diff options
Diffstat (limited to '27994-8.txt')
| -rw-r--r-- | 27994-8.txt | 5951 |
1 files changed, 5951 insertions, 0 deletions
diff --git a/27994-8.txt b/27994-8.txt new file mode 100644 index 0000000..e5b30e9 --- /dev/null +++ b/27994-8.txt @@ -0,0 +1,5951 @@ +The Project Gutenberg EBook of Gekken, by Jac. Van Looy + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Gekken + +Author: Jac. Van Looy + +Release Date: February 4, 2009 [EBook #27994] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEKKEN *** + + + + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + + + + +G E K K E N + + + + +JAC. VAN LOOY + +G E K K E N + +TWEEDE DRUK + +AMSTERDAM / S. L. VAN LOOY / MCMXVI + + +Boek- en Kunstdrukkerij G. J. van Amerongen--Amersfoort + + + + +EERSTE GEDEELTE + + + + +I. + + +Johan had zijn tasch met teekengerij over den schouder gehangen, zijn +stoeltje tusschen de riemen geschoven en zoo ging hij door de poortgang +uit van het Hôtel-Central, waar hij logeerde. 't Was later geworden dan +hij had gedacht, hij had eerst goed willen ontbijten,--dan was 't niet +noodig geweest, had hij met zich zelven geredeneerd, aan zijn maag te +denken vóór 't klokje van half zeven, het uur van de table d'hôte.--Toen +was Sarah de meid hem een brief komen brengen, gisteren had hij zijn +adres opgegeven bij de Engelsche post.... pour mesjeu.... had ze +gelispeld uit haar mond met gebroken tanden; van onder den gelen +foulard, dien ze als een muts om haar oud voorhoofd hield gespannen en +die om haar nek afhing, had haar verlept moedergezicht eventjes +vriendelijk gelachen, of 't haar schelen kon, dat ze wat aangenaams te +geven had gehad. En hij was gaan zitten lezen, onderwijl etend en van +zijn chocolade drinkend, middenin voor de tafel, die al heelemaal klaar +was voor het tweede ontbijt, met wachtende couverten, met voor elk +couvert een wachtenden stoel. + +Rustigjes was hij nog wat blijven zitten, alleen in het eetzaaltje, dat +zoo aardig in de binnenplaats tusschen de vier wanden was gemaakt, nu +ja, matten, aangehecht tegen de kolommen welke den bovenbouw droegen. +Dat scheen elk oogenblik te kunnen worden opgebroken, je zat er zoo +echt op reis.... Zware kapiteelen, zeegroen geverfd en primitief-Moorsch +van vorm als in de mooie moskee van Cordoba, stolpten plomp boven de +gevlochten wanden uit. Dan was de tafel zoo aangenaam helder met zijn +blank laken à l'anglaise gedekt, groene planten prijkten bij gebrek aan +bloemen, 't was winter, tusschen de glinsterende tafelstellen en de +flikkerende karaffen, waarin het water gelend schommelde, zoodra hij +zijn armen maar even verlei. Als verdwaald leek heel die nieuwerwetsche +disch wel in het oude Moorsche huis. Achter hem in een hoek was, éénig +sieraad van het zaaltje, een groote koperen schotel, Moorsch maaksel, +vol metaalglimmers op het buitensporig ornament, te pronk gezet op een +ruw houten sokkel, die met roode en groene lint-arabesken op een +oker-gelen grond en met dwaze draak-figuren onhandig was beklad. Voor +zijn oogen een deurtje in de mat gemaakt. En boven zijn hoofd als het +doorhangend dak van een ambulante tent was 't zeil over de ruimte van +het patio gespannen, vastgesjord aan ringen in de architraaf, dat 't +zaaltje bedonkerde, maar tusschen de spanbochten der touwen door, nog +naar den lichten hemel kijken liet. + +Ongestoord had hij kunnen lezen wat een goede vriend, een jong schilder +als hij zelf, hem schreef. In langen tijd had hij niet zoo'n prettige +boodschap van huis gekregen, van uit het Noord. De brief verhaalde van +sneeuw en ijs.... koud.... over schaatsenrijden op een +buitenplaatsvijver.... van een bekend wit huis, nu kil en stil tusschen +zijn zwarte, verkleumde boomen.... en van een hei vol sneeuw.... wijd +wit. En daardoor klaagden zachte herinneringen aan vroeger samenzijn, en +woorden waren er warm als rood bloed, zonnige verzekering van weêr +oplevende vriendschap, want 't was een brief van vertrouwen, na veel +lang over en weêr gekijf. Niemand was gekomen; boven zijn hoofd, op het +eerste bordes rommelde de meid die de kamers daar deed; overigens was +het stil. De Engelschen, die in huis logeerden, kooplui met koude +zakenoogen, waren zeker allen al aan het handelen in hun kantoortjes of +magazijnen, in de hooge of in de lage stad; zij kwamen niet lunchen dan +na den middag. En tevreden, omdat dat vervelende geval met zijn vriend +eindelijk uit was, in zijn gedachten al een hartelijk antwoord aan het +schrijven, was hij opgestaan, had zijn gereedschap van boven gehaald, +maar zoo was 't later geworden dan hij wel gewild had. + +Johan was nu reeds twee jaar pensionnaire, gesubsidiëerde door het +gouvernement en al dien tijd aan het reizen. Zoo goed hij kon had hij +voldaan aan al zijn verplichtingen en ook de zending van geëischte +studies was voor het tweede studiejaar op tijd gebeurd. Wanneer daar in +Amsterdam de vorderingen voldoende werden bevonden, dan was het jaargeld +voor vier jaar lang toegezegd. + +In een tijd van gisting, toen om hem heen in zijn naaste omgeving een +jong gedachte-leven begon te bewegen, in een tijd van veel plannen en +gepraat, had Johan meêgedongen naar den zoogenaamden Prijs van Rome, +die, na jaren, van nieuws aan wéér was uitgeloofd door de inrichting, +waar hij zijn opleiding had genoten.... O, dat was een heele +historie.... daar was heel wat aan vast, alvoor een liefhebber werd +toegelaten tot zoo'n wedstrijd.... Daar was eerstens het weken lang zich +drillen als een recruut, die de handgrepen en de theorie goed kennen +moet vóór hij afgeëxerceerd kan worden, zich 't hoofd volstoppen met +moeielijkheden, wel zeker, bestemd om ze weêr te vergeten. Wat niet al? +En de examendagen zelve, die den prijskamp voorafgaan.... een warboel +van zenuwachtig- en de-kluts-glad-kwijt-zijn; en de eigen verbazing in +eens over je zelf hoe je zoo veel weet. En dan het wanhopen en de lust +om er-den-boel-bij-neêr-te-smijten.... zonder de aanporring van een +vriend, die maar altijd bleef zeggen: er is maar éen weg naar Rome en +reizen, en die is dien je gaat nu, was hij er nooit gekomen. Vervolgens +de tijd van hard werken en 't verlangen en de eerzucht van den jongen, +die eens flink wil laten zien wat hij alleen wel kan. + +En daarna.... maar och, hij herinnerde zich dat geval niet graag.... +woedend was hij geworden om die officiëele onderscheiding, welke geen +onderscheiding geweest was. Verbeeld je.... Boos en beleedigd had hij +voor zoo'n lammiteit, als hij 't noemde, willen bedanken. Maar al de +kameraden hadden hem dwaas genoemd, hoe hij, die geen cent in de wereld +bezat, zou om zoo'n bagatel, om zoo iets, dat alle dagen gebeurde, en +dat wel bekeken nog eervoller op den koop toe was, zulk een dommen +streek doen.... wees wijzer. En toen was hij het ook dom gaan vinden, +blij dat ze het hem allemaal afrieden, belust als hij was op de mooie +reis, graag naar 't onbekende. Was 't geen buitenkansje?.... Had hij +zich dat vroeger ooit durven voorstellen; hij, die voor zes jaar nog op +klompen liep, zou nu naar Italië worden gestuurd, gestuurd door de +Regeering, zooals zijn familie zoo graag zei. + +En zijn weggaan was dan ook prachtig geweest, al de kameraden hadden hem +uitgeleid: hij was 't station ingestapt, opgewonden van geluk, zijn +nieuwe reisdeken als een mantel omgeslagen, in schooljongensovermoed de +roode binnenvoering naar buiten. Hij herinnerde zich nog alles heel +precies: 't soort dag, het vroege uur, het reisbiljet naar Rome, voor +tien dagen geldig, de bagageverzorging, zijn angst dat alles in de war +loopen zou, de plagerijen, de profetieën dat hij op een ongeluksdag op +reis ging. En er was geen einde gekomen aan 't handen-geven, de trein +ging al, toen hij nog een hand in zijn hand warm voelde. En wat een +vragen van gauw en veel schrijven, wat een beloften dat hij veel brieven +terug ontvangen zou. Zoo was hij gegaan op een Februari-Vrijdag 't land +uit, de ooren nog vol vriendenwoorden, meênemend de beelden van vrienden +aan wie zooveel van zijn leven vastzat. + +Maar o, van die vrienden, ze hadden zijn mooi leven die twee jaar lang +verpest met hun brieven. Eerst waren ze opgehouden te komen; dat was wel +begrijpelijk geweest, ieder had het natuurlijk druk, 't broeide al zoo, +toen hij wegging. Hij zelve had ook de handen vol; 't was niet +gemakkelijk zoo in eens op zich zelven te moeten rekenen, zoo in eens te +worden gezet heelenal voor eigen kunnen. 't Ging in den eersten tijd +goed, mooie dingen zien, af en toe een vriendelijken brief, zoo was men +ten minste niet alleen in de wereld. Maar 't duurde niet lang, toen was +er in eens, na lang zwijgen, een brief gekomen, een brief als een plank, +maar geen hartelijkheid meer, en geen van zelven gaan; gepraat van +ouwelijke jeugd en wijs geredeneer.... wat.... die brief rook +vijandig.... wat was er toch gebeurd?.... een tijdje later wist hij het; +wat vroeger bepraat was geworden op kamers of in cafés, dat werd nu +openbaar gemeend, er werd gevochten.... dat had mooie brieven gegeven, +brieven die als oorlog waren, lustig van den krijg, en wreed als strijd +is, brieven, waarin zinnen die als klaroenen klonken; maar daar waren +ook andere, bazige brieven, met veel langdradig geleuter over anderen, +en weinig mooi vertel van eigen doen.... Hij voelde het wel.... al stond +het niet in de regels.... hij was gezet door de vrienden aan den kant +van den vijand, zoo in eens maar.... jawel, maar bliksem, dat was toch +larie.... och, wat hadden al die meeningen hem een last gegeven.... hij, +die daar in dat vreemde en liefelijke land maar niets thuis was, en er +toch geen oogen en vingers genoeg had, die alles wel had willen +vasthouden in dat land zonder nevel, waar de eeuwige zon hem zoo begon +te plagen en ziek maakte, tot hij er als een sjouwerman werkte, +planloos, bang in klein-burgerlijk plichtbesef van te kort te komen, van +niet genoeg te zullen kunnen laten zien van al wat hij gezien had.... En +hoe was hij dikwijls met het beeld van een vriend op reis en aan 't werk +geweest, dàt zal ik voor die maken en dàt voor die.... Werken, werken; +ontevreden zoekend naar rust; hij domkop die hij was geweest toen, was +maar door blijven hunkeren naar die vriendenbrieven, waarvan hij, vóór +hij ze las, al wist dat hij er wrevelig over worden zou, wanneer er zijn +onrust sarrend in werd beklaagd, wanneer hij voor de zooveelste maal +hooren moest, hoe zij allen thuis al wisten wat ze wilden, hij die toch +ook wel wilde veel, al wist ie niet wat. Hij was Italië doorgegaan, +ongelukkig in redeloos gepruttel, overal naar toe waar zijn principalen +hem stuurden, doende naar hun gereglementeerde bepalingen. Hij had zich +vaak een officiëelen schooier gevoeld, reizend met een zwarten rok in +zijn koffer, maar die bekneld moet leven, vóór de hooge visite stil met +kastanjes dineert, alles op een koopje doende, gedwongen elken stuiver +om te keeren, driemaal, eer hij 'm uitgaf, om toe te komen in het dure +reizen. En zwak en hulpbehoevend meer dan ooit, geslagen door de +ontzaggelijke voorbeelden die hij bestudeeren moest en die hem nog meer +in de war stuurden door hun vèr afstaan, door hun hooge rust van +bewustzijn, zoo vloekend met zijn eigen eenzame en tastende +onbewustheid. En hij had zijn weifelende en woedende en grimmige ziel +vaak uitgezegd in menigen brief, hartstochtelijk en wild, over niets kon +hij spreken dan over zich zelven; en van heel dat vriendental was er +maar één geweest en altijd dezelfde, dien hij voelde dat hem zag daar in +de verte, en die met groot en medelijdend zien, vermeed te gaan wroeten +in de ellende van een vriendenziel. Hoe zou hij er hem altijd om lief +hebben. + +Het tweede jaar zou Spanje moeten worden bereisd. Maar in Genua was hij +toen plotseling ziek geworden, en door de vriendelijke bemoeiing van den +consul opgenomen in een hospitaal. Een gezegende rust van drie maanden +was er het gevolg van geweest. O, dat weêr beter worden in het +hoogliggend hospitaal van Genua. Hij moest dat dikwijls de mooiste +herinnering vinden, die hij van Italië had meêgedragen. Zijn ziekenkamer +keek uit in den tuin; dat wakker-liggen daar, na lang slapen, bij volle +kennis, de dagen door, lekker tusschen de heldere lakens. De kamer +kraakzindelijk, 't medicijnfleschje met altijd iets visiteachtigs er +naast, vlak bij 't bed op 't nachttafeltje, de wanden langs Engelsche +bijbelteksten, opgehangen achter glas, grooten druk, hij kon ze vanuit +zijn bed lezen. Maar dan het raam open, de jonge zon blond en licht en +veel vallend op 't balkon. En in den tuin het voorjaar met al veel +violetten, een geur van bosch en zee binnenluchtend door het raam. En +in zijn liggende leden een aangloeiing, iets van gisting als in nieuwen +wijn, een aanspoeien weêr van kracht en gezondheid; maar in zijn hoofd +nog een teêr suizen, een week nagevoel alsof hij veel vlugzout geroken +had, iets ijls of er veel damp in de hersens was. En een sterker proeven +en een nieuwer zien en een fijner hooren. O, die lange dagen in Genua's +hoog op de rotsen staand hospitaal. Dat dagen stil liggen kijken in de +zon, met de stille zorgen der direktrice altijd om zich, die altijd +verlangend dat hij slapen zou, op zachte voeten naar binnen kwam, en de +deur weêr uit, zwart en goedmoederlijk met haar kuisch-gekapt haar. Maar +ook dat toen verwenschte diëet, die strenge, Zwitsersche dokter, die +zijn tong kwam zien en dan altijd zei: "Sie haben gestern zu viel +gegessen." En later, toen hij de dagen al opzat, dat wakker worden soms +midden in den nacht, van zelven, zonder pijn of behoefte, dadelijk +helder in den nacht, de nacht hoog om het huis, zoo hoog in de lucht, en +zoo heerlijk stil en toch zoo raadselachtig vol met geluid zonder naam, +dat hem de gewaarwording gaf alsof hij 't blauw zag, 't onstoffelijke, +kleurlooze blauw der door sterrelicht ondoode aardschaduw. Daar kan men +stilliggend, lang over denken, en dan plots in zijn dichte oogen een +roode drang, en 't mooi opvlottende beeld van een begeerde vrouw. + +Heelemaal hersteld was hij de tweede reis begonnen, tuk op nieuwe +indrukken, begeerig naar nieuwe beroering. De dokter had hem den raad +gegeven zich beter in acht te nemen, zich niet meer zoo over stuur te +werken, en dat zou hij in geen geval doen. Neen zeker niet. Bovendien +was de beurs gevulder. Door de zorgen van een welmeenend beschermer had +een rijk verzamelaar tot aanmoediging veel van zijn studies gekocht, al +dat gewurm van verleden jaar was uit de voeten; hij zou 't nu bedaarder +aanleggen en wat meer ook voor zijn plezier uit zijn. De behoefte naar +land en vrienden bestond bijna niet meer, een enkele maal schreef hij +aan zijn familie, om af en toe nog iets van huis te hooren. + +Maar onverwacht, hij was toen nog maar een maand in Madrid, op een +Aprilmorgen, daar was weêr een brief gekomen van zijn besten +studie-kameraad, een brief als een akte geschreven met een zware hand. +In ronde vriendenwoorden, kort en zakelijk, was die brief van meening, +dat hij een onvrij man was, dat dit aan zijn tentoongesteld werk was te +zien, dat het er veel van had, of hij zich verkocht voor een +bezoldiging, dat hij laf een goed leven leed, waar al zijn vroegere +kameraden krom lagen, ontbeerden voor hun ernstig +zich-zelve-willen-wezen. 't Speet den schrijver zoo, 't had hem zeer +gedaan, maar op de expositie had hij een kameraad hooren fluisteren tot +een ander, en toen meer die zeiën, dat zij zich in Johan hadden vergist, +dat hij met massa's werk den boel had willen overdonderen.... neen.... +hij mocht niet van zich laten zeggen, dat hij geen artist was, dat was +gezegd en er was reden voor geweest. + +Dat was als een slag op zijn hoofd gevallen, 't was hem een oogenblik +benauwd geweest in de keel en of zijn bloed niet voort wou. Toen was hij +met een vloek opgesprongen, de deur uit en de straat op. Hij had dien +dag door de straten van Madrid gehold, de natheid niet voelend, en den +ijskouden regen niet, met niets in zich dan stomme kwaadheid en in zijn +hoofd huilend verdriet. 't Is niet waar, 't is toch niet waar, griende +het in hem dien dreinigen dag. Dagen achtereen had hij in 't Museum +niet kunnen schilderen, vies van zijn besteld werk; daarna was hij er +weêr naar toe gezakt, als een hond in 't gareel, 't moest toch gedaan +worden. Maar lang daarna nog hadden die woorden hem bezeten, hij +herkauwde die bitterheden den geheelen dag onder 't werken door: zou 't +ook waar zijn, zou 't ook waar zijn? + +En de eene dag verging na den anderen. Twintig brieven was hij wel +begonnen op dien eenen brief; geslingerd als hij werd tusschen +zelftwijfel en beleedigden trots, schreef hij telkens wat anders; nu een +brief waarin hij kroop als een geslagen hond, excuses vindend, en dan +weêr een anderen met een hoog opgezetten toon; onvoldaan had hij ze alle +verscheurd, want langzamerhand vocht het zich van zelve uit, voor de +eerste maal misschien werd hij zich iets bewust van zelfvoeling. En in +dat gevoel slaagde het antwoord in eens, schreef hij even kort en +zakelijk, maar als een snauw, als een dadelijken beet van zich af: "ik +wil niet langer worden geplaagd, laat me met rust." + +Maar een woord was gezaaid en het groeide tot een heel ding in zijn jong +leven. Wat hij zich verleden jaar nooit precies had weten te zeggen, 't +werd hem nu volmaakt helder, zijn mooi reisbestaan was voor de tweede +maal bedorven. + +Hij was dat tweede jaar weêr net even ongelukkig, wetend en zich +bekennend: gij zijt laf, gij zijt laag, maar koppiger nog dan ooit, +volgend de voorschriften van zijn principalen, punctueel in alles wat +hem was voorgeschreven.... dat heele gedoe, hij was het te haten +begonnen. Hij had dagen van rondgeboemel, laksch voor de dingen om hem +heen, afkeerig als iemand die met bedorven maag walgt voor een lekker +maal. Doch lang hield hij dat niet uit, werkman als hij altijd geweest +was, begon hij op nieuw, maar met geweld zich verzettend tegen de +stortbuien van emoties en van de zich telkens nieuwe en opdringende +gezichten; om er een vast te houden maakte hij zich overal een thuis, +klampte hij zich vast aan eenmaal begonnen werk. Langzaam begon hij zoo +te zien wat zijn leven zou zetten; hier of ginder, dat zou overal op 't +zelfde neêrkomen. Soms midden in ploeterend gewerk kreeg hij als in den +weêrschijn van een opslaande vlam een bruut inzicht in zijn toekomstig +leven. Zijn altijd alleen zijn, het zich altijd aanwrijven tegen dingen, +die zoo hoog onverschillig naast hem waren, joeg hem meer en meer terug +in zich zelf, hij begon zich te betrappen dat hij als met een vriend +hardop met zich zelven sprak. + +.... Wat had hij vaak zitten soezen zoo in een klein landstadje, een +hoop verdwaalde huizen in een woestenij van zand, moê van den langen +zomerdag, met gesloten oogen, als de avond komend was met loome +schemering. Dan was de vlaktewind langs zijn hoofd en handen waaiend +gegaan, de straat inwalmend, zwoel als heete lucht weggewolkt van veel +vèr en groot vuur, zwaar van een opkomend onweêr maar niet te zien, +broeiend en somber als vooruitgeadem van een naderende katastrofe; +terwijl het treurde almaar binnen in hem, dat niemand, ook geen vriend, +ooit 't leed van een ziel proeven zal als die ziel zelve; terwijl het +duister snel viel, tot de slaap in den zwarten nacht zijn hoofd kwam +omhuiven, en hij als een moegeweend kind, beweldadigd tegen den muur +ingedruild was. Met een tik op den schouder was de waard hem komen +wekken, die vroeg sloot om het angstige weêr, en kreunend was hij +ontwaakt, nààr in den nacht en hij had wel gewenscht eeuwig zoo te +kunnen blijven rusten, en niet meer zoo te worden voortgejaagd. + +Maar de reis was verderop gegaan, zoo zijn route hem aanwees. Brieven +kwamen er bijna niet meer, zijn vrienden lieten hem met vrede. Eerst +maanden daarna ontving hij in Granada weêr een tijding van zijn oudsten +en besten kameraad, een brief, waarin hij plots het worstelen van een +hevig begeerend mensch zag, als hij zelve was. De brief klaagde ook over +misverstand en och, dat sprak van zelf, over weinig vriendschap. Dat had +een nieuwe correspondentie gegeven, en toen was het bij hem tot +klaarheid gekomen, dat hij voor zijn eigen rust aan dien tweeslachtigen +en schijnheiligen toestand een einde maken moest. Dàar, in een anderen +brief aan zijn principalen, beredeneerde hij, dat hij voor 't verder +genot der subsidie bedanken wilde. Wel bekroop hem de vrees, hoe dan zoo +in eens te leven, maar kom, dat zou wel gaan; nu of over twee jaar, men +bleef toch altijd staan voor het eenmaal moeten beginnen, en dan was het +verstandiger nu dan over twee jaar. Hij had wat geld, en eens weêr in +Holland zou hij er wat bij zien te doen.... lessen geven.... ook +misschien wel eens wat verkoopen, eindelijk was die zaak dus uit de +wereld. Dit alles had hij aan zijn vriend geschreven, ook dat hij toch +zoo dichtbij, nog even naar Afrika's noordkust wenschte over te steken +en het antwoord op dien brief was hem van morgen door Sarah de meid +gebracht. + +'t Was de vierde dag dat Johan in Tanger was en hij geloofde wel nu den +weg alleen te zullen kunnen vinden, zonder den gids Mohammed Ben +Jachjemed. Prettig eindelijk alleen uit te gaan. Men zag met zoo'n +jongen eigenlijk niets. De moskee nu ja, ook maar van buiten, en de +gevangenis; een Arabisch café van binnen, een tentoonstellingsding +klaargemaakt voor de toeristen, en een bazar voor de toeristen met +goedkoope nagemaakte mooiigheden voor de toeristen, alles wat een +reiziger zien moet of hij wil of niet. Nu zou hij alleen slenteren +kunnen, stilstaan als hij er lust in had, zonder zoo'n uitlegger naast +zich te hebben, zonder dat kitteloorigmakende klep-klep van diens +muiltjes almaar naast zich te hooren, medegenomen te worden door dien +slimmen Arabier, die altijd wou rooken en dronk voor drie. Hij wou nu +maar op goed geluk gaan dwalen, in dat warnest van smerige buurtjes, +door dat doolhof van steegjes, met trapjes stijgend naar steegjes en +paadjes en slopjes zonder naam. 't Was gisteren een vuile boel geweest, +het had den geheelen dag geregend; nu was 't droog en mooi weêr. Van +morgen bij het opstaan had hij uit het raam van zijn slaapkamertje de +buien nog gezien, vèr, wolken met vage koppen nog, boven het rose, +licht-lila en 't blond schaduwblauw der heuvels om de baai, vèr weg +uitgespreid, als een rook uitpluimend naar de Spaansche kusten henen, +naar Gibraltar, en naar Tarifa, dat nog laag en onzichtbaar als in een +mist gevangen lag. Maar naar boven was de hemel nu weêr klaar, blauw +toch achter het wittige waas der hoogvlottende dampen; alom en overal +vervloeide het bleekgouden ochtendlicht er onder en door het ruim vol +vochten, als een noorsche voorjaarszon alles doordringend, zeeg 't breed +neêr. En 't had de baai doen parelen, zilverig schuimspatte en spikkelde +het licht op 't kalme golfgekabbel, op 't blauwe, ebbende water der +Middellandsche Zee. + +Alles beloofde een mooien dag. + +Het steegje, toen hij 't hôtel uitging, lag voor hem als de moddergrond +van een sloot. Hij moest, wilde hij niet door den grooten plas voor den +ingang waden, langs de muurkanten strompelen, houvast zoeken aan den +muur, of zijn voeten probeeren te zetten op de stukken puin, die in de +sopperige brij als droge eilandjes waren. Zijn tasch hinderde hem +geweldig. 't Ding was toch al vervelend genoeg.... zoo'n heelen dag dat +gebengel tegen je beenen.... en dat omslachtige reisboek kon hij den dag +door voelen. Kom, met den ballast weêr naar boven, al genoeg gewerkt.... +maar je kon toch nooit weten.... Beter meê verlegen dan om verlegen. + +Besluiteloos bleef Johan staan, een eindje ver al het straatje in, op +een hoop droog, grauw puin, waar middenin een paar witgeworden +steigerpalen als stammen uit opschoten.... Daar werd een huis +gemaakt.... nette lui, die Mooren.... 't was goed om je beenen hier te +breken.... Zal 'k 't doen, zal 'k 't niet doen.... dat de fataliteit +beslisse.... we zijn nu toch eenmaal in Marokko. + +Om zich zelven lachend in het stille straatje, haalde Johan een +muntstukje uit zijn zak.... kruis niet, munt wel.... en kantelend vloog +de cent langs de palen op, het streepje zonhemel boven de steeg te +gemoet.... Kijk.... daar boven den muur daar staat je waarachtig de +metselaar; de slimmerd buigt over de straatgeul, nu 't koper +klankspringend valt op 't puin. Wat een mijnheer. Hij staat daar met +zijn troffel in zijn hand, als iemand die op visite is, propertjes in +zijn burnous, met een rood zijden tulband om zijn kalen knikker.... een +mooi lapje.... wijnrood met gele strepen, oud goudgeel.... Eerst dien +cent zoeken.... dáar.... hij ligt op zijn kant.... neen.... eerlijk +zijn, munt ligt boven.... vooruit dus, 't noodlot heeft gesproken, er is +maar éen god en Mohammed is zijn profeet.... + +Lacherig nog stapte Johan door, het straatje af, in eens gedwongen +schoor te loopen tegen den afzakkenden weg, de hakken telkens geplant in +de modder, schrap met den rug achteruit, want almaar daalde de +straatgeul tusschen de smerige, vensterlooze muren door. Tusschen steile +wanden, die benauwd dichtbij waren, ging hij, tusschen +gevangenisachtige, leêgstaande stijgingen. Een heel enkele maal puilde +er een uitbouw uit den muur, geschraagd op schuine ijzers in den steen +gestut, of hij ging een klein diefachtig deurtje voorbij dat stomdicht +was. Van uit de verte, als 't gegons in een zeehoorn, een gedruisch als +van een brekenden zeevloed of uitgeluiding van menigteleven. Overigens +was 't straatje doodstil in den looden, on-dagachtigen schemer, die zijn +oogenkijken telkens naar boven joeg, naar 't schijnen van den +vriendelijken daghemel. Het getroffel van den metselaar hoorde hij hoog +achter zich, metaal-lachen uit de lucht vallend. Zooals de geul, die het +regenwater in het zand sappelt, met kronkels en onverwachte +ellebooghoeken daalt naar een plas, zoo daalde het naamlooze straatje +naar het kleine Zocco toe. Wat verder weêr ging hij een steegje +langs.... daalde het naar de haven? Veel licht scheen achter in.... 't +ging hem voorbij als een poortje naar 't licht. Bij een onverwachten +ellebooghoek was de muur links in eens open, een groot portiek kwam en +een inzicht in een ruim gepleisterd portaal, koelig onder het gewelf. +Laag op steenen banken hurkten er een paar Mooren, de beenen gekruist +onder zich gehaald, de handen in de witte schootplooien, roerloos als +pagoden zittend. Zij rookten uit pijpjes van roode leem, vaasjes, waar +kostbre specerij in verbrand schijnt te worden, en keken heet-droomerig +den voorbijganger na, tot ze weêr doken in hun gewichtig zwijgen. Johan +herinnerde zich onder 't loopen, hoe Jachjemed gisteren gezegd had, dat +daar een ambassade was, de Engelsche, indien hij goed verstaan had. Maar +het straatje begon snel te dalen. Het marktrumoer steeg gelijk wasem in +de tuit van een ketel de monding der straatgeul in. Daar zette het lijf +aan van een mageren kerel in een blauwige jas, zijn kop met roode fez +boorde de steeg in. Voorover, als een man, die tegen wind opgaat, klom +hij met heftige buigingen in de knieën. Hij kwam hooger, slijkspatten +waren verdroogd tegen den beenigen kant van zijn schenen, zijn +schilferige voeten trapten paarschig en ruig in muilen van okergeel +leêr; die hadden toonstukken als de kop van een stompen visch. Hij +sjokte aan door de dras van het glibberige paadje en week voor den ander +uit als voor een onreine. Met een paar sprongen was Johan toen het +steegje uit, neêrgevallen in de volle zon van het kleine Zocco. + +En zooals voor iemand, die uit een stille kamer na lang thuis zitten, +plots komt te midden van een straat waar het karnaval is, zoo was het +voor zijn grage oogen dadelijk feest van bewegend en van kleurig leven. + +Tusschen de huizen-ophooping, kubieke blokken zon met schriel hier en +daar een zwart gat, als een wantrouwend oog in de +van-buiten-nietszeggende oostersche woning; tusschen vensterlooze witte +muurvlakken--er was maar een enkele muur met vensters achter groene +jalouzieën dicht--onder een breed-wit opgestapel van bordessen, als +hoopen doozen op elkaâr gekanteld, als groote dompers over veel leven +gezet, krioelde laag in een moeras van modder en afval, een bont, +veelrassig volk in druk-dagelijksch marktbedrijf. Tusschen opstellinkjes +van hout en zeildoek, opgezet tegen beroeste en glibberig bemoste +muurwanden; tusschen ambulante winkeltjes waarin getulbande kooplui +schemerden achter hun rare waar; in een gekaleidoskoop van veel lappen +en toevalligheên, schoven, draafden en klutsten door een gespat van +drek, ruwe donkere kerels, kaalkoppig volk en verweerde jongens. Als +mieren, op den tast af, zochten ze hun weg door de volte. En ze +schreeuwden en kreten luid uit, tegen elkaâr op, alsof ze woedend waren; +maar joegen de pakezels door 't gedrang, aanscheldend malkander in hun +keeltaal en met stokken dreigend onder het loopen door; maar +voortslovend pakken op rug of kop; maar ranselend hun ruige beestjes.... +hui.... hu. i.... hu. i, zonder stilstaan, rusteloos, rusteloos. + +De twee ochtenden dat Johan het kleine Zocco met den gids was +overgeloopen, had hij het niet zoo rumoerig nog gezien. Nu kreeg hij +stompen en duwen overal tegelijk; en toen hij, lacherig en uitermate in +zijn schik om die onverwachte kleurdrukte in de mooie zon, stil was +blijven staan in een leêg plekje, en zag hoe de drukte aankwam, 't +gescharrel samenkluwde en een oogenblik opstopte, alsof er een ruzie was +in den hoek van het lange straatplein, daar onder den hoefijzerboog van +een poort, ingang naar een straat; en zag hoe boven gindsche huisblokken +uit, de minaret der moskee frisch-zeewatergroen, nat-glimmerig alsof hij +pas beregend was, opstak in de zonlucht, werd hij ruw opzij geplompt en +stoven er ruwe woorden van kwaadgestoorde drukte zijn ooren in. Voor +zich uit keek hij in den woedenden kop van een kerel, rugs-òm kijkend +naar hem toe, op den loggen kop van een half-naakten neger, die +voortsjokte achter een ezel met vaten aan weêrskanten van zijn bast; een +loopenden zwarten vent, die telkens omkeek, uitscheldend uit zijn +lippensnoet een bui van schorre geluiden, de gebalde vuist schuddend +voor zijn raaskallend schonkengezicht. Maar Johan lachte den glimmenden +vent om zijn boosheid wat uit, en ging verder. Hij wilde naar de kroeg +van Antonio Sivory, die verkocht toch van alles, die zou hem misschien +ook wel aan papier om op te krabbelen kunnen helpen;.... vervelend dat +hij om de goedkoopte zijn grooten koffer in Sevilla gelaten had.... 't +schetsboek in de tasch was zulk onaangenaam papier, zoo erg +jufferachtig.... dat kwam er van, van die beroerde vrees te veel geld te +zullen moeten uitgeven.... briefpapier zou Antonio wel hebben.... het +teekende heel mooi met een zacht stuk krijt;.... dat verhaal in dien +brief van Frits was goed.... god.... als ie me eens hier kon zien +loopen.... hoe grappig. + +Johan liep of stond zonder 't besef te hebben van gaan of staan, levend +met zijn oogen alleen, soms met kleine, wakkermakende bewustwordinkjes +over den te nemen weg, soms een oogenblik verstrooid door invallende +gedachtetjes, aangeblazen als tochtjes, als scheutjes koude lucht om een +warm hoofd. Hij liep de kraampjes langs; daar pluisde de drukte uit, den +stiller gekleurden rand gelijk om een bont-tafreelig kleed. Tusschen +stilstaand volk ging hij troepjes van schunnige leêgloopers langs, die +in de zon schurkten onder hun vuile jassen, bruingroen en vet als oude +olijven; langs bijeenscholingen van stinkende parasietmenschen met +onverschillig strakke inboorlingengezichten, verdroogd en vlooirood in +de mantelkapschaduw.... Daar was 't straatje waar hij in moest.... ja, +'t was 't wel.... Een bejaarde Jood kwam er hem uit te gemoet, gaande +naar de stroomende drukte. Hij dribbelde hard aan, een beetje tuimelend +op zijn oude mannenbeenen, 't magere lijf krom en afgewerkt tusschen +zijn laag en leêg schommelende handen. Van den hals af tot boven de +enkels, waar de pijpen van een sintelkleurige pantalon dichtom knepen, +was hij in zijn smerige kaftan sluik en tranig en rood als wijnmoer; om +het middel gegordeld en voor het lijf was de jas dicht met een rij van +veel kleine knoopjes. Hij had een vaalzwart kalotje op 't gebukte hoofd, +'t grijs haar spritste er onder uit en piekte naar de uitgezakte +schouders.... een verschooierde bijbelsche Jood.... Hij strompelde +haastig aan zonder opkijken uit zijn droefgelijnde facie, waarin de lip +zorgvol hing, waar, langs den mageren uitstekenden neus, twee diepe +lijnen groeven naar de verscheefde mondspleet.... den driehoek dien de +smart donker snijdt in het gelaat der menschen.... En hij ging zijn +voorovervallenden gang, den blik naar den grond alsof hij daar wat +zocht, een haastige, zwervende gestalte.... Johan bleef den ouden man na +staan kijken, en toen kwansuis; want daar liepen tegen de zon een paar +vrouwen de drukte uit en 't reisboek leerde, dat het niet goed was van +een vreemdeling nieuwsgierigheid voor vrouwen te laten merken.... 't Was +je toch een vertooning.... leken het niet net spoken die twee +aanwandelende witte lappenpoppen.... hoopjes lijnwaad, vrouwenlichamen, +weggemoffeld in plooien.... Zouen ze mooi zijn?.... Ze gingen hem langs +en hij kon het teêre bewegen van een hand raden onder de gelaat-slip van +het weeke kleed. Zij sloten zich geheel, ook het streepje voor de +oogen, om heelemaal niet gezien te worden door een ongewijde. Log van +gang traden zij met de vleezige bloote enkelvoeten, sleepend door de +modder hare mooie muiltjes, gouddraad-geel met een roode hak onder het +neêrgeslofte hielstuk, terwijl het kleed stil en zwaar hun om de beenen +hing. Het tweetal ging het straatje in. Johan zag ze verdwijnen tusschen +hun stomme, alles verbergende huizen, zij zelve als dingen van even +onbegrijpelijk geheim. + +Het straatje, waar ook hij in moest, ging gelijkvloers uit een hoek van +het kleine Zocco; rechthoekig er meê was daar een ander straatje, +opschuivend weêr naar de hooge stad.... Zoo kwam je op de +fortificaties.... gisteren er geweest met den gids.... bij dat +monsterkanon van Krupp; een geschenk van Koningin Victoria aan haren +hoogen cousin den Sultan van Marocco; stapels kogels er bij.... het kon +de geheele straat van Gibraltar bestrijken.... Wat had die Ben Jachjemed +gelachen, toen hij vertelde dat geen een Moor wist hoe het te hanteeren, +veel minder nog het af te schieten. Hij zelve had 't vreemd aangezien, +dien zwarten reus daar zoo stevig staande, ijzerzwart, een massa somber +Noordsch intellekt, tusschen een rijk gegroei van veel aardige struiken, +rood en verweerd op den in puin vallenden rotswal. Kinderen met fezjes +op en zwarte staartjes midden op 't kruintje, in oranje en groene en in +bloemkleurige hemdjasjes speelden er onder den loop, die als een +omgevallen fabriekspijp in de beestachtig zware tappen hing.... Maar in +het eerste steegje en dan het tweede dwars en dan weêr even rechtuit, +daar was Antonio's kroeg. + +Onwillig om het zon-violet van het donkere slop te moeten ingaan, bleef +hij nog wat kijkend staan. Onder het muurvlak daar zaten een rist in +doeken en plooien verscholen vrouwen, hel met den witten wand in de +vlakke zon. Donker streepte het open voor de oogen, donker lag een kort +blauw schaduwtje achter hun breed zitten aan. Op doffe matten gehurkt +zaten zij, achter stapels van plat-rond en grof-grauw haverbrood, +verschanst achter hun eetwaar, veilig aan den rand der drukte. Die had +hij daar gisteren ook even onbewegelijk zien zitten, die zaten daar +misschien wel altijd, 't leken wel dooien in witte lijkwaden. + +Achter zijn ooren gromde het marktleven, vol en gedragen tusschen de +wijduitstaande huisblokken, en de bewegelijke kreten en schreeuwen +vlogen er als pijlen doorheen. + +Vóór hem hurkte een aangekomen vrouw bij de mat in het licht neêr.... +Sapperloot, die was niet mager, wat een breed bekken.... Over de brooden +heên begon ze met een koopvrouw een praatje, de beide vrouwen, stille +gestalte over gestalte, babbelden door den kier voor 't gezicht, naar +elkander. + +En een olieachtige kerel, duister bruin en blauw in de zon, kwam als +aanrollen uit het klimmende straatje en bukte nog in de loopvaart der +helling, nam een brood en ging er meê vort, terwijl hij achter zich het +geld onverschillig op de mat smeet. Even kwam toen een hand uit een +lappenvrouw, de hoofddoek week open, de kin dook bloot, versierd met +drie streepjes als van uitgebleekten inkt, als merkjes in een kerfstok. +Johan zag de vingers, waaraan de nagels tabakssapkleurig geverfd, +verdwijnen met het geld, muntjes geheimvol gestempeld, tusschen de +wollen gaping van het kleed. En het praten ging voort, lispelend met +neusachtig geneurie.... wonderlijk toch zoo'n gesloten leven.... + +Johan liep weêr door, de broodenverkoopsters langs, waarvan hij het +oogengegluur achter zijn weggaan voelde, hij zelve kijkend naar links en +naar rechts, als een speurhond met den neus in den wind. + +Hij keek over de markt in de druischende drukte. Het scheen hem dat er +onder die sjouwende en ploeterende beweging maar weinig menschen waren +uit het land zelve; veel geslaaf van zwarten, veel gehandel van +Hebreërs, veel mannen en jongens, geleek wel, uit Europa's Zuid; maar +allen onordelijk, inboorlingachtig, maar allen bekleurd met de dracht +van het land: het gemakkelijke Moorsche hemd, of jassen verflenst, +verwelkt en verscheiden als oude vruchten, of den eenzelfden goor-witten +mantel met kap, plattend op den rug tot een driehoek, bollend om den kop +met de punt omhoog; en door dat al, het schitteren der barbaarsche +sieraden, snellend door 't gekrioel als vonk-vliegende insekten: het +rinkelen van een hanger in een oorlel, het spiegelen van een glas-juweel +aan een rauwen knuist, armbanden, een raar snoer, een oud zij koord, +gestreept, getrest van kleurtjes, bindend de vrije kleêren om de rappe +leden, te pas gebracht overal. + +Terwijl hij drentelde, op zijn plek blijvend bijna, de vrouwen langs tot +aan de kraampjes en dan terug, keek hij soms onverwacht in het suffe +kijken der leêgloopers. Hij zag ze plotseling aan 't zinnen gaan, en +loeren met de hand vooruit om een aalmoes te bedelen. Maar, rein van uit +de smerige volte, waren het een paar deftige heeren die kwamen +aanschommelen: rijken van Tanger, luie vette lijven, breedbuikig, +uitgedijd, gewikkeld in flanel, mollig, smetteloos gewaad, waaronder +het purper bloosde. Hun hoofden waren bekoepeld met een grooten tulband, +wit en wijd om de slapen gewonden en om het roode middenstuk, een +samengesteld ding moeielijk om uit te pluizen. Ze gingen hun pauwengang, +haanachtig voortstappend hun gewichtig leven, stil met zwijgend +aangezicht, bleek, ongenaakbaar en bizonder, veel gewasschen en schoon +geschoren, ieder met een schralen knevel onder den neus, den baard kort +langs de lekker uitziende wangen, de eene zwart, maar de andere al +grijs, vrouwmannen. Ze gingen als plechtige lieden ieder met een slaaf +achter zich, die den inkoop droeg, schrijdend als gebieders tusschen +veel geknecht, den sleutel van 't huis in de hand. Ze wiegelden pralend +voort als komedianten doen kunnen, hun onverstoorbare wijsheid ging +tusschen de scrofuleuze schooiers door, die uitweken om hun aalmoezen te +rapen. Kleine kleuters schoten in eens tusschen uit de beenen der +mannen, ze kwamen de mantelmouw kussen van den bejaarden heer, ze +ontvingen zijn handlegging op hun geschoren hoofdjes. + +De volle markt krioelde voort. Instinktmatig als insekten-arbeid scheen +het werk wel te worden gedaan. En tusschen al dat drukbezige gingen +stijf de donkere lichamen van Europeërs, rechtop als opzichters tusschen +slaven; een Engelsche zaken-man die als een ledepop zijn strakken +eenzelfden gang liep, of een andere zinnende handelaar in zijn +kokerachtig konfectiekostuum; stukken donkere orde, bewuste, moderne +menschen in hun beknopte kleeding, tusschen al die uitbundigheid van het +kwistige en Orientalische gedoe. En 't was àl feest; waar Johan ook +keek, 't was overal een uiterlijkheid, om er zich nooit met de oogen zat +aan te kunnen drinken, onder een zon zoo welig en zoo goud, die al het +smerige verguldde en de melaatschheden, die hij met de oogen niet +ontwijken kon, meêschitteren deed, als de parelmoerglansen van +verrotting zwevend en kleurkringelend op bewogen water, onder dien éenen +breeden en grooten val van het koninklijke licht. + +Maar vlak voor het straatje naar Sivory's kroeg was Johan als met een +schok een andermaal blijven staan. Hij keek in de gapende steeg, die +naar boven zich voortschoof. Tusschen de opstijging der huizen +verdonkerde de geul naar achteren in 't blauw van haar eigen schaduw; +maar in de diepte was weêr een blok zon, een vierkant stuk licht. Ook +voor den ingang viel de zon, vol boven de Zoccoruimte, doch dadelijk +onderschept door het huisblok van den steeghoek waar Johan stond; een +zware maar al korte vlaag schaduw lag neêrgesmeten over het steenen pad +vol gleuven en vuilnis, met een grooten scheven rechthoek steeg het +donker daar tegen het bezonde muurstuk op. Daar, met zijn voeten in den +rouw der schaduw, maar met hoofd en bovenlijf tegen den ouden wand in +het bloeiende en blozende licht, beeldde als een statue, een jonge man +en die verschijning had hem zoo hevig in de oogen getroffen. + +De jonge Arabier stond op zijn eenen voet, met krommende teenen in het +dikke slijk der schuine straat, want den anderen had hij als voor de +vloerkou opgetrokken en met de zool tegen den muur geplant. Zooals een +hagedis, die de zonnige en warme plekken zoekt op zijn gescheurden muur, +zoo was hij zich daar aan het koesteren op zijn warm plaatsje, buiten +het gedrang, wars van het gewoel. + +Hij was bijna ongekleed. Een groote vod te kort om hem van onder tot +boven te dekken, een vervaalden lap gelijk een oude Moskovische +rietmat, van het bruin als dood loof, hield hij om zich vast, met zijn +hand bij elkaâr, om het afglijden te beletten. Hij stond daar stil voor +zich uit te droomen, in een vertooning van zijn jong en onversleten +spiernaakt, den kop recht op de zuil van den hals, zoo een koningsfiguur +op een Aziatisch basrelief loom onder de oogleên uitstaart. Boven de +rafels van zijn voddenmantel was een stuk van de platte borstplaat +bloot, glanzend vleesch, zonrood geroosterd. Hij was ongeschoren, zijn +haar geleek een pruik, 't kroesde rechtop en om het kleine voorhoofd tot +een dicht in elkaâr gegroei van korte, sterke krulletjes; 't bracht +Johan den schoolkop van Caracalla in eens in 't geheugen terug. Doch +zijn neus was lang, met een teêren rug en zijn mond dun met stille +lippen, verdonkerd onder een jongen knevel en om de jongensachtige +wangen het gepluis van een beginnenden baard. + +Hij bleef maar stil, vergenoegelijk voor zich uit glimlachend; wanneer +zijn mantel wat afzakte, sjorde hij dien wat op, als zijn eene voet moe +of koud werd, verwisselde hij ze zoetjes; zijn gelaat bleef stil met +zijn heiligen lach,--als in een Assyrischen muur de figuur van een +koningszoon statig staat. + +Schaduwen van mannen vlotten Johans ooren langs, terwijl hij te kijken +stond naar dien mooien droomer daar vóór hem in het vochte goud der +zon.... zou hij niet eens omzien.... zal 'k hem eens voorbij loopen.... + +Maar met een klein rukje had de gestalte zich losgemaakt van den muur, +en kwam. + +Hij ging bezorgd en òplettend waar hij zijn voeten zou zetten, angstig +als liep hij op glazen beenen; hij schouderschurkte onder zijn +lapmantel, dien hij nu met beide handen gesloten hield, één onder de +borst en de andere onder den buik; gelijk een kranke in zijn deken +gewikkeld daalde hij aan.... Wat was zijn hoofd forsch nu voorover.... +zijn borst sterk en breed.... en welk een macht in die armen.... de +spieren lagen met gleuven naast elkaâr.... daar zou hij wel een man meê +kunnen neêrslaan.... Op den vlakken grond bleef hij een oogenblik +dwalerig, toevend; toen ging hij Johan voorbij, steeds met zijn +genotlach om de lippen, een wonderlijk inzichzelven gelach, met de +wimpers nu op. + +En het blikken van een paar ernstige oogen, donkere oogen, klaar +verwonderd kinderkijken, vaag van een diep naarbinnen leven, de blik van +een bezetene maar zachtgezind, was onverschillig over het kijken van den +ander heengegleden, onbewogen, niets hebbend gezien. + +De zonderling ging het steegje in, Johan hem achterna. Het Zoccorumoer +verdoofde, 't werd weêr 't geroezem in een grooten zeehoorn gelijk. + +Achter den teêrloopenden man met zijn jonge reuzenschouders liep hij in +het donkere slop.... 't Leek wel of die voorlooper dansen zou gaan.... +Maar 't was om te schrikken geweest, daar hurkte hij in eens neêr, en +ging op zijn hielen in de nis zitten van een insnijdende poortdeur. En +uit een groen aarden schotel, die daar voor hem scheen klaar gezet, +begon hij te eten. Hij greep er de witte rijst met zijn vingers uit, en +stopte die in zijn mond, zonder gulzigheid, zonder zijn lach te breken, +werktuigelijk etend, door niemand gemoeid, uit den weg zittend, niemand +moeiend. + +Want 't straatje werd druk een oogenblik door de markt-uitloozing. 't +Was niet mogelijk lang er in stil te blijven staan, Johan ging dus zijn +gang. Hij zag nog juist den man een mageren hond met de hand van zijn +schotel weren, die hard aangehold meêvreten kwam. Het gedraaf van een +paar kerels achter zwaar-belaste ezels aan, die de steegbreedte vulden, +dreef ook hem voort. Ze gilden en hitsten hun "hu hu-i hu-i hu-i," als +op de pooten getrapte uitjankende honden. + +.... Daar was 't straatje, in 't midden zonnig, het leî zich tot een +binnenplaatsje uit, daar was Sivory's kroeg. + +Eer hij 't zelf goed wist, beziggehouden door 't weêr terug turen in +zich naar het visioen van dien verdwaasde, stond hij in 't schemerdonker +der kroeg, en dadelijk kwam hem het praten van een mannenstem tegen, een +roepen bijna, een ironiek uit de mondhoeken uitgestooten luid +spreken.--O, daar hadt je den kolonel.... den grooten man met zijn +windbuil-manieren.... met zijn lange, bibberende snorpunten à la +Napoleon III.... Gisteren kennis gemaakt.... jawel.... + +"Voilà monsieur le peintre avec son sac à malices." + +"C'est ça, monsieur Badaud." + + + + +II. + + +De kolonel zat op zijn tabouretje voor het buffet, rechtop alsof hij op +een paard zat, de knieën wijduit. Hij was een stevige veertiger met +naden al om zijn neus, maar die zich jonger voordeed door zijn blozenden +kop en door zijn zwierige kleêren. In een havannahkleurig jacket en +vest, een stof met groote ruiten, was hij jeugdig en achteloos gekleed; +'t kostuum deed zijn manhafte militaire schouders goed uitkomen. Om zijn +rooden soldatenhals met rimpels als groote barsten in zijn vel sloot de +slappe boord van het bonte flanellen hemd, en daaronder was een das, wel +wat waaierig en ijdeltuitig gestrikt. Zijn geheele verschijning was net; +zijn kleeding uitermate goed geborsteld. Zijn pantalon, donker met breed +galon, ging strak om zijn ietwat kromme paardenmansbeenen; met een klein +voorzichtig plooitje had hij de pijpen op de knieën wat opgehaald. En +zijn laarzen glommen op de spitse toonpunten, als was er geen modder op +straat te zien geweest, en ook zijn haar glansde gelijk het met olie +besmeerde hoofd van een Marseilliaan. Daardoor leek het zwarter en viel +de komende grijzing niet zoo in 't oog; want al was zijn impériale ook +lang niet zwart meer, maar van een uitgebeten kleur, een verteerd zwart, +de snor met zijn gesteven drilpunten maakte weêr veel goed. Hij had een +dikken gouden ring met een groot cachet, een groenen steen, aan zijn +rechterhand glinsteren, ook een horlogeketting onder op zijn vest, en +onder zijn das, zoowaar nog, glom een speld die een hoefijzer +verbeeldde. Hij gaf nu een fermen duw aan zijn flambart en trok hem +mannelijk en somber over zijn voorhoofd met ruige wenkbrauwen terecht. + +Blijkbaar had hij juist zitten opsnijden toen Johan binnenkwam; voor +Sivory, die dik lachmensch als hij was, zoo gemakkelijk mogelijk zat, +half neêrgelegd op de bank daar, tegen den muur aan, den arm op zijn +buffet. + +Sivory's heele gezicht was naar het lachen gegroeid, de pret, die bij +buien hem benauwde, als zijn kop openscheurde in de hevigheid der +geweldige lachsmart, als zijn zwaar lichaam schokte en hem de tranen +traag en pijnlijk uit de klein geknepen oogjes werden geperst. Hij was +zeer gezien onder zijn klanten, hij was een goed waard, die met zijn +gasten meedronk, borgde, maar schacheraar in zijn hart en van alle +markten thuis. Dat alles wist Johan al heel gauw, want Sivory was +dadelijk, bij de eerste kennismaking al, zeer vertrouwelijk alles gaan +vertellen. + +Antonio, zooals ieder hem noemde, was Italiaan van afkomst. Zijn vader, +een vreemde snuiter, een aangetaste door de vrijheidskoorts, een woelig +kind uit de onrustige revolutietijden, was al jong uit zijn land +gejaagd, toen soldaat geworden in de Fransche legers onder Pichegru, +vervolgens met Lafayette naar Amerika gegaan, later diens kok, eindelijk +na veel, o veel wonderbaarlijke gebeurtenissen hier in Tanger +terechtgekomen en daar wegwijzer geworden. In de oude reisboeken werd +hij nog altijd aanbevolen om zijn groote geschiktheid. Hij had er een +der eerste Fonda's opgericht en Antonio zette nu op vaders begonnen +manier het zaakje voort. Daardoor, vertelde hij zelve, sprak hij 't +Italiaansch even goed als zijn vader; en 't Arabisch als een geboren +Tangeriaan; ook 't Spaansch als een Spanjaard van de overkust; bovendien +was zijn vrouw een Spaansche; en 't Engelsch sprak hij als een inwoner +van Gibraltar; en 't Fransch, bijna zijn dagelijksche taal, gelijk een +stuurman van de Trans-Atlantic, die alle veertien dagen Tanger aandeed; +en ook wel een paar woorden Duitsch kon hij begrijpen.... Toen Johan hem +vertellen moest dat hij een Hollander was, had hij dadelijk "Gofferdom" +gezegd, en stuipachtig het hoofd achteruit en de handen op zijn knieën +slaande almaar, zich aan zijn vroolijkheid overgegeven als een dolblij +kind. + +.... Ah oui.... er was hier nog een compatriote van monsieur, die dat +altijd in zijn baard knorde.... ah oui.... de admiraal van de +Marokkaansche vloot.... ha, ha, ha! opperbevelhebber van één schip.... +een oude Spaansche kast.... dadelijk na de afdanking aan 't verrotten +gevallen en voor afbraak verkocht.... dat maar éens gediend had om den +Sultan te brengen naar een kustplaats waar een oproer dreigde.... een +lek ding met negen vreemde matrozen bemand; nu, met hun admiraal al een +jaar lang.... ha, ha, ha! op non-aktiviteit.... die alle morgen vast om +zijn paspoort ging vragen en aldoor maar weêr werd afgescheept en zijn +hooge gage ontvangen bleef, omdat die Moorsche beambten het zoo lastig +vonden dat ding klaar te maken.... ha, ha, hi, ha!.... Hij wordt altijd +woedend als ik zeg, dat zijn taal een bedenkseltje is van hemzelf.... +als ik hem vraag of er dan nooit eens iemand komen zal hier, om wat +Hollandsch te praten.... ha, ha.... Ge zult u wel amuseeren.... nous +avons encore ici d'autres.... + +Johan had een der tabouretjes genomen en zich zettend, Sivory toen +gevraagd wat hij wenschte. Neen; groot papier, ongeliniëerd, had deze +niet; maar hij zou 't wel weten te krijgen. En terstond had hij door het +buffet geroepen, neusachtige woorden gelijk een Arabier spreekt; en een +Jodendeerne met zwarte vlosharen bossend om haar hongerigen kop, een +prachtige meid, een vervuilde aankomende schoonheid, kwam +binnenslobberen achter het buffet om. Zij sloeg, de boodschap +aanhoorend, een koffiezakkig vaal omslagdoekje over haar violette oude +jurk, met vetkleuren om de randen der mouwen en onder de armen, en keek +wild-schrikkerig in het opschijnende licht van de buitenstraat. Toen +slemierde zij de deur uit. + +--"'t Is nog wel wat vroeg voor een glaasje, is het niet?" vroeg Sivory, +en 't was Johan weêr zeer vreemd, die hooge, jongensachtige stem uit dat +groote lichaam te hooren komen.... "maar wat dunkt u van een glas +spuitwater.... bon?".... "monsieur le docteur," babbelde hij voort, +opgestaan naast 't buffet, de hand aan de kruk van een siphon, terwijl +zijne oogen den straal, die met hevig schuimgeruisch in het glas spoot, +bewaakten; "dokter, daar is misschien iemand voor u om meê te praten!" + +--"Gut," bromde het onverschillig van uit den hoek. + +--"Gut," lachte Sivory terug met een knakkenden knik van zijn hoofd, +tegelijk het accent nabauwend boven 't gesuis van het uitparelende +water. + +Johan had bij 't binnenkomen den man wel gezien, daar achterin; de +enkele keeren dat hij de kroeg had bezocht, had hij er hem altijd zien +zitten, in elkaâr gedoken, lurkend aan een houten tyrolerpijp of met +zijn neus boven een dampenden rumgrog. Nu, zich omdraaiend op zijn +stoeltje, groetboog hij beleefd naar den als dokter aangesprokene, die +ook een beetje opgekomen, de hand onder den elleboog van den arm met de +pijp, moeielijk alsof hij zoo zijn bovenlijf van de tafel moest +aftillen, hem op zijn beurt in de oogen keek. Maar hij groette flauwtjes +terug, hij scheen schuw voor 't lichtschijnsel in de kroeg, keek vóor +zich neêr, deed een greep naar zijn glas, dronk 't voor de helft uit, en +zakte weêr terug in zijn suffende hoekhouding. + +Vervloekt, wat had die dokter een bekende oogen, waar had hij zulke +oogen meer gezien.... zulk ver blauw.... dat grotje in de pupil zoo +angstig zwart.... nevel-oogen.... oogen nat van een weenend licht.... + +Johan, voelend dat de man geen praatje begeerde, draaide weêr om en keek +de deur voor zich uit. Naast hem begon de kolonel op nieuw moppen te +tappen voor Antonio, die met zijn mond al klaar tot lachen zat. + +De kroeg, waar Johan zoo op zijn papier zat te wachten, had iets van een +hol of van een pakhuis; waarschijnlijk was het vroeger, vóór dat de oude +Antonio er zijn fonda[1] begon, een Arabische woning geweest. De twee +deuren wagenwijd open tegen den muur van het voorplaatsje aangeduwd, +anders was er geen licht. Ieder die er in kwam, liep dat plaatsje over, +dat óok wel een kamer scheen geweest te zijn vroeger, tusschen een paar +muurtjes door, een plaatsje, waar 't vies nat was en de goot plasvol, +alsof de kuip, die daar in den hoek stond almaardoor lekte, of er zoo +pas iemand hoopen flesschen had zitten spoelen. Zoo liep die inkwam +recht op het buffet aan. Dat was een raar ding.... een insteek in den +muur, nauw, 't leek wel een uitgebroken bedstede, nu tot een bergkast +omgewerkt.... met drie rijen van planken, waar vanalles opstond: veel +schitterende flesschen geëtiquetteerd, karaffen met gekleurde vochten, +doosjes en pakken met droge waar, trossen touw en kloentjes gekleurd +garen. Vóor de kast, de toonbank, een losstaande bak, een breede, +roodgeverfde, op zijn kop gezette kist, met een plint stevig aan den +grond.... wat zag het ding er gehavend uit.... van onderen bij den vloer +was het bekrast, bekrabd, verveloos, als door ratten beknaagd; alsof al +de menschen die binnen waren gekomen, tegen de plint waren aangebotst, +hun vaart daar tegenaan hadden stil gestooten. Bovenop, een zinken bak, +een gladde veel gepoetste metalen bak, rondom met koperen spijkertjes +vast op het hout.... in 't lage straatlicht een rondedans van rinkelende +goudlichtjes om 't effen metaalgrijs. Een paar flesschen, onder den +greep van Antonio staande, blonken er in den hoek; een natte vaatdoek, +met den druk van zijn herbergiershand er nog in, lag er tegen aan, een +hoopje sopperig grijs, katoen-dof op 't metaal en tegen het harde glas +der schenkflesschen. + +[1] Logement. + +Maar wat vooral van dat onbeholpen buffet een stil glimmend wondertje +van schittering maakte, dat waren de zware spelonkkleuren overal in de +kroeg er om heen; de wanden vetbruin en smookgrijs; het donkere +gangetje, waar de meid purper uit was komen aanslungelen, en er vlak +naast, maar in den hoekschen linkerwand, een groot poortinzicht met het +lichtlooze er achter van een tweede pakhuisruimte. Een groezelig +groenzwarte inkijk was daar, waarin hij veel gewemel raden kon van +spinrag en opgegaarde stof, en waar een opgestapel uit schemerde van +ronde tonbuiken, logge dingen, onverzetbaar, met ijzeren hoepels om de +duigen, verroest rood. En van af den zolder en om het vierkant der +kastholte, bezemden de bossen kiff.... het kruid, dat de Arabieren, +kortgehakt en onder tabak gemengd, rooken.... dat met een geurtje van +wierook verbrandt.... Ze hingen neêr, heiplanten, dorre franjes van een +bleek kamillegroen en deden de kroeg gelijken aan een drogerij of aan +een alchimistenwerkplaats. Eenige pistolen van oud kaliber met den haan +aan spijkers opgehangen en solide zeslooprevolvers hingen er te koop, +kreeftachtige dingen, of 't schaaldieren waren in hun donker pantser. + +Rechts van het buffet, er tegenaan beginnend, verliep een lange bank den +muur langs; Sivory op de eene punt, de dokter op de andere, daar +behoorend in den toon.... menschen, geborgen in den schemer van hun +woning.... Een soort scheepsbank was het, met een opengewerkte matten +zitting, afkomstig, leek wel, uit de derde-klaskajuit van een +Transatlantic. Een wit-houten tafel er voor, bekringd met +drank-rondtetjes. Naar achteren in de diepte van den rechterhoek een +paar kleinere tafels, oude tuintafels met marmer blad; en er om heen +slordige tabouretjes. Die stonden als gestrooid over den vloer, bewarend +iets nog, in hun onverschillig op vier pooten staan, van de haast, +waarmede de laatste bezitter ze onder zijn loopen-gaan-willend lijf had +weggestooten. + +Bij den ingang, half achter het deurlicht, helde als een losgeloopen +wagenrad, geleund tegen den muur, een groote doos, en daarin een +kolossale Zwitsersche kaas, die Antonio vier dagen geleden ontvangen +had. Een driehoek als een hap was er al uitgesneden, de blanke, vette +kaas uitstallend; 't ding had de geheele ruimte met zijn stank +verzadigd; en onder om den hoek van de pakhuispoort, laag op den vloer, +een blakertje met een eindje vetkaars, vuil en beloopen, geel vet, +smelterig om de zwarte, uitgebluschte pit.... een nachtelijk dingetje. + +Johan's kijken, niet te verzadigen door de wonderlijke nieuwheid van +alles om hem heen, dwaalde van uit de kroegschaûw de deur uit. De straat +over, kon hij door de wagenpoort heen, recht in de werkplaats zien.... +van een kleêrmaker, bepaald.... Dat was zeker de baas.... Een man zat op +zijn vloermat laag, en zijn arm ging gestadig rukkerig op en neêr. De +kop was niet te zien, onder de fez, voorover. + +Naast hem, voor den drempel, zat een knechtje in een wit mouwhempje +peuterig te pieken, ijverig in de weêr aan een stuk lap, zijn geschoren +hoofdje bewegend naar links en rechts, zijn geknutsel in zelfbewondering +telkens betrachtend; een slim, tanig en aapachtig kereltje, met de ooren +rood en wijd van het hoofd afstaande. En het vermaakte Johan het +ingespannen getreuzel van het ventje te gaan bekijken. + +--"Antonio, wil je me nog een rhum geven?" hoorde hij achter zich den +dokter roepen, onderworpen, alsof deze een lesje opzei. + +De zon, blank in de straat, snelde gelijk een baan licht de wagenpoort +voorbij, schrampte op tegen den muur, berafelde de oude steenkalk en het +versplinterde hout van den uitgesleten drempel; wanneer de jongen met +zijn hoofd keerde, glansde zijn rein schedeltje van een blauwend +fosfoorlicht. En een voorbijganger kwam stil in de lijst van het +deurraam en liep er weêr uit.... en wat later kwam er een ander, een +vettige vent in een donkere burnous. Hij schouderde zich in zijn +houding van grooten nietsdoener, steunzoekend tegen den deurpost der +werkplaats en begon een praatje, als een gedrocht staande met zijn +monsterachtig bekapt hoofd. Achter zich hoorde Johan, Antonio weêr +neêrvallen op zijn bank, en het gulzig inhalen, het slobberen van den +grog. In het werkplaatsje keek de baas op, van achter zijn door een +grooten zwarten bril beringde oogen, een bril, als de kwakzalvers en +woekeraars dragen op oude Vlaamsche schilderijen. De kleêrmaker bleef +babbelen met zijn handen in den schoot. + +Maar achter Johan schaterde Antonio het uit, klakkend zijn handen met +een doffen vleeschslag op zijn dijen telkens. De kolonel vertelde een +geschiedenis uit zijn soldatenleven. Hij trok, toen hij zag dat de +andere kwam meêluisteren, triomfantelijk zijn hoed recht, en begon ook +dadelijk beleefd zijn vertelling voor zijn twee hoorders te verdeelen: +"voyez-vous, monsieur le peintre.... imaginez-vous, Antonio." Zijn +vertel met veel delicate handaanduidingen begeleidend, speelde hij het +geval. En met zijn klankende, voor in den mond gesproken stem, half +zingend de phrases onder zijn nobele snorren vandaan, was hij een +smakelijk verteller zoo; als een man die zich altijd op zijn +voordeeligst wil laten zien, zat hij zwierig op zijn tabouretje, +rechtop, met de beenen aldoor wijduit, als op een paard, de dijen strak, +heelemaal niet burgerlijk, maar verradend in het zorgvuldig telkens +opgehaalde knieplooitje van zijn pantalon, veel uurtjes van intieme +beslommering. + +--"Bonjour, mijne heeren," en een ferm stappende man ging achter den +kolonel om. In den hoek naast het buffet zette hij zich als op zijn +vaste plaats. + +--"Bonjour, monsieur Crépieux. Hoe gaat het?" + +--"Merci," zei kortaf de binnengekomene, een jonge man, korrekt +gekleed, hooge witte boord, het haar bij den wortel afgesneden, als +geschoren was zijn hoofd onder den fantasiehoed. Hij trok zijn +manchetten recht, kijkend met een stuursch gezicht, heerscherig met den +kop van een willer, maar stompig en hondachtig door zijn opgewipten neus +met wijd snuivende gaten en hooge wangbeenderen. Zijn knevel was +stoppelig, wreede haren gelijk geknipt om de lip, een kuilgleuf was in +zijn kin. + +--"Antonio," begon hij met zijn dwingerige stem, "hoeveel glazen rum +heeft de dokter gehad?" + +--"Twee, monsieur Crépieux, twee maar," de herbergier had er de vingers +bij opgestoken en schudde ze naast zijn lachkop, als zwoer hij een +grappigen eed. + +--"Twee.... hè.... niet meer geven van morgen, verstaat ge.... Twee," +herhaalde hij, als schreef hij ze op in zijn hoofd. "Dokter...." riep +hij vervolgens over het buffet heen, "ik ben van morgen aan het atelier +geweest, en gij waart er niet." + +--"Bien possible," zei deze, glansvlekkend den schemer daar met zijn +opkijkende oogen. + +--"En waarom? zou ik u willen vragen, ge wist toch zeer goed dat +Mustapha van morgen met vogels komen zou. Heb ik het u gisteren niet +laten weten, daar ik zelve geen tijd had om u te komen spreken hier?" + +--"Ik weet het heel wel," antwoordde de gebogen man met een vreemd +accent, als een Zwitser het Fransch uitsprekend, "ik weet het heel wel, +maar 't wachten verveelde me.... toen ben ik hem maar gaan zoeken op 't +Zocco.... daar ie toch te slenteren liep.... We hebben vier vogels +gekregen.... pas grand' chose.... twee arendjes en dan".... + +--"Dat maakt met de andere zes.... En hebt ge gisteren een goede vangst +gehad, hebt ge wat kunnen verzamelen bij Kaap Espartel?" + +--"Gisteren?" een spoogje kwade lustigheid glimmerde in de waterige +oogen van den dokter, in zijn voorhoofd trokken spotzieke rimpels op, +als in 't voorhoofd van een komiek grijnzenden aap.... "Gisteren.... o, +een goede vangst, ik heb vier schorpioenen gevangen, mooie volwassen +exemplaren, en drie calioptères, met nog ander klein goed.... 't heeft +moeite gekost.... ik heb er rotsblokken voor moeten omkantelen, monsieur +Crépieux, vous n'avez pas une idée comment ces bêtes se cachent." + +--"Dat geloof ik graag," blufte de kolonel er tusschen. "Dat lijkt me +niet pleizierig, eerst een douche van collodion.... puf.... en dan op +een speld opgeprikt zich zelven te moeten zien sterven." + +--"Hi, hi," lachte Antonio met een luchthappenden mond.... + +--"Weet wel, monsieur Badaud, dat schorpioenen door mij niet worden +opgeprikt, maar bewaard op sterk water." De dokter sprak haastiger nu, +met een sneller slag, "weet dat wel.... en geloof ook maar niet, dat uw +agonie, par exemple, zooveel zachter zal zijn dan van die beestjes.... +en in geen geval korter, monsieur Badaud.... Voor Antonio is dat wat +anders, die zal er gauw uit zijn, die zal nog eens doodblijven in een +apoplexie.... mijn God, wat lacht die man!" + +--"Ah, docteur, wat zijt ge weêr sinister." Als een lijkengrimas was de +lach om Antonio's lippen verstard. En de kolonel zat een weinig verlegen +met zijn geknakten bluf. + +--"Kom, kom, Antonio, maak je nu maar niet ongerust, beste vriend.... af +en toe een beetje huilen.... kom, kom, dan zult ge wel oud worden.... +Gisteren hadt ge meê moeten gaan, dat was goed geweest, zooals +laatst.... hebben we toen geen plezier gehad samen.... já schudt uw +hoofd en 't liegt niet.... maar gisteren was 't glibberig op de rotsen, +en regen.... regen.... ik heb wel driemaal mijn nek kunnen breken.... en +dat zou toch jammer geweest zijn, niet waar, monsieur Crépieux?" + +--"Taisez-vous, docteur, ge zijt weêr dronken." + +--"Ah, moi? par exemple.... 't is waar, ik hou van een glaasje.... en +waarom zou ik niet? houdt gij niet weêr van andere dingen, monsieur +Crépieux? heeft iedereen niet wàt waar hij van houden moet?.... Et +boire, n'est-ce-pas quelque chose? Maar hoor toch eens aan hoeveel ik +altijd om u denk, en wat een moeite ik gehad heb om ónze schorpioenen +goed, vooral droog thuis te brengen.... waren ze niet goed droog, +Antonio? en ik heb soms tot aan mijn.... nun, nun.... zal ik zeggen tot +aan mijn lippen door het water moeten waden, in het donker, door een +kreek, die ik niet wist dat er was.... non, non.... ik verzeker u, dat +ze er 's morgens nog niet was...." + +Tusschenbeide hadden zijn lippen even geklakt, zooals een voerman doet, +die zijn paard kalm sust, waneer het door vliegen geplaagd wordt. + +--"Ah bah!" was hem de kolonel in de rede gevallen, "met den regen, moi, +je connais ça." + +--"We weten wel dat ge veel ondervonden hebt, monsieur Badaud, vooraleer +gij hier van uw renten kwaamt leven." De dokter, toen hij dat gezegd +had, stopte met een krommen vinger de tabak wat vaster in zijn door het +vuur zwart uitgevreten pijpekop, zoog, half uit als de pijp onder 't +praten gegaan was, er den brand weêr in met een paar stevige zuighalen +en zakte toen achter een damp van blauwen rook, in zijn suffende +hoekhouding opnieuw weg. + +--"Cochon," hoorde Johan den kolonel onder zijn favorites schelden. + +Met doffen beestenstap was een Moor komen binnensloffen en hij stond nu +voor de toonbank stil. Monsieur Badaud schoof een weinig op zijde, alsof +hij vies was; terwijl Antonio, dadelijk in functie, zijn lichaam +opheesch en in een dikkemanswaggeling achter de mannen en voor 't buffet +omliep, grappig in zijn grijs linnen herbergiersbuisje, te kort van +mouwen, dat hem jongensachtig stond; 't hing met een diepe plooi +opgeschort boven de kussens van zijn geduchte billen. Hij donkerde weg +in de gangpoort, maar kwam dadelijk terug voor den dag, doorbukkend +onder de planken.... was daar een deurtje?.... en te staan weêr in 't +buffet, gedienstig, op en top verkooper, het grijze lijf met den +lachenden kop boven de toonbank op. Hij herhaalde wat de man gevraagd +had.... schorrig knorde de landstaal, zooals een verkouden mensch +spreekt.... bewoog zich tusschen zijn flesschen, spoelend een glaasje, +schenkend toen den klaren brandewijn voor den begeerig wachtenden +Arabier, die, schuw tusschen de donkere moderne mannen, in zijn witte +burnous verhuld, naar niets keek dan naar den venijnglans van het witte +water. Het glaasje bevend vol, goot hij toen dadelijk leêg in zijn +gretig open lippen; als in een ontvangenden nap vooruitstekend uit zijn +achterover gegooiden kop, wierp hij 't in zijn strot, in éen driftig +verlangen van 't gauw en ongezien binnen te hebben.... 'n clandestine +dronk.... Antonio maakte nog een bos kiff los, en de Arabier tastte +achter in den hangenden zak van zijn mantel, snuffelde geld er uit op, +en sjokte toen weêr weg, de wagenpoort uit en de zon in. + +Monsieur Crépieux redeneerde met monsieur Badaud. Ze praatten gelijk +welopgevoede lieden doen, als flaneurs die elkaâr ontmoet hebben voor +een café op een Parijsche boulevard, heeren. + +--.... "ils m'ont abruti, monsieur, abruti, bien sûr, die drie +dienstjaren".... Johan zag over de toonbank heen, het gebobbelde +voorhoofd van monsieur Crépieux, koppig en laag, boven koud metaalgrijze +oogen met snel knippende wimpers; het wreede geborstel van zijn +stugharigen rondkop en een dikke huidplooi in den nek als bij een dog. +Hij bestelde Antonio, die naar zijn plaats wou gaan, sigaretten; de +beide heeren rookten en redeneerden over het voor en tegen van de +conscriptie; Badaud met de handen op den knop van zijn rotting. + +Johan ongeduldig om 't lange wachten, keek eens om naar Antonio, weêr op +zijn plaats. De waard haalde zijn schouders op.... hij kon 't toch niet +helpen, wanneer die meid wat lang wegbleef, 't was zoo'n rakker, die +meid, een straat-slentster.... een wilde.... die zijn vrouw +verschrikkelijk veel last gaf.... gisteren had ze den kleinen jongen op +de steenen laten vallen.... ah oui, monsieur, een wilde, en die had hij +nog wel uit puur meêlij in zijn huis genomen.... + +En in een opvlieging van zijn gragen lachlust, als had hij plotseling +iets bijzonder koddigs gezien, ging hij aan het slaan op zijn knieën, +wippend met zijn lichaam, wiegelend zoo zijn pret, zijn binnenst +plezier. + +--.... "oh.... een historie.... imaginez-vous, monsieur le peintre.... +een paar maanden geleden.... ze was toen nog niet hier in huis, was die +meid boven van een bordes gesprongen, in de straat neêr.... hi, hi, +hi.... met éen razenden sprong had ze zich gered voor een ouden +Arabier.... een ouden Arabier.... een grand seigneur de la ville. die +haar in huis gelokt en schande had willen aandoen.... ah! bougre.... +quelle courageuse!.... een sprong van meer dan vijf meter.... hi.... +hi.... hi.... ge ziet het, niet waar?.... le vieux.... zóo.... de +sidderende handen in de leêge lucht.... rien!.... Rebecca beneden, +ongedeerd, als een kat op haar pooten terecht gekomen.... hi.... hi.... +en dadelijk aan 't hollen gegaan, schreeuwend haar angst uit, de straat +langs.... 't geval had opgang gemaakt.... rijke geloofsgenooten en ook +Christenen, zelfs de Fransche en Oostenrijksche gezanten hadden geld +voor haar bijeengebracht, dat nu op renten gezet, bestemd bleef voor een +bruidsschat.... Dat is de bedoeling, begrijpt u.... want natuurlijk is +ze dan eenmaal een partij.... zal er wel een man om haar komen die haar +eerlijk trouwen wil." + +Monsieur Badaud, om Antonio's lachen bijgedraaid, minachtte: "des contes +à dormir debout" en redeneerde voort met monsieur Crépieux, als twee +dorpsheertjes, die de oude nieuwtjes van hun plaatsje wel kennen. + +--.... "en of er dan geen politie was of recht?" had Johan gevraagd. + +--"Securo," schudde Antonio, "hebben we onze justitie.... daar.... kijk +daar.... notre police de nuit.... regardez!".... + +Hij wees de wagenpoort uit, waar de leêglooper onveranderd geschouderd +stond tegen het werkplaatsje aan, verschemerend achter den sluier der +zon, die in de straat begon te hangen. + +--"Ah oui.... zijn wapens.... wacht.... ik zal hem roepen.... iedereen +die hier komt, moet dat zien.... Holé Saleh!" riep hij van zijn plaats +vandaan, al molenwiekend met zijn arm. + +--"Ik zal hem uit uw naam een glaasje offreeren, let eens op." + +Van den lichten muur was de donkere schooier losgeraakt, er afgevallen +als een rijpe vrucht valt van zijn tak, weggekropen in zijn nachtachtige +jas, slofte hij aan en stond onnoozel. + +Dan dadelijk los van handen, begon hij, makend een breeden zoom, zijn +kap terug te vouwen naar achteren, lospellend den kalen kop zoo, en hij +kromde zich voorover naar het glaasje, dat tot overloopens bol, bibberde +weêr in zijn weeïge glimmeringen van kleurloos vergif. Hij lebberde er +het zoompje af, den overvloed weg en goot het toen, als die andere, in +zijn verlangenden snoet. + +--"Kijk goed," lachte de herbergier. + +De nachtwacht, die zich de lippen langzaam likte, haalde onder zijn jas +een zwarte knots vandaan, een glinsterend ding, glimmend van +ijzerbeslag; met een luie handtoesteking, alsof hij 't voor de +zooveelste maal al deed, hield hij den knuppel vooruit. En gelijk 't +lichten van een plots opgestoken vlammetje, lichtte in Johan's hoofd +toen het preciese begrip, dat er een klein comedietje daar voor hem werd +gespeeld. Neen, maar.... die was goed.... die schoelje van een +nachtwacht had hem nageloopen, overal op 't Zocco stil gestaan waar hij +stil stond, lekker op zijn verhemelte het vuurwater al proevend.... +sapristi.... hij wist wel dat de waard hem roepen zou, om zijn knots te +laten zien. + +--"Maar kijk dan toch," riep nu ook monsieur Badaud, van-op zijn +tabouret, achter den Arabier omkijkend. + +De kerel, in zijn jas zoo duister als van oud hout een gesneden pop, +stond met zijn glimmend wapen in zijn vuist, onder zijn kap aan 't +lachen, welwillend; 't smoel gekerfd door een dwarse grijns. + +--"Oui, daar slaat hij meê," ginnegapte Antonio, terwijl de nachtwacht +bevestigend met zijn hoofd aan 't knikken viel. + +--"Un baiser de cet ange ne me paraît nullement doux," meende de +kolonel. + +--"Ah, oui, il frappe," herhaalde Antonio, die scheen te gelooven dat de +schilder het voor een grapje hield. + +Lacherig keek Johan 't ding aan, een ebbenhoutachtigen knoet, die van +boven wel de dikte had van een jongenspols; een leêren lis was door 't +dunne einde geregen en daarmeê hing het om den pols van den politieman. +En met allerlei vondsten had de nachtwacht zijn wapen harder gemaakt; +hij had er alles maar ingeslagen wat hij meester had kunnen worden, +scheen wel; schoenspijkers veel, een zaaisel van ijzeren koppen blank +geschuurd door 't gebruik, als de beslagen schoenzolen van Duitsche +straatmuzikanten; of had hij het gedaan voor 't kinderlijk plezier om de +glinstering, of omdat hij er zijn borrels meê verdienen moest?.... en +platte plaatjes ijzer, als stukjes glas, 't hout ingedreven, vreemde +figuurtjes geworden, door het toeval ontstaan in een wildemanssmaak voor +versiering. + +--"Ge moogt het wel dichtbij bezien," vertaalde de waard, "en 't in uw +hand nemen, zegt hij." + +--"Geef den man nog maar een borrel, Antonio," lachte Johan, die den +nachtwacht als een opgewonden mechaniek met zijn hoofd snel van ja zag +staan knikken. + +--"Is hij niet aardig, ce bonhomme, notre garde de nuit?.... als u van +avond naar huis gaat, zult u wel over hem heen moeten stappen, hij +slaapt den godganschen nacht als een hond op straat.... regent het.... +dan kruipt hij in een ton.... maar wees op uw hoede, maak hem niet +wakker, want dan slaat ie er op." + +--"En ondanks dat, of liever nog, juist daarom," begon monsieur Crépieux +te leeraren, "is men hier zekerder dan in de straten van Parijs." + +De nachtwacht, weêr in zijn huid heelemaal gedoken, duisterde als een +schaduw weg, de zonstraat in. + +Monsieur Crépieux ging voort Johan te onderwijzen over 't zonderlinge +recht in Marokko, en de betrekkelijke afwezigheid van misdaden; moord +was nog de meest voorkomende crime; meestal een wraakgeschiedenis; maar +diefstal bijna nooit, en dat liet zich begrijpen, facilement.... "U hebt +natuurlijk de prison gezien.... en door het kijkgat al die miserable +gevangenen daar.... voor 't meerendeel opstandelingen, politieke +misdadigers, een enkele ook voor bloedschande. Eenmaal in 't hok, komen +ze er nooit meer uit, ze vervunzen in 't vuil, sterven spoedig, en de +medegevangenen schuiven het cadaver door 't zelfde gat terug, waardoor +het is binnengekomen; ze sterven allen klachtloos, de een na den ander, +berustende in hun stupide geloof: que tout est écrit." + +--"En voor diefstal hebben ze nog een veel grooter absolutisme. De +eerste maal dat een man steelt, 't zij een ezel van een buurman, of een +kip, of iets van die noodzakelijkheden, wat die arme lui malkander maar +te benijden hebben, krijgt hij een geeseling.... vlàn!.... op zijn +naakten rug; maar wordt hij voor de tweede maal betrapt, comprenez-vous, +dan hakt de beul hem op het hooge huis, tout court, de rechterhand af. +En zoo het ten derdemale gebeurt, begrijpt u, of ook wanneer de +diefstal groot is, dan oefent de bestolene op 't Kasbah geroepen, zelve +recht en brandt met een gloeiend gepunt ijzer.... s.s.t..... den toch +onverbeterlijken dief de oogen blind; u zult ze wel hebben gezien, er +zijn er hier eenigen, ze zitten bij de poorten, of aan de markt, op de +hurken te schommelen, te bedelen met de linkerhand en roepen het +medelijden van de voorbijgangers in, op het deuntje van hun miserabel +geloofsartikel: 'God is groot.' Gij zult ze gemakkelijk herkennen, ze +zitten altijd met den neus in de lucht, zoekend het licht op hun +verschroeide oogen, die er precies uitzien als de oogen van zangvogels +door den vogelaar blind gebrand.... straffen.... 't lijf pijnigen.... eh +bien.... daar hebben ze hier verstand van.... middeleeuwen noch +inquisitie vonden verfijnder tortures dan deze kaalkoppen van +schurken.... ik noem bijvoorbeeld: 'les mains au sel'.... excuseer mij +zoo ik u niet verklaar wat dat zeggen wil.... trop horrible.... trop.... +maar gij begrijpt.... zulk een recht jaagt er de vrees in." + +Kordaat in al zijn doen had hij een nieuwe sigaret van het buffet +genomen en ontstoken, zeggend, "hij rookte te veel", haalde de teugen +in, blazend den stralenden rook zijn sper-neus uit, en zat dan met het +witte dingie tusschen zijn nog onderrichtende vingers. Hij besloot: + +--"Je vous dis.... la peur, c'est une bonne chose." + +--"Assurément, la peur, c'est une bonne chose," beaamde monsieur Badaud, +"ik herinner mij, hoe 'k eens in Algiers".... + +Maar de dokter viel in de rede: + +--"Zou mijnheer daar, niet gelooven gaan dat wij heiligen zijn, monsieur +Badaud.... oh, als u een Arabier was...." + +--"Taisez-vous, docteur." + +--"Ah bah, monsieur Crépieux, vous avez raison.... la peur, c'est une +bonne chose.... je me tais." + +En teruggezakt in zijn onbewegelijk-zijn, verborg hij zich achter +rook-mondevollen, terwijl de beide heeren kameraadschappelijk elkaârs +gezelschap dadelijk weêr zochten, Badaud rooder geworden bovenop zijn +koonen. + +--"Bepaald," zei hij half-hard-op, "de dokter is dronken." + +--"Sans doute," bevestigde monsieur Crépieux. + +--"Is het geen zonde van een man met zoo'n intelligentie?" + +Johan, die wel voelde hoe dit eigenlijk tot hem gezegd werd, was niets +op zijn gemak.... wat drommel, konden die menschen hun vuil linnen niet +en famille wasschen.... kwam die vervelende meid maar terug.... Antonio +was ook al gevlogen.... als ze nu kwam, ging hij dadelijk weg. + +Gepulver van goudstof, zakte de zon in de straatgeul neêr.... 't liep +naar twaalf uur.... achter den zonnedamp was de steeg als breeder, de +witte muur van het werkplaatsje stond achteruit, van warme weêrschijnen +bebeefd. En weêr een loopende man deisde voorbij, badend nu in den +lichtdamp, hard en dichtbij klepte de slag van zijn sloffen. Boven den +drempel uit zat het knechtje steeds ijverig te pieken, vol aandacht +turend op zijn prettig getreuzel, maar schimmig verschijnend in zijn +blank hemdjasje, zijn lichaampje verteerd in de kracht van het +krioelende licht. + +Diep en donker brokstemde van achter uit de kroeg het gepraat der beide +heeren; zonder het te willen was Johan er bij, moest hij luisteren naar +wat ze vertelden. Crépieux klaagde over de moeielijkheid fatsoenlijke +Arabische vrouwen te naderen, maar monsieur Badaud beweerde dat ging wel +en vertelde toen een geval. Uit den hoek reutelde een slurpje.... +blijkbaar rekte de dokter zijn grog.... wat een zonderlinge man, +roofvogelneus onder weeke open-luchts-oogen.... waar had hij dat kijken +meer gezien.... was 't niet.... + +--.... "En ik hield een vijf-pesetastuk in de hoogte, zóo!" verhaalde +monsieur Badaud, "de vrouw keek om, in haar kleed onzichtbaar.... ik +lokte, zóo; ze kwam dichterbij, kijkend bangig over de heggen van +aloë's; ik weet het nog heel precies, in de verte tegen de berghelling +op was een Moor met een span roode ossen aan 't ploegen. Ze kwam, +aarzelend wel, maar ze kwam; ik bleef den vijf-frank toonen, zóo. En +telkens omkijkend, ik was nog meer den hoek omgegaan, of ook iemand haar +zien kon, kwam ze tot bij mij en maakte toen haar gelaat open.... En of +ze mooi was.... dat zou 'k meenen.... ik heb haar gekust op mond, oogen, +partout.... natuurlijk voor de vijf franken." + +--"Gelogen," drifte dokters stem den hoek uit. + +--"Maak u niet boos, monsieur Badaud." + +--"Ik zeg u dat het niet waar is, dat het een onmogelijkheid is voor een +Europeër een Arabische vrouw te kussen.... moi aussi, je connais un peu +mon Afrique, monsieur Badaud, une putain, oui, se découvre, nooit een +fatsoenlijke vrouw, c'est de la blague...." + +--"En als ik u toch zeg...." + +--"Zeg wat u bevalt te zeggen, ik zal u zeggen, dat het niet waar is." + +--"Ivrogne," schold de kolonel onder zijn favorites. + +Bah, wat stonk die kroeg naar kaas, 't was er benauwd, onaangenaam.... +eindelijk.... + +Stuivend om den muurhoek, slobberde in haar violette jurk de Jodenmeid +naar binnen; het koelwitte papierrolletje, als iets dat ze gevonden had, +hield ze in de hand vooruit. En achter haar rug om, in den stofregen van +bleekgoud vroeg-middaglicht, zag Johan, met éen blik, den mooien jongen +schooier, dien hij daar straks op het Zocco gezien had, in het vierkant +der wagenpoort treden, op zijn bloote voeten ging hij, voorzichtig met +teêren tred. Aan den overkant keerde hij zijn rug tegen den muur, trok +zijn been dadelijk op, zich schikkende zoo goed en kwaad dat ging, in +zijn voddenmantel. + +--"Ik vraag u duizendmaal verschooning, monsieur le peintre," kwam +Antonio de gangpoort uit spreken, "maar die meid vertelt een heele +geschiedenis, ze is overal geweest, 't is overal druk in de +bovenbuurten, vanmiddag gaat de processie weg." + +--"Wie is die man daar, Antonio?" vroeg Johan, schichtig. + +--"Soleimon? o, een arme gek: hij wacht daar bij mijn buurman op zijn +eten." + +--"Spreekt ge Duitsch, Herr Maler?".... 's dokters stem was al haar +kantigheid kwijt, "ja, ein wenig?.... mag ik u raden voorzichtig te +zijn, als ge dien man soms teekenen gaat, een gek, dat is een heilige +hier, verstaat ge?.... de Arabieren zouden het u kwalijk nemen, ze zijn +wat fanatiek, als ge 't nog niet weet." + +--"Men zal mij geen kwaad doen." + +--"Zoo, gelooft ge?" + +--"Voilà, dokter, eindelijk iemand waar ge meê praten kunt." + +--"Merci, Antonio, maar ge vergeet den redacteur van de Réveil, +l'Alsacien.... en onzen minister dan met den blauwen bandelier...." + +--"Ha, ha!" schaterde de herbergier. Toen, Johan opgestaan ziende: "om +twee uur, vergeet het niet, gaat de processie weg, ils partent du Grand +Zocco." + +--"Verzuim het niet, het is zeer interessant. Ce sont des religieux, des +fous, des mangeurs de moutons. Men moet dat zien, 't is zeer belangrijk +uit een ethnografisch oogpunt." + +--"Merci, monsieur Crépieux." + +--"Mag ik meêgaan?" verzocht de dokter, haastig zijn hoek uitgeschoven. + +--"Adieu, mijne heeren." + +--"Om vier uur kom ik aan 't atelier, dokter," riep monsieur Crépieux, +bazig. + +--"Bonjour, Antonio." + +--"Au revoir, docteur, mijn groeten aan uw minister, ha, ha, ha...." + +De beide mannen waren de kroeg uit en onder de zonne-neêrzinking. Achter +zich hoorde Johan, Antonio's lachen nog rollen, toen zij 't gekje al +voorbij waren. Rustig stond de jongen tegen den muur te droomen, +vertoonend zijn sterk en bloeiend spiernaakt, stil lachend zijn +gelukkigen glimlach, bestrooid nu en belooverd met zon. + +Ze gingen naast elkaâr. + +--"Ich möchte wohl mit Shylock sagen," begon de dokter, als iemand die +hardop denkt, "Antonio ist ein guter Mann," toen plots zichzelven +voorstellend, en met de oogen vragend den ander, zei hij: "Mein Name ist +Vogel." + + + + +III. + + +--.... "wat ge me daar vertelde is zeer karakteristiek.... also Sie sind +Holländer!" + +Zij daalden door de breede hoofdstraat, recht onder de zon, midden +loopend in den uitgezakten weg over de hobbelige keien naar de haven +omdalend. + +--"Drôle de pays votre Hollande." + +Ze gingen langs den bazar, een tentoonstellingshuis, opzichtig +beschilderd, met achter de vensters, uitstalling van filigrane-mooie +dingen, en van veel aardewerk, dat naar buiten glom uit de schaduw van +'t mineraalkleurig verglaassel. Ze liepen de moskee langs, waarvan de +kerkpoort wijd open, maar 't inzicht naar het heilige als achter een +voorhang versloten was door een hoogopstaande mat. Zweeterig-gele +sloffen, bij paren schots en scheef op den grond, want daar binnen was +'t altijd gebed. De straat droogde tot wit, er liep geen mensch in de +straat. + +--"Oui, ik ben er tweemaal geweest." + +Op de moskeetrappen en onder den rullen straatmuur lagen duistere kerels +languit te vadsen, als gestrafte dieven plat op den buik, en er zaten er +gerugd tegen den wand, vodderig, met den kop weggeschrompeld in de +schaduw van de kap; hun monden waren opengevallen in de lamheid van den +slaap. + +--"Ja, tweemaal.... wie die Zeit schnell geht.... voyons.... ik was in +Amsterdam voor een internationaal hygiënisch Congres.... gemoedelijke +lui die Hollanders.... en de tweede maal, om relaties te zoeken voor een +andere groote reis door Afrika's binnenland, die ik toen prepareerde.... +ik was niet altijd wat ik nu ben.... wissen Sie.... verstandige lui die +Holländer.... natuurlijk is u ook een zeer intelligente man." + +--"Hoe zoo?" + +Ze gingen drinkbakken voorbij, waar paarden aan slobberden, roodbruine, +als nieuwe kastanjes glimmend onder de zon; een melkwitte hinnekte, den +toom op den nek tusschen het gespleten maanhaar; ze stonden met +uitgerekte halzen, water morsend langs de soepele lippen en langs de +gele graastanden, de bitten rinkelden tegen de bakken, ijzergeluid +klinkklonk in de zonnige straat. + +Bijna zonder eigen schaduw op den grond stapten ze; Johan zag naast zich +den dokter loopen, grooter dan hij zelve, al liep deze ook met een +ronden rug, als in de schouders geknakt. Vogel ging voort in zijn +schunnig-blauwe jas, glimmend tot langs de beenpanden, de hand aan zijn +pijp, rookblazend veel boven zijn stijven romp, voorover geheld ook in +de daling. Hij ging zoetjes aan, als iemand die over den schouder wat +voorttrekt, als een myop mensch met halfdicht turende oogen. Nu van ter +zijde bekeken, was zijn snavelneus het voornaamste van zijn gezicht, +schedel en kaakstuk leken onbelangrijk bijna; aan zijn voorhoofd, dat +druk van rimpels, bultte onder een ouden flaphoed, groezelden +uitgebleekte, als weggeschroeide wenkbrauwen. Weifelend kromp de kin +achteruit, stekelig van roode en grijze stoppels, ook waren zijn wangen +slordig onder een baard van acht dagen; maar klein en verstandig +schulpte het oor met een dikken luisterrand. En zijn mond verdween +geheel onder een bos half-cirkelende snorharen, in 't midden als +pegeltjes, altijd nat, onder de dubbele beademing van mond en neus. + +Ze liepen de straat af, de weg elleboogde, en een poorttunnel door. In +den dunnen schemer zat er een schildwacht op een bank, als een vrouw in +witte kleêren, alleen zijn oogen leefden. En zij daalden tusschen stomme +muren, wallen; hoog was het zonblauw. + +--"Verstandige lui, uw landgenooten," vervolgde Vogel in een droge, +opsommerige gewoonte van maar-door-praten, "en extra-ordinaire +gemüthlich." Hij gebruikte een onverschillige manier van redeneeren, +bandeloos sprong hij over van 't Fransch- naar 't Duitsch-spreken. + +--"Die brave monsieur Crépieux met zijn schorpioenen.... dat wil +entomoloog spelen.... aartsdomme kerel.... ik had ze wel in een half +uurtje kunnen gevangen hebben.... maar een anderen dag.... wissen +Sie.... als ik een dag wat veel gevangen heb, deponeer ik er wat van in +den toren.... niet zeggen, hoor.... Antonio versteht mich.... moest +Crépieux niet begrijpen kunnen, dat met nat weêr niet te vangen is.... +wijntje gedronken.... wissen Sie, met den wachter van den vuurtoren op +kaap Espartel, een landgenoot van me.... nu ja, Oostenrijker.... ik ben +Hongaar.... zijt ge al geweest op kaap Espartel?.... Neen.... mooie +wandeling...." + +Als iemand die de behoefte heeft zich uit te praten na lange stomheid, +raffelde zijn stem; lijmerig leuk, of spotziek, met een ietwat dikke +tong en dan in eens heel rad of het van binnen bij hem stookte. + +Een Arabier draafde achter een ezel tegen de straat op: brandrood +gloeide zijn fez. De vent begon zijn beest te slaan en aan te schelden, +omdat 't niet voort wou, maar met luie gretigheid lipte langs de rottige +muurkanten naar de dorre distels. + +--"Weet ge wat die meerschuimen pijpekop daar langs ons uitschreeuwt? +'Vooruit, hond van een Christen,' roept hij naar zijn bourriek.... We +staan niet erg hoog aangeschreven, vindt ge wel.... de kerel verlangt +naar zijn slaapje.... ja, slapen, slapen te kunnen!" + +'t Pad geelde, want het strandzand begon den weg te bevloeren, 't loopen +werd al moeielijk.... zoo dadelijk zou de zee wel verschijnen. Maar de +dokter sprak voort en Johan's oogen begonnen van zelve het kijken te +laten, hij begon meê te loopen in de dommeling van den praatroes. +Telkens voelde hij wel het klotsgeschok van zijn teekentasch tegen zijn +beenen, maar overigens.... Wie zou hij zijn, wat was dat voor een +man?.... + +--"Badaud is een jakhals.... wissen Sie, en Crépieux.... ah bah!".... +Vogel maakte met zijn pijp een zwaai door de lucht of hij lastige +vliegen wegjoeg; het klakte sussend in zijn mond.... hij herhaalde: "ah +bah.... wat kan dat u schelen!".... + +--"Kaap Espartel?.... vier uren hier van daan," gaf hij antwoord op +Johan's vraag.... "altijd als ge den ouden weg neemt, de nieuwe gaat in +drie uren direct naar den toren.... menig keertje er geweest.... de +rotsen waar de toren op staat, zijn rijk voor een snuffelaar als ik +ben.... die vuurtoren.... als ze maar durfden, braken de Mooren vandaag +nog dat ding af.... dom volk, zou amice Badaud zeggen.... maar ik +vraag, wat kan hun die straat van Gibraltar schelen?" + +--"Die toren? wel,.... die is daar gebouwd door een Fransch ingenieur, +voor rekening van een internationale compagnie." + +--"Ja!.... een compagnie.... une compagnie.... wie heeft ooit kunnen +uitmaken wat een compagnie is, vraag zulke dingen aan Antonio.... al de +mogendheden hebben er natuurlijk belang bij dat de vaart door de straat +goed is.... die toren is een internationale behoefte.... voilà ce phare. +Braun, mein guter Wiener, is daar wachter.... Immer ganz allein da +oben." + +--"Holland".... bromde hij weêr met zijn ontevreden binnensmondsche +stem, als hij antwoord geven moest.... "Holland?.... weet niet, denk van +niet.... Holland, zeg.... hoeveel malen zijt ge Holland buiten Holland +al tegen gekomen.... Voor eenige jaren was hier nog een Hollandsch +consulaat.... de Belgische is nog een groote heer hier.... maar 't was +te duur, een eigen consulaat te hebben, en nu neemt een ander 't baantje +waar.... dass versteht sich.... de Engelsche of de Zweedsche of de +Belgische, of een die het op een koopje voor drie, vier landjes gelijk +waarneemt.... hm, 't is een lastig ding.... vraag het maar aan Antonio, +die krijgt al zijn brandewijn uit Holland.... sind ja doch wirklich ganz +gemüthliche leute, die Holländer.... Drôle de pays.... Rooken dat is +goed tegen de vliegen, wissen Sie!...." + +Hij snapte, mopperde, dikwijls moeielijk voor den ander te verstaan; in +zijn damp loopend, blies hij den rook machinaal voor zich uit. + +--"Il y a là-bas du bon tabac, 't is waarlijk een culte bij u, al die +mooie winkels waar tabak verkocht wordt, on dirait des temples!" sprak +zijn stem hoog, met wat kinderlijks in het geluid. + +--"Niet waar? beste tabak." + +--"Ah oui, c'est quelque chose." + +--"Een pijp goede Porto-Rico, hé?" + +--"Daar herken ik u weêr.... Drôle.... Antonio heeft Hollandsche +sigaren.... kosten bijna niets." + +Al het toeschietelijke en kameraadachtige in zijn manier van praten was +als in eens gevlogen. Hij zei niets, stapte voort, of de ander niet +naast hem ging. + +De weg verliep tusschen verweerd rotswerk. Links, waar Vogel sjokte, +steeg de wand rechtop, berghoog. Het Hôtel Central stond daar, een +groote til gelijkend, in de lucht.... "sapristi, wat hoog." + +'t Pad was enkel zand geworden. Tusschen de wallen door kwam het blauwe +water van de baai op-en-op verschijnen, 't geleek een scheur tusschen +heuvels en aarde; een witte schuimstreep, feestelijk als een lange veêr, +wuifde en speelde er door heen. En vèr-in, met de illusie van +stilstaande poppetjes, prijkten een paar boompjes, smal en rood onder de +roze heuvels, nog in najaarsgebladert. + +Hoog de zon. + +Toen was de weg zoo een duin snel afdaalt. Zij waren de muren uit. + +'t Strand lag verlaten. Daar aan de borstwering, een eindje nog langs de +zee, leunde een man met lange, bloote beenen, de schouders op.... 't +leek wel een hoofdloos mensch.... stond hij te slapen? + +De dokter vertelde onverschillig, voor den wind weg. + +--.... "Ik herinner me vooral van Amsterdam een ouden mijnheer.... in +mijn gedachten, rare gedachten.... noem ik hem altijd: le vieux. Tijdens +het congres was ik meermalen zijn gast.... dat was een rooker.... hij +had heel wit haar, overvloedig, als zij zoo zacht, en witte handen, +verbazend blank met rose nagels.... ik zie hem nog.... het lachje +waarmeê hij na 't diner een sigaar presenteerde.... ik hoor nog zijn +zachte stem, als hij, na 't dessert, de mooie handen op zijn buik, +rookende voluptueus en zichzelven bestreelende wanneer hij over zijn +goed land sprak, zacht lachte.... o, suave, wanneer hij Fransch +praatte.... en dan die handen met het rimpelige vel als hij goed gegeten +had.... 't was zoo lekker dommelig.... dikwijls is 't mij later in +Afrika's woestenijen gelukt, wanneer ik na een wilden dag, van +overspanning onder mijn tent niet slapen kon, in te slapen door te +denken aan 't geluid van die stem, zoodat ik 't hoorde.... te denken aan +die witte, zegenende handen, zoodat 'k ze zag.... Le vieux bonhomme.... +om u de waarheid te zeggen.... hij verveelde me soms geweldig, votre +compatriote, wissen Sie.... c'etait trop doux.... Herr Gott, ja.... Eens +herinner ik me, 't was bij een diner met de congressisten.... Gott, +Gott.... wat is dat lang geleden.... mijn gastheer opgestaan, een toost +van hem bij 't dessert.... ik niet alleen had een glaasje gedronken, +wissen Sie.... 't was niet om te verdragen.... ik zat een eindje van hem +af.... zijn mond ging open en dicht, gapen, geeuwen, 't was of hij +sneeuw at, zijn woorden smolten in zijn mond. Toen heb ik mijn handen +aan den rand van de tafel moeten vastklemmen, wissen Sie.... want ik wou +opspringen en hem naar de keel vliegen.... het uitschreeuwen.... mais +criez donc, nom de Dieu.... die goeie oude heer, hij had 't moeten +weten.... We zullen maar wat blijven loopen hier aan de zee, vindt ge +het goed?.... we hebben nog wel den tijd, 't is nog niet éen uur op de +zon, dat klokje staat maar nooit stil.... 't is hier frisch, 't stonk +daar ginds.... poeh.... petit homme, also Sie sind Holländer! Gij zoudt +met mij niet in Amsterdam langs de straten willen loopen, hè.... wat zeg +ik." + +Onverwacht sprak hij op den man af, en evenals wanneer hij zijn +wissen-Sie's uitsiste, loenschte hij om naar Johan, die zijn mond vol +tanden voelend voor dien onstuimigen woordenstroom, de kwelling +onderging van niets terug te kunnen zeggen. + +--"Nun, nun," zei Vogel.... en hij suste weêr klakkend met zijn tong, +"laten we hem met vrede; 't is waar, moi, je suis un homme fini.... +waarvoor en waarom leef ik nog.... is het niet omdat ik te lui en te +bang om te sterven ben?" + +Hij was blijven staan, turend of hij wat zag boven zee, de oogleên in +peinskringen om de oogen gekrompen, met een schuine vouw hing 't vel uit +de kas, drukkend het bovenlid neêr; wat waren zijn pupillen zwart, +verdonkerd nog in de staring, als een inkijk in zijn duister binnenste; +het blauw er om heen brak onder de dichtrimpeling vanonder de +oogharen.... zouen die oogen niet zoo zijn als hij gestorven was?.... +Neen, dat was geen man die om meêlij bedelde. + +Ze stonden beiden gezicht in gezicht. Stilte van een warmen slaap was om +hen.... hoog de zon. Een blauwe rookgulp wolkte achter de snor van Vogel +vandaan, vrij van achter de gulden tralies der knevelharen: lichtend +wittig dan het licht in, stuivende pluisjes zondamp dan de ruimte door. + +--"Wat is rook toch een mooi ding, hè!" zei Vogel.... "ach, Herr Gott, +da fang ich wieder an sentimentalisch zu werden." + +Ze stapten weêr verder. + +Naast hen lag de baai blauw-uit, vlak gestrekt in zonnige rust. 't Water +ebde. Loom deinden de lange waterbanen, rimpels en niets meer, +onverwacht als denkplooien komen in een effen voorhoofd, kwamen ze op +uit 't kalm soezende nat, met lange schuimuitkruivingen, bewegingen van +zachte zwemmers, meeuwveêrwit aanscheren. Maar op het zand plaste het +water uit tot een plots-kokende waterborreling, even kwaad, dan zoog en +trok de baai zijn banen achteruit, pareling nalatend op 't strand, als +bronwater op de tong, in een gisting van geruisch. + +Aan den overkant lag blank, met een kerkspitsje laag, vaag een wit +menschendorpje, aandommelend met zachte spiegeling onder den wal.... het +vaste land weêr.... Europa.... maar verdroomd achter 't licht. Rechts, +een bastion in zee, Gibraltar's dreigende torenschim, en met een sprong +der oogen het waterblauw, de straat, over, de toegankelijke straat naar +de onbekende groote en diep-in geweldig-lichtende Middellandsche zee; en +dan de rood omsnellende heuvelreeksen.... Afrika al.... woningloos.... +vèr aan den duizelenden horizon het gesilhouet van den Atlas, +berg-ijs-blauw.... en vlak hierbij.... duinen.... wit zand met twee +schrale boompjes als witte berkjes.... begoocheling van eigen +stranden.... woestijnbegin en thuis, en dan een dadelijk verschrikkelijk +gevoelsvisioen van dorheid en dorstlijen. + +--"Ongeluk, 't is een ongeluk," zei Vogel, en 't klonk als een +jammering in den wind, "een groot, goed mensch geboren te zijn." + +Hij lachte luid na, even schril: + +--"Vraiment, c'est du Sophocle.... waarom niet?" + +Zij liepen over het natte en donkerder zand door de waterkeering +verlaten. Het strand deinde onder de stappende voeten. + +--"Des bêtises, wissen Sie, maar dat is toch erg, gehoond te worden tot +het laatste, te moeten verdwijnen, zonder dat vuile, krieuwelige tuig, +mijn innige verachting in 't gezicht te kunnen spuwen. O, ce Crépieux!" +en zijn knorrige stem was met vocht beloopen, "hij is me de baas." + +Ze liepen. 't Zand lag in lange ribbelingen; op de aarde, als op een +reuzenschaal had de zee den geleidelijken achteruitgang gemerkt van het +almaar ebbende water. + +--"Vergeef me," begon hij wat weeker, "wat kan het u schelen als ik naar +den grond ga.... ça arrive.... n'est-il pas que tout existe pour faire +penser?.... maar och, ik zou willen nu, dat ge me gekend hadt, +vroeger.... en waarom?.... dat ge wist hoe mooi ik begonnen ben.... Bah, +wat brandt dat water daar fel in mijn oogen".... Hij spoog op 't zand, +den mond vol speeksel, gaf een veeg langs zijn snor met den rug van zijn +hand. + +--"Attendez!" zei ie, "mijn pijp is vuil." + +Hij stond weêr stil. Johan met hem. Vogel bukte naar den grond, zoekend +een stokje of een strootje of een verloren veêr. + +Het strand blonk nog altijd verlaten. Heel in de verte leek het wel of +er menschjes liepen, donkertjes onder de ietwat al dalende zon. Walmpjes +wind doesden breed aan, op de tong verziltte het speeksel, en een +benauwde nicotinegeur ging om de pijp van Vogel. + +--"Daar," wees Johan naar den grond den dokter aan, die laag, bijziende +als hij was, met de handen scharrelde. + +--"Daar, neen, die is te kort." + +--"Is die goed?" + +--"Merci." + +Ze kwamen beiden op, Vogel even kreunend. + +--"Badaud?" vroeg hij, met zijn pijp onder zijn oogen peuterend, "hoe +vindt ge Badaud.... kolonel.... geloof er maar niets van.... de la +blague.... ach, Badauds kunnen alleen zwakkelingen als ik ben kwaad +doen, wissen Sie.... maar Crépieux.... pas op de Crépieux." + +--"Zoo," zei Johan, zacht meêgaande en proevend uit den klank de +bedoeling. + +Stom was hij naast den dokter blijven loopen. De kleine +vertrouwelijkheden van dien man, van wien hij voelde hoe hij onder de +zon al in den dood leefde, bleven in hem vallen en brachten meê hun +eigen zwarte beklemdheid. Hij liep naast Vogel, soms met het +onpasselijke gevoel dat angst voor iets onbekends geven kan, iets dat +men uit zou willen spuwen, zoo kropt het in de keel, en dat men maar +niet van zich af te zetten vermag. Hij bracht zijn handen aan zijn zij, +instinctmatig, als om zich zoo bij elkander te houden. + +--"Laten we teruggaan," sprak weêr in rookdamp, Vogel.... "'t is half +twee.... hoor, de muziek is boven." + +Schaduw sloeg al voor hun voeten uit op 't korrelglanzende zand, schaduw +als van dwergmannetjes. Het zachte branden van de middagzon prikte Johan +in den hals nu. + +Ze gingen. Vóor hen om de kromming der baai praalde de stad in 't op- en +uitgestapel van haar bordessen, met het optronende hooge huis, +zonblokkend op de schroeierig roode rotsen. Gelijk een star maanvisioen +verscheen Tanger boven de blauwe pracht van het soezende water, onder de +luchtblauwe overspanning van den wijden hemel. + +Beneden donkerde het havenwerk, rommelig, maar verlaten van drukte; een +keikleurige pier stak het water in, en de Moorsche lichtervaartuigen met +de dwarslijnen van hun ra's met gereefde zwarte zeiltjes, guirlandeerden +er tegen de vuil-blanke onderste huizen van de oude stad. Maar zie, +lager naar het strand, daar was al beweeg van omloopende figuurtjes, +wittigheidjes van burnous en kleurtjes van kaftans. Ze gingen schichtig +de walstraat in. + +Buiten de baai, in de wijdweg blauwende waterruimte, van +plezierscheepjes scheen wel, witte zeiltjes.... twee, drie, vier, als +driehoekige vogelvlerken. + +Maar uit het stil stralende stadje zoemde, en al dichter en duidelijker, +het openluchts-joedelen van een herdersfluit, woestijnmuziek, en toen +aangedragen op den wind, het ondergrondsche gebom van een geslagen trom; +'t woei weêr weg, maar jagen kwam een wilde snerp, dol geworden, zich +opslingeren in de lucht. + +--"Ik vraag mijzelven af," ging Vogel voort, "waarom toch vertel ik u +dat alles, aan u, dien ik voor een uur nog niet kende.... steun +zoeken.... zwakheid van me.... 't is waar, ge hebt geen kwaad +gezicht.... laat kijken.... dat bedriegt wel.... dan.... gij zijt een +Hollander en ik ken uw land tamelijk wel, votre drôle de pays," begon +hij weêr te schimpen. + +--"Ge schijnt erg in uw schik die uitdrukking gevonden te hebben," liet +Johan merken dat hij geraakt was.... "of, en dat is niet aardig, ge wilt +twist met me zoeken." + +--"Waarom?" + +--"Omdat ge nu al zoo dikwijls hetzelfde zegt." + +--"Ah bah! zet er u toch geen gal van, jongmensch.... 't is om te +lachen.... lachen, lachen.... meer waard dan de vrees, die de +patroon.... pardon.... monsieur Crépieux, ons zooeven aanprees.... leer +lachen.... Bah, daarvan komt al mijn kwaad.... ik deed het nooit +genoeg.... Zeg zelf, wat baat het mij nu, lachen te kunnen.... en wat +scheelt het een ander als ik vroolijk ben.... u, par exemple.... over uw +Holland, en pour cause...." + +--"Dat doet me zeer." + +--"Allons donc, 't is de moeite niet waard." + +Met de zon in zijn nek, begon er kwaadheid in Johan te schroeien en hij +flapte uit: + +--"Ik wou dat ge uw mond hieldt." + +--"Dat zegt monsieur Crépieux ook, ha!" + +--"Ge kent mijn land niet, al denkt ge 't, gij hebt niet het recht met +mij te spotten." + +--"Allons donc, votre Hollande est tout bonnement un pays fini." + +Vlàn! als een klap in 't gezicht, ontving Johan Vogel's onverschillig in +den wind gegooid oordeel. Hij had een twist, een kibbeling verwacht en +gewenscht, maar nu dàt, als 't eindbesluit na een lange redeneering +sloeg zijn kwaadheid stuk. En het was of er een ander naast hem sprak, +toen hij zijn eigen wrevelige stem hoorde zeggen: + +--"Ge liegt." + +--"En waarom?" + +--"'t Is niet waar." + +--"Ah, jongmensch, ik weet het heel wel.... ge zijt artist, et tous les +artistes rêvent aussi un peu la gloire de leur pays.... maar zeg, waarom +zou ik liegen, waarom u plagen, wat kan het u schelen, herhaal ik, wat +ik meen, ik.... ik die de gewoonte heb gekregen alles luid uit te zeggen +wat ik denk.... waarom?...." + +--"Waarom? waarom? weet ik het?".... zonder het te willen deed Johan +Vogels stem en manieren na.... "gij die...." + +--"Ge durft niet.... omdat ik een verloopen kerel ben, wilt ge zeggen, +is het niet zoo? wat is de waarheid eenvoudig, niet waar?.... ik wou dat +dat water niet zoo helsch glom.... maar, petit homme, dat maakt het mij +juist zoo gemakkelijk te zeggen wat ik denk.... où est donc votre +fameuse intelligence?.... menschen als ik.... zijn als groote gekken, +wissen Sie, ze hebben niets te verliezen, ze hebben niets te bewaren." + +--"Verdomme," vloekte Johan.... en hij zei maar wat. + +--"Wat, wat zegt ge.... goeie individuen.... maar zijn die niet +overal.... onder de.... Dinka's, onder de Hongaren, n'importe.... waarom +dan niet in uw Holland.... sans doute, 't is là-bas als in mijn +uitgeblonken leven.... vonken nog.... ah oui.... opflikkerende +vonken.... des morceaux de pensées.... maar het lichaam.... wissen Sie, +la masse reste inerte, frappée d'apoplexie." + +Wederom moest Johan maar wat zeggen, verslagen. Wat te antwoorden aan de +driestheid van zoo'n naren kameraad, die in de vernietiging van +zichzelven, den ander te treffen wist in zijn ongelukkige origine. + +--.... "Waarlijk.... ge hebt gelijk, waarlijk, das bewegt sich, ça +existe, 't maakt leven.... jawel.... als deze zee, wissen Sie, die maakt +ook leven.... hoor.... maar in waarheid beweegt het water niet, water is +traag, voortgaan doet het niet.... 't schommelt, 't schommelt.... +uit.... thuis.... un songe.... begoocheling van beweging...." + +--"O, we hebben nog kracht, we zullen nog veel.... we zijn nog rijk." + +--"Steinreich, niet waar?.... Zijt ge 't bij geval zelve?.... Herr Gott, +noch einmal.... daar weet ik van.... rijk.... waar is dan toch uw +rijkdom.... une tradition.... als uw heele bestaan là-bas.... Rijk.... +des vaches.... voilà une trouvaille." + +--"We hebben nog, we hebben...." + +--"Wat?" + +--"We hebben nog groote artisten, par exemple, tout le monde le dit...." + +--"Jessus...." hoonlachte Vogel met zijn hand aan zijn oor.... "daar heb +je den ouden heer weêr.... hm.... hm.... een volk dat groote artisten +heeft is zelve groot.... want de artisten komen toch uit het volk.... +qui le dira, je demande.... Hij heeft ze mij genoeg aangeprezen, uw +artisten.... le plus fameux.... une femme, n'est-ce-pas? et.... mais ce +sont des vrais Mormones là-bas.... Drôle de pays.... dat is er van gaan +houden zoetjes gekitteld te worden...." + +--"Ik waarschuw u, mijnheer!" + +--"Dreigen geeft niets.... dadelijk doen.... nu is 't al te laat.... nu +zijt ge alweêr wat kalmer...." + +--"Petit homme, petit homme...." vervolgde hij, gemoedelijk lurkend, +"zet u er toch geen gal van.... à quoi bon?.... voorheen heb ik ook wel +eens gedacht, sprekend met een goed mensch là-bas, dat uw vroeger zoo +sterk, zoo springlevend volk zichzelve suicideerde, bewust, omdat 't +niet anders kan.... maar 't is niet waar.... wissen Sie.... comme moi, +traînard.... oh! ik weet wel.... ah, bah.... gaan we maar weêr naar +boven.... even aanloopen bij Antonio en daar, wed ik, offreert ge mij +een glaasje.... drinken, een sigaar in de zon rooken.... voilà, mon +cher, voor 't oogenblik, absolument quelque chose." + +Hij had Johan onder den arm genomen, maar die, wrokkend, zei: + +--"Neen, daar houd ik niet van, ik loop liever los." + +En de zee verdween. Daar op de borstwering leunde nog altijd de man, of +hij te slapen stond. + +Van-om de haven daalden nu veel menschen: vrouwen bij tweeën tredend, +spookrecht in hun omsluiering; sommigen hadden een ronden bobbel +uitpuilen van achteren, door het onder de doeken op den rug gedragen +kind; en heeren, kalm loopend, ook in omsluiering tegen de +zonnebranding. Veel mannen, werklichamen, kwamen op hooge naakte beenen +aan, die ze uitwierpen, neêrspalkend de voeten in de smakkende muilen; +scheenspieren spanden taaie vezels onder kuiten als van hard hout. +Forsch met de armen zwaaiend, weken zij den hoek om en de walstraat in, +dadelijk kleurend in samenlooping, of gingen den buitenweg op die achter +de muren cirkelt rond de stad. + +Johan en de dokter liepen meê in de walstraat, maar Vogel, thuis, sneed +al gauw een zijsteeg in, en ging toen links en rechts, wankelend over 't +lastige pad als een dronken man, in zijn pijprook schier dravend. +Ternauwernood hield Johan hem bij. Langs versch gekalkte, met oker +besmeerde muren gingen ze, lage slopjes door, nauw en gedrongen in +gelen schemer, soms pakkend op een hoek een worp zonlicht gelijk een +neêrgeschoten pijl. De straatjes volgden elkaâr, vaal als harpuis of +wittig van wanden, bespat, bedrekt, waar een oud geluikt raam en op de +ribbels met zand bestoven, soms met kruishouten dicht was; over een weg +vol gaten struikelde Johan met telkens zwikkende voeten den dokter +achterna, hoog en laag door de drogende modder, over struiken en groen, +bossend en bezemend overal, vegeteerend in den vruchtbaren +zonne-schemer. + +--"Loop toch wat aan," riep Vogel. + +Dan gingen ze voorbij een kleine deur en met een snellen inkijk zag +Johan als in een droom, er een vrouw staan in een hemelsblauwe pantalon +die uitpofte, opgeblazen scheen om de dijen, maar om de enkels straks +was. Zij hing kleêren over touwen te drogen, hief de armen boven het +hoofd op, het zwarte vestje plooide langs haar borst, soepel in 't witte +onderhemd. Kin en bovenhoofd had ze, als bij een gekwetste, in doeken +gewonden, aan haar voeten graaide een kind over den vloer van gebakken +steenen en spartelde met de naakt-blozende beentjes in de lucht. +Verderop verliet een Moor zijn huis, overstappend het drempeltje, +neêrbukkend uit het lage kozijn, met een verstoord kijken ging hij +norsch voort. En een schrale Hebreër, schriel-spichtig van kop, met een +pluizigen en wormstekerigen baard, die een oude vijgenmand aan een +touwhengsel in den knik van zijn arm had hangen, die een tooneelachtigen +wandelstaf telkens tikte op den grond, liet hen voorbijgaan, groetend +beleefd met de hand op zijn hart, door de looze oogen nieuwsgierig +vragend: "wie zouen dat zijn?" + +De muziek wandelde, scheen wel, oproepend door de stad. Onverwacht, +gelijk aanwaaiing van tocht, zoemde bij wijlen het schreien van de +verre rietfluit, en dompte het geboem van de gong; het was met den +vinger aan te wijzen waar de muzikanten liepen. + +Vloekende, van binnen nog kwaad, strompelde Johan achter den dokter aan, +die zwaaiend met één arm, met langere beenen harder loopen kon. + +.... Duivelsche vent, dat noemt zich òp en wat kan hij nog hard +loopen.... Kijk, zijn eene schouder is hooger dan zijn andere.... en een +neiging kropte in Johan's keel om Vogel uit te gaan jouwen, onder het +loopen hem na te schreeuwen.... Zeg, struikel niet over je scheeve +hakken! zeg, trap niet op de randen van je pantalon! Sapristi.... daar +kon je op loopen, dat klonk als een deuntje.... trap niet op de randen +van je pan-ta-lon. + +Nog een hoek om en weêr een bocht. Vogel gaf een ezel die in 't straatje +graasde, een stoffig-klinkenden klap op het kruis, 't beest sjokte uit +den weg.... toen, een eindje snel dalend en ze waren als neêrgevallen +midden in de straat, in eens herkend, die van 't Kleine naar 't Groote +Zocco gaat, en waar onder de zon de drukte in de breedte drong. + +--"Te laat voor Antonio," zei de dokter, even keerend, "de muziek is +achter ons, boven, hoor maar!" + +Dof, in een breede uitrolling van een geluid dat veel lucht verzet, +dichtbij gehoord als na-dondertjes over wolken vertuimelend, bonsden nu +de slagen van de donkere trommel: boem, boem, boem, gronderig onder het +neusachtige getoeter van de klagelijke klarinet.... hoor!.... dat klonk +als een melodietje, almaar dezelfde vijf, zes nootjes, je zou ze kunnen +teekenen, het overspringen van de krijtende klankjes, een lijntje als +een snel bliksemstraaltje, zigzaggend, en dan den gillenden snerp, +recht. + +Een keiige vloer, baande de straat op; drukte joeg onder de huizen, +storend telkens de eenzelfde beweging van kalm opgaande menschen. Aan +weêrszijden der straat winkeltjes; tusschen de lieden door zag Johan +weleens een koopman gehurkt zitten op zijn mat, in de schaduw en aan 't +rooken alsof er in de wereld niets anders was te doen, keek hij uit +stil-bruin, doffige oogen den voorbijgaanden menschendrom aan. Op de +platformen boven de winkels stapelde veel opgeborgen pakhuistuig; manden +en tonnen, vervreten door regen en veel zon; hooger stegen dan weêr +muren naar het blauw.... Daar gaapte een zwarte hoefijzerpoort over de +hoofden.... van een hal, leek wel.... en kijk, daar puntte de hellebaard +op van den marabout.... van dien aansteller in zijn splinternieuw oranje +theaterpak.... den heilige met zijn gemeene, branderige oogen.... Zie, +hoe dat ding gepoetst was en blikkerde in de zon.... Die vent liet zich +teekenen.... dat had de gids verteld.... Een Belg had eens een +schilderij naar hem gemaakt.... een heel duur.... dat weêr had Antonio +verteld.... Hè.... wat rook die Arabieren-rug daar vóór hem.... +muskus.... en uitwaseming van sterk vleesch.... 't stonk wild.... + +Zij liepen al onder den walmuur, nu aan het Zuidwesten van de stad. Ze +gingen de straatpoort door. Daar zat zoo'n gestrafte dief, de oogen +verschroeid als bij een blind gebranden vink, in den zonnigen post, +onder de deur weggedraaid op sterke scharnieren, zijn godsdienstig +deuntje te zingen. En Johan moest neêrzien op zijn dood gezicht, +achterover met den jammerenden mond. + +Tusschen de fladderende, kleurende en lawaaiende drukte gingen de beide +Noordmannen, bijna schouder aan schouder, meê op den rhythmus van de +veelvoetige beweging. + +Tusschen de hooge walmuren onder het Kasbah liepen ze als door een droge +vestinggracht. Hoog brokkelden de zon-oude steenen der kanteelen als een +hoekig plooirijgsel onder de glinsterende lucht. Bossen wintergroen +onkruid pruikten uit de voegen, slierden er langs neêr aan de roestrood +harige wortels. + +Nu, als tot een bastion, dijde de gracht uit. Smeden hadden er hun +werkplaatsjes gemaakt in de uitpuiling van de muren. Een, gebukt boven +den op zijn knie geknikten paardepoot, de fez achterover tegen het +afvallen, hamerde het glimmende hoefijzer vast. + +Toen, zooals water persend gaat door een duiker, drong de drukte samen +en het enge Zoccopoortje door. Zij waren buiten. + +En in Johan's oogen klaterde hel het zonneruim van het groote Zocco. + +Het marktveld, beginnende met zware aarde, uitschuivend zijn drekkige +heuvelgronden, rommelde van volte, krioelde van zich weghaastende +kooplui. Links daalde de volte in de stadsmuur-schaduw, of was daar de +markt nog in vollen gang; maar rechts rezen de terreinen in +amphitheaters stijgend, en stonden daar beplant met stralende gestalten, +met rijen van sluier-vrouwen. + +In het dal-midden, waar onder het aantreden naar de rijen, de vloer +telkens bloot schoof, in sombere lijnen als versch opgehaalde ploegvoren +onder het neêrschuinen van den lichtvloed, golfden en sleepten de +loopende witte plooien door 't bonte lawaai; maar hooger schaarden zij +zich saâm, blinkende stil, tot een volk wel, in de zon-atmosfeer. + +Tot waar de helling het hoogste tegen de rimpellooze lucht aanging, +stonden zij, beeldjes achter eveneensche beeldjes; tot onder de heggen +van het kerkhof: aloë's, die ratelden van groen licht op hun +vervaarlijke stekels, die slurpten in hun schaduwen het hemelblauw en +waar bovenuit, zooals een toren steekt uit een stad, een gladde obelisk +steeg gelijk een naald stijf verstorven licht achter den rouwwaaier òp +van een eenzamen ceder, stonden de stille vrouwen in het al-parelend +warm blank van hun bezonde gewaden. + +--"Waar blijft ge toch?" riep de dokter, vooruitgeloopen, naar Johan. + +--"Maar kijk dan toch!" + +Gelijk een schreeuw die plat slaat tegen de ruimte, hoorde hij fel zijn +eigen bewonderend roepen en om zijn slapen ging een blaaskou van +sidder-wind. + +--"Wat?.... daar?.... vrouwen, die als wij op 't weggaan der gekken +wachten, die, dàar en daar met die groote hoeden, dat zijn vrouwen van +Tetuan." + +Vogel had zijn pijp in de hand genomen en wees er mêe naar de +stroohoeden, gelende dingen tusschen de lichte gewaden. + +Zij begonnen den weg te loopen die als een waterbaan tusschen landen de +terreinen inging. Johan rechts boven zijn oogen almaar ziende in de +zonnehal het statuen-staan van de witte vrouwengelederen. Hard voelde +hij den straatweg aan, maar langs de kanten was het slijk hobbelig, als +water in kabbeling bevroren, bekuild, betrapt met de duizenden gaten van +de voetstappen. In de vlucht van zijn oogen bleven de heuvels opglooien +uit den weg: aarde-voortschuiving onder de menschjes, modder verkorst en +molmend in de zon, maar omgewoeld weêr, zwellend van sop en +onderaardsche kleuren; vertrapt gras en verrotte rommel, saâmgekloend +voederhooi en geknakte stroohalmen die als gouderts-aderen flikkerden +onder de zon in de rosbruine gronden; disteltjes en eendaagsch onkruid, +schijngroen, onder het geschuif en gewrijf der almaar haastende voeten +van de mannen die gingen met veel lawaai. + +Doch zoo een vlieg dwaalt naar de kaars, keerden Johan's oogen van zelve +naar de vrouwen, staande in éenzelfde berustende wachting, breed-blank, +staand-blank; elke gestalte besterd voor 't hoofd, fataal, met een +blauw-zwarte plek: de donkere plooischaduw voor hun oogen. + +--"'t Is mooi, zeg!" + +Maar de dokter ging het pad op, zei niets, smal, als verkrompen +plotseling in zichzelven, en Johan, met de armen uitbundig geworden, had +het genot in zijn oogen vochtig, wiegde zichzelven mêe op den +schommelenden hooggang van zijn klimmend lichaam. + +Overal haastte zich de marktdrukte henen, langs de straat, overstekend +de straat en weêr kuilend de modder, voorbij hem, achterom hem, in +plasserig beenenbewegen, links in een almaar gebuk naar den grond, bezig +met de overgebleven koopwaar. Het was daar een geploeter van veel handen +uit wijde mouwen gestoken, zonbruine handen sjouwende goorgele korven, +soepel vlechtwerk aan groote biesooren op en dan ze tillend met een +hijsch op de ruggen van de suffende ezels, of ze bij tweeën langs de +basten in evenwicht ophangend, en klaar er meê vort, hooger op, lager +in, altijd aan den gang. En onderwijl schreeuwden ze onophoudelijk, +zetten de lucht om hen aan den gang meê; kruisschreeuwen, +dwarsschreeuwen, keelstooten vol haast en zangerige uithalen van hun +winden woestijnstemmen galmden over de glinsterende hoofdbollen, +grommelden over den rommeligen grond onder het gebuk van de gekaftande +mannen door de zon op de ruggen geslagen, krijschten met het gedraaf van +de geburnousde mannen met kanten zon om kopkappen en mouwplooien;--een +volksrommel, uitlichtend zóo tegen de groote stille schaduw van den +stadsmuur, die plotseling als met een snede, achter de veranderzieke +lijn van het licht, de kleur en de beweging in zich dronk. + +Zij gingen. + +Links nog, maar meer van hen òp en verder, was het veld begrensd onder +de tintellichte lucht. De zonnebol, door Johan schuin boven zich gevoeld +als een brandend groot vuuroog dat het gezicht wel verschroeien kon, +vernietigde het blauw der eindeloosheid rondom zich wijd, wijd-weg. + +Dáar uit de laagte optrekkend, zette de muur zich voort tot een +buitenwijkje in huizingen zonder vensters, hoogblokkend, laagblokkend, +verkalkt, verweerd, vervuild, éen geworden met den grond. En overal er +tegenaan was hokwerk, schuurtjes, stallinkjes van rotdonker plankenhout, +en vlechtwerk als hutten voor de zon, schaduw-inkijkjes gevend, en +overal beplekt met kalm zittende witte menschjes aan den rand van de +markt. Ginds een stuk steenvierkant, afgeknot gelijk een vervallen +toren, met schietgaten; er naast en er tusschen verliepen hegjes van +gevlochten riet, de pluimen nog in de lucht. Maar in 't midden van den +huizentroep en het hoogste, was een oud, opgeknapt huis, wittig, met een +pannendak en een jalouzieënraam, en op den muur een schreeuwende moderne +reclame, zwarte letters: "The Britannia." + +Zij drentelden langs een lang huis onder een regenoverhuiving, aan den +straatweg gezet gelijk een loods, met halfronde, open poorten, als een +karavanserai omstapeld met rommel en markttuig. Een knutselige +betimmering van paalwerk en met veel zorg gevlochten takken zag hij als +een loofhut tegen den muur gehecht, aan alle kanten open.... Zou dat de +Beurs kunnen zijn?.... koopmannen zaten er te rooken of kopjes thee te +drinken.... handelend misschien wel.... ze konden van-op hun matten de +geheele markt overzien. Een Arabier als een vredebode met een palmtak in +de hand, blikte uit den inkijk. + +--"Daar ga ik morgen zitten werken," zei Johan. + +--"Ge zult het wel laten." + +Vooruit ging de straatweg het terrein uit-enden, bolde om tusschen de +glooiingen en de diepte in, niet meer met de oogen te volgen. Rood loof +van den achterweg kroonde er boven. + +En ze liepen naar het einde. + +Rechts streken de heuvels naar het kerkhof op, achter zich een dal +latend, waar de hemel als in neêrviel. En daar tegen de helling rezen +stijf en onthuis, in een begonnen begrenzing, gelijk de eerste huizen +van een nieuw ontworpen wijk, het Hôtel de France en de Spaansche +Fonda:.... dingen van speculatie, overbodig en karakterloos uitziende +dingen, die ge wel zoudt willen omschieten, zoo onnoozel stonden ze daar +het uitzicht te bederven.... Het eerste was een villaächtig heerenhuis, +damesgezichten plekten er uitkijkend voor de ramen, een kellner.... hoe +kwam de snoeshaan hier.... met een wit voorschoot als een rok om zijn +beenen, stond er strak in de deur.... de Spaansche, meer armelijk, als +stal en koetshuis van het Fransche. + +--"Dàar!" wees Vogel tegelijk omkeerend op het pad, "logeerde ik +vroeger.... nu ben ik in pension.... ginder, buiten den muur.... ook bij +een Spanjaard.... daar slaap ik met nog een ander, een photograaf, een +luien Zwitser, nog luier dan ik, in een klein kamertje.... 't is er wel +wat benauwd, maar 't kost niet veel.... ah bah.... 't slaapt wel.... als +ik maar slapen kon." + +Ze gingen terug, den weg weêr af. + +Nu vóor hen, zooals een tunnelopening in een bergwand een spoorweg +eindigt, boorde het Zoccopoortje waar ze waren uitgekomen, den muur in. +Rechts kleurden kramerijen, zadels, kameeltuig. Maar uit het gat der +poort drong in durende botsing het helle in- en uitgaan van de bezige +mannen, en van de vrouwen, die gesloten aanwandelend opklommen naar de +wachtende witte gelederen, blinkend nu links boven in Johan's oogen +onder de glorie der zon. + +--"Hoort ge nog muziek?" zei Vogel. "Kijk.... dàar, dat zijn de fameuze +tuinen van den Zweedschen consul.... en daar, waar die man op zijn wit +paard rijdt, de kolonel.... ziet ge hem?.... achter die vier vrouwen.... +ziet ge het?.... een goed paard, hé.... daar gaat de weg naar Kaap +Espartel.... Lieber Herr Gott, als ik nog denk aan Crépieux zijn +schorpioenen.... aartsdomme kerel...." + +Hij wees, maar dadelijk weêr halend aan zijn versch gestopte pijp, naar +'t gekruin van donkere boomen, groen als sombere cypressen met hun +rossig stammenhout. Ze schaduwden stevig onder den schroeierigen opstand +der rotsen bestapeld met de oude stad. + +De volte werd al dunner, de drukte draafde. Kale plekken begonnen te +liggen tusschen de nog groepende menschen, stukken grond bespikkeld met +den afval van den handel. En vrouwen die er pas nog zaten met de +zoor-zanderige voeten bloot, hurkten, rapend de gele waterflesch, den +bast van een uitgedroogden pompoen, naast zich op; dan schikten zij zich +de plooien voor het gezicht recht en stegen ook naar de stilstaande +rijen. Enkelen droegen nog hun onverkochte koopwaar, boenders, +karbiezen, of goudgele kippen aan de pooten saâmgesnoerd, de vleugels +lam hangend, de lellen rood; zij klauterden met de bulten op den rug van +hun meêgedragen kinderen, met hun van pijn luid kakelende marktwaar. + +Hoog en ongezien de zon, zacht dalend. + +--"Voilà!" riep de dokter. + +En als de snerp van een aangeschoten wilden vogel sneed er een blaasgil +recht uit een houten fluit over het Zoccoruim. En een teruggalm, +dadelijk, weêrgeluidde nu van de hooge heuvels: een breede gil groette +wijd, het blanke vrouwenvolk hoogkeelde in éen zonnekreet: + +--"Dzji.... dzji.... dzji-e." + +Door de poort was een legertje uitgedrongen, twee vaandels bukten onder +den boog nu door, blauwbloederig-violet was het eene en het andere van +een gelig schel voorjaarsgroen. Ze verschenen met plotsflappende +schitterlichten op het verguld van de halve-manen. + +'t Legertje bleef met de voorvoeters stil op den straatweg staan. Een +klein troepje in witte boetelingenhemden, acht misschien wel, en nog een +twintigtal waren er donker in dagelijksche kleeding.... Maar de drukte +kwam aandraven al met flakkerend wisselspel van kleur, en het schaartje +ineens omstuwd, verdween voor de naar beneden kijkende oogen van Johan, +die den dokter toen vergetend, aan 't hard meêloopen begon, het pad af, +recht-aan op de zijïge banen der twee vlaggen, trofeeënd boven de +krioeling langs de hoog gehouden stokken met hun gouden sikkels. + +Het hart van den loop nog bonzend, was hij toen middenin den troep +terecht gekomen en had vóor zich een grooten, stroeven man, die half in +de krooken van de violette vlag, den stok tegen zijn buik geklemd hield +en in een gelaten houding stond. Maar overal glurende, glimmerende oogen +in een omstanders-kring, zonkoppen onder doeken gezien, met de tanden +ontbloot door het optrekken der lippen in het zonnekijken en allen +bedonkerd onder de baarden en in de jukken van de wangen. In het midden +blonken de stille witte ruggen van de heiligen.... dat was een vrouw.... +en naast haar nog een, eveneens in het witte boethemd.... de grootste +heur haar hing los, glanzende losgemaakte strengels glijdend langs den +rug. + +De drukte duwde, en Johan kwam te staan naast den trommelslager, bij een +ouden neger, grijzig en krullig van baardjes, wenkbrauwloos, maar met +een vlok als een kuif wol midden op zijn stoffig-zwarten kop.... een +duister oud lichaam in de aschkleurige lappen van een niet thuis te +brengen hemd. Zijn taaie nek werd gestriemd door een vet koord.... kijk, +in zijn borstgleuf hing een amulet, geschaafd was de huid van den ouden +man, die slaande de doffe slagen, boem, boem op een trommel gedragen als +een overlangsche ton, zijn gebarsten lippen breed en paarsch openspleet +in een geheimen lach, zijn oogen in de haarlooze leden rondglibberen +liet, en 't wit er van was roodig. + +Naast hem de pijper onder een witten tulband priesterlijk aan 't staan. +Een mantel van blauwgaren stof droeg hij over den rechter schouder +geslagen, bloot latend zoo den linker met de witte mouw. Statig gebogen +hielden zijn armen de blaaspijp tusschen mond en kin, die half verdwenen +achter een houten schijf als een grooten ducaton er tegenaan geschoven. +En hij blies, hij blies, de lippen gekneld om het enge mondstuk, de +wangen vol wind als twee elastiek appelronde blaasbollen, onophoudelijk, +terwijl hem de oogen benauwd puilden als van een gemarteld man. + +En krijtende om de houten randen van de windpijp, scheurde de snerp +langs Johan's ooren heen, ongebroken, dan dadelijk geknakt in zijn +stijgvlucht door de moduleerende vingers van den muzikant, wanneer hij +de windgaatjes kneep. Krimpend en kreunend, neusklankig, in zijn +houttrillingen oproepend het menschelijke van eene stem, joedelden de +vijf, zes klagelijke nootjes, het melodietje, als een donkere zig-zag en +klangden naar de lichte lucht. + +Vóor den blazer, achterin, voorbij de hooge stijging van de groene vlag, +bewoog een verdolde, schichtige kop vol genezen nerven, een bovenhoofd +gekliefd door de litteekenen van de hakken der zelfkastijding; en een +nek van de kleur als dood loof kwam schudden, door ijzeren +kettingschakels omsnoerd; en hoogeròp zwaaide een hakmes, de blinkende +hellebaardvorm van een moorenbijl. + +Naast achter den pijper zaagde een hand heen en weêr over een snaartuig, +over een rommelpotachtig ding. + +Maar Johan voelde een stomp en toen een ruk aan zijn tasch, hij raakte +naar achteren; een snauw ging recht uit den donkeren baardsmoel van een +wilden kerel zijn gezicht in; twee haatoogen, dat was het laatste wat +hij zag. Hij was 't gedrang uit met plotseling veel luchtkou om zich. + +--"Hoort ge niet, "hond van een Christen," dat ge uit den weg moet +gaan." + +Vogel stond achter hem. + +--"Dwaas, wat komt ge die menschen irriteeren, ga meê, ze komen den weg +langs dansen, daar kunt ge zien zooveel ge maar wilt, kom!" + +En ze liepen haastig, allebeî den weg weêr op.... tot onder de loofhut +waar de kooplui kopjes thee hadden zitten drinken. Nu stonden dezen, +rustige rijken, in het inzicht van het hutje, onder de wijde kappen uit +te kijken. Nieuwsgierigen waren op de tonnen geklommen en op de stapels +koopwaar onder de karavanserai gestapeld, er waren er die om voorbij de +anderen te kunnen zien, den voet vooruit hadden geplant op de ruggen van +de suffende ezels. + +--"Voilà!" herhaalde Vogel. + +Van beneden kwam de stoet al opdansen; en langs de hoogten rommedomme +schalde ten tweedemaal het schelhelle vrouwengehuil, hooguit als +hondenjanken: + +--"Dzji.... dzji.... dzji-e!" + +Over de straat, uit de bont-klimmende omstuwing, onder de wilde +vlaggen-kleuren met het geschitter van de twee gouden sikkelen, sloegen +op en neêr, lichtend en duisterend van uit de verte, haarhoofden en +boven-aangezichten: de knikkende hoofdbollen van de dansende heiligen; +terwijl in 't rechts-alomme het ophitsende gillen van de vrouwen begon +te duren tot een oorlogsgeroep van slagorden, een wolk lichtende +klankpijlen stijgend en vallend onder de zon. + +Laag over het pad snerpte de herdersfluit bezetener, en het triolend +melodietje overschreide er het bange dompen van trommel en gong. + +--"Dzji.... dzji.... dzji-e!" + +Langzaam op, langzaam aan, het stoetje klom, sprong voor sprong, den +grond onder de voeten winnend, in een rechtoppe cadans van het +springende lichaam. Aaneengesloten was het hoopje witte gekken tusschen +het meêgaand gedrang. + +Achter den troep spande de walmuur zijn bezonde baan, lang, strak uit, +ging dan wimpelen naar boven over de rotsen op.... En de witte stad hoog +in de oogen als een pagode gezien onder 't azuur der lucht. + +--"Dzji.... dzji-e.... dzji-e!" + +De gekken naderden aan in eenzelfde dansen; 't hoofd óp, licht; +schouders óp, licht; het hoofd neêr, donker; 't lijf ongezien op de +beenen óp en dan het hoofd weêr óp, en de muziek blazend in de +slingerende halzen óp. Maar de vlaggen stil aanschuivend. Zoo kwamen ze +aan met hun martelgang. + +--"On dirait des kangourous, n'est ce pas!" + +--"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... ijlden de blanke kreten. + +Ze waren tot voor Johan.... bijkans.... nu.... + +En tusschen de voorbijschuiving van het donkere joelende volk zag hij de +hoofden der twee springende vrouwen; toen kreeg hij gezicht op hun witte +lijven met de devoot hangende armen. + +De vèr-affe was teêr en wasbleek onder de serpentbundels van haar +zwart-zwiependen haren. Ze hield de oogen dicht, neêr de rouwfranjes der +wimpers; en haar mond met de bloedlooze lippen hield ze geknepen tot een +smartglimp omgekrompen in de pijnigende inspanning van de jammerlijke +beweging. Maar zij danste met een rein, recht opgooien van haar afgetobd +hoofd in het licht; recht òp den schouderromp met de fijne borstpunten +in het licht; rein òp het witte boetelingenlichaam, en ze viel weêr op +de voeten, den linkschen voet vooruit, klaar al voor den volgenden +sprong. Dan plooide het lijf voorover in doorval met de hangende armen, +en het hoofd dan laag met den daarna zwaar zwart ploffenden haarbos. + +--"Dzji.... dzji.... dzji-e!" + +Naast haar de dichtbijë: een bruin-roode en glimmende vrouw, forsch uit +haar hemd komend, sterk en kort en een beetje zwaarborstig, met een +volkskop onder krioelende haren. En ze ging den zelfden gang maar +gespierder, de ellebogen knotsend, de vingers stompig krom en leêg +hangend, den romp zich overgevend met de schouders. Zoo sprong ze in een +schuin opschokken, persend den buik naar voren, en haar gezonde nek +rimpelde in den opgooi van het hoofd. Zij hield ook de oogen gesloten. + +Daar kwamen de mannen, de witte, achter de vrouwen aan; allen aan 't +springen op denzelfden bezeten lichaams-rhythmus, maar met meer geweld +van leden, spillend kracht met de behaarde en mager-donkere +ascetenarmen. Daar éen met een witten band om zijn stompen schedel +achter de ooren gestrikt, die de glimmende kogels van zijn oogen rollen +liet in den opzwaai van zijn verstarde facie, uitstallend zijn geweldig +gek-zijn voor de joelende meêlooperij. + +--"Dzji.... dzji.... dzji!...." gingen de ziedende kreten. + +Van de beide Noordmannen ging het witte stoetje al af, en nù voorbij de +kleurende en naspringende en meêdansende bende. Het volk begon uit +elkaâr te vluchten, dravende over het zonveld, brokkelig hier, kloenend +daar weêr samen op goede standplaatsen, van waar men de gekken nog éens +zou kunnen naoogen. + +Voorbij ging de trommelman, de grijze neger, die aandriftend, zijn oude +beenen in de hoogte meê opsmeet soms, maar slaan bleef almaar zijn doffe +slagen en lachte almaar zijn breeden, wellustigen geloofslach. + +En de pijper in zijn blauwgaren mantel voorbij als een leviet; uit zijn +wangen vol wind blazende de opwinding den heiligen in de nekken, de +onophoudelijke razendmakende eentonigheid van zijn krijtende +woestijnmuziek. + +Kop voor kop, lichaam na lichaam ging voorbij, òp-neêr, òp-neêr; de +dragers toen voorbij van de schrille banieren, met de handen om de +stokken stil, hoog heffend hun vlaggen met de branderige schaduwen in de +hangende plooien, met de halve manen in vuur. + +De drukte draafde voor het stoetje meê op; het gedrang er achter spleet +al grooter en grooter, de springers waren vaak voor Johan als een +schooltje te zien in hun gezamenlijken opgang, zoo zij zich opgaven van +den grond in d'eenzelfden schok; òp-neêr, òp-neêr. En onder de duistere +voeten dansten dan donkere slagschaduwen over het hobbelige pad onder +den schuinser vallenden licht-overvloed. + +--"Dzji.... dzji.... dzji....!" + +Maar zooals een hond holt om de beenen van zijn meester, kwam nu in +cirkelenden omgang de Arabier met de kerven in zijn voorhoofd en met de +oogen rood beloopen, het legertje omdraven, gaande in wijdgenomen +kringen achter Johan en den dokter om, de heeren voorbij; de +vlam-lichtende moorenbijl hoog. + +--"Dzji.... dzji.... dzji....!" + +Hij torste op zijn rug een lang blok zwart hout als een groote flesch, +als een spitsig aambeeldje van zwaar ijzerbeslag glimmend, en om zijn +doffen nek, draderig van de touw-achtige spieren en aderen, snoeren van +zware ketens, die neêrschakelden tot over zijn buik. Hij hield +hangsloten door zijn vleesch geregen, door 't dikste van het armvleesch, +en hij kreet uit een open martelmond met uitgeslagen tanden, schorre, +zinlooze geluiden. + +Alzoo toegetakeld en rammelend sprong hij, niet voelend scheen wel, zijn +godgewijden last en stampte dan als zich bezuipend aan pijn, diktranende +en donkerroode bloedstralen zijn vaste kuiten uit, die hij doorstoken +had met ijzeren naalden, zooals pennen gaan door een stuk opgemaakt +tafel-vleesch. Weg!.... achter het legertje om.... daar ging hij met +zijn dreigende bijl, licht-flappend in de zon.... + +Hooger danste de troep. Knikkend sloegen de hoofden voort onder den +zweepslag der bezetenheid, weg weêr, donker, licht; òp, neêr, òp, neêr, +gelijk de koppen van riethalmen buigen en zich terugzetten onder het +slaan van den wind; de kronkels vrouwenhaar slierden, de vlaggen +brandden, en krijtend snerpte de houtfluit. + +--"Blijf hier staan," zei Vogel, Johan met de hand inhoudend, "ze zijn +toch dadelijk weg.... zoo gaan ze naar Mekkaenes, van heiligen-graf naar +heiligen-graf, groeiend onderweg in getal, biddend en vastend.... en op +den dag van de geboorte van hun profeet komen ze dan terug, wissen Sie, +na een paar weken, uitgevast, dol gesprongen, complétement fous." + +--"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... groeide het over de heuvels. + +--"Ah bah!" vervolgde Vogel. "Ça me paraît bien un fort bon grog, la +religion.... voilà donc encore quelque chose.... ah bah!" + +Hij spoog op het pad. Johan hoorde zijn speeksel kletsen tegen de straat +en de rookwolk uit zijn mond gegaan, zag hij wegwitten in de ruimte. + +Wijl òver de heuvels doomde het licht. In het holle wegje bobbelde het +troepje gekken; weg sloegen de hoofden, langzaam zakten de vlaggen al +met hun bloederig paarsch en schel voorjaarsgroen. + +En van de hoogten rommedomme ging nu als windgehuil, als klaaggeschrei +van hongerende beesten, het roepen van de vrouwen, die lichtelijk +gekeerd, stonden in het parelend warmblank van hun zonnige gewaden. + +--"Dzji, dzji, dzji, dzji-e!...." + +En de stoet ging weg onder een hallelujah van het hooge geluid, duikend +naar-onder het roode loof met een laatsten blinker op het goud van de +halve manen, weg onder het hallelujah van het hooge middaglicht. + + + + +TWEEDE GEDEELTE + + + + +IV. + + +Achter de heuvelenvlucht van het Zocco was de zon alweêr gedaald. De +lage hemelen langs vervloot het nu al verre schittergoud wijd-uit in +strooken en banen kleur, intenselijk als metalen gebruineerd, geel +koper, rood koper en bleek aluminium; gestolten licht; brandglansen +walmend over dwaalschijnsels en verloren zweemen; en 't hemelgewemel, +dat groende als warrelgevlam van zink en natron, smeltende in veel +heftig vuur. De aarde donkerde snel; gedoofd lagen de gronden onder het +vuren van de lage atmosferen, asschig in de kuilen der dalen van duister +vol, maar op de terreinen hoog, nog gevioletteerd, begloeid door het +lichtrag uit den horizon. + +Langzaam daalde nu Johan naar de stad terug, kalm onder den blusschenden +hemel. + +Hij had dien dag geloopen, veel geloopen maar door, het strand langs tot +aan den riviermond en terug, toen, wat hij nog niet had durven doen, +alleen tusschen de heuvels het land in; alle bezorgdheid en vrees voor +kwade ontmoeting, hij had er niet aan gedacht. En in den namiddag was +hij naar een bekend plekje gegaan, bekend geworden, achter het kerkhof, +en hij had zich neêrgezet daar op het groene veldje, de beenen onder +zich gehaald in een gewoonte-zitten. Het was daar goed, bijna een +thuis, niemand kwam er. Van onder over het pad trok wel eens het lange +loopgeluid voorbij van een muildier met schellen aan zijn tuig, en het +"huï-huï".... van den drijver. Dat was alles. Achter de heggen kon hij +vrouwen hooren babbelen, maar niemand kon door dien gegroeiden muur +heenzien. Andere avonden was het zoo lekker geweest daar te zitten +wachten op het donker; er zoo onbespied lang-uit te gaan liggen, rustend +met al de leden, de armen wijd-uit en de handen open, als een gekruiste +op d'aard, te liggen kijken zoo, tusschen de stekels door, hoe de hemel +somberde. En weêr had hij, terwijl allengs het veldje bleeker om hem +werd en de blaadjes van het ronde kruipkruid blikkerden als schijfjes +geld, de planten-schutting langzaam-aan donker zien worden, +groen-donker, blauw-donker en bister-donker; en nu mineraal-zwart, leken +het wel versteende stronken van reuzige koolgewassen, zoo hard en +fossielig stonden de aloë's tusschen de pluizen van het week wuivende +riet. Maar de vrouwen waren opgehurkt van bij hun graven, hem +voorbijgegaan hoog loopend langs waar hij ongezien lag, daarna was hij +ook opgekomen, om vóor het sluiten der poorten nog binnen te zijn. + +Rondom dauwde van den grond het duister. En het was als een vlaag +donkere regen geweest daar voorbij de stad, die tronend met het bleeke +Hooge-huis, haar steenschijn al verloor. O, de stille avond, de zachte +avond. Beneden lag daar ginds het water van de baai te duizelen, +meêviolettend onder de verre strandheuvels, strekkend hun schuiningen +uit in het weefsel der nachtkleur, lila's en blauwen doordraad met rood +en esmerald. Voorop ijlde de minaret van de moskee de huisblokken uit, +daaronder verzonken in dit uur van het gebed. + +Het was in 's wandelaars hoofd nu een kalmte als voor slaap, nu de +moordende gedachten niet meer jaagden, nu ook de jacht van zijn hart uit +was. Avondrumoer zwom aan in zijn gehoor in een laag spoelen van golven, +terwijl hij ging, ging, aankijkend met de al-leêger blikken, den +al-bedroomder hemel. Langs het kerkhof volgde hij een smal spoor +tusschen de zoden geloopen; het was hierboven kil en woestijnig; lucht +van runderen wademde in zijn ingeadem. + +Staâg tredend de glooiing af, voelde Johan zich loopen als zette een +ander zijn voeten aan den gang. Daar lagen de lastbeesten al neêr, de +pooten gevouwen, saâm kuddend, saâm laag. Eén was er nog tegen de lucht +aan 't opduisteren; of hij mank was, stond de kameel op drie pooten, +gekluisterd, te herkauwen stil met den rechtgedragen kop als een +windvaan voor 't nog-lichte, maar met de hoeven verschrompeld al in den +duisteren dauw. + +Van beneden kwam nu het buitenwijkje opdringen in een gerommel van +plekkerige wanden, en de smerige stadsmuur kartelen uit de diepte van +het marktveld, bibberen uit een dal vol schemer met schemerend beweeg. +Er achter schoven de huizen fosforesceerend onder den vallenden nacht. +Zie, de poorten waren nog niet dicht, zwoelzwart om in te kijken, al +trager gingen zijn voeten nu over de dikke delling van het marktveld, +over den met voetzoolgaten veel bekuilden grond. + +--.... Vandaag veertien dagen dat ik hier ben, kwam even een herinnering +zwerven.... toen weêr vergeten. + +Hij ging over den straatweg, tusschen menschen, met hen meêloopend in de +oplossing van het licht, zelf lichtloozer en vol al grooter leêgte, +gedachteloos, gelukkig zich zoo wegsmelten te voelen gaan. Dat was een +vriendschappelijk gevoel, dat was genotrijk geworden, dat kwam bijna +elken avond weêr, wanneer hij alleen was, dat leêgworden in het langzaam +ontastbaar worden van de dingen om hem heen. Dat kwam schokloos droevig, +zonder smart, als langzaam bezwijmen bij veel bloedverlies, dat dampte +alles weg, begeerten, minnen en haten, alles weg in de éene neiging naar +het weg-willen-wezen. + +Langs hem haastten de gangende steêlui voorbij; enkelen en bij meer; +vrouwen schuivende boven het ratelen der baboesjes, in nachtwitte +omhuiving; mannen stoer en groot, roeiend met armen en beenen voort in +den avonddroom, al verder-op zich meer omwikkelende met duister in dit +stervensuur. Ze verdwenen, klimmend de muren langs naar de hooge stad, +of ze doken den nacht van de poorten in. Daar ging de +sprookjesverteller, gelijk een bekend gezicht in sluimer komt en gaat; +en het vage herinneringszien kwam als een knipoog meê, van dienzelfden +man, den slangenbezweerder.... Avond aan avond had hij naar hem staan +kijken, nooit kunnend scheiden van die markt; een bekend figuur met zijn +tasch was hij er zelve geworden; tot in het late uur doolde hij er, +wanneer het veld blond lag, wijl achter de heuvelen de zon zoo +pracht-stil van de aarde wegboog. Dan stond die man in zijn wit hemd, en +vóor hem kringen van in goor-witte krooken en vouwen verscholen +Arabieren-volk; de voorste rijen gehurkt; hij gebaren aan 't maken met +zijn oud-roode tamboerijn, schuddend de haren, die zwart en lang als bij +een vrouw, en begroezeld met vuilnis waren. Met strootjes om de staarten +aan een pin gebonden, sliertten zijn slangen slap over den grond, +venijn-geel gekronkeld, glibberig languit, schimmelachtige dingen, +onbewegelijk en smerig. Maar de tongpriemen flitsten en vlijmden hun de +harde bekken uit, streelerig, koudmakende wellust-rillingen, wanneer +gaande in kringloop, de naakte voeten van den slangenman, als bezeten +dingen langs hun koppen dansten. Grimasseerend zat het volk dan te +luisteren, knippend de oogjes, klein en sluw, om de wreede neuzen rilde +het, opgegaan waren ze in het voor Johan gansch onverstaanbare verhaal, +dat over hen als uitgeniesd werd. En ze begonnen te prevelen en zij +kusten handen en gewaad zich, zoodra maar Gods naam werd aangeroepen op +den slag van de tamboerijn.... Nu draafde de man zijn loop naar huis, +geweldig spannend den grond onder zijn koelbloote beenen, de ben met +slangen hing morsig achterop zijn rug, een flard van zijn wit +toovenaarshemd hing onder den grauwen lapmantel neêr.... weg.... weg.... +rinkelde de tamboeriene langs zijn zij. + +Johan slenterde over het veld, dat kreetloos leêg werd, waar ezels en +honden begonnen te dolen, snuffelend met de snoeten in 't schuifelende +afval, schaduwen. Toen vond hij zich loopen op de straat achter twee +heeren aan, hij tredend bijna in den stap van hun voeten. En in zijn +hoofd redeneerde even het bewustzijn, hoe hij wel loopen kon blijven tot +die twee naar binnen gingen.... Dat was tijdig genoeg, nog wel een uur +vóor het diner.... Zoo bleef hij een eindje achter de schommelende en +schemerwitte mannen stappen die toonloos liepen te babbelen naar elkaâr, +lip-redeneerden in den avond, onder de ommekappen, onder de koepels der +tulbanden vandaan, zonder gebaren, de handen over elkander in de wijde +mouwen. Een eindje vóor de poort keerden zij om en hij deed eveneens, +liet ze voorbijgaan en keerde toen weêrom, achter hen aan loopend, +drinkend den avond en het zieltogen van den dag. Soms voelde hij wel +klein pijnlijk, licht in de verdooving van zijn wezen zijn maag gaan +hongeren, maar dat was niets, er woelden soms krampjes van binnen, 't +was of er telkens wat van zijn lijf afging en in den nacht vervloog. + +Zijn kijken ging nu de leêgte tegen van aarde en hemel. Daar voor het +nog smeulende lichte, stompten als hooger grond de Engelsche en +Spaansche fonda's op, voor het groenige geviolet van de benedenlucht. +Maar westelijker was een haal geel gebleven, scherend bijna de +vluchtende terreinen, een haat-flakker van brand nog in dat eindelooze +gemurmel, in den sluimer der kleuren, in de al-aarzeling der +ommerijzing. + +Hoe langs hoe meer dampte de violette nacht de vallei vol. Onder Johan's +tam-gaande voeten verzonk de straat, die aanschokken bleef als met +wiegetred zijn slaapzieken wandel, voortvloeide onder de andere +wandelaars, de weinigen die, vreemde en verstorven wezens, doolden, +gingen. Voor hem uit bleef het praten van de beide heeren gaan, +vlinderende alleene-stemmen boven den grond, en ginds daar glimmerde de +weg nog wat, waar de straat opging tusschen de glooiingen, onder het +weeë schijnsel van de zwijmelende kim. Daar, in een gewissel van oude en +verbrande gelen, verrookt, verroost, leefde nog licht boven het donkere +alomme, luister ver-af, vaag als schijnsels die komen in de gesloten +oogen na lang staren in het licht.... Want alles schijn en geen leven +meer.... schijn, schijn, in de groote onstoffelijke wereld nu.... + +Johan ging terug, met de heeren mede, een onnoozele wel waarvan de +gedachten verloren zijn, met als rook boven in zijn hoofd, het vaag +gevoelde weten van zijn nog vlottende eenzaamheid. + +Hij had dien morgen een brief ontvangen over Gibraltar, Engelsche post, +de brief kwam uit Parijs.... Frits was in Parijs.... die brief had hem +beroerd met een plotselingen terugslag naar zich zelven. Hij had hem bij +zich gehouden, er meê loopen praten in zelfgesprek, hardop vaak praten +met den verren schijver. Hij had hem aldoor gevoeld zoo kreukelend in +zijn hand, daar gevouwen in zijn borstzak; de brief, de brief, dat was +het ding van zijn dag geweest. Iets heel vertrouwelijks was het +geworden, dat fladderende van-uit de ziel van een ander. + +Van huis uit, door de donkere straatjes en toen door het lichte buiten +was het meêgegaan: hier ben ik, hier ben ik, om je oogen te dwingen naar +binnen, naar mij; hier ben ik, en ik groet, kijk hoe ik groet.... hier +ben ik en gij zijt mijn broeder, langs ratelende, stalen banen kom ik +gevangen aan.... hier vrij en zie, over de zee en door de luchten, hier +ben ik. + +En hij had gewandeld, vreugdevol; zie je wel.... zie je nu wel, op het +van-binnen juichen van zijn blije ziel; het strand langs als een +opgetogen kind in slangetjes loopend tusschen de draderige hoopen bruin +sponswier, die de vloed op het strand nalaat. Luchtig, als was er in hem +een dronkenmakend zonnegas; de handen koud; maar gevoeld aldoor het +klieven van zijn warm hoofd door het zoel-schuimende licht. Wanneer hij +er sterk aan had loopen denken, dan waren zijn oogen gaan wellen en in +een weeke verteedering: O, ik wou, ik wou.... + +En den muur om, en de mierende drukte in, door de volste volte, +roekeloos als hoorde de wereld aan hem. Een jonge, donkere kerel was +woest gaan schelden en hij was tartend blijven staan: wel, wat wou je, +wat zou je me wel kunnen doen, denk je.... en toen had hij in eens +vergeten en aan 't lachen, aan 't lachen, omdat hij plotseling niets +anders zag dan dien grappigen mond, zoo dicht bij zijn oogen, die +ratelende en klappende en friemelende lippen. Dat deed plezier.... alles +deed plezier.... wat een gek-doende mond, dicht als een doos die klemt +en waar dan in eens rare dingen uitkomen, of als een tuitgaatje dat je +bespuwen wil, of als een elastieke kouseband, dien je met je vingers kan +rekken.... waar de man het wel over heeft.... + +En het klare blauw tegen en den buiten-bergweg op.... hier ben ik, hier +ben ik, en ik groet.... en tusschen het wijd wegvloeren van de heuvelen, +groen zaaigroen en roode vorenaarde, gonsde het in hem: hier ben ik, +hier ben ik.... Zoo in den zomer je wereld kan vol zijn, om je en in je +en overal, om het zonnezingen van maar éene cigale, had hij geloopen de +vlakke wegen over, met zijn ziel zwervend boven een rust van gelijke +gedachten, zoo ruim in den zondagschen dag. + +Ja.... de brief had gelijk.... reizen dat was wel een heerlijk ding, +vlottend te zijn in de vlottende werelddingen, gaan, maar gaan met je +oogen vol droomen. + +Telkens had hij er weêr in moeten lezen, lezen nog eens zulke in lang +niet gehoorde woorden, vriendelijk en bekend, van ziel schijnende op +ziel, bedwelmend als zoete zelf-vleierijen. En dan was hij 't schrift +gaan bekijken, nooit genoeg, en de hand, de bekende hand had hij zien +komen op het blaadje, en 't hoofd gebukt, donker boven de hand en de +stille schouders, de sterkstille schouders. En dan de hand aan 't gaan, +de rijen langs, strepend het papier, in de hersenkracht die zet de lange +visioenen op 't papier, en den warmen bloedklop door de pen neêr op het +papier, en dan de pen aan 't ijlen, dun dik, dun dik, op neêr, op neêr, +krassend, hakend, opsjouwend tegen de koortsende emotie, in den drang +van binnen, blaadjes vol nauw geboren woorden, doorhalen hier, vergeten +woorden daar, en woorden onleesbaar als raadsels gelaten door de +ontroering op 't papier. + +O, die brief met zijn eindelijke erkenning; stond hij daar niet zelve +zoo, nu plotseling het leven van die twee geleden zware jaren vattend, +den wreveltijd van het stille verzet, en het langzaam groeien van zijn +haat tegen al dat hem had willen fatsoeneeren, links en rechts.... ik +voel me zoo vrij.... + +In een wedloop van woorden vertelde de schrijver, hoe hij het in +Amsterdam niet had kunnen uithouden. 't Had wel een vlucht geleken, +zooals hij was weggegaan, het hoofd zwaar van het omme-geredeneer, vies +geworden van zich zelven. Naar Parijs was hij gegaan, hopend daar een +grooter leven te vinden, dat meer om hem heen stond, waar hij stil en +aan zich zelven overgelaten zou kunnen werken. En Parijs, het had zich +dadelijk zoo mooi aan hem voorgedaan, nu in den damp van zijn eersten +winterdooi, het licht-lilalillende Parijs met zijn schitterende dorures, +het verguldsel als bajonetten-geflikker op hekken en spitsen en het +geglans van zijn gouden reclames boven al de willige beweging van de +boulevards.... o, je zult zien.... ik zal.... ik zal.... maar och, het +is nu zoo'n genot, dat vrije flaneeren hier langs de straat, met mijn +oogen maar voor me uit, de handen in mijn jaszak, de armen dicht aan +mijn romp.... zoo vrij.... en zeker, zoo plezierig zeker, dat ik niemand +kan tegen komen die het noodig vindt je aan je mouw te trekken, om je +eens te laten kijken wat hij mooi vindt.... O, de stumpers.... En als ik +moê word, dan ga ik zitten voor de ramen van een café, suf-oogen naar +het spektakel; of van-boven een omnibus het prettig vinden het leven in +den nek te zien, terwijl de wielen onder je zoo knarsig hun bedrijfleven +gaan en het van de boomen zoo kalmeerend neêrdrupt in je hals. Als het +me dan te binnenkomt, hoe ik me daar ginds kwellen liet tot in de wanden +van mijn atelier, hoe ik er gewichtig moet hebben uitgezien, met een +komediantengezicht, verdwaald tusschen al die bij elkaâr gestoken +hoofden, dan moet ik lachen, lachen, en dan vindt zoo'n leuke Franschman +het noodig te zeggen: "que j'ai l'air content." Maar ach, je weet ook +niet hoe gauw je er in zit in dat bedrijfleven; blijf maar weg, als je +kunt; dat het je nooit gebeure, hoe je op een oogenblik lucide, schrikt +van te zien in wat een verwarring je meêliep, hoe ge alles zaagt zoo, en +niet het stinkende gedrang tegen je zelven in.... Verbijstering.... +Maar, hoor ze dan ook orakelen, roepend als marktschreeuwers, allen door +elkaâr, allemaal en niets anders toch dan: ik, ik, ik.... Bah, wat een +drukte, als je maar te gaan hebt met je oogen en rustig werkend, +verlangend voort.... wat weten wij voor anderen, slangen die we zelve +zijn met het staarteinde in den bek.... zoeken we dan nog wat anders dan +ons eigen einde.... + +.... En gelezen en herlezen en meêgevoeld tot in het kloppen van zijn +polsen, den naslag van dien in eenzaamheid gestilden toorn en het zachte +zelfsussen van die onstuimige ziel. Hij was er in meêgegaan tot er hem +de slapen van waren gaan gloeien. + +Want in een opflakker van binnenbrand was het schrijven ten einde +gegaan.... O, nu ik hier ben, los van dat zwatelende koor, alleen met +een nieuwe wereld die tegen mijn oogen aanvaart en ze wijd open doet +gaan, nu voel ik het nog meer, dat ik toch niets anders liefheb dan mij +zelven, en al wat anderen doen en wat anderen praten me nooit gescheeld +heeft. We babbelen daar wat over een wereld, die vlottend en broos is +als van geblazen zeepwater en voelen niet, dat ons hongerend ik daar +vloekt met zijn veel, veel, en er wel sterven zal.... Welk ander wijst +mij mijn wondervol zelf, mijn zelf, waar ik in rondleef als in een roes +van raadsels, dat ik liefheb en alleen begeer; och, ook nog in de dagen +toen ik me zelven martelde en kwelde, adoreerde het toch zijn hoongod in +'t carnavalspak zoo zeer. O, die weters, wij weters, onze monden zijn +maar dingen die spreken, waarmeê we wachtertje spelen voor de poort van +onze zwijgende begeerte. + +Zoo weêr geschreven; en klaar als iets te zien, zag hij het gezet +tusschen hen beiden.... en voor hem was het een antwoord geweest op zijn +eigen vage gedachten. Want in zijne van natuur buiten zichzelve levende +ziel wou het groeien in gezichten en in gedachten niet. Denken; wanneer +was hij begonnen te denken, was het van 't jaar, verleden jaar of nog +vroeger. Denken, peinzen, 't liefhebben van wat er zoo om kan gaan in je +hoofd, het troetelen van je eigen overweging, het uit elkaâr rafelen van +gedachtenweefsels en het weêr weven van nieuwe. Wat was er overgebleven +van al de wijsheid, die hij toch aangehoord had uit beminde monden? +Gezegden veel, die beelden opriepen.... maar wat al woorden waren niet +voorbijgegaan. Doch, men had goed praten, ze waren gekomen, maar door, +ongevraagd, de woorden met hun naweeën van gepeins.... Wij zeggen dat, +denk er eens over, in brief op brief, van vriend op vriend.... En zoo +gewichtig zagen ze er uit, de geschreven woorden, waar elke aarzeling +in scheen verstijfd, heerscherig en overredend, al voelde hij wel +dikwijls, 't was als een reuk op een afstand, dat ze kwamen van iemand, +die zichzelven bedwelmde met woorden, woorden, woorden.... of van een +overvolle, die van zijn kracht in den wind smeet, verzot geworden op het +rondom martelen van zijn woordjes. Soms was het dan als een schreeuw in +hem: "ze willen je kwaad doen, ieder wil je kwaad doen,".... maar de +redeneering ten langen leste had weêr gevraagd: "waarom?" Zoo waren ze +telkens blijven trekken aan vezels daarbinnen, die hij niet wist dat er +waren, getrokken hadden ze aan al die draden, van zijn binnenste naar +buiten uit, ondanks hem zelven, en met pijn, met pijn, spinsels van +weêrwoorden, in brief op brief, aan vriend op vriend.... Ik heb een +gevoel, placht hij vroeger van zich af te roepen, wanneer gevraag hem in +het nauw joeg, of je mijn darmen afhaspelt; en het was eigenlijk nog +niet veel beter. + +Later ook.... vandaag de opleving.... had hij zich zelven opgedrongen +dat het toch wel goed was en verstandig veel over alles te denken.... +Maar och, het verveelde zoo gauw, en eer hij het wist stond hij voor een +spiegel te spotten.... kijk, het baat niets, je hoofd blijft even +groot.... wel, was lachen niet een wijs ding? + +Destijds was op een nacht eens in zijn slaap een droom gekomen.... 't +was ook weêr na een brief.... vriend N. heeft zijn baard laten groeien +en ziet er nu uit als een profeet.... stond verteld.... Toen was een +groot hoofd met een schedel als een koepel, een droogvellige gevelkop +met plooien als van leêr, met tusschen de geloken oogledenspleet een +lichtvaag, koel om van te ijzen, over zijn borst gebogen geweest. En +het hoofd verlengde zich nog door een baard, een langen profetenbaard, +eerst wit, daarna rood als oude wijnmoer. En dat stroomde over het laken +en dat knapte in 't slepen als gloeiende metaaldraden die koud willen +worden. En het hoofd, bovenop, dampte en borrelde gelijk water dat aan +de kook is. En hij was, de ontzetting, in zijn droom gaan liggen +tellen.... bij den hoeveelste zal de bol bersten.... En toen zat er zoo +ineens een stoffig-zwarte stille spinnekop met zijn krommen voorpoot op +het voorhoofd te tikken, oogenloos zat hij te tikken, en achter uit zijn +zwaar lijf spon hij draden.... een ruim vol draden.... almaar draden.... +Het wakker worden.... de nachtmerrie. + +Dat alles was wel koud nu en om te lachen, maar toen hij las: "blijf +maar weg", had hij dadelijk gevoeld hoe er bij hem uit al die doorleefde +dagen een heftige weerzin gegroeid was, daarginds weêr te zullen moeten +terugkeeren.... "Ik zal het rekken, ik blijf zoolang, als ik kan +weg".... had hij voor kort nog in een brief gezegd. + +.... Al vèr in den namiddag, naar zijn plekje gedwaald, was hij, willend +weten hoeveel hij nog aan geld bezat, zijn gordel gaan losmaken, en zijn +bezitting gaan tellen, stillekens het rammelen vermijdend.... Ja, dat +geld, al was het zuinig geweest.... het was die twee jaar door toch maar +altijd zoo gekomen, als iets dat vanzelf sprak.... maar nu was 't +gedaan.... En hij was aan 't cijferen begonnen, zittend achter de +ondoorkijkbare heggen, die hoog als olifantstanden over hem heen +stekelden, en aan 't uitrekenen in zijn jaszakschetsboekje, als een oude +duitendief over zijn schat gebogen. + +.... Laat eens zien, was zijn gedachte gegaan, indien ik morgen +vertrek.... maar dan moet ik eerst met de proviandschuit van het +Engelsche garnizoen oversteken naar Gibraltar.... gaat met het +kanonschot hier vandaan.... vervolgens van Gibraltar, den volgenden dag, +met ezels en een arriero over Algeciras naar Cadix.... geen kijken naar, +een veel te dure historie.... dus blijf ik liever.... over een week komt +de Transatlantic in de baai.... zoo ben ik wel genoodzaakt hier wat te +blijven nog.... en dat vindt je toch eigenlijk wel prettig. Men kan nu +eenmaal toch niet alles zien.... al was het ook waar, dat je in die +treinen en booten het karakteristiekste altijd langs vloog. Flap.... +weêr een mooi ding voorbij, en zoo ging het altijd.... Eerst het +hôtel.... zooveel.... fooi, zooveel.... als ik eens wegging zonder fooi, +dat doen de Engelschen ook.... dan de overtocht naar Cadix.... het aan +boord brengen.... die vervelende kleine dingen kosten het meeste +geld.... je rekent er nooit op.... zooveel. + +Van Cadix naar Sevilla.... daar.... den koffer lossen in el Cisno.... O +jee.... daar ook een rekeningetje betalen.... vijf dagen logies.... neen +zes.... zooveel.... + +Vervolgens naar Madrid, een lange zit, gelukkig was 't nu niet warm.... +derde klas.... zooveel. + +Dan, in Madrid allicht een paar dagen overblijven. 't Museum.... de +Velasquezzen nog eens goed zien, en de Goya's.... de zaal met zijn ouden +oppasser.... Vier maanden kopieeren, vier maanden.... et la bonne +reste.... + +Dat was aanraken geweest van een oude wonde, want al had hij zichzelven +gezegd er niet meer aan te willen denken, de wrok was er ingeroest en +wou maar niet uitslijten. + +Wat had dan ook niet al meêgewerkt om hem dat gedoe ongenietbaar te +helpen maken, was het niet alles?.... En zoo het eens ongestoord had +kunnen gebeuren, hoe zou het geweest zijn?.... + +"Waarom?" was herhaaldelijk door vrienden-brieven gevraagd: "vertel ons, +waarom maak je toch eigenlijk zoo'n ding, waarom laat je je vier maanden +van je rijk leven, in een tijd dat je geen raad weten moest met je +vollen kop, je aldus kloosteren in een museum, is niet éen streepje dat +je zelf gevoeld hebt, meer waard, en meer wenschelijk voor wat je +bereiken wilt, dan al dat na leeren doen wat een ander heeft gelijnd.... +geniet het, goed.... maar maak ons niet wijs, dat het voor jouw plezier +is, het doen van zoo'n hondenbaantje.... neen, amice, een slachtoffer +ben je van de domme school-traditie: groote mannen bestudeeren kweekt +groote mannen.... stijl.... stijl.... wel dien hebben we te halen uit +ons zelven.... en niet uit museums.... 't bederft je.... geloof me...." + +En vaag had het toen door zijn gedachten getwijfeld:.... stijl.... je +zelf.... is het wel heelemaal dat?.... + +Maar dat het voor zich zelven was wat hij deed, geloofde hij ook al niet +meer. Was het niet onnoozel, zoo alle dagen aan alle wanden van het +museum te zien, te moeten bekennen, hoe het juist niet het beste van een +almaar heerlijk doorgegroeid kunstenaar was, wat je als voorbeeld werd +voorgehouden.... En hij had die meening niet voor zich kunnen houden.... +"Wel, dan doe je het om het geld of om een banale eer".... Een oudere +vriend had daarentegen geschreven: "gij zult eenmaal blij zijn, een doek +van die importantie te hebben vervaardigd." Ook al niet plezierig om te +hooren.... Weêr een ander zei: "Nu je zelf vindt dat het onnoodig is, +waarom laat je je dan nog langer exploiteeren. Kom terug.... je hoort +hier.... wat hebben wij te maken met die vreemde landen.... Mauve!.... +Maris!".... + +Dat was wel zeker, hoe ook die eene schreef: "trek je toch alles niet +zoo aan, je doet genoeg, neem maar wat plezier," zij moesten maar eens +als hij hier zoo alleen zijn, dag in dag uit met je wrokkende zelf, al +die anderen, die altijd wel een rug vonden om tegen aan te staan.... dat +was wel zeker, dat hij ellendiger dagen nog niet gehad had.... pijn +hebben is erg, maar als je lichaam lijdt en schreeuwt, dan is er geen +mensch die dat geluid niet verstaat. In de zaal van het museum was het +balkon een uitkomst geweest, daar kon je de spijttranen laten opdrogen +in de harde zon en daar gaf het oude ventje stilletjes permissie +sigaretten te gaan rooken; als 't werk je doodverveelde, kon je daar als +een bedelaar met je rug tegen den muur gaan staan niets doen. Daar +bewaarde dat kereltje ook zijn kruik met water onder een oude sombrero +voor de koelte.... De heete dagen.... Dat oppassertje met zijn leuk +rimpelgezicht en zijn vriendschappelijke op-den-schouder-klop-maniertjes +van kom, 't zal wel gaan, houdt je maar goed, 't wordt mooi.... en dan +dat baasjes lachen.... Krom stond hij er bij met zijn handen op zijn +knieën, wanneer hij van al het Hollandsche gevloek van zijn +beschermeling geen jota begreep. + +Ook was gezegd: "het rijk krijgt die dingen meteen op een koopje zoo." +Nu ja, geld was geld en 't rijk gaf 't.... maar 't was toch wel waar +ook. + +Het rijk, het land, de regeering.... dat waren nu ook weêr dingen, waar +hij nooit een begrip van had kunnen krijgen uit officieel geschrijf.... +was 't éen ding, waren het er honderd.... iets zonder houvast, dat niet +aan te spreken was en dat hij toch almaar zoo door boven zijn hoofd +gevoeld had.... het rijk, dat kon wel eens waar zijn, haalde er die +subsidie-gelden wel weêr netjes uit zoo.... nog niet zoo dom, dat rijk; +en als ze nu eens een kat in den zak kochten.... dat kon.... erg ook.... +en wat zou het eigenlijk dat honderdkoppige ding kunnen schelen een +kopie naar een beroemd schilderij te bezitten. Maar waarom gaven ze dan +de toelage niet zoo, zonder meer.... waren ze bang dat je het in weelde +verteren zou?.... neen, er moest wat voor gedaan worden, je kreeg het op +een papiertje meê. Houden ze de jongens, die ze uitzenden voor +futloos?.... wat stond er niet al overbodigs op voorgeschreven.... +groote meesters.... natuur.... of je daar niet van zelven naar kijken +ging.... je wilt toch schilder worden en dan.... officieel mensch als je +bent, de gezanten complimenteeren, en die ontvingen je als lastposten en +deden of ze voor de eerste maal van kunst hoorden in hun leven; niets, +niets voor je weten te doen, misschien niet willen.... een schande als +je toch van de regeering komt.... daar moest je nogal een zwart pak voor +meêsjouwen.... En dan series studies laten zien.... waar leveren voor je +geldje.... + +"Zeg het maar, zeg het maar!" was herhaaldelijk geschreven.... "is het +niet goed voor jou, dan is het voor die na je zullen komen".... en +dan.... + +Neen, dat begreep die Russische pensionnaire in Rome anders. Welk een +man was dat geworden in z'n herinnering met zijn rustig praten: "vous +m'embêtez avec votre Hollande.... il faut être plus sage que vos +amis.... ge zijt hier om je wat uit te zetten, pour vous élargir".... +en: "als je een wond in je hart hebt dan brandt je er hem uit.... soyez +tranquille, regardez".... En de Grieksche en de Oostenrijkers, en.... +Rome was vol van die jongens, dat waren toch ook geen Fransche +seigneurs, en die liepen hun mooie dagen zoo onbezorgd door, zoo +benijdenswaard, dacht hij dan, met hun neus in de lucht. + +Schacheren.... wanneer ze het là-bas nu eenmaal deden, omdat het zoo +hoort en er niet veel voor over hadden, waartoe dan al die schijn of 't +heel wat was.... wist daar dan geen mensch wat reizen een duur en +moeielijk leven is. Nu was het alleen een baantje voor rijke jongens.... +je waagde er alles aan, je gezondheid.... had hij niet in Venetië een +maand lang op zijn achterstallig kwartaal moeten wachten en geleefd als +een heiden, had hij niet zijn gouden Prix de Rome, er nog aan hechtend, +in den lommerd beleend om geld te krijgen.... was 't niet ridicuul.... + +Halfheid.... meêdoen.... kunstglorie van een land.... zoo'n beetje à +l'instar de France. Nu ja, dan moest je den Paus niet van dichtbij +gezien hebben.... Dinges had wel gelijk, 't leek veel meer op een +exploitatie.... + +Maar was 't niet bepaald dwaas, kijk, het rijk stuurt je uit.... nu ja, +dat is een wassen neus, goed dan, je wordt uitgezonden namens het rijk +door een School-Commissie.... kunstvrienden uit de eerste ingezetenen +der hoofdstad.... rijke burgers.... de beschermers, de heeren, waar ten +allen tijde de kunstenaars de troubadours van zijn geweest.... +uitstekend; die komen overeen, geven je op, kopieën te maken.... of je +het mooi vindt of niet, daar wordt niet naar gevraagd, jonge wildzangen +als de pensionnaires zijn, voor je welzijn dus en voor hun-zelfs +plezier.... naar oude schilderijen, die ze.... neen, corpo di Bacco, dat +was wel zeker.... ga maar na wat je te doen hadt.... zoo het origineel +werk was, niet in hun huizen zouden willen hebben. Voor den drommel, +dessertkost was 't juist niet.... Hoe zat dat zoo.... dat kwam dus niet +van hen, niet van die eerste lui.... dat kwam bepaald dus van het land, +van dat ding in de lucht.... Hoe zat dat zoo?.... Men moet +redeneeren.... moet men niet?.... Al deze schilderijen zijn beroemd als +groote kunst.... de bedoeling is: de kunst grooter te maken. Groote God, +wat een tegenspraak.... want hoe meer de pensionnaires de kracht uit die +groote meesters inzogen.... en dat was toch de bedoeling, ga maar na.... +hoe meer ze thuis de kans hadden hun heele leven lang hongerlijders te +zullen moeten blijven.... dat kwam er nu wel niet zoo opaan.... maar zij +zouden dan van armoê ook wel niet veel uit kunnen voeren en waar bleef +dan de groote kunst?.... En de pittigheid van die oude heerooms, want +pittig waren ze.... kon je wel eens als oude wijn in je bol blijven +zitten. Wat moest hij daar nu meê doen?.... Et la bonne reste.... het +tweede deel van het officieele programma.... de natuur ingestuurd. + +Zoo toegevend aan zijn oude hebbelijkheid, had hij zijn vlinderende +gedachten laten gaan, en toen zacht-ernstig in het gras had hij +herdenkend gelegen, de handen in mekaâr onder het hoofd gevouwen, boven +het weeke zwellen van zijn hart, en gezien als door den nevel, die een +roes in de oogen nalaat, hoe het blauw boven wegkromp in een +hooghangende melancholie.... + +.... Dat was al begonnen in het Museum. En daarna, zonder thuis, wonend +in herbergen, plots verloren gezet met je groeiende oogen in de wreede +zonnatuur van het stoffige Zuiën, middenin het alles vernielende licht, +middenin daar met je arm hoofd en je onmogelijke handen, zwart, zwart +van al die binnenkamersche, oud-eeuwsche schilderijen.... + +Dat begon al vroeg, drie uur in den morgen; daar was hij al weêr, de +harde dag, je opbrandend met onrust uit je slaap in een damp van zweet. +En je wou nog niet zien, maar het verschrikkelijke licht sloeg je in je +hersens, door je oogen in, als witte brand met rook van blauw, zengend +op alles neêr, spattend van alles op.... En dan maar aan het werk en om +tien uur al dood moe, en weêr als gisteren het werk vernietigd. Dagen +dikwijls had hij gevoeld krankzinnig te zullen worden als dat niet +ophield, en zich opgesloten met de stores dicht van zijn slaaphokje, en +op bed gevallen met het gezicht in de kussens. Maar het licht vloekte in +je hoofd, en dan verdooving gezocht in den landwijn.... hij van nature +geen drinker, om het ellendige huilgevoel in je te smoren, hoe je niets +zijt, niets in dat lichtoordeel.... Vaak midden op den dag aan den +dwaal, onder den rechtstand der zon, om wel een zonnesteek te krijgen, +wankelend tegen den brand in en dan met weêrhakerig plezier achter in je +ooren hoorend, hoe het vadsende volk je uit de schaduwen nariep, en +jongens die naakt in deur-inkijken lagen te zwijnen, achter je aan +joolden:.... "Dronkaard.... Tonto.... Gek!" + +Met klein, pijnlijk leedvermaak had hij na-geproefd, hoe juist in die +dagen, hij ergens, poste-restante, een brief van een vriend had +gevonden, hoe woedend hij zich toen gemaakt had om de ongeloofelijke +liefelijkheid van dat schrijven.... als gekluts-kluts van water dat +onder boomen voorbij zappelt.... en dat hier in deze verzengde wereld +toen.... + +Hoe lang had hij daar wel gelegen, ongejaagd, zoo warm onder den koelen +hemel, te genieten het volle liggen.... dan òp, want dat vervloekte +rekenen moest gedaan zijn.... + +Van Madrid naar Burgos, zooveel.... was ook op de route voorgeschreven +geweest te bezoeken om zijn kathedraal. Daar had je het nu weêr.... + +Was het niet zonderling, had hij honderdmaal wel gedacht, dat in al die +voorschriften de architektuurstudie zoo gebiedend was aangewezen. Voor +Spanje:.... Toledo, 't Escuriaal, Cordoba.... in Granada was bevolen +ernstig het Alhambra te bestudeeren. Pompeji, Ravenna vooral in +Italië.... Ja, er was bijna geen stad, als 't niet was om de museums, +dan ging je er met je boeltje naar toe, uren sporens, om de +architektuur. En dat had veel geld gekost van je traktementje en +moeielijke zuinigheidsdagen had het gegeven, vooral in Italië, dat +achterna moeten zitten van de architektuur.... Nu ja, dat was voor het +breede zien.... "l'architecture est la mère de tous les arts", leerde de +school.... Byzantium in Italië nagaan.... Egyptische invloeden over +Griekenland terechtgekomen in Italië.... net zaadpluisjes, hier groeien +ze en honderd uren verder komen ze eerst op. Italië had soms wel geleken +van oude overschotten te zijn gebouwd. En in Spanje, de Moorsche +architektuur, de Moorsche geheimvolle zon-schaduwkunst met zijn zinnige +spinsels van nachtwichelarij, gehavend en in 't hart getroffen door den +ascetenijver van de dwepende Gothiek:.... de moskee van Cordoba.... Maar +'t Alhambra, het wellust-bouwsel waar de oude Moorenweelde het mooi +vrouwenlijf meê heeft overdroomd, borduursel en weefwerk van steen en +als in gaas de koelte bewarend bij het klaterende zonnewater van vijvers +en fonteinen.... hij had het er geen twee uur in kunnen uithouden; +gerestaureerd, beknoeid stond het daar, gelijk een opgezet beest dat +naar kamfer stinkt, dood, leêg, de kolossale liefhebberij van een heel +volk. En dan de Renaissance, die overal wel, storm van +menschenhartstocht, scheen rondgegaan, waai-ademend hoe in elk mensch +God woont, blazend de stelsels door elkaâr, brokken naast brokken, maar +zettend eindelijk de hoogmoedige persoonsdaad in 't gezicht van de +verstervende leeren. + +.... Van Burgos naar Parijs.... zooveel.... te lang.... Bordeaux.... het +eerste plan rechtdoor is beter.... Burgos.... Irun.... Bordeaux.... daar +ook een museum.... tot Parijs.... zooveel en eenmaal daar.... och +wat.... als de hemel invalt dragen we allen een blauwe slaapmuts.... + +Toen alles zoo gewikt was en nagecijferd, had hij zijn gordel om het +lijf gegespt, opgelucht klaar, en was weêr achterover wat gaan liggen, +lekker op den grond als op een tapijt.... Parijs, Parijs, was het +begonnen te gonzen in zijn hoofd. + +Vier jaar wel al geleden, in de maand Mei, voor de eerste maal op reis, +was hij er geweest. Vrienden die er waren, zouden hem af komen halen van +de Gare du Nord.... herkenningsteeken: het wuiven met een witten +zakdoek.... + +.... Veel muren met gele plakkaten langs, aanplakbiljetten bedaverd met +veel letters.... plezier.... plezier.... en met de schuddende omnibus, +andere schuddende omnibussen voorbij, donkere, volgeladen reiswagens, +waar van-achterop de conducteurs onverstaanbaar riepen naar elkaâr, +schuinzeilend stonden met de hand aan de trapleuning naar boven.... Dan +leigrijs, van buiten een huis zoo stil, met een breed-uitvarende +steentrap onder een tempelend portiek.... de Madeleine.... drie bekende +gezichten.... Frits ook, met hem op de trap. Maar van binnen een mist +van wierook en bloemengeur in de dreunende bedwelming van koraal en +bazuinen. Het ruim boven donker, open met bleeke gaten nacht, de muren +vaag met sidderende nissen weg. Beneden een volk van dames, geknield op +den kerkvloer, een stil-ruischende en plooi-schuifelende schaar voor de +bidstoelen neêrgezegen in lekkerruikende verdooving. Bij de zacht +toe-vallende tochtdeur een veranderzieke bijeendringing van in- en +uitgangers, veel straatgezichten, werkmannen in blouses, met petten in +handen; wijven met hooge wangen en rulle haren, zich bekruisend of niet; +heeren met kale hoofden en snorren, zich bekruisend. En van achter, +boven het rood-rooklichtende altaar, uit den schemertuin van +bloementuilen, het gehosiannah van een vrouwenzang, de hemelstem wel van +een onzichtbaar vliegenden engel door het ruim, blauwend in dank.... +Alzoo leeft een mensch van herinnering. + +De dienst uit.... en een verwonderlijk hoog opstekende Engelschman in +een geruite reisjas, met een oogglas in zijn kop van rood kippenvel +gekneld, dringend vooruit met onwijkbare schouders, brutaal naar de +bloemen toe. Doch de dames voorbij in een wasem van violetten en +tusschen de rijen geschemer van witte kinderen, meisjes, serafijntjes in +wolkjes van gaas, mistig omsluierd, met kroontjes om de hoofdjes. En een +gezeur van stemmetjes; want bij de deuren ook de communiantjes, blozend +met neusjes nieuwsgierig onder pimpeloogjes en bedelend allerliefst: "la +charité s'il vous plaît." En klankspringen lieten ze de aalmoezen in +taschjes van roode pluche, in de handjes wit geganteerd: "la charité, +als 't u blieft, voor de maand van Marie." + + * * * * * + +--"Hè!.... hè!" grauwde het nog eens terug. + +Vooraan, waar de Zoccostraat gaat in de kleine markt, was Johan een man +die klom in de borst geloopen, en geschrikt blijven staan met de handen +bang voor zich uit. + +--"Hè!" uitte hij ook op zijn beurt, helder hoorend hoe zijn stem lager +was dan gewoonlijk. + +--"Ah, daar hebben we den schilder," ginnegapte hoog-uit Vogels bekend +geluid, "wat een buitenkansje." Hij stak zijn pijp bijna in 't gezicht +van den ander en raffelde in een adem van rhum en smook: "hoe is het, +zijt ge bang, mijn waarde, dérangeer u niet.... 't Is waar, het is een +weinig donker, mais que voulez-vous.... men is hier niet in Amsterdam, +par exemple." En goed gehumeurd als hij scheen: "zal ik u naar Antonio +brengen, ik kom er vandaan.... hé?.... ging wat eten.... daar heb ik den +jongen Jachjemed gezien, Antonio geeft wel een lantaarntje".... + +Maar Johan:.... "merci".... hij wist nu wel den weg, het was altijd 't +zelfde paadje. + +--"Nu ja," smakte Vogel en hij deed zulk een zwaren haal, dat het gelurk +wel uit een kelder scheen op te reutelen, "nu ja, het is niet +ausserordentlich groot hier, dat vindt zich vanzelf; maar kom, ik heb +den tijd. Zoo goed als gij tegen mij opliep, kunt gij ook tegen een +ander oploopen; waarom zou ik u niet liever brengen." + +--"Ik had u gisteren avond nog verwacht," praatte hij naast Johan.... +"men ziet u zoo weinig." + +Het kleine marktruim, nachtvol, zwanger van zwart, zwol op onder te +raden wanden. En Johan, zoekend grenzen en tastbaarheid, speurde het +moskeetorentje zoo 't hoog uit den omme-chaos reikte, want de hemel +bewaarde nog licht. Een geflipflap van stemmen vleermuisvlerkte de +donkertes laag uit.... late mannen.... schooiers misschien zonder thuis, +die den avond door verpraten bleven onder de bogen van den bazar.... +stak daar niet iemand het plein over.... een geschimmer gleed er.... hij +zei: + +--"Gisteren avond.... toen.... heb ik gewerkt." + +En hij had de woorden nog niet gezegd, of het onbegrijpelijke beroerde +hem, hoe hij zoo in eens kwam aan dit prompte leugentje.... waarom? was +het niet even eenvoudig geweest te vertellen hoe hij met zich zelven +geen raad geweten had en maar naar bed was gegaan.... + +Waarschijnlijk liepen ze nu tot voor het klimmende straatje, in Johans +staroogend nog-willen-zien begon het duister te blauwen. Dat +ondoorgrondelijke, dat tastdonker was dat niet de steeg naar Sivory's +kroeg.... Maar achter hoekhuisblokken verslonk de laatste lucht, de +voeten gingen meer aan het aarzelen. Vogels stem kwam rad en spoelend +uit het vocht van zijn onzichtbren mond. + +--"Wij waren met zijn.... hoeveel wel?.... monsieur de Redacteur du +Réveil, monsieur de kolonel mijn vriend Badaud, monsieur de minister, +ook wel, knecht van den Zweedschen consul, wissen Sie.... even voor 't +tafeldienen zag 'k hem bij Antonio, ha!.... mijn kameraad de Zwitsersche +fotograaf en ik.... voilà déjà cinq.... n'oublions pas, monsieur Cré.... +Wat is dat?" zweeg het geraffel met een hik. + +Een duistere knel om den arm had Johan tot stilstaan gedwongen. De +dokter rommelde voor zijn voeten, zijn spraak zwom laag en slibbig, +terwijl hij prevelde: "encore un petit aigle." + +Maar dadelijk huiverde zijn hoofd weêr op, blootshoofds steeg het met +zijn hoog frontaal, schimmerig of het met fosfor was bestreken. + +--"Ik wist het wel," hinnikte hij, "ik heb het door mijn schoenzolen +heen gevoeld.... weêr een buitenkansje.... de tweede vandaag al.... voel +hij is nog warm, nog geen half uur kapot." Zijn stem zakte, Johan bleef +staan. Vogel zei zijn hoed te zoeken, in het bukken gevallen. + +--"Zeg er niets van aan monsieur Crépieux.... niets, hoort ge," drifte +het vraag-bevelend.... toen alsof Johan wat gezegd had: "nun, wat zou +het, ik vertel hem morgen dat ik ze met andere van Mustapha gekocht +heb".... Hij streek het doode beestje de veêren glad, zijn hand aaide. +"Ça vaut bien deux autres bons grogs. Que voulez-vous? heeft hij niet +het geld, hij.... en ik.... heb ik niet een fijne neus? Maar gaat u even +meê terug, hij mag 't niet zien, deze bêtise in mijn hok deponeeren, 't +is dichtbij.... dichtbij." + +En over het plein, door den al blauwender nacht sjokten weêr hun paren +voeten; zwaar gezet, klankten ze hol, wanneer geen rulligheid knerpte, +stappen gelijk die bauwen in een kerk. Vogel bromde dikwijls wat, als +spon hij raadselwoorden in zijn knevel, maar ging vooruit, den weg wel +wetend. Johan achter hem aan, waadde door den nacht, soms geloovend te +zien het zwakke licht-beweeg, de schommelende hand van Vogel, maar +ruikend waar hij liep, de prikkeling, de aanwaaiing van den smook. En 't +was binnen in hem ook duister en leêg, die sombere voeten klopten zoo +ellendig alleen, hij had wel willen gaan wegloopen. Diagonaal staken ze +de markt over.... Zoo was ook zijn weg naar het logement.... daar was +gauw licht en ordelijke gezichten, wat moest hij nu meêgaan naar dat +hok.... Boven de algeheele verzinking van de dingen begon de hemel te +gaan in desolate pracht, enkele sterren, koel en eenzelvig, pinkten er +als knipoogen hun wit licht-gevonk. + +Maar een dijk van opgestopt duister kwam verbijsteren zijn spalkstaren. +Hij wankelde terug, zoekend opnieuw met handen en het stapbeen te hoog +in de knie gekrompen, zocht, zocht. Tegen zijn geloop in begon de weg +als een berg te staan. + +--"Pas op, mon petit monsieur," riep Vogel vooruit.... "we gaan de +ruelle in.... attendez! Dan zal ik u wat licht geven." + +Er gloeide als een vuurvlieg een lichtstip. Witte rook-kringeltjes +festonneerden, siswolkjes, en dan niet meer, want zuchtend zogen Vogels +lippen het pijpkratertje in brand. Johan hoorde hem zacht tegen den muur +de asch uitslaan en toen aan 't blazen, tot er vonken vlogen, tot +bloedend voor het steeggat het schema van zijn hoofd verscheen met +tintels in 't natte saffier van zijn oogen. Hij spoog, den mond bitter, +en kortademig van inspanning ging hij opnieuw zijn klots-klots, +verzwolgen in het slopzwart. + +--"Ha, ha!" lachte hij vroolijk daarna en stootte zijn stem de steeg +in.... "je me dis, hoe gemakkelijk het zijn zou, zich zoo een beetje te +kunnen bijlichten, als we in den kuil zullen liggen.... Des clowns que +nous sommes.... vanavond is hier réunion in de Engelsche club.... een +Italiaansche prestidigitateur die de kust afreist.... alzoo hebt ge +gisterenavond gearbeid.... Ja?" + +--"Zeker," antwoordde Johan kortaf, met zijn verzinsel al verlegen.... +maar het kon toch evengoed zoo geweest zijn, niet waar? waarom, wat +behoefde hij het te vertellen hier in deze akelige steeg, waar je +telkens met je neus tegen iets geloofde op te loopen.... Waarom? 't Is +waar, verscheiden malen had hij hem ontmoet, op straat of bij Antonio, +en al was dan ook onwillekeurig de eerste opwelling: alweêr die man, zij +hadden elkaâr gezocht, daar was niets tegen te zeggen, samen gewandeld, +gepraat, gepraat.... O, hij mocht het zich willen bekennen of niet, +Vogel trok hem aan door zijn.... ja, door wat niet al, door zijn oogen, +die raadsels, onnoozel soms en dan weêr zoo ironiek schril, maar vooral +door den hoogen toon van zijn oordeel, vaak zoo heel voornaam.... Was 't +niet prachtig, hoe hij telkens het geklets in de kroeg kon uitmaken.... +precies een stop op een flesch.... dicht.... het schenken is gedaan.... +drinken jullie liever wat anders, bijv. een grog van rhum.... kittelig +was het om er naar te zitten luisteren.... van zelve begon het dan te +jeuken van binnen, er groeide tegenspraak.... "Zeker", herhaalde hij +stelliger, alsof hij 't zelve geloofde.... "en daarna heb ik nog een +brief geschreven." + +--"Zoo, zoo, ook nog een brief geschreven, wel dat's braaf," lachte de +ander, "nun das versteh ich, war doch auch einmal jung, leidenschaftlich +jung".... zijn geluid stond.... "En ze is mooi?" + +--"Wat?.... o, erg mooi, bepaald heel mooi, wissen Sie." + +--"Hm.... dat zeggen wij mannen allen." + +Door het slop smakten en zogen de schoenzolen weêr voort of sloffend òp +van uit het benauwde lage, telkens wanneer het brokkelige gepraat, het +harde klanken van Vogels stem maar even stil was. Johan door al dat +stikkedonker verbijsterd, voor het immer aandringende zwart schuw als +voor gevaar, aarzelde opnieuw, tastend naar de kilkou der muren, zoo +dichtbij, en strompelde dan, al trachtend met de voeten den weg te +begrijpen, tegen vuilnis op, er onder tegenaan geheuveld. + +--"Dat vervloekte donker," mopperde hij, aan zichzelven overgelaten, +Vogel vergeten. + +--"Houd uw oogen naar boven, dan ziet ge van zelve het pad in de lucht," +waarschuwde de stem een eind hem vooruit in den vunzen nacht. Hij bleef +stil, vroeg plagerig: "en wat hebt ge gisteren wel gedaan, darf ich +fragen." + +--"Ach, niet veel bizonders," loog Johan door, nu zekerder gaande en den +spot in de stem van Vogel niet dadelijk hoorend. "Ik was een teekening +begonnen.... verbeeld u," sloeg hij door, geïllumineerd door zijn +verzinsel. + +Maar Vogel viel in: + +--"Attention, we gaan rechts om, de weg klimt wat, pas op.... geef me uw +hand.... pardon!" + +Wendend en toen blind voorover tegen het duister klommen ze langzaam, +stap in stap. Vogel rookte niet meer, scheen wel, zeker was zijn pijp +leêg. En Johan kijkend naar de geul lucht boven zijn hoofd, in het +nachtelijke ongewisse blauw, vervolgde met radde tong: + +--"'t Is een heel mooi geval, wissen Sie, er zijn er hier honderden, het +zou prachtig kunnen zijn, zoo ik het zie nu, magnifique...." + +--"Pas si bête, waarde: toch nooit zoo mooi als uw leugen wel zijn kon. +Hebt ge dat gisteravond allemaal in uw bed bedacht.... indien onze +compagnie u niet bevalt.... mij ook niet.... waarom te liegen?.... +gelooft ge inderdaad.... ach neen.... dat's rein onmogelijk." + +.... Hoor hoe hij liep te grinneken in zijn snor, zijn eigen plezier te +eten, blij natuurlijk dat die ander daar achter hem aan moest gaan als +een bestrafte jongen. En de lust begon Johan op de tong te branden om te +zeggen, om het uit te roepen dat het wel waar was, en dat het hem niets +schelen kon uitgelachen te worden hier in dat smerige donker.... maar +toen, plotseling zonder wil.... rammelde de bekentenis zijn mond uit: + +--"Och ja, ik was een weinig verdrietig en ben maar naar bed gegaan; en +van dien brief is ook niet waar, wissen Sie, 't is allemaal niet waar." + +--"Maar dat is een confessie, mijnheertje, dat wordt hoe langer hoe +grappiger, o mon bon, ce bon petit monsieur!" + +En het was of daar waar hij ging het zwart schudde van de pret.... +Zeker, hij liep met zijn mond open van vroolijkheid, de tanden bloot in +den nacht.... Hoor, nu hield zijn slof-stap stil en de stem kwam kappen +zijn eigen genot af: + +--"Nog wat rechts, en dan zijn we er!" + +Bengelend gelijk een klokkeslinger kwam diep uit de hoeksche steeg een +vlam aan wandelen. En spookhoog, ook los van den grond, geestte het +lichtbeeld van een Oosterling in een damp van ontbonden duister, +stillig-stil. + +Een schok, die hem in de beenen sloeg, had Johan doen staan. 't Doffe +klop-klop van paard-hoefslag was als vijzels in zijn ooren aan het +stampen, even waren zijn tanden in zijn mond aan het rikketikken +begonnen. + +De naderende Arabier bleef aanvaren winnend in grootte en in +lichtkracht, nader kwam hij gewiegd door zijn paard, hoog heerlijk +gezeten in het reine mousseline. Gelijk een ster voor Drie-Koningen, +bakende over hem heen de aan een stok gedragen lantaren, het pad zoo +blootleggend voor zijns paards pooten. De lantaren wiebelde aan tusschen +de wanden van de wijdere steeg, het duister ontraadselend waar de +ruiter ging, die blank-straf en ondoorgrondelijk, keek naar niets uit de +koepelende omhulling van zijn nachtwitten en begloeiden mantel. +Koolzwart roezemoesde uit het kappe-open knevel en baard, waar achter +hem nachtte de luchtstrook; waar de knechtskop van een neger +schonkglimmerig uit aankwam met een roodende fez; toen zijn roode +lijfjas. + +--"Ziedaar een licht dat tenminste op zijn tijd komt," zwetste Vogel +nog, toch ook wat lager. Voor een nis op een stoepje zag Johan hem staan +schemeren, los ook hij van den nacht, gebukt-schevig, bezig met rommelig +te zoeken naar een sleutel in zijn broekzak en hanghebbend in zijn lage +hand den gevonden arend aan de krampende pooten. + +Dan een muurlengte rechts, wendde het paard al schuif-trappelend om, +gestuurd door de onteziene handen van zijn heer. Dwars stond het in de +steeg. De lantaren, wind-schommelend, brandde neêr op de ritselooren van +den witten hengst en op zijn omkruivende manen zijig, merkte de gleuven +van den krommen spierhals en de uitsnuivende wrongen van den neus waar +stil hijging uit dampte. En op stangen en trenzen vonkte het rood en +goud, want het paard knikte de pooten in stap, toen kwam het schabrak +ontbloeien in een mysterie van arabesken, en in den bak des stijgbeugels +de gele voet van den hoogen musulman. + +En als in een tooverhuis droeg het paard den Moor onder het nu stille +gloeilicht voorbij, wiegend hem statig weg, ijskalm en onbegrepen +hoogheerelijk in het open donker. + +Zwart-glanzig stuurde de knecht zijn paard vast aan. Hij hield in zijn +knookvuist den lantarenstok, zoo een lans in rust wordt gedragen, nu ook +het achterlijf van den hengst heenhobbelde, rozig als besneeuwd, +bebaldakijnd onder den nasleep van den mantel. + +De lantaren binnen, omraamde rood het portiek; schuw blauwde het in de +steeg. En binnen de roode knecht met zijn glimmende eunuchenfacie; toen +viel de nacht als een bui. Op 't gevoel af had Vogel met doffen smak het +doode beestje neêrgesmeten in het andere open donker. + +Hij peuterde zijn werkplaats dicht: "Die arme Seigneurie, hij heeft meer +dan vijf vrouwen, men zegt zes, men zegt zeven." + +En door den nacht terug en veroordeeld tot een dubbel donker, daalde +Johan met hem.... twee duistere menschen die elkaâr niet zien. Vogel was +stil geworden, het broeide om hem als liep hij in een stom dreigement, +niets was er dan het leven van de voeten. Dom ging het loopen goed, de +zakkende weg maakte nu het gaan gemakkelijk. Uit de hemelstraat boven de +steeg prikten de sterren hun blinklicht neêr in Johans oogen, en +kasteelige donkers schoven voorbij.... de uitbouwsels, die als groote +kooien zijn, op schraagsels in den muur gestut. + +En hij zoo gaande was blij dat Vogel niet sprak. + +.... Was het niet als een droom nu al veertien dagen, een wonderlijk +leven, onverzadelijk om er naar te kijken, nooit genoeg, telkens wat +anders om het vorige te verdringen tot het wel herinnering geleek; zoo +kwam er van werken maar niets, alle dagen dezelfde beloften aan +zichzelven vandaag zal ik dit doen, dat en dat, en er was nog altijd +niets gebeurd. Nu ja.... een paar schetsjes.... niet veel.... hoe kon +het ook anders.... dat nare geld.... nog een paar dagen, dan was het +sprookje voor goed uit.... Hoe zou hij zich in Holland weêr voelen.... +hoe langs de straten daar gaan.... allemaal andere menschen geworden in +die twee jaar?.... twee jaar.... waren het er niet meer.... waren het er +geen twintig.... dertig.... + +--"En dan te denken dat ik ook eens mijn eigen paard reed, mijn goed +paard.... ma pauvre Mirsa".... mopperde de dokter vlak voor hem, uit +zijn eigen gedachten. + +Grottig vloeide voor 't gezicht weifeling van lucht. Haastiger onder het +gaan slonk de al dalender steeg. Toen klankten weêr de eenzelvige +stappen op het kleine Zocco. En de opstapelingen, duister als waren zij +gegroeid, stuwden zich op naar het hooge open boven, naar het rouw-blauw +van den hemel, magistraal met zijn benageling van sterren. Maar +insidderend lag er het zwarte van onder, er doolden spinraggen en +raadselen van schijn, draderig geflinster schoot er het wanden-duister +langs, als lijnen van telegrafen. Vogel kwam aangedrongen, Johan rakend +en toen los, toeschietelijk met het goeielijke in zijn gepraat dat hij +hebben kon, liep hij weêr te vragen: + +--"Alzoo gelooft ge wezenlijk, dat een vreemdeling die hier veertien +dagen is, als gij; die komt waar wij komen, als gij; op een avond naar +bed zou kunnen gaan, dadelijk na zijn diner, en zijn twaalf, nun, zeggen +we elf uurtjes, kan doorslapen zonder dat wij het zouden weten?.... hoe +is dat zoo?.... pscht," slikte hij tot fluisteren zijn stem in, "loopt u +een beetje hier, daar komt monsieur Crépieux aan.... ik ken zijn +lantaren." + +Maar in het gauwe gaan was het lichtje achter Johans rug flap uit gelijk +een uitgewaaide vlam; nagezeten menschen die op de teenen vluchten, zoo +draafde hij schichtig achter den schichtigen Vogel. Ze waren de groote +Zoccostraat voorbij gesneld. En nu langs den opstand waaronder overdag +de koopvrouwen met de brooden zaten, bedaarde het geloop. Achter hen +bauwde uit den donker de stevig aanstappende mannenpas, in den zakkenden +gang met val van klank. + +--"Hij gaat eten.... hij woont bij den muur, mijn patroon.... ce +Crépieux." + +Dan vóor hen, waar kwam het zoo snel vandaan? schommelde alweêr een +ander rood lichtje, het ging, schijnende dwaalvlam, op, neêr, soms als +in een tocht aanvarend. + +--"Loop wat aan!" stookte Vogel weêr op. "Ce bon brute daar kan ons wel +een beetje bijlichten.... Kom toch.".... + +--"Ik zeg: 't is niet de eerste maal dat ik zoo mijn geluk zoek." + +Tot op twee manslengten achter het bakentje liep Johan meê, willoos in +het rillerige donker. De Arabier keek niet om of op, gewend. Hij sjokte +als een nachtdief, vallend het duister tegen, met zijn bekapten kop in +den loop voorover; met het soppige geluid van zijn tippende muilen onder +het opgeschop van zijn nachtjas, geleek hij soms meer een vrouw. En het +vlammetje oproepend zijn knuist uit den nacht der mouw, brandde +roetlicht neêr in een cirkelkring van stervend rood: een heraldiek +teeken, de lichtschim van een kruisvaardersschild, zoo schoof het naast +den duister-witten man. Spraakloos gingen ze in het lawaai geworden +leven van de voeten; de blinde muren schroeiden op uit een gerikketik +van vuil en onkruid, schijn vlottend naar schijn. De eerste steeg week +wijd-zwart in den wand en duisterde achter hem dicht; een deurpost +paalde met zijn hoogen drempel er onder en voorbij; toen zwenkte Vogel, +latend den gangenden lantarendrager, op den lichtschraai af die midden +in de steeg Sivory's kroeg uitwalmde. + +--"Een glaasje op onze gelukkige ontmoeting, is 't niet?" zei Vogel. + +Maar Johan bedankte, neen, wezenlijk, hij had geen lust, ergen +honger.... en 't was al zoo laat, de dokter moest Jachjemed maar naar +buiten sturen.... neen, wezenlijk niet. + +--"Des bêtises." + +In den schamperen kroeggloed, glom het ellendige geween van zijn lichte +oogen. Zeker, ze waren groot geweest en gespannen in het duister, maar +al gordijnde de vouw er over, brekend het even kralende gekijk. En zijn +neus vlak pakkend het deurlicht, snavelde er tusschen neêr, hard en +onverschillig in een stijlen rug, maar verdrietelijk toch met zijn +hangende punt. Een zenuwachtig rilletje trok op onder uit den bluf van +den knevel en zijn mond, zijn spotmond, hoe zou die er wel onder +uitzien. En nu ging zijn linksch oog daar nog meer knijpen in een geraad +van rimpeltjes; maar boven het andere kromp de brauw, stijgend, als in +hoon, hooger.... Och, oolijk was het bijna om er om te lachen, maar ook +om er beroerd van te worden. Hij stond vaal in zijn verwaarloosde jas; +tegen zijn nek op frommelde een boord te hoog, welig warde het haar er +over. Laag hingen de handen langs neêr, missend de pijp. + +--"Ik zal nog een glaasje nemen.... een tout petit.... waarom zou ik +niet?.... de rhum van Antonio is goed.... geeft me slaap.... en slapen +wil ik.... waarom niet?.... Bonsoir.... ge weet.... niets vertellen aan +monsieur Crépieux.... Dus ge komt morgen bij mij kijken?" bleef hij even +staan zeggen.... "doe het maar.... tot morgen dus, bonsoir." + +Johan alleen, wachtte in het straatje.... Als nu die jongen maar +dadelijk kwam.... 't was eigenlijk zoo noodig niet, eergisteren was hij +ook wel alleen naar huis gescharreld.... Maar hij had zich nu plotseling +verloren en zoo moe gevoeld; tegen den muur was hij aan gaan leunen, met +niets geen kracht meer. Hij wachtte. Uit het kroegebinnen rommelde 't +mannengezwatel, onverstaanbaar door-elkaâr-gewar van spraak; hoog op +steigerde lachen, aanvarend op den lichtschraai naar buiten.... +Antonio's plezier.... Voor zijn oogen was het werkplaatsje van den +kleermaker verschijnend, slaperig met hangende deur, een dicht huis dat +zijn geheimen bewaart. In het duister stond hij, machteloos, zoo òp, zoo +leêg, zijn maag was een leêg ding ook, o, hij had honger en dorst. En de +table d'hôte kwam in zijn hoofd blinken, linnen-blank met veel licht, +met rinkelende karaffen, met rookend eten, volop, veel zou hij eten. +Zwart, stop-zwart ging de steeg in het niet; door de wijdte was het +stil, suisstil, maar de kroeg naast hem, een gat rood walmend leven hier +in het nacht-overal. Hoor, daar ging een hond aan het blaffen, van vèraf +hortte het de huizen over, viel het in donkeren huilval, druischend in +zijn ooren neêr. Zeker, de nacht wou van hem, hij had den nacht +gedronken, te veel, met zijn oogen, met zijn ooren, met zijn adem en met +zijn handen ingetast. Hoog over de steeggeul en over de dompende +blokken, daar achter en daar rechts en daar links, daar schoof de nacht +ruimte van grondeloosheid, verijsd, gemat, vliedend in ijle atmosferen +boven het maan-blauw al hooger, bewicheld met sterren, radeloos al meer. +En met de behoefte, plotseling, iets van zich zelven heelemaal te zien, +stak hij zijn hand langzaam van zich af in den rossen deurgloed. + +Hoor, daar was Vogels verweerstem fel van zich afbekkend.... een +onbekend geluid raffelde er tegen in. Dan gromde het wat van uit de +diepte: zoetsappig gekeuvel, gekwispel en gekal van mannen die door den +neus praten. Vast zaten er Arabieren te drinken.... Eergisterenavond +ook.... Maar dat kwam van den opgeruimden kolonel met zijn joviale +vertelsels, en dadelijk toen Antonio's jongensachtig lachen, duidelijk +over het voorplaatsje aangedragen door het roetachtige geroezemoes: + +--"Oh, monsieur Badaud, schei uit, ik stik." + +--"Pak aan, muchacho.... licht." + +Dat was de stem van Antonio's vrouw.... nu zou Jachjemed wel dadelijk +hier zijn.... + +En Johan ging los van den muur. + + + + +V. + + +--"Herein." + +Over den drempel met een stap als in een kuil, was Johan onverwacht +gedaald in de kamer. Maar achter de al-dichte deur was hij staan +gebleven op den uitgetrapten zandgrond, bestookt door een +oogenblikkelijke benauwing, onwillig voor den vagabondeerenden +menagerie-stank van opgesloten heete beesten, die prikte in den neus en +terughinderde zijn vrij ademen. Schuw, onder een hoog troebel licht had +hij Vogels blauwen blik zijn inkomen zien zoeken. Doch een lawaai +barbaarsch, veel te geweldig voor zoo klein een ruimte, het krijschen +van een bang geworden aap: een harig donker monstertje zat daar tegen +tralies aangegrepen, gluurde, schuivend den kop; wanhopig-wit, +verdwaasde beestoogen; dan stil, klapte het als in een groote siddering +zijn smoel snel voorbij het grimmende gebit. + +--"Ah, de schilder," herkende de dokter blijig, van boven de werktafel +waarop zijn handen lagen bleek in den dag. Donker en hard, een mechaniek +gelijk, stak hem de pijp onder uit den fellen neus of zij vergroeid +waren met elkander. + +--"Dat's goed van u.... zeer goed.... taisez-vous donc, camarade," +knorde hij naar den aap, die de spangen deed rellen, dat er het hooren +en zien in de werkplaats van verging. + +--"Gaat u zitten, gaat u zitten." + +De zitting waarvan hij was opgekomen, een plank gelegd op het matlooze +geraamte van een stoel, wipte, sloeg blink-lichtend onder hem neêr, +rumoerend weêr wreed de kamer. De aap plofte weg, verscheen opnieuw +plomp-donker, tand-blikkerend. En de stoel alleen, lattig, van geverfd +hout, bleef in zijn donkeren stilstand. + +Johan bij de deur, houdend zijn tasch bij den schouderriem los aan de +hand, zag Vogel met willooze handen in de war gebracht staan, in het +leêge midden van de werkplaats, als een man die verrast wordt en +ongewoon geworden is aan bezoek.... Was er dan niets om op te zitten aan +te bieden.... Hij ging, sukkelig gebogen in een verslofd luuster +huisjasje en halsstarrig nagegaan door de druilerige oogen van den aap, +die tusschen de kieren doorloerend, klonterig zat bovenop zijn +handvoeten, lang van span, knijpend de tralies. De haar-armen hingen er +achter, en om zijn gemoedelijk vooruit-leuterenden snoet, mummelend, een +oud-kereltjes-mond, rilde en kringelde nog telkens de grimas, zenuwig +als bij een kind, dat na lang huilen het snikken niet laten kan. + +--"Laat ik maar dàarop gaan zitten," meende Johan eindelijk, en hij wees +naar een tobbe naast zijn beenen, een doorgezaagde ton, in een kring van +weeken grond verzakt en met een plank ook tot deksel. + +--"Neen, neen," lachte Vogel zich opzettend en hij stopte zijn pijp die +vallen wou in zijn jaszak.... "Neen.... doe het niet, daarin huist de +Gypohierax Angolensis van monsieur Crépieux, wissen Sie.... ha.... een +meeuw.... niet meer." + +Op zijn gemak snuffelde hij nu den spinnekop-stoffigen muur van grauw +pleister langs, verzette veel pakhuisdingen, van-achter het hok, +gestriemd door de tralies liep hij weêr terug en scheen te hebben +gevonden; want hij zeulde een bankje van uit het donker onder de tafel; +kalk-wit hortte het ding in het licht. Een flardige papierzak opengapend +lag er op te kantelen, propvol nog in de punt met rul poeder. Sussend +klakte hij met zijn tong. + +--"Ah.... que voulez-vous?" + +Zindelijk, zonder veel stuiven was hij al bezig de gemorste kalk in het +zakje te schuiven; met de knieën wat geknikt en door zijn hangend jasje +omflard, stond hij krom boven het kleine gierige schrapen van zijn +voorzichtige hand; op de aangestampte aarde platten zijn schoenen met de +kleur van den grond. + +--"Hebt ge gearbeid?" vroeg hij. + +Van tusschen uit het lang smalle raamkozijn, waarvan de harde +haakschheid vernield was door veel nesterig en dwars-webbend spinrag, +van achter het geraam der bestoven en gore ruitjes, zeefde het late +licht van wel al vijf uur in den middag binnen, was wittig onder het +nadende zolderhout dat dekselde boven de hoofden van de beide mannen. En +Johan die laag het ploeteren van den dokter merkte, hoe hij het bankje +schoon wreef met een slip van zijn jasje, zag hoe rechts een plank den +muur in de lengte ploegde en bezet was met stuk naast stuk staande +opgezette vogels; als sieradiën verstijfd in hun natuurlijk staan waren +het bot glanzende veêr-lichaampjes op droge pootjes. + +Het was er een gezigzag van hoog en laag. Tusschen de doffe, dikke, +hoenders geleken het, rankten er kleiner, vogels die snel kunnen +stijgen, luchtvogels: leeuweriken, spreeuwen, maar als lijsters zoo +groot, maar blauw, onweêrsblauw, heet-donker, middagzon-hemelblauw. Het +waren gansch en al onbekende vogels: kustvogels, want er hadden er +bekken om visch te vangen, kroppen waar visch in wordt bewaard, +slokhalzen, duikhalzen. En er hadden er pooten, strandloopertjespooten; +ze deden blond en moederlijk om de kleine. Daar in den midden scheen er +éen weg te willen vliegen van zijn knoestigen tak; een glanskrans als +een regenboogje glom om zijn borst, maar de stompe botten van de open +vlerken waren dof van het stof; zoo het vuil mat is op het glad-donker +van een wijnflesch; poeder van houtworm lag gelig op het voorhoofdlooze +kopje. Daar een insekten-pikkertje met een neb als een naald, een +pluizig dingie, van een vaal overrijp bezie-rood; twee lange witte +sprieten pronkten op, grashalmen gelijkend, en gaven het een staart als +een lier. Doch als een soldaat in een schilderhuis maakte een reiger de +rij af en den hoek vol. Dik zat hij in zijn krop, hongerig nog den +zandgelen bek opstekend; zijn kuif hing neêr of hij pas had gezwommen, +waterschuim-blauw waren zijn veêren. Onder zijn buik borg hij een +papegaaiachtig beestje, droog en grasgroen, half toegewend met een +praatmond, knabbelmond als van een oud vrouwtje. Van op hun plankjes +staarden zij alle langzaam aan, alle met het kralende gekijker van hun +glazen oogjes. + +Onder in den tafelhoek, heel een mand uitgestort wild wel, lagen de +vogels rumoerig over elkander, slap, lenig in de schaduw. + +--"Voilà!" kwam de dokter op en hij plantte de bank wat dichterbij op +den bultigen en om de tafel als vogelmest grauwenden grond.... "neemt u +me niet kwalijk dat ik u niet wat beters kan aanbieden." + +--"O," zei Johan, "dat zit wel, ik ben niet verwend." + +--"Ook niet?" + +Leuk had Vogel zich omgedraaid, dwaalziek in zijn hok, ging, met op den +rug glansloos-grijs het licht. Hij was zonder boord, kaal en arm in den +nervigen hals. Bij het hok stond hij nu met den neus door de strepende +tralies, bijziende zocht hij den grond, zwaar tegen de aapkooi +aangeleund, die van te nieuw hout, opdringerig, een gevaarte was in de +kamer; schriel plekte zijn oor in het nog dikke en grauwe slaaphaar. +Door de tralies heen verscheen het latwerk van een andere afschutting. +Maar Vogel praatte zacht-roezig in zijn eigen huis tot den aap, die of +hij alles verstond oplettend lummelde, met zijn vochtig uitziend handje +den grooten mannenvinger vasthield. + +--"Vous n'avez besoin de rien, verstehen Sie, ge hebt vreten.... ge hebt +drinken, alors tu me vas être sage.... is het niet, camarade.... allons, +wees maar niet bang, ce monsieur".... + +Hij praatte vlug òm naar den ander, luider: + +--"Ik had nog niet de eer u voor te stellen, mon ami Caca.... bonne bête +en somme.... Regardez.... ik geef hem den vinger en hij neemt de heele +hand of hij een mensch was.... oh.... ik ben zeker.... ge vindt het een +bêtise, wat ik zeg daar." + +Zie! boven die twee paar kijkende oogen bewogen de gemakkelijk plooiende +rimpels gelijktijdig. Den duur van een oogenblik was dat verschrikkelijk +geweest. Had Johan er zijn eigen oogen niet van voelen gaan verdwalen of +ze weg wilden uit het hoofd? + +--"Bestia, ge begint indecent te worden, kameraad." + +Vogel spelend, krauwde met de vrije hand zijn aap op den kop. En Caca +grimasseerend, ratelde schel met knippende oogjes, wrong zich genotvol +onder het gekoos van den baas. Angstiger hield hij den vinger; al +rommeliger krabde hij in zijn lenden en dijhaar, kleintjes klagend. + +--"Genoeg, genoeg." Toen zich vrijmakend was Vogel met een paar groote +treeën onder het licht, trok den stoel met veel ratelgerucht onder zijn +zitten-willen-gaan. De aap plofte weg, verscheen plomp-donker, bleef in +de vlucht met uitgespannen pooten en aan 't rillen met den bek. Een mand +rolde, door den sprong geschud, boven op het hok. + +Vogel diepte zijn pijp uit zijn zak op, babbelde of hij de stilte niet +verdragen kon. + +--"Al dat wat ge hier ziet.... we hebben nog een exemplaar.... een +jakhals.... daar achterin.... hoor hem loopen, ça m'embête et ça pue.... +daar is rooken goed voor.... kijk, ik rook niet zwaar.... komt van +Rotterdam, zoo ge ziet.... nun.... nun.... al wat ge hier nog meer ziet, +is nu de weelde van mijn patroon, monsieur Crépieux, maar weet ge wat +zijn rêve is.... raad eens?" + +Klankloos in den nog lichten dag brandde het vlammetje dat hij stil +hield boven zijn pijp. Het danste lustig spelend door de rookmondevollen +die hij smakkend deed gaan voorbij zijn lichten schedel. + +--"Niet? hij zou zoo graag een leeuw hebben.... wissen Sie, une toute +petite lionne de l'Atlas.... hij is er ziek van.... ja.... ze zijn te +koop in Fez.... sait-il.... et il dit.... il dit, dis-je.... dat ze niet +wild zijn.... ah, par exemple, dat zou eerst grappig zijn, zoo ik op een +goeien dag opgevreten werd door de leeuwin van monsieur Crépieux.... +Kreuzdonnerwetter.... ça sera tout de même drôle.... permettez...." + +Onrustig, gestookt van binnen, hadden zijn knieën tot elkaâr geklept, +toen sprong hij om op zijn stoel, liet zich voorover vallen met zijn +armen op de tafel; rook nevelde op, gauw alleen verscholen in zijn rook, +was hij aan 't werken begonnen. + +En Johan vreemd in de kamer, voelde de onrust in hem geboren worden, +ongestadigheid zakte in zijn beenen neêr; hij moest zich tot zitten +dwingen. + +Voor de tafel met de knieën in het donker zat de dokter. Boven blauwde +het voor het raam waar de dag slonk. En zijn vingertoppen waren aan het +tasten in de buikveêren van een vogel, die strak onder zijn hand lag met +den hals rechtuit, als een onberispelijk gestorvene. Rijk omkraagd lag +de kop achterover met de grijze rouwdichte oogkringen en de pooten +rekten zich, neêrgestreken door de hand zoo tot een zuivere +doodshouding. Stil poeierde de dunne dagschijn neêr over Vogels kalig +hoofd en over zijn zoetjes zoekende handen, teeder met aderen beblauwd, +wijl in de stinkende ruimte heel hoorbaar de loopgang van den jakhals +dofte, heen en weêr; dan het schuieren van zijn haarbast de krabbende +tralies langs, heen, weêr, met de dreinerige bezetenheid van een +gevangen beest, dat maar loopt, omdat het er altijd uit wil. + +Nu kwam van uit de tobbe even een gehamer, schichtig, zoo het snavelen +van een specht komt uit het hout. Vogel, of hij vergeten was dat hij +bezoek had, tuurde boven het beestje, hij spouwde het borstdons met de +vingers open, de naakte huid zoekend, gelijk een aap die vlooit. + +Van den eenen muur naar den anderen spande overlangs de planken tafel, +vezelig, ruw van timmering. In het midden rondom het kadavertje was het +vlak wit, zoor van droge kalk; tot een bergje lag het uitgestort op een +journaal, achteruitgeschoven tot onder den greep der hand. Doodzwart +brokkelde uit den kartelenden papierrand de kapitale letters: "le Réveil +du Maroc." In het linksche hoekdonker rommelden veel snuffelige boeken, +stapeltjes in de war gevallen, eenkleurig door het stof; stopflesschen, +raadselig vol gekrioeld met gedrochtvormen verstijfd in het gelige +sterkwater, blonken er nat als plassen in zand, en glazen zonder voet +stolpten er met reine randen op de tafel. Een ervan, omglaasde in het +licht een torrig, dikschildig insekt, doodgesparteld op zijn speld. Daar +ook slingerde zijn halsboord met de punten omhoog, een boos uitziend +ding, zoo het met een smijt tegen den muur daar scheen terecht gekomen. + +In betrachting met het rookende hoofd op zij, hield Vogel met de linker +vingers een kloof in de veêren van het doode beestje, spleet met een +tornsneê de huid van borst naar buik. Hij mopperde boven het teêr +snijdende scalpel: + +--"'t Wordt al wat donker." + +Johan al vreemder van binnen, voelde op zich drukken al zwaarder de +zwaarte van de kamer. Maar hij zat. En in het benauwde vierkant klepte +nu laf door de muren heen de slofstap van een ganger op straat, in kalm +zakkenden pas voorbij. + +--"Nous sommes en plein quartier arabe," zei Vogel, "er komen niet veel +Europeanen langs hier." + +Uit de gapende veêrvacht pelden zijn smoezelige vingers het boutje, +koudbloedig, armelijk verscheen het. Hij snoof door den neus. + +--"'t Werd tijd.... ça sent mal déjà.... le métier.... dis donc.... zoo +het u interesseert open ik hem de maag en laat u zien wat hij het +laatst heeft gevreten.... 't is grappig.... gij zoudt lachen zoo ge wist +wat ik daar al in gevonden heb.... oef.... dat's sterk." + +Hij kraakte een der pooten bij het kniegelid door, toen den tweeden; +duwde voorzichtig de klauwen uit de veêrsokken terug, één voor één. Het +lijkje zat nu nog vast aan den hals. En hij tilde het op bij den snavel, +als een kleinood tusschen duim en wijsvinger, vertoonde het, schuddend +de veêren vrij, of hij speelde om de schittering, lachte hij onder zijn +opkijkende oogen. + +--"Tenez, is hij simple genoeg, het arme beestje, on dirait un pendu, +n'est ce pas?" + +Maar den hals nu onder den kuifkop tot een lis gemaakt probeerde hij +door te snijden, zoo een bot mes wringt tegen touw in; het +vleeschkluitje met de opstekende pootstompen glibberig, en van het +villen vol kerven, leî hij toen van zich weg. + +"Dat is voor den jakhals." + +Het huidje lag vóor hem leêg. En overrekkend de tafel, graaide hij in +den kalkhoop, strooide een handjevol in het weeke van het vachtje, wreef +zich de handen droog met het poeder. + +--"C'est du plâtre.... gij begrijpt de veêren moeten rein blijven.... Nu +komt het moeielijkste.... neen.... regardez.... ik ga de hersens +wegnemen.... ze hebben er wel niet veel, 't is geen mensch, maar de kop +is toch een essentiëel ding.... 't is lastig, ik heb niet meer mijn +goede instrumenten." + +Het mes draaide den hals in, hij deed het zorgvol om zijn bezoeker goed +te laten zien; het kraste uit het van binnen of hij een noot holde. + +--"Ik haal de oogen naar binnen toe uit.... comme ça.... sûr.... ça +m'amuse.... dat kleine werk tranquilliseert me.... sûr...." + +Hij peuterde door, zijn mes telkens rein strijkend langs den rand der +tafel. + +--"Al die daar heb ik zelf zoo geprepareerd.... die blauwe.... +vliegende.... mooi hè.... dat is een.... nun, nun.... excusez-moi, er +zijn wat gaten in mijn geheugen.... ratten".... + +Het lijf los van de tafel had hij omgekeken, wees toen over den schouder +met den duim in den wilde. + +--"Die daar, ziet ge.... daar naast.... de zevende.... die er zoo +poeierig uitziet.... la bonne poussière.... met zijn gehavende +vlerkjes.... ratten.... kakkerlakken, luizen.... slecht geprepareerd.... +nog uit mijn goeien tijd.... komt ver van hier.... Nun.... zoo ge eens +wat zien wilt, vraag dan aan den patroon.... die heeft een heele +collectie.... een kamer vol.... oui, dat heeft hij.... Maar mijn +meesterstuk is toch bij Antonio, wissen Sie, boven het bed staat het.... +une grue.... een pracht, met een kroon die wijduit pronkt, bovenop zijn +kop.... et un plumage".... + +--"Ja, soms krijg ik wel eens een mooi exemplaar.... Een tijd geleden +heb ik een marabout geprepareerd voor den Consul; daar is moeielijk aan +te komen.... het is de heilige onder mijn naamgenooten.... des +bêtises.... non.... gij zult ze wel kennen.... hij staat kouwelijk, +loopt met hooge schouders, filosoof zou men zeggen.... niet?.... soms is +de krop totaal veêrloos en hangt hem aan den hals als een bedelzak.... +un travail je vous assure." + +--"Maar de meeste, wissen Sie, vooral kleinere als deze, prepareer ik +alleen om de huidjes.... Dat zijn de zaken van monsieur Crépieux, hij +stuurt ze naar museums, of als ik een hoeveelheid klaar heb naar de +magazijnen voor de hoeden van dames.... à Paris, à Bruxelles, à +Petersbourg, à Vienne.... à Amsterdam possible.... dragen de dames van +mijn veêren op hun hoeden.... als ze eens wisten hoe ik ze heb +vergiftigd met mijn gedachten, als ze eens voelen konden.... ah bah.... +que voulez-vous.... het is een van mijn pleiziertjes er aan te denken +wat vroolijke hoofdjes ze dragen zullen.... soms zet ik er een op mijn +hoed om te kijken hoe het staat.... ik zei u toch hoe sentimenteel ik +mij zelven ken, oude clown, ik." + +Zijn gepraat dompte, achter zijn armen rommelde hij. Een blond vogeltje +als een musch met een oranje neb, speelgoed, lag onder zijn alweêr +tastende vingers. + +--"Een woestijnvinkje.... heeft Mustapha van morgen meêgebracht.... +Gisteren hadden we toch een aardig dagje, niet waar?" + +De door zijn vraag dadelijk opgeroepen herinnering vlaagde verfrisschend +Johans hoofd binnen. En hij was weg uit de kamer, met zijn ooren ook weg +uit het gedruisch der woorden. + +Dat was verschenen, opgestooten uit het duistere gedachtenlooze, +plotseling als de nevels waarmeê het gisteren was geboren. + +.... Om vijf uur opgestaan.... ze zouden een wandeling gaan doen naar +Kaap Espartel.... Bij Antonio had monsieur Crépieux er toestemming voor +gegeven.... Vogel te laat.... En hij in de langwijl van het wachten, uit +den halven nachttoon van zijn slaapkamertje, was de trapjes opgeklauterd +naar het bordes, slaperig nog, huiverig met de oogen koud aanvoelend den +nattigen morgen. Van over het land, van over de Zocco-heuvels, waren ze +aan komen drommen, de nevels, het saâmgepakte ondoorkijkbare wolkenwit; +er tegenaan was het kijken gegaan, van uit het Westen naar het Oosten, +murend stuwden zij aan in de stilte waar geen wind was merkbaar, vol +stom alarm ramden zij den jongen dag. Over de borstwering gebogen, +kouwelijk met de handen in de mouwen had hij zich laten overwolken. En +het parelende nevelnat had de steeggeulen geëffend met de bordessen en +de zee en de kust van Europa. De voeten klam in dauw, kil op den rooden +steenvloer, had hij staan wachten en suffen in zijn pas opgewaakt +hersenleven, alleen, verloren in het niet zijn, in den wijd-witten dood +der dingen.... Maar het nevelleger was voorbijgestevend, gestoet, +gejacht: latend achter zich de stad weêr open met zijn steenen stegen, +waaruit de mist nog rookte. + +Over zessen was Vogel hem komen halen; een tasch ook had hij over den +schouder en zijn pijprook ging met een ouden geur door de wasemende +vroegte. + +En toen de ochtend in het ruime buiten, de ochtend die een bad was, in +den beginne nog wel gestoord door plotseling opdoemende nevels, gauw +weggewolkt over de hooge wegen langs zee, over de rotsen rossig, over +het oceaan-water laag en blauw; weggestoven langs hen dat zij liepen in +een luchtstraat, weg en voor goed, met de zon achter op hun kruivende +dampruggen, die kringelden en tintelden van zonwatergespeel, +kleurenbogen spanden. En toen die herscheppingen naast hem van deez' +gebogen man, oplevingen: een kind dat vrijaf heeft, huppelen gaat, dan +ernstig als hem de school in het hoofdje komt. Hoe had hij zich schrap +gezet, willerig op de wegen, waar hij naar bukte, speurend wat nieuws, +waar hij de steentjes van kende, en de kruidjes en de torretjes van +liefhad. Over de rotsen waren zij westwaarts gegaan met den rug naar +zee; hij wist een beter weg, een korteren dan het heirpad de kust langs, +hij had veel wegen gebaand, had hij gespot. Dien ochtend niet gezien +maar genoten.... + +In hooger stijging waren ze geklommen over riffende gronden van glissend +grijs en rood, als gegleufde verstijvingen van gestolten lava. +Dartelheid was in de voeten gekomen. En Vogel, een rechtóp mensch, had +als in bevel aangewezen de te beklimmen rotsen. Hij was er het eerste +geweest, ademloos, maar het eerst, hij had er gestaan groot voor de +lucht, overstort met licht, terwijl hij de ruimte met zijn gebaar +omvatte. + +Onder het bladdak dan van groepende boomen had zijn stem geklaterd, vrij +van de verstuiving des winds, slaande den stammenwand, om te echoën als +een steen die rolt in een ravijn. Hij had verhaald van zijn groote reis +in Afrika's binnenland, uitgeluid van zijn geweldig begeerd-hebbend +leven, opgewonden en met groote liefde. + +Vinden, wegen vinden, oorsprongen vinden. Wat al namen had hij niet +genoemd, nooit gehoorde namen van oorden, hitte-wademende woorden, en +van bergen en van binnenmeren. Hij was er bij stil blijven staan. In het +gruis van den grond had hij gelijnd als op een kaart, met zijn +wiebelenden vinger had hij de stroomingen van de zakkende wateren +geteekend in de ruimte. Heerscher hij, over zijn weêr opgestaan +begeeren. + +En aan Johan in de loopvaart van het lichaam met het luisterende hoofd, +waren rood en monsterlijk hagedissig, de stammen van de kurkeiken +voorbij gekronkeld, voorbij aan de achtergrondelijke wouden die Vogels +verhaal voor hem hadden opgeroepen. De wouden met de neêrlissende +lianen-regens in het tempelduister van de kronen; de oer-wouden waar de +grond wankt, wanneer de voeten het wagen, als wou de aarde keeren; dan +voor de verbaasde oogen gloeit en vlamt er het kleurenbloeien van +orchideën onder een gat in het dak. De koortswouden waar zijn lichaam +had gelegen, krank, uitgeput, verlaten door de knechtschap van zijn +karavaan, bestolen hij van zijn ivoor en ruilgoed, alleen met een paar +bedienden en waardeloozen rijkdom. + +Verteld had hij in woorden van stille herinnering, zoekerig, uit het +vage gezien hebben van zintuigen half al in den dood, schemerig, +verleden, zijn verpleegd-worden later in een missie-huis, door een vrouw +onder een witte overhuiving. Luchtblank, een heiligenbeeld in de bergen, +zoo had hij die pleegzuster gezet in zijn verhaal. Toen een poosje stil. +Zijn beenen knepen den grond, terwijl zijn hoofd rookte. + +En het ratelen van zijn bewondering en haat, wanneer de andere vroeg: +Stanley?.... Stanley, om te slagen had hij zich verkocht voor een +politiek en onwetenschappelijk doel. Livingstone.... een +proselietenmaker, maar die toch de meren van het zuiden het eerste had +bereikt. Burton, de voortreffelijke Burton, die van het oosten naar het +westen was gegaan. En de bijna onbekende Paul de Chaillu, die jaren lang +als een bezetene de gronden onder den equator afzwierf om door te +dringen tot de westelijke bronnen van den Nijl.... en.... o, cette +Afrique.... + +Tegen den middag was de toren komen staan, naakt rood en wit-ringig, +opstuwend uit het rotsvlak zijn steenen rust voor den blauwen hemel. Bij +het basement een vlak tuintje en daarin was een mannetje in donkerder +blauw, gebukt tusschen zijn groentetjes aan het werk. Braun keek op met +een bezond rood gezicht, toen de groetschreeuw van Vogel galmde. +Dichtbij, was de wachter een man die doovig, heel hardop sprak van onder +zijn vereenzaamde oogen. + +In de torenkamer tot een cel, buitenwaarts veelkantig,--de grond was er +rein bestrooid met zand,--hadden ze van het meêgenomene gegeten, +gezellig om de tafel bij het raam, dat in de dikke muurnis vol was van +wateruitzicht. Braun schonk een flesch, rood was de wijn geweest en de +Duitsche stemmen met een bergklank of zij kijfden in de witte kamer. +Buiten ging de zon over den middag, blauw, stil, tot er een meeuw blank +kwam aanstooten door den hemel-lichtval, traag, want de buik hing hem +zat van gevreten visch. + +Wat later, alle drie naar boven om de seinlichten te zien. En de hooge +stem van Braun naast Vogel die de mechanieken verklaarde, klankte er +onder de bekapping achter de glazen oogen van zijn toren, die over de +nachtzee waken.... + +Dan op den terugtocht hadden ze gelegen plat op den buik in het gras, +aan den rand der hoogten. Zij hadden neêrliggen kijken over de +bastionneerende steenklompen en de blikkerende keien, opgegooid geleek +wel, tegen de helling op; over het bezemige struikgewas, groenfranjend +onder de zon, neêr liggen kijken in het Oceaanwater als in een anderen +hemel. Ze hadden gepraat vertrouwelijk in de vertrouwelijke ruimte; +Johan over huis, waar ze nu schaatsenreden, terwijl zij hier zoo lagen +of het zomer was. Over zijn reis, hoe hij tot hier gekomen was en +waardoor, hoe dat zoo gebeurd.... Maar Vogel luisterde slecht, had een +oogenblik slechts oplettend een "zoo" lang uitgehaald, toen de andere +het niet kunnend laten, vertelde van het leed hem aangedaan, wat hij in +zijn ziel nog voelde schroeien als 't gloeien van een slag in het +gezicht. Langzamerhand allebeî minder spraakzaam, Vogel teruggevallen in +zijn brokkende manier van spreken. + +.... Het was toch altijd goed te leven in de nabijheid van wat men heeft +liefgehad. Men was toch nog altijd hier in Afrika.... bovendien was het +leven er goedkoop. Met het overschot van zijn fortuintje had hij zich +hier geïnstalleerd en was er een fabrikage begonnen van kunstmest om +geld te verdienen. En hij had zich aan het schrijven gezet van een boek +over wat hij had gevonden, over zijn plannen, ja zijn plannen toen nog. +En, gij hebt het gezien, niet waar? het Parijsche Instituut had zijn +werk onderscheiden met goud.... nu al lang verkocht.... Daarna om hulp +een reis naar Europa, naar huis, zijn vader was rijk.... aber ein +beschränkter Kopf.... twist natuurlijk.... hij terug.... de fabriek +verkocht.... puis le silence.... et cetera.... + +Evenwel, die fabrikage was niet zoo slecht gezien geweest; de mest +bracht nog altijd veel geld op; ach, maar die Engelsche kooplui sloten +zich zoo bij elkaâr aan, hadden een eigen club.... bij dien goeien +Antonio kwamen ze nooit.... maar daar kwamen de vrienden.... ge kent +hen.... allemaal beste menschen.... Badaud reed die niet veel beter +paard dan hij, oud-brigadier van het Algiersche legioen als hij was, +spion nog, bezoldigd door zijn gouvernement.... En zijn Mirsa, laatst op +het Zocco, is 't niet? zijn wit beest was een trotsch paard.... +Crépieux, had die zich niet over hem ontfermd, een geestverwant, een +geleerde, een.... Crépieux.... + +En Johan had geloofd daarna dat hij was ingeslapen, het duurde zoo +lang.... maar het was niet waar, want dichterbij als in een biecht met +het hoofd in den grond lag hij zacht te huilen. + +Beneden spoelde al de vloed; de slag van d'alleenen Oceaan reeg +waterzingend geluiden aan geluiden; zijn knokig lichaam, geschokt, +geraakt door den meêlijvollen adem van den andere, had zich op de armen +geheven en het gangende verdriet was tusschen de tralies van zijn +vingers doorgestuipt, de zon in.... "pardon, je suis bête." + + * * * * * + +Uit de hoogte van zijn oogenblikkelijke verdwaling, aangetrokken door +Vogels geheimvolle oogen, zag nu Johan in den al troebeler wordenden dag +zijn schaduwrood gelaat luisteren; het haar was wat verwilderd en +pluisde achteruit onder den schemerval van het fleschachtige glaslicht. + +--"De patroon komt nog," zei hij, "hij is laat vandaag.... late +lessen.... huisonderwijzer bij den Franschen Consul, wissen sie.... nog +vijf huizen hier vandaan.... nog drie.... voilà." Hij bukte, maakte zich +klein. + +Buiten bleef de stap stil, het gat frischte open. Caca uit zijn +dommeling opgeschrikt, plofte neêr, plompte op, verschijnend, +schreeuwend. + +Crépieux stond in de deur, hevig. + +--"Dokter, ge hebt zeker weêr vergeten mijn beesten drinken te geven," +dwong zijn kortaffe stem in de kamer. En hij trad in het binnen, grijs +gekleed, wereldsch en korrekt. Strak blonk het linnen om zijn hals en +handen, zijn schoenen nat-zwart op het dorre van den vloer. Voorover +gerand helmde het hoedje op den stuurschen rondkop waar de ooren dicht +aan knepen. Hij gaf een slag naar het hok met zijn badientje, de aap +gevlucht tot onder de zoldering, bleef ondersteboven gekeerd hem van +daar begrijnzen. + +--"Men dwingt een beest, hij wordt getemd door vrees; bonsoir, monsieur +le peintre." + +Johan was beleefd opgestaan. Zeker, het was hinderlijk twee zulke +staande menschen hier naast elkaâr. De patroon bleef in de kleine kou +die hij afgaf van versch meêgedragen lucht, dichtbij, groot nu de ander +zat. + +--"Eergisteren heb ik u over den schouder gekeken op het Zocco.... het +was er vol; mijn jongen moest ruim baan voor me maken.... och.... ge +moest dat dingie mij geven." + +Een beitelgleuf leek wel de scheur in zijn kin; maar Vogels oogen keken +achterdochtig. Naast zijn hoofd nu hurkte de aap, afgezakt langs de +spangen. + +--"Merci.... juist.... ik bedoel die kleine kameel, ik houd veel van die +dingen.... van alles wat beest is.... ik verzamel." + +--"En gij hebt gelijk, monsieur Crépieux, parfaitement raison, het arme +beest had geen water, en monsieur is zonder twijfel een vriendelijk man, +heelemaal niet duur.... inderdaad geen drop, en och, geen vreten ook." + +--"Ik wist het wel." + +Vogel liep over. + +--"Mais que voulez-vous, monsieur Crépieux, heb ik niet den geheelen +middag gearbeid?.... zie toch, patroon, wat ik heb gedaan: een, twee, +drie, vijf, zeven, negen, tien, met deze meê, elf vogels geprepareerd." + +--"Elf, een oogenblik," zei monsieur Crépieux. + +Tusschen de tobbe en Johan door was hij voorbij gebeend, schoof zijn +badientje onder den linker oksel, en zóo de schouders achteruit, den rug +hol, militair, de kuiten strak, ietwat wijd uitstaande de voeten, +beschreef hij als op een schoolbord den muur; vervolgens het cijfer met +een paar krasse haaltjes. Over zijn staanden boord, als bij een dog +dien de halsband knelt plooide zijn nek. Hij leî het stuk krijt in den +tafelhoek, wendde om. + +--"Elf," herhaalde hij, of hij het cijfer in zijn hoofd opschreef. + +--"Onze," had Vogel gemeesmuild, "on dirait une unité double." + +Hij ging de werktafel langs met de handen hangend, zonder pijp, naar den +muur waar de rij van cijfers bloot achter de datums der dagen was; 11 +onderaan, versch. + +--"Morgen zal ik naar Gibraltar moeten, monsieur Crépieux." + +In een stuk spiegelglas, donker op den muur, vastgeklemd tusschen +spijkerkopjes, verscheen nog eens zijn bovenhoofd, roodig in het blauwe +verweerde. + +--"Taisez-vous donc." Het gerel was stil. + +--"Zie, patroon, er is geen arsenic meer.... de flacon is leêg; ge +weet.... de huidjes zullen bederven, de veêren loslaten.... regardez.... +bijna niets meer, niet eens genoeg om, par exemple, een rat te +vergiftigen." + +Crépieux haalde de schouders op en keek het bepoederde fleschje aan, dat +de dokter hem voorhield. + +--"Ah, ge gelooft.... ik heb het niet opgegeten, monsieur Crépieux.... +soyez en bien sûr." + +--"Neen.... maar ge zoudt het kunnen hebben verkocht." + +Gestriemd, vlaagde het schaamte-rood tusschen uit de kleêren van den +dokter, bloedplassig boog de nek weg, met vurige ooren, nu hij het +fleschje teruggaf aan zijn plaats. En zijn stem hevig gehouden achter de +tanden, riep van uit het achteromme: + +--"Malheur à moi!.... vous avez raison, ik zou het kunnen hebben +verkocht." + +Crépieux ongeraakt, bleef zijn vingers wisschen, keek neêr in zijn +nagels. En het bijna schreeuwen van Vogel hing als een hoon in de booze +stilte. O, dat werd ten langenleste onuitstaanbaar. Maar Johan +vastgehouden aan zijn plaats, voelde hoe van binnen het eenzame en +donkere kloppen voortging van zijn eigen hart. + +Vogel, de armen in den haak, bukte over zijn werkbank. Met harde +lichtranden op zijn hoedhoofd, drilde de patroon zich achter hem op, +grijs en korrekt. + +--"Dokter, wat hebt ge daar?" + +Vogel sneed voort, bijziende. + +--"Dokter, uw hand beeft, ge hebt zeker weêr vanmorgen te veel +gedronken. Prenez-garde, ge zult me dat huidje bederven, dat gaat niet +goed." + +--"Vous avez raison, monsieur Crépieux, mijn hand beeft." + +De patroon kreeg de knarsende kaakmaling in de wangen, van +schoolmeesters die zich verbijten om de onbevattelijkheid van een kind. +Hij blies onder zijn snor, praatte naar den ander: + +--"Over een uur komt de Atlantic in de baai; alors, ge vertrekt +morgenavond, ik zie u nog wel, niet waar.... denk om wat ge beloofd +hebt. Bonsoir, 't is hier benauwd, ik begrijp niet hoe ge 't hier +uithoudt, het wordt hier te klein. Dokter, ik zal u vanavond zeggen wat +ge te doen hebt, ik kom bij Antonio. Bonsoir." + +--"Bonsoir, monsieur Crépieux." + +Maar bij de deur keek hij om, richtte zijn stalen oogen. + +--"Dokter, zeg me nog eens den naam van dat nieuwe beest daar." + +--"Gypohierax angolensis, monsieur Crépieux." + +--"Goed, en verzuim niet de dieren drinken te geven voor ge weg gaat, +dokter." + +In een gulp lucht was de patroon weg, buiten ruimde zijn stap henen. + +'t Was stil. Vogels blauwe oogen keken rechtuit, innig. + +--"Wat zegt ge er van?" + +...... + +--"Niets?" + +...... + +--"Niets, vous avez raison." + +En weêr was de stilte, een slag. + +Doch boven zijn gepluis praatte een andermaal de kamerstem uit den +dommel: + +--"De avond valt al.... de avond van alle dagen.... Comme il vous a +montré bien sa puissance.... Bitte, ga nog niet heen, laat ik dit +beestje afmaken.... schaudern Sie für mich?" + +Johan had het niet langer kunnen uithouden op het bankje; zwaar waren +zijn beenen aan den grond; vol voelde hij zich van die kamer, tot aan de +keel langzaam volgegoten met den jammer. En daar van uit dien hoek had +hem de aap zitten aanvragen, zeker had dat al lang gedaan dat beest, of +hij wel goed alles begreep. + +--"Zoo de ooren in slechte seizoenen wennen, moest ook mijn ziel lang +bot zijn voor het rondonderen van het onweêr.".... + +De stem ging voort: + +--"Het is hier stil, is het niet? Toch, ik ben voor stilte niet bang.... +van tijd tot tijd, wissen Sie, verbeeld ik me hier te zijn gesloten in +mijn graf.... als een verslagene die van zijn wapens medekreeg in den +doodslaap, lig ik tusschen de attributen van mijn laatst leven.... dàar +van mijn boeken, dàar van mijn instrumenten, dàar mijn onderscheiding, +mijn vogels, mes petites choses".... + +Hij was achterover gegaan in zijn stoel, en nu met de armen geheven, het +scalpel nog in de rechterhand, geleek hij een mensch in een stuip +gebleven onder den neêrwarrelenden schemer. + +--"Dan pakt me de begoocheling en ik strek me strakker.... zóo.... vouw +de handen op mijn borst als mijn doode tusschen zijn zerken, want +natuurlijk, het was een opperhoofd, wissen Sie".... + +--"Wat de tijden oud zijn.... et moi comme je me sens parfaitement +heureux.... ik hoor als nu de stappen buiten gaan.... het loopt +voorbij.... het gaan zal nooit meer kunnen treden op mijn ziel, mijn +teêre ziel, vous dis je.... die me deed verloren gaan bij mijn leven.... +allons, daar zijn we over de ziel aan het praten.... allons donc.... le +crépuscule c'est donc bien l'heure des grandes confidences.... +permettez".... + +Hij wilde opstaan, maar of het voor iets onnoodigs geweest was, zakte +hij opnieuw in zijn werkhouding. + +En Johan streek zich met de hand over de oogen om de verbijstering te +ontgaan. Want de kamer een oogenblik vlottend, was bij het opstaan van +Vogel hem verschenen gezonken. Stoffigheid hing voor de dingen, stoffig +trok de dag achteruit door de lichtscheur in den muur. De avond bedroop +den hemel. In den hoek over den steegwand roodde zich het raam, gelijk +oogenwit dat beloopt met bloed. + +Rondom keek alles tegen hem aan. De wand, een seconde aangedrongen, zag +strak weêr, gruw, geluikt, gelaten; en de zoldering, wankelend of zij +keeren had gewild, blikte breed uit, beschermend, overhuivend. + +In een boog waren ze voorbij gezwenkt de rij van doode vogels. Nu van +onder de asch der stof prikten zij hun glans-spritsende oogjes in de +zijne, met een getjilp en gekir van kijken, in een uitgesliep van +tijdeloos gekijk. Doch voorbij het bekruiste lichtraam, schreiend, was +zijn gestaar neêrgezakt op de gestalte van den dokter, stoffig, met de +armen aan het lijf.... en ellende, die rug was kolossaal en vaag een +herhaling geworden van zijn aangezicht. + +Onder den kraag, windselend om de lichtopbulting van de schoeren als een +voorhoofd, donkerden de schouderpunten twee schaduwmoeten, naast +elkander als een gesloten oogenpaar; plooitjes rondden zich er onder: de +wellen vermoeid in zijn vroeg-oud gezicht. En daar waar de neus verliep +in de lichtzakking langs de ruggroef, waren de gerekte smartlijnen +bijzijën, bootste een opschorting met een spotkrul zijn hangenden +knevelmond; willoos deinsde de rug naar de lenden om, zoo zijn zwakke en +achteruitgegroeide kin dat deed. + +Maar de gestalte rekte zich op en het gezicht was gebroken in rimpels. +Op zij uit, zoekend den ander, murmelde hij langzaam met het hoofd +knikkend: + +--"Ach, das Leben ist dumm, vous savez." + +Toen om te ontkomen aan de pijniging der ziel, smartte de lang +ingehouden en worstelende opwinding zich vrij door den mond. Een tweede +maal ging het floers voorbij Johans oogen, en hij hoorde rondom zich het +martelen van zijn woorden: + +--"Ben ik dan voor niet gegaan, hoe lang wel.... want de maanden zijn +gegroeid tot jaren, reiziger meê in het leven, ging ik dan om niet van +oord tot oord, van nieuw naar nieuw. Mensch, kijk me zoo niet aan, ook +ik heb de volken naast elkaâr zien staan en vervloeien, ge weet het, als +in het kleurenspectrum de kleuren. Zat ik dan voor niet tusschen de +lichamen in de snellende en schokkende wagens; liep ik dan voor niet meê +over de wegen, tusschen het loopen en het deinen van mijn gelijken, maar +die ik voelde en zij niet mij. Was ik dan om niet in hun huizen, heb ik +dan om niet geproefd hetzelfde blij en droef, leerde ik om niet hun +ontroeringen opletten, tot waar ze grauw wegschuilt onder de stoppelige +baardharen van de stugge mannen. Was ik dan zoolang alleen, alleen om +niet, tusschen al dat gangende zeg ik u, niet wijs, niet dom?" + +Spangengerel schudde de kamer. + +--"Stil, kameraad!" groeide de stem van Vogel. + +--"Nous avons tous deux raison, ah oui.... maar meer dan gij, ge weet +het, keek ik in den dood. Zeker.... er zijn twee machten, me semble, die +maken dat alles gaat, zoo gij zeidet. Een is er die aanzet, beroert, de +schokken geeft.... hoe haar te noemen? geest.... le génie de la vie, par +exemple.... maar daar is die andere, die alles wil bestendigen, +eindigen, l'intelligence.... Nauw geeft de een beweging, subitement +l'autre se dresse, slaat het willende in haar sterke handen.... bon.... +doch bedachtzaam.... fatalement trop.... houdt zij het aan den grond +vast.... bon.... mais voilà encore une autre fois le mouvement fixé.... +raisonne." + +--"En toch gaat het," schreide Johan van zich af. + +--"E pur si muove.... giebt 's etwas neues!.... stil toch, kameraad.... +oui, raisonne, je vous demande, raisonne.... le raisonnement est qui +gagne. Luister".... + + * * * * * + +Gedreven met zijn lijf van muur tot muur, kwam naar Johan als van buiten +het vlottende geredeneer. Gekruisigd aan zichzelven hoorde hij niets +meer dan zijn-zelfs woorden en ze waren zacht en wat klagend om hem: + +--"Ik was al vroeg alleen.... ik was alleen altijd.... in het halfdonker +van een nauwe straat weet ik me geboren.... drie maanden van een jaar +kwam er de zon tot op het plaveisel.... Er spelen kinderen met mij.... +vlossig hun haren.... wij spelen over de keien, wij groeien tusschen den +schemer van de huizen op. + +.... Hoe ik het voel nu en den dag zie, dat de straat me werd +afgenomen, wegging uit de kindsheid van mijn oogen, als uit een spiegel +dien men omkeert de beelden." + +--"Jongmensch." + +--"Toen".... + +--"Jeune homme.... wat?".... + +--"Het gaat, het gaat, van donker naar licht, ik kan het niet meer +volgen. Jong, was ik oud, was ik jong, toen ik duisterling, meêliep in +de rangen van het volk.... en o, de dagen dat ik twijfelde aan +mijzelven, nog proef ik het duister ervan bitter in den mond".... + +"Zoo is het altijd gegaan, reizende van ontmoeting naar ontmoeting, naar +goed, naar kwaad.... en ik kom hier.... en ik ontmoet u." + +En heftig gericht, vochtten zijn oogen in de oogen van den ander, die +groot open, gesperd keken in het schemerhuis. Maar van uit Vogels mond +vloog als een gulp rook het woord: + +--"Ivresse." + +Gevangen het woord, er den klank van overschreden. + +--"En gij daar voor mij, mijn vleesch geworden angsten, doode, waarin +ik de droomen nog zie krioelen, gij die geen liefde begeert en mijn +vriendschap gesmaad hebt, hoe zal ik u weêr rukken uit mijn ziel en er +de weefsels niet scheuren.... Weet ge het dat ge huist in mij, weet ge +het dat ik u draag, dat ik u liefheb." + +--"Ivresse." + +Maar vierend de stijgende en de koortsende beroering: + +--"Als luchters branden ze nu stil de vlammen van het leven in mij; als +garvend koren sprankelt het in mijn hoofd op, ik ga geleid, ik wil er +uit.... gaan, o, als een meteoor voorbij in het niet, latend in het ruim +der tijden nalichtend het bewegen van mijn leven".... + +--"Meer waard te begeeren, zeg ik u, de gelatenheid waar armen van geest +meê naar hun einde gaan." + +--"Voel hoe mijn hart heet is, hoe mijn oogen schroeien in heet water. +O, weg nu in een wolk.... als Elia in een wagen van vuur. De +eeuwigheid".... + +--"Ivresse".... + + * * * * * + +--"Hoor er is slag van wind in uw woorden, er is ruimte, er is +leêgte.... Ellende, 't gekamert wijkt, het huis is rood. Daar van uit +dien hemelhoek komt het ons overspuiten met bloed.... Vogel, wie gij, +wie ik.... Over uw hoofd, over mijne handen.... o, de dood.... hij raakt +aan mijn oogleên.... mijn oogen, mijn oogen.... hij strikt de banden van +mijn mond toe, van mijn mond, van mijn mond." + +Spangen relden, en huilend de stem uit het vanbinnen in het vreemde +idioom: + +--"Ivresse, ivresse.... il passé le quelque chose." + +Buiten zichzelven was Johan neêrgevallen op het bankje. + + * * * * * + +Naast den rossen gloed van Jachjemeds lantaren liep Johan naar huis. Het +was laat geworden. Vanuit de werkplaats had de dokter hem meêgenomen +naar de bovenwijk, daar was de lucht frisch en het gezicht zoo mooi te +zien. Stil, genegen, had hij Vogel naast zich gevoeld, terwijl zij +gingen het avond-bedrijf in van de nauw-stijgende stegen door de +Jodenbuurtjes. Vleezige vrouwen, met de handen vol ringen op de dikke +buiken, babbelden naar elkaâr, de aangezichten bleek en vettig in den +schemer onder de doeken van kleurzijde of het Sabbath was. Mannen, +hangerig gezeten op den verzakten drempel, borgen de handen in de +beenenplooien van het lijfwaad, of waren aan 't staan in het +post-vierkant van hun huisdeuren. Zij druilden er met hun stroeven +ernst, zij waren verzonken in den lagen nacht, maar hoog in de +heuvelende steeg, onder 't saffraan der lucht dat de muren guldde, waren +nog heldere kleuren, groen als van oud gras en purperend gewirwar. +Kinderen, vonkend-zwartoogig en met gevlochten haar, vele al uitgekleed, +stoeiend in het enkele hemdje, gierden het uit in het straatslop, tot de +schrikkerige schreeuw van een waakzame moeder kreet naar een van de +kleinen. + +Maar boven, over den borstwal van het platform lag de stad blauw onder +het geluwende, onder het naar boven somberder wordende doornen van den +hemel. De huisvlakken en de spitsen schoven achter elkaâr, drijvend in +ijlheid henen, naar het slaapwater, naar het nachtwater van de zee, waar +'t kustschuim witte en boogde.... het reiken van een schuwen droom.... +als een gedachte guirlandende van nacht naar dag.... + +Stil was er alles geweest, lichtelijk en ongedaan, zoo de wierooken die +in kerkschepen zweemen, dampte het achter de heuvelende gestalten van +de mannen die op den krommenden borstwal zaten. Wijdgebroken glansden +hun avond-oogen uit de kappenschaûw, ze bleven stom rooken hun pijpje, +aan de naakthangende voeten de rosse sloffen hingen. Of geëlleboogd daar +over het dikke steenvlak rijden zij zich samen, hengelaars gelijk op een +brug over een Hollandsch water, zoo keken ze neêr in de vallei van blauw +en in den suizenden sluimer van hun avondstad. + +Als een paar even vreemde lichamen hadden ook zij plaats genomen op den +wal.... stil.... eindelijk even het zwerven van een paar woorden, het +vaarwelzeggen van twee alleene zielen.... Ik zal u schrijven.... A quoi +bon.... Als ik thuis ben.... u vertellen.... Vous m'oublierez.... Hoe +zal het gaan als ik ginds weêr ben.... Mij? Binnen een jaar.... ah +bah.... + +De avond werd koud en toen waren zij teruggedaald tot in Antonio's +kroeg. + +Daar, onder de opwinding van de lamp, koperlichtend in de duistere +balken, zaten de mannen holend om het glimmende buffet. Het was er druk. +Twee Arabieren in wijd-witte heerenkleêren leunden er, half aan het +zitten, half aan het staan. Het was druk, en het praten was over hen. + +Zij waren gekomen van achter hun bergen waar zij eenzaam woonden. Dagen +lang hadden zij gereisd tot hier om bescherming te vragen, om zich te +stellen onder de hoogheid van het Fransche patronaat. Want beschuldigd, +maar valschelijk, van een groote zonde tegen den Koran, hadden zij +geweigerd de boete te betalen aan het inhalige districthoofd.... de +boete van zestig roode ossen. Maar op een nacht was de jongste van de +twee broeders weggehaald met groot geweld.... verbeeld u.... zes +maanden had hij gelegen in het vuil van een Moorsch cachot.... toegeven +natuurlijk.... de losprijs betaald door den oudste.... dat is die zoo +rechtop zit.... want de andere, n'est ce pas?.... men kan het hem +aanzien.... hij ziet er uit nog comme un chien battu.... + +En monsieur Badaud, met het tabouret tusschen zijn beenen, als op zijn +paard: "ce sacré Maroc, zoo werd de buit gemakkelijk".... En het zwarte +baardmensch, dat naast den blonden, giegelenden Antonio den wand +aankleefde, de Redacteur van de Réveil, zou er wel eens een hartig +woordje in zijn krant van zeggen.... de noodzakelijkheid betoogen van +het algemeene patronaat. Dat ging zoo niet langer, wat zegt u? Maar de +fotograaf, een verwezen man, leek wel doof, rookte onverschillig zijn +kiff. Hij zat dwars op zijn bank, smal, de armen en de beenen geknikt +over elkander. Naast hem schoof Vogel in zijn hoek. Daarna, monsieur +Crépieux tronend op zijn vaste plaats, en ook de minister kwam, blauw, +even door de poort kijken.... dat gaf een luid alarm, hij verdween er +meê.... werd er gejouwd door de vrienden? Het was druk vanavond. + +Onder het hooge gloeien van de lamp ging er het praten in de ommewegen +der vertaling. De Arabier uitgehoord, antwoordde aan wat men vroeg; zijn +smalle lippen beboogd met den donkerstrependen knevel neurieden; week +klaagde zijn zachte keelstem, terwijl hij de vier reine vingers van zijn +rechterhand, fijn met lange aaiingen, wreef over de witte palm van de +linker. + +Hij was rijk.... hij had vier vrouwen, veel vee en knechtschap.... En de +glossen waren gegaan, rondgeschurkt tusschen de naar-elkaâr-toeë +schouders van het gezelschap, en de grappen over zijn verondersteld +huiselijk leven. Sivory vertaalde een vraag voor den Redacteur. Badaud, +tot verduidelijking, gaf klappen met zijn hand in de lucht, ruzie +spelend. Maar de bergman, kalm in de kap van zijn mantel, had +teruggesproken: "Men mocht een vrouw niet slaan, zelfs niet met een +bloem." + +Toen eerst had de vroolijkheid goed gedaverd uit de rood-roezige +gezichten.... o, ces brutes.... ces sales Arabes, non, non, om den +bliksem niet poëtisch. "Komaan, Jachjemed, vertel jij eens hoe je voor +een paar maanden dien hak in je kop hebt gekregen.... het mes heeft je +voor je leven gemerkt.... ha, ha, ha".... + +Achter in den wijden lichtkring was de gids bij de gangdeur opgedoken; +verschrikkelijk aan het lachen, staande in zijn gore jas, luisgrijs, met +op zijn kaaloorig hoofd de fez bloedrood. Dwars van buitenoogs kerfde +het bekende litteeken, rood nog, spleet langs den neus, reeg door de +lippen, knauwend den lach. + +Maar de Arabier deftig in zijn witte kalmte en niets kunnend begrijpen +van de vreemde spraken, deed meêglimmen wel het tandenwit in een +lachloozen lach, maar in zijn oogen had de verachting gedonkerd voor die +makkelijk lachende Christenhonden. + +Buigend en met de hand op het hart vertrokken de beide broeders. Zij +waren de gasten van Antonio. Ze gingen hun handen wasschen. En uit het +donkere poortgat was daarna een neger aangesloft, een kerel van meer dan +zes voet. Achterhoofdloos steeg de lipkop uit zijn jas, rechtop stond +hij onder de lamp of hij was gegroeid tegen een muur. Een nieuwe +revolver kwam hij koopen; hij vatte het geladen wapen van den +herbergier aan, handig met die dingen tusschen zijn nachtelijk-glanzende +flesschen. En zonder eenig waarschuwen vuurde de neger met luie aaphand +over het hoofd van Johan heen. Het schot kraakte, donderde: de lamp aan +het gaan geraakt, rikketikte in zijn kettingen; toen zaten de mannen +stil, als getroffenen in den rook. Voor Johan was de muur verschenen +betureluurd door de zwarte gaatjes van de straffe kogels. + +En toen hij eindelijk was vortgesloft, ging het kroegpraten weêr +voort:.... Het was de confident van den heer op het Kasbah.... een kerel +om te vrind te houden.... Hé, Antonio, hij heeft niet eens betaald.... +Die zwarte mijnheer had onlangs iemand van de beenen geschoten, +comprenez-vous? pan.... pan.... en de familie, wraak gezworen, loerde nu +op hem om de hoeken van de stegen.... Evenwel.... dat was alles +kwansuis.... had hij geen wapens genoeg? hij zit er vol van.... even een +kijkje nemen had hij gewild.... om die twee boerenlummels was hij +gekomen.... was hij gebleven.... had hij geen snuifjes gepresenteerd aan +wien maar wilde.... comme ça, het kokertje op den rug van de vlakke +hand, gracelijk, of hij een dépêche reikte aan zijn heer.... Ge zult +zien, Sivory, hij komt vanavond nog terug. "Máar," meende monsieur +Badaud, en deed zijn hoed op éen oor zeilen, "in elk geval was het +verstandig op je hoede te zijn.... vóor dat een man den tijd kon vinden +je te dooden.... il faut le massacrer lui-même".... en monsieur +Crépieux: "Certainement, toujours faire le premier coup".... doch Vogel +van boven zijn rhum had zijn pijp uit zijn mond gehaald en gemeesmuild: +"Remarquez bíen, mon ami, que tous ces bons conseils ne vous coûtent +rien." + +.... Uit het donkere maar-voortloopen werd Johan opgeroepen door +Jachjemeds stilstaande stem: + +--"Holei, Soleimon, schuif wat op." + +Boven den weg gloeide de gekerfde kop van den gids en grinnikte naar het +opdoezelend hoofd van het Zocco-gekje. De jongen, slecht wakker, keek +dwalerig, lacherig; hij huiverde in de schouders, schuwoogde de lantaarn +in en krabde wat onder zijn voddenmantel over de vorstelijke borst. In +zijn kroeshaar spatterde licht, hooisprietjes, ze vonkten goud als droeg +hij van de zon meê in zijn haren. Maar slaapdronken keerde hij zich om +naar den nacht, stom-vragerig "laat me toch liggen", en dook het zwart +tusschen de tonnen in, tusschen de rood doovende cirkels van de +hoepelranden. + +Tusschen het muren-duister wiebelde de kruisvlam voort over den +bobbelenden steegvloer.... En tegen Johan kwam de gids aangedrongen, +zijn schorre stem bedelde: + +--"Monsieur, monsieur, chantez encore un peu." + +Een vloek beefde op de lippen van den ander. + +--"Neen, vandaag niet." + +Dat was zoodra hij maar met dien knaap alleen was, altijd om hetzelfde +zangetje: het lijfdeuntje van monsieur Badaud; 's avonds eens had hij +het in zijn ooren meêgedragen, het geneuried onder weg en sinds dien +tijd zeurde Jachjemed er om, tot in het oneindige trachtte hij het na te +zingen. + +--"Monsieur, monsieur!" + +Toen in een opflappend lachen om het malle geval.... waarom ook niet. +Hoor hoe dat Parijsche operettenliedje kittelde in het binnen van deez' +lolligen jongen: + + "Bombardos, Patakès." + +.... Allons, allez-donc, jeune homme.... + +En Johan zong: + + "Ce brave général Bombardos." + "Ce cher général Patakès." + +Tot aan huis wakkerde het lachen van daarginds, beurt-zingend, van zacht +naar hooger, overbegonnen, krieuwelend, folterend in den drankgorgel van +den Arabier en pret aan het maken, buitelend in de ziel van den +ander.... Hoor, hoor, Johan, hoe het kaatst in de geul, hoor het +stikkedonker bluft, bluft over het leven waar ge naar toe gaat, morgen +al; hoor het looft en het prijst uit uw eigen mond: + + "Ce cher général," + "Ce brave général!" + +Zie, daar komen ze aanstappen in de lucht. Hoe komen ze hier, zou je zoo +zeggen. Buig, waarde heer.... stil kameraad.... de mooie generaals +Bombardos, Patakès. Hun laarzen rinkinken. Ze laten zich zien, hun +achtersten spannen in witte pantalonen, gezellig zijn hun buiken onder +rijke vesten.... En ze hebben goud op de schouders, goud op de borst, +goud in hun zakken; zie hun snorren vlaggen, de wangen hebben feest; zij +ook beminnen het leven. Ze hebben geweldig veel pret.... Schud pluimen +op hun steken, zwaai kleuren over hen heelemaal. Stil, kameraad; ze +lachen complimenteeren, ze buigen, zij zijn nooit bang in het gedaver +van de coulissen. + + "Bombardos!" + "Patakès!" + +In de poort van het hôtel was Johan alleen, en nog zong achter uit het +donker de jongen. + + + + +VI. + + +Boven de lage wereld klankte de zon al-éenig. + +Van-af zijn hooge plaats gehuurd op een bordes, schoof voor Johans oogen +de Zoccostraat op, menschenloos en naar haar poorten henen, het +wachtende plaveisel bekringd met keien strekte zijn zonnige baan als een +stralende schubbenhuid over de aarde voort, tusschen de muren der +wederzijding. + +Zware gestoelten in zontijden verweerd, blokten de witte bouwsels uit de +laagte op, naar overal bezet met de wacht van menschen. Want op plat +naast plat, van bordes boven bordes stonden zij er samen in kleurige +menigvuldigheid onder het gespante van het blauw, gezameld over de +doozen van hun huizen. + +Tot op de poorten die boogden en sloten het straatgezicht, waar de hooge +stad heuvelde en het Kasbah was; tot onder den cyclopenmuur van d'oude +vesting vergestaltten zich de mannen en de vrouwen. + +En links naar de landrichting, waar de muur uit de vergane bastions zijn +kanteelen kartelde, voor het wegrondende van de lage lucht, was het al +damp, ziedde achterin de lichtkolk van het groote marktveld; want daar +gedruisch, stoom van veel beweging met bedwelming in het ijle; want daar +de fantasia's en het buskruitspel, om te vieren vandaag den geboortedag +des Profeten. + +Alzoo over het zwermende volk ging het licht naar den middag. Dan stoof +een knal uit de straat naar boven, rookte het kruit het schot na, en de +flonkerende koper-loop van een Moorsch geweer vinnig tusschen vingers +rondgeslingerd, bliksemde geel-cirkelend door het wijde slop. Velen +keken omlaag om het spel te zien, maar daar zette zich alweêr de bergman +op de teenen, vroolijk met wijd-uitzakkenden pas daalde hij de straat +af, voor zijn schaduw uitloopend; weg streepte zijn geweer, heen gloeide +zijn roode hoofddoek, en van-nieuws-aan was om Johan op het bordes het +veelsprakig leven en het wachten in den lichten luister. + +En hij herinnerde zich vanochtend in het hôtel terwijl hij zijn boeltje +bijeen bond, het schrikkerige splijten van de lucht lang te hebben +gehoord, oorlogsrumoer vèraf, schermutselen dichtbij, en zich niet te +hebben afgevraagd wat of dat kon beduiden. Want zijn gedachten dwalerig, +half los al van het hierzijn, omdat het eindelijk zou teruggaan en niet +meer verder, en zie toch hoe smartelijk het altijd weêr werd bevonden te +moeten verlaten wat men nooit zal weêrzien.... Knal maar, knal maar.... +De vertooning was nu uit en een ander bedrijf ging volgen.... Toen had +hij de hemdboordjes zoo vreemd op de reisdeken zien liggen, met hun +zuiver-halsopen, pasklaar ook voor een ander, met het roode merkdraadje +voor de keel of het een bloedkrab was. En in een opzetten van zijn wil +de propperige kousen geplet onder het schetsboek: het moet, ze zullen er +in.... + +Doch de lange schoten kraakten, durelijk, harder aanhoorend of op het +venstertje gemikt werd. En naar buiten kijkend over het erf-muurtje +heen, daar kwamen ze aanzetten op het vochte strandzand, de lenige +buitenlui met de stralende geweren in de handen hangend. Hun armen +spierden naakt, er werd onder het loopen geladen. Ze gingen klein langs +de kalme pracht der zee, maar stoer toch in hun wit en bisterzwart +gestreepte burnous van kemelhaar, de kappen driehoekten van schouder +naar schouder, veel wijder dan men hier ze droeg. Achterin reden er aan +op springende paardjes, waarvan de schabrakken schalden in de +feestelijke zon. De schedels omvlagd met de roode foedralen van hun +geweren, stapten de voetmannen onder voorbij, in opwinding waren ze +verdwenen, want om hen was nog het juichen van het wilde buskruit toen +zij traden in den wal. + +Wat was er toch te doen, had hij moeten denken.... was het niet altijd +hier in het krioelen van de rassen als een verhuis van volken.... zou +het zijn als laatst, toen schuiten vol mannen los gingen van een donker +rompschip en stuwden tegen het strandzand op.... Dat waren pelgrims van +Mekka gekomen.... En hij had zich gebukt uit het raampje, de zee toen +leêg gezien, en Gibraltars rots schimmig verdronken in den weidschen +dag. Doch vóor het vergezichtende Europeesche kustland daar lag de +wachtende Atlantic midden in het gruizelende water, met het Fransche +vlaggetje en de helle stoompijp als een stuk vurig speelgoed in de +ruimte-spiegeling van blauw en licht. + +Toen was het kamertje hem te klein geweest, de muren te kalkwit, het bed +gevangenisachtig; jeuk was er in de vingers en gloeiing in de beenen.... +vanavond wel de rest doen.... en naar beneden. + +In den steegschemer bij het hek van het Hôtel babbelde Jachjemed met +Sarah de meid. Jachjemed had een nieuwe fez, een zwart koorden kwast +hing in zijn nek neêr en over de borst uit de omslagen van de hangende +kap glansde van blauwe zij het Zondagsche onderkleed. Ja, het was +vandaag het feest van den Profeet.... zijn bakkes glom of hij zoo pas +uit het bad kwam.... en hij had grinnekend gevraagd of hij voor mijnheer +niet een plaats moest nemen op een plat, want de gekken kwamen terug en +aan Jood en Christen was bij proclamatie gewaarschuwd vóor dien tijd +niet in de straten te loopen. + +En ze waren gegaan. Bij de Engelsche ambassade strookte een vlag de +luchtstrook boven de steeg, ving van de zon in het klappende blauw. Van +den minaret stoof hoogóp het Moorsche bloedrood; weêr verder krulden +vier, vijf landsvlaggen boven een huis om hun rechtstaande stokken, en +met een plotselinge hartepopeling had hij ook het in tijden niet +geziene, luchtlang banende rood-wit-en-blauw van zijn land herkend. Maar +het zien van de volle platten in de Zoccostraat deed ongeduldig +verlangen naar een even goede plaats; de gids aangespoord tot haast, had +hem meêgenomen door een donkeren winkel; achter dichte luiken walmden er +de doove kerkgeuren van specerijen; en een pakhuistrap toen op; reten +licht schenen onder de stijgende hielen van den jongen die het eerste +klom; vervolgens een luik opengeduwd en in de plotselinge +licht-overstelping het staangeld betaald aan een man, die bij het +trapgat het luik weêr sloot. + +Nu, terwijl hij meêwachtend stond, propte zich voor zijn oogen het volk +al dichter over de kalkige huizen. Gelijkoogs en hooger waakten er de +rijen hoofden, schakels geworden in de zon. Daar waren de Europeanen van +de stad, de handelsmannen hadden hunne zaken gelaten, van bijna alle +terrassen spikkelden in het zonnedonker van hun ledende +confectie-kleêren, reepjes van halsboorden-wit en hoekjes van de open +vesten. Daar waren Engelschen de halzen rekkend, jong volk veel, in de +strakke gezichten dotten de snorren; Duitschers waarvan de borsten en +schouders platend kwamen uit het gedrang, met zwellende wangen rozig van +de warmte in het goudelende gelaatshaar; zuiderlingen weinige, zwaar van +wenkbrauw boven den somberen oogkuil, verschenen er klein en pezig. Van +over de wallen vlekten de roodende handen, wijl over hun aller +eveneensche hoeden de ruimte voorthobbelde in blauwing, ze in den +afstand tot veeldubbele snoeren saâmreeg, waaruit het spiegelen van een +enkelen cilinder opstak als van een zwart-gladden steen. + +Joden groepten er statig in lange kleêren, het borsthemd geplooid, de +gordels gouddradig gefranjed, of oudere scharrelden verdwaald, ginds en +hier, met kalotjes op de nederige kruinen, en van vischvellen-kleuren +glommen hun daagsche tabbaarden onder de vlokkende baarden; Jodinnen +daar op de eerste rij, heup aan heup, schoot naast schoot, aan elkaâr +gesmolten van vleezigheid en licht, en soms keek er het ronde hoofdje +van een knaap of van een meisje, bolwangig voor zich uit tegen den buik +der moeder. Veel meiden en wijven pronkten er met den smuk van hoofd- en +halsdoeken, oorringen rinkelden licht; kerels van de haven in teervuile +baadjes vertoonden er een geroosde borst of bewogen werkarmen; slaven, +negers staken er de glimkoppen met fezzen omhoog; straatvolk schouwde er +de roestige zakken van hun jassen uit, als noten uit harde schalen. +Vèraf, van hoog en laag was het in de neêrdruisching van den dag over de +zonnetrappen: 't plakkatende wit der muren, woest indigo-blauw waar de +zon niet was, een uitstalling vaak als vruchtenweelde bloeiend. Zoo +blonk er het hooge citroenen-geel en van meloenen waarin het groen nog +welkt; praalden er het tomaten-oranje en het granaten-bloed; glommen er +de heete donkers van hardschillig ooft, van kastanjes, van dadels en +vijgen, waasde er het doodrijpe saprood naar druivenpaarsch en naar het +rottende violet. + +Woestijnig in de stoffige burnous als in te ruime vellen postuurden de +Kabylen op wal en bastion. Gedrochtelijk tusschen en op de kanteelen +geklonterd, met de kappen òp, beeldden zij zich roerloos. + +En onder het schilferende vestinggrauw dat glinsterde van ruigten op den +trans en uit het mozaïek der steenen, tot onder het rotsenrood dat +bestreept met klimlijnen van paden was en melaatsch van zon, het gansche +wallooze poortterras over, hadden zich de vrouwen geborgen. Gelijk +mummies in windsels, een spokende zwerm van witte vlinderpoppen wachtten +zij daar gelaten onder het raggende licht, terwijl onder hen het +hoefijzer-ronde gat van de poort gaapte naar de straat. Wat witte heeren +schemerden er in de mousseline sluiers van de haïk; een stralende +tulband blonk er als een maansikkel boven het parelende warmblank; en +waar 't geplooide open voor de vele oogen de duistere ster-stippen door +de rijen reeg, schoof meer dan eens de stroogele hoed van een +Tetuaansche, lag gelijk de schijf van een parasol over de schouders van +de draagster een valletje van koele schaduw. + +Beneden ook bleef de geul star aan 't wachten, ofschoon herhaaldelijk +opgeschrikt uit haren zonnedommel, telkens wanneer het looze schot +knallen kwam van een feestvierend man die uit de Zoccodrukte daalde. Nu +speelde een Arabier in de straat, tuk op de hooge bewondering liet hij +zijn geweer radsnel om zijn vingers tollen, greep het dan woest en +onverwacht stil, knakkend de vlucht van het wielende wapen, om het te +laten cirkelen tusschen zijn scheutende armen en rond zijn dollen nek +als om een gladde as. Dan zette hij zich schrap op de donkere beenen, +keek wild zegevierend òp uit zijn ontredderd gezicht zwart van +kruitroet, lachte wreed om zijn geklemde tanden en keilde toen tot een +jubelend hoezee zijn speeltuig naar boven, slingerde zijn blij lijf om +in tartenden sprong, maar ving het in de valling flonkerende geweer met +klauwende vingers, alvoor het kon rakelen den grond. En over het helle +pad ging hij in zijn wijd-slippenden mantel. + +Langs de keienbaan suften de winkeltjes, gesloten was het bedrijf, vuil +en vettig, slijmig in het blinkblank van den velen weêrschijn. Met +dichtgeklapte stokken, zeildoek en takkebos-kleurig luikenhout +verschenen ze verlaten, onttakeld. Een koopman kwam zijn huis uit, +draalde wat op den drempel, garenblauw was zijn huiskleed en helder het +flanel gewikkeld om de fez. Of uit de spleet van een mat, uit de vouw +van een schutdoek, schemerde even een geschoren hoofd, tot de kier als +van wind bewogen zich weêr sloot gelijk een oog dat niets te zien vindt, +toe. + +In het midden van den overkant, tegenover maar lager dan het terras waar +Johan zijn plaats hield, bleef nog een winkelplat leêg, geruimd van +rommel, van oude verpakking die aan de kanten lag. Twee stoelen stonden +er schril naast elkander op het blinkende vloertje. + +Toen deed luid gepraat van een drietal Franschen vlak nabij, Johan +keeren voor den lagen wal; ook werden de voeten moede van het staan op +eenzelfde plek. Een van hen wees aan den ander: daar, neen meer rechts, +die soldaten in roode uniformen, dat waren volontairs van het garnizoen +in Gibraltar.... Zeker, er waren veel vreemdelingen om het schouwspel te +zien.... En als alle jaren zou de gezant wel weêr een paar schapen, +levende schapen ja, naar beneden laten werpen zoodra de stoet +voorbijging.... dat deed hij om het prestige, dat was politiek, +erkenning van de landsgewoonten en eerbied voor den heerschenden +godsdienst. + +Plotseling tusschen de klaterende schouders van babbelige vrouwen door, +kwam knikken naar Johan het stevige hoofd van monsieur Badaud. Een +inzicht tusschen de huizen week schaduw-opaal en lichtvlekkig achter +hem, beplekt met kleêren die te drogen hingen als vlaggetjes in de zon. +De kolonel wachtte voor den anderen hoekschen wal van het terras, hield +de hand aan den hoed of het woei daar, en onder zijn snorren versmolt +het vriendschappelijk toegeroepen groeten. + +Hier, van-uit het zonnige volk, klapte, keelde en niesde het druk-zijn +van de monden en het steeg uit de zwoelte de lucht in, die gromde of ze +van bijen vol was. Tot achterin schacherde het volle markt-lawaai, tot +onder de blinde muren, want aan twee zijden van het vierkant gingen +naaststaande huizingen opwaarts, groezelige wanden met gebersten +kalklaag, bedropen door stralen uit den regentijd en doorsiepeld in den +hoek met het roet uit een schoorsteen binnen. Onverstaanbaar jakkerde +een schrauw van boven, antwoord aan een roep van buurschap hier beneên, +dan zag Johan kleurwijven overlenen den wal, daar waar de stapeling weêr +verscheen voor zijn opkijkende oogen, gedrongen, geplet onder het +sidderende blauw. + +Willoos bleven zijn oogen innemen het durende gezicht. Hij moest letten +op een fotografisch toestel dat er onder den muur op pootjes paalde en +uit den zwarten lap zag hij het verwezen hoofd van den Zwitser duiken. +De man nam den dop weg van het verrekijkerachtig voorstuk, lodderoogde +wat terwijl zijn lippen telden, toen sloot hij het koperen oog weêr van +zijn mechaniek met langzame hand waaraan de nagels glommen. + +.... Wie weet, wachtten er nog meer kennissen hier op het plat.... en +waar was Jachjemed gebleven.... Vogel.... zou die een plaats gevonden +hebben op den muur in de buurt van zijn slaaphuis.... of was hij thuis +gebleven in het duffe hok.... Crépieux had vast een goede plaats op het +terras van zijn Consul, en een mooie, vandaar waren ook de spelen over +het Zocco te zien. Vogel.... + +Vogel.... zoo huisschaduw bij buitenlicht droef is, zoo duisterde de +herinnering aan den dokter voor Johan op.... hij alleen en gebukt over +zijn werkbank.... In het neêrstraffende blauw kwamen de oogen staan als +twee traanparels.... de bekende blik.... ze hadden de macht hem hier +vandaan te nemen midden uit het feest. + +Maar ploffen bomden, en opgeschrokken door een dadelijk dringen had hij +den borstwal gevat. Van den overkant rommelden de zonnige lijven, de +kleuren krieuwden. De kijkers voorover op de voorste rijen, kantten de +hoofden alle naar het straateinde. + +Van af der poorten stille wacht stuwde de beweging aan, daar kringelden +en woelden de gewaden. En de stralende ruimte vergeluidend de breede +verwachting, jubelde, zong van terras naar terras: "daar zijn ze, daar +zijn ze." Doch het was om niets; het gestapel zette zich weêr in het +durende staan; alleen van achter den muur òp, rookte het buskruit boven +het Zocco heviger, bleef er wolken gelijk damp geworden stoom. + +De zon hittend naar haar hoogsten stand, blakerde voort over de +geduldige hoofden. Heeter zeeg het blauw over de stad en al. De +winkeltjes in de straat vingen aan te glimpen, kletterend schoten er de +scheuten licht in de trillende daging, zeilende pijlen-val. In de +broeiende straatbaan kogelden de puilende en glad geslepen keien hel, of +het zonnesteenen waren geslingerd uit den hoogen hemel. + +Een bekende stem, die van den Vlaming, den admiraal, deed Johan een +andermaal keeren. Door het platmidden drong de kleine zeeman met brutale +ellebogen de praters op zij; jekker-blauw waren zijn jasje en broek. +Achter hem waggelde het leuk-groote lijf van Sivory den herbergier; +Jachjemed volgde, stak zijn nieuwe fez over Antonio's schouder op als +een onrijpe kers. Ze kwamen alle drie tot bij Johan; Sivory's lacherige +lippen slurpten tevreê de ruimte. + +--"Ik kom maar op mijn pantoffels," giegelde de jongensachtige man in +zijn te kort grijs buisje. "U hier zoo alleen, waar is onze vriend de +dokter?" + +Maar zijn wangen bolden, de kin zwom rond in de ringen van het weeke +halsvleesch. Hij lolde dat zijn oogen verdwenen. + +--"O, o kijk toch".... hoe die daar zaten, wassen beelden, waarachtig, +wassen beelden.... Caramba, dat moest zijn vrouw eens kunnen zien, maar +die had te veel hekel aan klimmen, de dikkerd. + +Zijn spekkig handje wees over den wal en lag zich toen goeielijk over +Johan's schouder. Op het lage platje zag die nu de beide stoelen er +onverwacht bezet. + +Zij zaten er zoo kalm of zaten ze er al een uur; gasten aanzittend bij +een feest, die om het fatsoen zich niet verwonderen mogen. Een heer, +mager, in een langen mackintosh met overval om de schouders, zat er +verdord van gezicht, waar lange grijzende bakkebaarden uit streken, +zorgvol gekamd als valsch tooneelhaar. Hij droeg een reishoed à la +Stanley, met een wittigen zonnesluier omwonden en een zwarte kijkertasch +hing aan een riem langs zijn lang lijf. Naast hem een dame, sluik in +dezelfde stofkleur van hoofd tot voeten, eveneens bejaard en met de +handen op de knieën. Een flaphoed aan een omgekeerde fruitmand +gelijkend, schaduwde haar verreisd voorkomen donker en een grappig-groot +wit-gazen strik fladderde onder haar kin als een kolossale vlinder. + +Achter hun stoelen, met op elke leuning een koffie-bruinen knuist, +pronkte een Moorsche knecht. Scharlaken-vurig tooide hem zijn lijfjas +met korte armsels, ondermouwen gleden tot naar de polsen, blauw dat +ratelde van geel op koord en tressen. Een spitse wijnrooie muts, +omgeklapt bij de punt, deed hem slaperig staan, zoetsappig met het hoofd +op zij; doch wreed kneep de spleet van zijn wimperlooze oogen. +Splinternieuw ging er een bruinleêren band om wapens in te dragen zijn +middel rond. + +--"Wat een stank," smaalde de admiraal met zijn gewonen vloek, "dat volk +ruikt nog eens zoo erg naar wilde beesten, wanneer ze in de zon staan te +bakken, ge weet." + +--"Non, non," riep de waard er tegen in, zoodra hij het stopwoord in de +vreemde landstaal hoorde.... die twee waren misschien wel de vader en de +moeder der Engelsche dame, welke onlangs haar entrée in den harem had +gedaan, de zooveelste vrouw was geworden van mijnheer boven. + +En Jachjemed in zijn schik, zeker van de borrels en de sigaren die hij +verdiend had met dit uitgezochte plaatsje: + +--"Dat zou 't zijn, ze hadden een soldaat meêgekregen van het Kasbah om +op ze te passen." + +--"Zeker, ze mochten eens gestolen worden, ha, ha." + +En Antonio schaterde dat hem het speeksel over de lippen stoof; +omstanders keken naar hen, sperrend de monden meê of ze wilden of niet; +een blanke meid met dof zwart negerhaar en gretige lippen, lachte zich +de tanden blinkend. + +De admiraal evenwel had nog wel wat anders gezien dan dat zoodje hier +van het Kasbah. Tijdens de laatste révolte had hij den Sultan in al zijn +pracht en praal zelven mogen aanschouwen, midden in den stoet van +vizieren en raadsliên.... "Een god, mijnheer.... onmogelijk verblindend +en niet om te beschrijven.... ze kropen voor hem, ze zoenden het stof +van zijn pantoffels, de...." + +Hoe hij er uit zag? E wel, een zwarte, vette vent was het, maar die huis +wist te houen; ze gaven hier zooveel om een mensch als om een makreel: +gekopt had hij ze bij honderden.... Hij zelve had voor de bewezen +diensten een witte merie van den Sultan ontvangen.... de hoogste +onderscheiding, maar liever had hij de eeresabel gekregen, die kon je +meênemen en die kostte niets aan vreten.... En, vertelde de admiraal, en +het kaasbolletje bovenop zijn ronden Vlaamschen kop deed hem gelijken +aan een boer op zijn Zondags.... alles goed en wel.... zoodra hij zijn +paspoort los kon krijgen, ging hij gauw naar Antwerpen terug, hij had er +den buik van vol, hij verlangde naar zijn huis, naar zijn vrouw.... + +--"Hé, kolonel, monsieur Badaud, kom hier!" schetterde Antonio. + +Maar een hel blindend zonnetje, een felle flikker spoog uit de laagte +op, dan plotseling geroeid uit de ruimte. Beneden hield de Engelschman +zijn kijker gericht en de zon had er in gekaatst, hij tuurde van den +overkant naar het vroolijke troepje. + +--"Goeien dag," groette de uitgelaten Antonio, "goeien dag, papa." + +De heer bleef door de zwarte kokeroogen het gezelschap bekijken of hij +de grap begreep. + +--"Bonjour, bonjour," kwam de kolonel wuft aan, en tot Johan, guitig: + +--"Ah.... zonder de sac à malices?" + +Toen dadelijk in het geval, gaf hij een kwinkslag ten beste: om de stof, +meende hij, moest dat solide paar eeuwiglijk onder een stolp worden +gezet. + +En nu de armen van den Engelschman met de binocle zakten en ook zijn +hoofd naar den schouder ging of de knecht van achter draaide aan den +nek, zei ook de admiraal: waarachtig, het was een pop. De oude heer +praatte langs zijn bakkebaard naar de oude dame, schroefde het lijf half +rond op den stoel, de knieën dicht, automatisch klommen de armen en hij +liet het kijkglas wandelen. + +--"Hij ziet wat," grinnikte Jachjemed toen de binocle weêr stil bleef. + +--"Een vlieg." En meteen begon monsieur Badaud onder zijn favorites te +brommen. Hij had den flambard in zijn hand al en speelde er meê, hij zou +het beestje wel vangen. Een glimkrans cirkelde zijn slapen rond, de ring +dien de hoedrand gedrukt had in zijn gepommadeerde haren. En zijn mond, +waaraan de snorpunten als vleugeltjes rilden onder den mooien krommen +neus, tegen het blozend geschoren wangvleesch, liet dan de vlieg ergens +zitten, stil; maar de hoed dwaalde aan en joeg het tot zijn eigen +bruinoogige verbazing weêr op, dat het kwaad gonzend zwermde over de +lachende hoofden, nagezeten tusschen de engten der ruggen door den +kolonel, die loerend met den rimpeligen soldatennek wat vooruit en het +vleezige oor rood, speelde langs een wang, om een neus.... "Sacré nom +d'un chien;" want weêr ontweek het lastige ding den hoed die het snappen +wou en 't zoemde weg, niemand wist waarheen. Uit het duizelende licht +echter zong het terstond en treiterziek terug, sneller dan een snorrend +raadje en zoo natuurlijk, dat Antonio van plezier te dribbelen stond als +een kind dat wat doen moet. + +Doch toen monsieur Badaud zijn vlieg eindelijk dacht te hebben, den hoed +neêrsloeg over de zwarte pruik van de vooruit-al gillende meid, drong +zich het volk als in een paniek in het vierkant naar voren. + +--"Ze komen, ze komen." + +--"Neen, ze komen nog niet." + +--"Zeker, ze komen er aan." + +Door den wademloozen middag groeide en zwol het begeerige rumoer; van +terras naar terras had zich de spanning opnieuw in de lijven geslingerd, +er de onrust een andermaal gezaaid als een plaag van insekten. + +--"Zonder twijfel," geloofde de herbergier, zachter ook pratend in het +gedompte, vreesachtig aanhoorende gebabbel op het plat, en hij rekte +zich over den zooveel kleineren admiraal, "de gekken loopen op het +Zocco, monsieur Badaud." + +Doch deze nog altijd spelend, drilde den vinger waar de ring aan glom +voor den grooten lacher. + +--"Het kan me spijten, Antonio," zei hij, "dat ik die vlieg niet +geattrapeerd heb. Bedenk eens wat een mooi exemplaar voor den compagnon +van monsieur Crépieux.... op een speld.... puf.... en dan".... + +--"O.... schei toch uit, kolonel." + +--"Ah!" en monsieur Badaud boog naar de wering. + +--"Pas op uw rug, monsieur le peintre." + +Johan keek. Strak zeeg in het wijde over het Zocco, want de kruitrook +verstoven, het blauw neêr als in een dal van stilte. En van wal en +bastion hieven zich de gestaltetjes van de landslui gespannen, zij +spierden de armen op in het nervige licht. Over de poort ook floersde de +blanke wacht onbewogener; zonder de donkere oogenrijen, die lichtelijk +gekeerd, schouwden naar over de heuvelen, naar de komende heiligen. + +Zij kwamen. + +Onder den lichten hemel, onder het rommedom stervende rumoer, in het +groot vallende zwijgen, in het geluiden-gaan van het zonnezingende +gesuis, hoorde Johan ze komen. Was het niet als de bange zang van zijn +hart, dat de oogenblikken sloeg daarbinnen in hem? Was het van de zee +die onder den zilten lichtdag oneindig geweten wentelt, en nu den vloed +weêr deed geboren worden, windloos weenend naar de stranden en hier over +het steenen staan der stad in de oorschelpen kwam klagen. + +Zwijgen was boven de terrassen; zwijgen viel in de schitterige +lichtstraal. Waren het niet de echoën van geloop, van gedans, van +gedraaf? Klotste nu niet vanuit de duistere tunnel der poort het +aandriften van een kudde? + +Hoor, op het veld daar schoten de geweren. Zie, daar stoomde weêr +blinkend het buskruit op. + +En voor het snelle neêrgaan van zijn oogen versomberde de hemel, krompen +de blokken op in zonnig wolkenwit. Voorbij gespiegeld was het pralende +saâmstaan der menschen, de roodende gelaatsrijen verdronken naar het +blauw, gelijk bloemen en koralen verschemeren in de glans-diepte der +zee. + +Want het zwart-starende poortgat had dood-loofbruin en soppig bloedrood +de gekkenverschijning in de geul gestooten. Stuiverig of storm hen sloeg +op de ruggen, kwam het loopende geweld, en als een vaandelbaan vooruit, +het schrikwit van de eerste boeteling. + +Nu steeg geen kreet, geen aanmoediging ijlde onder de luchtelagen. Stom +zag het stedevolk het aan hoe de heiligen al holden in het +straatgestraal. + +De vooroppe, een vrouw, de bleeke. + +Zij liep niet, zij vlotte, zij zweefde. Zij ging vóor aan het wilde +woelen der verdwazing, zij kwam met het hoofd achterover, met de oogen +open. + +Zij kwam met de piekende star-oogen als een gekruiste in het hemd van +den spot. Zij hing met de armen wijd uit op de schoeren van twee dollen +die haar stutten, voor het slapende gangen der droom-schrijdende voeten. + +Zij kwam met de glinstering van haar geslagen oogen die niet knipten +voor het licht; martelares gedragen, geheven reliquie, vertoond door +bezetenen die onder haar oksels verbijsterde koppen beurden, +schreeuwloos, met mondslurven van jammerlijke beesten. + +Zij kwam aan met haar bliksemende oogbollen, het hellende en ijzige +vuurpad over, zij staarde in het schroeiendste, in den bol der zon. Zij +schreed in het sidderende en ritselende lichtkleed aan, op den langen +weeë-zang der zee: gaan, gaan, met de knikkende mannenbeenen naast +haar, die trappelden het spattend gefonkel. + +Zij kwam nog de bleeke foltervrouw, met de borsten klein, met het +sterrenhoofd gelegen in het zweet-natte, in het rouw-zwarte bed van haar +haren; de heilige wier lippen lachten in den wellust van den dood, om +wier neusgaten het snerpende leven gevoelloos. + +En zij ging voorbij met de armen in vlucht, als een in het licht +gezaligde, liet ze de wondervlammen van haar oogen in de oneindige +herinnering. + +--"Dat is om te rillen, dat is geen mensch meer," bangde de stem van +Antonio. + +Een dof geherrie van knuppelende doodslagen; het stampen van naakte +zolen slaande de naakte straat, trappelde door de geul en als uit een +slachtplaats naar boven. + +En magere mannen draafden in het onder, zon-morsig, bloot-borstig, vaal +van ontbering. Zij vloden, de armen vooruit met grissende vingers, +brengers van onheil en kwade boodschap, aangestaard door de uit hun +winkels getredenen, snelden zij hun schaduwen vooruit over de klare +steenen. + +Even lag de straat te blinken, het hooge zwijgen hield aan. Toen op den +doffen voetendonder rolde het door elkaâr kluwen van licht en schaduw +nader: het wirwarren van het doode-blârenbruin der gescheurde kleêren; +het stuiven van bezeten beenen laag; het woeden van vechtende armen +leemkleurig in de hooge daging, en om snakkende hoofden scheen een snoer +als een oorlogsband of gleed er het wanhopende glissen van oogenwit in +de spiegeling der zon. + +Voortgegeeseld door karwatsende kerels langs de kanten aan het loopen, +gestriemd over de bastige ruggen die wrongen en krompen en rekten, maar +bleven omdringen het heiligen-stoetje, tot een kern daar middenin, +gesloten aan elkaâr, verschenen er de gekken in 't hemd wit, rood, +beplast met bloed. + +Daar danste vooraan de donkere vrouw met de oogen dicht, òp, neêr. Zij +sprong, zij knikte, viel overzij, als half verlamd, òp, neêr, +epileptisch òp, neêr, òp, neêr. + +Zij strompelde in het boethemd, zon-hel, òp-neêr; aantobbende met een +arm vol vleesch, met een vracht van nat en druipend vleesch en flarden +huid; met lillend, krullend, blond schapenhaar, als een dood kind onder +de moederborst daar, en smartelijk de meêgaande hand voorbij den buik, +òp-neêr. + +Nu schokte zij bloedig aan, een roode moordenares, òp-neêr. Haar lippen +lagen in starre pijn; in-uit snoof de neus en van haar kruin krioelden +de haren, òp-neêr, òp-neêr; overeinde als schrikkende slangetjes op hun +staarten aan 't staan. + +Maar dansend de roode martelvrouw in 't wezenlooze licht vooraan, en of +ze geradbraakt in 't witte gekleêr was, lekte haar 't bloed op de stomme +voeten neêr, epileptisch aan 't gaan, aan 't gaan. + +--"Gofferdom, kijk, ze bijten mekaâr in de hielen daar!" kreet de +admiraal. + +--"Ranselt er op, de honden!" schreeuwde de kolonel. + +Maar beneden zwoegden al de witte verschijningen, vuns van moord, over +de onder hen bibberende keienbaan op de stuipende beenen voort. + +--"Zij zijn moe, ze zullen vallen, monsieur Badaud." + +Voorbij slingerde het oude negerlijf in de aschkleurige vodden, rood +onder een émail van bloed. Bloed en schuim was om zijn dikke in een +strakken schater verstorven lippen, bloed geronnen op de trommel die +bonsde zijn rug. + +--"Ze gaan in ren!" duizelde een schreeuw uit de lichte hoogte. + +En zij galopten, want de geesels zwiepten. Zij sprongen op wijde +vluchtbeenen den naweeënden rhythmus nog. 't Nat-kletsige gesla van de +bloote voeten beteisterde de geul, onstuimiger draafde de meêlooperij in +het vale zonbruin; of van hen elk wou de eerste wezen, zoo slierden er +de bijt-bekken de kikhalzende toeschouwers langs. + +Daar dolde nu de achterste, getild, gesleurd door twee verheerlijkten, +een jongen met den kop op de borst, de tong uit den mond, den hik in 't +lijf. Lappen vacht en vleesch schudden en rafelden om zijn sijpelende +schouders. Als bij een stom-bezopene sloeg 't lijf voorover naar de +straat. + +'t Geschater van Antonio dolde door de lucht. Monsieur Badaud wees naar +beneden: + +--"Sacré nom.... hij trekt met zijn beenen als een grenouille." + +--"Een kip die dood gaat." + +--"Ik zou hem niet eten, als jij hem hadt geslacht, sale Arabe." + +--"Ha, ha, ha...." + +Maar de jongen opgebeurd door de voortvaartende kerels, spartelde +onder-langs, met afdrukken van bloedhanden tegen den rug op het hemd vol +gaten. + +Nu tusschen de weêrlichtende winkeltjes was de baan overstort onder het +buien, onder het onweêr van de troepend-trappende dravers. Nog waren er +die dansten, òp-neêr, rollend bezeten oogen, met monden spelend misbaar. + +--"'t Is gedaan.... Hé daar, schavuiten! Ze kittelen mekaâr een beetje," +riep monsieur Badaud weêr, beleedigd. "Kom, Antonio, die daar zijn even +gek als wij." + +--"Ze houden ons voor de mal!" + +--"Gaan we." + +Een lichtschitter sneed door de laagte.... de man met de bijl.... maar +de straat verzonk, al ging Johan los van de wering. Recht voor zijn +stoel staakte de Engelschman, stram bij zijn vlam-rooden knecht, +naoogend de gekken door zijn slak-zwarten kijker. + +--"Curieux." + +--"Intéressant." + +Maar 't waren nog de bange geluiden die zich opworstelden naar hier; +barende schreeuwen uit het warende licht, klakkende, krakende, +martelende zweepslagen, nijdig gekletst op het ziellooze vleesch. Dan +van overal overzwetsten de ontbonden tongen het straatgereutel, om te +vullen de lucht met hun gekal. + +...... + +--"Canaille." + +...... + +--"Waar gaan ze heen?" + +--"Naar de moskee." + +...... + +--"Daar vallen ze neêr, totaal òp, anéantis." + +--"Sapristi." + +--"Gekken; wie er niet aan sterven slapen de lange dagen." + +...... + +--"Gekken." + +Zooals binnenskamers, door de bevanging heen van een zwaren droom de +morgenstemmen komen aanrakkelen uit de buitenkoû, brokte het praten in +Johan's ooren, terwijl hij opschoof langzaam meê in het platgedrang. En +hij daalde in het duister van de trap, in het gat dat vol zoog van +buiten-gonzing; hij voelde zich gaan, onverschillig, gedragen, als in +een droom zeker de beenen zich zetten. Boven leegden de bordessen, +beneden zwermde de straat vol vechtende daggeluiden; in de gangen van +een grooten zeehoorn leek hij te loopen, waar 't van alle wanden +golf-klaagt en winde-zingt. Voetje voor voetje ging het vooruit, hij +hoogdravend in zijn hoofd het lichtleven meê als van een vuur dat in +raketten en festoenen is uiteengespat, het beturend naar binnen, tot het +een drang werd in zijn denken, tot het een mist werd in zijn oogen, tot +er een bloem, verschrikkelijk, haar roode blâren in kwam laten +vallen.... + +--"Ze hebben een hond die ze in de beenen liep, op het Zocco gepakt en +van elkaâr gereten," riep van buiten de Redacteursstem naar Antonio uit +het zeeëgeluid van de voeten. + +De straat straalde aan. En over de voortgolvende koppen kwam het +blinken, dadelijk van den heeten muur der overzij, het heerlijke hoofd +van Soleimon.... Lachte er niet kleinschatting uit de hoeken van zijn +idiotenmond, glansde er droefenis niet in het onverschrikt zijn van zijn +wijd open gebleven oogen?.... + +Maar al nam het stoetende kleurenvolk Johan in zich, meê onder de +klankende zon. + + + + +VII. + + +De vage avond om den horizon had stad en strand doen krimpen onder een +doem van wolken. Nu zwol de nacht over d'Oceaan en de nacht was brak. + +Als 't verdriet dat over de wangen druppelt en zilt door de lippen wordt +geslikt, voelde Johan de nattigheid loslaten uit het weenende weêr. +Telkens spritste er regen van uit den bollen wind die bakboords blies, +of was het gestuif van de proestende golven, want met vollen stoom +plonsde de Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, zich delvend een +gang door den nacht. + +Al gauw na het winden van de ankers, het werken van de matrozen die +schreeuwend door het waaidonker met de touwen zeulden, was Johan +afgedaald in de kajuit, maar er uitgedreven weêr door een niet te +overwinnen afzonderingsbegeerte van geheel zijn wezen. Hij had de +onstuimigheid van het getij verkozen voor de vriendelijke scheepskamer, +die vol kleuring van rood fluweel, glom van koperen stangen langs de +boorden om het zeker loopen. Van onder de huiselijk lage lampen +overschijnend een tafel-vol tijdverdrijf van periodieken, was hij +opgestaan. Er zaten wat reizigers te lezen, kreukend sloeg blad om na +blad, dan legden de menschen zich achterover in de stoelen en spraken +naar elkaâr, wankele woorden in het buiten windezingen van de zee. En +boven met rug en ellebogen stevig vastgedrukt in de staaf der +verschansing en de voeten schrijlings gekant op het plankier van den +boeg, had hij heel lang voor zich uitgestaard in het oneindige zwart. + +Warrend stond het nu op den warrenden vloer van de waterkolken. Lang was +er nog lichting geweest in de westelijke lucht, glimmering van dag die +niet weg wil gaan, en roode vlammetjes had hij dolen gezien langs +Tangers weggeslorpt strand, menschjes die den weg met lantarens zoeken +door het lage leven. + +Zwaar steunde de machine en bonkte de wentelende schroef; met donkere +krachtgeluiden in zijn harden buik stampte de Atlantic vooruit. + +.... Alzoo ging het nu terug; zoo stond het een andermaal te beginnen +het moeilijk-geweten leven daarginds, van voren af aan, nu, nu, nu; +gelijk de trage stappen van een geharnast man bonsde het aldoor +terugkomend in zijn hoofd waar geen andere gedachten bleven, nu, nu, nu; +dat klonk als de waakzame roep van een wachter in den nacht. + +Gulzig klokte het lage zwart om het snellende schip. Kookte niet overal +de wijd-duistere zee van slokkende, vratige dreigementen? Stond hij daar +nu niet midden op den nacht, voelend de sluipkou van den nacht, den +nacht in de haren rillend; stond hij daar niet als een vat vol gloênde +gisting; ging hij niet strekken nu de spierbanden onbewegelijk, om het +vat te dijgen, om bijeen te houden het lijf, bewarend het eigene aan +hem, dat daar leefde in hem? + +Waar ging het heen, waar ging het henen door den angsten-nacht? Was het +niet beter het broze vat te vernietigen, nu, nu, nu, en de verlangens +der ziel als de geuren van een balsem te vervluchtigen in den nacht van +het niet meer zijn.... + +Daar was de rood-gekooide vlam van een lantaren wiegend in de takelage +en spinnewebde licht over touwen en sprieten, gebluscht al door den +aanhijgenden rook uit het brok-zwart van den schoorsteen als uit een +strot. En het was Johan weêr of hij met het schip in het duister hing. +Dan andermaal uit het rechtsche Westen boorde Kaap Espartels toren zijn +vuur in de nachtelijke woestenij: een loensche straal uit een groot +groen oog spookte over de leêge zee. Maar de wachter daar.... Braun's +hand.... keerde de mechanieken en de toren spoot zijn cyclopig licht nu +rood in het ijle. Rinkinkelend ging er een brallend lach-licht de +wateren over, de golven verschenen tot onder de kiel, vochten in het +lage, dol en kwaadaardig aan 't vernietigen van elkaâr, tuimelden zij +met de roode vlamkoppen in de zwartnatte dalen. Duister geheel en al was +het schip komen te staan voor den rooden nacht; een gehoornd monster, +triomfantelijk en architecturaal, dat snuivend in zijn vaart, de booten +buitenboords aan de kromhouten hangend, langs de flanken meêdroeg als +buit van gevangen haaien.... Wat dreef daar op de zee, was het niet een +hoog-neuzig aangezicht liggend op het nat, bleek in de woeling spoelend +met blauw-open oogen.... + +Door den smook als neêrduizelend van uit den gansch onzichtbren hemel, +plonsde de Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, weêrbaar +knarsend, scharmaaiend van ijzer, delvend zijn gang door den nacht. + +.... Wat zou het geven, wat zou er komen voor hem uit al dat duister; +een verdoemenis was de nacht, glanzend afgrondelijk, slaand' tegen +slaande beneden.... Waarom was die rookvlag in het want almaar.... +waarom troostte niet wat licht hier in de zwarte zwaarte der ziel.... + +.... O.... de ontzetting beginnend, nu, nu, nu.... hoog.... laag.... +buiten, binnen, hier en van daarginds.... Hoor.... het water het zwarte, +het huilt.... de diepte klokt, voel den regen wimperen.... het zijn al +tranen.... gevangen zijn ze in den heeten mond.... val water in buien +uit, zie ik wil ze drinken uit mijn geholde handen.... + +Wat te bestaan, waar was wat licht.... o, de barre angst voor het leven +voorgevoeld, van altijd allen tegen éen.... + +.... Daar was de ontbering die het begeeren lam slaat en uitmergelt de +verlangens; daar was de ellende die het lijf verminkt.... daar kwam ze +de verschrikkelijke Honger in den Nacht.... Daar stond zij de +gerimpelde, de dorre van ouderdom, de furie met de droge tepels en +naakt.... Oogen stekelen in het kopkarkas en haar mond is zinloos +tragisch in den boog der lippen. Nu neemt ze de floers-vlerken op, +buigend naar de slippen, dat haar er 't vel van kraakt. En zij spant ze +meêwarig tot een huif om haar hooge dorheid, lacht, ja lacht, belooft +den dood en vervliegt in 't zwart. + +Waarom bleef die jammerlijke glinstering van oogen daar op het +water?.... was er dan geen dag meer, wachter, waar is het licht, waarom +braakt de toren geen vlammen hier in het ziedende zwart? Het kookt en +het borrelt maar voort, en er is geen vuur; de haren worden klam als van +een verdronkene, de oogen zijn kil en de handen klam, het danst onder de +voeten, het is een golf in den steunloozen nacht.... Wachter, keer de +mechanieken.... toren.. uw lach.... + +En 't was als een vonk uit een vergeten waakvuur dat de storm weêr +aanblaast, als een ster die wakker staat en uitspat in het ruim; dan +als een brand staâg in den nacht gestoken, de bliksemblik, het siderale +licht van het groene torenoog. Helsch in de duisternis ging het den +chaos doorvorschen. Maar slagbui van regen tusschen bergen blinkend, +bevlaagd door zon uit een donderwolkscheur, zoo bundelde het schijnsel +nu neêr, gleed van onder het half-toegegane oog de laaiende blik aan +over het akelige water. + +Verschenen was de zee: een nachtvlakte vol oorlog onder een kille maan; +een platgebrand land zwart nog van laag tumult. Stoeten van kruipers op +knieën met glibberenden rug, hobbelden alle de ellendige golven, +schuimend, nekkend elkaâr, in den wedloop stortend, grijpend, willend +vernietigen, weêr overstortend. + +Heftig had Johan zich losgezet van de wering en hij stond in den +schrikschijn van het groene licht, dat onder de brug door, sproeiend +stekelige slagschaduwen over het planken dek was komen schraaien, +spinnend er de naden van onder zijn voeten als lijnen van telegrafen. En +hij zag een lange slang met fosforkringels op haar huid, een touw, +kruipen langs de verschansing, omrollen dan een bout, worgend om een +hals.... + +Onder het rood geworden torenoog was d'Oceaan gaan bloeden. Plots donker +geronnen drongen de stommelende golven de barsche boot rondom, die, +burcht van toornig agaat dat op kanten en facetten rinkelt, het booze +gefonkel hief in mast en want, en van katrollen het vurig gekogel, en op +rondassen en oorlogstuig. 't Schip stond in 't rooie gegloor, waggelde, +doch opstootend zijn gestookten stoomadem, dreunde het neêr, plompend +ging zijn macht voort door de moordzee die van verslagenen dreef. + +Rond in de gruwelijk incarnate zee zwommen de wringenden uit den baaierd +los, tot sombere slagorden van baren, baren bergend baren, baren die +baren baarden, slag-armend en met vlammende spiralen voor den buik, +naderden zij daar waar de klaarheid wijlde van het felle toren-turen. +Wentelend rood, woelend bloed; zij delgden zich borsten over ruggen, +schuimmuilen vielen er in plassend bloed; zij drupten den schijn van +ooglichtingen vol, valsch in de kringsels en de stroomsels van de +draaiende haren. Dan schoven er de roode dooden gestoken en bobbelden en +wentelden en wielden. + +De blik week.... de lichtschoof kromp op, maar bleef, zwalkende vloek, +boven de waterwereld branden, die keerend zijn afgronden voortdurendlijk +om, barbaarsch en laag praalde verzadigd met het oude rood. Het oog +kneep dicht.... en onder den stuipenden toren verbloedde de Oceaan.... + +Alom wolkte de nacht, kolkte de barnende nacht. En 't was Johan of de +ooren hem groeiden tot maatlooze zwarte plantbladen naast het hoofd in +'t natte vlagge-waaien van den wind. De verten rondde het gerommel van +krijg en kwaad weêr, de diepte bruiste, zwolg grollen op en grimassen +van geluid. Uit het wellen, uit het lekken borrelden klokken, monden die +vol water gaan, 't verstikkend overgeven; klakken van handen knalden, +het water slaande, het water dat toch niet houdt, om te zoeken den +vlottenden stroohalm in 't vliedende water. Verbolgen loeien, het +hoog-òp verzet; het vloeien, het lijdzaam gaan liggen in de +doodenzee.... De kolk stond overeind, wervelend bewoog zwart in zwart, +bepreveld, belipt, beknerst, begrijnsd, bewrongen, bekronkeld en +beklaagd en beschreid. Werd daar de zee niet glinsterig nu, bezwermd met +millioenen confuse insekten, zwoegde er de boot niet door, met onder +aan den boeg almaar den gefloersden slag van een doodstrom? + +Van zijn plek gejaagd was Johan gaan klimmen tegen de loopvaart in van +het schip als tegen een zwarten berg. Daar in het midden wou hij zijn, +daar danste de vloer niet, daar ging het niet òp, daar ging het niet +neêr. + +'t Grafzwart druischte overal; langs den draad der verschansing gleed de +arme hand. Nachtdingen roerden in den poel, scheerden er uit los en +voorbij het gesperd-zijn van de oogen in adem-wasem. Nu, nu, nu, sloeg +het heete hart; zoo onophoudelijk alleen, om het tegen te willen gaan, +om het te willen uitrukken en te werpen hier in het aangaan van de +golven.... + +Uit het dreunende binnen van de boot droomden stemmen los, huiverig +genot-koud, heel-even gelach. De wind zoog in het trapgat, met den voet +had hij koortsig de deur naar den kuil gezocht; in lange weeningen +verzong zich nog de zee, toen hij ze al voor zich had de roode +menschen-schijnsels.... + +Een hoofd in een hand gloeide op van-achter de tafel met de periodieken; +vingers, werktuigelijke dingen, aaiden, werend iets onteziens als +spinraggen boven de oogen weg. + +Luisterend hoogde het hoofd.... de zee zong.... De hand met de +flonkerstip van een juweel begon de snorharen te streelen, als om er +goud uit te spinnen. Want met bevlamden strot lag een tweede gezicht +aandachtig te praten naar den zolder, onbekende taal in pluizen van +rook.... de zee zong.... + +Het eerste hoofd met het haar in schaduw, zonder de hand, als een klomp +oud goud, verrimpelde in stil lachen, een oogenblik, want +strak-verdwaasd zakte het in 't week-donkere van de schouders en tuurde +onder de lampen door naar Johan in de deur gebleven. + +.... Twee blauwe ster-oogen brandden er geheimvol.... toen.... maar al +joeg Johan zich langs de trap weêr naar boven, hebbend dien weenenden +blik al zoo lang gekend en nu zien sterven. + + * * * * * + + * * * * * + +Nu klaagden zware waaiingen om het schip, de toren sliep weg in het +duister; nu gaan de sentimenten over de wereld weg.... + +.... Nog draagt de zee wel den wind van 't verlangen.... + +.... Zie, zie, 't is alles een wonderspel; de koninklijke deernis gaat +in lang watergewaad.... mannen en vrouwen.... zuiver onder de gouden +passiën, roemzingen zacht om wat is gestorven.... kinderen nog.... +dragend den sleep henen over het delireeren van de zee.... + + * * * * * + +De wind waait in 't niet.... vult de wereld met gedroom.... + +Water verruischt naar alle randen.... + +De Atlantic zwaar zwemmend plompt met roodwankend toplicht vast voort +door diepen droom. + +En Johan staat nog op den boeg te droomen in dien droom.... + + + + +Transcriber's notes + +- Some minor punctuation errors and typos have been corrected silently. +- This work has appeared substantially differently in other editions. + We show the text and spelling found in one version, which may not be + standard. +- Changed "fantaisiehoed" to "fantasiehoed" in "zijn hoofd onder den + fantaisiehoed." +- Changed the accent grave on the last 'o' in "'t hoofd óp, licht; + schouders òp," to an accent acute. +- Nested quotes were changed to the form "... '...' ...", with + single quotes as the inner quotes. +- Changed "Silvory" to "Sivory" in "midden in de steeg Silvory's kroeg + uitwalmde". +- Changed "moeilijk" to "moeielijk" in "moeielijk-geweten leven + daarginds". + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Gekken, by Jac. Van Looy + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEKKEN *** + +***** This file should be named 27994-8.txt or 27994-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/7/9/9/27994/ + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
