dirait des temples!" sprak zijn stem hoog, met wat kinderlijks +in het geluid.</p> + +<p>—"Niet waar? beste tabak."</p> + +<p>—"Ah oui, c'est quelque chose."</p> + +<p>—"Een pijp goede Porto-Rico, hé?"</p> + +<p>—"Daar herken ik u weêr.... Drôle.... Antonio heeft +Hollandsche sigaren.... kosten bijna niets."</p> + +<p>Al het toeschietelijke en kameraadachtige in zijn manier +van praten was als in eens gevlogen. Hij zei niets, stapte +voort, of de ander niet naast hem ging.</p> + +<p>De weg verliep tusschen verweerd rotswerk. Links, waar +Vogel sjokte, steeg de wand rechtop, berghoog. Het Hôtel +Central stond daar, een groote til gelijkend, in de lucht.... +"sapristi, wat hoog."</p> + +<p>'t Pad was enkel zand geworden. Tusschen de wallen door +kwam het blauwe water van de baai op-en-op verschijnen, 't +geleek een scheur tusschen heuvels en aarde; een witte +schuimstreep, feestelijk als een lange veêr, wuifde en speelde +er door heen. En vèr-in, met de illusie van stilstaande poppetjes, +prijkten een paar boompjes, smal en rood onder de +roze heuvels, nog in najaarsgebladert.</p> + +<p>Hoog de zon.</p> + +<p>Toen was de weg zoo een duin snel afdaalt. Zij waren +de muren uit.</p> + +<p>'t Strand lag verlaten. Daar aan de borstwering, een +eindje nog langs de zee, leunde een man met lange, bloote +beenen, de schouders op.... 't leek wel een hoofdloos +mensch.... stond hij te slapen?</p> + +<p>De dokter vertelde onverschillig, voor den wind weg.</p> + +<p>—.... "Ik herinner me vooral van Amsterdam een ouden +mijnheer.... in mijn gedachten, rare gedachten.... noem ik +hem altijd: le vieux. Tijdens het congres was ik meermalen +zijn gast.... dat was een rooker.... hij had heel wit haar, +overvloedig, als zij zoo zacht, en witte handen, verbazend +blank met rose nagels.... ik zie hem nog.... het lachje +waarmeê hij na 't diner een sigaar presenteerde.... ik hoor +nog zijn zachte stem, als hij, na 't dessert, de mooie handen +op zijn buik, rookende voluptueus en zichzelven bestreelende +wanneer hij over zijn goed land sprak, zacht lachte.... o, +suave, wanneer hij Fransch praatte.... en dan die handen +met het rimpelige vel als hij goed gegeten had.... 't was +zoo lekker dommelig.... dikwijls is 't mij later in Afrika's +woestenijen gelukt, wanneer ik na een wilden dag, van overspanning +onder mijn tent niet slapen kon, in te slapen door +te denken aan 't geluid van die stem, zoodat ik 't hoorde.... +te denken aan die witte, zegenende handen, zoodat +'k ze zag.... Le vieux bonhomme.... om u de waarheid +te zeggen.... hij verveelde me soms geweldig, votre compatriote, +wissen Sie.... c'etait trop doux.... Herr Gott, +ja.... Eens herinner ik me, 't was bij een diner met de +congressisten.... Gott, Gott.... wat is dat lang geleden.... +mijn gastheer opgestaan, een toost van hem bij 't dessert.... +ik niet alleen had een glaasje gedronken, wissen Sie.... 't was +niet om te verdragen.... ik zat een eindje van hem af.... +zijn mond ging open en dicht, gapen, geeuwen, 't was of +hij sneeuw at, zijn woorden smolten in zijn mond. Toen heb +ik mijn handen aan den rand van de tafel moeten vastklemmen, +wissen Sie.... want ik wou opspringen en hem naar de keel +vliegen.... het uitschreeuwen.... mais criez donc, nom de +Dieu.... die goeie oude heer, hij had 't moeten weten.... +We zullen maar wat blijven loopen hier aan de zee, vindt +ge het goed?.... we hebben nog wel den tijd, 't is nog niet +éen uur op de zon, dat klokje staat maar nooit stil.... 't +is hier frisch, 't stonk daar ginds.... poeh.... petit homme, +also Sie sind Holländer! Gij zoudt met mij niet in Amsterdam +langs de straten willen loopen, hè.... wat zeg ik."</p> + +<p>Onverwacht sprak hij op den man af, en evenals wanneer +hij zijn wissen-Sie's uitsiste, loenschte hij om naar Johan, die +zijn mond vol tanden voelend voor dien onstuimigen woordenstroom, +de kwelling onderging van niets terug te kunnen +zeggen.</p> + +<p>—"Nun, nun," zei Vogel.... en hij suste weêr klakkend +met zijn tong, "laten we hem met vrede; 't is waar, moi, +je suis un homme fini.... waarvoor en waarom leef ik +nog.... is het niet omdat ik te lui en te bang om te sterven +ben?"</p> + +<p>Hij was blijven staan, turend of hij wat zag boven zee, +de oogleên in peinskringen om de oogen gekrompen, met +een schuine vouw hing 't vel uit de kas, drukkend het +bovenlid neêr; wat waren zijn pupillen zwart, verdonkerd +nog in de staring, als een inkijk in zijn duister binnenste; +het blauw er om heen brak onder de dichtrimpeling vanonder +de oogharen.... zouen die oogen niet zoo zijn als hij +gestorven was?.... Neen, dat was geen man die om meêlij +bedelde.</p> + +<p>Ze stonden beiden gezicht in gezicht. Stilte van een warmen +slaap was om hen.... hoog de zon. Een blauwe rookgulp +wolkte achter de snor van Vogel vandaan, vrij van achter +de gulden tralies der knevelharen: lichtend wittig dan het +licht in, stuivende pluisjes zondamp dan de ruimte door.</p> + +<p>—"Wat is rook toch een mooi ding, hè!" zei Vogel.... +"ach, Herr Gott, da fang ich wieder an sentimentalisch zu +werden."</p> + +<p>Ze stapten weêr verder.</p> + +<p>Naast hen lag de baai blauw-uit, vlak gestrekt in zonnige +rust. 't Water ebde. Loom deinden de lange waterbanen, +rimpels en niets meer, onverwacht als denkplooien komen in +een effen voorhoofd, kwamen ze op uit 't kalm soezende +nat, met lange schuimuitkruivingen, bewegingen van zachte +zwemmers, meeuwveêrwit aanscheren. Maar op het zand +plaste het water uit tot een plots-kokende waterborreling, +even kwaad, dan zoog en trok de baai zijn banen achteruit, +pareling nalatend op 't strand, als bronwater op de tong, +in een gisting van geruisch.</p> + +<p>Aan den overkant lag blank, met een kerkspitsje laag, +vaag een wit menschendorpje, aandommelend met zachte +spiegeling onder den wal.... het vaste land weêr.... +Europa.... maar verdroomd achter 't licht. Rechts, een +bastion in zee, Gibraltar's dreigende torenschim, en met een +sprong der oogen het waterblauw, de straat, over, de toegankelijke +straat naar de onbekende groote en diep-in geweldig-lichtende +Middellandsche zee; en dan de rood omsnellende +heuvelreeksen.... Afrika al.... woningloos.... vèr aan den +duizelenden horizon het gesilhouet van den Atlas, berg-ijs-blauw.... +en vlak hierbij.... duinen.... wit zand met twee +schrale boompjes als witte berkjes.... begoocheling van +eigen stranden.... woestijnbegin en thuis, en dan een dadelijk +verschrikkelijk gevoelsvisioen van dorheid en dorstlijen.</p> + +<p>—"Ongeluk, 't is een ongeluk," zei Vogel, en 't klonk +als een jammering in den wind, "een groot, goed mensch +geboren te zijn."</p> + +<p>Hij lachte luid na, even schril:</p> + +<p>—"Vraiment, c'est du Sophocle.... waarom niet?"</p> + +<p>Zij liepen over het natte en donkerder zand door de +waterkeering verlaten. Het strand deinde onder de stappende +voeten.</p> + +<p>—"Des bêtises, wissen Sie, maar dat is toch erg, gehoond +te worden tot het laatste, te moeten verdwijnen, zonder dat +vuile, krieuwelige tuig, mijn innige verachting in 't gezicht +te kunnen spuwen. O, ce Crépieux!" en zijn knorrige stem +was met vocht beloopen, "hij is me de baas."</p> + +<p>Ze liepen. 't Zand lag in lange ribbelingen; op de aarde, +als op een reuzenschaal had de zee den geleidelijken achteruitgang +gemerkt van het almaar ebbende water.</p> + +<p>—"Vergeef me," begon hij wat weeker, "wat kan het u +schelen als ik naar den grond ga.... ça arrive.... n'est-il +pas que tout existe pour faire penser?.... maar och, ik zou +willen nu, dat ge me gekend hadt, vroeger.... en waarom?.... +dat ge wist hoe mooi ik begonnen ben.... Bah, wat brandt +dat water daar fel in mijn oogen".... Hij spoog op 't zand, +den mond vol speeksel, gaf een veeg langs zijn snor met den +rug van zijn hand.</p> + +<p>—"Attendez!" zei ie, "mijn pijp is vuil."</p> + +<p>Hij stond weêr stil. Johan met hem. Vogel bukte naar +den grond, zoekend een stokje of een strootje of een verloren +veêr.</p> + +<p>Het strand blonk nog altijd verlaten. Heel in de verte +leek het wel of er menschjes liepen, donkertjes onder de +ietwat al dalende zon. Walmpjes wind doesden breed aan, +op de tong verziltte het speeksel, en een benauwde nicotinegeur +ging om de pijp van Vogel.</p> + +<p>—"Daar," wees Johan naar den grond den dokter aan, +die laag, bijziende als hij was, met de handen scharrelde.</p> + +<p>—"Daar, neen, die is te kort."</p> + +<p>—"Is die goed?"</p> + +<p>—"Merci."</p> + +<p>Ze kwamen beiden op, Vogel even kreunend.</p> + +<p>—"Badaud?" vroeg hij, met zijn pijp onder zijn oogen +peuterend, "hoe vindt ge Badaud.... kolonel.... geloof er +maar niets van.... de la blague.... ach, Badauds kunnen +alleen zwakkelingen als ik ben kwaad doen, wissen Sie.... +maar Crépieux.... pas op de Crépieux."</p> + +<p>—"Zoo," zei Johan, zacht meêgaande en proevend uit +den klank de bedoeling.</p> + +<p>Stom was hij naast den dokter blijven loopen. De kleine +vertrouwelijkheden van dien man, van wien hij voelde hoe +hij onder de zon al in den dood leefde, bleven in hem vallen +en brachten meê hun eigen zwarte beklemdheid. Hij liep naast +Vogel, soms met het onpasselijke gevoel dat angst voor iets +onbekends geven kan, iets dat men uit zou willen spuwen, +zoo kropt het in de keel, en dat men maar niet van zich +af te zetten vermag. Hij bracht zijn handen aan zijn zij, +instinctmatig, als om zich zoo bij elkander te houden.</p> + +<p>—"Laten we teruggaan," sprak weêr in rookdamp, +Vogel.... "'t is half twee.... hoor, de muziek is boven."</p> + +<p>Schaduw sloeg al voor hun voeten uit op 't korrelglanzende +zand, schaduw als van dwergmannetjes. Het zachte +branden van de middagzon prikte Johan in den hals nu.</p> + +<p>Ze gingen. Vóor hen om de kromming der baai praalde +de stad in 't op- en uitgestapel van haar bordessen, met +het optronende hooge huis, zonblokkend op de schroeierig +roode rotsen. Gelijk een star maanvisioen verscheen Tanger +boven de blauwe pracht van het soezende water, onder de +luchtblauwe overspanning van den wijden hemel.</p> + +<p>Beneden donkerde het havenwerk, rommelig, maar verlaten +van drukte; een keikleurige pier stak het water in, en de +Moorsche lichtervaartuigen met de dwarslijnen van hun ra's +met gereefde zwarte zeiltjes, guirlandeerden er tegen de vuil-blanke +onderste huizen van de oude stad. Maar zie, lager +naar het strand, daar was al beweeg van omloopende figuurtjes, +wittigheidjes van burnous en kleurtjes van kaftans. Ze gingen +schichtig de walstraat in.</p> + +<p>Buiten de baai, in de wijdweg blauwende waterruimte, +van plezierscheepjes scheen wel, witte zeiltjes.... twee, drie, +vier, als driehoekige vogelvlerken.</p> + +<p>Maar uit het stil stralende stadje zoemde, en al dichter +en duidelijker, het openluchts-joedelen van een herdersfluit, +woestijnmuziek, en toen aangedragen op den wind, het ondergrondsche +gebom van een geslagen trom; 't woei weêr weg, +maar jagen kwam een wilde snerp, dol geworden, zich opslingeren +in de lucht.</p> + +<p>—"Ik vraag mijzelven af," ging Vogel voort, "waarom +toch vertel ik u dat alles, aan u, dien ik voor een uur nog +niet kende.... steun zoeken.... zwakheid van me.... 't is +waar, ge hebt geen kwaad gezicht.... laat kijken.... dat +bedriegt wel.... dan.... gij zijt een Hollander en ik ken +uw land tamelijk wel, votre drôle de pays," begon hij weêr +te schimpen.</p> + +<p>—"Ge schijnt erg in uw schik die uitdrukking gevonden +te hebben," liet Johan merken dat hij geraakt was.... "of, +en dat is niet aardig, ge wilt twist met me zoeken."</p> + +<p>—"Waarom?"</p> + +<p>—"Omdat ge nu al zoo dikwijls hetzelfde zegt."</p> + +<p>—"Ah bah! zet er u toch geen gal van, jongmensch.... +'t is om te lachen.... lachen, lachen.... meer waard dan +de vrees, die de patroon.... pardon.... monsieur Crépieux, +ons zooeven aanprees.... leer lachen.... Bah, daarvan komt +al mijn kwaad.... ik deed het nooit genoeg.... Zeg zelf, +wat baat het mij nu, lachen te kunnen.... en wat scheelt +het een ander als ik vroolijk ben.... u, par exemple.... +over uw Holland, en pour cause...."</p> + +<p>—"Dat doet me zeer."</p> + +<p>—"Allons donc, 't is de moeite niet waard."</p> + +<p>Met de zon in zijn nek, begon er kwaadheid in Johan te +schroeien en hij flapte uit:</p> + +<p>—"Ik wou dat ge uw mond hieldt."</p> + +<p>—"Dat zegt monsieur Crépieux ook, ha!"</p> + +<p>—"Ge kent mijn land niet, al denkt ge 't, gij hebt niet +het recht met mij te spotten."</p> + +<p>—"Allons donc, votre Hollande est tout bonnement un +pays fini."</p> + +<p>Vlàn! als een klap in 't gezicht, ontving Johan Vogel's +onverschillig in den wind gegooid oordeel. Hij had een twist, +een kibbeling verwacht en gewenscht, maar nu dàt, als 't +eindbesluit na een lange redeneering sloeg zijn kwaadheid +stuk. En het was of er een ander naast hem sprak, toen +hij zijn eigen wrevelige stem hoorde zeggen:</p> + +<p>—"Ge liegt."</p> + +<p>—"En waarom?"</p> + +<p>—"'t Is niet waar."</p> + +<p>—"Ah, jongmensch, ik weet het heel wel.... ge zijt +artist, et tous les artistes rêvent aussi un peu la gloire de +leur pays.... maar zeg, waarom zou ik liegen, waarom u +plagen, wat kan het u schelen, herhaal ik, wat ik meen, +ik.... ik die de gewoonte heb gekregen alles luid uit te +zeggen wat ik denk.... waarom?...."</p> + +<p>—"Waarom? waarom? weet ik het?".... zonder het te +willen deed Johan Vogels stem en manieren na.... "gij die...."</p> + +<p>—"Ge durft niet.... omdat ik een verloopen kerel ben, +wilt ge zeggen, is het niet zoo? wat is de waarheid eenvoudig, +niet waar?.... ik wou dat dat water niet zoo helsch glom.... +maar, petit homme, dat maakt het mij juist zoo gemakkelijk +te zeggen wat ik denk.... où est donc votre fameuse +intelligence?.... menschen als ik.... zijn als groote gekken, +wissen Sie, ze hebben niets te verliezen, ze hebben niets te +bewaren."</p> + +<p>—"Verdomme," vloekte Johan.... en hij zei maar wat.</p> + +<p>—"Wat, wat zegt ge.... goeie individuen.... maar zijn +die niet overal.... onder de.... Dinka's, onder de Hongaren, +n'importe.... waarom dan niet in uw Holland.... sans doute, +'t is là-bas als in mijn uitgeblonken leven.... vonken nog.... +ah oui.... opflikkerende vonken.... des morceaux de pensées.... +maar het lichaam.... wissen Sie, la masse reste +inerte, frappée d'apoplexie."</p> + +<p>Wederom moest Johan maar wat zeggen, verslagen. Wat +te antwoorden aan de driestheid van zoo'n naren kameraad, +die in de vernietiging van zichzelven, den ander te treffen +wist in zijn ongelukkige origine.</p> + +<p>—.... "Waarlijk.... ge hebt gelijk, waarlijk, das bewegt +sich, ça existe, 't maakt leven.... jawel.... als deze zee, +wissen Sie, die maakt ook leven.... hoor.... maar in waarheid +beweegt het water niet, water is traag, voortgaan doet het +niet.... 't schommelt, 't schommelt.... uit.... thuis.... un +songe.... begoocheling van beweging...."</p> + +<p>—"O, we hebben nog kracht, we zullen nog veel.... +we zijn nog rijk."</p> + +<p>—"Steinreich, niet waar?.... Zijt ge 't bij geval zelve?.... +Herr Gott, noch einmal.... daar weet ik van.... rijk.... +waar is dan toch uw rijkdom.... une tradition.... als uw heele +bestaan là-bas.... Rijk.... des vaches.... voilà une trouvaille."</p> + +<p>—"We hebben nog, we hebben...."</p> + +<p>—"Wat?"</p> + +<p>—"We hebben nog groote artisten, par exemple, tout le +monde le dit...."</p> + +<p>—"Jessus...." hoonlachte Vogel met zijn hand aan zijn +oor.... "daar heb je den ouden heer weêr.... hm.... hm.... +een volk dat groote artisten heeft is zelve groot.... want +de artisten komen toch uit het volk.... qui le dira, je demande.... +Hij heeft ze mij genoeg aangeprezen, uw artisten.... +le plus fameux.... une femme, n'est-ce-pas? et.... mais ce +sont des vrais Mormones là-bas.... Drôle de pays.... dat +is er van gaan houden zoetjes gekitteld te worden...."</p> + +<p>—"Ik waarschuw u, mijnheer!"</p> + +<p>—"Dreigen geeft niets.... dadelijk doen.... nu is 't al +te laat.... nu zijt ge alweêr wat kalmer...."</p> + +<p>—"Petit homme, petit homme...." vervolgde hij, gemoedelijk +lurkend, "zet u er toch geen gal van.... à quoi +bon?.... voorheen heb ik ook wel eens gedacht, sprekend +met een goed mensch là-bas, dat uw vroeger zoo sterk, zoo +springlevend volk zichzelve suicideerde, bewust, omdat 't niet +anders kan.... maar 't is niet waar.... wissen Sie.... comme +moi, traînard.... oh! ik weet wel.... ah, bah.... gaan we +maar weêr naar boven.... even aanloopen bij Antonio en +daar, wed ik, offreert ge mij een glaasje.... drinken, een +sigaar in de zon rooken.... voilà, mon cher, voor 't oogenblik, +absolument quelque chose."</p> + +<p>Hij had Johan onder den arm genomen, maar die, wrokkend, +zei:</p> + +<p>—"Neen, daar houd ik niet van, ik loop liever los."</p> + +<p>En de zee verdween. Daar op de borstwering leunde nog +altijd de man, of hij te slapen stond.</p> + +<p>Van-om de haven daalden nu veel menschen: vrouwen +bij tweeën tredend, spookrecht in hun omsluiering; sommigen +hadden een ronden bobbel uitpuilen van achteren, door het +onder de doeken op den rug gedragen kind; en heeren, kalm +loopend, ook in omsluiering tegen de zonnebranding. Veel +mannen, werklichamen, kwamen op hooge naakte beenen +aan, die ze uitwierpen, neêrspalkend de voeten in de smakkende +muilen; scheenspieren spanden taaie vezels onder kuiten +als van hard hout. Forsch met de armen zwaaiend, weken +zij den hoek om en de walstraat in, dadelijk kleurend in +samenlooping, of gingen den buitenweg op die achter de +muren cirkelt rond de stad.</p> + +<p>Johan en de dokter liepen meê in de walstraat, maar Vogel, +thuis, sneed al gauw een zijsteeg in, en ging toen links en +rechts, wankelend over 't lastige pad als een dronken man, +in zijn pijprook schier dravend. Ternauwernood hield Johan +hem bij. Langs versch gekalkte, met oker besmeerde muren +gingen ze, lage slopjes door, nauw en gedrongen in gelen +schemer, soms pakkend op een hoek een worp zonlicht gelijk +een neêrgeschoten pijl. De straatjes volgden elkaâr, vaal als +harpuis of wittig van wanden, bespat, bedrekt, waar een +oud geluikt raam en op de ribbels met zand bestoven, soms +met kruishouten dicht was; over een weg vol gaten struikelde +Johan met telkens zwikkende voeten den dokter achterna, +hoog en laag door de drogende modder, over struiken en +groen, bossend en bezemend overal, vegeteerend in den vruchtbaren +zonne-schemer.</p> + +<p>—"Loop toch wat aan," riep Vogel.</p> + +<p>Dan gingen ze voorbij een kleine deur en met een snellen +inkijk zag Johan als in een droom, er een vrouw staan in +een hemelsblauwe pantalon die uitpofte, opgeblazen scheen +om de dijen, maar om de enkels straks was. Zij hing kleêren +over touwen te drogen, hief de armen boven het hoofd op, +het zwarte vestje plooide langs haar borst, soepel in 't witte +onderhemd. Kin en bovenhoofd had ze, als bij een gekwetste, +in doeken gewonden, aan haar voeten graaide een kind over +den vloer van gebakken steenen en spartelde met de naakt-blozende +beentjes in de lucht. Verderop verliet een Moor zijn +huis, overstappend het drempeltje, neêrbukkend uit het lage +kozijn, met een verstoord kijken ging hij norsch voort. En +een schrale Hebreër, schriel-spichtig van kop, met een pluizigen +en wormstekerigen baard, die een oude vijgenmand aan een +touwhengsel in den knik van zijn arm had hangen, die een +tooneelachtigen wandelstaf telkens tikte op den grond, liet hen +voorbijgaan, groetend beleefd met de hand op zijn hart, +door de looze oogen nieuwsgierig vragend: "wie zouen dat zijn?"</p> + +<p>De muziek wandelde, scheen wel, oproepend door de stad. +Onverwacht, gelijk aanwaaiing van tocht, zoemde bij wijlen +het schreien van de verre rietfluit, en dompte het geboem +van de gong; het was met den vinger aan te wijzen waar +de muzikanten liepen.</p> + +<p>Vloekende, van binnen nog kwaad, strompelde Johan achter +den dokter aan, die zwaaiend met één arm, met langere beenen +harder loopen kon.</p> + +<p>.... Duivelsche vent, dat noemt zich òp en wat kan hij +nog hard loopen.... Kijk, zijn eene schouder is hooger dan +zijn andere.... en een neiging kropte in Johan's keel om +Vogel uit te gaan jouwen, onder het loopen hem na te schreeuwen.... +Zeg, struikel niet over je scheeve hakken! zeg, trap niet +op de randen van je pantalon! Sapristi.... daar kon je op loopen, +dat klonk als een deuntje.... trap niet op de randen van je +pan-ta-lon.</p> + +<p>Nog een hoek om en weêr een bocht. Vogel gaf een ezel +die in 't straatje graasde, een stoffig-klinkenden klap op het +kruis, 't beest sjokte uit den weg.... toen, een eindje snel +dalend en ze waren als neêrgevallen midden in de straat, in +eens herkend, die van 't Kleine naar 't Groote Zocco gaat, +en waar onder de zon de drukte in de breedte drong.</p> + +<p>—"Te laat voor Antonio," zei de dokter, even keerend, +"de muziek is achter ons, boven, hoor maar!"</p> + +<p>Dof, in een breede uitrolling van een geluid dat veel lucht verzet, +dichtbij gehoord als na-dondertjes over wolken vertuimelend, +bonsden nu de slagen van de donkere trommel: boem, boem, +boem, gronderig onder het neusachtige getoeter van de klagelijke +klarinet.... hoor!.... dat klonk als een melodietje, almaar +dezelfde vijf, zes nootjes, je zou ze kunnen teekenen, het overspringen +van de krijtende klankjes, een lijntje als een snel bliksemstraaltje, +zigzaggend, en dan den gillenden snerp, recht.</p> + +<p>Een keiige vloer, baande de straat op; drukte joeg onder +de huizen, storend telkens de eenzelfde beweging van kalm +opgaande menschen. Aan weêrszijden der straat winkeltjes; +tusschen de lieden door zag Johan weleens een koopman +gehurkt zitten op zijn mat, in de schaduw en aan 't rooken +alsof er in de wereld niets anders was te doen, keek hij uit +stil-bruin, doffige oogen den voorbijgaanden menschendrom +aan. Op de platformen boven de winkels stapelde veel opgeborgen +pakhuistuig; manden en tonnen, vervreten door +regen en veel zon; hooger stegen dan weêr muren naar het +blauw.... Daar gaapte een zwarte hoefijzerpoort over de +hoofden.... van een hal, leek wel.... en kijk, daar puntte +de hellebaard op van den marabout.... van dien aansteller +in zijn splinternieuw oranje theaterpak.... den heilige met +zijn gemeene, branderige oogen.... Zie, hoe dat ding gepoetst +was en blikkerde in de zon.... Die vent liet zich teekenen.... +dat had de gids verteld.... Een Belg had eens een schilderij +naar hem gemaakt.... een heel duur.... dat weêr had Antonio +verteld.... Hè.... wat rook die Arabieren-rug daar vóór +hem.... muskus.... en uitwaseming van sterk vleesch.... 't +stonk wild....</p> + +<p>Zij liepen al onder den walmuur, nu aan het Zuidwesten +van de stad. Ze gingen de straatpoort door. Daar zat zoo'n +gestrafte dief, de oogen verschroeid als bij een blind gebranden +vink, in den zonnigen post, onder de deur weggedraaid +op sterke scharnieren, zijn godsdienstig deuntje te zingen. +En Johan moest neêrzien op zijn dood gezicht, achterover +met den jammerenden mond.</p> + +<p>Tusschen de fladderende, kleurende en lawaaiende drukte +gingen de beide Noordmannen, bijna schouder aan schouder, +meê op den rhythmus van de veelvoetige beweging.</p> + +<p>Tusschen de hooge walmuren onder het Kasbah liepen ze +als door een droge vestinggracht. Hoog brokkelden de zon-oude +steenen der kanteelen als een hoekig plooirijgsel onder +de glinsterende lucht. Bossen wintergroen onkruid pruikten +uit de voegen, slierden er langs neêr aan de roestrood harige +wortels.</p> + +<p>Nu, als tot een bastion, dijde de gracht uit. Smeden hadden +er hun werkplaatsjes gemaakt in de uitpuiling van de muren. +Een, gebukt boven den op zijn knie geknikten paardepoot, +de fez achterover tegen het afvallen, hamerde het glimmende +hoefijzer vast.</p> + +<p>Toen, zooals water persend gaat door een duiker, drong +de drukte samen en het enge Zoccopoortje door. Zij waren +buiten.</p> + +<p>En in Johan's oogen klaterde hel het zonneruim van het +groote Zocco.</p> + +<p>Het marktveld, beginnende met zware aarde, uitschuivend +zijn drekkige heuvelgronden, rommelde van volte, krioelde +van zich weghaastende kooplui. Links daalde de volte in de +stadsmuur-schaduw, of was daar de markt nog in vollen gang; +maar rechts rezen de terreinen in amphitheaters stijgend, en +stonden daar beplant met stralende gestalten, met rijen van +sluier-vrouwen.</p> + +<p>In het dal-midden, waar onder het aantreden naar de rijen, +de vloer telkens bloot schoof, in sombere lijnen als versch +opgehaalde ploegvoren onder het neêrschuinen van den lichtvloed, +golfden en sleepten de loopende witte plooien door +'t bonte lawaai; maar hooger schaarden zij zich saâm, blinkende +stil, tot een volk wel, in de zon-atmosfeer.</p> + +<p>Tot waar de helling het hoogste tegen de rimpellooze +lucht aanging, stonden zij, beeldjes achter eveneensche beeldjes; +tot onder de heggen van het kerkhof: aloë's, die ratelden +van groen licht op hun vervaarlijke stekels, die slurpten in +hun schaduwen het hemelblauw en waar bovenuit, zooals +een toren steekt uit een stad, een gladde obelisk steeg gelijk +een naald stijf verstorven licht achter den rouwwaaier òp +van een eenzamen ceder, stonden de stille vrouwen in het +al-parelend warm blank van hun bezonde gewaden.</p> + +<p>—"Waar blijft ge toch?" riep de dokter, vooruitgeloopen, +naar Johan.</p> + +<p>—"Maar kijk dan toch!"</p> + +<p>Gelijk een schreeuw die plat slaat tegen de ruimte, hoorde +hij fel zijn eigen bewonderend roepen en om zijn slapen ging +een blaaskou van sidder-wind.</p> + +<p>—"Wat?.... daar?.... vrouwen, die als wij op 't weggaan +der gekken wachten, die, dàar en daar met die groote hoeden, +dat zijn vrouwen van Tetuan."</p> + +<p>Vogel had zijn pijp in de hand genomen en wees er mêe +naar de stroohoeden, gelende dingen tusschen de lichte gewaden.</p> + +<p>Zij begonnen den weg te loopen die als een waterbaan +tusschen landen de terreinen inging. Johan rechts boven +zijn oogen almaar ziende in de zonnehal het statuen-staan +van de witte vrouwengelederen. Hard voelde hij den +straatweg aan, maar langs de kanten was het slijk hobbelig, +als water in kabbeling bevroren, bekuild, betrapt met de +duizenden gaten van de voetstappen. In de vlucht van zijn +oogen bleven de heuvels opglooien uit den weg: aarde-voortschuiving +onder de menschjes, modder verkorst en molmend +in de zon, maar omgewoeld weêr, zwellend van sop en +onderaardsche kleuren; vertrapt gras en verrotte rommel, +saâmgekloend voederhooi en geknakte stroohalmen die als +gouderts-aderen flikkerden onder de zon in de rosbruine +gronden; disteltjes en eendaagsch onkruid, schijngroen, onder +het geschuif en gewrijf der almaar haastende voeten van de +mannen die gingen met veel lawaai.</p> + +<p>Doch zoo een vlieg dwaalt naar de kaars, keerden Johan's +oogen van zelve naar de vrouwen, staande in éenzelfde berustende +wachting, breed-blank, staand-blank; elke gestalte +besterd voor 't hoofd, fataal, met een blauw-zwarte plek: +de donkere plooischaduw voor hun oogen.</p> + +<p>—"'t Is mooi, zeg!"</p> + +<p>Maar de dokter ging het pad op, zei niets, smal, als verkrompen +plotseling in zichzelven, en Johan, met de armen +uitbundig geworden, had het genot in zijn oogen vochtig, +wiegde zichzelven mêe op den schommelenden hooggang +van zijn klimmend lichaam.</p> + +<p>Overal haastte zich de marktdrukte henen, langs de straat, +overstekend de straat en weêr kuilend de modder, voorbij +hem, achterom hem, in plasserig beenenbewegen, links in +een almaar gebuk naar den grond, bezig met de overgebleven +koopwaar. Het was daar een geploeter van veel handen uit +wijde mouwen gestoken, zonbruine handen sjouwende goorgele +korven, soepel vlechtwerk aan groote biesooren op en dan ze +tillend met een hijsch op de ruggen van de suffende ezels, of ze +bij tweeën langs de basten in evenwicht ophangend, en klaar +er meê vort, hooger op, lager in, altijd aan den gang. En +onderwijl schreeuwden ze onophoudelijk, zetten de lucht om +hen aan den gang meê; kruisschreeuwen, dwarsschreeuwen, +keelstooten vol haast en zangerige uithalen van hun winden +woestijnstemmen galmden over de glinsterende hoofdbollen, +grommelden over den rommeligen grond onder het gebuk van +de gekaftande mannen door de zon op de ruggen geslagen, +krijschten met het gedraaf van de geburnousde mannen met +kanten zon om kopkappen en mouwplooien;—een volksrommel, +uitlichtend zóo tegen de groote stille schaduw van +den stadsmuur, die plotseling als met een snede, achter de +veranderzieke lijn van het licht, de kleur en de beweging in +zich dronk.</p> + +<p>Zij gingen.</p> + +<p>Links nog, maar meer van hen òp en verder, was het +veld begrensd onder de tintellichte lucht. De zonnebol, door +Johan schuin boven zich gevoeld als een brandend groot +vuuroog dat het gezicht wel verschroeien kon, vernietigde +het blauw der eindeloosheid rondom zich wijd, wijd-weg.</p> + +<p>Dáar uit de laagte optrekkend, zette de muur zich voort +tot een buitenwijkje in huizingen zonder vensters, hoogblokkend, +laagblokkend, verkalkt, verweerd, vervuild, éen geworden met +den grond. En overal er tegenaan was hokwerk, schuurtjes, +stallinkjes van rotdonker plankenhout, en vlechtwerk als hutten +voor de zon, schaduw-inkijkjes gevend, en overal beplekt met +kalm zittende witte menschjes aan den rand van de markt. +Ginds een stuk steenvierkant, afgeknot gelijk een vervallen +toren, met schietgaten; er naast en er tusschen verliepen +hegjes van gevlochten riet, de pluimen nog in de lucht. +Maar in 't midden van den huizentroep en het hoogste, was +een oud, opgeknapt huis, wittig, met een pannendak en een +jalouzieënraam, en op den muur een schreeuwende moderne +reclame, zwarte letters: "The Britannia."</p> + +<p>Zij drentelden langs een lang huis onder een regenoverhuiving, +aan den straatweg gezet gelijk een loods, met halfronde, +open poorten, als een karavanserai omstapeld met +rommel en markttuig. Een knutselige betimmering van paalwerk +en met veel zorg gevlochten takken zag hij als een loofhut +tegen den muur gehecht, aan alle kanten open.... Zou +dat de Beurs kunnen zijn?.... koopmannen zaten er te +rooken of kopjes thee te drinken.... handelend misschien +wel.... ze konden van-op hun matten de geheele markt +overzien. Een Arabier als een vredebode met een palmtak +in de hand, blikte uit den inkijk.</p> + +<p>—"Daar ga ik morgen zitten werken," zei Johan.</p> + +<p>—"Ge zult het wel laten."</p> + +<p>Vooruit ging de straatweg het terrein uit-enden, bolde om +tusschen de glooiingen en de diepte in, niet meer met de +oogen te volgen. Rood loof van den achterweg kroonde +er boven.</p> + +<p>En ze liepen naar het einde.</p> + +<p>Rechts streken de heuvels naar het kerkhof op, achter +zich een dal latend, waar de hemel als in neêrviel. En daar +tegen de helling rezen stijf en onthuis, in een begonnen begrenzing, +gelijk de eerste huizen van een nieuw ontworpen +wijk, het Hôtel de France en de Spaansche Fonda:.... dingen +van speculatie, overbodig en karakterloos uitziende dingen, +die ge wel zoudt willen omschieten, zoo onnoozel stonden +ze daar het uitzicht te bederven.... Het eerste was een +villaächtig heerenhuis, damesgezichten plekten er uitkijkend +voor de ramen, een kellner.... hoe kwam de snoeshaan +hier.... met een wit voorschoot als een rok om zijn beenen, +stond er strak in de deur.... de Spaansche, meer armelijk, +als stal en koetshuis van het Fransche.</p> + +<p>—"Dàar!" wees Vogel tegelijk omkeerend op het pad, +"logeerde ik vroeger.... nu ben ik in pension.... ginder, +buiten den muur.... ook bij een Spanjaard.... daar slaap +ik met nog een ander, een photograaf, een luien Zwitser, +nog luier dan ik, in een klein kamertje.... 't is er wel wat +benauwd, maar 't kost niet veel.... ah bah.... 't slaapt +wel.... als ik maar slapen kon."</p> + +<p>Ze gingen terug, den weg weêr af.</p> + +<p>Nu vóor hen, zooals een tunnelopening in een bergwand +een spoorweg eindigt, boorde het Zoccopoortje waar ze +waren uitgekomen, den muur in. Rechts kleurden kramerijen, +zadels, kameeltuig. Maar uit het gat der poort drong in +durende botsing het helle in- en uitgaan van de bezige +mannen, en van de vrouwen, die gesloten aanwandelend +opklommen naar de wachtende witte gelederen, blinkend nu +links boven in Johan's oogen onder de glorie der zon.</p> + +<p>—"Hoort ge nog muziek?" zei Vogel. "Kijk.... dàar, dat +zijn de fameuze tuinen van den Zweedschen consul.... en +daar, waar die man op zijn wit paard rijdt, de kolonel.... +ziet ge hem?.... achter die vier vrouwen.... ziet ge het?.... +een goed paard, hé.... daar gaat de weg naar Kaap +Espartel.... Lieber Herr Gott, als ik nog denk aan Crépieux +zijn schorpioenen.... aartsdomme kerel...."</p> + +<p>Hij wees, maar dadelijk weêr halend aan zijn versch gestopte +pijp, naar 't gekruin van donkere boomen, groen als sombere +cypressen met hun rossig stammenhout. Ze schaduwden stevig +onder den schroeierigen opstand der rotsen bestapeld met +de oude stad.</p> + +<p>De volte werd al dunner, de drukte draafde. Kale plekken +begonnen te liggen tusschen de nog groepende menschen, +stukken grond bespikkeld met den afval van den handel. +En vrouwen die er pas nog zaten met de zoor-zanderige +voeten bloot, hurkten, rapend de gele waterflesch, den bast +van een uitgedroogden pompoen, naast zich op; dan schikten +zij zich de plooien voor het gezicht recht en stegen ook naar +de stilstaande rijen. Enkelen droegen nog hun onverkochte +koopwaar, boenders, karbiezen, of goudgele kippen aan de +pooten saâmgesnoerd, de vleugels lam hangend, de lellen +rood; zij klauterden met de bulten op den rug van hun meêgedragen +kinderen, met hun van pijn luid kakelende marktwaar.</p> + +<p>Hoog en ongezien de zon, zacht dalend.</p> + +<p>—"Voilà!" riep de dokter.</p> + +<p>En als de snerp van een aangeschoten wilden vogel sneed +er een blaasgil recht uit een houten fluit over het Zoccoruim. +En een teruggalm, dadelijk, weêrgeluidde nu van de +hooge heuvels: een breede gil groette wijd, het blanke vrouwenvolk +hoogkeelde in éen zonnekreet:</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji-e."</p> + +<p>Door de poort was een legertje uitgedrongen, twee vaandels +bukten onder den boog nu door, blauwbloederig-violet was +het eene en het andere van een gelig schel voorjaarsgroen. +Ze verschenen met plotsflappende schitterlichten op het verguld +van de halve-manen.</p> + +<p>'t Legertje bleef met de voorvoeters stil op den straatweg +staan. Een klein troepje in witte boetelingenhemden, acht +misschien wel, en nog een twintigtal waren er donker in +dagelijksche kleeding.... Maar de drukte kwam aandraven +al met flakkerend wisselspel van kleur, en het schaartje ineens +omstuwd, verdween voor de naar beneden kijkende oogen +van Johan, die den dokter toen vergetend, aan 't hard meêloopen +begon, het pad af, recht-aan op de zijïge banen der +twee vlaggen, trofeeënd boven de krioeling langs de hoog +gehouden stokken met hun gouden sikkels.</p> + +<p>Het hart van den loop nog bonzend, was hij toen middenin +den troep terecht gekomen en had vóor zich een grooten, +stroeven man, die half in de krooken van de violette vlag, +den stok tegen zijn buik geklemd hield en in een gelaten +houding stond. Maar overal glurende, glimmerende oogen in +een omstanders-kring, zonkoppen onder doeken gezien, met +de tanden ontbloot door het optrekken der lippen in het +zonnekijken en allen bedonkerd onder de baarden en in de +jukken van de wangen. In het midden blonken de stille witte +ruggen van de heiligen.... dat was een vrouw.... en naast +haar nog een, eveneens in het witte boethemd.... de grootste +heur haar hing los, glanzende losgemaakte strengels glijdend +langs den rug.</p> + +<p>De drukte duwde, en Johan kwam te staan naast den +trommelslager, bij een ouden neger, grijzig en krullig van +baardjes, wenkbrauwloos, maar met een vlok als een kuif +wol midden op zijn stoffig-zwarten kop.... een duister oud +lichaam in de aschkleurige lappen van een niet thuis te +brengen hemd. Zijn taaie nek werd gestriemd door een vet +koord.... kijk, in zijn borstgleuf hing een amulet, geschaafd +was de huid van den ouden man, die slaande de doffe +slagen, boem, boem op een trommel gedragen als een +overlangsche ton, zijn gebarsten lippen breed en paarsch +openspleet in een geheimen lach, zijn oogen in de haarlooze +leden rondglibberen liet, en 't wit er van was roodig.</p> + +<p>Naast hem de pijper onder een witten tulband priesterlijk +aan 't staan. Een mantel van blauwgaren stof droeg hij over +den rechter schouder geslagen, bloot latend zoo den linker +met de witte mouw. Statig gebogen hielden zijn armen de +blaaspijp tusschen mond en kin, die half verdwenen achter +een houten schijf als een grooten ducaton er tegenaan geschoven. +En hij blies, hij blies, de lippen gekneld om het +enge mondstuk, de wangen vol wind als twee elastiek appelronde +blaasbollen, onophoudelijk, terwijl hem de oogen benauwd +puilden als van een gemarteld man.</p> + +<p>En krijtende om de houten randen van de windpijp, scheurde +de snerp langs Johan's ooren heen, ongebroken, dan dadelijk +geknakt in zijn stijgvlucht door de moduleerende vingers van +den muzikant, wanneer hij de windgaatjes kneep. Krimpend +en kreunend, neusklankig, in zijn houttrillingen oproepend +het menschelijke van eene stem, joedelden de vijf, zes klagelijke +nootjes, het melodietje, als een donkere zig-zag en klangden +naar de lichte lucht.</p> + +<p>Vóor den blazer, achterin, voorbij de hooge stijging van +de groene vlag, bewoog een verdolde, schichtige kop vol +genezen nerven, een bovenhoofd gekliefd door de litteekenen +van de hakken der zelfkastijding; en een nek van de kleur +als dood loof kwam schudden, door ijzeren kettingschakels +omsnoerd; en hoogeròp zwaaide een hakmes, de blinkende +hellebaardvorm van een moorenbijl.</p> + +<p>Naast achter den pijper zaagde een hand heen en weêr +over een snaartuig, over een rommelpotachtig ding.</p> + +<p>Maar Johan voelde een stomp en toen een ruk aan zijn +tasch, hij raakte naar achteren; een snauw ging recht uit +den donkeren baardsmoel van een wilden kerel zijn gezicht +in; twee haatoogen, dat was het laatste wat hij zag. Hij was +'t gedrang uit met plotseling veel luchtkou om zich.</p> + +<p>—"Hoort ge niet, "hond van een Christen," dat ge uit +den weg moet gaan."</p> + +<p>Vogel stond achter hem.</p> + +<p>—"Dwaas, wat komt ge die menschen irriteeren, ga meê, +ze komen den weg langs dansen, daar kunt ge zien zooveel +ge maar wilt, kom!"</p> + +<p>En ze liepen haastig, allebeî den weg weêr op.... tot +onder de loofhut waar de kooplui kopjes thee hadden zitten +drinken. Nu stonden dezen, rustige rijken, in het inzicht van +het hutje, onder de wijde kappen uit te kijken. Nieuwsgierigen +waren op de tonnen geklommen en op de stapels koopwaar +onder de karavanserai gestapeld, er waren er die om voorbij +de anderen te kunnen zien, den voet vooruit hadden geplant +op de ruggen van de suffende ezels.</p> + +<p>—"Voilà!" herhaalde Vogel.</p> + +<p>Van beneden kwam de stoet al opdansen; en langs de +hoogten rommedomme schalde ten tweedemaal het schelhelle +vrouwengehuil, hooguit als hondenjanken:</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji-e!"</p> + +<p>Over de straat, uit de bont-klimmende omstuwing, onder +de wilde vlaggen-kleuren met het geschitter van de twee +gouden sikkelen, sloegen op en neêr, lichtend en duisterend van +uit de verte, haarhoofden en boven-aangezichten: de knikkende +hoofdbollen van de dansende heiligen; terwijl in 't rechts-alomme +het ophitsende gillen van de vrouwen begon te duren +tot een oorlogsgeroep van slagorden, een wolk lichtende +klankpijlen stijgend en vallend onder de zon.</p> + +<p>Laag over het pad snerpte de herdersfluit bezetener, en +het triolend melodietje overschreide er het bange dompen van +trommel en gong.</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji-e!"</p> + +<p>Langzaam op, langzaam aan, het stoetje klom, sprong voor +sprong, den grond onder de voeten winnend, in een rechtoppe +cadans van het springende lichaam. Aaneengesloten was het +hoopje witte gekken tusschen het meêgaand gedrang.</p> + +<p>Achter den troep spande de walmuur zijn bezonde baan, +lang, strak uit, ging dan wimpelen naar boven over de rotsen +op.... En de witte stad hoog in de oogen als een pagode +gezien onder 't azuur der lucht.</p> + +<p>—"Dzji.... dzji-e.... dzji-e!"</p> + +<p>De gekken naderden aan in eenzelfde dansen; 't hoofd óp, +licht; schouders óp, licht; het hoofd neêr, donker; 't lijf +ongezien op de beenen óp en dan het hoofd weêr óp, en +de muziek blazend in de slingerende halzen óp. Maar de +vlaggen stil aanschuivend. Zoo kwamen ze aan met hun +martelgang.</p> + +<p>—"On dirait des kangourous, n'est ce pas!"</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... ijlden de blanke kreten.</p> + +<p>Ze waren tot voor Johan.... bijkans.... nu....</p> + +<p>En tusschen de voorbijschuiving van het donkere joelende +volk zag hij de hoofden der twee springende vrouwen; toen +kreeg hij gezicht op hun witte lijven met de devoot hangende +armen.</p> + +<p>De vèr-affe was teêr en wasbleek onder de serpentbundels +van haar zwart-zwiependen haren. Ze hield de oogen dicht, +neêr de rouwfranjes der wimpers; en haar mond met de +bloedlooze lippen hield ze geknepen tot een smartglimp omgekrompen +in de pijnigende inspanning van de jammerlijke +beweging. Maar zij danste met een rein, recht opgooien van +haar afgetobd hoofd in het licht; recht òp den schouderromp +met de fijne borstpunten in het licht; rein òp het witte +boetelingenlichaam, en ze viel weêr op de voeten, den linkschen +voet vooruit, klaar al voor den volgenden sprong. Dan plooide +het lijf voorover in doorval met de hangende armen, en het +hoofd dan laag met den daarna zwaar zwart ploffenden haarbos.</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji-e!"</p> + +<p>Naast haar de dichtbijë: een bruin-roode en glimmende +vrouw, forsch uit haar hemd komend, sterk en kort en een +beetje zwaarborstig, met een volkskop onder krioelende +haren. En ze ging den zelfden gang maar gespierder, de ellebogen +knotsend, de vingers stompig krom en leêg hangend, den +romp zich overgevend met de schouders. Zoo sprong ze in +een schuin opschokken, persend den buik naar voren, en +haar gezonde nek rimpelde in den opgooi van het hoofd. +Zij hield ook de oogen gesloten.</p> + +<p>Daar kwamen de mannen, de witte, achter de vrouwen +aan; allen aan 't springen op denzelfden bezeten lichaams-rhythmus, +maar met meer geweld van leden, spillend kracht +met de behaarde en mager-donkere ascetenarmen. Daar éen +met een witten band om zijn stompen schedel achter de +ooren gestrikt, die de glimmende kogels van zijn oogen rollen +liet in den opzwaai van zijn verstarde facie, uitstallend zijn +geweldig gek-zijn voor de joelende meêlooperij.</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji!...." gingen de ziedende kreten.</p> + +<p>Van de beide Noordmannen ging het witte stoetje al +af, en nù voorbij de kleurende en naspringende en meêdansende +bende. Het volk begon uit elkaâr te vluchten, dravende over +het zonveld, brokkelig hier, kloenend daar weêr samen op +goede standplaatsen, van waar men de gekken nog éens zou +kunnen naoogen.</p> + +<p>Voorbij ging de trommelman, de grijze neger, die aandriftend, +zijn oude beenen in de hoogte meê opsmeet soms, +maar slaan bleef almaar zijn doffe slagen en lachte almaar +zijn breeden, wellustigen geloofslach.</p> + +<p>En de pijper in zijn blauwgaren mantel voorbij als een +leviet; uit zijn wangen vol wind blazende de opwinding den +heiligen in de nekken, de onophoudelijke razendmakende eentonigheid +van zijn krijtende woestijnmuziek.</p> + +<p>Kop voor kop, lichaam na lichaam ging voorbij, òp-neêr, +òp-neêr; de dragers toen voorbij van de schrille banieren, +met de handen om de stokken stil, hoog heffend hun vlaggen +met de branderige schaduwen in de hangende plooien, met +de halve manen in vuur.</p> + +<p>De drukte draafde voor het stoetje meê op; het gedrang +er achter spleet al grooter en grooter, de springers waren +vaak voor Johan als een schooltje te zien in hun gezamenlijken +opgang, zoo zij zich opgaven van den grond in d'eenzelfden +schok; òp-neêr, òp-neêr. En onder de duistere voeten dansten +dan donkere slagschaduwen over het hobbelige pad onder +den schuinser vallenden licht-overvloed.</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji....!"</p> + +<p>Maar zooals een hond holt om de beenen van zijn meester, +kwam nu in cirkelenden omgang de Arabier met de kerven +in zijn voorhoofd en met de oogen rood beloopen, het legertje +omdraven, gaande in wijdgenomen kringen achter Johan en +den dokter om, de heeren voorbij; de vlam-lichtende moorenbijl +hoog.</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji....!"</p> + +<p>Hij torste op zijn rug een lang blok zwart hout als een +groote flesch, als een spitsig aambeeldje van zwaar ijzerbeslag +glimmend, en om zijn doffen nek, draderig van de touw-achtige +spieren en aderen, snoeren van zware ketens, die +neêrschakelden tot over zijn buik. Hij hield hangsloten door +zijn vleesch geregen, door 't dikste van het armvleesch, en +hij kreet uit een open martelmond met uitgeslagen tanden, +schorre, zinlooze geluiden.</p> + +<p>Alzoo toegetakeld en rammelend sprong hij, niet voelend +scheen wel, zijn godgewijden last en stampte dan als zich +bezuipend aan pijn, diktranende en donkerroode bloedstralen +zijn vaste kuiten uit, die hij doorstoken had met ijzeren +naalden, zooals pennen gaan door een stuk opgemaakt tafel-vleesch. +Weg!.... achter het legertje om.... daar ging hij +met zijn dreigende bijl, licht-flappend in de zon....</p> + +<p>Hooger danste de troep. Knikkend sloegen de hoofden +voort onder den zweepslag der bezetenheid, weg weêr, donker, +licht; òp, neêr, òp, neêr, gelijk de koppen van riethalmen +buigen en zich terugzetten onder het slaan van den wind; +de kronkels vrouwenhaar slierden, de vlaggen brandden, en +krijtend snerpte de houtfluit.</p> + +<p>—"Blijf hier staan," zei Vogel, Johan met de hand inhoudend, +"ze zijn toch dadelijk weg.... zoo gaan ze naar +Mekkaenes, van heiligen-graf naar heiligen-graf, groeiend +onderweg in getal, biddend en vastend.... en op den dag +van de geboorte van hun profeet komen ze dan terug, +wissen Sie, na een paar weken, uitgevast, dol gesprongen, +complétement fous."</p> + +<p>—"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... groeide het over de heuvels.</p> + +<p>—"Ah bah!" vervolgde Vogel. "Ça me paraît bien un +fort bon grog, la religion.... voilà donc encore quelque +chose.... ah bah!"</p> + +<p>Hij spoog op het pad. Johan hoorde zijn speeksel kletsen +tegen de straat en de rookwolk uit zijn mond gegaan, zag +hij wegwitten in de ruimte.</p> + +<p>Wijl òver de heuvels doomde het licht. In het holle +wegje bobbelde het troepje gekken; weg sloegen de hoofden, +langzaam zakten de vlaggen al met hun bloederig paarsch +en schel voorjaarsgroen.</p> + +<p>En van de hoogten rommedomme ging nu als windgehuil, +als klaaggeschrei van hongerende beesten, het roepen van de +vrouwen, die lichtelijk gekeerd, stonden in het parelend warmblank +van hun zonnige gewaden.</p> + +<p>—"Dzji, dzji, dzji, dzji-e!...."</p> + +<p>En de stoet ging weg onder een hallelujah van het hooge +geluid, duikend naar-onder het roode loof met een laatsten +blinker op het goud van de halve manen, weg onder het +hallelujah van het hooge middaglicht.</p> + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="TWEEDE_GEDEELTE" id="TWEEDE_GEDEELTE"></a>TWEEDE GEDEELTE</h2> + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="IV" id="IV"></a>IV.</h2> + + +<p>Achter de heuvelenvlucht van het Zocco was de zon +alweêr gedaald. De lage hemelen langs vervloot het nu al +verre schittergoud wijd-uit in strooken en banen kleur, intenselijk +als metalen gebruineerd, geel koper, rood koper en +bleek aluminium; gestolten licht; brandglansen walmend over +dwaalschijnsels en verloren zweemen; en 't hemelgewemel, +dat groende als warrelgevlam van zink en natron, smeltende +in veel heftig vuur. De aarde donkerde snel; gedoofd lagen +de gronden onder het vuren van de lage atmosferen, asschig +in de kuilen der dalen van duister vol, maar op de terreinen +hoog, nog gevioletteerd, begloeid door het lichtrag uit den +horizon.</p> + +<p>Langzaam daalde nu Johan naar de stad terug, kalm onder +den blusschenden hemel.</p> + +<p>Hij had dien dag geloopen, veel geloopen maar door, het +strand langs tot aan den riviermond en terug, toen, wat hij +nog niet had durven doen, alleen tusschen de heuvels het +land in; alle bezorgdheid en vrees voor kwade ontmoeting, +hij had er niet aan gedacht. En in den namiddag was hij +naar een bekend plekje gegaan, bekend geworden, achter +het kerkhof, en hij had zich neêrgezet daar op het groene +veldje, de beenen onder zich gehaald in een gewoonte-zitten. +Het was daar goed, bijna een thuis, niemand kwam +er. Van onder over het pad trok wel eens het lange loopgeluid +voorbij van een muildier met schellen aan zijn tuig, +en het "huï-huï".... van den drijver. Dat was alles. Achter +de heggen kon hij vrouwen hooren babbelen, maar niemand +kon door dien gegroeiden muur heenzien. Andere avonden +was het zoo lekker geweest daar te zitten wachten op het +donker; er zoo onbespied lang-uit te gaan liggen, rustend +met al de leden, de armen wijd-uit en de handen open, als +een gekruiste op d'aard, te liggen kijken zoo, tusschen de +stekels door, hoe de hemel somberde. En weêr had hij, terwijl +allengs het veldje bleeker om hem werd en de blaadjes van +het ronde kruipkruid blikkerden als schijfjes geld, de planten-schutting +langzaam-aan donker zien worden, groen-donker, +blauw-donker en bister-donker; en nu mineraal-zwart, leken +het wel versteende stronken van reuzige koolgewassen, zoo +hard en fossielig stonden de aloë's tusschen de pluizen van +het week wuivende riet. Maar de vrouwen waren opgehurkt +van bij hun graven, hem voorbijgegaan hoog loopend langs +waar hij ongezien lag, daarna was hij ook opgekomen, om +vóor het sluiten der poorten nog binnen te zijn.</p> + +<p>Rondom dauwde van den grond het duister. En het was als +een vlaag donkere regen geweest daar voorbij de stad, die +tronend met het bleeke Hooge-huis, haar steenschijn al verloor. +O, de stille avond, de zachte avond. Beneden lag daar ginds +het water van de baai te duizelen, meêviolettend onder de +verre strandheuvels, strekkend hun schuiningen uit in het +weefsel der nachtkleur, lila's en blauwen doordraad met rood +en esmerald. Voorop ijlde de minaret van de moskee de huisblokken +uit, daaronder verzonken in dit uur van het gebed.</p> + +<p>Het was in 's wandelaars hoofd nu een kalmte als voor +slaap, nu de moordende gedachten niet meer jaagden, nu +ook de jacht van zijn hart uit was. Avondrumoer zwom aan +in zijn gehoor in een laag spoelen van golven, terwijl hij +ging, ging, aankijkend met de al-leêger blikken, den al-bedroomder +hemel. Langs het kerkhof volgde hij een smal +spoor tusschen de zoden geloopen; het was hierboven kil +en woestijnig; lucht van runderen wademde in zijn ingeadem.</p> + +<p>Staâg tredend de glooiing af, voelde Johan zich loopen +als zette een ander zijn voeten aan den gang. Daar lagen +de lastbeesten al neêr, de pooten gevouwen, saâm kuddend, +saâm laag. Eén was er nog tegen de lucht aan 't opduisteren; +of hij mank was, stond de kameel op drie pooten, gekluisterd, +te herkauwen stil met den rechtgedragen kop als een windvaan +voor 't nog-lichte, maar met de hoeven verschrompeld al in +den duisteren dauw.</p> + +<p>Van beneden kwam nu het buitenwijkje opdringen in een +gerommel van plekkerige wanden, en de smerige stadsmuur +kartelen uit de diepte van het marktveld, bibberen uit een +dal vol schemer met schemerend beweeg. Er achter schoven +de huizen fosforesceerend onder den vallenden nacht. Zie, de +poorten waren nog niet dicht, zwoelzwart om in te kijken, +al trager gingen zijn voeten nu over de dikke delling van het +marktveld, over den met voetzoolgaten veel bekuilden grond.</p> + +<p>—.... Vandaag veertien dagen dat ik hier ben, kwam +even een herinnering zwerven.... toen weêr vergeten.</p> + +<p>Hij ging over den straatweg, tusschen menschen, met hen +meêloopend in de oplossing van het licht, zelf lichtloozer en +vol al grooter leêgte, gedachteloos, gelukkig zich zoo wegsmelten +te voelen gaan. Dat was een vriendschappelijk gevoel, +dat was genotrijk geworden, dat kwam bijna elken avond +weêr, wanneer hij alleen was, dat leêgworden in het langzaam +ontastbaar worden van de dingen om hem heen. Dat kwam +schokloos droevig, zonder smart, als langzaam bezwijmen bij +veel bloedverlies, dat dampte alles weg, begeerten, minnen +en haten, alles weg in de éene neiging naar het weg-willen-wezen.</p> + +<p>Langs hem haastten de gangende steêlui voorbij; enkelen +en bij meer; vrouwen schuivende boven het ratelen der +baboesjes, in nachtwitte omhuiving; mannen stoer en groot, +roeiend met armen en beenen voort in den avonddroom, al +verder-op zich meer omwikkelende met duister in dit stervensuur. +Ze verdwenen, klimmend de muren langs naar de hooge stad, +of ze doken den nacht van de poorten in. Daar ging de +sprookjesverteller, gelijk een bekend gezicht in sluimer komt +en gaat; en het vage herinneringszien kwam als een knipoog +meê, van dienzelfden man, den slangenbezweerder.... Avond +aan avond had hij naar hem staan kijken, nooit kunnend +scheiden van die markt; een bekend figuur met zijn tasch +was hij er zelve geworden; tot in het late uur doolde hij +er, wanneer het veld blond lag, wijl achter de heuvelen de +zon zoo pracht-stil van de aarde wegboog. Dan stond die +man in zijn wit hemd, en vóor hem kringen van in goor-witte +krooken en vouwen verscholen Arabieren-volk; de +voorste rijen gehurkt; hij gebaren aan 't maken met zijn +oud-roode tamboerijn, schuddend de haren, die zwart en +lang als bij een vrouw, en begroezeld met vuilnis waren. +Met strootjes om de staarten aan een pin gebonden, sliertten +zijn slangen slap over den grond, venijn-geel gekronkeld, +glibberig languit, schimmelachtige dingen, onbewegelijk en +smerig. Maar de tongpriemen flitsten en vlijmden hun de +harde bekken uit, streelerig, koudmakende wellust-rillingen, +wanneer gaande in kringloop, de naakte voeten van den +slangenman, als bezeten dingen langs hun koppen dansten. +Grimasseerend zat het volk dan te luisteren, knippend +de oogjes, klein en sluw, om de wreede neuzen rilde het, +opgegaan waren ze in het voor Johan gansch onverstaanbare +verhaal, dat over hen als uitgeniesd werd. En ze begonnen +te prevelen en zij kusten handen en gewaad zich, zoodra +maar Gods naam werd aangeroepen op den slag van de +tamboerijn.... Nu draafde de man zijn loop naar huis, +geweldig spannend den grond onder zijn koelbloote beenen, +de ben met slangen hing morsig achterop zijn rug, een flard +van zijn wit toovenaarshemd hing onder den grauwen lapmantel +neêr.... weg.... weg.... rinkelde de tamboeriene langs zijn zij.</p> + +<p>Johan slenterde over het veld, dat kreetloos leêg werd, +waar ezels en honden begonnen te dolen, snuffelend met de +snoeten in 't schuifelende afval, schaduwen. Toen vond hij +zich loopen op de straat achter twee heeren aan, hij tredend +bijna in den stap van hun voeten. En in zijn hoofd redeneerde +even het bewustzijn, hoe hij wel loopen kon blijven tot die +twee naar binnen gingen.... Dat was tijdig genoeg, nog wel +een uur vóor het diner.... Zoo bleef hij een eindje achter +de schommelende en schemerwitte mannen stappen die toonloos +liepen te babbelen naar elkaâr, lip-redeneerden in den avond, +onder de ommekappen, onder de koepels der tulbanden vandaan, +zonder gebaren, de handen over elkander in de wijde mouwen. +Een eindje vóor de poort keerden zij om en hij deed eveneens, +liet ze voorbijgaan en keerde toen weêrom, achter hen aan +loopend, drinkend den avond en het zieltogen van den dag. +Soms voelde hij wel klein pijnlijk, licht in de verdooving van +zijn wezen zijn maag gaan hongeren, maar dat was niets, er +woelden soms krampjes van binnen, 't was of er telkens wat +van zijn lijf afging en in den nacht vervloog.</p> + +<p>Zijn kijken ging nu de leêgte tegen van aarde en hemel. +Daar voor het nog smeulende lichte, stompten als hooger +grond de Engelsche en Spaansche fonda's op, voor het groenige +geviolet van de benedenlucht. Maar westelijker was een +haal geel gebleven, scherend bijna de vluchtende terreinen, +een haat-flakker van brand nog in dat eindelooze gemurmel, +in den sluimer der kleuren, in de al-aarzeling der ommerijzing.</p> + +<p>Hoe langs hoe meer dampte de violette nacht de vallei vol. +Onder Johan's tam-gaande voeten verzonk de straat, die +aanschokken bleef als met wiegetred zijn slaapzieken wandel, +voortvloeide onder de andere wandelaars, de weinigen die, +vreemde en verstorven wezens, doolden, gingen. Voor hem +uit bleef het praten van de beide heeren gaan, vlinderende +alleene-stemmen boven den grond, en ginds daar glimmerde +de weg nog wat, waar de straat opging tusschen de glooiingen, +onder het weeë schijnsel van de zwijmelende kim. Daar, in een +gewissel van oude en verbrande gelen, verrookt, verroost, +leefde nog licht boven het donkere alomme, luister ver-af, +vaag als schijnsels die komen in de gesloten oogen na lang +staren in het licht.... Want alles schijn en geen leven meer.... +schijn, schijn, in de groote onstoffelijke wereld nu....</p> + +<p>Johan ging terug, met de heeren mede, een onnoozele wel +waarvan de gedachten verloren zijn, met als rook boven in +zijn hoofd, het vaag gevoelde weten van zijn nog vlottende +eenzaamheid.</p> + +<p>Hij had dien morgen een brief ontvangen over Gibraltar, +Engelsche post, de brief kwam uit Parijs.... Frits was in +Parijs.... die brief had hem beroerd met een plotselingen +terugslag naar zich zelven. Hij had hem bij zich gehouden, +er meê loopen praten in zelfgesprek, hardop vaak praten +met den verren schijver. Hij had hem aldoor gevoeld zoo +kreukelend in zijn hand, daar gevouwen in zijn borstzak; de +brief, de brief, dat was het ding van zijn dag geweest. Iets +heel vertrouwelijks was het geworden, dat fladderende van-uit +de ziel van een ander.</p> + +<p>Van huis uit, door de donkere straatjes en toen door het +lichte buiten was het meêgegaan: hier ben ik, hier ben ik, om +je oogen te dwingen naar binnen, naar mij; hier ben ik, en +ik groet, kijk hoe ik groet.... hier ben ik en gij zijt mijn +broeder, langs ratelende, stalen banen kom ik gevangen aan.... +hier vrij en zie, over de zee en door de luchten, hier ben ik.</p> + +<p>En hij had gewandeld, vreugdevol; zie je wel.... zie je +nu wel, op het van-binnen juichen van zijn blije ziel; het +strand langs als een opgetogen kind in slangetjes loopend +tusschen de draderige hoopen bruin sponswier, die de vloed +op het strand nalaat. Luchtig, als was er in hem een dronkenmakend +zonnegas; de handen koud; maar gevoeld aldoor +het klieven van zijn warm hoofd door het zoel-schuimende +licht. Wanneer hij er sterk aan had loopen denken, dan +waren zijn oogen gaan wellen en in een weeke verteedering: +O, ik wou, ik wou....</p> + +<p>En den muur om, en de mierende drukte in, door de volste +volte, roekeloos als hoorde de wereld aan hem. Een jonge, +donkere kerel was woest gaan schelden en hij was tartend +blijven staan: wel, wat wou je, wat zou je me wel kunnen +doen, denk je.... en toen had hij in eens vergeten en aan 't +lachen, aan 't lachen, omdat hij plotseling niets anders zag +dan dien grappigen mond, zoo dicht bij zijn oogen, die ratelende +en klappende en friemelende lippen. Dat deed plezier.... alles +deed plezier.... wat een gek-doende mond, dicht als een +doos die klemt en waar dan in eens rare dingen uitkomen, +of als een tuitgaatje dat je bespuwen wil, of als een elastieke +kouseband, dien je met je vingers kan rekken.... waar de +man het wel over heeft....</p> + +<p>En het klare blauw tegen en den buiten-bergweg op.... +hier ben ik, hier ben ik, en ik groet.... en tusschen het +wijd wegvloeren van de heuvelen, groen zaaigroen en roode +vorenaarde, gonsde het in hem: hier ben ik, hier ben ik.... +Zoo in den zomer je wereld kan vol zijn, om je en in je en +overal, om het zonnezingen van maar éene cigale, had hij +geloopen de vlakke wegen over, met zijn ziel zwervend boven +een rust van gelijke gedachten, zoo ruim in den zondagschen +dag.</p> + +<p>Ja.... de brief had gelijk.... reizen dat was wel een +heerlijk ding, vlottend te zijn in de vlottende werelddingen, +gaan, maar gaan met je oogen vol droomen.</p> + +<p>Telkens had hij er weêr in moeten lezen, lezen nog eens +zulke in lang niet gehoorde woorden, vriendelijk en bekend, +van ziel schijnende op ziel, bedwelmend als zoete zelf-vleierijen. +En dan was hij 't schrift gaan bekijken, nooit genoeg, en de +hand, de bekende hand had hij zien komen op het blaadje, +en 't hoofd gebukt, donker boven de hand en de stille +schouders, de sterkstille schouders. En dan de hand aan 't +gaan, de rijen langs, strepend het papier, in de hersenkracht +die zet de lange visioenen op 't papier, en den warmen +bloedklop door de pen neêr op het papier, en dan de pen +aan 't ijlen, dun dik, dun dik, op neêr, op neêr, krassend, +hakend, opsjouwend tegen de koortsende emotie, in den drang +van binnen, blaadjes vol nauw geboren woorden, doorhalen +hier, vergeten woorden daar, en woorden onleesbaar als +raadsels gelaten door de ontroering op 't papier.</p> + +<p>O, die brief met zijn eindelijke erkenning; stond hij daar +niet zelve zoo, nu plotseling het leven van die twee geleden +zware jaren vattend, den wreveltijd van het stille verzet, en +het langzaam groeien van zijn haat tegen al dat hem had +willen fatsoeneeren, links en rechts.... ik voel me zoo vrij....</p> + +<p>In een wedloop van woorden vertelde de schrijver, hoe +hij het in Amsterdam niet had kunnen uithouden. 't Had +wel een vlucht geleken, zooals hij was weggegaan, het hoofd +zwaar van het omme-geredeneer, vies geworden van zich +zelven. Naar Parijs was hij gegaan, hopend daar een grooter +leven te vinden, dat meer om hem heen stond, waar hij stil +en aan zich zelven overgelaten zou kunnen werken. En Parijs, +het had zich dadelijk zoo mooi aan hem voorgedaan, nu in +den damp van zijn eersten winterdooi, het licht-lilalillende +Parijs met zijn schitterende dorures, het verguldsel als bajonetten-geflikker +op hekken en spitsen en het geglans van +zijn gouden reclames boven al de willige beweging van de +boulevards.... o, je zult zien.... ik zal.... ik zal.... maar och, +het is nu zoo'n genot, dat vrije flaneeren hier langs de straat, +met mijn oogen maar voor me uit, de handen in mijn jaszak, +de armen dicht aan mijn romp.... zoo vrij.... en zeker, zoo +plezierig zeker, dat ik niemand kan tegen komen die het +noodig vindt je aan je mouw te trekken, om je eens te laten +kijken wat hij mooi vindt.... O, de stumpers.... En als ik +moê word, dan ga ik zitten voor de ramen van een café, suf-oogen +naar het spektakel; of van-boven een omnibus het +prettig vinden het leven in den nek te zien, terwijl de wielen +onder je zoo knarsig hun bedrijfleven gaan en het van de +boomen zoo kalmeerend neêrdrupt in je hals. Als het me +dan te binnenkomt, hoe ik me daar ginds kwellen liet tot +in de wanden van mijn atelier, hoe ik er gewichtig moet +hebben uitgezien, met een komediantengezicht, verdwaald +tusschen al die bij elkaâr gestoken hoofden, dan moet ik +lachen, lachen, en dan vindt zoo'n leuke Franschman het +noodig te zeggen: "que j'ai l'air content." Maar ach, je +weet ook niet hoe gauw je er in zit in dat bedrijfleven; +blijf maar weg, als je kunt; dat het je nooit gebeure, hoe +je op een oogenblik lucide, schrikt van te zien in wat een +verwarring je meêliep, hoe ge alles zaagt zoo, en niet het +stinkende gedrang tegen je zelven in.... Verbijstering.... +Maar, hoor ze dan ook orakelen, roepend als marktschreeuwers, +allen door elkaâr, allemaal en niets anders toch dan: ik, ik, +ik.... Bah, wat een drukte, als je maar te gaan hebt met +je oogen en rustig werkend, verlangend voort.... wat weten +wij voor anderen, slangen die we zelve zijn met het staarteinde +in den bek.... zoeken we dan nog wat anders dan +ons eigen einde....</p> + +<p>.... En gelezen en herlezen en meêgevoeld tot in het +kloppen van zijn polsen, den naslag van dien in eenzaamheid +gestilden toorn en het zachte zelfsussen van die onstuimige +ziel. Hij was er in meêgegaan tot er hem de slapen van +waren gaan gloeien.</p> + +<p>Want in een opflakker van binnenbrand was het schrijven +ten einde gegaan.... O, nu ik hier ben, los van dat zwatelende +koor, alleen met een nieuwe wereld die tegen mijn oogen +aanvaart en ze wijd open doet gaan, nu voel ik het nog +meer, dat ik toch niets anders liefheb dan mij zelven, en al +wat anderen doen en wat anderen praten me nooit gescheeld +heeft. We babbelen daar wat over een wereld, die vlottend +en broos is als van geblazen zeepwater en voelen niet, dat +ons hongerend ik daar vloekt met zijn veel, veel, en er +wel sterven zal.... Welk ander wijst mij mijn wondervol +zelf, mijn zelf, waar ik in rondleef als in een roes van raadsels, +dat ik liefheb en alleen begeer; och, ook nog in de dagen +toen ik me zelven martelde en kwelde, adoreerde het toch +zijn hoongod in 't carnavalspak zoo zeer. O, die weters, wij +weters, onze monden zijn maar dingen die spreken, waarmeê +we wachtertje spelen voor de poort van onze zwijgende +begeerte.</p> + +<p>Zoo weêr geschreven; en klaar als iets te zien, zag hij +het gezet tusschen hen beiden.... en voor hem was het een +antwoord geweest op zijn eigen vage gedachten. Want in +zijne van natuur buiten zichzelve levende ziel wou het +groeien in gezichten en in gedachten niet. Denken; wanneer +was hij begonnen te denken, was het van 't jaar, verleden +jaar of nog vroeger. Denken, peinzen, 't liefhebben van wat +er zoo om kan gaan in je hoofd, het troetelen van je eigen +overweging, het uit elkaâr rafelen van gedachtenweefsels en +het weêr weven van nieuwe. Wat was er overgebleven van +al de wijsheid, die hij toch aangehoord had uit beminde +monden? Gezegden veel, die beelden opriepen.... maar wat +al woorden waren niet voorbijgegaan. Doch, men had goed +praten, ze waren gekomen, maar door, ongevraagd, de +woorden met hun naweeën van gepeins.... Wij zeggen dat, +denk er eens over, in brief op brief, van vriend op vriend.... +En zoo gewichtig zagen ze er uit, de geschreven woorden, +waar elke aarzeling in scheen verstijfd, heerscherig en overredend, +al voelde hij wel dikwijls, 't was als een reuk op +een afstand, dat ze kwamen van iemand, die zichzelven bedwelmde +met woorden, woorden, woorden.... of van een +overvolle, die van zijn kracht in den wind smeet, verzot geworden +op het rondom martelen van zijn woordjes. Soms +was het dan als een schreeuw in hem: "ze willen je kwaad +doen, ieder wil je kwaad doen,".... maar de redeneering +ten langen leste had weêr gevraagd: "waarom?" Zoo waren +ze telkens blijven trekken aan vezels daarbinnen, die hij niet +wist dat er waren, getrokken hadden ze aan al die draden, +van zijn binnenste naar buiten uit, ondanks hem zelven, en +met pijn, met pijn, spinsels van weêrwoorden, in brief op +brief, aan vriend op vriend.... Ik heb een gevoel, placht +hij vroeger van zich af te roepen, wanneer gevraag hem in +het nauw joeg, of je mijn darmen afhaspelt; en het was +eigenlijk nog niet veel beter.</p> + +<p>Later ook.... vandaag de opleving.... had hij zich zelven +opgedrongen dat het toch wel goed was en verstandig veel +over alles te denken.... Maar och, het verveelde zoo gauw, +en eer hij het wist stond hij voor een spiegel te spotten.... +kijk, het baat niets, je hoofd blijft even groot.... wel, was +lachen niet een wijs ding?</p> + +<p>Destijds was op een nacht eens in zijn slaap een droom +gekomen.... 't was ook weêr na een brief.... vriend N. +heeft zijn baard laten groeien en ziet er nu uit als een +profeet.... stond verteld.... Toen was een groot hoofd met +een schedel als een koepel, een droogvellige gevelkop met +plooien als van leêr, met tusschen de geloken oogledenspleet +een lichtvaag, koel om van te ijzen, over zijn borst gebogen +geweest. En het hoofd verlengde zich nog door een baard, +een langen profetenbaard, eerst wit, daarna rood als oude +wijnmoer. En dat stroomde over het laken en dat knapte in +'t slepen als gloeiende metaaldraden die koud willen worden. +En het hoofd, bovenop, dampte en borrelde gelijk water dat +aan de kook is. En hij was, de ontzetting, in zijn droom gaan +liggen tellen.... bij den hoeveelste zal de bol bersten.... En +toen zat er zoo ineens een stoffig-zwarte stille spinnekop met +zijn krommen voorpoot op het voorhoofd te tikken, oogenloos +zat hij te tikken, en achter uit zijn zwaar lijf spon hij draden.... +een ruim vol draden.... almaar draden.... Het wakker +worden.... de nachtmerrie.</p> + +<p>Dat alles was wel koud nu en om te lachen, maar toen +hij las: "blijf maar weg", had hij dadelijk gevoeld hoe er +bij hem uit al die doorleefde dagen een heftige weerzin gegroeid +was, daarginds weêr te zullen moeten terugkeeren.... "Ik +zal het rekken, ik blijf zoolang, als ik kan weg".... had hij +voor kort nog in een brief gezegd.</p> + +<p>.... Al vèr in den namiddag, naar zijn plekje gedwaald, +was hij, willend weten hoeveel hij nog aan geld bezat, zijn +gordel gaan losmaken, en zijn bezitting gaan tellen, stillekens +het rammelen vermijdend.... Ja, dat geld, al was het zuinig +geweest.... het was die twee jaar door toch maar altijd zoo +gekomen, als iets dat vanzelf sprak.... maar nu was 't gedaan.... +En hij was aan 't cijferen begonnen, zittend achter de ondoorkijkbare +heggen, die hoog als olifantstanden over hem heen +stekelden, en aan 't uitrekenen in zijn jaszakschetsboekje, als +een oude duitendief over zijn schat gebogen.</p> + +<p>.... Laat eens zien, was zijn gedachte gegaan, indien ik +morgen vertrek.... maar dan moet ik eerst met de proviandschuit +van het Engelsche garnizoen oversteken naar Gibraltar.... +gaat met het kanonschot hier vandaan.... vervolgens van +Gibraltar, den volgenden dag, met ezels en een arriero over +Algeciras naar Cadix.... geen kijken naar, een veel te dure +historie.... dus blijf ik liever.... over een week komt de +Transatlantic in de baai.... zoo ben ik wel genoodzaakt hier +wat te blijven nog.... en dat vindt je toch eigenlijk wel +prettig. Men kan nu eenmaal toch niet alles zien.... al was +het ook waar, dat je in die treinen en booten het karakteristiekste +altijd langs vloog. Flap.... weêr een mooi ding voorbij, en +zoo ging het altijd.... Eerst het hôtel.... zooveel.... fooi, +zooveel.... als ik eens wegging zonder fooi, dat doen de +Engelschen ook.... dan de overtocht naar Cadix.... het aan +boord brengen.... die vervelende kleine dingen kosten het +meeste geld.... je rekent er nooit op.... zooveel.</p> + +<p>Van Cadix naar Sevilla.... daar.... den koffer lossen in +el Cisno.... O jee.... daar ook een rekeningetje betalen.... +vijf dagen logies.... neen zes.... zooveel....</p> + +<p>Vervolgens naar Madrid, een lange zit, gelukkig was 't +nu niet warm.... derde klas.... zooveel.</p> + +<p>Dan, in Madrid allicht een paar dagen overblijven. 't Museum.... +de Velasquezzen nog eens goed zien, en de Goya's.... de +zaal met zijn ouden oppasser.... Vier maanden kopieeren, +vier maanden.... et la bonne reste....</p> + +<p>Dat was aanraken geweest van een oude wonde, want al +had hij zichzelven gezegd er niet meer aan te willen denken, +de wrok was er ingeroest en wou maar niet uitslijten.</p> + +<p>Wat had dan ook niet al meêgewerkt om hem dat gedoe ongenietbaar +te helpen maken, was het niet alles?.... En zoo het eens +ongestoord had kunnen gebeuren, hoe zou het geweest zijn?....</p> + +<p>"Waarom?" was herhaaldelijk door vrienden-brieven gevraagd: +"vertel ons, waarom maak je toch eigenlijk zoo'n +ding, waarom laat je je vier maanden van je rijk leven, in +een tijd dat je geen raad weten moest met je vollen kop, +je aldus kloosteren in een museum, is niet éen streepje dat +je zelf gevoeld hebt, meer waard, en meer wenschelijk voor +wat je bereiken wilt, dan al dat na leeren doen wat een +ander heeft gelijnd.... geniet het, goed.... maar maak ons +niet wijs, dat het voor jouw plezier is, het doen van +zoo'n hondenbaantje.... neen, amice, een slachtoffer ben je +van de domme school-traditie: groote mannen bestudeeren +kweekt groote mannen.... stijl.... stijl.... wel dien hebben +we te halen uit ons zelven.... en niet uit museums.... 't bederft +je.... geloof me...."</p> + +<p>En vaag had het toen door zijn gedachten getwijfeld:.... +stijl.... je zelf.... is het wel heelemaal dat?....</p> + +<p>Maar dat het voor zich zelven was wat hij deed, geloofde +hij ook al niet meer. Was het niet onnoozel, zoo alle dagen +aan alle wanden van het museum te zien, te moeten bekennen, +hoe het juist niet het beste van een almaar heerlijk doorgegroeid +kunstenaar was, wat je als voorbeeld werd voorgehouden.... +En hij had die meening niet voor zich kunnen houden.... +"Wel, dan doe je het om het geld of om een banale eer".... +Een oudere vriend had daarentegen geschreven: "gij zult +eenmaal blij zijn, een doek van die importantie te hebben +vervaardigd." Ook al niet plezierig om te hooren.... Weêr +een ander zei: "Nu je zelf vindt dat het onnoodig is, waarom +laat je je dan nog langer exploiteeren. Kom terug.... je hoort +hier.... wat hebben wij te maken met die vreemde landen.... +Mauve!.... Maris!"....</p> + +<p>Dat was wel zeker, hoe ook die eene schreef: "trek je +toch alles niet zoo aan, je doet genoeg, neem maar wat +plezier," zij moesten maar eens als hij hier zoo alleen zijn, +dag in dag uit met je wrokkende zelf, al die anderen, die +altijd wel een rug vonden om tegen aan te staan.... dat +was wel zeker, dat hij ellendiger dagen nog niet gehad +had.... pijn hebben is erg, maar als je lichaam lijdt en +schreeuwt, dan is er geen mensch die dat geluid niet verstaat. +In de zaal van het museum was het balkon een uitkomst +geweest, daar kon je de spijttranen laten opdrogen in de +harde zon en daar gaf het oude ventje stilletjes permissie +sigaretten te gaan rooken; als 't werk je doodverveelde, +kon je daar als een bedelaar met je rug tegen den muur +gaan staan niets doen. Daar bewaarde dat kereltje ook zijn +kruik met water onder een oude sombrero voor de koelte.... +De heete dagen.... Dat oppassertje met zijn leuk rimpelgezicht +en zijn vriendschappelijke op-den-schouder-klop-maniertjes +van kom, 't zal wel gaan, houdt je maar goed, 't +wordt mooi.... en dan dat baasjes lachen.... Krom stond +hij er bij met zijn handen op zijn knieën, wanneer hij van +al het Hollandsche gevloek van zijn beschermeling geen jota +begreep.</p> + +<p>Ook was gezegd: "het rijk krijgt die dingen meteen op +een koopje zoo." Nu ja, geld was geld en 't rijk gaf 't.... +maar 't was toch wel waar ook.</p> + +<p>Het rijk, het land, de regeering.... dat waren nu ook +weêr dingen, waar hij nooit een begrip van had kunnen +krijgen uit officieel geschrijf.... was 't éen ding, waren het +er honderd.... iets zonder houvast, dat niet aan te spreken +was en dat hij toch almaar zoo door boven zijn hoofd gevoeld +had.... het rijk, dat kon wel eens waar zijn, haalde er die +subsidie-gelden wel weêr netjes uit zoo.... nog niet zoo +dom, dat rijk; en als ze nu eens een kat in den zak kochten.... +dat kon.... erg ook.... en wat zou het eigenlijk dat honderdkoppige +ding kunnen schelen een kopie naar een beroemd +schilderij te bezitten. Maar waarom gaven ze dan de toelage +niet zoo, zonder meer.... waren ze bang dat je het in weelde +verteren zou?.... neen, er moest wat voor gedaan worden, +je kreeg het op een papiertje meê. Houden ze de jongens, +die ze uitzenden voor futloos?.... wat stond er niet al overbodigs +op voorgeschreven.... groote meesters.... natuur.... +of je daar niet van zelven naar kijken ging.... je wilt toch +schilder worden en dan.... officieel mensch als je bent, de +gezanten complimenteeren, en die ontvingen je als lastposten +en deden of ze voor de eerste maal van kunst hoorden in +hun leven; niets, niets voor je weten te doen, misschien niet +willen.... een schande als je toch van de regeering komt.... +daar moest je nogal een zwart pak voor meêsjouwen.... En +dan series studies laten zien.... waar leveren voor je geldje....</p> + +<p>"Zeg het maar, zeg het maar!" was herhaaldelijk geschreven.... +"is het niet goed voor jou, dan is het voor die +na je zullen komen".... en dan....</p> + +<p>Neen, dat begreep die Russische pensionnaire in Rome +anders. Welk een man was dat geworden in z'n herinnering +met zijn rustig praten: "vous m'embêtez avec votre Hollande.... +il faut être plus sage que vos amis.... ge zijt hier om je wat +uit te zetten, pour vous élargir".... en: "als je een wond in +je hart hebt dan brandt je er hem uit.... soyez tranquille, +regardez".... En de Grieksche en de Oostenrijkers, en.... +Rome was vol van die jongens, dat waren toch ook geen +Fransche seigneurs, en die liepen hun mooie dagen zoo +onbezorgd door, zoo benijdenswaard, dacht hij dan, met hun +neus in de lucht.</p> + +<p>Schacheren.... wanneer ze het là-bas nu eenmaal deden, +omdat het zoo hoort en er niet veel voor over hadden, +waartoe dan al die schijn of 't heel wat was.... wist daar +dan geen mensch wat reizen een duur en moeielijk leven is. +Nu was het alleen een baantje voor rijke jongens.... je +waagde er alles aan, je gezondheid.... had hij niet in Venetië +een maand lang op zijn achterstallig kwartaal moeten wachten +en geleefd als een heiden, had hij niet zijn gouden Prix de +Rome, er nog aan hechtend, in den lommerd beleend om +geld te krijgen.... was 't niet ridicuul....</p> + +<p>Halfheid.... meêdoen.... kunstglorie van een land.... +zoo'n beetje à l'instar de France. Nu ja, dan moest je den +Paus niet van dichtbij gezien hebben.... Dinges had wel +gelijk, 't leek veel meer op een exploitatie....</p> + +<p>Maar was 't niet bepaald dwaas, kijk, het rijk stuurt je +uit.... nu ja, dat is een wassen neus, goed dan, je wordt +uitgezonden namens het rijk door een School-Commissie.... +kunstvrienden uit de eerste ingezetenen der hoofdstad.... +rijke burgers.... de beschermers, de heeren, waar ten allen +tijde de kunstenaars de troubadours van zijn geweest.... +uitstekend; die komen overeen, geven je op, kopieën te +maken.... of je het mooi vindt of niet, daar wordt niet +naar gevraagd, jonge wildzangen als de pensionnaires zijn, +voor je welzijn dus en voor hun-zelfs plezier.... naar oude +schilderijen, die ze.... neen, corpo di Bacco, dat was wel +zeker.... ga maar na wat je te doen hadt.... zoo het +origineel werk was, niet in hun huizen zouden willen hebben. +Voor den drommel, dessertkost was 't juist niet.... Hoe zat +dat zoo.... dat kwam dus niet van hen, niet van die eerste +lui.... dat kwam bepaald dus van het land, van dat ding +in de lucht.... Hoe zat dat zoo?.... Men moet redeneeren.... +moet men niet?.... Al deze schilderijen zijn beroemd als +groote kunst.... de bedoeling is: de kunst grooter te maken. +Groote God, wat een tegenspraak.... want hoe meer de +pensionnaires de kracht uit die groote meesters inzogen.... +en dat was toch de bedoeling, ga maar na.... hoe meer ze +thuis de kans hadden hun heele leven lang hongerlijders te +zullen moeten blijven.... dat kwam er nu wel niet zoo opaan.... +maar zij zouden dan van armoê ook wel niet veel uit kunnen +voeren en waar bleef dan de groote kunst?.... En de +pittigheid van die oude heerooms, want pittig waren ze.... +kon je wel eens als oude wijn in je bol blijven zitten. Wat +moest hij daar nu meê doen?.... Et la bonne reste.... het +tweede deel van het officieele programma.... de natuur +ingestuurd.</p> + +<p>Zoo toegevend aan zijn oude hebbelijkheid, had hij zijn +vlinderende gedachten laten gaan, en toen zacht-ernstig in +het gras had hij herdenkend gelegen, de handen in mekaâr +onder het hoofd gevouwen, boven het weeke zwellen van +zijn hart, en gezien als door den nevel, die een roes in de +oogen nalaat, hoe het blauw boven wegkromp in een hooghangende +melancholie....</p> + +<p>.... Dat was al begonnen in het Museum. En daarna, +zonder thuis, wonend in herbergen, plots verloren gezet met +je groeiende oogen in de wreede zonnatuur van het stoffige +Zuiën, middenin het alles vernielende licht, middenin daar +met je arm hoofd en je onmogelijke handen, zwart, zwart +van al die binnenkamersche, oud-eeuwsche schilderijen....</p> + +<p>Dat begon al vroeg, drie uur in den morgen; daar was +hij al weêr, de harde dag, je opbrandend met onrust uit je +slaap in een damp van zweet. En je wou nog niet zien, +maar het verschrikkelijke licht sloeg je in je hersens, door +je oogen in, als witte brand met rook van blauw, zengend +op alles neêr, spattend van alles op.... En dan maar aan +het werk en om tien uur al dood moe, en weêr als gisteren +het werk vernietigd. Dagen dikwijls had hij gevoeld krankzinnig +te zullen worden als dat niet ophield, en zich opgesloten +met de stores dicht van zijn slaaphokje, en op bed gevallen +met het gezicht in de kussens. Maar het licht vloekte in je +hoofd, en dan verdooving gezocht in den landwijn.... hij van +nature geen drinker, om het ellendige huilgevoel in je te +smoren, hoe je niets zijt, niets in dat lichtoordeel.... Vaak +midden op den dag aan den dwaal, onder den rechtstand +der zon, om wel een zonnesteek te krijgen, wankelend tegen +den brand in en dan met weêrhakerig plezier achter in je +ooren hoorend, hoe het vadsende volk je uit de schaduwen +nariep, en jongens die naakt in deur-inkijken lagen te zwijnen, +achter je aan joolden:.... "Dronkaard.... Tonto.... Gek!"</p> + +<p>Met klein, pijnlijk leedvermaak had hij na-geproefd, hoe +juist in die dagen, hij ergens, poste-restante, een brief van +een vriend had gevonden, hoe woedend hij zich toen gemaakt +had om de ongeloofelijke liefelijkheid van dat schrijven.... +als gekluts-kluts van water dat onder boomen voorbij zappelt.... +en dat hier in deze verzengde wereld toen....</p> + +<p>Hoe lang had hij daar wel gelegen, ongejaagd, zoo warm +onder den koelen hemel, te genieten het volle liggen.... +dan òp, want dat vervloekte rekenen moest gedaan zijn....</p> + +<p>Van Madrid naar Burgos, zooveel.... was ook op de +route voorgeschreven geweest te bezoeken om zijn kathedraal. +Daar had je het nu weêr....</p> + +<p>Was het niet zonderling, had hij honderdmaal wel gedacht, +dat in al die voorschriften de architektuurstudie zoo gebiedend +was aangewezen. Voor Spanje:.... Toledo, 't Escuriaal, +Cordoba.... in Granada was bevolen ernstig het Alhambra +te bestudeeren. Pompeji, Ravenna vooral in Italië.... Ja, er +was bijna geen stad, als 't niet was om de museums, dan +ging je er met je boeltje naar toe, uren sporens, om de +architektuur. En dat had veel geld gekost van je traktementje +en moeielijke zuinigheidsdagen had het gegeven, vooral in +Italië, dat achterna moeten zitten van de architektuur.... +Nu ja, dat was voor het breede zien.... "l'architecture est +la mère de tous les arts", leerde de school.... Byzantium +in Italië nagaan.... Egyptische invloeden over Griekenland +terechtgekomen in Italië.... net zaadpluisjes, hier groeien +ze en honderd uren verder komen ze eerst op. Italië had +soms wel geleken van oude overschotten te zijn gebouwd. +En in Spanje, de Moorsche architektuur, de Moorsche geheimvolle +zon-schaduwkunst met zijn zinnige spinsels van +nachtwichelarij, gehavend en in 't hart getroffen door den +ascetenijver van de dwepende Gothiek:.... de moskee van +Cordoba.... Maar 't Alhambra, het wellust-bouwsel waar +de oude Moorenweelde het mooi vrouwenlijf meê heeft overdroomd, +borduursel en weefwerk van steen en als in gaas +de koelte bewarend bij het klaterende zonnewater van vijvers +en fonteinen.... hij had het er geen twee uur in kunnen +uithouden; gerestaureerd, beknoeid stond het daar, gelijk +een opgezet beest dat naar kamfer stinkt, dood, leêg, de +kolossale liefhebberij van een heel volk. En dan de Renaissance, +die overal wel, storm van menschenhartstocht, scheen +rondgegaan, waai-ademend hoe in elk mensch God woont, +blazend de stelsels door elkaâr, brokken naast brokken, maar +zettend eindelijk de hoogmoedige persoonsdaad in 't gezicht +van de verstervende leeren.</p> + +<p>.... Van Burgos naar Parijs.... zooveel.... te lang.... +Bordeaux.... het eerste plan rechtdoor is beter.... Burgos.... +Irun.... Bordeaux.... daar ook een museum.... tot Parijs.... +zooveel en eenmaal daar.... och wat.... als de hemel invalt +dragen we allen een blauwe slaapmuts....</p> + +<p>Toen alles zoo gewikt was en nagecijferd, had hij zijn +gordel om het lijf gegespt, opgelucht klaar, en was weêr +achterover wat gaan liggen, lekker op den grond als op +een tapijt.... Parijs, Parijs, was het begonnen te gonzen +in zijn hoofd.</p> + +<p>Vier jaar wel al geleden, in de maand Mei, voor de +eerste maal op reis, was hij er geweest. Vrienden die er +waren, zouden hem af komen halen van de Gare du Nord.... +herkenningsteeken: het wuiven met een witten zakdoek....</p> + +<p>.... Veel muren met gele plakkaten langs, aanplakbiljetten +bedaverd met veel letters.... plezier.... plezier.... en met +de schuddende omnibus, andere schuddende omnibussen voorbij, +donkere, volgeladen reiswagens, waar van-achterop de conducteurs +onverstaanbaar riepen naar elkaâr, schuinzeilend +stonden met de hand aan de trapleuning naar boven.... +Dan leigrijs, van buiten een huis zoo stil, met een breed-uitvarende +steentrap onder een tempelend portiek.... de +Madeleine.... drie bekende gezichten.... Frits ook, met +hem op de trap. Maar van binnen een mist van wierook +en bloemengeur in de dreunende bedwelming van koraal en +bazuinen. Het ruim boven donker, open met bleeke gaten +nacht, de muren vaag met sidderende nissen weg. Beneden +een volk van dames, geknield op den kerkvloer, een stil-ruischende +en plooi-schuifelende schaar voor de bidstoelen +neêrgezegen in lekkerruikende verdooving. Bij de zacht toe-vallende +tochtdeur een veranderzieke bijeendringing van in- en +uitgangers, veel straatgezichten, werkmannen in blouses, +met petten in handen; wijven met hooge wangen en rulle +haren, zich bekruisend of niet; heeren met kale hoofden en +snorren, zich bekruisend. En van achter, boven het rood-rooklichtende +altaar, uit den schemertuin van bloementuilen, +het gehosiannah van een vrouwenzang, de hemelstem wel +van een onzichtbaar vliegenden engel door het ruim, blauwend +in dank.... Alzoo leeft een mensch van herinnering.</p> + +<p>De dienst uit.... en een verwonderlijk hoog opstekende +Engelschman in een geruite reisjas, met een oogglas in zijn +kop van rood kippenvel gekneld, dringend vooruit met +onwijkbare schouders, brutaal naar de bloemen toe. Doch +de dames voorbij in een wasem van violetten en tusschen +de rijen geschemer van witte kinderen, meisjes, serafijntjes +in wolkjes van gaas, mistig omsluierd, met kroontjes om de +hoofdjes. En een gezeur van stemmetjes; want bij de deuren +ook de communiantjes, blozend met neusjes nieuwsgierig onder +pimpeloogjes en bedelend allerliefst: "la charité s'il vous +plaît." En klankspringen lieten ze de aalmoezen in taschjes +van roode pluche, in de handjes wit geganteerd: "la charité, +als 't u blieft, voor de maand van Marie."</p> + +<hr class="pct45" /> + +<p>—"Hè!.... hè!" grauwde het nog eens terug.</p> + +<p>Vooraan, waar de Zoccostraat gaat in de kleine markt, +was Johan een man die klom in de borst geloopen, +en geschrikt blijven staan met de handen bang voor +zich uit.</p> + +<p>—"Hè!" uitte hij ook op zijn beurt, helder hoorend +hoe zijn stem lager was dan gewoonlijk.</p> + +<p>—"Ah, daar hebben we den schilder," ginnegapte hoog-uit +Vogels bekend geluid, "wat een buitenkansje." Hij stak zijn +pijp bijna in 't gezicht van den ander en raffelde in een +adem van rhum en smook: "hoe is het, zijt ge bang, mijn +waarde, dérangeer u niet.... 't Is waar, het is een weinig +donker, mais que voulez-vous.... men is hier niet in Amsterdam, +par exemple." En goed gehumeurd als hij scheen: "zal ik +u naar Antonio brengen, ik kom er vandaan.... hé?.... +ging wat eten.... daar heb ik den jongen Jachjemed gezien, +Antonio geeft wel een lantaarntje"....</p> + +<p>Maar Johan:.... "merci".... hij wist nu wel den weg, +het was altijd 't zelfde paadje.</p> + +<p>—"Nu ja," smakte Vogel en hij deed zulk een zwaren +haal, dat het gelurk wel uit een kelder scheen op te reutelen, +"nu ja, het is niet ausserordentlich groot hier, dat vindt +zich vanzelf; maar kom, ik heb den tijd. Zoo goed als gij +tegen mij opliep, kunt gij ook tegen een ander oploopen; +waarom zou ik u niet liever brengen."</p> + +<p>—"Ik had u gisteren avond nog verwacht," praatte hij +naast Johan.... "men ziet u zoo weinig."</p> + +<p>Het kleine marktruim, nachtvol, zwanger van zwart, zwol +op onder te raden wanden. En Johan, zoekend grenzen en +tastbaarheid, speurde het moskeetorentje zoo 't hoog uit den +omme-chaos reikte, want de hemel bewaarde nog licht. Een +geflipflap van stemmen vleermuisvlerkte de donkertes laag +uit.... late mannen.... schooiers misschien zonder thuis, die +den avond door verpraten bleven onder de bogen van den +bazar.... stak daar niet iemand het plein over.... een +geschimmer gleed er.... hij zei:</p> + +<p>—"Gisteren avond.... toen.... heb ik gewerkt."</p> + +<p>En hij had de woorden nog niet gezegd, of het onbegrijpelijke +beroerde hem, hoe hij zoo in eens kwam aan dit prompte +leugentje.... waarom? was het niet even eenvoudig geweest +te vertellen hoe hij met zich zelven geen raad geweten had +en maar naar bed was gegaan....</p> + +<p>Waarschijnlijk liepen ze nu tot voor het klimmende straatje, +in Johans staroogend nog-willen-zien begon het duister te +blauwen. Dat ondoorgrondelijke, dat tastdonker was dat niet +de steeg naar Sivory's kroeg.... Maar achter hoekhuisblokken +verslonk de laatste lucht, de voeten gingen meer aan het +aarzelen. Vogels stem kwam rad en spoelend uit het vocht +van zijn onzichtbren mond.</p> + +<p>—"Wij waren met zijn.... hoeveel wel?.... monsieur de +Redacteur du Réveil, monsieur de kolonel mijn vriend Badaud, +monsieur de minister, ook wel, knecht van den Zweedschen +consul, wissen Sie.... even voor 't tafeldienen zag 'k hem +bij Antonio, ha!.... mijn kameraad de Zwitsersche fotograaf +en ik.... voilà déjà cinq.... n'oublions pas, monsieur +Cré.... Wat is dat?" zweeg het geraffel met een hik.</p> + +<p>Een duistere knel om den arm had Johan tot stilstaan +gedwongen. De dokter rommelde voor zijn voeten, zijn spraak +zwom laag en slibbig, terwijl hij prevelde: "encore un petit +aigle."</p> + +<p>Maar dadelijk huiverde zijn hoofd weêr op, blootshoofds +steeg het met zijn hoog frontaal, schimmerig of het met +fosfor was bestreken.</p> + +<p>—"Ik wist het wel," hinnikte hij, "ik heb het door +mijn schoenzolen heen gevoeld.... weêr een buitenkansje.... +de tweede vandaag al.... voel hij is nog warm, nog geen +half uur kapot." Zijn stem zakte, Johan bleef staan. Vogel +zei zijn hoed te zoeken, in het bukken gevallen.</p> + +<p>—"Zeg er niets van aan monsieur Crépieux.... niets, +hoort ge," drifte het vraag-bevelend.... toen alsof Johan +wat gezegd had: "nun, wat zou het, ik vertel hem morgen +dat ik ze met andere van Mustapha gekocht heb".... Hij +streek het doode beestje de veêren glad, zijn hand aaide. +"Ça vaut bien deux autres bons grogs. Que voulez-vous? +heeft hij niet het geld, hij.... en ik.... heb ik niet een fijne +neus? Maar gaat u even meê terug, hij mag 't niet zien, +deze bêtise in mijn hok deponeeren, 't is dichtbij.... dichtbij."</p> + +<p>En over het plein, door den al blauwender nacht sjokten +weêr hun paren voeten; zwaar gezet, klankten ze hol, wanneer +geen rulligheid knerpte, stappen gelijk die bauwen in een +kerk. Vogel bromde dikwijls wat, als spon hij raadselwoorden +in zijn knevel, maar ging vooruit, den weg wel wetend. +Johan achter hem aan, waadde door den nacht, soms geloovend +te zien het zwakke licht-beweeg, de schommelende +hand van Vogel, maar ruikend waar hij liep, de prikkeling, +de aanwaaiing van den smook. En 't was binnen in hem +ook duister en leêg, die sombere voeten klopten zoo ellendig +alleen, hij had wel willen gaan wegloopen. Diagonaal staken +ze de markt over.... Zoo was ook zijn weg naar het +logement.... daar was gauw licht en ordelijke gezichten, +wat moest hij nu meêgaan naar dat hok.... Boven de algeheele +verzinking van de dingen begon de hemel te gaan +in desolate pracht, enkele sterren, koel en eenzelvig, pinkten +er als knipoogen hun wit licht-gevonk.</p> + +<p>Maar een dijk van opgestopt duister kwam verbijsteren +zijn spalkstaren. Hij wankelde terug, zoekend opnieuw met +handen en het stapbeen te hoog in de knie gekrompen, zocht, +zocht. Tegen zijn geloop in begon de weg als een berg +te staan.</p> + +<p>—"Pas op, mon petit monsieur," riep Vogel vooruit.... +"we gaan de ruelle in.... attendez! Dan zal ik u wat licht +geven."</p> + +<p>Er gloeide als een vuurvlieg een lichtstip. Witte rook-kringeltjes +festonneerden, siswolkjes, en dan niet meer, want +zuchtend zogen Vogels lippen het pijpkratertje in brand. +Johan hoorde hem zacht tegen den muur de asch uitslaan +en toen aan 't blazen, tot er vonken vlogen, tot bloedend +voor het steeggat het schema van zijn hoofd verscheen met +tintels in 't natte saffier van zijn oogen. Hij spoog, den mond +bitter, en kortademig van inspanning ging hij opnieuw zijn +klots-klots, verzwolgen in het slopzwart.</p> + +<p>—"Ha, ha!" lachte hij vroolijk daarna en stootte zijn +stem de steeg in.... "je me dis, hoe gemakkelijk het zijn +zou, zich zoo een beetje te kunnen bijlichten, als we in den +kuil zullen liggen.... Des clowns que nous sommes.... +vanavond is hier réunion in de Engelsche club.... een +Italiaansche prestidigitateur die de kust afreist.... alzoo hebt +ge gisterenavond gearbeid.... Ja?"</p> + +<p>—"Zeker," antwoordde Johan kortaf, met zijn verzinsel +al verlegen.... maar het kon toch evengoed zoo geweest +zijn, niet waar? waarom, wat behoefde hij het te vertellen +hier in deze akelige steeg, waar je telkens met je neus tegen +iets geloofde op te loopen.... Waarom? 't Is waar, verscheiden +malen had hij hem ontmoet, op straat of bij Antonio, en al +was dan ook onwillekeurig de eerste opwelling: alweêr die +man, zij hadden elkaâr gezocht, daar was niets tegen te +zeggen, samen gewandeld, gepraat, gepraat.... O, hij mocht +het zich willen bekennen of niet, Vogel trok hem aan door +zijn.... ja, door wat niet al, door zijn oogen, die raadsels, +onnoozel soms en dan weêr zoo ironiek schril, maar vooral +door den hoogen toon van zijn oordeel, vaak zoo heel +voornaam.... Was 't niet prachtig, hoe hij telkens het +geklets in de kroeg kon uitmaken.... precies een stop op +een flesch.... dicht.... het schenken is gedaan.... drinken +jullie liever wat anders, bijv. een grog van rhum.... kittelig +was het om er naar te zitten luisteren.... van zelve begon +het dan te jeuken van binnen, er groeide tegenspraak.... +"Zeker", herhaalde hij stelliger, alsof hij 't zelve geloofde.... +"en daarna heb ik nog een brief geschreven."</p> + +<p>—"Zoo, zoo, ook nog een brief geschreven, wel dat's +braaf," lachte de ander, "nun das versteh ich, war doch +auch einmal jung, leidenschaftlich jung".... zijn geluid stond.... +"En ze is mooi?"</p> + +<p>—"Wat?.... o, erg mooi, bepaald heel mooi, wissen Sie."</p> + +<p>—"Hm.... dat zeggen wij mannen allen."</p> + +<p>Door het slop smakten en zogen de schoenzolen weêr voort +of sloffend òp van uit het benauwde lage, telkens wanneer +het brokkelige gepraat, het harde klanken van Vogels stem +maar even stil was. Johan door al dat stikkedonker verbijsterd, +voor het immer aandringende zwart schuw als voor +gevaar, aarzelde opnieuw, tastend naar de kilkou der muren, +zoo dichtbij, en strompelde dan, al trachtend met de voeten den +weg te begrijpen, tegen vuilnis op, er onder tegenaan geheuveld.</p> + +<p>—"Dat vervloekte donker," mopperde hij, aan zichzelven +overgelaten, Vogel vergeten.</p> + +<p>—"Houd uw oogen naar boven, dan ziet ge van zelve +het pad in de lucht," waarschuwde de stem een eind hem +vooruit in den vunzen nacht. Hij bleef stil, vroeg plagerig: +"en wat hebt ge gisteren wel gedaan, darf ich fragen."</p> + +<p>—"Ach, niet veel bizonders," loog Johan door, nu zekerder +gaande en den spot in de stem van Vogel niet dadelijk +hoorend. "Ik was een teekening begonnen.... verbeeld u," +sloeg hij door, geïllumineerd door zijn verzinsel.</p> + +<p>Maar Vogel viel in:</p> + +<p>—"Attention, we gaan rechts om, de weg klimt wat, pas +op.... geef me uw hand.... pardon!"</p> + +<p>Wendend en toen blind voorover tegen het duister +klommen ze langzaam, stap in stap. Vogel rookte niet meer, +scheen wel, zeker was zijn pijp leêg. En Johan kijkend naar +de geul lucht boven zijn hoofd, in het nachtelijke ongewisse +blauw, vervolgde met radde tong:</p> + +<p>—"'t Is een heel mooi geval, wissen Sie, er zijn er hier +honderden, het zou prachtig kunnen zijn, zoo ik het zie nu, +magnifique...."</p> + +<p>—"Pas si bête, waarde: toch nooit zoo mooi als uw leugen +wel zijn kon. Hebt ge dat gisteravond allemaal in uw bed +bedacht.... indien onze compagnie u niet bevalt.... mij ook +niet.... waarom te liegen?.... gelooft ge inderdaad.... +ach neen.... dat's rein onmogelijk."</p> + +<p>.... Hoor hoe hij liep te grinneken in zijn snor, zijn eigen +plezier te eten, blij natuurlijk dat die ander daar achter hem +aan moest gaan als een bestrafte jongen. En de lust begon +Johan op de tong te branden om te zeggen, om het uit +te roepen dat het wel waar was, en dat het hem niets schelen +kon uitgelachen te worden hier in dat smerige donker.... +maar toen, plotseling zonder wil.... rammelde de bekentenis +zijn mond uit:</p> + +<p>—"Och ja, ik was een weinig verdrietig en ben maar naar +bed gegaan; en van dien brief is ook niet waar, wissen Sie, +'t is allemaal niet waar."</p> + +<p>—"Maar dat is een confessie, mijnheertje, dat wordt hoe +langer hoe grappiger, o mon bon, ce bon petit monsieur!"</p> + +<p>En het was of daar waar hij ging het zwart schudde van +de pret.... Zeker, hij liep met zijn mond open van vroolijkheid, +de tanden bloot in den nacht.... Hoor, nu hield zijn +slof-stap stil en de stem kwam kappen zijn eigen genot af:</p> + +<p>—"Nog wat rechts, en dan zijn we er!"</p> + +<p>Bengelend gelijk een klokkeslinger kwam diep uit de hoeksche +steeg een vlam aan wandelen. En spookhoog, ook los van +den grond, geestte het lichtbeeld van een Oosterling in een +damp van ontbonden duister, stillig-stil.</p> + +<p>Een schok, die hem in de beenen sloeg, had Johan doen +staan. 't Doffe klop-klop van paard-hoefslag was als vijzels +in zijn ooren aan het stampen, even waren zijn tanden in +zijn mond aan het rikketikken begonnen.</p> + +<p>De naderende Arabier bleef aanvaren winnend in grootte +en in lichtkracht, nader kwam hij gewiegd door zijn paard, +hoog heerlijk gezeten in het reine mousseline. Gelijk een ster +voor Drie-Koningen, bakende over hem heen de aan een +stok gedragen lantaren, het pad zoo blootleggend voor zijns +paards pooten. De lantaren wiebelde aan tusschen de wanden +van de wijdere steeg, het duister ontraadselend waar de ruiter +ging, die blank-straf en ondoorgrondelijk, keek naar niets uit +de koepelende omhulling van zijn nachtwitten en begloeiden +mantel. Koolzwart roezemoesde uit het kappe-open knevel en +baard, waar achter hem nachtte de luchtstrook; waar de +knechtskop van een neger schonkglimmerig uit aankwam met +een roodende fez; toen zijn roode lijfjas.</p> + +<p>—"Ziedaar een licht dat tenminste op zijn tijd komt," +zwetste Vogel nog, toch ook wat lager. Voor een nis op een +stoepje zag Johan hem staan schemeren, los ook hij van den +nacht, gebukt-schevig, bezig met rommelig te zoeken naar +een sleutel in zijn broekzak en hanghebbend in zijn lage +hand den gevonden arend aan de krampende pooten.</p> + +<p>Dan een muurlengte rechts, wendde het paard al schuif-trappelend +om, gestuurd door de onteziene handen van zijn +heer. Dwars stond het in de steeg. De lantaren, wind-schommelend, +brandde neêr op de ritselooren van den witten hengst en +op zijn omkruivende manen zijig, merkte de gleuven van den +krommen spierhals en de uitsnuivende wrongen van den neus +waar stil hijging uit dampte. En op stangen en trenzen +vonkte het rood en goud, want het paard knikte de pooten +in stap, toen kwam het schabrak ontbloeien in een mysterie +van arabesken, en in den bak des stijgbeugels de gele voet +van den hoogen musulman.</p> + +<p>En als in een tooverhuis droeg het paard den Moor onder +het nu stille gloeilicht voorbij, wiegend hem statig weg, +ijskalm en onbegrepen hoogheerelijk in het open donker.</p> + +<p>Zwart-glanzig stuurde de knecht zijn paard vast aan. Hij +hield in zijn knookvuist den lantarenstok, zoo een lans in +rust wordt gedragen, nu ook het achterlijf van den hengst +heenhobbelde, rozig als besneeuwd, bebaldakijnd onder den +nasleep van den mantel.</p> + +<p>De lantaren binnen, omraamde rood het portiek; schuw +blauwde het in de steeg. En binnen de roode knecht met +zijn glimmende eunuchenfacie; toen viel de nacht als een bui. +Op 't gevoel af had Vogel met doffen smak het doode beestje +neêrgesmeten in het andere open donker.</p> + +<p>Hij peuterde zijn werkplaats dicht: "Die arme Seigneurie, +hij heeft meer dan vijf vrouwen, men zegt zes, men zegt +zeven."</p> + +<p>En door den nacht terug en veroordeeld tot een dubbel +donker, daalde Johan met hem.... twee duistere menschen +die elkaâr niet zien. Vogel was stil geworden, het broeide +om hem als liep hij in een stom dreigement, niets was er +dan het leven van de voeten. Dom ging het loopen goed, +de zakkende weg maakte nu het gaan gemakkelijk. Uit de +hemelstraat boven de steeg prikten de sterren hun blinklicht +neêr in Johans oogen, en kasteelige donkers schoven voorbij.... +de uitbouwsels, die als groote kooien zijn, op schraagsels +in den muur gestut.</p> + +<p>En hij zoo gaande was blij dat Vogel niet sprak.</p> + +<p>.... Was het niet als een droom nu al veertien dagen, +een wonderlijk leven, onverzadelijk om er naar te kijken, +nooit genoeg, telkens wat anders om het vorige te verdringen +tot het wel herinnering geleek; zoo kwam er van werken +maar niets, alle dagen dezelfde beloften aan zichzelven +vandaag zal ik dit doen, dat en dat, en er was nog altijd +niets gebeurd. Nu ja.... een paar schetsjes.... niet veel.... +hoe kon het ook anders.... dat nare geld.... nog een paar +dagen, dan was het sprookje voor goed uit.... Hoe zou hij +zich in Holland weêr voelen.... hoe langs de straten daar +gaan.... allemaal andere menschen geworden in die twee +jaar?.... twee jaar.... waren het er niet meer.... waren +het er geen twintig.... dertig....</p> + +<p>—"En dan te denken dat ik ook eens mijn eigen paard +reed, mijn goed paard.... ma pauvre Mirsa".... mopperde +de dokter vlak voor hem, uit zijn eigen gedachten.</p> + +<p>Grottig vloeide voor 't gezicht weifeling van lucht. Haastiger +onder het gaan slonk de al dalender steeg. Toen klankten +weêr de eenzelvige stappen op het kleine Zocco. En de opstapelingen, +duister als waren zij gegroeid, stuwden zich op +naar het hooge open boven, naar het rouw-blauw van den +hemel, magistraal met zijn benageling van sterren. Maar insidderend +lag er het zwarte van onder, er doolden spinraggen +en raadselen van schijn, draderig geflinster schoot er het +wanden-duister langs, als lijnen van telegrafen. Vogel kwam +aangedrongen, Johan rakend en toen los, toeschietelijk met +het goeielijke in zijn gepraat dat hij hebben kon, liep hij +weêr te vragen:</p> + +<p>—"Alzoo gelooft ge wezenlijk, dat een vreemdeling die +hier veertien dagen is, als gij; die komt waar wij komen, +als gij; op een avond naar bed zou kunnen gaan, dadelijk +na zijn diner, en zijn twaalf, nun, zeggen we elf uurtjes, kan +doorslapen zonder dat wij het zouden weten?.... hoe is dat +zoo?.... pscht," slikte hij tot fluisteren zijn stem in, "loopt +u een beetje hier, daar komt monsieur Crépieux aan.... ik +ken zijn lantaren."</p> + +<p>Maar in het gauwe gaan was het lichtje achter Johans +rug flap uit gelijk een uitgewaaide vlam; nagezeten menschen +die op de teenen vluchten, zoo draafde hij schichtig achter +den schichtigen Vogel. Ze waren de groote Zoccostraat +voorbij gesneld. En nu langs den opstand waaronder overdag +de koopvrouwen met de brooden zaten, bedaarde het geloop. +Achter hen bauwde uit den donker de stevig aanstappende +mannenpas, in den zakkenden gang met val van klank.</p> + +<p>—"Hij gaat eten.... hij woont bij den muur, mijn patroon.... +ce Crépieux."</p> + +<p>Dan vóor hen, waar kwam het zoo snel vandaan? schommelde +alweêr een ander rood lichtje, het ging, schijnende +dwaalvlam, op, neêr, soms als in een tocht aanvarend.</p> + +<p>—"Loop wat aan!" stookte Vogel weêr op. "Ce bon +brute daar kan ons wel een beetje bijlichten.... Kom toch."....</p> + +<p>—"Ik zeg: 't is niet de eerste maal dat ik zoo mijn geluk +zoek."</p> + +<p>Tot op twee manslengten achter het bakentje liep Johan +meê, willoos in het rillerige donker. De Arabier keek niet +om of op, gewend. Hij sjokte als een nachtdief, vallend het +duister tegen, met zijn bekapten kop in den loop voorover; +met het soppige geluid van zijn tippende muilen onder het +opgeschop van zijn nachtjas, geleek hij soms meer een vrouw. +En het vlammetje oproepend zijn knuist uit den nacht der +mouw, brandde roetlicht neêr in een cirkelkring van stervend +rood: een heraldiek teeken, de lichtschim van een kruisvaardersschild, +zoo schoof het naast den duister-witten man. Spraakloos +gingen ze in het lawaai geworden leven van de voeten; de +blinde muren schroeiden op uit een gerikketik van vuil en +onkruid, schijn vlottend naar schijn. De eerste steeg week +wijd-zwart in den wand en duisterde achter hem dicht; een +deurpost paalde met zijn hoogen drempel er onder en voorbij; +toen zwenkte Vogel, latend den gangenden lantarendrager, +op den lichtschraai af die midden in de steeg Sivory's kroeg +uitwalmde.</p> + +<p>—"Een glaasje op onze gelukkige ontmoeting, is 't niet?" +zei Vogel.</p> + +<p>Maar Johan bedankte, neen, wezenlijk, hij had geen lust, +ergen honger.... en 't was al zoo laat, de dokter moest +Jachjemed maar naar buiten sturen.... neen, wezenlijk niet.</p> + +<p>—"Des bêtises."</p> + +<p>In den schamperen kroeggloed, glom het ellendige geween +van zijn lichte oogen. Zeker, ze waren groot geweest en +gespannen in het duister, maar al gordijnde de vouw er +over, brekend het even kralende gekijk. En zijn neus vlak +pakkend het deurlicht, snavelde er tusschen neêr, hard en +onverschillig in een stijlen rug, maar verdrietelijk toch met +zijn hangende punt. Een zenuwachtig rilletje trok op onder +uit den bluf van den knevel en zijn mond, zijn spotmond, +hoe zou die er wel onder uitzien. En nu ging zijn linksch +oog daar nog meer knijpen in een geraad van rimpeltjes; +maar boven het andere kromp de brauw, stijgend, als in +hoon, hooger.... Och, oolijk was het bijna om er om te +lachen, maar ook om er beroerd van te worden. Hij stond +vaal in zijn verwaarloosde jas; tegen zijn nek op frommelde +een boord te hoog, welig warde het haar er over. Laag +hingen de handen langs neêr, missend de pijp.</p> + +<p>—"Ik zal nog een glaasje nemen.... een tout petit.... +waarom zou ik niet?.... de rhum van Antonio is goed.... +geeft me slaap.... en slapen wil ik.... waarom niet?.... +Bonsoir.... ge weet.... niets vertellen aan monsieur Crépieux.... +Dus ge komt morgen bij mij kijken?" bleef hij even +staan zeggen.... "doe het maar.... tot morgen dus, bonsoir."</p> + +<p>Johan alleen, wachtte in het straatje.... Als nu die jongen +maar dadelijk kwam.... 't was eigenlijk zoo noodig niet, +eergisteren was hij ook wel alleen naar huis gescharreld.... +Maar hij had zich nu plotseling verloren en zoo moe gevoeld; +tegen den muur was hij aan gaan leunen, met niets geen +kracht meer. Hij wachtte. Uit het kroegebinnen rommelde +'t mannengezwatel, onverstaanbaar door-elkaâr-gewar van +spraak; hoog op steigerde lachen, aanvarend op den lichtschraai +naar buiten.... Antonio's plezier.... Voor zijn oogen +was het werkplaatsje van den kleermaker verschijnend, slaperig +met hangende deur, een dicht huis dat zijn geheimen bewaart. +In het duister stond hij, machteloos, zoo òp, zoo leêg, zijn +maag was een leêg ding ook, o, hij had honger en dorst. +En de table d'hôte kwam in zijn hoofd blinken, linnen-blank +met veel licht, met rinkelende karaffen, met rookend eten, +volop, veel zou hij eten. Zwart, stop-zwart ging de steeg +in het niet; door de wijdte was het stil, suisstil, maar de +kroeg naast hem, een gat rood walmend leven hier in het +nacht-overal. Hoor, daar ging een hond aan het blaffen, +van vèraf hortte het de huizen over, viel het in donkeren +huilval, druischend in zijn ooren neêr. Zeker, de nacht wou +van hem, hij had den nacht gedronken, te veel, met zijn +oogen, met zijn ooren, met zijn adem en met zijn handen +ingetast. Hoog over de steeggeul en over de dompende +blokken, daar achter en daar rechts en daar links, daar +schoof de nacht ruimte van grondeloosheid, verijsd, gemat, +vliedend in ijle atmosferen boven het maan-blauw al hooger, +bewicheld met sterren, radeloos al meer. En met de behoefte, +plotseling, iets van zich zelven heelemaal te zien, stak hij +zijn hand langzaam van zich af in den rossen deurgloed.</p> + +<p>Hoor, daar was Vogels verweerstem fel van zich afbekkend.... +een onbekend geluid raffelde er tegen in. Dan gromde het +wat van uit de diepte: zoetsappig gekeuvel, gekwispel en +gekal van mannen die door den neus praten. Vast zaten er +Arabieren te drinken.... Eergisterenavond ook.... Maar +dat kwam van den opgeruimden kolonel met zijn joviale +vertelsels, en dadelijk toen Antonio's jongensachtig lachen, +duidelijk over het voorplaatsje aangedragen door het roetachtige +geroezemoes:</p> + +<p>—"Oh, monsieur Badaud, schei uit, ik stik."</p> + +<p>—"Pak aan, muchacho.... licht."</p> + +<p>Dat was de stem van Antonio's vrouw.... nu zou Jachjemed +wel dadelijk hier zijn....</p> + +<p>En Johan ging los van den muur.</p> + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="V" id="V"></a>V.</h2> + + +<p>—"Herein."</p> + +<p>Over den drempel met een stap als in een kuil, was Johan +onverwacht gedaald in de kamer. Maar achter de al-dichte +deur was hij staan gebleven op den uitgetrapten zandgrond, +bestookt door een oogenblikkelijke benauwing, onwillig voor +den vagabondeerenden menagerie-stank van opgesloten heete +beesten, die prikte in den neus en terughinderde zijn vrij +ademen. Schuw, onder een hoog troebel licht had hij Vogels +blauwen blik zijn inkomen zien zoeken. Doch een lawaai +barbaarsch, veel te geweldig voor zoo klein een ruimte, het +krijschen van een bang geworden aap: een harig donker +monstertje zat daar tegen tralies aangegrepen, gluurde, schuivend +den kop; wanhopig-wit, verdwaasde beestoogen; dan +stil, klapte het als in een groote siddering zijn smoel snel +voorbij het grimmende gebit.</p> + +<p>—"Ah, de schilder," herkende de dokter blijig, van boven +de werktafel waarop zijn handen lagen bleek in den dag. +Donker en hard, een mechaniek gelijk, stak hem de pijp +onder uit den fellen neus of zij vergroeid waren met elkander.</p> + +<p>—"Dat's goed van u.... zeer goed.... taisez-vous donc, +camarade," knorde hij naar den aap, die de spangen deed +rellen, dat er het hooren en zien in de werkplaats van verging.</p> + +<p>—"Gaat u zitten, gaat u zitten."</p> + +<p>De zitting waarvan hij was opgekomen, een plank gelegd +op het matlooze geraamte van een stoel, wipte, sloeg blink-lichtend +onder hem neêr, rumoerend weêr wreed de kamer. +De aap plofte weg, verscheen opnieuw plomp-donker, tand-blikkerend. +En de stoel alleen, lattig, van geverfd hout, bleef +in zijn donkeren stilstand.</p> + +<p>Johan bij de deur, houdend zijn tasch bij den schouderriem +los aan de hand, zag Vogel met willooze handen in de war +gebracht staan, in het leêge midden van de werkplaats, als +een man die verrast wordt en ongewoon geworden is aan +bezoek.... Was er dan niets om op te zitten aan te bieden.... +Hij ging, sukkelig gebogen in een verslofd luuster huisjasje +en halsstarrig nagegaan door de druilerige oogen van den +aap, die tusschen de kieren doorloerend, klonterig zat bovenop +zijn handvoeten, lang van span, knijpend de tralies. De haar-armen +hingen er achter, en om zijn gemoedelijk vooruit-leuterenden +snoet, mummelend, een oud-kereltjes-mond, rilde +en kringelde nog telkens de grimas, zenuwig als bij een kind, +dat na lang huilen het snikken niet laten kan.</p> + +<p>—"Laat ik maar dàarop gaan zitten," meende Johan eindelijk, +en hij wees naar een tobbe naast zijn beenen, een doorgezaagde +ton, in een kring van weeken grond verzakt en met een +plank ook tot deksel.</p> + +<p>—"Neen, neen," lachte Vogel zich opzettend en hij stopte +zijn pijp die vallen wou in zijn jaszak.... "Neen.... doe het +niet, daarin huist de Gypohierax Angolensis van monsieur +Crépieux, wissen Sie.... ha.... een meeuw.... niet meer."</p> + +<p>Op zijn gemak snuffelde hij nu den spinnekop-stoffigen +muur van grauw pleister langs, verzette veel pakhuisdingen, +van-achter het hok, gestriemd door de tralies liep hij weêr +terug en scheen te hebben gevonden; want hij zeulde een +bankje van uit het donker onder de tafel; kalk-wit hortte +het ding in het licht. Een flardige papierzak opengapend lag +er op te kantelen, propvol nog in de punt met rul poeder. +Sussend klakte hij met zijn tong.</p> + +<p>—"Ah.... que voulez-vous?"</p> + +<p>Zindelijk, zonder veel stuiven was hij al bezig de gemorste +kalk in het zakje te schuiven; met de knieën wat geknikt +en door zijn hangend jasje omflard, stond hij krom boven +het kleine gierige schrapen van zijn voorzichtige hand; op +de aangestampte aarde platten zijn schoenen met de kleur +van den grond.</p> + +<p>—"Hebt ge gearbeid?" vroeg hij.</p> + +<p>Van tusschen uit het lang smalle raamkozijn, waarvan de +harde haakschheid vernield was door veel nesterig en dwars-webbend +spinrag, van achter het geraam der bestoven en +gore ruitjes, zeefde het late licht van wel al vijf uur in den +middag binnen, was wittig onder het nadende zolderhout dat +dekselde boven de hoofden van de beide mannen. En Johan +die laag het ploeteren van den dokter merkte, hoe hij het +bankje schoon wreef met een slip van zijn jasje, zag hoe rechts +een plank den muur in de lengte ploegde en bezet was met +stuk naast stuk staande opgezette vogels; als sieradiën verstijfd +in hun natuurlijk staan waren het bot glanzende veêr-lichaampjes +op droge pootjes.</p> + +<p>Het was er een gezigzag van hoog en laag. Tusschen de +doffe, dikke, hoenders geleken het, rankten er kleiner, vogels +die snel kunnen stijgen, luchtvogels: leeuweriken, spreeuwen, +maar als lijsters zoo groot, maar blauw, onweêrsblauw, heet-donker, +middagzon-hemelblauw. Het waren gansch en al +onbekende vogels: kustvogels, want er hadden er bekken +om visch te vangen, kroppen waar visch in wordt bewaard, +slokhalzen, duikhalzen. En er hadden er pooten, strandloopertjespooten; +ze deden blond en moederlijk om de kleine. +Daar in den midden scheen er éen weg te willen vliegen +van zijn knoestigen tak; een glanskrans als een regenboogje +glom om zijn borst, maar de stompe botten van de open +vlerken waren dof van het stof; zoo het vuil mat is op het +glad-donker van een wijnflesch; poeder van houtworm lag +gelig op het voorhoofdlooze kopje. Daar een insekten-pikkertje +met een neb als een naald, een pluizig dingie, van een vaal +overrijp bezie-rood; twee lange witte sprieten pronkten op, +grashalmen gelijkend, en gaven het een staart als een lier. +Doch als een soldaat in een schilderhuis maakte een reiger +de rij af en den hoek vol. Dik zat hij in zijn krop, hongerig +nog den zandgelen bek opstekend; zijn kuif hing neêr of hij +pas had gezwommen, waterschuim-blauw waren zijn veêren. +Onder zijn buik borg hij een papegaaiachtig beestje, droog +en grasgroen, half toegewend met een praatmond, knabbelmond +als van een oud vrouwtje. Van op hun plankjes staarden zij +alle langzaam aan, alle met het kralende gekijker van hun +glazen oogjes.</p> + +<p>Onder in den tafelhoek, heel een mand uitgestort wild +wel, lagen de vogels rumoerig over elkander, slap, lenig in +de schaduw.</p> + +<p>—"Voilà!" kwam de dokter op en hij plantte de bank +wat dichterbij op den bultigen en om de tafel als vogelmest +grauwenden grond.... "neemt u me niet kwalijk dat ik u +niet wat beters kan aanbieden."</p> + +<p>—"O," zei Johan, "dat zit wel, ik ben niet verwend."</p> + +<p>—"Ook niet?"</p> + +<p>Leuk had Vogel zich omgedraaid, dwaalziek in zijn hok, +ging, met op den rug glansloos-grijs het licht. Hij was zonder +boord, kaal en arm in den nervigen hals. Bij het hok stond +hij nu met den neus door de strepende tralies, bijziende zocht +hij den grond, zwaar tegen de aapkooi aangeleund, die van +te nieuw hout, opdringerig, een gevaarte was in de kamer; +schriel plekte zijn oor in het nog dikke en grauwe slaaphaar. +Door de tralies heen verscheen het latwerk van een andere +afschutting. Maar Vogel praatte zacht-roezig in zijn eigen +huis tot den aap, die of hij alles verstond oplettend lummelde, +met zijn vochtig uitziend handje den grooten mannenvinger +vasthield.</p> + +<p>—"Vous n'avez besoin de rien, verstehen Sie, ge hebt +vreten.... ge hebt drinken, alors tu me vas être sage.... +is het niet, camarade.... allons, wees maar niet bang, ce +monsieur"....</p> + +<p>Hij praatte vlug òm naar den ander, luider:</p> + +<p>—"Ik had nog niet de eer u voor te stellen, mon ami +Caca.... bonne bête en somme.... Regardez.... ik geef hem +den vinger en hij neemt de heele hand of hij een mensch +was.... oh.... ik ben zeker.... ge vindt het een bêtise, wat +ik zeg daar."</p> + +<p>Zie! boven die twee paar kijkende oogen bewogen de +gemakkelijk plooiende rimpels gelijktijdig. Den duur van een +oogenblik was dat verschrikkelijk geweest. Had Johan er zijn +eigen oogen niet van voelen gaan verdwalen of ze weg wilden +uit het hoofd?</p> + +<p>—"Bestia, ge begint indecent te worden, kameraad."</p> + +<p>Vogel spelend, krauwde met de vrije hand zijn aap op den +kop. En Caca grimasseerend, ratelde schel met knippende +oogjes, wrong zich genotvol onder het gekoos van den baas. +Angstiger hield hij den vinger; al rommeliger krabde hij in +zijn lenden en dijhaar, kleintjes klagend.</p> + +<p>—"Genoeg, genoeg." Toen zich vrijmakend was Vogel +met een paar groote treeën onder het licht, trok den stoel +met veel ratelgerucht onder zijn zitten-willen-gaan. De aap +plofte weg, verscheen plomp-donker, bleef in de vlucht met +uitgespannen pooten en aan 't rillen met den bek. Een mand +rolde, door den sprong geschud, boven op het hok.</p> + +<p>Vogel diepte zijn pijp uit zijn zak op, babbelde of hij de +stilte niet verdragen kon.</p> + +<p>—"Al dat wat ge hier ziet.... we hebben nog een exemplaar.... +een jakhals.... daar achterin.... hoor hem loopen, +ça m'embête et ça pue.... daar is rooken goed voor.... kijk, +ik rook niet zwaar.... komt van Rotterdam, zoo ge ziet.... +nun.... nun.... al wat ge hier nog meer ziet, is nu de weelde +van mijn patroon, monsieur Crépieux, maar weet ge wat zijn +rêve is.... raad eens?"</p> + +<p>Klankloos in den nog lichten dag brandde het vlammetje +dat hij stil hield boven zijn pijp. Het danste lustig spelend +door de rookmondevollen die hij smakkend deed gaan voorbij +zijn lichten schedel.</p> + +<p>—"Niet? hij zou zoo graag een leeuw hebben.... wissen +Sie, une toute petite lionne de l'Atlas.... hij is er ziek van.... +ja.... ze zijn te koop in Fez.... sait-il.... et il dit.... il dit, +dis-je.... dat ze niet wild zijn.... ah, par exemple, dat zou +eerst grappig zijn, zoo ik op een goeien dag opgevreten +werd door de leeuwin van monsieur Crépieux.... Kreuzdonnerwetter.... +ça sera tout de même drôle.... permettez...."</p> + +<p>Onrustig, gestookt van binnen, hadden zijn knieën tot elkaâr +geklept, toen sprong hij om op zijn stoel, liet zich voorover +vallen met zijn armen op de tafel; rook nevelde op, gauw +alleen verscholen in zijn rook, was hij aan 't werken begonnen.</p> + +<p>En Johan vreemd in de kamer, voelde de onrust in hem +geboren worden, ongestadigheid zakte in zijn beenen neêr; +hij moest zich tot zitten dwingen.</p> + +<p>Voor de tafel met de knieën in het donker zat de dokter. +Boven blauwde het voor het raam waar de dag slonk. En +zijn vingertoppen waren aan het tasten in de buikveêren van +een vogel, die strak onder zijn hand lag met den hals rechtuit, +als een onberispelijk gestorvene. Rijk omkraagd lag de +kop achterover met de grijze rouwdichte oogkringen en de +pooten rekten zich, neêrgestreken door de hand zoo tot een +zuivere doodshouding. Stil poeierde de dunne dagschijn neêr +over Vogels kalig hoofd en over zijn zoetjes zoekende handen, +teeder met aderen beblauwd, wijl in de stinkende ruimte heel +hoorbaar de loopgang van den jakhals dofte, heen en weêr; +dan het schuieren van zijn haarbast de krabbende tralies langs, +heen, weêr, met de dreinerige bezetenheid van een gevangen +beest, dat maar loopt, omdat het er altijd uit wil.</p> + +<p>Nu kwam van uit de tobbe even een gehamer, schichtig, zoo +het snavelen van een specht komt uit het hout. Vogel, of hij +vergeten was dat hij bezoek had, tuurde boven het beestje, hij +spouwde het borstdons met de vingers open, de naakte huid +zoekend, gelijk een aap die vlooit.</p> + +<p>Van den eenen muur naar den anderen spande overlangs de +planken tafel, vezelig, ruw van timmering. In het midden rondom +het kadavertje was het vlak wit, zoor van droge kalk; tot +een bergje lag het uitgestort op een journaal, achteruitgeschoven +tot onder den greep der hand. Doodzwart brokkelde uit den +kartelenden papierrand de kapitale letters: "le Réveil du +Maroc." In het linksche hoekdonker rommelden veel snuffelige +boeken, stapeltjes in de war gevallen, eenkleurig door het +stof; stopflesschen, raadselig vol gekrioeld met gedrochtvormen +verstijfd in het gelige sterkwater, blonken er nat als plassen +in zand, en glazen zonder voet stolpten er met reine randen +op de tafel. Een ervan, omglaasde in het licht een torrig, +dikschildig insekt, doodgesparteld op zijn speld. Daar ook +slingerde zijn halsboord met de punten omhoog, een boos +uitziend ding, zoo het met een smijt tegen den muur daar +scheen terecht gekomen.</p> + +<p>In betrachting met het rookende hoofd op zij, hield Vogel +met de linker vingers een kloof in de veêren van het doode +beestje, spleet met een tornsneê de huid van borst naar buik. +Hij mopperde boven het teêr snijdende scalpel:</p> + +<p>—"'t Wordt al wat donker."</p> + +<p>Johan al vreemder van binnen, voelde op zich drukken al +zwaarder de zwaarte van de kamer. Maar hij zat. En in het +benauwde vierkant klepte nu laf door de muren heen de +slofstap van een ganger op straat, in kalm zakkenden pas +voorbij.</p> + +<p>—"Nous sommes en plein quartier arabe," zei Vogel, +"er komen niet veel Europeanen langs hier."</p> + +<p>Uit de gapende veêrvacht pelden zijn smoezelige vingers +het boutje, koudbloedig, armelijk verscheen het. Hij snoof +door den neus.</p> + +<p>—"'t Werd tijd.... ça sent mal déjà.... le métier.... +dis donc.... zoo het u interesseert open ik hem de maag +en laat u zien wat hij het laatst heeft gevreten.... 't is +grappig.... gij zoudt lachen zoo ge wist wat ik daar al in +gevonden heb.... oef.... dat's sterk."</p> + +<p>Hij kraakte een der pooten bij het kniegelid door, toen +den tweeden; duwde voorzichtig de klauwen uit de veêrsokken +terug, één voor één. Het lijkje zat nu nog vast aan +den hals. En hij tilde het op bij den snavel, als een kleinood +tusschen duim en wijsvinger, vertoonde het, schuddend de +veêren vrij, of hij speelde om de schittering, lachte hij onder +zijn opkijkende oogen.</p> + +<p>—"Tenez, is hij simple genoeg, het arme beestje, on +dirait un pendu, n'est ce pas?"</p> + +<p>Maar den hals nu onder den kuifkop tot een lis gemaakt +probeerde hij door te snijden, zoo een bot mes wringt tegen +touw in; het vleeschkluitje met de opstekende pootstompen +glibberig, en van het villen vol kerven, leî hij toen van +zich weg.</p> + +<p>"Dat is voor den jakhals."</p> + +<p>Het huidje lag vóor hem leêg. En overrekkend de tafel, +graaide hij in den kalkhoop, strooide een handjevol in het +weeke van het vachtje, wreef zich de handen droog met het +poeder.</p> + +<p>—"C'est du plâtre.... gij begrijpt de veêren moeten rein +blijven.... Nu komt het moeielijkste.... neen.... regardez.... +ik ga de hersens wegnemen.... ze hebben er wel niet veel, +'t is geen mensch, maar de kop is toch een essentiëel ding.... +'t is lastig, ik heb niet meer mijn goede instrumenten."</p> + +<p>Het mes draaide den hals in, hij deed het zorgvol om zijn +bezoeker goed te laten zien; het kraste uit het van binnen +of hij een noot holde.</p> + +<p>—"Ik haal de oogen naar binnen toe uit.... comme +ça.... sûr.... ça m'amuse.... dat kleine werk tranquilliseert +me.... sûr...."</p> + +<p>Hij peuterde door, zijn mes telkens rein strijkend langs +den rand der tafel.</p> + +<p>—"Al die daar heb ik zelf zoo geprepareerd.... die +blauwe.... vliegende.... mooi hè.... dat is een.... nun, nun.... +excusez-moi, er zijn wat gaten in mijn geheugen.... ratten"....</p> + +<p>Het lijf los van de tafel had hij omgekeken, wees toen +over den schouder met den duim in den wilde.</p> + +<p>—"Die daar, ziet ge.... daar naast.... de zevende.... +die er zoo poeierig uitziet.... la bonne poussière.... met +zijn gehavende vlerkjes.... ratten.... kakkerlakken, luizen.... +slecht geprepareerd.... nog uit mijn goeien tijd.... komt ver +van hier.... Nun.... zoo ge eens wat zien wilt, vraag dan +aan den patroon.... die heeft een heele collectie.... een +kamer vol.... oui, dat heeft hij.... Maar mijn meesterstuk +is toch bij Antonio, wissen Sie, boven het bed staat het.... +une grue.... een pracht, met een kroon die wijduit pronkt, +bovenop zijn kop.... et un plumage"....</p> + +<p>—"Ja, soms krijg ik wel eens een mooi exemplaar.... +Een tijd geleden heb ik een marabout geprepareerd voor +den Consul; daar is moeielijk aan te komen.... het is de +heilige onder mijn naamgenooten.... des bêtises.... non.... +gij zult ze wel kennen.... hij staat kouwelijk, loopt met +hooge schouders, filosoof zou men zeggen.... niet?.... soms +is de krop totaal veêrloos en hangt hem aan den hals als +een bedelzak.... un travail je vous assure."</p> + +<p>—"Maar de meeste, wissen Sie, vooral kleinere als deze, +prepareer ik alleen om de huidjes.... Dat zijn de zaken van +monsieur Crépieux, hij stuurt ze naar museums, of als ik een +hoeveelheid klaar heb naar de magazijnen voor de hoeden +van dames.... à Paris, à Bruxelles, à Petersbourg, à Vienne.... +à Amsterdam possible.... dragen de dames van mijn veêren +op hun hoeden.... als ze eens wisten hoe ik ze heb vergiftigd +met mijn gedachten, als ze eens voelen konden.... ah +bah.... que voulez-vous.... het is een van mijn pleiziertjes +er aan te denken wat vroolijke hoofdjes ze dragen zullen.... +soms zet ik er een op mijn hoed om te kijken hoe het staat.... +ik zei u toch hoe sentimenteel ik mij zelven ken, oude clown, ik."</p> + +<p>Zijn gepraat dompte, achter zijn armen rommelde hij. Een +blond vogeltje als een musch met een oranje neb, speelgoed, +lag onder zijn alweêr tastende vingers.</p> + +<p>—"Een woestijnvinkje.... heeft Mustapha van morgen +meêgebracht.... Gisteren hadden we toch een aardig dagje, +niet waar?"</p> + +<p>De door zijn vraag dadelijk opgeroepen herinnering vlaagde +verfrisschend Johans hoofd binnen. En hij was weg uit de +kamer, met zijn ooren ook weg uit het gedruisch der woorden.</p> + +<p>Dat was verschenen, opgestooten uit het duistere gedachtenlooze, +plotseling als de nevels waarmeê het gisteren was +geboren.</p> + +<p>.... Om vijf uur opgestaan.... ze zouden een wandeling +gaan doen naar Kaap Espartel.... Bij Antonio had monsieur +Crépieux er toestemming voor gegeven.... Vogel te laat.... +En hij in de langwijl van het wachten, uit den halven nachttoon +van zijn slaapkamertje, was de trapjes opgeklauterd naar +het bordes, slaperig nog, huiverig met de oogen koud aanvoelend +den nattigen morgen. Van over het land, van over +de Zocco-heuvels, waren ze aan komen drommen, de nevels, +het saâmgepakte ondoorkijkbare wolkenwit; er tegenaan was +het kijken gegaan, van uit het Westen naar het Oosten, +murend stuwden zij aan in de stilte waar geen wind was +merkbaar, vol stom alarm ramden zij den jongen dag. Over +de borstwering gebogen, kouwelijk met de handen in de +mouwen had hij zich laten overwolken. En het parelende +nevelnat had de steeggeulen geëffend met de bordessen en +de zee en de kust van Europa. De voeten klam in dauw, +kil op den rooden steenvloer, had hij staan wachten en suffen +in zijn pas opgewaakt hersenleven, alleen, verloren in het +niet zijn, in den wijd-witten dood der dingen.... Maar het +nevelleger was voorbijgestevend, gestoet, gejacht: latend achter +zich de stad weêr open met zijn steenen stegen, waaruit de +mist nog rookte.</p> + +<p>Over zessen was Vogel hem komen halen; een tasch ook +had hij over den schouder en zijn pijprook ging met een +ouden geur door de wasemende vroegte.</p> + +<p>En toen de ochtend in het ruime buiten, de ochtend die een +bad was, in den beginne nog wel gestoord door plotseling +opdoemende nevels, gauw weggewolkt over de hooge wegen +langs zee, over de rotsen rossig, over het oceaan-water laag +en blauw; weggestoven langs hen dat zij liepen in een luchtstraat, +weg en voor goed, met de zon achter op hun kruivende +dampruggen, die kringelden en tintelden van zonwatergespeel, +kleurenbogen spanden. En toen die herscheppingen naast hem +van deez' gebogen man, oplevingen: een kind dat vrijaf heeft, +huppelen gaat, dan ernstig als hem de school in het hoofdje +komt. Hoe had hij zich schrap gezet, willerig op de wegen, +waar hij naar bukte, speurend wat nieuws, waar hij de steentjes +van kende, en de kruidjes en de torretjes van liefhad. Over +de rotsen waren zij westwaarts gegaan met den rug naar +zee; hij wist een beter weg, een korteren dan het heirpad +de kust langs, hij had veel wegen gebaand, had hij gespot. +Dien ochtend niet gezien maar genoten....</p> + +<p>In hooger stijging waren ze geklommen over riffende gronden +van glissend grijs en rood, als gegleufde verstijvingen van +gestolten lava. Dartelheid was in de voeten gekomen. En +Vogel, een rechtóp mensch, had als in bevel aangewezen de +te beklimmen rotsen. Hij was er het eerste geweest, ademloos, +maar het eerst, hij had er gestaan groot voor de lucht, +overstort met licht, terwijl hij de ruimte met zijn gebaar +omvatte.</p> + +<p>Onder het bladdak dan van groepende boomen had zijn +stem geklaterd, vrij van de verstuiving des winds, slaande +den stammenwand, om te echoën als een steen die rolt in +een ravijn. Hij had verhaald van zijn groote reis in Afrika's +binnenland, uitgeluid van zijn geweldig begeerd-hebbend leven, +opgewonden en met groote liefde.</p> + +<p>Vinden, wegen vinden, oorsprongen vinden. Wat al namen +had hij niet genoemd, nooit gehoorde namen van oorden, +hitte-wademende woorden, en van bergen en van binnenmeren. +Hij was er bij stil blijven staan. In het gruis van den grond +had hij gelijnd als op een kaart, met zijn wiebelenden vinger +had hij de stroomingen van de zakkende wateren geteekend +in de ruimte. Heerscher hij, over zijn weêr opgestaan begeeren.</p> + +<p>En aan Johan in de loopvaart van het lichaam met het +luisterende hoofd, waren rood en monsterlijk hagedissig, de +stammen van de kurkeiken voorbij gekronkeld, voorbij aan +de achtergrondelijke wouden die Vogels verhaal voor hem +hadden opgeroepen. De wouden met de neêrlissende lianen-regens +in het tempelduister van de kronen; de oer-wouden +waar de grond wankt, wanneer de voeten het wagen, als +wou de aarde keeren; dan voor de verbaasde oogen gloeit +en vlamt er het kleurenbloeien van orchideën onder een gat +in het dak. De koortswouden waar zijn lichaam had gelegen, +krank, uitgeput, verlaten door de knechtschap van zijn karavaan, +bestolen hij van zijn ivoor en ruilgoed, alleen met een paar +bedienden en waardeloozen rijkdom.</p> + +<p>Verteld had hij in woorden van stille herinnering, zoekerig, +uit het vage gezien hebben van zintuigen half al in den dood, +schemerig, verleden, zijn verpleegd-worden later in een missie-huis, +door een vrouw onder een witte overhuiving. Luchtblank, +een heiligenbeeld in de bergen, zoo had hij die pleegzuster +gezet in zijn verhaal. Toen een poosje stil. Zijn beenen knepen +den grond, terwijl zijn hoofd rookte.</p> + +<p>En het ratelen van zijn bewondering en haat, wanneer de +andere vroeg: Stanley?.... Stanley, om te slagen had hij zich +verkocht voor een politiek en onwetenschappelijk doel. Livingstone.... +een proselietenmaker, maar die toch de meren van +het zuiden het eerste had bereikt. Burton, de voortreffelijke +Burton, die van het oosten naar het westen was gegaan. En +de bijna onbekende Paul de Chaillu, die jaren lang als een +bezetene de gronden onder den equator afzwierf om door +te dringen tot de westelijke bronnen van den Nijl.... en.... +o, cette Afrique....</p> + +<p>Tegen den middag was de toren komen staan, naakt rood +en wit-ringig, opstuwend uit het rotsvlak zijn steenen rust +voor den blauwen hemel. Bij het basement een vlak tuintje +en daarin was een mannetje in donkerder blauw, gebukt +tusschen zijn groentetjes aan het werk. Braun keek op met +een bezond rood gezicht, toen de groetschreeuw van Vogel +galmde. Dichtbij, was de wachter een man die doovig, heel +hardop sprak van onder zijn vereenzaamde oogen.</p> + +<p>In de torenkamer tot een cel, buitenwaarts veelkantig,—de +grond was er rein bestrooid met zand,—hadden ze van +het meêgenomene gegeten, gezellig om de tafel bij het raam, +dat in de dikke muurnis vol was van wateruitzicht. Braun +schonk een flesch, rood was de wijn geweest en de Duitsche +stemmen met een bergklank of zij kijfden in de witte kamer. +Buiten ging de zon over den middag, blauw, stil, tot er een +meeuw blank kwam aanstooten door den hemel-lichtval, traag, +want de buik hing hem zat van gevreten visch.</p> + +<p>Wat later, alle drie naar boven om de seinlichten te zien. +En de hooge stem van Braun naast Vogel die de mechanieken +verklaarde, klankte er onder de bekapping achter de +glazen oogen van zijn toren, die over de nachtzee waken....</p> + +<p>Dan op den terugtocht hadden ze gelegen plat op den +buik in het gras, aan den rand der hoogten. Zij hadden +neêrliggen kijken over de bastionneerende steenklompen en +de blikkerende keien, opgegooid geleek wel, tegen de helling +op; over het bezemige struikgewas, groenfranjend onder de +zon, neêr liggen kijken in het Oceaanwater als in een anderen +hemel. Ze hadden gepraat vertrouwelijk in de vertrouwelijke +ruimte; Johan over huis, waar ze nu schaatsenreden, terwijl +zij hier zoo lagen of het zomer was. Over zijn reis, hoe hij +tot hier gekomen was en waardoor, hoe dat zoo gebeurd.... +Maar Vogel luisterde slecht, had een oogenblik slechts oplettend +een "zoo" lang uitgehaald, toen de andere het niet +kunnend laten, vertelde van het leed hem aangedaan, wat +hij in zijn ziel nog voelde schroeien als 't gloeien van een +slag in het gezicht. Langzamerhand allebeî minder spraakzaam, +Vogel teruggevallen in zijn brokkende manier van +spreken.</p> + +<p>.... Het was toch altijd goed te leven in de nabijheid van +wat men heeft liefgehad. Men was toch nog altijd hier in +Afrika.... bovendien was het leven er goedkoop. Met het +overschot van zijn fortuintje had hij zich hier geïnstalleerd +en was er een fabrikage begonnen van kunstmest om geld +te verdienen. En hij had zich aan het schrijven gezet van +een boek over wat hij had gevonden, over zijn plannen, ja +zijn plannen toen nog. En, gij hebt het gezien, niet waar? +het Parijsche Instituut had zijn werk onderscheiden met +goud.... nu al lang verkocht.... Daarna om hulp een reis +naar Europa, naar huis, zijn vader was rijk.... aber ein beschränkter +Kopf.... twist natuurlijk.... hij terug.... de fabriek +verkocht.... puis le silence.... et cetera....</p> + +<p>Evenwel, die fabrikage was niet zoo slecht gezien geweest; +de mest bracht nog altijd veel geld op; ach, maar die +Engelsche kooplui sloten zich zoo bij elkaâr aan, hadden een +eigen club.... bij dien goeien Antonio kwamen ze nooit.... +maar daar kwamen de vrienden.... ge kent hen.... allemaal +beste menschen.... Badaud reed die niet veel beter paard +dan hij, oud-brigadier van het Algiersche legioen als hij was, +spion nog, bezoldigd door zijn gouvernement.... En zijn +Mirsa, laatst op het Zocco, is 't niet? zijn wit beest was +een trotsch paard.... Crépieux, had die zich niet over +hem ontfermd, een geestverwant, een geleerde, een.... +Crépieux....</p> + +<p>En Johan had geloofd daarna dat hij was ingeslapen, het +duurde zoo lang.... maar het was niet waar, want dichterbij +als in een biecht met het hoofd in den grond lag hij zacht te huilen.</p> + +<p>Beneden spoelde al de vloed; de slag van d'alleenen Oceaan +reeg waterzingend geluiden aan geluiden; zijn knokig lichaam, +geschokt, geraakt door den meêlijvollen adem van den andere, +had zich op de armen geheven en het gangende verdriet was +tusschen de tralies van zijn vingers doorgestuipt, de zon +in.... "pardon, je suis bête."</p> + +<hr class="pct45" /> + +<p>Uit de hoogte van zijn oogenblikkelijke verdwaling, aangetrokken +door Vogels geheimvolle oogen, zag nu Johan in +den al troebeler wordenden dag zijn schaduwrood gelaat +luisteren; het haar was wat verwilderd en pluisde achteruit +onder den schemerval van het fleschachtige glaslicht.</p> + +<p>—"De patroon komt nog," zei hij, "hij is laat vandaag.... +late lessen.... huisonderwijzer bij den Franschen Consul, +wissen sie.... nog vijf huizen hier vandaan.... nog drie.... +voilà." Hij bukte, maakte zich klein.</p> + +<p>Buiten bleef de stap stil, het gat frischte open. Caca uit +zijn dommeling opgeschrikt, plofte neêr, plompte op, verschijnend, +schreeuwend.</p> + +<p>Crépieux stond in de deur, hevig.</p> + +<p>—"Dokter, ge hebt zeker weêr vergeten mijn beesten +drinken te geven," dwong zijn kortaffe stem in de kamer. +En hij trad in het binnen, grijs gekleed, wereldsch en korrekt. +Strak blonk het linnen om zijn hals en handen, zijn schoenen +nat-zwart op het dorre van den vloer. Voorover gerand +helmde het hoedje op den stuurschen rondkop waar de ooren +dicht aan knepen. Hij gaf een slag naar het hok met zijn +badientje, de aap gevlucht tot onder de zoldering, bleef +ondersteboven gekeerd hem van daar begrijnzen.</p> + +<p>—"Men dwingt een beest, hij wordt getemd door vrees; +bonsoir, monsieur le peintre."</p> + +<p>Johan was beleefd opgestaan. Zeker, het was hinderlijk +twee zulke staande menschen hier naast elkaâr. De patroon +bleef in de kleine kou die hij afgaf van versch meêgedragen +lucht, dichtbij, groot nu de ander zat.</p> + +<p>—"Eergisteren heb ik u over den schouder gekeken op +het Zocco.... het was er vol; mijn jongen moest ruim baan +voor me maken.... och.... ge moest dat dingie mij geven."</p> + +<p>Een beitelgleuf leek wel de scheur in zijn kin; maar Vogels +oogen keken achterdochtig. Naast zijn hoofd nu hurkte de +aap, afgezakt langs de spangen.</p> + +<p>—"Merci.... juist.... ik bedoel die kleine kameel, ik houd +veel van die dingen.... van alles wat beest is.... ik verzamel."</p> + +<p>—"En gij hebt gelijk, monsieur Crépieux, parfaitement +raison, het arme beest had geen water, en monsieur is zonder +twijfel een vriendelijk man, heelemaal niet duur.... inderdaad +geen drop, en och, geen vreten ook."</p> + +<p>—"Ik wist het wel."</p> + +<p>Vogel liep over.</p> + +<p>—"Mais que voulez-vous, monsieur Crépieux, heb ik niet +den geheelen middag gearbeid?.... zie toch, patroon, wat ik +heb gedaan: een, twee, drie, vijf, zeven, negen, tien, met deze +meê, elf vogels geprepareerd."</p> + +<p>—"Elf, een oogenblik," zei monsieur Crépieux.</p> + +<p>Tusschen de tobbe en Johan door was hij voorbij gebeend, +schoof zijn badientje onder den linker oksel, en zóo de schouders +achteruit, den rug hol, militair, de kuiten strak, ietwat wijd +uitstaande de voeten, beschreef hij als op een schoolbord den +muur; vervolgens het cijfer met een paar krasse haaltjes. Over +zijn staanden boord, als bij een dog dien de halsband knelt +plooide zijn nek. Hij leî het stuk krijt in den tafelhoek, +wendde om.</p> + +<p>—"Elf," herhaalde hij, of hij het cijfer in zijn hoofd opschreef.</p> + +<p>—"Onze," had Vogel gemeesmuild, "on dirait une unité +double."</p> + +<p>Hij ging de werktafel langs met de handen hangend, zonder +pijp, naar den muur waar de rij van cijfers bloot achter de +datums der dagen was; 11 onderaan, versch.</p> + +<p>—"Morgen zal ik naar Gibraltar moeten, monsieur Crépieux."</p> + +<p>In een stuk spiegelglas, donker op den muur, vastgeklemd +tusschen spijkerkopjes, verscheen nog eens zijn bovenhoofd, +roodig in het blauwe verweerde.</p> + +<p>—"Taisez-vous donc." Het gerel was stil.</p> + +<p>—"Zie, patroon, er is geen arsenic meer.... de flacon is +leêg; ge weet.... de huidjes zullen bederven, de veêren loslaten.... +regardez.... bijna niets meer, niet eens genoeg om, +par exemple, een rat te vergiftigen."</p> + +<p>Crépieux haalde de schouders op en keek het bepoederde +fleschje aan, dat de dokter hem voorhield.</p> + +<p>—"Ah, ge gelooft.... ik heb het niet opgegeten, monsieur +Crépieux.... soyez en bien sûr."</p> + +<p>—"Neen.... maar ge zoudt het kunnen hebben verkocht."</p> + +<p>Gestriemd, vlaagde het schaamte-rood tusschen uit de kleêren +van den dokter, bloedplassig boog de nek weg, met vurige +ooren, nu hij het fleschje teruggaf aan zijn plaats. En zijn +stem hevig gehouden achter de tanden, riep van uit het +achteromme:</p> + +<p>—"Malheur à moi!.... vous avez raison, ik zou het kunnen +hebben verkocht."</p> + +<p>Crépieux ongeraakt, bleef zijn vingers wisschen, keek neêr +in zijn nagels. En het bijna schreeuwen van Vogel hing als +een hoon in de booze stilte. O, dat werd ten langenleste +onuitstaanbaar. Maar Johan vastgehouden aan zijn plaats, +voelde hoe van binnen het eenzame en donkere kloppen +voortging van zijn eigen hart.</p> + +<p>Vogel, de armen in den haak, bukte over zijn werkbank. +Met harde lichtranden op zijn hoedhoofd, drilde de patroon +zich achter hem op, grijs en korrekt.</p> + +<p>—"Dokter, wat hebt ge daar?"</p> + +<p>Vogel sneed voort, bijziende.</p> + +<p>—"Dokter, uw hand beeft, ge hebt zeker weêr vanmorgen +te veel gedronken. Prenez-garde, ge zult me dat huidje bederven, +dat gaat niet goed."</p> + +<p>—"Vous avez raison, monsieur Crépieux, mijn hand beeft."</p> + +<p>De patroon kreeg de knarsende kaakmaling in de wangen, +van schoolmeesters die zich verbijten om de onbevattelijkheid +van een kind. Hij blies onder zijn snor, praatte naar den +ander:</p> + +<p>—"Over een uur komt de Atlantic in de baai; alors, ge +vertrekt morgenavond, ik zie u nog wel, niet waar.... denk +om wat ge beloofd hebt. Bonsoir, 't is hier benauwd, ik +begrijp niet hoe ge 't hier uithoudt, het wordt hier te klein. +Dokter, ik zal u vanavond zeggen wat ge te doen hebt, ik +kom bij Antonio. Bonsoir."</p> + +<p>—"Bonsoir, monsieur Crépieux."</p> + +<p>Maar bij de deur keek hij om, richtte zijn stalen oogen.</p> + +<p>—"Dokter, zeg me nog eens den naam van dat nieuwe +beest daar."</p> + +<p>—"Gypohierax angolensis, monsieur Crépieux."</p> + +<p>—"Goed, en verzuim niet de dieren drinken te geven voor +ge weg gaat, dokter."</p> + +<p>In een gulp lucht was de patroon weg, buiten ruimde zijn +stap henen.</p> + +<p>'t Was stil. Vogels blauwe oogen keken rechtuit, innig.</p> + +<p>—"Wat zegt ge er van?"</p> + +<p>......</p> + +<p>—"Niets?"</p> + +<p>......</p> + +<p>—"Niets, vous avez raison."</p> + +<p>En weêr was de stilte, een slag.</p> + +<p>Doch boven zijn gepluis praatte een andermaal de kamerstem +uit den dommel:</p> + +<p>—"De avond valt al.... de avond van alle dagen.... +Comme il vous a montré bien sa puissance.... Bitte, ga nog +niet heen, laat ik dit beestje afmaken.... schaudern Sie für +mich?"</p> + +<p>Johan had het niet langer kunnen uithouden op het bankje; +zwaar waren zijn beenen aan den grond; vol voelde hij zich +van die kamer, tot aan de keel langzaam volgegoten met den +jammer. En daar van uit dien hoek had hem de aap zitten +aanvragen, zeker had dat al lang gedaan dat beest, of hij +wel goed alles begreep.</p> + +<p>—"Zoo de ooren in slechte seizoenen wennen, moest ook +mijn ziel lang bot zijn voor het rondonderen van het onweêr."....</p> + +<p>De stem ging voort:</p> + +<p>—"Het is hier stil, is het niet? Toch, ik ben voor stilte +niet bang.... van tijd tot tijd, wissen Sie, verbeeld ik me +hier te zijn gesloten in mijn graf.... als een verslagene die van +zijn wapens medekreeg in den doodslaap, lig ik tusschen de +attributen van mijn laatst leven.... dàar van mijn boeken, +dàar van mijn instrumenten, dàar mijn onderscheiding, mijn +vogels, mes petites choses"....</p> + +<p>Hij was achterover gegaan in zijn stoel, en nu met de +armen geheven, het scalpel nog in de rechterhand, geleek hij +een mensch in een stuip gebleven onder den neêrwarrelenden +schemer.</p> + +<p>—"Dan pakt me de begoocheling en ik strek me strakker.... +zóo.... vouw de handen op mijn borst als mijn doode tusschen +zijn zerken, want natuurlijk, het was een opperhoofd, wissen +Sie"....</p> + +<p>—"Wat de tijden oud zijn.... et moi comme je me sens +parfaitement heureux.... ik hoor als nu de stappen buiten +gaan.... het loopt voorbij.... het gaan zal nooit meer kunnen +treden op mijn ziel, mijn teêre ziel, vous dis je.... die me +deed verloren gaan bij mijn leven.... allons, daar zijn we +over de ziel aan het praten.... allons donc.... le crépuscule +c'est donc bien l'heure des grandes confidences.... permettez"....</p> + +<p>Hij wilde opstaan, maar of het voor iets onnoodigs geweest +was, zakte hij opnieuw in zijn werkhouding.</p> + +<p>En Johan streek zich met de hand over de oogen om de +verbijstering te ontgaan. Want de kamer een oogenblik +vlottend, was bij het opstaan van Vogel hem verschenen +gezonken. Stoffigheid hing voor de dingen, stoffig trok de +dag achteruit door de lichtscheur in den muur. De avond +bedroop den hemel. In den hoek over den steegwand roodde +zich het raam, gelijk oogenwit dat beloopt met bloed.</p> + +<p>Rondom keek alles tegen hem aan. De wand, een seconde +aangedrongen, zag strak weêr, gruw, geluikt, gelaten; en de +zoldering, wankelend of zij keeren had gewild, blikte breed +uit, beschermend, overhuivend.</p> + +<p>In een boog waren ze voorbij gezwenkt de rij van doode +vogels. Nu van onder de asch der stof prikten zij hun glans-spritsende +oogjes in de zijne, met een getjilp en gekir van +kijken, in een uitgesliep van tijdeloos gekijk. Doch voorbij +het bekruiste lichtraam, schreiend, was zijn gestaar neêrgezakt +op de gestalte van den dokter, stoffig, met de armen aan het +lijf.... en ellende, die rug was kolossaal en vaag een herhaling +geworden van zijn aangezicht.</p> + +<p>Onder den kraag, windselend om de lichtopbulting van de +schoeren als een voorhoofd, donkerden de schouderpunten +twee schaduwmoeten, naast elkander als een gesloten oogenpaar; +plooitjes rondden zich er onder: de wellen vermoeid +in zijn vroeg-oud gezicht. En daar waar de neus verliep in +de lichtzakking langs de ruggroef, waren de gerekte smartlijnen +bijzijën, bootste een opschorting met een spotkrul zijn +hangenden knevelmond; willoos deinsde de rug naar de lenden +om, zoo zijn zwakke en achteruitgegroeide kin dat deed.</p> + +<p>Maar de gestalte rekte zich op en het gezicht was gebroken +in rimpels. Op zij uit, zoekend den ander, murmelde +hij langzaam met het hoofd knikkend:</p> + +<p>—"Ach, das Leben ist dumm, vous savez."</p> + +<p>Toen om te ontkomen aan de pijniging der ziel, smartte +de lang ingehouden en worstelende opwinding zich vrij door +den mond. Een tweede maal ging het floers voorbij Johans oogen, +en hij hoorde rondom zich het martelen van zijn woorden:</p> + +<p>—"Ben ik dan voor niet gegaan, hoe lang wel.... want +de maanden zijn gegroeid tot jaren, reiziger meê in het leven, +ging ik dan om niet van oord tot oord, van nieuw naar +nieuw. Mensch, kijk me zoo niet aan, ook ik heb de volken +naast elkaâr zien staan en vervloeien, ge weet het, als in het +kleurenspectrum de kleuren. Zat ik dan voor niet tusschen +de lichamen in de snellende en schokkende wagens; liep ik +dan voor niet meê over de wegen, tusschen het loopen en +het deinen van mijn gelijken, maar die ik voelde en zij niet +mij. Was ik dan om niet in hun huizen, heb ik dan om niet +geproefd hetzelfde blij en droef, leerde ik om niet hun ontroeringen +opletten, tot waar ze grauw wegschuilt onder de +stoppelige baardharen van de stugge mannen. Was ik dan +zoolang alleen, alleen om niet, tusschen al dat gangende zeg +ik u, niet wijs, niet dom?"</p> + +<p>Spangengerel schudde de kamer.</p> + +<p>—"Stil, kameraad!" groeide de stem van Vogel.</p> + +<p>—"Nous avons tous deux raison, ah oui.... maar meer +dan gij, ge weet het, keek ik in den dood. Zeker.... er zijn +twee machten, me semble, die maken dat alles gaat, zoo gij +zeidet. Een is er die aanzet, beroert, de schokken geeft.... +hoe haar te noemen? geest.... le génie de la vie, par +exemple.... maar daar is die andere, die alles wil bestendigen, +eindigen, l'intelligence.... Nauw geeft de een beweging, +subitement l'autre se dresse, slaat het willende in haar sterke +handen.... bon.... doch bedachtzaam.... fatalement trop.... +houdt zij het aan den grond vast.... bon.... mais voilà +encore une autre fois le mouvement fixé.... raisonne."</p> + +<p>—"En toch gaat het," schreide Johan van zich af.</p> + +<p>—"E pur si muove.... giebt 's etwas neues!.... stil toch, +kameraad.... oui, raisonne, je vous demande, raisonne.... +le raisonnement est qui gagne. Luister"....</p> + +<hr class="pct45" /> + +<p>Gedreven met zijn lijf van muur tot muur, kwam naar +Johan als van buiten het vlottende geredeneer. Gekruisigd +aan zichzelven hoorde hij niets meer dan zijn-zelfs woorden +en ze waren zacht en wat klagend om hem:</p> + +<p>—"Ik was al vroeg alleen.... ik was alleen altijd.... in +het halfdonker van een nauwe straat weet ik me geboren.... +drie maanden van een jaar kwam er de zon tot op het plaveisel.... +Er spelen kinderen met mij.... vlossig hun haren.... wij spelen +over de keien, wij groeien tusschen den schemer van de +huizen op.</p> + +<p>.... Hoe ik het voel nu en den dag zie, dat de straat me +werd afgenomen, wegging uit de kindsheid van mijn oogen, +als uit een spiegel dien men omkeert de beelden."</p> + +<p>—"Jongmensch."</p> + +<p>—"Toen"....</p> + +<p>—"Jeune homme.... wat?"....</p> + +<p>—"Het gaat, het gaat, van donker naar licht, ik kan het +niet meer volgen. Jong, was ik oud, was ik jong, toen ik +duisterling, meêliep in de rangen van het volk.... en o, de +dagen dat ik twijfelde aan mijzelven, nog proef ik het duister +ervan bitter in den mond"....</p> + +<p>"Zoo is het altijd gegaan, reizende van ontmoeting naar +ontmoeting, naar goed, naar kwaad.... en ik kom hier.... +en ik ontmoet u."</p> + +<p>En heftig gericht, vochtten zijn oogen in de oogen van den +ander, die groot open, gesperd keken in het schemerhuis. +Maar van uit Vogels mond vloog als een gulp rook het woord:</p> + +<p>—"Ivresse."</p> + +<p>Gevangen het woord, er den klank van overschreden.</p> + +<p>—"En gij daar voor mij, mijn vleesch geworden angsten, +doode, waarin ik de droomen nog zie krioelen, gij die geen +liefde begeert en mijn vriendschap gesmaad hebt, hoe zal ik +u weêr rukken uit mijn ziel en er de weefsels niet scheuren.... +Weet ge het dat ge huist in mij, weet ge het dat ik u draag, +dat ik u liefheb."</p> + +<p>—"Ivresse."</p> + +<p>Maar vierend de stijgende en de koortsende beroering:</p> + +<p>—"Als luchters branden ze nu stil de vlammen van het +leven in mij; als garvend koren sprankelt het in mijn hoofd +op, ik ga geleid, ik wil er uit.... gaan, o, als een meteoor +voorbij in het niet, latend in het ruim der tijden nalichtend +het bewegen van mijn leven"....</p> + +<p>—"Meer waard te begeeren, zeg ik u, de gelatenheid +waar armen van geest meê naar hun einde gaan."</p> + +<p>—"Voel hoe mijn hart heet is, hoe mijn oogen schroeien +in heet water. O, weg nu in een wolk.... als Elia in een +wagen van vuur. De eeuwigheid"....</p> + +<p>—"Ivresse"....</p> + +<hr class="pct45" /> + +<p>—"Hoor er is slag van wind in uw woorden, er is ruimte, +er is leêgte.... Ellende, 't gekamert wijkt, het huis is rood. +Daar van uit dien hemelhoek komt het ons overspuiten met +bloed.... Vogel, wie gij, wie ik.... Over uw hoofd, over +mijne handen.... o, de dood.... hij raakt aan mijn oogleên.... +mijn oogen, mijn oogen.... hij strikt de banden van mijn +mond toe, van mijn mond, van mijn mond."</p> + +<p>Spangen relden, en huilend de stem uit het vanbinnen in +het vreemde idioom:</p> + +<p>—"Ivresse, ivresse.... il passé le quelque chose."</p> + +<p>Buiten zichzelven was Johan neêrgevallen op het bankje.</p> + +<hr class="pct45" /> + +<p>Naast den rossen gloed van Jachjemeds lantaren liep Johan +naar huis. Het was laat geworden. Vanuit de werkplaats had +de dokter hem meêgenomen naar de bovenwijk, daar was de +lucht frisch en het gezicht zoo mooi te zien. Stil, genegen, +had hij Vogel naast zich gevoeld, terwijl zij gingen het avond-bedrijf +in van de nauw-stijgende stegen door de Jodenbuurtjes. +Vleezige vrouwen, met de handen vol ringen op de dikke +buiken, babbelden naar elkaâr, de aangezichten bleek en +vettig in den schemer onder de doeken van kleurzijde of het +Sabbath was. Mannen, hangerig gezeten op den verzakten +drempel, borgen de handen in de beenenplooien van het +lijfwaad, of waren aan 't staan in het post-vierkant van +hun huisdeuren. Zij druilden er met hun stroeven ernst, zij +waren verzonken in den lagen nacht, maar hoog in de +heuvelende steeg, onder 't saffraan der lucht dat de muren +guldde, waren nog heldere kleuren, groen als van oud gras +en purperend gewirwar. Kinderen, vonkend-zwartoogig en met +gevlochten haar, vele al uitgekleed, stoeiend in het enkele hemdje, +gierden het uit in het straatslop, tot de schrikkerige schreeuw +van een waakzame moeder kreet naar een van de kleinen.</p> + +<p>Maar boven, over den borstwal van het platform lag de +stad blauw onder het geluwende, onder het naar boven +somberder wordende doornen van den hemel. De huisvlakken +en de spitsen schoven achter elkaâr, drijvend in ijlheid henen, +naar het slaapwater, naar het nachtwater van de zee, waar +'t kustschuim witte en boogde.... het reiken van een schuwen +droom.... als een gedachte guirlandende van nacht naar dag....</p> + +<p>Stil was er alles geweest, lichtelijk en ongedaan, zoo de +wierooken die in kerkschepen zweemen, dampte het achter +de heuvelende gestalten van de mannen die op den krommenden +borstwal zaten. Wijdgebroken glansden hun avond-oogen +uit de kappenschaûw, ze bleven stom rooken hun +pijpje, aan de naakthangende voeten de rosse sloffen hingen. +Of geëlleboogd daar over het dikke steenvlak rijden zij zich +samen, hengelaars gelijk op een brug over een Hollandsch +water, zoo keken ze neêr in de vallei van blauw en in den +suizenden sluimer van hun avondstad.</p> + +<p>Als een paar even vreemde lichamen hadden ook zij plaats +genomen op den wal.... stil.... eindelijk even het zwerven +van een paar woorden, het vaarwelzeggen van twee alleene +zielen.... Ik zal u schrijven.... A quoi bon.... Als ik thuis +ben.... u vertellen.... Vous m'oublierez.... Hoe zal het +gaan als ik ginds weêr ben.... Mij? Binnen een jaar.... +ah bah....</p> + +<p>De avond werd koud en toen waren zij teruggedaald tot +in Antonio's kroeg.</p> + +<p>Daar, onder de opwinding van de lamp, koperlichtend in +de duistere balken, zaten de mannen holend om het glimmende +buffet. Het was er druk. Twee Arabieren in wijd-witte heerenkleêren +leunden er, half aan het zitten, half aan het staan. +Het was druk, en het praten was over hen.</p> + +<p>Zij waren gekomen van achter hun bergen waar zij eenzaam +woonden. Dagen lang hadden zij gereisd tot hier om +bescherming te vragen, om zich te stellen onder de hoogheid +van het Fransche patronaat. Want beschuldigd, maar +valschelijk, van een groote zonde tegen den Koran, hadden +zij geweigerd de boete te betalen aan het inhalige districthoofd.... +de boete van zestig roode ossen. Maar op een +nacht was de jongste van de twee broeders weggehaald met +groot geweld.... verbeeld u.... zes maanden had hij gelegen +in het vuil van een Moorsch cachot.... toegeven natuurlijk.... +de losprijs betaald door den oudste.... dat is die zoo rechtop +zit.... want de andere, n'est ce pas?.... men kan het hem +aanzien.... hij ziet er uit nog comme un chien battu....</p> + +<p>En monsieur Badaud, met het tabouret tusschen zijn beenen, +als op zijn paard: "ce sacré Maroc, zoo werd de buit gemakkelijk".... +En het zwarte baardmensch, dat naast den +blonden, giegelenden Antonio den wand aankleefde, de Redacteur +van de Réveil, zou er wel eens een hartig woordje in +zijn krant van zeggen.... de noodzakelijkheid betoogen van +het algemeene patronaat. Dat ging zoo niet langer, wat zegt +u? Maar de fotograaf, een verwezen man, leek wel doof, +rookte onverschillig zijn kiff. Hij zat dwars op zijn bank, +smal, de armen en de beenen geknikt over elkander. Naast +hem schoof Vogel in zijn hoek. Daarna, monsieur Crépieux +tronend op zijn vaste plaats, en ook de minister kwam, +blauw, even door de poort kijken.... dat gaf een luid alarm, +hij verdween er meê.... werd er gejouwd door de vrienden? +Het was druk vanavond.</p> + +<p>Onder het hooge gloeien van de lamp ging er het praten +in de ommewegen der vertaling. De Arabier uitgehoord, +antwoordde aan wat men vroeg; zijn smalle lippen beboogd +met den donkerstrependen knevel neurieden; week klaagde +zijn zachte keelstem, terwijl hij de vier reine vingers van +zijn rechterhand, fijn met lange aaiingen, wreef over de witte +palm van de linker.</p> + +<p>Hij was rijk.... hij had vier vrouwen, veel vee en knechtschap.... +En de glossen waren gegaan, rondgeschurkt tusschen +de naar-elkaâr-toeë schouders van het gezelschap, en de +grappen over zijn verondersteld huiselijk leven. Sivory vertaalde +een vraag voor den Redacteur. Badaud, tot verduidelijking, +gaf klappen met zijn hand in de lucht, ruzie spelend. +Maar de bergman, kalm in de kap van zijn mantel, had +teruggesproken: "Men mocht een vrouw niet slaan, zelfs niet +met een bloem."</p> + +<p>Toen eerst had de vroolijkheid goed gedaverd uit de rood-roezige +gezichten.... o, ces brutes.... ces sales Arabes, non, +non, om den bliksem niet poëtisch. "Komaan, Jachjemed, +vertel jij eens hoe je voor een paar maanden dien hak in +je kop hebt gekregen.... het mes heeft je voor je leven gemerkt.... +ha, ha, ha"....</p> + +<p>Achter in den wijden lichtkring was de gids bij de gangdeur +opgedoken; verschrikkelijk aan het lachen, staande in +zijn gore jas, luisgrijs, met op zijn kaaloorig hoofd de fez +bloedrood. Dwars van buitenoogs kerfde het bekende litteeken, +rood nog, spleet langs den neus, reeg door de lippen, +knauwend den lach.</p> + +<p>Maar de Arabier deftig in zijn witte kalmte en niets kunnend +begrijpen van de vreemde spraken, deed meêglimmen +wel het tandenwit in een lachloozen lach, maar in zijn oogen +had de verachting gedonkerd voor die makkelijk lachende +Christenhonden.</p> + +<p>Buigend en met de hand op het hart vertrokken de beide +broeders. Zij waren de gasten van Antonio. Ze gingen hun +handen wasschen. En uit het donkere poortgat was daarna +een neger aangesloft, een kerel van meer dan zes voet. +Achterhoofdloos steeg de lipkop uit zijn jas, rechtop stond +hij onder de lamp of hij was gegroeid tegen een muur. Een +nieuwe revolver kwam hij koopen; hij vatte het geladen +wapen van den herbergier aan, handig met die dingen tusschen +zijn nachtelijk-glanzende flesschen. En zonder eenig waarschuwen +vuurde de neger met luie aaphand over het hoofd +van Johan heen. Het schot kraakte, donderde: de lamp aan +het gaan geraakt, rikketikte in zijn kettingen; toen zaten de +mannen stil, als getroffenen in den rook. Voor Johan was +de muur verschenen betureluurd door de zwarte gaatjes van +de straffe kogels.</p> + +<p>En toen hij eindelijk was vortgesloft, ging het kroegpraten +weêr voort:.... Het was de confident van den heer op het +Kasbah.... een kerel om te vrind te houden.... Hé, Antonio, +hij heeft niet eens betaald.... Die zwarte mijnheer had onlangs +iemand van de beenen geschoten, comprenez-vous? +pan.... pan.... en de familie, wraak gezworen, loerde nu op +hem om de hoeken van de stegen.... Evenwel.... dat was +alles kwansuis.... had hij geen wapens genoeg? hij zit er vol +van.... even een kijkje nemen had hij gewild.... om die twee +boerenlummels was hij gekomen.... was hij gebleven.... had +hij geen snuifjes gepresenteerd aan wien maar wilde.... comme +ça, het kokertje op den rug van de vlakke hand, gracelijk, +of hij een dépêche reikte aan zijn heer.... Ge zult zien, +Sivory, hij komt vanavond nog terug. "Máar," meende +monsieur Badaud, en deed zijn hoed op éen oor zeilen, "in +elk geval was het verstandig op je hoede te zijn.... vóor +dat een man den tijd kon vinden je te dooden.... il faut le +massacrer lui-même".... en monsieur Crépieux: "Certainement, +toujours faire le premier coup".... doch Vogel van boven +zijn rhum had zijn pijp uit zijn mond gehaald en gemeesmuild: +"Remarquez bíen, mon ami, que tous ces bons conseils ne +vous coûtent rien."</p> + +<p>.... Uit het donkere maar-voortloopen werd Johan opgeroepen +door Jachjemeds stilstaande stem:</p> + +<p>—"Holei, Soleimon, schuif wat op."</p> + +<p>Boven den weg gloeide de gekerfde kop van den gids en +grinnikte naar het opdoezelend hoofd van het Zocco-gekje. +De jongen, slecht wakker, keek dwalerig, lacherig; hij huiverde +in de schouders, schuwoogde de lantaarn in en krabde wat onder +zijn voddenmantel over de vorstelijke borst. In zijn kroeshaar +spatterde licht, hooisprietjes, ze vonkten goud als droeg hij +van de zon meê in zijn haren. Maar slaapdronken keerde hij +zich om naar den nacht, stom-vragerig "laat me toch liggen", +en dook het zwart tusschen de tonnen in, tusschen de rood +doovende cirkels van de hoepelranden.</p> + +<p>Tusschen het muren-duister wiebelde de kruisvlam voort +over den bobbelenden steegvloer.... En tegen Johan kwam +de gids aangedrongen, zijn schorre stem bedelde:</p> + +<p>—"Monsieur, monsieur, chantez encore un peu."</p> + +<p>Een vloek beefde op de lippen van den ander.</p> + +<p>—"Neen, vandaag niet."</p> + +<p>Dat was zoodra hij maar met dien knaap alleen was, +altijd om hetzelfde zangetje: het lijfdeuntje van monsieur +Badaud; 's avonds eens had hij het in zijn ooren meêgedragen, +het geneuried onder weg en sinds dien tijd zeurde Jachjemed +er om, tot in het oneindige trachtte hij het na te zingen.</p> + +<p>—"Monsieur, monsieur!"</p> + +<p>Toen in een opflappend lachen om het malle geval.... +waarom ook niet. Hoor hoe dat Parijsche operettenliedje +kittelde in het binnen van deez' lolligen jongen:</p> + +<p class="center">"Bombardos, Patakès."</p> + +<p>.... Allons, allez-donc, jeune homme....</p> + +<p>En Johan zong:</p> + +<p class="center"> +"Ce brave général Bombardos."<br /> +"Ce cher général Patakès."<br /> +</p> + +<p>Tot aan huis wakkerde het lachen van daarginds, beurt-zingend, +van zacht naar hooger, overbegonnen, krieuwelend, +folterend in den drankgorgel van den Arabier en pret aan +het maken, buitelend in de ziel van den ander.... Hoor, +hoor, Johan, hoe het kaatst in de geul, hoor het stikkedonker +bluft, bluft over het leven waar ge naar toe gaat, morgen +al; hoor het looft en het prijst uit uw eigen mond:</p> + +<p class="center"> +"Ce cher général,"<br /> +"Ce brave général!"<br /> +</p> + +<p>Zie, daar komen ze aanstappen in de lucht. Hoe komen +ze hier, zou je zoo zeggen. Buig, waarde heer.... stil kameraad.... +de mooie generaals Bombardos, Patakès. Hun laarzen +rinkinken. Ze laten zich zien, hun achtersten spannen in +witte pantalonen, gezellig zijn hun buiken onder rijke vesten.... +En ze hebben goud op de schouders, goud op de borst, +goud in hun zakken; zie hun snorren vlaggen, de wangen +hebben feest; zij ook beminnen het leven. Ze hebben geweldig +veel pret.... Schud pluimen op hun steken, zwaai +kleuren over hen heelemaal. Stil, kameraad; ze lachen complimenteeren, +ze buigen, zij zijn nooit bang in het gedaver +van de coulissen.</p> + +<p class="center"> +"Bombardos!"<br /> +"Patakès!"<br /> +</p> + +<p>In de poort van het hôtel was Johan alleen, en nog zong +achter uit het donker de jongen.</p> + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="VI" id="VI"></a>VI.</h2> + + +<p>Boven de lage wereld klankte de zon al-éenig.</p> + +<p>Van-af zijn hooge plaats gehuurd op een bordes, schoof +voor Johans oogen de Zoccostraat op, menschenloos en naar +haar poorten henen, het wachtende plaveisel bekringd met +keien strekte zijn zonnige baan als een stralende schubbenhuid +over de aarde voort, tusschen de muren der wederzijding.</p> + +<p>Zware gestoelten in zontijden verweerd, blokten de witte +bouwsels uit de laagte op, naar overal bezet met de wacht van +menschen. Want op plat naast plat, van bordes boven bordes +stonden zij er samen in kleurige menigvuldigheid onder het gespante +van het blauw, gezameld over de doozen van hun huizen.</p> + +<p>Tot op de poorten die boogden en sloten het straatgezicht, +waar de hooge stad heuvelde en het Kasbah was; tot onder +den cyclopenmuur van d'oude vesting vergestaltten zich de +mannen en de vrouwen.</p> + +<p>En links naar de landrichting, waar de muur uit de vergane +bastions zijn kanteelen kartelde, voor het wegrondende van +de lage lucht, was het al damp, ziedde achterin de lichtkolk +van het groote marktveld; want daar gedruisch, stoom van +veel beweging met bedwelming in het ijle; want daar de +fantasia's en het buskruitspel, om te vieren vandaag den +geboortedag des Profeten.</p> + +<p>Alzoo over het zwermende volk ging het licht naar den +middag. Dan stoof een knal uit de straat naar boven, rookte +het kruit het schot na, en de flonkerende koper-loop van +een Moorsch geweer vinnig tusschen vingers rondgeslingerd, +bliksemde geel-cirkelend door het wijde slop. Velen keken +omlaag om het spel te zien, maar daar zette zich alweêr de +bergman op de teenen, vroolijk met wijd-uitzakkenden pas +daalde hij de straat af, voor zijn schaduw uitloopend; weg +streepte zijn geweer, heen gloeide zijn roode hoofddoek, en +van-nieuws-aan was om Johan op het bordes het veelsprakig +leven en het wachten in den lichten luister.</p> + +<p>En hij herinnerde zich vanochtend in het hôtel terwijl hij +zijn boeltje bijeen bond, het schrikkerige splijten van de lucht +lang te hebben gehoord, oorlogsrumoer vèraf, schermutselen +dichtbij, en zich niet te hebben afgevraagd wat of dat kon +beduiden. Want zijn gedachten dwalerig, half los al van het +hierzijn, omdat het eindelijk zou teruggaan en niet meer verder, +en zie toch hoe smartelijk het altijd weêr werd bevonden te +moeten verlaten wat men nooit zal weêrzien.... Knal maar, +knal maar.... De vertooning was nu uit en een ander bedrijf +ging volgen.... Toen had hij de hemdboordjes zoo vreemd +op de reisdeken zien liggen, met hun zuiver-halsopen, pasklaar +ook voor een ander, met het roode merkdraadje voor de +keel of het een bloedkrab was. En in een opzetten van zijn +wil de propperige kousen geplet onder het schetsboek: het +moet, ze zullen er in....</p> + +<p>Doch de lange schoten kraakten, durelijk, harder aanhoorend +of op het venstertje gemikt werd. En naar buiten +kijkend over het erf-muurtje heen, daar kwamen ze aanzetten +op het vochte strandzand, de lenige buitenlui met de stralende +geweren in de handen hangend. Hun armen spierden naakt, +er werd onder het loopen geladen. Ze gingen klein langs +de kalme pracht der zee, maar stoer toch in hun wit en +bisterzwart gestreepte burnous van kemelhaar, de kappen +driehoekten van schouder naar schouder, veel wijder dan +men hier ze droeg. Achterin reden er aan op springende +paardjes, waarvan de schabrakken schalden in de feestelijke +zon. De schedels omvlagd met de roode foedralen van hun +geweren, stapten de voetmannen onder voorbij, in opwinding +waren ze verdwenen, want om hen was nog het juichen van +het wilde buskruit toen zij traden in den wal.</p> + +<p>Wat was er toch te doen, had hij moeten denken.... was +het niet altijd hier in het krioelen van de rassen als een +verhuis van volken.... zou het zijn als laatst, toen schuiten +vol mannen los gingen van een donker rompschip en stuwden +tegen het strandzand op.... Dat waren pelgrims van Mekka +gekomen.... En hij had zich gebukt uit het raampje, de zee +toen leêg gezien, en Gibraltars rots schimmig verdronken +in den weidschen dag. Doch vóor het vergezichtende Europeesche +kustland daar lag de wachtende Atlantic midden in +het gruizelende water, met het Fransche vlaggetje en de +helle stoompijp als een stuk vurig speelgoed in de ruimte-spiegeling +van blauw en licht.</p> + +<p>Toen was het kamertje hem te klein geweest, de muren +te kalkwit, het bed gevangenisachtig; jeuk was er in de +vingers en gloeiing in de beenen.... vanavond wel de rest +doen.... en naar beneden.</p> + +<p>In den steegschemer bij het hek van het Hôtel babbelde +Jachjemed met Sarah de meid. Jachjemed had een nieuwe fez, +een zwart koorden kwast hing in zijn nek neêr en over de +borst uit de omslagen van de hangende kap glansde van +blauwe zij het Zondagsche onderkleed. Ja, het was vandaag +het feest van den Profeet.... zijn bakkes glom of hij zoo pas +uit het bad kwam.... en hij had grinnekend gevraagd of hij +voor mijnheer niet een plaats moest nemen op een plat, +want de gekken kwamen terug en aan Jood en Christen was +bij proclamatie gewaarschuwd vóor dien tijd niet in de straten +te loopen.</p> + +<p>En ze waren gegaan. Bij de Engelsche ambassade strookte +een vlag de luchtstrook boven de steeg, ving van de zon in het +klappende blauw. Van den minaret stoof hoogóp het Moorsche +bloedrood; weêr verder krulden vier, vijf landsvlaggen boven +een huis om hun rechtstaande stokken, en met een plotselinge +hartepopeling had hij ook het in tijden niet geziene, luchtlang +banende rood-wit-en-blauw van zijn land herkend. Maar het +zien van de volle platten in de Zoccostraat deed ongeduldig +verlangen naar een even goede plaats; de gids aangespoord +tot haast, had hem meêgenomen door een donkeren winkel; +achter dichte luiken walmden er de doove kerkgeuren van +specerijen; en een pakhuistrap toen op; reten licht schenen +onder de stijgende hielen van den jongen die het eerste klom; +vervolgens een luik opengeduwd en in de plotselinge licht-overstelping +het staangeld betaald aan een man, die bij het +trapgat het luik weêr sloot.</p> + +<p>Nu, terwijl hij meêwachtend stond, propte zich voor zijn +oogen het volk al dichter over de kalkige huizen. Gelijkoogs +en hooger waakten er de rijen hoofden, schakels geworden +in de zon. Daar waren de Europeanen van de stad, de +handelsmannen hadden hunne zaken gelaten, van bijna alle +terrassen spikkelden in het zonnedonker van hun ledende +confectie-kleêren, reepjes van halsboorden-wit en hoekjes van +de open vesten. Daar waren Engelschen de halzen rekkend, +jong volk veel, in de strakke gezichten dotten de snorren; +Duitschers waarvan de borsten en schouders platend kwamen +uit het gedrang, met zwellende wangen rozig van de warmte +in het goudelende gelaatshaar; zuiderlingen weinige, zwaar +van wenkbrauw boven den somberen oogkuil, verschenen er +klein en pezig. Van over de wallen vlekten de roodende +handen, wijl over hun aller eveneensche hoeden de ruimte +voorthobbelde in blauwing, ze in den afstand tot veeldubbele +snoeren saâmreeg, waaruit het spiegelen van een enkelen +cilinder opstak als van een zwart-gladden steen.</p> + +<p>Joden groepten er statig in lange kleêren, het borsthemd geplooid, +de gordels gouddradig gefranjed, of oudere scharrelden +verdwaald, ginds en hier, met kalotjes op de nederige kruinen, +en van vischvellen-kleuren glommen hun daagsche tabbaarden +onder de vlokkende baarden; Jodinnen daar op de eerste rij, +heup aan heup, schoot naast schoot, aan elkaâr gesmolten +van vleezigheid en licht, en soms keek er het ronde hoofdje van +een knaap of van een meisje, bolwangig voor zich uit tegen +den buik der moeder. Veel meiden en wijven pronkten er +met den smuk van hoofd- en halsdoeken, oorringen rinkelden +licht; kerels van de haven in teervuile baadjes vertoonden +er een geroosde borst of bewogen werkarmen; slaven, negers +staken er de glimkoppen met fezzen omhoog; straatvolk +schouwde er de roestige zakken van hun jassen uit, als noten +uit harde schalen. Vèraf, van hoog en laag was het in de +neêrdruisching van den dag over de zonnetrappen: 't plakkatende +wit der muren, woest indigo-blauw waar de zon niet +was, een uitstalling vaak als vruchtenweelde bloeiend. Zoo +blonk er het hooge citroenen-geel en van meloenen waarin +het groen nog welkt; praalden er het tomaten-oranje en het +granaten-bloed; glommen er de heete donkers van hardschillig +ooft, van kastanjes, van dadels en vijgen, waasde er het +doodrijpe saprood naar druivenpaarsch en naar het rottende +violet.</p> + +<p>Woestijnig in de stoffige burnous als in te ruime vellen +postuurden de Kabylen op wal en bastion. Gedrochtelijk +tusschen en op de kanteelen geklonterd, met de kappen òp, +beeldden zij zich roerloos.</p> + +<p>En onder het schilferende vestinggrauw dat glinsterde van +ruigten op den trans en uit het mozaïek der steenen, tot onder +het rotsenrood dat bestreept met klimlijnen van paden was +en melaatsch van zon, het gansche wallooze poortterras over, +hadden zich de vrouwen geborgen. Gelijk mummies in windsels, +een spokende zwerm van witte vlinderpoppen wachtten +zij daar gelaten onder het raggende licht, terwijl onder hen +het hoefijzer-ronde gat van de poort gaapte naar de straat. +Wat witte heeren schemerden er in de mousseline sluiers van +de haïk; een stralende tulband blonk er als een maansikkel +boven het parelende warmblank; en waar 't geplooide open +voor de vele oogen de duistere ster-stippen door de rijen +reeg, schoof meer dan eens de stroogele hoed van een +Tetuaansche, lag gelijk de schijf van een parasol over de +schouders van de draagster een valletje van koele schaduw.</p> + +<p>Beneden ook bleef de geul star aan 't wachten, ofschoon +herhaaldelijk opgeschrikt uit haren zonnedommel, telkens +wanneer het looze schot knallen kwam van een feestvierend +man die uit de Zoccodrukte daalde. Nu speelde een Arabier +in de straat, tuk op de hooge bewondering liet hij zijn geweer +radsnel om zijn vingers tollen, greep het dan woest en onverwacht +stil, knakkend de vlucht van het wielende wapen, +om het te laten cirkelen tusschen zijn scheutende armen en +rond zijn dollen nek als om een gladde as. Dan zette hij zich +schrap op de donkere beenen, keek wild zegevierend òp uit +zijn ontredderd gezicht zwart van kruitroet, lachte wreed om +zijn geklemde tanden en keilde toen tot een jubelend hoezee +zijn speeltuig naar boven, slingerde zijn blij lijf om in tartenden +sprong, maar ving het in de valling flonkerende geweer met +klauwende vingers, alvoor het kon rakelen den grond. En +over het helle pad ging hij in zijn wijd-slippenden mantel.</p> + +<p>Langs de keienbaan suften de winkeltjes, gesloten was het +bedrijf, vuil en vettig, slijmig in het blinkblank van den velen +weêrschijn. Met dichtgeklapte stokken, zeildoek en takkebos-kleurig +luikenhout verschenen ze verlaten, onttakeld. Een +koopman kwam zijn huis uit, draalde wat op den drempel, +garenblauw was zijn huiskleed en helder het flanel gewikkeld +om de fez. Of uit de spleet van een mat, uit de vouw van +een schutdoek, schemerde even een geschoren hoofd, tot de +kier als van wind bewogen zich weêr sloot gelijk een oog +dat niets te zien vindt, toe.</p> + +<p>In het midden van den overkant, tegenover maar lager +dan het terras waar Johan zijn plaats hield, bleef nog een +winkelplat leêg, geruimd van rommel, van oude verpakking +die aan de kanten lag. Twee stoelen stonden er schril naast +elkander op het blinkende vloertje.</p> + +<p>Toen deed luid gepraat van een drietal Franschen vlak +nabij, Johan keeren voor den lagen wal; ook werden de voeten +moede van het staan op eenzelfde plek. Een van hen wees +aan den ander: daar, neen meer rechts, die soldaten in +roode uniformen, dat waren volontairs van het garnizoen in +Gibraltar.... Zeker, er waren veel vreemdelingen om het schouwspel +te zien.... En als alle jaren zou de gezant wel weêr een paar +schapen, levende schapen ja, naar beneden laten werpen +zoodra de stoet voorbijging.... dat deed hij om het prestige, +dat was politiek, erkenning van de landsgewoonten en eerbied +voor den heerschenden godsdienst.</p> + +<p>Plotseling tusschen de klaterende schouders van babbelige +vrouwen door, kwam knikken naar Johan het stevige hoofd +van monsieur Badaud. Een inzicht tusschen de huizen week +schaduw-opaal en lichtvlekkig achter hem, beplekt met kleêren +die te drogen hingen als vlaggetjes in de zon. De kolonel +wachtte voor den anderen hoekschen wal van het terras, +hield de hand aan den hoed of het woei daar, en onder zijn +snorren versmolt het vriendschappelijk toegeroepen groeten.</p> + +<p>Hier, van-uit het zonnige volk, klapte, keelde en niesde +het druk-zijn van de monden en het steeg uit de zwoelte de +lucht in, die gromde of ze van bijen vol was. Tot achterin +schacherde het volle markt-lawaai, tot onder de blinde muren, +want aan twee zijden van het vierkant gingen naaststaande +huizingen opwaarts, groezelige wanden met gebersten kalklaag, +bedropen door stralen uit den regentijd en doorsiepeld +in den hoek met het roet uit een schoorsteen binnen. Onverstaanbaar +jakkerde een schrauw van boven, antwoord aan een +roep van buurschap hier beneên, dan zag Johan kleurwijven +overlenen den wal, daar waar de stapeling weêr verscheen +voor zijn opkijkende oogen, gedrongen, geplet onder het +sidderende blauw.</p> + +<p>Willoos bleven zijn oogen innemen het durende gezicht. +Hij moest letten op een fotografisch toestel dat er onder +den muur op pootjes paalde en uit den zwarten lap zag hij +het verwezen hoofd van den Zwitser duiken. De man nam +den dop weg van het verrekijkerachtig voorstuk, lodderoogde +wat terwijl zijn lippen telden, toen sloot hij het koperen oog +weêr van zijn mechaniek met langzame hand waaraan de +nagels glommen.</p> + +<p>.... Wie weet, wachtten er nog meer kennissen hier op +het plat.... en waar was Jachjemed gebleven.... Vogel.... +zou die een plaats gevonden hebben op den muur in de +buurt van zijn slaaphuis.... of was hij thuis gebleven in het +duffe hok.... Crépieux had vast een goede plaats op het +terras van zijn Consul, en een mooie, vandaar waren ook +de spelen over het Zocco te zien. Vogel....</p> + +<p>Vogel.... zoo huisschaduw bij buitenlicht droef is, zoo +duisterde de herinnering aan den dokter voor Johan op.... +hij alleen en gebukt over zijn werkbank.... In het neêrstraffende +blauw kwamen de oogen staan als twee traanparels.... +de bekende blik.... ze hadden de macht hem hier +vandaan te nemen midden uit het feest.</p> + +<p>Maar ploffen bomden, en opgeschrokken door een dadelijk +dringen had hij den borstwal gevat. Van den overkant +rommelden de zonnige lijven, de kleuren krieuwden. De +kijkers voorover op de voorste rijen, kantten de hoofden +alle naar het straateinde.</p> + +<p>Van af der poorten stille wacht stuwde de beweging aan, +daar kringelden en woelden de gewaden. En de stralende +ruimte vergeluidend de breede verwachting, jubelde, zong +van terras naar terras: "daar zijn ze, daar zijn ze." Doch +het was om niets; het gestapel zette zich weêr in het +durende staan; alleen van achter den muur òp, rookte het +buskruit boven het Zocco heviger, bleef er wolken gelijk +damp geworden stoom.</p> + +<p>De zon hittend naar haar hoogsten stand, blakerde voort +over de geduldige hoofden. Heeter zeeg het blauw over de +stad en al. De winkeltjes in de straat vingen aan te glimpen, +kletterend schoten er de scheuten licht in de trillende daging, +zeilende pijlen-val. In de broeiende straatbaan kogelden de +puilende en glad geslepen keien hel, of het zonnesteenen +waren geslingerd uit den hoogen hemel.</p> + +<p>Een bekende stem, die van den Vlaming, den admiraal, +deed Johan een andermaal keeren. Door het platmidden drong +de kleine zeeman met brutale ellebogen de praters op zij; +jekker-blauw waren zijn jasje en broek. Achter hem waggelde +het leuk-groote lijf van Sivory den herbergier; Jachjemed +volgde, stak zijn nieuwe fez over Antonio's schouder op als +een onrijpe kers. Ze kwamen alle drie tot bij Johan; Sivory's +lacherige lippen slurpten tevreê de ruimte.</p> + +<p>—"Ik kom maar op mijn pantoffels," giegelde de jongensachtige +man in zijn te kort grijs buisje. "U hier zoo alleen, +waar is onze vriend de dokter?"</p> + +<p>Maar zijn wangen bolden, de kin zwom rond in de ringen +van het weeke halsvleesch. Hij lolde dat zijn oogen verdwenen.</p> + +<p>—"O, o kijk toch".... hoe die daar zaten, wassen beelden, +waarachtig, wassen beelden.... Caramba, dat moest zijn vrouw +eens kunnen zien, maar die had te veel hekel aan klimmen, +de dikkerd.</p> + +<p>Zijn spekkig handje wees over den wal en lag zich toen +goeielijk over Johan's schouder. Op het lage platje zag die +nu de beide stoelen er onverwacht bezet.</p> + +<p>Zij zaten er zoo kalm of zaten ze er al een uur; gasten +aanzittend bij een feest, die om het fatsoen zich niet verwonderen +mogen. Een heer, mager, in een langen mackintosh +met overval om de schouders, zat er verdord van gezicht, +waar lange grijzende bakkebaarden uit streken, zorgvol gekamd +als valsch tooneelhaar. Hij droeg een reishoed à la +Stanley, met een wittigen zonnesluier omwonden en een +zwarte kijkertasch hing aan een riem langs zijn lang lijf. +Naast hem een dame, sluik in dezelfde stofkleur van hoofd +tot voeten, eveneens bejaard en met de handen op de knieën. +Een flaphoed aan een omgekeerde fruitmand gelijkend, schaduwde +haar verreisd voorkomen donker en een grappig-groot wit-gazen +strik fladderde onder haar kin als een kolossale vlinder.</p> + +<p>Achter hun stoelen, met op elke leuning een koffie-bruinen +knuist, pronkte een Moorsche knecht. Scharlaken-vurig tooide +hem zijn lijfjas met korte armsels, ondermouwen gleden tot +naar de polsen, blauw dat ratelde van geel op koord en +tressen. Een spitse wijnrooie muts, omgeklapt bij de punt, +deed hem slaperig staan, zoetsappig met het hoofd op zij; +doch wreed kneep de spleet van zijn wimperlooze oogen. +Splinternieuw ging er een bruinleêren band om wapens in +te dragen zijn middel rond.</p> + +<p>—"Wat een stank," smaalde de admiraal met zijn gewonen +vloek, "dat volk ruikt nog eens zoo erg naar wilde beesten, +wanneer ze in de zon staan te bakken, ge weet."</p> + +<p>—"Non, non," riep de waard er tegen in, zoodra hij het +stopwoord in de vreemde landstaal hoorde.... die twee waren +misschien wel de vader en de moeder der Engelsche dame, +welke onlangs haar entrée in den harem had gedaan, de +zooveelste vrouw was geworden van mijnheer boven.</p> + +<p>En Jachjemed in zijn schik, zeker van de borrels en de +sigaren die hij verdiend had met dit uitgezochte plaatsje:</p> + +<p>—"Dat zou 't zijn, ze hadden een soldaat meêgekregen +van het Kasbah om op ze te passen."</p> + +<p>—"Zeker, ze mochten eens gestolen worden, ha, ha."</p> + +<p>En Antonio schaterde dat hem het speeksel over de lippen +stoof; omstanders keken naar hen, sperrend de monden meê +of ze wilden of niet; een blanke meid met dof zwart negerhaar +en gretige lippen, lachte zich de tanden blinkend.</p> + +<p>De admiraal evenwel had nog wel wat anders gezien dan +dat zoodje hier van het Kasbah. Tijdens de laatste révolte +had hij den Sultan in al zijn pracht en praal zelven mogen +aanschouwen, midden in den stoet van vizieren en raadsliên.... +"Een god, mijnheer.... onmogelijk verblindend en niet om +te beschrijven.... ze kropen voor hem, ze zoenden het stof +van zijn pantoffels, de...."</p> + +<p>Hoe hij er uit zag? E wel, een zwarte, vette vent was +het, maar die huis wist te houen; ze gaven hier zooveel +om een mensch als om een makreel: gekopt had hij ze bij +honderden.... Hij zelve had voor de bewezen diensten een +witte merie van den Sultan ontvangen.... de hoogste onderscheiding, +maar liever had hij de eeresabel gekregen, die kon +je meênemen en die kostte niets aan vreten.... En, vertelde +de admiraal, en het kaasbolletje bovenop zijn ronden Vlaamschen +kop deed hem gelijken aan een boer op zijn Zondags.... +alles goed en wel.... zoodra hij zijn paspoort los kon krijgen, +ging hij gauw naar Antwerpen terug, hij had er den buik +van vol, hij verlangde naar zijn huis, naar zijn vrouw....</p> + +<p>—"Hé, kolonel, monsieur Badaud, kom hier!" schetterde +Antonio.</p> + +<p>Maar een hel blindend zonnetje, een felle flikker spoog +uit de laagte op, dan plotseling geroeid uit de ruimte. Beneden +hield de Engelschman zijn kijker gericht en de zon had er +in gekaatst, hij tuurde van den overkant naar het vroolijke +troepje.</p> + +<p>—"Goeien dag," groette de uitgelaten Antonio, "goeien +dag, papa."</p> + +<p>De heer bleef door de zwarte kokeroogen het gezelschap +bekijken of hij de grap begreep.</p> + +<p>—"Bonjour, bonjour," kwam de kolonel wuft aan, en tot +Johan, guitig:</p> + +<p>—"Ah.... zonder de sac à malices?"</p> + +<p>Toen dadelijk in het geval, gaf hij een kwinkslag ten beste: +om de stof, meende hij, moest dat solide paar eeuwiglijk +onder een stolp worden gezet.</p> + +<p>En nu de armen van den Engelschman met de binocle zakten +en ook zijn hoofd naar den schouder ging of de knecht van +achter draaide aan den nek, zei ook de admiraal: waarachtig, +het was een pop. De oude heer praatte langs zijn bakkebaard +naar de oude dame, schroefde het lijf half rond op den stoel, +de knieën dicht, automatisch klommen de armen en hij liet +het kijkglas wandelen.</p> + +<p>—"Hij ziet wat," grinnikte Jachjemed toen de binocle +weêr stil bleef.</p> + +<p>—"Een vlieg." En meteen begon monsieur Badaud onder +zijn favorites te brommen. Hij had den flambard in zijn hand +al en speelde er meê, hij zou het beestje wel vangen. Een +glimkrans cirkelde zijn slapen rond, de ring dien de hoedrand +gedrukt had in zijn gepommadeerde haren. En zijn mond, +waaraan de snorpunten als vleugeltjes rilden onder den mooien +krommen neus, tegen het blozend geschoren wangvleesch, liet +dan de vlieg ergens zitten, stil; maar de hoed dwaalde aan +en joeg het tot zijn eigen bruinoogige verbazing weêr op, +dat het kwaad gonzend zwermde over de lachende hoofden, +nagezeten tusschen de engten der ruggen door den kolonel, +die loerend met den rimpeligen soldatennek wat vooruit en +het vleezige oor rood, speelde langs een wang, om een neus.... +"Sacré nom d'un chien;" want weêr ontweek het lastige ding +den hoed die het snappen wou en 't zoemde weg, niemand +wist waarheen. Uit het duizelende licht echter zong het terstond +en treiterziek terug, sneller dan een snorrend raadje en zoo +natuurlijk, dat Antonio van plezier te dribbelen stond als een +kind dat wat doen moet.</p> + +<p>Doch toen monsieur Badaud zijn vlieg eindelijk dacht te +hebben, den hoed neêrsloeg over de zwarte pruik van de +vooruit-al gillende meid, drong zich het volk als in een paniek +in het vierkant naar voren.</p> + +<p>—"Ze komen, ze komen."</p> + +<p>—"Neen, ze komen nog niet."</p> + +<p>—"Zeker, ze komen er aan."</p> + +<p>Door den wademloozen middag groeide en zwol het begeerige +rumoer; van terras naar terras had zich de spanning opnieuw +in de lijven geslingerd, er de onrust een andermaal gezaaid +als een plaag van insekten.</p> + +<p>—"Zonder twijfel," geloofde de herbergier, zachter ook +pratend in het gedompte, vreesachtig aanhoorende gebabbel +op het plat, en hij rekte zich over den zooveel kleineren +admiraal, "de gekken loopen op het Zocco, monsieur Badaud."</p> + +<p>Doch deze nog altijd spelend, drilde den vinger waar de +ring aan glom voor den grooten lacher.</p> + +<p>—"Het kan me spijten, Antonio," zei hij, "dat ik die vlieg +niet geattrapeerd heb. Bedenk eens wat een mooi exemplaar +voor den compagnon van monsieur Crépieux.... op een +speld.... puf.... en dan"....</p> + +<p>—"O.... schei toch uit, kolonel."</p> + +<p>—"Ah!" en monsieur Badaud boog naar de wering.</p> + +<p>—"Pas op uw rug, monsieur le peintre."</p> + +<p>Johan keek. Strak zeeg in het wijde over het Zocco, want +de kruitrook verstoven, het blauw neêr als in een dal van +stilte. En van wal en bastion hieven zich de gestaltetjes van +de landslui gespannen, zij spierden de armen op in het nervige +licht. Over de poort ook floersde de blanke wacht onbewogener; +zonder de donkere oogenrijen, die lichtelijk gekeerd, +schouwden naar over de heuvelen, naar de komende heiligen.</p> + +<p>Zij kwamen.</p> + +<p>Onder den lichten hemel, onder het rommedom stervende +rumoer, in het groot vallende zwijgen, in het geluiden-gaan +van het zonnezingende gesuis, hoorde Johan ze komen. Was +het niet als de bange zang van zijn hart, dat de oogenblikken +sloeg daarbinnen in hem? Was het van de zee die onder +den zilten lichtdag oneindig geweten wentelt, en nu den vloed +weêr deed geboren worden, windloos weenend naar de stranden +en hier over het steenen staan der stad in de oorschelpen +kwam klagen.</p> + +<p>Zwijgen was boven de terrassen; zwijgen viel in de schitterige +lichtstraal. Waren het niet de echoën van geloop, van +gedans, van gedraaf? Klotste nu niet vanuit de duistere tunnel +der poort het aandriften van een kudde?</p> + +<p>Hoor, op het veld daar schoten de geweren. Zie, daar +stoomde weêr blinkend het buskruit op.</p> + +<p>En voor het snelle neêrgaan van zijn oogen versomberde +de hemel, krompen de blokken op in zonnig wolkenwit. +Voorbij gespiegeld was het pralende saâmstaan der menschen, +de roodende gelaatsrijen verdronken naar het blauw, gelijk +bloemen en koralen verschemeren in de glans-diepte der zee.</p> + +<p>Want het zwart-starende poortgat had dood-loofbruin en +soppig bloedrood de gekkenverschijning in de geul gestooten. +Stuiverig of storm hen sloeg op de ruggen, kwam het loopende +geweld, en als een vaandelbaan vooruit, het schrikwit van +de eerste boeteling.</p> + +<p>Nu steeg geen kreet, geen aanmoediging ijlde onder de +luchtelagen. Stom zag het stedevolk het aan hoe de heiligen +al holden in het straatgestraal.</p> + +<p>De vooroppe, een vrouw, de bleeke.</p> + +<p>Zij liep niet, zij vlotte, zij zweefde. Zij ging vóor aan het +wilde woelen der verdwazing, zij kwam met het hoofd achterover, +met de oogen open.</p> + +<p>Zij kwam met de piekende star-oogen als een gekruiste in +het hemd van den spot. Zij hing met de armen wijd uit op +de schoeren van twee dollen die haar stutten, voor het +slapende gangen der droom-schrijdende voeten.</p> + +<p>Zij kwam met de glinstering van haar geslagen oogen die +niet knipten voor het licht; martelares gedragen, geheven +reliquie, vertoond door bezetenen die onder haar oksels verbijsterde +koppen beurden, schreeuwloos, met mondslurven +van jammerlijke beesten.</p> + +<p>Zij kwam aan met haar bliksemende oogbollen, het hellende +en ijzige vuurpad over, zij staarde in het schroeiendste, in den bol +der zon. Zij schreed in het sidderende en ritselende lichtkleed +aan, op den langen weeë-zang der zee: gaan, gaan, met de +knikkende mannenbeenen naast haar, die trappelden het spattend +gefonkel.</p> + +<p>Zij kwam nog de bleeke foltervrouw, met de borsten klein, +met het sterrenhoofd gelegen in het zweet-natte, in het rouw-zwarte +bed van haar haren; de heilige wier lippen lachten +in den wellust van den dood, om wier neusgaten het snerpende +leven gevoelloos.</p> + +<p>En zij ging voorbij met de armen in vlucht, als een in +het licht gezaligde, liet ze de wondervlammen van haar +oogen in de oneindige herinnering.</p> + +<p>—"Dat is om te rillen, dat is geen mensch meer," bangde +de stem van Antonio.</p> + +<p>Een dof geherrie van knuppelende doodslagen; het stampen +van naakte zolen slaande de naakte straat, trappelde door +de geul en als uit een slachtplaats naar boven.</p> + +<p>En magere mannen draafden in het onder, zon-morsig, +bloot-borstig, vaal van ontbering. Zij vloden, de armen +vooruit met grissende vingers, brengers van onheil en kwade +boodschap, aangestaard door de uit hun winkels getredenen, +snelden zij hun schaduwen vooruit over de klare steenen.</p> + +<p>Even lag de straat te blinken, het hooge zwijgen hield +aan. Toen op den doffen voetendonder rolde het door elkaâr +kluwen van licht en schaduw nader: het wirwarren van het +doode-blârenbruin der gescheurde kleêren; het stuiven van +bezeten beenen laag; het woeden van vechtende armen +leemkleurig in de hooge daging, en om snakkende hoofden +scheen een snoer als een oorlogsband of gleed er het wanhopende +glissen van oogenwit in de spiegeling der zon.</p> + +<p>Voortgegeeseld door karwatsende kerels langs de kanten +aan het loopen, gestriemd over de bastige ruggen die wrongen +en krompen en rekten, maar bleven omdringen het heiligen-stoetje, +tot een kern daar middenin, gesloten aan elkaâr, verschenen +er de gekken in 't hemd wit, rood, beplast met bloed.</p> + +<p>Daar danste vooraan de donkere vrouw met de oogen +dicht, òp, neêr. Zij sprong, zij knikte, viel overzij, als half +verlamd, òp, neêr, epileptisch òp, neêr, òp, neêr.</p> + +<p>Zij strompelde in het boethemd, zon-hel, òp-neêr; aantobbende +met een arm vol vleesch, met een vracht van nat +en druipend vleesch en flarden huid; met lillend, krullend, blond +schapenhaar, als een dood kind onder de moederborst daar, +en smartelijk de meêgaande hand voorbij den buik, òp-neêr.</p> + +<p>Nu schokte zij bloedig aan, een roode moordenares, òp-neêr. +Haar lippen lagen in starre pijn; in-uit snoof de neus en van +haar kruin krioelden de haren, òp-neêr, òp-neêr; overeinde +als schrikkende slangetjes op hun staarten aan 't staan.</p> + +<p>Maar dansend de roode martelvrouw in 't wezenlooze licht +vooraan, en of ze geradbraakt in 't witte gekleêr was, lekte +haar 't bloed op de stomme voeten neêr, epileptisch aan 't gaan, +aan 't gaan.</p> + +<p>—"Gofferdom, kijk, ze bijten mekaâr in de hielen daar!" +kreet de admiraal.</p> + +<p>—"Ranselt er op, de honden!" schreeuwde de kolonel.</p> + +<p>Maar beneden zwoegden al de witte verschijningen, vuns +van moord, over de onder hen bibberende keienbaan op de +stuipende beenen voort.</p> + +<p>—"Zij zijn moe, ze zullen vallen, monsieur Badaud."</p> + +<p>Voorbij slingerde het oude negerlijf in de aschkleurige +vodden, rood onder een émail van bloed. Bloed en schuim +was om zijn dikke in een strakken schater verstorven lippen, +bloed geronnen op de trommel die bonsde zijn rug.</p> + +<p>—"Ze gaan in ren!" duizelde een schreeuw uit de lichte +hoogte.</p> + +<p>En zij galopten, want de geesels zwiepten. Zij sprongen +op wijde vluchtbeenen den naweeënden rhythmus nog. 't Nat-kletsige +gesla van de bloote voeten beteisterde de geul, onstuimiger +draafde de meêlooperij in het vale zonbruin; of +van hen elk wou de eerste wezen, zoo slierden er de bijt-bekken +de kikhalzende toeschouwers langs.</p> + +<p>Daar dolde nu de achterste, getild, gesleurd door twee +verheerlijkten, een jongen met den kop op de borst, de tong +uit den mond, den hik in 't lijf. Lappen vacht en vleesch +schudden en rafelden om zijn sijpelende schouders. Als bij +een stom-bezopene sloeg 't lijf voorover naar de straat.</p> + +<p>'t Geschater van Antonio dolde door de lucht. Monsieur +Badaud wees naar beneden:</p> + +<p>—"Sacré nom.... hij trekt met zijn beenen als een +grenouille."</p> + +<p>—"Een kip die dood gaat."</p> + +<p>—"Ik zou hem niet eten, als jij hem hadt geslacht, sale Arabe."</p> + +<p>—"Ha, ha, ha...."</p> + +<p>Maar de jongen opgebeurd door de voortvaartende kerels, +spartelde onder-langs, met afdrukken van bloedhanden tegen +den rug op het hemd vol gaten.</p> + +<p>Nu tusschen de weêrlichtende winkeltjes was de baan +overstort onder het buien, onder het onweêr van de troepend-trappende +dravers. Nog waren er die dansten, òp-neêr, +rollend bezeten oogen, met monden spelend misbaar.</p> + +<p>—"'t Is gedaan.... Hé daar, schavuiten! Ze kittelen +mekaâr een beetje," riep monsieur Badaud weêr, beleedigd. +"Kom, Antonio, die daar zijn even gek als wij."</p> + +<p>—"Ze houden ons voor de mal!"</p> + +<p>—"Gaan we."</p> + +<p>Een lichtschitter sneed door de laagte.... de man met de +bijl.... maar de straat verzonk, al ging Johan los van de +wering. Recht voor zijn stoel staakte de Engelschman, stram +bij zijn vlam-rooden knecht, naoogend de gekken door zijn +slak-zwarten kijker.</p> + +<p>—"Curieux."</p> + +<p>—"Intéressant."</p> + +<p>Maar 't waren nog de bange geluiden die zich opworstelden +naar hier; barende schreeuwen uit het warende licht, klakkende, +krakende, martelende zweepslagen, nijdig gekletst op het ziellooze +vleesch. Dan van overal overzwetsten de ontbonden +tongen het straatgereutel, om te vullen de lucht met hun gekal.</p> + +<p>......</p> + +<p>—"Canaille."</p> + +<p>......</p> + +<p>—"Waar gaan ze heen?"</p> + +<p>—"Naar de moskee."</p> + +<p>......</p> + +<p>—"Daar vallen ze neêr, totaal òp, anéantis."</p> + +<p>—"Sapristi."</p> + +<p>—"Gekken; wie er niet aan sterven slapen de lange +dagen."</p> + +<p>......</p> + +<p>—"Gekken."</p> + +<p>Zooals binnenskamers, door de bevanging heen van een +zwaren droom de morgenstemmen komen aanrakkelen uit +de buitenkoû, brokte het praten in Johan's ooren, terwijl hij +opschoof langzaam meê in het platgedrang. En hij daalde +in het duister van de trap, in het gat dat vol zoog van +buiten-gonzing; hij voelde zich gaan, onverschillig, gedragen, +als in een droom zeker de beenen zich zetten. Boven leegden +de bordessen, beneden zwermde de straat vol vechtende +daggeluiden; in de gangen van een grooten zeehoorn leek +hij te loopen, waar 't van alle wanden golf-klaagt en winde-zingt. +Voetje voor voetje ging het vooruit, hij hoogdravend +in zijn hoofd het lichtleven meê als van een vuur dat in +raketten en festoenen is uiteengespat, het beturend naar +binnen, tot het een drang werd in zijn denken, tot het een +mist werd in zijn oogen, tot er een bloem, verschrikkelijk, +haar roode blâren in kwam laten vallen....</p> + +<p>—"Ze hebben een hond die ze in de beenen liep, op +het Zocco gepakt en van elkaâr gereten," riep van buiten +de Redacteursstem naar Antonio uit het zeeëgeluid van de +voeten.</p> + +<p>De straat straalde aan. En over de voortgolvende koppen +kwam het blinken, dadelijk van den heeten muur der overzij, +het heerlijke hoofd van Soleimon.... Lachte er niet kleinschatting +uit de hoeken van zijn idiotenmond, glansde er +droefenis niet in het onverschrikt zijn van zijn wijd open +gebleven oogen?....</p> + +<p>Maar al nam het stoetende kleurenvolk Johan in zich, +meê onder de klankende zon.</p> + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="VII" id="VII"></a>VII.</h2> + + +<p>De vage avond om den horizon had stad en strand doen +krimpen onder een doem van wolken. Nu zwol de nacht +over d'Oceaan en de nacht was brak.</p> + +<p>Als 't verdriet dat over de wangen druppelt en zilt door +de lippen wordt geslikt, voelde Johan de nattigheid loslaten +uit het weenende weêr. Telkens spritste er regen van uit +den bollen wind die bakboords blies, of was het gestuif van +de proestende golven, want met vollen stoom plonsde de +Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, zich delvend +een gang door den nacht.</p> + +<p>Al gauw na het winden van de ankers, het werken van +de matrozen die schreeuwend door het waaidonker met de +touwen zeulden, was Johan afgedaald in de kajuit, maar er +uitgedreven weêr door een niet te overwinnen afzonderingsbegeerte +van geheel zijn wezen. Hij had de onstuimigheid +van het getij verkozen voor de vriendelijke scheepskamer, +die vol kleuring van rood fluweel, glom van koperen stangen +langs de boorden om het zeker loopen. Van onder de huiselijk +lage lampen overschijnend een tafel-vol tijdverdrijf van periodieken, +was hij opgestaan. Er zaten wat reizigers te lezen, +kreukend sloeg blad om na blad, dan legden de menschen +zich achterover in de stoelen en spraken naar elkaâr, wankele +woorden in het buiten windezingen van de zee. En boven +met rug en ellebogen stevig vastgedrukt in de staaf der +verschansing en de voeten schrijlings gekant op het plankier +van den boeg, had hij heel lang voor zich uitgestaard in +het oneindige zwart.</p> + +<p>Warrend stond het nu op den warrenden vloer van de +waterkolken. Lang was er nog lichting geweest in de +westelijke lucht, glimmering van dag die niet weg wil gaan, +en roode vlammetjes had hij dolen gezien langs Tangers +weggeslorpt strand, menschjes die den weg met lantarens +zoeken door het lage leven.</p> + +<p>Zwaar steunde de machine en bonkte de wentelende +schroef; met donkere krachtgeluiden in zijn harden buik +stampte de Atlantic vooruit.</p> + +<p>.... Alzoo ging het nu terug; zoo stond het een andermaal +te beginnen het moeielijk-geweten leven daarginds, van voren +af aan, nu, nu, nu; gelijk de trage stappen van een geharnast +man bonsde het aldoor terugkomend in zijn hoofd waar geen +andere gedachten bleven, nu, nu, nu; dat klonk als de waakzame +roep van een wachter in den nacht.</p> + +<p>Gulzig klokte het lage zwart om het snellende schip. +Kookte niet overal de wijd-duistere zee van slokkende, vratige +dreigementen? Stond hij daar nu niet midden op den nacht, +voelend de sluipkou van den nacht, den nacht in de haren +rillend; stond hij daar niet als een vat vol gloênde gisting; +ging hij niet strekken nu de spierbanden onbewegelijk, om +het vat te dijgen, om bijeen te houden het lijf, bewarend het +eigene aan hem, dat daar leefde in hem?</p> + +<p>Waar ging het heen, waar ging het henen door den +angsten-nacht? Was het niet beter het broze vat te vernietigen, +nu, nu, nu, en de verlangens der ziel als de geuren van een +balsem te vervluchtigen in den nacht van het niet meer zijn....</p> + +<p>Daar was de rood-gekooide vlam van een lantaren wiegend +in de takelage en spinnewebde licht over touwen en sprieten, +gebluscht al door den aanhijgenden rook uit het brok-zwart +van den schoorsteen als uit een strot. En het was Johan +weêr of hij met het schip in het duister hing. Dan andermaal +uit het rechtsche Westen boorde Kaap Espartels toren zijn +vuur in de nachtelijke woestenij: een loensche straal uit een +groot groen oog spookte over de leêge zee. Maar de wachter +daar.... Braun's hand.... keerde de mechanieken en de toren +spoot zijn cyclopig licht nu rood in het ijle. Rinkinkelend ging +er een brallend lach-licht de wateren over, de golven verschenen +tot onder de kiel, vochten in het lage, dol en kwaadaardig +aan 't vernietigen van elkaâr, tuimelden zij met de +roode vlamkoppen in de zwartnatte dalen. Duister geheel en +al was het schip komen te staan voor den rooden nacht; +een gehoornd monster, triomfantelijk en architecturaal, dat +snuivend in zijn vaart, de booten buitenboords aan de kromhouten +hangend, langs de flanken meêdroeg als buit van +gevangen haaien.... Wat dreef daar op de zee, was het niet +een hoog-neuzig aangezicht liggend op het nat, bleek in de +woeling spoelend met blauw-open oogen....</p> + +<p>Door den smook als neêrduizelend van uit den gansch +onzichtbren hemel, plonsde de Atlantic gelijk een zwaar +zwembeest vooruit, weêrbaar knarsend, scharmaaiend van +ijzer, delvend zijn gang door den nacht.</p> + +<p>.... Wat zou het geven, wat zou er komen voor hem uit +al dat duister; een verdoemenis was de nacht, glanzend +afgrondelijk, slaand' tegen slaande beneden.... Waarom was +die rookvlag in het want almaar.... waarom troostte niet +wat licht hier in de zwarte zwaarte der ziel....</p> + +<p>.... O.... de ontzetting beginnend, nu, nu, nu.... hoog.... +laag.... buiten, binnen, hier en van daarginds.... Hoor.... +het water het zwarte, het huilt.... de diepte klokt, voel den +regen wimperen.... het zijn al tranen.... gevangen zijn ze +in den heeten mond.... val water in buien uit, zie ik wil ze +drinken uit mijn geholde handen....</p> + +<p>Wat te bestaan, waar was wat licht.... o, de barre angst +voor het leven voorgevoeld, van altijd allen tegen éen....</p> + +<p>.... Daar was de ontbering die het begeeren lam slaat en +uitmergelt de verlangens; daar was de ellende die het lijf +verminkt.... daar kwam ze de verschrikkelijke Honger in den +Nacht.... Daar stond zij de gerimpelde, de dorre van ouderdom, +de furie met de droge tepels en naakt.... Oogen stekelen in het +kopkarkas en haar mond is zinloos tragisch in den boog +der lippen. Nu neemt ze de floers-vlerken op, buigend naar +de slippen, dat haar er 't vel van kraakt. En zij spant ze +meêwarig tot een huif om haar hooge dorheid, lacht, ja +lacht, belooft den dood en vervliegt in 't zwart.</p> + +<p>Waarom bleef die jammerlijke glinstering van oogen daar +op het water?.... was er dan geen dag meer, wachter, waar +is het licht, waarom braakt de toren geen vlammen hier in +het ziedende zwart? Het kookt en het borrelt maar voort, +en er is geen vuur; de haren worden klam als van een verdronkene, +de oogen zijn kil en de handen klam, het danst +onder de voeten, het is een golf in den steunloozen nacht.... +Wachter, keer de mechanieken.... toren.. uw lach....</p> + +<p>En 't was als een vonk uit een vergeten waakvuur dat +de storm weêr aanblaast, als een ster die wakker staat en +uitspat in het ruim; dan als een brand staâg in den nacht +gestoken, de bliksemblik, het siderale licht van het groene +torenoog. Helsch in de duisternis ging het den chaos doorvorschen. +Maar slagbui van regen tusschen bergen blinkend, +bevlaagd door zon uit een donderwolkscheur, zoo bundelde +het schijnsel nu neêr, gleed van onder het half-toegegane +oog de laaiende blik aan over het akelige water.</p> + +<p>Verschenen was de zee: een nachtvlakte vol oorlog onder +een kille maan; een platgebrand land zwart nog van laag +tumult. Stoeten van kruipers op knieën met glibberenden rug, +hobbelden alle de ellendige golven, schuimend, nekkend elkaâr, +in den wedloop stortend, grijpend, willend vernietigen, weêr +overstortend.</p> + +<p>Heftig had Johan zich losgezet van de wering en hij stond +in den schrikschijn van het groene licht, dat onder de brug +door, sproeiend stekelige slagschaduwen over het planken +dek was komen schraaien, spinnend er de naden van onder +zijn voeten als lijnen van telegrafen. En hij zag een lange +slang met fosforkringels op haar huid, een touw, kruipen +langs de verschansing, omrollen dan een bout, worgend om +een hals....</p> + +<p>Onder het rood geworden torenoog was d'Oceaan gaan +bloeden. Plots donker geronnen drongen de stommelende +golven de barsche boot rondom, die, burcht van toornig +agaat dat op kanten en facetten rinkelt, het booze gefonkel +hief in mast en want, en van katrollen het vurig gekogel, +en op rondassen en oorlogstuig. 't Schip stond in 't rooie +gegloor, waggelde, doch opstootend zijn gestookten stoomadem, +dreunde het neêr, plompend ging zijn macht voort door de +moordzee die van verslagenen dreef.</p> + +<p>Rond in de gruwelijk incarnate zee zwommen de wringenden +uit den baaierd los, tot sombere slagorden van baren, +baren bergend baren, baren die baren baarden, slag-armend +en met vlammende spiralen voor den buik, naderden zij daar +waar de klaarheid wijlde van het felle toren-turen. Wentelend +rood, woelend bloed; zij delgden zich borsten over ruggen, +schuimmuilen vielen er in plassend bloed; zij drupten den +schijn van ooglichtingen vol, valsch in de kringsels en de +stroomsels van de draaiende haren. Dan schoven er de roode +dooden gestoken en bobbelden en wentelden en wielden.</p> + +<p>De blik week.... de lichtschoof kromp op, maar bleef, +zwalkende vloek, boven de waterwereld branden, die keerend +zijn afgronden voortdurendlijk om, barbaarsch en laag praalde +verzadigd met het oude rood. Het oog kneep dicht.... en +onder den stuipenden toren verbloedde de Oceaan....</p> + +<p>Alom wolkte de nacht, kolkte de barnende nacht. En 't +was Johan of de ooren hem groeiden tot maatlooze zwarte +plantbladen naast het hoofd in 't natte vlagge-waaien van +den wind. De verten rondde het gerommel van krijg en +kwaad weêr, de diepte bruiste, zwolg grollen op en grimassen +van geluid. Uit het wellen, uit het lekken borrelden klokken, +monden die vol water gaan, 't verstikkend overgeven; klakken +van handen knalden, het water slaande, het water dat toch +niet houdt, om te zoeken den vlottenden stroohalm in 't +vliedende water. Verbolgen loeien, het hoog-òp verzet; het +vloeien, het lijdzaam gaan liggen in de doodenzee.... De +kolk stond overeind, wervelend bewoog zwart in zwart, bepreveld, +belipt, beknerst, begrijnsd, bewrongen, bekronkeld +en beklaagd en beschreid. Werd daar de zee niet glinsterig +nu, bezwermd met millioenen confuse insekten, zwoegde er +de boot niet door, met onder aan den boeg almaar den +gefloersden slag van een doodstrom?</p> + +<p>Van zijn plek gejaagd was Johan gaan klimmen tegen de +loopvaart in van het schip als tegen een zwarten berg. Daar +in het midden wou hij zijn, daar danste de vloer niet, daar +ging het niet òp, daar ging het niet neêr.</p> + +<p>'t Grafzwart druischte overal; langs den draad der verschansing +gleed de arme hand. Nachtdingen roerden in den +poel, scheerden er uit los en voorbij het gesperd-zijn van +de oogen in adem-wasem. Nu, nu, nu, sloeg het heete hart; +zoo onophoudelijk alleen, om het tegen te willen gaan, om +het te willen uitrukken en te werpen hier in het aangaan +van de golven....</p> + +<p>Uit het dreunende binnen van de boot droomden stemmen +los, huiverig genot-koud, heel-even gelach. De wind zoog +in het trapgat, met den voet had hij koortsig de deur +naar den kuil gezocht; in lange weeningen verzong zich +nog de zee, toen hij ze al voor zich had de roode menschen-schijnsels....</p> + +<p>Een hoofd in een hand gloeide op van-achter de tafel +met de periodieken; vingers, werktuigelijke dingen, aaiden, +werend iets onteziens als spinraggen boven de oogen weg.</p> + +<p>Luisterend hoogde het hoofd.... de zee zong.... De hand +met de flonkerstip van een juweel begon de snorharen te +streelen, als om er goud uit te spinnen. Want met bevlamden +strot lag een tweede gezicht aandachtig te praten naar den +zolder, onbekende taal in pluizen van rook.... de zee zong....</p> + +<p>Het eerste hoofd met het haar in schaduw, zonder de +hand, als een klomp oud goud, verrimpelde in stil lachen, +een oogenblik, want strak-verdwaasd zakte het in 't week-donkere +van de schouders en tuurde onder de lampen door +naar Johan in de deur gebleven.</p> + +<p>.... Twee blauwe ster-oogen brandden er geheimvol.... +toen.... maar al joeg Johan zich langs de trap weêr naar +boven, hebbend dien weenenden blik al zoo lang gekend en +nu zien sterven.</p> + +<hr class="pct45" /> + +<hr class="pct45" /> + +<p>Nu klaagden zware waaiingen om het schip, de toren +sliep weg in het duister; nu gaan de sentimenten over de +wereld weg....</p> + +<p>.... Nog draagt de zee wel den wind van 't verlangen....</p> + +<p>.... Zie, zie, 't is alles een wonderspel; de koninklijke +deernis gaat in lang watergewaad.... mannen en vrouwen.... +zuiver onder de gouden passiën, roemzingen zacht om wat +is gestorven.... kinderen nog.... dragend den sleep henen +over het delireeren van de zee....</p> + +<hr class="pct45" /> + +<p>De wind waait in 't niet.... vult de wereld met gedroom....</p> + +<p>Water verruischt naar alle randen....</p> + +<p>De Atlantic zwaar zwemmend plompt met roodwankend +toplicht vast voort door diepen droom.</p> + +<p>En Johan staat nog op den boeg te droomen in dien +droom....</p> + + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="Voetnoten" id="Voetnoten">Voetnoten</a></h2> + +<p><a name="Voetnoot-1" id="Voetnoot-1">[1] Logement.</a></p> + + + + +<hr class="pct65" /> +<h2><a name="Transcribers_notes" id="Transcribers_notes"></a>Transcriber's notes</h2> + +<ul> + +<li>Some minor punctuation errors and typos have been corrected silently.</li> +<li>This work has appeared substantially differently in other editions. + We show the text and spelling found in one version, which may not be standard.</li> +<li>Changed "fantaisiehoed" to "fantasiehoed" in <i>zijn hoofd onder den + fantaisiehoed.</i></li> +<li>Changed the accent grave on the last 'o' in <i>'t hoofd óp, licht; schouders òp,</i> to an accent acute.</li> +<li>Nested quotes were changed to the form "... '...' ...", with single quotes as the inner quotes.</li> +<li>Changed "Silvory" to "Sivory" in <i>midden in de steeg Silvory's kroeg uitwalmde</i>.</li> +<li>Changed "moeilijk" to "moeielijk" in <i>moeielijk-geweten leven daarginds</i>.</li> +</ul> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Gekken, by Jac. Van Looy + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEKKEN *** + +***** This file should be named 27994-h.htm or 27994-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/7/9/9/27994/ + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/27994-h/images/illustration.png b/27994-h/images/illustration.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e7d9c39 --- /dev/null +++ b/27994-h/images/illustration.png |
