summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/27927-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '27927-8.txt')
-rw-r--r--27927-8.txt5182
1 files changed, 5182 insertions, 0 deletions
diff --git a/27927-8.txt b/27927-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d922b75
--- /dev/null
+++ b/27927-8.txt
@@ -0,0 +1,5182 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Deel 2, Hoofdstuk 04: De Hoendervogels
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: January 29, 2009 [EBook #27927]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE ORDE.
+
+DE HOENDERVOGELS (Alectoridornithes).
+
+
+Oken splitst de klasse der Vogels in twee hoofdgroepen of
+"trappen": Nestblijvers en Nestvlieders. "Ik let," zegt hij, "op de
+ontwikkeling der Vogels. Sommige komen naakt en blind uit het ei en
+moeten daarom lang gevoederd worden. Deze noem ik Nestblijvers. De
+overige komen ziende en reeds tamelijk dicht bevederd uit het ei,
+kunnen bijna dadelijk loopen en hun voedsel zoeken. Hen noem ik
+Nestvlieders. Deze gaan stappend, gene huppelend; men zou ze dus ook
+"Stappers" en "Huppelaars" kunnen noemen. De laatstgenoemde houden
+van hooggelegen plaatsen, en hun voornaamste wijze van beweging is
+het vliegen; de eerstgenoemde blijven bij voorkeur op den grond of
+op het water en vliegen slechts als de nood hen er toe dwingt; men
+zou ze "Vliegers" en "Loopers" kunnen noemen. Gene maken gebruik van
+één bepaalde soort van voedsel, leven van zaden en vruchten, die zij
+van den stengel afplukken, of van dieren, die zich snel bewegen; deze
+voeden zich met al wat zij krijgen kunnen, met afgevallen zaden en
+vruchten en meestal met dieren, die langzaam kruipen, zooals Slakken
+en Wormen, of met Visschen, Amphibiën, Vogels en Zoogdieren, die
+traag van beweging zijn, met gekookt vleesch en groenten; men zou ze
+"Eén-soort-voedsel-eters" en "Alleseters" kunnen noemen. Gene zijn
+verder bijna doorgaans klein (de meeste blijven beneden de grootte
+van de Raaf), deze daarentegen zijn meestal grooter dan een Hoen; gene
+slapen staande, deze neergehurkt, enz."--Het valt niet te ontkennen,
+dat deze verschilpunten werkelijk bestaan en belangrijk zijn; zij
+leggen echter niet genoeg gewicht in de schaal om er een stelsel op te
+grondvesten. Vele "Stappers, Loopers, Alleseters" en hoe Oken de leden
+van een zijner "trappen" al niet meer genoemd heeft, zijn Nestblijvers
+en geen Nestvlieders; wij zouden dus nauw verwante vormen van elkander
+moeten scheiden, als wij het denkbeeld van Oken letterlijk wilden
+toepassen. Dit neemt echter niet weg, dat de zienswijze van dezen
+genialen onderzoeker behartiging verdient; in ieder geval mogen wij
+niet onvermeld laten, dat de Vogels, die wij nu nog moeten beschrijven,
+voor 't meerendeel Nestvlieders zijn. Echte Nestvlieders zijn ook de
+leden van de eerstvolgende orde, hoe verschillend van aard ook zij
+mogen schijnen. Het is zeer moeielijk en voor ons doel ook onnoodig om
+algemeen geldige kenteekenen voor deze orde op te noemen. Fürbringer
+voegt hierin zeer verschillende vormen bijeen, n.l. de Hoenderen,
+de Kortstaarthoenderen of Tinamoes en de Snipstruisen of Kiwis; met
+deze namen worden de drie onderorden van de Hoendervogels aangeduid.
+
+
+
+De Hoenderen (Galliformes), die onder de Hoendervogels den hoogsten
+rang innemen, zijn krachtig en zelfs plomp gebouwd; zij hebben korte
+vleugels, stevige pooten en een rijk voorzien vederenkleed. Met den
+gedrongen, korten en hoogborstigen romp is door een korten, hoogstens
+middelmatig langen hals een kleine kop verbonden. De snavel, die zeer
+verschillende vormen kan hebben, is in den regel kort, nauwelijks
+half zoo lang als de kop, soms echter veel langer, bijna even lang
+als de kop. In 't eerstgenoemde geval is hij breed en hoog, meer of
+minder sterk gewelfd en aan de spits haakvormig benedenwaarts gebogen,
+minstens tot een bollen hoornnagel uitgetrokken, het achterste deel
+meestal met veeren bekleed, waartusschen zich een smalle, vliezige
+schub bevindt, die het neusgat bedekt; soms dringt deze tusschen
+de veeren van het voorhoofd door; bij uitzondering is zij met een
+washuid overdekt. De pooten, de belangrijkste bewegingsorganen van de
+Hoenderen, zijn steeds zeer krachtig gebouwd, meestal middelmatig hoog;
+de teenen zijn lang en met korte nagels voorzien. Aan den poot komen
+krachtige spieren voor; het scheenbeen is, evenals het dijbeen, door
+een dikke vleeschmassa omgeven; de loop is dik, de voet soms meer, soms
+minder sterk ontwikkeld. In den regel zijn alle vier teenen aanwezig;
+soms echter is van den achterteen niets anders zichtbaar dan de nagel;
+deze ontbreekt slechts zelden. Bij de Hoenderen, welke op den grond
+leven, is de achterteen (die steeds hooger aangehecht is dan de
+voorteenen) klein, bij de Boomhoenderen daarentegen tamelijk groot;
+bij één groep zijn de teenen buitengewoon sterk ontwikkeld. De klauwen,
+die bij enkele soorten op bepaalde tijden afgeworpen en door nieuwe
+vervangen worden, zijn meestal kort, breed en stomp, soms echter lang
+en smal, altijd echter weinig gebogen. De vleugel is in den regel kort
+(in dit geval sterk, schildvormig gewelfd), bij uitzondering echter
+zeer lang; het aantal handpennen bedraagt 10 of 11, dat der armpennen
+12 à 20. De staart, die zeer verschillend kan zijn, wat samenstelling
+en vorm betreft bestaat uit 12 à 20 stuurpennen; soms is hij kort,
+soms middelmatig lang, soms zeer lang; in het laatstgenoemde geval
+zijn de zijdelingsche stuurpennen sterk verkort. Vermelding verdient
+de buitengewoon sterke ontwikkeling van de staartwortelveeren of van
+de bovendekveeren van den staart (die den voornaamsten tooi vormen
+van sommige Hoenderen) eveneens de merkwaardige vorm en omvang, die de
+schouderveeren of bovenarmpennen bij enkele soorten hebben. De romp en
+de hals zijn zeer overvloedig met veeren bezet; bij twee groepen strekt
+de bevedering zich uit over den loop en tot op de teenen; daarentegen
+blijven meer of minder groote gedeelten van den kop en aan den gorgel
+soms onbevederd. Op soortgelijke wijze als andere lichaamsdeelen een
+sterkere ontwikkeling van het vederenkleed vertoonen, zal de huid
+van deze naakte plekken zich uitbreiden tot eeltachtige opzwellingen,
+wratten, lellen, kammen en dergelijke aanhangselen, zelfs tot kleine
+hoorntjes; al deze deelen prijken met sterk sprekende kleuren. De
+Hoenderen over 't algemeen staan trouwens, wat kleurenpracht en
+tooi betreft, nagenoeg niet achter bij de leden van andere orden;
+vele van hen kunnen de vergelijking met de prachtigst gekleurde en
+getooide leden van de geheele klasse zeer goed doorstaan. In geen
+der Vogelgroepen valt het verschil in kleed tusschen de dieren van
+ongelijke sekse duidelijker in 't oog dan bij de Hoenderen; bij vele
+althans bestaat er tusschen de mannetjes en de op minder opzichtige
+wijze uitgedoste wijfjes, zulk een in 't oog vallend onderscheid,
+dat het soms moeite kan kosten, den eenen Vogel te herkennen als de
+gade van den anderen. Het jeugdkleed is steeds anders dan het kleed
+van de volwassenen en doorloopt in een verrassend korten tijd drie
+ontwikkelingstrappen, voordat het een volkomen kleed wordt. Alle
+Hoenderen van het hooge noorden zijn kleiner en hebben meer witte
+gedeelten aan hun meer dofgekleurd kleed dan hunne naasten verwanten
+uit Middel-Europa.
+
+Het geraamte is stevig en bevat slechts weinige holle beenderen. De
+slokdarm verwijdt zich tot een echten krop van aanzienlijke grootte. De
+kliermaag is rijk aan klieren, de spiermaag sterk gespierd.
+
+De Hoenderen zijn in ongeveer 400 soorten over alle werelddeelen
+verbreid, in Azië telt deze groep echter de meeste en meest
+verschillende vertegenwoordigers. Ieder werelddeel of ieder gebied
+kenmerkt zich door het min of meer uitsluitend bezit van bepaalde
+familiën. Het woud mag men als hun meest geliefde woonplaats
+beschouwen, hoewel het de eenige niet is; want ook de schraal met
+planten begroeide vlakten, de berghellingen van de Alpen onder de
+sneeuwgrens, waar slechts armoedige struiken en grassen voorkomen en de
+met deze oorden overeenkomende mossteppen van het noorden worden door
+Hoenderen bewoond. De leden dezer orde hebben bijna de geheele aarde
+in bezit genomen: op plaatsen waar het eene niet in zijn onderhoud
+kan voorzien, vindt het andere zijn dagelijksch brood.
+
+De hoenderen zijn niet buitengewoon begaafd. Hunne talenten zijn
+zelfs gering. Slechts zeer weinige onder hen kunnen met andere
+Vogels wedijveren, wat de geschiktheid voor 't vliegen betreft;
+de meeste zijn min of meer vreemdelingen op de boomen, omdat zij
+zich hier niet weten te redden; alle zonder uitzondering schuwen
+het water. De vlakke bodem is hun rijk; voor de beweging op den
+grond zijn zij uitmuntend geschikt; hunne krachtige en betrekkelijk
+hooge pooten stellen hun in staat om niet slechts lang achtereen,
+maar ook zeer snel te loopen. Als de kracht van de pooten niet
+voldoende is, moeten de vleugels medewerken, meer echter om de romp
+in evenwicht te houden dan om hem vooruit te stuwen. In den regel
+zal het Hoen eerst dan vliegen, als het dit volstrekt noodig acht,
+als het loopend het doel van zijne wenschen en plannen niet snel of
+zeker genoeg meent te kunnen bereiken. Om te vliegen moeten de meeste
+soorten vele en snelle slagen doen met de korte afgeronde vleugels;
+deze beweging vereischt onverpoosde werkzaamheid van de spieren
+en brengt daarom zeer schielijk vermoeienis te weeg. Maar ook op
+dezen regel zijn vele uitzonderingen.--De stem van de Hoenderen is
+steeds eigenaardig. Slechts weinige soorten geven zelden geluid, de
+meeste schreeuwen dikwijls. Aangename tonen brengen zij niet voort,
+wanneer men het geluid, waarmede de hen haar liefde voor hare kuikens
+te kennen geeft, buiten rekening laat en alleen let op de stem van
+den verliefden haan. Deze wordt met allerlei namen aangeduid, die
+voor 't meerendeel klankbeelden zijn, zooals kraaien en schreien
+(Huishoen, Patrijs), balderen of bolderen (Auerhaan, Korhoen),
+kokkeren (Fazant); in sommige talen wordt het gezang van den haan
+"gezang" genoemd; bij ons gebruikt de jager deze uitdrukking niet,
+hoewel de geluiden van sommige hanen hem soms aangenamer in de ooren
+klinken dan de slag van den Nachtegaal.
+
+Over de hoogere begaafdheden van de Hoenderen, kan evenmin een
+gunstig oordeel geveld worden. Naar het schijnt, zijn het gezicht en
+het gehoor bij hen scherp en missen zij het vermogen om te ruiken
+en te proeven niet, althans niet geheel; over het gevoel kunnen
+wij niet oordeelen. Eenig verstand kan men hen niet ontzeggen; bij
+nauwkeuriger waarneming bemerkt men echter spoedig, dat hun verstand
+niet ver reikt. De Hoenderen toonen wel een goed geheugen, maar weinig
+geschiktheid om te oordeelen. Zoodra de hartstocht in 't spel komt,
+is er van schranderheid bij hen niets meer te bespeuren. In hooge
+mate hartstochtelijk zijn alle Hoenderen, zelfs zij, die wij het
+zachtmoedigst en vreedzaamst noemen. Van de hennen wordt gezegd, dat
+zij zich gunstig onderscheiden van de hanen; zij verdienen dezen lof
+echter slechts ten deele, want ook zij zijn twistziek en jaloersch,
+zoo niet wegens de hanen dan toch wegens de kuikens. Hoewel zij hun
+eigen kinderen met zelfopofferende liefde verzorgen, zich voor hen
+aan de grootste en meest in 't oogloopende gevaren blootstellen,
+terwille van hen honger en ontbering trotseeren, zelfs voor wezens
+van een andere soort trouwe moeders zijn, wanneer deze door de warmte
+van hun lichaam tot ontwikkeling kwamen, kennen zij geen mededoogen,
+geen barmhartigheid, geen welwillendheid jegens het kroost van andere
+Vogels, de kuikens van andere hennen; zij dooden ze met den snavel op
+het bloote vermoeden, dat hare eigene kinderen door hen nadeel zouden
+kunnen lijden.--Het karakter van den haan vertoont een nog scherper
+tegenstelling van goede en slechte eigenschappen.--Geen enkele Vogel
+bestrijdt zijn mededinger met langduriger woede, dan hij; weinige
+Vogels vechten met dezelfde onvermoeide volharding als de hanen.--Bij
+de Hoenderen, waar het mannetje door grootte en kleur aanmerkelijk van
+het wijfje verschilt, laat de haan de zorg voor het kroost geheel of
+althans grootendeels aan de hen over. Wanneer hij, evenals de hen,
+grond- of zandkleurig is en ook overigens op haar gelijkt, neemt
+hij reeds gedurende den broedtijd een meer of minder groot deel van
+de zorg voor de nakomelingschap op zich. In 't eerstgenoemde geval
+bekommert hij zich niet om de hen, zoolang deze de eieren bebroedt
+en de jongen leidt, of bemoeit zich eerst dan weer met zijn gezin,
+als de langdurige broedtijd gelukkig afgeloopen is, waarna hij als
+geleider en waarschuwer van het thans bijeenbehoorende gezelschap
+optreedt; soms zelfs krijgt hij zijne jongen niet te zien, voordat zij
+volwassen zijn. In 't laatstgenoemde geval begint hij reeds bij het
+leggen van het eerste ei voor de veiligheid van moeder en kroost te
+waken en stelt zich in hun belang aan in 't oog loopende gevaren bloot.
+
+Verreweg de meeste Hoenderen broeden op den grond. Hun nest kan
+verschillend zijn, maar verraadt nooit kunstvaardigheid. De moeder
+toont een zekere zorgvuldigheid bij de keuze van de broedplaats, maar
+schijnt het noodeloos te achten hier een nest te bouwen. In oorden,
+die rijk zijn aan struiken, is de ondiepe holte, die de eieren zal
+bevatten, onder een struik gelegen, in andere oorden tusschen hooge
+grassen of korenhalmen, in ieder geval op een plaats, die zoo goed
+verborgen is, dat het altijd moeite kost, het nest te vinden. Vele
+soorten bekleeden de nestholte met eenige rijsjes of ook wel met
+veeren, andere laten dit na. Gewoonlijk bevat het nest verscheidene
+eieren. Deze zijn verschillend, hun teekening biedt echter eenige
+overeenkomst aan. Vele Hoenderen leggen éénkleurige, zuiver witte,
+grijsachtige, bruingeelachtige, blauwachtige eieren; die van andere
+soorten zijn op een grond van de genoemde of van roodachtige kleur, nu
+eens met fijne stippeltjes en puntjes, dan weer met grootere vlekken
+en stippels van donkere, en dikwijls levendige kleur geteekend.--Het
+is, alsof de hen door haar trouwe, opofferende zorg voor haar kroost
+ook de liefde van den vader vergoeden wil; want er is geen Vogel,
+die zich met grooter ijver aan haar nakomelingschap wijdt dan de
+hen. Het schoone beeld in den bijbel is dus in ieder opzicht goed
+gekozen. De broedende hen gunt zich ternauwernood den tijd om voedsel
+te zoeken; zij verliest haar gewone schroomvalligheid en stelt zich
+zonder aarzeling aan gevaren bloot om haar broedsel te beschermen.
+
+De jonge Hoenderen zijn, zoodra zij het ei verlaten, zeer goed geschikt
+om zich te bewegen en betrekkelijk hoog begaafd. Reeds den eersten
+levensdag pikken zij het voedsel op, dat de moeder voor hen heeft
+blootgelegd, gehoorzamen aan haar roepstem en verschuilen zich onder
+hare vleugels, als zij vermoeid zijn of beschutting tegen ruw weder
+noodig hebben. Zij groeien zeer snel. Weinige dagen na het verlaten van
+het ei krijgen zij slagpennen, die hen in staat stellen om te vliegen
+of althans te fladderen; in betrekkelijk korten tijd ontwikkelen
+zich ook op de andere lichaamsdeelen veeren ter vervanging van de
+eerste donsveeren, welker kleur, hoewel bont, steeds weinig afsteekt
+bij die van den bodem. De slagpennen, die weldra niet meer geschikt
+zijn om het intusschen zwaarder geworden lichaam te dragen, worden
+zoo vaak gewisseld, dat zij nooit den dienst weigeren: het Hoen, dat
+voor het eerst het volkomen kleed van zijn soort draagt, heeft reeds
+driemaal de veeren van de vleugels gewisseld. Bij de meeste soorten
+zijn de kuikens reeds vóór het einde van het eerste jaar op gelijke
+wijze bevederd als de volwassene Vogels; bij andere duurt het 2 of
+3 jaren, voordat zij het volkomen kleed bezitten. De eerstbedoelde
+paren gewoonlijk reeds in den eersten herfst of lente van hun leven.
+
+De Hoenderen hebben zoovele vijanden, dat zonder een buitengewoon
+snelle vermenigvuldiging het evenwicht tusschen de vermindering en
+de vermeerdering van het getal dezer Vogels moeielijk behouden zou
+kunnen blijven. Alle roofdieren, groote en kleine, maken ijverig jacht
+op de Hoenderen; overal treedt nevens deze (als 't ware natuurlijke)
+vervolgers de mensch als hun gevaarlijkste vijand op. Overal wordt
+door hem het eerst (en meer dan op alle overige Vogels te zamen) op
+de Hoenderen jacht gemaakt. De mensch heeft sinds lang ingezien, dat
+deze belangrijke dieren nog op geheel andere wijze voor hem nuttig
+kunnen zijn. Reeds in overouden tijd heeft hij althans eenige van
+hen met goed gevolg aan zich trachten te verbinden en ze van uit de
+wouden van Zuid-Azië over de geheele wereld verbreid.
+
+
+
+De Hoenderen worden verdeeld in twee groepen: de Hoenderen in engeren
+zin (Galli) en de Kuifhoenderen (Opisthocomi). De eerstgenoemde groep
+omvat twee familiën: de Fazantvogels (Gallidae) en de Hokkovogels
+(Cracidae). Voor de Hoenderen in engeren zin en de Fazantvogels geldt
+meer bepaaldelijk de bovenstaande beschrijving van de orde.
+
+
+
+In de eerste onderfamilie vereenigen wij de Ruigpoothoenderen,
+de Grouse der Engelschen (Tetraoninae). Zij kenmerken zich door
+een gedrongen, krachtig gebouwd lichaam, een korten, dikken, zeer
+gewelfden snavel, korte, krachtige pooten, welker loop in meerdere
+of mindere mate bevederd is, korte of hoogstens middelmatig lange
+vleugels, een korten, recht afgesneden, bij uitzondering echter
+verlengden, wig- of gaffelvormigen staart, alsmede door een goed
+gevuld, dicht vederenkleed, dat slechts kleine plekjes boven het oog
+of aan den achterhals onbedekt laat. Een van deze, die het oog en meer
+bepaaldelijk diens bovenrand omzoomt, is met wratvormige verhevenheden
+bezet, die opzwellen kunnen en een roode, vettige kleurstof bevatten,
+welke zeer spoedig verbleekt.
+
+Het vaderland van de Ruigpoothoenderen is in het noordelijk halfrond
+gelegen. Hun verbreidingsgebied strekt zich van den Himalaja en de
+gebergten van Oost-Azië over geheel Azië en Europa uit; zij ontbreken
+in Afrika geheel, maar worden in Noord-Amerika door talrijke soorten
+vertegenwoordigd. Zij houden zich bij voorkeur in bosschen op; enkele
+bewonen steppen en toendras, andere berghellingen in de nabijheid
+van de sneeuwgrens, zonder zich veel te bekommeren om het gemis van
+struiken of boomen. Alle zonder uitzondering zijn standvogels; jaar
+uit jaar in blijven zij in dezelfde streek; hoogstens zwerven zij
+na den broedtijd op ongeregelde wijze rond. Gedurende den broedtijd
+leven zij bij paren of eenzaam, overigens altijd in troepen. Allerlei
+boomvruchten, bessen, knoppen, bladen, ook naalden van dennen, sparren
+enz., zaden, Insecten en hunne larven dienen hun tot voedsel; enkele
+eten gedurende een deel van het jaar bijna niets anders dan bladen
+en knoppen, omdat hun armoedig vaderland dan niets anders oplevert.
+
+De Ruigpoothoenderen zijn betrekkelijk goed begaafd. Zij gaan
+stappend en zeer snel, vliegen echter op logge wijze, met ruischende
+vleugelslagen en, naar het schijnt, met moeite; zelden is hun vlucht
+ver, nooit hoog. Hunne zintuigen, vooral de beide edelste, zijn
+goed ontwikkeld.
+
+Bij enkele soorten heeft ieder mannetje één wijfje, andere leven
+in polygamie. Gedurende den paartijd zijn zij zeer opgewonden; de
+mannetjes toonen dit door zonderlinge gebaren en geluiden, door een
+volslagen wijziging van hun gewone levensmanier en een gedrag, dat wij
+dwaas kunnen noemen, maar dat toch in hooge mate onze belangstelling
+wekt. Alle soorten vermenigvuldigen zich sterk. Het wijfje legt 8
+à 16 eieren; deze gelijken veel op elkander, zijn eivormig, glad van
+schaal en op geelachtige grond bruin gevlekt. Zij bouwen geen eigenlijk
+nest, maar krabben op een verborgen plaatsje hoogstens een ondiepe
+holte in den grond en bekleeden deze op slordige wijze met eenig
+nestmateriaal, soms ook met eenige veeren. Grooten ijver toonen de
+hennen echter bij het broeden; zij verlaten haar nest eerst, als zij
+door een onmiskenbaar gevaar worden bedreigd, blijven op haar post
+in weerwil van de groote veranderingen, die in haar onmiddellijke
+nabijheid plaats grijpen, laten over 't algemeen hare eieren of
+kuikens nooit in den steek, kwijten zich met de grootst mogelijke
+teederheid van hare moederplichten, van 't oogenblik, waarin de jongen
+uit den dop komen tot aan het tijdstip, waarin zij voor 't vliegen
+geschikt zijn en begeven zich zonder aarzeling in levensgevaar,
+wanneer zij dit noodig achten in 't belang van de veiligheid van
+hare kuikens. Deze groeien zeer schielijk, maar moeten verscheidene,
+ook uitwendig zichtbare ontwikkelingsstadiën doorloopen, voordat zij
+het volkomen kleed verkrijgen. Alleen daar, waar de bosschen op een
+geregelde wijze geëxploiteerd worden, genieten de Ruigpoothoenderen
+de bescherming, die zij zoo noodig hebben; op alle andere plaatsen,
+waar zij nog veelvuldig zijn, staan zij in alle jaargetijden bloot
+aan de onmeedoogende vervolging van iederen boer; hier wacht hun
+waarschijnlijk het lot van langzamerhand uitgeroeid te worden; in
+Middel-Europa is dit hun nagenoeg overal reeds ten deel gevallen.
+
+
+
+Het grootste en edelste van alle Ruigpoothoenderen is het Auerhoen, de
+Capercailzie der Schotten, de Cock-of-the-woods der Engelschen (Tetrao
+urogallus). Weinige op den grond levende Europeesche Vogels overtreffen
+het in grootte; het is een sieraad van het woud, het begeerlijkste
+doelwit van den jager. Het is een vertegenwoordiger van het geslacht
+der Boschhoenderen (Tetrao), welker overigens naakte teenen langs
+de zijranden bezet zijn met op franje gelijkende, smalle en puntige
+schubjes, die men als onontwikkelde veeren beschouwt. De kruin en de
+keel zijn zwartachtig; de hals is donker aschgrauw, van achteren zwart,
+van voren zwartachtig aschgrauw gesprenkeld; de rug is op zwartachtigen
+grond fijn aschgrauw en roestbruin bepoederd, het bovenste deel van
+den vleugel zwartbruin, sterk roestbruin gesprenkeld; de staartveeren
+zijn zwart met een gering aantal witte vlekken; de borst is glanzig
+metaalachtig groen, de overige onderdeelen zijn met zwarte en witte
+vlekken geteekend, die vooral op den stuit dicht bijeenstaan. Het oog
+is bruin; de naakte wenkbrauwstreep daarboven bevat een eigenaardige
+kleurstof; zij is, evenals de naakte, met wratten bezette plek er
+omheen, lakrood, de snavel hoornwit. De haan is niet veel kleiner
+dan een Kalkoen: totale lengte 100 à 110, staartlengte 34 à 35 cM.,
+gewicht 5 à 6 KG. De jonge hanen verschillen in kleur slechts weinig
+van de oude. De hen is ongeveer een derde kleiner dan de haan en zeer
+bont van kleur.
+
+In vroegere tijden heeft het Auerhoen ongetwijfeld alle groote,
+samenhangende wouden van Noord-Azië en Europa bewoond, thans is het in
+vele gewesten geheel uitgeroeid. Toch is zijn verbreidingsgebied nog
+altijd zeer uitgestrekt. Van Klein-Azië, Griekenland, de Cantabrische
+gebergten en de Pyreneën reikt het door Lapland tot de Noordelijke
+IJszee en oostwaarts door Rusland, tot Kamtschatka en China. In
+Engeland, Ierland, Nederland en Denemarken, voorts in Amerika,
+Afrika en Australië ontbreekt het Auerhoen geheel; zeer zeldzaam is
+het tegenwoordig in Opper-Italië, Frankrijk en België, overvloediger
+in de Duitsche, Oostenrijksch-Hongaarsche en Zwitsersche Alpen en in
+de Middelgebergten van deze landen, in de Balkanstaten, in Rumenië, in
+Schotland, het talrijkst in Noorwegen, Zweden, Europeesch en Aziatisch
+Rusland (met uitzondering van het zuidelijkst gedeelte van Europeesch
+Rusland en van den Kaukasus). Oorspronkelijk was het geen bewoner van
+het gebergte. De bebouwing van den grond heeft het echter, evenals
+verscheidene andere "Alpendieren", langzamerhand teruggedrongen naar
+de kalmere, boschrijke bergstreken; in Duitschland is zijn verblijf in
+de vlakte beperkt tot eenige weinige dennenbosschen (in de Lausitz op
+de Tucheler Heide), die het bijzonder gaarne bewoont. Het begeeft zich
+naar het noorden tot den 70en graad N.B. en naar boven tot een hoogte
+van 1500 à 2000 M. boven den zeespiegel; het Korhoen gaat in beide
+richtingen verder, het Hazelhoen minder ver. Het aantal van de beide
+laatstgenoemde soorten van Boschhoenderen vermindert tegenwoordig
+merkbaar op alle plaatsen, waar hun gebied door het ontginnen van
+den bodem gesmaldeeld wordt; het Auerhoen daarentegen wordt op
+nagenoeg alle plaatsen, die het thans bewoont, veelvuldiger. Toch
+is dit wild in Duitschland, waar het in de Hardt, het Schwarzwald,
+het Odenwald, het Fichtelgebergte, het Bohemer en Thuringer Woud,
+in het Ertsgebergte, het Reuzengebergte en de Hartz een schuilplaats
+vindt, nergens overvloedig. In Schotland, waar het was uitgeroeid,
+heeft men het sedert 1837 van uit Noorwegen weer ingevoerd met het
+reeds genoemde succes.
+
+Het Auerhoen verkiest de wouden van het gebergte boven die der
+vlakte, hoewel het deze niet mijdt. In de eerste plaats is het er op
+gesteld, dat zij uitgestrekt zijn, dat zij zoowel naald- als loofhout,
+nevens oude ook jonge boomen, voorts boomlooze plekken, boschweiden
+en dergelijke open ruimten bevatten en dat zijn bodem vochtig, op
+sommige plaatsen moerassig is. Overal waar gemengde wouden voorkomen,
+kiest het bij voorkeur deze tot verblijfplaats. Het is een standvogel,
+hoewel niet in de ruimste beteekenis van het woord. Bij langdurige,
+strenge koude en als er veel sneeuw ligt, verlaat het soms zijn
+woonplaats in het hooge gebergte en daalt naar een lageren gordel
+af; het keert echter gewoonlijk ten spoedigste naar de hoogte terug,
+zoodra de weersgesteldheid zachter wordt. De Auerhoenderen, die de
+middelgebergten of heuvelachtige gewesten bewonen, begeven zich soms
+van het eene gebied naar het andere, zonder dat men hiervoor eene
+grondige reden weet aan te geven. Hierbij valt echter op te merken,
+dat het Auerhoen gedurende strenge winters soms weken achtereen in
+de boomen verblijf houdt, zonder op den grond af te dalen; hierdoor
+kan de waarnemer licht op een dwaalspoor gebracht worden en meenen,
+dat het wild een andere standplaats heeft opgezocht.
+
+In gewone omstandigheden is het Auerhoen over dag op den bodem te
+vinden; het geeft de voorkeur aan plaatsen, die aan de eerste stralen
+van de morgenzon zijn blootgesteld, waar kleine, open plekken, die de
+gelegenheid aanbieden om te grazen, afwisselen met terreinen, begroeid
+met laag houtgewas, boschbessen, braambessen en heidestruiken, en
+waar ook helder water in de nabijheid voorkomt. Hier zoekt het zijn
+voedsel, terwijl het op den bodem rondloopt of kruipend zich een weg
+baant door struikgewas en kreupelhout; het staakt dezen arbeid en
+vliegt op, zoodra het een ongewoon verschijnsel opmerkt, hoewel het
+zich ook voortreffelijk onder struiken of tegen boomstammen weet te
+"drukken", zoodat men het niet vinden kan. Tegen den avond verlaten de
+haan en de hen elkander en begeven zich, zoodra de duisternis invalt,
+op den boom, waar zij den nacht doorbrengen. Zij vliegen nooit tot
+in den top, maar blijven in den regel in 't midden van den boom;
+als de morgen aanbreekt, keeren zij op den grond terug. Het voedsel
+van het Auerhoen bestaat uit boomknoppen, bladen of naalden, klaver
+en gras, boschbessen, zaden en Insecten. De haan gebruikt grover
+voedsel dan de hen en de jongen. Misschien hangt het groote verschil
+in smaak tusschen het vleesch van den haan en dat van de hen hiermede
+samen; hoogstwaarschijnlijk eet de haan meestal knoppen van sparren,
+zilversparren en dennen, de hen daarentegen gewoonlijk malschere
+plantendeelen.
+
+Deze Vogels zijn plomp, log en schuw. Zij loopen vlug, hoewel minder
+snel dan de Veldhoenderen, Trappen, Pluvieren en Ruiters. Door snelle
+vleugelslagen bespoedigen zij hun plompe, ruischende vlucht; zij volgen
+een rechtlijnigen weg en pauzeeren niet zonder voldoende reden. In
+hooge mate schuw, worden zij door hunne uitmuntende zintuigen, meer
+bepaaldelijk door het gezicht en het gehoor, in staat gesteld om een
+gevaar reeds op grooten afstand te ontdekken en te ontwijken. Hun
+aard is, zooals men dien bij leden dezer orde kan verwachten. De haan
+is onverdraagzaam, opvliegend en twistziek. Uit de wijze waarop hij
+zich als gevangene gedraagt, valt af te leiden, dat hij voortdurend
+overhoop ligt met de andere vertegenwoordigers zijner sekse en daarom
+wel een kluizenaarsleven moet leiden.
+
+Het vreemdsoortige en onstuimige gedrag van den Auerhaan gedurende
+den paartijd stelt den jager in staat dit prachtige, doch schuwe dier
+tot op korten afstand te naderen; uitvoerige beschrijvingen van het
+"balderen" van het minnespel van den Auerhaan hebben wij daarom niet
+alleen aan den natuuronderzoeker, maar ook aan den jager te danken. Als
+de weersgesteldheid gunstig is, begint het balderen omstreeks het
+midden van April, zoodra des morgens witte strepen in het oosten
+verschijnen, ongeveer om drie uur na middernacht of een weinig later:
+ieder die dit schouwspel wil genieten, moet dus in 't holle van den
+nacht uit de veeren; de echte jager zorgt er voor, reeds om twee uur,
+op zijn laatst om half drie, ter bestemder plaatse te zijn.
+
+De "balder-aria" bestaat uit drie afdeelingen, voorafgegaan door
+eigenaardige slikbewegingen (het zoogenaamde "kroppen" of "worgen"),
+die met een knorrend geluid gepaard gaan. Als het zoogenaamde
+"ratelen", "klippen" of "knappen" begint, steekt de haan den kop
+vooruit, zet de veeren van kop en keel op en laat ratelende geluiden
+hooren, die al sneller en sneller opeenvolgen, tot een klappend gesmak
+(de "hoofdslag") weerklinkt, waarna het "slijpen" begint. Dit bestaat
+uit geluiden, welke veel gelijken op het zachte wetten van een snijdend
+werktuig: verscheidene aaneengekoppelde reeksen van sissende geluiden
+volgen elkander op; de laatste toon wordt lang gerekt. Gewoonlijk reeds
+bij het begin van de vertooning, minder dikwijls in het midden van
+de eerste afdeeling, licht de haan den staart een weinig op, breidt
+hem waaiervormig uit en houdt de eenigszins afhangende vleugels van
+'t lichaam verwijderd. Bij het "knappen" trippelt hij soms op den tak;
+bij het "slijpen" zet hij bijna alle veeren op en draait zich niet
+zelden om.
+
+Zeer eigenaardig is de geringe kracht van de geluiden. Het ratelen
+klinkt, alsof iemand twee dunne, glad gemaakte stokjes tegen elkander
+slaat; hoe zwak dit geluid ook zij, toch kan men het 200 à 300 schreden
+ver in het woud hooren en reeds op een tamelijk grooten afstand
+nauwkeurig onderscheiden. Elke reeks van tonen begint met langzaam
+opeenvolgende, afgebroken slagen; de duur der tusschentijden neemt
+echter op nagenoeg evenredige wijze af; ten slotte volgen de slagen zoo
+schielijk opeen, dat zij ook zelf ingekrompen moeten worden; eerst na
+den hoofdslag komt een korte pauze voor. "De eerste slag," zegt Geijer,
+"is te vergelijken met den klank "tend"; daarop volgt "tend tend tend
+tend" en eindelijk steeds sneller "tend end end end end end" enz.,
+tot aan den zoogenaamden hoofdslag, die ongeveer als "glak" klinkt en
+duidelijker hoorbaar is dan de voorafgaande tonen. Daarna begint het
+merkwaardige "slijpen", "wetten", "inspelen", dat ook wel "vers-maken"
+wordt genoemd. Dit duurt ongeveer 3 1/2, nooit meer dan 4 seconden,
+kan ongeveer vergeleken worden met het wetten van een lang tafelmes
+of van een zeis en klinkt ongeveer als "haide haide haide haide haide
+haide haide haiderai." Gedurende dit laatste bedrijf is de Vogel als
+'t ware doof en blind van opgewondenheid. Deze toestand (waarvan
+de reden wel eens toegeschreven wordt aan verwondingen van den kop)
+maakt het eenigszins verklaarbaar, dat de balderende Auerhaan soms
+de ongelooflijkste dwaasheden begaat. Zoo is het, gelijk Wildungen
+bericht, wel eens voorgekomen, dat hij plotseling een aanval deed
+op houthakkers, die aan het zagen waren, hen met de vleugels sloeg,
+met den snavel pikte en zich nauwelijks liet wegjagen. Een ander
+exemplaar vloog, volgens denzelfden schrijver, naar een akker en ging
+voor de ploegpaarden staan, zoodat deze schichtig werden; een derde
+viel iedereen aan, die zijn standplaats naderde, zelfs de Paarden
+van de werklieden in het bosch.
+
+In den regel klimt de moed van den Auerhaan niet tot zulk een hoogte;
+een zekere strijdlust toont hij echter gedurende het balderen
+altijd. Een oude haan duldt geen jonge mannetjes in zijn nabijheid
+binnen een kring van ongeveer 500 schreden, laat niet toe, dat een jong
+dier baldert en vecht met iederen mededinger, die weerstand biedt,
+op leven en dood. In 't gunstigste geval brengen zij elkaar zware
+wonden aan den kop toe; het behoort echter niet tot de zeldzaamheden,
+dat een van hen dood op de kampplaats blijft liggen. Jonge hanen laten
+zich slechts zachtjes hooren, als zij weten, dat een oude balderende
+strijder zich in hun nabijheid bevindt.
+
+Het balderen duurt tot na zonsopgang en heeft gewoonlijk bij 't
+aanbreken van den dag met het meeste vuur plaats. Als het geheel en
+al dag geworden is, houdt de haan op en begeeft zich naar de hennen,
+die op eenigen afstand rondloopen.
+
+Nadat in de derde of vierde week van den baldertijd de hanen hun kalmte
+herkregen hebben, keeren zij terug naar hunne gewone standplaatsen, die
+dikwijls ver verwijderd zijn van de balderplaatsen; de hennen beginnen
+dan haar nest in orde te maken. Iedere hen kiest een hiervoor geschikte
+gelegenheid uit en scheidt zich af van de andere wijfjes. Het nest
+is een ondiepe, hoogstens met eenige dorre takjes bekleede uitholling
+naast een oude boomstomp of een afzonderlijk staanden, sterk vertakten
+spar, tusschen heide- of boschbessenstruiken. Ongelukkig is de hen
+niet voorzichtig genoeg in de keuze van een nestplaats; de meeste
+nesten liggen zonder eenige beschutting naast begaanbare wegen en
+voetpaden; dit is een van de redenen van de geringe vermenigvuldiging
+van het Auerhoen. Het aantal eieren hangt af van den ouderdom van de
+hen. Jonge hennen leggen zelden meer dan 6 à 8, oudere wel eens 10 à
+12 eieren. Deze zijn in verhouding tot den Vogel klein, slechts 52 à
+62 mM. lang en 40 à 43 mM. dik, op geelbruinen of vuilgelen, zelden
+grijsbruinachtig gelen grond zijn zij meer of minder dicht bezaaid
+met grijsgele, bruinachtig vuilgele, lichtbruine en kastanjebruine
+vlekken en stippels, soms ook donker gesprenkeld. Zij worden door de
+moeder met een waarlijk treffende zelfverloochening bebroed. Zoo kan
+men b. v. de hen, althans wanneer het broeden bijna afgeloopen is,
+met de handen van het nest optillen en haar weer neerzetten, zonder
+dat zij eenige vrees toont, of van haar nest afvliegt. "Men zou om
+de vermenigvuldiging van het Auerhoen te bevorderen," zegt Geijer,
+"alle nesten, die meer bepaaldelijk aan gevaar blootgesteld zijn,
+kunnen omgeven door een soort van omrastering, met een opening juist
+voldoende voor het in- en uitgaan van de hen. Deze handelwijze wordt
+"hoeden" genoemd; de hen laat zich er niet door storen.
+
+"Eenige uren na het verlaten van de eischaal, zoodra de jongen
+behoorlijk droog geworden zijn, volgen zij de moeder, die hen steeds
+met bijzondere liefde en zorgvuldigheid behulpzaam is. Treffend is het,
+te zien met welk een geschreeuw en opgewondenheid de kloek een mensch
+ontvangt, die haar en hare kuikens onverhoeds komt overvallen. In
+een oogwenk zijn alle jongen verdwenen; zij weten zich zoo goed te
+verbergen, dat het werkelijk moeite kost er een te ontdekken. Dit
+danken zij hoofdzakelijk aan hun kleur. Grooter gevaar loopt het gezin,
+als Reintjes onfeilbare neus het heeft opgespoord. De moeder tracht
+dit gevaar af te wenden, door steeds 3 of 4 passen voor den Vos uit te
+loopen en te fladderen, zich te houden, alsof hare vleugels verlamd
+zijn. Wanneer zij door deze (ook door andere Vogels toegepaste) list
+er in geslaagd is, Reintjes aandacht van haar kroost af te leiden,
+vliegt zij plotseling op en keert terug naar de plaats, waar zij hare
+jongen heeft achtergelaten; zij geeft hun door de welbekende tonen
+"kloek kloek" te kennen, dat het gevaar voorbij is, waarna alle zich
+zoo schielijk mogelijk in een richting tegenovergesteld aan die van
+den Vos uit de voeten maken. Indien de list van de hen niet gelukt,
+wacht den jongen meestal een droevig lot, niet zelden blijft er geen
+van over."
+
+Als alles goed gaat, groeien de kuikentjes onder de trouwe zorg van
+de moeder schielijk aan. Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit
+Insecten. De kloek gaat met hen naar plaatsen, waar buit te vinden
+is, krabt hier den grond open, lokt hare kinderen met een teeder,
+als "bak bak" klinkend geluid bij zich, legt hun een Vlieg, een
+Kever, een made, een rups, een worm, een slakje of een dergelijk
+lekker hapje op den snavel en gewent hen zoo aan 't opsporen van
+'t voedsel. Bij voorkeur zoeken zij in hun prille jeugd de poppen
+van allerlei soorten van Mieren. Later gebruiken zij nagenoeg alle
+stoffen, die de moeder eet. Binnen weinige weken zijn hunne veeren
+zoover ontwikkeld, dat zij in een boom vliegen of althans fladderen
+kunnen; het kleed der volwassenen krijgen zij echter eerst veel later.
+
+In het laatst van den herfst ondergaat de samenstelling van het
+gezin verandering: alleen de jonge wijfjes blijven bij de moeder;
+de jonge hanen zwerven gemeenschappelijk rond, laten af en toe hun
+stem hooren, vechten soms met elkander en beginnen in de volgende
+lente de levenswijze van hun vader.
+
+Het Auerhoen heeft behalve den Vos en den Havik nog vele andere
+vijanden. De oude hanen zijn tegen hen meestal beveiligd door hun
+voorzichtigheid en hun nachtverblijf op boomen. De zwakke jongen en
+vooral de eieren hebben echter veel te lijden van allerlei roofdieren;
+de grootste van deze zijn ook gevaarlijk voor de hennen, die dikwijls
+een prooi worden van Arenden en Ooruilen. Een echte jager zal nooit een
+Auerhen dooden. Dat hij op den haan slechts gedurende den baldertijd
+jacht maakt, zal iedereen verklaarbaar vinden, die, zij het slechts één
+enkele maal, in het vroege morgenuur naar 't bosch gegaan is, om den
+balderenden Auerhaan te beluisteren en zoo mogelijk te schieten. Dit
+is een jachtbedrijf van eenige beteekenis, want de haan blijft zelfs
+gedurende zijn minnespel in den regel nog voorzichtig en kan slechts
+door een geoefenden jager verschalkt worden. Maar juist de moeiten
+van de jacht maken haar aangenaam. Het genoegen wordt ook niet weinig
+verhoogd door het uur en de plaats, waarop men bezig moet zijn. "Bij
+maneschijn, vóór het aanbreken van den dag," schrijft Von Kobell,
+"begeeft men zich naar het woud; als de lucht donker is, steekt
+men een fakkel aan om den weg te vinden tot in de nabijheid van de
+balderplaats. Het pad leidt dikwijls tusschen oude boomen door, die
+bij het licht van de brandende fakkels een phantastisch schouwspel
+opleveren; het loopt ook wel eens over een met kromhout bedekt
+terrein, welks dooreengekronkelde takken allerlei vreemdsoortige
+figuren vormen. Steeds hooger wordt de verwachting gespannen. Van
+tijd tot tijd blijft men staan om te luisteren, of in de stilte van
+den nacht het gebalder weerklinkt, waarnaar de jager misschien nog
+meer verlangt dan de hen, voor wie het bestemd is. Wanneer er niets
+te hooren is, bekruipt hem de vrees, dat de haan misschien geen lust
+heeft in 't balderen, gelijk dikwijls geschiedt. Zoodra echter uit de
+duistere wildernis het "smakken" weerklinkt en het zachte "slijpen"
+gehoord wordt, komt het bloed van den jager in snellere beweging en is
+al zijn aandacht gericht op het "aanspringen" gedurende het "slijpen"".
+
+Het "aanspringen" vereischt eenige ervaring, want een enkele
+onbedachtzame beweging is voldoende om den haan te verjagen. De jager
+komt telkens als hij den "hoofdslag" gehoord heeft, bij het zoogenaamde
+"inspelen", met 2 of 3 sprongen of groote schreden nader, en wacht
+dan weer bedaard het einde van het "vers" af, zonder intusschen de
+noodige voorzichtigheid uit het oog te verliezen. Met het aanspringen
+gaat men op dezelfde wijze voort, totdat men uit den klank van
+de stem van den haan kan afleiden, dat hij binnen het bereik van
+den geweerkogel is. Als men den Vogel ziet, haalt men den haan van
+het geweer over, legt aan gedurende het "voorspel," wacht kalm het
+volgende "vers" af en schiet. Indien het schot goed gemikt was, zal de
+zanger ruischend tusschen de twijgen door vallen en log op den bodem
+neerploffen. Wanneer men den kolossalen Vogel bij de eerste stralen van
+de morgenzon herkent als een volslagen oude "Pekhaan," verkeeren alle
+aanwezigen in een opgewonden stemming; ieder steekt zich dan gaarne de
+fraaie, zwarte, aan den top wit gesprenkelde staartveeren op den hoed.
+
+Gevangen Auerhoenderen behooren in alle diergaarden tot de
+zeldzaamheden. Het is niet gemakkelijk hun voedsel te verschaffen,
+dat hun goed bekomt. Zeer veel moeite kost het, de jongen, die men
+uit de gevonden eieren verkregen heeft, groot te brengen. Overal
+waar de Auerhoenderen nog geregeld voorkomen, kan men hunne eieren
+gemakkelijk krijgen; deze kunnen zeer goed door een Kalkoen en zelfs
+door een huishen uitgebroed worden, hoewel de laatstgenoemde zes dagen
+langer op deze eieren moet zitten dan op haar eigen; het bezwaar van
+het fokken van Auerhoenderen is hierin gelegen, dat de door huishennen
+uitgebroede jongen op de roepstem van hun pleegmoeder volstrekt geen
+acht slaan, maar van haar wegloopen. Allen die Auerhoenderen trachten
+op te kweeken, hebben deze ervaring opgedaan.
+
+
+
+Het Korhoen, ook wel Korhaan, Berkhaan of Moerhaan genoemd, de Black
+Cock der Engelschen (Tetrao tetrix), is betrekkelijk slank gebouwd;
+zijn snavel is middelmatig lang en dik; de buitenste en de binnenste
+voorteen zijn even lang; behalve de loop zijn ook de spanvliezen,
+die de teenen bij den wortel verbinden, bevederd; de vleugel is kort,
+maar naar evenredigheid langer dan bij het Auerhoen, trogvormig
+gewelfd, stomp afgerond; de staart bestaat uit 18 pennen en is bij
+het wijfje ondiep ingesneden, bij het mannetje daarentegen zoo diep
+gegaffeld, dat de langste onderdekveeren verder uitsteken dan de
+zes middelste of kortste stuurpennen, die gelijk van lengte zijn;
+de overige stuurpennen nemen van de middelste tot de buitenste in
+lengte toe en zijn hoornvormig gebogen, zoodat de geheele staart
+liervormig is. Het vederenkleed van het mannetje is zwart, op den
+kop, den hals en den onderrug met prachtigen, metaalblauwen glans,
+op de toegevouwen vleugels met sneeuwwitte banden geteekend, welke
+gevormd worden door de witte wortelgedeelten der armpennen en der
+overigens glanslooze, zwarte, groote bovendekveeren van den vleugel; de
+onderdekveeren van den staart zijn zuiver wit, de slagpennen van buiten
+zwartbruin, grijs uitvloeiend en met witte schaften, de stuurpennen
+zwart. Het oog is bruin, de pupil blauwzwart, de snavel zwart; de
+teenen zijn bruinachtig grijs, de wenkbrauwen en een naakte plek om
+het oog hoogrood. Het wijfje gelijkt op de Auerhen; de kleur van hare
+donkere veeren is een mengsel van roestgeel en roestbruin met zwarte
+dwarsbanden en vlekken. Het mannetje is 60 à 65 cM. lang en heeft
+een staart van 20 cM. lengte; het wijfje is ongeveer 15 cM. korter.
+
+Het verbreidingsgebied van het Korhoen komt ongeveer overeen met dat
+van het Auerhoen, het strekt zich echter zuidwaarts niet zoo ver en
+noordwaarts iets verder uit. In Nederland komt het op sommige eenzame,
+met hooge heide begroeide gronden van Gelderland, Overijsel, Drente,
+Groningen en Friesland (Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Opsterland,
+Smallingerland en Achtkarspelen) voor en heeft zich in den laatsten
+tijd ook in de provincie Utrecht vertoond. In Duitschland wordt het
+waarschijnlijk nog in alle staten en provinciën aangetroffen, niet
+overal echter, maar alleen in de voor zijn levenswijze geschikte
+wouden van de vlakten en van het hooge gebergte. Deze Vogel is
+n.l. wel keurig, wat betreft het terrein, maar niet wat betreft
+de streek. Meer of minder veelvuldig ontmoet men hem thans nog
+in alle Duitsche middelgebergten, niet zeldzaam is hij in het
+Vogtland, Sauerland, Odenwald, de Mark en Lausitz, in Silezië,
+Posen, Oost- en West-Pruisen, Pommeren, Hannover en op sommige
+plaatsen van Noord-Sleeswijk en Jutland, eveneens veelvuldig in het
+geheele Alpengebied, in Bohemen, in Schotland, gemeen in Lijfland
+en Esthland, in Skandinavië en Rusland, alsmede in Siberië tot in
+het Amoergebied. Hij verlangt oorspronkelijke, verwilderde en door
+vuur, storm of Insecten vernielde, slecht of liever in 't geheel
+niet onderhouden bosschen, die rijk zijn aan lage struiken. De boom,
+waaraan hij de voorkeur geeft, is de berk. Deze verkiest hij boven
+iedere andere boomsoort; van naaldhoutbosschen maakt hij slechts bij
+gebrek aan iets beters gebruik. Ook van veengrond houdt hij zeer veel;
+men ontmoet hem ook daar, waar de moerasplanten de overhand hebben,
+de heide en de struiken verdringen, evenwel niet in het eigenlijke
+broekland of moeras.
+
+In Zwitserland bewoont het Korhoen zoowel de wouden van de hooge
+bergstreken als de middelste woudgordel; gaarne verheft het zich tot
+den grens van den boomgroei; hier bezoekt het dan de open plaatsen,
+die met heide of met boschbessen en braamstruiken dicht bezet zijn en
+de wildernissen der kromhoutdennen, die het een goede schuilplaats
+verschaffen. "In Zwitserland," zegt Tschudi, "is ongetwijfeld geen
+gebied rijker aan Korhoenderen dan Grauwbunderland; hier zijn zij
+het talrijkst in het met donkere bergwouden en sombere rotswanden
+gevulde Val Mingen, een zelden bezochte zijarm van het Val da Scarl
+in Beneden-Engadin. In de struikachtige kromhout-, bergdennen- en
+arvebosschen van dit gewest hoort men de hanen in de lente overal
+om zich heen balderen." Op de Oostenrijksche Alpen bewoont het
+Korhoen steeds een hoogeren gordel dan het Auerhoen; het is hier
+even veelvuldig als in de Karpathen en de Beiersche Alpen. Ook in de
+dichtbegroeide hooge veengronden wordt het overal aangetroffen. Deze
+worden in Beieren "Filze" genoemd en bestaan uit veenmos (Sphagnum),
+begroeid met struikheide, andromeda, boschbessen en met kromhoutdennen,
+die uitgestrekte wouden van 3 à 4 dM. hoogte vormen. Op de "Filzen" van
+Weilheim, Diessen, Rosenheim, Reichenhall, enz. kan men in het laatst
+van den herfst en in den winter dikwijls 80 à 100 hanen bijeenzien.
+
+In Nederland zoowel als in Duitschland is het Korhoen standvogel,
+hoewel misschien niet in de strengste beteekenis van het woord; in de
+hooge bergstreken en het noorden onderneemt het op bepaalde tijden van
+'t jaar zwerftochten.
+
+Het Korhoen, hoewel ook nog plomp, is toch in al zijne bewegingen
+behendiger dan het Auerhoen, o.a. kan het sneller loopen. Hoewel
+zijne vleugels kort zijn, vliegt het toch zeer goed, rechtuit, met
+buitengewoon snelle vleugelslagen en dikwijls over groote afstanden
+in één vlucht. Voor deze beweging heeft het zich, naar het schijnt,
+minder in te spannen dan het Auerhoen, het maakt met de vleugels een
+minder sterk ruischend geluid. Het heeft zeer scherpe zintuigen. Het
+ziet, hoort en ruikt uitmuntend en is ook steeds zeer voorzichtig. De
+stem is bij het mannetje en het wijfje ongelijk. Beider loktoon is
+een helder, kort afgebroken gefluit; als uitdrukking van teederheid
+dient de zachte klank "bak bak"; het stamelen van de jongen is een
+fijn gepiep; gedurende den paartijd beschikt de haan over een rijkdom
+van tonen, die men van den overigens zoo stillen Vogel niet verwacht
+zou hebben.
+
+Het voedsel van het Korhoen verschilt aanmerkelijk van dat van
+'t Auerhoen; het bestaat altijd uit malschere stoffen, n.l. uit
+boomknoppen, katjes, bladen, bessen, zaden en Insecten. Des zomers
+plukt het blauwbessen en krakelbessen, in den winter jeneverbessen
+en hagedoornvruchten; bovendien eet het de knoppen van heide, berk,
+esp, hazelaar, els, wilg en beuk; bij uitzondering voedt het zich
+ook wel met jonge, groene dennekegels, zooals uit het onderzoek van
+den krop van oude hanen gebleken is; naaldvormige bladen gebruikt
+het echter bijna nooit. Even gaarne als plantaardige stoffen eet
+het dierlijk voedsel: slakjes, Wormen, larven en poppen van Mieren,
+Vliegen, Kevers, enz.; de jongen worden uitsluitend met weeke Insecten
+grootgebracht. De zwerftochten van de Korhoenderen, die noordelijke
+gewesten bewonen, geschieden hoofdzakelijk met het doel om voedsel te
+vinden. Zaden versmaadt het Korhoen niet; in de gevangenschap geraakt
+het licht aan dergelijk voedsel gewoon. De drang tot het verzwelgen
+van kwartskorreltjes staat hiermede in verband.
+
+Het Korhoen onderscheidt zich gunstig van het Auerhoen door zijn
+gezelligen aard. Zoowel de mannetjes als de wijfjes vormen ieder voor
+zich meer of minder talrijke vluchten.
+
+Volgens het oordeel van vele jagers levert de lente geen schooner
+schouwspel op dan het balderen van het Korhoen. Aantrekkelijk is
+deze liefdesdans wegens de ruimte van het hiervoor dienende terrein,
+het ver gevorderde jaargetijde, het aantal hanen, die aan den dans
+deelnemen, hun schoonheid en behendigheid, de afwisseling van hunne
+dansen, de ver door het woud weerklinkende stemmen van de dansers en
+meer dergelijke redenen.
+
+In Duitschland begint het balderen, als de knoppen van de berk
+opzwellen, dus gewoonlijk in de tweede helft van Maart; het wordt
+voortgezet gedurende de geheele maand April en houdt eerst in Mei
+op. In de hooge bergstreken en in de noordelijke landen begint het
+balderen later en duurt soms tot het midden van Juni, ja zelfs tot
+in Juli.
+
+Het Korhoen kiest voor zijn spel een open plek in het woud, bij
+voorkeur een weiland of een onbewoond terrein, soms ook wel een
+houtkapping, waar het pas gezaaide geboomte nog geen bezwaar kan
+opleveren. In streken waar de Korhoenderen talrijk zijn, komen op
+gunstig gelegen dansplaatsen vele hanen bijeen, in het noorden dikwijls
+30 à 40, soms wel 100 stuks. Gewoonlijk begint het spel van den haan
+vóór het krieken van den dag; dit is volgens Tschudi evenzeer het geval
+in hooge bergstreken: "Vóór den aanvang van de morgenschemering, bijna
+één uur vóór zonsopgang hoort men in de Alpen het eerste vogelengezang,
+de korte melodie van het Zwarte Roodstaartje; voor een poos is deze
+stem de eenige, die aan de stilte van den nacht een einde maakt. Weldra
+wordt zij gevolgd door den honderdstemmigen slag van de Belijster,
+die, door alle bergdalen en langs alle rotswanden weergalmend, alle
+Vogels wekt: de slapers van het donkere bergwoud zoowel als de bewoners
+van de kromhoutdennen boven de grens van den boomgroei. Onmiddellijk
+daarna, ruim een half uur vóór zonsopgang schalt voor het eerst de
+klankrijke roepstem van het bolderende Korhoen ver in het rond, en
+wordt zij beantwoord door zijne op allerlei plaatsen (op dezen Alp,
+op gindschen rotsklomp, in het naburige, boschrijke bergdal, in de
+afgelegen kromhoutwildernis) schuilende genooten. Meer dan een half
+uur ver hoort men duidelijk het doffe gorgelen en het sissende blazen
+van het Korhoen boven al het vogelgejubel uit."
+
+Het balderen is zoowel een liefdedans als een liefdesgezang. Nadat
+de haan, die het sein gaf, zich overtuigd heeft, dat alles veilig is,
+laat hij in de eerste plaats het "slijpen" hooren, een merkwaardig, hol
+klinkend gesis, dat ongeveer als "tsjj-ksj" klinkt; hierop volgt het
+zoogenaamde "korren", dat Nilsson zeer juist nabootst door de geluiden
+"roettoeroeroet-toe-roeïki-oerr-oerr-oerr-rrroettoeroe-roettoe-roeki."
+Als de haan zeer opgewonden is, baldert hij aan één stuk door, zoodat
+het korren en het slijpen voortdurend met elkander schijnen af te
+wisselen en men het begin en het einde van de strophen nauwelijks
+meer onderscheiden kan; hij gooit er ook wel eens een kraaiend
+geluid tusschen in. Zelden komt het echter voor, dat hij, als het
+Auerhoen, alles om zich heen vergeet en doet, alsof hij doof en blind
+is. Zijne bewegingen gedurende het balderen zijn opgewonden, haastig
+en vreemdsoortig. Alle bewegingen nemen nog zeer in hevigheid toe,
+als verscheidene Korhoenderen op dezelfde plaats invallen; dan wordt
+de dans vervangen door een verwoed gevecht, waarin de strijders vaak
+menige veer verliezen. Hoe fel zij echter ook op elkander gebeten
+schijnen, ernstige verwondingen komen zelden en misschien nooit voor;
+het doel van den strijd schijnt te zijn: de tegenpartij te verjagen,
+niet hem te kwetsen.
+
+In het midden van Mei maakt het Korhoen toebereidselen voor het
+broeden. Het nest is, evenals dat van het Auerhoen, eenvoudig een
+ondiep uitgeholde, hoogstens met eenig nestmateriaal bekleede holte,
+die op een veilige plaats tusschen hoog gras, onder kleine struiken
+of zoo iets gelegen is. Het nest bestaat uit 7 à 10, soms niet minder
+dan 12 eieren, die op grijs-gelen, lichtgrijzen of roodachtig gelen
+grond met donkergele, roest- of olijfbruine en grijze vlekken en
+stippels dicht bestrooid zijn. Van de jeugd der kuikens en van hun
+vederenwisseling valt ongeveer hetzelfde op te merken als van het
+Auerhoen. Reeds op den eersten levensdag weten de jongen zich behendig
+te verbergen, spoedig leeren zij fladderen en reeds na eenige weken
+zijn zij in staat de ouden overal te volgen. Toch hebben ook zij nog
+vele gevaren te verduren, voordat hun groei is afgeloopen.
+
+Allerlei roofdieren en ook de mensch maken overal ijverig jacht op het
+Korhoen. In Duitschland schiet men de oude hanen gedurende het balderen
+en houdt in het najaar drijfjachten om de jongen te bemachtigen. In de
+hooge bergstreken en in de noordelijke landen worden de Korhoenderen,
+evenals de Auerhoenderen, gedurende het geheele jaar, behalve in
+den paartijd, vervolgd. Het meest in trek is echter overal de jacht
+gedurende het balderen, ook al, omdat de jager, zelfs wanneer hij
+zijn doel niet bereikt, een schadeloosstelling voor zijn moeite vindt
+in het aantrekkelijke schouwspel, dat hem geboden wordt. In Tirol
+en in de Beiersche hooglanden wordt het Korhoen bijzonder ijverig
+vervolgd, omdat zijne staartveeren zeer gewild zijn als versiersel
+op den hoed van jonge knapen. Nog maar weinige tientallen van jaren
+geleden werden Korhoen-veeren aangemerkt als een uitdaging en een
+teeken van vechtlust, wanneer zij op een bepaalde wijze aan den hoed
+waren gehecht. Volgens Tiroolsche overleveringen draagt de duivel,
+wanneer hij, gelijk zoo vaak geschiedt, in de gestalte van een jager
+zich vertoont, een halven Korhoen-staart op den hoed; niet aan de
+linkerzijde zooals een christelijke jager, maar altijd rechts; de
+vrome kan hem hieraan dus gemakkelijk herkennen en zich voor zijne
+gevaarlijke verlokkingen wachten.
+
+Oud gevangen Korhoenderen kan men bij behoorlijke verzorging jaren lang
+in 't leven houden; zelfs in de gevangenschap planten zij zich voort,
+wanneer men hun een voldoende ruimte verschaft. De pas uit het ei
+gekomen jongen vereischen dezelfde zorg als de jonge Auerhoenderen,
+maar veroorzaken, als zij eens volwassen zijn, weinig meer last dan
+Huishoenderen.
+
+
+
+In streken, waar Auerhoenderen en Korhoenderen in elkanders nabijheid
+wonen en waar het aantal Auerhanen buitengewoon sterk verminderd is,
+komt het soms voor, dat Auerhennen de bolderplaats van een Korhaan
+bezoeken; iets dergelijks heeft men, hoewel zeldzamer, van wijfjes
+van deze en mannetjes van gene soort opgemerkt. Op deze wijze en ook
+door paring van gevangen exemplaren zijn bastaarden ontstaan, die
+Rakkelhoenderen (Tetrao urogallo tetrix) worden genoemd. Men vindt
+ze in Duitschland, in Zwitserland, maar vooral in Skandinavië. Wat
+grootte, gestalte en kleur betreft, houden zij min of meer het midden
+tusschen hunne ouders.
+
+
+
+Behalve het Auerhoen en het Korhoen ontmoet men in de Europeesche
+wouden nog een derde lid van hetzelfde geslacht, het Hazelhoen
+(Tetrao bonasia). In vorm komt het met zijne beide reeds genoemde,
+aanmerkelijk grootere verwanten overeen; de loop is echter slechts
+voor drie vierde deel van de lengte bevederd en heeft naakte teenen,
+de afgeronde staart bestaat uit 16 pennen; de veeren van de kruin zijn
+vooral bij het mannetje sterk verlengd en kunnen tot een kuif worden
+opgezet. De bovendeelen hebben witte vlekken op een roestroodgrijzen
+grond, terwijl de meeste veeren bovendien met zwarte golflijnen
+geteekend zijn; op de bovenzijde van den vleugel, welks kleur een
+dooreenmenging van roestkleurig grijs en roestrood is, komen witte,
+overlangsche strepen en witte vlekken duidelijk uit; de keel is zwart,
+door een witten rand omgeven, de onderzijde overigens roestkleurig met
+witte en bruine vlekken; de slagpennen zijn grijsbruin, op de smalle
+buitenvlag roodachtig wit gevlekt; de stuurpennen zijn zwartachtig
+met aschgrauw doormengd, de middelste met roestkleurige banden en
+teekeningen. Het oog is nootbruin, de snavel zwart, het onbevederde
+deel van den poot hoornbruin. Het wijfje heeft geen zwarte keel; hare
+veeren zijn minder levendig van kleur, meer grijs dan roestrood. De
+totale lengte bedraagt gemiddeld 45, die van den staart 13 cM. Het
+wijfje is ongeveer een vijfde kleiner dan het mannetje.
+
+Het verbreidingsgebied van het Hazelhoen strekt zich uit van de
+Pyreneën tot aan den poolcirkel en van de kust van den Atlantischen
+Oceaan tot aan die van de Stille Zuidzee. Het bewoont liever
+bergstreken dan vlakten; maar houdt zich ook in gene slechts hier en
+daar voortdurend op. In Nederland werd deze Vogel slechts éénmaal,
+en wel in 1895 bij Winterswijk, gevangen. In het Alpengebied, in
+Beieren, Silezië, Posen, Oost- en West-Pruisen is hij niet bijzonder
+zeldzaam. Groote, donkere, gemengde wouden, vooral die, welke uit
+eiken, berken, elzen en noteboomen, of althans uit naaldboomen,
+berken en espen bestaan, en in deze wouden meer bepaaldelijk weinig
+bezochte hellingen, die aan de zuidzijde liggen en aan steenachtige,
+met bessendragende struiken begroeide glooiingen grenzen, worden bij
+voorkeur door hem bewoond; in het zuivere naaldhoutbosch daarentegen
+treft men hem zelden en altijd slechts eenzaam aan. In wouden, die
+aan de gestelde eischen voldoen, vestigt hij zijn verblijf op dicht
+begroeide plaatsen en zoekt hier zijn heil telkens als hem een gevaar
+bedreigt. Vooral de hanen begeven zich in den herfst tamelijk geregeld
+naar naburige bosschen of houtkappingen om zich aan velerlei bessen
+te goed te doen.
+
+Het Hazelhoen leeft gaarne verborgen. Men krijgt het slechts zelden
+te zien; om het te ontmoeten, heeft men de beste kans, wanneer men
+op de loer gaat liggen en zich stil houdt bij een open plek, die het
+moet passeeren, om van het eene bosch naar het andere te loopen; in
+het koude jaargetijde kan men het ook soms op een dikken boomtak zien
+zitten; dikwijls vleit het zich lang uit neer op den tak en laat zelfs
+den kop er op rusten, zoodat het zeer goed verborgen is. Wanneer het
+van een dunne twijg wordt opgejaagd, vliegt het meestal snel weg en
+verbergt zich in de struiken op den bodem; wanneer het op den grond
+verrast wordt, vliegt het in den regel in een der naburige boomen
+en kijkt van daar nieuwsgierig naar den rustverstoorder uit. Het is
+merkwaardig vlug en behendig en kan ook uitmuntend springen. Het
+vliegt ongeveer op dezelfde wijze als de andere Ruigpoothoenders,
+veel minder log, maar toch iets langzamer dan het Korhoen; alleen
+in den beginne hoort men een zacht snorrend (nooit echter een luid
+klaterend) gedruisch; later is dit nauwelijks merkbaar. De stem van
+den haan verschilt vrij aanmerkelijk van die van de hen en biedt
+vooral bij deze nog al eenige verscheidenheid aan. De loktoon van
+de Hazelhoenderen, die in 't eerste levensjaar samenleven (tot een
+"kluft", "klucht" of "vlucht" vereenigd zijn), klinkt als "pi pi pi
+pi", zoowel van de hanen als van de hennen. Als de jongen, hoewel
+nog tot een kluft vereenigd, geslachtsrijp geworden zijn, roepen zij
+"tieh" of "tiehtie"; later voegen zij nog een derden klank aan hun
+loktoon toe, zoodat deze dan als "tiehtieh-tiehtie" of als "tieh
+tieh-tiete" klinkt. De volkomen ontwikkelde haan fluit een geheel
+liedje, dat men door de lettergrepen "tieh tieh-titie tierie" heeft
+trachten weer te geven. Deze deun wordt trouwens zoowel bij het begin
+als bij het einde op velerlei wijze veranderd. De stem van de oude
+hen verschilt aanmerkelijk van die van den haan; zij laat, vooral
+bij het opvliegen, een zoogenaamden "looper" hooren, die zeer fijn en
+zacht begint, al luider en breeder wordt en besloten wordt met tonen,
+die zoo snel mogelijk opeenvolgen. Leijen tracht haar geluid weer te
+geven door de syllaben "tititititititititikioelkioelkioelkioel."
+
+De Hazelhoenderen zijn niet echt polygaam, maar leven meestal bij
+paren of familiën. De Hazelhaan baldert min of meer in den trant
+van den Auerhaan en den Korhaan; hij maakt daarbij echter geen in
+'t oog vallende bewegingen zooals de genoemde Vogels, maar geeft
+eenvoudig door het opzetten van de kruin-, oor- en keelveeren en door
+een zeer levendig trilleren en fluiten het gevoel, dat hem bezielt,
+aan zijn wijfje te kennen. De hen zoekt onder struiken en rijshoopen,
+achter steenklompen, te midden van varens enz. een zooveel mogelijk
+verborgen plaats voor het uitkrabben van het kuiltje, waarin zij
+hare betrekkelijk kleine eieren legt, welker gladde en glanzige
+schaal op roodachtig bruinen grond rood en donkerbruin gevlekt en
+gestippeld is; zij bebroedt ze drie volle weken lang zoo ijverig,
+dat men in haar onmiddellijke nabijheid kan komen, voordat zij het
+nest verlaat. Het nest is zeer moeielijk te vinden, omdat de hen
+hiervoor steeds met zeer groote omzichtigheid een verborgen plaats
+uitkiest. Ook de jongen krijgt men slechts toevallig een enkele
+maal te zien. Nadat zij uit den dop zijn gekomen, verwarmt de hen
+ze nog een tijdlang in het nest, totdat zij volkomen droog geworden
+zijn; daarna geleidt zij de kinderschaar zoo schielijk mogelijk naar
+geschikte voederplaatsen. Zoodra zij een gevaar bespeurt, brengt zij
+alle middelen om zich te verbergen in praktijk, die bij de leden van
+haar familie voorkomen; de kuikentjes, die geheel en al in kleur
+met den bodem overeenkomen, "drukken" zich zoo behendig tusschen
+mossen en kruiden, steenen, boomwortels en dergelijke voorwerpen,
+dat zij voor het oog van den mensch onzichtbaar zijn, hoewel zij voor
+den fijnen neus van den Vos of van den Staanden Hond niet verborgen
+blijven. Zoodra de kinderen in staat zijn om te vliegen, komt ook de
+vader weer bij zijn gezin terug; alle te zamen vormen nu een "kluft"
+en blijven tot aan den herfst trouw vereenigd.
+
+Het Hazelhoen wordt in Duitschland, ondanks de bescherming die het
+geniet, ongelukkig van jaar tot jaar zeldzamer. Hiervoor levert
+het verslinden van vele jongen door viervoetige en gevleugelde
+roovers nog geen voldoende verklaring. Uit vele gewesten, waar de
+Hazelhoenderen veelvuldig waren, zijn zij thans verdwenen, zonder
+dat men precies kan zeggen waarom. In enkele wouden vestigen zij
+zich trouwens opnieuw. Dit is o.a. gebeurd in eenige boschstreken
+aan de zuidelijke helling van het Ertsgebergte, waar thans reeds weer
+aanzienlijke vluchten voorkomen.
+
+Overal waar de Hazelhoenderen veelvuldig zijn, worden zij in
+grooten getale gedood; algemeen wordt erkend, dat geen der overige
+Hoendervogels zulk een kostelijk wildbraad oplevert. De jacht geschiedt
+met behulp van een Staanden Hond of ook wel (en misschien tot grooter
+genoegen voor den jager) met het zoogenoemde "lokbeentje". Dit is
+een fluitje, waarmede men het uitdagend geschreeuw van den haan
+op bedriegelijk nauwkeurige wijze nabootsen en ieder strijdlustig
+mannetje tot zich lokken kan.
+
+Gevangen Hazelhoenderen worden zelden tam, hoewel hun voeding geen
+bezwaren levert. Die, welke zich aan 't leven in de kooi gewend
+hebben, zijn als huisgenooten even lieftallig en bekoorlijk als in
+de vrije natuur.
+
+
+
+Van de Ruigpoothoenderen van Amerika verdient het Prairiehoen
+(Tetrao Cupido) vermelding. Het onderscheidt zich van de andere
+Boschhoenderen door het bezit van twee lange pluimen, die ieder uit
+ongeveer 18 smalle veeren samengesteld zijn, aan beide zijden van den
+hals afhangen en hier de naakte gedeelten van de huid bedekken, die
+de ligging van blaasvormige, met de luchtpijp in gemeenschap staande,
+vliezige zakken aanduiden. Het mannetje en het wijfje verschillen bijna
+niet in kleur; bij den haan zijn de pronkveeren echter langer dan bij
+de hen. De bovendeelen zijn zwart, de onderdeelen lichtbruin, gene met
+lichtroode en witte vlekken, deze met witte dwarsbanden, waardoor een
+moeilijk te beschrijven mengelmoes van de genoemde kleuren ontstaat;
+de buik is witachtig. Totale lengte 45, staartlengte 12 cM.
+
+"Toen ik mij voor de eerste maal in Kentucky ophield," verhaalt Audubon
+van het Prairiehoen, "was dit wild hier zoo veelvuldig, dat het niet
+hooger geschat werd dan gewoon vleesch; geen echt jager achtte het
+de moeite waard er jacht op te maken. Men was op deze Hoenderen even
+weinig gesteld als in andere deelen van de Vereenigde Staten op de
+Kraaien, wegens de schade, die zij 's winters in de vruchtboomen
+en tuinen, 's zomers op den akker aanrichtten. De boerenkinderen
+of de negerjongens waren van 's morgens tot 's avonds bezig om
+deze ongenoode gasten met ratels te verdrijven; allerlei vallen en
+strikken werden gebruikt om ze te vangen. Destijds gebeurde het niet
+zelden, dat de Prairiehoenderen 's winters aan de boerenerven een
+bezoek brachten en hier met de Hoenderen medeaten, dat zij zich op
+de huizen neerzetten of in de dorpsstraat rondliepen." In hetzelfde
+land, waar men negentig jaar geleden een Prairiehoen voor een halven
+stuiver kon koopen, worden deze Vogels tegenwoordig nagenoeg niet meer
+gevonden. Evenals de Indianen hebben zij Kentucky verlaten en zich al
+verder en verder naar 't westen teruggetrokken om den moordlust van
+de blanken te ontgaan. Zoo zij in de oostelijke staten nog voorkomen,
+danken zij dit aan de jachtwetten, die ter hunner bescherming zijn
+uitgevaardigd. De jager, die ze nog in grooten getale bijeen wil zien,
+moet ver westwaarts reizen, want de door Audubon beschreven vervolging
+duurt thans nog steeds voort.
+
+In tegenstelling met zijne tot dusver beschrevene verwanten bewoont het
+Prairiehoen uitsluitend vlakten zonder bosschen of boomen. Het houdt
+verblijf op dorre zandgronden, die wel met gras doch slechts schraal
+met struiken begroeid zijn, maar zoekt ook de akkers op, wegens den
+overvloed van voedsel, dien het hier vindt. Zijne bewegingen herinneren
+in vele opzichten aan die van ons Huishoen en zijn veel logger dan
+die van het Hazelhoen. Zijn voedsel bestaat uit plantaardige stoffen
+en uit allerlei kleine dieren. In den loop van den zomer zoekt het
+de weiden en korenvelden op, in den herfst de tuinen en wijnbergen,
+in den winter gewesten, waar vele bessen groeien.
+
+Tegen den winter vereenigen de Prairiehoenderen zich overal, waar zij
+veelvuldig zijn, tot talrijke vluchten, die zich bij het aanbreken
+van de lente in troepen van 20 en meer stuks verdeelen. Ieder van
+deze gezelschappen kiest eene bepaalde plaats uit, waar zijne leden
+dagelijks samenkomen, om liefdespelen en dansen uit te voeren. In
+streken, waar het Prairiehoen weinig van den mensch te lijden heeft,
+hoort men zijn gebrom en getoeter niet slechts in de vroege morgenuren,
+maar van zonsopgang tot zonsondergang. Zijn gewone stem verschilt niet
+veel van het kakelen van ons Huishoen; gedurende den paartijd hoort
+men echter van den haan hoogst eigenaardige geluiden. Om deze voort
+te brengen blaast hij de luchtzakken aan weerszijden van den hals op,
+zoodat zij in vorm, grootte en kleur op kleine oranjeappels gelijken
+en buigt den kop tot op den grond; bij geopenden snavel ontstaan nu
+achtereenvolgens verscheidene, soms meer, soms minder luid rollende
+tonen, eenigszins gelijkend op die van een grooten trommel. Als
+de voorraad lucht uitgeput is, wordt de kop opgeheven; zoodra de
+luchtzakken weer gevuld zijn, kan het getoeter weer opnieuw beginnen.
+
+De hen broedt slechts eens per jaar, van het begin van April tot
+het einde van Mei, vroeger of later al naar het klimaat van de
+woonplaats. Indien de eerste eieren weggenomen worden, tracht het
+wijfje dit verlies te vergoeden door nogmaals te leggen. De kuikens
+zijn in het midden van October volwassen.
+
+"Gevangen Prairiehoenderen worden," volgens Audubon, "zeer
+spoedig tam en broeden ook licht in de gevangenschap. Het heeft
+mij vaak verwonderd, dat zij niet reeds lang tot huisdieren gemaakt
+zijn. Terwijl ik mij te Henderson ophield, kocht ik 60 levende, voor
+'t meerendeel jonge Prairiehoenderen, die men voor mij gevangen had,
+kortwiekte ze en liet ze in een tuin van 4 acre vrij rondloopen. Na
+verloop van eenige weken waren zij reeds zoozeer aan mij gewend,
+dat ik naar hen toe kon gaan, zonder dat zij verschrikt werden. Ik
+gaf hun graan en zij zelve pikten verscheidene andere plantaardige
+stoffen op. Gedurende den winter lieten zij alle vrees varen, liepen
+in den tuin rond als tamme Hoenderen, mengden zich ook wel onder
+deze en aten mijn vrouw het voer als 't ware uit de hand. Toen de
+lente kwam, zette zij een hooge borst op, toeterden en vochten als
+in de vrije natuur. Vele hennen legden eieren en broedden een flink
+aantal jongen uit. Maar wegens de schade die deze Hoenderen in mijn
+tuin aanrichtten, moest ik ze wel dooden."
+
+Tot dusver is de voortplanting van het Prairie-hoen in onze
+dierentuinen nog niet gelukt.
+
+
+
+De Sneeuwhoenderen, in Engeland Ptarmigan genoemd (Lagopus), behooren
+zoowel door hun opmerkelijke en nog niet voldoende onderzochte
+vederwisseling als wegens hun levenswijze tot de meest belangwekkende
+leden van hun familie. Zij hebben een zeer gedrongen gestalte,
+een kleine snavel van middelmatige lengte en dikte, betrekkelijk
+korte pooten, welker loop en teenen met haarvormige veeren bekleed
+zijn (hierop berust de wetenschappelijke naam van het geslacht, die
+"hazepoot" beteekent). In de middelmatig lange vleugels is de derde
+slagpen de langste; de korte, flauw afgeronde of recht afgesneden
+staart bestaat uit 18 pennen; de kleur van het zeer goed voorziene
+vederenkleed wisselt in den regel met het jaargetijde af. De
+Sneeuwhoenderen hebben naar verhouding grooter klauwen dan eenig
+ander Ruigpoothoen; zelfs deze worden ieder jaar gewisseld. Tusschen
+het mannetje en het wijfje is het onderscheid niet groot; de jongen
+krijgen spoedig het kleed van hunne ouders.
+
+
+
+Het Groote Sneeuwhoen (Lagopus albus) houdt, wat zijn grootte betreft,
+ongeveer het midden tusschen het Korhoen en den Patrijs; de haan
+is 40 cM. lang (staartlengte 11 cM.), het wijfje 2 cM. korter. Het
+winterkleed van het Sneeuwhoen is wel eenvoudig, maar toch fraai:
+alle veeren zijn schitterend wit, met uitzondering van de buitenste
+staartpennen; deze zijn, op het witte wortelgedeelte na, donkerzwart
+met witte kanten; de zes groote slagpennen hebben op de buitenvlag
+een lange, bruinzwarte streep. In het bruiloftskleed is de grondkleur
+kastanjebruin (soms lichter, soms donkerder) met een uit fijne,
+zwarte streepjes en vlekjes bestaande teekening, welker volledige
+beschrijving ons te ver zou voeren; alleen de handpennen zijn dan wit
+als in den winter. Boven het oog bevindt zich een halvemaanvormige,
+naakte plek, die in den voortplantingstijd bijna kamvormig opzwelt en
+een karmijnroode kleur verkrijgt. In den loop van den zomer verbleeken
+de veeren. Vele onderzoekers zijn van oordeel, dat deze Vogel tweemaal
+ruit: in den herfst zouden alle, in de lente alleen de kleine veeren
+gewisseld worden. Het vervangen van het winterkleed door het zomerkleed
+en dit door het winterkleed geschiedt zeer langzaam; dit heeft zelfs
+aanleiding gegeven tot de meening, dat het Sneeuwhoen viermaal in
+'t jaar ruit. Amerikaansche onderzoekers zijn echter tot het besluit
+gekomen, dat de kleine veeren in den herfst niet gewisseld worden,
+maar eenvoudig verkleuren; deze verandering zou aan de spits van de
+veeren beginnen en zoo snel voortschrijden, dat zij in 8 à 10 dagen
+afgeloopen is.
+
+
+
+Als een verscheidenheid van het Groote Sneeuwhoen beschouwt men het
+Schotsche Sneeuwhoen, de Brown Ptarmigan of Red Grouse der Engelschen
+(Lagopus albus scoticus), dat de veengronden van Groot-Britannië,
+vooral die van Schotland bewoont. Zijn kleed, dat in hooge mate
+gelijkt op het zomerkleed van het Groote Sneeuwhoen, is 's winters
+niet wit, maar slechts weinig anders gekleurd dan gedurende den zomer;
+bovendien zijn de slagpennen bruin, de pooten grijs in plaats van
+wit. In grootte, levenswijze en gewoonten komt deze soort volkomen
+overeen met de vorige.
+
+
+
+Het Groote Sneeuwhoen is over het noorden van de Oude en van de
+Nieuwe Wereld verbreid. Van Duitschland bewoont het slechts den
+noordoostelijksten hoek. In de landen, die ten noorden en ten oosten
+van dit grensgebied gelegen zijn, komt het op alle geschikte plaatsen
+veelvuldig voor. In Europa bewoont het dus geheel Noord-Rusland
+(met inbegrip van de Oostzeeprovinciën) en Skandinavië, in Azië,
+geheel Siberië en eindelijk in het hooge noorden van Amerika, alle
+"pelterijdistricten" tusschen den 50en en 70en graad N.B. Binnen deze
+grenzen zijn de Groote Sneeuwhoenderen zwerfvogels, die bij het naderen
+van den winter, tot talrijke zwermen vereenigd, zuidwaarts trekken,
+hoewel zij zelfs in de strengste winters in boschrijke gewesten op
+67° N.B. in grooten getale gevonden worden. Van Koerland en Littauen
+begeven zich ook thans nog iederen winter Groote Sneeuwhoenderen
+naar Oost-Pruisen; enkele zijn zelfs, naar men zegt, in Pommeren
+waargenomen. In zuidelijker gelegen gewesten heeft deze Vogel zich
+nooit vertoond; ook in het hoogste noorden, op Groenland en zelfs op
+IJsland, ontbreekt hij geheel.
+
+In de toendra bewoont het Groote Sneeuwhoen de vlakten zoowel als de
+lage heuvels, de hellingen zoowel als de dalen in nagenoeg gelijken
+getale, omdat al deze terreinen nagenoeg dezelfde eigenaardigheden
+vertoonen; in Skandinavië daarentegen blijft het beperkt tot de
+middelste gedeelten van het gebergte; in de eigenlijke dalen komt
+het slechts nu en dan en nooit anders dan voor korten tijd. De reden
+hiervoor is duidelijk, als men weet, dat deze Vogels gehecht zijn
+aan de berken en wilgen, welker rijk eerst begint boven de grenzen
+van het naaldboomenwoud. Op de hoogvlakten van Skandinavië en in
+de toendra zijn zij op sommige plaatsen ongeloofelijk overvloedig,
+veelvuldiger stellig dan eenig ander Hoen. Het eene paar woont dicht
+bij het andere en ieders gebied is zoo weinig uitgestrekt, dat het
+zelden een middellijn van 500 schreden heeft. Gedurende de lente
+verdedigt de haan de grenzen van zijn klein rijk ijverzuchtig tegen
+iederen indringer.
+
+Men mag het Groote Sneeuwhoen als betrekkelijk hoog begaafd
+beschouwen. Het is een van de bedrijvigste en levendigste Hoenderen;
+het is behendig en daarom zelden in rust; het heeft er slag van zich
+in de meest verschillende omstandigheden behoorlijk te bewegen. De
+breede, dicht bevederde voeten zijn uitnemend geschikt voor een snelle
+beweging, zoowel over het bedrieglijke mostapijt als over de versch
+gevallen sneeuw, waarschijnlijk ook voor 't zwemmen. Zijn wijze van
+gaan is ongelijk. Gewoonlijk loopt het stappend in gebukte houding
+met eenigszins gekromden rug en hangenden staart; het rent echter met
+ongelooflijke snelheid voort, wanneer het vervolgd wordt. Het vliegt
+met gemak en fraai. Zijn vlucht gelijkt meer op die van het Korhoen,
+dan op die van den Patrijs, maar verschilt toch van beide. Het
+mannetje laat, als het voor een korten poos gaat vliegen, bij het
+opstijgen in den regel zijn luidklinkend "ver-rek-ek-ek-ek" hooren
+en onmiddellijk na het neerstreken de doffe keelgeluiden "gaba-oe
+gaba-oe"; het vliegende wijfje zwijgt steeds. In den winter graaft dit
+Hoen diepe gangen in de sneeuw, niet alleen om zijn voedsel te kunnen
+bereiken, maar ook om een schuilplaats te zoeken tegen de aanslagen
+van Roofvogels; loodrecht uit de lucht naar beneden schietend, duikt
+het dan als 't ware onder in de losse sneeuw. In strenge winters
+zoekt het zich hier te beveiligen tegen den snerpenden wind: soms
+hebben alle leden van den zwerm op deze wijze gehandeld en is ieder
+zoover onder de sneeuw bedolven, dat slechts de kop er boven uitsteekt.
+
+Het voedsel van dezen Vogel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige
+stoffen, in den winter uitsluitend uit de bladknoppen en verdroogde
+bessen van allerlei struiken, in den zomer uit malsche bladen,
+bloemen en uitspruitsels; ook eet het verschillende Insecten, die
+bij het zoeken van dit voedsel binnen zijn bereik komen.
+
+Het Groote Sneeuwhoen is een van de meest gezochte wildsoorten. Door
+zijn verbazingwekkende veelvuldigheid verschaft het den niet al te
+onhandigen jager een overvloedigen buit; vele bewoners van noordelijke
+landen zijn daarom hartstochtelijke liefhebbers van deze jacht. Vooral
+in den winter heeft zij plaats, omdat de gedoode dieren dan het best
+overal heen gezonden kunnen worden zonder te bederven. Met het oog op
+de kosten geschiedt de vangst meer met netten en strikken dan met het
+geweer. Men kent de legerplaats van de Hoenderen en plaatst strikken
+tusschen de berkenstruiken, waarheen zij zich moeten begeven om hun
+voedsel te zoeken. Dat de vangst soms zeer overvloedig is, kan men
+afleiden uit het feit, dat één wildhandelaar, in den loop van één
+winter, op Dovrefjeld alleen 40.000 stuks verzamelen kon. Dit wild
+wordt niet slechts naar Stockholm en Kopenhagen, maar in iederen
+eenigszins strengen winter ook naar Duitschland en Groot-Brittannië
+verzonden. De smaak van de jonge Sneeuwhoenderen komt volkomen overeen
+met die van onze jonge Patrijzen.
+
+In gevangenschap vindt men deze fraaie Vogels zelfs in Skandinavië
+zelden.
+
+
+
+Van het Gewone Sneeuwhoen, den Grey Ptarmigan der Engelschen (Lagopus
+mutus), komen in verband met de ligging en de gesteldheid van zijn
+woonplaats, verscheidene meer of minder verschillende, standvastige
+ondersoorten voor, die door enkele onderzoekers als soorten
+worden beschouwd. Zelfs in hetzelfde gebied ontmoet men talrijke
+kleurverscheidenheden, vooral in den zomer. In de Zwitsersche Alpen
+is het, volgens Schinz, al naar den tijd van het jaar zoo verschillend
+van kleur, dat deze als 't ware in iedere zomermaand verandert. Steeds
+zijn bij het mannetje de buik, de onderdekveeren van den staart,
+de voorste dekveeren van den vleugel, de slagpennen en de loop wit;
+de slagpennen hebben zwartachtige schaften en de staart is zwart. In
+den zomer zijn de overige lichaamsdeelen echter zeer ongelijk van
+kleur. Bij het voorjaarsruien, dat in het midden van April begint,
+komen hier en daar zwartachtige veeren te voorschijn, waardoor het
+kleed zwarte vlekken verkrijgt. In het begin van Mei zijn de kop,
+de hals, de rug, de bovenste dekveeren van den vleugel en de borst
+zwart, roestkleurig en wit gevlekt: sommige veeren zijn namelijk
+geheel en al zwart met zeer onduidelijke, roestkleurige dwarsstrepen;
+andere zijn zwart met licht roestgele en witachtige dwarsbanden;
+aan de keel en aan de zijden van den hals treedt het wit het meest
+op den voorgrond. De gekleurde veeren staan bont door elkander heen,
+niet zelden met eenige zuiver witte er tusschen; alle verbleeken
+echter langzamerhand zoo sterk, dat het kleed tegen het einde van
+Augustus of in September vooral op den rug fraai licht aschgrauw is
+geworden met roode stippels; de roestkleurige banden aan den hals en
+den kop zijn bijna geheel wit geworden, hoewel meestal nog eenige
+zeer onregelmatig roestgeel en zwart gestreepte veeren tusschen
+de andere voorkomen. Bij het wijfje zijn al deze deelen zwart met
+roestgele golflijnen en de banden veel breeder en duidelijker. In den
+winter wordt het geheele vederenkleed wit met uitzondering van de
+zwarte, thans licht gezoomde stuurpennen (bij het mannetje blijven
+ook de teugelveeren zwart); soms zijn echter eenige bonte veeren
+overgebleven. Gedurende het najaarsruien, dat in October begint,
+zien de Sneeuwhoenderen er bont uit; reeds in November echter zijn
+zij sneeuwwit geworden. Boven ieder oog bevindt zich een roode, met
+wratten bedekte, aan den bovenrand uitgetakte huidplooi, die bij het
+mannetje veel sterker ontwikkeld is dan bij het wijfje. Het oog is
+donkerbruin, de snavel zwart. Totale lengte 35, staartlengte 10 cM.
+
+De Sneeuwhoenderen in het noorden wijken van die der Alpen meer
+of minder sterk af, zoowel in grootte als door de kleur van het
+zomerkleed; dit is echter altijd in overeenstemming met de kleur van
+het gesteente, waarop zij leven.
+
+Het Gewone Sneeuwhoen bewoont den Alpenketen in zijn geheele
+uitgestrektheid, de Pyreneën, de Schotsche Hooglanden, alle hooge
+bergtoppen van Skandinavië, IJsland, de gebergten van Noord-Siberië en
+die van Noord-Azië in 't algemeen, het noorden van het Amerikaansche
+vasteland en Groenland. Van de Alpen dwaalt het soms af naar het
+Schwarzwald. In tegenstelling met het Groote Sneeuwhoen bewoont het
+Gewone uitsluitend kale, niet met struiken begroeide oorden; op de
+Alpen treft men het altijd boven den gordel van den boomgroei aan,
+dicht bij sneeuw en ijs, in Noorwegen op naakte, met rolsteenen bedekte
+bergtoppen; alleen op IJsland en Groenland bewoont het gedurende den
+broedtijd lagere gewesten, zelfs vlakten in de onmiddellijke nabijheid
+van de zee.
+
+Het Gewone Sneeuwhoen verschilt in levenswijze aanmerkelijk van zijne
+verwanten. Het is rustiger van aard en geeft blijken van minder
+ontwikkelde geestvermogens. Het loopt en vliegt nagenoeg als het
+Groote Sneeuwhoen, misschien zelfs met geringer inspanning. Lang
+achtereen vliegt het echter slechts zelden en nooit anders dan
+wanneer het vervolging te verduren heeft. In één opzicht toont het
+duidelijk een grootere begaafdheid: het zwemt, zooals meermalen werd
+opgemerkt, niet slechts in geval van nood, maar ook zonder dringende
+noodzakelijkheid. Ook wat de stem betreft, bestaat er een aanmerkelijk
+verschil. "Bij zwaren nevel," zegt Schinz, "en als er sneeuw of
+regen in aantocht is, schreeuwen de Sneeuwhoenderen onophoudelijk
+"kreu-geu-geu-eugreu" of ook wel "eueu-geueu-euneu-geueu." Het geluid
+waarmede de oude Vogels hunne jongen lokken of tegen een Roofvogel
+waarschuwen, klinkt als "gè-gè gagè-è", dat van de jongen als "tsiep
+tsiep tsiep"." Andere waarnemers maken alleen melding van een zeer dof,
+rochelend, diep uit de keel komend "aah," verbonden met een ratelend
+geluid, dat niet goed door klankteekens kan worden uitgedrukt.
+
+Het voedsel van het Sneeuwhoen bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige
+stoffen. Op de Alpen vindt men zijn krop gevuld met bladen van
+Alpenwilgen en heide, met knoppen van dennen, Alpenrozen, boschbessen
+en braambessen, verschillende bloemen enz.; het pikt op de wegen
+haverkorrels op uit den mest van Paarden en Muilezels en maakt in
+den zomer jacht op allerlei Insecten.
+
+In Mei ziet men de Sneeuwhoenderen gepaard; het mannetje blijft bij het
+wijfje, zoolang het broeden duurt, maar verwijdert zich voor eenigen
+tijd van zijn gezin, als de jongen uit het ei gekomen zijn, en brengt
+in het hooge gebergte den warmsten tijd van den zomer door. Hij was
+vóór dien tijd stil en treurig, maar wordt nu opgewekt, laat dikwijls
+zijn stem hooren, vliegt zeer vlug en met geringe vleugelbeweging
+voor zijn genoegen rond, stijgt in schuine richting omhoog, blijft een
+oogenblik met trillende vleugels op dezelfde plaats "staan" en stort
+zich daarna plotseling naar beneden; soms neemt hij ook standen aan,
+die eenigermate herinneren aan den dans van andere Ruigpoothoenderen
+gedurende het balderen. Hij bemoeit zich zoomin met het broeden als
+met de opvoeding der jongen.
+
+De hen zoekt tegen het midden of het einde van Juni onder een lagen
+struik of onder een beschuttenden steen een geschikte plaats voor haar
+nest uit, graaft hier een ondiep kuiltje, bekleedt dit op kunstelooze
+wijze met droge bladen en legt hier op 9 à 14, soms wel 16 eieren,
+die op roodgelen grond met donkerbruine vlekken gestippeld zijn. Het
+wijfje bebroedt ze met zelfverloochenenden ijver, zoodat na ongeveer
+3 weken de jongen uitkomen.
+
+Het donskleed van de kuikens is zeer bont, maar stemt toch niet minder
+dan dat van andere jonge Hoenderen met de kleur van den bodem overeen.
+
+Op IJsland en Groenland, waar de Sneeuwhoenderen dikwijls ook in de
+dalen broeden, ziet men de gezinnen in het einde van Augustus nog in de
+lage landen; in het begin van October echter begeeft de hen zich met
+hare nu geheel volwassen jongen naar de hooge bergen; hier vereenigen
+zich de tot dusver gescheiden troepen en vormen zwermen, die dikwijls
+zeer talrijk zijn. Deze blijven gewoonlijk gedurende den geheelen
+winter in de bergstreken en leiden een tamelijk geregeld leven. Reeds
+bij 't aanbreken van den dag ziet men ze bezig met het opzoeken van hun
+voedsel; zelden echter vliegen zij, voordat de middag reeds eenigen
+tijd voorbij is. Tot kleine troepen vereenigd, begeven zij zich dan
+naar het dal, naar de zeekust enz. In den regel keeren zij spoedig
+naar de bergen terug; wanneer de dalen vrij zijn van sneeuw, blijven
+zij er langer. Bij zeer lage temperatuur bestaat de nevel op de toppen
+van hooge bergen en in de poolstreken meestal uit fijne ijskristallen,
+die den vorm hebben van zeshoekige plaatjes en zich overal afzetten;
+door dit zoogenaamde "ijsstof" verkeeren de Sneeuwhoenderen in de
+onmogelijkheid om voedsel te vinden; zij zoeken dan hun toevlucht
+in lager gelegen oorden, moeten soms ver rondzwerven en groot gebrek
+lijden. Faber verhaalt, dat de uitgehongerde Vogels op Groenland en
+IJsland zelfs in menschelijke woningen binnendringen of over mijlen
+breede zeearmen heenvliegen naar kleine eilanden, die met weinig
+sneeuw bedekt zijn en hun een rijk weideveld beloven. In Noorwegen
+handelen zij evenzoo, in Zwitserland komt iets dergelijks voor.
+
+Door de armoede en onherbergzaamheid van zijn woonplaats komt het
+Sneeuwhoen niet zelden in grooten nood. Wel stelt het geringe eischen,
+wel weet het bestendig storm en ruw weer te ontwijken, tegen iedere
+weersgesteldheid is het echter niet opgewassen. Sneeuwbuien in den
+winter leveren bij weinig bewogen lucht geen groot bezwaar op, al
+duren zij dagen achtereen; onder lawinen, onder sneeuwmassa's, die bij
+de bergen naar beneden rollen, wordt echter menig Hoen verpletterd;
+menig ander sterft van honger, als een harde ijskorst de sneeuwlaag
+bedekt. Maar niet alleen de natuur behandelt deze weerlooze Vogels
+ruw en soms zelfs vijandig; de mensch en alle roofdieren doen dit
+ook en in nog veel hoogere mate; ieder jaar worden zij bij duizenden,
+bij honderdduizenden zelfs gevangen, zoowel door den met een geweer
+gewapenden jager, als door de Vossen en Veelvraten, den Jachtvalk en
+den Sneeuwuil.
+
+Oud gevangen Sneeuwhoenderen worden tam, d. w. z. geraken gewoon aan de
+kooi en aan het voedsel, dat de mensch hun verschaft; men kan ze zelfs
+lang in 't leven houden. Jonge Vogels vereischen zulk een zorgvuldige
+verpleging, dat het slechts zelden gelukt ze groot te brengen.
+
+
+
+De Veldhoenderen (Perdicinae), die de tweede, goed begrensde
+onderfamilie van de Fazantvogels vormen, onderscheiden zich van de
+Ruigpoothoenderen door een slanke gestalte, een betrekkelijk kleinen
+kop en een onbevederden loop.
+
+Met uitzondering van het hooge noorden bewonen zij alle landen van
+de Oude Wereld en hier alle gewesten, van het zeestrand tot op zeer
+aanzienlijke hoogten in het gebergte.
+
+Hoewel verreweg de meeste, in overeenstemming met hun naam, aan een
+open, niet met boomen begroeid terrein de voorkeur geven, zijn er
+toch ook vele, die juist het woud tot verblijfplaats kiezen en hier
+een even verborgen leven leiden als eenig ander Hoen. Zij hebben vele
+kenmerkende eigenaardigheden. Vlugger en behendiger dan vele andere
+vertegenwoordigers hunner orde, vliegen zij tamelijk snel, ofschoon
+eenigszins log en zelden hoog en ver; zooveel mogelijk vermijden
+zij een zitplaats op boomen. Door hunne geestvermogens staan zij,
+naar het schijnt althans, boven de Ruigpoothoenders. Scherpzinnig en
+betrekkelijk schrander, schikken zij zich licht in zeer verschillende
+omstandigheden en toonen een zekere list bij het ontwijken van
+gevaren; bovendien zijn zij moedig en strijdlustig. Voor zoover bekend,
+leven alle Veldhoenderen in monogamie (ieder mannetje met slechts één
+wijfje). Het mannetje zorgt voor de veiligheid van het broedende wijfje
+en van de jongen. De hen legt in een kunsteloos nest een betrekkelijk
+groot aantal eieren; deze zijn éénkleurig of op lichtgeelachtigen
+(bruinachtigen) grond donker gevlekt. Als de jongen volwassen zijn,
+komt het dikwijls voor, dat verscheidene familiën zich vereenigen en
+talrijke vluchten vormen. Het voedsel van de Veldhoenders verschilt
+in zoover van dat der Ruigpoothoenders, dat zij bijna geen andere
+dan weeke, deels plantaardige, deels dierlijke stoffen eten. Van
+dennennaalden en dergelijk slecht voedsel, waarmede het Auerhoen zich
+behelpt, leeft stellig geen der leden van deze onderfamilie; alle maken
+ijverig jacht op allerlei Insecten en hunne larven; de meesten houden
+meer van zaden dan van andere plantendeelen, zooals bladen en knoppen.
+
+Op alle soorten van deze groep, geen enkele uitgezonderd, wordt met een
+eenigszins hartstochtelijken ijver jacht gemaakt. Allerlei middelen
+doen hierbij dienst. Geweren en andere wapenen, netten en strikken,
+gedresseerde Valken en Honden doen ieder jaar en overal duizenden
+Veldhoenderen sneven; bijna overal worden de aldus gedunde rijen
+dezer Vogels door hun snelle voortplanting schielijk weer aangevuld.
+
+De Veldhoenders geraken licht aan het leven in gevangenschap gewoon;
+vele kan men bij eenigszins zorgvuldige behandeling jaren lang in de
+kooi houden; de meeste planten zich hier zelfs voort.
+
+
+
+Bij de Rotspatrijzen (Caccabis) is de romp zwaar, de hals kort, de kop
+betrekkelijk groot, de snavel tamelijk lang, maar krachtig, de loop met
+een stompe spoor of althans met een hoornachtig knobbeltje voorzien;
+de spits van den middelmatig langen vleugel wordt door de derde en de
+vierde handpen gevormd; het vederenkleed is goed gevuld, hoewel het
+glad tegen het lichaam aanligt. De roodachtig grijze hoofdkleur gaat
+bij sommige soorten in leikleur over; de voorhals en de bovenborst
+benevens de flanken onderscheiden zich door in 't oog vallende kleuren.
+
+
+
+Bij den Steenpatrijs (Caccabis saxatilis) zijn de bovenzijde en de
+borst blauwgrijs met roodachtigen weerschijn; twee banden, waarvan
+de eene de witte keel omsluit, en de andere, onmiddellijk achter
+den snavelwortel beginnend, zich over het voorhoofd uitstrekt,
+benevens een vlekje aan de kin aan iederen hoek van de onderkaak,
+zijn zwart; de veeren van de flanken zijn afwisselend geelroodbruin
+en zwart gestreept, de overige veeren van de onderzijde roestgeel;
+de slagpennen zijn zwartachtig bruin met geelachtig witte schaften en
+roestgeelachtige strepen aan den kant van de buitenvlag, de buitenste
+stuurpennen roestrood. Het oog is roodbruin, de snavel koraalrood,
+de voet lichtrood. Totale lengte 35, staartlengte 10 cM.; het wijfje
+is, zooals gewoonlijk, iets kleiner.
+
+In de 16e eeuw kwam de Steenpatrijs nog voor in de rotsachtige
+gebergten langs den Rijn, vooral in de buurt van St. Goar; thans
+is hij, wat Middel-Europa betreft, tot de Alpen beperkt en wel tot
+Boven-Oostenrijk, Opper-Beieren, Tirol en Zwitserland. Veelvuldiger
+treft men hem aan ten zuiden van dit gebergte, in Zuid-Tirol en
+Italië, waar hij vooral de gebergten van Ligurië en de provincie
+Rome bewoont. Zeer algemeen is hij in geheel Griekenland, Turkije,
+Klein-Azië, Palestina en Arabië. Volgens sommigen zouden de
+Steenpatrijzen, die Middel-Azië, van de Grieksche Eilanden tot
+Zuid-China, benevens Perzië en Indië bewonen, een afzonderlijke
+soort--de Tsjoekar--vormen. Vermelding verdient het, dat de
+Steenpatrijzen, die de Alpen duidelijk de voorkeur geven aan de
+hoogten boven de laagten en het veelvuldigst aangetroffen worden
+op zonnige, min of meer met gras bedekte, uit steengruis bestaande
+glooiingen tusschen de houtgrens en de sneeuwgrens, in het zuiden
+ook de vlakten bevolken.
+
+Door behendigheid, scherpzinnigheid, schranderheid, moed,
+vechtlust en geschiktheid om getemd te worden, onderscheidt de
+Steenpatrijs zich, evenals al zijne verwanten, zeer gunstig van andere
+Hoenderen. Zijn stem herinnert in vele opzichten aan het kakelen van
+de Huishoenderen. Zijn voedsel bestaat uit verscheidene plantaardige
+stoffen en velerlei kleine dieren. In het hooge gebergte voeden
+de Steenpatrijzen zich o.a. met de knoppen van de Alpenroos, met
+bessen, malsche bladen en verschillende zaden, bovendien echter ook
+met Spinnen, Insecten, larven enz.; in lager gelegen streken bezoeken
+zij de akkers, vooral zoolang de graanhalmen nog kort en groen zijn,
+en verslinden dan soms niets anders dan de topspruitjes van de jonge
+tarwe en van het overige groene koren; in den winter eten zij ook wel
+jeneverbessen en behelpen zich met sparrenaalden. Op plaatsen, waar
+de Steenpatrijzen veelvuldig zijn, vereenigen zich in den naherfst
+dikwijls verscheidene familiën tot talrijke vluchten.
+
+Dat de Steenpatrijs gemakkelijk getemd kan worden is den Grieken,
+Zwitsers, Indiërs en Perzen wel bekend; men vindt daarom bij hen dezen
+Vogel vaak in een kooi. Een mannetje en een wijfje leven hier in vrede;
+twee mannetjes liggen met elkander voortdurend overhoop, niet zelden
+bijt het eene het andere dood. Hun onverdraagzaamheid en strijdlust
+was reeds aan de ouden bekend; deze hielden de Steenpatrijzen vooral
+gevangen om ze tot vermaak van de toeschouwers te laten vechten. Dit
+geschiedt ook thans nog in Indië en China, waar men de Steenpatrijzen
+zoo tam maakt, dat zij volslagen huisdieren zijn. Zij loopen vrij
+rond, maken als 't ware deel uit van 't gezin en volgen hun meester
+over het erf en door den tuin. Enkele worden zoo overmoedig, dat zij
+zich allerlei plagerijen veroorloven tegen vreemdelingen of tegen
+de huisbedienden, van welker ondergeschiktheid zij bewust schijnen
+te zijn.
+
+
+
+In Zuidwest-Europa wordt de Steenpatrijs vervangen door den
+Rooden Patrijs (Caccabis rufa), die zich van den eerstgenoemden
+vooral onderscheidt, doordat op de bovendeelen de roode kleur de
+overhand heeft, terwijl bovendien de halskraag breeder is en zich
+van onderen in zwarte vlekken splitst. De roodachtig grijze kleur
+van de bovenzijde is op den achterkop en in den nek het helderst,
+bijna zuiver roestrood, slechts op de kruin grijsachtig; de borst
+en de bovenbuik zijn zuiver bruinachtig aschgrauw, de onderbuik en
+de onderdekveeren van den staart geel; de verlengde veeren van de
+flanken vertoonen op licht aschgrauwen grond witachtig roestkleurige
+en kastanjebruine dwarsbanden, die door donkerzwarte strepen scherper
+begrensd worden. Een witte band, die op het voorhoofd begint, vormt
+door zijn achterwaartsche verlenging een duidelijk in 't oog vallende
+wenkbrauwstreep; het door den halskraag omsloten, naar binnen scherp
+begrensde, bijna zuiver witte keelveld steekt scherp bij zijn omgeving
+af. Het oog is lichtbruin, de ring om het oog vermiljoenrood, de snavel
+bloedrood en de voet karmijnrood. Totale lengte 38, staartlengte 11 cM.
+
+Het verbreidingsgebied van den Rooden Patrijs is eerst door
+onderzoekingen uit den laatsten tijd met eenige zekerheid bepaald;
+vroeger werd hij dikwijls met zijne verwanten verward. Hij bewoont
+uitsluitend het zuidwesten van ons werelddeel, te beginnen bij
+het zuiden van Frankrijk, voorts Spanje, Portugal, Madera en de
+Azoren. Reeds op Malta behoort hij tot de zeldzaamheden en verder
+oostwaarts ontmoet men hem waarschijnlijk niet meer. Ongeveer een eeuw
+geleden heeft men hem in Groot-Britannië geacclimatiseerd; tegenwoordig
+is hij hier in eenige oostelijke graafschappen bijna nog talrijker
+dan de Gewone Patrijs. Ook in ons vaderland komt deze Vogel nu en
+dan voor. Meer dan eens werd hij te Mook (Limburg) geschoten en ook
+eenmaal bij Maastricht. De Roode Patrijs houdt veel van bergstreken,
+die met bouwlanden afwisselen. In Spanje vindt men hem op bijna alle
+bergen, met uitzondering misschien van de ketens langs de noordkust,
+tot op een hoogte van 2000 M. boven den zeespiegel.
+
+In zijne bewegingen heeft de Roode Patrijs veel overeenkomst met
+zijn inheemschen verwant; ook in dit opzicht mag men hem echter
+sierlijker en lieftalliger noemen. Hij loopt buitengemeen snel en
+met groote behendigheid, rent vlug tusschen rotsblokken en steenen
+door, toont hier zelfs een groote bekwaamheid in 't klauteren en maakt
+daarbij slechts zelden gebruik van zijne vleugels. Een karakteristieke
+eigenschap van dezen Vogel is, dat hij gaarne op boomen gaat zitten,
+en dit volstrekt niet uitsluitend in geval van nood, maar geregeld
+doet, overal waar boomen zijn, ongetwijfeld met de bedoeling om van
+uit de hoogte rond te kijken. Om te waarschuwen roept het mannetje
+zoowel als het wijfje zacht "reb reb," bij 't opvliegen luid "sjerb."
+
+Gedurende het grootste deel van het jaar zijn de Roode Patrijzen
+vereenigd tot gezelschappen of koppels van 10 à 30 stuks, die dikwijls
+uit verscheidene familiën bestaan; deze doorkruisen hetzelfde gebied,
+maar doen dit niet zeer geregeld; ook komen zij niet op een bepaalden
+tijd op de drinkplaats bijeen, daar zij zeer weinig behoefte aan
+water hebben.
+
+In Spanje wordt op deze Vogels druk jacht gemaakt. De vervolging
+neemt reeds een aanvang, zoodra de jongen de grootte van een Kwartel
+bereikt hebben. De jager spoort met behulp van Patrijshonden de
+vluchten op, of doorkruist op goed geluk de streek, waar de Vogels
+zich ophouden. In den herfst maakt men met goed gevolg gebruik van
+een lokvogel of "reclamo". Dit geschiedt ook in den paartijd, de
+meest geschikte tijd voor de jacht, die dan het aangenaamst en het
+eigenaardigst is. De jager begeeft zich met den lokvogel, die in een
+zoogenaamde klokkooi medegenomen wordt, naar oorden, waar hij Roode
+Patrijzen hoopt te vinden, en bouwt van de hier liggende steenen een
+muur van 1 M. hoogte, die hem als schuilplaats moet dienen; 10 à 15
+schreden verder zet hij de kooi op een hoog gelegen plaats neer en
+vervangt den doek, waaronder de kooi tot dusver verborgen was, door
+een dunne laag rijsjes. Als de lokvogel goed is, begint hij dadelijk
+eenige malen achtereen "tak tak" te roepen, waarop dan de eigenlijke
+lokstem "takterak" volgt. In den regel komt nu binnen eenige minuten
+een Roode Patrijs bij de kooi, om naar zijn kameraad te kijken. Daar
+men in 't begin van den paartijd hanen als lokvogels gebruikt, zal de
+jager zoowel hanen als hennen en dikwijls zelfs een paar, van deze
+Vogels onder schot krijgen en ze gemakkelijk kunnen treffen, daar
+zij zich ongedekt vertoonen. Deze jacht duurt ongeveer 14 dagen. Een
+goede lokvogel wordt duur betaald, dikwijls kost hij 240 à 300 gulden;
+niet zelden maakt de jager gedurende den "reclamo-tijd" 60 à 80 paar
+Roode Patrijzen buit.
+
+
+
+Op Sardinië, in sommige streken van Griekenland, veelvuldiger echter
+in Noordwest-Afrika, met inbegrip van de Kanarische Eilanden, woont
+de derde soort van het geslacht der Rotspatrijzen--het Klippenhoen
+(Caccabis petrosa). Hij kenmerkt zich vooral, doordat de halsband
+op kastanjebruinen grond van achteren wit gestippeld is. Evenals de
+beide vorige soorten treft men hem dikwijls levend in diergaarden aan.
+
+
+
+Onze Patrijs, ook wel Veldhoen of Hoen genaamd (Perdix cinerea),
+verschilt van den Rooden Patrijs, behalve door de kleur, ook door
+de bekleeding van den loop, die zoowel aan de voorzijde als aan de
+achterzijde twee reeksen van schilden vertoont, door het ontbreken
+van de wratvormige spoor en door het maaksel van den vleugel, waarin
+de derde, vierde en vijfde slagpen de langste zijn. Het vederenkleed,
+dat vele kleurvariaties vertoont--in verband met het land, waar het
+dier voorkomt, de plaatselijke gesteldheid en de ligging van zijn
+woonplaats--is minder fraai dan dat van den Rooden Patrijs, maar
+toch zeer bevallig. Het voorhoofd, een breede streep over en achter
+het oog, de zijden van den kop en de keel zijn licht roestrood; de
+bruinachtige kop is met geelachtige, overlangsche strepen, de grauwe
+rug met roestroode dwarsbanden, lichte schaftstrepen en zwarte,
+fijne zigzaglijnen geteekend; de borst prijkt met een breeden band,
+die op aschgrauwen grond met zwarte golflijnen geteekend is, zich aan
+weerszijden van het onderlijf voortzet en hier door roestroode, aan
+weerszijden wit gerande dwarsbanden wordt afgebroken; op den witten
+buik staat een groote, hoefijzervormige vlek van kastanjebruine
+kleur. Het oog is nootbruin; een smalle, naakte ring om het oog en
+een streep, die zich van hier naar achteren uitstrekt, zijn rood; de
+snavel is blauwachtig grijs, de voet bruinachtig. Totale lengte 26,
+staartlengte 8 cM. Het wijfje is kleiner dan het mannetje en heeft
+nagenoeg dezelfde kleur; deze is echter minder fraai, de bruine vlek
+op den buik minder groot en minder zuiver, de rug donkerder.
+
+De Patrijs bewoont Nederland, Duitschland, Denemarken, Skandinavië,
+Groot-Britannië, België, het noorden van Frankrijk, geheel Hongarije,
+Turkije, een deel van Griekenland, Noord-Italië, Asturië, Leon,
+Opper-Katalonië en eenige gewesten van Aragon, is veelvuldig in Middel-
+en Zuid-Rusland, de Krim, Klein-Azië en wordt in andere Aziatische
+landen vervangen door een soort, die veel op hem gelijkt. Op
+Nieuw-Zeeland heeft men hem geacclimatiseerd. Overal verkiest hij
+vlakten boven gebergten; in de lage streken van Zwitserland b.v. is
+hij veelvuldig, men ontmoet hem hier op geen grootere hoogte dan 1000
+M. boven den zeespiegel. Voor zijn welzijn heeft hij goed bebouwde
+gewesten noodig, die rijk zijn aan afwisseling; hij houdt daarom van
+streken, waar hier en daar boschjes, met struikgewas bedekte heuvels
+of althans dichte hagen voorkomen. Het woud wordt door hem gemeden,
+niet echter de woudzoom en de boschjes in de nabijheid; evenmin schuwt
+hij natte, moerassige plaatsen, wanneer deze althans hier en daar
+met houtgewas begroeid zijn en kleine eilandjes bevatten, die even
+boven het water uitsteken. Bij ons houdt hij zich op in graanvelden
+of op ander bouwland, maar ook bij heidevelden, op droge weilanden,
+aan open plaatsen in het bosch, op geestgronden, in duinpannen of op
+de duinen zelve.
+
+Weinige Vogels blijven het eens door hen gekozen gebied standvastiger
+bewonen dan de Patrijs. De ervaring leert, dat de jongen blijven
+wonen in de streek, waar zij geboren zijn. Wanneer dit wild in een
+jachtterrein is uitgeroeid, duurt het dikwijls lang, voordat van de
+grenzen af weer enkele paren in de verlaten streek doordringen en
+haar op nieuw bevolkt hebben. In Noord-Duitschland en ook hier te
+lande heeft men opgemerkt, dat bijna in iederen herfst rondzwervende
+Patrijzen verschijnen, soms in groote gezelschappen. Men beweert,
+dat deze Hoenderen, die door de jagers "Trekpatrijzen" worden genoemd,
+kleiner zijn dan de zoogenaamde "Stand-" of "Bergpatrijzen".
+
+Gewoonlijk stapt de Patrijs met ingetrokken hals en gekromden rug in
+gebukte houding voort; als hij haast heeft, loopt hij meer rechtop met
+vooruitgestoken hals. Even goed als zijne verwanten verstaat hij de
+kunst van zich te verbergen, maakt hij gebruik van iederen schuilhoek,
+en "drukt" zich in geval van nood op den vlakken grond, in de hoop
+van niet opgemerkt te worden. Hoewel men zijn vlucht niet log kan
+noemen, vereischt toch deze beweging veel inspanning en vermoeit
+hem spoedig. Bij het opvliegen moet hij zijne vleugels snel en met
+gedruisch bewegen; eens op een zekere hoogte gekomen, schiet hij
+over groote afstanden met onbewogen vleugels door de lucht en geeft
+slechts nu en dan door snelle vleugelslagen aan zijn lichaam een nieuwe
+vaart. Hij vliegt niet graag hoog en zelden ver in één vlucht, vooral
+niet bij een hevigen wind, daar deze hem letterlijk medesleurt. Evenals
+zijne verwanten gaat hij niet op boomen zitten, althans niet, zoolang
+hij gezond is; hierop komen echter uitzonderingen voor. Het behoort
+reeds tot de zeldzaamheden, dat een Patrijs zich op het dak van een
+huis neerzet. Daarentegen ziet men hem soms een kunst beoefenen, tot
+welke men hem niet in staat geacht zou hebben: hij kan n.l. zwemmen.
+
+Zijn gewoon geluid is de duidelijke, ver hoorbare klank "kirrhik," die
+men zoowel van den vliegenden als van den zittenden Vogel verneemt. De
+oude haan gebruikt dezen in "kirrhèk" veranderden loktoon zoowel om
+zijn wijfje en zijne kinderen te roepen als om een tegenstander tot
+den strijd uit te dagen. Beangste Hoenderen gillen "riepriepriepriep"
+of brengen een als "tert" klinkend, ratelend geluid voort. De jongen
+piepen als tamme kuikens en roepen later: "truupekier tuup." Een
+prettige gemoedsstemming wordt door een dof "koerroek" aangeduid,
+het waarschuwend sein is een zacht "koerr".
+
+De Patrijs is schrander en verstandig, voorzichtig en schuw, maakt
+wel degelijk onderscheidt tusschen vijanden en vrienden, wordt door
+de ervaring wijzer en geeft blijken van groote geschiktheid om zich
+in verschillende levensomstandigheden te voegen. Hij is gezellig,
+vredelievend, trouw en offervaardig, buitengewoon teeder jegens zijn
+wijfje en zijne kinderen; al deze goede eigenschappen toont hij echter
+veeleer in den engen familiekring dan jegens andere dieren, al behooren
+deze tot zijn eigen soort. Om zijn bezitting te verdedigen strijdt de
+eene haan wakker met den anderen; een vereeniging van twee gezinnen
+gaat steeds met vechtpartijen gepaard; daarentegen worden jongen,
+die hunne ouders verloren hebben, zeer dikwijls in een vreemd gezin
+opgenomen; de volwassene leiders van dit gezin toonen dan voor de
+weezen evenveel liefde als voor hunne eigene kinderen.
+
+Tegen den tijd, waarin de sneeuw smelt, ontwaakt bij de Patrijzen de
+aandrift tot voortplanting. Reeds in Februari splitsen de vluchten,
+die gedurende den winter trouw bijeenbleven, zich in paren en kiest
+iedere haan een geschikte standplaats. Men hoort nu in den morgen-
+en avonduren het uitdagende geschreeuw van de hanen, ook ziet men wel
+eens twee van hen een ernstigen strijd om een wijfje uitvechten. Zij
+springen dan tegen elkander op; ieder tracht zijn tegenstander met den
+snavel en de klauwen te kwetsen. De zwakste partij moet wijken en de
+overwinnaar keert jubelend naar zijn wijfje terug. Naar men beweert,
+wordt een eens gesloten echtverbond alleen door den dood verbroken.
+
+Tegen het einde van April, gewoonlijk eerst in het begin van Mei,
+begint de hen te leggen. Haar nest is eenvoudig een ondiepe uitholling
+in den vlakken bodem, die met eenige zachte halmen bekleed en dikwijls
+op een zeer ondoelmatige plaats aangebracht wordt. Soms is het door een
+struik bedekt; in de meeste gevallen echter staat het te midden van het
+vroeg opschietende koorn, vooral in tarwe-, erwten- en koolzaad-akkers,
+in de klaver of in het hooge gras van weiden, ook wel in het sinds
+kort gekapte hout aan den rand van kleine boschjes te midden van het
+veld. Elke hen legt 9 à 17 eieren; men onderstelt althans, dat de
+nesten, waarin meer eieren gevonden werden, voor meer dan een hen
+als legplaats dienden. De eieren zijn peervormig, glad van schaal,
+niet zeer glanzig en lichtgroenachtig bruingrijs van kleur. De hen,
+die voluit 26 dagen met ongeloofelijke zelfverloochening broedt en zoo
+"vastzit", dat achtereenvolgens nagenoeg al hare buikveeren uitvallen,
+verlaat het nest slechts zoolang, als volstrekt noodig is om voedsel
+te zoeken. Terwijl de hen broedt, wijkt het mannetje niet uit haar
+nabijheid, maar houdt oplettend de wacht, waarschuwt haar voor ieder
+gevaar, aarzelt gewoonlijk niet zich hieraan bloot te stellen en keert
+als het verdwenen is; weder naar zijn oude plaats terug. Daarom is na
+het dooden van den haan in den regel ook een dergelijk lot aan de hen
+beschoren. Trouwens een lang aanhoudende vervolging verdrijft soms
+een paar Patrijzen van het nest, hoe groot de liefde van de ouders
+voor hun kroost ook zij.
+
+De jongen zijn allerliefste schepseltjes, ook reeds door hun
+uiterlijk. Hun donzen kleed vertoont aan de bovenzijde een mengelmoes
+van geelbruin, roestgeel, roestbruin en zwart, terwijl aan de
+onderzijde lichtere kleuren de overhand hebben; de teekening bestaat
+uit onafgebrokene reeksen van vlekken. Sinds hun eersten levensdag
+bewegen zij zich zeer behendig, verlaten het nest reeds, voordat zij
+geheel droog of van de aanhangende stukken eischaal bevrijd zijn en
+strekken zeer schielijk partij van het onderricht hunner ouders. Deze
+houden zich beide even ijverig met de opvoeding der jongen bezig;
+de vader houdt de wacht, en waarschuwt en verdedigt hen, de moeder
+leidt, voedt en beschut ze onder hare vleugels. Als een van de ouders
+het leven verliest, neemt de overblijvende ook diens taak op zich, de
+vader vervult dan tevens moederplichten. "De onvolprezen zorgvuldigheid
+van de ouders voor hunne lievelingen," zegt Naumann, "treft ieder,
+die deze Vogels bespiedt. Angstvallig rondziende of eenig gevaar zijn
+gezin bedreigt en of het af te wenden is, loopt de vader heen en weer,
+terwijl de moeder met een kort, waarschuwend geluid de jongen om zich
+heen verzamelt, hen beveelt zich naar een schuilplaats te begeven,
+ieder hunner er schielijk een aanwijst (in het koorn, in het gras,
+in struiken, in een vore van den akker, in een wagenspoor enz.) en,
+zoodra zij vermoedt, dat alle verborgen zijn, met den vader alle
+middelen in 't werk stelt om den vijandelijken aanval te verijdelen
+of af te wenden. Moedig stellen de beide ouders zich te weer, doen
+echter, in 't besef van hun zwakheid, geen aanval op den vijand, maar
+trachten zijn aandacht op hen zelf te vestigen, van de jongen af te
+leiden, totdat zij van oordeel zijn, dat hij zich ver genoeg verwijderd
+heeft. Dan vliegt eerst de moeder terug naar de jongen, die intusschen
+geen voet breed afgeweken zijn van de hun aangewezen schuilhoek en
+beijvert zich om ze zoo schielijk mogelijk een eind weegs verder te
+brengen. Zoodra de vader zijne lievelingen in veiligheid acht, laat ook
+hij den vervolger in den steek en vliegt terug. Wanneer alles in den
+omtrek rustig en het gevaar voor een vijandelijke ontmoeting geweken
+is, laat de haan zijn stem weerklinken, wacht het antwoord van het
+wijfje af en voegt zich dadelijk weer bij zijn gezin. Geen roofdier
+kan de waakzaamheid van de liefhebbende, zorgzame ouders verschalken,
+zoomin over dag als 's nachts, indien niet bijzondere omstandigheden
+den vijand begunstigen. Ook de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid,
+de beminnelijke gehechtheid van de kinderen aan hunne ouders geven
+dikwijls aanleiding tot bewondering."
+
+Zoodra de kuikens hunne vleugels kunnen gebruiken, wijzigt zich hun
+gedrag en dat der ouders. Indien thans een vijand naakt, vliegen allen
+op, bewegen zich gezamenlijk een eind verder en strijken weder neer;
+als zij ook hier opgejaagd worden, verdeelen zij zich in afzonderlijke
+troepen of individuën, vliegen in verschillende richtingen weg,
+laten zich op den grond vallen en "drukken" zich plat op den bodem,
+of trachten zich loopend of door andere wijzen van verschuilen te
+redden. Als de vader meent, dat het gevaar voorbij is, begint hij te
+lokken; achtereenvolgens antwoorden alle kinderen, waarna de trouwe
+ouders allengs weder de geheele troep om zich heen verzamelen, doordat
+de vader de jongen ieder afzonderlijk haalt en naar de moeder brengt,
+die de reeds aangekomene onder haar hoede heeft genomen. Later moeten
+de jongen den vader een deel van zijne zorgen ontnemen, door als
+voorposten dienst te doen en op den uitkijk te staan. Deze oefening
+in het wachthouden, waaraan alle jonge hanen om beurten deel nemen,
+draagt aanmerkelijk bij tot hun ontwikkeling. Als de jongen hunne
+ouders verliezen, voegen zij zich bij een ander gezin.
+
+In hun vroegste kindsheid eten de Patrijzen bijna uitsluitend Insecten,
+later bovendien ook plantaardige stoffen, waarmede zij zich ten slotte
+bijna uitsluitend voeden. Tot aan den oogsttijd houden de koppels zich
+hoofdzakelijk in de graanvelden op; na den oogst begeven zij zich naar
+de aardappelen- en koolakkers, omdat zij zich hier het best kunnen
+verschuilen. In het laatst van den herfst zoeken zij het stoppelland
+of liever nog den reeds omgeploegden, braakliggenden bouwgrond op,
+omdat zij hier in de voren een schuilplaats vinden. De naburige
+weiden worden wegens de Sprinkhanen, de hakhoutboschjes wegens de
+mierenpoppen gaarne bezocht; den nacht brengt de koppel altijd in
+'t open veld door. Des morgens verlaten de Patrijzen hun leger en
+begeven zich in de eerste plaats naar de droge gedeelten van het veld,
+zamelen hier hun ontbijt bijeen, zoeken vervolgens de weilanden op,
+van waar de nachtelijke dauw nu verdampt is, gaan als de middagzon
+hinderlijk is, in de struiken, nemen soms een stofbad ("gullen"),
+keeren des namiddags naar het stoppelveld terug en vliegen tegen den
+avond weer naar hunne slaapplaatsen. Op deze wijze slijten zij hunne
+dagen, totdat de winter aanvangt. Deze is voor hen een zeer moeielijke
+tijd; dikwijls brengt hij hun den hongerdood. Het is niet de koude,
+die hen hindert, maar de sneeuw, daar deze hun voedsel bedekt en soms
+zoo hard wordt, dat zij niet in staat zijn om zich een doortocht
+te banen tot de aarde, die hun voedsel bevat. Dit is wel mogelijk,
+zoolang zij in de sneeuw graven kunnen; zij kennen de velden, waarop
+het winterkoren of het koolzaad staat, zeer goed en komen hier altijd
+betrekkelijk gemakkelijk aan den kost; zoodra echter door afwisseling
+van dooi en vorst op de sneeuwlaag een ijskorst is ontstaan, geraken
+zij in den grootsten nood, matten zich hoe langer hoe meer af, worden
+gemakkelijk buitgemaakt door roofdieren of sterven zelfs van honger. In
+strenge winters vergeten zij al hun vrees voor den mensch, begeven
+zich naar de dorpen, zoeken in de tuinen bescherming en voedsel,
+komen zelfs op het erf en in de schuur en vallen begeerig aan op
+de zaadkorrels, die milddadige handen voor hen uitstrooien. Soms
+worden de Hazen hunne redders, daar zij door hun woelen verborgen
+voedsel aan den dag brengen. In meer dan een jachtdistrict sterft
+gedurende een strengen winter al het patrijzenwild. Doch even snel
+als de rampspoed kwam, kan het lot hun weer gunstig worden. Zoodra de
+grond door de samenwerking van een zoelen wind en de zon op sommige
+plaatsen bloot komt te liggen, zijn de Veldhoenderen hun leed te boven;
+wanneer zij eenige dagen achtereen hun genoegen gegeten hebben, keert
+ook de vroolijke levenslust, waardoor zij zich zoozeer onderscheiden,
+spoedig weer in hun gemoed terug.
+
+Alle viervoetige roofdieren bedreigen vooral de eieren en de jongen
+van onzen Patrijs; de Havik en de Edelvalk, de Sperwer, de Buizerd,
+de Kuikendief, de Raaf en de Vlaamsche Gaai zitten zoowel de ouden
+als de jongen voortdurend op de hielen. Als men zich de gevaren voor
+den geest haalt, waaraan een Patrijs is blootgesteld, voordat hij
+zijn vollen wasdom bereikt heeft en bedenkt, dat hij bovendien nog
+weerstand moet bieden aan het ruwe weer, kost het moeite te begrijpen,
+hoe het mogelijk is, dat er nog Patrijzen bestaan. Dichte hagen of
+kleine struikboschjes, zoogenaamde "remises", die bestemd zijn om
+dit wild een toevluchtsoord te verschaffen, moesten op alle vlakten
+aangelegd en zoo goed mogelijk onderhouden worden. Bovendien zou men
+nog overal er op uit moeten zijn om den nood, dien iedere strenge
+winter brengt, zooveel mogelijk te verzachten, door in de nabijheid
+van zulke "remises" voedsel te strooien, voor de hier vertoevende
+hongerlijders de tafel te dekken. De Patrijs veroorzaakt nergens
+en niemand schade, draagt aanmerkelijk bij tot het verlevendigen
+van onze velden, verblijdt iedereen door de lieftalligheid van zijne
+handelingen, geeft aanleiding tot een der aangenaamste jachtbedrijven
+en doet eindelijk voordeel door zijn uitmuntend vleesch.
+
+Jong opgenomen en verstandig behandelde Patrijzen worden zeer tam,
+geraken zeer gehecht aan hunne verzorgers, onderscheiden hen zeer
+nauwkeurig van andere personen, klagen op een voor ieder verstaanbare
+wijze over hun afwezigheid, begroeten hun komst met vreugdegeschreeuw,
+liefkoozen hen en toonen zich op de duidelijkste wijze erkentelijk
+voor de hun betoonde genegenheid, kortom, zij gedragen zich als leden
+van het gezin. Een groote, stille volière is echter een vereischte
+voor hun voortplanting in den gevangen staat.
+
+
+
+De Frankolijns (Pternistes) kunnen beschouwd worden als overgangsvormen
+tusschen de Patrijzen en de Fazanten. Van de eerstgenoemde
+onderscheiden zij zich door het bezit van een langeren snavel, van een
+langeren loop, die in den regel met één, soms ook wel met twee sporen,
+gewapend is, van een langeren staart en van een dichter en dikwijls
+zeer bont gekleurd vederenkleed. Men kent er tegenwoordig ongeveer 50
+soorten van, die over Afrika, West-, Zuid- en Zuidoost-Azië verbreid
+zijn. (Kort geleden was dit geslacht ook nog in Zuid-Europa door één
+soort vertegenwoordigd). Zij leven bij paren of familiën in gewesten,
+die rijk zijn aan struiken of kreupelhout, ook wel in echte bosschen,
+waarschijnlijk echter bijna niet in het hoogstammige woud, maar liever
+in oorden, waar lage struiken de overhand hebben en slechts hier en
+daar enkele hooge boomen zich boven de omgeving verheffen. Zij zijn
+alleseters in den letterlijken zin van het woord. Hunne begaafdheden
+staan niet veel achter bij die van de andere leden der orde. Zij
+loopen uitmuntend, hebben er meesterlijk slag van zich te midden van
+het dichtste struikgewas te bewegen of door de verwardste rotskloven
+heen te wringen, en vliegen, als het noodig is, met gemak en fraai,
+hoewel zij zelden in één vlucht een grooten weg afleggen.
+
+In Middel-Afrika worden de Frankolijns ijverig gejaagd en vaak
+gevangen. De jacht op hen heeft bijna uitsluitend plaats met behulp van
+uitmuntende Windhonden, die de loopende Hoenderen vervolgen en grijpen,
+ja zelfs na het opvliegen voor hen nog gevaarlijk kunnen zijn, daar
+zij door een geweldigen sprong zeer dikwijls den beoogden buit nog
+bereiken. Voor het vangen van dit wild dienen netten, die dwars door
+de struikbosschen worden gespannen, en strikken, die zóó tusschen de
+struiken worden geplaatst, dat het door 't boschje sluipende Hoen
+met den hals in den strik geraakt en zich worgt, of bij de pooten
+wordt vastgehouden.
+
+
+
+Nog voor omstreeks 50 jaren werd één soort van dit geslacht in
+verscheidene landen van Zuid-Europa gevonden: vooral op Sicilië,
+op eenige eilanden van de Grieksche Zee en in de nabijheid van het
+meer Albufera bij Valencia in Spanje. Tegenwoordig is deze Vogel,
+naar het schijnt, op al deze plaatsen geheel uitgeroeid en wordt in
+geheel Europa niet meer gevonden. In vrij grooten getale komt hij
+echter nog voor op Cyprus en in Klein-Azië, nog overvloediger in
+Palestina, Syrië, Kaukasië, Perzië en het noorden van Indië.
+
+De Frankolijn (Pternistes vulgaris) is een zeer fraaie Vogel. De
+bovenkop en de nek zijn zwartachtig grijs, de zijden van den kop,
+de kin en de keel zwart, de oorstreek wit; de kaneelbruine veeren van
+den middelhals vormen een breeden, ringvormigen band, de veeren van
+den bovenrug zijn op zwarten grond met witte, parelvormige vlekken
+geteekend, aan den wortel zwart, omstreeks het midden gedeeltelijk
+bruin en aan weerszijden met 1 à 3 langwerpig ronde, geelachtig
+witte vlekken versierd, de donkerbruin-zwarte mantelveeren hebben
+breede, geelachtig witte zijdestreepen en een geelachtigen zoom op de
+buitenvlag; de onderrug, de staartwortel en de bovendekveeren van den
+staart zijn zwart met talrijke, fijne dwarsstreepjes, de borst en de
+zijden donkerzwart, de zijden met witachtige bij paren gerangschikte
+vlekken, de buikveeren vosbruin met grijzen zoom, de onderdekveeren
+van den staart donkerbruin; de vaal grijsbruine slagpennen hebben op de
+buitenvlag ronde, leemgele vlekken, de grauwzwarte staartveeren op de
+wortelhelft geelachtig witte dwarsbanden. De iris is donkerbruin, de
+snavel zwart, de voet roodachtig geel. Totale lengte 34, staartlengte
+10 cM.
+
+Gevangen Frankolijns waren nog voor een 25 jaar niet bijzonder
+zeldzaam in onze diergaarden, terwijl men ze tegenwoordig slechts
+bij uitzondering een enkele maal te zien krijgt. Dit is niet slechts
+een gevolg van de algemeene vermindering van het aantal dezer Vogels,
+maar ook van hun geringe tembaarheid. Als zij eens tam geworden zijn,
+planten zij zich in gunstige omstandigheden ook hier te lande in de
+kooi voort.
+
+
+
+De grootste soorten van de onderfamilie zijn leden van het geslacht
+der Rotshoenderen (Megaloperdix). De zeer stevige pooten van het
+mannetje zijn met een schopvormige spoor gewapend. Zij bewonen de
+hooge gebergten van Azië; één soort komt echter in den Kaukasus voor
+en kan dus nog onder de Europeesche Vogels gerekend worden.
+
+
+
+Deze soort--het Koningshoen, de Intaure van de bewoners van Georgië
+(Megaloperdix caucasica)--is de kleinste van haar geslacht en toch
+nog 58 cM. lang, waarvan 17 op den staart komen. De kleur van de
+bovendeelen wisselt af tusschen aschgrauw en zwartgrauw met een
+breeden, bruinachtig grijzen kraag in den nek; de vleugeldekveeren
+hebben lichtgele randen; de slagpennen zijn witachtig; een breede,
+witte streep loopt van de oorstreek langs den hals naar beneden;
+de keel is wit; de onderdeelen zijn zwart met witte en roestgele
+teekening; de iris is roodbruin, de snavel geel, de voet bruin. Men
+treft deze schuwe Vogels in kleine gezelschappen van 10 à 12 stuks
+aan, waarvan er één op een hooggelegen punt de wacht houdt. Het is
+uiterst moeielijk zoo dicht bij hen te komen, dat men ze kan schieten.
+
+
+
+Onze Kwartel, ook wel Wachtel of Kwakkel genaamd (Coturnix communis),
+vertegenwoordigt een scherp begrensd geslacht, dat ongeveer 20 soorten
+bevat, die over alle rijken van de Oude Wereld en over Australië
+verbreid zijn. De kenmerken van dit geslacht zijn gelegen in den
+kleinen, zwakken, aan den wortel betrekkelijk hoogen, van hier tot
+aan de spits zacht gebogen, aan de mondhoeken verbreeden snavel,
+de korte, ongespoorde, langteenige voeten, de betrekkelijke lange
+en spitse, weinig gewelfde vleugels, welker spits gewoonlijk door de
+eerste of een der eerste handpennen wordt gevormd, den buitengewoon
+korten, gewelfden, uit twaalf pennen samengestelden staart. Het kleed
+biedt bij mannetjes, wijfjes en jongen slechts weinig verschil aan,
+de kleine veeren zijn smal, de zeer ontwikkelde staart-wortelveeren
+bedekken den staart geheel.
+
+Onze Kwartel is aan de bovenzijde bruin met roestgele dwarse
+en overlangsche strepen, op den kop donkerder dan op den rug;
+de keel is roestbruin, de krop roestgeel, het midden van den buik
+geelachtig wit; de zijden van borst en buik zijn roestrood, met
+lichtgele overlangsche strepen; een lichtgeelbruine streep, die aan
+den wortel van den bovensnavel begint, loopt boven het oog langs,
+bij den hals naar beneden en omsluit de keel; hier echter is zij
+begrensd door twee smalle, donkerbruine banden; de handpennen hebben
+op zwartachtig bruinen grond roodachtig roestgele dwarsvlekken, die
+samen banden vormen; de eerste handpen is op de buitenvlag versierd
+met een smallen, geelachtigen zoom; de roestgele stuurpennen hebben
+witte schaften en zwarte tot dwarsbanden vereenigde vlekken. Bij het
+wijfje zijn alle kleuren lichter en minder in 't oog vallend, ook
+is het keelveld minder duidelijk. Het oog is licht bruinroodachtig,
+de snavel grijs, de voet roodachtig of lichtgeel. Totale lengte 20,
+staartlengte 4 cM.
+
+In slechts weinige landen van de Oude Wereld is onze Kwartel nog niet
+gevonden. In Europa komt hij van 60° N. B. af overal, hoewel eerst
+bezuiden den 50en graad N. B. geregeld voor. In Middel-Azië bewoont
+hij een eenigszins verder zuidwaarts gelegen gordel; hij is hier op
+geschikte plaatsen, vooral in de steppe, niet minder veelvuldig dan
+in Europa; daar hij zoowel uit Europa, als uit Middel-Azië ieder jaar
+zuidwaarts trekt, doorkruist hij ook geheel Afrika en geheel Zuid-Azië.
+
+Zijne reizen zijn om allerlei redenen zeer merkwaardig. Hoewel zij
+ieder jaar plaats hebben, verschillen zij niet onbelangrijk van den
+trek van andere Vogels. Enkele Kwartels schijnen bijna gedurende het
+geheele jaar op reis te zijn, en ook zij, die zich, met het oog op de
+voortplanting, des zomers ergens voor eenigen tijd vestigen, verlaten
+het door hen gekozen gebied bij lange na niet te gelijker tijd. Enkele
+verschijnen reeds tegen het einde van Augustus in Egypte; in grooteren
+getale komen zij er in September aan: in deze zelfde maand echter
+vindt men, volstrekt niet zeldzaam, bij ons nog broedende wijfjes of
+jongen in hun donskleed. Hoewel de trek hoofdzakelijk in September
+plaats heeft, houdt hij de geheele maand October aan en dikwijls
+zelfs gedurende een deel van November. Vele Kwartels overwinteren
+op de drie zuidelijke schiereilanden van Europa, eenige reeds in
+'t zuiden van Frankrijk, in zachte winters zelfs in Duitschland; de
+meeste echter trekken naar de keerkringsgewesten van Afrika en Azië;
+eenige vinden zelfs hier geen rust, maar doorreizen Afrika tot aan het
+Kaapland. Een bijeenkomst vóór de reis schijnt niet plaats te vinden;
+gewoonlijk aanvaardt iedere Kwartel den tocht naar 't zuiden zonder
+zich om zijne soortgenooten te bekommeren; onderweg evenwel voegt
+de eene zich bij de anderen, en vóórdat de reizigers in Zuid-Europa
+zijn aangekomen, hebben zich talrijke vluchten gevormd. Van het begin
+van September af wemelt het van Kwartels op alle terreinen langs de
+kust van de Middellandsche Zee. "Overal, uit het struikgewas langs de
+afgronden, kanalen en weiden, uit ieder bos ruigte, van achter elke
+aardkluit," zegt Graaf Von der Mühle met betrekking tot Griekenland,
+"vliegt vóór den jager een Kwartel op; weinige uren zijn voldoende
+voor 't vullen van den weitasch. Op menigen morgen treft men, nadat
+'s nachts de sirocco gewaaid heeft, geen enkelen Kwartel meer aan
+op de plaatsen, waar den vorigen dag geheele gezelschappen lagen;
+plotseling echter verschijnen zij weder bij groote vluchten; zoo gaat
+hun aantal op en af, totdat de nachtvorsten de laatste doortrekkers
+verdrijven." Evenzoo is het gesteld in Turkijë, in het zuiden van
+Italië en in Spanje, niet anders rondom de Zwarte en de Kaspische
+Zee, terwijl ook aan de kusten van de Japansche en de Chineesche zee
+dezelfde verschijnselen worden waargenomen.
+
+Alle reizende Kwartels maken, zoover zij kunnen, van het vasteland
+gebruik; daarom komen zij aan de spits der naar 't zuiden gerichte
+schiereilanden in talrijke scharen bijeen. Bij ongunstigen wind,
+d. w. z. als de windrichting overeenstemt met de richting van de reis,
+komt de tocht tot stilstand; zoodra echter de tegenwind aanvangt,
+verlaat de zwerm het land en vliegt nu over zee in zuidwestelijke
+richting verder. Als de windkracht onveranderd blijft en niet tot storm
+aanwakkert, gaat de reis voorspoedig. De trekkende Vogels vervolgen
+vliegend hun weg, zoolang de vleugels hen kunnen dragen; wanneer hun
+vermoeidheid te groot wordt, strijkt, naar mij door geloofwaardige
+zeelieden verzekerd werd, het geheele gezelschap op de golven neder,
+om hier een tijdlang te rusten en vervolgens verder te vliegen. Anders
+gaat het, wanneer de wind omslaat, of toeneemt tot storm. Voordewind
+bemoeilijkt de reis over zee in hooge mate, storm verhindert haar
+geheel. In dergelijke omstandigheden vallen de doodelijk vermoeide
+Kwartels, als 't ware bewusteloos, op klippen te midden van de zee
+of op het dek van schepen neer en blijven hier geruimen tijd zonder
+beweging liggen; zij worden door zulk een tegenspoed zoo angstvallig en
+radeloos, dat zij, zelfs wanneer het weer veranderd en de wind gunstig
+geworden is, nog dagen lang op zulke toevluchtsoorden blijven, vóórdat
+zij het wagen de reis voort te zetten. Dit heeft men waargenomen:
+hoevele van deze Vogels echter in de zee vallen en hier verdrinken,
+weet men niet.
+
+Wanneer men gedurende den eigenlijken trektijd op het een of ander punt
+van de Noord-Afrikaansche kust op de Kwartels let, is men niet zelden
+getuige van hun aankomst. Een donkere, laag over het water zwevende
+wolk nadert schielijk en daalt tevens hoe langer hoe meer. In de
+onmiddellijke nabijheid van de uiterste grens van het water, laat
+de doodelijk vermoeide zwerm zich op den bodem zakken. Hier liggen
+de arme schepsels in 't eerst verscheidene minuten achtereen als
+verdoofd, bijna niet in staat om zich te verroeren. Deze toestand
+gaat echter schielijk voorbij. Er komt beweging in de massa; een van
+de Vogels geeft het voorbeeld; weldra sluipen en rennen alle haastig
+over het kale zand naar gunstiger gelegen schuilplaatsen. Het duurt
+lang, voordat de Kwartel er toe overgaat, om van zijne uitgeputte
+borstspieren op nieuw diensten te vergen; op den eersten dag na zijn
+aankomst vliegt hij stellig niet anders dan in den grootsten nood. Na
+dezen tijd ontmoet men de Kwartels in Noordoost-Afrika overal;
+nooit echter ziet men vliegende zwermen; altijd en allerwege treft
+men afzonderlijke exemplaren aan, hier en daar trouwens in tamelijk
+grooten getale. Als de lente aanvangt, begeven de Kwartels zich
+allengs op den terugweg; in April verzamelen zij zich aan de zeekust;
+nooit echter vormen zij dan zulke talrijke zwermen als in den herfst.
+
+De Kwartel kiest tot zomerverblijf het liefst een plek in een
+vruchtbare, graanrijke vlakte. Hij vermijdt hooggelegen, bergachtige
+landstreken en is reeds in een heuvelachtig gewest zeldzamer dan
+in de lage landen. Niet minder dan de hoogte schuwt hij het water
+en wordt daarom in moerassen en broeklanden in 't geheel niet
+gevonden. Onmiddellijk na zijn aankomst houdt hij zich het eerst op
+in tarwe- of rogge-akkers; later toont hij zich minder kieskeurig;
+toch mag men het als een regel aanmerken, dat hij zich niet op zijn
+plaats gevoelt in oorden, waar geen tarwe wordt verbouwd; hier wordt
+hij hoogstens in den trektijd aangetroffen. Gedurende de reis strijkt
+hij soms in de struiken neer, des zomers verlaat hij het veld niet.
+
+Hoewel de Kwartel zoomin fraai als begaafd kan heeten, is hij
+geliefd bij jong en oud. Dit komt van zijn helderen, ver klinkenden
+paringsroep, het bekende "buukwerwiek", dat algemeen in den smaak valt
+en stellig veel bijdraagt tot het verlevendigen van een gewest. Behalve
+dit geschreeuw brengt hij nog verscheidene geluiden voort, die echter
+meestal te zwak zijn om anders dan van nabij gehoord te worden. De
+loktoon van beide seksen is een zacht "bubiwi", de liefdestem een
+iets luider "priekiek" of "bruubruub"; een zwak "goerr goerr" geeft
+ontevredenheid, een onderdrukt "truulielil truulil" vrees te kennen:
+voor schrik dient het evenmin ver hoorbare "truul rek rek rek", dat,
+als de angst ten top gestegen is, in een piepend geluid verandert. De
+paringsroep van het mannetje wordt gewoonlijk door het heesche "werre
+werre" voorafgegaan; op dit voorspel volgt het vele malen herhaalde
+"buukwerwiek".
+
+Door eigenschappen en gewoonten, levenswijze en bewegingen verschilt de
+Kwartel in vele opzichten van den Patrijs. Hij loopt vlug en behendig,
+maar in een onbevallige houding, daar hij den kop terugtrekt en den
+staart recht naar beneden laat hangen, zoodat zijn gedaante bolvormig
+wordt; bij iederen stap knikt hij met den kop en neemt slechts zelden
+een edeler voorkomen aan. Zijne vleugels doen hem snel, snorrend en
+bij rukken voortschieten, veel vlugger en behendiger dan de Patrijs;
+hij maakt soms zeer sierlijke zwenkingen, legt niet dan ongaarne in één
+vlucht een grooten weg af en verheft zich slechts gedurende den trek
+tot een aanzienlijke hoogte; de opgejaagde Kwartel daalt zoo schielijk
+mogelijk weer op den grond neer, om loopend verder te vluchten.
+
+Hoewel zijne zintuigen, vooral die van het gezicht en het gehoor,
+goed ontwikkeld mogen heeten, schijnt zijn verstand gering te
+zijn. Werkelijk schuw is hij niet, hoewel hij zich steeds beangst en
+vreesachtig toont en bij felle vervolging echte dwaasheden begaat;
+men zou zeggen, dat hij zich reeds veilig acht, wanneer alleen zijn
+kop verborgen is. Gezelligheid is hem vreemd; alleen de nood, niet de
+neiging geeft aanleiding tot vereeniging van soortgenooten. De hen
+is een goede moeder en draagt met warme liefde zorg voor ouderlooze
+kuikens; zij wordt echter snood verlaten door de kinderen, zoodra
+deze haar niet meer noodig hebben. Zoolang de zon aan den hemel staat,
+houdt de Kwartel zich zoo stil mogelijk verborgen tusschen de halmen
+en bladen van de akkers; in de middaguren is hij gewoon te "gullen",
+een zandbad te nemen, zich zoo gemakkelijk mogelijk uit te strekken en
+door de zon te laten koesteren of te slapen; tegen het ondergaan van de
+zon wordt hij wakker en bedrijvig. Dan laat hij bijna onverpoosd zijn
+slag weerklinken; men ziet hem loopend of vliegend zijn schuilplaats
+verlaten om voedsel te zoeken of zich naar de hennen te begeven en
+met een mededinger te vechten.
+
+Het voedsel van de Kwartels bestaat uit allerlei zaden,
+uitspruitsels, bladen en knoppen en ongeveer in gelijke mate uit
+allerlei Insecten. Deze worden, naar 't schijnt, steeds boven de
+plantaardige stoffen verkozen, hoewel zij niet volstrekt noodig zijn
+voor hun leven: de ervaring heeft geleerd, dat zij maanden lang met
+tarwekorrels onderhouden kunnen worden. Steentjes ter bevordering van
+de spijsvertering en versch drinkwater zijn voor hen een behoefte;
+tot het lesschen van hun dorst is trouwens de dauw op de bladen
+reeds voldoende; daarom ziet men hen slechts zelden bij bepaalde
+drinkplaatsen vereenigd.
+
+Hoogst waarschijnlijk leeft de Kwartel in polygamie. De haan is,
+zoo mogelijk, nog jaloerscher dan al zijne verwanten, tracht uit zijn
+gebied alle mededingers te verdrijven en strijdt op leven en dood om
+de alleenheerschappij. De hen begint eerst laat, d. w. z. nagenoeg
+niet voor den aanvang van den zomer, haar nest in te richten, krabt,
+bij voorkeur op erwten- en tarweakkers, een ondiepe holte uit,
+bekleedt deze met eenige droge plantendeelen en legt hierop 8 à 14
+betrekkelijk groote, peervormige eieren met gladde schaal, die op
+licht bruinachtigen grond glanzig donkergroen of zwartbruin gevlekt
+zijn, en, wat kleur en teekening betreft, veel van elkander kunnen
+verschillen. Zij broedt met volhardenden ijver 18 à 20 dagen lang,
+laat zich bijna niet van haar nest verjagen en wordt daarom dikwijls
+een slachtoffer van haar toewijding. Onmiddellijk na het verlaten van
+de eischaal loopen de jongen met de moeder mede, worden door haar
+zorgvuldig gehoed en tot eten aangespoord, zoeken aanvankelijk bij
+slecht weer een toevlucht onder hare vleugels, worden ook in andere
+opzichten zoo goed mogelijk verzorgd, groeien opmerkelijk snel,
+letten weldra niet meer op de lokstem van hun moeder en trachten zich
+in geval van nood alleen te redden. Reeds in de tweede week van hun
+zelfstandig leven fladderen zij, in de vijfde of zesde hebben zij hun
+volledige grootte en een voldoende bekwaamheid in 't vliegen bereikt
+om in den herfst de reis naar 't zuiden te kunnen ondernemen.
+
+Niet zelden ontmoet men nog tegen het einde van den zomer een oude
+Kwartelhen met kleine, onvolwassen jongen, die in den naderenden
+herfst waarschijnlijk geen voldoenden tijd zullen vinden voor
+hun ontwikkeling. Zulke broedsels gaan vermoedelijk in den regel
+te niet. Maar ook die, welke te rechter tijd uit het ei kwamen,
+hebben veel te lijden van allerlei loopende en vliegende roofdieren;
+zonder overdrijving mag men het er voor houden, dat nauwelijks de
+helft van alle Kwartels, die geboren worden, in 't leven blijven tot
+aan het tijdstip, waarop de reis naar 't zuiden aanvangt. Deze reis
+gaat met nog grootere gevaren gepaard, want nu treedt de mensch als
+de ergste vijand van de Kwartels op. De noordelijke, westelijke en
+zuidelijke kusten van de Middellandsche zee zijn bij den aanvang van
+deze reis met netten, strikken en vallen dicht bezet. Het eiland Capri
+is beroemd geworden door de groote opbrengst van de kwartelvangst;
+in vroegeren tijd hadden de bisschoppen, tot welker gebied het eiland
+behoorde, een aanzienlijk deel van hun inkomen aan de kwartelvangst te
+danken. In Rome worden, naar Waterton bericht, soms op één dag 17000
+stuks van deze Vogels veraccijnsd. Aan de Spaansche kust is de vangst,
+die hier trouwens hoofdzakelijk in de lente plaats vindt, niet minder
+belangrijk. "In de Maina," zegt Graaf Von der Mühle, "vooral echter
+op de eilanden, houden gedurende den doortrek van de Kwartels jong
+en oud zich met de jacht en de bereiding van deze Vogels bezig. Men
+vangt ze met poot- en halsstrikken, met lijmroeden en slagnetten,
+vooral echter met een "tiras", een zeer groot, van vischnetgaren
+vervaardigd net, dat den Vogel over 't lichaam wordt geworpen;
+zelfs worden bijzonder vette en zeer stil liggende exemplaren door
+knapen met stokken doodgeslagen. Men plukt de Vogels, snijdt hun den
+kop en de voeten af, neemt de ingewanden er uit, spalkt hun de borst
+open en pakt ze als Haringen in tonnen om ze te verzenden. Deze bron
+van verdiensten is voor sommige gewesten van zooveel belang, dat de
+voormalige Minister Coletti, toen in het jaar 1834 bij het oproer
+in de Maina het voorstel werd gedaan om den verkoop van kruit daar
+geheel te verbieden, in den ministerraad zich er tegen verklaarde,
+omdat de inwoners hierdoor van hun belangrijkste bron van inkomsten
+verstoken of althans in hun bedrijf zeer bemoeielijkt zouden worden."
+
+Wanneer men in aanmerking neemt, dat van de Kwartels, die aan den
+mensch en de roofdieren ontkomen, nog duizenden in de zee hun graf
+vinden, heeft men reden om zich er over te verwonderen, dat hun
+vermenigvuldiging, hoe snel dan ook, voldoende is om de geleden
+verliezen weder aan te vullen.
+
+Gevangen Kwartels worden te recht als aardige huisgenooten
+beschouwd. Zij verliezen hun schuwheid, althans voor een deel,
+kunnen gemakkelijk in 't leven worden gehouden en verontreinigen
+hun kooi slechts weinig. Als men hun het noodige verschaft om een
+genoegelijk leven te leiden, gevoelen zij zich weldra zoo zeer thuis
+in hun door traliën begrensde woning, dat zij zich hier voortplanten;
+in de volières onzer dierentuinen brengen zij niet zelden hunne
+jongen groot. Niet zoo licht gelukt hun dit in de kooi, hoewel zij
+ook hier dikwijls broeden. Losloopende Kwartels verschaffen hunne
+verzorgers veel genoegen door hun vroolijken aard, door het verdelgen
+van allerlei ongedierte en door hun gemeenzaamheid met Honden, Katten
+en anderen huisdieren. Evenals bij ons is de Kwartel in vele landen
+een zeer geliefde kamervogel, o. a. bij de Perzen en Boekharen. Bij
+Tsardsjoeï aan den Oxus wordt hij niet slechts veelvuldig in de kooi
+gehouden, maar ook als levend speelgoed, dat men voortdurend in de
+handen houdt en koestert, door sommige personen hoog geschat.
+
+
+
+De Amerikaansche Patrijzen of Boomhoenderen (Odontophorinae), die
+een uit ongeveer 50 soorten bestaande onderfamilie vormen, zijn
+klein of middelmatig groot en sierlijk gebouwd; hun snavel is kort,
+zeer hoog, zijdelings samengedrukt, de zijranden van de ondersnavel
+dikwijls getand, aan weerszijden met 2 of meer soms zeer onduidelijke
+inkervingen voorzien; de voet heeft een langen ongespoorden loop en
+lange teenen; de vleugels zijn middelmatig lang, maar zeer afgerond:
+de vierde, vijfde of zesde handpen is de langste; de middelmatig
+lange of korte, van buiten afgeronde staart bestaat uit 12 pennen. Bij
+vele is een naakte plek om 't oog aanwezig. Het vederenkleed is goed
+ontwikkeld, bij de meeste soorten niet zeer levendig, bij vele evenwel
+zeer fraai van kleur en bij alle op een bevallige wijze geteekend.
+
+Middel-Amerika is het vaderland van de meeste Boomhoenderen; in Zuid-
+en Noord-Amerika komen betrekkelijk weinig soorten voor. Ook zij
+bewonen de meest verschillende terreinen. Eenige leven in het veld en
+in de vlakte, andere in het kreupelhout, enkele ook in het hoogstammige
+woud; deze herinneren door hun levenswijze aan het Hazelhoen, gene aan
+de Patrijzen, hoewel alle den naam van Boomhoenderen verdienen. Alle
+zijn vlug van beweging, loopen snel en vaardig, vliegen met gemak,
+hoewel niet lang achtereen, weten zich te midden van de twijgen zeer
+goed te redden, zijn scherp van gezicht en gehoor, geven blijken van
+een verstandige beoordeeling van gewijzigde toestanden en kunnen
+daarom zonder groote moeite getemd worden. Door lieftalligheid en
+sierlijkheid winnen zij de vriendschap van ieder die hen leert kennen;
+hun vruchtbaarheid en onschadelijkheid hebben aanleiding gegeven
+tot pogingen om de Noord-Amerikaansche Boomhoenderen in Europa te
+acclimatiseeren, welker uitslag aanvankelijk niet ongunstig kan worden
+genoemd; verscheidene andere soorten zijn voorloopig reeds een sieraad
+van onze dierentuinen.
+
+
+
+Een Boomhoen, dat in Europa burgerrecht heeft gekregen, daar het
+in ons werelddeel veelvuldig getemd voorkomt, is de Boomkwartel,
+ook wel Colijnhoen genaamd, de Colin van de Anglo-Amerikanen (Ortyx
+virginianus), vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht. Alle
+veeren van de bovenzijde zijn roodachtig bruin met zwarte vlekken,
+stippels en banden en geel gezoomd; die van de onderzijde hebben een
+witachtig gele kleur met roodbruine, overlangsche strepen en zwarte,
+dwarse golflijnen. Een witte band, die op het voorhoofd begint en over
+het oog naar de achterzijde van den hals loopt, de witte keel, een over
+dezen lichten band zich uitstrekkende, zwarte voorhoofdsstreep en een
+dergelijke streep, die, vóór het oog ontspringend, de keel omsluit,
+benevens de zwarte, witte en bruine stippels op de zijden van den hals
+vormen gezamenlijk een sierlijken tooi van den kop. Totale lengte 25,
+staartlengte 11 cM.
+
+Kanada is de noordelijke, het Rotsgebergte de westelijke, de Golf
+van Mexico de zuidelijke grens van het verbreidingsgebied van den
+Boomkwartel. Hij kiest een soortgelijke standplaats als onze Patrijs,
+geeft de voorkeur aan bouwland, maar verlangt kreupelhout, hagen en
+dergelijke gelegenheden tot het zoeken van een schuilplaats; naar
+het schijnt, bezoekt hij van tijd tot tijd ook het binnenste van het
+woud. Zijn stem is rijker aan klank en afwisseling, dan die van onzen
+Patrijs. Zij bestaat uit twee geluiden, die soms nog door een voorslag
+aangekondigd en meestal vele malen achtereenvolgens herhaald worden. De
+naam Bob White, die door het volk aan den Boomkwartel wordt gegeven,
+is een nabootsing van zijn stem ("bobwaait").
+
+In 't begin van de lente gaan de zwermen, die gedurende den winter
+samengeleefd hebben, uiteen. Iedere haan verwerft zich, dikwijls
+eerst na langen strijd, een hen en kiest een geschikt woongebied
+uit. Weinig later, maar toch zelden voor het begin van Mei, begint
+de hen haar nest te bouwen. Zij gaat hierbij zorgvuldiger te werk
+dan onze Patrijs, want niet slechts de standplaats van het nest
+wordt steeds met voorzichtigheid gekozen, maar ook wordt dit met een
+zekere kunstvaardigheid in den grond uitgekrabd en tamelijk netjes
+met grassen, halmen en bladen bekleed. De eieren zijn peervormig, dun
+van schaal en zuiver wit van kleur of met flauwe, leemgele stippels
+geteekend. Hun aantal wisselt af van 20 tot 24; men heeft er echter
+ook wel 32 in een nest gevonden. De beide ouders broeden om beurten
+en het mannetje houdt bovendien trouw bij 't nest de wacht.
+
+Gedurende den zomer voedt de Boomkwartel zich met Insecten en allerlei
+plantaardige stoffen, vooral met graankorrels; in den herfst maken
+de laatstgenoemde zijn voornaamste voedsel uit. Zoolang de velden
+groen zijn, leiden ouden en jongen een zorgenvrij en vroolijk leven;
+gedurende den winter komen echter ook deze Hoenderen dikwijls in
+grooten nood; vele worden er door genoopt naar zuidelijker landen te
+trekken. Op deze reizen vinden vele den dood, want het rooversgespuis
+zit hen onophoudelijk op de hielen en de mensch doet wat hij kan,
+om zich van dit smakelijke wild meester te maken.
+
+De Boomkwartel is zoowel voor temming geschikt als voor invoering in
+gewesten, waar de eischen, die hij aan 't leven stelt, verwezenlijkt
+zijn. Gevangen Boomkwartels zijn, wanneer zij verstandig behandeld
+worden, reeds na eenige dagen met hun lot verzoend, verliezen weldra al
+hun schuwheid en geraken in opmerkelijk korten tijd aan hun verzorger
+gewoon. Nog gemakkelijker is het, de exemplaren, die onder het toezicht
+van den mensch zijn opgegroeid, te temmen. 50 à 100 paar Boomkwartels
+zouden voldoende zijn, om in de eerste plaats een fazanten-perk
+en van hier uit een streek, die voor de vermenigvuldiging van dit
+veelbelovende wild gunstig gelegen is, te bevolken. In Engeland is
+men hierin reeds geslaagd.
+
+Deze sierlijke Hoenderen worden als wild zeer hoog geschat. Hoewel zij
+moeilijker te jagen zijn dan de Patrijzen, houden de Amerikanen zich
+gaarne met deze jacht bezig. De Boomkwartel wacht den Hond niet af,
+maar tracht, wanneer hij gevaar bespeurt, zich loopend te redden en
+vliegt eerst in den uitersten nood, gewoonlijk voor de voeten van den
+jager op. Nog moeielijker wordt de jacht, als de Vogels zoo gelukkig
+zijn het woud te bereiken, omdat zij hier na het opvliegen gewoonlijk
+in een boom gaan zitten en zich op een dikken tak plat neerdrukken,
+waar zij zelfs voor het oog van den geoefenden jager verborgen
+zijn. Daar zij echter gehoor geven aan den loktoon, kan ieder, die
+het geluid van het mannetje of het wijfje weet na te bootsen, een
+flinken buit behalen. In Amerika maakt men om Boomkwartels te vangen
+veel liever gebruik van strikken en netten dan van vuurwapens. Men
+gaat in gezelschap te paard door de velden, lokt van tijd tot tijd,
+om de plaats waar de Vogels zich ophouden, te leeren kennen, plaatst
+het net en rijdt nu, een halvemaan vormend, op den zwerm toe. De
+Kwartels loopen, zoo goed mogelijk gedekt, over den bodem weg en
+komen, als zij goed gedreven worden, geregeld in het net. Op deze
+wijze vangt men soms 16 à 20 stuks te gelijk.
+
+
+
+De Pluimkwartels (Callipepla of Lophortyx) zijn kenbaar aan den
+tooi van den kop. Op het midden van de kruin verheffen zich 2 à 10,
+in den regel echter 4 à 6 veeren, die aan den wortel zeer versmald,
+aan de spits verbreed en sikkelvormig naar voren omgebogen zijn. Deze
+pluim is bij het mannetje sterker ontwikkeld dan bij het wijfje.
+
+
+
+De meest bekende soort is de Kuifkwartel (Callipepla californica). Zijn
+voorhoofd is stroogeel, elke veer met een donkerder schaft; deze
+plek is van achteren begrensd door een voorhoofdstreep, die zich
+achterwaarts verlengt tot een wenkbrauwstreep; de bovenkop is donker-,
+de achterkop omberbruin; de langere, blauwgrijze veeren van den nek
+zijn zwart op de schaft en aan den rand en hebben twee witachtige
+vlekken aan den top; de zwarte keel is door een witten band omgeven;
+de bovenborst is blauwgrijs, de onderborst geel, iedere veer met
+lichtere spits en zwarten zoom; door de eveneens zwarte zoomen van de
+bruinroode veeren op het midden van den buik ontstaan schelpvormige
+figuren; de veeren van de flanken zijn bruin met breede, witte,
+de onderdekveeren van den staart lichtgeel met donkere schaften;
+de slagpennen zijn bruingrijs, de armpennen met geelachtigen zoom,
+de stuurpennen zuiver grijs. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart,
+de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 24, staartlengte 9 cM.
+
+
+
+Het vederenkleed van den verwanten Helmkwartel (Callipepla Gambeli)
+vertoont een soortgelijke kleurenverdeeling; het zwarte aangezichtsveld
+is hier echter grooter, de achterkop levendig roodbruin, de onderzijde
+geel zonder schelpvormige teekening, de buik zwart en de veeren van
+de flanken op prachtig roodbruinen grond met lichtgele, overlangsche
+strepen geteekend; alle kleuren zijn bij deze soort schitterender.
+
+
+
+Alle mij bekende berichten over de levenswijze van den Kuifkwartel zijn
+onvolledig. Gambel, wiens beschrijving de voorkeur verdient, zegt:
+"Deze prachtige Vogels, die in geheel Californië zoo buitengemeen
+veelvuldig zijn, vereenigen zich in den winter tot talrijke zwermen,
+die in wouden, welke geschikt zijn om aan zoovele een schuilplaats
+te bieden, soms uit meer dan duizend stuks bestaan. Even veelvuldig
+als in het woud vindt men ze in de met kreupelhout begroeide vlakten
+en hellingen van het heuvelachtige land. Niet minder waakzaam, maar
+snelvoetiger dan de Boomkwartels, verijdelen zij de pogingen van
+hunne vervolgers door verwonderlijk vlug weg te loopen en zich te
+verbergen. Als een Kuifkwartel plotseling opgejaagd wordt, vliegt
+hij gewoonlijk in een boom en drukt zich op horizontale takken
+als een Eekhoorn neder; het vinden van den Vogel wordt dan zeer
+moeielijk, omdat de kleur van zijn vederenkleed met die van boomschors
+overeenkomt. Het nest wordt op den bodem aangelegd, gewoonlijk aan
+den voet van een boom of onder de twijgen van een struik; het aantal
+eieren is soms zeer groot. In een ondiepe uitholling, die aan den
+voet van een eik uitgekrabd, aan den omtrek met eenige weinige bladen
+en droog gras belegd, in het midden echter onbekleed was, vond ik 24
+eieren. Het zou kunnen zijn, dat hier twee hennen in hetzelfde nest
+hebben gelegd, daar 15 eieren het gewone getal schijnt te zijn."
+
+Freyberg, die den Kuifkwartel eveneens in zijn vaderland heeft
+nagegaan, zegt, dat hij een standvogel is, althans niet ver van zijn
+broedplaats rondzwerft, van gras, zaden, bollen, look, knolgewassen
+en dergelijke planten, van allerlei bessen en van Insecten leeft. Tot
+woonplaats kiest hij bij voorkeur jonge hakhoutbosschen of in 't
+algemeen dicht struikgewas, vanwaar hij zich zelden verder dan 40
+à 50 schreden verwijdert en zich dus bijna niet buiten de schaduw
+van het woud in het open veld begeeft. Bij vervolging door den Hond
+blijft hij tamelijk lang loopen, gaat bij het opvliegen steeds in
+den eersten den besten ouden boom zitten en gedraagt zich hier als
+een Hazelhoen; in den winter graaft hij echter lange gangen in de
+sneeuw. In Californië schiet men hem met een kleine buks uit den boom
+of jaagt hem met behulp van een Hond; want dit wild is kostbaar en
+moet gelijk gesteld worden met het Hazelhoen.
+
+"Ieder die de gewoonten van den Helmkwartel wil leeren kennen,"
+zegt Coues, die een uitmuntende levensbeschrijving van de soort
+heeft gegeven, "moet zich alle geriefelijkheden van de beschaving
+ontzeggen en van de westkust uit omstreeks duizend mijlen ver in
+het binnenland doordringen. Hij komt dan in een wilde streek, waar
+de Apache-Indiaan nog altijd heer en meester is en de blanke zich
+slechts door een iederen dag herhaalden strijd kan handhaven. Het
+land is verscheurd door gapende afgronden. Diep ingesneden dalen en
+ravijnen, waarnevens reusachtige bergen zich verheffen; lava-massas,
+uitgeworpen door sinds lang uitgedoofde en onkenbaar geworden vulkanen,
+bedekken het. Men treft hier rivieren aan, op welker droge bedding de
+reiziger van dorst kan versmachten; uitgestrekte vlakten, begroeid
+met droge, scherpe grassen en lage struiken, dragen de duidelijke
+kenteekenen van langdurig gebrek aan water. Deze gewesten zijn echter
+vol tegenstellingen en wonderen. De minst gastvrije bergen omsluiten
+liefelijke, vochtige, groene en vruchtbare dalen; uitgestrekte bosschen
+van edele sparren en dennen en ceders wisselen af met dorre, eenzame
+lavavelden; de heuvelhellingen zijn met eiken, mezquite-struiken
+(Prosopis dulcis) en manzanitas bedekt, terwijl de toegangen tot de
+oevers der door populieren (Populus monilifera en angulata), wilgen
+en noteboomen omlijste stroomen, door bijna ondoordringbare wallen van
+wijnstokken, pereskia-cactussen (met eetbare bessen en platte bladen),
+sassaparilstruiken, rozen en allerlei andere soorten van klimmende en
+rankende struiken versperd worden. De dieren- en de plantenwereld,
+ja zelfs de rotsen hebben een vreemdsoortig, eigenaardig voorkomen;
+zelfs de lucht schijnt een andere samenstelling te hebben dan bij
+ons. Deze gewesten zijn het vaderland van ons Boomhoen.
+
+"De maand Juni liep ten einde, toen ik op de plaats van bestemming,
+in Arizona, aankwam. Spoedig vernam ik, dat de Helmkwartel hier
+buitengewoon veelvuldig is. Reeds op mijn eerste jachttocht struikelde
+ik, bij wijze van spreken, over een toom jonge kuikens, die zooeven
+uit het ei gekomen waren; de kleine, vlugge diertjes renden weg
+en verborgen zich zoo uitmuntend, dat ik er geen enkele van vinden
+kon. In 't volgende jaar merkte ik op, dat de oude Vogels tegen
+het einde van April gepaard hadden en zag ik in het begin van Juni
+de eerste kuikens. Ik kwam tot de overtuiging, dat het broeden bij
+deze soort gedurende de maanden Mei, Juni, Juli en Augustus plaats
+vindt. Het grootste aantal kuikens van één broedsel, dat ik waarnam,
+bedroeg 15 à 20, het kleinste 6 à 8. Wel trof ik een enkele maal ook
+nog op den 1en October half volwassen kuikens aan; de meeste hadden
+toen echter reeds geheel of bijna de grootte van de ouders en waren
+zoo goed in staat om zich te bewegen, dat een eerlijke jager zich
+niet geschaamd zou hebben, er een schot op te doen.
+
+"Zoolang de jonge Vogels de ouderlijke zorg nog niet kunnen ontberen,
+houden zij zich eng aaneengesloten; als hen een gevaar bedreigt, rennen
+zij zoo snel weg en "drukken" zich op een zoo goed gekozen plaats,
+dat het veel moeite kost om ze te doen opvliegen. Als dit gelukt,
+stijgen alle te zamen in een gesloten zwerm omhoog, maar strijken
+spoedig weer neder, in den regel op de lage takken van boomen
+of struiken, dikwijls echter op den grond. Hier zitten de Vogels
+gewoonlijk stil, dikwijls letterlijk opeengehoopt; omdat zij goed
+verborgen meenen te zijn, kan men ze tot op een afstand van weinige
+schreden naderen. Later in 't jaar, als zij hun definitieve grootte
+bereikt hebben, gaan zij minder vaak op boomen zitten; zij zijn dan
+voorzichtiger en niet gemakkelijk te naderen. De eerste aanduiding,
+dat men zich in de nabijheid van een toom bevindt, krijgt men door
+een geluid, dat twee- of driemaal snel achtereenvolgens herhaald
+wordt; hierop volgt een geritsel van droge bladen, waaruit blijkt,
+dat het geheele gezelschap zich zoo schielijk mogelijk voortspoedt;
+als men nog een stap verder gaat, vliegen alle met snorrend gedruisch
+op en verspreiden zich in alle richtingen.
+
+"Evenals zijne verwanten, eet de Helmkwartel bij voorkeur zaden en
+vruchten, hoewel Insecten een niet gering deel van zijn voedsel
+uitmaken. In de eerste lentemaanden eet hij graag wilgeknoppen,
+waardoor zijn vleesch een bitteren bijsmaak krijgt.
+
+"De sierlijke kuif op den kop, die zooveel tot de verfraaiing van deze
+soort bijdraagt, ontwikkelt zich reeds zeer vroegtijdig; men merkt
+haar reeds op bij kuikens, die slechts weinige dagen oud zijn. Bij
+hen bestaat zij trouwens slechts uit een klein, kort bosje van 3 of
+4 veeren, die eerder bruin dan zwart, aan de spits niet verbreed en
+recht naar boven gericht zijn. Eerst wanneer de Vogel volkomen tot
+vliegen in staat is, krommen zij zich naar voren. Het aantal veeren,
+waaruit de kuif bestaat, wisselt aanmerkelijk af. Soms vindt men
+slechts één enkele veer, in andere gevallen 8 à 10 veeren.
+
+"De jacht op den Helmkwartel is moeielijker dan die op den
+Boomkwartel. Wel is waar vliegt de eerstgenoemde niet plotseling op
+en beweegt zich ook niet sneller dan zijn verwant: wanneer echter
+een kluft opgejaagd is en één of twee van hare leden geschoten
+zijn, zal men bezwaarlijk voor de derde maal met goeden uitslag
+kunnen vuren. Zij liggen, behalve in bepaalde gevallen, zeer los;
+als zij opgevlogen zijn en weder "strijken", zoeken zij dikwijls
+een schuilplaats op den grond en laten zich niet weer opjagen, of
+loopen zoo snel en zoo ver mogelijk, zoodat men ze òf niet, òf eerst
+op een tamelijk grooten afstand van hun uitgangspunt terugvindt. Hun
+gewoonte om loopend het gevaar te ontvluchten, vermoeit niet slechts
+den jager, maar ook den Hond in zoo hooge mate, dat zelfs het best
+gedresseerde dier weinig of in 't geheel niets uitrichten kan. Wel
+is de jager dikwijls in de gelegenheid een loopend Hoen te dooden,
+maar wie zou op zoo'n roemlooze wijze met zulk edel wild den weitasch
+willen vullen! Het vliegt buitengewoon snel en krachtig, doch steeds
+op gelijke hoogte en rechtuit, zoodat het voor een geoefend schutter
+niet zeer moeielijk is, het te treffen."
+
+In 1852 werden 6 paar Kuifkwartels in Frankrijk ingevoerd. Reeds
+in het volgende jaar brachten zij jongen groot. Men heeft later
+herhaaldelijk getracht dezen fraaien Vogel ook in Frankrijk te
+acclimatiseeren, maar tot dusver nog geen blijvende uitkomsten
+verkregen. Ook in Duitschland zijn zulke proeven genomen met hetzelfde
+gevolg. Over 't algemeen zal men, om op succes te mogen hopen, de
+proef moeten nemen in zulke gewesten, waar Fazanten zonder de hulp
+van den mensch gedijen. Het meest geschikt hiervoor zijn wouden,
+die de grootst mogelijke verscheidenheid van boomsoorten bevatten en
+een dicht begroeiden bodem hebben, zoodat het geheel een moeielijk
+doordringbare wildernis van doornstruiken, wilgen, hooge grassen en
+klimplanten vormt. Kuifkwartels, die in een park zijn grootgebracht
+en op ongeschikte terreinen worden losgelaten, ontsnappen hieruit,
+zoodra zij kunnen.
+
+
+
+In de vierde onderfamilie vereenigen wij de Fazanten (Phasianinae). Ook
+bij hen is de romp gedrongen, maar toch gestrekter gebouwd dan bij
+de Boschhoenderen; de snavel is middelmatig lang en sterk gewelfd,
+de bovensnavel over den ondersnavel benedenwaarts gebogen, soms aan
+de spits verlengd en nagelvormig verbreed; de middelmatig lange loop
+is bij den haan altijd gespoord; de teenen zijn lang, de vleugels
+middelmatig lang of kort, sterk afgerond; de staart is gewoonlijk lang
+en breed en uit 12 à 18 pennen samengesteld, de kop gedeeltelijk naakt,
+dikwijls met kammen en lellen, soms bovendien met hoornen en ook wel
+met vederbossen versierd; het vederenkleed is prachtig van kleur en
+glanzig, maar bij mannetjes, wijfjes en jongen verschillend.
+
+Gewoonlijk rekent men tot deze onderfamilie, ongeveer 75 soorten,
+waarvan er elf in Afrika, slechts drie (de Kalkoenen) in Amerika,
+alle overige in Zuid- en Middel-Azië thuis behooren. Alle soorten
+bewonen boschrijke of althans met struikgewas begroeide gewesten
+waar zij goed gedekt zijn: sommige hooge bergstreken, andere het
+laagland. Zij zijn standvogels; bij de keuze van een woonplaats gaan
+zij zeer zorgvuldig te werk en verlaten deze daarna niet meer. Alle
+hebben min of meer de neiging om na den broedtijd rond te zwerven
+en dan terreinen te bezoeken, waar men ze in andere tijden van 't
+jaar niet vindt. Tot echte reizen zijn zij wegens de gebrekkigheid
+van hunne bewegingsorganen niet in staat. Zij zijn goed ter been en
+kunnen, als zij willen, in het hardloopen bijna met ieder ander Hoen
+wedijveren; zij vliegen echter slecht en doen dit daarom slechts in
+den uitersten nood. In lichaamsoefeningen schijnen zij geen behagen te
+scheppen; zelfs gedurende den paartijd gedragen zij zich rustiger dan
+de andere Hoenderen. Gewoonlijk stappen zij op hun gemak en zonder
+zich te haasten rond, met ingetrokken of gebogen hals, den fraaien
+staart, hun voornaamsten tooi, zoo ver opgeheven, dat de middelste
+veeren niet over den grond sleepen; om sneller te loopen buigen zij
+den kop tot dicht bij den grond en lichten den staart iets hooger op;
+in geval van nood maken zij ook van hunne vleugels gebruik. Hun wijze
+van vliegen vereischt krachtige vleugelslagen en gaat daarom vooral
+bij het opvliegen met een klapperend gedruisch gepaard; wanneer echter
+de Fazant eens een zekere hoogte bereikt heeft, fladdert hij weinig,
+maar schiet met uitgespreide vleugels en staart volgens een hellend
+vlak in benedenwaartsche richting snel vooruit. In de kroon van hooge
+boomen is hij gewoon rechtop te staan of met sterk gebogen pooten zich
+geheel op den tak neer te vleien en den langen staart bijna loodrecht
+naar beneden te laten hangen. Zijne zintuigen zijn goed ontwikkeld,
+de geestvermogens over 't algemeen gering. Onder elkander leven de
+Fazanten in vrede, zoolang de liefde niet in 't spel komt; in den
+paartijd ziet men echter, evenals bij de overige Hoendervogels, de
+mannelijke leden van het gezelschap in opgewonden toestand verkeeren
+en soms zeer ernstige gevechten leveren.
+
+Tot aan den paartijd verbergen de Fazanten zich zooveel mogelijk. Als
+zij niet gestoord worden, gaan zij eerst kort vóór hun slaaptijd in den
+boom zitten en houden gedurende het overige deel van den dag verblijf
+op den grond, waar zij, tusschen struiken en gras hun voedsel zoeken,
+open plekken bijna angstvallig vermijden en van de eene schuilplaats
+naar de andere sluipen. Iedere haan heeft de leiding over een aantal
+hennen; men ontmoet echter ook zeer gemengde kluften, d. w. z. zulke,
+die uit verscheidene hanen en vele hennen bestaan. Groote gezelschappen
+zijn het niet; wanneer dit een enkele maal voorkomt, blijven zij in
+den regel niet lang bijeen. Buiten den broedtijd neemt het zoeken van
+voedsel hun tijd bijna geheel in beslag. Zij eten van 's morgens tot
+'s avonds; hoogstens rusten zij in de middaguren, zooveel mogelijk
+in een stoffige kuil, half begraven onder het reinigende stof, van
+de vermoeienissen van den arbeid uit. Vooral in den vroegen morgen en
+tegen den avond zijn zij ijverig in de weer en tot rondzwerven geneigd;
+met zonsondergang begeven zij zich ter rust. Hun voedsel bestaat uit
+de meest verschillende soorten van plantaardige stoffen, zaden en
+vruchten, knoppen zoowel als ontplooide bladen; bovendien eten zij
+Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken, Weekdieren,
+ook wel kleine Gewervelde Dieren; vooral maken zij jacht op jonge
+Kikvorschen, Hagedissen en Slangen.
+
+De meeste, hoewel geenszins alle Fazanten leven in polygamie. Iedere
+haan verzamelt, wanneer zijne mededingers dit toelaten, vijf à
+zeven hennen om zich heen. Hoewel hij niet minder jaloersch is dan
+de andere mannetjes zijner orde en zijne mededingers zeer moedig en
+dapper bestrijdt, geeft hij zich geen bijzondere moeite om de gunst
+van zijn wijfje deelachtig te worden. Ook bij hem komen verschijnselen
+voor, die aan het balderen der Ruigpoothoenderen herinneren, ofschoon
+hij nooit in den toestand van verliefde razernij vervalt, die deze
+kenmerkt. Hij loopt in verschillende houdingen om de hennen heen,
+spreidt de vleugels uit, zet de veeren van de kuif, van de oorpluimen
+en van den halskraag op, verheft den staart iets meer dan gewoonlijk,
+doet de voor uitzetting vatbare huidaanhangsels opzwellen, acht het
+zelfs niet beneden zijn waardigheid eenige danspassen te maken en
+kraait of fluit, terwijl hij herhaaldelijk de vleugels tegen elkander
+slaat. Na de paring bekommert hij zich niet meer om de hennen, die
+over 't algemeen meer hem zoeken dan hij haar; maar zwerft naar eigen
+goedvinden in het bosch rond, voegt zich hier soms bij andere hanen,
+vecht in het eerst nog wel eens met dezen of genen, maar leeft toch,
+als het aantal mannetjes toeneemt, met de leden van zijn gezelschap
+in vrede. De hen zoekt een stil plekje op, graaft hier een kuiltje,
+bedekt dit achteloos met eenige bladen en andere nestmaterialen en
+begint te broeden, zoodra zij 6 à 10 of soms ook 12 eieren gelegd
+heeft. De kuikens zijn lief geteekend, behendig en vlug, leeren in de
+tweede week van hun leven fladderen, gaan in de derde in de boomen
+slapen en ruien na verloop van 2 of 3 maanden; tot in den herfst
+blijven zij echter nog onder de hoede van hunne ouders.
+
+
+
+Het meest bekende geslacht van de onderfamilie der Fazanten is dat
+van de Kamhoenderen (Gallus), waaraan wij ons Huishoen te danken
+hebben. Zij kenmerken zich vooral door het bezit van een naakten,
+vertikalen, meestal getakten kam op de kruin en van twee naar beneden
+hangende lellen aan den ondersnavel; de wang is onbevederd. De tamelijk
+lange loop is bekleed met drie vertikale reeksen van schilden en
+heeft bij den haan een sterke spoor. De middelmatig lange staart
+bestaat uit 14 pennen, die naar de zijden weinig in lengte afnemen;
+hij wordt dakvormig gebogen en opgewipt gedragen; de staartwortelveeren
+of bovendekveeren van den staart zijn bij den haan sterk verlengd en
+sikkelvormig gekromd; zij overdekken de stuurpennen en hangen achter
+deze of langs de zijden van het achterlijf naar beneden. In de korte
+afgeronde vleugels zijn de 4e tot 7e handpennen even lang en langer
+dan de overige. Het lichaam is rijk bekleed met prachtige veeren.
+
+Indië en de Maleische landen zijn het vaderland van deze Hoenderen. Men
+kent er zes soorten van, die het woud bewonen en een verborgen leven
+leiden, hoewel alle door hun stem de aandacht trekken.
+
+
+
+De meeste aanspraken op de eer van het stamvaderschap van ons Huishoen,
+kan het Gewone Boschhoen of Bankiva-hoen, de Kasintoe der Maleiers,
+op Sumatra Ajam-Rimboe geheeten (Callus ferrugeneus), doen gelden. De
+kop, de hals en de lange, naar beneden hangende nekveeren hebben bij
+den haan een goudgelen weerschijn; de geelbruin gezoomde rugveeren zijn
+purperbruin, in het midden glanzig oranjerood; de eveneens verlengde,
+naar beneden hangende bovendekveeren van den staart gelijken in kleur
+op die van den kraag; de groote dekveeren zwartgroen, de donkerzwarte
+borstveeren goudgroen iriseerend; de handpennen zijn donker zwartachtig
+grijs met lichteren zoom, de armpennen op de buitenvlag roestkleurig,
+op de binnenvlag zwart, de staartpennen eveneens zwart: de middelste
+iriseerend, de overige zonder glans. Het oog is oranjerood, de koptooi
+rood, de snavel bruinachtig, de voet leikleurig zwart. Totale lengte
+65, staartlengte 27 cM. De hen is kleiner, haar staart heeft een meer
+horizontalen stand; van den kam en de lellen zijn slechts aanduidingen
+voorhanden; de langwerpige halsveeren zijn zwart met witgeelachtigen
+zoom, de veeren van den mantel bruinzwart gesprenkeld, die van de
+onderdeelen, evenals de slag- en stuurpennen, bruinzwart.
+
+Het verbreidingsgebied van het Bankiva-hoen omvat geheel Indië en de
+Maleische landen. Het is veelvuldig in het westen van Vóór-Indië zoowel
+als in het noordelijke heuvelenland, algemeen in Assam, Silhet, Birma,
+Malakka, op de Soenda-eilanden en de Philippijnen; het komt ook op
+Timor en verscheidene eilanden van den Grooten Oceaan voor; zeldzaam
+is het in Middel-Indië. De levenswijze van deze en alle overige wilde
+Hoenderen is vrij onvolledig bekend; dit ligt waarschijnlijk aan de
+bezwaren, die zich tegen het waarnemen van deze Vogels verzetten. Het
+door hen bewoonde woud legt den onderzoeker zoowel als den jager
+dikwijls onoverkomelijke hinderpalen in den weg. Als men deze wouden
+doortrekt, ontmoet men, volgens Jerdon, dikwijls wilde Hoenderen. Zij
+houden zich gaarne op in de nabijheid van de wegen, omdat zij hier in
+den drek van het Rundvee en van de Paarden een overvloed van voedsel
+vinden; de Honden, die met den wagen meeloopen, doen vele Hoenderen
+opvliegen en in de boomen neerstrijken; ook ziet men deze Vogels in
+de buurt van de wouden op de akkers, waar zij dikwijls voedsel gaan
+zoeken, voorts gedurende de jachten, die op hen gehouden worden. De
+beide op Java levende soorten van wilde Hoenderen zijn, volgens
+Bernstein, zeer schuw; het is daarom moeielijk ze in de vrije natuur
+te bespieden. Dit geldt vooral voor het Groene Boschhoen, den Gangegar
+of Ajamalas, gewoonlijk Vorkstaarthoen (Gallus furcatus) genoemd,
+omdat de staart, wegens de zijwaartsche richting der middelste veeren,
+er gevorkt uitziet; het onderscheidt zich door het bezit van slechts
+één zeer groote, met fraaie roode, gele en blauwe tinten prijkende
+lel aan de keel. Deze Hoenderen houden zich bij voorkeur op in de met
+doornstruiken en andere planten dicht bedekte vlakten, waar zij zich
+bijna altijd aan de blikken van den onderzoeker onttrekken; bovendien
+verbergen zij zich dadelijk bij het geringste verdachte gedruisch,
+of loopen, zonder op te vliegen, tusschen de alang-alang-halmen
+weg. Zij zouden dus niet opgemerkt worden, indien niet de haan van
+tijd tot tijd zijn stem liet hooren; deze klinkt heesch als "kukru-u
+koekru." Te zien krijgt men hem echter slechts zelden, hoe vaak men
+hem ook hoort. Het best gelukt dit nog in den vroegen morgen, omdat de
+Hoenderen, zich veilig achtend, dan de wildernis verlaten om op open
+plaatsen hun voedsel te zoeken, dat uit allerlei zaden en knoppen,
+maar vooral uit Insecten bestaat. Zeer gaarne eten zij Termieten;
+zij zoeken daarom de woningen dezer diertjes dikwijls op.
+
+De beide andere soorten van wilde Hoenderen zijn: het Sonnerat-hoen,
+de Katoekoli der Maleiers (Gallus Sonnerati)--dat in de gebergten
+van Vóór-Indië leeft en zich kenmerkt door zijne halsveeren, welker
+schaften (bij den haan) op drie plaatsen tot hoornplaatjes verbreed
+zijn--en het op Ceylon levende Dsjungelhoen (Gallus Stanleyi), dat door
+de roode kleur der onderdeelen van het Bankiva-hoen verschilt. Beide
+onderscheiden zich door hun stem; die van den Dsjungelhaan klinkt,
+volgens Tennent, als "George-Joye"; die van den Sonnerathaan is
+een hoogst zonderling, gebroken geluid, een onvolkomene, maar
+onbeschrijfelijke soort van gekraai. Het Bankiva-hoen heet op Java
+wegens het geluid van den haan "Bekéko". Alle vier soorten dragen veel
+bij tot het verlevendigen van het woud. "Het is zeer gezellig," zegt
+Von Möckern, "des morgens vroeg de talrijke hanen te hooren kraaien, ze
+met fieren tred te zien loopen en getuige te zijn van hunne gevechten;
+de hennen en de kuikens zwerven intusschen te midden van de boomen
+en struiken rond." Ook Tennent roemt het in den nacht aanvangende en
+lang voortgezette gekraai van den Dsjungelhaan als een der voornaamste
+aantrekkelijkheden van den morgen in de met bosch bedekte bergen van
+Ceylon. De wilde hanen doen in strijdlust niet onder voor de tamme;
+de inboorlingen temmen ze voor de bij hen zoo geliefde hanengevechten;
+daar zij ervaren hebben, dat, moge al de tamme haan soms sterker zijn
+dan de wilde, hij dezen nooit evenaart in moed en behendigheid.
+
+Zoomin bij de wilde als bij de tamme Hoenderen bemoeit de haan zich
+met de opvoeding der jongen; bij beide verzorgt de hen hare kinderen
+met gelijke teederheid. Kruisingen van de wilde Hoenderen onderling
+en van deze met tamme Hoenderen komen niet zelden voor.
+
+Alle wilde Hoenderen kunnen getemd worden; zij geraken echter niet
+zoo spoedig aan de gevangenschap gewoon, als men misschien geneigd
+is te veronderstellen. "Oud gevangen exemplaren," zegt Bernstein,
+"worden nooit tam; wanneer men hunne eieren door Huishennen laat
+uitbroeden, zullen toch de jongen, zoodra zij volwassen zijn, bij de
+eerste de beste gelegenheid hun vrijheid trachten te herwinnen. Of
+zij zich in de gevangenschap voortplanten, of met Huishoenderen paren,
+kan ik op grond van eigen ervaring niet mededeelen; van verschillende
+zijden heb ik echter vernomen, dat wilde Hoenderen, die van jongs
+af in gevangenschap leefden, herhaaldelijk eieren legden." In onze
+dierentuinen hebben alle soorten zich voortgeplant; men kan er echter
+nooit vast op rekenen. Het is ons daarom nog steeds een raadsel,
+hoe de mensch er in geslaagd is, de vrijheidlievende wilde Hoenderen
+zoo volledig aan zich te onderwerpen. Geen geschiedverhaal, geen sage
+maakt van de eerste temming dezer dieren gewag. Reeds in de oudste
+geschriften wordt het Huishoen voorgesteld als een algemeen bekende
+Vogel. Van Indië uit heeft het zich over alle landen van het oostelijk
+halfrond verbreid. Bij de eerste ontdekking van de eilanden van den
+Grooten Oceaan vond men er Huishoenderen; in historischen tijd zijn zij
+alleen in Amerika ingevoerd. Bijzonder merkwaardig komt het mij voor,
+dat zij nergens verwilderd zijn. Men heeft getracht ze in hiervoor
+geschikte gewesten in vrijheid te laten leven, bosschen met hen te
+bevolken om hierdoor een nieuwe wildsoort te verkrijgen; steeds zijn
+deze pogingen mislukt. In de dorpen van de Noordoost-Afrikaansche
+steppen en zelfs rondom hutten, die midden in 't woud gelegen zijn,
+leeft het Huishoen in menigte bijna zonder de zorg van den mensch;
+het moet zich zijn voedsel zelf zoeken; het broedt onder den een of
+anderen struik, die het hiervoor geschikt acht, dikwijls op eenigen
+afstand van de hut van zijn meester; het slaapt 's nachts in het woud
+op een boom. Met bewonderenswaardige buigzaamheid schikt het zich in
+de meest verschillende omstandigheden, verdraagt een klimaat, waarin
+het van nature niet thuis behoort, zonder van aard te veranderen;
+slechts in zeer hooge bergstreken of in het uiterste noorden schijnt
+zijn vruchtbaarheid af te nemen. Overal echter, waar de mensch een
+vaste woonplaats heeft, kan het leven; het is een volslagen huisdier
+geworden.
+
+Van het Huishoen komen tal van rassen en slagen voor, die door
+den vorm en de houding van het lichaam, door de grootte, door de
+ontwikkeling van den kam en de lellen, door de bevedering van
+den kop en van den loop, de kleur van het vederenkleed en van
+de onbevederde lichaamsdeelen enz. van elkander verschillen. Men
+treft sommige zeer merkwaardige afwijkingen bij hen aan. Een van de
+verwonderlijkste, hoewel niet een van de meest in 't oog vallende
+eigenaardigheden is de aanwezigheid van vijf teenen aan iederen poot
+bij verschillende rassen, o.a. bij de Dorkings, de Houdans, de Turken
+en de Japansche Zijdehoenderen. De overtallige teen is drieledig,
+aan hetzelfde middelvoetsbeen gehecht als de normale (tweeledige)
+achterteen, maar een weinig hooger en meer naar 't midden van den
+loop ingeplant.--Bij een aantal andere rassen, die men onder den
+naam van Kuifhoenderen samenvat, en waarvan wij het Padua-ras als
+voorbeeld kiezen, is het voorhoofdsbeen sterk gezwollen en vormen
+de verlengde, overhangende veeren van de kruin een helm, die den
+geheelen kop bedekt. De kam is bij de Padua-hoenderen, zeer klein; de
+plaats van de keel- en oorlellen wordt ingenomen door "kinbaarden" en
+"bakkebaarden". De Houdans hebben een halve, de Turken een volslagen
+kuif.--De Zijdehoenderen zijn klein van stuk, hebben haarvormige,
+zijdeachtige veeren en weinig ontwikkelde arm- en staartpennen; de
+uitwendige huid, het beenvlies en de naakte plekken aan den kop zijn
+meestal donker violet, zelfs het vleesch heeft een donkere kleur. Bij
+het Japansche Zijdehoen gaan deze eigenaardigheden gepaard met zuiver
+witte veeren en met het bezit van een vijfden teen.--De Bantammers,
+die hun naam ontleenen aan het Javaansche landschap, van waar zij
+het eerst naar Europa werden gebracht, maar die uit Japan afkomstig
+zijn, onderscheiden zich o.a. door hun zeer geringe grootte; toch
+zijn zij zeer krijgshaftig en toonen dit bij hanengevechten.--Zeer
+zwaar, hoog op de pooten en dik van schenkel zijn de Cochinchina-
+en Brahmapoetra-hoenderen; beide hebben een bevederden loop; bij
+gene komt een enkelvoudige, bij deze een drievoudige kam voor. De
+Brahmapoetras bereiken een hoogte van 65 à 70 cM. (zelden meer);
+het gewicht van den haan bedraagt 5 à 7.5, dat van de hen 4 à 6.5 KG.
+
+
+
+Een overgang van de Kamhoenderen tot de Edelfazanten vormen de
+Fazanthoenderen (Euplocomus). Zij kenmerken zich door een slanken
+lichaamsbouw, een tamelijk zwakken snavel, een middelmatig hoogen,
+gespoorden loop, korte, afgeronde vleugels, een middelmatig langen,
+uit 16 pennen samengestelden, dakvormigen staart, naakte, met wratten
+bedekte wangen en een bevallig vederenkleed.
+
+
+
+De Zilverfazant of Zilverlakensche Fazant (Euplocomus nycthemerus)
+onderscheidt zich van andere Fazanthoenderen door een lange,
+uit losbaardige veeren bestaande, hangende pluim op den kop en
+een wigvormig verlengden, bij wijze van een dak dubbelgevouwen
+staart, welks middelste veeren niet zijwaarts naar buiten gebogen en
+slechts in geringe mate naar onderen gekromd zijn. De lange en dikke
+vederbos aan den achterkop is glanzig zwart, de nek en het voorste
+deel van den bovenhals zijn wit; de geheele overige bovenzijde is
+wit met smalle, zwarte zigzaglijnen, die van de eene zijde naar de
+andere zich uitstrekken; de zwarte onderzijde heeft een metaalachtig
+blauwen weerschijn; de slagpennen zijn wit met smallen, zwarten zoom
+en met onderling evenwijdige, breede, zwarte dwarsstrepen geteekend;
+de staartvederen hebben op witten grond een soortgelijke versiering,
+die des te duidelijker is, naarmate de pennen verder buitenwaarts
+gelegen zijn; de onbevederde wangen zijn fraai karmijnrood. Het
+oog is lichtbruin, de snavel blauwachtig wit, de voet lakrood
+of koraalrood. Totale lengte 110, staartlengte 67 cM. De hen is
+aanmerkelijk kleiner; de roestbruine grondkleur van haar vederenkleed
+is zeer fijn grijs gesprenkeld; de kin en de wang zijn witachtig
+grijs, de benedenborst en de buik witachtig, met roestbruine vlekken
+en zwarte dwarsstrepen.
+
+Men weet niet zeker, wanneer de eerste levende Zilverfazanten naar
+Europa zijn gebracht; vermoedelijk is dit niet vóór de 17e eeuw
+geschied. Hun vaderland is Zuid-China, waar zij thans echter slechts
+in weinige gewesten nog in 't wild voorkomen; tam vindt men ze in
+geheel China en Japan zeer veelvuldig. In Europa gedijen zij bij
+eenvoudige verzorging uitmuntend, in de vrije natuur even goed als
+op het erf of in een groote kooi. De pogingen om met deze diersoort
+onze wouden te bevolken zijn mislukt, omdat het mannetje wegens zijn
+witte kleur meer aan de vervolging der roofdieren is blootgesteld dan
+eenige andere Vogel van zijn grootte. Een niet minder groot bezwaar
+is gelegen in den Fazant zelf. Hij is de moedigste en strijdhaftigste
+van al zijne verwanten. Twee mannetjes, die hetzelfde gebied bewonen,
+zijn voortdurend met elkander in strijd. Ook andere dieren hebben
+veel te lijden van de heerschzucht van den Zilverfazant; hij vecht
+op leven en dood met den huishaan en verdrijft, als hij in het woud
+vrij kan rondzwerven, alle andere wilde Hoenderen, in de eerste plaats
+natuurlijk den Gewonen Boschfazant. Daar deze meer nut oplevert dan
+zijn vijand, wordt hij in het onbetwist bezit van het woud gelaten.
+
+De Zilverfazant beweegt zich minder goed dan zijne verwanten en heeft
+ook minder lust in beweging. Men is geneigd hem lui te noemen. Hij
+vliegt niet anders dan in geval van nood, legt dan hoogstens een
+korten weg af en strijkt dan weer op den bodem neer. Bij 't loopen
+ontbreekt hem de behendigheid van den Goudlakenschen Fazant; ook is
+zijn snelheid misschien geringer dan die van den Gewonen Fazant;
+hij kan deze beweging echter langer volhouden dan zijne beide
+verwanten. De stem verschilt al naar het jaargetijde. In de lente,
+gedurende den paartijd, hoort men meestal een lang gerekt, klankvol
+gefluit, in de andere jaargetijden meestal slechts een dof, als
+"radara doekdoekdoek" klinkend gekakel, waaraan, zoodra de Vogel in
+opgewonden toestand geraakt, het fluiten toegevoegd wordt.
+
+De hen legt 10 à 18 eieren, die effen roodgeel van kleur of op
+geelachtig witten grond met kleine, bruinachtige stippels geteekend
+zijn. De moeder broedt met groote toewijding; na verloop van 25 dagen
+komen de jongen te voorschijn: allerliefste diertjes, welker donzig
+kleed een zeer bevallige teekening vertoont. Vrij spoedig ontwikkelen
+zij zich zoo ver, dat zij vliegen of althans fladderen kunnen; eerst
+in het tweede levensjaar verkrijgen zij echter het kleed en de groote
+hunner ouders. In hun vroegste jeugd geven ook zij aan Insecten als
+voedsel de voorkeur; later eten zij hoofdzakelijk zeer verschillende
+soorten van groen voer; ten slotte gebruiken zij hardere spijzen,
+vooral zaden van graanvruchten. Kool, salade en ooft zijn voor hen
+lekkernijen.
+
+Het vleesch van dit dier is even smakelijk als dat van iederen anderen
+Fazant; den fijnsten wildsmaak verkrijgt het echter alleen dan, als
+men den Vogel meer vrijheid laat en hem minstens veroorlooft zich op
+het erf en in den tuin vrij te bewegen.
+
+
+
+De Oorfazanten (Crossoptilon), die ook wel tot de Pauwvogels gerekend
+worden, maar zich van deze door het ontbreken der oogvlekken, van
+de overige Fazanten door den forscheren lichaamsbouw onderscheiden,
+hebben, evenals de Pauwen, de bovendekveeren van den staart zeer sterk
+ontwikkeld. De snavel en de pooten zijn krachtig; de loop van den haan
+is met een spoor gewapend, de sterk afgeronde vleugels zijn middelmatig
+lang, evenals de staart, welks trapvormig van 't midden naar de
+zijden in lengte afnemende pennen een daksgewijzen stand hebben; de
+vier middelste stuurpennen zijn benedenwaarts gekromd en met lange,
+losse baarden voorzien; de huid om de oogen is tot op de teugels en
+de wangen naakt; het bosje naar boven gerichte veeren aan weerszijden
+van den kop herinnert eenigermate aan de oorpluimpjes van de Uilen.
+
+De vroegst bekende van de vier soorten van dit geslacht, de Oorfazant
+of Oorpauw, de Maky (het "Blauwhoen") der Chineezen (Crossoptilon
+auritum), is 110 cM. lang en heeft een 50 cM. langen staart. De kop is
+van boven met zwarte, fluweelachtige veeren als met een kap bedekt; de
+keel en de "ooren" zijn wit; de naakte plek om de oogen is hoog rood,
+het oog bruin, de snavel roodachtig. De kleine veeren zijn blauwachtig
+aschkleurig, de slagpennen zwart, de staartpennen aan den wortel wit,
+overigens metaalachtig blauw, de middelste fraai iriseerend. Deze
+Vogel bewoont de hooge gebergten van Tibet en China.
+
+De gevangen Oorfazanten zijn zachtaardig en gemeenzaam, wennen licht
+aan de kooi en aan hun verzorger, verdragen de gevangenschap zeer goed,
+planten zich zonder bezwaar voort en vermenigvuldigen zich sterk.
+
+
+
+De Echte Fazanten (Phasianus) hebben een dakvormigen, langen,
+wigvormigen staart, welks 18 pennen naar de spits smaller worden; de
+middelste zijn 6- à 8-maal zoo lang als de buitenste. De kop is, met
+uitzondering van een kring om de oogen, geheel bevederd; de snavel is
+middelmatig lang, aan de spits gewelfd; in de korte, afgeronde vleugels
+zijn de vierde en de vijfde handpen de langste. De loop is middelmatig
+lang en krachtig, glad, bij den haan met een niet bijzonder groote
+spoor voorzien. Het kleed van het mannetje is zeer fraai, dikwijls
+schitterend van kleur. De wijfjes zijn kleiner dan de mannetjes,
+hebben een veel korteren staart en eenvoudiger gekleurde veeren.
+
+
+
+De Gewone Fazant of Boschfazant (Phasianus colchicus) is zoo bont
+van kleur, dat het moeite kost een nauwkeurige beschrijving van zijn
+kleed te geven. De veeren van den kop en den bovenhals zijn groen,
+met prachtig blauwen metaalglans, die van den onderhals, de borst,
+den buik en de flanken roodachtig kastanjebruin met purperkleurigen
+weerschijn, alle met glanzig zwarten zoom, die van den mantel vóór
+den zoom met witte, halvemaanvormige vlekken versierd, de lange,
+losbaardige staartwortelveeren donker koperrood met purperkleurigen
+glans, de slagpennen met bruine en roestgele banden, de staartveeren
+op olijfgrijzen grond zwart gestreept en met kastanjebruinen zoom. Het
+oog is roestgeel, het naakte veld om het oog rood, de snavel licht
+bruinachtig geel, de voet roodachtig grijs of loodkleurig. Totale
+lengte 80, staartlengte 40 cM. De hen is kleiner, haar geheele
+vederenkleed is op dof roodachtig grijsbruinen grond met zwarte en
+donker-roestkleurige vlekken en banden geteekend. Vooral op den rug
+komt de donkere teekening goed uit.
+
+De Boschfazant, die oorspronkelijk de kustlanden van de Kaspische
+zee en West-Azië bewoonde, werd reeds in overoude tijden in
+Europa gefokt. Volgens de overlevering vonden de Grieken, die den
+Argonautentocht ondernamen, dezen prachtigen Vogel aan de oevers
+van de rivier Phasis in het land Colchis en namen hem mede naar hun
+vaderland. Van hier heeft hij zich over Zuid-Europa verspreid; door de
+Romeinen, die hoogen prijs stelden op dit kostelijk wild, werd het ook
+naar Zuid-Frankrijk en Duitschland overgebracht. "De Fazant", schrijft
+Schlegel, "werd ook in Nederland vroegtijdig ingevoerd en in met hout
+begroeide streken in eenige deelen van ons land verplant. Hij teelt ook
+in het wild voort; daar er echter, uit gebrek aan voedsel, vooral bij
+hooge sneeuw, dikwijls vele omkomen, moet men, om dit te voorkomen en
+het jachtveld steeds genoegzaam met deze wildsoort bevolkt te houden,
+tegen den winter zeker getal hennen en hanen opvangen en deze tot in
+Maart op zolders of in hokken houden, als wanneer zij wederom uitgezet
+kunnen worden. Intusschen verlaten deze halfwilde Fazanten somtijds
+vrijwillig de bosschen, waarin zij uitgebroeid en opgegroeid zijn,
+gaan zich zelfstandig vestigen, leven het geheele jaar door volkomen
+in den wilden staat, telen voort, vermenigvuldigen en vormen koloniën,
+die zonder hulp van den mensch bestaan. Er zijn intusschen voorbeelden,
+dat dergelijke koloniën, zonder eenige blijkbare oorzaak, plotseling
+verhuizen en spoorloos verdwijnen." "Eenige jaren geleden," schreef
+Mr. H. Albarda in 1884, "is deze Vogel ingevoerd in Opsterland,
+Schoterland en Ooststellingwerf, waar hij thans geheel in het
+wild leeft en voortteelt. Vooral in eerstgenoemde gemeente is hij
+zeer menigvuldig. Hij heeft zich van daar ook over een deel van
+Smallingerland uitgebreid." "In alle provincies van Nederland behalve
+Groningen en Drente leeft hij thans" (1897) "in volkomen wilden
+staat." Dit is ook het geval in Zuid-Duitschland, vooral echter in
+Oostenrijk en Boheme. In Noord-Duitschland bewoont hij onder de hoede
+van den mensch zoogenaamde "wilde" of "tamme" fazantenperken. Hij
+komt zeer veelvuldig voor in Hongarije en Zuid-Rusland, is zeldzamer
+in Italië, zeer zeldzaam in Spanje; ook in Griekenland, waar hij
+vroeger algemeen was, gaat hij zijn uitroeiing te gemoet.
+
+
+
+Onder de naaste verwanten van den Boschfazant, die met hem het
+ondergeslacht der Edelfazanten vormen, verdient vooral vermelding
+de Koningsfazant, de Djeuki (het Pijlhoen) der Chineezen (Phasianus
+Revesii); hij is de grootste van alle; zijn totale lengte bedraagt
+2.1 M., waarvan 1.6 M. op den staart komen. Op de bovendeelen zijn de
+veeren goudachtig okergeel met zwarte zoomen, op de onderdeelen wit
+met breede, purperachtig bruinroode zoomen en zwarte, pijlvormige
+vlekken. Deze soort bewoont de gebergten ten oosten en ten noorden
+van Peking en ook die, welke Sjensi van Honan en Hoepe van Sitsjoean
+scheiden.
+
+
+
+Alle Fazanten vermijden de aaneengeschakelde, hoogstammige wouden,
+vooral naaldhoutbosschen; zij bewonen bij voorkeur bosschen of dichte
+kreupelhoutboschjes, die door vruchtbare akkers of weiden omgeven
+en niet arm aan water zijn. Vruchtdragende graanvelden schijnen
+voor hun gedijen wel niet volstrekt onmisbaar, maar toch zeer
+gewenscht. Gedurende den geheelen dag houden zij zich op den grond
+bezig, sluipen van den eenen struik naar den anderen, kruipen door
+doornachtige heesterboschjes, waarin zij voedsel hopen te vinden,
+begeven zich ook wel naar de randen van het woud en van hier op de
+akkers, waar zij, al naar het jaargetijde, het pasgezaaide koren of
+de rijpgeworden vrucht opeten en zoeken eerst met het vallen van den
+avond den boom op, die hun als standplaats moet dienen.
+
+In vroegere tijden achtte men het noodig en nuttig, in een bosch,
+dat overigens voldeed aan de eischen door den Fazant gesteld, van
+tijd tot tijd berookingen te doen plaats hebben; men meende hierdoor
+dit wild beter in het bosch te kunnen houden en het zelfs van elders
+daarheen te kunnen lokken. Deze handelwijze is in onbruik gekomen.
+
+De begaafdheden van de Edelfazanten zijn gering. Hoewel de Fazant
+op statige wijze rondstapt en er slag van heeft zijn schoonheid te
+doen uitkomen, kan hij zich toch met den Huishaan niet meten. De
+hen heeft steeds een bescheiden houding. Juist van de Edelfazanten
+geldt in hooge mate, wat hierboven van de Fazantvogels in 't algemeen
+gezegd werd: zij loopen voortreffelijk, maar vliegen slecht. Hunne
+zintuigen zijn, naar het schijnt, vrij gelijkmatig ontwikkeld;
+hun verstand is ongetwijfeld gering. Alle Edelfazanten zijn even
+bekrompen van geest, even onbekwaam ter rechter tijd de beste
+maatregelen te kiezen. Onder hunne prijzenswaardige hoedanigheden
+bekleedt onbegrensde vrijheidsliefde een eerste plaats. De Fazant
+geraakt gewoon aan een bepaald gebied, wanneer zijne wenschen er
+bevredigd worden, maar kan toch het rondzwerven niet nalaten. Het
+bewustzijn van zijn zwakheid, het gevoel van ongeschiktheid om zich
+tegen sterkere dieren te verdedigen, spoort hem aan, zich zooveel
+mogelijk te verbergen; daarom onttrekt hij zich ook gaarne aan het
+toezicht van zijn verzorger. Het is dus geenszins uit ondankbaarheid
+voor alle aan zijn opvoeding en verzorging besteede moeite, gelijk
+Winckell meent, die hem op zulk een wijze doet handelen, maar puur
+en alleen tegenzin in het blijven op een bepaalde plaats, koppigheid
+en bekrompenheid. De Fazant wordt nooit werkelijk tam, omdat hij zijn
+verzorger niet van andere personen leert onderscheiden en in iederen
+mensch een vijand ziet, dien hij te vreezen heeft. Hij houdt zich
+niet aan een bepaalde standplaats, wijl hij de bekwaamheid mist om
+in zijn gebied de plek te vinden, die hem het best schikt. Hij ducht
+aanhoudend gevaren, omdat zijn verstand niet groot genoeg is om hem
+te redden, wanneer een werkelijk onheil hem bedreigt.
+
+"Moeielijk zal men wild kunnen vinden," zegt Dietrich aus dem Winckell
+zeer te recht, "dat zoo licht van streek te brengen is en daardoor
+ongeschikt wordt om een besluit te nemen. Als de komst van een
+mensch of van een Hond den Fazant verrast, schijnt hij te vergeten,
+dat de natuur hem vleugels heeft gegeven: hij blijft bedaard zitten
+op de plek, waar hij zich bevindt, drukt zich plat op den grond
+en verbergt den kop, of loopt zonder doel heen en weer. Niets is
+voor zijn leven gevaarlijker dan het stijgen van het water in een
+stroom, die in de nabijheid van zijn standplaats vloeit. Als hij
+aan den waterkant staat, blijft hij onbeweeglijk op hetzelfde punt,
+kijkt, zonder den blik er af te wenden in het water, totdat zijne
+veeren doornat zijn; hierdoor vermeerdert zijn gewicht zoozeer dat
+hij niet meer opvliegen kan. Hij is dan in den echten zin van 't
+woord een slachtoffer van zijn domheid." Winckell zag een Fazant,
+die in dezen toestand verkeerde, niet slechts de middelen om zich
+te redden verzuimen, maar zelfs al verder en verder in den stroom
+op waden. Toen zijn pooten den grond niet meer konden bereiken en
+hij reeds begon af te drijven, wachtte hij in stille berusting zijn
+noodlot af. Met als een haak dienenden, afgesneden boomtak trok men
+hem op 't droge, zoodat hij voor ditmaal aan 't gevaar ontkwam. "De
+Fazant," zegt Naumann, "is boven alle beschrijving angstvallig. Een
+voorbijloopende Muis maakt hem hevig verschrikt; zelfs door een naar
+haar nest kruipende Slak wordt de hen genoopt oogenblikkelijk haar
+woning te verlaten; bij 't naken van een werkelijk gevaar blijft zij
+als dood er op liggen." Deze bekrompenheid van geest doet merkbaar
+afbreuk aan de vermenigvuldiging en verspreiding van dit wild. Jegens
+zijne soortgenooten is de Fazant volstrekt niet verdraagzaam. Als twee
+hanen elkander ontmoeten, vechten zij verwoed, tot hunne veeren in
+'t rond vliegen en hun bloed stroomt; de eene zal zelfs den anderen om
+'t leven brengen, indien hij hiertoe kans ziet.
+
+In den paartijd, die in 't laatst van Maart begint, ondergaat
+het gedrag van onzen Vogel een belangrijke verandering. In gewone
+omstandigheden laat hij zelden zijn stem hooren, alleen bij 't "boomen"
+(bij 't gaan zitten in een boom) roept hij, luid kakelend als een Hoen,
+"koekoekoek koekoekoek" door het woud; in den paartijd echter kraait
+hij, maar op een afschuwelijke wijze. Wel herinnert zijn geschreeuw aan
+het welluidende "kiekeriekie" van onzen Huishaan; het is echter kort
+afgebroken en heesch, als 't ware onvolledig; het behaagt ons niet,
+daar wij het onwillekeurig met het gewone hanengekraai vergelijken.
+
+De hen zoekt een stil plekje uit onder dicht struikgewas of hoog
+opgeschoten kruiden, b.v. in het koorn, in biezen of in een weide,
+woelt hier een ondiepe holte uit, krabt hierin een weinig nestmateriaal
+uit de onmiddellijke nabijheid bijeen en legt nu hare 8 à 12 eieren
+met geregelde tusschentijden van 40 à 48 uren. Als men haar de
+eieren ontneemt, legt zij er meer, doch komt zelden boven de 16 of 18
+stuks. De eieren zijn kleiner en ronder dan die van de huishen en effen
+geelachtig grijsgroen van kleur. Onmiddellijk na het leggen van het
+laatste ei begint zij te broeden en doet dit met bewonderenswaardigen
+ijver. Zij zit zoo vast, dat zij haar gevaarlijksten vijand zeer
+dicht bij laat komen, voordat zij het nest verlaat; gewoonlijk doet
+zij dit niet vliegend, maar loopend. Als zij om andere redenen van
+het nest afgaat, bedekt zij de eieren losjes met de neststoffen of
+met eenige bladen en grashalmen, die zij bijeenkrabt. Na 25 of 26
+dagen komen de jongen uit den dop. Deze blijven, totdat zij volkomen
+droog geworden zijn, onder de vleugels van de hen, die ze vervolgens
+meeneemt om voedsel te zoeken. Bij gunstige weersgesteldheid worden de
+tamelijk vlugge kuikentjes binnen 12 dagen sterk genoeg om een weinig
+te kunnen fladderen; zoodra zij de grootte van een Kwartel hebben,
+"boomen" zij iederen avond geregeld met de hen. Deze tracht hare
+kuikens zoo veel mogelijk te beveiligen tegen al wat hen kan schaden,
+stelt zich met dit doel zonder aarzeling aan dreigende gevaren bloot,
+maar smaakt toch zelden het genoegen al hare kinderen groot te brengen,
+daar de jonge Fazanten zeer weekelijk en teer zijn. Tot laat in den
+herfst blijven de jongen bij hun moeder en vormen met deze één toom;
+daarna vertrekken eerst de jonge hanen en tegen den aanvang van de
+lente ook de jonge hennen, die nu voor de voortplanting geschikt zijn.
+
+In Middel- en Noord-Duitschland laten vele houders van Fazanten
+in het begin van de lente eenige van hunne zoo goed als in 't wild
+levende Vogels opvangen; deze worden in een groote kooi opgesloten
+om hierin eieren te leggen. Met behulp van voor dit doel afgerichte
+Honden worden tevens de nesten in 't vrije veld opgezocht; de hieruit
+genomen eieren laat men uitbroeden door Kalkoenen, die later ook met
+de zorg voor de jonge Fazanten worden belast.
+
+Meer dan eenig ander Hoen wordt de Fazant door gevaren bedreigd. Eerder
+dan zijne verwanten wordt een ongunstige weersgesteldheid voor
+hem noodlottig; ook heeft hij veel meer te lijden van allerlei
+roofgespuis. Zijn ergste vijand is de Vos, die bij deze jacht even
+weinig omwegen maakt als de mensch, maar nog beter dan deze alle
+gelegenheden waarneemt om het wild te verschalken. De jonge Fazanten
+worden door Marters en Katten weggenomen, de eieren door Egels en
+Ratten verslonden. Haviken, Sperwers, Wouwen en Kuikenduiven laten
+zich evenmin onbetuigd; zelfs de plompe Buizerd, de Raaf, de Kraai,
+de Ekster, de Vlaamsche Gaai rooven menig kuiken en overmeesteren
+menigen volwassen Vogel.
+
+"Hoewel de Goudlakensche Fazant sinds lang in Europa bekend is," zegt
+Bodinus zeer te recht, "kijkt iedereen nog steeds met bewondering
+naar dezen Vogel. De macht der gewoonte heeft de belangstelling in
+de prachtig schitterende kleuren van zijn vederenkleed niet kunnen
+verminderen; ieder, die hem voor de eerste maal ziet, kan moeielijk
+van dit verrukkelijk schouwspel scheiden." De Goudlakensche Fazant, de
+Kinki (het "Goudhoen") der Chineezen (Phasianus pictus), waarschijnlijk
+de Phoenix der ouden, is werkelijk een prachtige Vogel, zijne kleuren
+zijn even fraai als zijn gestalte bevallig is. Hij vertegenwoordigt
+het ondergeslacht der Kraagfazanten, gekenmerkt door een betrekkelijk
+geringe grootte, slanke lichaamsbouw, een vederenpluim op den kop
+en een zeer langen staart. De halskraag van den haan bestaat uit
+veeren, die in den nek groeien, naar voren en naar onderen breeder
+worden en van den hals afstaan. De genoemde soort heeft oranje-
+of goudgele en eenigszins losbaardige kuifveeren; zij overschaduwen
+den grooten halskraag, welks veeren grootendeels oranjerood zijn met
+donker fluweelzwarten zoom, waardoor een reeks van evenwijdige, donkere
+strepen ontstaat; de veeren van den mantel, die grootendeels door den
+kraag overdekt is, zijn donker metaalglanzig groen met zwarten zoom,
+waardoor zij gezamenlijk op een schubbenkleed gelijken; de benedenrug
+en de bovendekveeren van den staart zijn hooggeel, het aangezicht,
+de kin en de zijden van den hals geelachtig wit, de onderhals en het
+onderlijf hoog saffraanrood, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood, de
+slagpennen roodachtig grijsbruin met roestrooden zoom, de stuurpennen
+op bruinachtigen grond zwart gemarmerd of netsgewijs geteekend en de
+verlengde, smalle bovendekveeren van den staart donkerrood. Het oog
+is goudgeel, de snavel witachtig geel, de voet bruinachtig. Totale
+lengte 85, staartlengte 60 cM. Bij 't wijfje is de grondkleur dof
+roestrood, op de onderdeelen in roestkleurig grijsgeel overgaande.
+
+
+
+De naaste verwant van den Goudlakenschen Fazant kreeg ter eere van Lady
+Amherst, die hem het eerst naar Europa bracht, den naam (Phasianus
+Amherstiae); wij zullen hem Diamantfazant noemen. De veeren van den
+halskraag zijn met uitzondering van haar donkeren zoom zilverwit;
+wit zijn ook de borst en de buik; de kuif is op het voorhoofd zwart,
+overigens rood; de hals, de bovenrug en de bovendekveeren van
+den vleugel zijn licht metaalachtig groen; door den donkeren zoom
+der veeren ontstaat een schubvormige teekening; de benedenrug is
+goudgeel, donker geschaduwd; de bovendekveeren van den staart hebben
+op bleek roodachtigen grond zwarte banden en vlekken, de buitenste
+zijn verlengd en koraalrood; de slagpennen zijn bruinachtig grijs
+met lichteren buitenzoom, de overige meer muiskleurig. Het oog is
+goudgeel, de naakte plek op de wangen blauwachtig, de snavel licht-,
+de voet donkergeel. Totale lengte 125, staartlengte 90 cM. De hen
+gelijkt op die van de vorige soort.
+
+
+
+Trans-Baikalië en het oosten van Mongolië tot in de nabijheid van
+den Amoer, benevens Zuid- en Zuidwest-China zijn het vaderland van
+den Goudlakenschen Fazant. De Diamantfazant bewoont Oost-Sitsjoean,
+Yuennan, Kweitsjow en Oost-Tibet. Beide houden zich in het gebergte
+op; de eerstgenoemde echter in een lageren gordel dan zijn verwant,
+die tusschen 2000 en 3000 M. boven den zeespiegel voorkomt. Dit gaat
+ook dan nog door, als beide hetzelfde gebergte bewonen.
+
+Hoewel het niet te loochenen valt, dat de Goudlakensche Fazant,
+wat aard en vermogens betreft, in hoofdzaak overeenstemt met de
+andere leden van zijn geslacht, mag men hem toch behendiger, vlugger,
+schranderder en verstandiger noemen dan den Boschfazant. Hij beweegt
+zich zeer sierlijk, kan sprongen doen, die wegens hun lichtheid
+en bevalligheid bewondering wekken, kronkelt zich met verrassende
+behendigheid tusschen de dichtste twijgen door en vliegt veel beter
+dan andere Fazanten. Zijn stem, die men trouwens zelden hoort, is
+een vreemdsoortig gesis. Hoewel er ook bij hem van hooge gaven geen
+sprake kan zijn en de angstvalligheid, waardoor de leden van zijn
+geslacht zich onderscheiden, ook bij hem in hooge mate schijnt voor
+te komen, mag men toch zeggen, dat hij zich eerder dan zijn inheemsche
+verwant in gewijzigde omstandigheden schikt en zich gemakkelijker laat
+temmen. Exemplaren, die van jongs af onder de leiding van den mensch
+zijn geweest, geraken weldra gewoon aan hun verzorger en onderscheiden
+hem zonder fout van vreemden, hetgeen bij andere Fazanten niet het
+geval is.
+
+Tegen het einde van April begint de baldertijd van den Goudlakenschen
+Fazant; deze laat nu vaker dan gewoonlijk zijn sissende lokstem
+hooren, beweegt zich meer dan vroeger, is zeer strijdlustig en schept
+behagen in het aannemen van een sierlijke houding, waarbij hij den kop
+benedenwaarts buigt, den kraag hoog opzet, de vleugels uitspreidt,
+den staart opheft en op zeer bevallige wijze allerlei wendingen en
+draaiingen maakt.
+
+Al wat tot lof van den Goudlakenschen Fazant gezegd kan worden,
+geldt ook, en in nog hoogere mate, van den Diamantfazant. Deze is nog
+sierlijker, nog behendiger, vlugger, schranderder en, wat de hoofdzaak
+is, meer gehard tegen ons klimaat, minder gevoelig dan zijn naaste
+verwant. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hem een groote toekomst
+wacht; daar hij alle eigenschappen bezit, die een goeden uitslag van
+zijn naturalisatie in onze gewesten, voor zoover deze mogelijk is,
+waarborgen.
+
+
+
+De meest typische vormen van de onderfamilie der Pauwvogels
+(Pavoninae)--de Pauwen (Pavo)--onderscheiden zich van alle andere
+Hoenderen door de sterke ontwikkeling van de bovendekveeren van den
+staart, die alle gewone afmetingen overtreffen; hieraan kunnen zij
+gemakkelijk herkend worden. De Pauwen zijn grooter dan de overige
+Hoenderen, krachtig gebouwd, tamelijk langhalzig, kleinkoppig,
+kortvleugelig, hoogpootig en langstaartig. De snavel is tamelijk dik,
+op den rug gewelfd, aan de spits haakvormig naar beneden gekromd;
+de lange loop draagt bij het mannetje een spoor. Het lichaam is met
+een grooten overvloed van veeren bekleed, die voor een deel met ronde
+vlekken (oogen) versierd zijn; de kop prijkt met een opgerichte en
+lange pluim, die uit smalle of slechts aan de spits gebaarde veeren
+bestaat; de huid om de oogen is naakt. In het derde levensjaar heeft
+de Pauw zijn volle schoonheid bereikt. Zijn vaderland is Zuid-Azië.
+
+
+
+De Pauw (Pavo cristatus), de stamvader van de fraaiste Vogels
+van onzen hof, is op den kop, den hals en de voorborst prachtig
+purperblauw met goudkleurigen en groenen weerschijn; de rug is groen
+en schelpsgewijs geteekend, daar elke veer een koperkleurigen rand
+heeft; de vleugels zijn wit met zwarte dwarsstrepen; het midden van
+den rug heeft een donkerblauwe kleur; de onderdeelen zijn zwart;
+de slagpennen en staartpennen hebben een licht nootbruine kleur; de
+bovendekveeren van den staart, die den "sleep" vormen en de stuurpennen
+geheel verbergen, zijn groen, losbaardig tot bij de hoekige spits,
+waarvan de met een oogvlek prachtig versierde, schijfvormige vlag
+het middelste deel uitmaakt; de 20 à 24 veeren van de kuif dragen
+slechts aan de spits baarden. Het oog is donkerbruin, de naakte ring
+er omheen witachtig; de snavel en de voet zijn hoornbruin. De lengte
+bedraagt 110 à 125, de staartlengte 60 cM., de sleep is 1.2 à 1.3
+M. lang. Bij het wijfje is de kuif aanmerkelijk korter en donkerder
+gekleurd dan bij het mannetje; de kop en de bovenhals zijn nootbruin,
+de veeren van den nek groenachtig met bruinachtig witten zoom, die
+van den mantel lichtbruin met fijne, dwarse golflijnen; de gorgel,
+de borst en de buik zijn wit, de slagpennen bruin, de stuurpennen
+donkerbruin met witten zoom aan de spits.
+
+De Pauw bewoont het vasteland van Indië en Ceylon en wordt in Assam en
+op Java [1] door twee verwante soorten vervangen. Hij bewoont wouden en
+dsjungels, vooral bergachtige streken, die door open land omgeven of
+met ravijnen doorsneden zijn; minder veelvuldig is hij in gewesten,
+die op onze hoogstammige bosschen gelijken. In den Nilgiri en in
+de gebergten van Zuid-Indië, komt hij voor tot op 2000 M. boven den
+zeespiegel; hij ontbreekt echter in den Himalaja; op Ceylon ontmoet men
+hem eveneens vooral in het gebergte. Volgens Williamson zijn wouden met
+dicht onderhout of hoog gras zijne liefste verblijfplaatsen, wanneer
+hier slechts geen gebrek aan water is; even gaarne houdt hij zich op
+in aanplantingen, die hem beschutting kunnen verschaffen en enkele
+hooge, voor slaapplaats geschikte boomen bevatten. In vele gewesten
+van Indië wordt hij als een heilige en onschendbare Vogel beschouwd;
+de inboorlingen achten het dooden van een Pauw een misdaad; de jager,
+die zich hieraan niet stoort, stelt zich aan levensgevaar bloot. In
+de nabijheid van vele Hindoe-tempels houden zich talrijke troepen
+van halfwilde Pauwen op, welker verzorging een van de plichten der
+geestelijken is; deze Vogels beseffen weldra de bescherming, die hun
+verleend wordt en toonen zich, althans jegens Hindoes, weinig schuwer
+dan de tamme exemplaren, die in onze hoenderparken grootgebracht zijn.
+
+Tennent verzekert, dat men, om zich een denkbeeld beeld te kunnen
+vormen van de schoonheid van den Pauw, hem in zijn eenzame
+wildernissen gezien moet hebben. Op Ceylon treft men hem in
+gewesten, waar zelden Europeanen komen en waar hij niet gestoord
+wordt, buitengewoon veelvuldig aan. Over dag ziet men deze Vogels
+bij honderden te gelijk; 's nachts kan men van hun voortdurend,
+luid geschreeuw niet slapen. Het prachtigst doet de Pauw zich voor,
+als hij in een boom is gaan zitten; de lange sleep, die soms half
+door de bladeren verborgen, soms uitgespreid is, verschaft den boom
+een heerlijk sieraad. Williamson beweert, dat hij in enkele deelen
+van Indië wel eens 1200 à 1500 Pauwen bijeengezien heeft, maar ze
+gewoonlijk bij troepen van 30 à 40 stuks aantrof. Over dag blijven
+deze gezelschappen meestal op den grond; slechts in de voormiddag-
+en avonduren bezoeken zij de open plekken in 't bosch of de naburige
+velden, om hier voedsel te zoeken. Bij vervolging tracht de Pauw
+zich zoo lang mogelijk loopend te redden; eerst als hij zekeren
+voorsprong heeft, gaat hij tot vliegen over. Zijn vlucht is plomp en
+ruischend. Gewoonlijk verheft de Vogel zich niet boven schothoogte;
+zelden vliegt hij ver. Men zou kunnen meenen, dat een aan den vleugel
+gewonde Pauw met een hevigen schok op den bodem zal neervallen; dit is
+echter niet het geval: de gekwetste staat zeer spoedig op en loopt dan
+zoo snel weg, dat hij in negen van de tien gevallen den jager ontkomt,
+wanneer deze hem niet onmiddellijk achtervolgt. Voor een Hond, of in
+'t algemeen voor een groot, viervoetig roofdier is de Pauw veel meer
+bevreesd dan voor den mensch, waarschijnlijk omdat hij van wilde
+Honden en Tijgers onaangename ervaringen heeft opgedaan. Als een
+Hond den Vogel op het spoor komt, begeeft deze zich zoo schielijk
+mogelijk in een boom en laat zich van hier niet zoo licht meer
+verdrijven. Ervaren jagers in Indië kunnen in streken, waar Tijgers
+huizen, uit de bewegingen der Pauwen met volkomen zekerheid afleiden,
+of een van deze Roofdieren zich in de nabijheid bevindt.
+
+Als een echt Hoen ontleent de Pauw zijn voedsel zoowel aan het dieren-
+als aan het plantenrijk. Hij eet alles wat ons Huishoen gebruikt,
+maar is wegens zijne grootte en lichaamskracht in staat ook sterkere
+dieren te overweldigen, o. a. Slangen van tamelijke lengte, die door
+hem gedeeltelijk opgegeten, althans gedood worden. Als het jonge koorn
+zich boven den grond verheft, begeeft hij zich geregeld naar de akkers
+om hier te grazen; als de pipal-vruchten rijp worden, gebruikt hij
+hiervan zooveel, dat zijn vleesch er een bitteren smaak door krijgt.
+
+In verband met de ligging van het door hem bewoonde gebied broedt de
+Pauw vroeger of later in 't jaar, in Zuid-Indië gewoonlijk tegen het
+einde van 't regenseizoen, in noordelijker gewesten ongeveer van April
+tot October. Volgens Irby verliest de haan zijn sleep in September;
+eerst in Maart heeft hij hem volkomen terug en kan dan dus aan de
+paring denken. Hij toont thans aan het wijfje zijne pronkveeren in
+haar vollen luister en gedraagt zich over 't algemeen op dezelfde
+wijze als zijn getemde afstammeling. Het nest, dat men gewoonlijk op
+een kleine verhevenheid, in het woud onder een grooten struik vindt,
+bestaat uit dunne takjes, droge bladen en dergelijke materialen en is
+even slordig gebouwd als dat van de andere Hoendervogels. De hen legt
+4 à 15 eieren, bebroedt ze met grooten ijver en verlaat ze slechts
+in den uitersten nood. "Bij verscheidene gelegenheden," zegt Jerdon,
+"heb ik wijfjes van wilde Pauwen op haar nest waargenomen. Als ik
+ze niet stoorde verroerden zij zich niet, hoewel ze mij duidelijk
+gezien hadden."
+
+De tijd, waarin de Pauw voor 't eerst naar Europa werd overgebracht,
+is niet met zekerheid bekend. Alexander de Groote kende geen getemde
+Pauwen, gelijk blijkt uit zijn bewondering voor de wilde, die hij
+gedurende zijn krijgstocht in Indië voor 't eerst zag. Hoewel de
+overlevering meldt, dat de eerste getemde Pauwen door Alexander
+naar Europa zijn zijn gebracht, was deze prachtige Vogel reeds veel
+vroeger naar 't westen verbreid. "Van Indië, waar hij vrij in de wouden
+leeft," schrijft Victor Hehn, "voerden Phoenicische zeehandelaars hem
+naar het gebied van de Middellandsche Zee. Dit blijkt, behalve uit
+een bepaald feit, dat op het begin van de 10e eeuw wijst, ook uit
+de vergelijking van de namen. De schepen, die Koning Salomo in de
+Edomitische havensteden liet uitrusten, brachten van hun reis naar
+Ophir, nevens andere kostbaarheden, ook Pauwen mede." Ten tijde van
+Pericles moet de Pauw in Griekenland nog zoo zeldzaam zijn geweest,
+dat men van verre kwam om hem te zien. Aristoteles noemt hem een door
+'t geheele land bekenden Vogel. Bij de feestmaaltijden der Romeinsche
+keizers speelde hij reeds een zeer belangrijke rol. Vitellius
+en Heliogabalus onthaalden hunne gasten op een gerecht, dat uit
+tongen en hersens van Pauwen en de duurste specerijen van Indië was
+samengesteld. Te Samos werden Pauwen gehouden in den tempel van Juno
+en was deze Vogel op de munten afgebeeld. In Duitschland en Engeland
+was hij, naar het schijnt, in de 14e en 15e eeuw nog zeer zeldzaam;
+daar het als een bewijs van rijkdom gold, dat Engelsche baronnen bij
+groote feestelijkheden een gebraden Pauw lieten opdragen, die met
+zijn eigen veeren versierd, en met pruimen, die destijds nog zeer
+zeldzaam waren, omgeven was. Gessner, wiens werk over natuurlijke
+geschiedenis in 1557 verscheen, was zeer goed met den Pauw bekend en
+gaf een uitvoerige beschrijving van dit dier.
+
+De meest in 't oog loopende karaktertrek van den Pauw is trotschheid
+en ijdelheid; hij toont deze eigenschappen niet slechts in het verkeer
+met zijn wijfje, maar ook jegens den mensch. Hij is echter bovendien
+vervuld van eigenwaan en heerschzucht. In een hoenderpark is hij
+dikwijls onuitstaanbaar lastig, omdat hij zonder eenige aannemelijke
+reden zwakkere dieren aanvalt en met verraderlijke boosaardigheid
+mishandelt of doodt.
+
+Van den winter heeft de Pauw weinig last: zelfs het bezit van een warm
+hok weerhoudt hem niet om bij de strengste koude gebruik te maken van
+de hooggelegen slaapplaats, die hij zich in den zomer uitkoos. Als het
+sneeuwt, laat hij zich niet zelden onbekommerd door de vlokken bedekken
+en lijdt er geen schade door. Wanneer men hem meer vrijheid laat,
+toont hij zich niet veeleischend en is met gewoon kippenvoer tevreden;
+trouwens gedurende zijne wandelingen over het erf en in den tuin zoekt
+hij een groot deel van zijn voedsel zelf. Hij eet met smaak allerlei
+soorten van groente; deze zijn, naar het schijnt, onmisbaar voor hem.
+
+
+
+De Pluimhoenderen (Lophophorus), die men tegenwoordig tot de Pauwvogels
+rekent, onderscheiden zich van de overige Hoenderachtigen hoofdzakelijk
+door den korten, flauw afgeronden staart, welks pennen niet dakvormig
+gerangschikt zijn, maar in één vlak liggen. Voorts kenmerken zij zich
+door den betrekkelijk krachtigen romp, de middelmatig lange vleugels,
+de nagelvormig verbreede en vooruitstekende spits van den bovensnavel,
+den middelmatig hoogen loop, die bij het mannetje met een spoor
+gewapend is en het prachtige vederenkleed van den haan. Het oog is
+met een naakte plek omgeven. Aan den achterkop komt een kuif voor,
+die uit vele aan den wortel baardelooze veeren bestaat, welke alleen
+aan de spits een vlag hebben.
+
+
+
+In de hooge woudstreken van den Himalaja, van de voorbergen in
+Afghanistan tot het uiterste oosten van het gebergte in Sikkim en
+Boetan, leeft op hoogten van 2000 à 3000 M. een prachtig Hoen,
+misschien het fraaiste van de geheele orde--het Pluimhoen, dat
+door de inboorlingen Monaul of Monal wordt genoemd (Lophophorus
+impeyanus). Het is moeielijk van de prachtige, metaalglanzige
+kleuren van dezen Vogel, die hieraan den naam "Glansfazant" dankt,
+een beschrijving te geven. De kop (met inbegrip van de pluim, die als
+'t ware uit gouden aren samengesteld is) en de keel zijn metaalachtig
+groen, de bovenhals en de nek iriseerend purper- of karmijnrood met
+robijnachtigen glans, de onderhals en de rug bronskleurig groen met
+goudgelen weerschijn, de mantel en de vleugeldekveeren, de bovenrug
+en de bovendekveeren van den staart violet- of blauwachtig groen,
+even glanzig als het overige vederenkleed, eenige veeren van den
+onderrug wit, de onderdeelen zwart, op het midden van de borst met
+groenen en purperen weerschijn, op den buik donker en zonder glans,
+de slagpennen zwart, de stuurpennen kaneelrood. Het oog is bruin,
+de naakte plek er omheen blauwachtig, de snavel donker hoornkleurig,
+de voet dof grijsgroen. De haan is 65 cM. lang, waarvan 21 cM. op
+den staart komen. De hen is aanmerkelijk kleiner en heeft geen pluim;
+hare kleuren (bruin met zwarte vlekken) missen den metaalglans.
+
+In de gewesten van Indië, die door den Monaul bewoond worden, kan
+men zich licht levende Hoenderen van deze soort verschaffen; als
+bergbewoners zijn zij echter niet bestand tegen de hooge temperaturen
+van de lagere landen; de meeste sterven onderweg. Hoewel zij den
+winter even goed verduren als de andere Fazanten, en de Vogels, die
+in volwassen toestand gevangen zijn, gemakkelijk aan het leven in de
+kooi gewend geraken, behooren zij in de dierentuinen nog steeds tot
+de zeldzaamheden. Hier houden zij zich, evenals in de vrije natuur,
+zooveel mogelijk verborgen, verschuilen zich bij voorkeur, als iemand
+nadert, zijn althans steeds eenigszins schuw, graven voortdurend in
+de zoden van hun perk en brengen hier weldra een groote wanorde teweeg.
+
+
+
+De naaste verwanten van de Pluimhoenderen zijn de Saterhoenderen
+(Ceratornis), zoo genaamd, omdat de kop van den Haan voorzien is van
+twee "hoorntjes": uitwassen van de huid, die opgericht kunnen worden
+en dan boven of achter den kop uitpuilen; zij ontspringen aan den
+achterrand van de naakte plek, die het oog omgeeft, waarvan zij als
+'t ware een voortzetting vormen. Deze plek strekt zich bovendien uit
+over de wangen en tot aan de onderkaak, hangt van voren samen met
+een naakte, voor opzwelling vatbare plek aan de keel en loopt naar
+beneden, aan weerszijden uit in een groote lel. Den aanzienlijksten
+omvang en de levendigste kleuren hebben deze huidaanhangsels,
+die door aandrang van bloed naar de vaten opzwellen, gedurende het
+"balderen" als de opgewondenheid van den haan haar grootste hoogte
+heeft bereikt. Onmiddellijk daarna verkrijgen zij een bescheidener
+voorkomen: de sterk gekrompen hoorntjes hangen slap naar beneden of
+verbergen zich tusschen de veeren, de lellen worden teruggetrokken en
+vormen een dwarsgerichte huidplooi, de naakte huid van het keelveld is
+aan een gerimpelden zak gelijk. Het mannetje is ongeveer zoo groot als
+een flinke Huishaan. Het zeer rijke, prachtig gekleurde en sierlijk
+geteekende vederenkleed is op den achterkop tot een kuif verlengd. De
+hen mist de naakte plekken aan den kop en is eenvoudiger gekleed.
+
+
+
+Het Saterhoen (Ceratornis satyra), dat het oostelijke gedeelte
+van het Himalaja-gebied, Nepal en Sikkim bewoont, heeft een vurig,
+bruinachtig rood vederenkleed met witte, zwart gezoomde vlekken;
+het voorhoofd en de kruin zijn zwart, de schuins naar buiten en naar
+achteren gerichte hoornen, de naakte keelplek en de lellen blauw met
+roode en gele vlekken.
+
+Bij den Jewar (Ceratornis melanocephala) is, behalve de kruin,
+ook de kuif op den achterkop zwart; van het vederenkleed is de
+hoofdkleur zwartachtig, op de bovendeelen met witachtig bruine,
+dwarse zigzagstrepen, op de onderdeelen met rood geschakeerd; de
+hals is van achteren en aan de zijden schel bruinrood; nagenoeg alle
+bovendeelen zijn met witte, ronde vlekken geteekend. In zijn meest
+uitgezetten toestand heeft het keelschild een tweelobbigen onderrand
+en vertoont een sterk naar voren gewelfd, spoelvormig middelveld (welks
+koornbloemen-blauwe grondkleur met licht kobaltblauwe vlekken geteekend
+is) en twee randvelden (met bloedroode vlekken op helder hemelsblauwen
+grond); de hoorntjes zijn turkooisblauw en loodrecht omhoog gericht.
+
+In de rijkst voorziene Europeesche dierentuinen treft men sedert
+eenige jaren Saterhoenderen aan (het eerste kwam in 1836 te Londen);
+zij zijn echter nog steeds hoog in prijs. De veelvuldigst voorkomende
+(Ceratornis Temminckii, uit China) kost ± 180, Ceratornis satyra ±
+300 gulden, de overige soorten zijn nog duurder. Zij verdragen de
+gevangenschap vrij goed en hebben zich zelfs in de kooi voortgeplant.
+
+
+
+De Spiegelpauwen (Polyplectron) verdienen een plaats tusschen de
+Pauwen en de Argusfazanten. Zij hebben een slanken romp, ongeveer
+zoo groot als die van een huishen; de lange, dunne loop is met 2 à 6
+sporen gewapend. De meeste soorten hebben een breeden staart, waarvan
+de pennen en de bovendekveeren bij de spits met een groote, eironde,
+metaalglanzig blauwe of groene, zwart gezoomde vlek versierd zijn.
+
+
+
+De fraaiste soort is de Tsjinkwis (Polyplectron chinquis, ook
+wel bicalcaratum genoemd, wegens zijn met twee sporen gewapenden
+loop). Deze bewoont Sumatra, Malakka, Assem en Birma. De hoofdkleur
+van zijn vederenkleed is bruin met fijne, donkerder golflijnen en
+lichtere stippels. Behalve de veeren van den staart, hebben ook die
+van den mantel, den rug en den staartwortel benevens de vleugelveeren
+groote, groenachtig blauwe oogvlekken, die een purperen weerschijn
+vertoonen. Totale lengte 60, staartlengte 25 cM.
+
+Naar men zegt, verkeeren alle Spiegelpauwen veel op den bodem en
+houden zich voornamelijk op te midden van het struikgewas; zij leven
+zooveel mogelijk verborgen in dichte wouden en worden daarom zelden
+gezien. Nu en dan treft men ze in diergaarden aan; zij verdragen de
+gevangenschap zeer goed, hoewel zij hier slechts bij uitzondering
+broeden. Door hunne gewoonten komen zij meer met onze Huishoenderen
+dan met onze Pauwen overeen.
+
+
+
+In het jaar 1780 kwamen voor 't eerst huiden van prachtige Vogels, van
+welker bestaan op Malakka, Sumatra en Borneo men reeds kennis droeg,
+naar Europa en wekten hier de algemeene bewondering. Kort daarna (1785)
+gaf Marsden het volgende bericht over de levenswijze van dit dier:
+"De Koewau of Argus is een buitengewoon fraaie Vogel, misschien is
+er geen fraaiere. Het is zeer moeielijk hem eenigen tijd in 't leven
+te houden, nadat men hem in het woud gevangen heeft. Ik heb nooit
+gezien, dat hij langer dan een maand de gevangenschap verdroeg. Hij
+heeft een natuurlijken afkeer van het licht. Op een donkere plaats
+is hij opgewekt van aard; hier hoort men soms zijn stem, waarvan
+zijn naam een nabootsing is; deze klinkt niet zoo scherp als die
+van den Pauw, maar is meer jammerend. Op klaarlichten dag zit hij
+volkomen onbeweeglijk. Zijn vleesch smaakt als dat van den Gewonen
+Fazant." Een oude Maleier, die door Wallace aangespoord werd, een van
+de Argussen te schieten, welker stem hij in de wouden van Malakka
+voortdurend hoorde, verzekerde, dat gedurende de 20 jaren van zijn
+jagersleven zulk een Vogel hem nog nooit onder schot, en in de vrije
+natuur zelfs nooit onder de oogen was gekomen. Toch wordt dit wild
+door de Maleiers hoog geschat en volstrekt niet zelden gevangen. "Te
+Padang, aan de westkust van Sumatra," schrijft Von Rosenberg, "werden
+mij dikwijls door de inboorlingen levende Koewau's voor f 1.50 à f 2
+per stuk aangeboden, waaruit af te leiden valt, dat zij in de wouden
+van het gebergte veelvuldig voorkomen. De inboorlingen zeggen, dat
+deze Vogel in Polygamie leeft. Zijn gang en houding komen overeen met
+die van den Pauw; de fraaie vleugels worden stijf tegen het lichaam
+aangedrukt en de staart horizontaal uitgestrekt. In den paartijd echter
+ziet men het mannetje met uitgespreide, tot op den bodem afhangende
+vleugels op open plekken in het woud fier rondstappen of "balderen";
+het eigenaardig, snorrend geluid, waarmede hij de hennen lokt, gelijkt
+niet op het geschreeuw, waarvan zijn naam een klankbeeld is. De hen
+legt, naar ik vernam, 7 à 10 witte eieren, iets kleiner dan die van
+een Gans, in een kunsteloos, in de dichte struiken verborgen nest. In
+de vrije natuur voedt de Koewau zich met Insecten, Slakken, Wormen,
+bladknoppen en zaden. Mijne gevangenen verkozen gekookte rijst boven
+ieder ander voedsel."
+
+De Argus (Argus giganteus) verschilt van alle bekende Vogels door de
+buitengewone lengte van de boven- en voorarmveeren. Deze verbreeden
+zich naar den top en hebben een zachte schaft, maar stijve baarden;
+de handpennen zijn zeer kort. Bij den stil zittenden Vogel is,
+behalve de oogvlekken op de laatste armpen, niets te zien van
+de eigenaardige pracht van het vederenkleed; deze valt eerst bij
+het uitspreiden van de vleugels en van den staart in 't oog. De
+kruin draagt korte, fluweelachtig zwarte veeren; de haarvormige
+veeren van den achterhals zijn geel en zwart gestreept, die van den
+middelrug hebben op geelbruinen grond ronde, donkerbruine stippels,
+die van de onderzijde zijn tamelijk gelijkmatig met roodbruine,
+zwarte en lichtgele banden en golflijnen geteekend. De buitenvlag
+van de armpennen vertoont op grijsrooden grond een dichte reeks van
+langwerpige, donkerbruine vlekken, die door een lichteren hof omgeven
+zijn; het wortelgedeelte van de binnenvlag is dicht bij de schaft
+op grijsrooden grond fijn wit gestippeld, overigens echter als de
+buitenvlag geteekend. De lange schouderveeren hebben op een fraaie,
+donker roodbruine grondkleur een teekening bestaande uit strepen,
+roodbruine, door een donkeren hof omgeven stippels, vlekken, lijnen,
+wolkjes, netbanden en groote, iriseerende, donker begrensde, licht
+gezoomde oogvlekken. De oogvlekken staan dicht bij de schaft op de
+buitenvlag en komen op de voorarmveeren duidelijker uit dan op de
+schouderveeren. De buitengewoon lange staart bestaat uit 12 zeer
+breede veeren, die elkander daksgewijs bedekken; vooral de beide
+middelste pennen steken ver voorbij de overige uit; hun lengte
+bedraagt 1.2 M., terwijl de geheele Vogel 1.7 à 1.8 M. lang is (de
+vleugellengte bedraagt 75 cM.; zonder de voorarmveeren echter slechts
+45 cM.). De langste stuurpennen zijn zwart; langs de schaft aschgrauw,
+verder buitenwaarts roodbruin, beide vlaghelften versierd met witte
+vlekken, die door een zwarten hof omgeven zijn; de overige stuurpennen
+gelijken op de genoemde, met dit verschil, dat de vlekken kleiner,
+meer in reeksen gerangschikt en dichter bijeengeplaatst zijn. De ring
+om het oog is roodbruin, de snavel ivoorwit. De naakte zijden van
+den kop zijn licht aschkleurig blauw; de karmijnroode voet is lang,
+zwak en ongespoord. De hen is aanmerkelijk kleiner; haar kleed is
+veel eenvoudiger van samenstelling en teekening.
+
+Sedert 1860 komt deze Vogel enkele malen levend in onze diergaarden
+voor.
+
+
+
+Onder den naam van Kalkoenen (Meleagrinae) worden eenige Amerikaansche
+Fazantvogels tot een onderfamilie vereenigd: zij zijn groot, slank
+gebouwd, hoogpootig, kortvleugelig en kortstaartig. De snavel is
+kort, dik, van boven gewelfd en gebogen, de loop tamelijk lang en met
+lange teenen voorzien, bij het mannetje gespoord; de vleugels zijn
+sterk afgerond, de derde slagpen is de langste; de staart, die uit
+18 breede pennen bestaat en een weinig afgerond is, wordt gewoonlijk
+hangend gedragen, maar kan door het mannetje opgericht worden; het zeer
+schitterend gekleurde vederenkleed is goed gevuld, maar uit harde,
+groote en breede veeren samengesteld. De kop en de bovenhals zijn
+onbevederd en met wratten begroeid; van den wortel van den bovensnavel
+hangt naar weerszijden een rolvormige, voor opzwelling vatbare lel
+naar beneden; een slappe, hangende huidplooi bevindt zich aan den
+gorgel. Als een bijzondere eigenaardigheid moet nog vermeld worden,
+dat enkele veeren van het voorste deel van de borst borstelvormig
+geworden zijn en ver voorbij de overige veeren uitsteken. Het vaderland
+van dezen Vogel is het noorden en oosten van Amerika.
+
+
+
+De Gewone of Noord-Amerikaansche Kalkoen (Meleagris gallopavo) is
+op de bovenzijde bruinachtig geel, met prachtigen, metaalachtigen
+weerschijn, elke veer met breeden, fluweelachtig zwarten zoom; de
+benedenrug en de staartdekveeren zijn donker nootbruin met groene
+en zwarte banden; de borst is geelachtig bruin, naar de zijden
+donkerder wordend; de buik en de schenkels zijn bruinachtig grijs;
+de stuit is zwartachtig; de slagpennen zijn zwartbruin (de handpennen
+met grijsachtig witte, de armpennen met bruinachtig witte banden),
+de stuurpennen op zwartbruinen grond met zwarte golflijnen, streepen
+en spikkels, de naakte deelen van kop en hals licht hemelsblauw, onder
+het oog ultramarijnblauw, de wratten lakrood. Het oog is grijsblauw, de
+snavel witachtig hoornkleurig, de voet bleekviolet of lakrood. Totale
+lengte 100 à 110, staartlengte 40 cM. Het vederenkleed van het wijfje
+is minder fraai en minder helder van kleur.
+
+Op het vasteland van Middel-Amerika wordt de Gewone Kalkoen vervangen
+door den iets kleineren, prachtig gekleurden Honduras-kalkoen of
+Pauw-kalkoen (Meleagris ocellata), die op den staart en op den rug
+blauwe, met zwart omzoomde, van achteren door een goudkleurigen band
+begrensde dwarsvlekken heeft.
+
+De beste beschrijving van de levenswijze van den wilden Kalkoen danken
+wij aan Audubon. Ook thans nog komen deze Vogels in de wouden van de
+staten Ohio, Kentucky, Illinois en Indiana, Arkansas, Tennessee en
+Alabama vrij veelvuldig voor. In Georgië en Carolina zijn zij minder
+talrijk, in Virginië en Pennsylvanië zeldzaam, in de dichtbevolkte
+staten reeds uitgeroeid. Zij leven tijdelijk in groote gezelschappen en
+zwerven ongeregeld rond; grazend doorkruisen zij de wouden, loopen over
+dag op den grond en rusten 's nachts op hooge boomen. Tegen October,
+als er nog slechts weinige boomzaden op den bodem gevallen zijn, reizen
+zij naar de lage oeverlanden van den Ohio en den Mississippi. De
+mannetjes vereenigen zich tot gezelschappen van 10 à 100 stuks en
+zoeken hun voedsel voor zich alleen; de wijfjes en de halfvolwassen
+jongen vormen afzonderlijke benden, die bijna even talrijk zijn en
+denzelfden weg volgen. Zoo gaan zij verder, altijd te voet, zoolang
+niet een Jachthond of een ander viervoetig roofdier hen komt storen
+of een breede stroom hen den weg afsnijdt. Als een troep Kalkoenen
+aan den oever van een rivier komt, verzamelen zij zich op het hoogste
+punt en blijven hier soms dagen lang, als 't ware overleggend, voordat
+zij tot het besluit komen om over te steken. De mannetjes zetten een
+hooge borst op en kakelen, alsof zij elkander moed willen inspreken;
+de wijfjes en de jongen volgen hun voorbeeld, zoo goed zij kunnen,
+totdat ten slotte bij stil weer het waagstuk ondernomen wordt en alle
+vliegend naar den overkant trekken. Eén van de hanen geeft hiertoe het
+sein door het geluid "kloek." Voor de oude Vogels is het oversteken
+van den stroom niet moeielijk, zelfs wanneer deze een Engelsche mijl
+breed is; de jongere en minder sterke leden van het gezelschap vallen
+echter dikwijls onderweg in het water en moeten dan den oever zwemmend
+trachten te bereiken. Zij leggen te dien einde de vleugels dicht tegen
+den romp aan, spreiden den staart uit, steken den hals naar voren en
+slaan hunne pooten zoo ver mogelijk uit; gewoonlijk bereiken zij op
+deze wijze den vasten wal. Hier loopen zij echter aanvankelijk rond,
+alsof zij verdoofd zijn en verliezen de voorzichtigheid, waarvan
+zij in andere omstandigheden blijken geven, zoo ver uit het oog, dat
+zij den jager gemakkelijk ten buit vallen. Als de Kalkoenen in een
+streek komen, die hun voedsel kan leveren, zijn zij gewoon zich in
+kleinere troepen te verdeelen, waarin ouden en jongen dooreengemengd
+zijn. Dit geschiedt gewoonlijk in 't midden van November. Later kan
+het voorkomen, dat zij, afgemat door de reis, zich naar de boerderijen
+begeven, bij de Huishoenderen voegen en met hen voedsel zoeken.
+
+Tegen het midden van Februari begint de voortplantingstijd. Als een
+wijfje haar loktoon laat hooren, antwoorden alle hanen in de buurt met
+snel opeenvolgende, rollende geluiden. Als de loktoon van den grond
+komt, vliegen alle onmiddellijk naar beneden, zetten, zoodra zij den
+bodem bereiken, onverschillig of het wijfje dan zichtbaar is of niet,
+den staart waaiervormig op, buigen den kop naar achteren, totdat hij
+tusschen de schouders ligt, laten de vleugels hangen en geven door
+de zonderlinge standen en geluiden, die wij van de tamme Kalkoenen
+gewoon zijn, hun opgewondenheid te kennen. Niet zelden geraken twee
+mannetjes dan met elkander in strijd en vechten zoo hevig, dat een
+van hen er het leven bij inschiet.
+
+Tegen het midden van April zoekt de hen een geschikte, zooveel mogelijk
+verborgen plaats uit voor haar nest, dat uit een ondiepe, slordig met
+veeren bekleede uitholling van den grond bestaat. De hen legt er 10
+à 15, soms ook wel 20 eieren in, die op donker roestgelen grond rood
+gestippeld zijn. Zij nadert het nest steeds met groote voorzichtigheid
+en dekt, als zij weggaat, de eieren zorgvuldig toe met droge bladen,
+zoodat het zeer moeielijk is een nest te vinden, tenzij door het
+opjagen van de broedende moeder. Als deze gedurende het broeden
+een vijand bespeurt, drukt zij zich neder en verroert zich niet,
+totdat zij bemerkt, dat men haar ontdekt heeft. Soms komt het voor,
+dat verscheidene hennen in één nest leggen: Audubon vond er eens drie
+op 42 eieren zitten. In dit geval wordt het gemeenschappelijke nest
+steeds door één van de wijfjes bewaakt, zoodat de eieren of jongen,
+althans van een zwak roofdier, geen gevaar loopen.
+
+Kort nadat de jongen uit den dop zijn gekomen, hetgeen gewoonlijk tegen
+den avond geschiedt, maken zij, door de moeder begeleid, hun eerste
+uitstapje, en keeren vervolgens in den regel naar het nest terug om
+hier den eersten nacht door te brengen. Later echter begeeft de hen
+zich met haar gezin naar het hoogste oord in den omtrek, omdat zij
+te recht de vochtigheid als het ergst kwaad voor haar teere jongen
+beschouwt. Reeds op den 14en levensdag zijn de kiekens, die tot dusver
+op den bodem moesten blijven, in staat om de vleugels te gebruiken;
+van nu af vliegt de familie iederen avond op een lagen tak; de jongen
+brengen hier onder de gewelfde vleugels van de moeder den nacht
+door. Nog iets later verlaat de oude met hare kuikens gedurende den
+dag het woud om partij te trekken van den overvloed van verschillende
+bessen, die op de open plekken van het bosch of op de weiden groeien
+en om zich aan den weldadigen invloed van de zon bloot te stellen. Na
+dien tijd groeien de jongen buitengewoon snel. Reeds in Augustus
+zijn zij in staat om een aanval van viervoetige dieren te ontwijken;
+de jonge haan komt tot het bewustzijn van zijn mannelijke kracht en
+oefent zich in het statig rondstappen en in het kakelen. Omstreeks
+dezen tijd vereenigen de ouden en de jongen van verschillende gezinnen
+zich tot troepen, die te zamen rondzwerven.
+
+Hoewel de Kalkoen aan pekan-noten en aan de vruchten van de winterdruif
+(Vitis rotundifolia) de voorkeur geeft en steeds veelvuldig voorkomt
+op plaatsen, waar deze vruchten overvloedig zijn, eet hij toch ook
+gras en kruiden van allerlei soort, graan, bessen en andere vruchten,
+voorts kleine Sprinkhanen en andere Insecten.
+
+Onder 't loopen licht de Kalkoen zijne vleugels dikwijls een weinig op,
+alsof het gewicht van zijn lichaam hem hindert, loopt dan eenige meters
+ver met wijd geopende vleugels; soms springt hij twee- of driemaal
+omhoog en zet daarna de reis over den bodem voort.--Zijne gevaarlijkste
+vijanden zijn, behalve de mensch, de Los, de Sneeuwuil en de Ooruil.
+
+In alle deelen van Amerika wordt met hartstochtelijken en niet
+altijd verstandigen ijver op den Kalkoen jacht gemaakt. Het liefst
+schiet men den haan, gelijk de Auerhaan, als hij aan het balderen
+is, en dit, zooals soms geschiedt, op een boomtak doet; de jager
+gebruikt ook wel Honden om het wild op te sporen, of tracht gewaar
+te worden, waar het slaapt of bij voorkeur voedsel komt zoeken, om
+het hier op te wachten. Deze jacht vereischt groote bedrevenheid en
+is wegens de schuwheid van het wild in 't geheel geen vermaak voor
+een zondagsjager. Gemakkelijker is het den dommen Vogel in een val
+te lokken. Daartoe worden in het bosch stammen van 2 à 3 M. lengte
+opeengestapeld tot een soort van blokhuis, dat men van boven met
+takkebossen bedekt; een greppel, die groot genoeg is om een grooten
+haan door te laten, leidt onder den wand door tot in het midden van
+de val; daar hij, met uitzondering van een opening binnen en een
+buiten het gebouw overdekt is, vormt hij een soort van tunnel. In de
+val en op den weg daarheen wordt maïs gestrooid. De Kalkoenen, die
+dit lokaas vinden, volgen het hierdoor aangeduide pad en laten zich
+door den overvloed van voedsel verleiden om in de val te gaan. De
+eene Vogel volgt den anderen, soms begeeft de geheele troep zich in
+het ruime gebouw. Na het opvreten van de hier uitgestrooide korrels
+kunnen de onnoozele Vogels de opening, waardoor zij zijn binnengegaan,
+niet terugvinden, loopen steeds langs den binnenwand van het gebouw,
+steken overal den kop tusschen de balken door en doen hier vruchtelooze
+pogingen om naar buiten te komen. Geen hunner komt op het denkbeeld om
+door het gat in 't midden van de vloer de val te verlaten, zoodat het
+geheele gezelschap den volgenden morgen den vogelaar in handen valt.
+
+De Spanjaarden, die aan het rijk der Azteken in Mexico een einde
+maakten, troffen hier den Gewonen Kalkoen als huisdier aan. Oviedo
+is de eerste schrijver, die van deze Vogels melding maakt. "In
+Nieuw-Spanje", zegt hij, "vindt men zeer groote en smakelijke Pauwen,
+waarvan er vele naar de eilanden en naar de provincie Castilia del
+Oro gebracht zijn en hier in de huizen van de Christenen opgefokt
+worden. De hennen zien er slecht uit; de hanen echter zijn fraai en
+pronken dikwijls met den staart, hoewel deze niet zoo groot is als die
+van de Pauwen in Spanje." De berichten over het voorkomen van den in
+'t wild levenden Kalkoen in Noord-Amerika zijn, volgens Baldamus,
+uit lateren tijd afkomstig. In Virginië vond men hem in 1584, in
+Pennsylvanië in 1753. Smyth trof hem in de onbebouwde gewesten ten
+westen van Virginië in kudden van meer dan 5000 stuks aan. Men is
+van oordeel, dat deze soort de stamvorm is van den Mexicaanschen,
+zoowel als van onzen Tammen Kalkoen, hoewel de bronskleur van het
+vederenkleed en de bundels van haarvormige veeren aan de voorborst,
+die den Wilden Kalkoen kenmerken, bij de meeste getemde rassen te loor
+gegaan zijn. In 1557 was de Tamme Kalkoen in Europa nog zoo zeldzaam
+en kostbaar, dat de Raad van Venetië, tot het tegengaan van de weelde,
+bepaalde, op wiens tafel "Indische Hoenderen" mochten komen. Dezen
+naam en ook de namen "Turkey" (in Engeland) en "Kalkoen" kregen de
+nieuwe huisvogels waarschijnlijk ten gevolge van de onderstelling, dat
+zij uit Calcutta of Turkije afkomstig zouden zijn. In Engeland werden
+zij, naar men zegt, het 15e jaar van de regeering van Hendrik VIII
+(dus in 1524), in Duitschland omstreeks het jaar 1534, in Frankrijk
+nog iets later ingevoerd. Tegenwoordig zijn zij als huisvogels overal
+verbreid. Het veelvuldigst vindt men ze misschien in Spanje en vooral
+in de boerderijen, die ver van de dorpen te midden van de dorre Campo
+gelegen zijn. Hier zag ik kudden van vele honderden stuks onder
+de leiding van herders, die hen 's morgens naar de weide drijven,
+over dag bijeenhouden en 's avonds weer naar huis geleiden. Hier te
+lande worden de Kalkoenen (behalve in de Betuwe) zelden gehouden,
+hoewel het fokken en mesten van deze dieren op groote schaal wel
+winstgevend is. Sommige hoenderfokkers schatten hen hoog; de meeste
+menschen mogen hen wegens hun geraasmakenden, opvliegenden aard niet
+lijden. Hun domheid is ongeloofelijk; ieder ongewoon verschijnsel
+brengt hen geheel van streek. "Men wordt er akelig van," zegt Lenz,
+"dat zij in den zomer, vooral als zij voor kuikens te zorgen hebben,
+dikwijls den geheelen dag naar den hemel kijken en onophoudelijk
+een jammerend "jaoeb jaoeb" laten hooren, alsof zij de zon voor een
+Arend en de wolken voor Gieren houden." Belachelijk is het te zien,
+hoe zij voor een kleinen Torenvalk vol angst op de vlucht gaan,
+alsof de duivel hen op de hielen zit. Zij hebben echter ook zeer
+goede eigenschappen; vooral de moederliefde van de hen, die in alle
+omstandigheden even groot blijft, verdient een eervolle vermelding.
+
+
+
+Meleager's zusters, ontroostbaar over den dood van haar broeder,
+werden in Vogels veranderd, welker veeren als met tranen besprenkeld
+schenen. Uit deze overlevering blijkt, dat reeds de ouden bekend
+waren met de Vogels, die wij Parelhoenderen noemen. In verscheidene
+geschriften uit den ouden tijd worden zij zoo nauwkeurig beschreven,
+dat wij althans bij benadering de beide soorten kunnen bepalen, die
+destijds bekend waren. Tevens berichten zij ons, dat de Parelhoenderen
+in Griekenland zeer veelvuldig gefokt worden, zoodat arme lieden ze
+als offers konden brengen. Na den Romeinschen tijd heeft men, naar
+'t schijnt, weinig acht op hen geslagen; misschien waren zij geheel
+uit Europa verdwenen, want eerst in de 14e eeuw wordt weder melding
+van hen gemaakt. Kort na de ontdekking van Amerika is de meest gewone
+soort door zeelieden naar de Nieuwe Wereld overgebracht, waar zij
+een voor haar uitnemend geschikt klimaat vond en weldra verwilderde.
+
+De Parelhoenderen (Numidinae), die de laatste onderfamilie van
+de Fazantvogels vormen, kenmerken zich door een krachtigen romp,
+korte vleugels, een middelmatig langen staart met zeer verlengde
+bovendekveeren, een over 't geheel goed gevuld vederenkleed,
+middelmatig hooge, gewoonlijk ongespoorde voeten met korte teenen
+en een krachtigen snavel; de kop en de bovenhals zijn in meerdere of
+mindere mate naakt en met pluim, kuif, kraag, helm en lellen versierd;
+een groote overeenstemming heerscht in hun vederenkleed, welks kleur en
+teekening--lichte, parelvormige vlekken op een donkeren grond--evenals
+de koptooi, bij beide seksen nagenoeg dezelfde zijn.
+
+
+
+Eenige minder bekende soorten, zooals het prachtige Oost-Afrikaansche
+Gierparelhoen (Numida vulturina) en het Kuifparelhoen (Numida
+cristata), van de Goudkust, vermelden wij slechts terloops en beginnen
+onmiddellijk met de beschrijving van den meest bekenden Vogel uit
+deze groep.
+
+Het Gewone Parelhoen (Numida meleagris), draagt een meer of minder
+langen, harden, helmachtigen kam of hoorn op het midden van de kruin
+en twee breede, tamelijk lange, vleezige, hangende lellen achter aan
+de onderkaak. Deze Vogel, die bij de ouden Meleagris werd genoemd en
+de stamvader is van het bij ons onder den naam Poule pintade bekende
+huisdier, heeft de bovenborst en de nek ongevlekt, lilakleurig, den
+rug en den staartwortel op grijzen grond met kleine, witte, donkerder
+gerande, parelvormige vlekken bezet, die op de bovenvleugeldekveeren
+grooter worden, gedeeltelijk ook ineenvloeien en op de buitenvlag
+der armpennen in smalle dwarsbanden veranderen; de onderdeelen
+zijn op zwartachtig grijzen grond tamelijk gelijkmatig met groote
+ronde, parelvormige vlekken versierd, de slagpennen bruinachtig
+(op de buitenvlag met witte banden, op de binnenvlag onregelmatig
+gestreept en gestippeld), de donkergrijze stuurpennen fraai bepareld
+en slechts de zijdelingsche voor een deel met banden versierd, die
+door het ineenvloeien van vlekken ontstaan. Het oog is donkerbruin,
+de wangstreek blauwachtig wit, de vleezige deelen van den kam, de
+keellellen, de washuidachtige opzwelling aan den snavelwortel rood, de
+helm hoornkleurig, de snavel geelachtig rood, de voet vuil leikleurig
+grijs, boven de plaats van aanhechting der teenen vleeschkleurig. De
+lengte bedraagt ongeveer 50 cM. De in gevangenschap gefokte, van
+vroeger getemde exemplaren afkomstige Parelhoenderen zijn echter vaak
+aanmerkelijk grooter.
+
+West-Afrika is het vaderland van deze soort; in de wouden van
+Middel-Amerika en op de West-Indische eilanden komt zij verwilderd
+voor.
+
+Naar het schijnt, komen de verschillende soorten van Parelhoenderen,
+wat levenswijze betreft, in hoofdzaken overeen. Als woonplaats
+verlangen zij gewesten, die bedekt zijn met een dicht, laagstammig
+woud, waarin ook open plekken voorkomen. Laag gelegen, rijk met
+struiken begroeide dalen, bosschen, waar dicht onderhout den bodem
+bedekt, steppen, die niet uitsluitend met grasachtige planten begroeid
+zijn, hoogvlakten in het gebergte tot op een hoogte van 3000 M. en
+zacht afhellende, met rotsblokken bezaaide, maar toch met een weelderig
+plantenkleed bedekte glooiingen voldoen aan alle eischen, die zij aan
+het terrein stellen. De gebergten van de Kaapverdische Eilanden die
+aan spitsen en diepe kloven zoo rijk zijn, leveren het Parelhoen een
+met zijn aard geheel overeenkomende woonplaats; daarom wordt het hier
+zeer algemeen gevonden; hoe grooter en woester het eiland, hoe stiller
+de wildernissen van de bergstreken zijn, des te veelvuldiger treft
+de reiziger er deze Vogels aan. Zij verlevendigen hier in talrijke
+troepen alle hoogten, vooral de lage wouden, die uit boomachtige
+euphorbias bestaan, omdat deze door den mensch zelden bezochte
+oorden hun veilige schuilplaatsen verschaffen. Daar de West-Indische
+eilanden dergelijke terreinen bezitten, heeft het Parelhoen zich
+hier spoedig aan de heerschappij van den mensch onttrokken en zijn
+vrijheid herwonnen. Reeds voor honderd en tachtig jaar was het op
+Jamaïca veelvuldig; tegenwoordig is het daar zoo algemeen, dat het
+soms een landplaag wordt. Ook op Cuba vindt men het velerwege, vooral
+in het oostelijke gedeelte van het eiland, omdat hier vele verlaten
+koffieplantages voorkomen, welker eigenaars op gronden, die nog niet
+door den roofbouw uitgemergeld waren, nieuwe landbouwondernemingen
+begonnen zijn. Tamme Parelhoenderen bleven op de braakliggende gronden
+achter; zij vermenigvuldigden zich hier sterk en verwilderden geheel.
+
+De Parelhoenderen zijn standvogels, hoewel niet in den strengsten
+zin van 't woord. Op plaatsen waar zij veelvuldig zijn, merkt men
+ze spoedig op. Zij hebben er slag van de aandacht te trekken, al
+ware het slechts door het op trompetgeschal gelijkend stemgeluid,
+dat zij in de morgen- en avonduren laten hooren.
+
+De Parelhoenderen vluchten altijd bij de nadering van een mensch. Zij
+zijn minder voorzichtig, dan schuw: door een rundveekudde worden zij
+verjaagd, een Hond doet hen letterlijk hun bezinning verliezen, een
+mensch brengt minstens een groote ontroering bij hen te weeg. Het is
+daarom niet gemakkelijk hun levenswijze na te gaan; men moet althans,
+om ze te naderen, zekere voorzorgen niet uit het oog verliezen. Als men
+goed gedekt een troep besluipt, welker geschreeuw men hoorde, dan ziet
+men de Vogels over een open plek loopen, tusschen de rotsblokken door
+rondzwerven of door het struikgewas sluipen. Gelijk de Indianen op het
+krijgspad, loopen de Parelhoenderen in lange reeksen achter elkander
+aan; wat de eene begint, wordt door de overige nagedaan. Afzonderlijke
+paren ontmoet men hoogst zelden, familiën, die soms uit 18 à 20 stuks
+bestaan, reeds vaker, gewoonlijk echter zeer talrijke troepen, die
+soms uit 6 à 8 familiën samengesteld zijn. De familiën blijven goed
+aaneengesloten en ook de troepen blijven steeds nauw verbonden. Als
+een familie of een troep op de een of andere wijze verschrikt wordt,
+splitst zij zich zoo, dat streng genomen ieder individu zijn eigen
+weg kiest. Alle rennen, loopen, vliegen of fladderen zoo haastig
+mogelijk naar een schuilplaats; zoodra de rust tot op zekere hoogte
+in de gemoederen teruggekeerd is, laten de hanen hun trompetgeschal
+weerklinken en lokken de geheele troep spoedig weer bijeen. Alleen
+wanneer zij reeds vroeger vervolgingen van den mensch te verduren
+hebben gehad, en nogmaals opgejaagd worden, zullen zij zich vliegend
+trachten te redden; ook dan vertrouwen zij, zoolang dit eenigermate
+mogelijk is, op hunne behendige voeten.
+
+Op een andere wijze gedragen zich sommige soorten van Parelhoenderen
+bij vervolging door een Hond of een ander viervoetig roofdier. Het
+is hun bekend, dat zij dezen vijand loopend evenmin ontkomen kunnen,
+als met behulp van hunne spoedig vermoeide vleugels. Daarom gaan zij
+ten spoedigste in een boom zitten en zijn bijna niet meer te bewegen
+om naar beneden te vliegen. Het schijnt, dat de eene vijand hun den
+anderen doet vergeten; dom driest laten zij nu den mensch, dien zij
+in andere omstandigheden zorgvuldig ontvlieden, in hun onmiddellijke
+nabijheid komen, kijken den jager met angstige gebaren, maar zonder
+een poging tot vlucht te wagen, in het geweer en vliegen eerst op,
+als de knal van het schot hun ontzetting nog doet toenemen. Ook
+nu handelen zij even onbezonnen als vroeger. Met het oog op den
+Hond wagen zij geen lange vlucht, maar vliegen hoogstens naar de
+naastbij gelegen boomen, gaan hier weer zitten en laten den jager
+voor de tweede, derde en tiende maal naderen. Als zij door een niets
+kwaads in 't zin hebbenden reiziger of door een jager, die geen buit
+meer verlangt, opgejaagd en niet door schoten opgeschrikt worden,
+vliegen zij evenals vroeger, maar begeven zich niet ver weg, strijken
+op een hooggelegen punt neer, kijken den vervolger nieuwsgierig aan,
+buigen den kop op een vreemdsoortige wijze voor- en achterover, laten
+eindelijk een schel geschreeuw hooren en zetten daarna hun vlucht
+voort. Om te slapen kiezen alle soorten hoog gelegen plaatsen uit,
+die hen de grootste veiligheid beloven. Hunne liefste slaapplaatsen
+zijn hooge boomen aan rivieroevers; ook stijgen zij, als de avond
+nadert, in de gebergten bij rotswanden omhoog en zoeken hier kammen
+en rotspunten uit, die voor andere dieren, althans voor roovende
+Zoogdieren, ontoegankelijk zijn.
+
+Hun voedsel is verschillend in verband met de door hen bewoonde
+gewesten en terreinen en hangt ook af van het jaargetijde. In
+de lente, in het regenseizoen, zullen Insecten waarschijnlijk hun
+voornaamste voedsel uitmaken; later eten zij bessen, bladen, knoppen,
+grassprietjes en eindelijk allerlei zaden. Op Jamaika komen zij in de
+koelste maanden van het jaar in talrijke troepen uit hunne wouden,
+verspreiden zich over de akkers en richten hier een aanzienlijke
+schade aan. De hen legt 5 à 8 (soms meer) vuil geelachtig witte,
+tamelijk glanzige buitengewoon hardschalige eieren en bebroedt ze 25
+dagen. De haan en de hen verwijderen zich nooit ver van hun gebroed
+en trachten door geschreeuw en door haastig heen en weer te loopen de
+aandacht van den mensch van hun nest af te trekken en op hen zelve
+te vestigen. De kuikens in het donskleed gelijken door uitzicht en
+voorkomen op jonge Fazanten; zij worden kort na het verlaten van het
+ei door hunne ouders weggeleid, groeien schielijk en nemen reeds,
+als zij de helft van de grootte der volwassenen bereikt hebben, deel
+aan al hunne zwerftochten; ook brengen zij dan geregeld met hen den
+nacht in de boomen door.
+
+De Parelhoenderen schikken zich gemakkelijker dan eenig ander
+wild Hoen in de gevangenschap, tam worden zij echter niet licht en
+waarschijnlijk nooit geheel; zij planten zich alleen dan in de kooi
+voort, als deze hun een groote ruimte aanbiedt. Daarentegen hechten de
+gevangenen zich soms in korten tijd sterk aan hun nieuwe woonplaats,
+zoodat men ze in huis en hof vrij kan laten rondloopen; zelfs aan den
+wagen, waarmede zij vervoerd worden, wennen zij zoo zeer, dat men ze
+op iedere pleisterplaats kan loslaten; des morgens, als het uur van
+het vertrek gekomen is, zijn zij stipt bij den wagen terug en laten
+zich zonder bezwaar opnieuw in hun kooi opsluiten. Zij zijn echter
+twistziek, liggen met de Huishoenderen en Kalkoenen voortdurend
+overhoop, worden zoo boosaardig, dat zij kinderen en volwassen
+hanen aanvallen, zwerven ver in 't woud rond, verbergen hun nest
+zooveel mogelijk, broeden niet ijverig en kunnen strenge koude niet
+verdragen. Aan den anderen kant verschaffen zij hun eigenaar genoegen
+door hun voortdurende bedrijvigheid, hun fraai vederenkleed en hunne
+zonderlinge standen en bewegingen gedurende het loopen.
+
+De Parelhoenderen hebben zeer vele vijanden. Alle leden van de
+Kattenfamilie in Afrika, Luipaarden, Geparden, Lossen, enz.,
+alle Jakhalzen en Vossen maken jacht op de ouden en de jongen, de
+Civetkatten vooral op de eieren en kuikens; alle groote Roofvogels
+vervolgen ijverig dit gemakkelijk te overmeesteren wild; zelfs
+de Kruipende Dieren maken het niet zelden buit; in de maag van
+een Reuzenslang van 2.5 M. lengte vond men een gaaf, volwassen
+Parelhoen. De mensch maakt overal met zekere voorliefde jacht op deze
+Vogels, daar zij zich zonder buitengewone inspanning laten verschalken,
+ofschoon zij door vervolgingen weldra zeer schuw worden. Op Jamaïca
+zet men hun graan voor, dat vooraf in rum of een dergelijk vocht
+geweekt werd; zij eten er van, tot zij bedwelmd zijn en laten zich
+zonder weerstand te bieden door den jager medenemen.
+
+
+
+De Hokkovogels (Cracidae), die een hoogst eigenaardige familie van
+Hoendervogels vormen, zijn groot of middelmatig groot en slank gebouwd;
+de snavel is in den regel langer dan bij de meeste andere Hoenderen;
+de washuid, die hem van achteren bedekt, strekt zich over de geheele
+neusgroeve, gewoonlijk ook over den teugel en de oogstreek uit en
+bekleedt een bij vele soorten op den snavelwortel aanwezigen knobbel;
+de voeten zijn middelmatig dik en lang, de teenen dun en met lange,
+tamelijk smalle, scherpe, flauw gekromde nagels gewapend, de vleugels
+sterk afgerond; de staart is zeer lang en breed; de stuurpennen
+naar de zijden een weinig verkort of nagenoeg gelijk van lengte. Het
+vederenkleed bestaat uit breede, afgeronde veeren, welker schaften
+meestal op een eigenaardige wijze verdikt zijn en eerst bij de spits
+dunner en smaller worden. Bij enkele soorten is de schaft in het
+midden wel tien- à twintig maal zoo dik als aan de spits en zes-
+à tien maal zoo dik als aan den wortel. Sombere kleuren hebben de
+overhand, hoewel ook lichtere voorkomen.
+
+
+
+Bij de Hokko's (Crax) is de snavel hoog, op den rug sterk gekromd,
+aan den wortel in den regel met een washuid bekleed en met knobbels
+versierd, die gedurende den paartijd aanmerkelijk zwellen; de smalle,
+stijve veeren van kruin en achterkop zijn meestal verlengd tot een
+kamvormige kuif, en eerst flauw naar achteren, met de spits echter
+naar voren gebogen. Alle soorten bewonen Zuid- en Middel-Amerika,
+met inbegrip van het zuiden van Mexico.
+
+
+
+De Gewone Hokko of Hokko-Pauwies (Crax alector), wiens naam op de
+geheele groep is overgegaan, heeft een gelen, weeken knobbel op den
+snavelwortel; met uitzondering van den buik, den stuit en den eindzoom
+der stuurpennen, die wit zijn, is hij glanzig blauwzwart; het oog is
+bruin, de voet vleeschkleurig. Totale lengte 95, staartlengte 32 cM.
+
+Deze soort wordt in het binnenland van Brazilië, van Guyana tot
+Paraguay, in alle wouden gevonden, in Suriname o. a. menigvuldig.
+
+Alle Hokko's zijn echte boschbewoners; zoo zij al het woud verlaten,
+geschiedt dit slechts voor korten tijd. Hoewel men ze dikwijls op den
+bodem aantreft, waar zij, voor zoover de grond effen is, met groote
+snelheid rondloopen, ziet men ze in den regel op de twijgen der boomen,
+gedurende den broedtijd paarsgewijs, in andere tijden van 't jaar
+drie, vier en meer stuks bijeen. In de boomkronen bewegen zij zich
+langzaam, hoewel betrekkelijk behendig; zij vliegen daarentegen laag,
+steeds in horizontale richting en nooit lang achtereen. Alle soorten
+trekken de aandacht door de stem; deze heeft steeds iets eigenaardigs,
+maar is al naar de soort zeer verschillend. Eenige brommen, andere
+fluiten, andere knorren, bij andere komt diep uit de borst het geluid
+"hoe-hoe-hoe-hoe", van nog andere kan men de stem door de lettergrepen
+"racka racka" nabootsen. Gedurende den paartijd schreeuwen zij het
+meest, vooral in den vroegen morgen.
+
+Het voedsel van de Hokko's in de vrije natuur bestaat hoofdzakelijk,
+misschien geheel, uit vruchten. Bij 't zoeken van voedsel onderscheiden
+zij en de Sjakoe-hoenderen zich van alle overige leden hunner orde,
+doordat zij niet in den grond woelen, maar, gelijk de Duiven, opzoeken,
+wat zich aan de oppervlakte bevindt, of afplukken, wat vastzit.
+
+De Hokko's broeden niet op den bodem, maar op boomen. "Zij bouwen
+hunne ondiepe nesten", zegt Von Martens, "uit rijsjes in takgaffels,
+niet bijzonder hoog boven den grond. Uit eigen ervaring en door de
+mededeelingen van de Indianen weten wij, dat het wijfje niet meer
+dan twee witte eieren legt, die grooter en dikker zijn dan die van
+Onze Hoenderen."
+
+Daar hun vleesch zoo malsch is als dat van Duiven, en in smaak op dat
+van Kalkoenen gelijkt, wordt op de Hokko's in Zuid-Amerika ijverig
+jacht gemaakt, vooral in den paartijd, omdat zij dan hun verblijfplaats
+verraden door hun luide stem. In het midden van het woud, ver van
+bewoonde oorden, zijn zij, naar men zegt, niet schuw. Behalve van
+het vleesch maken de Indianen ook gebruik van de stevige slag- en
+stuurpennen der gedoode Vogels; zij verwerken ze tot waaiers.
+
+De gevangen Hokko's, die men in nagenoeg alle nederzettingen van
+Indianen vindt, zijn als eieren uit het nest genomen en door Hoenderen
+uitgebroed; slechts in bijzonder gunstige omstandigheden planten de
+Hokko's zich in de gevangenschap voort.
+
+Volgens alle waarnemers kunnen deze Vogels gemakkelijk getemd
+worden. Sonnini zag in Guyana troepen tamme Hokko's door de straat
+rondloopen en zich, onbevreesd voor de menschen, vrij bewegen. Zij
+bezochten de huizen, waar men hun eens voedsel had gegeven, geregeld
+weer en leerden hunne verzorgers goed onderscheiden. Om te slapen,
+gaan zij op hoog gelegen plaatsen zitten, in de bewoonde oorden dus,
+evenals de Pauwen, op de daken der hooge huizen. BATES maakt melding
+van een gevangen Hokko, die zeer gemeenzaam was met zijn meester,
+zich als lid van het gezin scheen te beschouwen, bij iederen maaltijd
+tegenwoordig was, om de tafel liep, van den eenen dischgenoot naar
+den anderen ging om zich te laten voederen en soms den kop tegen den
+wang of den schouder van zijne vrienden wreef. 's Nachts sliep hij uit
+eigen verkiezing naast de hangmat van een klein meisje, waarvoor hij
+een bijzondere genegenheid had opgevat en dat hij op alle wandelingen
+volgde. Toch zijn tamme Hokko's niet bij iedereen gewild: zij zijn
+vervelend van aard en toonen eenige onhebbelijkheden; zoo slikken
+zij allerlei glinsterende voorwerpen, b.v. gouden knoopen, door en
+bederven deze door de sterke drukking van de spieren van hun maagwand.
+
+Het is moeielijk de Hokko's bij ons in 't leven te houden. Wel is
+waar zijn zij met het voedsel, dat voor hen bestemd is, tevreden
+en stellen in dit opzicht geen hooge eischen; maar zij verlangen
+in den winter een warmen stal, omdat hun anders minstens de teenen
+bevriezen. Ook zijn zij volstrekt niet verdraagzaam, maar twisten
+aanhoudend met andere dieren van hun soort of met andere Hoenderen;
+bij het gewone pluimvee kan men ze dus niet houden. Alleen wanneer men
+hun een ruime woning verschaft, kan men eenig genoegen van hen hebben.
+
+
+
+De Sjakoehoenderen (Penelope) hebben een slankeren romp dan de Hokko's,
+hun snavel is langer, lager en aan den wortel met een breede washuid
+bekleed, de voet korter, de staart betrekkelijk lang en sterk afgerond;
+zij hebben een naakte plek om het oog, een bijna naakte, slechts
+schraal met korte, kwastvormige of lange, haarachtige veeren bekleede
+keel; de verlengde veeren van den kop vormen een kap of kuif, maar
+nooit een kam. Aan de bovenzijde hebben somber metaalglanzig groen,
+bruin enz. de overhand; op de onderdeelen, vooral op de borst, zijn
+vele veeren lichter gezoomd.
+
+
+
+De Sjakoepemba (Penelope superciliaris) kenmerkt zich door een
+betrekkelijk aanzienlijke grootte, een middelmatig langen staart,
+handpennen die aan de spits sterk versmald zijn en een zacht
+vederenkleed; de kop draagt een middelmatig lange pluim en is op
+het voorhoofd, en aan de zijden naakt, zoo ook aan de keel. Het
+vederenkleed is op den bovenkop, den nek, den hals en de borst
+leikleurig zwart, op den rug, de vleugels en den staart metaalachtig
+groen met witgrijze en roestroodgele zoomen; op den buik en den
+stuit roestgeelachtig rood met bruine, dwarse golflijnen of bruin
+met roestgeelachtig roode zoomen. Het oog is bruin, de naakte plek
+er omheen zwart, de naakte keel donker vleeschkleurig, de snavel
+grijsbruin, de voet grijsachtig vleeschbruin. Totale lengte 60,
+staartlengte 27 cM.
+
+Middel- en Zuid-Amerika, van het zuiden van Texas tot Paraguay en
+Chili, zijn het vaderland van de Sjakoehoenderen; hoogstammige wouden
+verschaffen hun verblijfplaatsen. De verschillende soorten leven
+gewoonlijk naast, soms echter onder elkander, de eene aan de kust,
+de andere in bergstreken, eenige in de hooge gebergten tot op 2000
+M. boven den zeespiegel. De Sjakoepemba bewoont de wouden van de
+oostkust van Brazilië. Alle leden van groote soorten leven eenzaam,
+die van kleine zijn gewoonlijk vereenigd tot talrijke vluchten,
+welke aangroeien kunnen tot troepen van 100 of meer stuks. In den
+regel staat aan het hoofd van zulk een troep een mannetje, waaraan
+alle Vogels gehoorzamen.
+
+In verband met het eigenaardige maaksel van hun luchtpijp staat hun
+zonderlinge stem. De Sjakoehoenderen kondigen eerder dan andere
+Vogels door hun geroep het krieken van den dag aan, maar worden
+ook op latere uren nog vaak genoeg gehoord. Dit geschreeuw klinkt
+onaangenaam en kan niet goed in klankteekens uitgedrukt worden,
+hoewel de namen "Sjakoe," "Goean", "Pararakwa," "Apeti" en "Aboerri"
+geen verkeerd gekozen klankbeelden zijn. Volgens Owen maken sommige
+Sjakoehoenderen een bijna oorverdoovend getier. Een der leden van
+de troep begint met eenige sjirpende geluiden, de overige vallen
+achtereenvolgens in, het geschreeuw neemt meer en meer toe, totdat
+het eindelijk een voor het oor van den mensch bijna onverdragelijke
+hoogte bereikt. Hierna vermindert het en verstomt eindelijk geheel,
+hoewel slechts voor korten tijd.
+
+Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomvruchten en bessen. De
+Prins Von Wied vond in de maag van de door hem gedoode exemplaren
+ook steeds overblijfselen van Insecten.
+
+Alle Sjakoehoenderen bouwen hunne nesten te midden van de twijgen,
+of waarschijnlijk slechts bij uitzondering op den grond. Het nest
+bestaat uit droge of bebladerde takken en is tamelijk los gebouwd. De
+hen legt meestal 2 of 3 (soms 4 à 6) groote, witte eieren.
+
+Jong uit het nest genomen Sjakoehoenderen worden spoedig tam; het
+kost geen bijzondere moeite hen aan een bepaalde verblijfplaats te
+gewennen. Als Huishoenderen gaan zij af en aan in het oord, waar zij
+grootgebracht zijn, en komen er dikwijls na lange afwezigheid weer
+terug; zij ontbreken daarom nooit in de nederzettingen der Indianen
+en behooren tot hunne meest geliefde huisvogels. Slechts in één
+opzicht laten zij zich niet gaarne de wet stellen. Een stal of over
+'t algemeen een ruimte die afgesloten kan worden, bevalt hun niet als
+nachtverblijf; liever brengen zij op het dak van een huis of op een
+boom in de buurt den nacht door. Als men zich niet hen bemoeit, worden
+zij zeer gemeenzaam en laten zich zelfs op schoot nemen. Toch zijn
+zij niet voor huisdieren geschikt, daar zij zich in de gevangenschap
+niet voortplanten. Hierbij komt nog, dat zij, evenmin als de Hokko's,
+aan ons klimaat kunnen wennen, zeer gevoelig zijn voor ruw weder en
+hiervan werkelijk veel te lijden hebben.
+
+Daar de Sjakoehoenderen wegens hun uitmuntend vleesch ijverig gejaagd
+worden, zijn enkele soorten in sommige streken reeds uitgeroeid,
+terwijl van andere het aantal zeer verminderd is. De aanhoudende
+vervolging heeft hen zeer schuw gemaakt. Wanneer het den Indiaanschen
+jager gelukt is een troep van deze Vogels tot op geringen afstand
+te naderen, richt hij er gewoonlijk eene groote slachting onder aan;
+want hij kan er 3 of 4 met de blaaspijp dooden, voordat de overige hem
+opmerken en de vlucht nemen. De Vogel, die door het zonder gedruisch
+geschoten pijltje getroffen wordt, valt uit den boom, zonder dat zijne
+metgezellen iets anders weten te doen dan voor een oogenblik hunne
+werkzaamheden te staken, den naar beneden tuimelenden kameraad met
+lang uitgestrekten hals na te staren en schuw om zich heen te kijken
+naar de oorzaak van het ongeval.
+
+
+
+De Loophoenderen (Megapodidae) onderscheiden zich door hun wijze van
+broeden niet slechts van hunne verwanten, maar van alle Vogels der
+aarde. Zij leggen hunne buitengewoon groote eieren in een uit aarde
+en bladen samengesteld heuveltje, dus in een aan alle zijden gesloten
+nest, waarin de temperatuur door de rotting van de plantaardige stoffen
+tot zulk een hoogte stijgt, dat de eieren tot ontwikkeling komen. De
+jongen banen zich na het verlaten van de eierschaal een weg door den
+afval, die hen omgeeft; zij zijn bedekt met een dicht, donzig kleed,
+hebben volkomen ontwikkelde vleugels, maar geen staart; reeds op den
+eersten dag kunnen zij vliegen en zich zonder hulp van hunne ouders
+redden. De Loophoenderen vormen een uit 27 soorten bestaande familie,
+welker gebied zich van Celebes en Lombok over de Filippijnen, een
+deel van Polynesië en het Australische vasteland uitstrekt. Door
+hun lichaamsbouw zijn zij aan de Fazantvogels verwant, hoewel zij,
+althans eenige van hen, door hunne bewegingen en vooral door hun
+wijze van vliegen op de Ralvogels gelijken. Zij zijn middelmatig
+groot en kenmerken zich vooral door de hooge, langteenige, met
+stevige klauwen gewapende en dus in alle opzichten goed ontwikkelde
+voeten. Hun geraamte wijkt in enkele opzichten van dat der overige
+Hoendervogels af; vooral valt de wijdte van het bekken in 't oog,
+hetwelk met den buitengewonen omvang van het ei in verband schijnt te
+staan. De geringe grootte van de hersenen en de zeer eigenaardige wijze
+van uitbroeding der eieren wijzen op een lagen trap van ontwikkeling.
+
+
+
+De Eigenlijke Loophoenderen (Megapodius) vertoonen een zekere
+overeenkomst met de Rallen en Waterhoenderen. Hun romp is slank, de
+hals middelmatig lang, de snavel meestal korter dan de kop, recht, aan
+den wortel laag, vóór de spits gewelfd, de vleugels breed en stomp,
+de uit tien pennen samengestelde staart kort en afgerond, de loop
+zeer forsch en nog iets langer dan de lange, krachtige middelste
+voorteen, die, evenals alle overige teenen, met krachtige, lange,
+slechts weinig gebogen nagels voorzien is. De omgeving van het oog,
+de keel en de hals zijn naakt; de veeren van het achterhoofd zijn een
+weinig bij wijze van een kuif verlengd. Het vederenkleed is gewoonlijk
+goed voorzien, zwartachtig of bruinachtig. In grootte evenaren zij
+een middelmatige kip.
+
+
+
+Het Gewone Loophoen (Megapodius tumulus) van Noord-Australië houdt
+zich voornamelijk op aan het dicht met struiken en boomen begroeide
+zeestrand. Weinige Vogels zijn zoo schuw en moeilijk te naderen
+als deze; hij leeft paarsgewijs of eenzaam; zijn voedsel bestaat uit
+wortels, die zonder moeite met de krachtige klauwen worden losgekrabd,
+ook wel uit zaden en Insecten, vooral groote Kevers. Zijn stem gelijkt
+op het klokken van de Huishen en eindigt met een geschreeuw, gelijkend
+op dat van den Pauw.
+
+De nesthoopen zijn zeer verschillend van vorm, grootte en
+bestanddeelen. De meeste zijn dicht bij den waterkant gelegen en
+bestaan uit zand en schelpen, eenige bevatten slib en vermolmd hout. De
+nesthoopen van de Loophoenderen op Nieuw-Guinea zijn, volgens Haacke,
+doorgaans uit bladen samengesteld. Gilbert vond er een van bijna 5
+M. hoogte en 27 M. omtrek; terwijl van een tweede de omtrek ongeveer
+50 M. bedroeg. Hoogst waarschijnlijk worden de kolossaalste van deze
+heuvels door verscheidene opeenvolgende geslachten gebruikt en ieder
+jaar vergroot. De eieren liggen 2 M. diep onder den top en staan
+altijd loodrecht, met het dikke einde naar boven; zij zijn tamelijk
+verschillend van grootte, maar ongeveer gelijk van vorm.
+
+
+
+Gould's Loophoen (Megapodius Gouldii) werd door Wallace op Lombok
+waargenomen. "Het is ongeveer zoo groot als een kleine kip en
+vertoont slechts donker olijfkleurige en bruine tinten. Zijn voedsel
+is van gemengden aard, daar het uit afgevallen vruchten, Aardwormen,
+Slakken en Duizendpooten bestaat. Zijn vleesch is, als het goed wordt
+toebereid, blank en smakelijk." "De meeste dezer Vogels houden zich op
+in het schrale kreupelhout langs het strand, waar de bodem zandig is en
+overblijfselen van takjes, bladeren, schelpen, zeewier en dergelijke in
+overvloed gevonden worden. Van al die vuilnis maken de Loophoenderen
+ontzaglijke hoopen." "Toen ik deze hoopen op het eiland Lombok voor
+het eerst zag, kon ik nauwelijks gelooven, dat zij het werk waren
+van zulke kleine Vogels; ik heb ze later dikwijls ontmoet en één-
+of tweemaal verrast, terwijl zij bezig waren nesten te maken. Zij
+verwijderen zich eenige schreden, grijpen een bundel afval met één
+poot en werpen dien een heel eind achter zich. Zijn de eieren eens
+naar behooren begraven, dan schijnen zij er niet meer naar om te zien."
+
+
+
+"Ik had het geluk," zegt Wallace, een nieuwe soort (Megapodius
+Wallacei) te ontdekken, die Halmaheira, Ternate en Boeroe bewoont. Het
+is de fraaiste Vogel van dit geslacht, op rug en vleugels rijk
+getooid met banden van roodachtig bruin. Zijn levenswijze verschilt
+van die der andere soorten; hij houdt zich op in de bosschen van 't
+binnenland en begeeft zich naar het strand om eieren te leggen, die
+echter niet geborgen worden in een door hem bijeengekrabde hoop aarde,
+maar op den bodem van een in het zand gegraven gang, die omstreeks
+1 M. in schuinsche richting naar beneden loopt. Na het bedekken van
+de opening van de gang verbergt hij, naar het zeggen der inlanders,
+de sporen van zijn voetstappen, die van en naar de opening voeren, door
+in den omtrek op verschillende plaatsen den grond open te krabben of er
+indruksels van voetstappen te maken. Hij legt zijne eieren alleen 's
+nachts; op Boeroe werd eens 's morgens vroeg een Vogel van deze soort
+betrapt, juist toen hij te voorschijn kwam uit zijn hol; hierin werden
+verscheidene eieren gevonden. Naar het schijnt, zijn deze Hoenderen
+halve nachtvogels: laat in den avond en lang voor den morgenschemering
+hoort men hunne klaaglijke kreten. De eieren hebben een roestroode
+kleur en zijn naar verhouding van de grootte van den Vogel kolossaal,
+daar zij 75 à 85 mM. lang en 50 à 58 mM. breed zijn. Zij zijn goed
+eetbaar en worden door de inboorlingen ijverig gezocht."
+
+
+
+Met den naam Brush-turkey of Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami)
+duidt de Australische kolonist het Loophoen aan, dat hij het best
+heeft leeren kennen. Het vertegenwoordigt het geslacht der Talegallas
+(Catheturus), dat o. a. kenbaar is aan de ringvormige opzwelling
+van de huid, die van den voorhals naar beneden hangt; de kop en de
+hals dragen slechts weinige haarvormige veeren. De genoemde soort is
+op de bovenzijde fraai chocoladebruin, op de onderzijde lichtbruin
+met zilvergrijze vederzoomen, die dwarsbanden vormen. Het oog is
+lichtbruin, de nagenoeg naakte huid van kop en hals karmijnrood,
+de halslel oranjegeel, de snavel loodkleurig grijs, de voet licht
+chocoladebruin. Totale lengte 80, staartlengte 25 cM.
+
+"Hoe ver zich het verbreidingsgebied van dezen Vogel uitstrekt,"
+zegt Gould, "is nog niet op voldoende wijze bepaald. Men heeft hem in
+verschillende gedeelten van Nieuw-Zuid-Wales, van Kaap Howe tot aan
+de Moretonbaai gevonden. Naar ik vermoed, is hij het veelvuldigst in
+de dichte, nog weinig bezochte kreupelwouden langs de oevers van den
+Clarence en den Manning.
+
+"Het merkwaardigste verschijnsel in de levenswijze van dezen Vogel
+is, dat hij zijne eieren niet op de wijze van de andere Vogels
+uitbroedt. In 't begin van de lente krabt hij een zeer grooten
+hoop doode plantendeelen bijeen om als nest te dienen en laat de
+ontwikkeling van de jongen over aan de warmte, die ten gevolge van
+de rotting dezer plantaardige stoffen ontstaat. De voor dit doel
+dienende hoop wordt verscheidene weken voor den legtijd opgeworpen,
+heeft de gedaante van een kegel, welks middellijn de hoogte ver
+overtreft, maar is zeer verschillend van grootte; soms bestaat hij
+uit 2, soms uit 4 wagenvrachten bouwstoffen. De grootte van het nest
+en de volledige verrotting van de bestanddeelen der onderste laag
+schijnen recht te geven tot de onderstelling, dat het verscheidene
+jaren achtereenvolgens dienst doet en telkens door toevoeging van
+nieuwe stoffen weer bruikbaar wordt gemaakt. De heuvel komt tot stand,
+doordat de Vogels een zekere hoeveelheid materiaal met de voeten
+loskrabben en achter zich naar een middelpunt werpen. Zij ontblooten
+op deze wijze den omgevenden grond zoo volkomen, dat er nagenoeg
+geen blad of grashalm op blijft liggen. Als de hoop groot genoeg is,
+en de temperatuur daarbinnen een voldoende hoogte heeft bereikt,
+worden de eieren er in gelegd; deze worden om 't midden in een kring
+gerangschikt, op een onderlingen afstand van 25 à 30 cM., ongeveer
+op armdiepte, maar zoo, dat zij rechtop staan met het breede eind
+naar boven; vervolgens worden zij met bladen bedekt en aan zich zelf
+overgelaten. Zoowel van geloofwaardige kolonisten als van inboorlingen
+vernam ik, dat men in één hoop soms wel een schepel eieren kan vinden;
+ik zelf heb een vrouw gezien, die de helft van deze hoeveelheid in
+een naburig boschje gevonden had en naar huis droeg. Eenige van
+de inboorlingen beweerden, dat het wijfje zich voortdurend in de
+nabijheid van den hoop ophoudt, om de blootliggende eieren weder
+te bedekken en de uit den dop komende jongen bij te staan; andere
+daarentegen zeggen, dat de hen zich niet meer om de eieren bekommert
+na het leggen en dat de jongen zonder eenige hulp hun weg vinden. Eén
+punt is voldoende opgehelderd: zoodra de jongen uit het nest komen,
+zijn hunne vleugels genoeg ontwikkeld om hen in staat te stellen op de
+twijgen der boomen te vliegen; op even flinke wijze kunnen zij hunne
+pooten gebruiken; zij verkeeren dus in 't zelfde geval als een pas
+uit de pophuid gekropen Vlinder, nadat zijne vleugels gedroogd zijn."
+
+"De haan," zegt Sclater, "begint, als de broedtijd nadert, alle
+plantaardige stoffen, die binnen de grenzen van de voor 't nest
+bestemde plek liggen los te krabben, en achteruit te werpen, telkens
+een voet vol te gelijk. Daar hij zijn arbeid steeds aan den buitensten
+omtrek van het terrein aanvangt, ontstaat er in 't midden allengs een
+kegelvormige verhevenheid. Zoodra deze ongeveer 1.5 M. hoog geworden
+is, beginnen de Vogels haar effen te maken en daarna in 't middelpunt
+een holte te graven. Hierin worden met vaste tusschentijden eieren
+gelegd, die ongeveer 40 cM. onder den top van den heuvel in een
+kring gerangschikt zijn. Het mannetje houdt zorgvuldig toezicht op
+den voortgang van de ontwikkeling en let vooral op de warmte van den
+broedoven. Gewoonlijk heeft hij de eieren op zulk een wijze bedekt,
+dat boven deze slechts een ronde opening overblijft, waardoor de
+noodige luchtverversching plaats heeft en de overmaat van warmte
+ontwijken kan; bij warm weer neemt hij twee- of driemaal per dag
+bijna de geheele bekleedende laag weg.
+
+"Het jong blijft na het verlaten van het ei minstens 12 uur in den
+heuvel, zonder de geringste poging te doen om er uit te kruipen;
+het wordt gedurende dezen tijd door het mannetje even diep bedolven
+als de overige eieren. Op den tweeden dag komt het te voorschijn; het
+heeft dan goed ontwikkelde veeren; deze waren bij het verlaten van den
+dop nog verborgen in de kort daarna openbarstende scheeden. Het jong
+schijnt nu nog geen neiging te hebben om zijne vleugels te gebruiken,
+maar beweegt zich uitsluitend met behulp van de krachtige pooten. Des
+namiddags keert het naar het nest terug en wordt door den zorgvuldigen
+vader weder begraven, hoewel op geringere diepte dan vroeger; op den
+derden dag is het voor het vliegen volkomen geschikt."
+
+
+
+Het Hamerhoen, de Maleo (Megacephalon maleo), is kenbaar aan een
+harden, rondachtigen knobbel, die boven de neusgaten begint, het
+geheele voorhoofd bedekt en voorbij den achterkop uitsteekt. Zijn
+verbreidingsgebied is beperkt tot het noordelijke schiereiland van
+Celebes. Met tusschenpoozen van 10 à 12 dagen legt de hen, die de
+grootte heeft van een kleine kip, in gaten van den grond, die zij aan
+'t zeestrand uitkrabt, 6 à 8 steenroode eieren, welke zoo groot zijn
+als die van een Gans; de jongen ontwikkelen zich op dezelfde wijze
+als de overige Loophoenderen.
+
+
+
+"Een opmerkelijk heesch geschreeuw en gekras klonk mij van den met
+bosch begroeiden oever te gemoet," verhaalt Schomburgk. "Voorzichtig
+naderbij komend zag ik een verbazend grooten troep Vogels. Het
+waren Kuifhoenderen; de kolonisten noemden ze Stinkvogels. Hoewel
+de eerste naam wegens de lange veeren op den kop karakteristiek mag
+heeten, is toch de eigenschap, waarop de tweede naam gegrond is, nog
+duidelijker merkbaar: reeds op een vrij groote afstand, voordat deze
+Vogels zichtbaar zijn, wordt men op een zeer onaangename wijze van hun
+nabijheid onderricht. Zelfs de Indianen willen het Kuifhoen, hoe goed
+gevleescht het ook is, volstrekt niet eten, zoo afschuwelijk is deze
+reuk; het meest komt hij overeen met dien van verschen paardenmest; hij
+is zoo doordringend, dat men hem zelfs na jaren nog aan de gedroogde
+huid opmerkt. De troep, die ik zag, bestond stellig uit honderden
+Vogels; voor een deel zaten zij elkander tusschen de struiken door
+achterna, voor een deel vlogen zij juist op. Naar het scheen, was
+het hun paartijd."
+
+Eenige dierkundigen hebben het Kuifhoen een plaats aangewezen onder
+de Pisangvreters, waarmede het eenige overeenkomst vertoont. "Er
+is echter," zegt Desmurs, "een bovenmenschelijke werking van de
+phantasie of een echte afkeerigheid van eenvoudige, gemakkelijk
+verstaanbare feiten noodig om deze handelwijze te rechtvaardigen." Ook
+onder de Hoendervogels staat het Kuifhoen zeer geïsoleerd; het
+gelijkt echter op hen, vooral op de Sjakoehoenderen, meer dan
+op de Pisangvreters. Volgens Fürbringer vertegenwoordigt het een
+afzonderlijke familie (Opisthocomidae), die niet met de drie vorige
+in één groep kan worden geplaatst, maar in de onderorde der Hoenderen
+een afzonderlijke groep (Opisthocomi) moet vormen, welke met die der
+Hoenderen in engeren zin (Galli), op één lijn staat.
+
+De eenige soort, die hiertoe gerekend kan worden, is het Kuifhoen
+of Zigeunerhoen, ook wel Hoactzin en Sasa genoemd (Opisthocomus
+cristatus). Zijn ondersnavel is merkwaardig door den duidelijk
+waarneembaren kinhoek, de bovensnavel door een viertal inkervingen
+aan de achterhelft van den zijrand; de (bruine) voet heeft een korten
+loop en lange, niet door spanvliezen vereenigde teenen met lange,
+dikke, tamelijk gekromde, spitse nagels; de tamelijk lange (bruine)
+vleugels reiken in rust tot voorbij het midden van den langen, aan
+de spits afgeronden, uit 10 pennen bestaanden staart. Op den boven-
+en achterkop vindt men een uit smalle, spitse, witachtig gele veeren
+samengestelde kuif. De omgeving van het (lichtbruine) oog, de teugel en
+de wang zijn naakt en vleeschkleurig. De hoofdkleur van de bovendeelen
+is bruin, op de achterste armpennen groen iriseerend; de onderdeelen
+zijn lichter en valer; de vleugel heeft twee witte dwarsbanden,
+de staart een lichten eindband. Totale lengte 62, staartlengte 29 cM.
+
+Men weet zeer weinig van de levenswijze van dezen Vogel, die aan den
+bovenloop van den Amazonenstroom zeer veelvuldig is; men zegt, dat
+hij in polygamie leeft, in het bosch op boomen nestelt en slaapt,
+maar zich over dag aan moerassige rivieroevers ophoudt, waar hij
+zijn voedsel zoekt, dat uit jonge spruiten, bloemen en zaden van
+waterplanten bestaat. Misschien ontleent hij zijn onaangename lucht
+aan de vruchten van een soort van boomachtige aronskelk. Wegens deze
+eigenschap maakt mensch nog roofdier jacht op hem.
+
+
+
+De tweede onderorde van de Hoendervogels wordt gevormd door de
+Kortstaart-hoenderen of Tinamoe's (Crypturiformes). Zij hebben een
+kleinen en platten kop, met langen, dunnen, weinig gebogen snavel,
+een langen, dunnen hals, voeten met langen loop en zeer oneffen zool;
+de achterteen is altijd klein en aanmerkelijk hooger ingeplant dan
+de onderling niet vereenigde voorteenen; bij enkele soorten is hij
+zoo weinig ontwikkeld, dat alleen de nagel er van over is; de korte,
+ronde vleugels reiken niet verder dan tot op den benedenrug; de staart
+bestaat 10 à 12 korte en smalle pennen, die geheel verborgen zijn
+onder de lange dekveeren; soms echter ontbreken de stuurpennen geheel.
+
+De Kortstaarthoenderen zijn over een groot deel van Zuid-Amerika
+verbreid en bewonen de meest verschillende terreinen: eenige soorten
+steeds open gewesten, andere alleen de wildernissen van de wouden,
+sommige de vlakte, andere het gebergte; enkele komen uitsluitend op
+hoogten van 4000 M. voor. Zij leven bijna voortdurend op den grond,
+vliegen zelden, loopen daarentegen op de wijze van onze Kwartels
+snel te midden van de struiken of in het hooge gras, drukken zich
+bij dreigend gevaar plat op den bodem neer of verbergen zich in een
+graspol; alleen de in 't woud levende soorten zoeken 's nachts op
+de onderste dikke takken van boomen een veilige slaapplaats. Hunne
+lichamelijke en geestelijke vermogens zijn gering. Zij loopen
+buitengewoon snel, vliegen echter op logge wijze en doen het daarom
+ongaarne; in tijd van nood geraken zij geheel van streek. Hun stem
+bestaat uit verscheidene opeenvolgende, fluitende geluiden van
+verschillende hoogte, die soms in regelmatige verhouding onderling
+afwisselen en zich zoozeer onderscheiden van de stemmen van andere
+Vogels, dat zij onmiddellijk de aandacht trekken van vreemden zoowel
+als van inboorlingen. Hun voedsel bestaat uit zaden, vruchten, jonge
+spruitjes en Insecten. Sommige vinden, naar men zegt, in de vruchten
+van den koffieboom, van eenige palmen enz. hun voornaamste voedsel.
+
+Voor den jager nemen de Tinamoe's in Zuid-Amerika de plaats in van onze
+Veldhoenderen; zij worden door hen "Patrijzen" of "Kwartels" genoemd en
+ijverig gejaagd. Alle Roofdieren, de loopende zoowel als de vliegende,
+wedijveren in dit opzicht met den mensch; zelfs de Jagoear versmaadt
+de jacht op dit wild niet; gevaarlijk voor de jongen zijn bovendien
+nog eenige Insecten, b.v. Mieren, die in dicht opeengedrongen hoopen
+van de eene plaats naar de andere trekken. De mensch doodt deze Vogels
+met het geweer, zet vallen voor hen uit, jaagt ze te paard achterna,
+vangt ze met den werpstrik of brengt Honden op hun spoor. Deze worden,
+naar Tschudi verhaalt, door de Indianen opzettelijk voor deze jacht
+afgericht. De door hen opgespoorde Tinamoe vliegt omhoog, maar gaat
+spoedig weer op den grond zitten; de Hond jaagt hem ten tweeden male
+op; de derde keer springt hij op den vluchteling toe en bijt hem
+dood.--In gevangenschap ziet men deze Vogels dikwijls bij de Indianen,
+enkel ook wel in Europa; veel genoegen kunnen zij hun eigenaar niet
+verschaffen; het zijn vervelende dieren.
+
+
+
+Een der veelvuldigst voorkomende soorten van deze groep is de Inamboe
+of Ynamboeï (verbasterd tot Tinamoe) (Rhynchotus rufescens); hij
+onderscheidt zich door den betrekkelijk langen snavel (zoo lang als de
+kop) en een vrij aanzienlijke grootte; een korte staart en een kleine
+achterteen zijn hier aanwezig. De hoofdkleur is roestroodachtig geel;
+iedere veer van de bovenzijde, behalve de handpennen, heeft breede
+zwarte dwarsstrepen; de keel is witachtig. Oog, snavel en voet zijn
+bruin. Totale lengte 42, staartlengte 5 cM.
+
+De Inamboe behoort thuis in het Campos-gebied van Middel-Brazilië,
+vooral in de provinciën Minas Geraes en Goyaz, maar komt ook in vele
+gewesten van Argentië veelvuldig voor. Men vindt hier deze Vogels
+nooit tot troepen vereenigd, altijd alleen, op sommige plaatsen
+echter in zeer grooten getale. Zij zijn hier algemeen bekend,
+het meest gezochte wild van den jager, aan voortdurende vervolging
+blootgesteld en daarom schuw en voorzichtig. Den naderenden mensch
+ontvluchten zij loopend in 't hooge gras; slechts in den uitersten
+nood maken zij van hunne vleugels gebruik. Zij zijn zoo onbeholpen,
+dat zelfs knapen er vele van buit maken met een hoogst eenvoudigen
+lazo of werpstrik. Zij behooren tot het beste wild, dat den reiziger in
+Brazilië of Argentië wordt voorgezet. Het nest, dat zich op den bodem
+in het dichte struikgewas bevindt, bevat 7 à 9 donkergrijsachtige,
+naar paars zweemende eieren, welker schaal buitengewoon glanzig is.
+
+In de Europeesche dierentuin treft men soms Inamboe's aan; zij
+verdragen de gevangenschap uitmuntend, zijn niet veeleischend en
+planten zich, als zij behoorlijk verzorgd worden, ook wel in de
+kooi voort.
+
+
+
+De Snipstruisen (Apterygiformes), die de laatste onderorde van de
+Hoendervogels vormen, hebben uitwendig weinig overeenkomst met hunne
+ordegenooten. Hun romp is betrekkelijk ineengedrongen, de hals kort
+maar dik, de kop niet bijzonder groot, de snavel lang en dun, de
+voet betrekkelijk kort en vierteenig; de vleugels zijn zoo gebrekkig
+ontwikkeld, dat hun aanwezigheid eigenlijk eerst bij de beschouwing
+van het skelet blijkt; daar tusschen de veeren slechts korte stompjes
+te vinden zijn, die eenige onvolkomen, maar dikke schaften dragen;
+de staart ontbreekt geheel. De huid is met lange, lancetvormige,
+los afhangende veeren bekleed, die van de hals af naar onderen in de
+lengte toenemen; zij hebben een losbaardige vlag en een zijde-achtigen
+glans. Bij oppervlakkige beschouwing zou men den snavel met dien van
+een Ibes kunnen vergelijken; hij onderscheidt zich echter van dezen
+en van iederen anderen vogelsnavel door de plaatsing der neusgaten
+aan de spits. Aan het achterste uiteinde komt een washuid voor en
+van hier naar de spits strekken zich groeven uit. De pooten zijn
+zeer dik en kort, de drie voorteenen lang en forsch, met krachtige,
+voor 't graven geschikte klauwen gewapend; de dikkere en kortere
+achterteen, die een bijna verticalen stand heeft en bij het gaan
+den bodem niet aanraakt, draagt een nog forscheren klauw en gelijkt
+meer op de spoor van een Huishaan dan op een teen. Harde schilden
+bekleeden netsgewijs den loop, schubben de bovenzijde der teenen;
+aan de zijden hebben deze een smallen huidzoom.
+
+In het skelet onderscheidt men een bovenarm van 3, een voorarm van 2
+en een hand van 1 cM. lengte, de laatste voorzien met een scherpen
+klauw. In verband met de uiterst geringe ontwikkeling der voorste
+ledematen ontbreekt de kam op het borstbeen. Alle Vogels, die in
+'t laatstgenoemde opzicht overeenstemmen, werden vroeger onder den
+naam van "Gladborstigen" aan de overige Vogels (de "Kamborstigen")
+tegenovergesteld.
+
+De eerste Snipstruis, wiens overblijfselen in 1812 naar Europa werden
+overgebracht, kreeg den naam Apteryx australis (australis = zuidelijk),
+omdat hij, naar gezegd werd, in de wouden bij de Duskybaai op de
+zuidwestkust van het Zuidelijke eiland van Nieuw-Zeeland gedood was;
+een tweede exemplaar, dat van dezelfde plaats afkomstig heette te zijn,
+kwam in het Britsch Museum; andere voorwerpen van deze soort schijnen
+niet bekend te zijn geworden. (Zij hebben de grootte van een Huishen;
+lengte 67 cM.) Bijna alle Snipstruisen, die thans in de verzamelingen
+voorkomen, zijn van het Noordelijke eiland afkomstig en behooren tot
+een tweede soort (Apteryx Mantelli); deze zullen wij aanduiden met
+den naam Kiwi, waaronder hij bij de inboorlingen bekend is. Volgens
+Bartlett is zij iets kleiner dan de vorige, heeft naar verhouding
+een langeren loop met kortere teenen en klauwen en vertoont ook eenig
+verschil in kleur en bevedering. Een nog iets kleinere soort (Apteryx
+Oweni) werd in het noordelijke gedeelte van het Zuidelijke eiland
+gevonden; hiervan zijn de exemplaren zeer zeldzaam. Ook onderscheidt
+men nog een vierde soort (Apteryx maxima). Sommige onderzoekers
+erkennen echter slechts twee soorten. De Kiwi wordt in de onbewoonde,
+boschrijke streken van het Noordelijke eiland ook thans nog gevonden;
+in de bewoonde gewesten is hij echter geheel uitgeroeid; het is dus
+niet gemakkelijk er een exemplaar van te verkrijgen.
+
+Wat men van de levenswijze van den Kiwi weet, geldt waarschijnlijk
+voor alle Snipstruisen. Zij zijn nachtvogels, die zich over dag in
+gaten van den grond, bij voorkeur onder de wortels van groote boomen
+in het woud, verborgen houden en niet anders dan 's nachts op voedsel
+uitgaan. Dit bestaat uit Insecten en hunne larven, Wormen en zaden van
+verschillende gewassen. Zij leven paarsgewijs en kunnen buitengewoon
+snel loopen en springen. Na den mensch zijn Honden en Katten hunne
+gevaarlijkste vijanden. De inboorlingen lokken hen (natuurlijk 's
+nachts) door het nabootsen van hun geschreeuw. De Vogels worden door
+het fakkellicht van de jagers zoo in de war gebracht, dat deze hen
+met de handen grijpen of met een stok doodslaan kunnen. Voor deze
+jacht worden ook wel Honden afgericht. Aan de vervolging, die hij
+te verduren had, is het toe te schrijven, dat de Kiwi in bewoonde
+streken sinds lang niet meer gevonden wordt.
+
+Den Kiwi wordt de onbruikbaarheid van de vleugels tot op zekere hoogte
+vergoed door de snelheid zijner voeten. In het nachtelijk halfdonker
+beweegt hij zich voorzichtig en zoo stil als een loopende Rat, waaraan
+zijn verschijning dan eenigszins herinnert. Als hij staan blijft,
+trekt hij den hals in en schijnt dan geheel rond te zijn. Soms laat
+hij tot steun in deze houding de spits van den snavel op den grond
+rusten. Wanneer men hem over dag stoort, gaapt hij herhaaldelijk,
+spert althans op zeer vreemdsoortige wijze den snavel wijd open. Een
+uitdaging beantwoordt hij door een rechtstandige houding aan te
+nemen, den eenen voet tot aan de borst op te tillen en met dit wapen,
+zijn eenig, maar niet onbeduidend verdedigingsmiddel, even snel als
+behendig naar voren en naar achteren te slaan. Terwijl hij zijn voedsel
+zoekt, brengt hij aanhoudend een snuffelend gedruisch voort met de
+neusgaten, alsof hij speuren wil; het is echter niet uitgemaakt,
+of hij zich door het tastzintuig dan wel door het reukzintuig laat
+leiden; waarschijnlijk doen beide in dit geval dienst. Het is een
+zeer aardig schouwspel een Kiwi jacht te zien maken op de Wormen,
+die zijn voornaamste voedsel uitmaken. De Vogel beweegt zich hierbij
+zeer weinig, steekt echter zijn langen snavel telkens weer in den
+weeken grond, waarin deze meestal tot aan den wortel doordringt,
+en trekt hem daarna onmiddellijk terug, al of niet met een tusschen
+de spitsen van de snavelhelften vastgeklemden Worm; steeds geschiedt
+dit door een langzame beweging van den kop, zonder eenige medewerking
+van den romp. Nooit scheurt hij den gevangen Worm met een snellen
+ruk uit zijn schuilplaats naar boven; integendeel de meest mogelijke
+voorzichtigheid wordt in acht genomen om den buit ongeschonden te
+doen blijven. Als het lange dier eindelijk boven aarde gekomen is,
+brengt hij het door een plotselingen ruk in het keelgat en zwelgt het
+door. Af en toe eet hij ook verschillende Insecten en enkele bessen;
+bovendien slikt hij steentjes in.
+
+Over de voortplanting van de Snipstruisen waren een tijdlang
+wonderbaarlijke berichten in omloop; door waarnemingen aan gevangen
+exemplaren is men echter achter de waarheid gekomen. Waarschijnlijk
+heeft Webster van het broeden de eerste duidelijke beschrijving
+gegeven. "Voor ongeveer 14 jaren," schrijft hij aan Layard, "vond een
+inboorling het ei van een Kiwi in een kleine holte onder de wortels
+van een kauripijnboom (Dammara australis); hij trok, na het ei,
+uit het diepste van het hol ook den ouden Vogel naar buiten. De
+Nieuw-Zeelander, die den Kiwi scheen te kennen, verzekerde, dat
+deze altijd slechts één ei legt en dat het nest altijd een door den
+Vogel zelf gegraven hol is, dat gewoonlijk in drogen grond onder
+een boomwortel gemaakt wordt. Het ei wordt, naar zijn zeggen, met
+bladen en mos bedekt; de broeiing van deze plantaardige stoffen zou
+de noodige hoeveelheid warmte leveren om het ei te doen uitkomen;
+dit deel van de ontwikkelingsgeschiedenis zou 6 weken duren. Als het
+jong het ei verlaten heeft, zou de moeder komen om het te helpen."
+
+Gelukkig zijn wij in staat om deze mededeelingen tot op zekere hoogte
+te bevestigen, op grond van hetgeen men in den Londenschen dierentuin
+aan gevangen Snipstruisen waargenomen heeft. Sedert het jaar 1852
+heeft men hier herhaaldelijk één of meer van deze zonderlinge Vogels
+verpleegd. Het eerst aangekomen exemplaar was een wijfje; deze heeft
+verscheidene malen eieren gelegd, het eene ongeveer drie maanden
+na het andere; meermalen trachtte zij het ei uit te broeden en liet
+zich slechts met moeite van haar nest verdrijven. In 1865 kreeg dit
+wijfje een mannetje tot gezelschap; in 1867 gaven beide het voornemen
+te kennen om een paar te worden; het eerst maakte men dit op uit
+een luid geroep van het mannetje, waarop het wijfje met een korter
+en zachter geluid antwoordde. Den 2en Januari legde het wijfje het
+eerste ei, waarop zij een dag of iets langer bleef zitten. Toen zij
+het nest verlaten had, nam het mannetje haar plaats in en broedde
+van nu af onophoudelijk door. Den 7en Februari legde zij een tweede
+ei en verliet het nest onmiddellijk daarna. Bartlett, aan wien wij de
+bovenstaande berichten te danken hebben, vond de eieren in een kuil van
+het stroo op den vloer van het hok; zij lagen dicht bij elkander. Het
+mannetje zat er niet overlangs, maar overdwars op; zijn smal lichaam
+zou anders niet voldoende geweest zijn om de eieren, welker spitsen
+men naar buiten zag steken, te bedekken. IJverig bleef hij in dezelfde
+houding broeden tot aan den 25en April; toen hij eindelijk uitgeput
+het nest verliet, waren de eieren bedorven. Deze zijn buitengewoon
+groot, want hun gewicht bedraagt ongeveer het vierde gedeelte van
+het lichaamsgewicht der moeder.
+
+
+
+Van de Snipstruisen onderscheiden zich de Reuzenvogels (Dinornithidae)
+door de nog geringere ontwikkeling (of de volslagen afwezigheid)
+der voorste en de kolossale afmetingen der achterste ledematen,
+voorts door den korten snavel, welke aan dien van den struis
+herinnert. Sommige (Dinornis) missen den achterteen, andere
+(Palapteryx) niet. Uit sommige feiten blijkt, dat deze thans
+geheel uitgestorven dieren tijdgenooten waren van den mensch en
+met hem in het gemeenschappelijk bewoonde gebied in aanraking zijn
+geweest. De heldensagen van de Maoris of oorspronkelijke bewoners van
+Nieuw-Zeeland hebben tot onderwerp den strijd van hunne voorouders
+met Reuzenvogels, die zij Moa's noemen. Nevens de overblijfselen van
+deze dieren, die in groote hoeveelheid in de holen, alluviale gronden
+en moerassen van Nieuw-Zeeland voorkomen, vindt men soms steenen
+werktuigen, asch en andere sporen van de werkzaamheid van menschen uit
+vroegere tijdperken. De grootste skeletten, die men gevonden heeft
+(Dinornis maximus, ingens etc.), hebben een hoogte van 3 à 4 M. met
+scheenbeenderen van 80 cM. lengte en teenkootjes zoo groot als die
+van een Olifant. Deze skeletten zijn zoo veelvuldig, dat Julius
+von Haast bijna alle groote verzamelingen in Europa met volledige
+exemplaren heeft kunnen voorzien. Soms zijn alle beenderen nagenoeg
+in hun natuurlijken stand bijeen blijven liggen; eenige malen vond
+men daarnevens veeren en deelen van de huid, zelfs eieren, die een
+kuiken bevatten en op welker schaal de kleuren nog niet verbleekt zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] De Javaansche of Groenhalzige Pauw (Pavo muticus), die soms ook
+getemd voorkomt, verschilt van den Gewonen vooral door den vorm van
+de kuifveeren; deze zijn aan 't einde niet verbreed, maar over haar
+geheele lengte met een smalle vlag voorzien. Bovendien is de naakte
+huid van den kop, in plaats van zwart, om het oog lichtblauw, om
+de oorstreek fraai geel; de hals is groen in plaats van blauw. "De
+met oogen gesierde staart," schrijft Wallace, "is even groot en even
+schoon" als die van den Gewonen Pauw. Hij wordt op Java menigvuldig
+langs de boschkanten aangetroffen.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 27927-8.txt or 27927-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/7/9/2/27927/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.