diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:36:47 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:36:47 -0700 |
| commit | 48981286192426c2c72ed9922be1e5aa9a5d4b54 (patch) | |
| tree | 787bc1181ef49cdf1662e908340796b77bed357b /27945-8.txt | |
Diffstat (limited to '27945-8.txt')
| -rw-r--r-- | 27945-8.txt | 5260 |
1 files changed, 5260 insertions, 0 deletions
diff --git a/27945-8.txt b/27945-8.txt new file mode 100644 index 0000000..4d885ea --- /dev/null +++ b/27945-8.txt @@ -0,0 +1,5260 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Deel 2, Hoofdstuk 02: De Papegaaien; Hoofdstuk 03: De Duifvogels + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: January 31, 2009 [EBook #27945] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + +TWEEDE ORDE. + +DE PAPEGAAIEN (Psittacornithes). + + +"De groote orde der Papegaaien" schrijft W. Marshall, "welker talrijke +(omstreeks 450!) soorten over minstens 50 geslachten verdeeld zijn, +is een van de best begrensde en meest afgeronde vogelgroepen--een +van die, welke de minste, ware of schijnbare overgangen tot andere +orden aanbieden. + +"Wel werden volgens een vroegere zienswijze de Papegaaien met +de Spechten en de Koekoekvogels onder den naam van "Klimvogels" +vereenigd; zulk een samenvoeging, die geheel op zuiver uitwendige +eigenaardigheden van organisatie berust, op kenmerken, verworven +doordat de bedoelde Vogels op soortgelijke wijze voor gelijksoortige +levensomstandigheden geschikt geworden zijn, kan echter geen stand +houden tegenover de hedendaagsche wetenschappelijke begrippen. + +"Een Papegaai is een Klimvogel! Zeer zeker--en een Specht ook, maar +ieder hunner is Klimvogel op zijn eigen wijze, en deze wijzen loopen +zeer uiteen. Daar echter de verschillende wijzen van klimmen een +grootere innerlijke overeenkomst met elkander hebben dan b.v. de wijzen +van loopen of de wijzen van zwemmen, is het niet te verwonderen, dat de +gewoonte van klimmen tot op zekere hoogte een oppervlakkige, schijnbare +overeenstemming van kenmerken heeft doen ontstaan. Dit geeft ons echter +evenmin het recht, om deze overigens zoo uiteenloopende wezens met +elkander te vereenigen als de lichaamsvorm en de bouw der ledematen +van de Visschen, Ichthyosauriërs en Walvisschen (welker buitengewoon +merkwaardige overeenstemming uit het verblijf en de beweging in het +water af te leiden is) voldoende kan en mag geacht worden om deze drie +groepen van Gewervelde Dieren in het stelsel eenigszins, hoe weinig dan +ook, nader bij elkander te plaatsen. Wij glimlachen over de naïveteit, +die onze voorgangers uit vroegere eeuwen toonden, door de Vleermuis +onder de Vogels te rekenen, en waarvan Gessner blijken gaf, door in +de eerste afdeeling van het aan dit dier gewijde hoofdstuk "over de +gedaante van dezen Vogel" te handelen. Dergelijke dwalingen komen +echter ook in onze dierkundige leerboeken in menigte voor en zijn +met het oog op de hedendaagsche onderzoekingsmethoden en de hierdoor +verkregen resultaten minder verschoonbaar dan de misvattingen van de +vaders der wetenschap in vroegere eeuwen." + +Het meest in 't oog vallende kenteeken van de Papegaaien is de snavel, +die zich van alle andere vogelsnavels onderscheidt, hoe groot ook +zijn overeenkomst met enkele daarvan moge schijnen. Bij een eerste, +oppervlakkige beschouwing zou men kunnen denken aan eenige gelijkenis +op den snavel van den Roofvogel; die van de Papegaaien is echter +aanmerkelijk dikker en forscher, naar verhouding hooger en over +'t geheel genomen evenrediger van vorm. Vermeldenswaardig is de +aanwezigheid van een "washuid", d.i. van een onbevederd, maar toch +niet hoornachtig, door den naam voldoende gekarakteriseerd gedeelte, +dat als een zadel op den wortel van den bovensnavel ligt en, behalve +bij de Papegaaien, alleen nog bij de Dagroofvogels en de Uilen +voorkomt. Over den bouw van dezen snavel geven wij het woord aan +Burmeister: "Op den bovensnavel van de Papegaaien merkt men een wel +is waar smalle, maar toch scherp aangeduide rugstrook op, van welke +naar weerskanten de matig gewelfde zijstukken dakvormig naar beneden +loopen. Naar achteren gaan zij onmerkbaar over in de korte, vooral +onder het neusgat met stijve, borstelige veertjes schaars begroeide +washuid, die zich naar den mondhoek terugtrekt. Het neusgat is naar +boven gericht, in de washuid gelegen, cirkelrond en door een gezwollen +rand omgeven. De tot den bovensnavel behoorende rand van de mondspleet +heeft gewoonlijk in het midden een stomp, maar krachtig, tandvormig +uitsteeksel, dat van voren scherper begrensd is dan van achteren. De +haakvormige spits is zeer lang en aan de zwak uitgeholde, binnenste +oppervlakte bij wijze van een vijl gestreept. De aanmerkelijk kortere +ondersnavel ziet er dik, korfvormig uit, is slechts weinig lager of +zelfs hooger dan de bovensnavel en in 't midden van de onderzijde +dikwijls met een flauwe, overlangsche kant voorzien, die de kinhoek +aanduidt. Nevens dezen strekken zich op een tamelijk grooten afstand +aan weerszijden nog twee zijkanten uit, die iets verder naar voren +zich vereenigen en den breeden, hoogen en scherpen, snijdenden rand +van het voorste gedeelte van den ondersnavel begrenzen. De mondrand, +die vóór deze grens aan weerszijden (in overeenstemming met den tand +van den bovensnavel) diep uitgesneden is, neemt van hier naar achteren +langzamerhand in hoogte toe. De zijden van den ondersnavel zijn meer +of min gewelfd." + +Niet minder eigenaardig is de bouw van de ledematen en het inwendig +maaksel van de Papegaaien. "De pooten zijn dik, forsch, vleezig, +maar nooit hoog; de loop is veel korter dan de middelste teen +(of buitenste voorteen) en altijd slechts met kleine, schubvormige +plaatjes bekleed. De tamelijk lange teenen, waarvan de buitenste en +de binnenste naar achteren zijn gericht, hebben een stevige zool, +maar alleen aan de spits een duidelijken bal; aan de bovenzijde zijn +zij bekleed als de loop; de schubben worden echter nader bij de spits +allengs grooter en gaan op het laatste teenlid vóór de klauw in korte +plaat- of gordelvormige schilden over. De binnenste voorteen heeft +gewoonlijk de kleinste klauw; die van den binnensten achterteen is +in den regel niet veel grooter; de grootste klauw komt voor aan den +buitensten voorteen; die van den buitensten achterteen doet echter +slechts weinig voor hem onder." + +De vliegwerktuigen zijn doorgaans goed ontwikkeld, de vleugels groot +en scherp; de slagpennen, welker aantal tusschen 19 en 22 afwisselt +(waarbij 10 handpennen) meestal echter 20 bedraagt, onderscheiden +zich door de stijfheid van de schaft en de breedte van de vlag. De +twaalf stuurpennen verschillen zeer, wat betreft haar vorm en lengte; +de gedaante van den staart biedt daarom veel afwisseling aan. + +De bekleeding van den stam bestaat bij de Papegaaien uit een +betrekkelijk gering aantal buitenveeren of contourveeren, met +donsveeren er tusschen; de eerstgenoemde staan dus verspreid op +duidelijk begrensde, maar in vorm zeer verschillende vedervelden; +aan de buitenzijde hebben zij een groote bijveder. In de kleur van +het kleed bestaat, bij alle verscheidenheid in de details, tusschen +de leden der orde groote overeenstemming. De meest voorkomende +kleur is een meer of minder prachtig bladgroen; er zijn echter +ook hyacintblauwe, purperroode, goudgele en somber gekleurde +Papegaaien. Karakteristiek is de verdeeling van de kleuren op het +kleed van de Papegaaien (de aanwezigheid van kleurvelden zou men +misschien mogen zeggen), het veelvuldig voorkomen van complementaire +of aanvullingskleuren op de boven- en onderzijde (blauwachtig violet, +donkerblauw, lichtblauw of groen op de bovendeelen, lichtgeel, oranje, +vermiljoenrood, purper op de onderdeelen), welke tegenstelling zelfs +aan iedere afzonderlijke slag- of stuurpen in 't oog valt, niet minder +eigenaardig het bedekt zijn van schitterende kleuren door minder +levendige, zooals b.v. bij enkele Kakatoes, waar de vermiljoenroode of +gele kleur van de donsveeren en van de wortelgedeelten der buitenveeren +bijna niet zichtbaar is wegens de witheid der topgedeelten dezer +veeren. Meestal, maar volstrekt niet altijd, zijn het mannetje en +het wijfje gelijk van kleur. + +Het inwendig maaksel van de Papegaaien is eveneens zeer merkwaardig; +vooral in het skelet zijn vele eigenaardigheden waar te nemen. Van +de weeke deelen verdient vooral de tong vermelding, daar zij zich, +behalve door kortheid, dikte en zachtheid, soms ook door talrijke, +draadvormige wratjes aan de spits onderscheidt. De slokdarm is +tot een krop verwijd; de kliermaag is door een glad gedeelte van de +spiermaag gescheiden, de laatstgenoemde heeft slappe wanden en is aan +de binnenzijde bijna ruig; de galblaas en de blinde darmen ontbreken; +de darm is gewoonlijk tweemaal zoo lang als de afstand tusschen mond +en aars. Drie paar spieren komen aan het onderste strottenhoofd voor. + +Het weinige, wat hier van den lichaamsbouw der Papegaaien gezegd kan +worden, moge voldoende zijn om aan te toonen, dat zij een volkomen +zelfstandige, van de andere leden der klasse duidelijk gescheiden groep +vormen. Zulk een groep noemen wij een "orde", d.w.z. een in zich zelf +geordend geheel, dat niet behoorlijk aan andere afdeelingen toegevoegd +kan worden. Van minder belang is het voor den lezer te vernemen, +waarom wij alle leden dezer orde als één familie beschouwen en aan +de afdeelingen dezer familie--die gevoeglijk den naam der orde kan +dragen: Papegaaien (Psittacidae)--den rang van onderfamiliën toekennen. + +Dat de Papegaaien een op zich zelf staande groep vormen, blijkt echter +niet alleen uit hun lichaamsbouw, maar ook uit hun levenswijze; uit +hun aard en hunne gewoonten, uit hunne handelingen. Het leven staat +met den lichaamsbouw in 't nauwste verband; het moet dus bij hen wel +eigenaardig zijn als de gestalte. + +De groote soorten zijn bij het opvliegen log van beweging, maar +reppen zich vervolgens in snelle vaart vooruit; de kleine soorten +zijn behendiger. Vele Papegaaien schijnen vreemdelingen te zijn op +den bodem en hompelen hier meer dan zij gaan; er zijn echter ook +Grondpapegaaien, die even snel en vaardig loopen als de strandvogels: +de gang van den Australischen Grondparkiet wordt met dien van een Snip +vergeleken. Het huppelen op de twijgen valt den Papegaaien moeielijk, +geenszins echter de beweging op de takken. Over groote tusschenruimten +vliegen, over geringe klimmen zij heen; sommige doen dit tamelijk +onbeholpen. Zij maken hierbij gebruik van den snavel en de pooten; +bij de andere Vogels kunnen alleen de pooten bij 't klimmen dienst +doen.--Men kan gerust zeggen, dat de Papegaaien hunne lichaamsdeelen +goed weten te gebruiken: twee daarvan, namelijk de voet en de snavel, +hebben zelfs een veel uitgestrektere taak te vervullen dan bij alle +overige Vogels. De voet herinnert eenigszins aan een hand; hij bewijst +althans soortgelijke diensten. De snavel, die bij de meeste Vogels +de hand vervangen moet, is bij de Papegaaien veel beweeglijker en +wordt ook op meer verschillende wijzen gebruikt dan bij de overige +Vogels. Ook de Papegaai neemt met den snavel voorwerpen van den bodem +op en plukt er vruchten mede af; hij kan hiermede vruchten en zaden +kraken en zich tegen zijne vijanden verweren; bovendien kan hij er +een soortgelijken arbeid mede verrichten als een Knaagdier met de +snijtanden: hout afbreken, stukbijten en in vezels verdeelen; ook bij +'t klimmen bewijst dit werktuig hem uitmuntende diensten. + +De stem van de Papegaaien is krachtig, dikwijls krijschend, maar +toch niet zonder eenige welluidendheid, bij vele soorten is zij zeer +buigzaam en ontegenzeggelijk vol uitdrukking. Als leden van groote +soorten tot gezelschappen vereenigd zijn en gezamenlijk schreeuwen, +maken zij trouwens een voor menschelijke hoorders bijna onverdragelijk +leven. Enkele soorten brengen een blaffend, andere een fluitend, +nog andere een spinnend, weer andere een zacht knorrend geluid voort; +sommige laten korte, helder klinkende kreten, enkele kwakende geluiden, +verscheidene krijschende klanken hooren. Eenige soorten kweelen hunne +wijfjes zulke allerliefste liedjes voor, dat men ze tot de Zangers +zou rekenen, als zij geen Papegaaien waren; andere soorten leeren zoo +zuiver fluiten, dat zij een Goudvink in de schaduw stellen. Het talent +van de Papegaaien voor de nabootsing van menschelijke geluiden en +woorden is bekend. Zij overtreffen in dit opzicht alle overige dieren; +hun bekwaamheid is bewonderenswaardig, grenst aan 't ongeloofelijke: +zij snappen niet, maar spreken. + +De Papegaaien bewonen alle werelddeelen met uitzondering van +Europa. Van de 429 door Marshall in 1889 opgenoemde soorten, +waarvan het vaderland bekend is, komen er 161 voor in Amerika, +213 in Australië met de Papoea-eilanden, de Molukken en de +eilandengroepen van de Zuidzee, 25 in Afrika en 30 in Zuid-Azië +met de Soenda-eilanden. Verreweg de meeste behooren tusschen de +keerkringen thuis. Een Amerikaansche soort--de Carolina-parkiet +(Conurus carolinensis)--werd tot op 43° N.B. waargenomen; de in +rotsholen broedende Patagonische Diksnavelparkiet (Bolborhynchus +patagonus) wordt op 54° Z.B. in de "onherbergzame woestenijen" +van Vuurland aangetroffen; op het Macquarie-eiland, ten zuiden van +Australië, leeft een soort van Waaierparkiet (Cyanorhamphus) op 54° +Z.B. In Afrika en Azië echter overschrijden de Papegaaien de grenzen +van den heeten aardgordel weinig of niet, in West-Afrika b.v. komen +zij niet ver boven 16° N.B., in Oost-Afrika niet noordelijker dan 15° +N.B. voor. In het zuidelijk halfrond verwijderen zij zich verder van +den evenaar; in Azië worden eenige soorten in den gematigden aardgordel +aangetroffen. Over 't algemeen zijn zij tot de wouden beperkt, hoewel +geenszins uitsluitend; daar enkele soorten ook boomlooze vlakten, +b.v. steppen, bewonen, andere (in de Andes) tot boven de grens van den +boomgroei, tot meer dan 3000 M. hoogte, stijgen; even hoog komen zij in +Abessinië en tijdelijk ook in den Himalaja. In Noordoost-Afrika heeft +het de aandacht getrokken, dat zij zoo goed als uitsluitend voorkomen +in oorden, waar ook Apen gevonden worden en dus in zekeren zin als +onafscheidelijke metgezellen van deze moeten worden beschouwd. Hoe +ontzaglijker de wouden zijn, d. w. z. hoe weelderiger de plantengroei +is, des te veelvuldiger zijn zij. "De Papegaaien," zegt de Prins Von +Wied, "maken in de tropische wouden een groot, ik zou kunnen zeggen, +het grootste deel van de vogelenwereld uit." Ditzelfde geldt voor +Australië, voor vele gewesten van Indië en gedeeltelijk ook voor +Afrika. Hier zijn zij zoo overvloedig als bij ons de Kraaien, daar +zijn zij zoo algemeen als in Nederland de Musschen. + +En, zij verstaan de kunst om de aandacht te trekken. Zij tooien +de wouden en vervullen ze met hun geschreeuw. "De Papegaaien," +zegt de Prins Von Wied, "verfraaien met hunne kwistig gekleurde +veeren de donkere schaduwen van de tropische wouden."--"Het is +onmogelijk," verzekert Gould, "de bekoring te beschrijven van het +schouwspel, dat sommige Papegaaien, vooral de hoogroode soorten, +verschaffen, wanneer zij bij vluchten tusschen de zilverbladige +acacias van Australië dartelen. Hun prachtig kleed maakt in deze +omgeving een verwonderlijk schoon effect."--"De Kakatoes," zegt +Mitchell vol geestdrift, "veranderen de hoogten, waarop zij leven, in +verrukkelijk schoone lusthoven."--"Ik heb," bericht Audubon "boomtakken +zoo volkomen bedekt gezien met Papegaaien, dat er geen plaatsje +onbezet bleef."--"'s Morgens en 's avonds," verzekert Schomburgk, +"ziet men een ontelbare menigte Papegaaien op aanzienlijke hoogte +onder onverdraaglijk geschreeuw voorbijtrekken. Op een namiddag +zag ik eens zulk een reusachtigen zwerm neerstrijken op de boomen +langs den oever; de twijgen bogen diep onder het gewicht van de +Vogels."--Hetzelfde valt op te merken in de boschrijke gedeelten van +West-Afrika. Pechuel-Loesche schrijft uit Loango: "In aantal worden +alle woudbewoners overtroffen door de Grijze Papegaaien, die vooral +in de Koeïloe-vlakte in ontzaglijke menigte voorkomen. 's Avonds +trekken zij, nu eens wijd en zijd verspreid, dan weer tot ongeordend +vliegende zwermen vereenigd, den loop van den stroom volgend, over +het woud naar hunne slaapplaatsen verderop in het land. Dan worden +alle overige geluiden van dieren nagenoeg geheel overstemd door het +onophoudelijke gekrijsch, het vroolijke gesnap en gefluit van deze +Vogels; alleen het grove, heesche trompetgeluid van een soort van +Ibis klinkt nog boven dit mengelmoes van tonen uit." + +Buiten den broedtijd zijn de meeste Papegaaien tot troepen of tot +buitengewoon talrijke zwermen vereenigd. Zij kiezen een bepaald deel +van het woud als woonplaats en zwerven van hier uitgaande iederen dag +door een uitgestrekt gebied rond. De troepen blijven trouw bijeen en +deelen met elkander lief en leed. Gelijktijdig verlaten zij in den +vroegen morgen hun slaapplaats, strijken op een boom of op een akker +neer om zich met de daar aanwezige vruchten te voeden, zetten wachten +uit, die voor de veiligheid van het geheele gezelschap moeten waken, +geven nauwkeurig acht op hunne waarschuwingen, nemen alle tegelijk of +kort achtereenvolgens de vlucht, verleenen elkander trouw bijstand +in tijd van gevaar en hulp naar vermogen in andere omstandigheden, +komen gezamenlijk op dezelfde slaapplaats aan, gebruiken deze, zoo +goed als dit gaan kan, in gemeenschap, en broeden zelfs, voor zoover +dit mogelijk is, gezellig. + +Hunne slaapplaatsen zijn zeer verschillend: soms dient hiervoor een +dichte boomkroon, soms een rotswand met uithollingen, soms een holle +boom. Het schijnt, dat zij aan de laatstgenoemde slaapgelegenheid +de voorkeur geven. "Zijn slaapplaats," zegt Audubon van den +Carolina-parkiet, "is een holle boom of een nestgat, dat door een +groote soort van Specht is uitgehouwen, ingeval dit niet door de +rechtmatige eigenaars wordt bewoond. In de schemering kan men in de +buurt van oude, holle sycomoren of dergelijke boomen talrijke vluchten +van deze Papegaaien bijeen zien komen. Zij gaan vlak voor de holte aan +de schors hangen, om achtereenvolgens naar binnen te sluipen en in den +boom den nacht door te brengen. Als zulk een holte niet voldoende is +voor het aantal slapers, hechten de overige zich met den snavel en de +klauwen vóór den ingang aan de schors. Het heeft er dan allen schijn +van, dat het gewicht van het lichaam geheel door den snavel gedragen +wordt. Met een verrekijker heb ik echter tot mijn geruststelling het +tegendeel kunnen opmerken." + +Behalve aan een veilige slaapplaats hebben de Papegaaien behoefte aan +boomen met dichte kroon, om zich volkomen op hun gemak te gevoelen. Het +is hun minder te doen om beschutting tegen weer en wind dan om goede +schuilplaatsen. Hoewel zij bijzonder veel van warmte houden, zijn zij +toch niet zeer bevreesd voor koude en nog minder, althans tijdelijk, +voor nat weer. "Gedurende tropische onweersregens, die soms zoo +hevig zijn, dat zij de lucht verduisteren," zegt de Prins Von Wied, +"ziet men de Papegaaien dikwijls onbeweeglijk op doode takken van +de hoogste boomtoppen zitten; vroolijk weerklinkt hun stem, terwijl +het water bij hen neerstroomt. Al zijn ook in de nabijheid dicht +loover en dikke takken te vinden, zij blijven liever aan den warmen +onweersregen blootgesteld. Zoodra echter de bui ophoudt, beginnen +zij hun dicht vederenkleed van het vocht te bevrijden." Anders is +het gesteld bij mooi weder. Dan geven zij duidelijk de voorkeur aan +de dichtst vertakte boomen, hetzij om zich tegen de zonnestralen te +beschutten, hetzij om zich te verbergen. Dit laatste doen zij stellig, +zoodra zij onraad bespeuren. Zij weten, welk een goede bescherming +zij, wegens hun met de kleur van bladen overeenkomenden tooi van +een dichtbebladerde boomkroon kunnen verwachten. Zij zijn hier niet +gemakkelijk te ontdekken. Men weet, dat een vijftigtal Papegaaien +op een boom vereenigd zijn, maar men ziet er geen enkelen van. Bij +het schuilhoekje spelen komt trouwens niet alleen de kleur van het +vederenkleed goed te pas, maar ook de sluwheid, die aan nagenoeg alle +Papegaaien eigen is. + +Het voedsel van de Papegaaien bestaat hoofdzakelijk uit vruchten +en zaden. Vele Loris gebruiken echter weinig of niets anders dan +honig en stuifmeel uit bloemen en misschien ook de Insecten die in +de bloemen voorkomen; de Araras en andere Papegaaien met wigvormige +staart (Conurinae) eten, behalve vruchten en zaden, ook wel knoppen en +bloemen van boomen; enkele Kaketoes doen gaarne haar maal met larven +van Insecten, Wormen en dergelijke kleine dieren. Het is trouwens +volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat de groote soorten van deze orde +veel meer dierlijk voedsel gebruiken dan men meent. Een reden voor dit +vermoeden zou men kunnen vinden in de moordlust van sommige Papegaaien +en ook in de gretigheid, welke gevangene exemplaren voor vleeschkost +toonen, zoodra zij dezen eenige malen geproefd hebben. + +Vermakelijk is het, de Papegaaien gedurende hunne rooftochten in de +vruchtboomen en akkers te bespieden. De wijze, waarop zij in dit +geval en bij het zoeken van voedsel in 't algemeen te werk gaan, +wettigen tot op zekere hoogte de benaming "bevederde Apen". De list +en bedachtzaamheid, waarmede zij hunne rooverijen plegen, trekken de +aandacht van iederen waarnemer. Een met rijpe vruchten beladen boom, +een akker, welks producten zich goed ontwikkeld hebben, lokt hen zelfs +van verre aan. "Door allerlei vruchten, die zeer in hun smaak vallen," +zegt de Prins Von Wied, "worden de overigens zoo schuwe Araras bewogen +zich ver buiten de grenzen harer wouden te begeven." De Honigparkieten +vond Gould uitsluitend op eucalypten, welker stuifmeel- en honigrijke +bloemen hun het gewenschte voedsel in voldoende hoeveelheid +verschaffen, nooit op andere boomen. Alle groote soorten zijn hoogst +voorzichtig bij het zoeken van hun levensonderhoud; zelfs in het woud +gedragen zij zich soms als gedurende een rooftocht. "Bij vluchten en +met oorverdoovend geschreeuw," bericht Pöppig, "strijken de groote, +goudgroene Araras van de Andes neer op de vuurroode erythrinen en gele +tachias, welker bloemen zij gaarne eten. Zij zijn echter listig genoeg +om te begrijpen, dat hun gekrijsch hen aan gevaar blootstelt, wanneer +zij een akker met rijpende maïs beginnen te plunderen. Ieder hunner +bedwingt dan zijn neiging tot tieren, zoodat er slechts onderdrukte, +knorrende geluiden gehoord worden, terwijl het vernielingswerk met +ongeloofelijken spoed voortgezet wordt. Het is voor den jager of den +vertoornden Indiaan geen gemakkelijk werk de sluwe dieven te naderen, +daar altijd een paar van de oudste Vogels op de hoogste boomen de +wacht houden. Het eerste waarschuwende sein wordt beantwoord door +een algemeenen, halfluiden kreet van de gestoorde plunderaars; bij +het tweede signaal vlucht de geheele zwerm, doch slechts om na het +vertrek van den vijand dadelijk zijn verderfelijk werk te hervatten." + +Ongeloofelijk groot zijn de verwoestingen, die de Papegaaien op de +akkers en in de tuinen aanrichten; zij rechtvaardigen de ernstige +maatregelen van tegenweer, die door den mensch genomen worden. Nagenoeg +alles is van hun gading, niets is beveiligd tegen hunne aanvallen. "Zij +en vooral de groote Araras," zegt de Prins Von Wied, "versplinteren +met hun reusachtigen snavel de hardste vruchtwanden"; niet minder +goed is dit orgaan geschikt voor het verwerken van weeke vruchten +of kleine zaden. De aan een vijl herinnerende achterzijde van de +haakvormige bovensnavelspits maakt het vasthouden van voedingstoffen +met gladde oppervlakte of van kleinen omvang bijzonder gemakkelijk; +de beweeglijkheid van de tong bewijst hierbij belangrijke diensten. In +een oogwenk is een noot gekraakt, een aar van hare vruchten beroofd, +een zaadkorrel ontbolsterd. Als de snavel dit werk alleen niet af kan, +wordt ook de poot te hulp genomen; de hiermede vastgehouden spijs +wordt behendig naar den mond gebracht. Evenals de Apen, vernielen +zij veel meer dan zij verslinden. + +Na den maaltijd vliegen de Papegaaien naar de plaatsen, waar zij +drinken en baden. Zij drinken veel, ook wel zout of althans brak +water. Wanneer er gelegenheid toe bestaat, laten zij zich nat regenen, +overigens begeven zij zich om te baden naar poelen; zij "gullen" +graag in het zand, evenals de Hoenderen en bedekken daardoor hunne +veeren met een laag stof; ook kruipen zij wel in de nestholen van de +Groote IJsvogels om hetzelfde doel te bereiken. Zij zoeken zouthoudende +aarde op en bezoeken geregeld de zoute poelen in het woud. + +De voortplanting der Papegaaien heeft plaats in de maanden, die in +hun vaderland met onze lente overeenkomen en aan het rijp worden der +vruchten voorafgaan. Naar het schijnt, broeden de groote soorten +slechts éénmaal in het jaar en leggen zij niet meer dan 2 eieren; +de Australische Graspapegaaien en de andere Waaierparkieten in 't +algemeen vormen echter een uitzondering op dezen regel: zij leggen +in den regel 3 of 4, enkele zelfs 6 à 10 eieren en broeden, zooals +uit waarnemingen aan gevangenen gebleken is, twee- of driemaal per +jaar. Ook de Kaketoes leggen soms, de Jako, de Edelparkieten en andere +soorten in den regel meer dan 2 eieren, maar broeden waarschijnlijk +slechts éénmaal per jaar. De eieren zijn altijd wit van kleur, glad +van schaal en rondachtig. + +De Papegaaien nestelen bij voorkeur, doch niet uitsluitend in holle +boomen. Eenige Amerikaansche soorten broeden in gaten van den grond of +van rotsen; de Indische Halsbandparkiet maakt hiervoor, volgens Jerdon, +dikwijls gebruik van holten in oude gebouwen enz.; de Monnikspapegaai +bouwt van dikke takken groote, lompe nesten; de Grondparkieten leggen +hunne eieren op den naakten bodem. Van alle kan men zeggen, dat zij +in groote troepen en soms in ontzaglijke zwermen bij elkander nestelen. + +Niet altijd vinden de Papegaaien een boom, welks holte door den arbeid +van een Specht of door een gunstig toeval reeds dadelijk geschikt is om +hun nest te bevatten, vaak moeten zij zelf aan 't werk om een woning +voor hun kroost te verkrijgen. Opnieuw blijkt dan de geschiktheid +van hun snavel voor velerlei doeleinden. Met dit werktuig verwijdt de +Papegaai, vooral het wijfje, een kleine opening in den stam, totdat +zij een behoorlijken toegang verschaft naar het door vermolming week +geworden hout. Bij dezen arbeid geeft de Vogel, die zich als een Specht +aan de schors vasthoudt, bewijzen van groote behendigheid; meer knagend +dan snijdend met den snavel, neemt hij den eenen spaan na den anderen +van het hout af, tot het huis gereed is. Het duurt dikwijls weken, +voordat de met groote volharding werkende Vogel dit doel bereikt +heeft. Het hol is trouwens de hoofdzaak; van het nest wordt niet veel +werk gemaakt. Zelfs een holte, die veel te wenschen overlaat, bevredigt +de bescheidene eischen van den broedenden Papegaai b.v. in het geval, +dat Pöppig op de volgende wijze beschrijft: "Tegen den witten stam van +een irimi-palm ziet men een glanzigen staart van hemelsblauwe veeren; +deze verraadt de aanwezigheid van den Gelen Arara, die daar bezig is, +het door een Specht begonnen gat te verwijden tot een nestholte, +die echter niet groot genoeg is om den pronkstaart van een halve +meter lengte te bevatten; bij 't broeden hangt deze er buiten." + +In den regel broeden het mannetje en het wijfje om beurten. Bij de +kleine soorten, zooals bij de Zangparkiet, bedraagt de broedtijd 16 +à 18 dagen; bij andere Papegaaien zag men de jongen eerst na 19, 23, +25 dagen uit den dop komen; hoe lang de Araras broeden, is onbekend. De +jongen, die aanvankelijk buitengewoon hulpbehoevend zijn, ontwikkelen +zich merkwaardig snel. Aanvankelijk hebben zij zeer weinig dons op +de huid; na 5 of 6 dagen breken de eerste vederstoppels door; op den +8en of 10en levensdag gaan de oogen open. Zingparkieten heeft men op +den 33en dag na het verlaten van de eischaal uit het nest zien komen; +2 dagen later vlogen zij rond. + +De beide ouders voorzien hunne jongen met voedsel en voederen hen ook +nog eenigen tijd na het uitvliegen. Het voedsel wordt, wanneer het +uit zaden bestaat, in den bek van de jongen uitgebraakt, nadat het +vooraf in den krop van de ouders geweekt is. Schomburgk zag een paar, +dat in de nabijheid van zijn kamp in het woud nestelde, de jongen +slechts twee maal per dag voederen, n.l. om 11 uur 's voormiddags en +om 5 uur 's namiddags. "Indien zij bemerkten, dat op hen gelet werd, +streken zij bij hun komst eerst neder op een tak in de nabijheid van +het nestgat en bleven hier rustig zitten, totdat hun de gelegenheid +gunstig scheen om onbemerkt naar binnen te sluipen." De ouders zijn +vol van teedere zorg voor het welzijn hunner kinderen, die zij bij +dreigend gevaar met zelfopofferenden moed verdedigen; zij doen dit +zelfs in de kooi en tegen een verzorger, voor wien zij overigens zeer +veel genegenheid gevoelen. Eenige soorten dragen met dezelfde liefde, +die zij aan hunne eigene jongen wijden, ook zorg voor jongen, die +geen ouders hebben: niet alleen voor hulpbehoevende wezens van hun +eigen soort, maar ook voor vreemdelingen. + +Gemiddeld heeft, naar het schijnt, het vederenkleed van +de Papegaaien reeds in het tweede levensjaar zijn volledige +ontwikkeling en kleurenpracht bereikt; ook voor de voortplanting +zijn zij dan geschikt. Ondanks hunne korte jeugd duurt hun leven vele +jaren. Gevangene exemplaren hebben soms de familie, in welker kring +zij hunne jonge jaren doorbrachten, tal van jaren overleefd; zij hebben +volgens een Amerikaansche overlevering, een geheel volk zien uitsterven +en te niet gaan. "Het is waarschijnlijk," bericht A. von Humboldt, +"dat het uitsterven van de laatste familie der Atoeren eerst voor +korten tijd heeft plaats gehad, want in Maipoeres leeft nog een oude +Papegaai, wiens woorden men volgens de verzekering der inboorlingen +niet verstaan kan, omdat hij de taal der Atoeren spreekt." + +Het is wel mogelijk, dat de meeste groote Papegaaien op hoogen leeftijd +een natuurlijken dood sterven. Ook zij hebben vijanden, doch geen +ergere dan de mensch. De meeste zullen door hun schranderheid wel +in staat zijn om aan de vervolgingen der Roofdieren te ontkomen; +andere zullen zich waarschijnlijk tegen de roovers, die hen op +hunne moeielijk bereikbare rustplaatsen najagen, voldoende kunnen +verdedigen. Vermoedelijk echter worden de kleine soorten dikwijls de +prooi van Valken of van klimmende, van roof levende Zoogdieren. Tegen +den mensch zijn trouwens zoomin de groote als de kleine Papegaaien +bestand. + +De Papegaaien worden allerwege vervolgd door den mensch, die met een +soort van hartstochtelijken ijver jacht op hen maakt. Dit geschiedt +zoowel om van de gedoode of gevangen dieren partij te trekken, als +wegens de schade, die hun roofzucht aanricht en die overal voelbaar +is, waar de in kultuur gebrachte velden grenzen aan wouden, die door +Papegaaien bewoond worden. "Men moet niet meenen," zegt Audubon, +"dat alle misdrijven waaraan de Papegaaien zich jegens de planters +schuldig maken, ongestraft blijven. Integendeel de diefachtige +Vogels worden wegens hunne strooperijen op de eigendommen van de +landbouwers door deze in grooten getale gedood. De op wraak zinnende +boer, die met het geladen geweer in de hand komt aansluipen, doet 8 +of 10 van de plunderaars bij het eerste schot in 't zand bijten. De +overlevende stijgen omhoog, schreeuwen luid, vliegen 4 of 5 minuten +lang in kringen rond, keeren naar de lijken van hunne kameraads terug, +omzwermen deze met luid jammergeschreeuw en vallen als slachtoffers +van hun gehechtheid; dit gaat zoo voort, totdat er zoo weinige +overblijven, dat de boer het niet meer de moeite waard acht, aan hen +zijn kruid en lood te verspillen. Ik heb in den loop van weinige uren +er verscheidene honderden op deze wijze verdelgd en korven gevuld met +den buit. Die, welke aangeschoten zijn, weten trouwens hun leven goed +te verdedigen en brengen met hun scherpen snavel gevaarlijke wonden +toe." Het vleesch van de buitgemaakte Papegaaien wordt, hoewel het +hard en taai is, toch graag gegeten of althans tot het bereiden van +een krachtige soep gebruikt. Schomburgk roemt de papegaaiensoep, +op grond van persoonlijke ervaring, als een uitmuntend gerecht. + +Nog vaker wordt op deze Vogels jacht gemaakt ter wille van hunne +fraaie veeren, "Niets is natuurlijker," zegt de Prins Von Wied, "dan +deze zeer eenvoudige en fraaie vorm van opschik, die al spoedig in het +brein van den wilde zal zijn opgekomen. Zeer smaakvol zijn de grove, +door volkomen onbeschaafde volken van veeren vervaardigde versierselen, +die wij door de berichten van de reizigers in verschillende deelen van +de wereld hebben leeren kennen. Vele Braziliaansche oervolken hebben +zich in dit opzicht bijzonder onderscheiden."--De Papegaaien zijn +de oorzaak geweest van een gebeurtenis van groote beteekenis voor de +wereldgeschiedenis. Deze Vogels hebben, zij het dan ook onwillekeurig, +een belangrijken invloed geoefend op een der omwentelingen, die het +tijdvak der middeleeuwen begrenzen. Een vlucht Papegaaien hielp Amerika +ontdekken. Pinzon, metgezel van den grooten Genuees en onderbevelhebber +op zijn vloot, had sterk aangedrongen op een verandering in den tot +dusver gevolgden koers der schepen. "Een ingeving," verzekerde hij, +"zegt mij, dat wij anders moeten sturen."--"Deze ingeving en de +hieruit voortvloeiende meening," leert ons Von Humboldt, "had Pinzon, +gelijk een oude matroos aan de erfgenamen van Columbus verhaalde, te +danken aan een vlucht Papegaaien, die hij 's avonds in zuid-westelijke +richting had zien vliegen, om, zooals hij kon vermoeden, in een bosch +op het land te gaan overnachten.--Nooit heeft het letten op de wijze +van vliegen der Vogels gewichtiger gevolgen gehad. Er is reden voor de +bewering, dat hierdoor een beslissing werd uitgelokt over de plaats, +waar de eerste volkplantingen in het nieuwe vasteland gevestigd zouden +worden, en hieruit is de wijze van verdeeling van de Nieuwe Wereld +tusschen de Germaansche en de Romaansche volkeren voortgevloeid." + +Het voordeel, dat de Papegaaien ons verschaffen, is geheel +van denzelfden aard, als dat, hetwelk wij van de Apen weten te +verkrijgen. Niet slechts door het gebruik, dat van hun kleed gemaakt +wordt, maar ook als gezellige huisgenooten zijn deze Vogels ons +nuttig. Ondanks hunne hebbelijkheden hebben zij onze genegenheid +gewonnen. Uit ingenomenheid met hunne fraaie veeren en met hun +schrander brein dulden wij hun gekrijsch en vergeven wij hen het +misbruik, dat zij maar al te dikwijls maken van hun snavel, dit +uitmuntend vernielingswerktuig, waartegen, hoe ongeloofelijk zulks +ook moge klinken, zelfs het ijzer niet bestand is. + +De temming van de Papegaaien herinnert in sommige opzichten aan de +onderwerping onzer huisdieren. Zij heeft reeds in overouden tijd plaats +gehad. Op de oud-Egyptische gedenkteekenen ontbreken de afbeeldingen +van deze dieren nog volkomen; ook in den Bijbel wordt van hen geen +melding gemaakt. Onesikristos, opperstuurman van het schip, waarop +Alexander de Groote den Indus bevoer, leerde ze in Indië kennen als +getemde huisgenooten van de inboorlingen en bracht eenige van deze +Vogels levend naar Griekenland. Later werden zij veelvuldig naar +Rome vervoerd. De Romeinen waren zoo verrukt over de schoonheid en +schranderheid hunner nieuwe gunstelingen, dat strenge zedenmeesters +het noodig achten deze liefhebberij in 't openbaar aan de kaak te +stellen. "O ongelukkig Rome!" riep Marcus Portius Cato uit. "Welke +tijden beleven wij nu? De vrouwen voederen Honden op hun schoot en +de mannen dragen Papegaaien op de hand!"--Men plaatste de zeldzame +Indische Vogels in kooien van zilver, schildpad en ivoor, liet ze +door bepaaldelijk hiervoor aangestelde onderwijzers africhten, leerde +hun o. a. het woord "Caesar" uitspreken en gebruikte eigenaardige +werktuigen bij hun onderricht. De prijs van een Papegaai, die spreken +had geleerd, was dikwijls hooger dan die van een slaaf. Ovidius keurde +dit dier de eer van een poëtische lofrede waardig. Heliogabalus wist +zijne gasten niets kostbaarders voor te zetten dan papegaaiekoppen. Nog +onder Nero's regeering kende men waarschijnlijk geen andere dan +Indische soorten; later zullen misschien ook wel Afrikaansche soorten +ingevoerd zijn. In ons vaderland verschenen zij voor 't eerst ten +tijde van de kruistochten in de huizen van rijke lieden; ook hier +werden zij tot spreken afgericht. + +In Amerika vonden de eerste ontdekkers getemde Papegaaien in en vóór +de hutten der inboorlingen. Schomburgk bericht, dat men ze ook thans +nog vrij laat vliegen, zonder ze te kortwieken. "Ik zag verscheidene +tamme Papegaaien," schrijft hij, "zich 's morgens voegen bij de +vluchten der wilde, die over het dorp heenvlogen; 's avonds bij hun +terugkomst gingen zij weer op de hut van hun meester zitten." Uit +Schomburgk's mededeelingen blijkt dat de Papegaaien op soortgelijke +wijze deel uitmaken van de nederzettingen der Indianen in het woud, +als de Hoenderen van onze boerderijen. "Opmerkelijk is de genegenheid +van de tamme Papegaaien voor kinderen. Zelden heb ik een troepje +spelende Indiaansche kinderen gezien, die geen Apen en Papegaaien +bij zich hadden. Deze leeren spoedig alle geluiden, die zij in hun +omgeving hooren, nabootsen: het geblaf van de Honden, het schreien +en het lachen der kinderen, enz." + +In vergelijking met hunne vrij rondvliegende verwanten bij de hutten +der Indianen, hebben de voor Europa bestemde tamme Papegaaien zeer +zeker een treurig lot. Het zwaarst is hun lijden, voordat zij hun +bestemmingsplaats bereiken. Weinig meer dan de helft van alle +Papegaaien, die aan boord van een schip gebracht worden, komen +de langdurige zeereis te boven; van die, welke gelukkig in Europa +aangekomen zijn, bezwijken nog vele in de donkere, vuile, verpeste +magazijnen van sommige handelaars. Eerst wanneer de Vogel doelmatig +verzorgd wordt, verbetert zijn toestand; dan is hij echter dikwijls +menschenschuw, wantrouwig, opvliegend en kwaadaardig geworden, +welke onaangename eigenschappen hij door vriendelijke behandeling +mettertijd verliest. + +Hij is echter schrander en leert spoedig zich te schikken in de +veranderde omstandigheden. In de eerste plaats geraakt hij gewoon aan +allerlei kost. In plaats van de sappige vruchten en zaden van zijne +vaderlandsche wouden, worden hem vreemde spijzen door den mensch +aangeboden. Deze behagen hem des te beter, naarmate hij er meer van +leert kennen. Aanvankelijk is hij tevreden met hennep- of kanariezaad, +weldra echter verlangt hij meer. Door hem zoetigheden te geven, maakt +men hem tot een verwenden lekkerbek, die geen eenvoudig voedsel meer +lust. Men kan hem gewennen aan bijna alle stoffen, die de mensch +gebruikt, ook aan koffie, thee, wijn, bier en dergelijke, hij gaat +zich zelfs aan sterken drank te buiten. Alleen op de kleinste soorten +van de orde is deze beschrijving niet toepasselijk; zij willen geen +ander voedsel hebben dan kruiden en zaden. Naar men beweert, zou het +voederen met dierlijk voedsel de oorzaak zijn van een onhebbelijkheid, +die bij vele gevangen Papegaaien voorkomt; deze dieren trekken zich +namelijk de veeren uit en plukken zich soms volkomen kaal. Zij gaan +de ontwikkeling van de nieuwe veeren met belangstelling na en laten +zich, hoewel zij voor straf hoogst gevoelig zijn, hierdoor van hun +voornemen om ze uit te plukken niet afhouden. Sommige waarnemers +meenen, dat de aanleiding tot de genoemde slechte gewoonte te zoeken +is in de prikkeling van de huid door ongedierte. Anderen schrijven het +veerenplukken eenvoudig toe aan de verveling, waardoor de Papegaaien, +die in de vrije natuur zoo bedrijvig waren, in de gevangenschap gekweld +worden. Men beweert, dat de Vogels zich niet meer zullen schuldig maken +aan deze zelfverminking, wanneer zij voortdurend over een voldoende +hoeveelheid zacht hout kunnen beschikken en in het stukmaken hiervan +tijdverdrijf vinden.--Van groot belang is de keuze van een voor hen +geschikt voedsel. De ervaring heeft geleerd, dat de meeste groote +Papegaaiensoorten behoorlijk gevoed kunnen worden met hennep, hard +gekookte rijst, haver, maïs, salade, kool en vruchten, de kleinere +met gierst, kanariezaad, salade en plantenbladen. Bittere amandels +en peterselie zijn vergiftig voor hen. + +Evenals onder alle hoog ontwikkelde dieren zijn er ook onder de +vertegenwoordigers van dezelfde soort van Papegaaien meer of minder +leerzame of, wat op hetzelfde neerkomt, meer of minder begaafde +individuen. De eene leert snel en veel, de andere langzaam en weinig, +de derde in 't geheel niets. Een methodisch, onderricht vermag echter +ook bij hen veel, zeer veel. Hun voortreffelijk geheugen komt hun +hierbij uitmuntend te pas. De indrukken, die zij ontvangen hebben, +bewaren zij jaren lang. Voor het leeren spreken is het bezit van een +goed herinneringsvermogen even belangrijk als de beweeglijkheid van +de tong, die hun tot het nabootsen van het stemgeluid van den mensch +in staat stelt. Zij nemen een begrip in zich op en leeren het woord, +waardoor het wordt voorgesteld; langzamerhand maken zij zich meer +begrippen en meer woorden eigen; hun bevattingsvermogen neemt toe, +naarmate het geoefend wordt. Volstrekt noodig is het, dat de Vogel, +zoolang het onderricht duurt, streng opgesloten wordt gehouden; meer +vrijheid mag men hem eerst gunnen, wanneer zijn opvoeding nagenoeg +voltooid is. + +Daarentegen is het volstrekt noodig de vrijheid van de Papegaaien zoo +weinig mogelijk te beperken, wanneer zij den vurigsten wensch van den +waren liefhebber bevredigen zullen door in de kooi te broeden. Dat +dit in de gevangenschap zelden gebeurt, is ongetwijfeld hieraan te +wijten, dat aan den genoemden eisch niet behoorlijk voldaan wordt. Het +is voldoende gebleken, dat het niet moeielijk is, de voorwaarden te +verwezenlijken, waaronder de tamme Papegaaien zich voortplanten. In +de allereerste plaats moet men het paartje hiervoor ruimte, rust en +een geschikten boom voor broedplaats verschaffen. + + + +Marshall verdeelt de familie van de Papegaaien in 10 onderfamiliën, +waarvan de eerste de Stompstaartpapegaaien (Pionidae) bevat; deze +kenmerken zich door den korten of middelmatig langen, breeden en recht +afgesneden staart. Voor 't meerendeel (8 geslachten met 70 soorten) +bewonen zij de keerkringsgewesten van Amerika; slechts één geslacht +(Poeocephalus, met 10 soorten) behoort in Afrika thuis. + + + +Misschien niet de fraaist gekleurde, maar toch een der opmerkelijkste +leden van deze rijke onderfamilie is de Waaierpapegaai (Deroplyus +accipitrinus), de eenige vertegenwoordiger van zijn geslacht. De +veeren van den achterhals en van de zijden van den hals, van de +geheele bovenzijde en van de schenkels zijn schitterend donkergroen, +die van den voorkop en van den bovenkop licht bruinachtig geel. De +achterkop en de nek zijn bezet met breede, zeer verlengde veeren, die +opgezet kunnen worden en dan achter den kop als een waaiervormige, +tot aan de keel zich uitstrekkende kraag prijken; zij zijn donker +karmijnrood met viooltjeskleurige tint, iedere veer aan den wortel +vaalbruin en aan den top met breeden, blauwen zoom. Dezelfde kleur en +teekening hebben alle veeren van de onderzijde met uitzondering van +die, welke de zijden van de borst bedekken, daar deze groen gezoomd +zijn. De handpennen en hare dekveeren zijn zwart, de armpennen, +met uitzondering van de drie laatste, die geheel groen zijn, aan de +wortelhelft zwart; de staartpennen zijn groen, met uitzondering van +de buitenste, die een zwarte binnenvlag en een donker zwartblauwe +buitenvlag hebben. Totale lengte 27, staartlengte 14 cM. + +Het verbreidingsgebied van deze soort, voor zoover thans bekend, +omvat de wouden bij den Amazonenstroom, Suriname en andere deelen +van Guyana; overal is zij, naar het schijnt, minder veelvuldig dan +andere vormen van dezelfde orde. + + + +De Amazonen, Amazoonpapegaaien of Groene Papegaaien (Androglossus) +zijn groote of middelmatig groote Vogels van gedrongen lichaamsbouw met +zeer krachtigen, matig gewelfden snavel, welks rug niet, zooals bij +het vorige geslacht, over zijn geheele lengte, maar alleen aan zijn +achterste gedeelte een door scherpe kanten begrensde, overlangsche +groeve vertoont, met middelmatig lange vleugels, welker spits weinig +of niet achter den staartwortel uitsteekt en met middelmatig langen, +aan de spits afgeronden staart; de kleine veeren zijn stijf en breed +en eindigen stomp. Evenals bij het vorige geslacht is ook hier de +washuid onbevederd; het oog is met een naakten kring omgeven. De +hoofdkleur van het vederenkleed is groen met rood, blauw en geel +afgezet; de groene kleur strekt zich ook uit over de onderdekveeren +van den staart, die bij de leden van het vorige geslacht rood zijn. + +Als brandpunt van het verbreidingsgebied van de Amazonen, dat zich +van de La-Platastaten tot aan het zuiden van Mexico uitstrekt, moet +men de oeverlanden van den Amazonenstroom beschouwen; eenige soorten +bewonen de West-Indische eilanden en komen, gedeeltelijk althans, +niet anders dan op één enkel, soms betrekkelijk klein eiland voor. + +De middelmatig groote soorten, die gewoonlijk onder den naam van +Amazonen (veelal over Suriname) levend tot ons komen (Androglossa +amazonica en aestiva) vertoonen slechts geringe kleursverschillen +(o. a. van de vleugelbocht: bij gene groen, bij deze rood). Totale +lengte 35, vleugel 19, staart 10 cM. Bij de eerstgenoemde loopt +over het voorhoofd een breede, paarsblauwe streep; de bovenkop en de +wangen zijn hooggeel, de handwortel geel, de eerste handpen zwart, +de overige handpennen aan den wortel van de buitenvlag dofgroen, +verderop indigoblauw, de 2e en 3e en 4e armpen aan den wortel groen, +in 't midden vermiljoenrood, aan de spits indigoblauw, de overige +armpennen (met uitzondering van de beide laatste, die geheel groen +zijn) op de buitenvlag groen, op de binnenvlag zwart en aan de spits +blauw; de vier buitenste staartveeren van iedere zijde op de binnenvlag +licht vermiljoenrood, aan de spits groenachtig geel; de vijfde stuurpen +heeft een roode vlek op de groene binnenvlag. Van onderen gezien is +de staart dof vermiljoenrood met een groenen dwarsband in 't midden en +een breeden, geelgroenen zoom aan de spits. De iris is vermiljoenrood, +de snavel geel, aan de spits donkerbruin, de poot bruinachtig. + +Deze soort is van 't midden van Brazilië noordwaarts over Guyana tot +Trinidad en westwaarts tot Bogota, Ecuador en Venezuela verbreid. + +"In alle gewesten van de oostkust van Brazilië, die ik doorreisde," +zegt de Prins Von Wied, "is deze Papegaai een der meest +algemeene. Overal waar dichte oerwouden aan mangrove-moerassen en +riviermonden grenzen, vond ik hem in menigte, want hij broedt zoowel +hier als daar en houdt, naar het schijnt, veel van de vruchten +der mangrove. Reeds in de met groote wouden bedekte omstreken van +Rio de Janeiro treft men deze Papegaaien in grooten getale aan; wij +hebben ze echter ook aan de noordelijke rivieren gevonden en, vooral +'s morgens en 's avonds, hun luide stem gehoord in de moerassige +kreupelhoutbosschen van de riviermonden, die dikwijls door den vloed +onder water gezet worden. Ik heb in de wouden troepen van Kortstaartige +Papegaaien bijeen gezien, die ik bijna ontelbaar zou mogen noemen; +het geheele woud wemelde er van en was vervuld van hun buitengewoon +geschreeuw. Zulke vereenigingen van Papegaaien zijn wel talrijk, +maar toch nog niet te vergelijken met de ontzaglijke zwermen van +Trekduiven in Noord-Amerika. Als Amazonen in het oerwoud op een hoogen, +dicht bebladerden boom zitten, kost het dikwijls moeite ze te zien. De +groene kleur beschut haar tegen ontdekking; men wordt haar aanwezigheid +echter gewaar door het naar beneden vallen van de vruchtschillen en +pitten. Zoolang zij eten, houden zij zich stil, zoodra zij opgejaagd +worden, verneemt men dadelijk haar luide stem. Zij worden in menigte +geschoten, omdat zij een krachtig maal verschaffen; een papegaaiensoep +is niet slechts in Brazilië, maar ook in Suriname een gewild gerecht." + +Alle Amazonen, van welker levenswijze berichten tot ons zijn gekomen, +leggen in de lente 3 of 4 witte eieren in holle boomen op de afgebeten +spanen van de wanden der holte. De uit het nest genomen jongen worden +buitengewoon tam en leeren duidelijk spreken. In de woningen der +Brazilianen ontmoet men ze zeer dikwijls; in menigte worden zij naar +de kuststeden gebracht; de zeelieden koopen ze om ze mede te nemen +naar Europa, waar zij tot de meest gewone Papegaaien behooren. Zij +worden te recht geroemd als leerzaam, tamelijk zachtzinnig en +lieftallig. Bij goede verzorging kunnen zij 20 à 30 jaren lang in 't +leven blijven. Voor ongedresseerde, pas aangevoerde exemplaren wordt +12 à 18 gulden, voor goed afgerichte, sprekende individuën 45 à 180 +gulden en nog veel meer betaald. Het duurst en het meest begaafd is +de Dubbele Geelkop van de vogelhandelaars (Androglossa Levaillantii), +eveneens hoog geschat de Kleine Geelkop of Zonnepapegaai (Androglossa +ochroptera.) + + + +De Langstaartpapegaaien (Conurinae) danken hun naam aan het bezit van +een langen of zeer langen, trapvormigen of wigvormigen staart. Bij +sommige (de Amerikaansche Parkieten) is alleen een kring om de +oogen, bij de overige (de Araras) bovendien ook een deel van de wang +onbevederd. Deze onderfamilie omvat 7 geslachten met ruim 90 soorten, +die over geheel Amerika, van Carolina tot Vuurland, verspreid zijn. + + + +Het geslacht der Diksnavelparkieten (Bolborhynchus) omvat een +zevental soorten, welker grootte afwisselt tusschen die van een +Spreeuw en die van een Lijster; zij bewonen de westelijke, zuidelijke +en middelste landen van Zuid-Amerika. Een daarvan is de wegens zijn +eigenaardigen nestbouw merkwaardige Monniksparkiet, Kwakerparkiet +of Braziliaansche Muisparkiet (Bolborhynchus monachus). Deze bij de +liefhebbers van uitheemsche kooivogels algemeen bekende soort is voor +buitenvolières zeer geschikt wegens zijn gehardheid tegen koude en +plant zich in de gevangenschap gemakkelijk voort. Binnenshuis kan +men hem niet houden wegens zijn hevig gekrijsch. Totale lengte 27, +staartlengte 12 cM. Het vederenkleed is grasgroen, in de mantelstreek +bleek olijfbruinachtig grijs uitvloeiend; het voorhoofd, het voorste +deel van den bovenkop, de teugel, de wang, de hals en de borst zijn +lichtgrijs, de kop bruinachtig met dwarse golflijnen, de onderborst en +de buik effen lichtgrijs, de onderbuik, de schenkels, de aarsstreek +en de onderdekveeren van den staart geelachtig groen, de vleugels +van boven indigoblauw in verschillende tinten, van onderen donker +marineblauw, de staart van onderen groenachtig marineblauw. + +Uit de niet zeer talrijke berichten der reizigers blijkt, dat de +Monniksparkiet in Paraguay zoowel als in de Banda-Oriental tot de meest +gewone Vogels behoort, buiten den broedtijd in vluchten van 50 à 200 +stuks door het land zwerft, veel schade aanricht in de korenvelden, +vooral in de maïs-akkers, en daarom onmeedoogend vervolgd wordt. + +Hij is de eenige bekende Papegaai, die groote, vrijstaande nesten +op boomen bouwt. De eerste mededeeling hierover komt van Azara; deze +maakt melding van zeer groote nesten, die dikwijls een middellijn van +meer dan 1 M. hebben, van boven dicht en van binnen met gras gevoerd +zijn; ieder nest wordt door een aantal wijfjes gemeenschappelijk +gebruikt. Dikwijls draagt één boom verscheidene nesten. + +Door Darwin, Castelnau, Burmeister en andere onderzoekers worden de +mededeelingen van Azara bevestigd. Soms vormen de bouwstoffen van één +nest een flinke wagenvracht, daar het meer dan 200 KG. weegt. Eerst +begint een enkel paartje te bouwen; het gebruikt hiervoor de zeer +doornachtige takken van den tala-boom; de ingang wordt van onderen +of aan de zijde aangebracht; in 't laatstgenoemd geval wordt echter +boven de opening, uit voorzorg tegen de Opossums, een afzonderlijk dak +geplaatst. Van binnen bevat dit nest twee vertrekken, een voorportaal +en de eigenlijke broedruimte. Het wordt later door andere paartjes, +misschien kinderen en kleinkinderen van het eerste, vergroot, doch +altijd zóó, dat ieder zijne eigen appartementen heeft, welke tegen die +van het andere aangebouwd zijn, maar er niet mede samenhangen. Meer +dan 12 paartjes treft men nooit in één nest aan. Soms betrekt een +kleine soort van Eend een van de toevallig leegstaande woningen. Het +nest wordt gedurende het geheele jaar als schuilplaats gebruikt en +zoo noodig hersteld; nieuwe woningen worden er echter alleen in den +voortplantingstijd aan toegevoegd. + +In den laatsten tijd is men herhaaldelijk in de gelegenheid geweest in +Europa dezen eigenaardigen nestbouw waar te nemen. Het eerst geschiedde +dit door Schmidt, toen hij proeven nam over het overwinteren van de +Papegaaien in de open lucht, welker uitkomst buitengewoon gunstig was +voor de Monniksparkieten. Deze begonnen in April van de struiken, die +in de volière groeiden, twijgen af te plukken. Hiermede bekleedden zij +het hok, waarin zij zouden nestelen, van binnen geheel. De bouwstoffen +werden met onvermoeiden ijver aangebracht door het mannetje; terwijl +het wijfje intusschen voor de reeds aanwezige rijsjes de meest +passende plaats opzocht, ze in den nestwand vlocht of ze wegwierp, +indien zij niet bruikbaar bleken te zijn. + + + +De Langsnavelige Parkiet, de Choroy der Chilenen (Henicognathus +leptorhynchus), wordt te recht als vertegenwoordiger van een +afzonderlijk geslacht beschouwd, hoewel hij door den bouw van +de vleugels en van den staart bijna volkomen overeenstemt met de +Wigstaartparkieten. Zijn snavel is namelijk geheel anders dan die +van de overige Papegaaien, middelmatig dik, slank en veel langer dan +hoog, de bovensnavel wel tweemaal zoo lang als de ondersnavel en +zeer weinig gebogen, zijn lange, smaller uitloopende spits steekt +bijna horizontaal vooruit. De heerschende kleur van de bovendeelen +is donker olijfkleurig grasgroen, die van de onderdeelen olijfkleurig +groen; de rand van het voorhoofd, de veeren van de washuid, de teugel +en een smalle rand om het oog zijn dof koperkleurig purperrood, de +handpennen en hare dekveeren op de buitenvlag blauwachtig grijs met +zwarten rand, de stuurpennen van boven en van onderen dof koperkleurig +purperrood. De oogen hebben een goudgele iris, de snavel en de pooten +zijn blauwachtig grijs. Totale lengte 38, staartlengte 17 cM. + +Deze soort is over geheel Chili tot aan de straat van Magelhaen +verbreid en komt ook op Chiloë voor. Hare vertegenwoordigers +vereenigen zich dikwijls tot zwermen van honderden en duizenden, +die door hun oorverdoovend geschreeuw lastig kunnen zijn. Daar zij +meer op den grond dan in de boomen leven, bedekken zij soms de Pampas +(maar ongelukkig ook de akkers) over een groote uitgestrektheid. Zij +zijn de gevaarlijkste vijanden van de tarwe- en maïsteelt; de +bijna rechte snavel is even goed geschikt voor het uit den grond +trekken van kiemende tarwe- of maïskorrels als van de graswortels, +die oorspronkelijk het voedsel van deze Vogels uitmaakten. Tot +groot verdriet voor den landman doen zij ook plundertochten in de +boomgaarden; zij vernielen hier de appels, uitsluitend met het doel +om de pitten op te eten. Het is dus niet te verwonderen, dat de +Chileensche boeren hen haten en zoo ijverig mogelijk vervolgen. + + + +De Wigstaartparkieten (Conurus) hebben een sterk gekromden, zijdelings +samengedrukten snavel, wiens lengte de hoogte ongeveer evenaart, +krachtige pooten met korten loop en middelmatig lange teenen, lange, +spitse vleugels, een langen, wigvormigen staart, welks pennen van den +wortel naar de spits allengs dunner worden en van de buitenste tot de +middelste gelijkmatig in lengte toenemen, zoodat gene slechts half +zoo lang zijn als deze; het kleed is uit stijve veeren samengesteld +en vertoont op grootendeels groene grond velerlei in kleur en vorm +uiteenloopende teekeningen en gekleurde velden. De meeste soorten van +dit geslacht bewonen het binnenland van Zuid-Amerika, meer bepaaldelijk +de vochtige vlakten langs de oevers van den Amazonenstroom en zijne +bijrivieren. Zij dragen veel bij tot het verlevendigen van de wouden; +in sommige hoort men geen andere stemmen dan de hunne. Evenals alle +overige Papegaaien richten zij schade aan op de plantages, die dicht +bij de wouden gelegen zijn, op de maïsakkers echter minder dan op de +rijstvelden. Na den broedtijd verschijnen zij vaker dan gewoonlijk +in de boschranden; zij hebben dan hunne jongen bij zich, die, hoewel +zij reeds geheel volwassen zijn, door hunne ouders nog uit den krop +gevoerd worden. + +Het nest wordt in holten van oude boomen gebouwd en bevat 2 of 3 +witte eieren. De jongen hebben weinig te lijden van den mensch, daar +de Wigstaartparkieten volgens een in Brazilië algemeen heerschende +meening niet geschikt zijn voor africhting, nooit leeren spreken en +de gevangenschap niet licht verdragen. Slechts over weinige soorten +wordt een gunstiger oordeel geveld; deze worden, hoofdzakelijk wegens +hun zachtaardigheid, dikwijls getemd. + + + +Tot de Wigstaartparkieten behoort de eenige Papegaai, die in +Noord-Amerika voorkomt en om deze reden, naar een deel van zijn +vaderland, Carolina-parkiet (Conurus carolinensis) wordt genoemd. Hij +is 32 cM. lang met den 15 cM. langen staart. Zijn hoofdkleur is +fraai donker grasgroen, als naar gewoonte op den rug donkerder, +aan de buikzijde meer geelachtig. Het voorhoofd en de wangen zijn +roodachtig oranje, ook de achterkop, de schouders en de slagpennen; +de nek is zuiver goudgeel. + +De Carolina-parkiet kwam voorheen in Noord-Amerika tot aan het +Michigan-meer, op 42° N.B., voor en was, naar het scheen, goed bestand +tegen het dikwijls zeer ruwe klimaat van deze streken. Wilson zag +tot zijn groote verwondering in het begin van deze eeuw gedurende een +sneeuwstorm, in Februari, een vlucht van deze Vogels luid schreeuwend +langs den oever van den Ohio vliegen. Nu en dan ontmoette men ze +in nog noordelijker gewesten, in Januari zag men een grooten zwerm +van deze Vogels 25 Engelsche mijlen ten noordwesten van Albany +(New-York), dus op 43° N.B. De omstandigheden zijn echter sinds +dien tijd zeer veranderd. "Ook nu nog is hij (of was hij althans in +1874)," schrijft Marshall, "veelvuldig in Florida, tamelijk verbreid +in West-Louisiana, Arkansas en het Indianen-gebied; in Zuid-Carolina +ontmoet men hem echter bijna niet meer. Aan de landstreken ten +westen van het Alleghany-gebergte geeft hij de voorkeur boven die, +welke ten oosten van dezen bergketen op gelijke breedte gelegen +zijn; waarschijnlijk te recht wordt dit toegeschreven aan zijn +bijzondere voorliefde voor de alluviale gronden langs de kleine +rivieren en regenstroomen, voor moerassen en dichte wouden en voor +de hier veelvuldige zoute gronden. De vermindering van het aantal +Carolina-parkieten is steeds verder voortgeschreden. "Honderden van +deze prachtige Vogels," klaagt Allen, "worden iederen winter aan +den bovenloop van de St. Johnsrivier door vogelvangers van beroep +gevangen en naar de steden van het noorden gezonden, duizenden worden +volkomen noodeloos door jagers gedood." Bovendien halen zij zich +door hunne plundertochten op de akkers, waar zij nog meer vernielen +dan zij opeten, de vervolging van de boeren op den hals. Het is +dus niet te verwonderen, dat de Carolina-parkiet uit een groot deel +van de Vereenigde Staten verdwenen is. Het liefst vestigt hij zich +in gewesten, welker vruchtbare bodem begroeid is met een onkruid, +"rimpelklis" genaamd, welks zaden hij weet te bemachtigen, ondanks +de lange stekels, waarmede de vruchten gewapend zijn. + +Over het leven van dit dier in de gevangenschap verhaalt Wilson het +volgende: "Daar ik begeerde te weten, of deze Papegaai zich gemakkelijk +liet temmen, besloot ik met een exemplaar, dat licht aan den vleugel +gewond was, de proef te nemen. Ik maakte een soort van kooi voor hem +gereed achter in mijn boot en wierp hem hier kliszaad toe, dat hij +onmiddellijk na zijn komst aan boord aannam. Toen ik de rivier verliet +en over land verder reisde, droeg ik hem in een zijden zakdoek mede, +in weerwil van den last, dien dit mij natuurlijk gaf. Zeer dikwijls +ontvluchtte de Papegaai uit mijn zak; ik moest dan van het paard +stappen en hem in het kreupelhout of in het moeras gaan zoeken. Toen +ik op de jachtgronden van de Indianen kwam, werd ik geregeld door +deze lieden, mannen, vrouwen en kinderen, omringd, die onder luid +gelach en blijkbaar met verwondering mijn reisgezel bekeken. De +Chickasaws noemden hem in hun taal "Kelinky," maar verwisselden +dezen naam onmiddellijk met dien van "Polly," toen zij hoorden, dat +ik den Vogel zoo noemde. Polly was later telkens het middel tot het +aanknoopen van vriendschapsbetrekkingen met dit volk. Toen ik bij mijn +vriend Dunbar was aangekomen, plaatste ik mijn gevangene in een kooi +onder de verandah. Hier riep zij weldra de voorbijvliegende vluchten +van soortgenooten aan; iederen dag zagen wij deze bij ons huis in +talrijke zwermen, die zich druk met Polly onderhielden. Een van hen, +die eveneens vleugellam was, deed ik in Polly's kooi, hetgeen haar +groote vreugde schonk. Zij kwam oogenblikkelijk op hem af, fluisterde +hem haar deelneming in zijn ongeluk toe, streelde met den snavel zijn +kop en nek en geraakte innig aan hem gehecht. Toen de nieuweling +stierf, was Polly vele dagen lang onrustig en ontroostbaar. Ik +zette een spiegel naast de plaats, waar zij gewoonlijk zat; door het +zien van haar beeld scheen haar vroegere gelukkige gemoedsstemming +terug te keeren; zij was althans een tijdlang buiten zichzelf van +vreugde. Treffend was het, te zien, hoe zij, als de avond naderde, haar +kop dicht bij het beeld in den spiegel hield en dan haar blijdschap +door gefluisterde klanken te kennen gaf. Na verloop van korten tijd +kende zij den naam, dien ik haar gegeven had en antwoordde, als zij +geroepen werd. Ook klauterde zij bij mij op, ging op mijn schouder +zitten en nam haar voedsel uit mijn mond. Zonder twijfel zou ik haar +geheel getemd hebben, als zij niet door een noodlottig toeval om 't +leven was gekomen. De arme Polly verliet op een morgen, toen ik nog +sliep, haar kooi, vloog over boord en verdronk in de golf van Mexico." + +Tegenwoordig ziet men dezen Papegaai dikwijls op de vogelmarkt; +hij wordt zeer tam; men kan hem er aan gewennen in de kooi terug te +komen, nadat men hem er uitgelaten heeft. Wat verstandelijke vermogens +betreft, staat hij, volgens Rey, boven alle langstaartige Papegaaien, +die deze onderzoeker in de gevangenschap heeft waargenomen en zelfs +boven vele van de zoo hoog begaafde Kortstaarten. Nooit wordt hij +echter gemeenzaam zooals andere soorten, b.v. Loris en Kaketoes. Steeds +blijft hij wantrouwig of althans zeer voorzichtig. + + + +De Araras (Sittace) zijn de grootste leden van hun onderfamilie, daar +hun grootte afwisselt tusschen die van een Raaf en die van een Kauw; +zij zijn kenbaar aan hun zeer krachtigen en buitengewoon grooten, +zijdelings samengedrukten snavel, welks rug sterk gekromd en in een +ver overhangende spits uitgetrokken is, voorts aan de naakte plek +op den voorkop, die den teugel, den kring om het oog en het voorste +deel van de wang omvat en zelden beperkt blijft tot een gerimpelde +huid om den ondersnavel, eindelijk ook aan den zeer langen staart. + +De Araras, die men ten onrechte ook wel "Aras" noemt, zijn van +het noorden van Mexico tot aan het zuiden van Brazilië en Paraguay +verbreid, maar worden in Chili niet aangetroffen. Sommige soorten komen +in de Andes tot op een hoogte van 3500 M. voor. De Araras verschillen +van de overige Papegaaien, die zij in begaafdheid evenaren, door hun +betrekkelijk rustigen aard en door een zekeren ernst. De velerlei +boomvruchten van de door hen bewoonde wouden maken hun voornaamste +voedsel uit. Ook zij plunderen echter de akkers en richten natuurlijk +overal, waar zij veelvuldig voorkomen, groote schade aan. Als het +lente is in hun vaderland, leggen zij, bij voorkeur in het nest van +het vorige jaar, 2 eieren, die, naar het schijnt, uitsluitend door het +wijfje bebroed worden; beide ouders zijn echter zoowel aan de jongen +als aan elkander trouw en innig gehecht. De jongen worden reeds sinds +onheugelijken tijd door de Indianen uit het nest genomen en getemd, de +ouden, evenals voorheen, ter wille van hunne prachtige veeren vervolgd. + + + +Ver verbreid is de Arakanga, Groote Geelvleugel of Macao (Sittace +coccinea), een zeer indrukwekkende Vogel van 86 cM. lengte, waarvan +32 cM. op den staart komen. De kleine veeren zijn karmijnrood, de +achterrug en de staartwortel met de boven- en onderdekveeren van den +staart fraai hemelsblauw, de hand- en armpennen met hare dekveeren en +de duimvleugel donkerblauw, de grootste bovenvleugel-dekveeren en de +lange schouderveeren oranjegeel met een groene eindvlek, de stuurpennen +karmijnrood met hemelsblauwe spits, behalve de beide buitenste paren, +die een donkerblauwe kleur hebben; de onderdekveeren van den vleugel +zijn, evenals de onderzijde van de slagpennen en stuurpennen, glanzig +karmijnrood. Het oog is geelachtig wit, de naakte wang bruinachtig +vleeschkleurig, de bovensnavel geelachtig wit, aan den onderrand van +den wortel met een zwarte vlek geteekend, de ondersnavel zwart, de voet +grijsachtig zwart. De Arakanga bewoont het noordelijkste deel van het +Zuid-Amerikaansche Rijk, van Bolivia en Noord-Brazilië tot Guatemala en +Honduras; hij komt echter ook in Peru en waarschijnlijk in Mexico voor. + + + +Bij den Ararauna of Blauwgelen Arara (Sittace coerulea) zijn alle +bovendeelen en de dekveeren van den staart hemelsblauw, de zijden van +den hals en alle onderdeelen donker oranje; een zwarte randstreep +begrenst de wang en de kin. Het oog is groenachtig parelgrijs, het +naakte deel van de zijden van den kop bruinachtig vleeschkleurig, de +snavel zwart, de voet bruinachtig zwart. Totale lengte 97, staartlengte +52 cM. Zijn verbreidingsgebied stemt met dat van den Arakanga overeen. + + + +De Araras zijn karakteristieke bewoners van het oerwoud. Vlakke, +met rivieren doorsneden wouden zijn hun meest geliefde +verblijfplaats. Vroeger leefden zij ook in de onmiddellijke nabijheid +van de groote steden; reeds sinds lang hebben zij zich echter voor +de opdringende bevolking moeten terugtrekken; meer of minder snel +verdwijnen zij overal, waar de planters het oerwoud ontginnen. Enkele +soorten blijven niet tot het woud beperkt, maar komen ook voor +in drogere, hoogere, door de zon verschroeide gewesten en in de +woeste, rotsachtige gebergten van de provincie Bahia. "Terwijl men de +rivieren der kustwouden bevaart," zegt de Prins Von Wied, "ziet men +deze prachtige Vogels, die onmiddellijk kenbaar zijn aan hun stem, +hun grootte en hun langen staart, zich met de groote, lange vleugels +langzaam door de hooge, donkerblauwe lucht voortroeien. Hun levenswijze +verschilt over 't algemeen niet van die der andere Papegaaien. Des +middags, op het heetst van den dag, zitten zij met ingetrokken hals +en recht naar beneden hangenden staart te rusten op de onderste, +dikke takken van een schaduwrijken boom. Reeds na een paar uren rust +begeven zij zich weer aan den arbeid. Buiten den paartijd trekken +zij in troepen rond en zoeken velerlei vruchten (van verscheidene +soorten van palmen, van den sapoecaja en van andere boomen) op welker +steenharde bolsters zij gewoonlijk de kracht van hun kolossalen +snavel beproeven. Hoe luid zij in den regel hun stem laten hooren, +toch houden zij zich, evenals alle Papegaaien, stil, zoodra zij een +boom ontdekt hebben, die de door hen gewenschte vruchten draagt, +en hierop neergestreken zijn. Hier blijkt hun aanwezigheid vooral +uit het vallen van de stukgebeten vruchtschalen." + +Wanneer de Araras op een boom zitten te eten, zwijgt gewoonlijk +het geheele gezelschap; hoogstens verneemt men dan van hen zachte +geluiden, die wel eenige overeenkomst hebben met een gesprek tusschen +menschen. Steeds hoort men hun krijschende stem, als zij verontrust +worden of vliegen; het luidst schreeuwen zij, als de jager zacht +naar hen toe geslopen is en door een schot de onbezorgd etende bende +verschrikt heeft. Dan schreeuwen zij soms zóó, dat iemand hooren en +zien vergaan. Op hen hebben de woorden van Alexander von Humboldt +betrekking, waar hij zegt, dat hun geschreeuw het bruischen van den +waterval overstemt. Hun luide stem bestaat uit een zeer schril, uit +één lettergreep samengesteld geluid, dat eenige overeenkomst heeft +met de stem van onze Kraai. + +Evenals alle Papegaaien zijn ook de Araras zeer trouwe +echtgenooten. Zij kiezen voor het bouwen van hun nest in het woud +altijd een hoogen boom van kolossalen omvang, waaraan zich een holle +tak of een door rotting gevormde opening bevindt, die zij dan met +hun krachtigen snavel tot de gewenschte wijdte vergrooten. In de +holte legt het wijfje, evenals de meeste soorten van Papegaaien, +2 witte eieren. De staart, die ver buiten de opening uitsteekt, +verraadt de aanwezigheid van het broedende wijfje. + +Gevangen Araras schijnen van oudsher lievelingen van de Indianen +te zijn geweest. "Met levendige belangstelling," zegt Von Humboldt, +"zagen wij bij de hutten van de Indianen tamme Araras op de akkers +rondvliegen, als bij ons de Duiven. Deze Vogels zijn een waar sieraad +van het erf der Indianenhut; zij doen in pracht niet onder voor Pauwen, +Goudlakensche Fazanten, Boomhoenderen en Hokko's. Reeds Columbus had +met verwondering opgemerkt, dat de bewoners van de Antillen, in plaats +van Hoenderen, Araras of andere groote Papegaaien fokten en aten." + +Aan den omgang met Araras is echter altijd eenig gevaar verbonden; maar +al te dikwijls gebruiken zij hun geduchten snavel op een ongewenschte +wijze. Toch worden zij soms zeer tam. Hoewel ze zelden zoo goed +leeren spreken als andere Papegaaien, ontbreekt hun toch volstrekt +niet alle geschiktheid hiervoor. Behoorlijk verzorgde Araras worden +in de gevangenschap zeer oud. Azara maakt melding van een exemplaar, +dat 44 jaren in één gezin geleefd had, maar toen door ouderdom zoo +verzwakt was, dat het niets anders dan gekookte maïs kon verteren. + +Zoowel inboorlingen als blanken houden zich ijverig bezig met de jacht +op Araras. "Voorzichtig," zegt de Prins Von Wied, "steeds achter +dichte struiken of stammen verborgen, nadert de jager sluipend een +gezelschap van deze Vogels en doodt er dan soms verscheidene door één +schot. Daar zij, zooals reeds opgemerkt werd, gedurende het vliegen +of als zij verontrust zijn, altijd hun luide stem laten hooren, weet +de jager, waar zij zich ophouden. Hij schiet ze met groven hagel, daar +zij meestal in de kroon van een der hoogste boomen zitten. De gewonde +Vogel houdt zich met zijne krachtige klauwen dikwijls nog een tijdlang +aan de twijgen vast, voordat hij naar beneden tuimelt. Hij verschaft +den jager een gewenschte spijs en kan als rundvleesch gekookt worden; +het vleesch van de oude Vogels is taai en in het koude jaargetijde +dikwijls zeer vet; het levert echter een krachtige soep. De fraaie +veeren van den gedooden Arara worden op velerlei wijzen gebruikt; +de jager versiert er zijn hoed mede. De Brazilianen schrijven met +de slagpennen; vele wilde stammen tooien zich ook thans nog met +Arara-veeren en gebruiken de bonte slagpennen voor 't maken van hunne +pijlen. De stammen van de Lingoageral, die thans tot op zekere hoogte +beschaafd zijn, maakten eertijds velerlei versierselen van deze veeren, +die in met was gesloten doozen bewaard werden, totdat zij noodig +waren. Wanneer de Toepinamben, die het door mij bezochte deel van +de oostkust bewoonden, feestvierden, werd een gevangen, vijandelijk +krijgsman gedood en opgegeten. De persoon, die de knots hanteerde, +waarmede de doodelijke slag werd toegebracht, was met een soort van +gom bestreken, waarin overal kleine Arara-veeren vastgeplakt waren; +de kroon, die hij op het hoofd droeg, was van Arara-staartveeren +vervaardigd. Arara-veeren waren bij deze wilden het zinnebeeld van +den oorlog. Ook thans nog zijn de Indianen op dezen even natuurlijken +als fraaien tooi gesteld; het heeft den Jezuïten veel moeite gekost om +deze gewoonte bij de thans half-beschaafde kuststammen uit te roeien." + + + +Het naast verwant aan de vorige groep zijn de leden van de kleine, tot +het Ethiopische Rijk beperkte onderfamilie der Kortstaartpapegaaien +(Psittacinae), kenbaar aan hun korten of middelmatig langen, recht +afgesneden of zacht afgeronden staart. Zij vormen twee geslachten, +waarvan het eene--dat der Grijze Papegaaien (Psittacus)--twee soorten +omvat, die tropisch Afrika ten noorden van den evenaar bewonen, terwijl +het andere--dat der Vasa's (Coracopsis)--uit vier op Madagaskar en +de naburige eilanden inheemsche soorten bestaat. + + + +De Grijze Papegaaien (Psittacus) hebben een krachtigen snavel, welks +rug afgerond is en niet, zooals bij de Stompstaartpapegaaien, een +overlangsche groeve vertoont; ook missen zij de inkerving (vijlgroeve), +die bij deze achter de haakvormige spits van den bovensnavel voorkomt; +de washuid is zeer breed en evenals de oogstreek en de teugel +onbevederd; de lange vleugels hebben een goed ontwikkelde spits; +de staart is middelmatig lang en bijna recht afgesneden. + + + +De leerzaamste van alle Papegaaien is de algemeen bekende Jako +(Psittacus erithacus). Hij is gemakkelijk te beschrijven, daar op zijn +kleed slechts twee hoofdkleuren voorkomen. De staart is karmijnrood, +alle overige veeren zijn aschgrauw met eenigszins lichtere randen. Aan +den kop en den hals treden deze randen sterker op den voorgrond dan +op het overige lichaam, waardoor deze deelen lichter schijnen. Als +het fijne poeder, waarmede de veeren in den regel dicht bedekt zijn, +er afgeveegd wordt, is het kleed leikleurig zwart-blauw. Bij den +volwassen Jako is de iris geel, de snavel zwart, de voet loodkleurig +grijs. Het mannetje (totale lengte 31, staartlengte 8 cM.) is een +weinig grooter dan het wijfje. De jongen hebben een grijze iris en +valere, bruinachtig grijze veeren. + +In West-Afrika reikt het verbreidingsgebied van den Jako van de +Goudkust tot Benguela (met Fernando Po en het Prinseneiland); in het +binnenland loopt de grens over het Tsad-meer en ongeveer langs de +waterscheiding van de noordelijke helft van het Kongogebied; zoodat +zij ongeveer samenvalt met die van het gebied van den oliepalm. + +De Jako's zijn in West-Afrika, vooral echter aan de Goudkust, in de +Niger-delta, aan den Kameroen en den Gaboen, buitengewoon talrijk; de +natuur heeft hen hier in de ontoegankelijke wouden van het alluvium +der riviermonden veilige en aanlokkelijke woonplaatsen verschaft, +waar zij niet veel last hebben van de vervolgingen der inboorlingen +en der weinige voor hen gevaarlijke vijanden. Zij nestelen vooral +in de mangrove-wouden der kuststreken, maken gebruik van de reeds +aanwezige holten in boomen of verwijden de gaten, die zij vinden, +met hun krachtigen snavel tot geschikte broedplaatsen. De hoogste +boomen van hun gebied kiezen zij als slaapplaats uit. Iederen avond +komen hier omstreeks zonsondergang groote of kleine vluchten uit +verschillende richtingen bijeen, zoodat het aantal Vogels op één +slaapplaats dikwijls vele honderden bedraagt. Zulke plaatsen trekken +spoedig de aandacht. Het gekrijsch van de aankomende en neerstrijkende +Vogels schalt ver in het rond en verstomt eerst, als het geheel donker +geworden is. Den volgenden morgen begint het opnieuw en kondigt het +uiteengaan van het gezelschap aan. Onder voortdurend getier, gekras +en gekrijsch trekken de Grijze Papegaaien naar het binnenland, om +te smullen van de maïs, die de negers bij voorkeur op de hoogvlakten +verbouwen. Het liefst eten zij halfrijpe maïs-korrels; verschrikkelijk +zijn de verwoestingen, die zij op de akkers aanrichten. + +Overal, waar de Jako voorkomt, wordt hij door de inboorlingen +gevangen, getemd en voor 't spreken afgericht; hij is bij hen een +gewoon ruilmiddel en handelsartikel. + +Van alle Papegaaien, die gevangen gehouden worden, is deze de +meest gewilde; hij verdient de gunst, die hem ten deel valt, door +zachtaardigheid, leerzaamheid en gehechtheid aan zijn meester. In alle +talen wordt zijn lof verkondigd; in ieder handboek over dierkunde, ja +zelfs in ieder boek, dat een deel van het leven der dieren behandelt, +wordt hij vermeld. Tal van aardige feiten worden van hem medegedeeld, +o.a. door Levaillant, die in 1778 een dezer Papegaaien bij een +Amsterdamsch koopman aantrof: "Karel, zoo heette deze Papegaai, sprak +als Cicero; ik zou een boekdeel kunnen vullen met de fraaie gezegden, +die hij kende en die hij, zonder een syllabe te vergeten, voor mij +herhaalde. Gehoorzaam aan het bevel van zijn meester, haalde hij diens +pantoffels en de nachtmuts van de vrouw; hij riep de meid, als deze +in de kamer noodig was. Bij voorkeur hield hij zich in den winkel op +en maakte zich hier bij afwezigheid van zijn meester verdienstelijk, +door, als er een vreemdeling binnenkwam, zoolang te schreeuwen, +totdat iemand den klant kwam helpen. Hij had een uitmuntend geheugen +en kon een aantal Hollandsche volzinnen en uitdrukkingen volkomen +nauwkeurig zeggen. Eerst toen hij 60 jaar in gevangenschap geleefd +had, verzwakte zijn geheugen; hij vergat een deel van zijne gezegden, +bleef er middenin steken, haspelde de woorden dooreen of mengde deelen +van verschillende volzinnen door elkander." + +Van een tammen Papegaai, die jaren lang te Salzburg en te Weenen +leefde, heeft Lenz het volgende bericht gegeven: "Jako let op alles, +wat om hem heen geschiedt, weet alles te beoordeelen, geeft een +toepasselijk antwoord, als hem iets gevraagd wordt, gehoorzaamt, +wanneer men hem iets beveelt, begroet personen bij het binnenkomen, +neemt van hen afscheid, als zij vertrekken, zegt alleen bij 't begin +van den dag "Goeden morgen," alleen bij 't einde "Goeden avond" en +vraagt om voedsel, als hij honger heeft. Ieder lid van het gezin noemt +hij bij den naam; en het eene staat meer bij hem in de gunst dan het +andere. Om mij bij zich te hebben, roept hij: "Papa kom hier!" Wat +hij zegt, zingt en fluit, klinkt alsof het van een mensch afkomstig +is. In oogenblikken van geestvervoering gaat hij aan 't improviseeren; +zijn rede maakt dan denzelfden indruk als die van een redenaar, +die men op een afstand hoort, zonder hem te kunnen verstaan. + +"Nu volgt een opgave van hetgeen Jako zegt" (of liever een +vertaling van zijne Duitsche gezegden), "zingt, fluit enz.: +"Eerwaarde heer! Goeden morgen."--"Eerwaarde heer! asjeblieft een +amandel."--"Wou-je een amandel? Wou je een noot? Je krijgt wat. Daar +heb-je wat."--"Heer overste, welkom, heer overste!"--"Mevrouw! uw +gehoorzame dienaar."--"Boer, spitsboef, spitsboef, boer, +wilddief! ga-je weg? ga-je weg, ga-je naar huis, ga-je naar +huis of niet? pas op kerel!"--"Jij ploert! jij kerel, jij nare +kerel!"--"Brave Pappie, beste Pappie!"--"Je bent een beste jongen, +een opperbeste jongen!"--"Je krijgt een kokeriko, ja, je krijgt +wat."--"Nanni! Nanni!"--"Buurman! Geduld hebben! Buurman! Geduld +hebben!"--Als er aan de deur wordt geklopt, roept hij zeer luid, +zeer duidelijk en geheel als een mensch: "Binnen! Binnen! Uw dienaar, +mijnheer Brouwer, onderdanige dienaar! Blij, dat ik de eer heb, blij, +dat ik de eer heb."--Soms klopt hij zelf tegen zijn kooi en roept dan +als zoo even.--Den Koekoek bootst hij zeer goed na.--"Geef mij een +zoentje, een lekker zoentje; dan krijg-je een amandel."--"Kijk ereis +op!--Kom naar buiten!"--"Kom maar op, kom maar hier!"--"Mijn lieve +Pappie!"--"Bravo, bravissimo!"--"Bidden, laten wij nu bidden."--"Laten +wij eten!"--"Laten wij voor 't venster gaan!"--"Hieronymus, +sta op!"--"Ik ga, God zegen-je!"--"Leve de Keizer! Lang zal hij +leven!"--"Waar kom jij van daan?--Neem mij niet kwalijk, mijnheer! Ik +dacht dat je een Vogel waart!"--Als hij iets stuk bijt of in zijn +kooi iets vernielt, zegt hij: "Niet bijten! schei-uit! Wat heb-je +gedaan?"--"Wat heb-je gedaan? Pas op jij gauwdief! Jij lomperd! Pas op, +je krijgt slaag!"--"Pappie, hoe gaat het met je, Pappie?"--"Heb-je wat +te eten?"--"Smakelijk eten!"--"Bst! Bst! Wel te rusten!"--"Pappie mag +naar buiten; kom, allo kom!"--"Pappie, schiet! Schiet Pappie!"--Daarna +schiet hij door luid te roepen van "Poe!"--"Kijk, kijk, kijk, +kijk!"--"Ga naar huis! Ga-je naar huis? Allo, marsch!"--"Subiet +naar huis! Pas op, je krijgt slaag!"--Hij trekt aan een schel in +zijn kooi en roept luid: "Wie schelt daar?--Pappie!"--"Kaketoe, +kaketoe."--"Gagagaga!--Wat wou-je met je ga, ga---jij!"--"Daar +is het hondje, een lief hondje, een allerliefst hondje!"--Daarna +fluit hij den Hond.--Hij vraagt: "Hoe spreekt het hondje?" en blaft +vervolgens. Daarna roept hij: "Fluit het hondje!" en fluit den +Hond.--Als men hem beveelt: "Schiet!" dan roept hij "Poe!"--Soms +laat hij een geheel kommando hooren: "Halt! richt u! Halt! Schouder +'t geweer! Aan! Hoog! Vuur! Poe! Bravo, bravissimo!"--Soms laat hij +het kommando "Vuur!" weg en roept na: "Aan! Hoog!" dadelijk: "Poe!"; +dan zegt hij echter ook niet: "Bravo, bravissimo!", alsof hij weet, +dat hij een fout heeft gemaakt.--"God zegen je! A Dio! God zegen +je!" zegt hij, als de bezoekers weggaan.--"Wat wou-je? Mij slaan? Wat +wou-je? Mij slaan?" Hij begint dan geweldig te schreeuwen, alsof +hij slaag krijgt, en roept vervolgens: "Wat? slaan? Mij slaan? Pas +op, kerel! Mij slaan?"--"Ja, ja, ja, zoo gaat het in de wereld! Wel +zoo! wel zoo!" Daarna lacht hij volkomen duidelijk.--"Pappie is ziek, +de arme Pappie is ziek."--"Hoor-je Jan wel?--Goegoe! Goegoe! 't Is +Pappie!"--"Pas op, ik zal je slaan!"--Als hij de tafel ziet dekken, +of één of twee kamers verder het geluid van 't tafeldekken hoort, +roept hij dadelijk: "Laten wij gaan eten! Allo, kom, eten!"--Als +zijn meester in de naastbijgelegen of daarop volgende kamer ontbijt, +roept hij: "Kakau! je krijgt kakau. Jij krijgt ook wat!" + +"De eigenaar van Jako had een Kwartel. Toen deze in de lente voor 't +eerst haar "Kwik me dit" liet hooren, keerde de Papegaai zich naar hem +om en riep: "Bravo, Pappie! Bravo!"--Om te zien, of het mogelijk zou +zijn hem ook iets te leeren zingen, koos men aanvankelijk woorden uit, +die hij reeds vroeger had leeren zeggen, zooals b.v. het volgende: +"Is het mooie Pappie daar? is het brave Pappie daar? is het lieve +Pappie daar? is het Pappie daar? Ja, ja!"--Later leerde hij het liedje +zingen: "O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagott!"--Hij +stemt ook accoorden aan, fluit een toonladder naar boven en naar +beneden zeer vlot en zuiver en fluit ook andere stukjes en trillers; +hij fluit en zingt dit alles echter niet steeds op denzelfden toon, +maar soms een halven of een geheelen toon lager of hooger, zonder +evenwel valsche tonen voort te brengen. + +"Zijn meester stierf in het jaar 1853. Jako begon, oogenschijnlijk uit +heimwee naar zijn geliefde heer, te kwijnen, werd in het jaar 1854 +geheel versuft in een klein bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd; +ook toen babbelde hij nog druk en zei dikwijls met treurige stem: +"Pappie is ziek, het arme Pappie is ziek". Kort daarna stierf hij." + +Overbodig is het, na de bovenstaande sterk sprekende bewijzen van +verstand bij de Grijze Papegaaien nog over hunne geestvermogens uit +te wijden. Ook over hun gemoed hebben interessante waarnemingen ons +inlichtingen verschaft. "Een vriend van mij," verhaalt Wood, "zag +een Vogel van deze soort op bevallige en beminnelijke wijze de taak +van pleegmoeder vervullen bij eenige hulpbehoevende schepseltjes. In +den tuin stond een perk met eenige rozenstruiken, dat omgeven was +door een omheining van metaaldraad met slingerplanten er aan. Hier +nestelde een paar Vinken, dat voortdurend werd gevoederd door de +jegens alle dieren vriendschappelijk gezinde bewoners van het huis. De +veelvuldige bezoeken aan het rozenboschje trokken spoedig de aandacht +van Polly, den Papegaai; zij zag, dat daar voedsel werd uitgestrooid en +besloot dit goede voorbeeld na te volgen. Daar zij zich vrij bewegen +mocht, verliet zij haar kooi, bootste den loktoon van de oude Vinken +nauwkeurig na en bracht daarna herhaaldelijk met den snavel een deel +van haar voedsel naar de jongen. De ouders vonden echter de bewijzen +van genegenheid, die deze hun onbekende, groote Vogel aan hunne jongen +gaf, te hartstochtelijk en vlogen verschrikt weg. Bij de onverzorgd +achtergelaten jongen vond Polly ruimschoots gelegenheid om gevolg +te geven aan haar neiging voor het pleegmoederschap. Van stonde af +weigerde zij in haar kooi terug te keeren, maar bleef dag en nacht bij +hare pleegkinderen, voederde ze zeer zorgvuldig en smaakte het genoegen +ze groot te brengen. Toen de kleintjes het nest verlieten, gingen zij +soms op den kop en den nek van hun pleegmoeder zitten; dan gebeurde +het wel eens, dat Polly zeer ernstig met haar vracht rondging. De +Papegaai oogstte echter weinig dank voor haar goedertierenheid; daar +hare pleegkinderen, toen zij hunne vleugels hadden leeren gebruiken, +wegvlogen en nooit terugkwamen." + +Een nog opmerkelijker trek uit het gemoedsleven van den Jako wordt +door Burton medegedeeld. "Bij een paar Grijze Papegaaien, die vrij +in het park mochten rondvliegen, openbaarde zich de liefde voor +kinderen op een zeer vreemdsoortige wijze. Een Kat had een van de +nesthokjes als woonplaats gekozen en zoogde hier hare jongen. Onze +Papegaaien, die waarschijnlijk niet ondernemend genoeg waren om +een eigen familie te grondvesten, schenen de jonge katjes als hunne +kinderen te beschouwen. Telkens sloop een van hen in het hokje en ging +naast de katjes zitten. Om dit te kunnen doen, moesten zij wachten, +tot de oude Kat, waarmede zij op voet van oorlog leefden, haar kroost +verliet. Zelfs wanneer de moeder thuis was, gaven de Vogels zorgvuldig +en met spanning acht op de kleintjes." + +Doelmatig verzorgde, op zeer eenvoudige wijze gevoederde Jako's +bereiken een hoogen leeftijd. Levaillant maakt melding van een +exemplaar, waarvan de Amsterdamsche koopman Menikhuijsen eigenaar +was en die reeds 32 jaar in gevangenschap had geleefd, voordat hij +huisgenoot werd van zijn tegenwoordigen meester, bij wien hij het nog +41 jaren uithield. Ongeveer 4 of 5 jaar voor zijn dood begon hij zeer +te verzwakken en langzamerhand uit te teren. + + + +De Parkieten (Palaeornithinae) bewonen de tropische gewesten van de +Oude Wereld. De meeste (28) soorten behooren tot het Indische en (26) +tot het Australische Rijk; veel minder sterk (door 9 soorten) zijn +zij in Afrika vertegenwoordigd. Onder de fraaiste, lieftalligste en +sierlijkste van alle Papegaaien verdienen de Edelparkieten (Palaeornis) +een plaats; voor 't meerendeel komen zij in Zuid-Azië voor, eenige +soorten worden bovendien ook (of uitsluitend) in Afrika gevonden. Hun +grootte wisselt af tusschen die van een Lijster en die van een Kauw. De +betrekkelijk zeer krachtige snavel is even lang als hoog, de spits van +den bovensnavel sterk naar beneden gekromd en overhangend, daarvóór +is een flauwe inkerving zichtbaar. De pooten zijn kort en krachtig, +de vleugels lang en spits; de zeer lange staart, welks pennen van +de buitenste tot de middelste sterk in lengte toenemen, bestaat +uit middelmatig breede, aan den top afgeronde veeren en is meestal +"lansvormig," d. w. z., dat de beide middelste veeren ver voorbij de +overige uitsteken. + + + +De Halsbandparkiet (Palaeornis torquatus), is zeer sierlijk en +fijn gebouwd en fraai van kleur. Hij is zoo groot als een Lijster: +de totale lengte van het mannetje bedraagt 35 à 40 cM., waarvan meer +dan 25 cM. op den staart komen. Over 't algemeen is het vederenkleed +zeer fraai grasgroen met geelachtige tint. Deze kleur vertoont op +de kruin de meeste frischheid, is op de onderdeelen het lichtst, +op de slagpennen echter het donkerst. Aan de beide zijden van den +hals gaat zij in teer paarsblauw of hemelsblauw over; deze plek is +door een prachtig rozerooden band gescheiden van het groene gedeelte +van den hals. De beide middelste stuurpennen en de spitsen van de +overige staartveeren zijn blauw; de onderzijde van den staart en van +den vleugel is geelachtig groen. De iris heeft een geelachtig witte, +de smalle ring om het oog een roode, de voet een grijze kleur. + +Van alle Papegaaien heeft de Halsbandparkiet het grootste +verbreidingsgebied, daar hij zoowel in Zuid-Azië als in Afrika +voorkomt. In Azië bewoont hij het Vóór-Indische schiereiland van +Bengalen tot Nepal en Kasjmir, van den Indus tot Tenasserim en Pegoe, +bovendien Ceylon. Hij geeft hier de voorkeur aan bebouwde gewesten en +is dus de eenige Indische Papegaai, die de nabuurschap van den mensch +opzettelijk zoekt. In vele Indische steden ziet men deze Vogels, +evenals bij ons de Kauwen, op den nok van het dak zitten; in andere +merkt men op, dat zij sommige boomen, zonder zich te bekommeren +om het gewoel van de marktbezoekers onder hen, tot plaatsen van +bijeenkomst kiezen, waarnaar zij iederen avond terugkeeren. Natuurlijk +vloeit hieruit voort, dat zij in deze streken een gevoelige schade +toebrengen aan de bezittingen van den mensch, te meer omdat er wegens +de goedaardigheid van de Hindoes en hun genegenheid voor de dieren in +'t algemeen geen sprake is van ernstige maatregelen van tegenweer. Zij +worden althans niet zoo onmeedoogend vervolgd als de Carolina-parkiet, +hoewel zij evenals deze de boomgaarden plunderen en de graanvelden +verwoesten. Op sommige plaatsen vereenigen zij zich ook wel met leden +van verwante soorten en zwerven in hun gezelschap het land rond. + +Een andere levenswijze hebben de iets kleinere en ook in kleur +eenigszins afwijkende Halsbandparkieten van Afrika. Hier worden zij +van 17° tot 8° N.B. in alle gewesten van het binnenland gevonden; +van de westkust tot aan den oostrand van het Abessinische gebergte +bewonen zij iedere gunstig gelegene boschachtige streek. Zij houden +zich niet uitsluitend in het uitgestrekte, onafgebroken oerwoud op, +dat in Centraal-Afrika vele vlakten bedekt, maar komen ook dikwijls +in kleinere bosschen voor, indien hier althans eenige altijd groene +boomen groeien, welker dicht bebladerde kronen hun in ieder jaargetijde +veilige rustplaatsen verschaffen. + +Niet licht zal de reiziger in deze gewesten de Halsbandparkieten +voorbijzien. Ook van niet deskundigen trekken zij duidelijk genoeg +de aandacht door hun krijschend geschreeuw, dat altijd boven het +mengelmoes van stemmen van de woudbewoners uitklinkt, vooral omdat +ook deze Papegaaien geregeld in meer of minder talrijke gezelschappen +leven. Zulk een troep, die zich dikwijls met andere troepen vereenigt +en dan tot een zwerm aangroeit, heeft eenige tamarinden of andere dicht +bebladerde boomen tot woonplaats gekozen en doorkruist van hieruit +iederen dag een meer of minder groot gebied. In de morgenuren houden +de Vogels zich nog tamelijk rustig; kort na zonsopgang echter gaan zij +schreeuwend en krijschend voedsel zoeken; men ziet de zwermen dan met +snelle vlucht boven het woud zich voortreppen. Afrika's wouden zijn +betrekkelijk arm aan eetbare boomvruchten, maar de planten, die in de +schaduw der boomen groeien, zijn rijk aan zaden van allerlei soort +en deze lokken de Papegaaien naar den bodem. Alleen gedurende den +tijd, waarin de kleine, rondachtige vruchten van den Christusdoorn +rijp of de malsche peulen van de tamarinde eetbaar zijn, dalen de +Papegaaien weinig of niet op den bodem af. Niet onwaarschijnlijk is +het, dat zij ook dierlijk voedsel gebruiken; dikwijls althans heb +ik ze in de nabijheid van mierenhoopen of termietenwoningen aan 't +werk gezien en bij gevangenen een eigenaardige begeerte naar vleesch +waargenomen. Zelden ziet men ze op de akkers, die de bewoners van +Centraal-Afrika aan den rand van het woud bebouwen, hoewel gevangen +exemplaren met de voornaamste graansoorten van deze streken gemakkelijk +in 't leven gehouden kunnen worden. Blijkbaar zijn zij meer gesteld op +de vruchten en zaden van het woud dan op koorn. Tot tegen den middag +houden de leden van den zwerm zich bezig met het zoeken van voedsel; +daarna brengen zij een bezoek aan de drinkplaats, om vervolgens eenige +uren te rusten in een der genoemde dichte boomkronen. Intusschen hoort +men een druk gesnap en geschreeuw, waardoor de troep ook dan nog de +aandacht trekt, als men hem niet kan zien. Ook van deze Papegaaien +geldt, wat van de Zuid-Amerikaansche gezegd werd; men moet zich zeer +inspannen om de groene Vogels te midden van het evenzoo gekleurde +loover waar te nemen. Daarbij komt, dat zij oogenblikkelijk zwijgen bij +'t opmerken van een voor hen merkwaardig verschijnsel of zachtjes +en voorzichtig wegsluipen, wanneer zij vervolging duchten. Hoe +langer men onder een boom vertoeft, uit welks kroon men het geluid +van honderden stemmen hoorde weerklinken, hoe stiller en rustiger +het daarboven wordt; ten slotte is er geen enkele Vogel meer over: +achtereenvolgens zijn alle naar een anderen dergelijken boom verhuisd, +waar zij nu door een vroolijk geschreeuw den goeden uitslag van hun +listig uitgevoerde vlucht verkondigen. + +Na eenige uren van rust vliegen de Parkieten ten tweeden male uit om +spijs en drank te halen; tegen den avond vereenigen zij zich weder +op hunne lievelingsboomen en schreeuwen zoo mogelijk nog luider +dan voorheen; toen zochten zij de beste twijg voor het uitrusten, +nu trachten zij de veiligste slaapplaats te bemachtigen. + +In de streken van Afrika, die ik bereisd heb, maakt alleen de +naturaliën-verzamelende Europeaan met het schietgeweer jacht op +de Halsbandparkieten; de inboorling vervolgt hen niet met zijne +wapens en vangt ze hoogstens, wanneer er kans bestaat om met de +levende Papegaaien goede zaken te doen. Hoe veelvuldig deze Vogels +ook zijn, toch is het niet gemakkelijk ze onder schot te krijgen; +met hun slimheid weten zij den geoefenden jager te leur te stellen +en zijne pogingen te verijdelen. + +De vangst geschiedt niet volgens een bepaald plan. Hoogstens worden +de jonge, bijna voor 't uitvliegen geschikte Vogels uit het nest +genomen, of wordt des nachts de een of andere volwassene in een +holte van een boom overrompeld. Netten en strikken worden voor het +bemachtigen van deze dieren niet gebruikt, hoewel de inboorlingen met +deze hulpmiddelen bekend zijn. Aan den Senegal heeft de vangst, naar +'t schijnt, op grootere schaal plaats; de meeste Halsbandparkieten, +die bij ons in gevangenschap gevonden worden, zijn van daar afkomstig. + + + +Twee soorten van Edelparkieten verdienen nog vermelding, omdat +zij, behalve in Vóór- en Achter-Indië en op Ceylon, ook gevonden +worden op eenige Groote Soenda-eilanden, waar de orde der Papegaaien +schaars vertegenwoordigd is. Het zijn de op Java en Borneo voorkomende +Alexander-parkiet (Palaeornis Alexandri)--zoo genoemd, omdat het, naar +men meent, deze soort was, die door den tocht van Alexander den Grooten +naar Indië in ons werelddeel bekend werd--en de op Sumatra en Borneo +inheemsche Langstaartige Parkiet (Palaeornis longicaudatus). Deze +houdt zich het liefst op in met struiken bedekte streken, vliegt +schielijker dan zijne beide stamgenooten en maakt minder gedruisch. In +grootte evenaart hij onzen Spreeuw. De levenswijze komt met die van +hare Indische verwanten overeen; evenals deze beide veroorzaakt hij +veel schade op de rijstvelden. Alle drie worden in menigte gevangen en +levend naar Europa vervoerd. De Langstaartige Parkiet, kenbaar aan de +grootere lengte van de middelste staartveeren, wordt door de Engelschen +Plumheaded Parrakeet (Pruimkop parkiet) genoemd, omdat de fraaie, +roode kleur van den bovenkop bij hem op den achterkop in kobaltblauw +overgaat, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de vergelijking van +den geheelen kop met een blauwe pruim. Een fijne, zwarte halsband, +een zwarte baardstreep, een zwarte keelvlek en een licht blauwachtig +groene nekband scheiden den kop van de donkergroene bovenzijde en de +lichtgroene onderdeelen. De schouders hebben een roodbruine vlek. Het +wijfje is groen, haar kop aschgrauw, naar blauw zweemend, de breede +halsband geelgroen. + +De Alexander-parkiet heeft in hoofdzaak dezelfde kleur als +de Halsbandparkiet, maar is zoo groot als een Kauw. Hij heeft +een rozerooden nekkraag en een groote, bruinachtig purperroode +schoudervlek.--Hij en één soort van Vleermuispapegaai zijn de +eenige vertegenwoordigers van hun orde op Java. Op Borneo komen +behalve deze en de vorige soort nog twee Papegaaien voor. Op Sumatra +vindt men dezelfde vormen als op Borneo, met uitzondering van den +Alexander-parkiet. + + + +De Vleermuispapegaaien (Coryllis of Loriculus), die door sommige +dierkundigen bij de Honigpapegaaien worden gevoegd, hoewel hun tong +niet met haarvormige vezels bezet is, vinden bij Marshall onder de +Parkieten een plaats. Hun snavel is zeer zwak, veel langer dan hoog, +zijdelings samengedrukt; de pooten zijn kort en krachtig; de vleugels, +die in den toestand van rust meer dan de helft van den staart bedekken, +zijn lang; de eenigszins afgeronde staart is kort, het vederenkleed +hard en dicht, uit langbaardige veeren samengesteld; zijn hoofdkleur +is fraai groen; hierop komen de roode, gele en blauwe vlekken van +den bovenkop en de keel en ook de steeds roode staartwortel goed uit. + +Dit geslacht bevat ongeveer 20 soorten, die veel op elkander gelijken, +bewoners van de Indo-Maleische en Papoeaansche landen en eilanden: +hun verbreidingsgebied strekt zich van Ceylon tot Malabar en van +het schiereiland Malakka tot Nieuw-Guinea uit; zij komen echter +binnen dezen uitgestrekten kring niet overal, doch slechts sporadisch +voor. Uitvoerige berichten over hun leven in de vrije natuur ontbreken +tot dusver; het is echter gebleken, dat zij boomvogels zijn in de meest +uitgestrekte beteekenis van het woord, zich soms in ontelbare menigte +tot zwermen vereenigen en zich voeden met bessen, bloesems van boomen, +knoppen en zaden. Om te rusten gaan zij op de wijze van de Vleermuizen +aan de pooten hangen: zij vliegen weinig, maar goed, zingen lief en +nestelen in holle boomen. Door de bewoners van hun vaderland worden +zij dikwijls in gevangenschap gehouden; zij zijn echter zeer weekelijk +en komen daarom bij ons zelden als kooivogels voor. + + + +Het Blauwkroontje (Coryllis galgulus), op Sumatra Selindi +genoemd, is ongeveer zoo groot als onze Ringmusch, zijn kleed +grootendeels grasgroen, een ronde vlek op het midden van de kruin +donker ultramarijnblauw, een driehoekige, met de spits naar onderen +gerichte vlek op den rug oranjekleurig; een groote, langwerpig ronde +dwarsvlek op de keel is schel karmijnrood, evenals de staartwortel +en de bovendekveeren van den staart; een smalle dwarsstreep op den +onderrug boven den rooden staartwortel is hooggeel, evenals de zoomen +van de onderste veeren aan de zijden van den schenkel; de binnenvlag +van de slagpennen is zwart, de onderzijde van de slag- en stuurpennen +marineblauw; de onderdekveeren van den staart zijn groen. + +Voor zoover men tot dusver heeft kunnen nagaan, komt deze soort +uitsluitend op Borneo, Sumatra, Banka en de zuidspits van het +Maleische Schiereiland voor. Deze, en vermoedelijk ook alle overige +Vleermuispapegaaien, behooren tot de lieftalligste leden van de +geheele orde; het zijn alleraardigste Vogels; men merkt bij hen een +verrukkelijke, argelooze gemeenzaamheid op; zij zijn beweeglijk, +maar niet wild; zij zingen snappend of snappen zingend, zonder +door een luid gillend geschreeuw of gekrijsch ons een onaangename +gewaarwording te verschaffen. Zij bewegen zich op een bijzonder +sierlijke en gemakkelijke wijze. Haastig trippelend maar niet waggelend +loopen zij over den grond; zonder schroom doen zij sprongen, die voor +hunne korte pootjes vervaarlijk groot schijnen; zij klimmen snel en +behendig bij de traliën van hun kooi op en neer, waarbij zoowel de +snavel als de pooten hun taak uitstekend vervullen. + +Als zij rusten willen, nemen zij slechts bij uitzondering de gewone +houding van de Papegaaien aan, in den regel (en gedurende het slapen +altijd) klemmen zij zich, als Vleermuizen, met de pooten vast aan +den bovenwand van de kooi of aan een dorren tak en laten niet alleen +den romp, maar ook den kop recht naar beneden hangen, zoodat de rug, +de ingetrokken hals, de kruin en de snavel in een rechte lijn komen +te liggen; de staart is, waarschijnlijk om hem nergens tegen te +stooten, scheef naar achteren en naar boven gebogen; de veeren zijn +achteloos opgericht. De fraaie diertjes zien er nu geheel anders uit +dan gewoonlijk; zij lijken dubbel zoo dik als gedurende het zitten +en zijn bijna bolvormig. + + + +Bij den Javaanschen Vleermuispapegaai (Coryllis pusilla) is de +kruin van dezelfde kleur als de meeste overige lichaamsdeelen, +n.l. grasgroen; op den krop komt een groote, hooggele vlek voor; +de geheele teekening bestaat uit rood en geel. + + + +Op Sumatra en Borneo, leeft het Malakka-parkietje (Psittinus +incertus), de Tanau der inboorlingen, de eenige soort van zijn +geslacht. Het bereikt de grootte van een Spreeuw; de hoofdkleur van +het vederenkleed is blauw-grijs, de mantel echter zwart, de achterrug +donker kobaltblauw; de vleugels zijn grootendeels groen, de zijden +van den romp en de onderdekveeren van de vleugels ponceau-rood, de +staartpennen grootendeels groenachtig geel: de bek is koraalrood. "Het +is een aardig gezicht," schrijft Snelleman, "deze Parkieten netjes +naast elkander op een tak boven het water te zien zitten. Op de boomen +langs de Batang-Silago zijn zij zeer algemeen, meestal in troepjes van +10 tot 20 stuks. Zij zijn niet schuw, maar worden het spoedig door het +schieten en keeren dan geruimen tijd niet tot denzelfden boom terug." + +Nauw verwant aan de Vleermuispapegaaien, die zij als 't ware in +Afrika vervangen, zijn de welbekende Inséparables, de Love-birds der +Engelschen (Agapornis). De vijf soorten van dit geslacht zijn niet of +weinig grooter dan een Musch; zij hebben een gedrongen lichaamsbouw +en een korten, flauw afgeronden staart. Hun hoofdkleur is groen, de +staartwortel is meestal blauw. Zij onderscheiden zich door hun groote +neiging tot gezelligheid, die zij ook in de kooi openbaren door zich +tegen een soortgenoot aan te vleien en dezen te liefkoozen. De meest +bekende zijn: het Roodkopje (Agapornis pullaria) van de Goudkust, +met lichtrood gelaat en keel, het Rozenkopje (Agapornis roseicollis) +van Zuid-Afrika, met rozerood gelaat, voorhals en een schel rood +voorhoofd, en het Grijskopje (Agapornis cana) van Madagaskar, met +grijzen kop, hals en borst. De wijfjes van de beide eerstgenoemde +soorten zijn door de geringere uitgestrektheid en de eenigszins +mattere tint van het rood van het mannetje te onderscheiden; bij het +wijfje van het Grijskopje zijn ook de kop en de hals groen. Vooral +van de laatstgenoemde soort worden sedert eenigen tijd duizenden +naar Europa gebracht, waar zij voor f 6 per paar koopers vinden (de +andere soorten zijn duurder). Alle verdragen, als zij met gierst en +kanariezaad gevoerd worden, de gevangenschap goed en broeden zelfs +in de kooi. Het toeval maakte mij bekend met hetgeen zij hierbij +noodig hebben. De paartjes, die ik verzorgde, overlaadden elkander +met liefkoozingen, maar gingen niet aan 't broeden. Jegens de andere +bewoners van de volière gedroegen zij zich even onverdraagzaam, als zij +voor elkander lief waren. "Onophoudelijk gingen zij hunne nesthokjes in +en uit, maar schenen deze meer als schuilhoeken, dan als nestplaatsen +te beschouwen. Zij waren ongetwijfeld broedsch, maar er ontbrak hun +iets. Ik kwam op het denkbeeld, dat zij knoppen als voedsel zouden +verlangen en liet hun groene, bebladerde wilgentakken geven. Weinige +minuten later zaten zij er reeds op, ontbladerden ze schielijk en +knaagden aan de knoppen en de schors. In den beginne schreef ik ook +deze bedrijvigheid aan vernielzucht toe; het bleek mij echter weldra, +dat het hun om bouwstoffen voor hun nest te doen was. Behendig schilden +zij een stuk schors van 6 à 10 cM. lengte af, vatten het zoo met den +snavel aan, dat het eene einde er ongeveer 3 cM. ver uitstak, zetten +de staartwortelveeren op, staken het stuk schors er tusschen, zoo dat +dit zitten bleef, toen de veeren weer neergelegd werden. Een tweede, +derde, zesde, achtste splinter werd op dezelfde wijze afgeknaagd +en tusschen de veeren bevestigd; menig stukje viel op den grond en +werd daar vergeten, menig ander werd er door het al te voortvarende +mannetje weer uitgehaald, ten slotte waren er toch genoeg blijven +zitten; het wijfje vloog langzaam en voorzichtig naar het nesthokje, +sloop er volgeladen in en kwam zonder haar last terug. Weinige dagen +nadat de Vogels begonnen waren bouwstoffen in het nest te brengen, +begon het wijfje eieren te leggen, daarna te broeden; hoe lang dit +duurde, weet ik niet, daar ik de ouden door het onderzoeken van het +nest niet lastig wilde vallen. Het nest was, gelijk mij later bleek, +netjes vervaardigd van strookjes schors en had den vorm van een hollen +kogel, waaraan ongeveer een derde deel van den wand ontbrak. + + + +De Borsteltongigen, Honigpapegaaien of Loris (Trichoglossinae), die de +vijfde onderfamilie vormen, onderscheiden zich door den afwijkenden +bouw van de tong. Het voorste vierde gedeelte (of de kleinste helft) +van dit orgaan draagt, zoover het vrij is, dicht bijeenstaande +borstels van 1.5 à 2 mM. lengte en ovaal op de dwarse doorsnede; +deze zijn in reeksen geplaatst, welke evenwijdig loopen met de randen +van de tong en slechts kleine tusschenruimten overlaten; zij bestaan +uit vaatrijke, slanke, kegelvormige papillen, die, met een minstens +tweemaal zoo lange, hoornachtige laag bedekt, een soort van borstel +of kwast vormen, welker 250 à 300 haren aan de spits door het gebruik +altijd meer of min gespleten en in fijnere vezels verdeeld zijn. + +Volgens de nagenoeg eenstemmige berichten van de reizigers, die de +dierenwereld van Australië en Polynesië hebben nagegaan, leven de +eigenaars van deze merkwaardige tong, evenals sommige andere Papegaaien +(Coryllis, Platycercus), van den honig der bloemen van boomen, +vooral van palmen; zij gebruiken dit sap in zoo groote hoeveelheid, +dat uit den snavel de geschoten exemplaren dikwijls een eetlepel vol +honig wegvloeit. Ook wordt bericht, dat de maag van deze diertjes +zeer klein en dunwandig is. Sommige eten ook de bloemen zelve. In de +maag van enkele werden zaden gevonden. + +Marshall zegt van de voedingswijze der Honigpapegaaien: "Gaarne +wil ik erkennen, dat deze Vogels honig uit de bloemen opnemen, op +gelijke wijze als de Ceylonsche Vleermuispapegaai (Coryllis indicus) +van het gegiste sap van den suikerpalm (Caryota urens), dat daar +"toddy" wordt genoemd, soms meer neemt dan hij verdragen kan, zoodat +hij het bewustzijn verliest en in dezen toestand een gemakkelijke +buit wordt voor de inboorlingen. Ik kan echter niet toegeven, dat +de honig voor deze dieren een echt voedingsmiddel en iets meer dan +een genotmiddel is. Geen enkel dier kan van honig alleen leven, daar +hierin geen eiwitstoffen voorkomen. Bovendien kan men zich moeielijk +voorstellen, dat zij een breede, borstelvormige tong zouden bezitten, +indien dit orgaan uitsluitend voor het verkrijgen van honig uit de +nectariën van de planten moest dienen. Beide bezwaren worden echter +uit den weg geruimd, als wij aannemen, dat de Honigpapegaaien wel af +en toe voor hun genoegen honig gebruiken, maar dat hun voornaamste +voedsel, evenals dat van de Bijen, uit stuifmeel bestaat. Van een +tot de Waaierparkieten behoorende soort (Platycercus erythropterus) +is dit met zekerheid gebleken. Geen instrument kan geschikter zijn om +het stuifmeel te verkrijgen, om dit als 't ware bijeen te borstelen, +dan een tong, zooals hierboven beschreven werd. Niet zelden worden +Honigparkieten geschoten, welker kop geheel bepoederd is met geel +stuifmeel hetgeen trouwens ook zou kunnen voorkomen, als deze +diertjes alleen op den honig aasden. De kleine Papegaaien zouden +dus bij sommige bloemen dezelfde rol spelen, als gewoonlijk door de +Insecten (en in Amerika soms ook door de Kolibries) wordt vervuld, +n.l. door het overbrengen van het stuifmeel van den eenen boom naar +den anderen tot de bevruchting van eicellen der planten medewerken." + +De 9 geslachten met ruim 60 soorten van deze onderfamilie behooren +uitsluitend in 't Australische Rijk thuis; de meeste op Nieuw-Guinea +en de naburige eilanden, andere op de Molukken en Timor, twee +soorten op Celebes; ook op Nieuwholland en Tasmanië worden enkele +soorten gevonden; de overige zijn over verscheidene Polynesische +eilandengroepen verdeeld. + + + +De Breedstaartloris (o. a. Domicella) zijn slank gebouwde Papegaaien, +welker grootte afwisselt tusschen die van een Musch en die van een +Kauw; de snavel is even hoog als lang, zijdelings samengedrukt met +afgeronden, smallen rug, zonder tandinkerving en zonder vijlgroeven; +de staart is sterk afgerond of eenigszins trapvormig, uit breede, +aan de spits steeds afgeronde pennen samengesteld; de veeren zijn +schitterend van kleur, in den regel rood met blauw afwisselend, soms +effen zwart of blauw; de snavel is hooggeel of zwart, de voet steeds +donker gekleurd. + + + +Een sinds lang bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de +Zwartkoplori, de Kastorie der Amboneezen, de Loerie of Ninrie van +de bewoners van Ceram (Domicella atricapilla). De hoofdkleur van het +vederenkleed is prachtig karmijnrood, de bovenkop paarsachtig zwart, +op het voorhoofd in donkerzwart, op den achterkop in donkerviolet +overgaande; een breede dwarsstreep op den krop, die zich soms tot op de +borst uitstrekt, heeft een sprekend hooggele kleur. De vleugelbocht is +blauw, elke veer met een witachtigen eindzoom; de vleugels zijn donker +grasgroen, in de schouderstreek bruinachtig geelgroen uitvloeiend, +de onderschenkelveeren korenbloemblauw. + +Deze fraaie Vogel bewoont uitsluitend Ceram en Amboina en komt hier +zoowel in het stille woud als in de buurt van menschelijke woningen +veelvuldig voor. Zijn voedsel bestaat, behalve uit honig, uit weeke +boomvruchten, vooral uit die van de pisang. Hij nestelt in holle +boomen; de eieren zijn, zooals bij alle Papegaaien, glanzig wit en +een weinig grooter dan die van den Merel. + +"Op Amboina," schrijft Von Rosenberg, "vindt men geen Vogel +veelvuldiger in gevangenschap dan de Zwartkoplori, in de stad Amboina +bijna in ieder huis, in iedere hut. Zij is de lievelingsvogel van de +Amboineezen en verdient deze voorkeur zoowel door haar schoonheid +en zachtaardigheid als door haar leerzaamheid. Zij leert tamelijk +vlug spreken en is dan de trots van haar eigenaar. Beneden de 8 of 10 +gulden is zulk een afgerichte Vogel, die vóór dien tijd slechts 1 1/2 +à 2 gulden waard was, niet te koop. Men voedt deze Loris met rauwe en +gekookte rijst, in water geweekte sago en pisangvruchten; dagelijks +moeten zij versch water hebben, daar zij veel drinken en vooral graag +baden, waarbij zij al hare veeren nat maken. Ook haar is het woord +"Lori" aangeleerd en niet van nature eigen." In Europa komen zij niet +al te zelden in de kooi voor; zij vereischen nog al eenige zorg, wat +de warmte van de omgeving en de keuze van het voedsel betreft. Men +heeft haar hier nog niet met goed gevolg aan 't broeden kunnen krijgen. + + + +De Wigstaartloris of Honigparkieten (o.a. Trichoglossus) verschillen +van de vorige vooral door den wigvormigen staart, welks pennen +aan den wortel tamelijk breed zijn en naar de afgeronde spits +allengs smaller worden. In de kleur van het glanzige vederenkleed +heeft aan de rugzijde groen, aan de buikzijde rood de overhand; +hier is gewoonlijk een uit donkere vlekken bestaande teekening, +ginds een lichtere dwarsband in den nek aanwezig. Het vasteland van +Australië is het brandpunt van het verbreidingsgebied dezer Vogels, +dat in Van-Diemensland zijn zuidelijke grens bereikt, terwijl de +noordelijke op de Moluksche eilanden Halmaheira en Moretai te zoeken +is; in westelijke richting verbreiden zij zich tot Soembawa en +Flores, in oostelijke tot Nieuw-Caledonië, de Nieuw-Hebriden en de +Salomonseilanden. Een hoofdtrek van hun karakter is de neiging tot +gezelligheid. Meer dan andere Papegaaien zijn zij door gelijkheid +van levenswijze en gelijksoortigheid van voedsel vereenigd; op een +en denzelfden boom ziet men drie of vier van de meest verschillende +soorten op vreedzame wijze met elkander verkeeren. Evenals de meeste +Australische Papegaaien zijn ook zij gedwongen om te trekken, vooral +de in 't Zuiden broedende soorten komen en gaan ieder jaar met een +zekere regelmatigheid. Op hunne reizen vereenigen zij zich dikwijls in +ontelbare menigte tot zwermen, die zoo dicht ineengedrongen zijn, dat +zij op een wolk gelijken, gemeenschappelijk verschillende zwenkingen +uitvoeren en door hun geschreeuw, dat op een korten afstand werkelijk +oorverdoovend is, reeds van verre de aandacht trekken. Zij broeden +gezellig in holle boomen. + +De inboorlingen van Australië tooien zich met de aan een snoer +geregen koppen van Honigparkieten. De kolonisten jagen ze alleen +om ze in de kooi te houden; men kan ze met zaden voeden en lang in +'t leven houden; sommige broeden in de gevangenis; zelfs in Europa +is dit voorgekomen. Hun vleesch is hard en taai en heeft bovendien +een onaangenamen reuk. + + + +Het veelvuldigst ziet men in onze kooien de Veelkleurige Lori of +Swainsonlori (Trichoglossus Novae-Hollandiae); een van de grootste +soorten der groep, ongeveer even groot als de Carolina-parkiet; +de kop, de wangen en de keel zijn paarsblauw, de achterhals, de +mantel, de staartwortel, de vleugels en de staart donker grasgroen, +de veeren van den bovenrug in het midden geel, aan den wortel rood, +die van den nek vormen een onduidelijken, geelgroenen halsband; +de kop, de borst en de onderdekveeren van den vleugel zijn fraai +vermiljoenrood met onregelmatige, breede, lichtere en donkere, +dwarse golvingen, de zijden van de borst hooggeel, de buikveeren +donkerblauw, aan den wortel rood, de veeren van de zijden van den +buik rood met blauwe eindvlek, de schenkels, de aarsstreek en de +onderdekveeren van den staart grasgroen (elke veer afzonderlijk +aan den wortel rood, in 't midden geel, aan de spits groen), de +slagpennen aan de binnenzijde zwart, in het midden met een breede, +gele vlek geteekend, de staartveeren aan de onderzijde citroengeel, +bij den wortel met eenigszins roodachtige tint. De iris is oranjerood, +de snavel bloedrood, de washuid donkerbruin, de poot vaalbruin. Deze +prachtige Vogel bewoont de eucalyptus-wouden van geheel Nieuw-Holland +en Van-Diemensland en voedt zich met honig en stuifmeel. Hij is veel +levendiger en hartstochtelijker van aard dan de Breedstaartloris. + + + +De kleine onderfamilie van de Dwergpapegaaien (Micropsittacinae) +draagt haar naam te recht, hoewel het kleinste lid der orde (Coryllis +exilis) tot het geslacht der Vleermuispapegaaien behoort. Het +veelvuldigst zijn zij op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden; +Nieuw-Holland is het zuidelijkst, Leçon het noordelijkst deel van +hun verbreidingsgebied. Door hun snavel gelijken zij op de Kaketoes. + + + +De Spechtpapegaaien of Dwergkaketoes (Nasiterna) hebben een zeer +krachtigen snavel, veel hooger dan lang, met sterk naar beneden +gekromde bovenhelft, die vóór de spits een diepe, scherphoekige +insnijding vertoont. De korte, afgeronde staart is merkwaardig, +doordat de schaften der pennen bij den top baardeloos zijn en als +stijve, eenigszins benedenwaarts gekromde spitsen voorbij de vlag +uitsteken. Men vermoedt, dat deze vogeltjes op soortgelijke wijze als +de Spechten klimmen, waarbij de bijzonder dunne teenen, welker lengte +het dubbele is van die van den loop, goede diensten kunnen bewijzen, +hoewel de klauwen zwak en weinig gekromd zijn. + +Een van de vroegst bekende vertegenwoordigers der onderfamilie is de +Roodborstige Dwergkaketoe (Nasiterna pygmaea), die ongeveer zoo groot +is als ons Sijsje. De groene kleur heeft bij hem de overhand; zij +gaat op den bovenkop in geel, op het aangezicht in geelbruin over; de +onderdeelen zijn lichter, het midden van borst en buik is roodachtig; +de pooten zijn geelbruin. De beide middelste staartpennen zijn blauw, +de overige zwart met gele spitsen. + + + +Geheel tot het Australische Rijk beperkt is de onderfamilie der +Platstaartpapegaaien (Platycercinae), die ruim 70 soorten omvat. Het +brandpunt van haar verbreidingsgebied is Nieuw-Holland; noordwaarts +en westwaarts strekt het zich uit tot de Molukken en Timor, oostwaarts +tot de Gezelschapseilanden, zuidwaarts tot het Macquarie-eiland, waar +de Papegaaisoort leeft, die zich het dichtst bij de pool ophoudt. De +leden van deze groep hebben een kleinen of tamelijk kleinen snavel, +welks washuid gewoonlijk bevederd is. Van hun in den regel langen, +duidelijk wigvormigen staart verlengen zich meestal de vier middelste +pennen, die onderling in lengte overeenkomen, voorbij de overige, +die naar weerszijden trapsgewijs in lengte afnemen. + +Het soortenrijkste en meest typische geslacht van deze onderfamilie +is dat der Waaierparkieten (Platycercus), zoo genoemd omdat zij in +Nieuw-Holland en Tasmanië hunne naaste verwanten eveneens daar en in +andere deelen van het Australische Rijk, een soortgelijken indruk +maken als de Edelparkieten in het Ethiopische en het Indische. Zij +kenmerken zich door de in 't oogvallende breedte hunner aan de spits +afgeronde staartpennen (die niet van den wortel tot de spits smaller +worden), den korten, krachtigen snavel, die bijna altijd meer hoog is +dan lang, de zwakke pooten met betrekkelijk langen loop, de spitse +en lange vleugels en het zachte, in den regel zeer bonte, slechts +bij uitzondering alleen groen en rood gekleurde vederenkleed. Hun +grootte wisselt af van die eener Lijster tot die eener Kraai. + +Er ontbreekt nog veel aan onze kennis van de levenswijze dezer door +kleurenpracht en lieftallige inborst aantrekkelijke Vogels. Uit +de onderzoekingen van Gould en anderen is gebleken, dat de +Waaierparkieten, evenals de meeste hunner in Australië levende +verwanten, zich meer op den grond dan in boomen ophouden. In Australië +bewonen zij de uitgestrekte, op parken gelijkende vlakten, die hun in +sommige jaren rijkelijk voedsel verschaffen, maar in andere veel te +weinig opleveren, zoodat zij, evenals de Corellas, de Zangparkieten +en de Grasparkieten (Euphemia), gedwongen zijn om meer of minder +verre, aan geen regel gebonden reizen te ondernemen. Zij vliegen +uitmuntend, zijn ook in het loopen zeer goed ervaren, maar staan, wat +hun geschiktheid om te klimmen betreft, bij hunne verwanten merkbaar +achter. Door hun stem onderscheiden zij zich gunstig van de meeste +overige Papegaaien. Onaangename, krijschende, gillende of krassende +geluiden hoort men zelden van hen, vaker een aangenaam gefluit en +niet zelden een welluidend gezang of een zangerig gesnap. Hunne +geestvermogens zijn minder goed ontwikkeld dan die van andere +Papegaaien. Tamelijk ongeregeld zwerven zij bij vluchten door het land, +komen ook in de onmiddellijke nabijheid van menschelijke woningen en +zelfs in de steden, zijn gedurende de morgen- en avonduren gezellig +op den bodem bezig en zoeken hier hun voedsel, dat uit allerlei +zaden van grassen bestaat. Als de broedtijd nadert, verspreiden de +leden der troepen zich min of meer, al naar de schaarschte of de +overvloed van holle boomen hen hiertoe in staat stelt. In zulk een +holte legt het wijfje op het met den snavel losgebeten, vermolmde +hout of op eenige door haar aangevoerde, lichte bouwstoffen 4 à 8 +(volgens eenige berichtgevers soms niet minder dan 12) glanzig witte +eieren; met groote zelfverloochening bebroedt zij ze, naar het schijnt, +zonder hulp van het mannetje. De beide ouders houden zich vervolgens +gezamenlijk bezig met het grootbrengen van hun talrijk kroost en +hervatten hunne zwerftochten, als de jongen zoo ver ontwikkeld zijn, +dat zij hen kunnen volgen. + +Sedert vele tientallen van jaren brengt ieder van Australië komend +schip, dat levende Vogels vervoert, ook Waaierparkieten op onze +dierenmarkt. Deze fraaie, voor een deel prachtig gekleurde Vogels +trekken sterk de aandacht; de vogelliefhebbers ondervonden echter +spoedig, dat het buitengewoon moeielijk is, Platstaartpapegaaien in +de kooi te houden, of liever, dat wij tot dusver nog niet weten, hoe +deze Vogels verzorgd moeten worden. Zij verdragen de gevangenschap +veel minder goed dan alle andere leden der orde. + + + +Een der meest bekende vertegenwoordigers van het geslacht is de +Rosella van de Australische kolonisten (Platycercus eximius), die +den omvang heeft van een groote Lijster. De kop, de keel en de borst +benevens de onderdekveeren van den staart zijn levendig karmijnrood, +de veeren van het achterste deel en van de zijden van den hals, van +den mantel en van de schouders zijn zwart met breede lichtgele zoomen, +die van de onderborst hooggeel, die van de zijden van de borst geel +met zwarte middelvlek, die van den buik, van de schenkels, van den +staartwortel en de bovendekveeren van den staart fraai lichtgroen, +vaalgeelachtig uitvloeiend, de slagpennen zwartbruin, met donkerblauwen +rand op de buitenvlag, de handpennen prachtig paarsblauw, de laatste +3 of 4 armpennen met breeden, lichtgroenen rand op de buitenvlag, +alle van onderen grijsachtig zwart; de middelste staartveeren zijn +donker olijfkleurig groen, nader bij de spits blauwachtig groen; van +de overige is de wortelhelft donkerblauw, de tophelft licht paarsblauw, +de top wit. Een witte baardvlek strekt zich van den bovensnavel tot aan +de oorstreek uit; een groote zwarte vlek versiert de voorarmstreek. De +oogen, de snavel en de pooten zijn donkerbruin. Deze fraaie Parkiet +bewoont Zuid-Australië, Nieuw-Zuid-Wales en Tasmanië; hier is hij +een van de veelvuldigst voorkomende Vogels. + + + +Een van de soorten, die het meest afwijken van het algemeene type +der onderfamilie is de Nymfparkiet, de Corella of Kaketoepapegaai +van de Australische kolonisten (Callipsittacus Novae-Hollandiae). De +Corella is ongeveer even groot als een van onze grootste Lijsters, +maar schijnt grooter wegens haar langen, "lansvormigen" staart. Het +vederenkleed is zeer bont en bevallig geteekend; de hoofdkleur, donker +olijfkleurig grijsbruin, gaat op de onderdeelen in grijs over; de +bovenkop, de teugel en de wang zijn licht stroogeel, evenals de veeren +van de kuif, die de kruin versiert; deze hebben echter grijze spitsen; +een ronde vlek in de oorstreek is saffraanrood, van achteren door +een witten rand begrensd; de leikleurig grijze handpennen hebben een +donkerbruine binnenvlag en spits; de armpennen zijn, met uitzondering +van de laatste, wit op de buitenvlag, maar bruinzwart op de binnenvlag +en de spits; de bovendekveeren van den vleugel zijn bruinzwart, +de onderdekveeren, evenals de onderzijde van de slagpennen, zwart, +de stuurpennen aschgrauw aan den binnenrand en van onderen zwart, +met uitzondering van de beide middelste, die een grijze kleur hebben; +de bovendekveeren van den staart zijn aschgrauw, de onderdekveeren iets +donkerder. De iris is donkerbruin, de naakte ring om de oogen grijs, +de snavel zwartachtig grijs, de washuid grijs, de voet grijsbruin. + +Gould, die de eerste levensbeschrijving van de Corella gegeven heeft, +trof deze fraaie Vogels zeer veelvuldig aan in de binnenlanden van +Australië. Aan de kusten zijn zij zeldzamer; althans in verhouding +tot de duizenden, die de vlakten van het binnenland bevolken, vindt +men er slechts weinige tusschen de groote bergketens en de zee. Na den +broedtijd vereenigen zij zich tot ontzaglijke zwermen, die den bodem +over een groote uitgestrektheid bedekken of op doode eucalyptus-takken +aan den waterkant zitten. In September trekken deze zwermen naar het +zuiden, in Februari en Maart keeren ze naar het noorden terug, waar +zij in den zomer broeden. Evenals de meeste van hare verwanten voeden +de Corellas zich met graszaden; zij kunnen echter niet zonder water +en moeten zich daarom altijd in de nabijheid van stroomen ophouden; +daarom nestelen zij steeds in bosschen langs rivieroevers. Zij zijn +volstrekt niet schuw; vele worden gedood om haar smakelijk vleesch, +andere gevangen en wegens haar bevallig voorkomen en lieftalligen +aard in de kooi gehouden. + +Van alle Australische Papegaaien komt de Corella (na den Zangparkiet) +het veelvuldigst op onze dierenmarkten voor. Men kan haar bij +doelmatige verzorging langer in 't leven houden dan eenige andere +Papegaai; het kost niet veel moeite om haar in de gevangenschap met +goed gevolg aan 't broeden te krijgen. + + + +Onder alle Papegaaien, die bij ons als gevangenen voorkomen, +verdient een kleine, Australische Parkiet zonder eenig voorbehoud +de eereplaats. Men kan zich trouwens moeielijk een Papegaai +voorstellen, die beter dan hij voor kamervogel geschikt is. Andere +Parkieten bekoren ons door hunne prachtige kleuren, de Zangparkiet +(Melopsittacus undulatus), die hier bedoeld wordt, trekt ons aan door +zijn bevallig voorkomen en zijn lieftalligheid, ik zou bijna zeggen, +door zijn aanminnigheid. Schoonheid bezit hij ook in hooge mate, maar +zijn beminnelijkheid is grooter dan de pracht van zijn kleed. Hij is +een sieraad van iedere kamer en wint spoedig ieders genegenheid. + +De Zangparkiet, tot dusver de eenige, bekende vertegenwoordiger van +zijn geslacht, behoort tot de kleine Papegaaien; door zijn langen +staart schijnt hij echter grooter dan hij werkelijk is. Zijn lengte +bedraagt 20 à 22 cM., zijn staart is bijna 10 cM. lang. Zijn gestalte +is zeer sierlijk, de romp slank, de snavel hooger dan lang, aan de +zijden en op den rug afgerond, de bovensnavel bijna loodrecht naar +beneden gebogen en tot een ver overhangende spits versmald, vóór +deze diep uitgesneden, de ondersnavel even hoog als de bovensnavel; +de voeten zijn slank, de vleugels lang en spits; de lange staart, welks +beide middelste veeren ver voorbij de andere uitsteken, is trapvormig, +het vederenkleed buitengewoon zacht en zeer lief geteekend, bij de +mannetjes, wijfjes en jongen weinig verschillend. Het voorhoofd, de +bovenkop, de teugel en de streek om den ondersnavel zijn zwavelgeel, +aan weerszijden begrensd en getooid door vier schelblauwe vlekken, die +aan den top van verlengde veeren voorkomen; de oorstreek, de achterkop, +de achterhals, de mantel, de schouders en de meeste bovendekveeren +van den vleugel hebben een groenachtig gele kleur; elke veer is +echter geteekend met vier zwarte dwarslijnen, die op de schouders +en de vleugeldekveeren tot twee verminderd en tevens verbreed zijn; +de achterrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart, +alsmede de onderdeelen, van de kin af, zijn prachtig grasgroen, de +handpennen en hare dekveeren dofgroen, met wigvormige, geelachtige +vlekken geteekend, de meeste armpennen aan de buitenzijde groen, +de laatste armpennen en de laatste schouderveeren bruinzwart met +breeden, gelen eindzoom, de beide lansvormige veeren van den staart +dof donkerblauw, de overige stuurpennen groenachtig blauw met breeden, +zwarten zoom aan den wortel van de binnenvlag. Het oog is lichtgeel, +de snavel hoorngeel, de poot blauwachtig groen. + +Tegenwoordig weet men, dat deze Vogel in verbazend grooten getale +het geheele binnenland van Australië en wel hoofdzakelijk de met +gras begroeide vlakten bewoont en zich hier met zaden van grassen +voedt. Alle onderzoekers, die hem in de vrije natuur zagen, zijn even +eenstemmig in hun lof als de liefhebbers, die hem alleen in de kooi +leerden kennen. + +Toen Gould in het begin van December de vlakten van het binnenland +bezocht, zag hij zich omgeven door Zangparkieten en besloot langen +tijd op dezelfde plaats te blijven om hunne zeden en gewoonten na te +gaan. Zij verschenen in vluchten van 20 à 100 stuks in de nabijheid +van een kleine plas om te drinken en vlogen van hier op geregelde +tijden naar de vlakten om daar de graszaden, die hun eenige voedsel +uitmaken, op te pikken. Het veelvuldigst kwamen zij in den vroegen +morgen en 's avonds, voordat het donker werd, bij het water. Gedurende +de heetste uren van den dag zaten zij bewegingloos onder de bladen van +de eucalyptus-boomen, welker stammen de holten bevatten, die destijds +door broedende paren bewoond werden. Zoolang zij zich op de boomen +rustig hielden, waren zij moeielijk te ontdekken; zoodra zij echter +de drinkplaats wilden bezoeken, gingen zij vrij en in grooten getale +zitten op de doode takken der eucalyptus-boomen of op takken, die tot +op het water afhingen. Hunne bewegingen zijn bewonderenswaardig. Zij +vliegen rechtuit en buitengewoon snel, op de wijze van Valken of +Zwaluwen, in de meeste opzichten anders dan de overige Papegaaien. Op +den bodem is hun gang betrekkelijk goed; zij klimmen in de twijgen +althans niet zonder behendigheid. Gedurende het vliegen hoort men +van hen een krijschend geluid; het vriendschappelijk gesnap van de +zittende Vogels zou men een gezang kunnen noemen, indien de tonen van +iederen zanger zich niet vermengden met die van tallooze soortgenooten, +waardoor een verward mengelmoes van tonen ontstaat. + +Volgens de mededeelingen van een Duitscher, die vele jaren in +Australië woonde, worden de Zangparkieten tegen den avond in +groote, buidelvormige netten bij honderden en duizenden gevangen, +in ruwe kistkooien opgesloten en zoo aan de vogelhandelaars in de +kuststeden afgeleverd. De zorgvuldigste onder hen brengen de Vogels +bij troepjes in kleine kooien over, welker zitstokjes als de treden +van een trap achter en boven elkander gelegen zijn, opdat het grootst +mogelijk aantal Vogels in de kleinst mogelijke ruimte een plaats kan +vinden. Zulk een voor de reis bestemde kooi levert een alleraardigst +schouwspel op. Het geheele gezelschap zit in gesloten gelederen op de +zitstokjes; de eene rij van gezichten kijkt over de andere reeks van +koppen heen; aller oogen zijn op den toeschouwer gericht; iedere Vogel +schijnt om verlossing uit de nauwe gevangenis te smeeken. Twist en +strijd, die bij andere Papegaaien zoo veelvuldig voorkomen, merkt men +bij den Zangparkiet ook wel, doch altijd slechts bij uitzondering op. + +De Zangparkiet is niet een van de Papegaaien, waarvan men dikwijls +opmerkt, dat zij uit droefheid over het verlies van hun lotgenoot +aan 't kwijnen gaan en sterven; hij verlangt echter gezelschap en, +zooals licht te begrijpen is, bij voorkeur dat van een soortgenoot +van een andere sekse dan de zijne. Desnoods stelt hij zich tevreden +met een kleinen Papegaai van een andere soort; nooit echter zal hij +dezen met de lieftallige teederheid behandelen, die hij jegens zijns +gelijken aan den dag legt. Het is daarom noodig deze Vogels altijd bij +paren in de kooi te houden; alleen dan toonen zij zich zoo lieftallig, +als zij zijn kunnen. + +Een uitmuntende eigenschap van den Zangparkiet is zijn soberheid. Geen +enkele kamervogel verlangt zoo weinig afwisseling in zijn voeding, +als deze kleine Papegaai. Met één soort van voedsel kan hij jaren lang +toe. De graszaden van Australië vervangt men door gierst, kanariezaad +en hennep; deze bekomen hem goed. Dikwijls heeft men zonder succes +beproefd, hem aan andere zaden te gewennen. Gaarne gebruikt hij echter +sappige bladen, vooral sla, kool en dergelijke groenten. Vruchten, +suiker en andere lekkernijen versmaadt hij aanvankelijk steeds, +langzamerhand gewent hij er echter aan. Het ligt voor de hand, +dat de gemakkelijkheid, waarmede deze Vogel onderhouden kan worden, +er veel toe heeft bijgedragen, om hem in den smaak te doen vallen. + +De Zangparkiet weet nog op een andere wijze de genegenheid van den +mensch te verwerven. De meeste andere Papegaaien, zelfs de soorten, +die het best geschikt zijn voor het verkeer met den mensch, zijn soms +onverdragelijk wegens hun geschreeuw, hoe beminlijk zij overigens ook +zijn. Zij, die zich door woorden voor hunne verzorgers verstaanbaar +weten te maken, kunnen dikwijls geen weerstand bieden aan de hun +aangeboren neiging tot tieren en wisselen de woorden, die zij hebben +leeren zeggen, met een afschuwelijk gekrijsch af. Geheel anders is het +met de Zangparkieten. Ook zij beschikken over een uitmuntende stem, +maar gebruiken deze nooit op een hinderlijke wijze, integendeel, +men kan altijd met genoegen naar hen luisteren. Deze Vogels, althans +de mannetjes, dragen hun naam te recht; hun gesnap is meer dan een +gekweel, het is een wel is waar eenvoudig, maar toch recht aardig +wijsje. Enkele heeft men zelfs woorden leeren naspreken. + +De dierenfokker, die de Zangparkieten bij paren houdt, ze doelmatig +verzorgt, zoo weinig mogelijk stoort en hun een geschikte gelegenheid +om te nestelen verschaft, zal bijna zonder uitzondering de vreugde +smaken, dat zijne gevangenen zich voortplanten. Het mannetje is een +model-echtgenoot, bemoeit zich uitsluitend met zijn eigen wijfje en +nooit met andere wijfjes, die dezelfde kooi bewonen; hij is steeds vol +zorg voor zijn gade. Op een tak vóór den ingang van het nest gezeten, +zingt hij haar zijne fraaiste wijsjes voor; terwijl zij broedt, +vervult hij steeds met ijver en genoegen de taak om haar met voedsel +te voorzien. Nooit is hij treurig, stil of slaperig, gelijk zoovele +andere Papegaaien, maar altijd vroolijk en lieftallig. + +Het wijfje zorgt uitsluitend voor het gereedmaken van het nest. Zij +bewerkt de opening van den hollen stam zoolang met den snavel, +totdat de ingang aan de gestelde eischen voldoet, knaagt vervolgens +van binnen spanen van verschillende grootte los en legt hierop, +met tusschenpoozen van 2 dagen, 4 à 8 kleine, rondachtige, glanzig +witte eieren. Zij bebroedt ze zeer ijverig gedurende 16 à 20 dagen, +verwijdert zich alleen dan voor een korte poos wanneer de dringendste +behoefte haar er toe noopt, en wordt intusschen door het mannetje +gevoederd. De jongen blijven 30 à 35 dagen in het nest en verlaten het +eerst, als zij geheel bevederd zijn. Voortdurend wordt de kinderkamer +door het wijfje zorgvuldig schoon gehouden. + +Onmiddellijk nadat het eerste broedsel zelfstandig geworden is, +beginnen de oude Vogels aan een tweede, als ook deze jongen uitgevlogen +zijn, gewoonlijk aan een derde en een vierde. In den dierentuin te +Breslau heeft men waargenomen, dat een paar een vol jaar onafgebroken +broedde! Zulke gevallen behooren tot de uitzonderingen: twee broedsels +achtereen schijnt echter de regel te zijn. + +Ten slotte moeten wij nog vermelden, dat de Zangparkieten ook bij +ons in de vrije natuur in 't leven kunnen blijven. Op het landgoed +van een bekenden dierenliefhebber in België, vlogen in de lente +van het jaar 1861 twee paar Zangparkieten uit een kooi weg. Weldra +verloor men ze uit het oog in de boomkronen van een groot park +en werden een tijdlang in 't geheel niet of slechts zeer vluchtig +waargenomen. Zij bleven echter ditzelfde gebied bewonen, en hadden er, +zooals later bleek, zelfs in holle boomen genesteld en een aantal +jongen grootgebracht. De eigenaar ontdekte n.l. in den herfst van +het genoemde jaar een vlucht van 10 à 12 stuks Zangparkieten in een +haverveld, waar zij van de graanvruchten smulden. Sedert dien tijd +werden de Vogels door voorzichtig voederen langzamerhand naderbij +gelokt; voor den aanvang van den winter waren er 10 stuks van gevangen. + + + +Onder de talrijke Papegaaiensoorten, die Australië bewonen, nemen +de Kaketoes (Plissolophinae) een belangrijke plaats in. Zij vormen +een tamelijk scherp begrensde groep en worden daarom terecht in een +afzonderlijke onderfamilie vereenigd. Haar meest in 't oog vallend +kenmerk is de kuif, die den kop versiert, opgezet en neergelegd +kan worden; dit eene kenmerk is voldoende om haar van alle overige +Papegaaien (met uitzondering van den Corella) te onderscheiden. (De +naam "Kaketoe" is aan het Maleisch ontleend en beteekent, "oude +vrouw".) + +Het verbreidingsgebied van de Kaketoes strekt zich uit van de +Philippijnen tot Tasmanië en van Timor, Flores en Celebes tot de +Salomonseilanden en Nieuw-Britannië. Bijna alle landen en eilanden, die +binnen deze kring gelegen zijn, worden door Kaketoes bewoond. Hoewel +enkele soorten over uitgestrekte landstreken of over verscheidene +eilanden verbreid zijn, bewonen de meeste een buitengewoon beperkt +gebied. Zij vormen voor 't meerendeel groote, dikwijls ontzaglijke +zwermen, die in bosschen van zeer verschillenden aard verblijf houden, +van hier uit over velden en dreven zwerven en in alle omstandigheden +den toeschouwer een phantastisch schoon schouwspel verschaffen. + +Door hun aard en gewoonten gelijken de Kaketoes op de overige +Papegaaien; zij behooren echter tot de beminnelijkste leden van +deze orde. Verklaarbaar is het, dat zij bij den mensch uit de gunst +geraken, wanneer zij, tot zwermen van duizenden vereenigd, haar +onaangenaam gekrijsch laten hooren; toch vat ieder, die een dezer +Vogels leert kennen en op een vriendschappelijke wijze behandelt, +genegenheid voor hem op. Alle Kaketoes zijn schrandere en verstandige, +de meeste ook ernstige en zachtmoedige Vogels. Hare geestvermogens +zijn buitengewoon sterk ontwikkeld, haar nieuwsgierigheid is niet +minder groot dan haar geheugen, het eigenaardige karakter-verschil +van ieder zeer opmerkelijk. Er zijn er misschien geen twee te vinden, +die zich geheel op dezelfde wijze gedragen. De Kaketoe sluit gaarne +een innige vriendschap met den mensch, is minder valsch dan andere +Papegaaien en is erkentelijk voor de haar betoonde genegenheid, die +zij van ieder op dezelfde wijze schijnt te verlangen. Onvriendelijk en +onbeminnelijk wordt zij eerst, wanneer zij onaangename ervaringen heeft +opgedaan. De beleedigingen, die zij heeft moeten dulden, vergeet zij +niet, of niet licht: het eens gewekte wantrouwen kan moeielijk uit den +weg worden geruimd. Dit is misschien de eenige onaangename karaktertrek +van de Kaketoe; over 't geheel genomen heeft zachtaardigheid bij +haar de overhand. Zij wil liefhebben en geliefd zijn en geeft dit +weldra op alle denkbare wijzen aan haar verzorger te kennen. Zoodra +zij zich geschikt heeft in haar gevangenschap en vertrouwen voor een +mensch heeft opgevat, laat zij gaarne toe, dat men haar streelt, buigt +gewillig den kop, zoodra men een beweging maakt om haar te liefkoozen, +en gaat letterlijk met hare veeren de streelende hand te gemoet. + +De Kaketoe bezit echter nog andere goede eigenschappen. Hare groote +gaven blijken niet alleen uit haar uitmuntend geheugen, maar ook +uit haar groote leerzaamheid. In dit opzicht wedijvert zij met de +meest begaafde van alle Papegaaien. Ook zij kan vrij gemakkelijk +en vlug leeren spreken, koppelt verscheidene woorden samen tot een +verstaanbaar geheel en gebruikt geheele uitdrukkingen op een passende +wijze, laat zich africhten tot kunststukjes van velerlei aard: een +zeer groot verstand kan men haar niet ontzeggen. + +De stem, die de Kaketoe van nature bezit, is een afschuwelijk, +onbegrijpelijk gekrijsch. Het woord "Kaketoe" en dergelijke aangeleerde +klanken spreken de meeste op een innemend teedere wijze uit; hierdoor +trachten zij haar vriendschappelijke gezindheid of haar gedweeheid +jegens haar verzorger te kennen te geven. + +Evenals de andere Papegaaien zijn ook de Kaketoes gezellig van +aard; zij zijn in den vrije natuur tot troepen vereenigd, en +blijven zelfs gedurende den broedtijd nog in zeker verband met +elkander. Den nacht brengen zij goed verborgen in de dichtste kronen +der hoogste boomen door; den morgen begroeten zij met een ver klinkend +geschreeuw. Daarna verlaten zij haar rustplaats en vliegen met lichte +vleugelslagen, dikwijls zwevend en glijdend, naar den een of anderen +vruchtdragenden akker of een dergelijk oord, waar zij voedsel hopen te +vinden. Zij trekken zooveel mogelijk partij van het door haar bewoonde +gebied. Hoewel vruchten en zaden haar voornaamste voedsel uitmaken, +eten zij ook wel kleine knollen en bollen, die zij met den langen, +gekromden bovensnavel zeer behendig uit den grond graven; ook gebruiken +zij wel paddestoelen en verzwelgen tevens, gelijk de Hoenderen doen, +kleine of middelmatig groote stukken kwarts, stellig met dezelfde +bedoeling als andere zaadetende Vogels, n.l. om het fijnmaken van het +voedsel door de spiermaag te bevorderen. Het nest treft men, al naar +het door den Vogel bewoonde terrein, in holle boomen, vooral in holle +takken, maar ook in rotsspleten aan. Het nest bevat bij 't broeden in +den regel 2 (hoogstens 3) zuiver witte, eenigszins spits toeloopende +eieren, die ongeveer zoo, groot zijn als die van een "krielkip", +maar aan hun glans gemakkelijk van deze onderscheiden kunnen worden. + +Wegens de schade, die de Kaketoes overal, waar zij in grooten +getale voorkomen, aan den landbouw toebrengen, worden zij in haar +vaderland ijverig belaagd en bij honderden gedood. Uit de berichten +van ervaren reizigers blijkt, dat deze Vogels, als zij vervolgingen +moeten verduren, weldra een buitengewone voorzichtigheid toonen, +evenals andere Papegaaien of als Apen gedurende hunne rooftochten op +een echt listige wijze handelen en daarom moeielijk of in 't geheel +niet van de akkers af te houden zijn. Evenals de kolonisten maken ook +de inboorlingen van Nieuw-Holland jacht op de Kaketoes; zij doen dit +op een eigenaardige wijze. "Zij gebruiken", zegt Grey, hiervoor het +eigenaardige wapen, dat onder den naam "boemerang" bekend is, een +sikkelvormig, plat stuk hard hout, dat zij uit de hand meer dan 30 +M. ver werpen; draaiend doorklieft het de lucht en treft, hoewel het +herhaaldelijk van den rechten weg afwijkt, met vrij groote zekerheid +het doel. De Kaketoes zoeken gaarne een oord op, waar prachtige, hooge +boomen een waterplas omgeven; hier ziet men ze dikwijls in ontelbare +menigte te midden van de twijgen rondklauteren of van den eenen boom +naar den anderen vliegen; gewoonlijk slapen zij hier 's nachts. Met +de grootst mogelijke voorzichtigheid moet de inboorling zich naar een +dezer slaapplaatsen begeven; hij sluipt van boom tot boom, kruipt van +den eenen struik naar den anderen en doet zijn uiterste best om zoo +weinig mogelijk de aandacht te trekken van de waakzame Vogels. Toch +wordt de naderende vijand, ondanks zijn onhoorbaren, veerkrachtigen +gang, door de Kaketoes opgemerkt; het dreigende gevaar, over welks aard +zij nog in 't onzekere verkeeren, brengt een algemeene opschudding +te weeg. Intusschen is de vervolger aan den waterkant gekomen, +waar zijn donkere gestalte zich plotseling verheft boven de planten, +waarachter hij verborgen was. Met een oorverscheurend getier stijgen +de Vogels als een witte wolk omhoog; in 't zelfde oogenblik slingert +de jager zijn wapen te midden van den zwerm. De boemerang danst met de +zonderlingste sprongen en wendingen boven den waterspiegel, verheft +zich, een kromme lijn volgend, hoe langer hoe meer en zwiert in 't +volgende oogenblik te midden van de Vogels rond. Hem wordt een tweede, +een derde, een vierde dergelijk wapen achterna gezonden. Te vergeefs +trachten de overrompelde dieren te ontvluchten; de schijnbaar aan geen +regel onderworpen baan van het werptuig brengt hen in verwarring en +verlamt hun vlucht. De eene voor, de andere na komt met den boemerang +in aanraking, hetzij dat het suizende wapen hem den hals doorsnijdt +of een vleugel verbrijzelt. Schreeuwend van pijn en woede vallen +de getroffen Vogels naar beneden, maar de jager heeft reeds zijn +doel bereikt, als de overblijvende Kaketoes tot bezinning komen en +vol schrik wegvliegen, of een schuilplaats zoeken in de dichtste +boomkronen." + +Het vleesch van deze dieren is, naar men zegt, vrij goed bruikbaar, +vooral voor het bereiden van soep. + +Dat het niet moeielijk is de Kaketoes levend te vangen, blijkt uit +het groot aantal exemplaren, dat naar Europa wordt gebracht. Bij +doelmatige verzorging kunnen zij bij ons vele jaren lang in 't leven +blijven; er zijn voorbeelden van bekend, dat Kaketoes langer dan 70 +jaar in de kooi geleefd hebben. Zij zijn niet moeielijk te onderhouden; +langzamerhand geraken zij gewoon aan al wat de mensch eet. + + + +Op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden, vooral op Salawatti, Misool, +Waigioe en de Aroe-eilanden en ook op de noordspits van Australië, +ontmoet men de Arara-kaketoe (Microglossus aterrimus), in een deel +van Nieuw-Guinea Rasmalos genoemd. Deze Vogel is een van de grootste +Papegaaien; zijn snavel is kolossaler dan die van eenig ander lid der +orde. Zijn plaatsing in deze onderfamilie is voornamelijk gegrond op de +kortheid en den vorm van den breeden staart en op de aanwezigheid van +een kuif op den kop; deze is echter op geheel andere wijze samengesteld +dan bij de echte Kaketoes. Door den ontzagwekkenden snavel en de +naaktheid van de wang herinnert deze Vogel aan de Araras. Eigenaardig +is de vorm van zijn tong; deze is tamelijk lang, vleezig, rolvormig, +aan de bovenzijde uitgehold en van voren afgeplat, donkerrood, aan de +spits hoornachtig en hier als 't ware met een zwart pantser bedekt; +zij kan tamelijk ver buiten den snavel uitgestoken en als een lepel +gebruikt worden; het met den snavel fijngemaakte voedsel wordt er +er mede opgenomen en naar den slokdarm vervoerd. De randen van de +tong zijn zeer beweeglijk; zij kunnen naar boven tegen elkander +aangelegd worden, zoodat de spijsbrok dan omsloten is door een buis +en gemakkelijk naar binnen glijdt. + +De Rasmalos is forscher gebouwd dan de meeste Araras. Zijn vederenkleed +is effen donkerzwart met een zwakken groenachtigen weerschijn; bij +den levenden Vogel heeft het echter een grijsachtige tint, omdat het +met een meelachtig stof bedekt is. De onbevederde, rimpelige wangen +zijn rood van kleur. De kuif bestaat uit lange, smalle veeren, welker +kleur meer naar grijs zweemt dan die van het overige lichaam. + +Over het leven van dezen Vogel in de vrije natuur is weinig bekend. "De +Arara-kaketoe," zegt Von Rosenberg, "is niet zeldzaam op Waigioe, +Misool, Salawatti en op de kust van Nieuw-Guinea. Meestal houdt zij +zich op in de kroon van de hoogste boomen, waar zij voortdurend in +beweging is; terwijl zij zit of met krachtige vleugelslagen hoog in de +lucht voorbijvliegt, hoort men haar ratelende stem, welke een geheel +anderen klank heeft dan die van de Witte Kaketoes. De inboorlingen +nemen de jonge Vogels uit het nest, brengen ze groot en verkoopen ze +daarna aan de handelaars. De gevangenen eten het liefst de vruchten +van den kanariboom, welker ijzerharde bolster zij gemakkelijk stuk +maken. Zij worden zeer tam. Een van deze Kaketoes, die aan een bewoner +van Amboina behoort, zwerft vliegend door de geheele stad rond en +komt te rechter tijd thuis om te eten en te slapen." + +E. von Martens zag een gevangen exemplaar van deze soort op Mahai. "De +Zwarte Kaketoe," schrijft hij, "is een grappige Vogel. Stijf zittend +met haar rood aangezicht, haar kolossalen snavel en haar steeds +overeindstaande vederenpluim, doet zij denken aan een ouden generaal; +vooral door haar leelijkheid maakt zij een levendigen indruk. Zij is +stil en vervelend; bij de nadering van een vreemdeling en ook nu en +dan zonder eenige aanleiding laat zij haar krakende stem hooren." Deze +klinkt volgens Schmidt als "ra-a" en herinnert aan het kraken van +een deur. + +Op Amboina ziet men dikwijls getemde Arara-kaketoes; haar prijs +bedraagt daar 20 à 25 gulden per stuk. In Europa komen zij zelden +voor. In den Amsterdamschen dierentuin was er één, die men aan allerlei +voedsel, vleesch uitgezonderd, had kunnen gewennen en die zich daarbij +wel bevond. + + + +Het naast verwant aan de beschreven soort zijn waarschijnlijk +de Raafkaketoes (Calyptorhynchus), welker grootte in den regel +afwisselt van die van een Raaf tot die van een Kauw; wegens hare groote +vliegwerktuigen zien zij er nog grooter uit dan zij werkelijk zijn. De +opmerkelijk krachtige snavel is hooger dan lang, half-cirkelvormig +naar beneden en met de korte spits naar binnen gekromd; de pooten +zijn dik, de vleugels lang en spits; de vleugelspits steekt ver uit; +de staart is lang, breed en sterk afgerond; het zachte vederenkleed +bestaat uit breede, aan den top afgeronde veeren; die van den achterkop +zijn verlengd en vormen een achterwaarts gekromde kuif. + + + +De overgang van de echte Kaketoes tot de Raafkaketoes vormt de +Helmkaketoe (Calyptorhynchus galeatus), die de grootte heeft van een +Woudduif. Zij is donker leikleurig zwart, met flauwe dwarsgolven, +daar iedere veer aan de spits een smallen, licht grijsachtig witten +zoom heeft; de kop, de nek, de wangen en de kuif hebben een prachtige, +karmijnroode kleur; de armpennen hebben bovendien somber metaalglanzig +groene zoomen; de onderdekveeren en de onderzijde der pennen, zoowel +van den vleugel als van den staart, zijn grauwzwart. + + + +Over de levenswijze van de Helmkaketoe ontbreken tot dusver uitvoerige +berichten; beter kent men andere leden van haar geslacht, als welke +meest typischen vertegenwoordiger men de Raafkaketoe (Calyptorhynchus +Banksii) mag beschouwen. Zij is grooter dan alle tot dusver genoemde +Kaketoes: haar totale lengte bedraagt ongeveer 70 cM., waarvan +30 cM. op den staart komen. Het vederenkleed, de staart alleen +uitgezonderd, is bij het mannetje glanzig zwart met groenachtigen +weerschijn, bij het wijfje groenachtig zwart; de kop, de zijden van +den hals en de vleugeldekveeren zijn geel gevlekt, de onderdeelen +lichtgeel gestreept. Een breede, karmijnroode dwarsband komt bij het +mannetje op het midden van den staart voor, maar laat de middelste +staartveeren en de buitenvlag der beide buitenste veeren vrij. Bij het +wijfje treft men breede, gele, roodgeel gesprenkelde dwarsbanden aan, +die dezelfde eigenaardigheid vertoonen; ook de onderste staartdekveeren +zijn op deze wijze geteekend. + +De Raafkaketoes behooren in Australië thuis, maar zijn over +verschillende districten van dit werelddeel verbreid. Zij zijn echte +boomvogels, die zich hoofdzakelijk voeden met zaden van eucalypten +en van andere boomen van haar vaderland, hoewel zij af en toe ook, +in tegenstelling met andere Papegaaien, vette maden gebruiken. Van +de overige Kaketoes verschillen zij voorts, doordat zij tot slechts +kleine vluchten van 4 à 8 stuks vereenigd zijn, en zelden, n.l. als +zij trekken of zwerven, zwermen vormen. + +Voor zoover men thans weet, broeden de Raafkaketoes uitsluitend +in gaten van boomen. Zij kiezen hiervoor altijd de hoogste en +ontoegankelijkste reuzen van het woud, in den regel zulke, die zelfs +door de inboorlingen niet beklommen kunnen worden. + +Behalve de mensch maken, naar men zegt, ook de Roofbuideldieren en +de groote Roofvogels met goed gevolg jacht op de Raafkaketoes. Haar +vleesch wordt door de blanke bewoners van Australië niet, door de +inboorlingen echter, evenals alle eetbare voortbrengselen van dit +arme land, zeer hoog geschat. + +Gevangen Raafkaketoes komen zelden op onze dierenmarkt; meestal leven +zij in de kooi niet lang. + + + +Het tot inleiding dienend, algemeen overzicht van de onderfamilie +heeft meer bepaaldelijk betrekking op de Kaketoes in de meer +beperkte beteekenis van het woord (Plissolophus); deze hebben een +zeer gedrongen lichaamsbouw en zijn groot of middelmatig groot; +haar grootte wisselt af tusschen die van een Raaf en die van een +Kauw. Haar verbreidingsgebied omvat bijna alle hierboven aangeduide +landen en eilanden, waar leden van de onderfamilie voorkomen; haar +levenswijze is reeds in de inleiding geschetst. + + + +De Moluksche Kaketoe (Plissolophus moluccensis) verdient den voorrang +als waardigste vertegenwoordigster van het geslacht. Zij en een +Australische verwant (Plissolophus galeritus) overtreffen alle +overige soorten in grootte. Haar wit, met een licht rozerood waas +overtogen kleed is zeer fraai en getooid met een prachtige kuif, +die uit meniekleurige veeren van 17 cM. lengte bestaat, welke van +onderen door witte veeren overdekt zijn. De wortelhelft van de +slagpennen en van de staartveeren is aan de onderzijde geelachtig, +de iris is donkerbruin, de kleine kring om het oog grijsachtig blauw +of blauwachtig wit, de snavel, evenals de poot, zwart, doch met een +grijs poeder bedekt, bij de in vrijheid levende exemplaren met een +pruimenblauw waas overtogen. De Moluksche Kaketoe bewoont zoo goed als +uitsluitend het eiland Ceram. Slechts zeer zelden vliegt zij naar het +eiland Amboina over, dat twee volle graadminuten verder zuidwaarts is +gelegen. Vooral zij brengt zoowel aan de kust, als in het binnenland, +in de vlakte zoowel als in het gebergte leven in het stille woud van +dit eiland, dat over 't geheel genomen niet rijk aan Vogels is. + +De gevangen Moluksche Kaketoe vereenigt als 't ware alle eigenschappen +van haar familie en meer bepaaldelijk die van haar geslacht, in +zich. Zij is een prachtige Vogel; hoe langer iemand met haar verkeert, +des te meer genegenheid zal hij voor haar gevoelen. Bijna altijd is +zij reeds getemd, als zij in Europa aankomt, maar nog eenigszins +knorrig ten gevolge van de ontberingen der reis; weldra schikt +zij zich echter in de gewijzigde omstandigheden en toont zich zeer +dankbaar voor de haar bewezen vriendschap, die zij met deemoedige +gehechtheid beantwoordt. Zij is zeer opgewekt van geest en daarom zeer +beweeglijk. "Zelfs als zij rustig op haar zitstok zit," zegt Linden +zeer te recht, "toont zij minstens door het opzetten en neerleggen van +haar kuif, dat zij alles opmerkt, wat er om haar heen voorvalt; als +zij door de een of andere oorzaak tot opgewondenheid wordt vervoerd, +zet zij niet alleen de ver naar beneden hangende kuifveeren op, maar +ook die van den hals, van den nek en van de borst, die dan een groote, +buitenwaarts gerichte kraag vormen; zij breidt de vleugels half en +de staart zoover uit, dat deze op een waaier gelijkt; haar voorkomen +is dan prachtig. De roode kuifveeren, die op schitterende vlammen +gelijken, de veeren om den ondersnavel, die een baard vormen en de +eenigszins opgelichte vliegwerktuigen dragen er toe bij om te maken, +dat zij den indruk van zelfbewuste kracht wekt." + +Een van de fraaiste Australische soorten is de Inka-kaketoe +(Plissolophus Leadbeateri). Hare witte veeren zijn aan den voorkop, +op het voorhoofd en aan de zijden van den hals, op het midden en aan +de onderzijde der vleugels, op het midden van den buik en aan het +wortelgedeelte van de binnenvlag der staartveeren rozerood, onder de +vleugels fraai zalmrood. Prachtig is de kuif: iedere veer is hoogrood +aan den wortel, geel gevlekt in het midden en wit aan de spits. Als +de kuifveeren neergelegd zijn, ziet men alleen hare witte spitsen; +na het oprichten dezer veeren komt haar vurig rood schitterend voor +den dag en vereenigen de gele middelvlekken zich onderling tot een +band, die dezen koptooi nog fraaier maakt. + +Volgens Gould is deze sierlijke Vogel in het zuidoosten van Australië +ver verbreid; bij voorkeur houdt hij zich echter op in de hooge +eucalypten en in het struikgewas, dat in het binnenland de rivieroevers +bedekt; nooit vertoont hij zich in de buurt van het strand. + + + +Nieuw-Zeeland, dat zoo rijk is aan eigenaardige Vogels, wordt +bewoond door een buitengewoon merkwaardig Papegaaiengeslacht: +de Nestor-kaketoes (Nestor), vertegenwoordigers van een +kleine onderfamilie van denzelfden naam (Nestorinae) tot welks +verbreidingsgebied, behalve Nieuw-Zeeland, ook nog het Norfolk- en het +Philippseiland en Nieuw-Guinea behooren. Zij is gekenmerkt door een +krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel met lange, naar onderen +gekromde spits; op de washuid groeien eenige borstelige veertjes. De +krachtige pooten hebben een tamelijk langen loop en lange teenen, +die met harde, sterk gekromde nagels gewapend zijn. De lange, spitse +vleugels reiken in den toestand van rust ver voorbij de bovendekveeren +van den staart. Deze is middelmatig lang, slechts weinig afgerond; +de schaft van elke stuurpen heeft een naakte spits. De dikke, aan de +bovenzijde platte tong is aan de onderzijde afgerond en hier voorzien +met een reeks van korte, stijve wratten, die op de tong ongeveer +dezelfde plaats innemen als de rand van den nagel op den vinger van +den mensch. De betrekkelijk kleine kop draagt geen kuif. + + + +Van de zes bekende soorten van Nestors zijn twee--de Norfolk-nestor +(Nestor norfolcensis), die uitsluitend het Norfolk-eiland bewoonde, en +de Langbek-Nestor (Nestor productus), die alleen op het Philippseiland +voorkwam--reeds geheel uitgeroeid. De vier overige bewonen nog steeds +de bosschen van de beide groote eilanden, waaruit Nieuw-Zeeland +bestaat, en zijn hier zoo talrijk, dat haar uitroeiing voorloopig +niet te vreezen is. + +De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is die, welke door +de Maoris Kaka wordt genoemd (Nestor meridionalis). Totale lengte 47, +staartlengte 18 cM. Zijn vederenkleed, dat zeer ongelijk kan zijn, +is in den regel op voorhoofd, bovenkop en achterkop en op de teugels +witachtig grijs, op de zijden van kop en hals, in den nek, aan de kin, +de keel, den krop en de bovenborst donker omberbruin, op het onderste +deel van de wang en aan de keel purperroodbruin, aan den achterhals, +welks veeren een witten dwarsband vormen, aan den staartwortel, op +de bovendekveeren van den staart en de nog niet genoemde onderdeelen +donkerpurperkleurig roodbruin. De rug, de mantel en de bovendekveeren +van den vleugel hebben een olijfbruine met groenen weerschijn. + +De Kea der inboorlingen, de Mountain-parrot (Bergpapegaai) der +kolonisten (Nestor notabilis), is grooter dan zijn zooeven beschreven +verwant. Totale lengte 50, staartlengte 20 cM. De hoofdkleur van zijn +kleed is olijfgroen. + +Het door den Kaka bewoonde gebied omvat een groot deel van de +westelijke Nieuw-Zeelandsche Alpen van den voet van het gebergte tot +aan de grens der hoogstammige wouden; dat van den Kea daarentegen is +beperkt tot een tusschen 1500 en 2000 M. hoogte gelegen gordel van +de Zuidelijke Alpen, van waar hij slechts gedurende strenge winters +naar lagere oorden verhuist. Van de laatstgenoemde soort hebben +de kolonisten onaangename ervaringen opgedaan. Zij ondervonden, +dat de schapenkudden in het gebergte zonder bekende reden, door +een eigenaardige, alleen hier heerschende ziekte werden aangetast: +op verschillende plaatsen van de huid ontstonden wonden ter grootte +van een hand, die zich tot aan de spierlaag uitstrekten, door het +uitstroomende bloed de wol bedierven en niet zelden den dood van +het schaap ten gevolge hadden. Eindelijk bemerkte een herder, dat +de wonden door de Bergpapegaaien veroorzaakt worden. Een van deze +Vogels ging op een Schaap zitten en vrat het, zonder dat het stomme +dier zich van zijn kwelgeest bevrijden kon, een gat in 't lijf. Toen +de aandacht van de herders eens gevestigd was op den bedrijver van +het kwaad, werden zij bij het weiden van hun vee in 't gebergte +herhaaldelijk getuigen van dergelijke aanslagen. Eén voor één of bij +troepen kwamen de Keas, gingen op den rug van een Schaap zitten, +plukten de wol uit, wondden het dier met den snavel en vielen het +zoo lastig, dat het de kudde verliet. Nu vervolgden en kwelden zij +het door voortdurende aanvallen, totdat het, ten einde raad en geheel +uitgeput, op de zijde ging liggen, om den rug zooveel mogelijk tegen +de Vogels te beschutten; deze vraten hem dan in de zijden gaten in +'t lijf en brachten hierdoor dikwijls den dood van hun slachtoffer +teweeg. Later heeft de Kea de gelukkige ontdekking gedaan, dat in +de nabijheid van de woonplaatsen der kolonisten zich gewoonlijk een +voor hem toegankelijke vleeschbewaarplaats bevindt. Zeer ingenomen +met deze uitmuntende inrichting, die hem de gelegenheid opent om +zonder moeite vleesch te krijgen, doet de Kea thans zijn best om van +deze voorraadschuren partij te trekken. Met dit doel verschijnt hij +geregeld in de nabijheid van de schapenslachterijen om er het afval, +vooral de koppen van de geslachte Schapen op te vreten, voorzoover +hij hiertoe in staat is. Ook de voorraad rund- en schapevleesch +vermindert intusschen, dank zij de vraatzucht van den Vogel, die +zelfs de schapevellen, welke te drogen hangen, niet verschoont. Men +zorgt er echter zooveel mogelijk voor, dat hij zich gewoonlijk met +afval moet behelpen. In den regel verschijnen de dieven gedurende den +nacht; gewoonlijk ondernemen zij hunne rooftochten gemeenschappelijk; +het is althans geen zeldzaamheid een troep van deze tierende Vogels +op de nok van een hut te zien zitten. + + + +De iets kleinere Langbek-nestor (Nestor productus)--waarvan ongeveer +een dozijn opgezette voorwerpen, in verschillende verzamelingen +bewaard, de eenige overblijfselen zijn--bewoonde nog in het midden +dezer eeuw een eilandje tusschen Nieuw-Zeeland en Nieuw-Caledonië, het +Philippseiland, dat ongeveer anderhalf uur omtrek heeft. Opmerkelijk is +het, dat deze Vogel niet aangetroffen werd op het slechts anderhalf uur +verder zuidwaarts gelegen, veel grootere Norfolk-eiland. De rotsen en +de hoogste boomen van het eilandje waren zijn gewone verblijfplaatsen; +hij was zoo mak, dat het niet veel moeite kostte hem te schieten +en in strikken te vangen. Met zijn tong nam hij den honing uit de +witte bloemen van een hibiscus-soort op. (Tot een dergelijk voedsel +bepaalden zich ook de Nieuw-Zeelandsche Nestors vóór de invoering van +de schapenfokkerij in hun vaderland.) Het wijfje legde 4 witte eieren +in holle boomen. In 1851 bezat de Londensche diergaarde een levenden +Langbek-nestor; deze was niet in een kooi opgesloten en liep als een +Kraai op den grond; sla en andere saprijke planten, vruchten, room en +boter waren zijne liefste spijzen. Hij had een heesche, krakende, zeer +wanluidende stem, die min of meer op het blaffen van een Hond geleek. + + + +Van het op Nieuw-Guinea en Salawatti levende geslacht der +Papoea-nestors (Dasyptilus) is tot dusver slechts één soort (en +deze zeer zelden) met zekerheid waargenomen. De Borstelkop of +Adelaar-papegaai (Dasyptilus Pecqueti) heeft de grootte van een +Kraai en ontleent zijn naam aan de zeer smalle, harde, lansvormige +kopveeren. Zijn vederenkleed is grootendeels zwart; rood zijn +echter het middelgedeelte der vleugels, de buik, de achterste +bovendekveeren van den staart en, naar het schijnt, soms ook de +staartpennen.--D'Alberti zag deze Vogels bij troepen van hoogstens +50 stuks op weg naar de hooge boomen, waarin zij overnachten. + + + +Voor 't meerendeel nachtvogels zijn de Uilpapegaaien (Stringopinae), +een kleine, slechts vier soorten omvattende, tot het Australische +Rijk behoorende onderfamilie. Zij kenmerken zich vooral door de +zachtheid van hun vederenkleed en zijn het naast verwant aan de +Platstaartpapegaaien. + + + +De Grondparkiet (Pezoporus formosus), de eenige vertegenwoordiger +van zijn geslacht, heeft de grootte van een Lijster; de staart is +echter langer dan het overige lichaam. Hij bezit krachtige pooten met +een opmerkelijk langen loop en lange teenen, die met zwakke, weinig +gekromde nagels gewapend zijn. Het vederenkleed is tamelijk bont, +ofschoon hierin slechts weinige kleuren met elkander afwisselen. De +hoofdkleur is olijfkleurig grasgroen; met uitzondering van den kop, +den hals en den staartwortel zijn alle onderdeelen met dwarslijnen, +de bovendeelen met dwarsvlekken geteekend. De veeren van den mantel, +van de schouders en van den achterrug benevens de vleugeldekveeren +zijn zwart met twee of drie smalle, gele dwarslijnen en een breeden, +groenen rand. De veeren van borst, buik en zijden zijn, evenals de +onderdekveeren van den staart, olijfkleurig geel met drie zwarte, +breede dwarsbanden en een smallen, groenen rand. De donker olijfbruine +slagpennen hebben een groene buitenvlag; de vier middelste staartpennen +zijn donkergroen, de overige olijfgeel: gene met smalle, gele, deze +op de binnenvlag met zwarte, op de buitenvlag met breedere, groene +dwarsbanden geteekend. Een smalle voorhoofdsrand is menierood. De +oogen, de snavel en de pooten zijn bruin. + +De Grondparkiet is, volgens Gould, over geheel Zuid-Australië en +Tasmanië verbreid. In de noordelijke gedeelten van het Australische +vasteland heeft men hem nog niet waargenomen. Hij is een standvogel +en leeft in het door hem bewoonde gebied bijna voortdurend op den +grond; in de kroon van een boom ziet men hem uiterst zelden. Tot +verblijfplaats kiest hij onvruchtbare zandstreken, die met kort gras en +andere kruiden begroeid zijn, of met biezen bedekte veengronden. Hij +leeft hier eenzaam of paarsgewijs en zeer teruggetrokken; zonder +Hond kan men hem moeilijk opsporen. Hij loopt zeer snel en lang +achtereen op de wijze van een Snip door het gras, maakt behendig +gebruik van iedere geschikte schuilplaats en "drukt" zich soms als +een Hoen of een Moerasvogel tegen den grond, in de hoop onopgemerkt +te blijven. Alleen bij een onverwachte overrompeling maakt hij van +zijne vleugels gebruik; hij handelt dan ongeveer, zooals de Hoenderen +doen, vliegt buitengewoon snel dicht bij den grond langs, laat zich +na verscheidene zigzagzwenkingen in de lucht plotseling weer op den +bodem vallen en rent zoo vlug mogelijk verder. + +De witte eieren worden op den naakten grond gelegd en door beide +ouders bebroed. + +In tegenstelling met de meeste andere Papegaaien wordt de Grondparkiet +als wild zeer hoog geschat; zijn vleesch is malscher dan dat van de +Snip en komt in smaak met dat van den Kwartel overeen. + +De bovenstaande levensbeschrijving is belangrijk uitgebreid door +Müller. Hoewel diens mededeelingen betrekking hebben op een andere +soort--de Holenparkiet (Geopsittacus accidentalis)--komt het mij zeer +waarschijnlijk voor, dat zij ook op den Grondparkiet toepasselijk +zijn. De Holenparkiet is een nachtvogel, die zich over dag in holen +ophoudt, welke hij eerst na zonsondergang verlaat om voedsel te +zoeken. Een gevangen exemplaar in de diergaarde van Regents-Park +hield zich over dag stil en rustig op zijn slaapplaats; zoodra de +schemering aanving, begon hij rond te loopen en te eten. Als voedsel +gebruikte hij niet alleen zaden, maar hapte, evenals de Kakapo, graag +de topspruitjes van het gras af. Hij ging nooit op een tak zitten, +maar bleef altijd op den grond, waarover hij haastig voortstapte. Zijn +stem was een schel, eentonig gefluit. + + + +De merkwaardigste van alle Papegaaien--de Kakapo, Tarapo of Uilpapegaai +(Stringops habroptilus)--is een Nieuw Zeelandsche nachtvogel, die +sterk aan de Uilen herinnert. Om hem te kenmerken is het voldoende +te wijzen op zijn uilachtig vederenkleed en op den sluier, die zijn +aangezicht bedekt. De snavel is krachtig, dik, meer hoog dan lang; +de zeer krachtige poot heeft een langen en dikken loop en is met sterk +gekromde, spitse klauwen gewapend; de vleugels zijn kort en afgerond; +het vederenkleed is hard en grootendeels uit breede, wijdbaardige, +aan den top afgeronde veeren samengesteld; die van het voorhoofd en de +wangen zijn echter smal, bijna vezelig; lange, haarvormige schaften +omgeven straalsgewijs den snavelwortel en vormen gezamenlijk een +soort van sluier. + +Daar de Kakapo niet of althans zeer gebrekkig klimt en vliegt, hoewel +hij klimvoeten en vleugels bezit, houden sommigen hem voor een weinig +gewijzigde afstammeling van de alleroudste Papegaaien. Marshall +daarentegen beschouwt den Uilpapegaai als "den modernsten vorm der +geheele orde, in dezen zin, dat hij zich in verband met eigenaardige +behoeften het meest gewijzigd en van de typische Papegaaien het +verst verwijderd heeft." "De Grondparkiet," zegt hij, "stamt af +van een klimmenden vorm en is niet, omgekeerd, de stamvader van +klimmende vormen. De Kakapo heeft duidelijke klimvoeten en deze +kunnen nooit verworven zijn door een van oudsher op den bodem +huizenden vorm." Zijne voorouders hebben de geschiktheid voor 't +klimmen langzamerhand verloren, omdat zij in het door hen bewoonde +gebied zelden of nooit boomen behoefden te bestijgen; toch hadden zij +(en hebben hunne hedendaagsche nakomelingen) het maaksel van den voet +hunner klimmende voorouders bijna onveranderd behouden. + +Tot dezelfde uitkomst leidt het onderzoek van de werktuigen voor +het vliegen. Deze zijn bij den Kakapo veel gebrekkiger ontwikkeld +dan men na oppervlakkige beschouwing van den Vogel zou vermoeden. De +groote borstspieren, die door haar samentrekking den neerwaartschen +slag van den vleugel teweegbrengen, en de kam op het borstbeen, +waaraan deze spieren ontspringen zijn "rudimentair". Hetzelfde valt +op te merken van het vorkbeen, dat door vergroeiing van het voorste +paar sleutelbeenderen ontstaat en gewoonlijk het schouderblad met +den voorsten top van het borstbeen verbindt. Hoewel steeds aanwezig +bij de Vogels, die goed kunnen vliegen, heeft het voor deze beweging +een minder belangrijke beteekenis dan de vroeger genoemde organen. De +gebrekkige ontwikkeling en zelfs de afwezigheid van het vorkbeen gaat +niet noodzakelijk gepaard met het volkomen gemis van de geschiktheid +voor 't vliegen. De Kakapo is dan ook in zijn orde niet de eenige, +die deze afwijking vertoont. Volgens Finsch ontbreekt het vorkbeen +(twijfelachtige gevallen en tegenstrijdige opgaven buiten rekening +gelaten) bij 18 soorten van het Australische Rijk (waaronder de +Kakapo), voorts bij één soort van het Ethiopische en één van het +Zuid-Amerikaansche Rijk. Zelfs zeer nauw verwante soorten kunnen door +het al of niet bezitten van het vorkbeen onderling verschillen. Dit +been heeft bij het vliegen een bepaalde rol te vervullen: het is een +soort van veer, die, tusschen de bovenste gedeelten der beide vleugels +gelegen, door haar elasticiteit op passieve wijze weerstand biedt aan +de beenderen van de voorste ledematen, wanneer zij door de werking der +borstspieren naar elkander toe bewogen worden; het vorkbeen verhindert +dus een te groote toenadering van de vleugels. Dat het gemis van +het vorkbeen dikwijls het gevolg is van het te loor gaan (of althans +gebrekkig worden) van het vermogen om te vliegen, blijkt o.a. bij den +Struis en bij het bonte mengelmoes van Vogels, dat vroeger met den +Struis de orde van de "Loopvogels" vormde, zoo ook bij den Kakapo. [De +Platstaartpapegaaien evenwel, die het vorkbeen missen (en dit is het +geval bij twee derden van alle soorten, o.a. bij den Zangparkiet), +vliegen even goed of (zoo niet even slecht, dan toch, omdat zij een +eiland bewonen) even zelden en over even korte afstanden als de soorten +met goed ontwikkeld vorkbeen]. De slotsom van Marshall's betoog luidt: +"De teruggang in ontwikkeling van alle vliegorganen van den Kakapo (het +ontbreken van het vorkbeen, het gedeeltelijk verdwijnen van den kam op +het borstbeen, van de borstspieren enz.) is een secundair verschijnsel, +hier, zoowel als bij de zoogenaamde "Loopvogels", bij den Reuzenalk, +bij den Dodo enz. De voorouders van den Kakapo waren niet slechts +voor het klimmen, maar ook voor het vliegen goed uitgerust. Alle +ongewone eigenaardigheden van den Uilpapegaai zijn het resultaat van +wijzigingen, die zijne voorouders ondergaan hebben, terwijl zij allengs +geschikt werden voor het leven op den grond van een eiland zonder +roofdieren. Ook andere eigenaardigheden van dit merkwaardige wezen, +n.l. die, welke in verband staan met zijn nachtelijke levenswijze, +berusten op "teruggaande ontwikkeling". Mijn slotsom is dus, dat +Stringops niet de oudste stamvorm van de Papegaaien is, maar een tak +van dezen stam, die zich door langzaam voortschrijdende wijzigingen +van de levenswijze in tegengestelde (teruggaande) richting ontwikkeld +heeft." + + + +De Kakapo behoort tot de grootste Papegaaien en evenaart wegens zijn +goed gevuld vederenkleed in omvang bijna den Grooten Ooruil. Bij +het mannetje is de geheele bovenzijde helder olijfkleurig groen, +de onderzijde olijfgeel, iedere veer met onduidelijke, donkerbruine +dwarsbanden geteekend. De uilachtige sluier en de kin hebben een +helder stroogele kleur. De staartpennen en de buitenvlag van de +slagpennen zijn olijfkleurig geelbruin, zwart gemarmerd; de onderste +staartdekveeren zijn bijna effen olijfgroen. + +Hoewel Nieuw-Zeeland ons sinds lang bekend is geweest, zijn wij +van het bestaan van den Kakapo eerst sedert betrekkelijk korten tijd +onderricht en is onze kennis van zijn levenswijze van jongen datum. Het +eerst leerde men den merkwaardigen Vogel kennen door den opschik der +inboorlingen waarvan de groene veeren en de koppen van Kakapo's een +belangrijk deel uitmaakten. Hun verblijfplaats en levenswijze werkten +mede om hen aan de waarneming te onttrekken; het eerste vel kwam niet +voor 1845 in Europa aan. In de halve eeuw, die sedert verloopen is, +hebben wij den Kakapo tamelijk nauwkeurig leeren kennen. Behalve aan +Von Haast hebben wij vooral aan Lyall en Sir George Grey berichten +over de levenswijze van dit dier te danken. "Hoogst opmerkelijk is +het," schrijft Von Haast, "dat de Kakapo, behalve in het dal van de +Makarora-rivier, die het Wanaka-meer vormt, nergens aan de oostzijde +van de Alpen gevonden wordt, hoewel ook in deze gewesten groote wouden +voorkomen. Tot de districten ten westen van den hoofdketen beperkt, +overschrijdt hij dezen, naar het schijnt, alleen door den lagen, met +bosch bedekten pas, die het bronnengebied van de Haast-rivier met dat +van den Makarora verbindt; bij het bereiken van de uitmonding dezer +rivier in het Wanaka-meer werd zijn verder voortdringen waarschijnlijk +gestuit door het ophouden van het woud. In het dal en het woud van den +Makarora is hij zeer veelvuldig, ofschoon hier talrijke werklieden +met het vellen van boomen bezig zijn. Toen wij aan den rand van dit +woud gekampeerd waren, hoorden wij voortdurend zijn stem; geen der +werklieden vermoedde echter de nabijheid van zulk een grooten Vogel, +hoewel zijn eigenaardig, schel geschreeuw dikwijls hun aandacht had +getrokken. Minder talrijk komt hij voor in het Wilkin-dal (waar ik, +terloops zij dit hier opgemerkt, sporen van Wilde Honden aantrof). In +het Hunter-dal, dat er slechts door een niet zeer hoogen bergketen met +eenige lage zadels van gescheiden is, ziet men van zijn aanwezigheid +geen spoor, ofschoon de groote beukenwouden van dit dal hem een +geschikte verblijfplaats zouden leveren." + +"De eerste plaats, waar wij deze Vogels aantroffen," zegt Lyall, +"was een heuvel van ongeveer 1200 M. hoogte boven den zeespiegel; +wij ontmoetten ze echter ook, gezellig levend, op vlakke plaatsen in +de nabijheid van riviermonden, niet ver van de zee. Op zulke plaatsen +kon men zijne voetpaden vinden. Zij zijn ongeveer 30 M. wijd, in den +regel neergedrukt tot aan den rand, die 5 à 7 cM. diep in het mos +doordringt en kruisen elkander gewoonlijk rechthoekig. Dikwijls komen +zij zoozeer met die van menschen overeen, dat wij ze aanvankelijk +aan de aanwezigheid van inboorlingen meenden te moeten toeschrijven. + +"De Kakapo bewoont holen onder boomwortels en wordt ook wel onder +overhangende rotsen opgemerkt. Daar de wortels van vele soorten van +Nieuw-Zeelandsche boomen voor een deel boven den grond uitsteken, +worden er zeer dikwijls holten onder gevonden; het kwam ons echter +voor, dat deze op de plaatsen, waar wij den Kakapo aantroffen, +gedeeltelijk verwijd waren, hoewel wij te vergeefs in de buurt naar de +uitgegraven aarde zochten." Dikwijls hebben de holen twee openingen; +soms waren de daarboven staande boomen tot op een zekere hoogte +hol. Over dag krijgt men den Kakapo alleen dan te zien, wanneer men +hem uit zijn woning verdrijft. "Alleen met Honden," zegt Lyall verder, +"konden wij hem opsporen. Vóór het invoeren der Honden en toen de Vogel +in de bewoonde gedeelten der eilanden nog veelvuldig voorkwam, vingen +de inboorlingen hem gewoonlijk 's nachts bij fakkellicht. Tegenwoordig +zit een ras van halfwilde Honden, dat de noordelijke gewesten van +het Zuidereiland bewoont, den Kakapo voortdurend op de hielen en is +hij daar bijna geheel uitgeroeid. + +"Vroeger vermoedde men, dat de Kakapo een nachtelijke levenswijze +zou hebben; naar ik meen, geven mijne ervaringen aanleiding tot de +overtuiging, dat dit niet altijd het geval is. Wel hoort men gewoonlijk +één uur na zonsondergang, als onder het dichte bladerengewelf een +ondoordringbare duisternis heerscht, van alle zijden zijn stem +weerklinken; hij begint dan rond te zwerven (en kwam eens omstreeks +dezen tijd, aangelokt door het licht, dicht bij onze tent, waar hij +door onzen Hond gevangen werd); wij troffen hem echter ook tweemaal +over dag aan, bezig met eten en zeer waakzaam tegen een naderend +gevaar. De eerste maal gebeurde dit op een namiddag bij bewolkten +hemel in het open woud, toen wij van de westkust terugkwamen. Niet +ver van de Haast-rivier zat een Kakapo op een omgevallen boom; hij +verdween schielijk, toen wij nader kwamen, maar werd toch door den +Hond gevangen. Ten tweeden male zagen wij er één op klaarlichten dag, +toen wij door een diepe rotskloof gingen, 3 M. boven den bodem op +een fuchsiaboom zittend, welks bessen hij at. Ons ziende, liet hij +zich op den grond vallen, alsof hij uit den boom geschoten was en +verdween onder de naburige, groote rotsblokken. Het trof ons zeer, +dat de Vogel geen gebruik maakte van zijne vleugels en ze zelfs niet +eens uit spreidde om den schok van den val te breken. Om te weten, +of hij in 't geheel niet zou vliegen of fladderen, wanneer hij vervolg +werd, liet ik een Kakapo, die, zonder gewond te worden, door den Hond +gevangen was, op een groote, vrije, met steentjes bedekte plaats los; +hij had hier ruimte genoeg om zich met behulp van zijne vleugels +in de lucht te verheffen, indien hiervoor een groote ruimte noodig +was. Tot mijn verwondering liep hij eenvoudig naar het naastbijgelegen +kreupelbosch; hij deed het sneller dan ik met het oog op zijne teenen +en zijn plompe gedaante verwacht zou hebben; zijne bewegingen geleken +op die van de Hoenderachtige Vogels." Lyall heeft den Kakapo echter +zien vliegen, hoewel slechts over een onbeduidenden afstand. "Op onze +jachttochten," zegt hij, "zagen wij den Kakapo alleen dan vliegen, +als hij in een hollen boom was geklommen om hoogerop een uitweg te +zoeken. Van hier vloog hij dan in den regel naar een lageren boom +en klom bij dezen schielijk omhoog, waarbij hij ook van zijn staart +gebruik maakte. Het geluid van den Kakapo is een heesch gekras, dat in +een wanluidend gekrijsch overgaat, als de Vogel opgewonden of hongerig +is. De maag van de door ons gedoode Kakapo's bevatte een lichtgroene, +soms nagenoeg witte, gelijkaardige massa, zonder eenig spoor van +vezels. Ongetwijfeld bestaat hun voedsel ten deele uit wortels, +ten deele ook uit bladen en jonge spruitjes van verschillende planten. + +"Een eigenaardigheid van den Kakapo, misschien een gevolg van zijn +plantaardig dieet, is, dat hij, in plaats van olieachtig, week vet, +zooals bij andere Vogels onder de huid voorkomt, veel vast, wit vet +heeft; zijn vleesch is veel steviger en beter dan dat van de andere +Papegaaien; het smaakt uitmuntend." + +Van de voortplanting meldt Lyall het volgende: "Gedurende de laatste +helft van Februari en de eerste helft van Maart, welken tijd wij +te midden van de woonplaatsen der Kakapo's doorbrachten, vond ik +in vele zijner holen jongen, dikwijls slechts één, nooit meer dan +twee. Gewoonlijk, maar toch niet altijd, werd één oude Vogel tegelijk +met de jongen in het hol aangetroffen. Een eigenlijk nest is niet +voorhanden; de Kakapo graaft eenvoudig een ondiep kuiltje in de droge +massa vermolmd hout. Het ei is zuiver wit, ongeveer zoo groot als dat +van een Duif. De jongen, die wij vonden, waren van zeer verschillenden +leeftijd, eenige bijna geheel bevederd, andere nog met dons bedekt. + +"De Kakapo is een goedaardige en schrandere Vogel; hij vat een warme +genegenheid op voor personen, die hem goed behandelen en geeft deze +te kennen door bij hen op te klimmen en zich tegen hen te wrijven; +bovendien is hij in hooge mate gezellig en speelsch. Werkelijk, +zou hij, indien hij zijn omgeving niet zoo erg bevuilde, een betere +metgezel zijn dan alle andere mij bekende Vogels; het openbaren +van genegenheid door speelschheid en liefkoozingen ligt meer in den +aard van een Hond dan in dien van een Vogel."--"Zijn speelschheid," +schrijft Sale, "is merkwaardig. Hij komt uit een hoek van de kamer +aanloopen, vat mijn hand met de klauwen en den snavel, wentelt zich, +de hand vasthoudend, als een katje over den grond en loopt terug om +zich tot een nieuwen aanval te laten uitnoodigen. Zijn spel wordt +soms een weinig woest; door de geringste terechtwijzing kan men hem +echter dadelijk tot bedaren brengen." + + + + + +DERDE ORDE. + +DE DUIFVOGELS (Peliornithes). + + +In de buurt van de Papegaaien, tusschen de Pluviervogels en de +Hoendervogels is de plaats van de Duifvogels. Deze orde en haar +eenige gelijknamige onderorde (Columbiformes) omvat twee familiën, +die tot dusver meestal gescheiden werden: de Duiven (Columbidae), +welker verbreidingsgebied zich over alle faunistische Rijken uitstrekt, +en de Zandhoenderen (Pteroclidae), die tot de Oude Wereld beperkt zijn. + + + +De Duiven (Columbidae) zijn middelmatig groote Vogels, met kleinen +kop, korten hals en een uit groote en harde veeren samengesteld +kleed. De snavel is steeds kort, bij de meeste soorten ook zwak, +hooger dan breed, aan den rand ingetrokken, soms zelfs uiteenwijkend, +aan den wortel zacht; slechts aan de spits hoornachtig, hier een weinig +gezwollen, gewelfd en flauw haakvormig gebogen. Bij enkele soorten is +de snavel krachtiger, dikker, harder--bij uitzondering ook wel zeer +gewelfd en de onderkaak bij de spits zelfs getand. De neusgaten liggen +tamelijk ver naar voren, zijn gewoonlijk spleetvormig en dikwijls door +een gezwollen, kraakbeenige, met washuid bekleede schub bedekt. De +korte voet is vierteenig, zijn loop zelden hooger dan de middelste +voorteen lang is, bij uitzondering niet lager dan even onder het +spronggewricht bevederd; de teenen, waarvan er drie naar voren staan, +zijn tot aan hun gewrichtsverbinding met den loop van een gescheiden +of hoogstens door een zeer kort spanvlies gedeeltelijk verbonden, +de klauwen dik, maar kort, meestal ook weinig gebogen; de loop +is van voren met korte dwarsschilden, van achteren netsgewijs met +schubben bekleed. De vleugel bestaat uit harde slagpennen, waarvan +er 11 à 15 aan den voorarm, 10 aan de hand zitten; van deze steekt +de tweede voorbij de andere uit. De staart bestaat in den regel uit +12, bij uitzondering uit 14 à 16 pennen; hij is meestal kort en zwak +afgerond, soms echter lang en dan gewoonlijk naar de zijden trapsgewijs +afgekort. De stijve en harde veeren liggen tamelijk glad tegen het +lichaam aan; iedere veer afzonderlijk is betrekkelijk groot, breed +afgerond en bij den wortel donzig. Zachte kleuren hebben de overhand, +levendige, sterk sprekende zijn echter volstrekt niet zeldzaam; +vooral de hals en de vleugeldekveeren iriseeren dikwijls met de +prachtigste metaalkleuren. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat +bij de meeste soorten weinig verschil; de jongen onderscheiden zich +echter gewoonlijk van de ouden. Van hun grootte valt op te merken, +dat de grootste der thans bekende Duifvogels een kleinen Kalkoen, +de kleinste een Leeuwerik ongeveer evenaart. + +Van het inwendig samenstel verdient, volgens Nitzsch vermelding, +dat de Duiven in verschillende opzichten--vooral door den vorm van +borstbeen, vorkbeen, voorarm, bekken, maag, luchtpijp, enz.--een niet +geringe overeenkomst met de Hoenderen vertoonen, in andere opzichten +trouwens zeer duidelijk van hen verschillen. De slokdarm verwijdt +zich tot een echten krop, welks wand in den broedtijd dikker wordt +en dan aan zijn binnenste oppervlakte netvormige plooien en mazen +vertoont, die (ten gevolge van den vermeerderden toevoer van bloed +naar de vaten) in dien tijd een melkachtige stof afscheiden, welke +het eerste voedsel van de jongen is. Hierdoor verschillen de Duiven +van alle overige bekende Vogels. + +Er is reden om de Duiven begaafd te noemen. Zij loopen goed; hoewel zij +geen bijzonder snellen gang hebben, kunnen zij dien lang volhouden; +bij elken stap knikken zij echter met den kop, omdat hare pooten +kort zijn. Enkele soorten loopen op de wijze van Hoenderen zeer +snel; andere kunnen zich op den bodem niet goed redden, maar des +te beter op de twijgen der boomen. Zij, die het best kunnen loopen, +vliegen het slechtst; verreweg de meeste echter hebben een snelle en +krachtige vlucht, die zich door behendige, snelle wendingen kenmerkt +en gewoonlijk met een luid, fluitend gedruisch gepaard gaat. Dat de +Duiven uit eigen beweging soms zwemmen, heb ik in Egypte waargenomen; +dat zij in den grootsten nood zelfs duiken, hebben Naumann en E. von +Homeyer opgemerkt. Over 't algemeen is er tusschen de stemmen van de +verschillende Duiven veel overeenkomst waar te nemen; bij vergelijking +van deze geluiden merkt men echter ook verscheidenheid op. De meeste +Duiven "roekoeken", d.w.z. laten kort afgebroken, hol klinkende, zware +geluiden hooren, waarin de klonk "roek" of "roeks" de overhand heeft; +andere "kirren", brengen zachte, trillende tonen voort, welker klank +aan den wortel van het genoemde werkwoord herinnert; enkele soorten +huilen, andere lachen; eenige geven zeer klankvolle, goed afgeronde, +aangename geluiden ten beste, andere knorren afschuwelijk. Onder hare +zinnen staat ongetwijfeld het gezicht bovenaan, zooals het betrekkelijk +groote, goed gebouwde en dikwijls zeer fraai gekleurde oog, dat veel +uitdrukking heeft, reeds laat vermoeden; eveneens voortreffelijk is het +gehoor, over welks scherpte men gemakkelijk een bepaald oordeel kan +verkrijgen; waarschijnlijk zijn ook de smaak, de reuk en het gevoel +betrekkelijk fijn. De geestesgaven van de Duiven heeft men, verleid +door haar meer schijnbare dan werkelijke lieftalligheid, dikwijls +zeer overschat. De Duiven zijn in den regel schuw en voorzichtig, +onderscheiden echter een wezenlijk bestaand van een denkbeeldig gevaar +niet zoo scherp als andere Vogels; zij nemen altijd het wisse voor +het onwisse en ontwijken daarom den boer of den schaapherder even +angstvallig als den jager. Het kost moeite ze werkelijk te temmen, +omdat haar geschiktheid om te oordeelen gering en haar geheugen (op +zijn zachtst uitgedrukt) niet voortreffelijk is. Toch verdienen de +Duiven, ook wat hare geestvermogens betreft, duidelijk den voorrang +boven de Hoenderachtigen en Pluviervogels. + +In hare handelingen is zooveel aantrekkelijks, dat zij reeds sinds +overouden tijd als zinnebeelden beschouwd werden; zelfs is haar de +eer ten deel gevallen, dat men bovenzinnelijke begrippen in haar +gedaante voorstelde. Voor het onbevangen oog vertoont zich haar aard +in een minder gunstig licht. Vele, maar geenszins alle Duiven houden +van gezelligheid en leven paarsgewijs: het is echter zeer de vraag, +of de leden van een paar werkelijk levenslang vereenigd blijven, +zooals gewoonlijk aangenomen wordt. Ronduit afschuwelijk vinden wij de +trouweloosheid van vele Duiven jegens haar gebroed: niet slechts de +eieren, maar zelfs de reeds uit den dop gekomen jongen verlaten zij, +wanneer zij gestoord worden en hierdoor argwaan krijgen. Ook kan men +haar niet vrijpleiten van nijd en afgunst; de hebzucht brengt bij haar +ieder kameraadschappelijk gevoel tot zwijgen: het door haar gevonden +voedsel bedekken zij met de vleugels, terwijl daarentegen de veel +lager geschatte Hoenderen in een dergelijk geval hunne metgezellen +bij zich roepen. + +De Duiven (waarvan men ongeveer 400 soorten onderscheidt) zijn +wereldburgers in de meest uitgestrekte beteekenis van het woord. Zij +bewonen alle werelddeelen, alle hoogte- en breedtegordels, maar geven +de voorkeur aan het woud; die, welke zich op kale rotsen vestigen, +behooren tot de uitzonderingen. Zij houden van de nabijheid van 't +water en vermijden waterlooze gewesten, waarmede echter niet bedoeld +wordt, dat zij hier geheel ontbreken; daar haar vaardigheid in 't +vliegen haar in staat stelt om dagelijks verafgelegen drinkplaatsen te +bezoeken. Haar grootste ontwikkeling vertoont deze orde op de groote +en kleine eilanden van de Stille Zuidzee; over 't algemeen trouwens +herbergen de eilanden naar evenredigheid meer Duiven dan de groote +vastelanden. De Soenda-eilanden, Philippijnen, Molukken zijn rijk +aan afwijkende en prachtige soorten; in aanzienlijken getale bewonen +zij Australië en Nieuw-Guinea; weinig minder sterk vertegenwoordigd +zijn zij in Indië en Zuid-China. In Afrika is het aantal soorten +minder groot dan in Azië; iedere soort wordt echter zeer veelvuldig +aangetroffen; men ontmoet hier allerwege Duiven, zelfs nog midden in +de woestijn. In de wouden van de steppe ziet men ze hier en daar als +'t ware op iederen boom; in de oerwouden is het roeksen, kirren, +huilen enz. van de Duiven een zoo gewone muziek, dat het geluid van +alle andere Vogels er bijna door overstemd wordt; een enkele bron, een +waterplas in de steppe, dient gedurende meer of minder langen tijd als +verzamelplaats voor honderdduizenden van deze snelvliegende Vogels, die +betrekkelijk weinig behoeften hebben. Amerika, vooral het zuiden van +dit werelddeel, is het vaderland van meer dan het derde deel van alle +tot dusver bekende Duiven. Op grond van haar bekende voorliefde voor +het verblijf op eilanden, zijn zij in Middel-Amerika nog veelvuldiger +dan in Brazilië. Bij het nagaan van hare verblijfplaatsen blijkt +het, dat de verschillende soorten de wereld onder elkander verdeeld +hebben. Terwijl sommige uitsluitend boomvogels zijn en hoogstens om +te drinken op den bodem komen, brengen andere hier haar geheele leven +door of begeven zich hoogstens voor korten tijd op lage boomtakken; +terwijl deze het donkere woud bevolken, vestigen gene zich in het +lichte struikgewas der steppe; weer andere huizen slechts op rotsen, +of alleen in lage struiken, uitsluitend op kleine eilanden, enz. + +Alle in het noorden levende soorten zijn trekvogels, de bewoners van +zuidelijke gewesten zwerf- of standvogels. Deze leven hoogstens in +kleine troepen, gewoonlijk echter bij paren; de overige vereenigen +zich slechts gedurende den trektijd tot groote zwermen; andere +vormen jaar in jaar uit talrijke genootschappen; de leden van +sommige soorten vereenigen zich tot ontzaglijke scharen, die +volgens betrouwbare schattingen veel talrijker zijn dan bij eenige +andere Vogelgroep. Zelden trekken zij ver weg; de Europeesche Duiven +b.v. begeven zich hoogstens naar Noord-Afrika, maar blijven meestal +reeds in Zuid-Europa. Hun voedsel ontleenen zij bijna uitsluitend +aan het plantenrijk. In den krop heeft men bij enkele soorten kleine +huisjesslakken, Wormen en rupsen gevonden; ook weet men, dat zij +haar eigen Luizen opeten; de hoeveelheid dierlijk voedsel, die zij +gebruiken, is in allen gevalle zeer gering. Zaden en wortelknollen +van allerlei soort vormen het voedsel van de meerderheid; de leden +van sommige familiën of onderfamiliën voeden zich met de bessen en +vruchten, die het woud oplevert. Vele soorten zijn zeer gesteld op +zouthoudenden grond. De Duiven, die harde zaden eten, slikken tot +bevordering van de spijsvertering kleine stukjes kwarts en andere +harde voorwerpen door; de wijfjes, die eieren zullen leggen, gebruiken +ook kalk. Zij hebben veel water noodig, omdat dit niet alleen voor +het lesschen van den dorst, maar ook voor het verweeken van de harde +zaden moet dienen. + +Voor zoover men weet, broeden alle Duiven meer dan eens in het +jaar. Het nest wordt op verschillende plaatsen gebouwd: te midden +van de twijgen van boomen en struiken, soms hoog, soms laag boven den +grond, in holen van 't gesteente en gaten van boomen, op dikke takken, +op afgeknotte stammen, zelden op den vlakken grond. Het is slecht +gebouwd van eenige weinige dorre twijgen, die onsamenhangend en slordig +opeengestapeld zijn; dikwijls is het zoo los ineengevoegd, dat men niet +begrijpt, hoe het weerstand kan bieden aan weer en wind. Het nest bevat +witte eieren. Gedurende den paartijd streeft de doffer zeer ijverig +naar de gunst van de duif. Beide ouders houden zich met het broeden +bezig; de doffer vervult zijn taak niet zonder morren, omdat het +stilzitten hem hoogst onaangenaam schijnt te zijn. Nadat de eieren 14 à +20 dagen bebroed zijn, komen de jongen te voorschijn; zij zijn klein, +hulpbehoevend, blind en schaarsch bekleed met geel dons; zij blijven +in het nest, totdat zij in staat zijn om te vliegen. Aanvankelijk +worden zij gevoed of liever "gepropt" met de kaasachtige stof, die uit +de wanden van den krop afkomstig is, later met in de krop geweekte, +nog later met harde zaden. Zij ontwikkelen zich schielijk: reeds na +het eerste levensjaar zijn zij voor de voortplanting geschikt. + +Alle Duiven, althans de inheemsche, moeten als nuttige Vogels beschouwd +worden. Snell heeft zich door nauwgezette en moeielijke onderzoekingen +overtuigd, dat zij wel is waar enkele graankorrels opzoeken, die anders +bederven zouden, maar toch over 't algemeen zich bijna uitsluitend +voeden met onkruiden, die voor den landbouw nadeelig zijn, waardoor +zij ons een waarlijk onberekenbaar voordeel aanbrengen. + + + +De eerste van de vier onderfamiliën, waarin Reichenow de Duiven +verdeelt, is die der Vruchtduiven (Carpophaginae). Zij kenmerken +zich door een gedrongen lichaamsbouw, een gladrandigen snavel, +korte, zeer krachtige pooten met bevederden loop en vleezige +teenen met breede zool, middelmatig lange vleugels, een korten, +uit 14 pennen samengestelden, recht afgesneden, zelden eenigszins +wigvormig verlengden staart en een prachtig (meestal grootendeels +groen) gekleurd vederenkleed. Ten getale van ongeveer 150 soorten +bewonen zij het zuiden van de Oude Wereld, zijn het talrijkst in +het Australische, het minst talrijk in het Ethiopische Rijk, leven +uitsluitend op boomen en voeden zich met vruchten. + + + +Als vertegenwoordiger van deze groep noemen wij de Groote Groene +Muskaatduif (Carpophaga concinna), waarvan Wallace melding maakt bij +'t beschrijven van zijn bezoek aan de Kei-eilanden (Residentie Banda): +"Het meest betreden pad leidde van het strand naar een schaduwrijke +diepte, waar de boomen onmetelijk hoog waren en het kleine hout +zeer schaarsch. Uit de toppen dezer boomen liet zich van tijd tot +tijd een zwaar, brommend geluid hooren, waarvan wij aanvankelijk +niets begrepen, en dat, zooals ons spoedig bleek, door eenige +groote Duiven werd voortgebracht. Mijne jongens legden op haar aan, +en hadden, na één- of tweemaal misgeschoten te hebben, het geluk +er een te treffen. Het was een prachtige Vogel, ruim 50 cM. lang, +blauwachtig wit van kleur, maar schitterend metaalgroen met gouden, +blauwen en violetten weerschijn op het benedeneinde van de vleugels +en den staart, met koraalroode pooten en goudgele oogen. Deze soort +is beperkt tot eenige kleine eilanden, doch op deze overvloedig. Het +is dezelfde soort, die op Banda "Muskaatduif" wordt genoemd, omdat +zij gewoon is de vruchten van den muskaatnotenboom te verslinden, +of liever den zaadrok (foelie), die den zaadkorrel bedekt, "terwijl +zij, het zaad (dat gewoonlijk muskaatnoot wordt genoemd) ongeschonden +weer uitwerpt. Ofschoon deze Vogels een smallen bek hebben, zijn hunne +kaken zoo beweeglijk en is hun slokdarm zoo rekbaar, dat zij vruchten +van grooten omvang kunnen verzwelgen." De muskaatnoot ontkiemt zelfs +in haar vaderland niet gemakkelijk; de planters laten haar eerst in +kalkwater weeken, voordat zij haar in den grond leggen. De zaden, +die door het spijskanaal van den Vogel zijn heengegaan en met den +drek worden uitgeworpen, ontkiemen beter dan die, welke dezen weg niet +hebben afgelegd. De Muskaatduif heeft op deze wijze veel bijgedragen +tot de verbreiding van den muskaatnotenboom op de Molukken. De stem +van dezen Vogel bestaat uit een zwaar gebrom, alsof twee tonen op een +"gong" van de grootste soort worden aangeslagen, soms ook uit een +geheel eigenaardig en zonderling schor gekwaak, eenigszins gelijkend +op dat van een Pad. + + + +Meer dan 50 soorten van Muskaatduiven zijn over het geheele +Australische en het Oostersche Rijk verbreid. De washuid aan den +wortel van den bovensnavel zwelt bij deze dieren in den paartijd op +en vormt een min of meer kogelvormigen knobbel. Vele dragen door +het eten van vruchten veel bij tot de verbreiding van de boomen, +die deze vruchten voortbrengen. Zoo gebruikt de Metaalkleurige +Muskaatduif (Carpophaga aenaea) van de Soenda-eilanden de vruchten +van de gebang-palm (Corypha), die ongeveer 2.5 cM. middellijn hebben +en uit een harde, bolvormige zaadkorrel bestaan, omgeven door een +groenen bolster, die een zeer dunne, saprijke laag bevat. Deze +zaden zijn zoo hard, dat de Mahomedanen in Indië ze gebruiken als +kralen voor hunne rozenkransen. "Dikwijls," zegt Wallace, "schoot ik +exemplaren met onderscheidene van deze vruchten in den krop; doorgaans +barstte deze bij het op den grond vallen." De laatstgenoemde, ook op +Java levende soort, die door de bewoners van Sumatra, waar zij ook +voorkomt, Pagam genoemd en dikwijls in de kooi gehouden wordt, is in +onze dierentuinen zeer gemeen. De rug, de vleugels en de staart zijn +bij haar blauwachtig bronsgroen, maar de onderdekveeren van den staart +zijn roodbruin en de overige gedeelten van het vederenkleed witachtig, +welke tint echter op den nek naar purper zweemt. In grootte overtreft +deze soort onze grootste tamme Duif. + + + +Voor ons is de onderfamilie van de Edelduiven (Columbinae) de +belangrijkste; daar alle inheemsche Duiven en die, welke bij ons +huisdieren geworden zijn, er toe behooren. Deze groep is over alle +werelddeelen verbreid, in de Oude Wereld echter soortenrijker dan +in Amerika. Zij onderscheidt zich door de iets grootere lengte van +den loop en de smalheid van de zool der teenen, waardoor de pooten +beter voor het gaan op den grond geschikt zijn. De staart bestaat +uit 12 pennen, is meestal recht afgesneden of afgerond, zelden zeer +lang en trapvormig. De snavel is middelmatig lang, alleen aan de spits +hoornachtig, aan den wortel echter zacht en met een washuid bedekt. De +veeren zijn minder prachtig van kleur dan bij de vorige groep. + + + +De beroemde Trekduif (Ectopistes migratorius) is krachtig gebouwd, +heeft een langen hals en een kleinen kop met middelmatig langen, +tamelijk dunnen en zachten snavel, een korten, maar krachtigen loop +(korter dan de middelste voorteen zonder den nagel), lange, spitse +vleugels, waarin de tweede handpen de langste is en een langen staart, +welks pennen (met uitzondering van de beide middelste, die een weinig +korter zijn dan hare buren), naar de zijden trapvormig in lengte +afnemen; de staart is even lang als, of langer dan de vleugel. De +hoofdkleur is leikleurig blauw; de onderdeelen zijn roodachtig grijs, +de zijden van den hals hebben een purpervioletten weerschijn, de +buik en de aarsdekveeren zijn wit, de slagpennen zwartachtig met +witten zoom, de middelste stuurpennen zwart, de overige lichtgrijs, +aan den wortel van de binnenvlag met een bruinroode en een zwarte +vlek geteekend. Het oog is glanzig rood, de snavel zwart, de poot +bloedrood. Totale lengte van het mannetje 42, van het wijfje 39, +lengte van staart en vleugel bij beide 21 cM. + +Van de Hudsonsbaai tot aan de Golf van Mexico en van het Rotsgebergte +tot aan de oostkust komt de Trekduif (die, naar men zegt, eenige malen +naar Engeland is afgedwaald) in alle Staten van Noord-Amerika voor, +doch niet overal in even grooten getale. + +"De Trekduif, die in Amerika "Wilde Duif" wordt genoemd," zegt Audubon, +"beweegt zich met buitengewone snelheid door snel opeenvolgende +vleugelslagen. Hare reizen hebben uitsluitend plaats met het doel om +voedsel te vinden, niet om aan de winterkoude der noordelijker gewesten +te ontkomen of om een geschikter broedplaats op te zoeken. Nergens +vestigen deze Vogels zich voor goed; op plaatsen, waar zij voedsel +vinden, blijven zij soms jaren achtereen, hoewel men ze er vroeger +nooit opmerkte, verdwijnen daarna plotseling en keeren eerst na jaren +weer terug. Haar buitengewone vaardigheid in 't vliegen stelt haar +in staat om zich in korten tijd over een verbazingwekkenden afstand +te verplaatsen. Vele feiten zijn bekend, waaruit dit blijkt. In de +buurt van New-York doodde men Trekduiven, welker krop gevuld was +met rijst, die zij in de velden van Georgië of Carolina opgepikt +moesten hebben. Daar de spijsvertering bij hen zoo snel geschiedt, +dat het opgenomen voedsel in 12 uur volkomen ontleed is, kan men +hieruit afleiden, dat zij tusschen de 300 en 400 Engelsche mijlen in +6 uur of 1 mijl (20 minuten gaans) per minuut hadden afgelegd. Met +dezelfde snelheid doorvliegend, zouden zij binnen de 3 dagen uit +Amerika in Europa aankomen. + +"In den herfst van 1813, toen ik eenige mijlen beneden Hardensburgh aan +den Ohio over een dorre vlakte ging, zag ik een zwerm Trekduiven, die +van het noordoosten naar het zuidwesten zich bewoog. Daar haar aantal +mij grooter voorkwam, dan ik ooit te voren bijeen had gezien, nam ik +mij voor, de zwermen te tellen, die binnen het uur mij voorbij zouden +vliegen. Ik stapte daarom van 't paard, ging op een hoogte zitten en +maakte telkens als er een zwerm voorbijtrok, met mijn potlood een stip +op 't papier. Spoedig bemerkte ik, dat mijn plan onuitvoerbaar was, +zoo groot was het aantal Vogels. Ik stond daarom op, telde de stippen +en vond, dat ik er in 21 minuten 163 aangeteekend had. Ik zette mijn +weg voort, maar de massa Vogels werd steeds grooter. De lucht was +letterlijk met Duiven gevuld, die de namiddagszon verduisterden als bij +een zoneclips. De uitwerpselen vielen als sneeuwvlokken naar beneden; +het voortdurend gedruisch van de vleugelslagen maakte mij slaperig, +hoezeer mij de bewegingen dezer Vogels boeiden. Onmogelijk is het hunne +prachtige zwenkingen te beschrijven, als een Valk een van hen trachtte +te grijpen. Plotseling stortten zij dan met donderend geraas als een +samenhangende massa, als een levende stroom naar beneden, schoten +dicht aaneengesloten volgens golvende banen en scherphoekige lijnen +vooruit, daalden tot op den bodem af en scheerden zich daarlangs met +onvergelijkelijke snelheid, stegen vervolgens loodrecht omhoog, als +een kolossale zuil, en ontwikkelden zich, nadat zij de gewenschte +hoogte weder bereikt hadden, tot een lijn, vergelijkbaar met de +kronkelingen van een onzaglijk groote Reuzenslang. + +"Alle bewoners van de streek waren onder de wapenen. Aan de oevers +van den Ohio wemelde het van mannen en knapen, die dooreenkrioelden +en onophoudelijk schoten onder de vreemde gasten, die hier lager +vlogen, omdat zij de rivier wilden overtrekken. In grooten getale +werden zij gedood; een week lang en langer at de bevolking niets +anders dan vleesch en vet van Wilde Duiven; alle gesprekken hadden +alleen op haar betrekking. De dampkring was intusschen vervuld met +de eigenaardige lucht, die deze soort verbreidt. + +"Misschien is het van belang het aantal Duiven in zulk een zwerm +te schatten en de hoeveelheid voedsel te berekenen, die zij +verbruiken. Als men aanneemt, dat het vogelenheir een breedte van +één mijl besloeg (wat volstrekt niet overdreven mag worden genoemd) +en dat het met de aangegeven snelheid onafgebroken drie uren lang +voorbijtrekt, zoo verkrijgt men een parallellogram van 180 vierkante +Engelsche mijlen. Rekent men slechts twee Duiven op de vierkante +meter, dan blijkt het, dat het geheele leger uit 1.115.136.000 stuks +Trekduiven moet hebben bestaan. Daar nu iedere Duif per dag een "halve +pint" (bijna O.3 Liter) voedsel noodig heeft, leert de berekening, dat +het geheele reisgezelschap 8.712.000 "bushels" (3.163.000 Hectoliter) +per dag verorbert. + +"Zoodra de Duiven op den grond voedsel waarnemen, beginnen zij +kringen te beschrijven om het terrein te onderzoeken. Gedurende +deze zwenkingen levert de dichte massa een prachtig schouwspel +op. Terwijl zij van richting veranderen en beurtelings de boven- en +de onderzijde naar den waarnemer keeren, zien zij er nu eens blauw +dan weer purperkleurig uit. Zoo trekken zij op korten afstand over de +wouden voort, verdwijnen voor een poos in het loover, verheffen zich +weer en vliegen door hoogere luchtlagen verder. Eindelijk strijken zij +neer. Zoodra zij op den grond neergekomen zijn, ziet men ze ijverig +tusschen de dorre bladen snuffelen om de hieronder verborgen eikels op +te zoeken. De hoeveelheid voedsel, die van den bodem wordt opgezocht, +is verbazend groot; het verzamelen geschiedt zoo zorgvuldig, dat het +vergeefsche moeite zou zijn een nalezing te houden. Soms eten zij zoo +gulzig, dat het doorslikken van een noot of een eikel gepaard gaat +met een gekuch, alsof zij op 't punt zijn van te stikken. Ongeveer op +'t midden van den dag, nadat zij zich verzadigd hebben, gaan zij op de +boomen zitten rusten. Met lichten tred loopen zij de twijgen rond en +bewegen intusschen op zeer bevallige wijze den hals heen en weer. Als +de zon ondergaat, vliegen zij in menigte naar hare slaapplaatsen. Het +is volstrekt geen zeldzaamheid, dat deze op honderden mijlen afstands +van hare voederplaatsen gelegen zijn. + +"Herhaaldelijk bezocht ik haar slaapplaats aan de Green River in +Kentucky. Deze bestaat uit een hoogstammig woud met weinig onderhout, +dat minstens 40 mijlen lang en meer dan 3 mijlen breed is. Toen +ik het voor de eerste maal bezocht, hadden de Duiven het sinds +ongeveer 14 dagen in bezit genomen. Twee uur vóór zonsondergang kwam +ik aan. Er waren slechts weinige Duiven te zien; maar vele menschen +met Paarden en wagens, geweren en ammunitie kampeerden overal langs +de boschranden. Twee grondeigenaars hadden meer dan 200 Zwijnen ruim +100 mijlen ver naar hier gedreven, om ze met Duiven te mesten. Overal +zag men lieden bezig met het inzouten van de Duiven, die allerwege bij +hoopen lagen. Over de geheele uitgestrektheid van de slaapplaats was de +bodem bedekt met een laag uitwerpselen van verscheidene centimeters +dikte; 't was, alsof het gesneeuwd had. Vele boomen, met stammen +van ongeveer 60 cM. dikte, waren dicht bij den grond afgebroken; +takken van de grootste en dikste boomen waren naar beneden gestort, +alsof een orkaan het bosch geteisterd had. Uit al deze verschijnselen +viel af te leiden, dat zich hier een onbeschrijfelijk groot aantal +Vogels had opgehouden. Het tijdstip, waarop de Duiven zouden aankomen, +naderde; hare vijanden maakten op bijna angstvallig nauwgezette wijze +toebereidselen voor den strijd. Sommigen kwamen met ijzeren potten +vol zwavel, anderen met fakkels van harsachtig hout, nog anderen met +palen, de overigen met geweren. De zon was reeds onder de kim gedaald, +nog was geen enkele Duif verschenen, maar alles was voor de vangst +gereed; aller oogen staarden naar den helderen hemel, die tusschen de +hooge boomen doorschemerde. Plotseling weerklonk het algemeen geroep: +"Daar komen zij!" En ofschoon de Duiven nog veraf waren, hoorde men +een dreunend geraas, dat aan het loeien van een sneeuwstorm door +het want van een schip herinnerde. Toen de zwerm over mij heentrok, +merkte ik een hevige luchtstrooming op. Duizenden van Duiven werden +al dadelijk door de mannen met de palen naar den grond geslagen, maar +onophoudelijk snelden versche drommen toe. Toen de vuren aangestoken +werden, vertoonde zich een grootsch, even zonderling als ontzettend +schouwspel aan mijne oogen. De Duiven, die bij duizenden kwamen, +streken overal neer, totdat zij om de takken en twijgen der boomen +aaneengesloten massa's vormden. Hier en daar braken de takken onder +hun last, stortten krakend naar beneden en doodden honderden van de +daaronder zittende Vogels, daar zij geheele risten van hen medesleepten +naar den bodem. Het was een schouwspel van verwarring en wanorde. Het +was geheel noodeloos te spreken: de naastbijzijnde lieden waren niet +te beschreeuwen. Zelfs van het afschieten der geweren bespeurde men +meestal niets anders dan de lichtstraal veroorzaakt door de verbranding +van het kruit! + +"Eerst tegen den morgen bedaarde het gedruisch eenigszins. Lang +voordat men een voorwerp kon onderscheiden, begonnen de Duiven +reeds weg te trekken en wel in een geheel andere richting dan die, +welke zij bij haar komst volgden. Bij zonsopgang waren alle, die nog +vliegen konden, verdwenen. Nu vernam men de stem van de Wolven, Vossen +en Lossen, van den Poema, van de Beren, Waschberen en Buideldieren, +die onder de boomen rondsnuffelden, terwijl Arenden en een menigte +Gieren kwamen aanvliegen om met de viervoetige roovers den buit te +deelen. Thans begonnen ook de hoofdaanleggers van het moordtooneel +de doode, stervende en verminkte Duiven op te zoeken. Zij werden +op hoopen geworpen, tot ieder er zooveel had, als hij verlangde; +vervolgens liet men de Zwijnen los om het overblijvende te verslinden." + +Soortgelijke tooneelen van slachting komen voor op de broedplaatsen +van de Trekduif. "Haar voortplanting," verhaalt Audubon verder, "hangt +niet direct van het jaargetijde af; als broedplaats dient een woud, +waar het voedsel overvloedig en gemakkelijk verkrijgbaar is en dat +zich op een niet te grooten afstand van een water bevindt. De nesten +worden gebouwd in hooge boomen. Op één boom ziet men dikwijls 50 à 100 +nesten bijeen; de vrees, dat men de wonderbaarlijke geschiedenis van +deze Duif voor een sprookje zal houden, weerhoudt mij van het noemen +van een nog grooter getal. Ieder nest bevat 2 rondachtige, ongeveer +35 mM. lange, 25 mM. dikke, zuiver witte eieren. Gedurende het broeden +wordt het wijfje gevoederd door het mannetje, dat zijn wederhelft een +werkelijk treffende liefde en genegenheid betoont. Opmerkelijk is het, +dat de beide jongen altijd van verschillend geslacht zijn. De jongen +worden door hunne beide ouders gevoederd, totdat zij zich zelf kunnen +redden, verlaten daarna het gezelschap van de volwassenen en blijven +tot afzonderlijke zwermen vereenigd tot aan het einde van hun jeugd. Na +zes maanden zijn zij in staat zich voort te planten. Zoodra zij de +eischaal verlaten hebben, begint de oppergeweldenaar, de mensch, +hun den oorlog aan te doen. Met bijlen en andere wapens voorzien, +begeeft hij zich naar 't woud, houwt takken af en boomen om en stoort +op deze wijze de weerlooze woudbewoners in hun rust. Bij 't neerstorten +der omgehakte stammen worden de jongen uit hunne nesten geslingerd, +waardoor zij in menigte om 't leven komen." + +Men zou kunnen meenen, dat de Duiven door dergelijke jachtbedrijven +weldra uitgeroeid zullen zijn. "Door jarenlange waarnemingen," zegt +Audubon, "ben ik tot de overtuiging gekomen, dat haar aantal alleen +door het ontginnen der bosschen vermindert." Voorheen waren zij zelfs +in de oostelijke kuststaten veelvuldig. In het jaar 1885 kwamen in +New-York schoeners aan, die met Trekduiven beladen waren; deze werden +voor 1 cent Amerikaansch geld (f 0.02 1/2) per stuk verkocht. Een +man in Pennsylvanië ving in zijn slagnet op één dag 500 dozijn van +deze Vogels, soms wel 20 dozijn bij een slag van het net. Nog in het +jaar 1830 kwamen zij zóó veelvuldig te New-York op de markt dat zij +algemeen gegeten werden. + +Hoewel de Trekduif bij behoorlijke verzorging jaren lang in +gevangenschap kan blijven leven en zich hier zonder bezwaar voortplant, +komt hij tegenwoordig in onze dierentuinen zeer zelden voor. + + + +Tot het over de geheele wereld verbreide geslacht der Houtduiven +(Columba) behoort onze Woudduif, ook wel Ringduif, Ringelduif, +Boschduif of Koolduif, in Overijsel Schor en Spechte, in Limburg +Holduif, in Friesland Houtduif (friesch: Houtdouw) genoemd (Columba +palumbus). De kop, de nek en de keel zijn donker blauwachtig grijs +(ook wel aangeduid als "duivenblauw" of "papaverblauw"), de bovenrug +en het bovenste deel van den vleugel donker grijsblauw, de onderrug +en de staartwortel lichtblauw, de kop en de borst roodachtig grijs, +de onderdeelen overigens licht grijsblauw, behalve de witte onderbuik; +het onderste deel van den hals is aan weerzijden met een glanzig witte +vlek versierd en iriseert met metaalachtige kleuren; de slagpennen zijn +leikleurig grijs, de staartveeren leikleurig zwart, met een lichteren +dwarsband geteekend; een breede streep aan de vleugelbocht en een +groote vlek op de staartpennen zijn wit. Het oog is licht zwavelgeel, +de snavel lichtgeel, aan den wortel rood, de poot blauwachtig +rood. Totale lengte 43, vleugellengte 23, staartlengte 17 cM. + +De Woudduif is bezuiden den 65en graad N.B. over geheel Europa verbreid +en wordt in Azië door een nauw verwante soort vervangen. In Nederland +komt zij zeer algemeen voor; zij broedt niet alleen in allerlei +bosschen, maar zelfs in onze dorpen en steden op de boomen der tuinen +en grachten. Na den broedtijd leeft zij gezellig, verhuist in September +en October naar het zuiden (overwintert echter ook dikwijls hier te +lande) en keert in April naar hare broedplaatsen terug. Des winters +bezoekt zij ook het noordwesten van Afrika, in het noordoosten van dit +werelddeel komt zij niet. Reeds in Zuid-Europa treft men de Woudduiven +minder veelvuldig aan dan bij ons, in Spanje echter vindt men ze op +sommige plaatsen tot talrijke gezelschappen vereenigd. + +De Woudduif is een echte boomvogel. In Duitschland ontmoet men +haar in alle bosschen, zoowel groote als kleine, onverschillig of +zij uit naaldboomen of uit boomen met breede bladen bestaan, in het +gebergte zoowel als in de vlakte, dicht bij de dorpen zoowel als ver +van de menschelijke woningen. Naar het schijnt, geeft zij echter aan +naaldhout de voorkeur, misschien wel alleen, omdat de zaden van dennen, +sparren en edeldennen tot hare liefste voedingsmiddelen behooren. Bij +uitzondering vestigt zij haar woonplaats soms op alleenstaande +boomen te midden van dorpen of zelfs van volkrijke steden. In het +noorden van haar verbreidingsgebied is zij een trekvogel, die op vast +bepaalde tijden vertrekt en terugkeert; ten deele reeds bij ons en +in Duitschland, meer nog in Spanje en Portugal is zij standvogel. De +Woudduif is een buitengewoon vlugge, schielijk wegvliegende en schuwe +Vogel. Zij kan goed loopen, maar doet dit niet zeer snel; het lichaam +heeft dan soms een horizontalen, soms een opgerichten stand, de hals +is voortdurend in beweging. Zij zit op den top van een boom of diep +in de kroon verborgen. Aan boomen, die ver boven de andere uitsteken +of doode takken aan den top hebben, geeft zij de voorkeur, op deze +treft men haar bijna iederen morgen aan. Zij vliegt fraai, snel en +behendig; haar vleugelslag maakt bij het opvliegen een klapperend +en in de lucht een fluitend gedruisch. Reeds op een grooten afstand +kan men de Woudduif niet slechts aan haar grootte, maar ook aan haar +langen staart en aan de witte vlekken op de vleugels van de verwante +soorten onderkennen. + +Het echtpaar brengt den nacht door in de nabijheid van het nest. Vroeg, +vóór het aanbreken van den dag is het reeds wakker: de doffer begeeft +zich dan naar zijn lievelingsboom. Hier begint hij in de schemering +te roekoeken; zijn geluid gelijkt op dat van de Veldduif, maar is +krachtiger; het klinkt bijna als "roekkoekkoek" en "koekkoekoe" of +"roekoekoe-koekoe." Hij zit intusschen stil op een tak, maar blaast +den hals op en beweegt deze. Ieder geroekoe wordt drie- of viermaal +achtereenvolgens herhaald. De doffers uit de buurt worden hierdoor +bijeengelokt; zij zetten zich op naburige boomen neer en houden nu +met elkander een wedstrijd in het roekoeken. + +Het mannetje en het wijfje sleepen, zoodra de plaats voor het nest +bepaald is, de bouwstoffen aan; deze worden echter door het wijfje +verwerkt. Het nest bestaat uit dorre rijsjes van sparren, dennen, +zilversparren en beuken of uit de twijgen van een dezer boomsoorten; +het is zoo los en slecht gebouwd, dat men niet zelden de eieren er van +onderen doorheen ziet schemeren; het is plat, alleen op de plaats waar +de eieren liggen, hol en heeft een middellijn van 30 à 40 cM. Hoewel +het zeer slecht gebouwd is, ligt het toch zeer vast en is tegen weer +en wind bestand. De twee langwerpige, aan beide einden op gelijke +wijze afgeronde eieren, die een dunne en oneffene, glanzig witte +schaal hebben, vindt men van de laatste helft van April tot aan de +laatste helft van Juli in het nest. Zij worden door het mannetje en +het wijfje om beurten bebroed. Opmerkelijk is de geringe gehechtheid +van de Woudduif aan hare eieren. Als men de broedende Woudduif van +het nest jaagt, kan men de eieren gerust dadelijk medenemen, want zij +laat ze stellig in den steek. Jegens de jongen is haar liefde grooter, +maar toch niet zoo groot als bij andere Vogels. + +Het liefste voedsel van de Woudduif zijn de zaden van verschillende +soorten van naaldboomen; met deze vindt men gedurende den geheelen +zomer haar krop gevuld. Zij zoekt ze niet slechts van den grond op, +maar haalt ze ook tusschen de uiteengeweken schubben van de pijnkegels +weg. Bovendien eet zij graan en graszaden, bij uitzondering Slakken +en Regenwormen, in het laatst van den zomer ook boschbessen en in +bosschen met breedbladige boomen, eikels en beukels. + +De weinige graankorrels, die de Woudduif van den akker opzoekt en +die anders toch bederven zouden, mag men haar wel gunnen; maar ook +deze kleine inbreuk op de bezittingen van den mensch vergoedt zij +duizendvoudig door het opeten van zaden van allerlei soorten van +onkruid.--Buiten den mensch heeft deze voorzichtige Vogel weinig +vijanden, die voor hem gevaarlijk kunnen worden. De Havik en de +Slechtvalk of de groote verwanten van den laatstgenoemden Roofvogel +vangen vaak oude Duiven; het leven van de jongen wordt bedreigd +door Boschkatten, Boommarters en Eekhoorntjes, misschien ook door +Sperwer-wijfjes en 's nachts door den Grooten Ooruil. + +Gevangen Woudduiven worden tamelijk tam en kunnen vele jaren in de kooi +in 't leven blijven. Zij geraken gemakkelijk gewoon aan een doelmatig +gekozen voedsel; gemengde zaden voldoen aan al hare eischen. Het is +echter een zeldzaamheid, dat zij zich in de kooi voortplanten. + + + +De Kleine Boschduif (Columba oenas), heeft den kop en den hals, het +bovenste deel van den vleugel, den benedenrug en den staartwortel +"duivenblauw", den bovenrug donker grijsblauw, de kropstreek wijnrood, +de overige onderdeelen dof "duivenblauw"; de slagpennen en de +uiteinden der stuurpennen zijn leikleurig blauw; de vleugel heeft +een afgebroken donkere band; de nek iriseert op een voor de Duiven +karakteristieke wijze. Het oog is donkerbruin, de snavel lichtgeel, +aan den wortel donker vleeschrood, als 't ware wit gepoederd, de poot +dof donkerrood. Totale lengte 32, vleugellengte 22, staartlengte 13 cM. + +Ongeveer dezelfde landen als door de Woudduif bewoond worden, herbergen +ook de Kleine Boschduif; zij is echter overal zeldzamer, om de zeer +deugdelijke reden, dat zij niet overal wonen kan, daar zij voor haar +nest oude boomen met geschikte holten noodig heeft. Zij houdt zich op +in bosschen van allerlei soort, niet zelden ook op boomen te midden +van het veld, als deze een holte bevatten geschikt om er een nest in +te bouwen, soms op boomen in de onmiddellijke nabijheid van dorpen; +in Middel-Duitschland neemt zij echter van jaar tot jaar meer af. In +Nederland werd zij in kleinen getale in Gelderland, Noordbrabant, +Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland gezien of gevangen, in de +vier eerstgenoemde provinciën (bij Nijmegen, Rheden en Ellecom, in +de Meijerij van 's Hertogenbosch en 's Graveland bij Soestdijk) ook +broedend waargenomen (Albarda). In Middel-Duitschland verschijnen +deze Vogels, ieder afzonderlijk reizend, in Maart; tot vluchten +vereenigd, begeven zij zich omstreeks het midden van October naar +hunne winterkwartieren. Een enkele maal heeft men in Nederland (bij +'s Graveland) ook 's winters Duiven van deze soort gezien; men mag ze +dus als standvogels beschouwen. Zij overwinteren reeds in Zuid Europa; +zelden steken enkele vluchten naar Noordwest-Afrika over. + +De bewegingen van de Kleine Boschduif zijn minder vlug en onstuimig, +maar behendiger dan die van de Woudduif; zij loopt beter en vliegt +flink. Haar stem verschilt aanmerkelijk van die harer verwanten +(Woudduif en Rotsduif): zij roekoekt eenvoudig "hoe hoe hoe." Haar +voedsel bestaat uit allerlei zaden. + +Een paar Duiven van deze soort levert een tafereel van trouwe liefde +op. Het mannetje is zeer gehecht aan zijn wijfje, is gewoonlijk in haar +nabijheid, kort haar den tijd met "roekoeken", terwijl zij broedt en +begeleidt haar, wanneer zij van de eieren wordt afgejaagd. Onmiddellijk +na de terugkomst in 't vaderland, in de lente, zoekt het paar een voor +den nestbouw geschikte holte op; hier vindt men reeds in het begin van +April 2 witte eieren. De beide ouders broeden met zelfverloochenenden +ijver. Zoo onverschillig als de Woudduiven voor hare eieren zijn, zoo +gehecht zijn de Kleine Boschduiven er aan. Zij zitten niet slechts +zeer "vast", zóó zelfs, dat men de broedende Duif soms grijpen kan, +maar zoeken, zelfs met gevaar voor haar leven, het nest weer op, +wanneer zij er van verjaagd zijn. Men kan op het wijfje schieten, +zonder dat zij hare eieren verlaat. + +De Kleine Boschduif kan gemakkelijker getemd worden dan de Woudduif; +zij begeeft zich soms vrijwillig in het gezelschap van de Veldduiven; +naar gezegd wordt, paart zij zelfs met deze. + + + +Als stammoeder van de Tamme Duiven of Huisduiven is de Rotsduif +(Columba livia) voor ons de belangrijkste soort. De bovendeelen zijn +licht aschkleurig blauw, de onderdeelen "duivenblauw"; de kop is +licht leikleurig blauw, de hals tot aan de borst donker leikleurig, +van boven licht blauwgroen, van onderen purperkleurig iriseerend; de +benedenrug is wit, de vleugel met twee zwarte dwarsbanden geteekend; +de slagpennen zijn aschgrauw, de stuurpennen donker papaverblauw, +aan de spits zwart, de buitenste op de buitenvlag wit. Het oog +is zwavelgeel, de snavel zwart, aan den wortel lichtblauw, de poot +donker blauwrood. Het mannetje en het wijfje verschillen nagenoeg niet +van kleur; de jongen zijn donkerder dan de ouden. Totale lengte 34, +vleugellengte 21, staartlengte 11 cM. + +In Nederland komt deze soort in 't wild niet voor. Men vond volgens +Mr. H. Albarda verwilderde Huisduiven, ook wel Wilde Duiven, Veldduiven +of Veldvluchters, in Friesland Gib of Wilde Gib genoemd, "vroeger +in grooten getale te Leeuwarden, waar zij hun voedsel op de straten +zochten en op torens en oude gebouwen broedden en alzoo geheel zonder +'s menschen toedoen leefden en voortteelden. Thans vindt men ze niet +meer dan in halfwilden staat op duiventillen ten platten lande." + +Het verbreidingsgebied van de Rotsduif, waarvan verscheidene +standvastige ondersoorten bestaan, bepaalt zich in Europa tot eenige +eilanden van het noorden en tot de kusten van de Middellandsche +Zee; het omvat echter bovendien geheel Noord-Afrika, Palestina, +Syrië, Klein-Azië en Perzië, alsmede enkele gedeelten van het +Himalaja-gebied. Geregeld treft men haar aan in verschillende oorden +langs de westkust van Schotland, op de Fär-öer en het rotsachtige +eiland Rennesö bij Stavanger, verder op bijna alle voor haar +geschikte rotswanden van de Middellandsche Zeekust, van Triëst af +langs Griekenland, geheel Italië, Frankrijk en het zuiden van Spanje. + +In de omstreken van Triëst nestelt de Rotsduif op alle voor haar +geschikte plaatsen; op den Karst vooral in trechtervormige holen +van den grond (dolinen), dikwijls diep onder de oppervlakte, in +Istrië, Dalmatië, Italië, Griekenland, Klein-Azië en ook op alle +Grieksche eilanden in rotsholen dicht bij de zeekust zoowel als op +de hoogste gebergten. In Egypte ziet men, vooral in de nabijheid van +de watervallen, hare nesten in zeer grooten getale in rotswanden, +enkele vluchten zelfs in de woestijn, in oorden, waar men zich +afvragen moet, hoe de armoedige bodem hier in staat is, aan deze +menigte een voldoende hoeveelheid voedsel te verschaffen. Verderop +in het binnenland is zij veel zeldzamer; op gunstig gelegen plaatsen +ontbreekt zij echter niet, in iedere rotsklomp met steile wanden +is men zeker haar te zullen ontmoeten. In Indië is zij een van de +algemeenst en veelvuldigst voorkomende Vogels; ook hier broedt zij +in holen en nissen van de rotsen en klippen, zooveel mogelijk in de +buurt van water, en dikwijls in gezelschap van de Alpen-gierzwaluw. + +In Indië, zoowel als in Egypte, leeft de Rotsduif ook in halfwilden +toestand en bewoont alle oude, stille gebouwen, stadsmuren, pagoden, +rotstempels en dergelijke monumenten, ook neemt zij haar intrek in +de torens, die ten haren behoeve zijn opgericht. In Opper Egypte +treft men vele buurtschappen aan, die meer ter wille van de Wilde +Duiven dan van den mensch gebouwd schijnen te zijn. Uitsluitend de +onderste verdieping van het huis, dat op een afgeknotte piramide +gelijkt en met een plat dak gedekt is, wordt door den boer bewoond; +de bovenste étage, die gewoonlijk wit aangestreken en ook op andere +wijze versierd is, behoort aan de Wilde Duiven; bovendien heeft men +hier hooge, koepelvormige torens gebouwd, alleen ter wille van deze +Vogels. De muren van al deze gebouwen bestaan niet uit baksteenen, +maar boven een bepaalde hoogte uitsluitend uit groote, eivormige, +dikwandige potten, opeengestapeld en door mortel, of beter gezegd door +slib van den Nijl, aaneenverbonden. Iedere pot heeft een opening aan +zijn naar buiten gekeerd einde; dit gat is echter niet groot genoeg om +als toegang voor een Duif te dienen, maar is bestemd voor het doorlaten +van licht en lucht. Door de opening aan de binnenzijde kan de Duif +gemakkelijk in de pot komen en hierin haar nest bouwen. De ingang tot +de duivenwoning is tamelijk groot en met in den muur vastgemetselde +takkenbossen omgeven, die de plaats innemen van de vliegplankjes. Dat +deze inrichting goed aan het doel beantwoordt, blijkt duidelijk uit +de groote menigte Duiven, die men voortdurend bij de huizen ziet. + +In de zuidelijke landen zijn de Rotsduiven standvogels, in het +noorden worden zij door den winter tot trekken genoopt. Vóór +hun vertrek vereenigen zij zich tot talrijke zwermen, die, +naar het schijnt, gedurende hun verblijf in de winterkwartieren +bijeenblijven. Waarschijnlijk trekken zulke duivenzwermen dikwijls +over ons heen, zonder door ons herkend te worden, daar men ze licht +verwarren kan met de Veldduiven. + +De handelingen van de Rotsduiven verschillen niet veel van die +onzer Tamme Duiven. Zij zijn behendiger, vooral in het vliegen, dan +onze Veldduiven en in den regel zeer menschenschuw; in alle overige +opzichten verschaffen de gewoonten van de Tamme Duiven ons een getrouw +beeld van die harer stamouders. De Rotsduiven loopen goed, maar knikken +daarbij met den kop, vliegen voortreffelijk, maar met fluitend gesuis, +kunnen een afstand van ongeveer 100 KM. in één uur afleggen, klappen +met de vleugels vóór het opvliegen en zweven, voordat zij neerstrijken, +verheffen zich gaarne tot de groote hoogten en vliegen dikwijls in +dicht aaneengesloten zwermen in kringen rond. De boomen vermijden zij +graag, hoewel zij soms een uitzondering op dezen regel maken. Uren +achtereen loopen zij soms op den bodem rond om voedsel te zoeken; +bij het drinken waden zij niet zelden een eind in het water op; +de Egyptische Rotsduiven gaan, als zij drinken willen, midden op den +stroom zitten, laten zich door de golven dragen en stijgen weer omhoog, +als zij haar dorst gelescht hebben. + +De zintuigen en de geestvermogens van de Rotsduif zijn goed +ontwikkeld. Men bemerkt n.l. bij het waarnemen van de Tamme Duiven +weldra, dat men met schrandere, verstandige Vogels te doen heeft +en kan hieruit afleiden, dat het bij de Rotsduif, die zelf niet +gemakkelijk nagegaan kan worden, evenzoo gesteld is. De stem, het +bekende roekoeken, bestaat uit doffe, huilende en rollende tonen, +welker klank op "maroekoe moerkoekoe marhoekoekoe" gelijkt. Iedere +afzonderlijke roep gaat gepaard met draaiingen, wendingen en knikken +met den kop. + +Al onze graansoorten en bovendien raapzaad, koolzaad, lijnzaad, +linzen, erwten, enz., vooral echter de zaden van de vogelwikke, die +als onverdelgbaar onkruid zoo gevreesd is, vormen het voedsel van +de Wilde en van de Tamme Duiven. Men heeft ze als schadelijke dieren +beschouwd, omdat zij tamelijk veel voedsel noodig hebben en ons een +merkbaar verlies kunnen veroorzaken; men zal ze echter minder streng +beoordeelen, wanneer men bedenkt, dat zij alleen in den zaaitijd graan +eten en in 't oog houdt, dat zij de veroorzaakte schade rijkelijk +vergoeden door het verslinden van onkruid. + +Men onderstelt, dat de Rotsduif minstens tweemaal per jaar broedt, +en weet zeker, dat de Veldduif in den loop van den zomer minstens +drie broedsels grootbrengt. In het begin van de lente roekoekt de +doffer zeer druk, is jegens zijne soortgenooten twistziek en wint +door strijd (niet altijd zonder moeite) zijn wijfje, waaraan hij de +grootste teederheid bewijst. Eenige dagen later drijft de doffer +zijn gade voor zich uit naar de plaats, waar het nest gebouwd zal +worden, vliegt uit om bouwstoffen te verzamelen en voert deze in den +snavel aan; het wijfje bouwt er een nest van. Dit is een vlakke, in 't +midden weinig uitgeholde, zonder eenige kunst samengevoegde hoop droge +rijsjes, stengels van kruiden, stroo en droge grashalmen. Er verloopen +nu nog eenige dagen, voordat het eerste ei gelegd wordt. Het broeden +begint, als het nest twee eieren bevat. Deze hebben een langwerpigen +vorm en een glanzige, gladde en zuiver witte schaal. De beide ouders +broeden: het wijfje zonder verpoozing van 3 uur 's namiddags tot 10 +uur 's voormiddags, de doffer gedurende de weinige overige uren. Des +nachts slaapt hij in de onmiddellijke nabijheid van het nest, altijd +bereid om zijn gade naar vermogen te beschermen; hij duldt niet eens +de nadering van een andere Duif. Na 16 à 18 dagen komen de jongen uit; +deze zijn blind en buitengewoon hulpbehoevend; het laatste wordt 24 à +36 uur na het eerste geboren. Aanvankelijk worden zij door de beide +ouders gevoederd met een kaasachtige, door den krop gevormde stof; +later krijgen zij geweekte, ten slotte harde zaden met steentjes en +stukjes leem. Zij zijn na vier weken volwassen, vliegen met hunne +ouders uit en worden binnen weinige dagen zelfstandig, waarna de +ouders voor een tweede broedsel beginnen te zorgen. + +Hier te lande zijn de Marters, Slechtvalken en Haviken de ergste +vijanden van de Duiven, in het zuiden hebben zij soortgelijke +vervolgers. Het is bekend, dat vervolgde Duiven dikwijls in huizen +vluchten en daarbij vensterruiten breken. + +Rotsduiven, die jong uit het nest genomen worden, gedragen zich geheel +als Veldduiven, sluiten vriendschap met den mensch, doch toonen nooit +de zelfverloochenende onderwerping, die de Huisduiven gewoonlijk aan +den dag leggen. + + + +Reeds ten tijde van de 9e Egyptische dynastie (ongeveer 3000 jaar +vóór den aanvang onzer tijdrekening) werden Duiven getemd. De Duif +is dus een van de oudste huisdieren. + +Volgens Darwin, wiens meening op zeer nauwgezette onderzoekingen +gegrond is en door nagenoeg alle hedendaagsche dierkundigen gedeeld +wordt, moet de Rotsduif als de gemeenschappelijke stamvorm van +alle rassen van Huisduiven beschouwd worden. Een der talrijke +gronden, waarop Darwin's meening berust, heeft betrekking op de +kleur. Deze is bij de Rotsduif leiblauw; de vleugels hebben twee +zwarte dwarsbanden. Het achterdeel is veranderlijk van kleur, bij de +Europeesche Duiven meestal wit, bij de Indische blauw; aan den staart +komt dicht bij den top een zwarte dwarsband voor; de buitenvlag der +buitenste stuurpennen heeft, met uitzondering van de spits, een witten +rand. De genoemde teekening is alleen aan de Rotsduif eigen en werd +bij geen andere wilde Duivensoort opgemerkt. + +Darwin vestigt de aandacht op het vederenkleed van de bastaarden, +ontstaan door kruising van twee Tamme Duiven van verschillende rassen, +die geen van beide eenig spoor van blauw in hun vederenkleed en ook +niet de dwarsbanden en andere karakteristieke teekeningen van de +Rotsduif vertoonen, welke evenmin bij vele opeenvolgende generaties +harer voorouders voorkwamen. Deze bastaarden zijn soms blauw van +kleur, hebben soms bovendien zwarte dwarsbanden op de vleugels, enz.; +indien zij niet blauw zijn, merkt men toch dikwijls meer of minder +duidelijk het een en ander deel van de karakteristieke teekening +van de Rotsduif bij haar op. Darwin beschouwt dit verschijnsel als +"atavisme" of "terugslag," als het wederoptreden van voorvaderlijke +kenmerken, die gedurende eenige generatiën van voorouders niet te +voorschijn zijn gekomen. + +Eindelijk pleit voor de meening van Darwin, dat alle Duivenrassen aan +een enkelen stamvorm hun ontstaan danken, het feit, dat de Rotsduif +een nog levende en ver verbreide soort is, die in verscheidene landen +getemd kan worden en getemd is. Deze soort heeft geheel dezelfde +levenswijze als de Huisduiven, stemt, zoo niet in alle, dan toch +in de meeste opzichten met haar overeen, wat het inwendig maaksel +betreft, terwijl bovendien alle eigenaardigheden van haar vederenkleed +bij de verschillende rassen van Tamme Duiven min of meer verspreid +voorkomen en niet zelden bij afstammelingen van deze in hoogere mate +dan gewoonlijk optreden. Zonder eenig bezwaar paren Rotsduiven met +Tamme Duiven en brengen vruchtbare nakomelingen voort. Dat de Rotsduif +een sterke neiging tot variatie vertoont (men kent minstens 14 in +'t wild levende verscheidenheden van deze soort) heeft ongetwijfeld +het ontstaan van de zeer talrijke rassen van Huisduiven zeer bevorderd. + +Men vindt allerlei overgangen tusschen de geheel wilde en de volkomen +getemde vormen. Gemakkelijk gaat de Rotsduif in half getemden toestand, +in dien van Veldduif over; waarschijnlijk komt dit ook thans nog wel +voor. Haar onderwerping aan de heerschappij van den mensch bepaalt +zich soms eenvoudig tot het gebruik van de verblijfplaats, die de +mensch haar aanbiedt; deze moet bij voorkeur hoog gelegen en met een +vrij nauwen ingang voorzien zijn, opdat de bewoners veiligheid en rust +kunnen vinden. Zij zoeken zelf haar voedsel op het veld; voedering is +alleen in sommige omstandigheden, o.a. in den winter, noodig. Daar zij +veel aan zich zelf overgelaten zijn, is haar gehechtheid aan den mensch +niet groot; zij verlaten wel eens haar gewone verblijfplaats om op oude +torens en dergelijke gebouwen (doch nooit op boomen) te nestelen. Deze +Duiven, die de vervolgingen van Roofvogels beter kunnen ontgaan dan +de meeste andere rassen, treft men dikwijls bij landlieden aan. + +Ook van de Veldduiven zijn tal van verscheidenheden bekend. Deze +zijn gedeeltelijk buiten toedoen van den mensch, gedeeltelijk onder +zijn invloed, door zoogenaamde "teeltkeus", ontstaan en behouden +gebleven. Als de mensch zich bemoeit met de voortplanting der dieren, +geschiedt dit met het doel, om individuën met door hem gewenschte +eigenschappen te verkrijgen; hij doet dit, door de paring te bevorderen +van wezens, welker kenmerken recht geven tot de verwachting, dat het +gewenschte doel bereikt zal worden. De Veldduiven hebben dikwijls +nagenoeg dezelfde kleur als de Rotsduif. Bij vele echter is het +"duivenblauw" vervangen door lichtere kleuren of zelfs door wit, +ook wel door donkere nuances of zelfs door zwart. Niet zelden komen +ook bij haar gemengde kleuren voor. Een kuif op den kop of een sterke +uitbreiding van de bevedering der voeten zijn echter bij deze halfwilde +verscheidenheden uitzonderingen. + +Ook de door teeltkeus verkregen rassen--de Luxeduiven of Sierduiven, +gelijk Baldamus ze noemt--verschillen, evenals de Veldduifrassen, +soms alleen door de kleur van 't vederenkleed; in vele gevallen +vertoonen zij echter ook afwijkingen van meer ingrijpenden aard, +hetzij door buitengewoon sterke ontwikkeling van sommige veeren of door +wijzigingen van inwendig maaksel (o.a. van den bouw van het skelet), +die op den vorm en de houding van het geheele lichaam of van enkele +lichaamsdeelen invloed oefenen. (De bedoelde afwijkingen van den +stamvorm zijn grooter dan die, welke bij eenig ander huisdier door +teeltkeus verkregen werden.) Dit geeft aanleiding tot de onderscheiding +van de Sierduiven in drie groepen: de Kleurduiven, de Vederduiven en +de Vormduiven. Tot de eerste groep behooren voor het meerendeel rassen, +die men onder de Veldduiven zou kunnen rekenen, omdat zij een deel van +haar voedsel op het veld zoeken. Voorbeelden zijn: de Leeuwerikduif, +de Monniksduif, de Moorkop enz. + +De drie volgende verscheidenheden behooren tot de Vederduiven: De +Russische Trommelduif is o. a. merkwaardig door haar mutsvormige kuif +en de lange, over den geheelen loop en alle teenen zich uitstrekkende +bevedering van den voet; zij ontleent haar naam aan haar trommelend +gekir. De Meeuwtjes hebben een zeer korten, kegelvormigen snavel, +een spitse kuif op den kop en fraaie, gekroesde veeren (jabot) langs +de geheele voorzijde van den hals. De Raadsheeren zijn getooid met een +uit gekrulde veeren bestaanden halskraag, die soms, van de voorborst +uitgaande, den nek en den achterkop omgeeft. + +Merkwaardige voorbeelden van Vormduiven zijn: de Pauwstaarten +met kleinen kop, slanken, achterwaarts gebogen hals en korten, +ineengedrongen romp, vooral gekenmerkt door den bijna loodrecht +geplaatsten, waaiervormig uitgebreiden staart, die uit 24 à 40, op 2 +of 3 reeksen staande pennen samengesteld is. De Tuimelaars hebben een +kleinen, korten en ronden kop, een korten, bijna kegelvormigen snavel, +een achterwaarts gebogen hals en een hollen, ingezonken rug. Sommige +van de verscheidenheden, die men onder dezen naam samenvat, hebben +de zonderlinge gewoonte om zich onder talrijke buitelingen van een +groote hoogte te laten vallen, soms tot dicht bij den grond. Andere +(de Rollers) wentelen zich met uitgespreide vleugels van links naar +rechts of van rechts naar links, waarbij zij nu eens op dezelfde plek +blijven en snel rollend een kring beschrijven, dan weer voortdurend +wentelend, over een zekeren afstand dalen om vervolgens weer op +te stijgen en hetzelfde spel te hervatten. Sommige (de Draaiers) +slaan bij het vliegen de vleugels met kracht aan de rugzijde samen, +andere (de Slenkers) doen dit aan de buikzijde; in beide gevallen is +het klappen met de vleugels op verren afstand hoorbaar. De Kroppers +hebben een slank lichaam, lange en smalle vleugels, een langen +staart en hooge pooten; zij onderscheiden zich door het vermogen om +den krop geweldig op te blazen, zoodat hij tot op den buik reikt. De +Wrattenduiven ontleenen haar naam aan de wratten bij den snavelwortel +en op den naakten ring om de oogen. Tot deze groep behooren ook de +lang- en snelvliegende Postduiven. + + + +De Tortelduiven (Turtur) vormen een soortenrijk, zeer duidelijk +begrensd geslacht; zij zijn slank gebouwd, hebben een kleinen kop, +lange vleugels en een langen staart; hare pooten zijn betrekkelijk +lang, althans geschikt voor 't gaan op den grond. Over 't algemeen +is de kleur van haar vederenkleed roodachtig; de nekband, die bij de +meeste voorkomt, en haar zeer tot sieraad strekt, is zwart of bestaat +uit parelvormige, zwarte en witte vlekken. + + + +Onze Tortel of Tortelduif, in Zuid-Holland Boschtortel en Kleine +Houtduif, in 't Friesch Toarteldouw genoemd (Turtur vulgaris), +het type van het geslacht, kenmerkt zich door een slanke gestalte, +door een rechten snavel, welks beide helften vóór de spits een iets +grootere hoogte en ingetrokken randen hebben, door lange pooten met +zwakke teenen, lange vleugels en een langwerpigen, duidelijk afgeronden +staart. De veeren van de bovenzijde zijn roestbruingrauw met bruine +randen, in het midden zwart en aschgrauw gevlekt; de kruin en de +achterhals zijn grijsachtig hemelsblauw; de vier of drie dwarsstrepen, +die de zijden van den hals versieren en samen een korten dwarsband +vormen, zijn zwart met zilverkleurigen zoom; de voorhals, de krop en +de bovenborst zijn wijnrood; het blauwachtige roodgrijs van de overige +onderdeelen gaat allengs over in grijs-wit op den stuit; de toppen van +de buitenste staartpennen zijn wit; de slagpennen zijn zwartachtig +grijs, de armpennen met aschkleurig blauw waas, de schouderveeren +zwartachtig met breede, roestroode randen. De iris is bruinachtig +geel, de ring om het oog blauwachtig rood, de snavel zwart, de poot +karmijnrood. Totale lengte 30, vleugellengte 18, staartlengte 12 cM. + +De Tortel is over een groot deel van Europa en Azië verbreid en +doorreist gedurende den winter een uitgestrekt gebied in zuidelijke +richting. In Nederland wordt deze soort menigvuldig aangetroffen, op +dezelfde plaatsen als de Woudduif; zij broedt overal in bosschen en +tuinen, hier en daar zelfs in de boomen van steden. Hoewel de Tortel +in sommige oorden van Duitschland niet zeldzaam is, ontbreekt hij +geheel in vele noordelijke gewesten van dit rijk. Op de Kanarische +eilanden zeer veelvuldig, verlevendigt hij, meer dan eenige andere +Vogel, door zijn klankvol koeren en kirren de eindelooze bloemrijke +ravijnen, welker hellingen mijlen ver bekleed zijn met sneeuwwit, +geurig struikgewas, terwijl op den bodem van het dal hooger kreupelhout +groeit. Bijna op iederen tak, op ieder steenblok zit een Tortel. Op de +dorre Grieksche vlakten is hij niet minder overvloedig; het aantal +van de Vogels, die hier broeden, is zeer groot; het komt echter +in geen vergelijking met dat van de ontzaglijke zwermen, die hier +doortrekken. In de lente zijn sommige velden letterlijk met Duiven +bezaaid; een handig jager kan wel een vijftigtal van deze dieren op +één dag dooden. Later ziet men ze in Egypte en Nubië op voor haar +geschikte plaatsen niet zelden, maar nooit in groote zwermen. + +Bij ons is de Tortel een trekvogel, die in April komt, tot Augustus +op zijn broedplaats blijft en zich in September weer naar het zuiden +begeeft. + +De Tortels, die reeds van oudsher door de dichters als zinnebeelden +van liefde en huwelijkstrouw werden geprezen, behagen ons zoowel +door hun schoonheid als door hun aard. De zachte kleuren van hun +kleed gaan op sierlijke wijze in elkander over en vertoonen een +afwisseling, die het oog aangenaam aandoet. Ook de lieftalligheid +van hun inborst verdient waardeering, ofschoon het niet te ontkennen +valt, dat de lof, die hun om deze reden werd toegezwaaid, overdreven +is. Hun sierlijke bewegingen, hun elegante houding en hun zacht +gekir bekoren den waarnemer, die wegens de teederheid, waarmede het +mannetje zijn wijfje behandelt, zich gerechtigd acht deze Vogels als +de beminnelijkste van alle leden hunner klasse te beschouwen. + +De Nederlandsche en de Latijnsche naam van deze Duif is een nabootsing +van haar zeer zachte en aangename stem. Haar kirren is eigenlijk een +hoog, eentonig geknor, dat als "toer toer" klinkt en dikwijls herhaald +wordt, maar dit "toer toer" is zoo klankvol, dat het op iedereen een +aangenamen indruk maakt. + +Zaden van de meest verschillende planten, vooral van sparren, +dennen, zilversparren, berken, elzen, papavers en in den herfst +van wolfsmelk, vormen het voedsel van den Tortel; tegelijk worden +ook kleine Slakken opgepikt. Voor de akkers is hij nuttig door het +opeten van onkruidzaden; hiernaast komt de schade, die hij door het +wegnemen van hennep-, lijn-, raap- en koolzaad, van gierst, erwten, +linzen en wikken aanricht, niet in aanmerking. + +Ook de Tortel broedt in gunstige omstandigheden meermalen per jaar. De +voortplantingsperiode begint spoedig na de aankomst op de broedplaats, +op zijn laatst in Mei, en duurt tot in Augustus. De 2 eieren worden +beurtelings bebroed door de beide ouders; deze verlaten hunne jongen +zelfs bij in 't oogvallend levensgevaar niet en voeden ze op dezelfde +wijze als de andere Duiven. + + + +Met uitzondering van de Rotsduif en den Tortel, wordt geen ander lid +der orde veelvuldiger getemd dan de aan deze nauw verwante Lachduif +(Turter risorius) die bij ons, evenals de vorige soort, gewoonlijk +"Tortelduif" wordt genoemd. Zij is isabelgeel, op den rug donkerder, +op den kop, de keel en den buik lichter van kleur; de slagpennen zijn +zwartachtig; de nekband is zwart, het oog lichtrood, de snavel zwart, +de poot karmijnrood. Totale lengte 31, vleugellengte 17, staartlengte +13 cM. + +Het vaderland van de Lachduif is Noordoost-Afrika en Indië. Zij +bewoont bij voorkeur dorre, woestijnachtige steppen, begint reeds +in Nubië veelvuldig voor te komen en verder zuidwaarts meer en meer; +in Centraal-Afrika is deze soort sterker vertegenwoordigd dan eenige +andere van de geheele orde. Bij een rit door de Sahara of door een +andere steppe van het binnenland, onverschillig welke, hoort men het +gelach en gekir van deze Duiven bijna uit iederen struik. In bepaalde +tijden van het jaar, tegen het begin van het droge seizoen, verzamelen +zij zich in sommige bosschen tot ontelbare zwermen. Soms ziet men +vele minuten achtereen dichte drommen van deze Vogels voorbijtrekken, +die, wanneer zij neerstrijken, een terrein van verscheidene vierkante +kilometers bedekken. + +De stem van de Lachduif gelijkt op het gekir van den Tortel, maar +gaat geregeld gepaard met geluiden, die men met lachen vergeleken +heeft, omdat zij als "hi hi hi hi" klinken. Dat deze vergelijking, +evenals iedere andere, mank gaat, behoeft niet eens uitdrukkelijk +verzekerd te worden: aan de genoemde geluiden ontbreekt de heldere, +opene klank van het lachen; zij klinken dof, hol en volstrekt niet +vroolijk, hoewel niet onaangenaam. + +Als men zich veel met deze Vogels bemoeit, worden zij zeer tam; +gemakkelijk kan men ze er aan gewennen, naar eigen verkiezing uit en in +hun hok te vliegen. In den fraaien tuin van het lustslot bij Triëst, +vindt men een aantal van deze dieren, die hier even vrij leven als +onze Veldduiven. Bij goede verzorging kan men ze zelfs in een enge +kooi wel 15 of 20 jaar in 't leven houden. + + + +De Australische Spiegelduiven (Phaps) zijn betrekkelijk groot en +meestal ook krachtig gebouwd; haar staart bevat 16 pennen en is korter +of althans niet langer aan de naar verhouding korte vleugels. Haar +vederenkleed is bont en gekenmerkt door den eigenaardigen metaalglans +der dekveeren. + + + +Tot dit geslacht behoort de Gekuifde Tortel (Phaps lophotes); hij +is vooral kenbaar aan de lange, spitse kuif, die door de verlengde +veeren van den achterkop gevormd wordt. De kop, het aangezicht en de +onderdeelen zijn grijs, de veeren van den achterkop zwart, die van +de bovendeelen licht olijfbruin. Totale lengte 35, vleugellengte 15, +staartlengte 15 cM. + +Door zijn sierlijke gestalte en eigenaardige, slanke kuif maakt +deze Vogel een bekoorlijken indruk; hij is een der fraaiste +Vogels van Australië. Soms vereenigen de Gekuifde Tortels zich +tot talrijke vluchten; als deze gedurende het droge seizoen bij +meren of rivieroevers komen, kiezen zij een enkelen boom of struik +als rustplaats voor hen allen uit. In grooten getale zitten zij dan +dicht bij elkander; gelijktijdig vliegen zij naar 't water, zoo dicht +opeengedrongen, dat men er met één schot dozijnen kan dooden. Deze +fraaie Duif is tegenwoordig een sieraad van de volières van alle +Europeesche diergaarden. Zij vereischt niet veel zorg, blijft jaren +lang leven en plant zich in de gevangenschap geregeld voort. + + + +Een tweede soort van hetzelfde geslacht--de Bronsvleugelige Spiegelduif +(Phaps chalcoptera)--mist de kuif; hare bovendeelen zijn bruin, de +achterkop donkerbruin, de onderdeelen wijnrood; de vleugeldekveeren +zijn met langwerpige koperbronskleurige, iriseerende vlekken, twee +of drie armpennen met glanzige, groene vlekken versierd. + +Deze Duif is, naar het schijnt, over geheel Nieuw-Holland +verbreid; in sommige gewesten komt zij echter alleen als trekvogel +voor. Dorre, met struiken of heide begroeide vlakten zijn hare liefste +verblijfplaatsen. Haar vleesch wordt uitmuntend geacht zoowel door de +blanken als door de inboorlingen. Na den broedtijd maakt men ijverig +jacht op haar; als het geluk den jager begunstigt, kan hij er in één +dag 20 à 30 paar dooden. Ook zij is tegenwoordig in onze diergaarden +niet zeldzaam. + + + +De leden van de onderfamilie der Loopduiven (Geotrygoninae) kenmerken +zich door hun gedrongen lichaamsbouw, krachtig ontwikkelde voeten en +betrekkelijk korte vleugels. + + + +Een der meest typische soorten van het geslacht der Grondduiven +(Geotrygon) is de Patrijsduif (Geotrygon cyanocephala). De +chocolade-bruine grondkleur gaat op de onderdeelen in roodbruin over +en is op de borst met een wijnrood waas overdekt; de bovenkop en +eenige schubvormige halsveeren zijwaarts van de keel zijn leiblauw, +het aangezicht, de nek en de keel zwart, de teugel en een band, +die het zwarte kropschild omsluit, zuiver wit. Totale lengte 31, +vleugellengte 13, staartlengte 13 cM. + +In de Cubaansche oerwouden, vooral in die met steenachtigen bodem, +behoort deze prachtige Vogel thuis; hij komt zoomin in het veld als in +de Savanna voor; noordwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich tot +Florida, zuidwaarts over Jamaika tot Venezuela uit. De Patrijsduif +leeft zeer teruggetrokken en wordt van jaar tot jaar zeldzamer, +daar de steeds verder voortschrijdende ontginning van het woud haar +verdrijft en de Kreolen, aangelokt door haar uitmuntend vleesch of door +den prijs, dien zij er voor kunnen krijgen, geen gelegenheid voorbij +laten gaan om haar te dooden. Met ingetrokken hals en opgerichten +staart schrijdt zij langzaam voort, op den grond zoekend naar zaden, +bessen en soms ook naar kleine Slakken, waartoe zij soms de bladen +wegkrabt. Als zij verzadigd is, zet zij zich op een horizontalen, +bladerloozen tak of op een liane neer om uit te rusten. Van tijd +tot tijd laat zij haar lokstem hooren, die uit twee doffe geluiden +"hoe-oep" bestaat. Deze leiden haar niet zelden ten verderve; daar +men om haar te vangen gebruik maakt van een vastgebonden lokvogel van +dezelfde soort of, zoo deze ontbreekt, van een lokfluit, die van een +boomvrucht wordt vervaardigd. De vogelvanger laat ter rechter tijd +een net vallen over de wilde Vogels, die op de echte of nagebootste +klanken afkomen en verkoopt ze daarna levend aan den naastbijwonenden +poelier, die ze in groote kooien bewaart en voedert, totdat hij ze +slijten kan. Aan deze kooplieden danken wij de Patrijsduiven, die in +onze volières prijken. Die, welke ik in de kooi zag of zelf hield, +zaten met opgezette veeren dikwijls langen tijd stil op dezelfde +plaats, bewogen zich slechts op den bodem, bevuilden zich aanhoudend +en maakten veel minder werk van het schoonhouden harer veeren dan +de andere Duiven. Voor zoover ik mij herinner, heb ik nooit de stem +van een mijner gevangenen gehoord; mogelijk is het echter, dat zij +zich wel lieten hooren, maar dat zulks door mij niet werd opgemerkt, +omdat zij in gezelschap van vele andere Duiven leefden. Aan ons klimaat +schenen zij niet goed te kunnen gewennen: elke koele zomerdag bracht +haar in een onbehagelijke stemming; iedere regenbui maakte haar bijna +ziek. Toch zegt men, dat zij zich in sommige Europeesche dierentuinen +voortgeplant hebben. + + + +Een van de prachtigste Duiven is de Manen-, Kraag- of Nicobar-duif +(Caloenas nicobarica). Zij is zeer gedrongen gebouwd; haar +betrekkelijk dikke snavel heeft bij het voorhoofd en een zachte, +bolvormige wrat; de pooten gelijken op die van een Hoen, daar zij +zeer stevig gebouwd zijn en een hoogen loop met korte teenen hebben; +de vleugels zijn zeer lang en breed; het vederenkleed is goed gevuld; +de smalle veeren van de halsstreek zijn zoo sterk verlengd, dat zij +ver afhangende manen vormen. De kop, de hals, de onderdeelen en de +slagpennen zijn zwartachtig groen; de veeren van de onderzijde met +korenbloemblauwen zoom; de langste veeren van den halskraag zijn, +evenals die van den rug en den staartwortel en de vleugeldekveeren, +grasgroen en vertoonen metaalglans; de kortere veeren van den halskraag +hebben een goudkleurigen glans; de staartveeren zijn zuiver wit. De +iris is roodbruin, de snavel leerachtig zwart, de poot roodachtig +purperkleurig. Totale lengte 36, vleugellengte 25, staartlengte 7 cM. + +Van de Nicobaren tot bij de noordoostkust van Nieuw-Guinea heeft men +de Manenduif op alle eilanden gevonden; vooral echter is zij talrijk +op kleine, onbewoonde eilanden, hetzij deze in de nabijheid van groote +landmassa's of ver vandaar te midden van den oceaan liggen. Zij is +een van die soorten, welke bijna uitsluitend op den grond verblijf +houden; haar wijze van vliegen schijnt log. De Europeanen, die zich in +het vaderland van deze Vogels gevestigd hebben, houden hen dikwijls +in de kooi; naar Europa worden zij niet zoo vaak gebracht, als men +zou wenschen. + +Verscheidene paren hebben in den Londenschen dierentuin herhaaldelijk +gebroed en jongen grootgebracht. + + + +De grootste van alle thans levende Duiven zijn de Kroonduiven +(Megapelia). Behalve aan haar aanzienlijke grootte zijn zij kenbaar +aan haar kleed, dat uit groote, wijdbaardige veeren samengesteld is, +vooral ook aan haar prachtigen koptooi, die uit losbaardige veeren +bestaat en in opgerichten toestand een waaier vormt. Dit geslacht omvat +vijf soorten, die op Nieuw-Guinea en de naburige eilanden inheemsch +zijn en waarvan er twee niet al te zelden bij ons in de kooi voorkomen. + +De Kroonduif (Megapelia coronata) bereikt een lengte van 75 cM. De +hoofdkleur van het vederenkleed is leiblauw: de mantel en de schouders +zijn vuil bruinrood, de grootste vleugeldekveeren op 't midden wit +(waardoor op den vleugel een band ontstaat), aan den wortel zwart, +aan de spits bruinrood, de staartveeren aan den top met een breeden, +licht leikleurigen band versierd. Het oog is karmijnrood, de poot +rood, witgepoederd. + +Bij de iets grootere Waaierduif (Megapelia victoriae), is de hoofdkleur +eveneens leiblauw, de onderzijde echter kastanjeroodbruin, de +vleugelband blauwgrijs, de breede eindband van den staart grijsachtig +wit; de veeren van de kopkuif zijn over een groot deel van haar lengte +losbaardig, maar aan den top met kleine baarden bezet, die gezamenlijk +een langwerpige driehoek vormen. Het oog is vermiljoenrood, de poot +vleeschkleurig. + +De Kroonduif komt veelvuldig voor op de kust van Nieuw-Guinea en op +de eilanden Waigioe, Salawatti en Misool. Haar levenswijze gelijkt +op die der Fazanten; in kleine troepen zwerft zij in het woud rond +en houdt zich bij voorkeur op den bodem op. Wallace heeft haar op +Nieuw-Guinea dikwijls op de boschpaden zien rondloopen; zij brengt +het grootste deel van den dag op den grond door en voedt zich hier +met afgevallen vruchten; zij vliegt slechts, wanneer zij opgejaagd +wordt, om zich neer te zetten op een van de onderste twijgen van den +naastbijgelegen boom, die haar ook een slaapplaats verschaffen. Het is +niet moeielijk de Kroonduif te schieten. Zij wordt tamelijk dikwijls +levend naar Amboina, Banda, Java en van daar naar Europa gebracht, +hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de onjuiste meening, dat zij +ook op deze eilanden thuis behoort. De Waaierduif schijnt zeldzamer +te zijn en bewoont zuidelijker gewesten van Nieuw-Guinea. + +Ook thans nog ziet men de levende Kroonduiven het veelvuldigst in +de dierentuinen van Nederland. Bij eenvoudig voedsel houden zij zich +zeer goed, komen in beschutte ruimten den winter goed door en broeden, +althans in den Londenschen dierentuin, vrij geregeld. Ook in andere +diergaarden hebben de Kroonduiven herhaaldelijk eieren gelegd en +uitgebroed, maar nog nooit jongen grootgebracht. + + + +De onderfamilie van de Getande Duiven (Didunculinae), die slechts +door één soort (Didunculus strigirostris) vertegenwoordigd wordt, +ontleent haar wetenschappelijken naam aan de overeenkomst, die sommige +dierkundigen tusschen haar en de leden van de volgende familie meenden +op te merken. Zij is iets plomper van gestalte dan een Grondduif. Haar +romp is krachtig, haar kop groot, de snavel veel hooger dan breed; +de bovensnavel, welks rug eerst bovenwaarts, van hier tot aan de +spits gelijkmatig sterk naar beneden gebogen is, eindigt in een +scherpen haak en heeft aan den zijrand geen tand of inkerving; +de ondersnavel is naar onderen uitgebogen, van voren echter scheef +afgeknot en hier aan iedere zijde met twee inkervingen voorzien, +waardoor drie tandvormige uitsteeksels ontstaan; de zijrand is ondiep +uitgesneden. De poot eindigt in een krachtige, echte duivenvoet: de +loop is iets langer dan de middelste teen en onbevederd; de teenen +zijn vrij. De staart bestaat uit 14 stuurpennen en is korter dan bij +de Huisduif; de vleugels zijn eenigszins afgerond; de kop is om de +oogen en aan de teugels naakt. De kop, de hals en de onderdeelen zijn +metaalglanzig groen; de mantel, de benedenrug en de staartwortel, de +bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren zijn fraai roodbruin, +de slagpennen donker loodkleurig grijs. Het oog is donker roodachtig +bruin, de naakte kring er omheen en de teugelstrepen oranjerood, +aan de spits lichtgeel, de poot helderrood, iedere klauw geelachtig +wit. Totale lengte 33, vleugellengte 18, staartlengte 8 cM. + +Voor zoover men weet, komt de Getande Duif nergens anders +voor dan op Oepoloe en Sawaii, twee van de Samoa-eilanden, en +ook hier slechts op bepaalde terreinen van betrekkelijk geringe +uitgestrektheid. Zij bewoont boschrijke bergstreken op eenigen afstand +van de kust. Tegenwoordig is zij op Oepoloe zeldzaam geworden, niet +zoozeer omdat de inboorlingen vuurwapenen hebben leeren gebruiken, als +wel wegens hun liefhebberij voor Katten; deze zijn hier gedeeltelijk +verwilderd en hebben naar men zegt een groote opruiming gehouden +onder de tot dusver door geen enkel roofdier bedreigde Vogels. De +inboorlingen noemen ze "Manoemea" (Roode Vogels) en houden zooveel +van haar voortreffelijk vleesch, dat zij jaarlijks een langdurigen +jachttocht naar de bergen ondernemen, met geen andere bedoeling dan om +Manoemea's te vangen. De Katten hebben dezen Vogel echter gevolgd tot +in de gebergten, waarin hij de wijk genomen heeft.--Door haar wijze +van vliegen gelijkt de Getande Duif op de overige Duiven; zij maakt +hierbij echter zooveel gedruisch, dat men het opvliegen op eenigen +afstand kan hooren hetgeen onder de inboorlingen aanleiding gegeven +heeft tot het spreekwoord: "hij raast als de Manoemea". Volgens de +berichten van de inboorlingen wordt het nest op den bodem gebouwd, +broeden de beide ouders om beurten en doen dit met zooveel ijver, +dat zij gedurende dit bedrijf met de hand gegrepen kunnen worden. + +Herhaaldelijk heeft men dezen Vogel, die zich gemakkelijk laat temmen, +naar Europeesche diergaarden overgebracht. Hij eet groene vruchten, +waar hij, zoo noodig, stukken uitbijt; hij is het eenige lid van zijn +familie, die dit doet. Groote vruchten maakt hij stuk, zonder ze met de +pooten vast te houden; een noot kan hij gemakkelijk kraken. Hij drinkt +niet, zooals de andere Duiven, zuigend, maar zooals de Ganzen, door +water in de bek te nemen en dan schielijk den kop achterover te buigen. + + + +Den 1en Mei 1598 verliet een door de "Compagnie van verre" uitgezonden +vloot van 4 schepen onder bevel van den Admiraal Jacob van Neck de +reede van Texel, om handelsbetrekkingen aan te knoopen op Java. Bij +het omzeilen van Afrika door stormen beloopen, dwaalden eenige +schepen, waarbij dat van den onder-admiraal Wijbrand van Waerwijck, +naar het eiland Mauritius af. Hier vonden de reizigers in grooten +getale een soort van Vogels, die in staat waren om te vliegen, +een Zwaan in grootte overtroffen en wel 50 pond zwaar waren. (Deze +hadden echter, naar het schijnt, reeds veel vroeger, in 1497, +de aandacht getrokken van Vasco de Gama's metgezellen, die hen op +grond van hun uiterlijk, ondanks het ontbreken van de zwemvliezen, +"Zwanen" noemden en hun woonplaats als het Zwaneneiland op de kaart +aanteekenden.) De Hollandsche zeelieden gaven aan deze dieren den naam +van Walgvogels, wegens de walging, die dit wild hun veroorzaakte; toch +aten zij het, zoutten het in en namen het als proviand mede. Latere +bezoekers van Mauritius vervingen den naam Walgvogel door dien van +Dodaars, welke ook aan den Kleinen Fuut hier te lande wordt gegeven, +wegens het gemis van lange veeren in den staart. Kort daarna kwamen +de thans meer gebruikelijke namen Dodo en Dronte, nog later de +aanduiding Didus ineptus in zwang. In 1638 werd een dezer Vogels +levend in Engeland vertoond, ruim een tiental jaren vroeger was dit +in Holland gebeurd. Naar deze voorwerpen zijn afbeeldingen gemaakt, +o.a. is de Dronte een van de (grootendeels zeer onjuist geteekende) +dieren, voorkomende op de schilderijen van Roelant Savery, die het +paradijs voorstellen en in verschillende kabinetten, o.a. in dat te +'s-Gravenhage, een plaats hebben gevonden. Bontius, een Hollandsch +geneesheer, die van 1627 tot 1658 te Batavia woonde, heeft de +beste afbeelding en beschrijving van de Dronte gegeven. Lang bleef +de gelegenheid tot het aanvullen van deze berichten niet bestaan, +daar reeds in 1679 het weerlooze dier volkomen uitgeroeid was. In +1755 werd een door de Motten beschadigd opgestopt, exemplaar in het +museum te Oxford, met uitzondering van een kop en een poot, door den +conservator weggeworpen; andere dergelijke overblijfselen (kop, poot, +bovenkaak) zijn in de musea van Haarlem, Londen, Kopenhagen en Praag +voorhanden. In 1865 werden uit een moeras op Mauritius een menigte +Dodo-beenderen opgegraven, die het mogelijk maakten een volledige +beschrijving van het skelet van dezen Vogel te geven.--De vleugels +zijn kort en zwak, de lange pooten zeer krachtig, de korte, dikke +loop heeft vier teenen, de staart een geringe lengte, het borstbeen +een hooge kam; de mondspleet strekt zich tot onder de oogen uit; de +snavel is hoog en tamelijk lang, de bovensnavel van achteren met een +washuid bekleed, van voren gewelfd; de spits haakvormig naar beneden +gebogen, de schedelholte opmerkelijk klein. Uit de beschrijvingen van +ooggetuigen valt voorts af te leiden, dat de hals met een kropvormige +opzwelling voorzien en, evenals de kop, slechts met een zacht dons +bekleed was; de korte, dikke romp eindigde in een bundeltje van +slappe staartwortelveeren, daar de stuurpennen ontbraken, evenals +de stijve pennen in de vleugels, die daarom voor 't vliegen geheel +ongeschikt waren. Het vederenkleed had een grijze kleur, de vleugels +met geelachtige tint. + +Uit Owen's onderzoek van het skelet van den Dodo is zijn verwantschap +met de Duifvogels gebleken. Met eenige verwante, eveneens uitgestorven +soorten wordt hij beschouwd als een familie van deze orde--de Drontes +(Dididae). De bedoelde soorten--de Solitaires (Pezophaps)--leefden +nog in de 17e eeuw op de eilanden Bourbon (Réunion) en Rodriguez, de +naaste buren van Mauritius. In 1618 zag men voor 't eerst de Solitaire +van Bourbon (Pezophaps apterornis), die in grootte met een Kalkoen +overeenkwam, maar hooger op de pooten stond en een snavel had als een +Houtsnip; omstreeks het midden der eeuw was hij uitgeroeid. In 1691 +ontdekte Leguat de Solitaire van Rodriguez (Pezophaps solitarius), +die sedert niet meer levend werd waargenomen, maar waarvan skeletten +in de alluviale gronden bewaard zijn gebleven. Hij had een snavel +als een Kalkoen, maar was veel grooter dan deze, daar zijn gewicht +meer dan 45 pond bedroeg. + + + +De Zandhoenderen (Pteroclidae), die een afzonderlijke familie +vormen, zijn Duifvogels, geschikt voor het leven in de woestijn. Hun +vreemdsoortig vaderland, de boomlooze en schaars met planten begroeide +vlakte, hetzij deze zich als woestijn of als steppe, als woestijnachtig +veld of als verwaarloosd bouwland vertoont, spiegelt zich af, is als +'t ware belichaamd in deze Vogels. Het gaf hun, zijne bevoorrechte +kinderen, niet slechts het woestijnkleed in zijn grootst mogelijke +volkomenheid, maar ook de beweeglijkheid die het dier geschikt maakt +om in zulk een arm gebied in zijne behoeften te voorzien. + +De Zandhoenderen of Woestijnhoenderen schijnen, wegens hunne lange +vleugels en hun langen staart, slank, maar hebben in werkelijkheid een +zeer gedrongen lichaamsbouw. Hun romp is kort, de borst zeer gewelfd, +de hals middelmatig lang, de kop klein en sierlijk, de snavel klein, +kort, op den rug flauw gebogen. De voeten zijn klein, d. w. z. hebben +een tamelijk korten loop en zeer korte teenen, bij de soorten van +één geslacht op een eigenaardige wijze verkleind, alle voorteenen tot +aan het eerste gewricht en nog verder door een spanvlies verbonden, +of gelijk men ook kan zeggen, onderling vergroeid en met vliezen +gezoomd; de achterteen is een kort stompje en hooger ingeplant +dan de voorteenen, of ontbreekt geheel; de nagels zijn kort, flauw +gebogen, stomp en breed. De vleugel is kortarmig, de wiek zeer lang; de +slagpennen nemen, bij de eerste te beginnen, gelijkmatig in lengte af; +de staart bestaat uit 14 à 18 stuurpennen, is soms afgerond, gewoonlijk +echter wigvormig toegespitst; zijne beide middelste veeren overtreffen +dikwijls de overige zeer in lengte. Het kleed bestaat uit tamelijk +korte, breede, afgeronde, zeer harde veeren, die aan het lichaam, +hoewel zij dit los bekleeden, toch een glad uiterlijk verschaffen. De +kleur is echt woestijnachtig, d. w. z. volkomen in overeenstemming +met die van den bodem, gelijkt dus in hoofdzaak op die van het zand; +gewoonlijk is de teekening buitengewoon sierlijk en vol afwisseling. + +De Zandhoenderen leven in de Oude Wereld en wel vooral in Afrika, +hoewel men niet kan zeggen, dat dit werelddeel de talrijkste vormen +van de familie bevat. Hun vaderland strekt zich zoover uit als de +woestijn: in Afrika zijn zij daarom bijzonder talrijk; zij komen echter +ook in Azië voor en ontbreken zelfs in Europa niet, hoewel zij hier +beperkt zijn tot een deel, dat op Afrika gelijkt. Ieder werelddeel, +behalve Europa, bezit zijne eigenaardige soorten; enkele soorten zijn +echter over een ontzaglijk groot gebied verbreid en komen in alle +drie werelddeelen als standvogels voor en bezoeken soms ook landen, +waar men ze vroeger niet bemerkte. Wel blijven bijna alle soorten +jaar in jaar uit op dezelfde plaats of althans in hetzelfde gewest; +hunne uitnemende bekwaamheid in 't vliegen stelt hen echter in staat, +om zich zonder bezwaar over een afstand van duizenden kilometers +te verplaatsen; sommige, ons nog onbekende oorzaken nopen hen soms, +hunne omzwervingen ver over de grenzen van hun gebied uit te strekken. + +Weinige Vogels zijn zoo goed als de Zandhoenderen geschikt, om de +eenzaamste en armste gewesten te verlevendigen. Te midden van de +dorste woestenij, op plaatsen waar alleen de stille, snelvoetige +Renvogel (Cursorius gallicus) en de droefgeestig zingende Zandleeuwerik +(Ammomanes cinctura) het pad van den reiziger kruisen, vertoont zich +stommelend en ruischend, het schreeuwerige, bijkans snapachtige +gezelschap van deze begaafde wezens: zij zijn echte, volslagen +woestijndieren. Hoewel zij iederen dag en op gezette tijden naar +de drinkplaatsen moeten vliegen, baart het afgelegen zijn van de +bronnen, waaraan zij hun dorst moeten lesschen, hun geen zorg: het +valt hun niet moeielijk om, voordat zij zich ter ruste begeven, nog +een uitstapje te maken, dat voor ons een dagreis of zelfs meer zou +zijn. Het is dan ook vooral in den tijd, die voor het verkrijgen +van water bestemd is, dat zij zich aan 't oog van den jager of +onderzoeker vertoonen; want wanneer zij in grooten getale en dicht +opeengedrongen onder het bij nagenoeg alle soorten voorkomende geroep +"khadda khadda" voorbijvliegen, moet men doof en blind zijn om ze +niet op te merken. Dit is op andere tijden niet altijd gemakkelijk; +hun woestijnkleurig kleed beschermt hen zoo goed, dat zij zelfs voor +een geoefend oog verborgen kunnen blijven. + +Maanden achtereen leven deze Vogels tot zwermen vereenigd, totdat de +paartijd komt. Dan verdeelen zij zich in kleine troepen en deze in +afzonderlijke paren, die nu ieder een geschikte plaats op den zandigen +bodem uitzoeken, hier een ondiepen kuil in den grond krabben en zich, +zoodra het uit weinige eieren bestaande legsel voltallig is, met +ijver aan het broeden wijden. Een of twee broedsels worden op deze +wijze verzorgd; daarna vereenigen de paren zich weer tot zwermen, +die het vroegere leven hervatten, tenzij buitengewone omstandigheden +zich hiertegen verzetten of althans een wijziging in hun gedragslijn +aanbrengen. + + + +Nog geen tien jaar geleden--ten derden male in deze eeuw--heeft een +vertegenwoordiger van het geslacht der Steppenhoenderen (Syrrhaptes) +in West-Europa de algemeene aandacht op zich gevestigd. De +beide tot dusver bekende soorten van dit geslacht gelijken veel +op de overige Zandhoenderen, maar vertoonen toch ook belangrijke +eigenaardigheden. De eerste handpen is aan de spits lang uitgerekt en +hier op een vreemdsoortige wijze versmald, zoodat dit deel eerder op +een borstel, dan op een veer gelijkt. De loop is aan alle zijden en +de teenen zijn tot aan de spits met korte, haarvormige veeren dicht +begroeid. Er zijn slechts drie teenen aanwezig, daar de achterteen +geheel ontbreekt; de voorteenen zijn sterk verbreed en over hun geheele +lengte door een vlies verbonden, zoodat de voet van onderen gezien, +een onverdeelde zool heeft, die met hoornachtige wratten bekleed is. + + + +Het Gewone Steppenhoen (Syrrhaptes paradoxus), is in 't geheel +(met de beide middelste staartveeren, die, draadvormig verlengd, +8 cM. ver voorbij den overigens 12 cM. langen staart uitsteken, 47 +cM. lang) terwijl de vleugellengte 18 cM. bedraagt. Het bovenste +deel van den kop en aan weerszijden van dezen een streep, die, +bij de oogen beginnend, naar de zijden van den hals loopt, zijn +aschgrauw, de keel, het voorhoofd en een breede streep over het oog +leemkleurig geel, de borst en de zijden van deze, die door een drie- +of viervoudigen, uit fijne, witte en zwarte strepen bestaanden band +van de kropstreek gescheiden worden, zijn grijsachtig isabelkleurig; +de bovenbuik is bruinzwart; de onderbuik en de onderdekveeren van +den staart zijn licht aschgrauw; de rug is op leemgelen grond met +donkerder dwarsstrepen geteekend, de slagpennen zijn aschgrauw, +de voorste op de buitenvlag zwart, de achterste op de binnenvlag +met grijsachtigen zoom; de schouderveeren zijn bruinachtig, aan +de voorzijde geelachtig en aan de spits wit gezoomd, de binnenste +vleugeldekveeren zandkleurig bruin met zwartbruine vlek aan de spits, +de staartveeren op gelen grond met donkere banden voorzien, de veeren, +die den loop bekleeden, vaal witachtig. + +Verschillende onderzoekers hebben ons het Steppenhoen doen kennen als +een bewoner van de steppen van Middel-Azië, van de Kaspische Zee tot +in China. Pallas gaf in 1770 de eerste beschrijving van dezen Vogel, +maar wist weinig mede te deelen over zijn levenswijze. Radde, die +het Steppenhoen o.a. in de omstreken van het Tarai-nor of Tarai-meer +in Mongolië heeft nagegaan, geeft uitvoerige berichten over dit +dier in zijne "Reizen in het zuiden van Oost-Siberië, gedurende +de jaren 1856 tot 1860;" hieraan is het volgende ontleend: "Het +Steppenhoen komt omstreeks het midden van Maart uit het zuiden in +het Tarai-nor-gebied, terwijl de sneeuw nog op de heuvels der hooge +steppen ligt; het leeft dan in kleine troepen, maar altijd reeds +gepaard. In zachte winters treft men het aan den noordoostrand van +den hoogen Gobi aan; het verschijnt echter ook na strenge winters +reeds zoo tijdig en broedt zoo vroeg, dat het ook in dit opzicht +sterk de aandacht trekt. Zijne eieren vindt men reeds in de eerste +dagen van April en tegen het einde van Mei voor de tweede maal. Nadat +de jongen van het tweede broedsel uitgevlogen zijn, wisselen de +Steppenhoenderen waarschijnlijk van verblijfplaats; gedurende de +wintermaanden zwerven zij rond tot aan den zuidrand van den Gobi in +de voorbergen van de Noordelijke Himalaja-plateaux. Zij vliegen in +volkomen gesloten vluchten, op soortgelijke wijze als de verschillende +soorten van Pluvieren, vereenigen zich in de lente tot kleine troepen, +die uit reeds gepaarde Vogels bestaan (4 à 6 paar), maar vormen in den +herfst dikwijls zwermen van verscheidene honderden. Onder het vliegen +hoort men van hen zeer duidelijk het geschreeuw, dat aanleiding heeft +gegeven tot den Mongoolschen naam "Njupterjun". Het mannetje en het +wijfje blijven ook gedurende het vliegen bij elkander. + +"In de lente verschijnen de Steppenhoenderen zeer geregeld, +altijd op denzelfden tijd van den dag, bij zoetwaterplassen om te +drinken. Uit alle richtingen komen zij aanvliegen; hun geschreeuw +bij het zien van den oever wordt door de hier reeds aanwezige Vogels +beantwoord. Aan den waterkant staan zij op rijen, meestal 10 à 12 +stuks bijeen. Zij rusten hier echter niet lang, maar gaan spoedig +heen om voedsel te zoeken, bij voorkeur naar de witte plekken van +de steppe, waar het zout aan de oppervlakte is uitgeweerd en naar de +met gras begroeide heuveltjes. Van de hier zeer rijkelijk groeiende +zeekraal (salicornia), bij welke plant dikke, saprijke stengelleden +de rol van bladen vervullen, scheren zij de jonge uitspruitsels af, +op soortgelijke wijze als de Trappen een weide afgrazen In den zomer +gaan zij graag in de zon liggen. Evenals de Hoenderen krabben zij dan +ondiepe kuiltjes in de grijsachtig witte, met zout doordrongen aarde +van de kleine verhevenheden van den bodem en hurken hierin neer; om +geheel op hun gemak te zijn, gullen zij, evenals de Huishoenderen, +zoo lang in den losgewoelden grond, totdat zij er grootendeels door +bedekt zijn. Schildwachten worden in dit geval niet uitgezet. Terwijl +zij daar zoo volkomen rustig zitten, merkt men ze bijna niet op, wijl +hun geelachtig grijs, zwart gesprenkeld vederenkleed zeer weinig bij +den bodem afsteekt. Op eens schiet in zigzagvormige baan een Valk over +de rustende dieren heen; onmiddellijk vliegen zij op en onttrekken +zich schielijk aan onze blikken en aan die van het begeerige roofdier. + +"Hun nest is zeer eenvoudig en waarschijnlijk geheel op dezelfde wijze +als dat van de Zandhoenderen samengesteld. Hoewel verscheidene paren +in elkanders nabijheid broeden, is hun aantal echter nooit groot. In +de met zout doordrongen gronden bij het Tarai-nor, meestal op de +sinds jaren droogliggende gedeelten van den bodem van dit meer, +bestaat het nest uit een ondiep uitgekrabden kuil van ongeveer +12 cM. middellijn, welks rand met eenige salsola-takjes en grassen +belegd is; de laatstgenoemde ontbreken echter soms. Het aantal eieren +bedraagt 4. Deze hebben ongeveer denzelfden vorm als de eieren van +Zandhoenderen; zij kenmerken zich door hun zuiver elliptischen vorm, +hoewel zij soms aan het eene einde iets spitser zijn dan aan het +andere. De grondkleur wisselt af van licht groenachtig grijs tot vuil +bruinachtig grijs; de laatstgenoemde kleur is de meest gewone. Op dezen +grond vindt men de meestal uit fijne vlekken bestaande omberbruine +teekening in twee verschillende tinten." + +"Deze Vogel", schrijft Schlegel, "die in de woestijnen van Midden-Azië +thuis behoort, en, voor zoover bekend is, deze vroeger niet heeft +verlaten, is in de jongste jaren door verhuizingen beroemd geworden, +zooals die bij verscheidene dieren, b.v. de Lemming en andere +Muizensoorten, de Eekhoorns, de Pestvogels, de Notenkrakers, de +Schildpadden, Padden, Sprinkhanen enz., zelfs min of meer geregeld, +ofschoon slechts in sommige jaren, plaats hebben, en wier oorzaken +blijkbaar overbevolking der soort en gebrek aan voedsel zijn. De +eerste dezer verhuizingen had reeds in het jaar 1859 plaats. Er werden +toen tegen het einde van Augustus een paar dezer Vogels in de duinen +bezuiden Zandvoort waargenomen, maar het gelukte eerst in October het +mannetje te schieten, waarop zijn makker niet teruggezien werd. In den +loop van hetzelfde jaar werden er nog drie voorwerpen, te weten twee +in Engeland en één in Jutland, waargenomen." Ook heeft men in 1860 +een uit 14 of 15 stuks bestaande vlucht van deze Vogels bij Mandal +in Noorwegen gezien en er verscheidene van bemachtigd. Deze weinige +exemplaren werden echter als afgedwaald beschouwd; aan hun herhaald +bezoek werd geen groote beteekenis gehecht. Iets dergelijks geschiedde +in den herfst van het jaar 1861 in het noorden van China. Hier +echter betrof het niet eenige weinige afgedwaalde voorwerpen, maar +een geheel leger van Steppenhoenderen, die in de vlakte tusschen +Peking en Tientsin neergestreken waren. De Chineezen maakten zoo +ijverig mogelijk jacht op de vreemdelingen, die hun onder den naam +"Satsji" wel bekend waren, en verhaalden aan Swinhoe, dat zij deze +Vogels dikwijls in netten vingen en met het lontgeweer schoten. Na +een hevige sneeuwbui was de jachtbuit zoo groot, dat de markt van +Tsientsin er letterlijk mede overvoerd was. Toch waren de Vogels +schuw, n.l. zoo lang zij zich op den bodem bevonden; bij 't vliegen +echter gingen zij dichtbij de jagers langs. De inboorlingen wisten +trouwens, dat de groote Tartaarsche vlakte achter den beroemden muur +het vaderland van de Steppenhoenderen is. + +Een zeer aanzienlijke zwerm van deze Vogels verscheen in 1863 in ons +werelddeel en verbreidde zich over de meeste noordelijke landen. Met +vrij groote zekerheid kan men den weg aangeven, langs welke deze +verhuizingen heeft plaats gehad. Indien men in het zuidoosten van +Europa evenveel aandacht had geschonken aan de vreemdelingen als in +Duitschland, Frankrijk, Nederland, België en Groot-Britannië, zouden +wij waarschijnlijk met alle vertakkingen van dezen weg volkomen +bekend geworden zijn. Nu heeft men dien kunnen nagaan van Brody in +Galicië tot Naran aan de westkust van Ierland en van Biscarolle in +het zuiden van Frankrijk tot Thorshavn op de Fär-öer. In verscheidene +streken van ons land (o.a. op Ameland) hebben zij zich van het vroege +voorjaar tot in November opgehouden. + +In 1888 bracht het Steppenhoen ons opnieuw een bezoek. Mr H. Albarda +beschrijft dit op de volgende wijze. "Nadat, in de laatste helft van +April, in Polen, Saksen en Pommeren vluchten van deze Vogels waren +verschenen, trokken zij steeds meer naar het westen en bereikten +in de eerste helft van Mei ons land. Den 15en dier maand werd in +het duin bij Egmond aan Zee een oud mannetje gevonden, hetwelk zich +tegen de telegraafdraden had doodgevlogen. Spoedig vermeerderde het +aantal. Zij vestigden zich bij voorkeur in de duinen, vermoedelijk, +omdat de plantengroei aldaar het meest overeenkomt met die van de zilte +steppen van hun vaderland. Uit tal van berichten van onderscheidene +plaatsen bleek, dat zij in het laatst van Mei algemeen waren te +vinden in de kuststreek van Zeeland, Noord- en Zuid-Holland en op +de Noordzee-eilanden. Van alle zijden werden exemplaren gezonden, +zoo levende als doode; want niettegenstaande het herhaaldelijk in de +dagbladen gedaan verzoek, om ze zooveel mogelijk te sparen, werden +zij onbarmhartig vervolgd, zoo met schietgeweer, als met netten +en strikken. Zoo werden, naar men mij verzekert, nog in October, +op Texel vele exemplaren met netten gevangen en voor f 5 à f 10 +per stuk verkocht, om, ten deele althans, naar het buitenland te +worden verzonden. Bovendien werden vele voorwerpen gedood of gewond, +doordat zij in aanraking kwamen met telegraafdraden, die meestal zijn +aangebracht op dezelfde hoogte boven den grond, als waarop deze Vogels +gewoonlijk vliegen. Ook werden zij dikwijls met de hand gevangen, +uitermate verzwakt als zij waren door de Helmteek, op Texel Bonselaar +genoemd (Ixodes), die zich vooral aan den hals hecht en niet zelden +verzweringen veroorzaakt. + +"Hoewel de Steppenhoenders dikwijls heen en weder trokken, bleven +zij toch gedurende den zomer in de genoemde streken stand houden. Van +hun voorkomen op onze heidevelden vernam men aanvankelijk niets. 20 +Juni werd echter een voorwerp bij Rolde (Drente) geschoten en den +volgenden dag een bij Assen gevangen. In Juli en Augustus werden in +dezelfde provincie, o.a. te Borger en Rolde, alsmede hier en daar in +Overijsel koppels waargenomen. + +"Na het openen van de jacht, in September, nam de vervolging op +schrikbarende wijze toe, en het duurde dan ook niet lang, of men +berichtte uit vele plaatsen in Holland, alsmede van de eilanden, +dat de Steppenhoenderen geheel waren verdwenen of nog slechts zeer +zelden voorkwamen. Terzelfder tijd vertoonden zich op de heidevelden +van Overijsel, Drente en zuidoostelijk Friesland vele, hoewel niet +zeer talrijke vluchten. In October had een algemeen terugtrekken +plaats. Berichtte men ons van de kuststreek, dat de Vogels haar +verlieten, zoodat men vreesde, dat zij hun vaderland weder gingen +opzoeken, in onze oostelijke provinciën vermeerderde hun aantal +sterk. In die maand en in November waren vluchten van 40, 60, ja +soms 100 stuks aldaar niet zeldzaam. Deze verminderden, wel is waar, +in December, maar er bleven nog genoeg over, om de hoop te voeden, +dat zij aldaar zouden overwinteren. Ook op de heide tusschen Laren +en Bussum (Noord-Holland) werden in die maand vier stuks waargenomen; +den 17en werden er ook bij Haarlem gezien. + +"De sluiting van de jacht deed, wel is waar, voor een groot +deel de vervolging ophouden, maar maakte ook het waarnemen veel +moeielijker. Geruimen tijd ontbraken alle berichten. Het schijnt +echter, dat de Steppenhoenderen wel voor het grootste gedeelte zijn +weggetrokken, maar dat toch een zeker aantal, begunstigd door den bijna +sneeuwvrijen winter, hier zijn gebleven en zich tegen het voorjaar +weder in westelijke richting hebben bewogen, om de duinstreek weer op +te zoeken. Of het moest zijn, dat de voorwerpen, die zich toen hebben +vertoond uit Groot Britannië afkomstig waren." "In 1889 werden op +verschillende plaatsen van Gelderland, Noord- en Zuid-Holland enkele, +meer of minder groote vluchten Steppenhoenderen waargenomen, voor +'t laatst in September bij Haarlem; na dien tijd werd deze soort +in ons land niet meer gezien. Hier en daar zijn nesten en eieren +gevonden. Er is echter geen enkel goed bewezen geval bekend, dat +jonge Vogels tot volwassenheid zijn gekomen." Evenzoo is het gegaan +in de andere landen van West- en Midden-Europa. "Uit het bovenstaande +schijnt te blijken, dat men de hoop op het voor goed blijven van +het Steppenhoen hier te lande zal moeten opgeven. Neemt men toch in +aanmerking, dat deze Vogels in 1888 in zeer grooten getale tot ons +zijn gekomen, dat er na den winter van 1888-1889 een voldoend getal +is overgebleven, en dat, was het voorjaar van 1888 koud en vochtig, +dat van 1889 zich kenmerkte door warmte en droogte, dan moet men het +er voor houden, dat westelijk Europa aan deze soort de noodzakelijke +levensvoorwaarden niet kan bieden." + +Van een eigenlijken terugtocht van de herwaarts gekomen +Steppenhoenderen naar hun vaderland is niets gebleken. Het schijnt +integendeel, dat de stroom van zwervelingen van de kusten der Noordzee +uit verder westwaarts is gegaan; immers de tijd, waarin de Vogels op +de Britsche eilanden talrijker begonnen te worden, viel samen met +dien, waarin hun aantal in Sleeswijk-Holstein aanmerkelijk begon +te verminderen. + +De volksverhuizing dezer Vogels heeft zich, naar het schijnt, als volgt +toegedragen: Duizenden van Steppenhoenderen trokken in meer of minder +gesloten zwermen uit hun vaderland op naar het westen; kleinere troepen +scheidden zich van het hoofdleger af en volgden andere richtingen, +naar rechts tot Noorwegen, naar links tot Middel-Italië reizend; de +hoofdmassa, steeds kleiner wordend door ongevallen van allerlei aard, +drong door tot aan de kust van de Noordzee, waar een klein gedeelte +gedurende eenigen tijd rustig bleef wonen; bij het voortzetten van de +reis naar de verder westwaarts gelegen eilanden, ging het grootste +deel te gronde; het overschot, onophoudelijk verder trekkend, vond +zijn graf in den Oceaan. + +De gevangen Steppenhoenderen hebben verschillende vogelkenners de +gelegenheid verschaft, om de gewoonten en de aard van deze dieren +nauwkeurig na te gaan. Het is gebleken, dat zij spoedig tam worden, +tarwekorrels oppikken en water drinken. Zij hebben een eigenaardig +trippelenden gang. Hun stem kan, naar men zegt, het best door de +lettergrepen "goek goek" of "geloek geloek" nagebootst worden, +en klinkt niet, gelijk van de in vrijheid levende exemplaren wordt +bericht, als "kùkerik". Koude en sneeuw schijnen hun niet veel te +hinderen; zelfs in een strengen winter slijten zij het grootste +deel van den tijd in het aan weer en wind blootgestelde deel van +hun kooi. Tot dusver hebben zij zich niet voortgeplant in de kooi: +zij hebben hier eieren gelegd, maar niet gebroed. + + + +Het geslacht van de Woestijnhoenderen (Pterocles) kenmerkt zich door +den bouw van den voeten van den vleugel. De voet heeft vier teenen, +die slechts aan den wortel door een vlies verbonden zijn. De spits +van den vleugel wordt gevormd door de eerste en de tweede slagpen. In +den regel verschilt het mannetje van het wijfje door de kleur. + + + +De Ganga (Pterocles arenarius), een van de grootste soorten van dit +geslacht heeft den kop en den hals vleeschroodachtig grijs; de mantel +heeft licht- of donkergele en leikleurige vlekken door elkander heen; +de keel is okergeel, een gorgelband bruinzwart, de borst roodachtig +grijs, een scherp begrensde borstband zwart of bruinzwart, zooals de +buik; de slagpennen zijn aschgrauw of blauwachtig aschkleurig, aan de +spits zwartachtig bruin, de armpennen aan den wortel wit; de bovenste +vleugeldekveeren zijn, ten deele althans, zuiver okergeel en ongevlekt, +de onderste wit; de beide middelste staartveeren zijn kaneelbruin +met zwartachtige dwarsstrepen, de overige stuurpennen aschgrauw, +aan de spits wit; de bovenste staartdekveeren komen in kleur overeen +met den rug, de onderste zijn wit en zwart gevlekt. Totale lengte 35, +staartlengte 11 cM. + + + +De Khata (Pterocles alchata) is (zonder de veeren) iets kleiner dan +de Ganga, maar duidelijker gevlekt. Over 't geheel genomen heeft ook +bij haar de zandkleur de overhand; de hierop voorkomende teekening van +zwarte, witte en gele vlekken, zoomen en banden maakt een aangenaam +effect; de keel en een fijne teugelstreep, die zich over het oog +naar den achterkop richt, zijn zwart; de gorgelstreek is roodachtig +vaalgeel, de bovenborst helder kaneelbruin, van boven en van onderen +door een smallen, zwarten band begrensd, de buik wit. Evenals bij +de vorige soort, zouden bij deze de vleugelspitsen den top van den +staart bereiken, indien niet de aan 't einde versmalde middelste +staartpennen ver voorbij de overige verlengd waren. Totale lengte 37, +staartlengte 13 cM. + + + +Het Noordafrikaansche Woestijnhoen (Pterocles exustus), zoo genoemd, +omdat het niet (gelijk de beide vorige, eveneens Noord-Afrika +bewonende soorten) tevens in Zuid-Europa wordt aangetroffen, vertoont +in nog hoogere mate dan hare verwanten een echte woestijnkleur. De +hoofdkleur is bij haar fraai roodachtig isabel, gaat op de wangen, +in het aangezicht en op de vleugeldekveeren in helderder geel over +en heeft op den rug een groenachtigen weerschijn. De isabelkleurige +bovenborst wordt door een smallen, zwarten band gescheiden van de +benedenborst, die evenals de buik donker chocoladebruin is; de veeren, +die den loop bekleeden en de onderdekveeren van den staart zijn weer +isabelkleurig; alle kleine bovendekveeren van den vleugel hebben aan +de spits een chocoladebruine bandvlek; de handpennen zijn zwart, bij +de derde te beginnen wit aan de spits en op de binnenvlag; de beide +middelste, sterk verlengde en in fijne spitsen eindigende staartveeren +zijn isabelgeel, de overige donkerbruin met lichtbruine vlekken en +banden. Het donkerbruine oog is omgeven door een breeden, onbevederden, +citroengelen ring; de snavel en de teenen zijn loodkleurig. Totale +lengte 33, staartlengte 14 cM. + + + +De Ganga en de Khata hebben ongeveer hetzelfde verbreidingsgebied. Van +de Zuid-Europeesche landen behoort alleen Spanje tot haar +vaderland. Wel werden zij ook in andere landen van Zuid Europa (de +Ganga zelfs midden in Duitschland) aangetroffen; haar aanwezigheid +hier wordt echter als een afdwaling beschouwd. In sommige provinciën +van Spanje (Andalusië, Murcia, Valencia, Oud- en Nieuw-Castilië en +Aragon) komen de Ganga en de Khata even geregeld voor als andere +of dezelfde Zandhoenderen in Azië en Afrika. Het Noordafrikaansche +Woestijnhoen bewoont zuidelijker gewesten. Zooals te verwachten was, +strekt het vaderland van deze Vogels zich over een groot deel van +de aarde uit. De Ganga en de Khata zijn veelvuldig in alle voor +haar geschikte gewesten van Noordwest-Afrika, oostwaarts tot Tunis; +zij bewonen bovendien het grootste deel van Azië, o.a. het geheele +steppengebied, en verschijnen, althans 's winters, geregeld in Indië. + +Alle Woestijnhoenderen bewonen uitsluitend woestijnen of steppen, op +akkers ziet men ze niet anders dan na het binnenhalen van den oogst. De +met droog, dor, Afrikaansch gras bedekte vlakten, voor 't meerendeel +braakliggende akkers, zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen. In +Spanje leven zij in soortgelijke oorden. Angstvallig vermijden zij +boschstreken; daarentegen schijnen zij zich overal, waar, zooals in +de Afrikaansche steppen, laag struikgewas den bodem bedekt, zeer goed +op hun plaats te gevoelen. Zij vestigen zich uitsluitend in oorden, +waar de kleur van den bodem zooveel mogelijk overeenstemt met die +van hun kleed. + +De aard en de gewoonten van de Woestijnhoenderen zijn +karakteristiek. Hun gang is licht en fraai, gelijkt meer op dien van +Hoenderen dan op dien van Duiven, maar is toch altijd eenigszins +trippelend, niet werkelijk rennend, zooals bij de Hoenderen. Bij +hun gedruischmakende en onstuimige vlucht, welke eenigszins aan +die der Duiven, veel meer echter aan die der Pluvieren herinnert, +volgen de vleugelslagen gelijkmatig en snel opeen. Hun stem is +zoo eigenaardig, dat zij niet met die van andere Vogels verward +kan worden. De Arabische naam "Khata", of liever "Khadda" is een +klankbeeld van het geschreeuw, dat men van hen hoort, terwijl zij +vliegen; de veel zachter klinkende geluiden, welke zij bij het loopen +op den grond maken, kunnen ongeveer door de lettergrepen "gloek" +of "poek" voorgesteld worden en hebben ongeveer de beteekenis van +een gezellig gesprek. Hun inborst komt ons voor als een mengsel van +tegenstrijdige eigenschappen. Zij zijn buitengewoon gezellig, maar +bemoeien zich eigenlijk alleen met hunne soortgenooten. Hoewel zij +met de meest verschillende Vogels in vollen vrede leven, geven zij +soms, evenals de Duiven, blijken van valschheid en nijd, zonder dat +men de reden hiervan kan opsporen. Zij blijven eendrachtig bijeen, +maar beginnen toch nu en dan een tweegevecht en houden dapper vol, +hoewel er bij hen geen sprake is van den spreekwoordelijken strijdlust +der hanen en een strijd op leven en dood waarschijnlijk nooit voorkomt. + +Hun dagelijksch leven is zeer geregeld. Behalve in de middaguren en +misschien omstreeks middernacht zijn zij voortdurend in de weer, +althans wakker. Nog voordat de dag is aangebroken, hoort men de +geluiden van hun gewoon onderling verkeer; zoodra men de voorwerpen +kan onderscheiden, ziet men ze ijverig tusschen de lage graspollen +doorloopen en voedsel pikken. Als zij niet gestoord worden, duurt +dit voort tot omstreeks 9 uur 's voormiddags; daarna vliegen zij +(iets vroeger of iets later, al naar het jaargetijde) naar de +drinkplaats. Hier komen in een tijdsbestek van één uur duizenden aan; +deze duizenden verzamelen zich aan een kleine poel, indien de streek +arm is aan water; zij verdeelen zich in troepen over alle geschikte +plaatsen langs den rivieroever, indien het land met rivieren doorsneden +is. Nadat zij gedronken hebben, begint de rust, die met den aanvang +van de spijsvertering gepaard moet gaan; men ziet dan de leden van +het gezelschap, in afzonderlijke troepjes verdeeld, in behagelijke +rust gelegerd in door hen zelf uitgekrabde, ondiepe kuiltjes of wel +onmiddellijk op het zand, gewoonlijk plat met den buik tegen den bodem +aangedrukt, dikwijls echter op de zijde liggend, nu eens op de eene, +dan weer op de andere, terwijl telkens de eene vleugel uitgespreid +en aan de zonnestralen blootgesteld wordt. + +De Woestijnhoenderen zijn alleen daar, waar zij vervolgd worden, +schuw; in de eigenlijke woestijn, waar zij weinig met menschen +in aanraking komen, laten zij den ruiter op zijn kameel tot op een +afstand van weinige schreden naderen; zelfs voor den voetganger is het +niet moeielijk in hun nabijheid te komen. Men moet echter een zeer +scherp gezicht hebben om ze op te merken. Wanneer het Woestijnhoen +zwijgend en bewegingloos op den grond uitgestrekt ligt, welks kleur +het tot in de fijnste nuances op zijn vederkleed draagt, is het als +'t ware een deel van den bodem geworden, zoodat men het er niet meer +van onderscheiden kan. + +Het voedsel van deze Vogels bestaat, zoo niet uitsluitend, dan toch +nagenoeg geheel uit zaden. Overal waar in de nabijheid van de woestijn +akkers voorkomen, kost hun het inzamelen der daar verbouwde zaden, +althans gedurende eenigen tijd, weinig moeite. + +In Zuid-Europa en Noord-Afrika broeden de Woestijnhoenderen in de +eerste lentemaanden; verder op in Afrika doen zij dit in het begin +van den regentijd, die daar onze lente vervangt, in Zuid-Indië in +de maanden tusschen December en Mei, in Middel-Indië iets later. De +eieren van alle tot dusver bekende soorten worden in het zand gelegd en +gelijken veel op elkaar. In kleur stemmen zij met hun omgeving overeen; +de grondkleur is helder bruingeel, soms zuiver, soms groenachtig of +roodachtig getint; de schaalvlekken wisselen af van licht tot donker +violetgrijs, de overige vlekken van geelbruin tot roodbruin. + +Ook de Woestijnhoenderen hebben in den mensch hun ergsten vijand; +want tegen de meeste roofdieren zijn zij beveiligd door hun snelle +vlucht. Zoolang zij nog niet schuw geworden zijn, is het niet +moeielijk ze te bemachtigen; zij vertrouwen in den regel te veel op +hun zandkleurig kleed. Geheel anders gedragen zij zich op plaatsen, +waar zij vervolgingen hebben ondergaan. Hier moet men hen bij hun +drinkplaats opwachten. + +Nog overvloediger is de buit, naar het schijnt, wanneer men strikken +zet. "De Woestijnhoenderen", zegt Bolle, "loopen, omdat hunne pooten +zoo kort zijn, nooit vrijwillig over groote steenen, maar maken liever +een omweg om op den vlakken grond te kunnen blijven; wanneer men dus +een pad naar 't water maakt door steenen op twee reeksen te plaatsen +en in de tusschenruimte, die juist wijd genoeg is om een Ganga door +te laten, strikken aanbrengt, vangt men er vele levend." + +In de gevangenschap wordt deze in vrijheid schuwe Vogel zeer tam. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 27945-8.txt or 27945-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/7/9/4/27945/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
