summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/27914-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '27914-8.txt')
-rw-r--r--27914-8.txt1828
1 files changed, 1828 insertions, 0 deletions
diff --git a/27914-8.txt b/27914-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..716c923
--- /dev/null
+++ b/27914-8.txt
@@ -0,0 +1,1828 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Deel 2, Hoofdstuk 05: De Ralvogels; Hoofdstuk 06: De Kraanvogels
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: January 28, 2009 [EBook #27914]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE ORDE.
+
+DE RALVOGELS (Phalaridornithes).
+
+
+In vele opzichten herinneren de Ralvogels aan de Hoenderen, in enkele
+aan de Kranen. "Nestvlieders" als gene, hebben zij, evenals deze,
+"waadpooten", d.z. pooten, waarvan niet slechts de loop, maar ook
+een deel van 't onderbeen naakt is. De andere eigenschappen, die
+zij gemeen hebben, zullen genoemd worden bij de beschrijving van
+de kenmerken der familiën. Van deze bevat de orde er vier, verdeeld
+over twee groepen: de Moerashoenderen (Fulicariae) en de Hoenrallen
+(Hemipodii), die gezamenlijk één onderorde (Ralliformes) vormen. Tot de
+eerste groep behoort, behalve de soortenrijke familie der Ralachtigen
+(Rallidae) ook de soortenarme familie der Koetfuuten (Heliornithidae);
+de tweede groep omvat de kleine familiën van de Steltrallen (Mesitidae)
+en van de Snipkwartels (Turnicidae).
+
+
+
+De snavel van de Ralachtigen (Rallidae) is meestal middelmatig lang;
+de hoogte overtreft de breedte; de zachte huid, die den snavelwortel
+bekleedt, omsluit de smalle, in lange neusgroeven gelegen neusgaten,
+en neemt naar de spits in hardheid toe. De vleugels en de staart zijn
+kort, gene afgerond, deze uit 12, meestal zachte pennen samengesteld;
+de bovendekveeren zijn niet verlengd. De middelmatig lange loop
+draagt lange teenen en klauwen; de achterteen is goed ontwikkeld en
+rust over zijn geheele op den grond, daar hij op gelijke hoogte met
+de voorteenen aan den loop is gehecht.
+
+De Ralachtigen leven bij en in moerassen of andere stilstaande wateren
+van kleine waterdieren, zaden en andere plantaardige stoffen; zij
+nestelen bij het water in het riet en leggen 3 à 12 eieren. De jongen
+zijn bij het verlaten van het ei met dons bekleed en in staat om zich
+zelf te redden.
+
+De Ralachtigen bewonen een zeer uitgestrekt gebied; vele geslachten
+van deze familie zijn kosmopolitisch, verscheidene soorten over
+de halve wereld verbreid. Sommige, op afgelegen eilanden wonende
+soorten hebben het vermogen om te vliegen verloren. Dit geldt van
+de nog levende Gallinula nesiotis (het Waterhoentje van Tristan
+d'Acunha) en Notornis Mantelli (een Nieuw-Zeelandsche Vogel ter
+grootte van een Gans), voorts van verscheidene uitgestorven vormen,
+o.a. Notornis coerulescens (die op Réunion) en Notornis alba (die op
+Norfolk-eiland en Lord-Howe's-eiland bij Nieuw-Zeeland geleefd heeft),
+ook van Leguatia gigantea (een witte Vogel, zoo hoog als een Struis,
+die tot aan het einde der 17e eeuw op Mauritius gevonden werd).
+
+Ruim 150 soorten van Ralachtigen zijn bekend; deze worden verdeeld over
+twee onderfamiliën: de Waterhoenderen (Gallinulinae, met ongeveer 40)
+en de Echte Rallen (Rallinae, met ongeveer 110 soorten).
+
+
+
+De Waterhoenderen (Gallinulinae) zijn kenbaar aan de naakte
+voorhoofdsplaat achter den korten, meestal krachtigen, hoogen, dikken,
+op den rug gebogen snavel. De kop is groot, de hals middelmatig lang,
+de romp forsch; de voeten zijn stevig en middelmatig hoog, de teenen
+zeer lang en vrij of aan de zijden met vliezige lobben bezet, de
+vleugels en de staart zeer kort; zij hebben een goed gevuld, zacht,
+waterdicht, meestal effenkleurig vederenkleed.
+
+Alle soorten van deze onderfamilie bewonen meren, die rijk zijn aan
+rietachtige waterplanten, groote moerassen en broeklanden, plassen en
+met planten begroeide rivier-oevers; met uitzondering van de Koeten
+leven zij altijd bij en in zoetwater; zij bewegen zich veel in het
+riet en nog meer op den met planten bedekten waterspiegel, zijn in
+het loopen minder ervaren dan de Rallen, overtreffen deze echter door
+hun geschiktheid voor 't zwemmen en duiken, maar hebben, evenals zij,
+een plompe, onvaste en vermoeiende wijze van vliegen. Ook zij zijn
+niet zeer verdraagzaam, maar verdedigen met moed en vol ijverzucht het
+door hen gekozen gebied tegen indringers van hun soort en ook wel tegen
+andere Vogels. Kleine Vogels vallen zij met moordzuchtige bedoelingen
+aan; voor jonge nestvogels zijn zij zeer gevaarlijk. Daarentegen
+zijn het mannetje en het wijfje zeer aan elkander en aan hun kroost
+gehecht. Hun kunsteloos, van riet en andere waterplanten gebouwd
+nest wordt altijd in of althans in de nabijheid van het riet gebouwd,
+dikwijls zóó, dat het op den waterspiegel rust. Het broedsel bestaat
+uit 4 à 12 eieren, welker gladde schaal gevlekt en gestippeld is. De
+jongen komen met een zeer sierlijk, donker gekleurd dons bekleed ter
+wereld. Na den broedtijd verlaten ouden en jongen gemeenschappelijk
+hun vaderland en begeven zich naar zuidelijkere of in een ander
+opzicht gunstiger gelegen gewesten.
+
+Daar het voedsel van de Waterhoenderen grootendeels uit plantaardige
+stoffen bestaat, kunnen alle soorten gemakkelijk in de kooi gevoed en
+hier jaren lang in 't leven gehouden worden; men kan ze leeren vrij uit
+en in de kooi te gaan, zonder dat zij pogingen doen om te ontvluchten;
+zij volgen hun verzorger op den voet en worden alleen hierdoor lastig,
+dat zij, althans de grootste soorten, jonge huisvogels overvallen
+en dooden.
+
+Dit wild, hoewel minder smakelijk dan dat van andere moeras- en
+watervogels, geeft toch na behoorlijke toebereiding een bruikbaar
+gerecht. Ook door de schade, die enkele soorten aanrichten in oorden,
+waar zij zeer veelvuldig zijn, wordt haar vervolging door den mensch
+gerechtvaardigd. Bovendien hebben deze Vogels veel te lijden van
+roofdieren, vooral van Valken, hoewel zij door behendig te duiken
+en zich in 't riet te verbergen dikwijls aan hunne vijanden weten
+te ontkomen.
+
+
+
+Teenen, die met breede, gelobde zwemvliezen omzoomd zijn, komen voor
+bij de Koeten (Fulica) en onderscheiden haar van alle andere Ralvogels
+(behalve de Koetfuuten). Haar romp is krachtig en zijdelings weinig
+samengedrukt; de rechte, hooge snavel is korter dan de kop en met
+een groote, gezwollen voorhoofdsplaat verbonden; de zijdelings
+samengedrukte staart is zeer kort en onder de dekveeren verborgen,
+het vederenkleed zeer dicht.
+
+
+
+Een algemeen bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Meerkoet,
+in Friesland Meerkol, in 't Friesch Markol, bij Oirschot Meerkoot,
+in Cadzand Marolle genoemd (Fulica atra). Het vederenkleed is bij
+de oude Vogels nagenoeg effen leikleurig zwart, op den kop en den
+hals donkerder, op de borst en de buik lichter dan op den rug. Het
+oog is lichtrood, de snavel met de voorhoofdsplaat schitterend wit;
+de voet is groenachtig, langs den voorrand met gele tint, overigens
+en op de teenen loodkleurig. De jongen zijn grootendeels zwartachtig
+olijfbruin, van de keel tot op den krop witachtig. Het donskleed
+bestaat op den bovenkop uit roode, op alle overige lichaamsdeelen
+uit zwarte, wolachtige veeren. Totale lengte 47, staartlengte 8 cM.
+
+In Europa en Middel-Azië komt de Meerkoet overal voor, bovendien
+treft men haar 's winters in geheel Afrika, Zuid-Azië en Australië
+aan. Bij ons broedt zij overal op meren, plassen, poelen, veenputten,
+enz.; vroeger was zij echter op vele plaatsen talrijker dan thans;
+in het najaar zag men haar dikwijls in groote menigte op het IJ;
+nog treft men haar in dit seizoen in onze groote wateren aan. Toch
+mijdt zij in den regel zoowel de zee, als de stroomen en rivieren;
+het liefst vestigt zij zich bij meren en plassen, welker oevers met
+riet en dergelijke hooge planten begroeid zijn. In den winter bewoont
+zij de strandmeren en waterrijke moerassen van Zuid-Europa, Noord- en
+Middel-Afrika en maakt geen onderscheid tusschen zoet en zout water. De
+Meerkoeten verschijnen hier te lande in de lente, zoodra sneeuw en
+ijs gesmolten zijn, soms vroeger, soms later (gewoonlijk in Maart
+of April), blijven gedurende den geheelen zomer in dezelfde streek,
+beginnen in den herfst te zwerven, vereenigen zich, in tegenstelling
+met hare verwanten, tot talrijke zwermen op groote watervlakten,
+trekken in October en November naar het zuiden en overwinteren op
+plaatsen, waar zij open water vinden, soms zelfs in Middel-Europa.
+
+Zooals hare zwemvoeten doen vermoeden, beweegt de Meerkoet zich
+bij voorkeur op het water. Toch betreedt zij niet zelden het land,
+vooral in de middaguren om hier uit te rusten en hare veeren in orde te
+brengen. Zij loopt op den vlakken grond tamelijk goed, hoe ongeschikt
+hare bewegingsorganen voor dit doel ook schijnen; zij zwemt echter
+veel vaker en langer. Hare voeten zijn uitmuntende roeiwerktuigen,
+want, wat er aan de breedte van het zwemvlies ontbreekt, wordt door
+de lengte der teenen geheel vergoed. In het duiken wedijvert zij met
+vele Zwemvogels; zij daalt tot een aanzienlijke diepte af en roeit met
+behulp van hare vleugels een groot eind weegs onder water verder. Zij
+vliegt iets beter dan het Waterhoentje, maar altijd toch tamelijk
+slecht; zij maakt daarom slechts zelden van hare vleugels gebruik en
+geeft zich, voordat zij opvliegt, een zekere snelheid, door fladderend
+over het water te loopen en met de voeten zoo krachtig tegen het water
+te slaan, dat men het geplas op grooten afstand kan hooren. Haar stem
+is een doordringend, als "köw" of "kuuw" klinkend geluid, dat bij drift
+twee of driemaal snel herhaald wordt en dan wel eenigszins gelijkt op
+het geblaf van een hondje; bovendien hoort men van haar een korten,
+harden op "piets" gelijkenden toon en soms een dof geknetter.
+
+In aard verschilt zij in vele opzichten van het verwante Waterhoentje;
+zij is even weinig schuw, maar toch voorzichtig en houdt zich lang
+op den achtergrond, voordat zij gemeenzaam wordt, leert de menschen
+kennen en onderscheiden, vestigt zich daarom niet zelden in de
+onmiddellijke nabijheid van woningen, vooral van molens, hoewel zij
+over 't algemeen de nabijheid van den mensch meer vermijdt dan haar
+genoemde verwant. Gedurende den broedtijd bewoont ieder paar een
+bepaald gebied, waar het geen anderen duldt; onmiddellijk daarna
+vereenigen de gezinnen zich tot gezelschappen, die langzamerhand
+aangroeien tot ontzaglijke zwermen; in de winterkwartieren zijn de
+meren, die het meeste voedsel opleveren, soms over een werkelijk
+onafzienbare uitgestrektheid met deze Vogels bedekt. Ook hier zien
+deze gezelschappen niet gaarne andere Zwemvogels bij zich en trachten
+vooral de Eenden weg te jagen.
+
+Waterinsecten in alle levenstijdperken, Wormen, kleine Schaaldieren
+en allerlei plantaardige stoffen, die de Meerkoet van den waterspiegel
+afzoekt of van den bodem opduikt, vormen haar voedsel.
+
+Overal waar de Meerkoet een kleinen vijver tot woonplaats heeft
+gekozen, begint zij na haar terugkomst een nest te bouwen. Dit
+bevindt zich in den regel aan den waterkant in of bij het riet; het
+rust dikwijls op omgeknikte riethalmen of andere stengels, maar niet
+minder vaak op den waterspiegel. Omstreeks het midden van Mei bevat
+het 7 à 15 groote eieren met stevige en fijne, glanzige schaal, die
+op het licht leemkleurig gelen of bleek geelbruinen grond zeer fijn
+met donker aschgrauwe, donker- en zwartbruine stippeltjes en vlekken
+geteekend zijn. 20 of 21 dagen later komen de jongen uit den dop,
+die zich, zoodra zij droog geworden zijn, te water begeven.
+
+Hoewel het vleesch van de Meerkoet nog slechter smaakt dan dat van
+het Waterhoentje, wordt zij op sommige plaatsen toch ijverig gejaagd.
+
+Om de Meerkoet in gevangenschap te houden, moet men haar een grooten
+waterbak of een vijver als woonplaats kunnen aanwijzen. In dit geval
+leveren haar voortdurende bedrijvigheid zoowel als haar strijdlust en
+moed bij ontmoetingen met andere Vogels een aardig schouwspel op. Als
+men haar niet stoort, zal zij zich hier ook voortplanten en kan men
+dus de levenswijze van de aardige kuikentjes zonder moeite nagaan.
+
+
+
+De Waterhoentjes (Gallinula) verschillen van de Meerkoeten vooral door
+het gemis van zwemvliezen aan de lange, met een breeden zool voorziene
+teenen. De snavel loopt naar achteren in een voorhoofdsplaat uit, is
+eveneens recht, zijdelings samengedrukt en kegelvormig, doch langer
+en aan den zijrand met fijne tandjes voorzien.
+
+
+
+Het gewone Waterhoentje, in Friesland Riethennetje, in 't Friesch
+Reithoantje en Reithintje genaamd (Gallinula chloropus), heeft ondanks
+zijn eenvoudig kleed een zeer bevallig voorkomen. De mantel en de
+benedenrug zijn donker olijfbruin, de overige veeren donker leikleurig;
+de veeren van de zijden van den romp zijn op de buitenvlag wit, de
+achterbuik is wit gemarmerd; van de onderdekveeren van den staart zijn
+de middelste zwart, de overige wit. Het oog heeft om de pupil eerst
+een gelen, daarna een zwartachtig grijzen en eindelijk van buiten
+een rooden ring. De snavel is groengeel; bij de volwassen Vogels
+heeft de voorhoofdsplaat een fraaie, hoogroode kleur. De lichtgroene
+voet heeft boven het spronggewricht een rooden band. Totale lengte 31,
+staartlengte 6 cM. De jongen hebben een valere, meer olijfbruine kleur,
+wit gemarmerde onderdeelen en grijsbruine oogen.
+
+Ons Waterhoentje wordt in nagenoeg alle werelddeelen aangetroffen; de
+standvastig overervende kleurafwijkingen, die in verschillende landen
+voorkomen, geven geen aanleiding tot de onderscheiding van soorten. In
+Europa is het, behalve in het hooge Noorden, overal gemeen. Bij ons
+(en in Duitschland) is het een trekvogel, die in April (of reeds
+in het laatst van Maart) komt, dikwijls tot in October blijft en
+er zelfs enkel overwintert. Zij trekken waarschijnlijk bij paren
+en leggen vermoedelijk de reis grootendeels te voet af. In de lente
+komen het mannetje en het wijfje gewoonlijk in denzelfden nacht op
+de broedplaats terug.
+
+De meest geliefde verblijfplaats van het Waterhoentje is een kleine
+vijver vol kroos en dergelijke geheel of gedeeltelijk drijvende
+waterplanten, langs den rand met riet en zeggen begroeid of althans
+door struikgewas gedekt. Ieder paartje is er op gesteld een plas
+voor zich alleen te bezitten; groote watervlakken worden door
+verscheidene paartjes bewoond; ieder heeft zijn eigen gebied en
+duldt geen overschrijding van de grenzen. Strijdlustige mannetjes
+uit naburige plassen brengen elkander soms een bezoek; de uitslag van
+den hieruit voortvloeienden twist is steeds het terugdrijven van den
+brutalen indringer, daar het wijfje haar echtgenoot te hulp komt.
+
+Liebe zegt: "Gelijk de Zwaan als zinnebeeld van fiere majesteit kan
+gelden, is het Waterhoentje voor ons een toonbeeld van lieftallige
+bedrijvigheid. Gemakkelijk herkent men het aan zijn rood voorhoofd
+te midden van de andere Watervogels. Slechts weinige van deze toonen
+grootere talenten. Zeer behendig duikt het, of fladdert tusschen de
+riethalmen rond. Over dag rust het licht op den waterspiegel, met
+opgewipt staartje, vlug en bevallig, bijna als een Meeuw, rondzwemmend
+tusschen de bladen van plompen en kikkerbeet, nu eens naar rechts,
+dan weer naar links grijpend ter verkrijging van een klein, voor ons
+onzichtbaar voorwerp, af en toe een bosje hoornblad of duizendblad
+van den bodem opduikend en daarna aan den waterspiegel zoekend naar
+de hierin aanwezige Schelpdieren en Waterinsecten. Des avonds en
+des nachts klimt het gaarne bij het riet omhoog, met de lange teenen
+drie of vier stengels te gelijk omvattend; het doet dit bijna zonder
+gedruisch. In den paartijd bestijgt het vaak de stompen der knotwilgen,
+die den vijver omgeven, en houdt zich hier uren lang bezig. Als het
+opgeschrikt wordt, loopt het fladderend over de drijvende bladen van
+de waterplanten weg, of duikt, zoodat het uit den vijver verdwenen
+schijnt."
+
+Bijzonder goed verstaat het de kunst om zich te verbergen. Zelfs op
+een plaats, waar slechts eenige langstengelige waterplanten zijn,
+weet het zoo goed weg te kruipen, dat men het niet kan vinden. Als
+men voorzichtig bij een hoogen vijverdam opkruipt, waarachter de
+Waterhoentjes zich in 't open water ophouden, en plotseling boven
+op de kruin van den dijk springt, duiken de verschrikte Vogels
+onmiddellijk onder en laten zich niet weder zien. Met aandacht langs
+de oppervlakte van het water turend, ziet men dikwijls op een afstand
+van slechts weinige schreden, het blad van een waterlelie of plomp
+een weinig oprijzen en daaronder het zwarte oog van het Waterhoentje
+verschijnen, dat, zonder zich te bewegen, den bladsteel omvat houdt
+en, door het blad beschut, slechts een deel van den kop boven den
+waterspiegel opheft. Als men de proef vaak herhaalt, zal men ook de
+zachte beweging van het blad waarnemen, langs welks steel het hoentje
+naar boven klautert, en het juiste oogenblik kunnen treffen, waarin
+het de bladschijf voorzichtig optilt.
+
+De stem van het Waterhoentje is luid en krachtig. Zijn loktoon klinkt
+als "terr terr", het waarschuwend sein als "ker tet tet", of, indien
+het voor de jongen bestemd is, zacht als "koerr koerr". Bovendien
+laat het een scherp gekras hooren of een sterk, als "kuurk" klinkend
+geluid, dat vrees schijnt uit te drukken; gedurende het trekken hoort
+men van dezen Vogel een helder en ver schallend "kek kek".
+
+Het nest rust gewoonlijk op geknikte halmen en bladen van waterplanten
+of tusschen verscheidene planten op den waterspiegel, zeldzamer op
+een iets droger plekje te midden van het rietveld. Gaarne gebruikt
+de Vogel stukjes hout, planken, eendenhuisjes en dergelijke op het
+water drijvende voorwerpen als grondslag voor zijn nest. Met het
+bouwen houden beide echtgenooten zich bezig; soms geschiedt dit met
+eenige zorg, meestal echter slordig.
+
+Het Waterhoentjes-gezin levert een aangenaam schouwspel op. De
+jongen zwemmen naast en achter de ouden, begeerig uitziende naar
+de Insecten of Wormen, die voor hen gevangen worden en die zij
+zoo snel mogelijk in ontvangst nemen. Na weinige dagen hebben zij
+geleerd zelf hun voedsel te zoeken, hoewel de ouden hen ook dan nog
+leiden, waarschuwen en beschermen. Bij het eerste waarschuwende
+geluid verbergen zij zich onmiddellijk. Na verloop van een paar
+weken redden zij zich zelf, zoodat de ouden toebereidselen kunnen
+maken voor een tweede broedsel. Als ook deze jongen het ei verlaten
+hebben en op den waterspiegel verschijnen, wordt het schouwspel nog
+aantrekkelijker. De meer dan halfwassen jongen van het eerste broedsel
+bejegenen hun pasgeboren broers en zusters vriendelijk en voorkomend,
+voorzien hen met voedsel, dat zij hun in den bek stoppen of voor
+hen neerleggen, kortom, zij geven hun dezelfde bewijzen van liefde,
+als zij vroeger van hunne ouders ondervonden, en als deze thans nog
+aan de jongste leden van het gezin betoonen.
+
+Hoewel het Waterhoentje zijn voedsel meer aan de dieren- dan aan
+de plantenwereld ontleent en hoofdzakelijk allerlei Insecten,
+Kevers, Waterjuffers, Eéndagsvliegen, Waterwantsen, Waterslakken
+enz. verslindt, kan het toch gemakkelijk in de kooi gehouden en aan
+eenvoudig voedsel gewend worden. Het schikt zich weldra in zijn lot,
+sluit vriendschap met zijn verzorger en wordt bijna even tam als
+een Purperkoet.
+
+Bij ons wordt op het Waterhoentje geen jacht gemaakt, omdat zijn
+vleesch een grondige smaak heeft; in Zuid-Europa echter wordt het
+even onmeedoogend vervolgd als zijne verwanten.
+
+
+
+Een zeer groote voorhoofdsplaat kenmerkt de Purperkoeten
+(Porphyrio). In Europa broedt één soort van dit geslacht. De oude
+Grieken en Romeinen hielden bij hunne tempels tamme Purperkoeten,
+die als 't ware onder de bescherming van de goden stonden.
+
+De Blauwe Purperkoet (Porphyrio hyacinthinus) heeft het aangezicht
+en den voorhals fraai turkooisblauw, de achterkop, den nek, het
+onderlijf en de schenkels donker indigoblauw; de onderborst, de rug,
+de vleugeldekveeren en de slagpennen zijn helderder indigoblauw;
+de stuit is wit. Het oog is lichtrood, door een smallen, gelen ring
+omgeven, de snavel en de voorhoofdsplaat zijn prachtig hoog rood,
+de voet is roodachtig geel. Totale lengte 47, staartlengte 10 cM.
+
+Deze soort bewoont de moerassige en waterrijke gewesten van Italië
+(vooral Sicilië, ook Sardinië), Spanje, Portugal, Zuid-Rusland,
+Noordwest-Afrika en Palestina, maar dwaalt niet zelden af naar
+Noord-Italië en Zuid-Frankrijk (Provence en Dauphiné). Herhaaldelijk
+heeft men haar ook in Groot-Britannië en éénmaal in Zuid-Duitschland
+waargenomen. Tenzij de winter zeer streng is, blijven deze Vogels
+het geheele jaar in het land waar zij broeden.
+
+De Purperkoet, die in Oost-Afrika de vorige vervangt, is het
+even groote Sultanshoen, de Dickme der Arabieren (Porphyrio
+smaragdonotus). Deze soort, kenbaar aan den donkergroenen mantel,
+trekt in den herfst naar 't zuiden en is enkele malen naar Sardinië
+en Zuid-Frankrijk afgedwaald.
+
+Zeer zelden wordt Europa (Spanje, Italië) bezocht door de over geheel
+Afrika verbreide, aan de bovenzijde deels zwarte, deels bruinachtig
+groene, aan de onderzijde grootendeels blauwe, 27 cM. lange
+Dwergpurperkoet (Porphyrio Alleni).
+
+Alle Purperkoeten bewonen bij voorkeur moerassen in de buurt van
+graanvelden, dikwijls ook de rijstvelden zelve, die, zooals bekend
+is, voortdurend onder water worden gehouden en dus echte moerassen
+zijn. Dit geldt o.a. ook van de Purperkoeten der Soenda-eilanden
+(Porphyrio indicus). Door hunne gewoonten herinneren zij het meest
+aan onze Waterhoentjes; zij hebben echter een fierder houding en een
+statiger gang. Evenals deze zijn zij in staat om half fladderend, half
+loopend over een beweeglijke laag van drijvende planten te rennen. Zij
+kunnen zeer goed zwemmen, en gaan, evenals het Waterhoentje, dikwijls
+en gaarne te water. Zij maken ongaarne van hunne vleugels gebruik;
+zij fladderen een eindweegs onbeholpen voort en keeren dan schielijk
+naar den grond terug.
+
+Gedurende een deel van 't jaar eten de Purperkoeten uitsluitend
+plantaardige stoffen, n.l. jonge spruitjes van granen of andere
+gewassen, bladen en verschillende zaden, bij voorkeur rijst;
+gedurende den broedtijd echter zoeken zij de nesten op van de in 't
+moeras broedende Vogels, ook van die, welke sterker zijn dan zij,
+en plunderen deze. Als Roofvogels loeren de gevangen Purperkoeten
+op de Musschen, die uit haar etensbakje komen snoepen; als Katten
+liggen zij voor muizengaten op den loer. Een enkele houw met haar
+krachtigen snavel is voldoende voor het dooden van het slachtoffer;
+dit wordt vervolgens met den poot opgepakt en vastgehouden, met
+den snavel verscheurd en de stukken met den poot naar den snavel
+gebracht. Visschen eten zij gaarne.
+
+Alle Purperkoeten laten zich gemakkelijk temmen, wennen spoedig
+aan allerlei voer en aan hare huisgenooten, leven in vrede met de
+Hoenderen, voor zoover deze volwassen zijn, zwerven, als men haar
+meer vrijheid laat, in hof en tuin of op de straat rond, komen in de
+kamer, bedelen aan tafel en worden een sieraad van het hoenderperk,
+waar zij bij behoorlijke verzorging vele jaren blijven leven en zich
+ook voortplanten.
+
+
+
+Het voorhoofd van de Echte Rallen (Rallinae) is niet naakt, zooals
+dat der Waterhoenderen, maar bevederd. Deze onderfamilie, welker
+leden over de geheele aarde verbreid voorkomen, bevat sierlijke
+moerasvogels, met hoogen, zijdelings sterk samengedrukten romp,
+middelmatig langen hals en kleinen kop; de snavel is verschillend
+van vorm, zijdelings samengedrukt, zelden langer dan de kop; de
+voeten hebben een langen loop en lange voorteenen; de achterteen
+is steeds aanwezig; de vleugels zijn tamelijk kort en afgerond en
+reiken in rust niet tot aan de afgeronde spits van den langen, uit
+12 pennen samengestelden staart; het vederenkleed is goed voorzien,
+hoewel dicht tegen het lichaam aanliggend.
+
+De Rallen zijn wereldburgers; zij bewonen moerassige of althans
+vochtige gewesten, eenige vestigen zich in echte broeklanden of
+in plassen en meren, die rijk zijn aan rietachtige waterplanten,
+andere op weiden en graanvelden, enkele zelf in bosschen. Zij
+leiden een verborgen leven, vertoonen zich zoo weinig mogelijk en
+maken alleen in geval van grooten nood van hunne vleugels gebruik;
+meesterlijk hebben zij er trouwens slag van zich tusschen de planten
+van het door hen bewoonde gebied te verbergen. Alle zijn uitmuntende
+loopers, enkele zwemmen vrij goed, sommige kunnen zelfs duiken; zonder
+uitzondering vliegen zij echter slecht. Opmerkelijk is hun luide,
+in de meeste gevallen zeer eigenaardige stem, die zij in de avond-
+en morgenuren, maar dan soms lang achtereen zonder ophouden, laten
+hooren. Hunne zintuigen zijn goed, hunne geestvermogens voldoende
+ontwikkeld, hunne eigenschappen aantrekkelijk. Slechts weinige
+soorten leven gezellig, enkele vereenigen zich echter soms buiten
+den broedtijd tot kleine vluchten, die lang gemeenschappelijk op
+dezelfde plaatsen verblijf houden en zich ook wel gezamenlijk op reis
+begeven. Met Vogels, die niet tot hun soort behooren, of met andere
+dieren hebben zij geen verkeer. Hun voedsel ontleenen zij zoowel aan
+de plantenwereld als aan het dierenrijk. Zij gebruiken veel zaden,
+maar voeden zich ook gaarne, en voor een tijd zelfs uitsluitend, met
+Insecten en hunne larven, met Slakken en Wormen, met eieren van andere
+Vogels of zelfs met jonge vogeltjes, die het nest nog niet kunnen
+verlaten. De grootste soorten van de familie zijn echte roofvogels,
+die zelfs volwassene, kleine Gewervelde Dieren overmeesteren. Het
+nest wordt dicht bij het water, dikwijls er op, in biezen, riet
+en andere waterplanten gebouwd; het is tamelijk goed gevlochten,
+zoodat het water er niet in doordringen kan en bevat in de lente
+(in verschillende klimaten dus op ongelijke tijden) 3 à 12 eieren;
+deze zijn op bleeken grond donkerder gevlekt en gestippeld; zij worden
+door beide ouders uitgebroed. De met een wollig dons bedekte jongen
+zijn echte Nestvlieders en daarom uiterst moeielijk waar te nemen;
+men weet echter, dat zij zeer spoedig zichzelf kunnen redden en dat
+hunne ouders soms nog tweemaal broeden. Voor de jacht op Rallen is
+een goede Speurhond noodig; slechts nu en dan worden zij geschoten,
+hoewel het vleesch van verscheidene soorten zeer smakelijk is. Een
+grooter genoegen bereiden zij ons in de kooi; zij moeten echter, om
+goed te gedijen, een ruime woning hebben en met zorg behandeld worden.
+
+
+
+Op mooie avonden in de maand Mei hoort men bij weiden en akkers
+velerwege een zonderling, ratelend geluid, dat op het strijken met een
+houtje langs de tanden van een kam gelijkt. Het weerklinkt met weinige
+tusschenpoozen tot laat in den nacht en van vroeg in den morgen tot na
+het opgaan van de zon; zelden blijft het op dezelfde plaats, maar komt
+binnen bepaalde grenzen nu eens van hier, dan weer van daar. De Vogel,
+die dit geratel voortbrengt, is een vertegenwoordiger van het geslacht
+der Veldrallen (Crex); het is de Kwartelkoning, Wachtelkoning, Sprit,
+Spriet of Schriek, in Groningen Peerdsneers, in 't Friesch Taepert,
+in Limburg Bamptscher genoemd (Crex pratensis). Hem kenmerken de
+hooge, zijdelings sterk samengedrukte romp, de middelmatig lange
+hals en de tamelijk groote kop; de dikke, zijdelings samengedrukte,
+flauw gebogen snavel is korter dan de kop en op den rug gekield; de
+voet is middelmatig lang en bijna tot op het spronggewricht bevederd;
+in de bolle vleugels is de tweede handpen de langste; de staart is
+zeer kort en bijna geheel verborgen onder de dekveeren. Het gladde,
+maar niet bijzonder dichte vederenkleed is op de bovendeelen geelachtig
+olijfbruin met groote, bruinzwarte vlekken (de vleugels zijn echter
+roestkleurig), op de onderdeelen licht rosbruin, welke tint op de keel
+en den bek witachtig wordt en op de zijden van den romp door witachtige
+dwarsbanden afgebroken is. In den zomer zweemt de kleur van kop en hals
+naar grijs. Het oog is lichtbruin, de snavel roodachtig bruingrijs,
+de poot loodkleurig grijs. Totale lengte 29, staartlengte 2 cM.
+
+De Kwartelkoning is over Noord-Europa (tot 68° N.B.) en een groot
+deel van Middel-Azië verbreid. Zuid-Europa bezoekt hij geregeld op
+den trek, maar broedt er, naar het schijnt, slechts bij uitzondering;
+zijn winterreis strekt zich, naar mij gebleken is, tot in Middel-Afrika
+uit. Het volk meent, dat hij de Kwartels aanvoert en regeert; ook de
+Grieksche jagers beweren stokstijf, dat bij iedere vlucht Kwartels zich
+als aanvoerder een Kwartelkoning bevindt. Het is niet bekend, hoe het
+volk tot deze meening gekomen is, daar onze Vogel in aard volstrekt
+niet op den Kwartel gelijkt en niet eens in denzelfden tijd als deze
+trekt. Hij komt bij ons eerst in het midden van Mei aan en verlaat
+ons in September, terwijl andere meer noordelijk broedende exemplaren
+nog later (in October) bij ons doortrekken; hierdoor zijn zij in den
+herfst talrijker dan in andere tijden van 't jaar. Hij reist 's nachts
+en legt waarschijnlijk het grootste deel van den weg te voet af.
+
+De Kwartelkoning bewoont het liefst vruchtbare vlakten, zonder evenwel
+het heuvelland te vermijden, vestigt zich bij voorkeur op weiden,
+die door korenvelden omgeven of in hun nabijheid gelegen zijn,
+houdt echter evenmin van zeer vochtige als van zeer droge terreinen
+en schijnt dikwijls lang te moeten zoeken, voordat hij de rechte
+verblijfplaats vindt. Na afloop van den hooitijd begeeft hij zich in
+'t koren en als dit geoogst wordt, in het kreupelhout; dit doet hij
+echter niet, voordat de zicht en de zeis hem er toe dwingen.
+
+Ook hij is meer nacht- dan dagvogel; gedurende den warmsten tijd van
+den dag zwijgt hij althans, terwijl hij zich, met uitzondering van de
+uren omstreeks middernacht, den geheelen nacht door laat hooren. Hij
+loopt buitengewoon snel, met omlaag gehouden kop, ingetrokken hals
+en horizontalen romp; bij iederen stap knikt hij met den kop. Zijn
+ongemeen smal lichaam stelt hem in staat om overal gemakkelijk doorheen
+te dringen en zelfs, daar waar geen paden zijn, snel door het dichte
+gras te loopen. Hij vliegt snel, rechtuit, met slap afhangende pooten,
+dicht bij den grond langs en slechts over korten afstand; men kan
+hem moeielijk doen opvliegen.
+
+Ondanks zijn lief en aardig voorkomen is hij jegens soortgenooten
+en zwakkere dieren zeer onvriendelijk. Ook hij leeft van roof en is
+waarschijnlijk een van de ergste plunderaars van nesten. Reeds Naumann
+heeft bij gevangen Kwartelkoningen opgemerkt, dat zij bijtlustig en
+heerschzuchtig zijn; hij zag ook, dat zij kleine Zangers of Vinkachtige
+Vogels met den snavel mishandelden, of zelfs doodbeten en daarna
+de hersenen opvraten; zelfs vond hij bij hun etensbakje Muizen,
+die zij gegrepen en gedood hadden. In alle overige opzichten is de
+Kwartelkoning zeer aanbevelenswaardig voor de kooi; hij is een van
+de grappigste en gezelligste Vogels, die men houden kan.
+
+Onmiddellijk na de terugkomst in het vaderland begint het paar aan
+de voortplanting te denken; bijna onophoudelijk hoort men dan het
+geroep "errp errp errp" of "knerrp knerrp". Het minnekoozen gaat
+gepaard met een teeder "kju kjo klè", zoowel van het mannetje als
+van het wijfje. Het nest wordt gebouwd, als het gras hoog genoeg is
+opgeschoten, in vele jaren derhalve niet vóór het einde van Juni. In
+dit opzicht gelijkt de Spriet op den Kwartel, vandaar het oude en
+zeer juiste volkrijmpje:
+
+
+ "In de maand van Mei
+ Leggen alle Vogels hun ei,
+ Behalve de Kwartel en de Spriet,
+ Die leggen in de Meimaand niet."
+
+
+Op een droge plek te midden van hun gebied, krabben zij een kuiltje in
+den grond en bekleeden dit op kunstelooze wijze met droge grashalmen,
+grasbladen, mos en fijne wortels. Het aantal eieren wisselt in
+de meeste gevallen af van 7 tot 9, maar kan tot 12 klimmen. Deze
+zijn betrekkelijk groot, van een fraaien eivorm, met stevige,
+fijnkorrelige, gladde, glanzige schaal, die op geelachtigen of
+groenachtig witten grond met fijne geelachtig roode of lichtroode,
+roodbruine en aschkleurig blauwe vlekken meer of minder overvloedig
+bezaaid is. Het wijfje broedt gedurende 3 weken zoo ijverig, dat
+zij zich soms met de hand van het nest laat opnemen, niet eens voor
+de zeis vlucht en dikwijls het slachtoffer wordt van haar trouw. De
+jongen zijn met zwart, wollig dons bekleed, loopen spoedig uit het
+nest, worden door de moeder bijeengehouden, antwoorden piepend op
+haar geroep, verzamelen zich dikwijls onder hare vleugels, stuiven
+uiteen, wanneer zij overrompeld worden, sluipen als Muizen over den
+grond en hebben zich in een oogwenk zoo behendig verborgen, dat het
+veel moeite kost hen te vinden.
+
+Bij ons en in Duitschland wordt de Kwartelkoning soms toevallig met
+andere Vogels gevangen; in Spanje en Griekenland wordt hij veelvuldiger
+geschoten en geregeld op de markt gebracht, omdat men hem onder de
+smakelijkste soorten van wild rekent.
+
+
+
+Van de Veldrallen onderscheiden de Moerasrallen (Porzana of
+Ortygometra) zich hoofdzakelijk door den minder hoogen, slankeren
+snavel en de grootere lengte van de teenen (de achterteen is half zoo
+lang als de loop). 3 van de 24 soorten van dit geslacht zijn inheemsch.
+
+Het Porceleinhoentje (Porzana marmorata) is op de bovenzijde olijfbruin
+en hier (behalve op de slag- en stuurpennen), met talrijke, fijne,
+witte, dikwijls zwartgezoomde stippels en strepen en met zwarte
+schaftvlekken voorzien, op de onderzijde grijs (van witachtig tot
+leikleurig), de stuit en de onderdekveeren van den staart zijn
+donker roestgeel, de onderdekveeren van den vleugel met zwarte en
+witte banden. Het oog is donker roodbruin, de snavel aan den wortel
+oranjerood, overigens tot aan de vuilgeelachtige spits citroengeel, de
+voet geelachtig groen. In het herfstkleed heeft olijfbruin de overhand
+en zijn de witte stippels minder fraai; deze komen daarentegen in
+het jeugdkleed sterker uit; het nestkleed is zwart. Totale lengte 21,
+staartlengte 6 cM.
+
+Geheel Europa, Middel- en Noord-Azië vormen het broedgebied van
+het Porceleinhoentje, dat in den winter Zuid-Europa, Noord- en
+Middel-Afrika en Zuid-Azië bewoont. Het komt bij ons in April aan en
+vertrekt in September of October. Vele exemplaren trachten hier te
+overwinteren, maar vinden daarbij meestal den dood. Des zomers houdt
+het bij voorkeur verblijf op natte, met vele sloten doorsnedene, met
+riet en zeggen begroeide weiden, bijna even gaarne in echte moerassen
+of broeklanden, nooit echter op open watervlakten. Beschut door
+het hooge gras leidt het hier een eenzaam en verborgen leven. Over
+dag beweegt het zich weinig, tegen den avond wordt het wakker;
+gedurende den geheelen nacht is het aan den arbeid. In levenswijze
+en gewoonten komt het veel met den Kwartelkoning overeen. Slechts in
+één opzicht schijnt het zijn verwant ver te overtreffen: het zwemt en
+duikt uitmuntend. Zijn loktoon is een wel luid klinkend, maar meer
+kwiekend dan fluitend geluid; bij 't minnekozen hoort men van 't
+mannetje en wijfje een kort "oeïet", te vergelijken met het geluid,
+dat een vallende waterdruppel in een vollen waterbak veroorzaakt,
+bij angst een kwakend geschreeuw. Daar het op zijn onvergelijkelijke
+bekwaamheid in het wegschuilen vertrouwt, is het volstrekt niet
+schuw, maar laat den Hond of den mensch dikwijls zoo nabij komen,
+dat zoowel deze als gene het pakken kan. Het laat zich gemakkelijk
+temmen en wordt dan zeer gehecht aan zijn verzorger. Het nest, dat
+los en grof gevlochten wordt van riet en zegge-bladen, terwijl biezen,
+grashalmen en andere fijnere stoffen het van binnen bekleeden, staat
+geregeld op een weinig toegankelijke, dikwijls aan alle zijden door
+water omringde, op geenerlei wijze in 't oog vallende plaats. Tegen
+het einde van Mei of het begin van Juni bevat het 9 à 12 eieren,
+welke op die van het Waterhoentje gelijken, doch kleiner zijn. Alle
+zorgen voor het kroost komen voor de moeder op, die na drie weken
+gebroed te hebben met hare jongen het nest verlaat.
+
+Nog bevalliger en lieftalliger dan het Porceleinhoentje, maar bij ons
+veel zeldzamer, zijn zijne beide verwanten; het Kleine Waterhoentje
+(Porzana parva) en het Kleinste Waterhoentje (Porzana pygmaea). Het
+eerstgenoemde is aan de bovenzijde olijfbruin, op het midden van den
+rug bijna zwart, met weinige, wijd uiteenstaande, witte vlekken;
+het aangezicht, de hals, de borst en de buik zijn aschgrauw en
+ongevlekt, de onderdekveeren van den staart wit met donkergrijze
+banden of vlekken, die van den vleugel zwartachtig grijs; het oog is
+vuurrood, de snavel aan den wortel rood, in 't midden groen, aan de
+spits geel; de pooten zijn groen. Totale lengte 20, staartlengte 5
+cM. Het bewoont van Zuid-Skandinavië af geheel Middel- en Zuid-Europa,
+zoo ook Middel-Azië van den Oeral tot Sind; op den trek bezoekt het de
+verder zuidwaarts gelegen landen tot aan Kaap de Goede Hoop. Bij ons
+werd het slechts enkele malen waargenomen (Zwartsluis, Bergen-op-Zoom;
+broedend bij 's Hertogenbosch en Rotterdam) (Albarda).
+
+Het Kleinste Waterhoentje, dat ongeveer hetzelfde verbreidingsgebied
+heeft als zijn iets grootere verwant, onderscheidt zich van deze,
+doordat de veeren van de bovendeelen zwart zijn met olijfbruinen
+zoom, terwijl in dit zwart weder witte vlekken ingesloten zijn; de
+grauwe kleur van de onderdeelen is op den buik donkerder en met witte
+dwarsbanden doorsneden. De snavel is groen, de voet lichtrood. Totale
+lengte 19, staartlengte 15 cM. Bij ons is het vrij zeldzaam (Overijsel,
+Noord- en Zuid-Holland en Noordbrabant); bij Vlijmen werd het broedend
+aangetroffen.
+
+In levenswijze komen deze beide soorten onderling en met het
+Porceleinhoentje in hoofdzaken overeen; zij houden zich echter niet
+zoo sterk op den achtergrond, maar vertoonen zich soms op een werkelijk
+uitdagende wijze. "Soms", zegt Naumann, "komt het Kleine Waterhoentje,
+wanneer het menschen bij of op het water druk hoort spreken, uit
+zijn schuilplaats te voorschijn, gaat gewoonlijk aan den waterkant,
+op een drijvend blad staan en begroet de bezoekers met zijn schelle
+stem." Dit geluid klinkt als "kiek kiek kiek."
+
+
+
+De Waterral, in Zuid-Holland, Fluitje en Waterkipje, in Groningen
+Zijdehoentje of Fluweelhoentje, in Limburg Waterscher genoemd (Rallus
+aquaticus), is kenbaar aan den rechten of flauw gebogen, zijdelings
+samengedrukten snavel, die langer is dan de kop, de bolle, korte,
+stompe vleugels met zachte slagpennen, den zeer korten, onder de
+dekveeren verborgen staart en het zeer goed gevulde, waterdichte
+vederenkleed. De bovendeelen van het oude mannetje zijn op gelen
+grond zwart gevlekt; de zijden van den kop en de onderdeelen zijn
+aschkleurig blauwgrijs, in de flanken met zwarte en witte banden, de
+buik en de stuit roestkleurig grijsgeel, de slagpennen dof bruinzwart,
+de stuurpennen zwart met olijfbruinen zoom. Het oog is vuil lichtrood,
+de bovensnavel op den rug bruingrijs, aan den rand menierood evenals de
+ondersnavel, de voet bruinachtig groen. Totale lengte 29, staartlengte
+6 cM.
+
+Noord en Middel Europa benevens Middel-Azië, oostwaarts tot bij den
+Amoer, zijn het vaderland van de Waterral. Zuid-Europa en Noord-Afrika
+benevens Indië bezoekt hij op den trek; reeds in Egypte behoort hij
+echter tot de zeldzame wintervogels.
+
+De Rallen houden verblijf in ongastvrije moerassen, die door den
+mensch slechts ongaarne bezocht worden, natte wildernissen, waar
+het water en de weeke grond onder een dicht plantendek verborgen en
+ten deele met kreupelhout begroeid zijn; dikwijls vestigen zij zich
+in plassen vol riet en biezen, die in of bij wouden liggen, in met
+elzen begroeid broekland en in wilgenkreupelhout, dat met veel riet en
+hooge grassen afwisselt, veel moeras en water bevat of doorsneden is
+met rietsloten. Ook op den trek rusten zij steeds op plaatsen, waar
+zij zich goed verbergen kunnen in bosschen, hagen, stallen enz. Zij
+bewonen ons vaderland van Maart tot October en zijn hier in den herfst
+zeer gemeen; bij invallenden vorst worden zij dikwijls in stallen,
+schuren enz. gevangen. Enkele overwinteren hier. Broedend werden zij
+waargenomen in Friesland, Groningen, Zuid-Holland en Noordbrabant
+(Albarda).
+
+De Waterral, is meer nacht- dan dagvogel en in de schemering het meest
+opgewekt. Over dag houdt hij zich stil; waarschijnlijk slaapt hij dan,
+althans gedurende een deel van den tijd. In levenswijze komt hij met de
+kleine Moerasrallen overeen. Hij heeft een sierlijken, en vluggen gang;
+over vloeibaar slik en voorwerpen, waaronder hij niet kan wegkruipen,
+zooals drijvende bladen en stengels en een dichte laag van takjes op
+den grond, rent hij snel en luchtig heen; even behendig sluipt hij door
+nauwe ruimten tusschen dicht bijeengroeiende moerasplanten. Hierbij
+komt de smalheid van zijn lichaam hem uitstekend te pas; zelfs in
+het dichte rietveld stoot hij bijna nooit ergens tegen aan, zoodat
+de door hem gevolgde weg nooit door de beweging der halmen verraden
+wordt. Ieder die den op deze wijze vluchtenden Vogel toevallig verrast,
+zal allicht meenen, dat hij een Rat heeft zien loopen. Het zwemmen
+kost hem weinig moeite; op bevallige wijze beweegt hij zich door
+'t water, zelfs wanneer dit niet volstrekt noodig is; de diepste
+gedeelten van het moeras, waar zijne pooten den grond niet meer raken,
+vermijdt hij niet, wel echter meer uitgestrekte, opene watervlakten.
+
+Hij vliegt slecht, moet zich hiervoor zeer inspannen en sterk met
+de vleugels slaan, blijft altijd laag bij den grond en gaat nooit
+ver in één vlucht. Zijn gewone loktoon, die men vooral 's avonds
+hoort, is een scherp, fluitend geluid, dat op het gedruisch van een
+snel door de lucht bewogen takje gelijkt, en door "woeïet" het best
+voorgesteld wordt. Gedurende het vliegen, vooral op den trek, hoort
+men van hem een hoogen, snijdenden, maar aangenamen, als "kriek" of
+"kriep" klinkenden toon.
+
+Gevangen Rallen wennen spoedig aan het verlies van hun vrijheid en
+aan de kooi. Wel is waar trachten zij zich in 't eerst voortdurend te
+verbergen; na verloop van korten tijd worden zij echter gemeenzamer
+en ten slotte zoo tam, dat zij hun verzorger het voedsel uit de hand
+nemen en zelfs toelaten, dat men hen streelt. Een Ral, die door een
+arts te Saalfeld getemd was, liep zijn meester binnenshuis als een
+Hond na, lette op al zijne bewegingen en kroop des winters bij hem
+onder de dekens om zich hier te verwarmen.
+
+In vrijen toestand voedt de Ral zich hoofdzakelijk met Insecten en
+hunne larven, Wormen en Weekdieren, later ook met zaden, vooral van
+grassen en van verschillende waterplanten. Waarschijnlijk eet hij
+even gaarne vogeleieren als zijne naaste verwanten.
+
+Het nest, een los vlechtwerk van droge rietbladen, biezen en
+grashalmen, heeft den vorm van een diepen nap; het is zeer goed
+verborgen in het dichte gras of riet en moeielijk te vinden,
+hoewel de ouden door hun avondmuziek de plaats waar zij nestelen,
+aanduiden. Gewoonlijk komt het voor aan den rand van een sloot,
+soms in het wilgenkreupelhout, soms ook wel tusschen minder dicht
+bijeengroeiende rietgrassen, zeer zelden in het gras, als dit
+eenigszins kort is. Het nest bevat 6 à 10, soms nog meer eieren, die
+op lichtgelen of groenachtigen grond, vrij spaarzaam met violette en
+aschgrauwe ondervlekken en roodachtige of kaneelbruine bovenvlekken
+geteekend zijn.
+
+
+
+De Koetfuuten (Heliornitidae) vormen een familie, die uit een vijftal
+in Zuid-Amerika, en Indië (Malakka en Sumatra) levende soorten
+bestaat. Zij zijn zoo groot als Duiven of Eenden. Hun priemvormige
+snavel loopt niet uit in een voorhoofdsplaat en is zoo lang als
+de kop. De hals is lang, de romp langwerpig; de tamelijk korte en
+afgeronde vleugels reiken weinig verder dan den wortel van den tamelijk
+korten staart; de voet heeft een korten loop; de voorteenen zijn,
+evenals bij de Meerkoeten, met gelobde zwemvliezen omzoomd. Meesttijds
+houden zij zich zwemmend aan de oppervlakte van stilstaand water en
+rivieren op, waar zij zich voeden met waterinsecten en zaden van
+waterplanten. Om ze te verkrijgen moeten zij vaak den kop en den
+hals onderdompelen. Zeer zelden duiken zij geheel onder. Bij dreigend
+gevaar begeven zij zich meestal aan land, hetzij vliegend of loopend,
+om zich in de struiken te verbergen. De jongen, die onbevederd het ei
+verlaten, houden zich aanvankelijk met den snavel onder de vleugels
+van de moeder vast, gaan later op haar rug zitten en blijven hier,
+terwijl de moeder zich verbergt, hetwelk zij in 't eerste geval aan
+land, in 't laatste onder water doet. Vrij algemeen is in Suriname
+en Brazilië de Picapare (Heliornis Surinamensis).
+
+
+
+De op Madagascar levende Steltrallen (Mesitidae) hebben de grootte
+van Lijsters en herinneren door hun levenswijze eenigszins aan
+Waterspreeuwen.
+
+
+
+De Snipkwartels (Turnicidae), die men vroeger bij de Hoendervogels
+rekende, worden thans als een familie van de Ralvogels beschouwd. Het
+zijn sierlijke Vogels, die aan Patrijzen of Kwartels herinneren. Men
+onderscheidt ongeveer 24 soorten, die zich kenmerken door geringe
+grootte, een slanken romp en een middelmatig langen, dunnen, rechten,
+zijdelings samengedrukten snavel, welks rug bij de spits zwak gekromd
+is; de loop is onbevederd, de achterteen ontbreekt meestal, de korte
+voorteenen zijn aan den wortel door spanvliezen vereenigd; de vleugels
+zijn middelmatig lang en afgerond; de korte, uit 10 à 12 zwakke pennen
+bestaande staart is bijna geheel onder de dekveeren verborgen.
+
+De Snipkwartels zijn over alle werelddeelen van het Oostelijk
+Halfrond verbreid, maar ontbreken geheel in Amerika. Australië is,
+naar het schijnt, hun hoofdkwartier: hier leven meer soorten dan in
+alle overige werelddeelen te zamen genomen; zij bewonen niet slechts
+alle tot dusver onderzochte gedeelten van Nieuw-Holland en Tasmanië,
+maar ook de eilanden dicht bij de kust. Enkele soorten komen zoowel
+in het oosten als in het westen van het vasteland voor, andere hebben
+een zeer beperkt gebied. Hier zoowel als elders vestigen zij zich in
+vlakten en op steenachtige, dicht met struiken en grassen begroeide
+dalwanden en hellingen. Hun levenswijze is echter zoo verborgen, dat
+men ze buiten den broedtijd slechts bij toeval ontmoet, tenzij men ze
+opzoekt. Door bewegingswijze, aard en gewoonten onderscheiden ze zich
+aanmerkelijk van de Kwartels en komen eerder met de Strandloopers
+en Pluvieren overeen. Zoo lang mogelijk trachten zij zich in hunne
+grasbosschen te verschuilen, stijgen dicht voor de voeten van hem, die
+hun rust verstoort, tot geringe hoogte op, vliegen rechtuit en pijlsnel
+ongeveer 100 M. ver en zetten zich plotseling weer op den grond neer.
+
+In den voortplantingstijd strijden zij met hunne soortgenooten op
+leven en dood; zonderlingerwijze doen dit niet slechts de mannetjes,
+maar ook de wijfjes, die hare echtgenooten aanmerkelijk in grootte
+overtreffen en, naar het schijnt, bij sommige soorten de eenige
+kampvechters zijn. Wegens hun buitengewonen strijdlust worden de
+Snipkwartels door de Aziaten sedert overouden tijd in de kooi gehouden
+en voor kampspelen gebruikt. Zelfs oud gevangen exemplaren geraken
+licht aan het verlies van hun vrijheid gewoon.
+
+
+
+De eenige Europeesche soort, die de Spanjaarden Torillo, de Arabieren
+Semmana noemen (Turnix sylvatica), is een van de grootste leden der
+familie. Het mannetje is 15, het wijfje 19 cM. lang; staartlengte
+bij beide 4 cM. In kleur verschillen zij niet van elkander.
+
+Het verbreidingsgebied van dezen nog weinig bekenden Vogel reikt in
+Noord-Afrika tot aan de grenzen van Egypte en den Senegal, misschien
+nog verder zuidwaarts; bovendien strekt het zich uit over Spanje en
+Sicilië. Naar men zegt, komt hij ook niet zelden voor in 't zuiden
+van Frankrijk; één exemplaar werd in Oxfordshire gedood. Daar dit
+dier zeer verborgen leeft en moeilijk te vinden is, kan men niet
+licht oordeelen over zijn veelvuldigheid of zeldzaamheid in een
+gewest. Als woonplaats kiest de Torillo bij voorkeur woeste, met
+dwergpalmen dicht bedekte landstreken, zoowel in de onmiddellijke
+nabijheid van de zeekust als meer binnenslands of bij het gebergte;
+soortgelijke oorden bewoont hij in Afrika. Insecten en zaden, beide
+ongeveer in dezelfde mate, maken zijn voedsel uit.
+
+Het nest, een met droog gras (of in 't geheel niet) gevoerd kuiltje in
+den grond, is in het gras of in het struikgewas zoo goed verborgen, dat
+men het slechts zelden vindt. Het bevat 4 of 5 eieren. Het mannetje
+en het wijfje lossen elkander bij het broeden af; als het wijfje
+gedood wordt, neemt het mannetje de taak van de moeder over. Evenals
+de meeste Ralvogels, loopen de jongen uit het nest weg, zoodra zij
+droog geworden zijn; evenals hunne verwanten, worden zij aanvankelijk
+met de teederste zorg door de beide ouders gehoed en door een zacht
+"kroe" bijeengeroepen. Behalve dit geluid hoort men van hen vooral in
+de morgen- en avondschemering een hoogst eigenaardig, zwaar, dreunend
+geraas, dat met het brullen van den Roerdomp vergeleken wordt, maar
+veel zwakker en zachter is.
+
+De beroemdste soort is die, welke op de Soenda-eilanden bij wedkampen
+dienst doet en op Sumatra Poejoe heet (Turnix pugnax). Deze Vogels
+zijn niet zeldzaam, leven eenzaam, op bouwland, dikwijls in de
+nabijheid van bewoonde plaatsen. Ze worden door de inlanders in
+strikken gevangen en in kooien gehouden. Alleen de wijfjes worden voor
+den strijd opgekweekt; zij zijn grooter, sterker en moediger dan de
+mannetjes. Daarom heet, volgens Raffles, een Maleier, die onder de
+pantoffel zit, een "poejoe".
+
+
+
+
+
+ZESDE ORDE.
+
+DE KRAANVOGELS (Geranornithes).
+
+
+De Kraanvogels houden het midden tusschen de drie orden van de
+Ralvogels, Pluviervogels en Stootvogels. Zij vormen slechts één
+onderorde (Gruiformes), die twee groepen van familiën omvat. Tot de
+eerste groep--de Kraanvogels i.e.z. (Grues)--behooren de familiën der
+Kraanachtigen (Gruidae), der Trompettervogels (Psophiidae) en der
+Slangenkranen (Dicholophidae). Tot de tweede groep--de Zonnevogels
+(Eurypygae),--behooren de Zonnerallen (Eurypygidae), de Ralkranen
+(Rhinochetidae) en de Oerkranen (Apornidae).
+
+
+
+De 16 soorten van de familie der Kraanachtigen (Gruidae) vormen
+één geslacht--de Kranen (Grus)--en zijn over drie ondergeslachten
+verdeeld. Zij hebben een betrekkelijk langen, bijna rolvormigen,
+krachtigen, zijdelings niet samengedrukten romp, een langen, dunnen
+hals en een kleinen, fraai gevormden kop. De middelmatig dikke, rechte
+snavel, welks hoogte de breedte een weinig overtreft, is iets langer
+of weinig korter dan de kop; de bovensnavel heeft een afgeronden
+rug en een scherpe spits; de huid, die de snavel bekleedt, is aan de
+wortelhelft zacht, aan de spits echter hard. De bevedering van de zeer
+lange, krachtige pooten houdt ver boven het spronggewricht op; de voet
+bestaat uit een langen loop en vier teenen; de korte achterteen is zoo
+hoog aangehecht, dat hij bij 't gaan den grond slechts met de spits
+aanraakt; de buitenste en de middelste voorteen zijn verbonden door
+een dik spanvlies, dat zich tot aan het eerste gewricht uitstrekt;
+de klauwen zijn kort, flauw gebogen en stompkantig. In de groote,
+lange, breede vleugels is de derde handpen de langste; de laatste
+schouderveeren zijn langer dan alle overige vleugelveeren, soms
+sikkelvormig gebogen, in 't algemeen door een eigenaardigen vorm
+gekenmerkt. De tamelijk korte, afgeronde staart bevat 12 pennen. De
+kleine veeren, hoewel overvloedig, zijn stijf en liggen dicht tegen
+het lichaam aan; zij laten dikwijls een deel van den kop en van den
+hals onbedekt of zijn hier veranderd in fraaie pronkveeren; bij enkele
+zijn zij ook aan den voorhals lang en smal. Het mannetje en het wijfje
+zijn nagenoeg gelijk van kleur, doch ongelijk van grootte. De jongen
+verkrijgen na het eerste ruien een kleed, gelijkende op dat der ouden;
+alleen de pronkveeren hebben dan nog niet den definitieven vorm.
+
+De Kranen bewonen alle faunistische rijken, behalve het
+Zuid-Amerikaansche. Ieder werelddeel heeft zijn eigenaardige
+soorten. Azië de meeste. Zij houden zich op in uitgestrekte moerassen,
+bij voorkeur, naar het schijnt, in die, welke aan bouwland grenzen,
+daar zij hun voedsel zoowel in het moeras als op den akker zoeken. Zij
+hebben een statigen, doch bevalligen gang, maken gaarne sierlijke, op
+danspassen gelijkende sprongen en nemen steeds een zekere deftigheid
+in acht; zij waden door tamelijk diep water en kunnen ook zwemmen;
+zij vliegen met gemak en fraai, dikwijls zwevend en groote kringen
+beschrijvend, meestal hoog boven den grond; de hals en de pooten
+worden daarbij recht uitgestrekt. Zij hebben een luide, doordringende
+stem en in verband hiermede meestal een buitengewoon lange luchtpijp;
+deze loopt met een groote kronkeling door een holte in den breeden kam
+van het borstbeen. Zij zijn schrander en verstandig, gewoonlijk ook
+vroolijk en speelsch, maar tevens strijdlustig en zelfs moordzuchtig;
+jegens hunne soortgenooten toonen zij zich buitengewoon gezellig; ook
+nemen zij gaarne leden van andere soorten van Kranen in hun kring op;
+om andere dieren bekommeren zij zich weinig of niet, of trachten hen
+te overheerschen, wanneer zij zich met hen inlaten. Hoewel zij van
+'s morgens vroeg tot 's avonds laat in de weer zijn, worden aan het
+opzoeken van 't voedsel slechts weinige morgenuren besteed, het overige
+deel van den dag is aan het gezellig samenzijn gewijd. Gedurende hun
+herfstreis, die zich tot aan de keerkringslanden uitstrekt, trekken
+zij nagenoeg zonder oponthoud voort, over dag zoowel als 's nachts;
+in merkwaardig korten tijd wordt het doel van hun tocht bereikt.
+
+Hoewel alle Kranen af en toe ook Insecten en Wormen oppikken, kleine
+Amphibiën of Visschen verslinden en soms een vogelnest uitplunderen,
+beschouwen zij toch, naar 't schijnt, dierlijk voedsel eenvoudig als
+een versnapering. Allerlei zaden, vooral granen, bovendien knoppen,
+jonge spruitjes, wortels en knollen maken hun eigenlijk voedsel uit.
+
+Zij nestelen in lage of althans moerassige gewesten, en broeden
+op twee langwerpig ronde eieren, die op groenachtigen grond bruin
+gevlekt zijn. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten; beide
+brengen voedsel aan de jongen gedurende hun verblijf in het nest;
+waarschijnlijk duurt dit slechts kort en moet men de Kranen eer als
+nestvlieders dan als nestblijvers aanmerken.
+
+De Kranen hebben weinig vijanden. De mensch vervolgt ze hier en
+daar om hun vleesch, of neemt de jongen uit het nest om ze groot
+te brengen. Zij wennen licht aan de gevangenschap, sluiten met hun
+verzorger een innigen vriendschapsbond en verschaffen hem genoegen door
+hunne sierlijke bewegingen, hun lieftalligen aard en hun verwonderlijke
+schranderheid. Het is niet moeielijk hen er aan te gewennen vrij uit
+en in te vliegen; ook telen zij in de gevangenschap voort.
+
+
+
+De Kraan, veelal Kraanvogel, in Limburg Koenekraan genoemd (Grus
+communis of Grus cinerea), is de eenige soort van zijn geslacht, die
+ons land op den doortrek bezoekt, meestal in October en November,
+soms ook in 't voorjaar (Februari tot Mei). De hoofdkleur der
+volwassen Vogels is fraai aschgrauw; wit zijn echter de wangen en
+de zijden van den hals; zwart de teugels, de keel en een groot deel
+van den onderhals, een groote vlek in den nek, de handpennen en
+de spitsen der achterste armpennen (die sikkelvormig verlengd en
+grootendeels losbaardig zijn). Het voorhoofd en de kruin zijn met
+zwarte, haarvormige veeren bekleed, het achterhoofd is nagenoeg kaal
+en rood. De oogen zijn bloedrood; de snavel is grijsgroen, maar de
+wortel van den ondersnavel heeft in 't voorjaar een roodachtige tint;
+de pooten zijn zwartachtig. Totale lengte 140, staartlengte 21 cM.
+
+Een breede gordel van de Oude Wereld, van het oosten van
+Middel-Siberië tot Skandinavië en van de lage toendra tot op de
+breedte van Middel-Europa is het broedgebied van den Kraan; uit
+Siberië trekt hij door China tot Siam en Indië, uit Europa tot Middel-
+en West-Afrika. In Duitschland nestelt hij waarschijnlijk niet anders
+dan ten oosten van de Elbe.
+
+De in Oost-Azië voorkomende prachtige Witte Kraan (Grus leucogeranos)
+werd eenige malen in Europa geschoten. Met uitzondering van de zwarte
+stuurpennen is hij schitterend wit, de naakte kop bloedrood, het oog
+lichtgeel, de snavel lichtrood, de poot licht-karmozijnrood. Hij
+is 120 cM. lang. In Japan en China wordt deze Vogel in hooge eer
+gehouden; men ziet hem op Japansche schilderijen, veelal op takken
+van sparreboomen zittend, dikwijls afgebeeld.
+
+De Antigone-kraan (Grus Antigone) uit Trans-Baikalië, die soms in de
+steppen van Zuid-Rusland geschoten wordt en dus tot de Europeesche
+Vogels behoort, onderscheidt zich van onzen Kraan door het grootere
+naakte kopveld en den afgeronden staart.
+
+
+
+Vaker dan door de beide laatstgenoemde soorten wordt ons werelddeel
+bezocht door de buitengewoon sierlijke Juffer van Numidië [Grus
+(Anthropoides) virgo], die in de steppen van Middel-Azië thuis behoort
+en naar Zuid-Indië, Middel- en Zuid-Afrika trekt. Zij onderscheidt zich
+van hare reeds beschreven verwanten door den korten en ronden snavel,
+den geheel bevederden, van achteren met twee lange pluimen versierden
+kop; behalve de veeren van den onderhals zijn ook de bovendekveeren
+van den vleugel verlengd; zij zijn niet losbaardig of gekroesd, maar
+steken eenvoudig ver voorbij de overige uit. Haar vederenkleed is
+bijzonder fijn en grootendeels licht loodkleurig grijs, de voorhals
+met zijne afhangende pronkveeren is donkerzwart, de kuifveeren zijn
+zuiver wit, de slagpennen grauwzwart. Het oog is hoog karmijnrood,
+de snavel aan den wortel vuilgroen, bij de spits hoornkleurig, de
+snavelspits zelf lichtrood, de poot zwart. Zij is 85 cM. lang.
+
+Bij zwermen verschijnt onze Kraan in October in Soedan en vestigt
+zich hier op groote, boven den waterspiegel uitstekende zandbanken
+in de rivieren. In Indië komt hij ter zelfder tijd in aanzienlijken
+getale en bewoont dan soortgelijke plekken. In Duitschland ziet
+men in 't begin van October en tegen het einde van Maart geregeld
+talrijke vluchten van Kranen, die zich in den regel streng houden aan
+hun zichtbare, wigvormige rangorde; de hoogte, waarop zij trekken,
+is zeer verschillend. "Ik heb ze," schrijft Altum, "niet slechts bij
+nevelachtig weer, maar eens ook bij volkomen heldere lucht zeer laag,
+ongeveer 50 M. boven den grond zien trekken; in enkele gevallen
+daarentegen vliegen zij zoo hoog, dat men een zakverrekijker moet
+gebruiken, om ze te herkennen. Hooge gebergten trachten zij op hun
+tocht te vermijden. Opmerkelijk is het, dat zij bij ons, in Munster,
+een nagenoeg west-oostelijke of oost-westelijke richting volgen
+in plaats van een noord-zuidelijke of zuid-noordelijke; in andere
+gewesten wijzigen zij echter hun koers." Wanneer de zwerm in wanorde
+geraakt, o.a. door een schot, beschrijven de Vogels kringen en vormen
+een verwarden hoop. "Meermalen rusten zij onderweg, doch niet op
+vast bepaalde plaatsen; allen, die een rustenden Kraanvogelzwerm
+zagen, waren steeds zeer verrast over dit hun geheel onbekende
+verschijnsel. Deze opmerking geldt echter slechts voor Munsterland. Men
+weet, dat zij in vele kuststreken en eilanden van de Middellandsche
+Zee in grooten getale neerstrijken." In vroegere jaren werden zij
+in Nederland op den trek veel meer algemeen aangetroffen dan thans,
+intusschen merkt men ze nog jaarlijks in de groote heidevelden van
+Gelderland en Noordbrabant rustende op (Schlegel). In enkele jaren
+worden zij echter ook hier te lande in grooten getale waargenomen,
+o.a. in October 1889 in Overijsel en Gelderland. "De vrij sterke
+zuidoostelijke wind, welke in die dagen heerschte over een groot deel
+van Europa, heeft vermoedelijk deze Vogels op hun reis naar 't zuiden
+eenigszins van de gewone richting doen afwijken en hen doen dralen
+deze voort te zetten" (Albarda).
+
+Voordat zij hun reis naar 't zuiden aanvangen, komen zij, evenals de
+Ooievaars, op bepaalde plaatsen bijeen. Zoolang hun verblijf in den
+vreemde duurt, blijven zij steeds tot talrijke zwermen vereenigd,
+waarin zij ook leden van verwante soorten opnemen. Met hen vliegen
+zij gemeenschappelijk iederen morgen naar de velden om hun voedsel te
+zoeken, keeren in de voormiddaguren terug; overigens blijven zij den
+geheelen dag en nacht op de eilanden in de rivieren en houden zich van
+tijd tot tijd bezig met het schoonmaken en ordenen van hunne veeren;
+daar zij in dit seizoen ruien, is deze zorgvuldigheid noodig. In
+zwermen verlaten zij hunne winterkwartieren en nog vereenigd komen zij
+in 't moederland terug; hier echter splitsen de legers zich allengs in
+kleinere troepen en deze in paren; ieder paar vestigt zich in een oord,
+dat met het oog op de voortplanting goed gekozen is en aanmerkelijk
+verschilt van hun verblijfplaats gedurende den winter. In Indië of
+in Soedan is de Kraan een strandvogel; in het noorden van Europa of
+Azië wordt hij een volslagen moerasvogel. Hij bewoont hier de groote
+moerassen van de vlakte en de toendra, waar hij als broedplaats een
+plek uitkiest, die met laag sekgras of riet begroeid is, maar toch
+een vrij uitzicht toelaat. Van hier vliegt hij uit om de akkers te
+bezoeken, die hem nu en gedurende den zomer voedsel moeten verschaffen.
+
+Alle bewegingen van den Kraan zijn fraai en getuigen van een
+meer dan gewone begaafdheid. Flink van afmetingen en samenstel,
+behendig, scherpzinnig en verstandig als hij is, dragen al zijne
+handelingen den stempel van een door groote talenten gerechtvaardigd
+zelfvertrouwen. Met lichten, sierlijken, maar toch statigen tred stapt
+hij voort, gewoonlijk bedaard en fier loopend, slechts in tijd van
+nood haastig rennend; zonder inspanning verheft hij zich met één of
+twee sprongen boven den bodem; weinige, ver uitgestrekte slagen met
+de krachtige vleugels brengen hem op de vereischte hoogte, gestadig en
+zonder overhaasting, maar toch met flinke vaart, den hals naar voren,
+de pooten achterwaarts strekkend, vliegt hij regelrecht op het bepaalde
+doel af. Toch ziet men dezen Vogel zich niet zelden vermaken met
+vroolijke sprongen, dartele gebaren, zonderlinge standen en echte
+danspassen, waarbij hij met de vleugels slaat, buigingen maakt,
+zich telkens omdraait en met den snavel steentjes en stokjes omhoog
+werpt. Ook kan hij met weinig merkbare vleugelslagen gedurende geruimen
+tijd om een zelfde punt prachtige kringen beschrijven. Werkelijk
+bewonderenswaardig is zijn schranderheid. In uiterst korten tijd
+heeft hij zich op de hoogte gesteld van den stand van zaken en in
+verband hiermede zijn levenswijze ingericht. Zonder schuw te zijn,
+is hij toch buitengewoon voorzichtig en laat zich niet licht in de val
+lokken. Nooit verliest hij de zorg voor zijn veiligheid uit het oog;
+ieder gezelschap zet wachten uit, die nauwgezet hun taak vervullen;
+het zal nooit terugkeeren naar een plaats, waar het verontrust werd,
+zonder vooraf verspieders uit te zenden.
+
+Eigenlijk leert men den Kraan nooit naar behooren kennen, zoolang
+hij in vrijheid verkeert; men moet hem in gevangen toestand nagegaan
+hebben, om over hem te kunnen oordeelen. Zoo voorzichtig hij den
+mensch ontwijkt, terwijl hij vrij is, zoo innig geraakt de tamme
+Kraan aan zijn meester gehecht. Met uitzondering van de schranderste
+Papegaaien, is er geen enkele Vogel, die op gelijke wijze als hij
+met den mensch verkeert, diens gebaren leert begrijpen en zich zoo
+goed verstaanbaar en verdienstelijk weet te maken. Hij beschouwt
+zijn meester niet eenvoudig als verzorger, maar ook als vriend
+en beijvert zich dit te toonen. Gemakkelijker dan iedere andere
+Vogel geraakt hij gewoon aan het erf, aan het huis van zijn heer,
+leert hier elke kamer, elke ruimte kennen, den tijd bepalen en de
+verhouding beoordeelen waarin andere menschen of dieren tot zijn
+gastheer staan. Hij toont een bewonderenswaardig begrip van orde,
+duldt geen twist onder het pluimvee, hoedt het vee, zonder dat zulks
+hem gelast wordt, als een goed afgerichte Hond, straft door berispend
+geschreeuw of gevoelige snavelbeten en beloont door vriendelijke
+gebaren, buigingen en danspassen. Hij sluit vriendschap met menschen,
+die hem genegenheid betoonen en zoekt hun gezelschap; hij duldt echter
+geen beleediging en toont maanden, ja zelfs jaren lang wrok over een
+ongepaste bejegening. Gezelligheid schijnt voor hem een behoefte te
+zijn; hij is echter keurig op zijn gezelschap. De echtgenooten zijn
+elkander onveranderlijk getrouw; voor hunne kinderen gevoelen zij
+de warmste genegenheid; aan soort-, geslachts- en familiegenooten
+betoonen deze Vogels een zekere hoogachting. Toch komt het voor, dat
+Kranen uit minnenijd gedurende den trek of bij andere samenkomsten
+toornig op elkander worden en vol woede strijden. Men heeft in
+diergaarden meer dan eens een bitteren haat opgemerkt tusschen Kranen
+van verschillende soorten; soms heeft de een den anderen gedood. Toch
+behooren zulke gebeurtenissen tot de uitzonderingen, want eigenlijk
+zijn de Kranen wel plaagziek en moedig, maar niet boosaardig, valsch
+en arglistig. Hun stem is zeer luid, gewoonlijk een schetterend, soms
+juichend, soms ratelend klinkend "groe" of "koer"; in moerassen of op
+open plekken in het woud brengen zij ook een geluid voort, waardoor
+iemand, die het voor de eerste maal hoort, verschrikt kan worden,
+omdat het dikwijls veel gelijkt op een vreeselijk hulpgeschreeuw.
+
+Onze Kraan eet graan en zaden, grassprietjes en landbouwplanten,
+vooral graag erwten; soms eet hij vruchten of pikt Wormen en Insecten
+op, vooral Kevers, Sprinkhanen, Krekels en Libellen; af en toe vangt
+hij een Kikvorsch of een andere Amphibie. In de gevangenschap geraakt
+de Kraan aan de meest verschillende voedingstoffen gewoon.
+
+Onmiddellijk na zijn aankomst in het vaderland neemt het Kraanvogelpaar
+bezit van het moeras, waarin het van plan is te broeden en duldt
+binnen een zekeren kring geen tweede paar, hoewel het iederen
+voorbijtrekkenden zwerm met luid geschreeuw begroet. Eerst als de
+moerassen groener worden en de struiken in 't blad komen, beginnen
+de beide Vogels een nest te bouwen. Veel moeite besteden zij hieraan
+niet: dorre rijsjes worden op een eilandje, een sekgraspol, een
+platgetrapten struik of een andere verhevenheid bijeengebracht,
+droge halmen en rietbladen, cypergrassen, biezen en grassen in meer
+of minder groote hoeveelheid hier opgestapeld en het midden van den
+hoop een weinig uitgehold. In dit kuiltje legt het wijfje 2 groote,
+langwerpige eieren met dikke, grof korrelige, bijna glanslooze schaal;
+deze vertoont op grijsachtig groenen, bruinachtigen of lichtgroenen
+grond een teekening, die uit grijze en roodachtig grijze ondervlekken,
+met roodbruine en donkerbruine bovenvlekken, stippels en krullen
+bestaat, doch overigens sterk varieert. Het mannetje en het wijfje
+broeden om beurten en verdedigen hun kroost tegen een naderenden
+vijand; zij doen dit gezamenlijk, wanneer diegene, welke niet broedt,
+maar de wacht houdt op het oogenblik van den aanval, dezen niet
+alleen kan afslaan. Zij hebben er merkwaardig goed slag van om zich
+gedurende den broedtijd aan het oog van den waarnemer te onttrekken
+en de plaats waar zij nestelen, niet te verraden.
+
+"Men komt niet verder dan tot het bloote vermoeden," zegt Naumann,
+"dat deze door zijn groote in 't oog vallende Vogel ergens in het
+moeras zijn nest moet hebben; de plaats waar het gelegen is, weet
+hij steeds te verbergen; bij het gaan naar het nest neemt hij reeds
+op grooten afstand een gebogen houding aan en blijft voortdurend
+gedekt tusschen struiken en hooge kruiden: bij 't naderen van een
+rustverstoorder sluipt hij op even geheimzinnige wijze weg; zichtbaar
+wordt hij eerst, als hij ver van het nest in het open moeras opvliegt;
+soms, wanneer het geraas niet al te dichtbij komt, verlaat hij het
+nest in 't geheel niet. Niet minder moeielijk is het bereiken van het
+nest door het diepe moeras heen, wanneer een gelukkig toeval tot de
+ontdekking van het plekje heeft geleid." Bovendien maakt de Kraan
+zich in dezen tijd op een eigenaardige wijze onkenbaar. "Eens,"
+verhaalt E. von Homeyer, "lag ik in een veilige hinderlaag naast
+een moeras, dat door een paar Kranen bewoond werd en keek naar de
+bevallige bewegingen van de beide schrandere Vogels, toen het wijfje,
+dat geen bespieders in haar nabijheid vermoedde, met terzijdestelling
+van de schroomvalligheid van haar soort en van haar sekse, haar
+toilet begon te verfraaien. Zij nam een zekere hoeveelheid slijk in
+haar snavel en bestreek zich hiermede den rug en de vleugeldekveeren,
+zoodat deze deelen van haar kleed de fraaie, blauwachtig aschgrauwe
+kleur verloren en een doffe, aardachtig grijsbruine tint aannamen. Uit
+liefde voor de wetenschap schoot ik het fraaie dier en vond de veeren
+van het bovenlijf zoo volkomen doordrongen met kleurstof, dat het mij
+onmogelijk was deze door de zorgvuldigste wassching te verwijderen;
+misschien had het speeksel er toe medegewerkt om haar zoo innig met
+de veeren te verbinden. Hierdoor was in een oogenblik de verklaring
+verkregen van een verschijnsel, dat ik jaren lang te vergeefs had
+trachten op te helderen: de eigenaardige kleur van den Kraan gedurende
+den broedtijd. Alleen in dezen tijd merkt men de bedoelde verkleuring
+op; de veeren, die de verkleurde bij het ruien vervangen, hebben het
+gewone uitzicht; op het kleed van geen der uit het noorden komende
+Kranen, die door Duitschland trekken, treft men roestplekken aan, omdat
+zij hunne kleine veeren reeds gewisseld hebben." Door het scheikundige
+onderzoek werd deze verklaring in alle opzichten bevestigd.
+
+
+
+De Kroonkraan [Grus (Balearica) pavonina], heeft tot kenmerken een
+krachtigen romp, een middelmatig langen hals, een grooten kop, een
+middelmatig langen, kegelvormigen snavel, een langen loop en een
+goed gevuld vederenkleed. Het voorste gedeelte van de kruin wordt
+ingenomen door een fluweelachtige pluim; de kroon op den achterkop
+bestaat uit borstelvormige, over hun geheele lengte schroefsgewijs
+gekronkelde, naar boven in alle richtingen uiteenwijkende draden;
+de veeren van hals en voorborst zijn verlengd, de bovendekveeren
+van den vleugel losbaardig, de dikke, gezwollen wangen en de keel
+naakt. De hoofdkleur van het kleed is zwart, de kroon goudgeel
+met zwart gemengd; de vleugeldekveeren zijn zuiver wit, de eerste
+schouderveeren roestkleurig bruin, de laatste goudgeel. Het oog is wit,
+het bovenste deel van de wang licht vleeschkleurig, het onderste deel
+hoogrood, de snavel zwart, aan de spits witachtig, de voet zwartachtig
+grijs. Gedurende het leven vertoonen de veeren een blauwachtig waas,
+waardoor deze een grijsachtige tint verkrijgen. Totale lengte 99,
+staartlengte 22 cM.
+
+Het vaderland van dezen Vogel in Middel-Afrika wordt naar 't noorden
+begrensd door den parallelcirkel van 16° N.B., oostwaarts en westwaarts
+door den Oceaan. In Zuid-Afrika wordt hij door een nauw verwante
+soort vervangen. Hier bewonen deze Vogels bij paren of troepen de
+met kreupelhout bedekte, lage rivieroevers of de niet zeer dicht
+begroeide wouden; zij begeven zich echter dagelijks naar de eilanden
+in den stroom om hier te drinken en te dansen. Gedurende den regentijd
+ontmoet men ze bij paren, in andere tijden van het jaar in troepen,
+die soms uit meer dan 100 stuks bestaan. Deze zwermen voegen zich
+ook wel bij de in Soedan overwinterende scharen van Gewone Kranen en
+Juffers van Numidië.
+
+De Kroonkraan gaat rechtop met weinig gekromden rug en omhooggerichte
+kroon. In den regel gaat hij langzaam; beangst zijnde kan hij echter
+zoo snel loopen, dat een mensch zich zeer moet inspannen om hem in te
+halen. Vóór het opvliegen rent hij met geopende vleugels een eind weegs
+over den grond voort en verheft zich eerst daarna in de lucht. Hij
+vliegt langzaam: de vleugelslagen zijn afgemeten, de hals wordt ver
+vooruitgestoken, de kroon naar achteren neergelegd. Juist bij 't
+vliegen vertoont de Kroonkraan zich in zijn volle pracht, omdat zijne
+beide hoofdkleuren, zwart en wit, dan het best uitkomen. Wie hem eens
+gezien heeft, kan hem niet met een anderen moerasvogel verwarren. Ook
+gedurende het loopen levert de Kroonkraan een aantrekkelijk schouwspel
+op, vooral wanneer hij zich over een groene vlakte of tusschen groene
+struiken beweegt. Hoogst eigenaardig zijn de danspassen, die bij hem
+steeds als een bewijs van opgewondenheid gelden. Kroonkranen, die
+zich op een zandige vlakte bevinden, beginnen te dansen, zoodra een
+ongewoon verschijnsel hun aandacht trekt, zoodra een hunner het groote
+gezelschap ontmoet, enz. De danser springt niet zelden 1 M. boven den
+grond, opent intusschen de vleugels een weinig en zet de voeten dansend
+neer, niet altijd beide te gelijk, maar soms den eenen na den anderen.
+
+De klank van zijn luide stem wordt door zijn Arabischen naam "Rharnoek"
+tamelijk juist nagebootst; zij is in het woud op een afstand van 2
+KM. hoorbaar.
+
+Zijn voedsel bestaat bijna uitsluitend uit zaden van velerlei planten,
+vooral van grassen, uitsluitend uit doerra of Kaffergierst, zoodra dit
+graan rijp is; bovendien eet hij boomknoppen, jonge grassprietjes,
+vruchten en Insecten, bij uitzondering misschien ook schelpdieren
+en kleine Visschen; hij toont echter niet, dat hem iets ontbreekt,
+wanneer hij dit voedsel moet missen.
+
+Reeds sedert lang wordt deze fraaie en opzichtige Vogel door de
+bewoners van West-Afrika getemd en bijgevolg ook dikwijls naar Europa
+gebracht. Met Hoenderen en met andere moerasvogels leeft hij in zeer
+goede harmonie; zijn meester verwelkomt hij nu en dan met vroolijke
+dansen. In de diergaarden trekken de Kroonkranen sterk de aandacht
+van de toeschouwers, omdat zij in den regel beginnen te dansen,
+als zij muziek hooren.
+
+
+
+De Trompettervogels (Psophiidae), die de tweede familie van de orde
+der Kraanvogels vormen, hebben een gewelfden snavel, die korter is
+dan de kop, hooge pooten, welker lange loop van voren en van achteren
+met half-ringvormige schilden bekleed is en 4 korte teenen draagt: de
+buitenste en de middelste voorteen zijn aan hun oorsprong door een kort
+spanvlies verbonden, de zeer korte achterteen raakt slechts met den top
+den grond aan. De vleugels zijn kort en gewelfd, de schouderveeren
+veelal verlengd, breed en losbaardig, evenals de veeren van 't
+achterste deel van den rug, die over den korten staart heenhangen;
+het vederenkleed is over 't geheel uit groote veeren samengesteld,
+aan den kop en den hals fluweelachtig, aan de onderzijde donzig.
+
+
+
+Bij den Agami (Psophia crepitans) zijn de kop, de hals, de bovenrug,
+de vleugels, de benedenborst, de buik en de stuit zwart, de veeren van
+de vleugelbocht purperzwart met blauwen of groenachtigen weerschijn,
+de okselveeren in de jeugd olijfbruin, bij de volwassenen lood- of
+zilverkleurig grijs, de onderhals en de bovenborst staalblauw met
+metaalachtigen weerschijn. Het oog is roodbruin, de naakte ring om
+het oog vleeschkleurig, de snavel groenachtig wit, de voet geelachtig
+vleeschkleurig. Totale lengte 52, staartlengte 3 cM.
+
+De Agami bewoont Zuid-Amerika ten Noorden van den Amazonenstroom
+(ook Suriname); aan gene zijde van den reusachtigen stroom wordt hij
+door verwanten vervangen. Hij houdt zich uitsluitend in de wouden
+op, hier echter overal en in talrijke scharen, die uit 100 à 200
+stuks bestaan. Deze troepen loopen, zoolang zij niet gestoord worden,
+langzaam en statig rond en vermaken zich met vroolijke en potsierlijke
+sprongen; zij kunnen echter zeer snel loopen en zijn eigenlijk tot
+geen andere beweging in staat, daar hun vliegvermogen gering is. Als
+zij verschrikt worden, laten zij hun zonderlinge stem weerklinken:
+eerst een schelle, woeste kreet, daarna een dof, trommelend gedruisch,
+dat met gesloten snavel voortgebracht wordt, een minuut lang aanhoudt,
+meer en meer verzwakt en daarom van steeds grooteren afstand schijnt
+te komen, maar niet onaangenaam klinkt; hierop volgt een pauze van
+weinige minuten, waarna het schreeuwen en het buikspreken herhaald
+wordt. Te recht wordt dit vreemdsoortig geluid aan den eigenaardigen
+vorm van de luchtpijp toegeschreven. Deze is daar, waar zij in de
+borstkas doordringt, vernauwd en staat aan weerszijden met twee
+vliezige, halfbolvormige zakken in gemeenschap, waarvan de rechter,
+die de grootste is, uit drie of vier kamers bestaat.
+
+Als voedsel gebruikt hij vruchten en zaden. De jongen geven de voorkeur
+aan Wormen en Insecten; de ouden kunnen aan het eten van allerlei
+soorten van graan en brood gewend worden. Men vindt den Agami in alle
+nederzettingen van Indianen in een toestand van volkomen vrijheid,
+gewoonlijk als bewaker en beheerscher van het overige pluimvee. Hij
+leert de menschen, die zich met hem bemoeien, onderscheiden en
+liefhebben, gehoorzaamt aan de roepstem van zijn meester, volgt hem
+als een Hond, gaat voor hem uit of danst met vroolijke sprongen om
+hem heen, toont groote blijdschap, als zijn gebieder na langdurige
+afwezigheid weder terugkomt en is ijverzuchtig op andere dieren,
+die met hem in de gunst van zijn heer deelen. Een Agami in den
+Acclimatisatie-tuin te Parijs voerde een troep Hoenderen aan, alsof
+hij hun meester was, riep hen bij zich en klokte. Naar men verhaalt,
+bewaken deze Vogels soms, evenals de Kranen, de schapenkudden in
+de weide.
+
+
+
+De 2 leden van de derde familie--de Slangenkranen
+(Dicholophidae)--herinneren in sommige opzichten aan den Secretaris
+en werden daarom vroeger met dezen in dezelfde familie vereenigd. Hun
+snavel is iets korter dan de kop, slank, bij den wortel recht, bij
+de spits gebogen en haakvormig, niet ongelijk aan een langwerpigen
+roofvogelsnavel; zij staan zeer hoog op de pooten; deze zijn ver
+boven het spronggewricht onbevederd en hebben een langen loop;
+de korte teenen zijn gewapend met dikke, sterk gekromde en spitse
+klauwen, welke eveneens aan die van een Roofvogel herinneren. De
+vleugels zijn kort, maar hard en krachtig, in rust door de verlengde
+schouderveeren aan den bovenrand bedekt; de uit 10 pennen bestaande
+staart is lang en sterk afgerond; de veeren van het voorhoofd zijn
+tot een rechtopstaande kuif verlengd, de korte, eironde neusgaten in
+een borstelig bevederde neusgroeve gelegen.
+
+
+
+Het vederenkleed van den Seriema (Dicholophus cristatus) is grijs,
+met fijne, lichte en donkere, dwars gerichte zigzagvormige golflijnen
+geteekend; de verlengde veeren van kop en hals zijn zwartbruin,
+de slagpennen bruin, op de binnenvlag met witachtige dwarsbanden
+afwisselend, de handpennen ook wit aan den top. Het oog is licht
+zwavelgeel, de teugel grijsachtig vleeschkleurig, de naakte ring om
+het oog blauwachtig, de snavel koraalrood, de voet van voren roodachtig
+bruin, aan de zijden steenrood. Totale lengte 82, staartlengte 31 cM.
+
+De Seriema is over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid en bewoont
+de groote, open velden of Campos van het binnenland van Brazilië,
+waar, op zacht glooiende, met gras begroeide hoogten of vlakten,
+enkele struiken voorkomen. Deze Vogels leven bij paren of zijn, na den
+broedtijd, tot familiën van 3 of 4 stuks vereenigd; alleen dan krijgt
+men hen echter te zien, wanneer zij zich niet in 't gras verbergen
+kunnen. Hun kleur komt hen in de dorre steppen zeer goed te pas. Zoodra
+zij gedruisch hooren, bukken zij zich, heffen slechts nu en dan den
+kop een weinig op en loopen vervolgens snel tusschen de halmen weg,
+zonder zich bloot te geven. Ook hun Argentinische verwant, de Tsjoenja,
+laat zich vaker hooren dan zien. In de vrije natuur zoowel als in de
+kooi hoort men dikwijls hun luide, ver klinkende stem, die volgens
+sommige berichten op het keffen of blaffen van een jongen Hond gelijkt,
+volgens Homeyer echter met het gekrijsch van Roofvogels overeenkomt.
+
+Hun voedsel bestaat voornamelijk uit de Insecten van de Campos, hoewel
+zij ook vele Slangen, Hagedissen en dergelijke dieren verslinden. Zij
+worden daarom door de Brazilianen hooggeacht; het is bij de wet
+verboden hen te dooden. Hoewel hun vleesch wit is en even goed smaakt
+als dat van Hoenderen, worden zij slechts zelden gejaagd. Dit kan het
+best geschieden door ze te paard in den draf te vervolgen en niet uit
+het oog te verliezen; want, als zij aanhoudend in een grooten kring
+worden nagezet en hun steeds de vlucht in de struiken wordt belet,
+worden zij ten slotte zoo afgemat, dat het mogelijk is hen met den
+lazo of met de hand te vangen.
+
+
+
+De familie van de Zonnerallen (Eurypygidae) bestaat uit twee zeer
+eigenaardige Zuid-Amerikaansche Vogels. Zij kenmerken zich door een
+geringe grootte, een slanken romp, een tamelijk langen, dunnen hals,
+een reigerachtigen kop, een langen, rechten, dikken, harden en spitsen,
+zijdelings samengedrukten, op den rug flauw gewelfden snavel, hooge,
+slanke voeten met tamelijk goed ontwikkelden achterteen, zeer breede,
+groote vleugels, een uit groote, breede veeren samengestelden staart
+en een overvloedig, los aanliggend, zeer bont gekleurd vederenkleed.
+
+
+
+Over het leven van den Zonneral (Eurypyga helias) in de vrije
+natuur heeft men eerst door de berichten van reizigers uit den
+laatsten tijd eenige kennis gekregen; met hun levenswijze in de
+gevangenschap is men in de diergaarden te Londen en te Amsterdam
+bekend geworden. Deze Vogel, die niet geheel ten onrechte met een
+grooten, bevederden Vlinder vergeleken werd, leeft in het noordelijk
+deel van Zuid-Amerika, van Guyana tot Peru en van Ecuador tot aan de
+provincie Goyaz in Middel-Brazilië, aan de zeekust of aan rivieroevers;
+vooral is hij veelvuldig aan den Orinoko, den Amazonenstroom en de
+rivieren van Guyana. Het sierlijke, grijs, geel, groen, zwart, wit en
+bruin gekleurde vederenkleed maakt de Zonneral tot een der fraaiste
+bewoners van deze aan prachtige Vogels zoo rijke gewesten. Vooral
+wanneer hij zijne vleugels en staart als een Kalkoen uitspreidt en in
+de zonnestralen laat spiegelen en schitteren, ziet hij er bekoorlijk
+uit. Hij komt in de wouden op zonnige plaatsen, meer bepaaldelijk
+echter aan de oevers van rivieren voor, meestal alleen, zeldzamer
+paarsgewijs. Zijn voedsel bestaat uit Vliegen en andere Insecten,
+die hij zoo behendig vervolgt, dat zij hem zelden ontkomen. Hij moet
+gemakkelijk te temmen zijn, daar men hem in alle nederzettingen
+van Indianen en ook in de woonplaatsen der in zijn vaderland
+gevestigde Europeanen getemd aantreft; hij wordt hier als huisdier
+zeer geschat. Aan den Amazonenstroom noemt men hem Pavaone ("Pauw")
+en roept hem ook bij dezen naam; hij volgt zijn meester als een hondje.
+
+
+
+De familie der Ralkranen (Rhinochetidae) omvat slechts één tot
+Nieuw-Caledonië beperkte soort--de Kagoe (Rhinochetus jubatus). Deze
+Vogel herinnert, wat het uiterlijk betreft, zoowel aan de Reigers als
+aan de Rallen en de Pluvieren, door zijn lichaamsbouw is hij het naast
+verwant aan de Zonnerallen. De snavel is even lang als de kop en zwak
+gekromd; de loop langer dan de middelste voorteen; de staart kort en
+afgerond. Het losse vederenkleed is van boven blauwachtig aschkleurig,
+van onderen licht roestbruin, de slagpennen zijn zwart, de stuurpennen
+grijs met roodbruine spitsen; borstelvormige veeren hangen over de
+kokervormige neusgaten heen; de achterkop is met een kuif versierd. Hij
+voedt zich met Slakken en Insecten en is ongeveer 65 cM. lang.
+
+
+
+Tot de familie van de Oerkranen (Aptornithidae) rekent men eenige
+uitgestorven soorten die Nieuw-Zeeland bewoonden. In grootte
+evenaarden zij de reeds genoemde Dinornis-soorten waarmede zij ook
+door de uiterst geringe ontwikkeling der geheel onbruikbare voorste
+ledematen overeenstemden.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 27914-8.txt or 27914-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/7/9/1/27914/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.