summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/27945-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:36:47 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:36:47 -0700
commit48981286192426c2c72ed9922be1e5aa9a5d4b54 (patch)
tree787bc1181ef49cdf1662e908340796b77bed357b /27945-8.txt
initial commit of ebook 27945HEADmain
Diffstat (limited to '27945-8.txt')
-rw-r--r--27945-8.txt5260
1 files changed, 5260 insertions, 0 deletions
diff --git a/27945-8.txt b/27945-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..4d885ea
--- /dev/null
+++ b/27945-8.txt
@@ -0,0 +1,5260 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: January 31, 2009 [EBook #27945]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE ORDE.
+
+DE PAPEGAAIEN (Psittacornithes).
+
+
+"De groote orde der Papegaaien" schrijft W. Marshall, "welker talrijke
+(omstreeks 450!) soorten over minstens 50 geslachten verdeeld zijn,
+is een van de best begrensde en meest afgeronde vogelgroepen--een
+van die, welke de minste, ware of schijnbare overgangen tot andere
+orden aanbieden.
+
+"Wel werden volgens een vroegere zienswijze de Papegaaien met
+de Spechten en de Koekoekvogels onder den naam van "Klimvogels"
+vereenigd; zulk een samenvoeging, die geheel op zuiver uitwendige
+eigenaardigheden van organisatie berust, op kenmerken, verworven
+doordat de bedoelde Vogels op soortgelijke wijze voor gelijksoortige
+levensomstandigheden geschikt geworden zijn, kan echter geen stand
+houden tegenover de hedendaagsche wetenschappelijke begrippen.
+
+"Een Papegaai is een Klimvogel! Zeer zeker--en een Specht ook, maar
+ieder hunner is Klimvogel op zijn eigen wijze, en deze wijzen loopen
+zeer uiteen. Daar echter de verschillende wijzen van klimmen een
+grootere innerlijke overeenkomst met elkander hebben dan b.v. de wijzen
+van loopen of de wijzen van zwemmen, is het niet te verwonderen, dat de
+gewoonte van klimmen tot op zekere hoogte een oppervlakkige, schijnbare
+overeenstemming van kenmerken heeft doen ontstaan. Dit geeft ons echter
+evenmin het recht, om deze overigens zoo uiteenloopende wezens met
+elkander te vereenigen als de lichaamsvorm en de bouw der ledematen
+van de Visschen, Ichthyosauriërs en Walvisschen (welker buitengewoon
+merkwaardige overeenstemming uit het verblijf en de beweging in het
+water af te leiden is) voldoende kan en mag geacht worden om deze drie
+groepen van Gewervelde Dieren in het stelsel eenigszins, hoe weinig dan
+ook, nader bij elkander te plaatsen. Wij glimlachen over de naïveteit,
+die onze voorgangers uit vroegere eeuwen toonden, door de Vleermuis
+onder de Vogels te rekenen, en waarvan Gessner blijken gaf, door in
+de eerste afdeeling van het aan dit dier gewijde hoofdstuk "over de
+gedaante van dezen Vogel" te handelen. Dergelijke dwalingen komen
+echter ook in onze dierkundige leerboeken in menigte voor en zijn
+met het oog op de hedendaagsche onderzoekingsmethoden en de hierdoor
+verkregen resultaten minder verschoonbaar dan de misvattingen van de
+vaders der wetenschap in vroegere eeuwen."
+
+Het meest in 't oog vallende kenteeken van de Papegaaien is de snavel,
+die zich van alle andere vogelsnavels onderscheidt, hoe groot ook
+zijn overeenkomst met enkele daarvan moge schijnen. Bij een eerste,
+oppervlakkige beschouwing zou men kunnen denken aan eenige gelijkenis
+op den snavel van den Roofvogel; die van de Papegaaien is echter
+aanmerkelijk dikker en forscher, naar verhouding hooger en over
+'t geheel genomen evenrediger van vorm. Vermeldenswaardig is de
+aanwezigheid van een "washuid", d.i. van een onbevederd, maar toch
+niet hoornachtig, door den naam voldoende gekarakteriseerd gedeelte,
+dat als een zadel op den wortel van den bovensnavel ligt en, behalve
+bij de Papegaaien, alleen nog bij de Dagroofvogels en de Uilen
+voorkomt. Over den bouw van dezen snavel geven wij het woord aan
+Burmeister: "Op den bovensnavel van de Papegaaien merkt men een wel
+is waar smalle, maar toch scherp aangeduide rugstrook op, van welke
+naar weerskanten de matig gewelfde zijstukken dakvormig naar beneden
+loopen. Naar achteren gaan zij onmerkbaar over in de korte, vooral
+onder het neusgat met stijve, borstelige veertjes schaars begroeide
+washuid, die zich naar den mondhoek terugtrekt. Het neusgat is naar
+boven gericht, in de washuid gelegen, cirkelrond en door een gezwollen
+rand omgeven. De tot den bovensnavel behoorende rand van de mondspleet
+heeft gewoonlijk in het midden een stomp, maar krachtig, tandvormig
+uitsteeksel, dat van voren scherper begrensd is dan van achteren. De
+haakvormige spits is zeer lang en aan de zwak uitgeholde, binnenste
+oppervlakte bij wijze van een vijl gestreept. De aanmerkelijk kortere
+ondersnavel ziet er dik, korfvormig uit, is slechts weinig lager of
+zelfs hooger dan de bovensnavel en in 't midden van de onderzijde
+dikwijls met een flauwe, overlangsche kant voorzien, die de kinhoek
+aanduidt. Nevens dezen strekken zich op een tamelijk grooten afstand
+aan weerszijden nog twee zijkanten uit, die iets verder naar voren
+zich vereenigen en den breeden, hoogen en scherpen, snijdenden rand
+van het voorste gedeelte van den ondersnavel begrenzen. De mondrand,
+die vóór deze grens aan weerszijden (in overeenstemming met den tand
+van den bovensnavel) diep uitgesneden is, neemt van hier naar achteren
+langzamerhand in hoogte toe. De zijden van den ondersnavel zijn meer
+of min gewelfd."
+
+Niet minder eigenaardig is de bouw van de ledematen en het inwendig
+maaksel van de Papegaaien. "De pooten zijn dik, forsch, vleezig,
+maar nooit hoog; de loop is veel korter dan de middelste teen
+(of buitenste voorteen) en altijd slechts met kleine, schubvormige
+plaatjes bekleed. De tamelijk lange teenen, waarvan de buitenste en
+de binnenste naar achteren zijn gericht, hebben een stevige zool,
+maar alleen aan de spits een duidelijken bal; aan de bovenzijde zijn
+zij bekleed als de loop; de schubben worden echter nader bij de spits
+allengs grooter en gaan op het laatste teenlid vóór de klauw in korte
+plaat- of gordelvormige schilden over. De binnenste voorteen heeft
+gewoonlijk de kleinste klauw; die van den binnensten achterteen is
+in den regel niet veel grooter; de grootste klauw komt voor aan den
+buitensten voorteen; die van den buitensten achterteen doet echter
+slechts weinig voor hem onder."
+
+De vliegwerktuigen zijn doorgaans goed ontwikkeld, de vleugels groot
+en scherp; de slagpennen, welker aantal tusschen 19 en 22 afwisselt
+(waarbij 10 handpennen) meestal echter 20 bedraagt, onderscheiden
+zich door de stijfheid van de schaft en de breedte van de vlag. De
+twaalf stuurpennen verschillen zeer, wat betreft haar vorm en lengte;
+de gedaante van den staart biedt daarom veel afwisseling aan.
+
+De bekleeding van den stam bestaat bij de Papegaaien uit een
+betrekkelijk gering aantal buitenveeren of contourveeren, met
+donsveeren er tusschen; de eerstgenoemde staan dus verspreid op
+duidelijk begrensde, maar in vorm zeer verschillende vedervelden;
+aan de buitenzijde hebben zij een groote bijveder. In de kleur van
+het kleed bestaat, bij alle verscheidenheid in de details, tusschen
+de leden der orde groote overeenstemming. De meest voorkomende
+kleur is een meer of minder prachtig bladgroen; er zijn echter
+ook hyacintblauwe, purperroode, goudgele en somber gekleurde
+Papegaaien. Karakteristiek is de verdeeling van de kleuren op het
+kleed van de Papegaaien (de aanwezigheid van kleurvelden zou men
+misschien mogen zeggen), het veelvuldig voorkomen van complementaire
+of aanvullingskleuren op de boven- en onderzijde (blauwachtig violet,
+donkerblauw, lichtblauw of groen op de bovendeelen, lichtgeel, oranje,
+vermiljoenrood, purper op de onderdeelen), welke tegenstelling zelfs
+aan iedere afzonderlijke slag- of stuurpen in 't oog valt, niet minder
+eigenaardig het bedekt zijn van schitterende kleuren door minder
+levendige, zooals b.v. bij enkele Kakatoes, waar de vermiljoenroode of
+gele kleur van de donsveeren en van de wortelgedeelten der buitenveeren
+bijna niet zichtbaar is wegens de witheid der topgedeelten dezer
+veeren. Meestal, maar volstrekt niet altijd, zijn het mannetje en
+het wijfje gelijk van kleur.
+
+Het inwendig maaksel van de Papegaaien is eveneens zeer merkwaardig;
+vooral in het skelet zijn vele eigenaardigheden waar te nemen. Van
+de weeke deelen verdient vooral de tong vermelding, daar zij zich,
+behalve door kortheid, dikte en zachtheid, soms ook door talrijke,
+draadvormige wratjes aan de spits onderscheidt. De slokdarm is
+tot een krop verwijd; de kliermaag is door een glad gedeelte van de
+spiermaag gescheiden, de laatstgenoemde heeft slappe wanden en is aan
+de binnenzijde bijna ruig; de galblaas en de blinde darmen ontbreken;
+de darm is gewoonlijk tweemaal zoo lang als de afstand tusschen mond
+en aars. Drie paar spieren komen aan het onderste strottenhoofd voor.
+
+Het weinige, wat hier van den lichaamsbouw der Papegaaien gezegd kan
+worden, moge voldoende zijn om aan te toonen, dat zij een volkomen
+zelfstandige, van de andere leden der klasse duidelijk gescheiden groep
+vormen. Zulk een groep noemen wij een "orde", d.w.z. een in zich zelf
+geordend geheel, dat niet behoorlijk aan andere afdeelingen toegevoegd
+kan worden. Van minder belang is het voor den lezer te vernemen,
+waarom wij alle leden dezer orde als één familie beschouwen en aan
+de afdeelingen dezer familie--die gevoeglijk den naam der orde kan
+dragen: Papegaaien (Psittacidae)--den rang van onderfamiliën toekennen.
+
+Dat de Papegaaien een op zich zelf staande groep vormen, blijkt echter
+niet alleen uit hun lichaamsbouw, maar ook uit hun levenswijze; uit
+hun aard en hunne gewoonten, uit hunne handelingen. Het leven staat
+met den lichaamsbouw in 't nauwste verband; het moet dus bij hen wel
+eigenaardig zijn als de gestalte.
+
+De groote soorten zijn bij het opvliegen log van beweging, maar
+reppen zich vervolgens in snelle vaart vooruit; de kleine soorten
+zijn behendiger. Vele Papegaaien schijnen vreemdelingen te zijn op
+den bodem en hompelen hier meer dan zij gaan; er zijn echter ook
+Grondpapegaaien, die even snel en vaardig loopen als de strandvogels:
+de gang van den Australischen Grondparkiet wordt met dien van een Snip
+vergeleken. Het huppelen op de twijgen valt den Papegaaien moeielijk,
+geenszins echter de beweging op de takken. Over groote tusschenruimten
+vliegen, over geringe klimmen zij heen; sommige doen dit tamelijk
+onbeholpen. Zij maken hierbij gebruik van den snavel en de pooten;
+bij de andere Vogels kunnen alleen de pooten bij 't klimmen dienst
+doen.--Men kan gerust zeggen, dat de Papegaaien hunne lichaamsdeelen
+goed weten te gebruiken: twee daarvan, namelijk de voet en de snavel,
+hebben zelfs een veel uitgestrektere taak te vervullen dan bij alle
+overige Vogels. De voet herinnert eenigszins aan een hand; hij bewijst
+althans soortgelijke diensten. De snavel, die bij de meeste Vogels
+de hand vervangen moet, is bij de Papegaaien veel beweeglijker en
+wordt ook op meer verschillende wijzen gebruikt dan bij de overige
+Vogels. Ook de Papegaai neemt met den snavel voorwerpen van den bodem
+op en plukt er vruchten mede af; hij kan hiermede vruchten en zaden
+kraken en zich tegen zijne vijanden verweren; bovendien kan hij er
+een soortgelijken arbeid mede verrichten als een Knaagdier met de
+snijtanden: hout afbreken, stukbijten en in vezels verdeelen; ook bij
+'t klimmen bewijst dit werktuig hem uitmuntende diensten.
+
+De stem van de Papegaaien is krachtig, dikwijls krijschend, maar
+toch niet zonder eenige welluidendheid, bij vele soorten is zij zeer
+buigzaam en ontegenzeggelijk vol uitdrukking. Als leden van groote
+soorten tot gezelschappen vereenigd zijn en gezamenlijk schreeuwen,
+maken zij trouwens een voor menschelijke hoorders bijna onverdragelijk
+leven. Enkele soorten brengen een blaffend, andere een fluitend,
+nog andere een spinnend, weer andere een zacht knorrend geluid voort;
+sommige laten korte, helder klinkende kreten, enkele kwakende geluiden,
+verscheidene krijschende klanken hooren. Eenige soorten kweelen hunne
+wijfjes zulke allerliefste liedjes voor, dat men ze tot de Zangers
+zou rekenen, als zij geen Papegaaien waren; andere soorten leeren zoo
+zuiver fluiten, dat zij een Goudvink in de schaduw stellen. Het talent
+van de Papegaaien voor de nabootsing van menschelijke geluiden en
+woorden is bekend. Zij overtreffen in dit opzicht alle overige dieren;
+hun bekwaamheid is bewonderenswaardig, grenst aan 't ongeloofelijke:
+zij snappen niet, maar spreken.
+
+De Papegaaien bewonen alle werelddeelen met uitzondering van
+Europa. Van de 429 door Marshall in 1889 opgenoemde soorten,
+waarvan het vaderland bekend is, komen er 161 voor in Amerika,
+213 in Australië met de Papoea-eilanden, de Molukken en de
+eilandengroepen van de Zuidzee, 25 in Afrika en 30 in Zuid-Azië
+met de Soenda-eilanden. Verreweg de meeste behooren tusschen de
+keerkringen thuis. Een Amerikaansche soort--de Carolina-parkiet
+(Conurus carolinensis)--werd tot op 43° N.B. waargenomen; de in
+rotsholen broedende Patagonische Diksnavelparkiet (Bolborhynchus
+patagonus) wordt op 54° Z.B. in de "onherbergzame woestenijen"
+van Vuurland aangetroffen; op het Macquarie-eiland, ten zuiden van
+Australië, leeft een soort van Waaierparkiet (Cyanorhamphus) op 54°
+Z.B. In Afrika en Azië echter overschrijden de Papegaaien de grenzen
+van den heeten aardgordel weinig of niet, in West-Afrika b.v. komen
+zij niet ver boven 16° N.B., in Oost-Afrika niet noordelijker dan 15°
+N.B. voor. In het zuidelijk halfrond verwijderen zij zich verder van
+den evenaar; in Azië worden eenige soorten in den gematigden aardgordel
+aangetroffen. Over 't algemeen zijn zij tot de wouden beperkt, hoewel
+geenszins uitsluitend; daar enkele soorten ook boomlooze vlakten,
+b.v. steppen, bewonen, andere (in de Andes) tot boven de grens van den
+boomgroei, tot meer dan 3000 M. hoogte, stijgen; even hoog komen zij in
+Abessinië en tijdelijk ook in den Himalaja. In Noordoost-Afrika heeft
+het de aandacht getrokken, dat zij zoo goed als uitsluitend voorkomen
+in oorden, waar ook Apen gevonden worden en dus in zekeren zin als
+onafscheidelijke metgezellen van deze moeten worden beschouwd. Hoe
+ontzaglijker de wouden zijn, d. w. z. hoe weelderiger de plantengroei
+is, des te veelvuldiger zijn zij. "De Papegaaien," zegt de Prins Von
+Wied, "maken in de tropische wouden een groot, ik zou kunnen zeggen,
+het grootste deel van de vogelenwereld uit." Ditzelfde geldt voor
+Australië, voor vele gewesten van Indië en gedeeltelijk ook voor
+Afrika. Hier zijn zij zoo overvloedig als bij ons de Kraaien, daar
+zijn zij zoo algemeen als in Nederland de Musschen.
+
+En, zij verstaan de kunst om de aandacht te trekken. Zij tooien
+de wouden en vervullen ze met hun geschreeuw. "De Papegaaien,"
+zegt de Prins Von Wied, "verfraaien met hunne kwistig gekleurde
+veeren de donkere schaduwen van de tropische wouden."--"Het is
+onmogelijk," verzekert Gould, "de bekoring te beschrijven van het
+schouwspel, dat sommige Papegaaien, vooral de hoogroode soorten,
+verschaffen, wanneer zij bij vluchten tusschen de zilverbladige
+acacias van Australië dartelen. Hun prachtig kleed maakt in deze
+omgeving een verwonderlijk schoon effect."--"De Kakatoes," zegt
+Mitchell vol geestdrift, "veranderen de hoogten, waarop zij leven, in
+verrukkelijk schoone lusthoven."--"Ik heb," bericht Audubon "boomtakken
+zoo volkomen bedekt gezien met Papegaaien, dat er geen plaatsje
+onbezet bleef."--"'s Morgens en 's avonds," verzekert Schomburgk,
+"ziet men een ontelbare menigte Papegaaien op aanzienlijke hoogte
+onder onverdraaglijk geschreeuw voorbijtrekken. Op een namiddag
+zag ik eens zulk een reusachtigen zwerm neerstrijken op de boomen
+langs den oever; de twijgen bogen diep onder het gewicht van de
+Vogels."--Hetzelfde valt op te merken in de boschrijke gedeelten van
+West-Afrika. Pechuel-Loesche schrijft uit Loango: "In aantal worden
+alle woudbewoners overtroffen door de Grijze Papegaaien, die vooral
+in de Koeïloe-vlakte in ontzaglijke menigte voorkomen. 's Avonds
+trekken zij, nu eens wijd en zijd verspreid, dan weer tot ongeordend
+vliegende zwermen vereenigd, den loop van den stroom volgend, over
+het woud naar hunne slaapplaatsen verderop in het land. Dan worden
+alle overige geluiden van dieren nagenoeg geheel overstemd door het
+onophoudelijke gekrijsch, het vroolijke gesnap en gefluit van deze
+Vogels; alleen het grove, heesche trompetgeluid van een soort van
+Ibis klinkt nog boven dit mengelmoes van tonen uit."
+
+Buiten den broedtijd zijn de meeste Papegaaien tot troepen of tot
+buitengewoon talrijke zwermen vereenigd. Zij kiezen een bepaald deel
+van het woud als woonplaats en zwerven van hier uitgaande iederen dag
+door een uitgestrekt gebied rond. De troepen blijven trouw bijeen en
+deelen met elkander lief en leed. Gelijktijdig verlaten zij in den
+vroegen morgen hun slaapplaats, strijken op een boom of op een akker
+neer om zich met de daar aanwezige vruchten te voeden, zetten wachten
+uit, die voor de veiligheid van het geheele gezelschap moeten waken,
+geven nauwkeurig acht op hunne waarschuwingen, nemen alle tegelijk of
+kort achtereenvolgens de vlucht, verleenen elkander trouw bijstand
+in tijd van gevaar en hulp naar vermogen in andere omstandigheden,
+komen gezamenlijk op dezelfde slaapplaats aan, gebruiken deze, zoo
+goed als dit gaan kan, in gemeenschap, en broeden zelfs, voor zoover
+dit mogelijk is, gezellig.
+
+Hunne slaapplaatsen zijn zeer verschillend: soms dient hiervoor een
+dichte boomkroon, soms een rotswand met uithollingen, soms een holle
+boom. Het schijnt, dat zij aan de laatstgenoemde slaapgelegenheid
+de voorkeur geven. "Zijn slaapplaats," zegt Audubon van den
+Carolina-parkiet, "is een holle boom of een nestgat, dat door een
+groote soort van Specht is uitgehouwen, ingeval dit niet door de
+rechtmatige eigenaars wordt bewoond. In de schemering kan men in de
+buurt van oude, holle sycomoren of dergelijke boomen talrijke vluchten
+van deze Papegaaien bijeen zien komen. Zij gaan vlak voor de holte aan
+de schors hangen, om achtereenvolgens naar binnen te sluipen en in den
+boom den nacht door te brengen. Als zulk een holte niet voldoende is
+voor het aantal slapers, hechten de overige zich met den snavel en de
+klauwen vóór den ingang aan de schors. Het heeft er dan allen schijn
+van, dat het gewicht van het lichaam geheel door den snavel gedragen
+wordt. Met een verrekijker heb ik echter tot mijn geruststelling het
+tegendeel kunnen opmerken."
+
+Behalve aan een veilige slaapplaats hebben de Papegaaien behoefte aan
+boomen met dichte kroon, om zich volkomen op hun gemak te gevoelen. Het
+is hun minder te doen om beschutting tegen weer en wind dan om goede
+schuilplaatsen. Hoewel zij bijzonder veel van warmte houden, zijn zij
+toch niet zeer bevreesd voor koude en nog minder, althans tijdelijk,
+voor nat weer. "Gedurende tropische onweersregens, die soms zoo
+hevig zijn, dat zij de lucht verduisteren," zegt de Prins Von Wied,
+"ziet men de Papegaaien dikwijls onbeweeglijk op doode takken van
+de hoogste boomtoppen zitten; vroolijk weerklinkt hun stem, terwijl
+het water bij hen neerstroomt. Al zijn ook in de nabijheid dicht
+loover en dikke takken te vinden, zij blijven liever aan den warmen
+onweersregen blootgesteld. Zoodra echter de bui ophoudt, beginnen
+zij hun dicht vederenkleed van het vocht te bevrijden." Anders is
+het gesteld bij mooi weder. Dan geven zij duidelijk de voorkeur aan
+de dichtst vertakte boomen, hetzij om zich tegen de zonnestralen te
+beschutten, hetzij om zich te verbergen. Dit laatste doen zij stellig,
+zoodra zij onraad bespeuren. Zij weten, welk een goede bescherming
+zij, wegens hun met de kleur van bladen overeenkomenden tooi van
+een dichtbebladerde boomkroon kunnen verwachten. Zij zijn hier niet
+gemakkelijk te ontdekken. Men weet, dat een vijftigtal Papegaaien
+op een boom vereenigd zijn, maar men ziet er geen enkelen van. Bij
+het schuilhoekje spelen komt trouwens niet alleen de kleur van het
+vederenkleed goed te pas, maar ook de sluwheid, die aan nagenoeg alle
+Papegaaien eigen is.
+
+Het voedsel van de Papegaaien bestaat hoofdzakelijk uit vruchten
+en zaden. Vele Loris gebruiken echter weinig of niets anders dan
+honig en stuifmeel uit bloemen en misschien ook de Insecten die in
+de bloemen voorkomen; de Araras en andere Papegaaien met wigvormige
+staart (Conurinae) eten, behalve vruchten en zaden, ook wel knoppen en
+bloemen van boomen; enkele Kaketoes doen gaarne haar maal met larven
+van Insecten, Wormen en dergelijke kleine dieren. Het is trouwens
+volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat de groote soorten van deze orde
+veel meer dierlijk voedsel gebruiken dan men meent. Een reden voor dit
+vermoeden zou men kunnen vinden in de moordlust van sommige Papegaaien
+en ook in de gretigheid, welke gevangene exemplaren voor vleeschkost
+toonen, zoodra zij dezen eenige malen geproefd hebben.
+
+Vermakelijk is het, de Papegaaien gedurende hunne rooftochten in de
+vruchtboomen en akkers te bespieden. De wijze, waarop zij in dit
+geval en bij het zoeken van voedsel in 't algemeen te werk gaan,
+wettigen tot op zekere hoogte de benaming "bevederde Apen". De list
+en bedachtzaamheid, waarmede zij hunne rooverijen plegen, trekken de
+aandacht van iederen waarnemer. Een met rijpe vruchten beladen boom,
+een akker, welks producten zich goed ontwikkeld hebben, lokt hen zelfs
+van verre aan. "Door allerlei vruchten, die zeer in hun smaak vallen,"
+zegt de Prins Von Wied, "worden de overigens zoo schuwe Araras bewogen
+zich ver buiten de grenzen harer wouden te begeven." De Honigparkieten
+vond Gould uitsluitend op eucalypten, welker stuifmeel- en honigrijke
+bloemen hun het gewenschte voedsel in voldoende hoeveelheid
+verschaffen, nooit op andere boomen. Alle groote soorten zijn hoogst
+voorzichtig bij het zoeken van hun levensonderhoud; zelfs in het woud
+gedragen zij zich soms als gedurende een rooftocht. "Bij vluchten en
+met oorverdoovend geschreeuw," bericht Pöppig, "strijken de groote,
+goudgroene Araras van de Andes neer op de vuurroode erythrinen en gele
+tachias, welker bloemen zij gaarne eten. Zij zijn echter listig genoeg
+om te begrijpen, dat hun gekrijsch hen aan gevaar blootstelt, wanneer
+zij een akker met rijpende maïs beginnen te plunderen. Ieder hunner
+bedwingt dan zijn neiging tot tieren, zoodat er slechts onderdrukte,
+knorrende geluiden gehoord worden, terwijl het vernielingswerk met
+ongeloofelijken spoed voortgezet wordt. Het is voor den jager of den
+vertoornden Indiaan geen gemakkelijk werk de sluwe dieven te naderen,
+daar altijd een paar van de oudste Vogels op de hoogste boomen de
+wacht houden. Het eerste waarschuwende sein wordt beantwoord door
+een algemeenen, halfluiden kreet van de gestoorde plunderaars; bij
+het tweede signaal vlucht de geheele zwerm, doch slechts om na het
+vertrek van den vijand dadelijk zijn verderfelijk werk te hervatten."
+
+Ongeloofelijk groot zijn de verwoestingen, die de Papegaaien op de
+akkers en in de tuinen aanrichten; zij rechtvaardigen de ernstige
+maatregelen van tegenweer, die door den mensch genomen worden. Nagenoeg
+alles is van hun gading, niets is beveiligd tegen hunne aanvallen. "Zij
+en vooral de groote Araras," zegt de Prins Von Wied, "versplinteren
+met hun reusachtigen snavel de hardste vruchtwanden"; niet minder
+goed is dit orgaan geschikt voor het verwerken van weeke vruchten
+of kleine zaden. De aan een vijl herinnerende achterzijde van de
+haakvormige bovensnavelspits maakt het vasthouden van voedingstoffen
+met gladde oppervlakte of van kleinen omvang bijzonder gemakkelijk;
+de beweeglijkheid van de tong bewijst hierbij belangrijke diensten. In
+een oogwenk is een noot gekraakt, een aar van hare vruchten beroofd,
+een zaadkorrel ontbolsterd. Als de snavel dit werk alleen niet af kan,
+wordt ook de poot te hulp genomen; de hiermede vastgehouden spijs
+wordt behendig naar den mond gebracht. Evenals de Apen, vernielen
+zij veel meer dan zij verslinden.
+
+Na den maaltijd vliegen de Papegaaien naar de plaatsen, waar zij
+drinken en baden. Zij drinken veel, ook wel zout of althans brak
+water. Wanneer er gelegenheid toe bestaat, laten zij zich nat regenen,
+overigens begeven zij zich om te baden naar poelen; zij "gullen"
+graag in het zand, evenals de Hoenderen en bedekken daardoor hunne
+veeren met een laag stof; ook kruipen zij wel in de nestholen van de
+Groote IJsvogels om hetzelfde doel te bereiken. Zij zoeken zouthoudende
+aarde op en bezoeken geregeld de zoute poelen in het woud.
+
+De voortplanting der Papegaaien heeft plaats in de maanden, die in
+hun vaderland met onze lente overeenkomen en aan het rijp worden der
+vruchten voorafgaan. Naar het schijnt, broeden de groote soorten
+slechts éénmaal in het jaar en leggen zij niet meer dan 2 eieren;
+de Australische Graspapegaaien en de andere Waaierparkieten in 't
+algemeen vormen echter een uitzondering op dezen regel: zij leggen
+in den regel 3 of 4, enkele zelfs 6 à 10 eieren en broeden, zooals
+uit waarnemingen aan gevangenen gebleken is, twee- of driemaal per
+jaar. Ook de Kaketoes leggen soms, de Jako, de Edelparkieten en andere
+soorten in den regel meer dan 2 eieren, maar broeden waarschijnlijk
+slechts éénmaal per jaar. De eieren zijn altijd wit van kleur, glad
+van schaal en rondachtig.
+
+De Papegaaien nestelen bij voorkeur, doch niet uitsluitend in holle
+boomen. Eenige Amerikaansche soorten broeden in gaten van den grond of
+van rotsen; de Indische Halsbandparkiet maakt hiervoor, volgens Jerdon,
+dikwijls gebruik van holten in oude gebouwen enz.; de Monnikspapegaai
+bouwt van dikke takken groote, lompe nesten; de Grondparkieten leggen
+hunne eieren op den naakten bodem. Van alle kan men zeggen, dat zij
+in groote troepen en soms in ontzaglijke zwermen bij elkander nestelen.
+
+Niet altijd vinden de Papegaaien een boom, welks holte door den arbeid
+van een Specht of door een gunstig toeval reeds dadelijk geschikt is om
+hun nest te bevatten, vaak moeten zij zelf aan 't werk om een woning
+voor hun kroost te verkrijgen. Opnieuw blijkt dan de geschiktheid
+van hun snavel voor velerlei doeleinden. Met dit werktuig verwijdt de
+Papegaai, vooral het wijfje, een kleine opening in den stam, totdat
+zij een behoorlijken toegang verschaft naar het door vermolming week
+geworden hout. Bij dezen arbeid geeft de Vogel, die zich als een Specht
+aan de schors vasthoudt, bewijzen van groote behendigheid; meer knagend
+dan snijdend met den snavel, neemt hij den eenen spaan na den anderen
+van het hout af, tot het huis gereed is. Het duurt dikwijls weken,
+voordat de met groote volharding werkende Vogel dit doel bereikt
+heeft. Het hol is trouwens de hoofdzaak; van het nest wordt niet veel
+werk gemaakt. Zelfs een holte, die veel te wenschen overlaat, bevredigt
+de bescheidene eischen van den broedenden Papegaai b.v. in het geval,
+dat Pöppig op de volgende wijze beschrijft: "Tegen den witten stam van
+een irimi-palm ziet men een glanzigen staart van hemelsblauwe veeren;
+deze verraadt de aanwezigheid van den Gelen Arara, die daar bezig is,
+het door een Specht begonnen gat te verwijden tot een nestholte,
+die echter niet groot genoeg is om den pronkstaart van een halve
+meter lengte te bevatten; bij 't broeden hangt deze er buiten."
+
+In den regel broeden het mannetje en het wijfje om beurten. Bij de
+kleine soorten, zooals bij de Zangparkiet, bedraagt de broedtijd 16
+à 18 dagen; bij andere Papegaaien zag men de jongen eerst na 19, 23,
+25 dagen uit den dop komen; hoe lang de Araras broeden, is onbekend. De
+jongen, die aanvankelijk buitengewoon hulpbehoevend zijn, ontwikkelen
+zich merkwaardig snel. Aanvankelijk hebben zij zeer weinig dons op
+de huid; na 5 of 6 dagen breken de eerste vederstoppels door; op den
+8en of 10en levensdag gaan de oogen open. Zingparkieten heeft men op
+den 33en dag na het verlaten van de eischaal uit het nest zien komen;
+2 dagen later vlogen zij rond.
+
+De beide ouders voorzien hunne jongen met voedsel en voederen hen ook
+nog eenigen tijd na het uitvliegen. Het voedsel wordt, wanneer het
+uit zaden bestaat, in den bek van de jongen uitgebraakt, nadat het
+vooraf in den krop van de ouders geweekt is. Schomburgk zag een paar,
+dat in de nabijheid van zijn kamp in het woud nestelde, de jongen
+slechts twee maal per dag voederen, n.l. om 11 uur 's voormiddags en
+om 5 uur 's namiddags. "Indien zij bemerkten, dat op hen gelet werd,
+streken zij bij hun komst eerst neder op een tak in de nabijheid van
+het nestgat en bleven hier rustig zitten, totdat hun de gelegenheid
+gunstig scheen om onbemerkt naar binnen te sluipen." De ouders zijn
+vol van teedere zorg voor het welzijn hunner kinderen, die zij bij
+dreigend gevaar met zelfopofferenden moed verdedigen; zij doen dit
+zelfs in de kooi en tegen een verzorger, voor wien zij overigens zeer
+veel genegenheid gevoelen. Eenige soorten dragen met dezelfde liefde,
+die zij aan hunne eigene jongen wijden, ook zorg voor jongen, die
+geen ouders hebben: niet alleen voor hulpbehoevende wezens van hun
+eigen soort, maar ook voor vreemdelingen.
+
+Gemiddeld heeft, naar het schijnt, het vederenkleed van
+de Papegaaien reeds in het tweede levensjaar zijn volledige
+ontwikkeling en kleurenpracht bereikt; ook voor de voortplanting
+zijn zij dan geschikt. Ondanks hunne korte jeugd duurt hun leven vele
+jaren. Gevangene exemplaren hebben soms de familie, in welker kring
+zij hunne jonge jaren doorbrachten, tal van jaren overleefd; zij hebben
+volgens een Amerikaansche overlevering, een geheel volk zien uitsterven
+en te niet gaan. "Het is waarschijnlijk," bericht A. von Humboldt,
+"dat het uitsterven van de laatste familie der Atoeren eerst voor
+korten tijd heeft plaats gehad, want in Maipoeres leeft nog een oude
+Papegaai, wiens woorden men volgens de verzekering der inboorlingen
+niet verstaan kan, omdat hij de taal der Atoeren spreekt."
+
+Het is wel mogelijk, dat de meeste groote Papegaaien op hoogen leeftijd
+een natuurlijken dood sterven. Ook zij hebben vijanden, doch geen
+ergere dan de mensch. De meeste zullen door hun schranderheid wel
+in staat zijn om aan de vervolgingen der Roofdieren te ontkomen;
+andere zullen zich waarschijnlijk tegen de roovers, die hen op
+hunne moeielijk bereikbare rustplaatsen najagen, voldoende kunnen
+verdedigen. Vermoedelijk echter worden de kleine soorten dikwijls de
+prooi van Valken of van klimmende, van roof levende Zoogdieren. Tegen
+den mensch zijn trouwens zoomin de groote als de kleine Papegaaien
+bestand.
+
+De Papegaaien worden allerwege vervolgd door den mensch, die met een
+soort van hartstochtelijken ijver jacht op hen maakt. Dit geschiedt
+zoowel om van de gedoode of gevangen dieren partij te trekken, als
+wegens de schade, die hun roofzucht aanricht en die overal voelbaar
+is, waar de in kultuur gebrachte velden grenzen aan wouden, die door
+Papegaaien bewoond worden. "Men moet niet meenen," zegt Audubon,
+"dat alle misdrijven waaraan de Papegaaien zich jegens de planters
+schuldig maken, ongestraft blijven. Integendeel de diefachtige
+Vogels worden wegens hunne strooperijen op de eigendommen van de
+landbouwers door deze in grooten getale gedood. De op wraak zinnende
+boer, die met het geladen geweer in de hand komt aansluipen, doet 8
+of 10 van de plunderaars bij het eerste schot in 't zand bijten. De
+overlevende stijgen omhoog, schreeuwen luid, vliegen 4 of 5 minuten
+lang in kringen rond, keeren naar de lijken van hunne kameraads terug,
+omzwermen deze met luid jammergeschreeuw en vallen als slachtoffers
+van hun gehechtheid; dit gaat zoo voort, totdat er zoo weinige
+overblijven, dat de boer het niet meer de moeite waard acht, aan hen
+zijn kruid en lood te verspillen. Ik heb in den loop van weinige uren
+er verscheidene honderden op deze wijze verdelgd en korven gevuld met
+den buit. Die, welke aangeschoten zijn, weten trouwens hun leven goed
+te verdedigen en brengen met hun scherpen snavel gevaarlijke wonden
+toe." Het vleesch van de buitgemaakte Papegaaien wordt, hoewel het
+hard en taai is, toch graag gegeten of althans tot het bereiden van
+een krachtige soep gebruikt. Schomburgk roemt de papegaaiensoep,
+op grond van persoonlijke ervaring, als een uitmuntend gerecht.
+
+Nog vaker wordt op deze Vogels jacht gemaakt ter wille van hunne
+fraaie veeren, "Niets is natuurlijker," zegt de Prins Von Wied, "dan
+deze zeer eenvoudige en fraaie vorm van opschik, die al spoedig in het
+brein van den wilde zal zijn opgekomen. Zeer smaakvol zijn de grove,
+door volkomen onbeschaafde volken van veeren vervaardigde versierselen,
+die wij door de berichten van de reizigers in verschillende deelen van
+de wereld hebben leeren kennen. Vele Braziliaansche oervolken hebben
+zich in dit opzicht bijzonder onderscheiden."--De Papegaaien zijn
+de oorzaak geweest van een gebeurtenis van groote beteekenis voor de
+wereldgeschiedenis. Deze Vogels hebben, zij het dan ook onwillekeurig,
+een belangrijken invloed geoefend op een der omwentelingen, die het
+tijdvak der middeleeuwen begrenzen. Een vlucht Papegaaien hielp Amerika
+ontdekken. Pinzon, metgezel van den grooten Genuees en onderbevelhebber
+op zijn vloot, had sterk aangedrongen op een verandering in den tot
+dusver gevolgden koers der schepen. "Een ingeving," verzekerde hij,
+"zegt mij, dat wij anders moeten sturen."--"Deze ingeving en de
+hieruit voortvloeiende meening," leert ons Von Humboldt, "had Pinzon,
+gelijk een oude matroos aan de erfgenamen van Columbus verhaalde, te
+danken aan een vlucht Papegaaien, die hij 's avonds in zuid-westelijke
+richting had zien vliegen, om, zooals hij kon vermoeden, in een bosch
+op het land te gaan overnachten.--Nooit heeft het letten op de wijze
+van vliegen der Vogels gewichtiger gevolgen gehad. Er is reden voor de
+bewering, dat hierdoor een beslissing werd uitgelokt over de plaats,
+waar de eerste volkplantingen in het nieuwe vasteland gevestigd zouden
+worden, en hieruit is de wijze van verdeeling van de Nieuwe Wereld
+tusschen de Germaansche en de Romaansche volkeren voortgevloeid."
+
+Het voordeel, dat de Papegaaien ons verschaffen, is geheel
+van denzelfden aard, als dat, hetwelk wij van de Apen weten te
+verkrijgen. Niet slechts door het gebruik, dat van hun kleed gemaakt
+wordt, maar ook als gezellige huisgenooten zijn deze Vogels ons
+nuttig. Ondanks hunne hebbelijkheden hebben zij onze genegenheid
+gewonnen. Uit ingenomenheid met hunne fraaie veeren en met hun
+schrander brein dulden wij hun gekrijsch en vergeven wij hen het
+misbruik, dat zij maar al te dikwijls maken van hun snavel, dit
+uitmuntend vernielingswerktuig, waartegen, hoe ongeloofelijk zulks
+ook moge klinken, zelfs het ijzer niet bestand is.
+
+De temming van de Papegaaien herinnert in sommige opzichten aan de
+onderwerping onzer huisdieren. Zij heeft reeds in overouden tijd plaats
+gehad. Op de oud-Egyptische gedenkteekenen ontbreken de afbeeldingen
+van deze dieren nog volkomen; ook in den Bijbel wordt van hen geen
+melding gemaakt. Onesikristos, opperstuurman van het schip, waarop
+Alexander de Groote den Indus bevoer, leerde ze in Indië kennen als
+getemde huisgenooten van de inboorlingen en bracht eenige van deze
+Vogels levend naar Griekenland. Later werden zij veelvuldig naar
+Rome vervoerd. De Romeinen waren zoo verrukt over de schoonheid en
+schranderheid hunner nieuwe gunstelingen, dat strenge zedenmeesters
+het noodig achten deze liefhebberij in 't openbaar aan de kaak te
+stellen. "O ongelukkig Rome!" riep Marcus Portius Cato uit. "Welke
+tijden beleven wij nu? De vrouwen voederen Honden op hun schoot en
+de mannen dragen Papegaaien op de hand!"--Men plaatste de zeldzame
+Indische Vogels in kooien van zilver, schildpad en ivoor, liet ze
+door bepaaldelijk hiervoor aangestelde onderwijzers africhten, leerde
+hun o. a. het woord "Caesar" uitspreken en gebruikte eigenaardige
+werktuigen bij hun onderricht. De prijs van een Papegaai, die spreken
+had geleerd, was dikwijls hooger dan die van een slaaf. Ovidius keurde
+dit dier de eer van een poëtische lofrede waardig. Heliogabalus wist
+zijne gasten niets kostbaarders voor te zetten dan papegaaiekoppen. Nog
+onder Nero's regeering kende men waarschijnlijk geen andere dan
+Indische soorten; later zullen misschien ook wel Afrikaansche soorten
+ingevoerd zijn. In ons vaderland verschenen zij voor 't eerst ten
+tijde van de kruistochten in de huizen van rijke lieden; ook hier
+werden zij tot spreken afgericht.
+
+In Amerika vonden de eerste ontdekkers getemde Papegaaien in en vóór
+de hutten der inboorlingen. Schomburgk bericht, dat men ze ook thans
+nog vrij laat vliegen, zonder ze te kortwieken. "Ik zag verscheidene
+tamme Papegaaien," schrijft hij, "zich 's morgens voegen bij de
+vluchten der wilde, die over het dorp heenvlogen; 's avonds bij hun
+terugkomst gingen zij weer op de hut van hun meester zitten." Uit
+Schomburgk's mededeelingen blijkt dat de Papegaaien op soortgelijke
+wijze deel uitmaken van de nederzettingen der Indianen in het woud,
+als de Hoenderen van onze boerderijen. "Opmerkelijk is de genegenheid
+van de tamme Papegaaien voor kinderen. Zelden heb ik een troepje
+spelende Indiaansche kinderen gezien, die geen Apen en Papegaaien
+bij zich hadden. Deze leeren spoedig alle geluiden, die zij in hun
+omgeving hooren, nabootsen: het geblaf van de Honden, het schreien
+en het lachen der kinderen, enz."
+
+In vergelijking met hunne vrij rondvliegende verwanten bij de hutten
+der Indianen, hebben de voor Europa bestemde tamme Papegaaien zeer
+zeker een treurig lot. Het zwaarst is hun lijden, voordat zij hun
+bestemmingsplaats bereiken. Weinig meer dan de helft van alle
+Papegaaien, die aan boord van een schip gebracht worden, komen
+de langdurige zeereis te boven; van die, welke gelukkig in Europa
+aangekomen zijn, bezwijken nog vele in de donkere, vuile, verpeste
+magazijnen van sommige handelaars. Eerst wanneer de Vogel doelmatig
+verzorgd wordt, verbetert zijn toestand; dan is hij echter dikwijls
+menschenschuw, wantrouwig, opvliegend en kwaadaardig geworden,
+welke onaangename eigenschappen hij door vriendelijke behandeling
+mettertijd verliest.
+
+Hij is echter schrander en leert spoedig zich te schikken in de
+veranderde omstandigheden. In de eerste plaats geraakt hij gewoon aan
+allerlei kost. In plaats van de sappige vruchten en zaden van zijne
+vaderlandsche wouden, worden hem vreemde spijzen door den mensch
+aangeboden. Deze behagen hem des te beter, naarmate hij er meer van
+leert kennen. Aanvankelijk is hij tevreden met hennep- of kanariezaad,
+weldra echter verlangt hij meer. Door hem zoetigheden te geven, maakt
+men hem tot een verwenden lekkerbek, die geen eenvoudig voedsel meer
+lust. Men kan hem gewennen aan bijna alle stoffen, die de mensch
+gebruikt, ook aan koffie, thee, wijn, bier en dergelijke, hij gaat
+zich zelfs aan sterken drank te buiten. Alleen op de kleinste soorten
+van de orde is deze beschrijving niet toepasselijk; zij willen geen
+ander voedsel hebben dan kruiden en zaden. Naar men beweert, zou het
+voederen met dierlijk voedsel de oorzaak zijn van een onhebbelijkheid,
+die bij vele gevangen Papegaaien voorkomt; deze dieren trekken zich
+namelijk de veeren uit en plukken zich soms volkomen kaal. Zij gaan
+de ontwikkeling van de nieuwe veeren met belangstelling na en laten
+zich, hoewel zij voor straf hoogst gevoelig zijn, hierdoor van hun
+voornemen om ze uit te plukken niet afhouden. Sommige waarnemers
+meenen, dat de aanleiding tot de genoemde slechte gewoonte te zoeken
+is in de prikkeling van de huid door ongedierte. Anderen schrijven het
+veerenplukken eenvoudig toe aan de verveling, waardoor de Papegaaien,
+die in de vrije natuur zoo bedrijvig waren, in de gevangenschap gekweld
+worden. Men beweert, dat de Vogels zich niet meer zullen schuldig maken
+aan deze zelfverminking, wanneer zij voortdurend over een voldoende
+hoeveelheid zacht hout kunnen beschikken en in het stukmaken hiervan
+tijdverdrijf vinden.--Van groot belang is de keuze van een voor hen
+geschikt voedsel. De ervaring heeft geleerd, dat de meeste groote
+Papegaaiensoorten behoorlijk gevoed kunnen worden met hennep, hard
+gekookte rijst, haver, maïs, salade, kool en vruchten, de kleinere
+met gierst, kanariezaad, salade en plantenbladen. Bittere amandels
+en peterselie zijn vergiftig voor hen.
+
+Evenals onder alle hoog ontwikkelde dieren zijn er ook onder de
+vertegenwoordigers van dezelfde soort van Papegaaien meer of minder
+leerzame of, wat op hetzelfde neerkomt, meer of minder begaafde
+individuen. De eene leert snel en veel, de andere langzaam en weinig,
+de derde in 't geheel niets. Een methodisch, onderricht vermag echter
+ook bij hen veel, zeer veel. Hun voortreffelijk geheugen komt hun
+hierbij uitmuntend te pas. De indrukken, die zij ontvangen hebben,
+bewaren zij jaren lang. Voor het leeren spreken is het bezit van een
+goed herinneringsvermogen even belangrijk als de beweeglijkheid van
+de tong, die hun tot het nabootsen van het stemgeluid van den mensch
+in staat stelt. Zij nemen een begrip in zich op en leeren het woord,
+waardoor het wordt voorgesteld; langzamerhand maken zij zich meer
+begrippen en meer woorden eigen; hun bevattingsvermogen neemt toe,
+naarmate het geoefend wordt. Volstrekt noodig is het, dat de Vogel,
+zoolang het onderricht duurt, streng opgesloten wordt gehouden; meer
+vrijheid mag men hem eerst gunnen, wanneer zijn opvoeding nagenoeg
+voltooid is.
+
+Daarentegen is het volstrekt noodig de vrijheid van de Papegaaien zoo
+weinig mogelijk te beperken, wanneer zij den vurigsten wensch van den
+waren liefhebber bevredigen zullen door in de kooi te broeden. Dat
+dit in de gevangenschap zelden gebeurt, is ongetwijfeld hieraan te
+wijten, dat aan den genoemden eisch niet behoorlijk voldaan wordt. Het
+is voldoende gebleken, dat het niet moeielijk is, de voorwaarden te
+verwezenlijken, waaronder de tamme Papegaaien zich voortplanten. In
+de allereerste plaats moet men het paartje hiervoor ruimte, rust en
+een geschikten boom voor broedplaats verschaffen.
+
+
+
+Marshall verdeelt de familie van de Papegaaien in 10 onderfamiliën,
+waarvan de eerste de Stompstaartpapegaaien (Pionidae) bevat; deze
+kenmerken zich door den korten of middelmatig langen, breeden en recht
+afgesneden staart. Voor 't meerendeel (8 geslachten met 70 soorten)
+bewonen zij de keerkringsgewesten van Amerika; slechts één geslacht
+(Poeocephalus, met 10 soorten) behoort in Afrika thuis.
+
+
+
+Misschien niet de fraaist gekleurde, maar toch een der opmerkelijkste
+leden van deze rijke onderfamilie is de Waaierpapegaai (Deroplyus
+accipitrinus), de eenige vertegenwoordiger van zijn geslacht. De
+veeren van den achterhals en van de zijden van den hals, van de
+geheele bovenzijde en van de schenkels zijn schitterend donkergroen,
+die van den voorkop en van den bovenkop licht bruinachtig geel. De
+achterkop en de nek zijn bezet met breede, zeer verlengde veeren, die
+opgezet kunnen worden en dan achter den kop als een waaiervormige,
+tot aan de keel zich uitstrekkende kraag prijken; zij zijn donker
+karmijnrood met viooltjeskleurige tint, iedere veer aan den wortel
+vaalbruin en aan den top met breeden, blauwen zoom. Dezelfde kleur en
+teekening hebben alle veeren van de onderzijde met uitzondering van
+die, welke de zijden van de borst bedekken, daar deze groen gezoomd
+zijn. De handpennen en hare dekveeren zijn zwart, de armpennen,
+met uitzondering van de drie laatste, die geheel groen zijn, aan de
+wortelhelft zwart; de staartpennen zijn groen, met uitzondering van
+de buitenste, die een zwarte binnenvlag en een donker zwartblauwe
+buitenvlag hebben. Totale lengte 27, staartlengte 14 cM.
+
+Het verbreidingsgebied van deze soort, voor zoover thans bekend,
+omvat de wouden bij den Amazonenstroom, Suriname en andere deelen
+van Guyana; overal is zij, naar het schijnt, minder veelvuldig dan
+andere vormen van dezelfde orde.
+
+
+
+De Amazonen, Amazoonpapegaaien of Groene Papegaaien (Androglossus)
+zijn groote of middelmatig groote Vogels van gedrongen lichaamsbouw met
+zeer krachtigen, matig gewelfden snavel, welks rug niet, zooals bij
+het vorige geslacht, over zijn geheele lengte, maar alleen aan zijn
+achterste gedeelte een door scherpe kanten begrensde, overlangsche
+groeve vertoont, met middelmatig lange vleugels, welker spits weinig
+of niet achter den staartwortel uitsteekt en met middelmatig langen,
+aan de spits afgeronden staart; de kleine veeren zijn stijf en breed
+en eindigen stomp. Evenals bij het vorige geslacht is ook hier de
+washuid onbevederd; het oog is met een naakten kring omgeven. De
+hoofdkleur van het vederenkleed is groen met rood, blauw en geel
+afgezet; de groene kleur strekt zich ook uit over de onderdekveeren
+van den staart, die bij de leden van het vorige geslacht rood zijn.
+
+Als brandpunt van het verbreidingsgebied van de Amazonen, dat zich
+van de La-Platastaten tot aan het zuiden van Mexico uitstrekt, moet
+men de oeverlanden van den Amazonenstroom beschouwen; eenige soorten
+bewonen de West-Indische eilanden en komen, gedeeltelijk althans,
+niet anders dan op één enkel, soms betrekkelijk klein eiland voor.
+
+De middelmatig groote soorten, die gewoonlijk onder den naam van
+Amazonen (veelal over Suriname) levend tot ons komen (Androglossa
+amazonica en aestiva) vertoonen slechts geringe kleursverschillen
+(o. a. van de vleugelbocht: bij gene groen, bij deze rood). Totale
+lengte 35, vleugel 19, staart 10 cM. Bij de eerstgenoemde loopt
+over het voorhoofd een breede, paarsblauwe streep; de bovenkop en de
+wangen zijn hooggeel, de handwortel geel, de eerste handpen zwart,
+de overige handpennen aan den wortel van de buitenvlag dofgroen,
+verderop indigoblauw, de 2e en 3e en 4e armpen aan den wortel groen,
+in 't midden vermiljoenrood, aan de spits indigoblauw, de overige
+armpennen (met uitzondering van de beide laatste, die geheel groen
+zijn) op de buitenvlag groen, op de binnenvlag zwart en aan de spits
+blauw; de vier buitenste staartveeren van iedere zijde op de binnenvlag
+licht vermiljoenrood, aan de spits groenachtig geel; de vijfde stuurpen
+heeft een roode vlek op de groene binnenvlag. Van onderen gezien is
+de staart dof vermiljoenrood met een groenen dwarsband in 't midden en
+een breeden, geelgroenen zoom aan de spits. De iris is vermiljoenrood,
+de snavel geel, aan de spits donkerbruin, de poot bruinachtig.
+
+Deze soort is van 't midden van Brazilië noordwaarts over Guyana tot
+Trinidad en westwaarts tot Bogota, Ecuador en Venezuela verbreid.
+
+"In alle gewesten van de oostkust van Brazilië, die ik doorreisde,"
+zegt de Prins Von Wied, "is deze Papegaai een der meest
+algemeene. Overal waar dichte oerwouden aan mangrove-moerassen en
+riviermonden grenzen, vond ik hem in menigte, want hij broedt zoowel
+hier als daar en houdt, naar het schijnt, veel van de vruchten
+der mangrove. Reeds in de met groote wouden bedekte omstreken van
+Rio de Janeiro treft men deze Papegaaien in grooten getale aan; wij
+hebben ze echter ook aan de noordelijke rivieren gevonden en, vooral
+'s morgens en 's avonds, hun luide stem gehoord in de moerassige
+kreupelhoutbosschen van de riviermonden, die dikwijls door den vloed
+onder water gezet worden. Ik heb in de wouden troepen van Kortstaartige
+Papegaaien bijeen gezien, die ik bijna ontelbaar zou mogen noemen;
+het geheele woud wemelde er van en was vervuld van hun buitengewoon
+geschreeuw. Zulke vereenigingen van Papegaaien zijn wel talrijk,
+maar toch nog niet te vergelijken met de ontzaglijke zwermen van
+Trekduiven in Noord-Amerika. Als Amazonen in het oerwoud op een hoogen,
+dicht bebladerden boom zitten, kost het dikwijls moeite ze te zien. De
+groene kleur beschut haar tegen ontdekking; men wordt haar aanwezigheid
+echter gewaar door het naar beneden vallen van de vruchtschillen en
+pitten. Zoolang zij eten, houden zij zich stil, zoodra zij opgejaagd
+worden, verneemt men dadelijk haar luide stem. Zij worden in menigte
+geschoten, omdat zij een krachtig maal verschaffen; een papegaaiensoep
+is niet slechts in Brazilië, maar ook in Suriname een gewild gerecht."
+
+Alle Amazonen, van welker levenswijze berichten tot ons zijn gekomen,
+leggen in de lente 3 of 4 witte eieren in holle boomen op de afgebeten
+spanen van de wanden der holte. De uit het nest genomen jongen worden
+buitengewoon tam en leeren duidelijk spreken. In de woningen der
+Brazilianen ontmoet men ze zeer dikwijls; in menigte worden zij naar
+de kuststeden gebracht; de zeelieden koopen ze om ze mede te nemen
+naar Europa, waar zij tot de meest gewone Papegaaien behooren. Zij
+worden te recht geroemd als leerzaam, tamelijk zachtzinnig en
+lieftallig. Bij goede verzorging kunnen zij 20 à 30 jaren lang in 't
+leven blijven. Voor ongedresseerde, pas aangevoerde exemplaren wordt
+12 à 18 gulden, voor goed afgerichte, sprekende individuën 45 à 180
+gulden en nog veel meer betaald. Het duurst en het meest begaafd is
+de Dubbele Geelkop van de vogelhandelaars (Androglossa Levaillantii),
+eveneens hoog geschat de Kleine Geelkop of Zonnepapegaai (Androglossa
+ochroptera.)
+
+
+
+De Langstaartpapegaaien (Conurinae) danken hun naam aan het bezit van
+een langen of zeer langen, trapvormigen of wigvormigen staart. Bij
+sommige (de Amerikaansche Parkieten) is alleen een kring om de
+oogen, bij de overige (de Araras) bovendien ook een deel van de wang
+onbevederd. Deze onderfamilie omvat 7 geslachten met ruim 90 soorten,
+die over geheel Amerika, van Carolina tot Vuurland, verspreid zijn.
+
+
+
+Het geslacht der Diksnavelparkieten (Bolborhynchus) omvat een
+zevental soorten, welker grootte afwisselt tusschen die van een
+Spreeuw en die van een Lijster; zij bewonen de westelijke, zuidelijke
+en middelste landen van Zuid-Amerika. Een daarvan is de wegens zijn
+eigenaardigen nestbouw merkwaardige Monniksparkiet, Kwakerparkiet
+of Braziliaansche Muisparkiet (Bolborhynchus monachus). Deze bij de
+liefhebbers van uitheemsche kooivogels algemeen bekende soort is voor
+buitenvolières zeer geschikt wegens zijn gehardheid tegen koude en
+plant zich in de gevangenschap gemakkelijk voort. Binnenshuis kan
+men hem niet houden wegens zijn hevig gekrijsch. Totale lengte 27,
+staartlengte 12 cM. Het vederenkleed is grasgroen, in de mantelstreek
+bleek olijfbruinachtig grijs uitvloeiend; het voorhoofd, het voorste
+deel van den bovenkop, de teugel, de wang, de hals en de borst zijn
+lichtgrijs, de kop bruinachtig met dwarse golflijnen, de onderborst en
+de buik effen lichtgrijs, de onderbuik, de schenkels, de aarsstreek
+en de onderdekveeren van den staart geelachtig groen, de vleugels
+van boven indigoblauw in verschillende tinten, van onderen donker
+marineblauw, de staart van onderen groenachtig marineblauw.
+
+Uit de niet zeer talrijke berichten der reizigers blijkt, dat de
+Monniksparkiet in Paraguay zoowel als in de Banda-Oriental tot de meest
+gewone Vogels behoort, buiten den broedtijd in vluchten van 50 à 200
+stuks door het land zwerft, veel schade aanricht in de korenvelden,
+vooral in de maïs-akkers, en daarom onmeedoogend vervolgd wordt.
+
+Hij is de eenige bekende Papegaai, die groote, vrijstaande nesten
+op boomen bouwt. De eerste mededeeling hierover komt van Azara; deze
+maakt melding van zeer groote nesten, die dikwijls een middellijn van
+meer dan 1 M. hebben, van boven dicht en van binnen met gras gevoerd
+zijn; ieder nest wordt door een aantal wijfjes gemeenschappelijk
+gebruikt. Dikwijls draagt één boom verscheidene nesten.
+
+Door Darwin, Castelnau, Burmeister en andere onderzoekers worden de
+mededeelingen van Azara bevestigd. Soms vormen de bouwstoffen van één
+nest een flinke wagenvracht, daar het meer dan 200 KG. weegt. Eerst
+begint een enkel paartje te bouwen; het gebruikt hiervoor de zeer
+doornachtige takken van den tala-boom; de ingang wordt van onderen
+of aan de zijde aangebracht; in 't laatstgenoemd geval wordt echter
+boven de opening, uit voorzorg tegen de Opossums, een afzonderlijk dak
+geplaatst. Van binnen bevat dit nest twee vertrekken, een voorportaal
+en de eigenlijke broedruimte. Het wordt later door andere paartjes,
+misschien kinderen en kleinkinderen van het eerste, vergroot, doch
+altijd zóó, dat ieder zijne eigen appartementen heeft, welke tegen die
+van het andere aangebouwd zijn, maar er niet mede samenhangen. Meer
+dan 12 paartjes treft men nooit in één nest aan. Soms betrekt een
+kleine soort van Eend een van de toevallig leegstaande woningen. Het
+nest wordt gedurende het geheele jaar als schuilplaats gebruikt en
+zoo noodig hersteld; nieuwe woningen worden er echter alleen in den
+voortplantingstijd aan toegevoegd.
+
+In den laatsten tijd is men herhaaldelijk in de gelegenheid geweest in
+Europa dezen eigenaardigen nestbouw waar te nemen. Het eerst geschiedde
+dit door Schmidt, toen hij proeven nam over het overwinteren van de
+Papegaaien in de open lucht, welker uitkomst buitengewoon gunstig was
+voor de Monniksparkieten. Deze begonnen in April van de struiken, die
+in de volière groeiden, twijgen af te plukken. Hiermede bekleedden zij
+het hok, waarin zij zouden nestelen, van binnen geheel. De bouwstoffen
+werden met onvermoeiden ijver aangebracht door het mannetje; terwijl
+het wijfje intusschen voor de reeds aanwezige rijsjes de meest
+passende plaats opzocht, ze in den nestwand vlocht of ze wegwierp,
+indien zij niet bruikbaar bleken te zijn.
+
+
+
+De Langsnavelige Parkiet, de Choroy der Chilenen (Henicognathus
+leptorhynchus), wordt te recht als vertegenwoordiger van een
+afzonderlijk geslacht beschouwd, hoewel hij door den bouw van
+de vleugels en van den staart bijna volkomen overeenstemt met de
+Wigstaartparkieten. Zijn snavel is namelijk geheel anders dan die
+van de overige Papegaaien, middelmatig dik, slank en veel langer dan
+hoog, de bovensnavel wel tweemaal zoo lang als de ondersnavel en
+zeer weinig gebogen, zijn lange, smaller uitloopende spits steekt
+bijna horizontaal vooruit. De heerschende kleur van de bovendeelen
+is donker olijfkleurig grasgroen, die van de onderdeelen olijfkleurig
+groen; de rand van het voorhoofd, de veeren van de washuid, de teugel
+en een smalle rand om het oog zijn dof koperkleurig purperrood, de
+handpennen en hare dekveeren op de buitenvlag blauwachtig grijs met
+zwarten rand, de stuurpennen van boven en van onderen dof koperkleurig
+purperrood. De oogen hebben een goudgele iris, de snavel en de pooten
+zijn blauwachtig grijs. Totale lengte 38, staartlengte 17 cM.
+
+Deze soort is over geheel Chili tot aan de straat van Magelhaen
+verbreid en komt ook op Chiloë voor. Hare vertegenwoordigers
+vereenigen zich dikwijls tot zwermen van honderden en duizenden,
+die door hun oorverdoovend geschreeuw lastig kunnen zijn. Daar zij
+meer op den grond dan in de boomen leven, bedekken zij soms de Pampas
+(maar ongelukkig ook de akkers) over een groote uitgestrektheid. Zij
+zijn de gevaarlijkste vijanden van de tarwe- en maïsteelt; de
+bijna rechte snavel is even goed geschikt voor het uit den grond
+trekken van kiemende tarwe- of maïskorrels als van de graswortels,
+die oorspronkelijk het voedsel van deze Vogels uitmaakten. Tot
+groot verdriet voor den landman doen zij ook plundertochten in de
+boomgaarden; zij vernielen hier de appels, uitsluitend met het doel
+om de pitten op te eten. Het is dus niet te verwonderen, dat de
+Chileensche boeren hen haten en zoo ijverig mogelijk vervolgen.
+
+
+
+De Wigstaartparkieten (Conurus) hebben een sterk gekromden, zijdelings
+samengedrukten snavel, wiens lengte de hoogte ongeveer evenaart,
+krachtige pooten met korten loop en middelmatig lange teenen, lange,
+spitse vleugels, een langen, wigvormigen staart, welks pennen van den
+wortel naar de spits allengs dunner worden en van de buitenste tot de
+middelste gelijkmatig in lengte toenemen, zoodat gene slechts half
+zoo lang zijn als deze; het kleed is uit stijve veeren samengesteld
+en vertoont op grootendeels groene grond velerlei in kleur en vorm
+uiteenloopende teekeningen en gekleurde velden. De meeste soorten van
+dit geslacht bewonen het binnenland van Zuid-Amerika, meer bepaaldelijk
+de vochtige vlakten langs de oevers van den Amazonenstroom en zijne
+bijrivieren. Zij dragen veel bij tot het verlevendigen van de wouden;
+in sommige hoort men geen andere stemmen dan de hunne. Evenals alle
+overige Papegaaien richten zij schade aan op de plantages, die dicht
+bij de wouden gelegen zijn, op de maïsakkers echter minder dan op de
+rijstvelden. Na den broedtijd verschijnen zij vaker dan gewoonlijk
+in de boschranden; zij hebben dan hunne jongen bij zich, die, hoewel
+zij reeds geheel volwassen zijn, door hunne ouders nog uit den krop
+gevoerd worden.
+
+Het nest wordt in holten van oude boomen gebouwd en bevat 2 of 3
+witte eieren. De jongen hebben weinig te lijden van den mensch, daar
+de Wigstaartparkieten volgens een in Brazilië algemeen heerschende
+meening niet geschikt zijn voor africhting, nooit leeren spreken en
+de gevangenschap niet licht verdragen. Slechts over weinige soorten
+wordt een gunstiger oordeel geveld; deze worden, hoofdzakelijk wegens
+hun zachtaardigheid, dikwijls getemd.
+
+
+
+Tot de Wigstaartparkieten behoort de eenige Papegaai, die in
+Noord-Amerika voorkomt en om deze reden, naar een deel van zijn
+vaderland, Carolina-parkiet (Conurus carolinensis) wordt genoemd. Hij
+is 32 cM. lang met den 15 cM. langen staart. Zijn hoofdkleur is
+fraai donker grasgroen, als naar gewoonte op den rug donkerder,
+aan de buikzijde meer geelachtig. Het voorhoofd en de wangen zijn
+roodachtig oranje, ook de achterkop, de schouders en de slagpennen;
+de nek is zuiver goudgeel.
+
+De Carolina-parkiet kwam voorheen in Noord-Amerika tot aan het
+Michigan-meer, op 42° N.B., voor en was, naar het scheen, goed bestand
+tegen het dikwijls zeer ruwe klimaat van deze streken. Wilson zag
+tot zijn groote verwondering in het begin van deze eeuw gedurende een
+sneeuwstorm, in Februari, een vlucht van deze Vogels luid schreeuwend
+langs den oever van den Ohio vliegen. Nu en dan ontmoette men ze
+in nog noordelijker gewesten, in Januari zag men een grooten zwerm
+van deze Vogels 25 Engelsche mijlen ten noordwesten van Albany
+(New-York), dus op 43° N.B. De omstandigheden zijn echter sinds
+dien tijd zeer veranderd. "Ook nu nog is hij (of was hij althans in
+1874)," schrijft Marshall, "veelvuldig in Florida, tamelijk verbreid
+in West-Louisiana, Arkansas en het Indianen-gebied; in Zuid-Carolina
+ontmoet men hem echter bijna niet meer. Aan de landstreken ten
+westen van het Alleghany-gebergte geeft hij de voorkeur boven die,
+welke ten oosten van dezen bergketen op gelijke breedte gelegen
+zijn; waarschijnlijk te recht wordt dit toegeschreven aan zijn
+bijzondere voorliefde voor de alluviale gronden langs de kleine
+rivieren en regenstroomen, voor moerassen en dichte wouden en voor
+de hier veelvuldige zoute gronden. De vermindering van het aantal
+Carolina-parkieten is steeds verder voortgeschreden. "Honderden van
+deze prachtige Vogels," klaagt Allen, "worden iederen winter aan
+den bovenloop van de St. Johnsrivier door vogelvangers van beroep
+gevangen en naar de steden van het noorden gezonden, duizenden worden
+volkomen noodeloos door jagers gedood." Bovendien halen zij zich
+door hunne plundertochten op de akkers, waar zij nog meer vernielen
+dan zij opeten, de vervolging van de boeren op den hals. Het is
+dus niet te verwonderen, dat de Carolina-parkiet uit een groot deel
+van de Vereenigde Staten verdwenen is. Het liefst vestigt hij zich
+in gewesten, welker vruchtbare bodem begroeid is met een onkruid,
+"rimpelklis" genaamd, welks zaden hij weet te bemachtigen, ondanks
+de lange stekels, waarmede de vruchten gewapend zijn.
+
+Over het leven van dit dier in de gevangenschap verhaalt Wilson het
+volgende: "Daar ik begeerde te weten, of deze Papegaai zich gemakkelijk
+liet temmen, besloot ik met een exemplaar, dat licht aan den vleugel
+gewond was, de proef te nemen. Ik maakte een soort van kooi voor hem
+gereed achter in mijn boot en wierp hem hier kliszaad toe, dat hij
+onmiddellijk na zijn komst aan boord aannam. Toen ik de rivier verliet
+en over land verder reisde, droeg ik hem in een zijden zakdoek mede,
+in weerwil van den last, dien dit mij natuurlijk gaf. Zeer dikwijls
+ontvluchtte de Papegaai uit mijn zak; ik moest dan van het paard
+stappen en hem in het kreupelhout of in het moeras gaan zoeken. Toen
+ik op de jachtgronden van de Indianen kwam, werd ik geregeld door
+deze lieden, mannen, vrouwen en kinderen, omringd, die onder luid
+gelach en blijkbaar met verwondering mijn reisgezel bekeken. De
+Chickasaws noemden hem in hun taal "Kelinky," maar verwisselden
+dezen naam onmiddellijk met dien van "Polly," toen zij hoorden, dat
+ik den Vogel zoo noemde. Polly was later telkens het middel tot het
+aanknoopen van vriendschapsbetrekkingen met dit volk. Toen ik bij mijn
+vriend Dunbar was aangekomen, plaatste ik mijn gevangene in een kooi
+onder de verandah. Hier riep zij weldra de voorbijvliegende vluchten
+van soortgenooten aan; iederen dag zagen wij deze bij ons huis in
+talrijke zwermen, die zich druk met Polly onderhielden. Een van hen,
+die eveneens vleugellam was, deed ik in Polly's kooi, hetgeen haar
+groote vreugde schonk. Zij kwam oogenblikkelijk op hem af, fluisterde
+hem haar deelneming in zijn ongeluk toe, streelde met den snavel zijn
+kop en nek en geraakte innig aan hem gehecht. Toen de nieuweling
+stierf, was Polly vele dagen lang onrustig en ontroostbaar. Ik
+zette een spiegel naast de plaats, waar zij gewoonlijk zat; door het
+zien van haar beeld scheen haar vroegere gelukkige gemoedsstemming
+terug te keeren; zij was althans een tijdlang buiten zichzelf van
+vreugde. Treffend was het, te zien, hoe zij, als de avond naderde, haar
+kop dicht bij het beeld in den spiegel hield en dan haar blijdschap
+door gefluisterde klanken te kennen gaf. Na verloop van korten tijd
+kende zij den naam, dien ik haar gegeven had en antwoordde, als zij
+geroepen werd. Ook klauterde zij bij mij op, ging op mijn schouder
+zitten en nam haar voedsel uit mijn mond. Zonder twijfel zou ik haar
+geheel getemd hebben, als zij niet door een noodlottig toeval om 't
+leven was gekomen. De arme Polly verliet op een morgen, toen ik nog
+sliep, haar kooi, vloog over boord en verdronk in de golf van Mexico."
+
+Tegenwoordig ziet men dezen Papegaai dikwijls op de vogelmarkt;
+hij wordt zeer tam; men kan hem er aan gewennen in de kooi terug te
+komen, nadat men hem er uitgelaten heeft. Wat verstandelijke vermogens
+betreft, staat hij, volgens Rey, boven alle langstaartige Papegaaien,
+die deze onderzoeker in de gevangenschap heeft waargenomen en zelfs
+boven vele van de zoo hoog begaafde Kortstaarten. Nooit wordt hij
+echter gemeenzaam zooals andere soorten, b.v. Loris en Kaketoes. Steeds
+blijft hij wantrouwig of althans zeer voorzichtig.
+
+
+
+De Araras (Sittace) zijn de grootste leden van hun onderfamilie, daar
+hun grootte afwisselt tusschen die van een Raaf en die van een Kauw;
+zij zijn kenbaar aan hun zeer krachtigen en buitengewoon grooten,
+zijdelings samengedrukten snavel, welks rug sterk gekromd en in een
+ver overhangende spits uitgetrokken is, voorts aan de naakte plek
+op den voorkop, die den teugel, den kring om het oog en het voorste
+deel van de wang omvat en zelden beperkt blijft tot een gerimpelde
+huid om den ondersnavel, eindelijk ook aan den zeer langen staart.
+
+De Araras, die men ten onrechte ook wel "Aras" noemt, zijn van
+het noorden van Mexico tot aan het zuiden van Brazilië en Paraguay
+verbreid, maar worden in Chili niet aangetroffen. Sommige soorten komen
+in de Andes tot op een hoogte van 3500 M. voor. De Araras verschillen
+van de overige Papegaaien, die zij in begaafdheid evenaren, door hun
+betrekkelijk rustigen aard en door een zekeren ernst. De velerlei
+boomvruchten van de door hen bewoonde wouden maken hun voornaamste
+voedsel uit. Ook zij plunderen echter de akkers en richten natuurlijk
+overal, waar zij veelvuldig voorkomen, groote schade aan. Als het
+lente is in hun vaderland, leggen zij, bij voorkeur in het nest van
+het vorige jaar, 2 eieren, die, naar het schijnt, uitsluitend door het
+wijfje bebroed worden; beide ouders zijn echter zoowel aan de jongen
+als aan elkander trouw en innig gehecht. De jongen worden reeds sinds
+onheugelijken tijd door de Indianen uit het nest genomen en getemd, de
+ouden, evenals voorheen, ter wille van hunne prachtige veeren vervolgd.
+
+
+
+Ver verbreid is de Arakanga, Groote Geelvleugel of Macao (Sittace
+coccinea), een zeer indrukwekkende Vogel van 86 cM. lengte, waarvan
+32 cM. op den staart komen. De kleine veeren zijn karmijnrood, de
+achterrug en de staartwortel met de boven- en onderdekveeren van den
+staart fraai hemelsblauw, de hand- en armpennen met hare dekveeren en
+de duimvleugel donkerblauw, de grootste bovenvleugel-dekveeren en de
+lange schouderveeren oranjegeel met een groene eindvlek, de stuurpennen
+karmijnrood met hemelsblauwe spits, behalve de beide buitenste paren,
+die een donkerblauwe kleur hebben; de onderdekveeren van den vleugel
+zijn, evenals de onderzijde van de slagpennen en stuurpennen, glanzig
+karmijnrood. Het oog is geelachtig wit, de naakte wang bruinachtig
+vleeschkleurig, de bovensnavel geelachtig wit, aan den onderrand van
+den wortel met een zwarte vlek geteekend, de ondersnavel zwart, de voet
+grijsachtig zwart. De Arakanga bewoont het noordelijkste deel van het
+Zuid-Amerikaansche Rijk, van Bolivia en Noord-Brazilië tot Guatemala en
+Honduras; hij komt echter ook in Peru en waarschijnlijk in Mexico voor.
+
+
+
+Bij den Ararauna of Blauwgelen Arara (Sittace coerulea) zijn alle
+bovendeelen en de dekveeren van den staart hemelsblauw, de zijden van
+den hals en alle onderdeelen donker oranje; een zwarte randstreep
+begrenst de wang en de kin. Het oog is groenachtig parelgrijs, het
+naakte deel van de zijden van den kop bruinachtig vleeschkleurig, de
+snavel zwart, de voet bruinachtig zwart. Totale lengte 97, staartlengte
+52 cM. Zijn verbreidingsgebied stemt met dat van den Arakanga overeen.
+
+
+
+De Araras zijn karakteristieke bewoners van het oerwoud. Vlakke,
+met rivieren doorsneden wouden zijn hun meest geliefde
+verblijfplaats. Vroeger leefden zij ook in de onmiddellijke nabijheid
+van de groote steden; reeds sinds lang hebben zij zich echter voor
+de opdringende bevolking moeten terugtrekken; meer of minder snel
+verdwijnen zij overal, waar de planters het oerwoud ontginnen. Enkele
+soorten blijven niet tot het woud beperkt, maar komen ook voor
+in drogere, hoogere, door de zon verschroeide gewesten en in de
+woeste, rotsachtige gebergten van de provincie Bahia. "Terwijl men de
+rivieren der kustwouden bevaart," zegt de Prins Von Wied, "ziet men
+deze prachtige Vogels, die onmiddellijk kenbaar zijn aan hun stem,
+hun grootte en hun langen staart, zich met de groote, lange vleugels
+langzaam door de hooge, donkerblauwe lucht voortroeien. Hun levenswijze
+verschilt over 't algemeen niet van die der andere Papegaaien. Des
+middags, op het heetst van den dag, zitten zij met ingetrokken hals
+en recht naar beneden hangenden staart te rusten op de onderste,
+dikke takken van een schaduwrijken boom. Reeds na een paar uren rust
+begeven zij zich weer aan den arbeid. Buiten den paartijd trekken
+zij in troepen rond en zoeken velerlei vruchten (van verscheidene
+soorten van palmen, van den sapoecaja en van andere boomen) op welker
+steenharde bolsters zij gewoonlijk de kracht van hun kolossalen
+snavel beproeven. Hoe luid zij in den regel hun stem laten hooren,
+toch houden zij zich, evenals alle Papegaaien, stil, zoodra zij een
+boom ontdekt hebben, die de door hen gewenschte vruchten draagt,
+en hierop neergestreken zijn. Hier blijkt hun aanwezigheid vooral
+uit het vallen van de stukgebeten vruchtschalen."
+
+Wanneer de Araras op een boom zitten te eten, zwijgt gewoonlijk
+het geheele gezelschap; hoogstens verneemt men dan van hen zachte
+geluiden, die wel eenige overeenkomst hebben met een gesprek tusschen
+menschen. Steeds hoort men hun krijschende stem, als zij verontrust
+worden of vliegen; het luidst schreeuwen zij, als de jager zacht
+naar hen toe geslopen is en door een schot de onbezorgd etende bende
+verschrikt heeft. Dan schreeuwen zij soms zóó, dat iemand hooren en
+zien vergaan. Op hen hebben de woorden van Alexander von Humboldt
+betrekking, waar hij zegt, dat hun geschreeuw het bruischen van den
+waterval overstemt. Hun luide stem bestaat uit een zeer schril, uit
+één lettergreep samengesteld geluid, dat eenige overeenkomst heeft
+met de stem van onze Kraai.
+
+Evenals alle Papegaaien zijn ook de Araras zeer trouwe
+echtgenooten. Zij kiezen voor het bouwen van hun nest in het woud
+altijd een hoogen boom van kolossalen omvang, waaraan zich een holle
+tak of een door rotting gevormde opening bevindt, die zij dan met
+hun krachtigen snavel tot de gewenschte wijdte vergrooten. In de
+holte legt het wijfje, evenals de meeste soorten van Papegaaien,
+2 witte eieren. De staart, die ver buiten de opening uitsteekt,
+verraadt de aanwezigheid van het broedende wijfje.
+
+Gevangen Araras schijnen van oudsher lievelingen van de Indianen
+te zijn geweest. "Met levendige belangstelling," zegt Von Humboldt,
+"zagen wij bij de hutten van de Indianen tamme Araras op de akkers
+rondvliegen, als bij ons de Duiven. Deze Vogels zijn een waar sieraad
+van het erf der Indianenhut; zij doen in pracht niet onder voor Pauwen,
+Goudlakensche Fazanten, Boomhoenderen en Hokko's. Reeds Columbus had
+met verwondering opgemerkt, dat de bewoners van de Antillen, in plaats
+van Hoenderen, Araras of andere groote Papegaaien fokten en aten."
+
+Aan den omgang met Araras is echter altijd eenig gevaar verbonden; maar
+al te dikwijls gebruiken zij hun geduchten snavel op een ongewenschte
+wijze. Toch worden zij soms zeer tam. Hoewel ze zelden zoo goed
+leeren spreken als andere Papegaaien, ontbreekt hun toch volstrekt
+niet alle geschiktheid hiervoor. Behoorlijk verzorgde Araras worden
+in de gevangenschap zeer oud. Azara maakt melding van een exemplaar,
+dat 44 jaren in één gezin geleefd had, maar toen door ouderdom zoo
+verzwakt was, dat het niets anders dan gekookte maïs kon verteren.
+
+Zoowel inboorlingen als blanken houden zich ijverig bezig met de jacht
+op Araras. "Voorzichtig," zegt de Prins Von Wied, "steeds achter
+dichte struiken of stammen verborgen, nadert de jager sluipend een
+gezelschap van deze Vogels en doodt er dan soms verscheidene door één
+schot. Daar zij, zooals reeds opgemerkt werd, gedurende het vliegen
+of als zij verontrust zijn, altijd hun luide stem laten hooren, weet
+de jager, waar zij zich ophouden. Hij schiet ze met groven hagel, daar
+zij meestal in de kroon van een der hoogste boomen zitten. De gewonde
+Vogel houdt zich met zijne krachtige klauwen dikwijls nog een tijdlang
+aan de twijgen vast, voordat hij naar beneden tuimelt. Hij verschaft
+den jager een gewenschte spijs en kan als rundvleesch gekookt worden;
+het vleesch van de oude Vogels is taai en in het koude jaargetijde
+dikwijls zeer vet; het levert echter een krachtige soep. De fraaie
+veeren van den gedooden Arara worden op velerlei wijzen gebruikt;
+de jager versiert er zijn hoed mede. De Brazilianen schrijven met
+de slagpennen; vele wilde stammen tooien zich ook thans nog met
+Arara-veeren en gebruiken de bonte slagpennen voor 't maken van hunne
+pijlen. De stammen van de Lingoageral, die thans tot op zekere hoogte
+beschaafd zijn, maakten eertijds velerlei versierselen van deze veeren,
+die in met was gesloten doozen bewaard werden, totdat zij noodig
+waren. Wanneer de Toepinamben, die het door mij bezochte deel van
+de oostkust bewoonden, feestvierden, werd een gevangen, vijandelijk
+krijgsman gedood en opgegeten. De persoon, die de knots hanteerde,
+waarmede de doodelijke slag werd toegebracht, was met een soort van
+gom bestreken, waarin overal kleine Arara-veeren vastgeplakt waren;
+de kroon, die hij op het hoofd droeg, was van Arara-staartveeren
+vervaardigd. Arara-veeren waren bij deze wilden het zinnebeeld van
+den oorlog. Ook thans nog zijn de Indianen op dezen even natuurlijken
+als fraaien tooi gesteld; het heeft den Jezuïten veel moeite gekost om
+deze gewoonte bij de thans half-beschaafde kuststammen uit te roeien."
+
+
+
+Het naast verwant aan de vorige groep zijn de leden van de kleine, tot
+het Ethiopische Rijk beperkte onderfamilie der Kortstaartpapegaaien
+(Psittacinae), kenbaar aan hun korten of middelmatig langen, recht
+afgesneden of zacht afgeronden staart. Zij vormen twee geslachten,
+waarvan het eene--dat der Grijze Papegaaien (Psittacus)--twee soorten
+omvat, die tropisch Afrika ten noorden van den evenaar bewonen, terwijl
+het andere--dat der Vasa's (Coracopsis)--uit vier op Madagaskar en
+de naburige eilanden inheemsche soorten bestaat.
+
+
+
+De Grijze Papegaaien (Psittacus) hebben een krachtigen snavel, welks
+rug afgerond is en niet, zooals bij de Stompstaartpapegaaien, een
+overlangsche groeve vertoont; ook missen zij de inkerving (vijlgroeve),
+die bij deze achter de haakvormige spits van den bovensnavel voorkomt;
+de washuid is zeer breed en evenals de oogstreek en de teugel
+onbevederd; de lange vleugels hebben een goed ontwikkelde spits;
+de staart is middelmatig lang en bijna recht afgesneden.
+
+
+
+De leerzaamste van alle Papegaaien is de algemeen bekende Jako
+(Psittacus erithacus). Hij is gemakkelijk te beschrijven, daar op zijn
+kleed slechts twee hoofdkleuren voorkomen. De staart is karmijnrood,
+alle overige veeren zijn aschgrauw met eenigszins lichtere randen. Aan
+den kop en den hals treden deze randen sterker op den voorgrond dan
+op het overige lichaam, waardoor deze deelen lichter schijnen. Als
+het fijne poeder, waarmede de veeren in den regel dicht bedekt zijn,
+er afgeveegd wordt, is het kleed leikleurig zwart-blauw. Bij den
+volwassen Jako is de iris geel, de snavel zwart, de voet loodkleurig
+grijs. Het mannetje (totale lengte 31, staartlengte 8 cM.) is een
+weinig grooter dan het wijfje. De jongen hebben een grijze iris en
+valere, bruinachtig grijze veeren.
+
+In West-Afrika reikt het verbreidingsgebied van den Jako van de
+Goudkust tot Benguela (met Fernando Po en het Prinseneiland); in het
+binnenland loopt de grens over het Tsad-meer en ongeveer langs de
+waterscheiding van de noordelijke helft van het Kongogebied; zoodat
+zij ongeveer samenvalt met die van het gebied van den oliepalm.
+
+De Jako's zijn in West-Afrika, vooral echter aan de Goudkust, in de
+Niger-delta, aan den Kameroen en den Gaboen, buitengewoon talrijk; de
+natuur heeft hen hier in de ontoegankelijke wouden van het alluvium
+der riviermonden veilige en aanlokkelijke woonplaatsen verschaft,
+waar zij niet veel last hebben van de vervolgingen der inboorlingen
+en der weinige voor hen gevaarlijke vijanden. Zij nestelen vooral
+in de mangrove-wouden der kuststreken, maken gebruik van de reeds
+aanwezige holten in boomen of verwijden de gaten, die zij vinden,
+met hun krachtigen snavel tot geschikte broedplaatsen. De hoogste
+boomen van hun gebied kiezen zij als slaapplaats uit. Iederen avond
+komen hier omstreeks zonsondergang groote of kleine vluchten uit
+verschillende richtingen bijeen, zoodat het aantal Vogels op één
+slaapplaats dikwijls vele honderden bedraagt. Zulke plaatsen trekken
+spoedig de aandacht. Het gekrijsch van de aankomende en neerstrijkende
+Vogels schalt ver in het rond en verstomt eerst, als het geheel donker
+geworden is. Den volgenden morgen begint het opnieuw en kondigt het
+uiteengaan van het gezelschap aan. Onder voortdurend getier, gekras
+en gekrijsch trekken de Grijze Papegaaien naar het binnenland, om
+te smullen van de maïs, die de negers bij voorkeur op de hoogvlakten
+verbouwen. Het liefst eten zij halfrijpe maïs-korrels; verschrikkelijk
+zijn de verwoestingen, die zij op de akkers aanrichten.
+
+Overal, waar de Jako voorkomt, wordt hij door de inboorlingen
+gevangen, getemd en voor 't spreken afgericht; hij is bij hen een
+gewoon ruilmiddel en handelsartikel.
+
+Van alle Papegaaien, die gevangen gehouden worden, is deze de
+meest gewilde; hij verdient de gunst, die hem ten deel valt, door
+zachtaardigheid, leerzaamheid en gehechtheid aan zijn meester. In alle
+talen wordt zijn lof verkondigd; in ieder handboek over dierkunde, ja
+zelfs in ieder boek, dat een deel van het leven der dieren behandelt,
+wordt hij vermeld. Tal van aardige feiten worden van hem medegedeeld,
+o.a. door Levaillant, die in 1778 een dezer Papegaaien bij een
+Amsterdamsch koopman aantrof: "Karel, zoo heette deze Papegaai, sprak
+als Cicero; ik zou een boekdeel kunnen vullen met de fraaie gezegden,
+die hij kende en die hij, zonder een syllabe te vergeten, voor mij
+herhaalde. Gehoorzaam aan het bevel van zijn meester, haalde hij diens
+pantoffels en de nachtmuts van de vrouw; hij riep de meid, als deze
+in de kamer noodig was. Bij voorkeur hield hij zich in den winkel op
+en maakte zich hier bij afwezigheid van zijn meester verdienstelijk,
+door, als er een vreemdeling binnenkwam, zoolang te schreeuwen,
+totdat iemand den klant kwam helpen. Hij had een uitmuntend geheugen
+en kon een aantal Hollandsche volzinnen en uitdrukkingen volkomen
+nauwkeurig zeggen. Eerst toen hij 60 jaar in gevangenschap geleefd
+had, verzwakte zijn geheugen; hij vergat een deel van zijne gezegden,
+bleef er middenin steken, haspelde de woorden dooreen of mengde deelen
+van verschillende volzinnen door elkander."
+
+Van een tammen Papegaai, die jaren lang te Salzburg en te Weenen
+leefde, heeft Lenz het volgende bericht gegeven: "Jako let op alles,
+wat om hem heen geschiedt, weet alles te beoordeelen, geeft een
+toepasselijk antwoord, als hem iets gevraagd wordt, gehoorzaamt,
+wanneer men hem iets beveelt, begroet personen bij het binnenkomen,
+neemt van hen afscheid, als zij vertrekken, zegt alleen bij 't begin
+van den dag "Goeden morgen," alleen bij 't einde "Goeden avond" en
+vraagt om voedsel, als hij honger heeft. Ieder lid van het gezin noemt
+hij bij den naam; en het eene staat meer bij hem in de gunst dan het
+andere. Om mij bij zich te hebben, roept hij: "Papa kom hier!" Wat
+hij zegt, zingt en fluit, klinkt alsof het van een mensch afkomstig
+is. In oogenblikken van geestvervoering gaat hij aan 't improviseeren;
+zijn rede maakt dan denzelfden indruk als die van een redenaar,
+die men op een afstand hoort, zonder hem te kunnen verstaan.
+
+"Nu volgt een opgave van hetgeen Jako zegt" (of liever een
+vertaling van zijne Duitsche gezegden), "zingt, fluit enz.:
+"Eerwaarde heer! Goeden morgen."--"Eerwaarde heer! asjeblieft een
+amandel."--"Wou-je een amandel? Wou je een noot? Je krijgt wat. Daar
+heb-je wat."--"Heer overste, welkom, heer overste!"--"Mevrouw! uw
+gehoorzame dienaar."--"Boer, spitsboef, spitsboef, boer,
+wilddief! ga-je weg? ga-je weg, ga-je naar huis, ga-je naar
+huis of niet? pas op kerel!"--"Jij ploert! jij kerel, jij nare
+kerel!"--"Brave Pappie, beste Pappie!"--"Je bent een beste jongen,
+een opperbeste jongen!"--"Je krijgt een kokeriko, ja, je krijgt
+wat."--"Nanni! Nanni!"--"Buurman! Geduld hebben! Buurman! Geduld
+hebben!"--Als er aan de deur wordt geklopt, roept hij zeer luid,
+zeer duidelijk en geheel als een mensch: "Binnen! Binnen! Uw dienaar,
+mijnheer Brouwer, onderdanige dienaar! Blij, dat ik de eer heb, blij,
+dat ik de eer heb."--Soms klopt hij zelf tegen zijn kooi en roept dan
+als zoo even.--Den Koekoek bootst hij zeer goed na.--"Geef mij een
+zoentje, een lekker zoentje; dan krijg-je een amandel."--"Kijk ereis
+op!--Kom naar buiten!"--"Kom maar op, kom maar hier!"--"Mijn lieve
+Pappie!"--"Bravo, bravissimo!"--"Bidden, laten wij nu bidden."--"Laten
+wij eten!"--"Laten wij voor 't venster gaan!"--"Hieronymus,
+sta op!"--"Ik ga, God zegen-je!"--"Leve de Keizer! Lang zal hij
+leven!"--"Waar kom jij van daan?--Neem mij niet kwalijk, mijnheer! Ik
+dacht dat je een Vogel waart!"--Als hij iets stuk bijt of in zijn
+kooi iets vernielt, zegt hij: "Niet bijten! schei-uit! Wat heb-je
+gedaan?"--"Wat heb-je gedaan? Pas op jij gauwdief! Jij lomperd! Pas op,
+je krijgt slaag!"--"Pappie, hoe gaat het met je, Pappie?"--"Heb-je wat
+te eten?"--"Smakelijk eten!"--"Bst! Bst! Wel te rusten!"--"Pappie mag
+naar buiten; kom, allo kom!"--"Pappie, schiet! Schiet Pappie!"--Daarna
+schiet hij door luid te roepen van "Poe!"--"Kijk, kijk, kijk,
+kijk!"--"Ga naar huis! Ga-je naar huis? Allo, marsch!"--"Subiet
+naar huis! Pas op, je krijgt slaag!"--Hij trekt aan een schel in
+zijn kooi en roept luid: "Wie schelt daar?--Pappie!"--"Kaketoe,
+kaketoe."--"Gagagaga!--Wat wou-je met je ga, ga---jij!"--"Daar
+is het hondje, een lief hondje, een allerliefst hondje!"--Daarna
+fluit hij den Hond.--Hij vraagt: "Hoe spreekt het hondje?" en blaft
+vervolgens. Daarna roept hij: "Fluit het hondje!" en fluit den
+Hond.--Als men hem beveelt: "Schiet!" dan roept hij "Poe!"--Soms
+laat hij een geheel kommando hooren: "Halt! richt u! Halt! Schouder
+'t geweer! Aan! Hoog! Vuur! Poe! Bravo, bravissimo!"--Soms laat hij
+het kommando "Vuur!" weg en roept na: "Aan! Hoog!" dadelijk: "Poe!";
+dan zegt hij echter ook niet: "Bravo, bravissimo!", alsof hij weet,
+dat hij een fout heeft gemaakt.--"God zegen je! A Dio! God zegen
+je!" zegt hij, als de bezoekers weggaan.--"Wat wou-je? Mij slaan? Wat
+wou-je? Mij slaan?" Hij begint dan geweldig te schreeuwen, alsof
+hij slaag krijgt, en roept vervolgens: "Wat? slaan? Mij slaan? Pas
+op, kerel! Mij slaan?"--"Ja, ja, ja, zoo gaat het in de wereld! Wel
+zoo! wel zoo!" Daarna lacht hij volkomen duidelijk.--"Pappie is ziek,
+de arme Pappie is ziek."--"Hoor-je Jan wel?--Goegoe! Goegoe! 't Is
+Pappie!"--"Pas op, ik zal je slaan!"--Als hij de tafel ziet dekken,
+of één of twee kamers verder het geluid van 't tafeldekken hoort,
+roept hij dadelijk: "Laten wij gaan eten! Allo, kom, eten!"--Als
+zijn meester in de naastbijgelegen of daarop volgende kamer ontbijt,
+roept hij: "Kakau! je krijgt kakau. Jij krijgt ook wat!"
+
+"De eigenaar van Jako had een Kwartel. Toen deze in de lente voor 't
+eerst haar "Kwik me dit" liet hooren, keerde de Papegaai zich naar hem
+om en riep: "Bravo, Pappie! Bravo!"--Om te zien, of het mogelijk zou
+zijn hem ook iets te leeren zingen, koos men aanvankelijk woorden uit,
+die hij reeds vroeger had leeren zeggen, zooals b.v. het volgende:
+"Is het mooie Pappie daar? is het brave Pappie daar? is het lieve
+Pappie daar? is het Pappie daar? Ja, ja!"--Later leerde hij het liedje
+zingen: "O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagott!"--Hij
+stemt ook accoorden aan, fluit een toonladder naar boven en naar
+beneden zeer vlot en zuiver en fluit ook andere stukjes en trillers;
+hij fluit en zingt dit alles echter niet steeds op denzelfden toon,
+maar soms een halven of een geheelen toon lager of hooger, zonder
+evenwel valsche tonen voort te brengen.
+
+"Zijn meester stierf in het jaar 1853. Jako begon, oogenschijnlijk uit
+heimwee naar zijn geliefde heer, te kwijnen, werd in het jaar 1854
+geheel versuft in een klein bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd;
+ook toen babbelde hij nog druk en zei dikwijls met treurige stem:
+"Pappie is ziek, het arme Pappie is ziek". Kort daarna stierf hij."
+
+Overbodig is het, na de bovenstaande sterk sprekende bewijzen van
+verstand bij de Grijze Papegaaien nog over hunne geestvermogens uit
+te wijden. Ook over hun gemoed hebben interessante waarnemingen ons
+inlichtingen verschaft. "Een vriend van mij," verhaalt Wood, "zag
+een Vogel van deze soort op bevallige en beminnelijke wijze de taak
+van pleegmoeder vervullen bij eenige hulpbehoevende schepseltjes. In
+den tuin stond een perk met eenige rozenstruiken, dat omgeven was
+door een omheining van metaaldraad met slingerplanten er aan. Hier
+nestelde een paar Vinken, dat voortdurend werd gevoederd door de
+jegens alle dieren vriendschappelijk gezinde bewoners van het huis. De
+veelvuldige bezoeken aan het rozenboschje trokken spoedig de aandacht
+van Polly, den Papegaai; zij zag, dat daar voedsel werd uitgestrooid en
+besloot dit goede voorbeeld na te volgen. Daar zij zich vrij bewegen
+mocht, verliet zij haar kooi, bootste den loktoon van de oude Vinken
+nauwkeurig na en bracht daarna herhaaldelijk met den snavel een deel
+van haar voedsel naar de jongen. De ouders vonden echter de bewijzen
+van genegenheid, die deze hun onbekende, groote Vogel aan hunne jongen
+gaf, te hartstochtelijk en vlogen verschrikt weg. Bij de onverzorgd
+achtergelaten jongen vond Polly ruimschoots gelegenheid om gevolg
+te geven aan haar neiging voor het pleegmoederschap. Van stonde af
+weigerde zij in haar kooi terug te keeren, maar bleef dag en nacht bij
+hare pleegkinderen, voederde ze zeer zorgvuldig en smaakte het genoegen
+ze groot te brengen. Toen de kleintjes het nest verlieten, gingen zij
+soms op den kop en den nek van hun pleegmoeder zitten; dan gebeurde
+het wel eens, dat Polly zeer ernstig met haar vracht rondging. De
+Papegaai oogstte echter weinig dank voor haar goedertierenheid; daar
+hare pleegkinderen, toen zij hunne vleugels hadden leeren gebruiken,
+wegvlogen en nooit terugkwamen."
+
+Een nog opmerkelijker trek uit het gemoedsleven van den Jako wordt
+door Burton medegedeeld. "Bij een paar Grijze Papegaaien, die vrij
+in het park mochten rondvliegen, openbaarde zich de liefde voor
+kinderen op een zeer vreemdsoortige wijze. Een Kat had een van de
+nesthokjes als woonplaats gekozen en zoogde hier hare jongen. Onze
+Papegaaien, die waarschijnlijk niet ondernemend genoeg waren om
+een eigen familie te grondvesten, schenen de jonge katjes als hunne
+kinderen te beschouwen. Telkens sloop een van hen in het hokje en ging
+naast de katjes zitten. Om dit te kunnen doen, moesten zij wachten,
+tot de oude Kat, waarmede zij op voet van oorlog leefden, haar kroost
+verliet. Zelfs wanneer de moeder thuis was, gaven de Vogels zorgvuldig
+en met spanning acht op de kleintjes."
+
+Doelmatig verzorgde, op zeer eenvoudige wijze gevoederde Jako's
+bereiken een hoogen leeftijd. Levaillant maakt melding van een
+exemplaar, waarvan de Amsterdamsche koopman Menikhuijsen eigenaar
+was en die reeds 32 jaar in gevangenschap had geleefd, voordat hij
+huisgenoot werd van zijn tegenwoordigen meester, bij wien hij het nog
+41 jaren uithield. Ongeveer 4 of 5 jaar voor zijn dood begon hij zeer
+te verzwakken en langzamerhand uit te teren.
+
+
+
+De Parkieten (Palaeornithinae) bewonen de tropische gewesten van de
+Oude Wereld. De meeste (28) soorten behooren tot het Indische en (26)
+tot het Australische Rijk; veel minder sterk (door 9 soorten) zijn
+zij in Afrika vertegenwoordigd. Onder de fraaiste, lieftalligste en
+sierlijkste van alle Papegaaien verdienen de Edelparkieten (Palaeornis)
+een plaats; voor 't meerendeel komen zij in Zuid-Azië voor, eenige
+soorten worden bovendien ook (of uitsluitend) in Afrika gevonden. Hun
+grootte wisselt af tusschen die van een Lijster en die van een Kauw. De
+betrekkelijk zeer krachtige snavel is even lang als hoog, de spits van
+den bovensnavel sterk naar beneden gekromd en overhangend, daarvóór
+is een flauwe inkerving zichtbaar. De pooten zijn kort en krachtig,
+de vleugels lang en spits; de zeer lange staart, welks pennen van
+de buitenste tot de middelste sterk in lengte toenemen, bestaat
+uit middelmatig breede, aan den top afgeronde veeren en is meestal
+"lansvormig," d. w. z., dat de beide middelste veeren ver voorbij de
+overige uitsteken.
+
+
+
+De Halsbandparkiet (Palaeornis torquatus), is zeer sierlijk en
+fijn gebouwd en fraai van kleur. Hij is zoo groot als een Lijster:
+de totale lengte van het mannetje bedraagt 35 à 40 cM., waarvan meer
+dan 25 cM. op den staart komen. Over 't algemeen is het vederenkleed
+zeer fraai grasgroen met geelachtige tint. Deze kleur vertoont op
+de kruin de meeste frischheid, is op de onderdeelen het lichtst,
+op de slagpennen echter het donkerst. Aan de beide zijden van den
+hals gaat zij in teer paarsblauw of hemelsblauw over; deze plek is
+door een prachtig rozerooden band gescheiden van het groene gedeelte
+van den hals. De beide middelste stuurpennen en de spitsen van de
+overige staartveeren zijn blauw; de onderzijde van den staart en van
+den vleugel is geelachtig groen. De iris heeft een geelachtig witte,
+de smalle ring om het oog een roode, de voet een grijze kleur.
+
+Van alle Papegaaien heeft de Halsbandparkiet het grootste
+verbreidingsgebied, daar hij zoowel in Zuid-Azië als in Afrika
+voorkomt. In Azië bewoont hij het Vóór-Indische schiereiland van
+Bengalen tot Nepal en Kasjmir, van den Indus tot Tenasserim en Pegoe,
+bovendien Ceylon. Hij geeft hier de voorkeur aan bebouwde gewesten en
+is dus de eenige Indische Papegaai, die de nabuurschap van den mensch
+opzettelijk zoekt. In vele Indische steden ziet men deze Vogels,
+evenals bij ons de Kauwen, op den nok van het dak zitten; in andere
+merkt men op, dat zij sommige boomen, zonder zich te bekommeren
+om het gewoel van de marktbezoekers onder hen, tot plaatsen van
+bijeenkomst kiezen, waarnaar zij iederen avond terugkeeren. Natuurlijk
+vloeit hieruit voort, dat zij in deze streken een gevoelige schade
+toebrengen aan de bezittingen van den mensch, te meer omdat er wegens
+de goedaardigheid van de Hindoes en hun genegenheid voor de dieren in
+'t algemeen geen sprake is van ernstige maatregelen van tegenweer. Zij
+worden althans niet zoo onmeedoogend vervolgd als de Carolina-parkiet,
+hoewel zij evenals deze de boomgaarden plunderen en de graanvelden
+verwoesten. Op sommige plaatsen vereenigen zij zich ook wel met leden
+van verwante soorten en zwerven in hun gezelschap het land rond.
+
+Een andere levenswijze hebben de iets kleinere en ook in kleur
+eenigszins afwijkende Halsbandparkieten van Afrika. Hier worden zij
+van 17° tot 8° N.B. in alle gewesten van het binnenland gevonden;
+van de westkust tot aan den oostrand van het Abessinische gebergte
+bewonen zij iedere gunstig gelegene boschachtige streek. Zij houden
+zich niet uitsluitend in het uitgestrekte, onafgebroken oerwoud op,
+dat in Centraal-Afrika vele vlakten bedekt, maar komen ook dikwijls
+in kleinere bosschen voor, indien hier althans eenige altijd groene
+boomen groeien, welker dicht bebladerde kronen hun in ieder jaargetijde
+veilige rustplaatsen verschaffen.
+
+Niet licht zal de reiziger in deze gewesten de Halsbandparkieten
+voorbijzien. Ook van niet deskundigen trekken zij duidelijk genoeg
+de aandacht door hun krijschend geschreeuw, dat altijd boven het
+mengelmoes van stemmen van de woudbewoners uitklinkt, vooral omdat
+ook deze Papegaaien geregeld in meer of minder talrijke gezelschappen
+leven. Zulk een troep, die zich dikwijls met andere troepen vereenigt
+en dan tot een zwerm aangroeit, heeft eenige tamarinden of andere dicht
+bebladerde boomen tot woonplaats gekozen en doorkruist van hieruit
+iederen dag een meer of minder groot gebied. In de morgenuren houden
+de Vogels zich nog tamelijk rustig; kort na zonsopgang echter gaan zij
+schreeuwend en krijschend voedsel zoeken; men ziet de zwermen dan met
+snelle vlucht boven het woud zich voortreppen. Afrika's wouden zijn
+betrekkelijk arm aan eetbare boomvruchten, maar de planten, die in de
+schaduw der boomen groeien, zijn rijk aan zaden van allerlei soort
+en deze lokken de Papegaaien naar den bodem. Alleen gedurende den
+tijd, waarin de kleine, rondachtige vruchten van den Christusdoorn
+rijp of de malsche peulen van de tamarinde eetbaar zijn, dalen de
+Papegaaien weinig of niet op den bodem af. Niet onwaarschijnlijk is
+het, dat zij ook dierlijk voedsel gebruiken; dikwijls althans heb
+ik ze in de nabijheid van mierenhoopen of termietenwoningen aan 't
+werk gezien en bij gevangenen een eigenaardige begeerte naar vleesch
+waargenomen. Zelden ziet men ze op de akkers, die de bewoners van
+Centraal-Afrika aan den rand van het woud bebouwen, hoewel gevangen
+exemplaren met de voornaamste graansoorten van deze streken gemakkelijk
+in 't leven gehouden kunnen worden. Blijkbaar zijn zij meer gesteld op
+de vruchten en zaden van het woud dan op koorn. Tot tegen den middag
+houden de leden van den zwerm zich bezig met het zoeken van voedsel;
+daarna brengen zij een bezoek aan de drinkplaats, om vervolgens eenige
+uren te rusten in een der genoemde dichte boomkronen. Intusschen hoort
+men een druk gesnap en geschreeuw, waardoor de troep ook dan nog de
+aandacht trekt, als men hem niet kan zien. Ook van deze Papegaaien
+geldt, wat van de Zuid-Amerikaansche gezegd werd; men moet zich zeer
+inspannen om de groene Vogels te midden van het evenzoo gekleurde
+loover waar te nemen. Daarbij komt, dat zij oogenblikkelijk zwijgen bij
+'t opmerken van een voor hen merkwaardig verschijnsel of zachtjes
+en voorzichtig wegsluipen, wanneer zij vervolging duchten. Hoe
+langer men onder een boom vertoeft, uit welks kroon men het geluid
+van honderden stemmen hoorde weerklinken, hoe stiller en rustiger
+het daarboven wordt; ten slotte is er geen enkele Vogel meer over:
+achtereenvolgens zijn alle naar een anderen dergelijken boom verhuisd,
+waar zij nu door een vroolijk geschreeuw den goeden uitslag van hun
+listig uitgevoerde vlucht verkondigen.
+
+Na eenige uren van rust vliegen de Parkieten ten tweeden male uit om
+spijs en drank te halen; tegen den avond vereenigen zij zich weder
+op hunne lievelingsboomen en schreeuwen zoo mogelijk nog luider
+dan voorheen; toen zochten zij de beste twijg voor het uitrusten,
+nu trachten zij de veiligste slaapplaats te bemachtigen.
+
+In de streken van Afrika, die ik bereisd heb, maakt alleen de
+naturaliën-verzamelende Europeaan met het schietgeweer jacht op
+de Halsbandparkieten; de inboorling vervolgt hen niet met zijne
+wapens en vangt ze hoogstens, wanneer er kans bestaat om met de
+levende Papegaaien goede zaken te doen. Hoe veelvuldig deze Vogels
+ook zijn, toch is het niet gemakkelijk ze onder schot te krijgen;
+met hun slimheid weten zij den geoefenden jager te leur te stellen
+en zijne pogingen te verijdelen.
+
+De vangst geschiedt niet volgens een bepaald plan. Hoogstens worden
+de jonge, bijna voor 't uitvliegen geschikte Vogels uit het nest
+genomen, of wordt des nachts de een of andere volwassene in een
+holte van een boom overrompeld. Netten en strikken worden voor het
+bemachtigen van deze dieren niet gebruikt, hoewel de inboorlingen met
+deze hulpmiddelen bekend zijn. Aan den Senegal heeft de vangst, naar
+'t schijnt, op grootere schaal plaats; de meeste Halsbandparkieten,
+die bij ons in gevangenschap gevonden worden, zijn van daar afkomstig.
+
+
+
+Twee soorten van Edelparkieten verdienen nog vermelding, omdat
+zij, behalve in Vóór- en Achter-Indië en op Ceylon, ook gevonden
+worden op eenige Groote Soenda-eilanden, waar de orde der Papegaaien
+schaars vertegenwoordigd is. Het zijn de op Java en Borneo voorkomende
+Alexander-parkiet (Palaeornis Alexandri)--zoo genoemd, omdat het, naar
+men meent, deze soort was, die door den tocht van Alexander den Grooten
+naar Indië in ons werelddeel bekend werd--en de op Sumatra en Borneo
+inheemsche Langstaartige Parkiet (Palaeornis longicaudatus). Deze
+houdt zich het liefst op in met struiken bedekte streken, vliegt
+schielijker dan zijne beide stamgenooten en maakt minder gedruisch. In
+grootte evenaart hij onzen Spreeuw. De levenswijze komt met die van
+hare Indische verwanten overeen; evenals deze beide veroorzaakt hij
+veel schade op de rijstvelden. Alle drie worden in menigte gevangen en
+levend naar Europa vervoerd. De Langstaartige Parkiet, kenbaar aan de
+grootere lengte van de middelste staartveeren, wordt door de Engelschen
+Plumheaded Parrakeet (Pruimkop parkiet) genoemd, omdat de fraaie,
+roode kleur van den bovenkop bij hem op den achterkop in kobaltblauw
+overgaat, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de vergelijking van
+den geheelen kop met een blauwe pruim. Een fijne, zwarte halsband,
+een zwarte baardstreep, een zwarte keelvlek en een licht blauwachtig
+groene nekband scheiden den kop van de donkergroene bovenzijde en de
+lichtgroene onderdeelen. De schouders hebben een roodbruine vlek. Het
+wijfje is groen, haar kop aschgrauw, naar blauw zweemend, de breede
+halsband geelgroen.
+
+De Alexander-parkiet heeft in hoofdzaak dezelfde kleur als
+de Halsbandparkiet, maar is zoo groot als een Kauw. Hij heeft
+een rozerooden nekkraag en een groote, bruinachtig purperroode
+schoudervlek.--Hij en één soort van Vleermuispapegaai zijn de
+eenige vertegenwoordigers van hun orde op Java. Op Borneo komen
+behalve deze en de vorige soort nog twee Papegaaien voor. Op Sumatra
+vindt men dezelfde vormen als op Borneo, met uitzondering van den
+Alexander-parkiet.
+
+
+
+De Vleermuispapegaaien (Coryllis of Loriculus), die door sommige
+dierkundigen bij de Honigpapegaaien worden gevoegd, hoewel hun tong
+niet met haarvormige vezels bezet is, vinden bij Marshall onder de
+Parkieten een plaats. Hun snavel is zeer zwak, veel langer dan hoog,
+zijdelings samengedrukt; de pooten zijn kort en krachtig; de vleugels,
+die in den toestand van rust meer dan de helft van den staart bedekken,
+zijn lang; de eenigszins afgeronde staart is kort, het vederenkleed
+hard en dicht, uit langbaardige veeren samengesteld; zijn hoofdkleur
+is fraai groen; hierop komen de roode, gele en blauwe vlekken van
+den bovenkop en de keel en ook de steeds roode staartwortel goed uit.
+
+Dit geslacht bevat ongeveer 20 soorten, die veel op elkander gelijken,
+bewoners van de Indo-Maleische en Papoeaansche landen en eilanden:
+hun verbreidingsgebied strekt zich van Ceylon tot Malabar en van
+het schiereiland Malakka tot Nieuw-Guinea uit; zij komen echter
+binnen dezen uitgestrekten kring niet overal, doch slechts sporadisch
+voor. Uitvoerige berichten over hun leven in de vrije natuur ontbreken
+tot dusver; het is echter gebleken, dat zij boomvogels zijn in de meest
+uitgestrekte beteekenis van het woord, zich soms in ontelbare menigte
+tot zwermen vereenigen en zich voeden met bessen, bloesems van boomen,
+knoppen en zaden. Om te rusten gaan zij op de wijze van de Vleermuizen
+aan de pooten hangen: zij vliegen weinig, maar goed, zingen lief en
+nestelen in holle boomen. Door de bewoners van hun vaderland worden
+zij dikwijls in gevangenschap gehouden; zij zijn echter zeer weekelijk
+en komen daarom bij ons zelden als kooivogels voor.
+
+
+
+Het Blauwkroontje (Coryllis galgulus), op Sumatra Selindi
+genoemd, is ongeveer zoo groot als onze Ringmusch, zijn kleed
+grootendeels grasgroen, een ronde vlek op het midden van de kruin
+donker ultramarijnblauw, een driehoekige, met de spits naar onderen
+gerichte vlek op den rug oranjekleurig; een groote, langwerpig ronde
+dwarsvlek op de keel is schel karmijnrood, evenals de staartwortel
+en de bovendekveeren van den staart; een smalle dwarsstreep op den
+onderrug boven den rooden staartwortel is hooggeel, evenals de zoomen
+van de onderste veeren aan de zijden van den schenkel; de binnenvlag
+van de slagpennen is zwart, de onderzijde van de slag- en stuurpennen
+marineblauw; de onderdekveeren van den staart zijn groen.
+
+Voor zoover men tot dusver heeft kunnen nagaan, komt deze soort
+uitsluitend op Borneo, Sumatra, Banka en de zuidspits van het
+Maleische Schiereiland voor. Deze, en vermoedelijk ook alle overige
+Vleermuispapegaaien, behooren tot de lieftalligste leden van de
+geheele orde; het zijn alleraardigste Vogels; men merkt bij hen een
+verrukkelijke, argelooze gemeenzaamheid op; zij zijn beweeglijk,
+maar niet wild; zij zingen snappend of snappen zingend, zonder
+door een luid gillend geschreeuw of gekrijsch ons een onaangename
+gewaarwording te verschaffen. Zij bewegen zich op een bijzonder
+sierlijke en gemakkelijke wijze. Haastig trippelend maar niet waggelend
+loopen zij over den grond; zonder schroom doen zij sprongen, die voor
+hunne korte pootjes vervaarlijk groot schijnen; zij klimmen snel en
+behendig bij de traliën van hun kooi op en neer, waarbij zoowel de
+snavel als de pooten hun taak uitstekend vervullen.
+
+Als zij rusten willen, nemen zij slechts bij uitzondering de gewone
+houding van de Papegaaien aan, in den regel (en gedurende het slapen
+altijd) klemmen zij zich, als Vleermuizen, met de pooten vast aan
+den bovenwand van de kooi of aan een dorren tak en laten niet alleen
+den romp, maar ook den kop recht naar beneden hangen, zoodat de rug,
+de ingetrokken hals, de kruin en de snavel in een rechte lijn komen
+te liggen; de staart is, waarschijnlijk om hem nergens tegen te
+stooten, scheef naar achteren en naar boven gebogen; de veeren zijn
+achteloos opgericht. De fraaie diertjes zien er nu geheel anders uit
+dan gewoonlijk; zij lijken dubbel zoo dik als gedurende het zitten
+en zijn bijna bolvormig.
+
+
+
+Bij den Javaanschen Vleermuispapegaai (Coryllis pusilla) is de
+kruin van dezelfde kleur als de meeste overige lichaamsdeelen,
+n.l. grasgroen; op den krop komt een groote, hooggele vlek voor;
+de geheele teekening bestaat uit rood en geel.
+
+
+
+Op Sumatra en Borneo, leeft het Malakka-parkietje (Psittinus
+incertus), de Tanau der inboorlingen, de eenige soort van zijn
+geslacht. Het bereikt de grootte van een Spreeuw; de hoofdkleur van
+het vederenkleed is blauw-grijs, de mantel echter zwart, de achterrug
+donker kobaltblauw; de vleugels zijn grootendeels groen, de zijden
+van den romp en de onderdekveeren van de vleugels ponceau-rood, de
+staartpennen grootendeels groenachtig geel: de bek is koraalrood. "Het
+is een aardig gezicht," schrijft Snelleman, "deze Parkieten netjes
+naast elkander op een tak boven het water te zien zitten. Op de boomen
+langs de Batang-Silago zijn zij zeer algemeen, meestal in troepjes van
+10 tot 20 stuks. Zij zijn niet schuw, maar worden het spoedig door het
+schieten en keeren dan geruimen tijd niet tot denzelfden boom terug."
+
+Nauw verwant aan de Vleermuispapegaaien, die zij als 't ware in
+Afrika vervangen, zijn de welbekende Inséparables, de Love-birds der
+Engelschen (Agapornis). De vijf soorten van dit geslacht zijn niet of
+weinig grooter dan een Musch; zij hebben een gedrongen lichaamsbouw
+en een korten, flauw afgeronden staart. Hun hoofdkleur is groen, de
+staartwortel is meestal blauw. Zij onderscheiden zich door hun groote
+neiging tot gezelligheid, die zij ook in de kooi openbaren door zich
+tegen een soortgenoot aan te vleien en dezen te liefkoozen. De meest
+bekende zijn: het Roodkopje (Agapornis pullaria) van de Goudkust,
+met lichtrood gelaat en keel, het Rozenkopje (Agapornis roseicollis)
+van Zuid-Afrika, met rozerood gelaat, voorhals en een schel rood
+voorhoofd, en het Grijskopje (Agapornis cana) van Madagaskar, met
+grijzen kop, hals en borst. De wijfjes van de beide eerstgenoemde
+soorten zijn door de geringere uitgestrektheid en de eenigszins
+mattere tint van het rood van het mannetje te onderscheiden; bij het
+wijfje van het Grijskopje zijn ook de kop en de hals groen. Vooral
+van de laatstgenoemde soort worden sedert eenigen tijd duizenden
+naar Europa gebracht, waar zij voor f 6 per paar koopers vinden (de
+andere soorten zijn duurder). Alle verdragen, als zij met gierst en
+kanariezaad gevoerd worden, de gevangenschap goed en broeden zelfs
+in de kooi. Het toeval maakte mij bekend met hetgeen zij hierbij
+noodig hebben. De paartjes, die ik verzorgde, overlaadden elkander
+met liefkoozingen, maar gingen niet aan 't broeden. Jegens de andere
+bewoners van de volière gedroegen zij zich even onverdraagzaam, als zij
+voor elkander lief waren. "Onophoudelijk gingen zij hunne nesthokjes in
+en uit, maar schenen deze meer als schuilhoeken, dan als nestplaatsen
+te beschouwen. Zij waren ongetwijfeld broedsch, maar er ontbrak hun
+iets. Ik kwam op het denkbeeld, dat zij knoppen als voedsel zouden
+verlangen en liet hun groene, bebladerde wilgentakken geven. Weinige
+minuten later zaten zij er reeds op, ontbladerden ze schielijk en
+knaagden aan de knoppen en de schors. In den beginne schreef ik ook
+deze bedrijvigheid aan vernielzucht toe; het bleek mij echter weldra,
+dat het hun om bouwstoffen voor hun nest te doen was. Behendig schilden
+zij een stuk schors van 6 à 10 cM. lengte af, vatten het zoo met den
+snavel aan, dat het eene einde er ongeveer 3 cM. ver uitstak, zetten
+de staartwortelveeren op, staken het stuk schors er tusschen, zoo dat
+dit zitten bleef, toen de veeren weer neergelegd werden. Een tweede,
+derde, zesde, achtste splinter werd op dezelfde wijze afgeknaagd
+en tusschen de veeren bevestigd; menig stukje viel op den grond en
+werd daar vergeten, menig ander werd er door het al te voortvarende
+mannetje weer uitgehaald, ten slotte waren er toch genoeg blijven
+zitten; het wijfje vloog langzaam en voorzichtig naar het nesthokje,
+sloop er volgeladen in en kwam zonder haar last terug. Weinige dagen
+nadat de Vogels begonnen waren bouwstoffen in het nest te brengen,
+begon het wijfje eieren te leggen, daarna te broeden; hoe lang dit
+duurde, weet ik niet, daar ik de ouden door het onderzoeken van het
+nest niet lastig wilde vallen. Het nest was, gelijk mij later bleek,
+netjes vervaardigd van strookjes schors en had den vorm van een hollen
+kogel, waaraan ongeveer een derde deel van den wand ontbrak.
+
+
+
+De Borsteltongigen, Honigpapegaaien of Loris (Trichoglossinae), die de
+vijfde onderfamilie vormen, onderscheiden zich door den afwijkenden
+bouw van de tong. Het voorste vierde gedeelte (of de kleinste helft)
+van dit orgaan draagt, zoover het vrij is, dicht bijeenstaande
+borstels van 1.5 à 2 mM. lengte en ovaal op de dwarse doorsnede;
+deze zijn in reeksen geplaatst, welke evenwijdig loopen met de randen
+van de tong en slechts kleine tusschenruimten overlaten; zij bestaan
+uit vaatrijke, slanke, kegelvormige papillen, die, met een minstens
+tweemaal zoo lange, hoornachtige laag bedekt, een soort van borstel
+of kwast vormen, welker 250 à 300 haren aan de spits door het gebruik
+altijd meer of min gespleten en in fijnere vezels verdeeld zijn.
+
+Volgens de nagenoeg eenstemmige berichten van de reizigers, die de
+dierenwereld van Australië en Polynesië hebben nagegaan, leven de
+eigenaars van deze merkwaardige tong, evenals sommige andere Papegaaien
+(Coryllis, Platycercus), van den honig der bloemen van boomen,
+vooral van palmen; zij gebruiken dit sap in zoo groote hoeveelheid,
+dat uit den snavel de geschoten exemplaren dikwijls een eetlepel vol
+honig wegvloeit. Ook wordt bericht, dat de maag van deze diertjes
+zeer klein en dunwandig is. Sommige eten ook de bloemen zelve. In de
+maag van enkele werden zaden gevonden.
+
+Marshall zegt van de voedingswijze der Honigpapegaaien: "Gaarne
+wil ik erkennen, dat deze Vogels honig uit de bloemen opnemen, op
+gelijke wijze als de Ceylonsche Vleermuispapegaai (Coryllis indicus)
+van het gegiste sap van den suikerpalm (Caryota urens), dat daar
+"toddy" wordt genoemd, soms meer neemt dan hij verdragen kan, zoodat
+hij het bewustzijn verliest en in dezen toestand een gemakkelijke
+buit wordt voor de inboorlingen. Ik kan echter niet toegeven, dat
+de honig voor deze dieren een echt voedingsmiddel en iets meer dan
+een genotmiddel is. Geen enkel dier kan van honig alleen leven, daar
+hierin geen eiwitstoffen voorkomen. Bovendien kan men zich moeielijk
+voorstellen, dat zij een breede, borstelvormige tong zouden bezitten,
+indien dit orgaan uitsluitend voor het verkrijgen van honig uit de
+nectariën van de planten moest dienen. Beide bezwaren worden echter
+uit den weg geruimd, als wij aannemen, dat de Honigpapegaaien wel af
+en toe voor hun genoegen honig gebruiken, maar dat hun voornaamste
+voedsel, evenals dat van de Bijen, uit stuifmeel bestaat. Van een
+tot de Waaierparkieten behoorende soort (Platycercus erythropterus)
+is dit met zekerheid gebleken. Geen instrument kan geschikter zijn om
+het stuifmeel te verkrijgen, om dit als 't ware bijeen te borstelen,
+dan een tong, zooals hierboven beschreven werd. Niet zelden worden
+Honigparkieten geschoten, welker kop geheel bepoederd is met geel
+stuifmeel hetgeen trouwens ook zou kunnen voorkomen, als deze
+diertjes alleen op den honig aasden. De kleine Papegaaien zouden
+dus bij sommige bloemen dezelfde rol spelen, als gewoonlijk door de
+Insecten (en in Amerika soms ook door de Kolibries) wordt vervuld,
+n.l. door het overbrengen van het stuifmeel van den eenen boom naar
+den anderen tot de bevruchting van eicellen der planten medewerken."
+
+De 9 geslachten met ruim 60 soorten van deze onderfamilie behooren
+uitsluitend in 't Australische Rijk thuis; de meeste op Nieuw-Guinea
+en de naburige eilanden, andere op de Molukken en Timor, twee
+soorten op Celebes; ook op Nieuwholland en Tasmanië worden enkele
+soorten gevonden; de overige zijn over verscheidene Polynesische
+eilandengroepen verdeeld.
+
+
+
+De Breedstaartloris (o. a. Domicella) zijn slank gebouwde Papegaaien,
+welker grootte afwisselt tusschen die van een Musch en die van een
+Kauw; de snavel is even hoog als lang, zijdelings samengedrukt met
+afgeronden, smallen rug, zonder tandinkerving en zonder vijlgroeven;
+de staart is sterk afgerond of eenigszins trapvormig, uit breede,
+aan de spits steeds afgeronde pennen samengesteld; de veeren zijn
+schitterend van kleur, in den regel rood met blauw afwisselend, soms
+effen zwart of blauw; de snavel is hooggeel of zwart, de voet steeds
+donker gekleurd.
+
+
+
+Een sinds lang bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de
+Zwartkoplori, de Kastorie der Amboneezen, de Loerie of Ninrie van
+de bewoners van Ceram (Domicella atricapilla). De hoofdkleur van het
+vederenkleed is prachtig karmijnrood, de bovenkop paarsachtig zwart,
+op het voorhoofd in donkerzwart, op den achterkop in donkerviolet
+overgaande; een breede dwarsstreep op den krop, die zich soms tot op de
+borst uitstrekt, heeft een sprekend hooggele kleur. De vleugelbocht is
+blauw, elke veer met een witachtigen eindzoom; de vleugels zijn donker
+grasgroen, in de schouderstreek bruinachtig geelgroen uitvloeiend,
+de onderschenkelveeren korenbloemblauw.
+
+Deze fraaie Vogel bewoont uitsluitend Ceram en Amboina en komt hier
+zoowel in het stille woud als in de buurt van menschelijke woningen
+veelvuldig voor. Zijn voedsel bestaat, behalve uit honig, uit weeke
+boomvruchten, vooral uit die van de pisang. Hij nestelt in holle
+boomen; de eieren zijn, zooals bij alle Papegaaien, glanzig wit en
+een weinig grooter dan die van den Merel.
+
+"Op Amboina," schrijft Von Rosenberg, "vindt men geen Vogel
+veelvuldiger in gevangenschap dan de Zwartkoplori, in de stad Amboina
+bijna in ieder huis, in iedere hut. Zij is de lievelingsvogel van de
+Amboineezen en verdient deze voorkeur zoowel door haar schoonheid
+en zachtaardigheid als door haar leerzaamheid. Zij leert tamelijk
+vlug spreken en is dan de trots van haar eigenaar. Beneden de 8 of 10
+gulden is zulk een afgerichte Vogel, die vóór dien tijd slechts 1 1/2
+à 2 gulden waard was, niet te koop. Men voedt deze Loris met rauwe en
+gekookte rijst, in water geweekte sago en pisangvruchten; dagelijks
+moeten zij versch water hebben, daar zij veel drinken en vooral graag
+baden, waarbij zij al hare veeren nat maken. Ook haar is het woord
+"Lori" aangeleerd en niet van nature eigen." In Europa komen zij niet
+al te zelden in de kooi voor; zij vereischen nog al eenige zorg, wat
+de warmte van de omgeving en de keuze van het voedsel betreft. Men
+heeft haar hier nog niet met goed gevolg aan 't broeden kunnen krijgen.
+
+
+
+De Wigstaartloris of Honigparkieten (o.a. Trichoglossus) verschillen
+van de vorige vooral door den wigvormigen staart, welks pennen
+aan den wortel tamelijk breed zijn en naar de afgeronde spits
+allengs smaller worden. In de kleur van het glanzige vederenkleed
+heeft aan de rugzijde groen, aan de buikzijde rood de overhand;
+hier is gewoonlijk een uit donkere vlekken bestaande teekening,
+ginds een lichtere dwarsband in den nek aanwezig. Het vasteland van
+Australië is het brandpunt van het verbreidingsgebied dezer Vogels,
+dat in Van-Diemensland zijn zuidelijke grens bereikt, terwijl de
+noordelijke op de Moluksche eilanden Halmaheira en Moretai te zoeken
+is; in westelijke richting verbreiden zij zich tot Soembawa en
+Flores, in oostelijke tot Nieuw-Caledonië, de Nieuw-Hebriden en de
+Salomonseilanden. Een hoofdtrek van hun karakter is de neiging tot
+gezelligheid. Meer dan andere Papegaaien zijn zij door gelijkheid
+van levenswijze en gelijksoortigheid van voedsel vereenigd; op een
+en denzelfden boom ziet men drie of vier van de meest verschillende
+soorten op vreedzame wijze met elkander verkeeren. Evenals de meeste
+Australische Papegaaien zijn ook zij gedwongen om te trekken, vooral
+de in 't Zuiden broedende soorten komen en gaan ieder jaar met een
+zekere regelmatigheid. Op hunne reizen vereenigen zij zich dikwijls in
+ontelbare menigte tot zwermen, die zoo dicht ineengedrongen zijn, dat
+zij op een wolk gelijken, gemeenschappelijk verschillende zwenkingen
+uitvoeren en door hun geschreeuw, dat op een korten afstand werkelijk
+oorverdoovend is, reeds van verre de aandacht trekken. Zij broeden
+gezellig in holle boomen.
+
+De inboorlingen van Australië tooien zich met de aan een snoer
+geregen koppen van Honigparkieten. De kolonisten jagen ze alleen
+om ze in de kooi te houden; men kan ze met zaden voeden en lang in
+'t leven houden; sommige broeden in de gevangenis; zelfs in Europa
+is dit voorgekomen. Hun vleesch is hard en taai en heeft bovendien
+een onaangenamen reuk.
+
+
+
+Het veelvuldigst ziet men in onze kooien de Veelkleurige Lori of
+Swainsonlori (Trichoglossus Novae-Hollandiae); een van de grootste
+soorten der groep, ongeveer even groot als de Carolina-parkiet;
+de kop, de wangen en de keel zijn paarsblauw, de achterhals, de
+mantel, de staartwortel, de vleugels en de staart donker grasgroen,
+de veeren van den bovenrug in het midden geel, aan den wortel rood,
+die van den nek vormen een onduidelijken, geelgroenen halsband;
+de kop, de borst en de onderdekveeren van den vleugel zijn fraai
+vermiljoenrood met onregelmatige, breede, lichtere en donkere,
+dwarse golvingen, de zijden van de borst hooggeel, de buikveeren
+donkerblauw, aan den wortel rood, de veeren van de zijden van den
+buik rood met blauwe eindvlek, de schenkels, de aarsstreek en de
+onderdekveeren van den staart grasgroen (elke veer afzonderlijk
+aan den wortel rood, in 't midden geel, aan de spits groen), de
+slagpennen aan de binnenzijde zwart, in het midden met een breede,
+gele vlek geteekend, de staartveeren aan de onderzijde citroengeel,
+bij den wortel met eenigszins roodachtige tint. De iris is oranjerood,
+de snavel bloedrood, de washuid donkerbruin, de poot vaalbruin. Deze
+prachtige Vogel bewoont de eucalyptus-wouden van geheel Nieuw-Holland
+en Van-Diemensland en voedt zich met honig en stuifmeel. Hij is veel
+levendiger en hartstochtelijker van aard dan de Breedstaartloris.
+
+
+
+De kleine onderfamilie van de Dwergpapegaaien (Micropsittacinae)
+draagt haar naam te recht, hoewel het kleinste lid der orde (Coryllis
+exilis) tot het geslacht der Vleermuispapegaaien behoort. Het
+veelvuldigst zijn zij op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden;
+Nieuw-Holland is het zuidelijkst, Leçon het noordelijkst deel van
+hun verbreidingsgebied. Door hun snavel gelijken zij op de Kaketoes.
+
+
+
+De Spechtpapegaaien of Dwergkaketoes (Nasiterna) hebben een zeer
+krachtigen snavel, veel hooger dan lang, met sterk naar beneden
+gekromde bovenhelft, die vóór de spits een diepe, scherphoekige
+insnijding vertoont. De korte, afgeronde staart is merkwaardig,
+doordat de schaften der pennen bij den top baardeloos zijn en als
+stijve, eenigszins benedenwaarts gekromde spitsen voorbij de vlag
+uitsteken. Men vermoedt, dat deze vogeltjes op soortgelijke wijze als
+de Spechten klimmen, waarbij de bijzonder dunne teenen, welker lengte
+het dubbele is van die van den loop, goede diensten kunnen bewijzen,
+hoewel de klauwen zwak en weinig gekromd zijn.
+
+Een van de vroegst bekende vertegenwoordigers der onderfamilie is de
+Roodborstige Dwergkaketoe (Nasiterna pygmaea), die ongeveer zoo groot
+is als ons Sijsje. De groene kleur heeft bij hem de overhand; zij
+gaat op den bovenkop in geel, op het aangezicht in geelbruin over; de
+onderdeelen zijn lichter, het midden van borst en buik is roodachtig;
+de pooten zijn geelbruin. De beide middelste staartpennen zijn blauw,
+de overige zwart met gele spitsen.
+
+
+
+Geheel tot het Australische Rijk beperkt is de onderfamilie der
+Platstaartpapegaaien (Platycercinae), die ruim 70 soorten omvat. Het
+brandpunt van haar verbreidingsgebied is Nieuw-Holland; noordwaarts
+en westwaarts strekt het zich uit tot de Molukken en Timor, oostwaarts
+tot de Gezelschapseilanden, zuidwaarts tot het Macquarie-eiland, waar
+de Papegaaisoort leeft, die zich het dichtst bij de pool ophoudt. De
+leden van deze groep hebben een kleinen of tamelijk kleinen snavel,
+welks washuid gewoonlijk bevederd is. Van hun in den regel langen,
+duidelijk wigvormigen staart verlengen zich meestal de vier middelste
+pennen, die onderling in lengte overeenkomen, voorbij de overige,
+die naar weerszijden trapsgewijs in lengte afnemen.
+
+Het soortenrijkste en meest typische geslacht van deze onderfamilie
+is dat der Waaierparkieten (Platycercus), zoo genoemd omdat zij in
+Nieuw-Holland en Tasmanië hunne naaste verwanten eveneens daar en in
+andere deelen van het Australische Rijk, een soortgelijken indruk
+maken als de Edelparkieten in het Ethiopische en het Indische. Zij
+kenmerken zich door de in 't oogvallende breedte hunner aan de spits
+afgeronde staartpennen (die niet van den wortel tot de spits smaller
+worden), den korten, krachtigen snavel, die bijna altijd meer hoog is
+dan lang, de zwakke pooten met betrekkelijk langen loop, de spitse
+en lange vleugels en het zachte, in den regel zeer bonte, slechts
+bij uitzondering alleen groen en rood gekleurde vederenkleed. Hun
+grootte wisselt af van die eener Lijster tot die eener Kraai.
+
+Er ontbreekt nog veel aan onze kennis van de levenswijze dezer door
+kleurenpracht en lieftallige inborst aantrekkelijke Vogels. Uit
+de onderzoekingen van Gould en anderen is gebleken, dat de
+Waaierparkieten, evenals de meeste hunner in Australië levende
+verwanten, zich meer op den grond dan in boomen ophouden. In Australië
+bewonen zij de uitgestrekte, op parken gelijkende vlakten, die hun in
+sommige jaren rijkelijk voedsel verschaffen, maar in andere veel te
+weinig opleveren, zoodat zij, evenals de Corellas, de Zangparkieten
+en de Grasparkieten (Euphemia), gedwongen zijn om meer of minder
+verre, aan geen regel gebonden reizen te ondernemen. Zij vliegen
+uitmuntend, zijn ook in het loopen zeer goed ervaren, maar staan, wat
+hun geschiktheid om te klimmen betreft, bij hunne verwanten merkbaar
+achter. Door hun stem onderscheiden zij zich gunstig van de meeste
+overige Papegaaien. Onaangename, krijschende, gillende of krassende
+geluiden hoort men zelden van hen, vaker een aangenaam gefluit en
+niet zelden een welluidend gezang of een zangerig gesnap. Hunne
+geestvermogens zijn minder goed ontwikkeld dan die van andere
+Papegaaien. Tamelijk ongeregeld zwerven zij bij vluchten door het land,
+komen ook in de onmiddellijke nabijheid van menschelijke woningen en
+zelfs in de steden, zijn gedurende de morgen- en avonduren gezellig
+op den bodem bezig en zoeken hier hun voedsel, dat uit allerlei
+zaden van grassen bestaat. Als de broedtijd nadert, verspreiden de
+leden der troepen zich min of meer, al naar de schaarschte of de
+overvloed van holle boomen hen hiertoe in staat stelt. In zulk een
+holte legt het wijfje op het met den snavel losgebeten, vermolmde
+hout of op eenige door haar aangevoerde, lichte bouwstoffen 4 à 8
+(volgens eenige berichtgevers soms niet minder dan 12) glanzig witte
+eieren; met groote zelfverloochening bebroedt zij ze, naar het schijnt,
+zonder hulp van het mannetje. De beide ouders houden zich vervolgens
+gezamenlijk bezig met het grootbrengen van hun talrijk kroost en
+hervatten hunne zwerftochten, als de jongen zoo ver ontwikkeld zijn,
+dat zij hen kunnen volgen.
+
+Sedert vele tientallen van jaren brengt ieder van Australië komend
+schip, dat levende Vogels vervoert, ook Waaierparkieten op onze
+dierenmarkt. Deze fraaie, voor een deel prachtig gekleurde Vogels
+trekken sterk de aandacht; de vogelliefhebbers ondervonden echter
+spoedig, dat het buitengewoon moeielijk is, Platstaartpapegaaien in
+de kooi te houden, of liever, dat wij tot dusver nog niet weten, hoe
+deze Vogels verzorgd moeten worden. Zij verdragen de gevangenschap
+veel minder goed dan alle andere leden der orde.
+
+
+
+Een der meest bekende vertegenwoordigers van het geslacht is de
+Rosella van de Australische kolonisten (Platycercus eximius), die
+den omvang heeft van een groote Lijster. De kop, de keel en de borst
+benevens de onderdekveeren van den staart zijn levendig karmijnrood,
+de veeren van het achterste deel en van de zijden van den hals, van
+den mantel en van de schouders zijn zwart met breede lichtgele zoomen,
+die van de onderborst hooggeel, die van de zijden van de borst geel
+met zwarte middelvlek, die van den buik, van de schenkels, van den
+staartwortel en de bovendekveeren van den staart fraai lichtgroen,
+vaalgeelachtig uitvloeiend, de slagpennen zwartbruin, met donkerblauwen
+rand op de buitenvlag, de handpennen prachtig paarsblauw, de laatste
+3 of 4 armpennen met breeden, lichtgroenen rand op de buitenvlag,
+alle van onderen grijsachtig zwart; de middelste staartveeren zijn
+donker olijfkleurig groen, nader bij de spits blauwachtig groen; van
+de overige is de wortelhelft donkerblauw, de tophelft licht paarsblauw,
+de top wit. Een witte baardvlek strekt zich van den bovensnavel tot aan
+de oorstreek uit; een groote zwarte vlek versiert de voorarmstreek. De
+oogen, de snavel en de pooten zijn donkerbruin. Deze fraaie Parkiet
+bewoont Zuid-Australië, Nieuw-Zuid-Wales en Tasmanië; hier is hij
+een van de veelvuldigst voorkomende Vogels.
+
+
+
+Een van de soorten, die het meest afwijken van het algemeene type
+der onderfamilie is de Nymfparkiet, de Corella of Kaketoepapegaai
+van de Australische kolonisten (Callipsittacus Novae-Hollandiae). De
+Corella is ongeveer even groot als een van onze grootste Lijsters,
+maar schijnt grooter wegens haar langen, "lansvormigen" staart. Het
+vederenkleed is zeer bont en bevallig geteekend; de hoofdkleur, donker
+olijfkleurig grijsbruin, gaat op de onderdeelen in grijs over; de
+bovenkop, de teugel en de wang zijn licht stroogeel, evenals de veeren
+van de kuif, die de kruin versiert; deze hebben echter grijze spitsen;
+een ronde vlek in de oorstreek is saffraanrood, van achteren door
+een witten rand begrensd; de leikleurig grijze handpennen hebben een
+donkerbruine binnenvlag en spits; de armpennen zijn, met uitzondering
+van de laatste, wit op de buitenvlag, maar bruinzwart op de binnenvlag
+en de spits; de bovendekveeren van den vleugel zijn bruinzwart,
+de onderdekveeren, evenals de onderzijde van de slagpennen, zwart,
+de stuurpennen aschgrauw aan den binnenrand en van onderen zwart,
+met uitzondering van de beide middelste, die een grijze kleur hebben;
+de bovendekveeren van den staart zijn aschgrauw, de onderdekveeren iets
+donkerder. De iris is donkerbruin, de naakte ring om de oogen grijs,
+de snavel zwartachtig grijs, de washuid grijs, de voet grijsbruin.
+
+Gould, die de eerste levensbeschrijving van de Corella gegeven heeft,
+trof deze fraaie Vogels zeer veelvuldig aan in de binnenlanden van
+Australië. Aan de kusten zijn zij zeldzamer; althans in verhouding
+tot de duizenden, die de vlakten van het binnenland bevolken, vindt
+men er slechts weinige tusschen de groote bergketens en de zee. Na den
+broedtijd vereenigen zij zich tot ontzaglijke zwermen, die den bodem
+over een groote uitgestrektheid bedekken of op doode eucalyptus-takken
+aan den waterkant zitten. In September trekken deze zwermen naar het
+zuiden, in Februari en Maart keeren ze naar het noorden terug, waar
+zij in den zomer broeden. Evenals de meeste van hare verwanten voeden
+de Corellas zich met graszaden; zij kunnen echter niet zonder water
+en moeten zich daarom altijd in de nabijheid van stroomen ophouden;
+daarom nestelen zij steeds in bosschen langs rivieroevers. Zij zijn
+volstrekt niet schuw; vele worden gedood om haar smakelijk vleesch,
+andere gevangen en wegens haar bevallig voorkomen en lieftalligen
+aard in de kooi gehouden.
+
+Van alle Australische Papegaaien komt de Corella (na den Zangparkiet)
+het veelvuldigst op onze dierenmarkten voor. Men kan haar bij
+doelmatige verzorging langer in 't leven houden dan eenige andere
+Papegaai; het kost niet veel moeite om haar in de gevangenschap met
+goed gevolg aan 't broeden te krijgen.
+
+
+
+Onder alle Papegaaien, die bij ons als gevangenen voorkomen,
+verdient een kleine, Australische Parkiet zonder eenig voorbehoud
+de eereplaats. Men kan zich trouwens moeielijk een Papegaai
+voorstellen, die beter dan hij voor kamervogel geschikt is. Andere
+Parkieten bekoren ons door hunne prachtige kleuren, de Zangparkiet
+(Melopsittacus undulatus), die hier bedoeld wordt, trekt ons aan door
+zijn bevallig voorkomen en zijn lieftalligheid, ik zou bijna zeggen,
+door zijn aanminnigheid. Schoonheid bezit hij ook in hooge mate, maar
+zijn beminnelijkheid is grooter dan de pracht van zijn kleed. Hij is
+een sieraad van iedere kamer en wint spoedig ieders genegenheid.
+
+De Zangparkiet, tot dusver de eenige, bekende vertegenwoordiger van
+zijn geslacht, behoort tot de kleine Papegaaien; door zijn langen
+staart schijnt hij echter grooter dan hij werkelijk is. Zijn lengte
+bedraagt 20 à 22 cM., zijn staart is bijna 10 cM. lang. Zijn gestalte
+is zeer sierlijk, de romp slank, de snavel hooger dan lang, aan de
+zijden en op den rug afgerond, de bovensnavel bijna loodrecht naar
+beneden gebogen en tot een ver overhangende spits versmald, vóór
+deze diep uitgesneden, de ondersnavel even hoog als de bovensnavel;
+de voeten zijn slank, de vleugels lang en spits; de lange staart, welks
+beide middelste veeren ver voorbij de andere uitsteken, is trapvormig,
+het vederenkleed buitengewoon zacht en zeer lief geteekend, bij de
+mannetjes, wijfjes en jongen weinig verschillend. Het voorhoofd, de
+bovenkop, de teugel en de streek om den ondersnavel zijn zwavelgeel,
+aan weerszijden begrensd en getooid door vier schelblauwe vlekken, die
+aan den top van verlengde veeren voorkomen; de oorstreek, de achterkop,
+de achterhals, de mantel, de schouders en de meeste bovendekveeren
+van den vleugel hebben een groenachtig gele kleur; elke veer is
+echter geteekend met vier zwarte dwarslijnen, die op de schouders
+en de vleugeldekveeren tot twee verminderd en tevens verbreed zijn;
+de achterrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart,
+alsmede de onderdeelen, van de kin af, zijn prachtig grasgroen, de
+handpennen en hare dekveeren dofgroen, met wigvormige, geelachtige
+vlekken geteekend, de meeste armpennen aan de buitenzijde groen,
+de laatste armpennen en de laatste schouderveeren bruinzwart met
+breeden, gelen eindzoom, de beide lansvormige veeren van den staart
+dof donkerblauw, de overige stuurpennen groenachtig blauw met breeden,
+zwarten zoom aan den wortel van de binnenvlag. Het oog is lichtgeel,
+de snavel hoorngeel, de poot blauwachtig groen.
+
+Tegenwoordig weet men, dat deze Vogel in verbazend grooten getale
+het geheele binnenland van Australië en wel hoofdzakelijk de met
+gras begroeide vlakten bewoont en zich hier met zaden van grassen
+voedt. Alle onderzoekers, die hem in de vrije natuur zagen, zijn even
+eenstemmig in hun lof als de liefhebbers, die hem alleen in de kooi
+leerden kennen.
+
+Toen Gould in het begin van December de vlakten van het binnenland
+bezocht, zag hij zich omgeven door Zangparkieten en besloot langen
+tijd op dezelfde plaats te blijven om hunne zeden en gewoonten na te
+gaan. Zij verschenen in vluchten van 20 à 100 stuks in de nabijheid
+van een kleine plas om te drinken en vlogen van hier op geregelde
+tijden naar de vlakten om daar de graszaden, die hun eenige voedsel
+uitmaken, op te pikken. Het veelvuldigst kwamen zij in den vroegen
+morgen en 's avonds, voordat het donker werd, bij het water. Gedurende
+de heetste uren van den dag zaten zij bewegingloos onder de bladen van
+de eucalyptus-boomen, welker stammen de holten bevatten, die destijds
+door broedende paren bewoond werden. Zoolang zij zich op de boomen
+rustig hielden, waren zij moeielijk te ontdekken; zoodra zij echter
+de drinkplaats wilden bezoeken, gingen zij vrij en in grooten getale
+zitten op de doode takken der eucalyptus-boomen of op takken, die tot
+op het water afhingen. Hunne bewegingen zijn bewonderenswaardig. Zij
+vliegen rechtuit en buitengewoon snel, op de wijze van Valken of
+Zwaluwen, in de meeste opzichten anders dan de overige Papegaaien. Op
+den bodem is hun gang betrekkelijk goed; zij klimmen in de twijgen
+althans niet zonder behendigheid. Gedurende het vliegen hoort men
+van hen een krijschend geluid; het vriendschappelijk gesnap van de
+zittende Vogels zou men een gezang kunnen noemen, indien de tonen van
+iederen zanger zich niet vermengden met die van tallooze soortgenooten,
+waardoor een verward mengelmoes van tonen ontstaat.
+
+Volgens de mededeelingen van een Duitscher, die vele jaren in
+Australië woonde, worden de Zangparkieten tegen den avond in
+groote, buidelvormige netten bij honderden en duizenden gevangen,
+in ruwe kistkooien opgesloten en zoo aan de vogelhandelaars in de
+kuststeden afgeleverd. De zorgvuldigste onder hen brengen de Vogels
+bij troepjes in kleine kooien over, welker zitstokjes als de treden
+van een trap achter en boven elkander gelegen zijn, opdat het grootst
+mogelijk aantal Vogels in de kleinst mogelijke ruimte een plaats kan
+vinden. Zulk een voor de reis bestemde kooi levert een alleraardigst
+schouwspel op. Het geheele gezelschap zit in gesloten gelederen op de
+zitstokjes; de eene rij van gezichten kijkt over de andere reeks van
+koppen heen; aller oogen zijn op den toeschouwer gericht; iedere Vogel
+schijnt om verlossing uit de nauwe gevangenis te smeeken. Twist en
+strijd, die bij andere Papegaaien zoo veelvuldig voorkomen, merkt men
+bij den Zangparkiet ook wel, doch altijd slechts bij uitzondering op.
+
+De Zangparkiet is niet een van de Papegaaien, waarvan men dikwijls
+opmerkt, dat zij uit droefheid over het verlies van hun lotgenoot
+aan 't kwijnen gaan en sterven; hij verlangt echter gezelschap en,
+zooals licht te begrijpen is, bij voorkeur dat van een soortgenoot
+van een andere sekse dan de zijne. Desnoods stelt hij zich tevreden
+met een kleinen Papegaai van een andere soort; nooit echter zal hij
+dezen met de lieftallige teederheid behandelen, die hij jegens zijns
+gelijken aan den dag legt. Het is daarom noodig deze Vogels altijd bij
+paren in de kooi te houden; alleen dan toonen zij zich zoo lieftallig,
+als zij zijn kunnen.
+
+Een uitmuntende eigenschap van den Zangparkiet is zijn soberheid. Geen
+enkele kamervogel verlangt zoo weinig afwisseling in zijn voeding,
+als deze kleine Papegaai. Met één soort van voedsel kan hij jaren lang
+toe. De graszaden van Australië vervangt men door gierst, kanariezaad
+en hennep; deze bekomen hem goed. Dikwijls heeft men zonder succes
+beproefd, hem aan andere zaden te gewennen. Gaarne gebruikt hij echter
+sappige bladen, vooral sla, kool en dergelijke groenten. Vruchten,
+suiker en andere lekkernijen versmaadt hij aanvankelijk steeds,
+langzamerhand gewent hij er echter aan. Het ligt voor de hand,
+dat de gemakkelijkheid, waarmede deze Vogel onderhouden kan worden,
+er veel toe heeft bijgedragen, om hem in den smaak te doen vallen.
+
+De Zangparkiet weet nog op een andere wijze de genegenheid van den
+mensch te verwerven. De meeste andere Papegaaien, zelfs de soorten,
+die het best geschikt zijn voor het verkeer met den mensch, zijn soms
+onverdragelijk wegens hun geschreeuw, hoe beminlijk zij overigens ook
+zijn. Zij, die zich door woorden voor hunne verzorgers verstaanbaar
+weten te maken, kunnen dikwijls geen weerstand bieden aan de hun
+aangeboren neiging tot tieren en wisselen de woorden, die zij hebben
+leeren zeggen, met een afschuwelijk gekrijsch af. Geheel anders is het
+met de Zangparkieten. Ook zij beschikken over een uitmuntende stem,
+maar gebruiken deze nooit op een hinderlijke wijze, integendeel,
+men kan altijd met genoegen naar hen luisteren. Deze Vogels, althans
+de mannetjes, dragen hun naam te recht; hun gesnap is meer dan een
+gekweel, het is een wel is waar eenvoudig, maar toch recht aardig
+wijsje. Enkele heeft men zelfs woorden leeren naspreken.
+
+De dierenfokker, die de Zangparkieten bij paren houdt, ze doelmatig
+verzorgt, zoo weinig mogelijk stoort en hun een geschikte gelegenheid
+om te nestelen verschaft, zal bijna zonder uitzondering de vreugde
+smaken, dat zijne gevangenen zich voortplanten. Het mannetje is een
+model-echtgenoot, bemoeit zich uitsluitend met zijn eigen wijfje en
+nooit met andere wijfjes, die dezelfde kooi bewonen; hij is steeds vol
+zorg voor zijn gade. Op een tak vóór den ingang van het nest gezeten,
+zingt hij haar zijne fraaiste wijsjes voor; terwijl zij broedt,
+vervult hij steeds met ijver en genoegen de taak om haar met voedsel
+te voorzien. Nooit is hij treurig, stil of slaperig, gelijk zoovele
+andere Papegaaien, maar altijd vroolijk en lieftallig.
+
+Het wijfje zorgt uitsluitend voor het gereedmaken van het nest. Zij
+bewerkt de opening van den hollen stam zoolang met den snavel,
+totdat de ingang aan de gestelde eischen voldoet, knaagt vervolgens
+van binnen spanen van verschillende grootte los en legt hierop,
+met tusschenpoozen van 2 dagen, 4 à 8 kleine, rondachtige, glanzig
+witte eieren. Zij bebroedt ze zeer ijverig gedurende 16 à 20 dagen,
+verwijdert zich alleen dan voor een korte poos wanneer de dringendste
+behoefte haar er toe noopt, en wordt intusschen door het mannetje
+gevoederd. De jongen blijven 30 à 35 dagen in het nest en verlaten het
+eerst, als zij geheel bevederd zijn. Voortdurend wordt de kinderkamer
+door het wijfje zorgvuldig schoon gehouden.
+
+Onmiddellijk nadat het eerste broedsel zelfstandig geworden is,
+beginnen de oude Vogels aan een tweede, als ook deze jongen uitgevlogen
+zijn, gewoonlijk aan een derde en een vierde. In den dierentuin te
+Breslau heeft men waargenomen, dat een paar een vol jaar onafgebroken
+broedde! Zulke gevallen behooren tot de uitzonderingen: twee broedsels
+achtereen schijnt echter de regel te zijn.
+
+Ten slotte moeten wij nog vermelden, dat de Zangparkieten ook bij
+ons in de vrije natuur in 't leven kunnen blijven. Op het landgoed
+van een bekenden dierenliefhebber in België, vlogen in de lente
+van het jaar 1861 twee paar Zangparkieten uit een kooi weg. Weldra
+verloor men ze uit het oog in de boomkronen van een groot park
+en werden een tijdlang in 't geheel niet of slechts zeer vluchtig
+waargenomen. Zij bleven echter ditzelfde gebied bewonen, en hadden er,
+zooals later bleek, zelfs in holle boomen genesteld en een aantal
+jongen grootgebracht. De eigenaar ontdekte n.l. in den herfst van
+het genoemde jaar een vlucht van 10 à 12 stuks Zangparkieten in een
+haverveld, waar zij van de graanvruchten smulden. Sedert dien tijd
+werden de Vogels door voorzichtig voederen langzamerhand naderbij
+gelokt; voor den aanvang van den winter waren er 10 stuks van gevangen.
+
+
+
+Onder de talrijke Papegaaiensoorten, die Australië bewonen, nemen
+de Kaketoes (Plissolophinae) een belangrijke plaats in. Zij vormen
+een tamelijk scherp begrensde groep en worden daarom terecht in een
+afzonderlijke onderfamilie vereenigd. Haar meest in 't oog vallend
+kenmerk is de kuif, die den kop versiert, opgezet en neergelegd
+kan worden; dit eene kenmerk is voldoende om haar van alle overige
+Papegaaien (met uitzondering van den Corella) te onderscheiden. (De
+naam "Kaketoe" is aan het Maleisch ontleend en beteekent, "oude
+vrouw".)
+
+Het verbreidingsgebied van de Kaketoes strekt zich uit van de
+Philippijnen tot Tasmanië en van Timor, Flores en Celebes tot de
+Salomonseilanden en Nieuw-Britannië. Bijna alle landen en eilanden, die
+binnen deze kring gelegen zijn, worden door Kaketoes bewoond. Hoewel
+enkele soorten over uitgestrekte landstreken of over verscheidene
+eilanden verbreid zijn, bewonen de meeste een buitengewoon beperkt
+gebied. Zij vormen voor 't meerendeel groote, dikwijls ontzaglijke
+zwermen, die in bosschen van zeer verschillenden aard verblijf houden,
+van hier uit over velden en dreven zwerven en in alle omstandigheden
+den toeschouwer een phantastisch schoon schouwspel verschaffen.
+
+Door hun aard en gewoonten gelijken de Kaketoes op de overige
+Papegaaien; zij behooren echter tot de beminnelijkste leden van
+deze orde. Verklaarbaar is het, dat zij bij den mensch uit de gunst
+geraken, wanneer zij, tot zwermen van duizenden vereenigd, haar
+onaangenaam gekrijsch laten hooren; toch vat ieder, die een dezer
+Vogels leert kennen en op een vriendschappelijke wijze behandelt,
+genegenheid voor hem op. Alle Kaketoes zijn schrandere en verstandige,
+de meeste ook ernstige en zachtmoedige Vogels. Hare geestvermogens
+zijn buitengewoon sterk ontwikkeld, haar nieuwsgierigheid is niet
+minder groot dan haar geheugen, het eigenaardige karakter-verschil
+van ieder zeer opmerkelijk. Er zijn er misschien geen twee te vinden,
+die zich geheel op dezelfde wijze gedragen. De Kaketoe sluit gaarne
+een innige vriendschap met den mensch, is minder valsch dan andere
+Papegaaien en is erkentelijk voor de haar betoonde genegenheid, die
+zij van ieder op dezelfde wijze schijnt te verlangen. Onvriendelijk en
+onbeminnelijk wordt zij eerst, wanneer zij onaangename ervaringen heeft
+opgedaan. De beleedigingen, die zij heeft moeten dulden, vergeet zij
+niet, of niet licht: het eens gewekte wantrouwen kan moeielijk uit den
+weg worden geruimd. Dit is misschien de eenige onaangename karaktertrek
+van de Kaketoe; over 't geheel genomen heeft zachtaardigheid bij
+haar de overhand. Zij wil liefhebben en geliefd zijn en geeft dit
+weldra op alle denkbare wijzen aan haar verzorger te kennen. Zoodra
+zij zich geschikt heeft in haar gevangenschap en vertrouwen voor een
+mensch heeft opgevat, laat zij gaarne toe, dat men haar streelt, buigt
+gewillig den kop, zoodra men een beweging maakt om haar te liefkoozen,
+en gaat letterlijk met hare veeren de streelende hand te gemoet.
+
+De Kaketoe bezit echter nog andere goede eigenschappen. Hare groote
+gaven blijken niet alleen uit haar uitmuntend geheugen, maar ook
+uit haar groote leerzaamheid. In dit opzicht wedijvert zij met de
+meest begaafde van alle Papegaaien. Ook zij kan vrij gemakkelijk
+en vlug leeren spreken, koppelt verscheidene woorden samen tot een
+verstaanbaar geheel en gebruikt geheele uitdrukkingen op een passende
+wijze, laat zich africhten tot kunststukjes van velerlei aard: een
+zeer groot verstand kan men haar niet ontzeggen.
+
+De stem, die de Kaketoe van nature bezit, is een afschuwelijk,
+onbegrijpelijk gekrijsch. Het woord "Kaketoe" en dergelijke aangeleerde
+klanken spreken de meeste op een innemend teedere wijze uit; hierdoor
+trachten zij haar vriendschappelijke gezindheid of haar gedweeheid
+jegens haar verzorger te kennen te geven.
+
+Evenals de andere Papegaaien zijn ook de Kaketoes gezellig van
+aard; zij zijn in den vrije natuur tot troepen vereenigd, en
+blijven zelfs gedurende den broedtijd nog in zeker verband met
+elkander. Den nacht brengen zij goed verborgen in de dichtste kronen
+der hoogste boomen door; den morgen begroeten zij met een ver klinkend
+geschreeuw. Daarna verlaten zij haar rustplaats en vliegen met lichte
+vleugelslagen, dikwijls zwevend en glijdend, naar den een of anderen
+vruchtdragenden akker of een dergelijk oord, waar zij voedsel hopen te
+vinden. Zij trekken zooveel mogelijk partij van het door haar bewoonde
+gebied. Hoewel vruchten en zaden haar voornaamste voedsel uitmaken,
+eten zij ook wel kleine knollen en bollen, die zij met den langen,
+gekromden bovensnavel zeer behendig uit den grond graven; ook gebruiken
+zij wel paddestoelen en verzwelgen tevens, gelijk de Hoenderen doen,
+kleine of middelmatig groote stukken kwarts, stellig met dezelfde
+bedoeling als andere zaadetende Vogels, n.l. om het fijnmaken van het
+voedsel door de spiermaag te bevorderen. Het nest treft men, al naar
+het door den Vogel bewoonde terrein, in holle boomen, vooral in holle
+takken, maar ook in rotsspleten aan. Het nest bevat bij 't broeden in
+den regel 2 (hoogstens 3) zuiver witte, eenigszins spits toeloopende
+eieren, die ongeveer zoo, groot zijn als die van een "krielkip",
+maar aan hun glans gemakkelijk van deze onderscheiden kunnen worden.
+
+Wegens de schade, die de Kaketoes overal, waar zij in grooten
+getale voorkomen, aan den landbouw toebrengen, worden zij in haar
+vaderland ijverig belaagd en bij honderden gedood. Uit de berichten
+van ervaren reizigers blijkt, dat deze Vogels, als zij vervolgingen
+moeten verduren, weldra een buitengewone voorzichtigheid toonen,
+evenals andere Papegaaien of als Apen gedurende hunne rooftochten op
+een echt listige wijze handelen en daarom moeielijk of in 't geheel
+niet van de akkers af te houden zijn. Evenals de kolonisten maken ook
+de inboorlingen van Nieuw-Holland jacht op de Kaketoes; zij doen dit
+op een eigenaardige wijze. "Zij gebruiken", zegt Grey, hiervoor het
+eigenaardige wapen, dat onder den naam "boemerang" bekend is, een
+sikkelvormig, plat stuk hard hout, dat zij uit de hand meer dan 30
+M. ver werpen; draaiend doorklieft het de lucht en treft, hoewel het
+herhaaldelijk van den rechten weg afwijkt, met vrij groote zekerheid
+het doel. De Kaketoes zoeken gaarne een oord op, waar prachtige, hooge
+boomen een waterplas omgeven; hier ziet men ze dikwijls in ontelbare
+menigte te midden van de twijgen rondklauteren of van den eenen boom
+naar den anderen vliegen; gewoonlijk slapen zij hier 's nachts. Met
+de grootst mogelijke voorzichtigheid moet de inboorling zich naar een
+dezer slaapplaatsen begeven; hij sluipt van boom tot boom, kruipt van
+den eenen struik naar den anderen en doet zijn uiterste best om zoo
+weinig mogelijk de aandacht te trekken van de waakzame Vogels. Toch
+wordt de naderende vijand, ondanks zijn onhoorbaren, veerkrachtigen
+gang, door de Kaketoes opgemerkt; het dreigende gevaar, over welks aard
+zij nog in 't onzekere verkeeren, brengt een algemeene opschudding
+te weeg. Intusschen is de vervolger aan den waterkant gekomen,
+waar zijn donkere gestalte zich plotseling verheft boven de planten,
+waarachter hij verborgen was. Met een oorverscheurend getier stijgen
+de Vogels als een witte wolk omhoog; in 't zelfde oogenblik slingert
+de jager zijn wapen te midden van den zwerm. De boemerang danst met de
+zonderlingste sprongen en wendingen boven den waterspiegel, verheft
+zich, een kromme lijn volgend, hoe langer hoe meer en zwiert in 't
+volgende oogenblik te midden van de Vogels rond. Hem wordt een tweede,
+een derde, een vierde dergelijk wapen achterna gezonden. Te vergeefs
+trachten de overrompelde dieren te ontvluchten; de schijnbaar aan geen
+regel onderworpen baan van het werptuig brengt hen in verwarring en
+verlamt hun vlucht. De eene voor, de andere na komt met den boemerang
+in aanraking, hetzij dat het suizende wapen hem den hals doorsnijdt
+of een vleugel verbrijzelt. Schreeuwend van pijn en woede vallen
+de getroffen Vogels naar beneden, maar de jager heeft reeds zijn
+doel bereikt, als de overblijvende Kaketoes tot bezinning komen en
+vol schrik wegvliegen, of een schuilplaats zoeken in de dichtste
+boomkronen."
+
+Het vleesch van deze dieren is, naar men zegt, vrij goed bruikbaar,
+vooral voor het bereiden van soep.
+
+Dat het niet moeielijk is de Kaketoes levend te vangen, blijkt uit
+het groot aantal exemplaren, dat naar Europa wordt gebracht. Bij
+doelmatige verzorging kunnen zij bij ons vele jaren lang in 't leven
+blijven; er zijn voorbeelden van bekend, dat Kaketoes langer dan 70
+jaar in de kooi geleefd hebben. Zij zijn niet moeielijk te onderhouden;
+langzamerhand geraken zij gewoon aan al wat de mensch eet.
+
+
+
+Op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden, vooral op Salawatti, Misool,
+Waigioe en de Aroe-eilanden en ook op de noordspits van Australië,
+ontmoet men de Arara-kaketoe (Microglossus aterrimus), in een deel
+van Nieuw-Guinea Rasmalos genoemd. Deze Vogel is een van de grootste
+Papegaaien; zijn snavel is kolossaler dan die van eenig ander lid der
+orde. Zijn plaatsing in deze onderfamilie is voornamelijk gegrond op de
+kortheid en den vorm van den breeden staart en op de aanwezigheid van
+een kuif op den kop; deze is echter op geheel andere wijze samengesteld
+dan bij de echte Kaketoes. Door den ontzagwekkenden snavel en de
+naaktheid van de wang herinnert deze Vogel aan de Araras. Eigenaardig
+is de vorm van zijn tong; deze is tamelijk lang, vleezig, rolvormig,
+aan de bovenzijde uitgehold en van voren afgeplat, donkerrood, aan de
+spits hoornachtig en hier als 't ware met een zwart pantser bedekt;
+zij kan tamelijk ver buiten den snavel uitgestoken en als een lepel
+gebruikt worden; het met den snavel fijngemaakte voedsel wordt er
+er mede opgenomen en naar den slokdarm vervoerd. De randen van de
+tong zijn zeer beweeglijk; zij kunnen naar boven tegen elkander
+aangelegd worden, zoodat de spijsbrok dan omsloten is door een buis
+en gemakkelijk naar binnen glijdt.
+
+De Rasmalos is forscher gebouwd dan de meeste Araras. Zijn vederenkleed
+is effen donkerzwart met een zwakken groenachtigen weerschijn; bij
+den levenden Vogel heeft het echter een grijsachtige tint, omdat het
+met een meelachtig stof bedekt is. De onbevederde, rimpelige wangen
+zijn rood van kleur. De kuif bestaat uit lange, smalle veeren, welker
+kleur meer naar grijs zweemt dan die van het overige lichaam.
+
+Over het leven van dezen Vogel in de vrije natuur is weinig bekend. "De
+Arara-kaketoe," zegt Von Rosenberg, "is niet zeldzaam op Waigioe,
+Misool, Salawatti en op de kust van Nieuw-Guinea. Meestal houdt zij
+zich op in de kroon van de hoogste boomen, waar zij voortdurend in
+beweging is; terwijl zij zit of met krachtige vleugelslagen hoog in de
+lucht voorbijvliegt, hoort men haar ratelende stem, welke een geheel
+anderen klank heeft dan die van de Witte Kaketoes. De inboorlingen
+nemen de jonge Vogels uit het nest, brengen ze groot en verkoopen ze
+daarna aan de handelaars. De gevangenen eten het liefst de vruchten
+van den kanariboom, welker ijzerharde bolster zij gemakkelijk stuk
+maken. Zij worden zeer tam. Een van deze Kaketoes, die aan een bewoner
+van Amboina behoort, zwerft vliegend door de geheele stad rond en
+komt te rechter tijd thuis om te eten en te slapen."
+
+E. von Martens zag een gevangen exemplaar van deze soort op Mahai. "De
+Zwarte Kaketoe," schrijft hij, "is een grappige Vogel. Stijf zittend
+met haar rood aangezicht, haar kolossalen snavel en haar steeds
+overeindstaande vederenpluim, doet zij denken aan een ouden generaal;
+vooral door haar leelijkheid maakt zij een levendigen indruk. Zij is
+stil en vervelend; bij de nadering van een vreemdeling en ook nu en
+dan zonder eenige aanleiding laat zij haar krakende stem hooren." Deze
+klinkt volgens Schmidt als "ra-a" en herinnert aan het kraken van
+een deur.
+
+Op Amboina ziet men dikwijls getemde Arara-kaketoes; haar prijs
+bedraagt daar 20 à 25 gulden per stuk. In Europa komen zij zelden
+voor. In den Amsterdamschen dierentuin was er één, die men aan allerlei
+voedsel, vleesch uitgezonderd, had kunnen gewennen en die zich daarbij
+wel bevond.
+
+
+
+Het naast verwant aan de beschreven soort zijn waarschijnlijk
+de Raafkaketoes (Calyptorhynchus), welker grootte in den regel
+afwisselt van die van een Raaf tot die van een Kauw; wegens hare groote
+vliegwerktuigen zien zij er nog grooter uit dan zij werkelijk zijn. De
+opmerkelijk krachtige snavel is hooger dan lang, half-cirkelvormig
+naar beneden en met de korte spits naar binnen gekromd; de pooten
+zijn dik, de vleugels lang en spits; de vleugelspits steekt ver uit;
+de staart is lang, breed en sterk afgerond; het zachte vederenkleed
+bestaat uit breede, aan den top afgeronde veeren; die van den achterkop
+zijn verlengd en vormen een achterwaarts gekromde kuif.
+
+
+
+De overgang van de echte Kaketoes tot de Raafkaketoes vormt de
+Helmkaketoe (Calyptorhynchus galeatus), die de grootte heeft van een
+Woudduif. Zij is donker leikleurig zwart, met flauwe dwarsgolven,
+daar iedere veer aan de spits een smallen, licht grijsachtig witten
+zoom heeft; de kop, de nek, de wangen en de kuif hebben een prachtige,
+karmijnroode kleur; de armpennen hebben bovendien somber metaalglanzig
+groene zoomen; de onderdekveeren en de onderzijde der pennen, zoowel
+van den vleugel als van den staart, zijn grauwzwart.
+
+
+
+Over de levenswijze van de Helmkaketoe ontbreken tot dusver uitvoerige
+berichten; beter kent men andere leden van haar geslacht, als welke
+meest typischen vertegenwoordiger men de Raafkaketoe (Calyptorhynchus
+Banksii) mag beschouwen. Zij is grooter dan alle tot dusver genoemde
+Kaketoes: haar totale lengte bedraagt ongeveer 70 cM., waarvan
+30 cM. op den staart komen. Het vederenkleed, de staart alleen
+uitgezonderd, is bij het mannetje glanzig zwart met groenachtigen
+weerschijn, bij het wijfje groenachtig zwart; de kop, de zijden van
+den hals en de vleugeldekveeren zijn geel gevlekt, de onderdeelen
+lichtgeel gestreept. Een breede, karmijnroode dwarsband komt bij het
+mannetje op het midden van den staart voor, maar laat de middelste
+staartveeren en de buitenvlag der beide buitenste veeren vrij. Bij het
+wijfje treft men breede, gele, roodgeel gesprenkelde dwarsbanden aan,
+die dezelfde eigenaardigheid vertoonen; ook de onderste staartdekveeren
+zijn op deze wijze geteekend.
+
+De Raafkaketoes behooren in Australië thuis, maar zijn over
+verschillende districten van dit werelddeel verbreid. Zij zijn echte
+boomvogels, die zich hoofdzakelijk voeden met zaden van eucalypten
+en van andere boomen van haar vaderland, hoewel zij af en toe ook,
+in tegenstelling met andere Papegaaien, vette maden gebruiken. Van
+de overige Kaketoes verschillen zij voorts, doordat zij tot slechts
+kleine vluchten van 4 à 8 stuks vereenigd zijn, en zelden, n.l. als
+zij trekken of zwerven, zwermen vormen.
+
+Voor zoover men thans weet, broeden de Raafkaketoes uitsluitend
+in gaten van boomen. Zij kiezen hiervoor altijd de hoogste en
+ontoegankelijkste reuzen van het woud, in den regel zulke, die zelfs
+door de inboorlingen niet beklommen kunnen worden.
+
+Behalve de mensch maken, naar men zegt, ook de Roofbuideldieren en
+de groote Roofvogels met goed gevolg jacht op de Raafkaketoes. Haar
+vleesch wordt door de blanke bewoners van Australië niet, door de
+inboorlingen echter, evenals alle eetbare voortbrengselen van dit
+arme land, zeer hoog geschat.
+
+Gevangen Raafkaketoes komen zelden op onze dierenmarkt; meestal leven
+zij in de kooi niet lang.
+
+
+
+Het tot inleiding dienend, algemeen overzicht van de onderfamilie
+heeft meer bepaaldelijk betrekking op de Kaketoes in de meer
+beperkte beteekenis van het woord (Plissolophus); deze hebben een
+zeer gedrongen lichaamsbouw en zijn groot of middelmatig groot;
+haar grootte wisselt af tusschen die van een Raaf en die van een
+Kauw. Haar verbreidingsgebied omvat bijna alle hierboven aangeduide
+landen en eilanden, waar leden van de onderfamilie voorkomen; haar
+levenswijze is reeds in de inleiding geschetst.
+
+
+
+De Moluksche Kaketoe (Plissolophus moluccensis) verdient den voorrang
+als waardigste vertegenwoordigster van het geslacht. Zij en een
+Australische verwant (Plissolophus galeritus) overtreffen alle
+overige soorten in grootte. Haar wit, met een licht rozerood waas
+overtogen kleed is zeer fraai en getooid met een prachtige kuif,
+die uit meniekleurige veeren van 17 cM. lengte bestaat, welke van
+onderen door witte veeren overdekt zijn. De wortelhelft van de
+slagpennen en van de staartveeren is aan de onderzijde geelachtig,
+de iris is donkerbruin, de kleine kring om het oog grijsachtig blauw
+of blauwachtig wit, de snavel, evenals de poot, zwart, doch met een
+grijs poeder bedekt, bij de in vrijheid levende exemplaren met een
+pruimenblauw waas overtogen. De Moluksche Kaketoe bewoont zoo goed als
+uitsluitend het eiland Ceram. Slechts zeer zelden vliegt zij naar het
+eiland Amboina over, dat twee volle graadminuten verder zuidwaarts is
+gelegen. Vooral zij brengt zoowel aan de kust, als in het binnenland,
+in de vlakte zoowel als in het gebergte leven in het stille woud van
+dit eiland, dat over 't geheel genomen niet rijk aan Vogels is.
+
+De gevangen Moluksche Kaketoe vereenigt als 't ware alle eigenschappen
+van haar familie en meer bepaaldelijk die van haar geslacht, in
+zich. Zij is een prachtige Vogel; hoe langer iemand met haar verkeert,
+des te meer genegenheid zal hij voor haar gevoelen. Bijna altijd is
+zij reeds getemd, als zij in Europa aankomt, maar nog eenigszins
+knorrig ten gevolge van de ontberingen der reis; weldra schikt
+zij zich echter in de gewijzigde omstandigheden en toont zich zeer
+dankbaar voor de haar bewezen vriendschap, die zij met deemoedige
+gehechtheid beantwoordt. Zij is zeer opgewekt van geest en daarom zeer
+beweeglijk. "Zelfs als zij rustig op haar zitstok zit," zegt Linden
+zeer te recht, "toont zij minstens door het opzetten en neerleggen van
+haar kuif, dat zij alles opmerkt, wat er om haar heen voorvalt; als
+zij door de een of andere oorzaak tot opgewondenheid wordt vervoerd,
+zet zij niet alleen de ver naar beneden hangende kuifveeren op, maar
+ook die van den hals, van den nek en van de borst, die dan een groote,
+buitenwaarts gerichte kraag vormen; zij breidt de vleugels half en
+de staart zoover uit, dat deze op een waaier gelijkt; haar voorkomen
+is dan prachtig. De roode kuifveeren, die op schitterende vlammen
+gelijken, de veeren om den ondersnavel, die een baard vormen en de
+eenigszins opgelichte vliegwerktuigen dragen er toe bij om te maken,
+dat zij den indruk van zelfbewuste kracht wekt."
+
+Een van de fraaiste Australische soorten is de Inka-kaketoe
+(Plissolophus Leadbeateri). Hare witte veeren zijn aan den voorkop,
+op het voorhoofd en aan de zijden van den hals, op het midden en aan
+de onderzijde der vleugels, op het midden van den buik en aan het
+wortelgedeelte van de binnenvlag der staartveeren rozerood, onder de
+vleugels fraai zalmrood. Prachtig is de kuif: iedere veer is hoogrood
+aan den wortel, geel gevlekt in het midden en wit aan de spits. Als
+de kuifveeren neergelegd zijn, ziet men alleen hare witte spitsen;
+na het oprichten dezer veeren komt haar vurig rood schitterend voor
+den dag en vereenigen de gele middelvlekken zich onderling tot een
+band, die dezen koptooi nog fraaier maakt.
+
+Volgens Gould is deze sierlijke Vogel in het zuidoosten van Australië
+ver verbreid; bij voorkeur houdt hij zich echter op in de hooge
+eucalypten en in het struikgewas, dat in het binnenland de rivieroevers
+bedekt; nooit vertoont hij zich in de buurt van het strand.
+
+
+
+Nieuw-Zeeland, dat zoo rijk is aan eigenaardige Vogels, wordt
+bewoond door een buitengewoon merkwaardig Papegaaiengeslacht:
+de Nestor-kaketoes (Nestor), vertegenwoordigers van een
+kleine onderfamilie van denzelfden naam (Nestorinae) tot welks
+verbreidingsgebied, behalve Nieuw-Zeeland, ook nog het Norfolk- en het
+Philippseiland en Nieuw-Guinea behooren. Zij is gekenmerkt door een
+krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel met lange, naar onderen
+gekromde spits; op de washuid groeien eenige borstelige veertjes. De
+krachtige pooten hebben een tamelijk langen loop en lange teenen,
+die met harde, sterk gekromde nagels gewapend zijn. De lange, spitse
+vleugels reiken in den toestand van rust ver voorbij de bovendekveeren
+van den staart. Deze is middelmatig lang, slechts weinig afgerond;
+de schaft van elke stuurpen heeft een naakte spits. De dikke, aan de
+bovenzijde platte tong is aan de onderzijde afgerond en hier voorzien
+met een reeks van korte, stijve wratten, die op de tong ongeveer
+dezelfde plaats innemen als de rand van den nagel op den vinger van
+den mensch. De betrekkelijk kleine kop draagt geen kuif.
+
+
+
+Van de zes bekende soorten van Nestors zijn twee--de Norfolk-nestor
+(Nestor norfolcensis), die uitsluitend het Norfolk-eiland bewoonde, en
+de Langbek-Nestor (Nestor productus), die alleen op het Philippseiland
+voorkwam--reeds geheel uitgeroeid. De vier overige bewonen nog steeds
+de bosschen van de beide groote eilanden, waaruit Nieuw-Zeeland
+bestaat, en zijn hier zoo talrijk, dat haar uitroeiing voorloopig
+niet te vreezen is.
+
+De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is die, welke door
+de Maoris Kaka wordt genoemd (Nestor meridionalis). Totale lengte 47,
+staartlengte 18 cM. Zijn vederenkleed, dat zeer ongelijk kan zijn,
+is in den regel op voorhoofd, bovenkop en achterkop en op de teugels
+witachtig grijs, op de zijden van kop en hals, in den nek, aan de kin,
+de keel, den krop en de bovenborst donker omberbruin, op het onderste
+deel van de wang en aan de keel purperroodbruin, aan den achterhals,
+welks veeren een witten dwarsband vormen, aan den staartwortel, op
+de bovendekveeren van den staart en de nog niet genoemde onderdeelen
+donkerpurperkleurig roodbruin. De rug, de mantel en de bovendekveeren
+van den vleugel hebben een olijfbruine met groenen weerschijn.
+
+De Kea der inboorlingen, de Mountain-parrot (Bergpapegaai) der
+kolonisten (Nestor notabilis), is grooter dan zijn zooeven beschreven
+verwant. Totale lengte 50, staartlengte 20 cM. De hoofdkleur van zijn
+kleed is olijfgroen.
+
+Het door den Kaka bewoonde gebied omvat een groot deel van de
+westelijke Nieuw-Zeelandsche Alpen van den voet van het gebergte tot
+aan de grens der hoogstammige wouden; dat van den Kea daarentegen is
+beperkt tot een tusschen 1500 en 2000 M. hoogte gelegen gordel van
+de Zuidelijke Alpen, van waar hij slechts gedurende strenge winters
+naar lagere oorden verhuist. Van de laatstgenoemde soort hebben
+de kolonisten onaangename ervaringen opgedaan. Zij ondervonden,
+dat de schapenkudden in het gebergte zonder bekende reden, door
+een eigenaardige, alleen hier heerschende ziekte werden aangetast:
+op verschillende plaatsen van de huid ontstonden wonden ter grootte
+van een hand, die zich tot aan de spierlaag uitstrekten, door het
+uitstroomende bloed de wol bedierven en niet zelden den dood van
+het schaap ten gevolge hadden. Eindelijk bemerkte een herder, dat
+de wonden door de Bergpapegaaien veroorzaakt worden. Een van deze
+Vogels ging op een Schaap zitten en vrat het, zonder dat het stomme
+dier zich van zijn kwelgeest bevrijden kon, een gat in 't lijf. Toen
+de aandacht van de herders eens gevestigd was op den bedrijver van
+het kwaad, werden zij bij het weiden van hun vee in 't gebergte
+herhaaldelijk getuigen van dergelijke aanslagen. Eén voor één of bij
+troepen kwamen de Keas, gingen op den rug van een Schaap zitten,
+plukten de wol uit, wondden het dier met den snavel en vielen het
+zoo lastig, dat het de kudde verliet. Nu vervolgden en kwelden zij
+het door voortdurende aanvallen, totdat het, ten einde raad en geheel
+uitgeput, op de zijde ging liggen, om den rug zooveel mogelijk tegen
+de Vogels te beschutten; deze vraten hem dan in de zijden gaten in
+'t lijf en brachten hierdoor dikwijls den dood van hun slachtoffer
+teweeg. Later heeft de Kea de gelukkige ontdekking gedaan, dat in
+de nabijheid van de woonplaatsen der kolonisten zich gewoonlijk een
+voor hem toegankelijke vleeschbewaarplaats bevindt. Zeer ingenomen
+met deze uitmuntende inrichting, die hem de gelegenheid opent om
+zonder moeite vleesch te krijgen, doet de Kea thans zijn best om van
+deze voorraadschuren partij te trekken. Met dit doel verschijnt hij
+geregeld in de nabijheid van de schapenslachterijen om er het afval,
+vooral de koppen van de geslachte Schapen op te vreten, voorzoover
+hij hiertoe in staat is. Ook de voorraad rund- en schapevleesch
+vermindert intusschen, dank zij de vraatzucht van den Vogel, die
+zelfs de schapevellen, welke te drogen hangen, niet verschoont. Men
+zorgt er echter zooveel mogelijk voor, dat hij zich gewoonlijk met
+afval moet behelpen. In den regel verschijnen de dieven gedurende den
+nacht; gewoonlijk ondernemen zij hunne rooftochten gemeenschappelijk;
+het is althans geen zeldzaamheid een troep van deze tierende Vogels
+op de nok van een hut te zien zitten.
+
+
+
+De iets kleinere Langbek-nestor (Nestor productus)--waarvan ongeveer
+een dozijn opgezette voorwerpen, in verschillende verzamelingen
+bewaard, de eenige overblijfselen zijn--bewoonde nog in het midden
+dezer eeuw een eilandje tusschen Nieuw-Zeeland en Nieuw-Caledonië, het
+Philippseiland, dat ongeveer anderhalf uur omtrek heeft. Opmerkelijk is
+het, dat deze Vogel niet aangetroffen werd op het slechts anderhalf uur
+verder zuidwaarts gelegen, veel grootere Norfolk-eiland. De rotsen en
+de hoogste boomen van het eilandje waren zijn gewone verblijfplaatsen;
+hij was zoo mak, dat het niet veel moeite kostte hem te schieten
+en in strikken te vangen. Met zijn tong nam hij den honing uit de
+witte bloemen van een hibiscus-soort op. (Tot een dergelijk voedsel
+bepaalden zich ook de Nieuw-Zeelandsche Nestors vóór de invoering van
+de schapenfokkerij in hun vaderland.) Het wijfje legde 4 witte eieren
+in holle boomen. In 1851 bezat de Londensche diergaarde een levenden
+Langbek-nestor; deze was niet in een kooi opgesloten en liep als een
+Kraai op den grond; sla en andere saprijke planten, vruchten, room en
+boter waren zijne liefste spijzen. Hij had een heesche, krakende, zeer
+wanluidende stem, die min of meer op het blaffen van een Hond geleek.
+
+
+
+Van het op Nieuw-Guinea en Salawatti levende geslacht der
+Papoea-nestors (Dasyptilus) is tot dusver slechts één soort (en
+deze zeer zelden) met zekerheid waargenomen. De Borstelkop of
+Adelaar-papegaai (Dasyptilus Pecqueti) heeft de grootte van een
+Kraai en ontleent zijn naam aan de zeer smalle, harde, lansvormige
+kopveeren. Zijn vederenkleed is grootendeels zwart; rood zijn
+echter het middelgedeelte der vleugels, de buik, de achterste
+bovendekveeren van den staart en, naar het schijnt, soms ook de
+staartpennen.--D'Alberti zag deze Vogels bij troepen van hoogstens
+50 stuks op weg naar de hooge boomen, waarin zij overnachten.
+
+
+
+Voor 't meerendeel nachtvogels zijn de Uilpapegaaien (Stringopinae),
+een kleine, slechts vier soorten omvattende, tot het Australische
+Rijk behoorende onderfamilie. Zij kenmerken zich vooral door de
+zachtheid van hun vederenkleed en zijn het naast verwant aan de
+Platstaartpapegaaien.
+
+
+
+De Grondparkiet (Pezoporus formosus), de eenige vertegenwoordiger
+van zijn geslacht, heeft de grootte van een Lijster; de staart is
+echter langer dan het overige lichaam. Hij bezit krachtige pooten met
+een opmerkelijk langen loop en lange teenen, die met zwakke, weinig
+gekromde nagels gewapend zijn. Het vederenkleed is tamelijk bont,
+ofschoon hierin slechts weinige kleuren met elkander afwisselen. De
+hoofdkleur is olijfkleurig grasgroen; met uitzondering van den kop,
+den hals en den staartwortel zijn alle onderdeelen met dwarslijnen,
+de bovendeelen met dwarsvlekken geteekend. De veeren van den mantel,
+van de schouders en van den achterrug benevens de vleugeldekveeren
+zijn zwart met twee of drie smalle, gele dwarslijnen en een breeden,
+groenen rand. De veeren van borst, buik en zijden zijn, evenals de
+onderdekveeren van den staart, olijfkleurig geel met drie zwarte,
+breede dwarsbanden en een smallen, groenen rand. De donker olijfbruine
+slagpennen hebben een groene buitenvlag; de vier middelste staartpennen
+zijn donkergroen, de overige olijfgeel: gene met smalle, gele, deze
+op de binnenvlag met zwarte, op de buitenvlag met breedere, groene
+dwarsbanden geteekend. Een smalle voorhoofdsrand is menierood. De
+oogen, de snavel en de pooten zijn bruin.
+
+De Grondparkiet is, volgens Gould, over geheel Zuid-Australië en
+Tasmanië verbreid. In de noordelijke gedeelten van het Australische
+vasteland heeft men hem nog niet waargenomen. Hij is een standvogel
+en leeft in het door hem bewoonde gebied bijna voortdurend op den
+grond; in de kroon van een boom ziet men hem uiterst zelden. Tot
+verblijfplaats kiest hij onvruchtbare zandstreken, die met kort gras en
+andere kruiden begroeid zijn, of met biezen bedekte veengronden. Hij
+leeft hier eenzaam of paarsgewijs en zeer teruggetrokken; zonder
+Hond kan men hem moeilijk opsporen. Hij loopt zeer snel en lang
+achtereen op de wijze van een Snip door het gras, maakt behendig
+gebruik van iedere geschikte schuilplaats en "drukt" zich soms als
+een Hoen of een Moerasvogel tegen den grond, in de hoop onopgemerkt
+te blijven. Alleen bij een onverwachte overrompeling maakt hij van
+zijne vleugels gebruik; hij handelt dan ongeveer, zooals de Hoenderen
+doen, vliegt buitengewoon snel dicht bij den grond langs, laat zich
+na verscheidene zigzagzwenkingen in de lucht plotseling weer op den
+bodem vallen en rent zoo vlug mogelijk verder.
+
+De witte eieren worden op den naakten grond gelegd en door beide
+ouders bebroed.
+
+In tegenstelling met de meeste andere Papegaaien wordt de Grondparkiet
+als wild zeer hoog geschat; zijn vleesch is malscher dan dat van de
+Snip en komt in smaak met dat van den Kwartel overeen.
+
+De bovenstaande levensbeschrijving is belangrijk uitgebreid door
+Müller. Hoewel diens mededeelingen betrekking hebben op een andere
+soort--de Holenparkiet (Geopsittacus accidentalis)--komt het mij zeer
+waarschijnlijk voor, dat zij ook op den Grondparkiet toepasselijk
+zijn. De Holenparkiet is een nachtvogel, die zich over dag in holen
+ophoudt, welke hij eerst na zonsondergang verlaat om voedsel te
+zoeken. Een gevangen exemplaar in de diergaarde van Regents-Park
+hield zich over dag stil en rustig op zijn slaapplaats; zoodra de
+schemering aanving, begon hij rond te loopen en te eten. Als voedsel
+gebruikte hij niet alleen zaden, maar hapte, evenals de Kakapo, graag
+de topspruitjes van het gras af. Hij ging nooit op een tak zitten,
+maar bleef altijd op den grond, waarover hij haastig voortstapte. Zijn
+stem was een schel, eentonig gefluit.
+
+
+
+De merkwaardigste van alle Papegaaien--de Kakapo, Tarapo of Uilpapegaai
+(Stringops habroptilus)--is een Nieuw Zeelandsche nachtvogel, die
+sterk aan de Uilen herinnert. Om hem te kenmerken is het voldoende
+te wijzen op zijn uilachtig vederenkleed en op den sluier, die zijn
+aangezicht bedekt. De snavel is krachtig, dik, meer hoog dan lang;
+de zeer krachtige poot heeft een langen en dikken loop en is met sterk
+gekromde, spitse klauwen gewapend; de vleugels zijn kort en afgerond;
+het vederenkleed is hard en grootendeels uit breede, wijdbaardige,
+aan den top afgeronde veeren samengesteld; die van het voorhoofd en de
+wangen zijn echter smal, bijna vezelig; lange, haarvormige schaften
+omgeven straalsgewijs den snavelwortel en vormen gezamenlijk een
+soort van sluier.
+
+Daar de Kakapo niet of althans zeer gebrekkig klimt en vliegt, hoewel
+hij klimvoeten en vleugels bezit, houden sommigen hem voor een weinig
+gewijzigde afstammeling van de alleroudste Papegaaien. Marshall
+daarentegen beschouwt den Uilpapegaai als "den modernsten vorm der
+geheele orde, in dezen zin, dat hij zich in verband met eigenaardige
+behoeften het meest gewijzigd en van de typische Papegaaien het
+verst verwijderd heeft." "De Grondparkiet," zegt hij, "stamt af
+van een klimmenden vorm en is niet, omgekeerd, de stamvader van
+klimmende vormen. De Kakapo heeft duidelijke klimvoeten en deze
+kunnen nooit verworven zijn door een van oudsher op den bodem
+huizenden vorm." Zijne voorouders hebben de geschiktheid voor 't
+klimmen langzamerhand verloren, omdat zij in het door hen bewoonde
+gebied zelden of nooit boomen behoefden te bestijgen; toch hadden zij
+(en hebben hunne hedendaagsche nakomelingen) het maaksel van den voet
+hunner klimmende voorouders bijna onveranderd behouden.
+
+Tot dezelfde uitkomst leidt het onderzoek van de werktuigen voor
+het vliegen. Deze zijn bij den Kakapo veel gebrekkiger ontwikkeld
+dan men na oppervlakkige beschouwing van den Vogel zou vermoeden. De
+groote borstspieren, die door haar samentrekking den neerwaartschen
+slag van den vleugel teweegbrengen, en de kam op het borstbeen,
+waaraan deze spieren ontspringen zijn "rudimentair". Hetzelfde valt
+op te merken van het vorkbeen, dat door vergroeiing van het voorste
+paar sleutelbeenderen ontstaat en gewoonlijk het schouderblad met
+den voorsten top van het borstbeen verbindt. Hoewel steeds aanwezig
+bij de Vogels, die goed kunnen vliegen, heeft het voor deze beweging
+een minder belangrijke beteekenis dan de vroeger genoemde organen. De
+gebrekkige ontwikkeling en zelfs de afwezigheid van het vorkbeen gaat
+niet noodzakelijk gepaard met het volkomen gemis van de geschiktheid
+voor 't vliegen. De Kakapo is dan ook in zijn orde niet de eenige,
+die deze afwijking vertoont. Volgens Finsch ontbreekt het vorkbeen
+(twijfelachtige gevallen en tegenstrijdige opgaven buiten rekening
+gelaten) bij 18 soorten van het Australische Rijk (waaronder de
+Kakapo), voorts bij één soort van het Ethiopische en één van het
+Zuid-Amerikaansche Rijk. Zelfs zeer nauw verwante soorten kunnen door
+het al of niet bezitten van het vorkbeen onderling verschillen. Dit
+been heeft bij het vliegen een bepaalde rol te vervullen: het is een
+soort van veer, die, tusschen de bovenste gedeelten der beide vleugels
+gelegen, door haar elasticiteit op passieve wijze weerstand biedt aan
+de beenderen van de voorste ledematen, wanneer zij door de werking der
+borstspieren naar elkander toe bewogen worden; het vorkbeen verhindert
+dus een te groote toenadering van de vleugels. Dat het gemis van
+het vorkbeen dikwijls het gevolg is van het te loor gaan (of althans
+gebrekkig worden) van het vermogen om te vliegen, blijkt o.a. bij den
+Struis en bij het bonte mengelmoes van Vogels, dat vroeger met den
+Struis de orde van de "Loopvogels" vormde, zoo ook bij den Kakapo. [De
+Platstaartpapegaaien evenwel, die het vorkbeen missen (en dit is het
+geval bij twee derden van alle soorten, o.a. bij den Zangparkiet),
+vliegen even goed of (zoo niet even slecht, dan toch, omdat zij een
+eiland bewonen) even zelden en over even korte afstanden als de soorten
+met goed ontwikkeld vorkbeen]. De slotsom van Marshall's betoog luidt:
+"De teruggang in ontwikkeling van alle vliegorganen van den Kakapo (het
+ontbreken van het vorkbeen, het gedeeltelijk verdwijnen van den kam op
+het borstbeen, van de borstspieren enz.) is een secundair verschijnsel,
+hier, zoowel als bij de zoogenaamde "Loopvogels", bij den Reuzenalk,
+bij den Dodo enz. De voorouders van den Kakapo waren niet slechts
+voor het klimmen, maar ook voor het vliegen goed uitgerust. Alle
+ongewone eigenaardigheden van den Uilpapegaai zijn het resultaat van
+wijzigingen, die zijne voorouders ondergaan hebben, terwijl zij allengs
+geschikt werden voor het leven op den grond van een eiland zonder
+roofdieren. Ook andere eigenaardigheden van dit merkwaardige wezen,
+n.l. die, welke in verband staan met zijn nachtelijke levenswijze,
+berusten op "teruggaande ontwikkeling". Mijn slotsom is dus, dat
+Stringops niet de oudste stamvorm van de Papegaaien is, maar een tak
+van dezen stam, die zich door langzaam voortschrijdende wijzigingen
+van de levenswijze in tegengestelde (teruggaande) richting ontwikkeld
+heeft."
+
+
+
+De Kakapo behoort tot de grootste Papegaaien en evenaart wegens zijn
+goed gevuld vederenkleed in omvang bijna den Grooten Ooruil. Bij
+het mannetje is de geheele bovenzijde helder olijfkleurig groen,
+de onderzijde olijfgeel, iedere veer met onduidelijke, donkerbruine
+dwarsbanden geteekend. De uilachtige sluier en de kin hebben een
+helder stroogele kleur. De staartpennen en de buitenvlag van de
+slagpennen zijn olijfkleurig geelbruin, zwart gemarmerd; de onderste
+staartdekveeren zijn bijna effen olijfgroen.
+
+Hoewel Nieuw-Zeeland ons sinds lang bekend is geweest, zijn wij
+van het bestaan van den Kakapo eerst sedert betrekkelijk korten tijd
+onderricht en is onze kennis van zijn levenswijze van jongen datum. Het
+eerst leerde men den merkwaardigen Vogel kennen door den opschik der
+inboorlingen waarvan de groene veeren en de koppen van Kakapo's een
+belangrijk deel uitmaakten. Hun verblijfplaats en levenswijze werkten
+mede om hen aan de waarneming te onttrekken; het eerste vel kwam niet
+voor 1845 in Europa aan. In de halve eeuw, die sedert verloopen is,
+hebben wij den Kakapo tamelijk nauwkeurig leeren kennen. Behalve aan
+Von Haast hebben wij vooral aan Lyall en Sir George Grey berichten
+over de levenswijze van dit dier te danken. "Hoogst opmerkelijk is
+het," schrijft Von Haast, "dat de Kakapo, behalve in het dal van de
+Makarora-rivier, die het Wanaka-meer vormt, nergens aan de oostzijde
+van de Alpen gevonden wordt, hoewel ook in deze gewesten groote wouden
+voorkomen. Tot de districten ten westen van den hoofdketen beperkt,
+overschrijdt hij dezen, naar het schijnt, alleen door den lagen, met
+bosch bedekten pas, die het bronnengebied van de Haast-rivier met dat
+van den Makarora verbindt; bij het bereiken van de uitmonding dezer
+rivier in het Wanaka-meer werd zijn verder voortdringen waarschijnlijk
+gestuit door het ophouden van het woud. In het dal en het woud van den
+Makarora is hij zeer veelvuldig, ofschoon hier talrijke werklieden
+met het vellen van boomen bezig zijn. Toen wij aan den rand van dit
+woud gekampeerd waren, hoorden wij voortdurend zijn stem; geen der
+werklieden vermoedde echter de nabijheid van zulk een grooten Vogel,
+hoewel zijn eigenaardig, schel geschreeuw dikwijls hun aandacht had
+getrokken. Minder talrijk komt hij voor in het Wilkin-dal (waar ik,
+terloops zij dit hier opgemerkt, sporen van Wilde Honden aantrof). In
+het Hunter-dal, dat er slechts door een niet zeer hoogen bergketen met
+eenige lage zadels van gescheiden is, ziet men van zijn aanwezigheid
+geen spoor, ofschoon de groote beukenwouden van dit dal hem een
+geschikte verblijfplaats zouden leveren."
+
+"De eerste plaats, waar wij deze Vogels aantroffen," zegt Lyall,
+"was een heuvel van ongeveer 1200 M. hoogte boven den zeespiegel;
+wij ontmoetten ze echter ook, gezellig levend, op vlakke plaatsen in
+de nabijheid van riviermonden, niet ver van de zee. Op zulke plaatsen
+kon men zijne voetpaden vinden. Zij zijn ongeveer 30 M. wijd, in den
+regel neergedrukt tot aan den rand, die 5 à 7 cM. diep in het mos
+doordringt en kruisen elkander gewoonlijk rechthoekig. Dikwijls komen
+zij zoozeer met die van menschen overeen, dat wij ze aanvankelijk
+aan de aanwezigheid van inboorlingen meenden te moeten toeschrijven.
+
+"De Kakapo bewoont holen onder boomwortels en wordt ook wel onder
+overhangende rotsen opgemerkt. Daar de wortels van vele soorten van
+Nieuw-Zeelandsche boomen voor een deel boven den grond uitsteken,
+worden er zeer dikwijls holten onder gevonden; het kwam ons echter
+voor, dat deze op de plaatsen, waar wij den Kakapo aantroffen,
+gedeeltelijk verwijd waren, hoewel wij te vergeefs in de buurt naar de
+uitgegraven aarde zochten." Dikwijls hebben de holen twee openingen;
+soms waren de daarboven staande boomen tot op een zekere hoogte
+hol. Over dag krijgt men den Kakapo alleen dan te zien, wanneer men
+hem uit zijn woning verdrijft. "Alleen met Honden," zegt Lyall verder,
+"konden wij hem opsporen. Vóór het invoeren der Honden en toen de Vogel
+in de bewoonde gedeelten der eilanden nog veelvuldig voorkwam, vingen
+de inboorlingen hem gewoonlijk 's nachts bij fakkellicht. Tegenwoordig
+zit een ras van halfwilde Honden, dat de noordelijke gewesten van
+het Zuidereiland bewoont, den Kakapo voortdurend op de hielen en is
+hij daar bijna geheel uitgeroeid.
+
+"Vroeger vermoedde men, dat de Kakapo een nachtelijke levenswijze
+zou hebben; naar ik meen, geven mijne ervaringen aanleiding tot de
+overtuiging, dat dit niet altijd het geval is. Wel hoort men gewoonlijk
+één uur na zonsondergang, als onder het dichte bladerengewelf een
+ondoordringbare duisternis heerscht, van alle zijden zijn stem
+weerklinken; hij begint dan rond te zwerven (en kwam eens omstreeks
+dezen tijd, aangelokt door het licht, dicht bij onze tent, waar hij
+door onzen Hond gevangen werd); wij troffen hem echter ook tweemaal
+over dag aan, bezig met eten en zeer waakzaam tegen een naderend
+gevaar. De eerste maal gebeurde dit op een namiddag bij bewolkten
+hemel in het open woud, toen wij van de westkust terugkwamen. Niet
+ver van de Haast-rivier zat een Kakapo op een omgevallen boom; hij
+verdween schielijk, toen wij nader kwamen, maar werd toch door den
+Hond gevangen. Ten tweeden male zagen wij er één op klaarlichten dag,
+toen wij door een diepe rotskloof gingen, 3 M. boven den bodem op
+een fuchsiaboom zittend, welks bessen hij at. Ons ziende, liet hij
+zich op den grond vallen, alsof hij uit den boom geschoten was en
+verdween onder de naburige, groote rotsblokken. Het trof ons zeer,
+dat de Vogel geen gebruik maakte van zijne vleugels en ze zelfs niet
+eens uit spreidde om den schok van den val te breken. Om te weten,
+of hij in 't geheel niet zou vliegen of fladderen, wanneer hij vervolg
+werd, liet ik een Kakapo, die, zonder gewond te worden, door den Hond
+gevangen was, op een groote, vrije, met steentjes bedekte plaats los;
+hij had hier ruimte genoeg om zich met behulp van zijne vleugels
+in de lucht te verheffen, indien hiervoor een groote ruimte noodig
+was. Tot mijn verwondering liep hij eenvoudig naar het naastbijgelegen
+kreupelbosch; hij deed het sneller dan ik met het oog op zijne teenen
+en zijn plompe gedaante verwacht zou hebben; zijne bewegingen geleken
+op die van de Hoenderachtige Vogels." Lyall heeft den Kakapo echter
+zien vliegen, hoewel slechts over een onbeduidenden afstand. "Op onze
+jachttochten," zegt hij, "zagen wij den Kakapo alleen dan vliegen,
+als hij in een hollen boom was geklommen om hoogerop een uitweg te
+zoeken. Van hier vloog hij dan in den regel naar een lageren boom
+en klom bij dezen schielijk omhoog, waarbij hij ook van zijn staart
+gebruik maakte. Het geluid van den Kakapo is een heesch gekras, dat in
+een wanluidend gekrijsch overgaat, als de Vogel opgewonden of hongerig
+is. De maag van de door ons gedoode Kakapo's bevatte een lichtgroene,
+soms nagenoeg witte, gelijkaardige massa, zonder eenig spoor van
+vezels. Ongetwijfeld bestaat hun voedsel ten deele uit wortels,
+ten deele ook uit bladen en jonge spruitjes van verschillende planten.
+
+"Een eigenaardigheid van den Kakapo, misschien een gevolg van zijn
+plantaardig dieet, is, dat hij, in plaats van olieachtig, week vet,
+zooals bij andere Vogels onder de huid voorkomt, veel vast, wit vet
+heeft; zijn vleesch is veel steviger en beter dan dat van de andere
+Papegaaien; het smaakt uitmuntend."
+
+Van de voortplanting meldt Lyall het volgende: "Gedurende de laatste
+helft van Februari en de eerste helft van Maart, welken tijd wij
+te midden van de woonplaatsen der Kakapo's doorbrachten, vond ik
+in vele zijner holen jongen, dikwijls slechts één, nooit meer dan
+twee. Gewoonlijk, maar toch niet altijd, werd één oude Vogel tegelijk
+met de jongen in het hol aangetroffen. Een eigenlijk nest is niet
+voorhanden; de Kakapo graaft eenvoudig een ondiep kuiltje in de droge
+massa vermolmd hout. Het ei is zuiver wit, ongeveer zoo groot als dat
+van een Duif. De jongen, die wij vonden, waren van zeer verschillenden
+leeftijd, eenige bijna geheel bevederd, andere nog met dons bedekt.
+
+"De Kakapo is een goedaardige en schrandere Vogel; hij vat een warme
+genegenheid op voor personen, die hem goed behandelen en geeft deze
+te kennen door bij hen op te klimmen en zich tegen hen te wrijven;
+bovendien is hij in hooge mate gezellig en speelsch. Werkelijk,
+zou hij, indien hij zijn omgeving niet zoo erg bevuilde, een betere
+metgezel zijn dan alle andere mij bekende Vogels; het openbaren
+van genegenheid door speelschheid en liefkoozingen ligt meer in den
+aard van een Hond dan in dien van een Vogel."--"Zijn speelschheid,"
+schrijft Sale, "is merkwaardig. Hij komt uit een hoek van de kamer
+aanloopen, vat mijn hand met de klauwen en den snavel, wentelt zich,
+de hand vasthoudend, als een katje over den grond en loopt terug om
+zich tot een nieuwen aanval te laten uitnoodigen. Zijn spel wordt
+soms een weinig woest; door de geringste terechtwijzing kan men hem
+echter dadelijk tot bedaren brengen."
+
+
+
+
+
+DERDE ORDE.
+
+DE DUIFVOGELS (Peliornithes).
+
+
+In de buurt van de Papegaaien, tusschen de Pluviervogels en de
+Hoendervogels is de plaats van de Duifvogels. Deze orde en haar
+eenige gelijknamige onderorde (Columbiformes) omvat twee familiën,
+die tot dusver meestal gescheiden werden: de Duiven (Columbidae),
+welker verbreidingsgebied zich over alle faunistische Rijken uitstrekt,
+en de Zandhoenderen (Pteroclidae), die tot de Oude Wereld beperkt zijn.
+
+
+
+De Duiven (Columbidae) zijn middelmatig groote Vogels, met kleinen
+kop, korten hals en een uit groote en harde veeren samengesteld
+kleed. De snavel is steeds kort, bij de meeste soorten ook zwak,
+hooger dan breed, aan den rand ingetrokken, soms zelfs uiteenwijkend,
+aan den wortel zacht; slechts aan de spits hoornachtig, hier een weinig
+gezwollen, gewelfd en flauw haakvormig gebogen. Bij enkele soorten is
+de snavel krachtiger, dikker, harder--bij uitzondering ook wel zeer
+gewelfd en de onderkaak bij de spits zelfs getand. De neusgaten liggen
+tamelijk ver naar voren, zijn gewoonlijk spleetvormig en dikwijls door
+een gezwollen, kraakbeenige, met washuid bekleede schub bedekt. De
+korte voet is vierteenig, zijn loop zelden hooger dan de middelste
+voorteen lang is, bij uitzondering niet lager dan even onder het
+spronggewricht bevederd; de teenen, waarvan er drie naar voren staan,
+zijn tot aan hun gewrichtsverbinding met den loop van een gescheiden
+of hoogstens door een zeer kort spanvlies gedeeltelijk verbonden,
+de klauwen dik, maar kort, meestal ook weinig gebogen; de loop
+is van voren met korte dwarsschilden, van achteren netsgewijs met
+schubben bekleed. De vleugel bestaat uit harde slagpennen, waarvan
+er 11 à 15 aan den voorarm, 10 aan de hand zitten; van deze steekt
+de tweede voorbij de andere uit. De staart bestaat in den regel uit
+12, bij uitzondering uit 14 à 16 pennen; hij is meestal kort en zwak
+afgerond, soms echter lang en dan gewoonlijk naar de zijden trapsgewijs
+afgekort. De stijve en harde veeren liggen tamelijk glad tegen het
+lichaam aan; iedere veer afzonderlijk is betrekkelijk groot, breed
+afgerond en bij den wortel donzig. Zachte kleuren hebben de overhand,
+levendige, sterk sprekende zijn echter volstrekt niet zeldzaam;
+vooral de hals en de vleugeldekveeren iriseeren dikwijls met de
+prachtigste metaalkleuren. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat
+bij de meeste soorten weinig verschil; de jongen onderscheiden zich
+echter gewoonlijk van de ouden. Van hun grootte valt op te merken,
+dat de grootste der thans bekende Duifvogels een kleinen Kalkoen,
+de kleinste een Leeuwerik ongeveer evenaart.
+
+Van het inwendig samenstel verdient, volgens Nitzsch vermelding,
+dat de Duiven in verschillende opzichten--vooral door den vorm van
+borstbeen, vorkbeen, voorarm, bekken, maag, luchtpijp, enz.--een niet
+geringe overeenkomst met de Hoenderen vertoonen, in andere opzichten
+trouwens zeer duidelijk van hen verschillen. De slokdarm verwijdt
+zich tot een echten krop, welks wand in den broedtijd dikker wordt
+en dan aan zijn binnenste oppervlakte netvormige plooien en mazen
+vertoont, die (ten gevolge van den vermeerderden toevoer van bloed
+naar de vaten) in dien tijd een melkachtige stof afscheiden, welke
+het eerste voedsel van de jongen is. Hierdoor verschillen de Duiven
+van alle overige bekende Vogels.
+
+Er is reden om de Duiven begaafd te noemen. Zij loopen goed; hoewel zij
+geen bijzonder snellen gang hebben, kunnen zij dien lang volhouden;
+bij elken stap knikken zij echter met den kop, omdat hare pooten
+kort zijn. Enkele soorten loopen op de wijze van Hoenderen zeer
+snel; andere kunnen zich op den bodem niet goed redden, maar des
+te beter op de twijgen der boomen. Zij, die het best kunnen loopen,
+vliegen het slechtst; verreweg de meeste echter hebben een snelle en
+krachtige vlucht, die zich door behendige, snelle wendingen kenmerkt
+en gewoonlijk met een luid, fluitend gedruisch gepaard gaat. Dat de
+Duiven uit eigen beweging soms zwemmen, heb ik in Egypte waargenomen;
+dat zij in den grootsten nood zelfs duiken, hebben Naumann en E. von
+Homeyer opgemerkt. Over 't algemeen is er tusschen de stemmen van de
+verschillende Duiven veel overeenkomst waar te nemen; bij vergelijking
+van deze geluiden merkt men echter ook verscheidenheid op. De meeste
+Duiven "roekoeken", d.w.z. laten kort afgebroken, hol klinkende, zware
+geluiden hooren, waarin de klonk "roek" of "roeks" de overhand heeft;
+andere "kirren", brengen zachte, trillende tonen voort, welker klank
+aan den wortel van het genoemde werkwoord herinnert; enkele soorten
+huilen, andere lachen; eenige geven zeer klankvolle, goed afgeronde,
+aangename geluiden ten beste, andere knorren afschuwelijk. Onder hare
+zinnen staat ongetwijfeld het gezicht bovenaan, zooals het betrekkelijk
+groote, goed gebouwde en dikwijls zeer fraai gekleurde oog, dat veel
+uitdrukking heeft, reeds laat vermoeden; eveneens voortreffelijk is het
+gehoor, over welks scherpte men gemakkelijk een bepaald oordeel kan
+verkrijgen; waarschijnlijk zijn ook de smaak, de reuk en het gevoel
+betrekkelijk fijn. De geestesgaven van de Duiven heeft men, verleid
+door haar meer schijnbare dan werkelijke lieftalligheid, dikwijls
+zeer overschat. De Duiven zijn in den regel schuw en voorzichtig,
+onderscheiden echter een wezenlijk bestaand van een denkbeeldig gevaar
+niet zoo scherp als andere Vogels; zij nemen altijd het wisse voor
+het onwisse en ontwijken daarom den boer of den schaapherder even
+angstvallig als den jager. Het kost moeite ze werkelijk te temmen,
+omdat haar geschiktheid om te oordeelen gering en haar geheugen (op
+zijn zachtst uitgedrukt) niet voortreffelijk is. Toch verdienen de
+Duiven, ook wat hare geestvermogens betreft, duidelijk den voorrang
+boven de Hoenderachtigen en Pluviervogels.
+
+In hare handelingen is zooveel aantrekkelijks, dat zij reeds sinds
+overouden tijd als zinnebeelden beschouwd werden; zelfs is haar de
+eer ten deel gevallen, dat men bovenzinnelijke begrippen in haar
+gedaante voorstelde. Voor het onbevangen oog vertoont zich haar aard
+in een minder gunstig licht. Vele, maar geenszins alle Duiven houden
+van gezelligheid en leven paarsgewijs: het is echter zeer de vraag,
+of de leden van een paar werkelijk levenslang vereenigd blijven,
+zooals gewoonlijk aangenomen wordt. Ronduit afschuwelijk vinden wij de
+trouweloosheid van vele Duiven jegens haar gebroed: niet slechts de
+eieren, maar zelfs de reeds uit den dop gekomen jongen verlaten zij,
+wanneer zij gestoord worden en hierdoor argwaan krijgen. Ook kan men
+haar niet vrijpleiten van nijd en afgunst; de hebzucht brengt bij haar
+ieder kameraadschappelijk gevoel tot zwijgen: het door haar gevonden
+voedsel bedekken zij met de vleugels, terwijl daarentegen de veel
+lager geschatte Hoenderen in een dergelijk geval hunne metgezellen
+bij zich roepen.
+
+De Duiven (waarvan men ongeveer 400 soorten onderscheidt) zijn
+wereldburgers in de meest uitgestrekte beteekenis van het woord. Zij
+bewonen alle werelddeelen, alle hoogte- en breedtegordels, maar geven
+de voorkeur aan het woud; die, welke zich op kale rotsen vestigen,
+behooren tot de uitzonderingen. Zij houden van de nabijheid van 't
+water en vermijden waterlooze gewesten, waarmede echter niet bedoeld
+wordt, dat zij hier geheel ontbreken; daar haar vaardigheid in 't
+vliegen haar in staat stelt om dagelijks verafgelegen drinkplaatsen te
+bezoeken. Haar grootste ontwikkeling vertoont deze orde op de groote
+en kleine eilanden van de Stille Zuidzee; over 't algemeen trouwens
+herbergen de eilanden naar evenredigheid meer Duiven dan de groote
+vastelanden. De Soenda-eilanden, Philippijnen, Molukken zijn rijk
+aan afwijkende en prachtige soorten; in aanzienlijken getale bewonen
+zij Australië en Nieuw-Guinea; weinig minder sterk vertegenwoordigd
+zijn zij in Indië en Zuid-China. In Afrika is het aantal soorten
+minder groot dan in Azië; iedere soort wordt echter zeer veelvuldig
+aangetroffen; men ontmoet hier allerwege Duiven, zelfs nog midden in
+de woestijn. In de wouden van de steppe ziet men ze hier en daar als
+'t ware op iederen boom; in de oerwouden is het roeksen, kirren,
+huilen enz. van de Duiven een zoo gewone muziek, dat het geluid van
+alle andere Vogels er bijna door overstemd wordt; een enkele bron, een
+waterplas in de steppe, dient gedurende meer of minder langen tijd als
+verzamelplaats voor honderdduizenden van deze snelvliegende Vogels, die
+betrekkelijk weinig behoeften hebben. Amerika, vooral het zuiden van
+dit werelddeel, is het vaderland van meer dan het derde deel van alle
+tot dusver bekende Duiven. Op grond van haar bekende voorliefde voor
+het verblijf op eilanden, zijn zij in Middel-Amerika nog veelvuldiger
+dan in Brazilië. Bij het nagaan van hare verblijfplaatsen blijkt
+het, dat de verschillende soorten de wereld onder elkander verdeeld
+hebben. Terwijl sommige uitsluitend boomvogels zijn en hoogstens om
+te drinken op den bodem komen, brengen andere hier haar geheele leven
+door of begeven zich hoogstens voor korten tijd op lage boomtakken;
+terwijl deze het donkere woud bevolken, vestigen gene zich in het
+lichte struikgewas der steppe; weer andere huizen slechts op rotsen,
+of alleen in lage struiken, uitsluitend op kleine eilanden, enz.
+
+Alle in het noorden levende soorten zijn trekvogels, de bewoners van
+zuidelijke gewesten zwerf- of standvogels. Deze leven hoogstens in
+kleine troepen, gewoonlijk echter bij paren; de overige vereenigen
+zich slechts gedurende den trektijd tot groote zwermen; andere
+vormen jaar in jaar uit talrijke genootschappen; de leden van
+sommige soorten vereenigen zich tot ontzaglijke scharen, die
+volgens betrouwbare schattingen veel talrijker zijn dan bij eenige
+andere Vogelgroep. Zelden trekken zij ver weg; de Europeesche Duiven
+b.v. begeven zich hoogstens naar Noord-Afrika, maar blijven meestal
+reeds in Zuid-Europa. Hun voedsel ontleenen zij bijna uitsluitend
+aan het plantenrijk. In den krop heeft men bij enkele soorten kleine
+huisjesslakken, Wormen en rupsen gevonden; ook weet men, dat zij
+haar eigen Luizen opeten; de hoeveelheid dierlijk voedsel, die zij
+gebruiken, is in allen gevalle zeer gering. Zaden en wortelknollen
+van allerlei soort vormen het voedsel van de meerderheid; de leden
+van sommige familiën of onderfamiliën voeden zich met de bessen en
+vruchten, die het woud oplevert. Vele soorten zijn zeer gesteld op
+zouthoudenden grond. De Duiven, die harde zaden eten, slikken tot
+bevordering van de spijsvertering kleine stukjes kwarts en andere
+harde voorwerpen door; de wijfjes, die eieren zullen leggen, gebruiken
+ook kalk. Zij hebben veel water noodig, omdat dit niet alleen voor
+het lesschen van den dorst, maar ook voor het verweeken van de harde
+zaden moet dienen.
+
+Voor zoover men weet, broeden alle Duiven meer dan eens in het
+jaar. Het nest wordt op verschillende plaatsen gebouwd: te midden
+van de twijgen van boomen en struiken, soms hoog, soms laag boven den
+grond, in holen van 't gesteente en gaten van boomen, op dikke takken,
+op afgeknotte stammen, zelden op den vlakken grond. Het is slecht
+gebouwd van eenige weinige dorre twijgen, die onsamenhangend en slordig
+opeengestapeld zijn; dikwijls is het zoo los ineengevoegd, dat men niet
+begrijpt, hoe het weerstand kan bieden aan weer en wind. Het nest bevat
+witte eieren. Gedurende den paartijd streeft de doffer zeer ijverig
+naar de gunst van de duif. Beide ouders houden zich met het broeden
+bezig; de doffer vervult zijn taak niet zonder morren, omdat het
+stilzitten hem hoogst onaangenaam schijnt te zijn. Nadat de eieren 14 à
+20 dagen bebroed zijn, komen de jongen te voorschijn; zij zijn klein,
+hulpbehoevend, blind en schaarsch bekleed met geel dons; zij blijven
+in het nest, totdat zij in staat zijn om te vliegen. Aanvankelijk
+worden zij gevoed of liever "gepropt" met de kaasachtige stof, die uit
+de wanden van den krop afkomstig is, later met in de krop geweekte,
+nog later met harde zaden. Zij ontwikkelen zich schielijk: reeds na
+het eerste levensjaar zijn zij voor de voortplanting geschikt.
+
+Alle Duiven, althans de inheemsche, moeten als nuttige Vogels beschouwd
+worden. Snell heeft zich door nauwgezette en moeielijke onderzoekingen
+overtuigd, dat zij wel is waar enkele graankorrels opzoeken, die anders
+bederven zouden, maar toch over 't algemeen zich bijna uitsluitend
+voeden met onkruiden, die voor den landbouw nadeelig zijn, waardoor
+zij ons een waarlijk onberekenbaar voordeel aanbrengen.
+
+
+
+De eerste van de vier onderfamiliën, waarin Reichenow de Duiven
+verdeelt, is die der Vruchtduiven (Carpophaginae). Zij kenmerken
+zich door een gedrongen lichaamsbouw, een gladrandigen snavel,
+korte, zeer krachtige pooten met bevederden loop en vleezige
+teenen met breede zool, middelmatig lange vleugels, een korten,
+uit 14 pennen samengestelden, recht afgesneden, zelden eenigszins
+wigvormig verlengden staart en een prachtig (meestal grootendeels
+groen) gekleurd vederenkleed. Ten getale van ongeveer 150 soorten
+bewonen zij het zuiden van de Oude Wereld, zijn het talrijkst in
+het Australische, het minst talrijk in het Ethiopische Rijk, leven
+uitsluitend op boomen en voeden zich met vruchten.
+
+
+
+Als vertegenwoordiger van deze groep noemen wij de Groote Groene
+Muskaatduif (Carpophaga concinna), waarvan Wallace melding maakt bij
+'t beschrijven van zijn bezoek aan de Kei-eilanden (Residentie Banda):
+"Het meest betreden pad leidde van het strand naar een schaduwrijke
+diepte, waar de boomen onmetelijk hoog waren en het kleine hout
+zeer schaarsch. Uit de toppen dezer boomen liet zich van tijd tot
+tijd een zwaar, brommend geluid hooren, waarvan wij aanvankelijk
+niets begrepen, en dat, zooals ons spoedig bleek, door eenige
+groote Duiven werd voortgebracht. Mijne jongens legden op haar aan,
+en hadden, na één- of tweemaal misgeschoten te hebben, het geluk
+er een te treffen. Het was een prachtige Vogel, ruim 50 cM. lang,
+blauwachtig wit van kleur, maar schitterend metaalgroen met gouden,
+blauwen en violetten weerschijn op het benedeneinde van de vleugels
+en den staart, met koraalroode pooten en goudgele oogen. Deze soort
+is beperkt tot eenige kleine eilanden, doch op deze overvloedig. Het
+is dezelfde soort, die op Banda "Muskaatduif" wordt genoemd, omdat
+zij gewoon is de vruchten van den muskaatnotenboom te verslinden,
+of liever den zaadrok (foelie), die den zaadkorrel bedekt, "terwijl
+zij, het zaad (dat gewoonlijk muskaatnoot wordt genoemd) ongeschonden
+weer uitwerpt. Ofschoon deze Vogels een smallen bek hebben, zijn hunne
+kaken zoo beweeglijk en is hun slokdarm zoo rekbaar, dat zij vruchten
+van grooten omvang kunnen verzwelgen." De muskaatnoot ontkiemt zelfs
+in haar vaderland niet gemakkelijk; de planters laten haar eerst in
+kalkwater weeken, voordat zij haar in den grond leggen. De zaden,
+die door het spijskanaal van den Vogel zijn heengegaan en met den
+drek worden uitgeworpen, ontkiemen beter dan die, welke dezen weg niet
+hebben afgelegd. De Muskaatduif heeft op deze wijze veel bijgedragen
+tot de verbreiding van den muskaatnotenboom op de Molukken. De stem
+van dezen Vogel bestaat uit een zwaar gebrom, alsof twee tonen op een
+"gong" van de grootste soort worden aangeslagen, soms ook uit een
+geheel eigenaardig en zonderling schor gekwaak, eenigszins gelijkend
+op dat van een Pad.
+
+
+
+Meer dan 50 soorten van Muskaatduiven zijn over het geheele
+Australische en het Oostersche Rijk verbreid. De washuid aan den
+wortel van den bovensnavel zwelt bij deze dieren in den paartijd op
+en vormt een min of meer kogelvormigen knobbel. Vele dragen door
+het eten van vruchten veel bij tot de verbreiding van de boomen,
+die deze vruchten voortbrengen. Zoo gebruikt de Metaalkleurige
+Muskaatduif (Carpophaga aenaea) van de Soenda-eilanden de vruchten
+van de gebang-palm (Corypha), die ongeveer 2.5 cM. middellijn hebben
+en uit een harde, bolvormige zaadkorrel bestaan, omgeven door een
+groenen bolster, die een zeer dunne, saprijke laag bevat. Deze
+zaden zijn zoo hard, dat de Mahomedanen in Indië ze gebruiken als
+kralen voor hunne rozenkransen. "Dikwijls," zegt Wallace, "schoot ik
+exemplaren met onderscheidene van deze vruchten in den krop; doorgaans
+barstte deze bij het op den grond vallen." De laatstgenoemde, ook op
+Java levende soort, die door de bewoners van Sumatra, waar zij ook
+voorkomt, Pagam genoemd en dikwijls in de kooi gehouden wordt, is in
+onze dierentuinen zeer gemeen. De rug, de vleugels en de staart zijn
+bij haar blauwachtig bronsgroen, maar de onderdekveeren van den staart
+zijn roodbruin en de overige gedeelten van het vederenkleed witachtig,
+welke tint echter op den nek naar purper zweemt. In grootte overtreft
+deze soort onze grootste tamme Duif.
+
+
+
+Voor ons is de onderfamilie van de Edelduiven (Columbinae) de
+belangrijkste; daar alle inheemsche Duiven en die, welke bij ons
+huisdieren geworden zijn, er toe behooren. Deze groep is over alle
+werelddeelen verbreid, in de Oude Wereld echter soortenrijker dan
+in Amerika. Zij onderscheidt zich door de iets grootere lengte van
+den loop en de smalheid van de zool der teenen, waardoor de pooten
+beter voor het gaan op den grond geschikt zijn. De staart bestaat
+uit 12 pennen, is meestal recht afgesneden of afgerond, zelden zeer
+lang en trapvormig. De snavel is middelmatig lang, alleen aan de spits
+hoornachtig, aan den wortel echter zacht en met een washuid bedekt. De
+veeren zijn minder prachtig van kleur dan bij de vorige groep.
+
+
+
+De beroemde Trekduif (Ectopistes migratorius) is krachtig gebouwd,
+heeft een langen hals en een kleinen kop met middelmatig langen,
+tamelijk dunnen en zachten snavel, een korten, maar krachtigen loop
+(korter dan de middelste voorteen zonder den nagel), lange, spitse
+vleugels, waarin de tweede handpen de langste is en een langen staart,
+welks pennen (met uitzondering van de beide middelste, die een weinig
+korter zijn dan hare buren), naar de zijden trapvormig in lengte
+afnemen; de staart is even lang als, of langer dan de vleugel. De
+hoofdkleur is leikleurig blauw; de onderdeelen zijn roodachtig grijs,
+de zijden van den hals hebben een purpervioletten weerschijn, de
+buik en de aarsdekveeren zijn wit, de slagpennen zwartachtig met
+witten zoom, de middelste stuurpennen zwart, de overige lichtgrijs,
+aan den wortel van de binnenvlag met een bruinroode en een zwarte
+vlek geteekend. Het oog is glanzig rood, de snavel zwart, de poot
+bloedrood. Totale lengte van het mannetje 42, van het wijfje 39,
+lengte van staart en vleugel bij beide 21 cM.
+
+Van de Hudsonsbaai tot aan de Golf van Mexico en van het Rotsgebergte
+tot aan de oostkust komt de Trekduif (die, naar men zegt, eenige malen
+naar Engeland is afgedwaald) in alle Staten van Noord-Amerika voor,
+doch niet overal in even grooten getale.
+
+"De Trekduif, die in Amerika "Wilde Duif" wordt genoemd," zegt Audubon,
+"beweegt zich met buitengewone snelheid door snel opeenvolgende
+vleugelslagen. Hare reizen hebben uitsluitend plaats met het doel om
+voedsel te vinden, niet om aan de winterkoude der noordelijker gewesten
+te ontkomen of om een geschikter broedplaats op te zoeken. Nergens
+vestigen deze Vogels zich voor goed; op plaatsen, waar zij voedsel
+vinden, blijven zij soms jaren achtereen, hoewel men ze er vroeger
+nooit opmerkte, verdwijnen daarna plotseling en keeren eerst na jaren
+weer terug. Haar buitengewone vaardigheid in 't vliegen stelt haar
+in staat om zich in korten tijd over een verbazingwekkenden afstand
+te verplaatsen. Vele feiten zijn bekend, waaruit dit blijkt. In de
+buurt van New-York doodde men Trekduiven, welker krop gevuld was
+met rijst, die zij in de velden van Georgië of Carolina opgepikt
+moesten hebben. Daar de spijsvertering bij hen zoo snel geschiedt,
+dat het opgenomen voedsel in 12 uur volkomen ontleed is, kan men
+hieruit afleiden, dat zij tusschen de 300 en 400 Engelsche mijlen in
+6 uur of 1 mijl (20 minuten gaans) per minuut hadden afgelegd. Met
+dezelfde snelheid doorvliegend, zouden zij binnen de 3 dagen uit
+Amerika in Europa aankomen.
+
+"In den herfst van 1813, toen ik eenige mijlen beneden Hardensburgh aan
+den Ohio over een dorre vlakte ging, zag ik een zwerm Trekduiven, die
+van het noordoosten naar het zuidwesten zich bewoog. Daar haar aantal
+mij grooter voorkwam, dan ik ooit te voren bijeen had gezien, nam ik
+mij voor, de zwermen te tellen, die binnen het uur mij voorbij zouden
+vliegen. Ik stapte daarom van 't paard, ging op een hoogte zitten en
+maakte telkens als er een zwerm voorbijtrok, met mijn potlood een stip
+op 't papier. Spoedig bemerkte ik, dat mijn plan onuitvoerbaar was,
+zoo groot was het aantal Vogels. Ik stond daarom op, telde de stippen
+en vond, dat ik er in 21 minuten 163 aangeteekend had. Ik zette mijn
+weg voort, maar de massa Vogels werd steeds grooter. De lucht was
+letterlijk met Duiven gevuld, die de namiddagszon verduisterden als bij
+een zoneclips. De uitwerpselen vielen als sneeuwvlokken naar beneden;
+het voortdurend gedruisch van de vleugelslagen maakte mij slaperig,
+hoezeer mij de bewegingen dezer Vogels boeiden. Onmogelijk is het hunne
+prachtige zwenkingen te beschrijven, als een Valk een van hen trachtte
+te grijpen. Plotseling stortten zij dan met donderend geraas als een
+samenhangende massa, als een levende stroom naar beneden, schoten
+dicht aaneengesloten volgens golvende banen en scherphoekige lijnen
+vooruit, daalden tot op den bodem af en scheerden zich daarlangs met
+onvergelijkelijke snelheid, stegen vervolgens loodrecht omhoog, als
+een kolossale zuil, en ontwikkelden zich, nadat zij de gewenschte
+hoogte weder bereikt hadden, tot een lijn, vergelijkbaar met de
+kronkelingen van een onzaglijk groote Reuzenslang.
+
+"Alle bewoners van de streek waren onder de wapenen. Aan de oevers
+van den Ohio wemelde het van mannen en knapen, die dooreenkrioelden
+en onophoudelijk schoten onder de vreemde gasten, die hier lager
+vlogen, omdat zij de rivier wilden overtrekken. In grooten getale
+werden zij gedood; een week lang en langer at de bevolking niets
+anders dan vleesch en vet van Wilde Duiven; alle gesprekken hadden
+alleen op haar betrekking. De dampkring was intusschen vervuld met
+de eigenaardige lucht, die deze soort verbreidt.
+
+"Misschien is het van belang het aantal Duiven in zulk een zwerm
+te schatten en de hoeveelheid voedsel te berekenen, die zij
+verbruiken. Als men aanneemt, dat het vogelenheir een breedte van
+één mijl besloeg (wat volstrekt niet overdreven mag worden genoemd)
+en dat het met de aangegeven snelheid onafgebroken drie uren lang
+voorbijtrekt, zoo verkrijgt men een parallellogram van 180 vierkante
+Engelsche mijlen. Rekent men slechts twee Duiven op de vierkante
+meter, dan blijkt het, dat het geheele leger uit 1.115.136.000 stuks
+Trekduiven moet hebben bestaan. Daar nu iedere Duif per dag een "halve
+pint" (bijna O.3 Liter) voedsel noodig heeft, leert de berekening, dat
+het geheele reisgezelschap 8.712.000 "bushels" (3.163.000 Hectoliter)
+per dag verorbert.
+
+"Zoodra de Duiven op den grond voedsel waarnemen, beginnen zij
+kringen te beschrijven om het terrein te onderzoeken. Gedurende
+deze zwenkingen levert de dichte massa een prachtig schouwspel
+op. Terwijl zij van richting veranderen en beurtelings de boven- en
+de onderzijde naar den waarnemer keeren, zien zij er nu eens blauw
+dan weer purperkleurig uit. Zoo trekken zij op korten afstand over de
+wouden voort, verdwijnen voor een poos in het loover, verheffen zich
+weer en vliegen door hoogere luchtlagen verder. Eindelijk strijken zij
+neer. Zoodra zij op den grond neergekomen zijn, ziet men ze ijverig
+tusschen de dorre bladen snuffelen om de hieronder verborgen eikels op
+te zoeken. De hoeveelheid voedsel, die van den bodem wordt opgezocht,
+is verbazend groot; het verzamelen geschiedt zoo zorgvuldig, dat het
+vergeefsche moeite zou zijn een nalezing te houden. Soms eten zij zoo
+gulzig, dat het doorslikken van een noot of een eikel gepaard gaat
+met een gekuch, alsof zij op 't punt zijn van te stikken. Ongeveer op
+'t midden van den dag, nadat zij zich verzadigd hebben, gaan zij op de
+boomen zitten rusten. Met lichten tred loopen zij de twijgen rond en
+bewegen intusschen op zeer bevallige wijze den hals heen en weer. Als
+de zon ondergaat, vliegen zij in menigte naar hare slaapplaatsen. Het
+is volstrekt geen zeldzaamheid, dat deze op honderden mijlen afstands
+van hare voederplaatsen gelegen zijn.
+
+"Herhaaldelijk bezocht ik haar slaapplaats aan de Green River in
+Kentucky. Deze bestaat uit een hoogstammig woud met weinig onderhout,
+dat minstens 40 mijlen lang en meer dan 3 mijlen breed is. Toen
+ik het voor de eerste maal bezocht, hadden de Duiven het sinds
+ongeveer 14 dagen in bezit genomen. Twee uur vóór zonsondergang kwam
+ik aan. Er waren slechts weinige Duiven te zien; maar vele menschen
+met Paarden en wagens, geweren en ammunitie kampeerden overal langs
+de boschranden. Twee grondeigenaars hadden meer dan 200 Zwijnen ruim
+100 mijlen ver naar hier gedreven, om ze met Duiven te mesten. Overal
+zag men lieden bezig met het inzouten van de Duiven, die allerwege bij
+hoopen lagen. Over de geheele uitgestrektheid van de slaapplaats was de
+bodem bedekt met een laag uitwerpselen van verscheidene centimeters
+dikte; 't was, alsof het gesneeuwd had. Vele boomen, met stammen
+van ongeveer 60 cM. dikte, waren dicht bij den grond afgebroken;
+takken van de grootste en dikste boomen waren naar beneden gestort,
+alsof een orkaan het bosch geteisterd had. Uit al deze verschijnselen
+viel af te leiden, dat zich hier een onbeschrijfelijk groot aantal
+Vogels had opgehouden. Het tijdstip, waarop de Duiven zouden aankomen,
+naderde; hare vijanden maakten op bijna angstvallig nauwgezette wijze
+toebereidselen voor den strijd. Sommigen kwamen met ijzeren potten
+vol zwavel, anderen met fakkels van harsachtig hout, nog anderen met
+palen, de overigen met geweren. De zon was reeds onder de kim gedaald,
+nog was geen enkele Duif verschenen, maar alles was voor de vangst
+gereed; aller oogen staarden naar den helderen hemel, die tusschen de
+hooge boomen doorschemerde. Plotseling weerklonk het algemeen geroep:
+"Daar komen zij!" En ofschoon de Duiven nog veraf waren, hoorde men
+een dreunend geraas, dat aan het loeien van een sneeuwstorm door
+het want van een schip herinnerde. Toen de zwerm over mij heentrok,
+merkte ik een hevige luchtstrooming op. Duizenden van Duiven werden
+al dadelijk door de mannen met de palen naar den grond geslagen, maar
+onophoudelijk snelden versche drommen toe. Toen de vuren aangestoken
+werden, vertoonde zich een grootsch, even zonderling als ontzettend
+schouwspel aan mijne oogen. De Duiven, die bij duizenden kwamen,
+streken overal neer, totdat zij om de takken en twijgen der boomen
+aaneengesloten massa's vormden. Hier en daar braken de takken onder
+hun last, stortten krakend naar beneden en doodden honderden van de
+daaronder zittende Vogels, daar zij geheele risten van hen medesleepten
+naar den bodem. Het was een schouwspel van verwarring en wanorde. Het
+was geheel noodeloos te spreken: de naastbijzijnde lieden waren niet
+te beschreeuwen. Zelfs van het afschieten der geweren bespeurde men
+meestal niets anders dan de lichtstraal veroorzaakt door de verbranding
+van het kruit!
+
+"Eerst tegen den morgen bedaarde het gedruisch eenigszins. Lang
+voordat men een voorwerp kon onderscheiden, begonnen de Duiven
+reeds weg te trekken en wel in een geheel andere richting dan die,
+welke zij bij haar komst volgden. Bij zonsopgang waren alle, die nog
+vliegen konden, verdwenen. Nu vernam men de stem van de Wolven, Vossen
+en Lossen, van den Poema, van de Beren, Waschberen en Buideldieren,
+die onder de boomen rondsnuffelden, terwijl Arenden en een menigte
+Gieren kwamen aanvliegen om met de viervoetige roovers den buit te
+deelen. Thans begonnen ook de hoofdaanleggers van het moordtooneel
+de doode, stervende en verminkte Duiven op te zoeken. Zij werden
+op hoopen geworpen, tot ieder er zooveel had, als hij verlangde;
+vervolgens liet men de Zwijnen los om het overblijvende te verslinden."
+
+Soortgelijke tooneelen van slachting komen voor op de broedplaatsen
+van de Trekduif. "Haar voortplanting," verhaalt Audubon verder, "hangt
+niet direct van het jaargetijde af; als broedplaats dient een woud,
+waar het voedsel overvloedig en gemakkelijk verkrijgbaar is en dat
+zich op een niet te grooten afstand van een water bevindt. De nesten
+worden gebouwd in hooge boomen. Op één boom ziet men dikwijls 50 à 100
+nesten bijeen; de vrees, dat men de wonderbaarlijke geschiedenis van
+deze Duif voor een sprookje zal houden, weerhoudt mij van het noemen
+van een nog grooter getal. Ieder nest bevat 2 rondachtige, ongeveer
+35 mM. lange, 25 mM. dikke, zuiver witte eieren. Gedurende het broeden
+wordt het wijfje gevoederd door het mannetje, dat zijn wederhelft een
+werkelijk treffende liefde en genegenheid betoont. Opmerkelijk is het,
+dat de beide jongen altijd van verschillend geslacht zijn. De jongen
+worden door hunne beide ouders gevoederd, totdat zij zich zelf kunnen
+redden, verlaten daarna het gezelschap van de volwassenen en blijven
+tot afzonderlijke zwermen vereenigd tot aan het einde van hun jeugd. Na
+zes maanden zijn zij in staat zich voort te planten. Zoodra zij de
+eischaal verlaten hebben, begint de oppergeweldenaar, de mensch,
+hun den oorlog aan te doen. Met bijlen en andere wapens voorzien,
+begeeft hij zich naar 't woud, houwt takken af en boomen om en stoort
+op deze wijze de weerlooze woudbewoners in hun rust. Bij 't neerstorten
+der omgehakte stammen worden de jongen uit hunne nesten geslingerd,
+waardoor zij in menigte om 't leven komen."
+
+Men zou kunnen meenen, dat de Duiven door dergelijke jachtbedrijven
+weldra uitgeroeid zullen zijn. "Door jarenlange waarnemingen," zegt
+Audubon, "ben ik tot de overtuiging gekomen, dat haar aantal alleen
+door het ontginnen der bosschen vermindert." Voorheen waren zij zelfs
+in de oostelijke kuststaten veelvuldig. In het jaar 1885 kwamen in
+New-York schoeners aan, die met Trekduiven beladen waren; deze werden
+voor 1 cent Amerikaansch geld (f 0.02 1/2) per stuk verkocht. Een
+man in Pennsylvanië ving in zijn slagnet op één dag 500 dozijn van
+deze Vogels, soms wel 20 dozijn bij een slag van het net. Nog in het
+jaar 1830 kwamen zij zóó veelvuldig te New-York op de markt dat zij
+algemeen gegeten werden.
+
+Hoewel de Trekduif bij behoorlijke verzorging jaren lang in
+gevangenschap kan blijven leven en zich hier zonder bezwaar voortplant,
+komt hij tegenwoordig in onze dierentuinen zeer zelden voor.
+
+
+
+Tot het over de geheele wereld verbreide geslacht der Houtduiven
+(Columba) behoort onze Woudduif, ook wel Ringduif, Ringelduif,
+Boschduif of Koolduif, in Overijsel Schor en Spechte, in Limburg
+Holduif, in Friesland Houtduif (friesch: Houtdouw) genoemd (Columba
+palumbus). De kop, de nek en de keel zijn donker blauwachtig grijs
+(ook wel aangeduid als "duivenblauw" of "papaverblauw"), de bovenrug
+en het bovenste deel van den vleugel donker grijsblauw, de onderrug
+en de staartwortel lichtblauw, de kop en de borst roodachtig grijs,
+de onderdeelen overigens licht grijsblauw, behalve de witte onderbuik;
+het onderste deel van den hals is aan weerzijden met een glanzig witte
+vlek versierd en iriseert met metaalachtige kleuren; de slagpennen zijn
+leikleurig grijs, de staartveeren leikleurig zwart, met een lichteren
+dwarsband geteekend; een breede streep aan de vleugelbocht en een
+groote vlek op de staartpennen zijn wit. Het oog is licht zwavelgeel,
+de snavel lichtgeel, aan den wortel rood, de poot blauwachtig
+rood. Totale lengte 43, vleugellengte 23, staartlengte 17 cM.
+
+De Woudduif is bezuiden den 65en graad N.B. over geheel Europa verbreid
+en wordt in Azië door een nauw verwante soort vervangen. In Nederland
+komt zij zeer algemeen voor; zij broedt niet alleen in allerlei
+bosschen, maar zelfs in onze dorpen en steden op de boomen der tuinen
+en grachten. Na den broedtijd leeft zij gezellig, verhuist in September
+en October naar het zuiden (overwintert echter ook dikwijls hier te
+lande) en keert in April naar hare broedplaatsen terug. Des winters
+bezoekt zij ook het noordwesten van Afrika, in het noordoosten van dit
+werelddeel komt zij niet. Reeds in Zuid-Europa treft men de Woudduiven
+minder veelvuldig aan dan bij ons, in Spanje echter vindt men ze op
+sommige plaatsen tot talrijke gezelschappen vereenigd.
+
+De Woudduif is een echte boomvogel. In Duitschland ontmoet men
+haar in alle bosschen, zoowel groote als kleine, onverschillig of
+zij uit naaldboomen of uit boomen met breede bladen bestaan, in het
+gebergte zoowel als in de vlakte, dicht bij de dorpen zoowel als ver
+van de menschelijke woningen. Naar het schijnt, geeft zij echter aan
+naaldhout de voorkeur, misschien wel alleen, omdat de zaden van dennen,
+sparren en edeldennen tot hare liefste voedingsmiddelen behooren. Bij
+uitzondering vestigt zij haar woonplaats soms op alleenstaande
+boomen te midden van dorpen of zelfs van volkrijke steden. In het
+noorden van haar verbreidingsgebied is zij een trekvogel, die op vast
+bepaalde tijden vertrekt en terugkeert; ten deele reeds bij ons en
+in Duitschland, meer nog in Spanje en Portugal is zij standvogel. De
+Woudduif is een buitengewoon vlugge, schielijk wegvliegende en schuwe
+Vogel. Zij kan goed loopen, maar doet dit niet zeer snel; het lichaam
+heeft dan soms een horizontalen, soms een opgerichten stand, de hals
+is voortdurend in beweging. Zij zit op den top van een boom of diep
+in de kroon verborgen. Aan boomen, die ver boven de andere uitsteken
+of doode takken aan den top hebben, geeft zij de voorkeur, op deze
+treft men haar bijna iederen morgen aan. Zij vliegt fraai, snel en
+behendig; haar vleugelslag maakt bij het opvliegen een klapperend
+en in de lucht een fluitend gedruisch. Reeds op een grooten afstand
+kan men de Woudduif niet slechts aan haar grootte, maar ook aan haar
+langen staart en aan de witte vlekken op de vleugels van de verwante
+soorten onderkennen.
+
+Het echtpaar brengt den nacht door in de nabijheid van het nest. Vroeg,
+vóór het aanbreken van den dag is het reeds wakker: de doffer begeeft
+zich dan naar zijn lievelingsboom. Hier begint hij in de schemering
+te roekoeken; zijn geluid gelijkt op dat van de Veldduif, maar is
+krachtiger; het klinkt bijna als "roekkoekkoek" en "koekkoekoe" of
+"roekoekoe-koekoe." Hij zit intusschen stil op een tak, maar blaast
+den hals op en beweegt deze. Ieder geroekoe wordt drie- of viermaal
+achtereenvolgens herhaald. De doffers uit de buurt worden hierdoor
+bijeengelokt; zij zetten zich op naburige boomen neer en houden nu
+met elkander een wedstrijd in het roekoeken.
+
+Het mannetje en het wijfje sleepen, zoodra de plaats voor het nest
+bepaald is, de bouwstoffen aan; deze worden echter door het wijfje
+verwerkt. Het nest bestaat uit dorre rijsjes van sparren, dennen,
+zilversparren en beuken of uit de twijgen van een dezer boomsoorten;
+het is zoo los en slecht gebouwd, dat men niet zelden de eieren er van
+onderen doorheen ziet schemeren; het is plat, alleen op de plaats waar
+de eieren liggen, hol en heeft een middellijn van 30 à 40 cM. Hoewel
+het zeer slecht gebouwd is, ligt het toch zeer vast en is tegen weer
+en wind bestand. De twee langwerpige, aan beide einden op gelijke
+wijze afgeronde eieren, die een dunne en oneffene, glanzig witte
+schaal hebben, vindt men van de laatste helft van April tot aan de
+laatste helft van Juli in het nest. Zij worden door het mannetje en
+het wijfje om beurten bebroed. Opmerkelijk is de geringe gehechtheid
+van de Woudduif aan hare eieren. Als men de broedende Woudduif van
+het nest jaagt, kan men de eieren gerust dadelijk medenemen, want zij
+laat ze stellig in den steek. Jegens de jongen is haar liefde grooter,
+maar toch niet zoo groot als bij andere Vogels.
+
+Het liefste voedsel van de Woudduif zijn de zaden van verschillende
+soorten van naaldboomen; met deze vindt men gedurende den geheelen
+zomer haar krop gevuld. Zij zoekt ze niet slechts van den grond op,
+maar haalt ze ook tusschen de uiteengeweken schubben van de pijnkegels
+weg. Bovendien eet zij graan en graszaden, bij uitzondering Slakken
+en Regenwormen, in het laatst van den zomer ook boschbessen en in
+bosschen met breedbladige boomen, eikels en beukels.
+
+De weinige graankorrels, die de Woudduif van den akker opzoekt en
+die anders toch bederven zouden, mag men haar wel gunnen; maar ook
+deze kleine inbreuk op de bezittingen van den mensch vergoedt zij
+duizendvoudig door het opeten van zaden van allerlei soorten van
+onkruid.--Buiten den mensch heeft deze voorzichtige Vogel weinig
+vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden. De Havik en de
+Slechtvalk of de groote verwanten van den laatstgenoemden Roofvogel
+vangen vaak oude Duiven; het leven van de jongen wordt bedreigd
+door Boschkatten, Boommarters en Eekhoorntjes, misschien ook door
+Sperwer-wijfjes en 's nachts door den Grooten Ooruil.
+
+Gevangen Woudduiven worden tamelijk tam en kunnen vele jaren in de kooi
+in 't leven blijven. Zij geraken gemakkelijk gewoon aan een doelmatig
+gekozen voedsel; gemengde zaden voldoen aan al hare eischen. Het is
+echter een zeldzaamheid, dat zij zich in de kooi voortplanten.
+
+
+
+De Kleine Boschduif (Columba oenas), heeft den kop en den hals, het
+bovenste deel van den vleugel, den benedenrug en den staartwortel
+"duivenblauw", den bovenrug donker grijsblauw, de kropstreek wijnrood,
+de overige onderdeelen dof "duivenblauw"; de slagpennen en de
+uiteinden der stuurpennen zijn leikleurig blauw; de vleugel heeft
+een afgebroken donkere band; de nek iriseert op een voor de Duiven
+karakteristieke wijze. Het oog is donkerbruin, de snavel lichtgeel,
+aan den wortel donker vleeschrood, als 't ware wit gepoederd, de poot
+dof donkerrood. Totale lengte 32, vleugellengte 22, staartlengte 13 cM.
+
+Ongeveer dezelfde landen als door de Woudduif bewoond worden, herbergen
+ook de Kleine Boschduif; zij is echter overal zeldzamer, om de zeer
+deugdelijke reden, dat zij niet overal wonen kan, daar zij voor haar
+nest oude boomen met geschikte holten noodig heeft. Zij houdt zich op
+in bosschen van allerlei soort, niet zelden ook op boomen te midden
+van het veld, als deze een holte bevatten geschikt om er een nest in
+te bouwen, soms op boomen in de onmiddellijke nabijheid van dorpen;
+in Middel-Duitschland neemt zij echter van jaar tot jaar meer af. In
+Nederland werd zij in kleinen getale in Gelderland, Noordbrabant,
+Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland gezien of gevangen, in de
+vier eerstgenoemde provinciën (bij Nijmegen, Rheden en Ellecom, in
+de Meijerij van 's Hertogenbosch en 's Graveland bij Soestdijk) ook
+broedend waargenomen (Albarda). In Middel-Duitschland verschijnen
+deze Vogels, ieder afzonderlijk reizend, in Maart; tot vluchten
+vereenigd, begeven zij zich omstreeks het midden van October naar
+hunne winterkwartieren. Een enkele maal heeft men in Nederland (bij
+'s Graveland) ook 's winters Duiven van deze soort gezien; men mag ze
+dus als standvogels beschouwen. Zij overwinteren reeds in Zuid Europa;
+zelden steken enkele vluchten naar Noordwest-Afrika over.
+
+De bewegingen van de Kleine Boschduif zijn minder vlug en onstuimig,
+maar behendiger dan die van de Woudduif; zij loopt beter en vliegt
+flink. Haar stem verschilt aanmerkelijk van die harer verwanten
+(Woudduif en Rotsduif): zij roekoekt eenvoudig "hoe hoe hoe." Haar
+voedsel bestaat uit allerlei zaden.
+
+Een paar Duiven van deze soort levert een tafereel van trouwe liefde
+op. Het mannetje is zeer gehecht aan zijn wijfje, is gewoonlijk in haar
+nabijheid, kort haar den tijd met "roekoeken", terwijl zij broedt en
+begeleidt haar, wanneer zij van de eieren wordt afgejaagd. Onmiddellijk
+na de terugkomst in 't vaderland, in de lente, zoekt het paar een voor
+den nestbouw geschikte holte op; hier vindt men reeds in het begin van
+April 2 witte eieren. De beide ouders broeden met zelfverloochenenden
+ijver. Zoo onverschillig als de Woudduiven voor hare eieren zijn, zoo
+gehecht zijn de Kleine Boschduiven er aan. Zij zitten niet slechts
+zeer "vast", zóó zelfs, dat men de broedende Duif soms grijpen kan,
+maar zoeken, zelfs met gevaar voor haar leven, het nest weer op,
+wanneer zij er van verjaagd zijn. Men kan op het wijfje schieten,
+zonder dat zij hare eieren verlaat.
+
+De Kleine Boschduif kan gemakkelijker getemd worden dan de Woudduif;
+zij begeeft zich soms vrijwillig in het gezelschap van de Veldduiven;
+naar gezegd wordt, paart zij zelfs met deze.
+
+
+
+Als stammoeder van de Tamme Duiven of Huisduiven is de Rotsduif
+(Columba livia) voor ons de belangrijkste soort. De bovendeelen zijn
+licht aschkleurig blauw, de onderdeelen "duivenblauw"; de kop is
+licht leikleurig blauw, de hals tot aan de borst donker leikleurig,
+van boven licht blauwgroen, van onderen purperkleurig iriseerend; de
+benedenrug is wit, de vleugel met twee zwarte dwarsbanden geteekend;
+de slagpennen zijn aschgrauw, de stuurpennen donker papaverblauw,
+aan de spits zwart, de buitenste op de buitenvlag wit. Het oog
+is zwavelgeel, de snavel zwart, aan den wortel lichtblauw, de poot
+donker blauwrood. Het mannetje en het wijfje verschillen nagenoeg niet
+van kleur; de jongen zijn donkerder dan de ouden. Totale lengte 34,
+vleugellengte 21, staartlengte 11 cM.
+
+In Nederland komt deze soort in 't wild niet voor. Men vond volgens
+Mr. H. Albarda verwilderde Huisduiven, ook wel Wilde Duiven, Veldduiven
+of Veldvluchters, in Friesland Gib of Wilde Gib genoemd, "vroeger
+in grooten getale te Leeuwarden, waar zij hun voedsel op de straten
+zochten en op torens en oude gebouwen broedden en alzoo geheel zonder
+'s menschen toedoen leefden en voortteelden. Thans vindt men ze niet
+meer dan in halfwilden staat op duiventillen ten platten lande."
+
+Het verbreidingsgebied van de Rotsduif, waarvan verscheidene
+standvastige ondersoorten bestaan, bepaalt zich in Europa tot eenige
+eilanden van het noorden en tot de kusten van de Middellandsche
+Zee; het omvat echter bovendien geheel Noord-Afrika, Palestina,
+Syrië, Klein-Azië en Perzië, alsmede enkele gedeelten van het
+Himalaja-gebied. Geregeld treft men haar aan in verschillende oorden
+langs de westkust van Schotland, op de Fär-öer en het rotsachtige
+eiland Rennesö bij Stavanger, verder op bijna alle voor haar
+geschikte rotswanden van de Middellandsche Zeekust, van Triëst af
+langs Griekenland, geheel Italië, Frankrijk en het zuiden van Spanje.
+
+In de omstreken van Triëst nestelt de Rotsduif op alle voor haar
+geschikte plaatsen; op den Karst vooral in trechtervormige holen
+van den grond (dolinen), dikwijls diep onder de oppervlakte, in
+Istrië, Dalmatië, Italië, Griekenland, Klein-Azië en ook op alle
+Grieksche eilanden in rotsholen dicht bij de zeekust zoowel als op
+de hoogste gebergten. In Egypte ziet men, vooral in de nabijheid van
+de watervallen, hare nesten in zeer grooten getale in rotswanden,
+enkele vluchten zelfs in de woestijn, in oorden, waar men zich
+afvragen moet, hoe de armoedige bodem hier in staat is, aan deze
+menigte een voldoende hoeveelheid voedsel te verschaffen. Verderop
+in het binnenland is zij veel zeldzamer; op gunstig gelegen plaatsen
+ontbreekt zij echter niet, in iedere rotsklomp met steile wanden
+is men zeker haar te zullen ontmoeten. In Indië is zij een van de
+algemeenst en veelvuldigst voorkomende Vogels; ook hier broedt zij
+in holen en nissen van de rotsen en klippen, zooveel mogelijk in de
+buurt van water, en dikwijls in gezelschap van de Alpen-gierzwaluw.
+
+In Indië, zoowel als in Egypte, leeft de Rotsduif ook in halfwilden
+toestand en bewoont alle oude, stille gebouwen, stadsmuren, pagoden,
+rotstempels en dergelijke monumenten, ook neemt zij haar intrek in
+de torens, die ten haren behoeve zijn opgericht. In Opper Egypte
+treft men vele buurtschappen aan, die meer ter wille van de Wilde
+Duiven dan van den mensch gebouwd schijnen te zijn. Uitsluitend de
+onderste verdieping van het huis, dat op een afgeknotte piramide
+gelijkt en met een plat dak gedekt is, wordt door den boer bewoond;
+de bovenste étage, die gewoonlijk wit aangestreken en ook op andere
+wijze versierd is, behoort aan de Wilde Duiven; bovendien heeft men
+hier hooge, koepelvormige torens gebouwd, alleen ter wille van deze
+Vogels. De muren van al deze gebouwen bestaan niet uit baksteenen,
+maar boven een bepaalde hoogte uitsluitend uit groote, eivormige,
+dikwandige potten, opeengestapeld en door mortel, of beter gezegd door
+slib van den Nijl, aaneenverbonden. Iedere pot heeft een opening aan
+zijn naar buiten gekeerd einde; dit gat is echter niet groot genoeg om
+als toegang voor een Duif te dienen, maar is bestemd voor het doorlaten
+van licht en lucht. Door de opening aan de binnenzijde kan de Duif
+gemakkelijk in de pot komen en hierin haar nest bouwen. De ingang tot
+de duivenwoning is tamelijk groot en met in den muur vastgemetselde
+takkenbossen omgeven, die de plaats innemen van de vliegplankjes. Dat
+deze inrichting goed aan het doel beantwoordt, blijkt duidelijk uit
+de groote menigte Duiven, die men voortdurend bij de huizen ziet.
+
+In de zuidelijke landen zijn de Rotsduiven standvogels, in het
+noorden worden zij door den winter tot trekken genoopt. Vóór
+hun vertrek vereenigen zij zich tot talrijke zwermen, die,
+naar het schijnt, gedurende hun verblijf in de winterkwartieren
+bijeenblijven. Waarschijnlijk trekken zulke duivenzwermen dikwijls
+over ons heen, zonder door ons herkend te worden, daar men ze licht
+verwarren kan met de Veldduiven.
+
+De handelingen van de Rotsduiven verschillen niet veel van die
+onzer Tamme Duiven. Zij zijn behendiger, vooral in het vliegen, dan
+onze Veldduiven en in den regel zeer menschenschuw; in alle overige
+opzichten verschaffen de gewoonten van de Tamme Duiven ons een getrouw
+beeld van die harer stamouders. De Rotsduiven loopen goed, maar knikken
+daarbij met den kop, vliegen voortreffelijk, maar met fluitend gesuis,
+kunnen een afstand van ongeveer 100 KM. in één uur afleggen, klappen
+met de vleugels vóór het opvliegen en zweven, voordat zij neerstrijken,
+verheffen zich gaarne tot de groote hoogten en vliegen dikwijls in
+dicht aaneengesloten zwermen in kringen rond. De boomen vermijden zij
+graag, hoewel zij soms een uitzondering op dezen regel maken. Uren
+achtereen loopen zij soms op den bodem rond om voedsel te zoeken;
+bij het drinken waden zij niet zelden een eind in het water op;
+de Egyptische Rotsduiven gaan, als zij drinken willen, midden op den
+stroom zitten, laten zich door de golven dragen en stijgen weer omhoog,
+als zij haar dorst gelescht hebben.
+
+De zintuigen en de geestvermogens van de Rotsduif zijn goed
+ontwikkeld. Men bemerkt n.l. bij het waarnemen van de Tamme Duiven
+weldra, dat men met schrandere, verstandige Vogels te doen heeft
+en kan hieruit afleiden, dat het bij de Rotsduif, die zelf niet
+gemakkelijk nagegaan kan worden, evenzoo gesteld is. De stem, het
+bekende roekoeken, bestaat uit doffe, huilende en rollende tonen,
+welker klank op "maroekoe moerkoekoe marhoekoekoe" gelijkt. Iedere
+afzonderlijke roep gaat gepaard met draaiingen, wendingen en knikken
+met den kop.
+
+Al onze graansoorten en bovendien raapzaad, koolzaad, lijnzaad,
+linzen, erwten, enz., vooral echter de zaden van de vogelwikke, die
+als onverdelgbaar onkruid zoo gevreesd is, vormen het voedsel van
+de Wilde en van de Tamme Duiven. Men heeft ze als schadelijke dieren
+beschouwd, omdat zij tamelijk veel voedsel noodig hebben en ons een
+merkbaar verlies kunnen veroorzaken; men zal ze echter minder streng
+beoordeelen, wanneer men bedenkt, dat zij alleen in den zaaitijd graan
+eten en in 't oog houdt, dat zij de veroorzaakte schade rijkelijk
+vergoeden door het verslinden van onkruid.
+
+Men onderstelt, dat de Rotsduif minstens tweemaal per jaar broedt,
+en weet zeker, dat de Veldduif in den loop van den zomer minstens
+drie broedsels grootbrengt. In het begin van de lente roekoekt de
+doffer zeer druk, is jegens zijne soortgenooten twistziek en wint
+door strijd (niet altijd zonder moeite) zijn wijfje, waaraan hij de
+grootste teederheid bewijst. Eenige dagen later drijft de doffer
+zijn gade voor zich uit naar de plaats, waar het nest gebouwd zal
+worden, vliegt uit om bouwstoffen te verzamelen en voert deze in den
+snavel aan; het wijfje bouwt er een nest van. Dit is een vlakke, in 't
+midden weinig uitgeholde, zonder eenige kunst samengevoegde hoop droge
+rijsjes, stengels van kruiden, stroo en droge grashalmen. Er verloopen
+nu nog eenige dagen, voordat het eerste ei gelegd wordt. Het broeden
+begint, als het nest twee eieren bevat. Deze hebben een langwerpigen
+vorm en een glanzige, gladde en zuiver witte schaal. De beide ouders
+broeden: het wijfje zonder verpoozing van 3 uur 's namiddags tot 10
+uur 's voormiddags, de doffer gedurende de weinige overige uren. Des
+nachts slaapt hij in de onmiddellijke nabijheid van het nest, altijd
+bereid om zijn gade naar vermogen te beschermen; hij duldt niet eens
+de nadering van een andere Duif. Na 16 à 18 dagen komen de jongen uit;
+deze zijn blind en buitengewoon hulpbehoevend; het laatste wordt 24 à
+36 uur na het eerste geboren. Aanvankelijk worden zij door de beide
+ouders gevoederd met een kaasachtige, door den krop gevormde stof;
+later krijgen zij geweekte, ten slotte harde zaden met steentjes en
+stukjes leem. Zij zijn na vier weken volwassen, vliegen met hunne
+ouders uit en worden binnen weinige dagen zelfstandig, waarna de
+ouders voor een tweede broedsel beginnen te zorgen.
+
+Hier te lande zijn de Marters, Slechtvalken en Haviken de ergste
+vijanden van de Duiven, in het zuiden hebben zij soortgelijke
+vervolgers. Het is bekend, dat vervolgde Duiven dikwijls in huizen
+vluchten en daarbij vensterruiten breken.
+
+Rotsduiven, die jong uit het nest genomen worden, gedragen zich geheel
+als Veldduiven, sluiten vriendschap met den mensch, doch toonen nooit
+de zelfverloochenende onderwerping, die de Huisduiven gewoonlijk aan
+den dag leggen.
+
+
+
+Reeds ten tijde van de 9e Egyptische dynastie (ongeveer 3000 jaar
+vóór den aanvang onzer tijdrekening) werden Duiven getemd. De Duif
+is dus een van de oudste huisdieren.
+
+Volgens Darwin, wiens meening op zeer nauwgezette onderzoekingen
+gegrond is en door nagenoeg alle hedendaagsche dierkundigen gedeeld
+wordt, moet de Rotsduif als de gemeenschappelijke stamvorm van
+alle rassen van Huisduiven beschouwd worden. Een der talrijke
+gronden, waarop Darwin's meening berust, heeft betrekking op de
+kleur. Deze is bij de Rotsduif leiblauw; de vleugels hebben twee
+zwarte dwarsbanden. Het achterdeel is veranderlijk van kleur, bij de
+Europeesche Duiven meestal wit, bij de Indische blauw; aan den staart
+komt dicht bij den top een zwarte dwarsband voor; de buitenvlag der
+buitenste stuurpennen heeft, met uitzondering van de spits, een witten
+rand. De genoemde teekening is alleen aan de Rotsduif eigen en werd
+bij geen andere wilde Duivensoort opgemerkt.
+
+Darwin vestigt de aandacht op het vederenkleed van de bastaarden,
+ontstaan door kruising van twee Tamme Duiven van verschillende rassen,
+die geen van beide eenig spoor van blauw in hun vederenkleed en ook
+niet de dwarsbanden en andere karakteristieke teekeningen van de
+Rotsduif vertoonen, welke evenmin bij vele opeenvolgende generaties
+harer voorouders voorkwamen. Deze bastaarden zijn soms blauw van
+kleur, hebben soms bovendien zwarte dwarsbanden op de vleugels, enz.;
+indien zij niet blauw zijn, merkt men toch dikwijls meer of minder
+duidelijk het een en ander deel van de karakteristieke teekening
+van de Rotsduif bij haar op. Darwin beschouwt dit verschijnsel als
+"atavisme" of "terugslag," als het wederoptreden van voorvaderlijke
+kenmerken, die gedurende eenige generatiën van voorouders niet te
+voorschijn zijn gekomen.
+
+Eindelijk pleit voor de meening van Darwin, dat alle Duivenrassen aan
+een enkelen stamvorm hun ontstaan danken, het feit, dat de Rotsduif
+een nog levende en ver verbreide soort is, die in verscheidene landen
+getemd kan worden en getemd is. Deze soort heeft geheel dezelfde
+levenswijze als de Huisduiven, stemt, zoo niet in alle, dan toch
+in de meeste opzichten met haar overeen, wat het inwendig maaksel
+betreft, terwijl bovendien alle eigenaardigheden van haar vederenkleed
+bij de verschillende rassen van Tamme Duiven min of meer verspreid
+voorkomen en niet zelden bij afstammelingen van deze in hoogere mate
+dan gewoonlijk optreden. Zonder eenig bezwaar paren Rotsduiven met
+Tamme Duiven en brengen vruchtbare nakomelingen voort. Dat de Rotsduif
+een sterke neiging tot variatie vertoont (men kent minstens 14 in
+'t wild levende verscheidenheden van deze soort) heeft ongetwijfeld
+het ontstaan van de zeer talrijke rassen van Huisduiven zeer bevorderd.
+
+Men vindt allerlei overgangen tusschen de geheel wilde en de volkomen
+getemde vormen. Gemakkelijk gaat de Rotsduif in half getemden toestand,
+in dien van Veldduif over; waarschijnlijk komt dit ook thans nog wel
+voor. Haar onderwerping aan de heerschappij van den mensch bepaalt
+zich soms eenvoudig tot het gebruik van de verblijfplaats, die de
+mensch haar aanbiedt; deze moet bij voorkeur hoog gelegen en met een
+vrij nauwen ingang voorzien zijn, opdat de bewoners veiligheid en rust
+kunnen vinden. Zij zoeken zelf haar voedsel op het veld; voedering is
+alleen in sommige omstandigheden, o.a. in den winter, noodig. Daar zij
+veel aan zich zelf overgelaten zijn, is haar gehechtheid aan den mensch
+niet groot; zij verlaten wel eens haar gewone verblijfplaats om op oude
+torens en dergelijke gebouwen (doch nooit op boomen) te nestelen. Deze
+Duiven, die de vervolgingen van Roofvogels beter kunnen ontgaan dan
+de meeste andere rassen, treft men dikwijls bij landlieden aan.
+
+Ook van de Veldduiven zijn tal van verscheidenheden bekend. Deze
+zijn gedeeltelijk buiten toedoen van den mensch, gedeeltelijk onder
+zijn invloed, door zoogenaamde "teeltkeus", ontstaan en behouden
+gebleven. Als de mensch zich bemoeit met de voortplanting der dieren,
+geschiedt dit met het doel, om individuën met door hem gewenschte
+eigenschappen te verkrijgen; hij doet dit, door de paring te bevorderen
+van wezens, welker kenmerken recht geven tot de verwachting, dat het
+gewenschte doel bereikt zal worden. De Veldduiven hebben dikwijls
+nagenoeg dezelfde kleur als de Rotsduif. Bij vele echter is het
+"duivenblauw" vervangen door lichtere kleuren of zelfs door wit,
+ook wel door donkere nuances of zelfs door zwart. Niet zelden komen
+ook bij haar gemengde kleuren voor. Een kuif op den kop of een sterke
+uitbreiding van de bevedering der voeten zijn echter bij deze halfwilde
+verscheidenheden uitzonderingen.
+
+Ook de door teeltkeus verkregen rassen--de Luxeduiven of Sierduiven,
+gelijk Baldamus ze noemt--verschillen, evenals de Veldduifrassen,
+soms alleen door de kleur van 't vederenkleed; in vele gevallen
+vertoonen zij echter ook afwijkingen van meer ingrijpenden aard,
+hetzij door buitengewoon sterke ontwikkeling van sommige veeren of door
+wijzigingen van inwendig maaksel (o.a. van den bouw van het skelet),
+die op den vorm en de houding van het geheele lichaam of van enkele
+lichaamsdeelen invloed oefenen. (De bedoelde afwijkingen van den
+stamvorm zijn grooter dan die, welke bij eenig ander huisdier door
+teeltkeus verkregen werden.) Dit geeft aanleiding tot de onderscheiding
+van de Sierduiven in drie groepen: de Kleurduiven, de Vederduiven en
+de Vormduiven. Tot de eerste groep behooren voor het meerendeel rassen,
+die men onder de Veldduiven zou kunnen rekenen, omdat zij een deel van
+haar voedsel op het veld zoeken. Voorbeelden zijn: de Leeuwerikduif,
+de Monniksduif, de Moorkop enz.
+
+De drie volgende verscheidenheden behooren tot de Vederduiven: De
+Russische Trommelduif is o. a. merkwaardig door haar mutsvormige kuif
+en de lange, over den geheelen loop en alle teenen zich uitstrekkende
+bevedering van den voet; zij ontleent haar naam aan haar trommelend
+gekir. De Meeuwtjes hebben een zeer korten, kegelvormigen snavel,
+een spitse kuif op den kop en fraaie, gekroesde veeren (jabot) langs
+de geheele voorzijde van den hals. De Raadsheeren zijn getooid met een
+uit gekrulde veeren bestaanden halskraag, die soms, van de voorborst
+uitgaande, den nek en den achterkop omgeeft.
+
+Merkwaardige voorbeelden van Vormduiven zijn: de Pauwstaarten
+met kleinen kop, slanken, achterwaarts gebogen hals en korten,
+ineengedrongen romp, vooral gekenmerkt door den bijna loodrecht
+geplaatsten, waaiervormig uitgebreiden staart, die uit 24 à 40, op 2
+of 3 reeksen staande pennen samengesteld is. De Tuimelaars hebben een
+kleinen, korten en ronden kop, een korten, bijna kegelvormigen snavel,
+een achterwaarts gebogen hals en een hollen, ingezonken rug. Sommige
+van de verscheidenheden, die men onder dezen naam samenvat, hebben
+de zonderlinge gewoonte om zich onder talrijke buitelingen van een
+groote hoogte te laten vallen, soms tot dicht bij den grond. Andere
+(de Rollers) wentelen zich met uitgespreide vleugels van links naar
+rechts of van rechts naar links, waarbij zij nu eens op dezelfde plek
+blijven en snel rollend een kring beschrijven, dan weer voortdurend
+wentelend, over een zekeren afstand dalen om vervolgens weer op
+te stijgen en hetzelfde spel te hervatten. Sommige (de Draaiers)
+slaan bij het vliegen de vleugels met kracht aan de rugzijde samen,
+andere (de Slenkers) doen dit aan de buikzijde; in beide gevallen is
+het klappen met de vleugels op verren afstand hoorbaar. De Kroppers
+hebben een slank lichaam, lange en smalle vleugels, een langen
+staart en hooge pooten; zij onderscheiden zich door het vermogen om
+den krop geweldig op te blazen, zoodat hij tot op den buik reikt. De
+Wrattenduiven ontleenen haar naam aan de wratten bij den snavelwortel
+en op den naakten ring om de oogen. Tot deze groep behooren ook de
+lang- en snelvliegende Postduiven.
+
+
+
+De Tortelduiven (Turtur) vormen een soortenrijk, zeer duidelijk
+begrensd geslacht; zij zijn slank gebouwd, hebben een kleinen kop,
+lange vleugels en een langen staart; hare pooten zijn betrekkelijk
+lang, althans geschikt voor 't gaan op den grond. Over 't algemeen
+is de kleur van haar vederenkleed roodachtig; de nekband, die bij de
+meeste voorkomt, en haar zeer tot sieraad strekt, is zwart of bestaat
+uit parelvormige, zwarte en witte vlekken.
+
+
+
+Onze Tortel of Tortelduif, in Zuid-Holland Boschtortel en Kleine
+Houtduif, in 't Friesch Toarteldouw genoemd (Turtur vulgaris),
+het type van het geslacht, kenmerkt zich door een slanke gestalte,
+door een rechten snavel, welks beide helften vóór de spits een iets
+grootere hoogte en ingetrokken randen hebben, door lange pooten met
+zwakke teenen, lange vleugels en een langwerpigen, duidelijk afgeronden
+staart. De veeren van de bovenzijde zijn roestbruingrauw met bruine
+randen, in het midden zwart en aschgrauw gevlekt; de kruin en de
+achterhals zijn grijsachtig hemelsblauw; de vier of drie dwarsstrepen,
+die de zijden van den hals versieren en samen een korten dwarsband
+vormen, zijn zwart met zilverkleurigen zoom; de voorhals, de krop en
+de bovenborst zijn wijnrood; het blauwachtige roodgrijs van de overige
+onderdeelen gaat allengs over in grijs-wit op den stuit; de toppen van
+de buitenste staartpennen zijn wit; de slagpennen zijn zwartachtig
+grijs, de armpennen met aschkleurig blauw waas, de schouderveeren
+zwartachtig met breede, roestroode randen. De iris is bruinachtig
+geel, de ring om het oog blauwachtig rood, de snavel zwart, de poot
+karmijnrood. Totale lengte 30, vleugellengte 18, staartlengte 12 cM.
+
+De Tortel is over een groot deel van Europa en Azië verbreid en
+doorreist gedurende den winter een uitgestrekt gebied in zuidelijke
+richting. In Nederland wordt deze soort menigvuldig aangetroffen, op
+dezelfde plaatsen als de Woudduif; zij broedt overal in bosschen en
+tuinen, hier en daar zelfs in de boomen van steden. Hoewel de Tortel
+in sommige oorden van Duitschland niet zeldzaam is, ontbreekt hij
+geheel in vele noordelijke gewesten van dit rijk. Op de Kanarische
+eilanden zeer veelvuldig, verlevendigt hij, meer dan eenige andere
+Vogel, door zijn klankvol koeren en kirren de eindelooze bloemrijke
+ravijnen, welker hellingen mijlen ver bekleed zijn met sneeuwwit,
+geurig struikgewas, terwijl op den bodem van het dal hooger kreupelhout
+groeit. Bijna op iederen tak, op ieder steenblok zit een Tortel. Op de
+dorre Grieksche vlakten is hij niet minder overvloedig; het aantal
+van de Vogels, die hier broeden, is zeer groot; het komt echter
+in geen vergelijking met dat van de ontzaglijke zwermen, die hier
+doortrekken. In de lente zijn sommige velden letterlijk met Duiven
+bezaaid; een handig jager kan wel een vijftigtal van deze dieren op
+één dag dooden. Later ziet men ze in Egypte en Nubië op voor haar
+geschikte plaatsen niet zelden, maar nooit in groote zwermen.
+
+Bij ons is de Tortel een trekvogel, die in April komt, tot Augustus
+op zijn broedplaats blijft en zich in September weer naar het zuiden
+begeeft.
+
+De Tortels, die reeds van oudsher door de dichters als zinnebeelden
+van liefde en huwelijkstrouw werden geprezen, behagen ons zoowel
+door hun schoonheid als door hun aard. De zachte kleuren van hun
+kleed gaan op sierlijke wijze in elkander over en vertoonen een
+afwisseling, die het oog aangenaam aandoet. Ook de lieftalligheid
+van hun inborst verdient waardeering, ofschoon het niet te ontkennen
+valt, dat de lof, die hun om deze reden werd toegezwaaid, overdreven
+is. Hun sierlijke bewegingen, hun elegante houding en hun zacht
+gekir bekoren den waarnemer, die wegens de teederheid, waarmede het
+mannetje zijn wijfje behandelt, zich gerechtigd acht deze Vogels als
+de beminnelijkste van alle leden hunner klasse te beschouwen.
+
+De Nederlandsche en de Latijnsche naam van deze Duif is een nabootsing
+van haar zeer zachte en aangename stem. Haar kirren is eigenlijk een
+hoog, eentonig geknor, dat als "toer toer" klinkt en dikwijls herhaald
+wordt, maar dit "toer toer" is zoo klankvol, dat het op iedereen een
+aangenamen indruk maakt.
+
+Zaden van de meest verschillende planten, vooral van sparren,
+dennen, zilversparren, berken, elzen, papavers en in den herfst
+van wolfsmelk, vormen het voedsel van den Tortel; tegelijk worden
+ook kleine Slakken opgepikt. Voor de akkers is hij nuttig door het
+opeten van onkruidzaden; hiernaast komt de schade, die hij door het
+wegnemen van hennep-, lijn-, raap- en koolzaad, van gierst, erwten,
+linzen en wikken aanricht, niet in aanmerking.
+
+Ook de Tortel broedt in gunstige omstandigheden meermalen per jaar. De
+voortplantingsperiode begint spoedig na de aankomst op de broedplaats,
+op zijn laatst in Mei, en duurt tot in Augustus. De 2 eieren worden
+beurtelings bebroed door de beide ouders; deze verlaten hunne jongen
+zelfs bij in 't oogvallend levensgevaar niet en voeden ze op dezelfde
+wijze als de andere Duiven.
+
+
+
+Met uitzondering van de Rotsduif en den Tortel, wordt geen ander lid
+der orde veelvuldiger getemd dan de aan deze nauw verwante Lachduif
+(Turter risorius) die bij ons, evenals de vorige soort, gewoonlijk
+"Tortelduif" wordt genoemd. Zij is isabelgeel, op den rug donkerder,
+op den kop, de keel en den buik lichter van kleur; de slagpennen zijn
+zwartachtig; de nekband is zwart, het oog lichtrood, de snavel zwart,
+de poot karmijnrood. Totale lengte 31, vleugellengte 17, staartlengte
+13 cM.
+
+Het vaderland van de Lachduif is Noordoost-Afrika en Indië. Zij
+bewoont bij voorkeur dorre, woestijnachtige steppen, begint reeds
+in Nubië veelvuldig voor te komen en verder zuidwaarts meer en meer;
+in Centraal-Afrika is deze soort sterker vertegenwoordigd dan eenige
+andere van de geheele orde. Bij een rit door de Sahara of door een
+andere steppe van het binnenland, onverschillig welke, hoort men het
+gelach en gekir van deze Duiven bijna uit iederen struik. In bepaalde
+tijden van het jaar, tegen het begin van het droge seizoen, verzamelen
+zij zich in sommige bosschen tot ontelbare zwermen. Soms ziet men
+vele minuten achtereen dichte drommen van deze Vogels voorbijtrekken,
+die, wanneer zij neerstrijken, een terrein van verscheidene vierkante
+kilometers bedekken.
+
+De stem van de Lachduif gelijkt op het gekir van den Tortel, maar
+gaat geregeld gepaard met geluiden, die men met lachen vergeleken
+heeft, omdat zij als "hi hi hi hi" klinken. Dat deze vergelijking,
+evenals iedere andere, mank gaat, behoeft niet eens uitdrukkelijk
+verzekerd te worden: aan de genoemde geluiden ontbreekt de heldere,
+opene klank van het lachen; zij klinken dof, hol en volstrekt niet
+vroolijk, hoewel niet onaangenaam.
+
+Als men zich veel met deze Vogels bemoeit, worden zij zeer tam;
+gemakkelijk kan men ze er aan gewennen, naar eigen verkiezing uit en in
+hun hok te vliegen. In den fraaien tuin van het lustslot bij Triëst,
+vindt men een aantal van deze dieren, die hier even vrij leven als
+onze Veldduiven. Bij goede verzorging kan men ze zelfs in een enge
+kooi wel 15 of 20 jaar in 't leven houden.
+
+
+
+De Australische Spiegelduiven (Phaps) zijn betrekkelijk groot en
+meestal ook krachtig gebouwd; haar staart bevat 16 pennen en is korter
+of althans niet langer aan de naar verhouding korte vleugels. Haar
+vederenkleed is bont en gekenmerkt door den eigenaardigen metaalglans
+der dekveeren.
+
+
+
+Tot dit geslacht behoort de Gekuifde Tortel (Phaps lophotes); hij
+is vooral kenbaar aan de lange, spitse kuif, die door de verlengde
+veeren van den achterkop gevormd wordt. De kop, het aangezicht en de
+onderdeelen zijn grijs, de veeren van den achterkop zwart, die van
+de bovendeelen licht olijfbruin. Totale lengte 35, vleugellengte 15,
+staartlengte 15 cM.
+
+Door zijn sierlijke gestalte en eigenaardige, slanke kuif maakt
+deze Vogel een bekoorlijken indruk; hij is een der fraaiste
+Vogels van Australië. Soms vereenigen de Gekuifde Tortels zich
+tot talrijke vluchten; als deze gedurende het droge seizoen bij
+meren of rivieroevers komen, kiezen zij een enkelen boom of struik
+als rustplaats voor hen allen uit. In grooten getale zitten zij dan
+dicht bij elkander; gelijktijdig vliegen zij naar 't water, zoo dicht
+opeengedrongen, dat men er met één schot dozijnen kan dooden. Deze
+fraaie Duif is tegenwoordig een sieraad van de volières van alle
+Europeesche diergaarden. Zij vereischt niet veel zorg, blijft jaren
+lang leven en plant zich in de gevangenschap geregeld voort.
+
+
+
+Een tweede soort van hetzelfde geslacht--de Bronsvleugelige Spiegelduif
+(Phaps chalcoptera)--mist de kuif; hare bovendeelen zijn bruin, de
+achterkop donkerbruin, de onderdeelen wijnrood; de vleugeldekveeren
+zijn met langwerpige koperbronskleurige, iriseerende vlekken, twee
+of drie armpennen met glanzige, groene vlekken versierd.
+
+Deze Duif is, naar het schijnt, over geheel Nieuw-Holland
+verbreid; in sommige gewesten komt zij echter alleen als trekvogel
+voor. Dorre, met struiken of heide begroeide vlakten zijn hare liefste
+verblijfplaatsen. Haar vleesch wordt uitmuntend geacht zoowel door de
+blanken als door de inboorlingen. Na den broedtijd maakt men ijverig
+jacht op haar; als het geluk den jager begunstigt, kan hij er in één
+dag 20 à 30 paar dooden. Ook zij is tegenwoordig in onze diergaarden
+niet zeldzaam.
+
+
+
+De leden van de onderfamilie der Loopduiven (Geotrygoninae) kenmerken
+zich door hun gedrongen lichaamsbouw, krachtig ontwikkelde voeten en
+betrekkelijk korte vleugels.
+
+
+
+Een der meest typische soorten van het geslacht der Grondduiven
+(Geotrygon) is de Patrijsduif (Geotrygon cyanocephala). De
+chocolade-bruine grondkleur gaat op de onderdeelen in roodbruin over
+en is op de borst met een wijnrood waas overdekt; de bovenkop en
+eenige schubvormige halsveeren zijwaarts van de keel zijn leiblauw,
+het aangezicht, de nek en de keel zwart, de teugel en een band,
+die het zwarte kropschild omsluit, zuiver wit. Totale lengte 31,
+vleugellengte 13, staartlengte 13 cM.
+
+In de Cubaansche oerwouden, vooral in die met steenachtigen bodem,
+behoort deze prachtige Vogel thuis; hij komt zoomin in het veld als in
+de Savanna voor; noordwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich tot
+Florida, zuidwaarts over Jamaika tot Venezuela uit. De Patrijsduif
+leeft zeer teruggetrokken en wordt van jaar tot jaar zeldzamer,
+daar de steeds verder voortschrijdende ontginning van het woud haar
+verdrijft en de Kreolen, aangelokt door haar uitmuntend vleesch of door
+den prijs, dien zij er voor kunnen krijgen, geen gelegenheid voorbij
+laten gaan om haar te dooden. Met ingetrokken hals en opgerichten
+staart schrijdt zij langzaam voort, op den grond zoekend naar zaden,
+bessen en soms ook naar kleine Slakken, waartoe zij soms de bladen
+wegkrabt. Als zij verzadigd is, zet zij zich op een horizontalen,
+bladerloozen tak of op een liane neer om uit te rusten. Van tijd
+tot tijd laat zij haar lokstem hooren, die uit twee doffe geluiden
+"hoe-oep" bestaat. Deze leiden haar niet zelden ten verderve; daar
+men om haar te vangen gebruik maakt van een vastgebonden lokvogel van
+dezelfde soort of, zoo deze ontbreekt, van een lokfluit, die van een
+boomvrucht wordt vervaardigd. De vogelvanger laat ter rechter tijd
+een net vallen over de wilde Vogels, die op de echte of nagebootste
+klanken afkomen en verkoopt ze daarna levend aan den naastbijwonenden
+poelier, die ze in groote kooien bewaart en voedert, totdat hij ze
+slijten kan. Aan deze kooplieden danken wij de Patrijsduiven, die in
+onze volières prijken. Die, welke ik in de kooi zag of zelf hield,
+zaten met opgezette veeren dikwijls langen tijd stil op dezelfde
+plaats, bewogen zich slechts op den bodem, bevuilden zich aanhoudend
+en maakten veel minder werk van het schoonhouden harer veeren dan
+de andere Duiven. Voor zoover ik mij herinner, heb ik nooit de stem
+van een mijner gevangenen gehoord; mogelijk is het echter, dat zij
+zich wel lieten hooren, maar dat zulks door mij niet werd opgemerkt,
+omdat zij in gezelschap van vele andere Duiven leefden. Aan ons klimaat
+schenen zij niet goed te kunnen gewennen: elke koele zomerdag bracht
+haar in een onbehagelijke stemming; iedere regenbui maakte haar bijna
+ziek. Toch zegt men, dat zij zich in sommige Europeesche dierentuinen
+voortgeplant hebben.
+
+
+
+Een van de prachtigste Duiven is de Manen-, Kraag- of Nicobar-duif
+(Caloenas nicobarica). Zij is zeer gedrongen gebouwd; haar
+betrekkelijk dikke snavel heeft bij het voorhoofd en een zachte,
+bolvormige wrat; de pooten gelijken op die van een Hoen, daar zij
+zeer stevig gebouwd zijn en een hoogen loop met korte teenen hebben;
+de vleugels zijn zeer lang en breed; het vederenkleed is goed gevuld;
+de smalle veeren van de halsstreek zijn zoo sterk verlengd, dat zij
+ver afhangende manen vormen. De kop, de hals, de onderdeelen en de
+slagpennen zijn zwartachtig groen; de veeren van de onderzijde met
+korenbloemblauwen zoom; de langste veeren van den halskraag zijn,
+evenals die van den rug en den staartwortel en de vleugeldekveeren,
+grasgroen en vertoonen metaalglans; de kortere veeren van den halskraag
+hebben een goudkleurigen glans; de staartveeren zijn zuiver wit. De
+iris is roodbruin, de snavel leerachtig zwart, de poot roodachtig
+purperkleurig. Totale lengte 36, vleugellengte 25, staartlengte 7 cM.
+
+Van de Nicobaren tot bij de noordoostkust van Nieuw-Guinea heeft men
+de Manenduif op alle eilanden gevonden; vooral echter is zij talrijk
+op kleine, onbewoonde eilanden, hetzij deze in de nabijheid van groote
+landmassa's of ver vandaar te midden van den oceaan liggen. Zij is
+een van die soorten, welke bijna uitsluitend op den grond verblijf
+houden; haar wijze van vliegen schijnt log. De Europeanen, die zich in
+het vaderland van deze Vogels gevestigd hebben, houden hen dikwijls
+in de kooi; naar Europa worden zij niet zoo vaak gebracht, als men
+zou wenschen.
+
+Verscheidene paren hebben in den Londenschen dierentuin herhaaldelijk
+gebroed en jongen grootgebracht.
+
+
+
+De grootste van alle thans levende Duiven zijn de Kroonduiven
+(Megapelia). Behalve aan haar aanzienlijke grootte zijn zij kenbaar
+aan haar kleed, dat uit groote, wijdbaardige veeren samengesteld is,
+vooral ook aan haar prachtigen koptooi, die uit losbaardige veeren
+bestaat en in opgerichten toestand een waaier vormt. Dit geslacht omvat
+vijf soorten, die op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden inheemsch
+zijn en waarvan er twee niet al te zelden bij ons in de kooi voorkomen.
+
+De Kroonduif (Megapelia coronata) bereikt een lengte van 75 cM. De
+hoofdkleur van het vederenkleed is leiblauw: de mantel en de schouders
+zijn vuil bruinrood, de grootste vleugeldekveeren op 't midden wit
+(waardoor op den vleugel een band ontstaat), aan den wortel zwart,
+aan de spits bruinrood, de staartveeren aan den top met een breeden,
+licht leikleurigen band versierd. Het oog is karmijnrood, de poot
+rood, witgepoederd.
+
+Bij de iets grootere Waaierduif (Megapelia victoriae), is de hoofdkleur
+eveneens leiblauw, de onderzijde echter kastanjeroodbruin, de
+vleugelband blauwgrijs, de breede eindband van den staart grijsachtig
+wit; de veeren van de kopkuif zijn over een groot deel van haar lengte
+losbaardig, maar aan den top met kleine baarden bezet, die gezamenlijk
+een langwerpige driehoek vormen. Het oog is vermiljoenrood, de poot
+vleeschkleurig.
+
+De Kroonduif komt veelvuldig voor op de kust van Nieuw-Guinea en op
+de eilanden Waigioe, Salawatti en Misool. Haar levenswijze gelijkt
+op die der Fazanten; in kleine troepen zwerft zij in het woud rond
+en houdt zich bij voorkeur op den bodem op. Wallace heeft haar op
+Nieuw-Guinea dikwijls op de boschpaden zien rondloopen; zij brengt
+het grootste deel van den dag op den grond door en voedt zich hier
+met afgevallen vruchten; zij vliegt slechts, wanneer zij opgejaagd
+wordt, om zich neer te zetten op een van de onderste twijgen van den
+naastbijgelegen boom, die haar ook een slaapplaats verschaffen. Het is
+niet moeielijk de Kroonduif te schieten. Zij wordt tamelijk dikwijls
+levend naar Amboina, Banda, Java en van daar naar Europa gebracht,
+hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de onjuiste meening, dat zij
+ook op deze eilanden thuis behoort. De Waaierduif schijnt zeldzamer
+te zijn en bewoont zuidelijker gewesten van Nieuw-Guinea.
+
+Ook thans nog ziet men de levende Kroonduiven het veelvuldigst in
+de dierentuinen van Nederland. Bij eenvoudig voedsel houden zij zich
+zeer goed, komen in beschutte ruimten den winter goed door en broeden,
+althans in den Londenschen dierentuin, vrij geregeld. Ook in andere
+diergaarden hebben de Kroonduiven herhaaldelijk eieren gelegd en
+uitgebroed, maar nog nooit jongen grootgebracht.
+
+
+
+De onderfamilie van de Getande Duiven (Didunculinae), die slechts
+door één soort (Didunculus strigirostris) vertegenwoordigd wordt,
+ontleent haar wetenschappelijken naam aan de overeenkomst, die sommige
+dierkundigen tusschen haar en de leden van de volgende familie meenden
+op te merken. Zij is iets plomper van gestalte dan een Grondduif. Haar
+romp is krachtig, haar kop groot, de snavel veel hooger dan breed;
+de bovensnavel, welks rug eerst bovenwaarts, van hier tot aan de
+spits gelijkmatig sterk naar beneden gebogen is, eindigt in een
+scherpen haak en heeft aan den zijrand geen tand of inkerving;
+de ondersnavel is naar onderen uitgebogen, van voren echter scheef
+afgeknot en hier aan iedere zijde met twee inkervingen voorzien,
+waardoor drie tandvormige uitsteeksels ontstaan; de zijrand is ondiep
+uitgesneden. De poot eindigt in een krachtige, echte duivenvoet: de
+loop is iets langer dan de middelste teen en onbevederd; de teenen
+zijn vrij. De staart bestaat uit 14 stuurpennen en is korter dan bij
+de Huisduif; de vleugels zijn eenigszins afgerond; de kop is om de
+oogen en aan de teugels naakt. De kop, de hals en de onderdeelen zijn
+metaalglanzig groen; de mantel, de benedenrug en de staartwortel, de
+bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren zijn fraai roodbruin,
+de slagpennen donker loodkleurig grijs. Het oog is donker roodachtig
+bruin, de naakte kring er omheen en de teugelstrepen oranjerood,
+aan de spits lichtgeel, de poot helderrood, iedere klauw geelachtig
+wit. Totale lengte 33, vleugellengte 18, staartlengte 8 cM.
+
+Voor zoover men weet, komt de Getande Duif nergens anders
+voor dan op Oepoloe en Sawaii, twee van de Samoa-eilanden, en
+ook hier slechts op bepaalde terreinen van betrekkelijk geringe
+uitgestrektheid. Zij bewoont boschrijke bergstreken op eenigen afstand
+van de kust. Tegenwoordig is zij op Oepoloe zeldzaam geworden, niet
+zoozeer omdat de inboorlingen vuurwapenen hebben leeren gebruiken, als
+wel wegens hun liefhebberij voor Katten; deze zijn hier gedeeltelijk
+verwilderd en hebben naar men zegt een groote opruiming gehouden
+onder de tot dusver door geen enkel roofdier bedreigde Vogels. De
+inboorlingen noemen ze "Manoemea" (Roode Vogels) en houden zooveel
+van haar voortreffelijk vleesch, dat zij jaarlijks een langdurigen
+jachttocht naar de bergen ondernemen, met geen andere bedoeling dan om
+Manoemea's te vangen. De Katten hebben dezen Vogel echter gevolgd tot
+in de gebergten, waarin hij de wijk genomen heeft.--Door haar wijze
+van vliegen gelijkt de Getande Duif op de overige Duiven; zij maakt
+hierbij echter zooveel gedruisch, dat men het opvliegen op eenigen
+afstand kan hooren hetgeen onder de inboorlingen aanleiding gegeven
+heeft tot het spreekwoord: "hij raast als de Manoemea". Volgens de
+berichten van de inboorlingen wordt het nest op den bodem gebouwd,
+broeden de beide ouders om beurten en doen dit met zooveel ijver,
+dat zij gedurende dit bedrijf met de hand gegrepen kunnen worden.
+
+Herhaaldelijk heeft men dezen Vogel, die zich gemakkelijk laat temmen,
+naar Europeesche diergaarden overgebracht. Hij eet groene vruchten,
+waar hij, zoo noodig, stukken uitbijt; hij is het eenige lid van zijn
+familie, die dit doet. Groote vruchten maakt hij stuk, zonder ze met de
+pooten vast te houden; een noot kan hij gemakkelijk kraken. Hij drinkt
+niet, zooals de andere Duiven, zuigend, maar zooals de Ganzen, door
+water in de bek te nemen en dan schielijk den kop achterover te buigen.
+
+
+
+Den 1en Mei 1598 verliet een door de "Compagnie van verre" uitgezonden
+vloot van 4 schepen onder bevel van den Admiraal Jacob van Neck de
+reede van Texel, om handelsbetrekkingen aan te knoopen op Java. Bij
+het omzeilen van Afrika door stormen beloopen, dwaalden eenige
+schepen, waarbij dat van den onder-admiraal Wijbrand van Waerwijck,
+naar het eiland Mauritius af. Hier vonden de reizigers in grooten
+getale een soort van Vogels, die in staat waren om te vliegen,
+een Zwaan in grootte overtroffen en wel 50 pond zwaar waren. (Deze
+hadden echter, naar het schijnt, reeds veel vroeger, in 1497,
+de aandacht getrokken van Vasco de Gama's metgezellen, die hen op
+grond van hun uiterlijk, ondanks het ontbreken van de zwemvliezen,
+"Zwanen" noemden en hun woonplaats als het Zwaneneiland op de kaart
+aanteekenden.) De Hollandsche zeelieden gaven aan deze dieren den naam
+van Walgvogels, wegens de walging, die dit wild hun veroorzaakte; toch
+aten zij het, zoutten het in en namen het als proviand mede. Latere
+bezoekers van Mauritius vervingen den naam Walgvogel door dien van
+Dodaars, welke ook aan den Kleinen Fuut hier te lande wordt gegeven,
+wegens het gemis van lange veeren in den staart. Kort daarna kwamen
+de thans meer gebruikelijke namen Dodo en Dronte, nog later de
+aanduiding Didus ineptus in zwang. In 1638 werd een dezer Vogels
+levend in Engeland vertoond, ruim een tiental jaren vroeger was dit
+in Holland gebeurd. Naar deze voorwerpen zijn afbeeldingen gemaakt,
+o.a. is de Dronte een van de (grootendeels zeer onjuist geteekende)
+dieren, voorkomende op de schilderijen van Roelant Savery, die het
+paradijs voorstellen en in verschillende kabinetten, o.a. in dat te
+'s-Gravenhage, een plaats hebben gevonden. Bontius, een Hollandsch
+geneesheer, die van 1627 tot 1658 te Batavia woonde, heeft de
+beste afbeelding en beschrijving van de Dronte gegeven. Lang bleef
+de gelegenheid tot het aanvullen van deze berichten niet bestaan,
+daar reeds in 1679 het weerlooze dier volkomen uitgeroeid was. In
+1755 werd een door de Motten beschadigd opgestopt, exemplaar in het
+museum te Oxford, met uitzondering van een kop en een poot, door den
+conservator weggeworpen; andere dergelijke overblijfselen (kop, poot,
+bovenkaak) zijn in de musea van Haarlem, Londen, Kopenhagen en Praag
+voorhanden. In 1865 werden uit een moeras op Mauritius een menigte
+Dodo-beenderen opgegraven, die het mogelijk maakten een volledige
+beschrijving van het skelet van dezen Vogel te geven.--De vleugels
+zijn kort en zwak, de lange pooten zeer krachtig, de korte, dikke
+loop heeft vier teenen, de staart een geringe lengte, het borstbeen
+een hooge kam; de mondspleet strekt zich tot onder de oogen uit; de
+snavel is hoog en tamelijk lang, de bovensnavel van achteren met een
+washuid bekleed, van voren gewelfd; de spits haakvormig naar beneden
+gebogen, de schedelholte opmerkelijk klein. Uit de beschrijvingen van
+ooggetuigen valt voorts af te leiden, dat de hals met een kropvormige
+opzwelling voorzien en, evenals de kop, slechts met een zacht dons
+bekleed was; de korte, dikke romp eindigde in een bundeltje van
+slappe staartwortelveeren, daar de stuurpennen ontbraken, evenals
+de stijve pennen in de vleugels, die daarom voor 't vliegen geheel
+ongeschikt waren. Het vederenkleed had een grijze kleur, de vleugels
+met geelachtige tint.
+
+Uit Owen's onderzoek van het skelet van den Dodo is zijn verwantschap
+met de Duifvogels gebleken. Met eenige verwante, eveneens uitgestorven
+soorten wordt hij beschouwd als een familie van deze orde--de Drontes
+(Dididae). De bedoelde soorten--de Solitaires (Pezophaps)--leefden
+nog in de 17e eeuw op de eilanden Bourbon (Réunion) en Rodriguez, de
+naaste buren van Mauritius. In 1618 zag men voor 't eerst de Solitaire
+van Bourbon (Pezophaps apterornis), die in grootte met een Kalkoen
+overeenkwam, maar hooger op de pooten stond en een snavel had als een
+Houtsnip; omstreeks het midden der eeuw was hij uitgeroeid. In 1691
+ontdekte Leguat de Solitaire van Rodriguez (Pezophaps solitarius),
+die sedert niet meer levend werd waargenomen, maar waarvan skeletten
+in de alluviale gronden bewaard zijn gebleven. Hij had een snavel
+als een Kalkoen, maar was veel grooter dan deze, daar zijn gewicht
+meer dan 45 pond bedroeg.
+
+
+
+De Zandhoenderen (Pteroclidae), die een afzonderlijke familie
+vormen, zijn Duifvogels, geschikt voor het leven in de woestijn. Hun
+vreemdsoortig vaderland, de boomlooze en schaars met planten begroeide
+vlakte, hetzij deze zich als woestijn of als steppe, als woestijnachtig
+veld of als verwaarloosd bouwland vertoont, spiegelt zich af, is als
+'t ware belichaamd in deze Vogels. Het gaf hun, zijne bevoorrechte
+kinderen, niet slechts het woestijnkleed in zijn grootst mogelijke
+volkomenheid, maar ook de beweeglijkheid die het dier geschikt maakt
+om in zulk een arm gebied in zijne behoeften te voorzien.
+
+De Zandhoenderen of Woestijnhoenderen schijnen, wegens hunne lange
+vleugels en hun langen staart, slank, maar hebben in werkelijkheid een
+zeer gedrongen lichaamsbouw. Hun romp is kort, de borst zeer gewelfd,
+de hals middelmatig lang, de kop klein en sierlijk, de snavel klein,
+kort, op den rug flauw gebogen. De voeten zijn klein, d. w. z. hebben
+een tamelijk korten loop en zeer korte teenen, bij de soorten van
+één geslacht op een eigenaardige wijze verkleind, alle voorteenen tot
+aan het eerste gewricht en nog verder door een spanvlies verbonden,
+of gelijk men ook kan zeggen, onderling vergroeid en met vliezen
+gezoomd; de achterteen is een kort stompje en hooger ingeplant
+dan de voorteenen, of ontbreekt geheel; de nagels zijn kort, flauw
+gebogen, stomp en breed. De vleugel is kortarmig, de wiek zeer lang; de
+slagpennen nemen, bij de eerste te beginnen, gelijkmatig in lengte af;
+de staart bestaat uit 14 à 18 stuurpennen, is soms afgerond, gewoonlijk
+echter wigvormig toegespitst; zijne beide middelste veeren overtreffen
+dikwijls de overige zeer in lengte. Het kleed bestaat uit tamelijk
+korte, breede, afgeronde, zeer harde veeren, die aan het lichaam,
+hoewel zij dit los bekleeden, toch een glad uiterlijk verschaffen. De
+kleur is echt woestijnachtig, d. w. z. volkomen in overeenstemming
+met die van den bodem, gelijkt dus in hoofdzaak op die van het zand;
+gewoonlijk is de teekening buitengewoon sierlijk en vol afwisseling.
+
+De Zandhoenderen leven in de Oude Wereld en wel vooral in Afrika,
+hoewel men niet kan zeggen, dat dit werelddeel de talrijkste vormen
+van de familie bevat. Hun vaderland strekt zich zoover uit als de
+woestijn: in Afrika zijn zij daarom bijzonder talrijk; zij komen echter
+ook in Azië voor en ontbreken zelfs in Europa niet, hoewel zij hier
+beperkt zijn tot een deel, dat op Afrika gelijkt. Ieder werelddeel,
+behalve Europa, bezit zijne eigenaardige soorten; enkele soorten zijn
+echter over een ontzaglijk groot gebied verbreid en komen in alle
+drie werelddeelen als standvogels voor en bezoeken soms ook landen,
+waar men ze vroeger niet bemerkte. Wel blijven bijna alle soorten
+jaar in jaar uit op dezelfde plaats of althans in hetzelfde gewest;
+hunne uitnemende bekwaamheid in 't vliegen stelt hen echter in staat,
+om zich zonder bezwaar over een afstand van duizenden kilometers
+te verplaatsen; sommige, ons nog onbekende oorzaken nopen hen soms,
+hunne omzwervingen ver over de grenzen van hun gebied uit te strekken.
+
+Weinige Vogels zijn zoo goed als de Zandhoenderen geschikt, om de
+eenzaamste en armste gewesten te verlevendigen. Te midden van de
+dorste woestenij, op plaatsen waar alleen de stille, snelvoetige
+Renvogel (Cursorius gallicus) en de droefgeestig zingende Zandleeuwerik
+(Ammomanes cinctura) het pad van den reiziger kruisen, vertoont zich
+stommelend en ruischend, het schreeuwerige, bijkans snapachtige
+gezelschap van deze begaafde wezens: zij zijn echte, volslagen
+woestijndieren. Hoewel zij iederen dag en op gezette tijden naar
+de drinkplaatsen moeten vliegen, baart het afgelegen zijn van de
+bronnen, waaraan zij hun dorst moeten lesschen, hun geen zorg: het
+valt hun niet moeielijk om, voordat zij zich ter ruste begeven, nog
+een uitstapje te maken, dat voor ons een dagreis of zelfs meer zou
+zijn. Het is dan ook vooral in den tijd, die voor het verkrijgen
+van water bestemd is, dat zij zich aan 't oog van den jager of
+onderzoeker vertoonen; want wanneer zij in grooten getale en dicht
+opeengedrongen onder het bij nagenoeg alle soorten voorkomende geroep
+"khadda khadda" voorbijvliegen, moet men doof en blind zijn om ze
+niet op te merken. Dit is op andere tijden niet altijd gemakkelijk;
+hun woestijnkleurig kleed beschermt hen zoo goed, dat zij zelfs voor
+een geoefend oog verborgen kunnen blijven.
+
+Maanden achtereen leven deze Vogels tot zwermen vereenigd, totdat de
+paartijd komt. Dan verdeelen zij zich in kleine troepen en deze in
+afzonderlijke paren, die nu ieder een geschikte plaats op den zandigen
+bodem uitzoeken, hier een ondiepen kuil in den grond krabben en zich,
+zoodra het uit weinige eieren bestaande legsel voltallig is, met
+ijver aan het broeden wijden. Een of twee broedsels worden op deze
+wijze verzorgd; daarna vereenigen de paren zich weer tot zwermen,
+die het vroegere leven hervatten, tenzij buitengewone omstandigheden
+zich hiertegen verzetten of althans een wijziging in hun gedragslijn
+aanbrengen.
+
+
+
+Nog geen tien jaar geleden--ten derden male in deze eeuw--heeft een
+vertegenwoordiger van het geslacht der Steppenhoenderen (Syrrhaptes)
+in West-Europa de algemeene aandacht op zich gevestigd. De
+beide tot dusver bekende soorten van dit geslacht gelijken veel
+op de overige Zandhoenderen, maar vertoonen toch ook belangrijke
+eigenaardigheden. De eerste handpen is aan de spits lang uitgerekt en
+hier op een vreemdsoortige wijze versmald, zoodat dit deel eerder op
+een borstel, dan op een veer gelijkt. De loop is aan alle zijden en
+de teenen zijn tot aan de spits met korte, haarvormige veeren dicht
+begroeid. Er zijn slechts drie teenen aanwezig, daar de achterteen
+geheel ontbreekt; de voorteenen zijn sterk verbreed en over hun geheele
+lengte door een vlies verbonden, zoodat de voet van onderen gezien,
+een onverdeelde zool heeft, die met hoornachtige wratten bekleed is.
+
+
+
+Het Gewone Steppenhoen (Syrrhaptes paradoxus), is in 't geheel
+(met de beide middelste staartveeren, die, draadvormig verlengd,
+8 cM. ver voorbij den overigens 12 cM. langen staart uitsteken, 47
+cM. lang) terwijl de vleugellengte 18 cM. bedraagt. Het bovenste
+deel van den kop en aan weerszijden van dezen een streep, die,
+bij de oogen beginnend, naar de zijden van den hals loopt, zijn
+aschgrauw, de keel, het voorhoofd en een breede streep over het oog
+leemkleurig geel, de borst en de zijden van deze, die door een drie-
+of viervoudigen, uit fijne, witte en zwarte strepen bestaanden band
+van de kropstreek gescheiden worden, zijn grijsachtig isabelkleurig;
+de bovenbuik is bruinzwart; de onderbuik en de onderdekveeren van
+den staart zijn licht aschgrauw; de rug is op leemgelen grond met
+donkerder dwarsstrepen geteekend, de slagpennen zijn aschgrauw,
+de voorste op de buitenvlag zwart, de achterste op de binnenvlag
+met grijsachtigen zoom; de schouderveeren zijn bruinachtig, aan
+de voorzijde geelachtig en aan de spits wit gezoomd, de binnenste
+vleugeldekveeren zandkleurig bruin met zwartbruine vlek aan de spits,
+de staartveeren op gelen grond met donkere banden voorzien, de veeren,
+die den loop bekleeden, vaal witachtig.
+
+Verschillende onderzoekers hebben ons het Steppenhoen doen kennen als
+een bewoner van de steppen van Middel-Azië, van de Kaspische Zee tot
+in China. Pallas gaf in 1770 de eerste beschrijving van dezen Vogel,
+maar wist weinig mede te deelen over zijn levenswijze. Radde, die
+het Steppenhoen o.a. in de omstreken van het Tarai-nor of Tarai-meer
+in Mongolië heeft nagegaan, geeft uitvoerige berichten over dit
+dier in zijne "Reizen in het zuiden van Oost-Siberië, gedurende
+de jaren 1856 tot 1860;" hieraan is het volgende ontleend: "Het
+Steppenhoen komt omstreeks het midden van Maart uit het zuiden in
+het Tarai-nor-gebied, terwijl de sneeuw nog op de heuvels der hooge
+steppen ligt; het leeft dan in kleine troepen, maar altijd reeds
+gepaard. In zachte winters treft men het aan den noordoostrand van
+den hoogen Gobi aan; het verschijnt echter ook na strenge winters
+reeds zoo tijdig en broedt zoo vroeg, dat het ook in dit opzicht
+sterk de aandacht trekt. Zijne eieren vindt men reeds in de eerste
+dagen van April en tegen het einde van Mei voor de tweede maal. Nadat
+de jongen van het tweede broedsel uitgevlogen zijn, wisselen de
+Steppenhoenderen waarschijnlijk van verblijfplaats; gedurende de
+wintermaanden zwerven zij rond tot aan den zuidrand van den Gobi in
+de voorbergen van de Noordelijke Himalaja-plateaux. Zij vliegen in
+volkomen gesloten vluchten, op soortgelijke wijze als de verschillende
+soorten van Pluvieren, vereenigen zich in de lente tot kleine troepen,
+die uit reeds gepaarde Vogels bestaan (4 à 6 paar), maar vormen in den
+herfst dikwijls zwermen van verscheidene honderden. Onder het vliegen
+hoort men van hen zeer duidelijk het geschreeuw, dat aanleiding heeft
+gegeven tot den Mongoolschen naam "Njupterjun". Het mannetje en het
+wijfje blijven ook gedurende het vliegen bij elkander.
+
+"In de lente verschijnen de Steppenhoenderen zeer geregeld,
+altijd op denzelfden tijd van den dag, bij zoetwaterplassen om te
+drinken. Uit alle richtingen komen zij aanvliegen; hun geschreeuw
+bij het zien van den oever wordt door de hier reeds aanwezige Vogels
+beantwoord. Aan den waterkant staan zij op rijen, meestal 10 à 12
+stuks bijeen. Zij rusten hier echter niet lang, maar gaan spoedig
+heen om voedsel te zoeken, bij voorkeur naar de witte plekken van
+de steppe, waar het zout aan de oppervlakte is uitgeweerd en naar de
+met gras begroeide heuveltjes. Van de hier zeer rijkelijk groeiende
+zeekraal (salicornia), bij welke plant dikke, saprijke stengelleden
+de rol van bladen vervullen, scheren zij de jonge uitspruitsels af,
+op soortgelijke wijze als de Trappen een weide afgrazen In den zomer
+gaan zij graag in de zon liggen. Evenals de Hoenderen krabben zij dan
+ondiepe kuiltjes in de grijsachtig witte, met zout doordrongen aarde
+van de kleine verhevenheden van den bodem en hurken hierin neer; om
+geheel op hun gemak te zijn, gullen zij, evenals de Huishoenderen,
+zoo lang in den losgewoelden grond, totdat zij er grootendeels door
+bedekt zijn. Schildwachten worden in dit geval niet uitgezet. Terwijl
+zij daar zoo volkomen rustig zitten, merkt men ze bijna niet op, wijl
+hun geelachtig grijs, zwart gesprenkeld vederenkleed zeer weinig bij
+den bodem afsteekt. Op eens schiet in zigzagvormige baan een Valk over
+de rustende dieren heen; onmiddellijk vliegen zij op en onttrekken
+zich schielijk aan onze blikken en aan die van het begeerige roofdier.
+
+"Hun nest is zeer eenvoudig en waarschijnlijk geheel op dezelfde wijze
+als dat van de Zandhoenderen samengesteld. Hoewel verscheidene paren
+in elkanders nabijheid broeden, is hun aantal echter nooit groot. In
+de met zout doordrongen gronden bij het Tarai-nor, meestal op de
+sinds jaren droogliggende gedeelten van den bodem van dit meer,
+bestaat het nest uit een ondiep uitgekrabden kuil van ongeveer
+12 cM. middellijn, welks rand met eenige salsola-takjes en grassen
+belegd is; de laatstgenoemde ontbreken echter soms. Het aantal eieren
+bedraagt 4. Deze hebben ongeveer denzelfden vorm als de eieren van
+Zandhoenderen; zij kenmerken zich door hun zuiver elliptischen vorm,
+hoewel zij soms aan het eene einde iets spitser zijn dan aan het
+andere. De grondkleur wisselt af van licht groenachtig grijs tot vuil
+bruinachtig grijs; de laatstgenoemde kleur is de meest gewone. Op dezen
+grond vindt men de meestal uit fijne vlekken bestaande omberbruine
+teekening in twee verschillende tinten."
+
+"Deze Vogel", schrijft Schlegel, "die in de woestijnen van Midden-Azië
+thuis behoort, en, voor zoover bekend is, deze vroeger niet heeft
+verlaten, is in de jongste jaren door verhuizingen beroemd geworden,
+zooals die bij verscheidene dieren, b.v. de Lemming en andere
+Muizensoorten, de Eekhoorns, de Pestvogels, de Notenkrakers, de
+Schildpadden, Padden, Sprinkhanen enz., zelfs min of meer geregeld,
+ofschoon slechts in sommige jaren, plaats hebben, en wier oorzaken
+blijkbaar overbevolking der soort en gebrek aan voedsel zijn. De
+eerste dezer verhuizingen had reeds in het jaar 1859 plaats. Er werden
+toen tegen het einde van Augustus een paar dezer Vogels in de duinen
+bezuiden Zandvoort waargenomen, maar het gelukte eerst in October het
+mannetje te schieten, waarop zijn makker niet teruggezien werd. In den
+loop van hetzelfde jaar werden er nog drie voorwerpen, te weten twee
+in Engeland en één in Jutland, waargenomen." Ook heeft men in 1860
+een uit 14 of 15 stuks bestaande vlucht van deze Vogels bij Mandal
+in Noorwegen gezien en er verscheidene van bemachtigd. Deze weinige
+exemplaren werden echter als afgedwaald beschouwd; aan hun herhaald
+bezoek werd geen groote beteekenis gehecht. Iets dergelijks geschiedde
+in den herfst van het jaar 1861 in het noorden van China. Hier
+echter betrof het niet eenige weinige afgedwaalde voorwerpen, maar
+een geheel leger van Steppenhoenderen, die in de vlakte tusschen
+Peking en Tientsin neergestreken waren. De Chineezen maakten zoo
+ijverig mogelijk jacht op de vreemdelingen, die hun onder den naam
+"Satsji" wel bekend waren, en verhaalden aan Swinhoe, dat zij deze
+Vogels dikwijls in netten vingen en met het lontgeweer schoten. Na
+een hevige sneeuwbui was de jachtbuit zoo groot, dat de markt van
+Tsientsin er letterlijk mede overvoerd was. Toch waren de Vogels
+schuw, n.l. zoo lang zij zich op den bodem bevonden; bij 't vliegen
+echter gingen zij dichtbij de jagers langs. De inboorlingen wisten
+trouwens, dat de groote Tartaarsche vlakte achter den beroemden muur
+het vaderland van de Steppenhoenderen is.
+
+Een zeer aanzienlijke zwerm van deze Vogels verscheen in 1863 in ons
+werelddeel en verbreidde zich over de meeste noordelijke landen. Met
+vrij groote zekerheid kan men den weg aangeven, langs welke deze
+verhuizingen heeft plaats gehad. Indien men in het zuidoosten van
+Europa evenveel aandacht had geschonken aan de vreemdelingen als in
+Duitschland, Frankrijk, Nederland, België en Groot-Britannië, zouden
+wij waarschijnlijk met alle vertakkingen van dezen weg volkomen
+bekend geworden zijn. Nu heeft men dien kunnen nagaan van Brody in
+Galicië tot Naran aan de westkust van Ierland en van Biscarolle in
+het zuiden van Frankrijk tot Thorshavn op de Fär-öer. In verscheidene
+streken van ons land (o.a. op Ameland) hebben zij zich van het vroege
+voorjaar tot in November opgehouden.
+
+In 1888 bracht het Steppenhoen ons opnieuw een bezoek. Mr H. Albarda
+beschrijft dit op de volgende wijze. "Nadat, in de laatste helft van
+April, in Polen, Saksen en Pommeren vluchten van deze Vogels waren
+verschenen, trokken zij steeds meer naar het westen en bereikten
+in de eerste helft van Mei ons land. Den 15en dier maand werd in
+het duin bij Egmond aan Zee een oud mannetje gevonden, hetwelk zich
+tegen de telegraafdraden had doodgevlogen. Spoedig vermeerderde het
+aantal. Zij vestigden zich bij voorkeur in de duinen, vermoedelijk,
+omdat de plantengroei aldaar het meest overeenkomt met die van de zilte
+steppen van hun vaderland. Uit tal van berichten van onderscheidene
+plaatsen bleek, dat zij in het laatst van Mei algemeen waren te
+vinden in de kuststreek van Zeeland, Noord- en Zuid-Holland en op
+de Noordzee-eilanden. Van alle zijden werden exemplaren gezonden,
+zoo levende als doode; want niettegenstaande het herhaaldelijk in de
+dagbladen gedaan verzoek, om ze zooveel mogelijk te sparen, werden
+zij onbarmhartig vervolgd, zoo met schietgeweer, als met netten
+en strikken. Zoo werden, naar men mij verzekert, nog in October,
+op Texel vele exemplaren met netten gevangen en voor f 5 à f 10
+per stuk verkocht, om, ten deele althans, naar het buitenland te
+worden verzonden. Bovendien werden vele voorwerpen gedood of gewond,
+doordat zij in aanraking kwamen met telegraafdraden, die meestal zijn
+aangebracht op dezelfde hoogte boven den grond, als waarop deze Vogels
+gewoonlijk vliegen. Ook werden zij dikwijls met de hand gevangen,
+uitermate verzwakt als zij waren door de Helmteek, op Texel Bonselaar
+genoemd (Ixodes), die zich vooral aan den hals hecht en niet zelden
+verzweringen veroorzaakt.
+
+"Hoewel de Steppenhoenders dikwijls heen en weder trokken, bleven
+zij toch gedurende den zomer in de genoemde streken stand houden. Van
+hun voorkomen op onze heidevelden vernam men aanvankelijk niets. 20
+Juni werd echter een voorwerp bij Rolde (Drente) geschoten en den
+volgenden dag een bij Assen gevangen. In Juli en Augustus werden in
+dezelfde provincie, o.a. te Borger en Rolde, alsmede hier en daar in
+Overijsel koppels waargenomen.
+
+"Na het openen van de jacht, in September, nam de vervolging op
+schrikbarende wijze toe, en het duurde dan ook niet lang, of men
+berichtte uit vele plaatsen in Holland, alsmede van de eilanden,
+dat de Steppenhoenderen geheel waren verdwenen of nog slechts zeer
+zelden voorkwamen. Terzelfder tijd vertoonden zich op de heidevelden
+van Overijsel, Drente en zuidoostelijk Friesland vele, hoewel niet
+zeer talrijke vluchten. In October had een algemeen terugtrekken
+plaats. Berichtte men ons van de kuststreek, dat de Vogels haar
+verlieten, zoodat men vreesde, dat zij hun vaderland weder gingen
+opzoeken, in onze oostelijke provinciën vermeerderde hun aantal
+sterk. In die maand en in November waren vluchten van 40, 60, ja
+soms 100 stuks aldaar niet zeldzaam. Deze verminderden, wel is waar,
+in December, maar er bleven nog genoeg over, om de hoop te voeden,
+dat zij aldaar zouden overwinteren. Ook op de heide tusschen Laren
+en Bussum (Noord-Holland) werden in die maand vier stuks waargenomen;
+den 17en werden er ook bij Haarlem gezien.
+
+"De sluiting van de jacht deed, wel is waar, voor een groot
+deel de vervolging ophouden, maar maakte ook het waarnemen veel
+moeielijker. Geruimen tijd ontbraken alle berichten. Het schijnt
+echter, dat de Steppenhoenderen wel voor het grootste gedeelte zijn
+weggetrokken, maar dat toch een zeker aantal, begunstigd door den bijna
+sneeuwvrijen winter, hier zijn gebleven en zich tegen het voorjaar
+weder in westelijke richting hebben bewogen, om de duinstreek weer op
+te zoeken. Of het moest zijn, dat de voorwerpen, die zich toen hebben
+vertoond uit Groot Britannië afkomstig waren." "In 1889 werden op
+verschillende plaatsen van Gelderland, Noord- en Zuid-Holland enkele,
+meer of minder groote vluchten Steppenhoenderen waargenomen, voor
+'t laatst in September bij Haarlem; na dien tijd werd deze soort
+in ons land niet meer gezien. Hier en daar zijn nesten en eieren
+gevonden. Er is echter geen enkel goed bewezen geval bekend, dat
+jonge Vogels tot volwassenheid zijn gekomen." Evenzoo is het gegaan
+in de andere landen van West- en Midden-Europa. "Uit het bovenstaande
+schijnt te blijken, dat men de hoop op het voor goed blijven van
+het Steppenhoen hier te lande zal moeten opgeven. Neemt men toch in
+aanmerking, dat deze Vogels in 1888 in zeer grooten getale tot ons
+zijn gekomen, dat er na den winter van 1888-1889 een voldoend getal
+is overgebleven, en dat, was het voorjaar van 1888 koud en vochtig,
+dat van 1889 zich kenmerkte door warmte en droogte, dan moet men het
+er voor houden, dat westelijk Europa aan deze soort de noodzakelijke
+levensvoorwaarden niet kan bieden."
+
+Van een eigenlijken terugtocht van de herwaarts gekomen
+Steppenhoenderen naar hun vaderland is niets gebleken. Het schijnt
+integendeel, dat de stroom van zwervelingen van de kusten der Noordzee
+uit verder westwaarts is gegaan; immers de tijd, waarin de Vogels op
+de Britsche eilanden talrijker begonnen te worden, viel samen met
+dien, waarin hun aantal in Sleeswijk-Holstein aanmerkelijk begon
+te verminderen.
+
+De volksverhuizing dezer Vogels heeft zich, naar het schijnt, als volgt
+toegedragen: Duizenden van Steppenhoenderen trokken in meer of minder
+gesloten zwermen uit hun vaderland op naar het westen; kleinere troepen
+scheidden zich van het hoofdleger af en volgden andere richtingen,
+naar rechts tot Noorwegen, naar links tot Middel-Italië reizend; de
+hoofdmassa, steeds kleiner wordend door ongevallen van allerlei aard,
+drong door tot aan de kust van de Noordzee, waar een klein gedeelte
+gedurende eenigen tijd rustig bleef wonen; bij het voortzetten van de
+reis naar de verder westwaarts gelegen eilanden, ging het grootste
+deel te gronde; het overschot, onophoudelijk verder trekkend, vond
+zijn graf in den Oceaan.
+
+De gevangen Steppenhoenderen hebben verschillende vogelkenners de
+gelegenheid verschaft, om de gewoonten en de aard van deze dieren
+nauwkeurig na te gaan. Het is gebleken, dat zij spoedig tam worden,
+tarwekorrels oppikken en water drinken. Zij hebben een eigenaardig
+trippelenden gang. Hun stem kan, naar men zegt, het best door de
+lettergrepen "goek goek" of "geloek geloek" nagebootst worden,
+en klinkt niet, gelijk van de in vrijheid levende exemplaren wordt
+bericht, als "kùkerik". Koude en sneeuw schijnen hun niet veel te
+hinderen; zelfs in een strengen winter slijten zij het grootste
+deel van den tijd in het aan weer en wind blootgestelde deel van
+hun kooi. Tot dusver hebben zij zich niet voortgeplant in de kooi:
+zij hebben hier eieren gelegd, maar niet gebroed.
+
+
+
+Het geslacht van de Woestijnhoenderen (Pterocles) kenmerkt zich door
+den bouw van den voeten van den vleugel. De voet heeft vier teenen,
+die slechts aan den wortel door een vlies verbonden zijn. De spits
+van den vleugel wordt gevormd door de eerste en de tweede slagpen. In
+den regel verschilt het mannetje van het wijfje door de kleur.
+
+
+
+De Ganga (Pterocles arenarius), een van de grootste soorten van dit
+geslacht heeft den kop en den hals vleeschroodachtig grijs; de mantel
+heeft licht- of donkergele en leikleurige vlekken door elkander heen;
+de keel is okergeel, een gorgelband bruinzwart, de borst roodachtig
+grijs, een scherp begrensde borstband zwart of bruinzwart, zooals de
+buik; de slagpennen zijn aschgrauw of blauwachtig aschkleurig, aan de
+spits zwartachtig bruin, de armpennen aan den wortel wit; de bovenste
+vleugeldekveeren zijn, ten deele althans, zuiver okergeel en ongevlekt,
+de onderste wit; de beide middelste staartveeren zijn kaneelbruin
+met zwartachtige dwarsstrepen, de overige stuurpennen aschgrauw,
+aan de spits wit; de bovenste staartdekveeren komen in kleur overeen
+met den rug, de onderste zijn wit en zwart gevlekt. Totale lengte 35,
+staartlengte 11 cM.
+
+
+
+De Khata (Pterocles alchata) is (zonder de veeren) iets kleiner dan
+de Ganga, maar duidelijker gevlekt. Over 't geheel genomen heeft ook
+bij haar de zandkleur de overhand; de hierop voorkomende teekening van
+zwarte, witte en gele vlekken, zoomen en banden maakt een aangenaam
+effect; de keel en een fijne teugelstreep, die zich over het oog
+naar den achterkop richt, zijn zwart; de gorgelstreek is roodachtig
+vaalgeel, de bovenborst helder kaneelbruin, van boven en van onderen
+door een smallen, zwarten band begrensd, de buik wit. Evenals bij
+de vorige soort, zouden bij deze de vleugelspitsen den top van den
+staart bereiken, indien niet de aan 't einde versmalde middelste
+staartpennen ver voorbij de overige verlengd waren. Totale lengte 37,
+staartlengte 13 cM.
+
+
+
+Het Noordafrikaansche Woestijnhoen (Pterocles exustus), zoo genoemd,
+omdat het niet (gelijk de beide vorige, eveneens Noord-Afrika
+bewonende soorten) tevens in Zuid-Europa wordt aangetroffen, vertoont
+in nog hoogere mate dan hare verwanten een echte woestijnkleur. De
+hoofdkleur is bij haar fraai roodachtig isabel, gaat op de wangen,
+in het aangezicht en op de vleugeldekveeren in helderder geel over
+en heeft op den rug een groenachtigen weerschijn. De isabelkleurige
+bovenborst wordt door een smallen, zwarten band gescheiden van de
+benedenborst, die evenals de buik donker chocoladebruin is; de veeren,
+die den loop bekleeden en de onderdekveeren van den staart zijn weer
+isabelkleurig; alle kleine bovendekveeren van den vleugel hebben aan
+de spits een chocoladebruine bandvlek; de handpennen zijn zwart, bij
+de derde te beginnen wit aan de spits en op de binnenvlag; de beide
+middelste, sterk verlengde en in fijne spitsen eindigende staartveeren
+zijn isabelgeel, de overige donkerbruin met lichtbruine vlekken en
+banden. Het donkerbruine oog is omgeven door een breeden, onbevederden,
+citroengelen ring; de snavel en de teenen zijn loodkleurig. Totale
+lengte 33, staartlengte 14 cM.
+
+
+
+De Ganga en de Khata hebben ongeveer hetzelfde verbreidingsgebied. Van
+de Zuid-Europeesche landen behoort alleen Spanje tot haar
+vaderland. Wel werden zij ook in andere landen van Zuid Europa (de
+Ganga zelfs midden in Duitschland) aangetroffen; haar aanwezigheid
+hier wordt echter als een afdwaling beschouwd. In sommige provinciën
+van Spanje (Andalusië, Murcia, Valencia, Oud- en Nieuw-Castilië en
+Aragon) komen de Ganga en de Khata even geregeld voor als andere
+of dezelfde Zandhoenderen in Azië en Afrika. Het Noordafrikaansche
+Woestijnhoen bewoont zuidelijker gewesten. Zooals te verwachten was,
+strekt het vaderland van deze Vogels zich over een groot deel van
+de aarde uit. De Ganga en de Khata zijn veelvuldig in alle voor
+haar geschikte gewesten van Noordwest-Afrika, oostwaarts tot Tunis;
+zij bewonen bovendien het grootste deel van Azië, o.a. het geheele
+steppengebied, en verschijnen, althans 's winters, geregeld in Indië.
+
+Alle Woestijnhoenderen bewonen uitsluitend woestijnen of steppen, op
+akkers ziet men ze niet anders dan na het binnenhalen van den oogst. De
+met droog, dor, Afrikaansch gras bedekte vlakten, voor 't meerendeel
+braakliggende akkers, zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen. In
+Spanje leven zij in soortgelijke oorden. Angstvallig vermijden zij
+boschstreken; daarentegen schijnen zij zich overal, waar, zooals in
+de Afrikaansche steppen, laag struikgewas den bodem bedekt, zeer goed
+op hun plaats te gevoelen. Zij vestigen zich uitsluitend in oorden,
+waar de kleur van den bodem zooveel mogelijk overeenstemt met die
+van hun kleed.
+
+De aard en de gewoonten van de Woestijnhoenderen zijn
+karakteristiek. Hun gang is licht en fraai, gelijkt meer op dien van
+Hoenderen dan op dien van Duiven, maar is toch altijd eenigszins
+trippelend, niet werkelijk rennend, zooals bij de Hoenderen. Bij
+hun gedruischmakende en onstuimige vlucht, welke eenigszins aan
+die der Duiven, veel meer echter aan die der Pluvieren herinnert,
+volgen de vleugelslagen gelijkmatig en snel opeen. Hun stem is
+zoo eigenaardig, dat zij niet met die van andere Vogels verward
+kan worden. De Arabische naam "Khata", of liever "Khadda" is een
+klankbeeld van het geschreeuw, dat men van hen hoort, terwijl zij
+vliegen; de veel zachter klinkende geluiden, welke zij bij het loopen
+op den grond maken, kunnen ongeveer door de lettergrepen "gloek"
+of "poek" voorgesteld worden en hebben ongeveer de beteekenis van
+een gezellig gesprek. Hun inborst komt ons voor als een mengsel van
+tegenstrijdige eigenschappen. Zij zijn buitengewoon gezellig, maar
+bemoeien zich eigenlijk alleen met hunne soortgenooten. Hoewel zij
+met de meest verschillende Vogels in vollen vrede leven, geven zij
+soms, evenals de Duiven, blijken van valschheid en nijd, zonder dat
+men de reden hiervan kan opsporen. Zij blijven eendrachtig bijeen,
+maar beginnen toch nu en dan een tweegevecht en houden dapper vol,
+hoewel er bij hen geen sprake is van den spreekwoordelijken strijdlust
+der hanen en een strijd op leven en dood waarschijnlijk nooit voorkomt.
+
+Hun dagelijksch leven is zeer geregeld. Behalve in de middaguren en
+misschien omstreeks middernacht zijn zij voortdurend in de weer,
+althans wakker. Nog voordat de dag is aangebroken, hoort men de
+geluiden van hun gewoon onderling verkeer; zoodra men de voorwerpen
+kan onderscheiden, ziet men ze ijverig tusschen de lage graspollen
+doorloopen en voedsel pikken. Als zij niet gestoord worden, duurt
+dit voort tot omstreeks 9 uur 's voormiddags; daarna vliegen zij
+(iets vroeger of iets later, al naar het jaargetijde) naar de
+drinkplaats. Hier komen in een tijdsbestek van één uur duizenden aan;
+deze duizenden verzamelen zich aan een kleine poel, indien de streek
+arm is aan water; zij verdeelen zich in troepen over alle geschikte
+plaatsen langs den rivieroever, indien het land met rivieren doorsneden
+is. Nadat zij gedronken hebben, begint de rust, die met den aanvang
+van de spijsvertering gepaard moet gaan; men ziet dan de leden van
+het gezelschap, in afzonderlijke troepjes verdeeld, in behagelijke
+rust gelegerd in door hen zelf uitgekrabde, ondiepe kuiltjes of wel
+onmiddellijk op het zand, gewoonlijk plat met den buik tegen den bodem
+aangedrukt, dikwijls echter op de zijde liggend, nu eens op de eene,
+dan weer op de andere, terwijl telkens de eene vleugel uitgespreid
+en aan de zonnestralen blootgesteld wordt.
+
+De Woestijnhoenderen zijn alleen daar, waar zij vervolgd worden,
+schuw; in de eigenlijke woestijn, waar zij weinig met menschen
+in aanraking komen, laten zij den ruiter op zijn kameel tot op een
+afstand van weinige schreden naderen; zelfs voor den voetganger is het
+niet moeielijk in hun nabijheid te komen. Men moet echter een zeer
+scherp gezicht hebben om ze op te merken. Wanneer het Woestijnhoen
+zwijgend en bewegingloos op den grond uitgestrekt ligt, welks kleur
+het tot in de fijnste nuances op zijn vederkleed draagt, is het als
+'t ware een deel van den bodem geworden, zoodat men het er niet meer
+van onderscheiden kan.
+
+Het voedsel van deze Vogels bestaat, zoo niet uitsluitend, dan toch
+nagenoeg geheel uit zaden. Overal waar in de nabijheid van de woestijn
+akkers voorkomen, kost hun het inzamelen der daar verbouwde zaden,
+althans gedurende eenigen tijd, weinig moeite.
+
+In Zuid-Europa en Noord-Afrika broeden de Woestijnhoenderen in de
+eerste lentemaanden; verder op in Afrika doen zij dit in het begin
+van den regentijd, die daar onze lente vervangt, in Zuid-Indië in
+de maanden tusschen December en Mei, in Middel-Indië iets later. De
+eieren van alle tot dusver bekende soorten worden in het zand gelegd en
+gelijken veel op elkaar. In kleur stemmen zij met hun omgeving overeen;
+de grondkleur is helder bruingeel, soms zuiver, soms groenachtig of
+roodachtig getint; de schaalvlekken wisselen af van licht tot donker
+violetgrijs, de overige vlekken van geelbruin tot roodbruin.
+
+Ook de Woestijnhoenderen hebben in den mensch hun ergsten vijand;
+want tegen de meeste roofdieren zijn zij beveiligd door hun snelle
+vlucht. Zoolang zij nog niet schuw geworden zijn, is het niet
+moeielijk ze te bemachtigen; zij vertrouwen in den regel te veel op
+hun zandkleurig kleed. Geheel anders gedragen zij zich op plaatsen,
+waar zij vervolgingen hebben ondergaan. Hier moet men hen bij hun
+drinkplaats opwachten.
+
+Nog overvloediger is de buit, naar het schijnt, wanneer men strikken
+zet. "De Woestijnhoenderen", zegt Bolle, "loopen, omdat hunne pooten
+zoo kort zijn, nooit vrijwillig over groote steenen, maar maken liever
+een omweg om op den vlakken grond te kunnen blijven; wanneer men dus
+een pad naar 't water maakt door steenen op twee reeksen te plaatsen
+en in de tusschenruimte, die juist wijd genoeg is om een Ganga door
+te laten, strikken aanbrengt, vangt men er vele levend."
+
+In de gevangenschap wordt deze in vrijheid schuwe Vogel zeer tam.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 27945-8.txt or 27945-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/7/9/4/27945/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.