summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/26554-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '26554-8.txt')
-rw-r--r--26554-8.txt3603
1 files changed, 3603 insertions, 0 deletions
diff --git a/26554-8.txt b/26554-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..3a52cbf
--- /dev/null
+++ b/26554-8.txt
@@ -0,0 +1,3603 @@
+The Project Gutenberg EBook of De vreemde plant, by Herman Robbers
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De vreemde plant
+
+Author: Herman Robbers
+
+Release Date: September 7, 2008 [EBook #26554]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VREEMDE PLANT ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+Dedication: Herman Robbers lived from 1868 to 1937. This book is
+published at Project Gutenberg in celebration of Public Domain Day 2008.
+
+
+
+
+DE VREEMDE PLANT
+
+DOOR HERMAN ROBBERS
+
+
+TWEEDE DRUK
+
+UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS
+
+TE AMSTERDAM - MCMXVI.
+
+
+
+
+ * * * * *
+
+Van denzelfden schrijver:
+
+DE ROMAN VAN BERNARD BANDT; vijfde druk, f 0.50 ingenaaid, f 0.75
+gebonden.
+
+DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH; zesde druk, f 0.50 ingenaaid,
+f 0.75 gebonden.
+
+VAN STILTE EN STEMMING; een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag,
+IJs in de gracht, Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte.) f 3.25
+ingenaaid, f 3.90 gebonden.
+
+DE ROMAN VAN EEN GEZIN: I. DE GELUKKIGE FAMILIE (derde druk), II. EÉN
+VOOR EÉN (tweede druk); per deel f 1.90 ingenaaid, f 2.50 gebonden
+in linnen, f 2.90 gebonden in leer.
+
+HELENE SERVAES; f 3.25 ingenaaid, f 3.90 gebonden.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+I.
+
+
+Een vreemde tuin lag stil in den maneschijn. Maar de maan was er niet.
+De schijn hing over de bloemen, die geurden. Groote bloemen op lange
+stengels recht op. Trotsch pronkend gloeiden de wijde kelken in het
+licht. En die eene--die groote witte--dat was zij....!
+
+Zóó was de droom, die sterk als een herinnering lag in haar denken.
+
+Zóó was de droom van haar jeugd, de zalige droom, de troost, de geheime
+heerlijkheid van haar jong leven.
+
+De droom....? Was 't dan een droom geweest....? O! zij rook de geur nog,
+zij voelde de koele nachtlucht, zij hoorde de stilte!
+
+O! die tuin! Waarom was ze er niet meer? Wat ruwe ruk had haar afgeknakt
+van den sappig-glanzenden stengel?.............................
+.....................................................................
+
+Van zoolang haar heugde had ze altijd moeten denken aan dien vreemden
+tuin en aan die eene witte bloem, die zij was. En eens--'t was in haar
+twaalfde jaar--, op 'n zomeravond, in de schemering, had ze 't
+plotseling gevoeld, duidelijk gevoeld, zoodat ze rilde van verrukking:
+in haar, diep geworteld in haar hart stond rechtop de slanke stengel en
+de bloem bloeide en geurde en zacht togen de geuren door haar gansche
+lijf.... En toen had ze ook voor 't eerst gevoeld die groote smart, die
+over haar was gekomen als een bedwelming, mysterieus, zonder oorzaak, 'n
+onbestemd, onuitsprekelijk zoet lijden!..............................
+.....................................................................
+
+Haar moeder was gestorven toen haar broertje geboren werd. Ze was vijf
+jaar toen. Haar vader had haar opgetild en ze had haar moeder zien
+liggen, wit en stil. Toen had ze zich den tuin herinnerd; was dat de
+eerste keer geweest? Ze had gedacht: Zou moeder nu naar den tuin gaan?
+Waarom had ze dat gedacht? Ze had er haar vader niet over durven
+spreken. Ze sprak nooit met iemand over den tuin, noch--later--over de
+vreemde plant. 't Was of 't dan alles weg zou gaan!--En 't was haar
+alles--haar alles!..............................
+.....................................................................
+
+Want in droomen alléén had ze haar jonge jaren doorgeleefd, hatend de
+werkelijkheid, het dagelijksche leven, de school, die één lange straf
+was, vreezend haar vader en alle andere groote menschen, bang in het
+groote leege huis, bang vooral 's nachts, als ze wakker lag in haar
+bed, midden in de alomme drukkende duisternis, als ze niet durfde
+kuchen, niet verroeren.
+
+Eén plekje was er maar geweest in het groote huis, een hoekje van een
+vensterbank, waar ze graag was. Daar zat ze dikwijls te droomen, kijkend
+naar de drijvende wolken. De wolken waren haar groote vrinden. Ze zag ze
+komen met herkenning en keek ze vertrouwelijk na. Ook onder de boomen en
+heesters en bloemen had ze vrinden en vertrouwden. Maar andere waren
+weer vijandig. En zoo ook de meeste dingen thuis. Er was een kast, waar
+ze niet voorbij dorst gaan, er was een leuningstoel, waarin ze niet
+zitten wou. Want doode dingen waren er niet, alles was bezield, de
+dingen keken haar aan, de dingen dreigden en grijnsden. Ze hield alleen
+van 'n paar oude etsjes die in de logeerkamer hingen in simpele zwarte
+lijstjes en die ze heel mooi vond, en van een ouderwetschen blaasbalg,
+die in de zaal naast den haard hing en van een wollen pop, die ze heel
+jong van haar moeder gekregen had, en van een koperen plaatje,
+schijnbaar zonder doel ergens aan den muur geslagen in de wijde gang.
+Zonder doel--maar voor haar een beschermer tegen de akelige gezichten in
+de marmeren steenen, de spotoogen en grijparmen.
+
+Ze hield veel van haar broertje, maar hij was altijd bij de kindermeid,
+die zij haatte.
+
+Van haar vader hield ze soms wel, als hij stil en vriendelijk was en
+zacht met haar sprak. Maar anders was ze alleen maar bang voor hem. Hij
+was 'n driftig-drukke man, hij liep hard en sprak luid en ruw. Zij was
+bang voor al wat ruw was, scherp en hard. Zij schrok er altijd weer van.
+Zachte geuren en tinten trokken haar aan.
+
+Ze kon 't zichzelve zelden verklaren, waarom ze van den eenen dag wel
+hield en niet van den anderen. Maar 't was toch zoo. Alle dagen gingen
+om zonder verschil; toch hield ze van den Woensdag en niet van den
+Dinsdag. Ze begreep 't niet. Ze merkte alleen op dat alle dingen en
+begrippen een kleur hadden in haar denken en als ze de kleur niet
+verdragen kon hield ze ook niet van het ding of van de idee, die zoo
+gekleurd was voor haar ziele-oog. Dinsdag was geelachtig-bruin en daar
+hield ze niet van.
+
+Toen ze ouder werd en leerde begrijpen wat plichten zijn en dat het haar
+plicht was haar vader dankbaar te zijn en van hem te houden, veel en
+altijd, weende ze dikwijls omdat ze 't niet kon en vond zich slecht en
+trachtte zich te dwingen met teederheid aan hem te denken. Maar zij kon
+het niet. Zij geloofde wel dat zij iets voor hem zou kunnen doen, iets
+moeilijks, een groote opoffering, maar zoo aan hem denken, dat kon ze
+niet.
+
+Hoe ouder ze werd, hoe meer ze zich voelde aangetrokken door distinctie,
+verfijning, door exquise, bizondere dingen. En wat anderen
+onbegrijpelijk vonden was haar lief als 'n oude bekende; kleuren die
+niemand zag, geluiden die niemand hoorde, waren haar dagelijksche
+zielevoedsel. Zij kon heele concerten aanhooren zonder bewogen te worden
+en één golf van klanken roerde haar tot tranen toe; zij kon met groote
+kalmte lange gedichten opzeggen, die ze uit 't hoofd had moeten leeren,
+met vriendelijke stem en juiste intonatie, precies zooals 't haar
+voorgedaan was,--en soms was twee regels uit te spreken haar onmogelijk.
+
+Ze had heel graag leeren schilderen: lucht en bloemen, maar haar vader
+vond dat niets voor 'n meisje. Hij was een koppig man, vergroeid met
+allerlei verroeste vooroordeelen. Zij moest leeren kooken en een
+huishouden bestieren. Daarom was ze later wel eens jaloersch op haar
+broer, die 't wel mocht leeren. Hij was 'n jongen met "lieve talenten."
+Hij schilderde en dichtte en maakte muziek. Zij was trotsch op hem.
+Maar begrijpen deed ze hem nooit. Want hij schilderde heel anders dan
+zij 't gedaan zou hebben, zeker voelde hij heel anders dan zij. Toch
+hield ze veel van hem. Dat kwam door zijn fijne, blanke vel en zijn
+lenige leden en doordat hij óók lang kon liggen soezen en droomen. Zij
+begreep hem heelemaal niet. Hij was een slim ventje, lui, en altijd
+alleen bedacht op zijn eigen genot.
+
+Haar ouder worden was 'n zich meer en meer bewust worden van haar
+droomleven, 'n steeds inniger voelen van haar neiging tot mijmeren, 'n
+langzame overgave, maar een volkomen overgave aan den wellust der
+melancolie. Zij bleef klein, tenger, nietig. Bij haar geen groeien van
+het lichaam tot volwassen kracht, geen zwellend rijpen van
+vrouwenvormen, geen wilde uiting van jeugd, geen driftig grijpen naar
+genot, geen siddering van lentelust, geen vermoeden van levensrijkdom.
+Zij bleef klein en tenger, en haar leven werd een reeks van
+zacht-weemoedige en zoet-smartelijke stemmingen.
+
+Zij leerde wat ze leeren moest op school en ze leerde kooken en al wat
+bij de huishouding hoort, ze ging met haar vader naar dinétjes en
+avondjes, ze ontving zelf menschen en deed het met gratie, ja met
+opgewektheid, vriendelijk pratend met iedereen. Ze deed veel kennissen
+op en maakte zoogenaamde vrindinnen. Maar dat alles ging buiten haar om,
+buiten haar eigenlijke leven. 't Luchtig gepraat raakte niet haar
+stemming, geen menschenstem drong door in de stille dalen van haar
+mijmering. En zoo leefde ze voort van dag op dag, van maand op maand,
+van jaar op jaar....
+.....................................................................
+
+Voor dat haar vader bankroet ging, gebeurde er nooit iets met haar, had
+ze geen geschiedenis. Eens alleen stoorde een groote verwondering haar
+droomleven. Een rijk jongman, iemand die haar nauwelijks kende--die ook
+haar rijk dacht en die een huishoudster lastig vond en duur--had haar
+tot vrouw verlangd. Hij had haar gevraagd aan haar vader, die 't haar
+vertelde met ingenomenheid. Verbaasd, verschrikt had ze geweigerd,
+kortaf, voor goed. Er was niet meer over gesproken. Hij had wel andere
+dingen aan zijn hoofd, haar vader!
+.....................................................................
+
+Maar eindelijk kwam de groote verandering, de verwoesting, de ruïne!
+
+Ze was vijf en twintig jaar toen de reuzenramp haar trof, haar greep in
+haar eenzelvig voortgeleef, haar schudde, schokte, dat ze gansch
+verbijsterd staarde voor zich uit met wijde oogen. Haar vader smakte die
+ramp neer op zijn ziekbed. Maar haar broer was 't een ontwaken, hij was
+de eerste, die zich redde, zichzelf alleen. Hij dacht altijd aan zijn
+eigen lot alleen.
+
+Zooals 'n eenzaam herder, wiens hut verwoest is door den storm de
+planken weer bijeen zoekt, weer samenvoegt tot muren, tot een dak--maar
+zoo goed als vroeger wordt het niet--zoo herstelde zij zich na dien
+vernielenden schok. Voort! voort! moest ze nu. Ze had geen tijd meer om
+te soezen en te droomen. Ze moest haar vader--den verlamden, den
+versuften--verzorgen en ze deed het, meer als een zuster, dan als een
+dochter, als een liefdezuster, trouw doende wat haar plicht is zonder te
+denken aan eigen lijden.
+
+Ze waren arm...................
+.....................................................................
+
+Toen was Rubrecht, de boekhouder, een schuchter man, schoorvoetend naar
+haar toe gekomen en had haar aangeboden al wat hij had, zijn goed,
+beproefd-trouw hart, zijn pover salaris en zijn dak. Hij had haar
+verteld dat hij een nieuwe, een betere betrekking gevonden had, dat ze
+'t goed bij hem hebben zou, dat haar vader--zoolang hij nog zou
+leven--bij hem zou kunnen inwonen.--'t Was toch zijn goede oude
+patroon!--Hij had haar ook stotterend van verlegenheid gesproken over
+zijn "liefde." Nooit zou hij 't haar hebben durven zeggen als ze
+gebleven was in haar vroegere "omstandigheden," hij wist wel dat hij
+eigenlijk geen partij was voor 'n juffrouw Van Plaswijk, maar nu--nu ze
+toch immers arm was.... Hij had tranen in de oogen. 't Had haar
+getroffen. Ze had er iets van gevoeld wat die simpele man waagde in zijn
+onverstand, in blind vertrouwen op haar. Ze wou wel waard worden zooveel
+vertrouwen.
+
+Maar 't denkbeeld het allerintiemste te moeten deelen met dien
+burgerman, die twintig jaar ouder was, 'n kantoorlucht had en groote
+dikke handen, die een lange gekleede-jas droeg, kaal op de mouwen, en
+scheef onder zijn smal liggend boordje een oude onoogelijke das,--met
+dien grofgemanierden, platsprekenden burgerman!
+
+Ze had bedenktijd gevraagd.
+
+Bedenktijd!--Denken, helder denken in armoede en zwaardrukkende zorg! 't
+Was niet mogelijk. En haar vader, die haar smeekte, bezwoer haar geluk
+toch niet weg te gooien, het rustig zekere te verkiezen boven
+'n--misschien levenslang!--worstelen niet de ellende,--haar vader, die
+wel niet lang meer leven zou! Gold het niet de rust van zijn laatste
+dagen, van zijn sterfbed?....
+
+En was 't dan toch niet waar, dat zij in staat was tot een groote
+opoffering? En was de opoffering dan zóó groot? Welke andere verwachting
+had ze dan van 't leven? Had ze dan illusies .... illusies ....
+illusies.... Hoe dikwijls had ze dat woord gehoord en gelezen met een
+angstige verwondering en een vaag gevoel van gemis.... Had ze nu
+toch....? Maar haar was immers tot eenig genot gegeven die vreemde plant
+in haar hart, die bloeide, bloeide en met zijn geuren vulde haar
+gansche wezen en voor haar blikken had gesponnen dien zilverzwarten
+sluier waardoor ze de zon zag als een bloedrooden bol hangend in de
+ruimte zonder straling, zonder doel.--En dat genot, die troost, zou haar
+immers toch nooit verlaten....
+
+Rubrecht kwam terug--niet vergeefs. En haar vader stierf zonder angst,
+in haar huis, haar zegenend....
+
+Neen, niet in haar huis!--O hoe scherp had ze 't toen al gevoeld--in het
+zijne, in het huis van Rubrecht, den boekhouder, 't burgerbovenhuis met
+zijn bont gebloemde behangsels, zijn roodgestreepte karpetten,
+bloempotten voor de ramen en buiten 'n spionnetje.
+
+Ze liet het huis precies zooals ze 't vond, zich met martelaarswellust
+de ziel schrijnend aan 't gezicht van al die leelijke dingen.
+
+Eerst was het nieuwe leven haar meegevallen; haar man ging teer,
+bescheiden-voorzichtig met haar om, meer als 'n vader dan als 'n
+minnaar, altijd trachtend haar wat op te wekken, haar vroolijk te
+stemmen, vol hoop dat 't hem gelukken zou, trotsch als ze maar
+glimlachte. Maar langzaam was in haar gerezen 't bewustzijn van de
+beteekenis van haar daad, had ze begrepen dat haar noodlot was dien man,
+die haar zoo liefhad om haar zelf alleen, ongelukkig te maken voor
+altijd. Die arme eenvoudige man, wiens wenschen toch niet te hoog
+gingen, die zich zooveel had voorgesteld van 't leven, als hij maar eens
+een goede betrekking had en een lieve vrouw, die hem koesteren zou en
+verzorgen, als hij oud werd, hem aanhooren als hij sprak van zijn kleine
+belangen, hem aan zijn kleine liefhebberijen zou helpen met geduldige
+hand, die man moest door haar, teleurgesteld, onbevredigd zijn leven
+leven tot het einde. Dat _moest_, dat _moest_! Want ze _kon_ niets voor
+hem worden, ze was van een heel ander menschensoort, zij kon geen
+belangstelling in zich kweeken voor zijn grootboek en zijn kasboek, noch
+voor zijn postzegelverzameling, noch voor zijn doorgerookte pijpen. En
+wat zon hij er van begrepen hebben als ze hem gesproken had over de
+kleuren van de dagen, over de vriendschap van de wolken, over den tuin,
+den vreemden tuin van haar herinnering.
+
+'t Duurde lang, maar eindelijk ging hij 't ook voelen, hij werd stil en
+in zichzelf gekeerd--soms brommerig, mopperig. Maar hij verweet haar
+nooit iets.
+
+De twist was onbekend in hun huis.
+
+Maar zij tobde over zijn leed--en zij vond alleen vergetelheid in de
+bedwelming van melancholische mijmering.
+
+Tot er weer een verandering kwam...
+.....................................................................
+
+Ze was twee jaar getrouwd toen ze zich zwanger voelde. Ze schrok, ze
+wilde 't niet voelen, 't niet gelooven. Moest nu ook nog 'n ander
+mensch door haar leven dit treurige leven?
+
+Het kind werd geboren, 't was 'n jongen. Zij had veel pijn geleden en
+daar had ze hem dadelijk lief om, haar zoon. Met innige, medelijdende
+liefde koesterde zij het kind. Als zij 't in haar armen droeg had ze 'n
+gevoel als moest zij, zij alleen, dat kind beschermen tegen 'n heele
+vijandige wereld.
+
+En nu kreeg haar leven ook weer 'n richting, nu had ze weer geen tijd om
+te soezen, te droomen.
+
+'t Jongetje groeide. Hij was zwak en fijn. Hij leek op haar, ze zag haar
+eigen ziel in zijn oogen. O, maar zijn jeugd mocht niet zijn als de
+hare, koud en grijs, ze zou hem troosten, zij zou zijn vrindin zijn,
+zijn beschermster, zijn alles! Zij zou over hem waken! Wat ze voor
+zichzelf altijd versmaad had deed ze voor hem, ze bad. Ze bad den
+grooten goeden God, den geheimen vader van alle smart en alle vreugde
+voor hem te doen, wat ze voor zichzelf nooit had gevraagd, hem gelukkig
+te maken! Als geluk mogelijk was, dan moest, dan moest hij, haar Wouter,
+gelukkig worden.
+
+Toen begreep ze wat een illusie is; zij had een illusie, zij ook!
+
+O! hem gelukkig te zien, gelukkig door haar! En voor hem alles te zijn,
+te blijven, zoodat hij meer van haar zou houden dan van ieder
+ander--altijd! En als hij soms--over twintig, vijfentwintig jaar, als
+hij weg zou willen uit haar huis en zich misschien--, o! dan wilde ze
+sterven, ja, dan sterven!--Maar, weg, weg die gedachte! zij, zijn moeder
+zou alles voor hem blijven, zijn vertrouwde, zijn eenige
+vrindin................
+.....................................................................
+
+Maar als dat toch moest komen, als dat moest, dat, hij zich 'n vrouw zou
+nemen!....
+
+Dan moest dat zijn een van Gods engelen, dien zij den Vader bidden zou
+neder te zenden voor hem, haar zoon. Zulk een wezen alleen zou hem
+mogen aanraken, omarmen, bezitten. Voor 'n engel alleen zou zij afstand
+van hem doen--misschien!............
+
+Vijf jaar later, onverwacht, 'n tweede kind, een meisje. Dat gaf
+verwarring in haar denken, maakte haar zenuwziek, veel weken, maanden.
+Ze hield lang niet zooveel van dat tweede kind als van Wouter. 't Was
+ook heel anders, 't was grof, 't had haar en Wouters oogen niet. Maar 't
+was haar kind. Zoo bleef ze haar zorgen verdeelen met volkomen
+toewijding, met streng plichtgevoel, over haar man, haar zoon en haar
+dochter.
+
+Maar Wouter was haar lieveling.... En de jonge aanbad haar als 'n
+heilige. Zelden waren twee menschen meer aan elkaar gehecht.
+
+
+
+
+II.
+
+
+De Rubrechts dan bewoonden een bovenhuis op een smalle gracht, een
+gracht van den derden rang, stil, oud, heel oud. 't Was een huis met
+een donkeren geölieden gevel, een trapgevel en zoo waren al de huizen
+aan weerszijden. Moe stonden ze tegen elkaar aan en voorover te hangen.
+Twee sombere rijen.
+
+Zwaar helden over het water, dat stil stond tusschen de steile wallen,
+de dikke boomkolossen, de een scheever dan de ander, al de stammen
+grillig gespleten en gebocheld, vreemde gedaanten. Hier en daar ontbrak
+er een, eindelijk bezweken onder den last van zijn kruin en neergeploft
+in 't vieze water, en op zoo'n leege plek was dan een lummelig jong
+boompje gezet met een banaal keurig hekje er om van geverfd ijzer, een
+boompje als uit een speelgoeddoos, onuitstaanbaar wijsneuzig.
+
+De Rubrechts woonden boven 'n kantoor en links en rechts waren kantoren
+met bovenhuizen. Maar de oude Rubrecht had niets te maken met het
+kantoor beneden, want hij was eerste boekhouder bij Jan Blok, een
+groote firma ergens op 'n veel voornamer gracht. Hij woonde daar alleen
+maar omdat 't er zoo goedkoop en toch zoo door en door fatsoenlijk was.
+En goedkoop en toch fatsoenlijk, dat was alles wat hij wenschte.
+
+'t Was op een Zondagmorgen. Die kant van de oude gracht waar de
+Rubrechts woonden lag in de hitte, die fel brandde op de keisteenen voor
+het huis, maar 't stilstaande water in de schaduw van den overkant en
+van de boomen, vuilzwart en donkergroen, bedorven.
+
+'t Kantoor beneden was gesloten met hardgele luiken, die brutaal blonken
+in de zon. Maar boven zag alles er rustig en fatsoenlijk uit. De
+gordijnen in de beneden voorkamer, de "mooie" kamer, de dikke
+roomkleurige ophaalgordijnen, ouderwetsche, met plooien en de witte
+opengewerkte overgordijnen, voor alle drie de ramen even hoog en even
+breed, lieten precies gelijke zeskante stukjes raam vrij voor het licht.
+De buitenjalouzieën aan de tweede verdieping en het gordijn van het
+zolderraam hingen strak neer in hun volle lengte, 't Oude hijschblok
+reikte somber in de ruimte, zijn schaduw werpend op het huis.
+
+Dit was een Zondagmorgen als iedere andere, als de vorige en als
+verleden jaar en als voor tien jaar. Niemand had die gracht ooit anders
+gezien op Zondag.
+
+Toch was er juist aan het Rubrechtshuis iets zeer buitengewoons te zien
+dien morgen en tuurden de overburen over hun vensterbanken en tusschen
+de takken van de boomen door verbaasd naar de ramen van de
+benedenvoorkamer. 't Was al ongewoon dat de gordijnen niet heelemaal
+gesloten waren in de zon, maar het allervreemdst was, dat op het ronde
+tafeltje voor het middelste raam, waar anders altijd de zilveren
+inktkoker glansde onder de glazen stolp (altijd tenminste nadat Rubrecht
+zijn jubileum had gevierd bij Jan Blok)--nu stond een mandje bloemen.
+Een elegant rond mandje met een deksel, die half openstond en waar de
+witte en roode rozen onderuitdrongen in gloeienden overvloed. Rozen ook
+om het hengsel en een wit lint, eindend in een lossen strik. Een
+buitengemeen mooi mandje, zeker het sierlijkste voorwerp wat nog ooit
+bij Rubrecht te zien geweest was en toch nog maar een voorbode, een
+inleiding....
+
+Want Wouters meisje, Wouters mooi meisje zou haar intree komen vieren in
+Wouters ouderlijk huis!....
+
+Aan weerszijden van het kleine tafeltje stond een leuningstoel en op de
+linksche zat de oude Rubrecht en keek naar 't mandje. Dat was zijn
+eenige bezigheid maar niet het doel van zijn zitten daar, want al
+dadelijk toen 't gekomen was had hij 't aan alle kanten bekeken en
+beroken, 'n half uur lang. Het doel was negatief: hij wilde zich niet
+"vuil maken." En al scheen daartoe weinig gelegenheid in de zorgvuldig
+afgestofte kamer, 't veiligst was toch maar onbewegelijk te blijven
+zitten. Zijn gekleede jas zonder kreukje, zonder stofje, zijn witte das
+recht als die van 'n dominee op zijn portret, zijn breede laarzen
+glimmend, zat hij daar en keek en wachtte. Zijn dikke doezelkop 'n
+beetje naar voren en meest naar voren de onderlip. Een glad geschoren
+egaal-rood gezicht, alleen zijn kale kruin wat blanker en heel wit de
+dunne haren langs de slapen en de zware wenkbrauwen. Goedige kleine
+oogen starend langs de dikke neus en onder de oogen groote blazen. De
+vleezige wangen zakkend in de onderkin.
+
+Alleen de oogen bewogen nu en dan, opkijkend van het mandje naar de
+bloemen van 't gekalkte plafond, naar de "schilderijen" aan den wand,
+premieplaten van zoogenaamde prachtwerken, leelijke ouderwetsche
+staalgravuren, of naar de helder gewreven bonheur, 't cadeau van zijn
+ouders bij zijn huwelijk, nog altijd ontzien, gevreesd bijna als een
+voorwerp van buitensporige pracht en weelde. De overige meubelen waren
+eenvoudig. Een ronde tafel op één gedraaide poot, acht stoelen en een
+kanapee met zwarte trijpen zittingen.
+
+Op den schoorsteenmantel een ander voorwerp van luxe, ook een cadeau,
+een vergulde pendule, met een vergulde Ceres en vergulde korenschoven er
+op, onder een stolp en aan de eene zij een porseleinen herder, met 'n
+poeslief gezichtje, zijn jasje kleurig gebloemd en een luciferstandaard
+van geel koper, en aan de andere zij een porseleinen herderin en een
+geelkoperen aschbak. Deze vijf stukken op gelijke afstanden en de herder
+en herderin wat naar elkaar toegedraaid uit hartelijkheid. 'n Goed kind,
+die Anna!
+
+Schielijk ging de deur open en kwam mevrouw Rubrecht de kamer in. Klein
+nietig vrouwtje in 't zwart, stemmig dofzwart, 'n ernstig, wasbleek
+gezichtje, ovaal, regelmatig als 'n Mariakop, in een kap van gladweg
+gekamd donkerblond haar, waarop ze 'n donker dofgrijs tulen mutsje
+droeg, wat haar ouder deed schijnen dan ze was. Om den schralen hals lag
+povertjes 'n smal wit kraagje en wat zwarte kant viel uit de mouwen over
+de magere polsen.
+
+Ze kwam haastig binnen, liet de deur achter zich open. "Daar is Wim,"
+zei ze. En ook kwam kort daarna, veel bedaarder, een jongmensch naar
+binnen en stapte op Rubrecht toe. De oude man draaide zich half om.
+"Zoo! dag Wim," zei hij. "Goeiemorgen, meneer," groette Wim hem de hand
+reikend, "hoe maakt u 't?... Hé!--wat 'n mooie bloemen!"--Rubrecht
+grinnikte vergenoegd. "Ja, ja!--Woutertje weet 't wel, vindt je niet?"
+
+Mevrouw schoof gejaagd met 'n stofdoek langs de leuning van een stoel.
+"Ik zal Anna 's even roepen," zei ze. "Ze is nog aan 'r toilet bezig....
+ze heeft je misschien niet gehoord".... En ze liep de kamer weer uit
+zonder naar Wim te luisteren, die nog riep: "Doet u geen moeite! Ze zal
+wel komen!"....
+
+"Ga zitten, Wim," zei de oude Rubrecht.
+
+Toen nam de heer Willem Teunisse--genaamd Wim--voorzichtig tusschen
+iedere duim en voorste vinger een pand van zijn gekleede jas en liet
+zich langzaam en vol waardigheid neer op den anderen leuningstoel.
+
+Rubrecht's aanstaande schoonzoon was boekhouder; hij was een degelijk,
+solied jongeling, knap in zijn vak, bescheiden tegenover oudere
+boekhouders, nederig en eerbiedig als hij van zijn patroon sprak; hij
+zou een schoonzoon worden zooals Rubrecht er zich zeker een gedroomd zou
+hebben, als hij ooit gedroomd had. 't Was iemand, die zijn plaats in de
+wereld begreep en die niet, als zoovelen tot hun ongeluk, streefde naar
+onafhankelijkheid, roem, eer of schatten. Zijn eer lag in de brandkast
+van zijn patroon, zijn roem was honderd gulden verhooging van salaris en
+zijn eenige schat was op 't oogenblik aan haar toilet bezig. Zoo hoorde
+'t! Daarbij kwam dat de heer Wim iemand was van onbesproken
+levenswandel, zevenentwintig jaar oud, schutter, 'n weinig mottig maar
+toch niet opvallend leelijk, en eigenaar van 'n miniem erfenisje en 'n
+gering spaarduitje, samen vormend een ruggesteuntje, dat 'n zekeren roep
+van welgesteldheid van hem deed uitgaan onder zijn kennissen. Deze heer
+had dus alle recht zich langzaam en met waardigheid te bewegen.
+
+"Lekker weer, hè Wim," zei Rubrecht.
+
+"Bizonder lekker weer, meneer," zei Wim, "bepaald zeer mooi weer, ziet
+u, haast te mooi voor den tijd van 't jaar! Wat blijft 't lang droog,
+vindt u ook niet?"
+
+"Wees maar niet bang; voor we 't kwartaal afsluiten zal de regen z'n
+debet wel aanzuiveren," zei de oude boekhouder, en beide lachten met
+deftigen kraaklach om die aardigheid.
+
+Mevrouw Rubrecht kwam weer binnen en kwam ook bij het tafeltje staan.
+"Ze komt dadelijk," zei ze, zenuwachtig glimlachend met 'n verstrooiden
+blik in 't rond. En toen tot Wim: "Vindt je die bloemen niet
+prachtig?--die Wouter!--goeie, royale vent, hè?--Ja, maar hij heeft nu
+ook 'n mooie positie!--en 't moet zoo'n lief meisje zijn, Wim--o, zoo'n
+lief meisje!--ja, zet nu maar niet zoo'n ongeloovig gezicht,--dacht jij
+misschien, dat ze wat .... wat oppervlakkig was, 'n beetje luchthartig
+misschien?---O, nee, Wim!--nee! dan zou Wouter nooit zooveel van 'r
+zijn gaan houden--heusch niet!--dat is niets voor Wouter!--Wouter is
+ernstig, bedaard! Hij is er de jongen niet na' om zich door 't eerste 't
+beste mooie gezichtje te laten inpakken!--nee! dan ken je Wouter
+niet!--"
+
+"Maar mevrouw, ik...."
+
+"Nou ja, ik weet wel, Wim, je meent 't goed .... maar, zie je,
+Wouter!...."
+
+En de moeder begon met een wijden blik, die ver over de hoofden van de
+twee boekhouders heen aan een heerlijk lichtbeeld scheen te hangen, de
+moeder begon te praten over haar zoon, haar eenige, haar alles! Hij had
+nu een goede positie, maar hij verdiende dat ook ten volle, je moest
+zijn patroon, zijn aanstaanden compagnon, haar knappen broer Frits maar
+over hem hooren. Neen, dat stond vast, Wouter had zich een vrouw
+gekozen, die hem waard was! Niet dat hij dat zelf zeggen zou!--pedant
+was hij heelemaal niet!--Maar 't was zoo!--Wouter met zijn juisten
+blik, met zijn menschenkennis!
+
+"Nee, heusch, Wim," zoo ging ze al maar door, ofschoon haar aanstaande
+schoonzoon al lang overtuigd scheen, "'t _is_ een engel van 'n
+meisje!--Weet je, dat ze zoo jong haar moeder verloren heeft!--net als
+ik,--treurig, hè?--Haar vader heeft er heel veel van geweten!--goeie
+man, haar vader!--goeie man!--hij werd gevoelig toen hij er over
+sprak.--Mevrouwtje, zei hij, je haalt 't zonnetje uit m'n huis!.... Toen
+me lieve vrouw dood was, is zij hier in huis het middelpunt geworden
+.... zonder haar zal 't hier uitgestorven lijken.... 't Is misschien
+niet goed zooveel van 'n kind te houden, zei hij, maar zooals zij ook
+altijd met me omging, zoo innig lief, zoo aanhankelijk...."
+
+Mevrouw Rubrecht beet zich op de onderlip en snoof een traan op.
+
+Wim keek haar verwonderd aan.
+
+"En weet je, wat haar vader ook zei," ging ze weer door, "dat is iets
+voor jou Wim!--Hij zei, dat ze zoo'n knap huishoudstertje is.... In 't
+laatste jaar heeft zij de kas gehouden, de huishoudkas, .... keurig,
+keurig! .... 't klopt altijd prompt!"
+
+Wim glimlachte. "Aan diversen zooveel," zei hij.
+
+"Waarom zeg je dat nu weer, Wim? Kan dat nu weer niet, dat 'n meisje
+zulke dingen goed doet?...."
+
+"Zeker, zeker!" zei Wim, knikkend met zijn gewichtig hoofd, zoodat zijn
+glimmende gekamde haren, op en weer wipten in zijn nek, "maar uit een
+volle beurs is 't makkelijk kas houden!...."
+
+"Wat bedoel je daarmee, Wim?--je dacht toch niet dat Wouter haar om 't
+geld....? O, Wim, wat ken je Wouter weinig, foei!"
+
+En vader Rubrecht, die tot nu toe al maar goedig glimlachend voor zich
+uit had zitten kijken zonder 'n woord te zeggen, schraapte zich nu de
+keel en zei: "Nee, Wim, nee!--dat is niks voor Wouter!...."
+
+"Wie zegt dat dan ook!" zei Wim, "ik denk er niet aan...."
+
+Maar Anna was binnen gekomen. Wim stond bedaard op, liep haar drie
+stappen tegemoet en gaf haar een kus op iedere wang. Ze kwam ook naar de
+bloemen kijken en berook de mand aan alle kanten en zei dat 't jammer
+was dat rozen zoo weinig geur gaven, 't Was of 't haar troostte! Wat ook
+wel zoo geweest zal zijn, want zelf was ze maar 'n simpel muurbloempje
+en heel blij dat ze toch geplukt zou worden, al was 't dan maar door 'n
+boekhouder, die 'n weinig mottig was.
+
+Ze leek op haar vader, ze was een leelijk meisje, met fletse oogen en
+iets paffigs in haar gezicht.
+
+De moeder liep de kamer weer uit.
+
+"Je ma schijnt in 'r schik, vandaag," zei Wim tot zijn meisje,--"maar
+wat is ze zenuwachtig!"
+
+"Gelukkig, dat ze zoo is," zei Anna--wat korzel door dat ze zoo laat
+was--"en niet in 'n melancholieke bui zooals eergisteren nog--en zooals
+zoo dikwijls."
+
+"Zoo, zoo!--Meer dan vroeger?"
+
+De oude Rubrecht keek op, niet meer glimlachend, 'n beetje wrevelig.
+"Wel nee!"--bromde hij--"niet meer dan vroeger--je moet daar niet zoo
+over praten, Anna,--je weet, 't zit in ma's gestel!--nee! niet meer dan
+vroeger--niet meer dan vroeger!"
+
+"Waar ze nu heen geloopen is?" zei Wim, op zijn horloge kijkend, "'t is
+half één, Wouter en z'n meisje kunnen ieder oogenblik komen."
+
+"Ik wed, dat ze boven uit 't raam uitkijkt, of ze 'r al aankomen,"
+antwoordde Anna. En dat scheen 't ook te zijn geweest, want 'n paar
+minuten later kwam moeder Rubrecht weer binnen, even maar, om
+blij-gejaagd te roepen: "Daar komen ze, daar komen ze!" En meteen was
+ze weer weg om zelf open te doen.
+
+De oude heer zette zich in postuur, werd nog rooder dan anders en
+hoestte herhaaldelijk. Wim knipte zich 'n paar stofjes van de jas, stond
+op, kuchte ook en was blijkbaar wat verlegen met zijn stijve figuur.
+Anna ging in de gang over de leuning van de trap staan kijken.
+
+En ze kwamen. 't Moedertje kuste beiden met tranen in de oogen zoodra ze
+in huis waren. Vroolijk pratend kwamen ze de trap op, Anna tegemoet, die
+haar aanstaande schoonzuster op iedere wang een klapzoen gaf. Toen ze
+binnen kwamen zette vader Rubrecht zich geheel overeind, maar bij bleef
+bij zijn stoel staan en stak 'n hand uit. "Welkom hier," zei hij,
+"welkom, welkom!" En Margreetje vatte de hand en drukte haar lippen even
+op 'n licht plekje van 't roode gezicht. Met stralende oogen ging de
+oude man weer zitten. En toen kwam ook Wim haar sterk blozend
+begroeten.
+
+Een kind, een mooi kind, frisch-jong, hel-blond, stralend van dartele
+levenslust, van dol-vermetele vroolijkheid--zoo stond daar Wouters
+meisje in het huis van zijn moeder. Ze was heel mooi. Ze had een slanke
+figuur, zacht-ronde lippen, een gezond-veerkrachtige, fiere houding.
+Lachend haar ongemeen bekoorlijken, welluidenden lach liet ze zich
+kussen, mild met lieve blikken en warme woorden. Dadelijk was ze druk
+aan 't praten; zij had een innemende stem, soms licht geaffecteerd, maar
+'t was niet hinderlijk, 't was alleen maar een beetje coquet. De bloemen
+vond ze "beeldig," 't mandje "dol elegant." "Wat snoezig van je,
+Wouter," zei ze, en opwippend op haar teenen--want ze was veel
+kleiner--lei ze even tegen hem aan haar mooie lijf en gaf 'm een zoen!
+
+Wouters goedig, onbehaard gezicht glom van innig genoegen. Hij lachte
+kort, sprak weinig. Hij stond te wippen, keek nu eens vol trots naar
+zijn meisje, dan weer naar ieder van de anderen, hij trok gekke
+gezichten, bewegend zonder ophouden zijn wenkbrauwen en zijn mond. Er
+was stille triomf in zijn houding. Blijkbaar was hij blij met den indruk
+die zijn meisje maakte op zijn huisgenooten, blijkbaar was hij vol dolle
+vreugde, had hij 't wel uit willen gillen, maar hield hij zijn
+aandoening met veel kracht in bedwang. Hij leek op zijn moeder, wat
+vooral zoo sterk uitkwam doordat hij baard noch snor droeg. Toch had hij
+een echt mannelijk voorkomen, droog, streng, zeer gunstig, en in zijn
+oogen een schat van gulle goedhartigheid.
+
+Ze stonden een poosje te praten en te lachen. Moeder Rubrecht dribbelde
+telkens de kamer uit en in en kwam eindelijk met een glanzend gezichtje
+vragen "of de kinderen kwamen koffiedrinken." Toen trokken ze naar de
+achterkamer met glimlachende monden, de oude vader achteraan. Hij was
+wat slap in zijn knieën en hij wilde niet dat Margreet dat al dadelijk
+merken zou.
+
+Er was een zonnige stemming aan de koffietafel; Margreet was het
+middelpunt, zij moest zonder ophouden haar mooi kopje draaien van rechts
+naar links om iedereen te woord te staan. Anna was blij dat haar
+elegante aanstaande schoonzuster zoo vriendelijk tegen haar was, zij
+keek dankbaar op naar Wim--die naast haar zat--, alsof die 't helpen
+kon. De moeder tuurde al maar naar dat meisje, dat mooie meisje, die een
+fee geleek, een fee uit een sprookje en die toch Wouters meisje was,
+zijn vrouw zou worden. Dat was ze dus, dat was ze dus! En ze keek naar
+haar met groote oplettendheid, ze nam dat mooie beeld in zich op, niet
+in ééns, maar minutieus, bekijkend de oogen, de neus, de lippen, de
+kin, als iemand, die een portret teekent. Margreet bloosde onder dien
+blik. En de moeder, die dat zag begon om toch door te kunnen kijken met
+veel nauwkeurigheid en in logische volgorde te vragen naar Margreet's
+familie, haar ooms en tantes, haar neven en nichten, van vaders zij en
+van moeders zij. Voor iederen nieuwen naam had ze 'n uitroepje van
+verwondering of medelijden en het meisje daardoor aangemoedigd vertelde
+druk pratend door. Wouter lachte er om en plaagde zijn moeder een beetje
+met die instructie, maar Anna verdedigde haar, zeggend dat zij vrouwen
+nu eenmaal wat nieuwsgierig waren, ze hadden ook niet zulke gewichtige
+dingen aan 't hoofd als de heeren. De oude man zei ook nu en dan een
+paar woorden, maar werd doorgaans niet verstaan. Margreet boog zich dan
+naar hem toe en vroeg heel vrindelijk wat hij gezegd had. Maar dan kwam
+er alleen maar een grijns, die beduiden moest: Oolijkerd, je verstaat
+me best, je houdt je maar zoo.
+
+Wim vroeg Wouter naar zijn zaken en Wouters gezicht betrok even, maar
+hij zei dat hij vandaag niet over zaken te spreken was. Zijn moeder
+hoorde dat, al luisterend naar Margreet en nam zich dadelijk voor, er 's
+middags haar broer naar te vragen, die kwam eten met zijn vrouw, ter
+eere van het feest.... Ook Margreet's vader en haar broer zouden komen.
+
+Na de koffie gingen Wouter en Wim met hun meisjes wandelen; 't bleek dat
+Wim gedroomd had van een plan om met z'n vieren uit te gaan, maar
+Margreetje lachte hem, schijnbaar onwillekeurig, zoo hartelijk uit, dat
+hij verlegen werd en zijn Anna voorstelde dan ook maar dadelijk op weg
+te gaan, terwijl de anderen nog wat talmden in de voorkamer.
+
+De oude heer bleef zijn pijp rooken en zijn krant lezen in een
+gemakkelijken matten stoel bij het linkerraam, achter, in de huiskamer,
+die uitzag op een binnenplaats, op een gekalkte blinde muur, vol
+vuilbruine regenstrepen. Toen zijn kinderen weg waren trok hij zijn jas
+uit.
+
+Zijn vrouw was dadelijk druk in de weer met de meid, er kwamen immers
+menschen. Ze was erg gejaagd en toen alles klaar was te moe en te
+zenuwachtig om zelf wat te eten.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Oom Frits--Wouter's toekomstige compagnon--was een man van talent. Toen
+zijn vader bankroet ging en de tijding tot hem kwam in Parijs, waar hij
+studeerde aan 't conservatoire, had hij zich eerst volkomen overgegeven
+aan zijn droefheid; hij had zichzelf diep beklaagd en zich laten
+beklagen door zijn vrinden; hij had zijn lange haren vóór over zijn
+gezicht gehaald en voor zich uitgestaard met wanhoopsblikken. Maar toen
+hij dan eindelijk goed begon te begrijpen, dat 't nu uit was met zijn
+lekker-lui leventje--zoogenaamd voor de kunst--met languit liggen op
+sofa's en gedichten maken op mooie meisjes en gloeiende feesten, met
+droomerig neerzitten voor een half-af schilderstuk, zacht tokkelend op
+de snaren van een viool--want hij deed aan alles: muziekmaken, dichten,
+schilderen--toen was 't hem of hij voor 't eerst in zijn leven goed
+wakker was! Zijn innerlijk ik, die al die kunst heel aardig vond, maar
+toch 't meest behoefte had aan lekker eten en drinken en een zacht bed
+dreef hem voort--weg uit Parijs .... terug naar zijn geboortestad! En
+hij ging aan 't zoeken! Hij schreef op allerlei advertenties; hij liep
+zijn oude kennissen af, smeekend om hulp, want zijn innerlijk ik
+versmaadde weinig middelen!
+
+Zoo was hij gekomen, als "aankomend bediende" op kantoor bij een
+graankooper, een eenvoudig man, dien hij zoo handig wist in te palmen
+door zijn slim gekozen woorden en zijn fijnbeschaafde manieren en ook
+door zijn leepheid in 't zaken doen, dat hij in korten tijd van
+"aankomend bediende" procuratiehouder werd, bij zijn patroon ontvangen,
+aan zijn dochter voorgesteld en .... twee jaar later de zaak van zijn
+schoonvader overnam. Hij had den altijd bezigen ouden man net zoolang
+aan het hoofd gemaald van "welverdiende rust" en "kalmen ouden dag" en
+zoo meer, tot hij zich teruggetrokken had op een vervelend buitentje. En
+toen werden 'n paar nieuwe bedienden aangesteld, de viool en 't penseel
+weer ter hand genomen en 't ontijdig afgebroken lekker-lui leventje
+voortgezet. Zijn schoonvader--die den slag niet had van 't
+rentenieren--ergerde zich dagelijks erger, en dat was heel gevaarlijk
+voor hem, want hij was een dik, volbloedig man. De gevolgen bleven dan
+ook niet uit .... een beroerte .... en Louise en haar Frits kregen de
+erfenis thuis. Nu werd de zaak aan kant gedaan, bij 't huis werd een
+stal gebouwd, in de opera werd een loge gehuurd. Er kwamen veel gasten,
+goede, welmeenende vrienden, bewonderaars van oom Frits' talenten.
+
+Tot plotseling bleek dat de zaak toch wel wat al te vroeg aan kant
+gedaan was, dat er wel wat al te veel verteerd was, dat 't ook al te
+laat was om in te krimpen wat te veel was uitgezet.... Er kwam een nare
+tijd van gejaagdheid en zorg en roezemoes voor dien armen oom Frits.
+Maar de ramp dreigde en trof en bleef niet alleen. Alles werd verkocht,
+tot de viool toe, en tante Louise stierf. Kinderen waren er gelukkig
+niet. Zoo stond dan Frits van Plaswijk op een donkeren najaarsmorgen
+weer heel alleen, was hij weer even ver als twintig jaar geleden en had
+hij zich weer de oogen uit te wrijven om ten tweeden male te ontwaken.
+
+Maar toen was zijn familie, vervuld van bewondering voor zijn talenten
+en ingenomenheid voor zijn sympathieke persoon, hem te hulp gekomen. Er
+was--'n idee van hem natuurlijk!--een stoomwasscherij opgericht onder
+zijn directeurschap. Ooms en tantes, neven en nichten namen aandeelen en
+zonden hun wasschen. De inrichting was kranig, vooral het kantoor van
+den directeur, waar niets ontbrak. Daar werden ook de
+bestuursvergaderingen gehouden die heel gezellig waren en altijd werden
+gevolgd door een fijn dinétje, voor rekening van de nieuwe maatschappij.
+Aan 't dessert werd dan warme hulde gebracht aan den genialen stichter
+van deze waschinrichting.
+
+In 't begin ging alles goed, telkens sloten zich nieuwe familieleden en
+goede vrienden aan. Maar toen kwam er stremming, de neefjes en vrindjes
+waren op. En 't "groote publiek" bleek nog niet rijp voor Van Plaswijks
+ideeën. Hij besteedde een paar duizend gulden aan reclame, maar 't hielp
+niet veel. 't Was treurig--maar 't was eenmaal zoo! Men kon toch niet
+van hem eischen dat hij de menschen zou gaan vragen om hun vuil linnen?
+
+Laat ons trachten, zoo dacht toen oom Frits, de inrichting tot nog
+grooter volkomenheid te brengen. En hij ging op reis naar Berlijn en
+naar Parijs om daar stoomwasscherijen te bestudeeren. Maar dat duurde
+niet lang. Een telegram van een der commissarissen deed hem hals over
+kop terugkeeren. Zijn boekhouder, die zijn volle vertrouwen bezat, was
+plotseling ook op reis gegaan om de stoomwasscherijen in Amerika te
+bestudeeren en hij had de kas meegenomen uit voorzorg. Later schreef hij
+nog een brief om hulde te brengen aan het inzicht van oom Frits, voor
+wiens ideeën hij Amerika volkomen rijp bevonden had.
+
+Intusschen kon Van Plaswijk's grootsche stichting 't verlies van haar
+boekhouder en haar kas niet lijden. Men likwideerde, de familie berustte
+in 't verlies en had niets dan medelijden voor hem, den man van talent,
+slachtoffer van zijn genialiteit en te groot vertrouwen in een
+medemensch!
+
+En voor de derde maal moest Frits van Plaswijk zich wakker schudden en
+al de gaven, die hem tot nog toe uit den brand geholpen hadden te zamen
+grijpen en goed uitkijken en scherp denken. Ditmaal hield hij zijn
+vrienden er buiten. Hij verkocht wat hij bezat en ging ergens in een
+achterafbuurt wonen, heel eenvoudig. Een tijdlang zag hem niemand. Toen
+hij zich weer vertoonde, was 't met hangend hoofd. Hij was nu
+ongelukkiger dan ooit, zuchtte hij, en zijn mooie donkere oogen keken
+dwalend rond. Hij was verliefd, en .... hopeloos! Zij was een lief,
+jong weeuwtje .... ze zou hem uitlachen .... wat had ze hem noodig!....
+Ze trachtten hem moed in te spreken, maar hij schudde 't hoofd. Ze
+vreesden, dat hij zich van kant maken zou....
+
+Maar daar kwam opeens de blijde tijding: hij was geëngageerd! Hij was de
+gelukkigste mensch van de heele wereld!.... Want zij was een engel, hij
+aanbad haar!.... En, o gelukkig toeval! zij was ver van onbemiddeld. Nu
+belette ook niets hem meer een plan te verwezenlijken, dat altijd tot
+zijn illusies behoord had, maar in den laatsten tijd tot rijpheid was
+gekomen in zijn geest. Een nieuwe onderneming, die zeker slagen zou!
+Juist iets voor hem,--als geknipt!--Men zou er algauw meer van hooren.
+
+Hij trouwde en openbaarde den nieuwsgierigen familiekring zijn plannen.
+Een groote drukkerij en uitgeverszaak zou hij oprichten. Dat was iets
+in den geest van den tijd. Immers door het meer en meer verbreide
+onderwijs groeide dagelijks het publiek voor wetenschap en litteraire
+kunst. 't Zou een schitterende onderneming worden. Wel had hij
+persoonlijk geen ondervinding van zulke zaken maar daarom zou hij zijn
+neef Wouter er bij halen, die er een piet in was. Hij zelf zou zich
+uitsluitend bezighouden met het hoogere hersenwerk, 't uitdenken van
+grootsche uitgeversplannen, 't confereeren met geleerden, schrijvers,
+illustrators, 't bijwonen van letterkundige congressen .... en wat dies
+meer zij.... De firma zou als eerste uitgaaf zijn eigen gedichten doen
+verschijnen op geschept papier.............................
+.....................................................................
+
+En hij schreef aan Wouter dat zijn toekomst verzekerd was, als hij maar
+gauw overkwam. Want Wouter was toen in Londen. Hij zou beginnen als
+procuratiehouder, maar--wanneer alles goed ging--over een jaar lid van
+de firma worden. Wouter, die veel wist van zijn vak en er van hield, die
+anderhalf jaar in verschillende drukkerijen in Leipzig en Parijs gewerkt
+had en nu in Londen, waar hij zich gelukkig en thuis voelde--hij hield
+veel van Engelschen--Wouter had er eerst weinig zin in. 't Plan kwam hem
+te onbekookt voor en zijn ooms brieven deden hem onwillekeurig aan
+Holloway en Beecham denken. Maar de brieven bleven aandringen en alle
+bezwaren wegredeneeren--'t begon hem te duizelen--, zijn moeder ried 't
+hem ook aan--en ze schreef dat ze 't zoo heerlijk vinden zou haar
+lieveling weer voorgoed bij zich te hebben....
+
+Zoo was hij dan toch gekomen en terstond daarop was een begin gemaakt
+met de toebereidselen, het inkoopen van machines, letters, het
+aanstellen van personeel. En alles ging uit een ruime beurs, zoodat 't
+Wouter wel moest bevallen.... En 't beviel hem dan ook .... zeker ....
+o, zeker!....
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Een van Wouters eerste bezoeken na zijn terugkeer had den man gegolden
+die hem met de handgrepen van zijn vak vertrouwd gemaakt had, die hem,
+'n jongen van zestien jaar, zóó van de lagere school, in de leer genomen
+had, den bekenden boekdrukker Smit. Een goedig-ruwe, luidruchtig
+vroolijke man, vol levenslust en werkkracht. Wouter had veel van hem
+gehouden, hij was een van de menschen geweest die invloed gehad hadden
+op zijn manier van denken en van doen, op zijn gansche optreden; hij zou
+hem nooit kunnen vergeten. En ook de drukker, die trotsch was op zijn
+vak, die er voor gloeide en 't er ver in gebracht had, hield van den
+leergragen jongen en was blij toen hij 'm weer zag. Vroolijk stak hij
+hem de groote roode hand toe. "Dat 's goed van je, dat je je ouwen baas
+éris op komt zoeken, hoor! .... dat 's goed! .... dat 's heel goed! ....
+kom 's gauw mee naar de zetterij .... kijk 's wat ik heb laten
+verbouwen!.... Mooi, hè?.... Ja, kijk maar 's goed rond, er is hier heel
+wat veranderd!.... Twee groote nieuwe persen zul je vinden in de
+drukkerij .... maar nou eerst mee naar boven, want je moet 'n borrel met
+me drinken.... En vertel nou 's, wat ga je nu doen hier?...." Zoo
+praatte hij door, druk, telkens hartelijk lachend tusschen zijn woorden.
+En dan bekeek hij Wouter weer van top tot teen. "Kerel, wat ben jij 'n
+mannetjesvent geworden! 'k Zou je toch herkend hebben! Waarachtig! Al
+had je er nog een sappeursbaard bij gehad!"
+
+En hij de kamer uit en roepen aan de trap: "Komen jelie 's even hier,
+Margreet, Willem, waar zijn jelie?"
+
+Want ze moesten ook zien wat 'n mannetjesvent Wouter Rubrecht geworden
+was. Eerst kwam Willem beneden, een echte sportjongen, vier jaar jonger
+dan Wouter, die hem ternauwernood herkende, die niet op hem gelet had
+vroeger, en wien hij nu ook vrijwel onverschillig was, want hij stond
+juist op 't punt om te gaan footballen. "Dag pa! .... bonjour meneer
+Rubrecht!...." En daarna Margreetje, die hem heel goed herkende en dat
+ook dadelijk zei met een lieven blos. Maar toen haar vader in zijn ruwe
+luidruchtigheid platweg vroeg: "Nou .... en .... wat zeg je van 'm ....
+is 't niet een knappe jongen geworden?" lachte ze maar 's en zei niets,
+maar bloosde nog sterker. Wouter herinnerde zich Margreet ook nog wel,
+maar vóór ze was binnengekomen had hij haar in zijn gedachten zóó voor
+zich gezien: een frisch kind van twaalf jaar met loshangende blonde
+haren en mooie groote kinderoogen, in een lichtblauwe katoenen jurk,
+stijf gestreken, met een hoog wit boezelaar er voor en twee tengere
+bloote armen slaphangend langs het slanke kinderlijf. Jurk en boezelaar
+tot op de weeke knieën en daar onderuit in helwitte kousen de stevige
+kuiten en dan de blinkende rijglaarzen in volle glorie!.... En inplaats
+van dat kind was een jonge vrouw binnengekomen--hij was even
+verbaasd--maar 't haar was nog even zachtblond en de oogen nog even mooi
+en groot en kinderlijk brutaal. Wouter werd verlegen en verward, was
+maar blij toen hij weer met zijn ouden baas in de drukkerij stond en
+naar de nieuwe machines keek en luisterde naar die vroolijke stem die
+hem in de ooren klonk als een oude lievelingsmelodie: "Ja, ja! jongen,
+werken maar, dan kom je er wel!.... Al dat geleuter van slechte
+tijden!.... Gekheid, hoor!.... Wat had ik toen ik begon, niets! niet dat
+wat op me hand ligt! ziedaar!" En hij blies op zijn vlakke hand bij
+wijze van illustratie.
+
+Maar hoeveel lichter Wouter zich ook gevoeld had, toen hij de kamer uit
+was, waar Margreet hem tegemoet was gekomen met haar lieven lach en dien
+blos van herkenning, den anderen dag wou hij er wéér wel heen. Maar dat
+ging natuurlijk niet, hij wachtte behoorlijk een week. En meneer Smit
+was weer even blij en hartelijk; hij moest 's komen eten! Ook Margreetje
+scheen niet ontstemd door de haastige herhaling van zijn bezoek. En hij
+kwam eten, en nog 's, en dikwijls en werd erg verliefd. En hij vroeg
+haar. En zij zei: ja! En de vader was verrukt; er was geen enkel
+bezwaar! 't Ging alles heel gewoon!....
+
+En Wouter hield van zijn Margreet zooals een eenvoudig man als hij houdt
+van de vrouw, die voor hem 't ideaal is en die hem liefde gegeven en
+trouw beloofd heeft. Zijn gevoel was niet bizonder gedistingeerd, niet
+gecompliceerd, niet exotisch, hij was er trouwens de man niet naar
+geweest zich daarvan rekenschap te geven. Hij was eenvoudig dol op haar,
+de gedachte aan zijn meisje vulde hem gansch en al met warme
+levensvreugde, met welwillende goedheid en trots; hij droomde zich geen
+ander geluk dan voor haar te werken, te zorgen, voor haar en met haar te
+leven, zijn heele leven, o, dat 't lang mocht zijn en zonder rampen!
+
+En zij hield ook veel van hem--heel veel! Zij vond hem een knappen
+jongen en zoo goedhartig. En vooral dat hij zooveel gezien had van de
+wereld en zoo'n prettige man was om mee uit te gaan, dat beviel
+haar!.... En dat hij zoo'n mooie positie krijgen zou.... En zij vond 't
+heerlijk om geëngageerd te zijn, zij was de eerste van haar kransje; ze
+was pas achttien!
+
+
+
+
+V.
+
+
+Een ongewone drukte dien Zondagmiddag in 't stille Rubrechtshuis. Tien
+menschen om de ronde tafel in de achterkamer, waar anders de oude
+boekhouder en zijn vrouw met hun twee kinderen alleen zaten. Druk
+gepraat en gelach, waar anders zoo nu en dan maar 's wat werd verteld
+door Wouter of door Anna om de stilte te breken en 't middagmaal een
+beetje te rekken, dat 't niet zoo erg gauw afgeloopen was. Druk gepraat
+en gelach van Smit vooral, den stevigen boekdrukker, die rechts naast
+mevrouw Rubrecht zat en met zijn forsche figuur en zijn joviaal gezicht,
+rood en baardig, de tafel beheerschte, vroolijkheid uitstralend; van oom
+Frits ook, die, zittend aan de andere zij van zijn zuster, zich als den
+voornaamsten gast en als het meest gedistingeerde element van het
+gezelschap beschouwde, altijd even interessant met zijn bleek gezicht en
+zwarte haren, zijn ietwat lijdend type, zoo door-en-door sympathiek. Hij
+praatte veel, coquetteerend met zijn beschaafde uitspraak en met de
+weeke gebaren van zijn witte handen, waarheen een paar flonkerende
+diamanten de blikken trokken.
+
+Zijn vrouw, een lief, blond schepseltje, soms innemend schuchter, soms
+zielig-onderworpen van houding zat rechts van den boekdrukker, naast
+haar Wouter en dan zijn meisje, die tusschen Wouter en zijn vader
+geplaatst was, zoodat de gastheer--zooals dat hoort--vlak over zijn
+vrouw was komen te zitten. Rechts had hij zijn gewaardeerden Wim, die
+trotsch scheen op zijn plaats en de kleine Anna naast hem door 't
+gewicht van zijn figuur als verpletterde. Tusschen haar en oom Frits
+troonde de sport belichaamd in den jongenheer Willem Smit, wiens basstem
+voortdurend met de woorden: fiets, trainen, racen, football en zoo meer
+jongleerde. En te midden van al die drukke menschen die haar vriendelijk
+prezen, haar en haar keukenmeid, om 't lekkere eten, zat moeder
+Rubrecht, vermoeid, soms weemoedig glimlachend, soms als verbijsterd,
+met dofdwalende oogen, een vreemd gewas, verdwaald in een
+burgermansbloembed met veel geel, oranje en hardpaars.
+
+Over haar hoofd heen spraken Smit en oom Frits elkaar toe en waren 't in
+den regel niet eens. Nu beweerde de boekdrukker, die zijn gastheer iets
+aangenaams zeggen wou, dat je in zaken de administratieve koppen toch
+maar niet missen kon en won zich daarmee niet alleen het hart van den
+ouden Rubrecht, die zat te glimmen van louter genoegen, maar ook dat van
+Wim, die houterig boog over zijn soep en zei, dat in een zaak als die
+van meneer Smit technische kennis toch wel de eerste vereischte zijn
+zou, maar oom Frits merkte zeer bescheiden op dat boekhouden en dat
+soort van bekwaamheid altijd voor geld te koop was, maar talent, meneer!
+talent, ziedaar 't eenige noodige, en dat was niet te koop! dat was
+aangeboren!.... Dan weer gaf Van Plaswijk zijn ergernis lucht over die
+menschen, die Wagner's muziek niet mooi vinden en toen Smit gullachend
+bekende tot "die menschen" te behooren--want dat hij er "geen laars" van
+begreep--pakte oom Frits die gelegenheid aan om een "verklaring" van die
+muziek te geven, een verklaring die bestond in een aaneenschakeling
+zonder samenhang van woorden en phrasen, die hij hier en daar gelezen
+had, en hij bracht zooveel kunsttermen te voorschijn dat 't den
+boekdrukker begon te duizelen. De goede dikkerd maakte er een eind aan
+door een luide en langdurige schaterbui, waarna Van Plaswijk, geërgerd
+en verward, over 't onderwerp zweeg en zich met den jongen Smit in de
+geheimen van het race-roeien begon te verdiepen. Moeder Rubrecht, 'n
+beetje ongerust door die luidruchtige woordenwisselingen keek angstig
+rechts en links zoodat Wouter medelijden met haar kreeg en haar
+bemoedigend toeknikte, waarvoor hij beloond werd met een blik zoo
+weemoedig-dankbaar, dat hij, in zijn hooge stemming, ontroerde. Tranen
+sprongen in zijn oogen en hij boog zich snel over zijn bord, dat zijn
+meisje 't niet zien zou. Maar Margreet, blozend van opgewonden
+vroolijkheid, zich zalig bewust van haar bekoring, stralend van trots op
+haar beteekenis aan die tafel, Margreet zag 't niet. Zij lachte juist
+helder op, om iets wat oom Frits zei; haar mooi welluidend lachen rees
+en daalde zonder trilling.
+
+'t Stilst was tante Amelie, 't jonge weeuwtje dat oom Frits tot den
+gelukkigsten man der wereld maakte. Zij antwoordde als ze werd
+aangesproken, met een enkel woord of een glimlach, en at heel weinig.
+Zij scheen wel weg te willen zinken in het geroes om haar heen.
+
+Werd 't een oogenblik stil aan tafel, dan keken de mannen naar Wouter
+en zijn meisje en werden zij toegelachen en toegeknikt en geplaagd met
+hun verliefdheid, een geesteloos welmeenend, goedmoedig burgerlijk,
+vrindelijk kleinzielig geplaag met afgezaagde phrasen. Anna keek wat
+spijtig omdat zij niet meer geplaagd werd, zij fluisterde met Wim en
+gichelde om de aandacht te trekken, maar 't hielp niet.
+
+Aan 't dessert werd getoost. Vader Rubrecht begon--zijn zwager had 'm al
+een paar maal gewenkt met een gebaar van meerderheid--vader Rubrecht
+begon kuchend en met een wijnrooden kop en zei, dat hij alleen maar even
+op de jongelui wou drinken, dat hij geloofde dat Margreet een lief
+meisje was en een lieve vrouw voor Wouter zou zijn. Hij hoopte maar dat
+zij, die 't zoo goed gewoon was, de eenvoudige levenswijs van de
+Rubrechts voor lief zou willen nemen. Hij was maar een pennelikker, zie
+je!--maar och, nietwaar, die menschen moeten er toch ook zijn--en hij
+en z'n vrouw, niet waar moeder?--hij en z'n vrouw .... úche, úche ....
+nou ja, enfin, hij dronk op de jongelui. "Daar gaan ze."
+
+Ze stonden allen op en klonken en Smit bleef staan en keek Wouter aan en
+zei: "Woutertje, jongen, dat hadt je toch niet gedacht toen je bij mij
+op de drukkerij kwam; weet je nog, dien eersten dag, toen ik je 'n lik
+om je ooren gaf omdat je die zetplank op m'n eksteroogen liet vallen."
+En toen draaide hij zich naar den vader en begon over Wouter te praten,
+zijn leerling, die nu zijn schoonzoon zou worden, en hij zei, dat hij 'm
+niet pedant wou maken, maar dat hij wel vertrouwde dat er voor hem 'n
+toekomst was in 't vak, dat 'n mooi vak was, 'n nobel vak, al zei-ie 't
+zelf! Hij hoopte van harte dat 't 'm voor den wind gaan zou, dat zijn
+zaak zou bloeien, maar dat hij--en de stem van den zwaren man begon te
+trillen--dat hij hem, zijn ouden baas, nooit vergeten zou. Oom Frits
+scheen dezen toost als een compliment aan zijn adres te beschouwen, hij
+bedankte allerminzaamst en begon met zijn zachte sympathieke stem vlug
+te praten over zijn groote plannen, waarin Wouter zoo'n belangrijke rol
+spelen zou. Hij beweerde Wouter oprecht te bewonderen, zoowel om zijn
+smaak voor het schoone (met een minzaam glimlachend buiginkje naar
+Margreet, die bloosde) als om zijn bekwaamheden, waartoe meneer Smit
+zooveel had bijgedragen (met een licht knikje aan 't adres van den
+drukker). Hij geloofde dat Wouter zeker nooit 't groote vertrouwen
+beschamen zou, dat hij--oom Frits--in hem stelde. Daarvan hing ook voor
+een groot deel het welslagen af van hun onderneming, waaraan trouwens
+hij--oom Frits--niet twijfelde.
+
+En Wim stond ook op en dronk op zijn aanstaande schoonouders en op den
+hechten band, die naar hij hoopte hun kinderen steeds .... en zoo meer,
+en zoo meer....
+
+Eindelijk bedankte Wouter. Hij deed 't met groote inspanning; tranen
+vielen op de hand die zijn glas omknelde. Hij sprak verward van dank en
+vertrouwen en liefde .... en 't kostte hem zooveel moeite de woorden uit
+te brengen dat de anderen medelijden met hem kregen. Smit wenkte dat hij
+'t er bij laten zou. Oom Frits wierp er geestigheden tusschen door,
+Willem Smit proeste 't luid uit, Margreet had 'n beetje 't land en trok
+Wouter zachtjes aan zijn mouw. Maar hij wilde 't toch tot 'n eind
+brengen. Zijn moeder tuurde voor zich uit en hoorde 't niet, toen hij
+eindelijk ophield met spreken en ging zitten. Zij zat in gepeins met het
+hoofd naar voren, zacht weenend. Maar Smit stootte haar aan, en zei met
+zijn ruw-vroolijke stem, nog harder dan anders, om zijn aandoening te
+loochenen. "Kom, mevrouwtje, laten we 's klinken!" Toen schrok ze op,
+glimlachte en veegde haar tranen weg.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Dadelijk toen ze 't gemerkt had, dat Wouter zoo dikwijls naar zijn ouden
+patroon ging, had moeder Rubrecht begrepen waarom. Maar toen 't voor 't
+eerst in haar opkwam: 't is om die dochter dat hij er heen gaat, was ze
+hevig geschrokken en een gevoel van woede was over haar gekomen en van
+vijandschap, jaloersche vijandschap tegen dat meisje.... Maar gauw was
+dat gevoel overgegaan in weemoedige smart, in melancholische
+onderwerping aan het noodlot. 't Moest immers komen, ze was er immers op
+voorbereid geweest zooveel jaren! Maar hard was 't, bitter hard! Ze was
+zoo blij geweest dat ze haar jongen weer bij zich had, voorgoed had ze
+even gedacht, en nu was 't al uit, alles uit!....
+
+Maar plotseling had ze zich diep geschaamd over die egoïstische
+gedachten. En ze had ze verdrongen met al de kracht van haar liefde voor
+Wouter. Wat? hij ging zijn geluk tegemoet en zij zou treuren? Zij was
+wel in staat geweest tot die groote opoffering voor haar vader, van wien
+ze niet hield, en nu zou ze terugschrikken van een opoffering voor hem,
+haar afgod? Ze zou Wouter niet willen afstaan aan zijn geluk? Neen! haar
+liefde was sterk, zij zou 't hem bewijzen, zij zou hem afstaan, hem
+geven aan haar, .... die hem nu het liefste was (o! wreedschrijnende
+gedachte). Zij zou hem afstaan, haar lieveling, .... 't deed haar goed
+zich voor hem te kunnen opofferen.... zij zou hem afstaan aan, .... o,
+aan een engel natuurlijk .... aan een engel!....
+
+Want anders!.... Maar, 't _moest_ een engel zijn, die Wouter lief
+had....
+
+En Wouter had Margreet gevraagd en zijn moeder had haar gezien en ze was
+gekomen, dien Zondag.
+
+'t Was een groote dag, een moeilijke dag geweest voor moeder Rubrecht.
+
+Dat was ze dus, dat was ze dus!
+
+Zij trachtte zich de voorstelling weer voor den geest te brengen, die ze
+zich van Wouter's meisje gemaakt had, vóórdat ze haar gezien had, maar
+'t ging niet. Aldoor zag ze Margreets gezicht, aldoor hoorde ze haar
+lach. En dat gezicht herkende ze niet, en die lach vond geen echo in
+haar ziel. Toch, wat was ze mooi! wat was ze lief en vriendelijk! Ja,
+ja, ze was een engel! Maar was ze zooals zij zich vroeger Wouters vrouw
+had gedroomd? Ze wist 't niet! 't Verwarde haar, die gedachte. Ze wist
+'t niet! Want wat was ze, wie was ze? Waarom was ze zoo vroolijk, was
+dat geluk? Waarom lachte ze zóó, zóó, zoo helder, zoo zilver, was dat
+goedheid? Wie was ze, wat was ze? was ze gelukkig omdat ze van Wouter
+hield en hij van haar? Hield ze van hem? Genoeg? genoeg?
+
+O ja, zeker hield ze van hem, want hoe zou Wouter anders zoo gelukkig
+zijn, hij zou 't toch wel voelen als 't niet zoo was. En hij _was_
+gelukkig. Een schat van milde humaniteit straalde uit zijn oogen, warm
+en vol klonk zijn stem als hij liep te zingen door 't huis. Dikwijls was
+hij dol van uitgelaten vreugde. Hij _was_ gelukkig.
+
+Toch soesde ze er aldoor over de nu volgende dagen en weken, terwijl het
+leven in het Rubrechtshuis weer zijn gewonen gang ging. Wouter was
+weinig thuis, 's avonds ging hij naar zijn meisje, meestal gingen ze
+samen uit,--'t was zomer! Soms kwamen ze ook even aan samen, soms kwam
+Margreet koffiedrinken of eten bij de Rubrechts. Dan was het 'r altijd
+een en al luidruchtige vroolijkheid; Wouter zette 't huis op stelten, ze
+stoeiden, ze juichten. Soms ook kwam Margreet alleen, 's middags
+tusschen twee en vier, correct in 't visite-uur, elegant gekleed en met
+haar visiteboekje in de hand. Dan was mevrouw Rubrecht blij. Ze praatte
+met haar tot Margreet ongeduldig werd en korte antwoorden gevend telkens
+bewegingen van opstaan maakte. Maar Wouters moeder wilde dan niet, dat
+ze zoo gauw gaan zou. Ze wilde met haar praten, vertrouwelijk met haar
+worden, om te weten wie ze was. Maar 't lukte niet. Er scheen iets
+tusschen die twee te hangen, waardoor geen echte vertrouwelijkheid, geen
+wederzijdsche overgave mogelijk was. Moeder Rubrecht vroeg en vroeg en
+vertelde veel van Wouter maar niets van zichzelf. En Margreet was altijd
+lief en attent en behulpzaam, blijkbaar voortdurend er op uit, Wouter's
+moeder voor zich in te nemen door de bekoring van haar verschijning en
+van haar stem en lieve maniertjes, maar aan eenige ontboezeming had ze
+blijkbaar geen behoefte. Als ze wegging kuste ze 't kleine mevrouwtje,
+twee, drie maal en glimlachend drukte ze zacht de hand, die de hare
+vasthield om 't afscheid te rekken. En buiten keek ze nog eens op naar
+het raam en lachte en knikte. Dan zonk moeder Rubrecht weer soezend
+terug in haar leuningstoel en staarde voor zich uit, nu en dan diep
+zuchtend, en bleef soms wel een half uur zoo zitten, zoodat Anna, die er
+niets van begreep, 'n beetje kriegel vroeg: "Maar wat is er dan toch,
+maatje?" "Niets, kind, niets," zei ze dan en stond schielijk op en liep
+de kamer uit of ze werkte door aan haar handwerk om een paar minuten
+later weer op te houden en weer soezend voor zich te staren. Dikwijls
+ook glimlachte ze dan plotseling. Dat was als ze dacht aan dingen, die
+Wouter gezegd had en waaruit zoo duidelijk spraken zijn goedheid en zijn
+geluk. Dan herhaalde ze die woorden voor Anna, met trotsche liefde warm
+sprekend over haar zoon, en Anna verdroot 't dat 'r moeder bijna nooit
+over haar en Wim sprak.
+
+Eens toen mevrouw Rubrecht met Margreet alleen zat te praten, legde ze
+plotseling haar hand op 'n arm van 't meisje--'n schichtige beweging,
+Margreet schrok even en rilde licht--en keek ze haar strak aan en zei
+zacht: "Zeg, ik moet je 's wat vragen, je houdt toch wel genoeg van
+Wouter? .... als hij 's ziek werd, erg ziek, zie je, .... hoe zou je 'm
+dan oppassen? Wat zou je kunnen doen voor hem?"
+
+Margreet lachte even, zenuwachtig, "Maar, mevrouwtje, waar denkt u aan!
+Of ik van 'm hou--dat weet u toch wel! En hij wordt niet ziek! Daar zal
+ik wel voor zorgen, hoor!.... En als hij 's 't een of ander heeft, dan
+zal ik 'm wel troetelen en verwennen; hoor, mevrouwtje, wees u maar niet
+bezorgd...." "Ja, ja!" zei de moeder, "ja, ja, verzorg 'm dan goed hoor,
+want .... want, zie je.... als hij 's stierf in jou huis, als ik
+niet...." Zij kwam niet verder, ze fronsde de wenkbrauwen, strak
+starend voor zich uit en er was even een uitdrukking van woeste woede in
+haar gezicht. Margreet vond 't vreemd, ze voelde zich wat onbehagelijk,
+maar, als een kind dat zijn moeder ziet weenen, zonder dat 't weet
+waarom, streelde ze enkel zacht de magere handen, die in den schoot
+waren gevallen, en zoende ze 't grijsbleeke voorhoofd, en fluisterde een
+paar lief-sussende woordjes. En gauw ging ze weer weg, vroolijk lachend,
+als altijd.
+
+Maar de moeder bleef zich zelf die eeuwige vraag herhalen: Houd ze van
+'m? Genoeg? genoeg? En ze kon zich maar niet duidelijk rekenschap geven
+van wat ze eigenlijk dacht over haar, ze bleef er over soezen, 's
+morgens en 's middags en 's avonds vooral, als ze om de tafel zaten
+onder de brandende lamp, de oude Rubrecht, Anna, Wim en zij. Dan
+zwierven haar gedachten over haar verleden rond en ze dacht aan haar
+moeder, zooals ze daar gelegen had, toen 'r vader haar opgetild had, en
+toen zij voor 't eerst aan den tuin gedacht had .... en aan haar trouwen
+dacht ze, aan de geboorte van Wouter, aan haar vurig bidden voor zijn
+behoud en voor zijn geluk. En zij tobde over zijn toekomst....
+
+De oude Rubrecht rookte zijn pijp en las zijn krant, of hij zat te
+praten met Wim en Anna haakte aan haar sprei.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Zoo ging de zomer voorbij en het najaar.
+
+Nu kwam Wouter wel eens niet zoo vroolijk thuis, liep hij zwijgend de
+trap op en keek hij bedrukt als hij binnenkwam. Als zijn moeder dan
+vroeg wat er was, zei hij: "Och! zaken, moedertje, zaken, de drukke tijd
+komt nu aan, ziet u!" of: "Ja, ja, 't is een slechte tijd voor ons vak,
+de menschen koopen geen boeken meer!" Maar den volgenden dag was hij
+altijd weer vroolijk en zong en lachte.
+
+In 't eerst kwam Margreet ook Anna wel eens afhalen om te gaan wandelen
+en dan kwam Anna altijd vroolijk thuis en vol over Wouter's meisje. Maar
+dat kwam al minder en minder voor. 't Was dan ook najaar en 't was geen
+weer meer om te wandelen, zei de moeder, als Anna zich er over
+beklaagde. Maar ze zag ook wel, dat Anna dikwijls de kamer uitliep als
+Margreet er was en ze hoorde wel, dat ze koel en kort tegen haar sprak,
+zoodat moeder Rubrecht eens op een morgen aan Anna vroeg: "Zeg, heb je
+wat gehad met Margreetje?"
+
+"Ik? Wel, nee, Ma, hoe komt u daaraan?"
+
+"Waarom ben je dan zoo stroef tegen haar en loop je soms de kamer uit,
+als ze 'r is?"
+
+"Och! zoo! .... ik weet niet!...."
+
+"Wèl ja, .... wat is dat nou, An?--je weet 't natuurlijk heel goed,
+waarom wil je 't me niet zeggen?"
+
+"Och, u kunt toch immers geen kwaad van Wouter z'n meisje hooren! Ik heb
+immers toch ongelijk!"
+
+"Kwaad? Kwaad van Wouter z'n meisje? Wat dan? Wat is er dan? Ik wil, dat
+je 't me zegt."
+
+"Nou, goed dan! .... ziet u, Wim en ik vinden haar wel lief, maar niets
+hartelijk tegen ons. Tegen u en pa is ze eigenlijk ook niet hartelijk,
+wèl altijd heel lief, maar...., ik weet niet, niet gewoon, zooals
+iedereen, ze wordt dan toch uw dochter!.... Wim zegt, dat ze trotsch is,
+maar dat geloof ik niet, want waarop zou in 's hemelsnaam trotsch zijn?
+Omdat haar pa nou boekdrukker is? Is dat dan voornamer dan
+boekhouder?--Maar, ziet u, weet u, wat ik ook vind? Waarom verwent
+Wouter haar zoo? Alles wat ze hebben wil, dat krijgt ze. Altijd opschik!
+Een ring met een diamant, voor haar verjaardag een vreeselijk dure
+broche, nu weer pas dat gouden kettinkje, zóó maar 's, omdat ze 't zoo
+snoezig vond! En hij gaat met haar naar de komedie, soms twee, drie maal
+in de week, omdat ze er zoo vreeselijk veel van houd, zegt-ie; nou ja,
+wie zou daar niet van houden, maar waar moet Wouter dat allemaal van
+betalen? Hij is toch ook maar kantoorbediende net als Wim! En waarom
+vraagt ze niet vast wat in hun huishouden, daar heeft ze wat aan.... Al
+die opschik, als je al geëngageerd bent!...." Zoo ratelde Anna door,
+zich meer en meer opwindend, tot haar moeder, verbaasd, haar in de rede
+viel: "Maar kind, zoo spreek je nooit! Hoe kom je daar allemaal aan? Je
+weet toch wel, dat Wouter geen onverstandige dingen doet!.... Geloof dat
+maar gerust, hoor! Wouter weet wel wat hij doen en laten mag...."
+
+"Maar Wim zegt...."
+
+"Wim moest zich liever met zijn eigen zaken bemoeien!" zei moeder
+Rubrecht scherp, maar 't speet haar dadelijk en op Anna toekomend zei
+ze zacht: "Nou ja, An, je weet wel hoe 'k 't bedoel, hè? Maar heusch,
+Wim is een goeie jongen, maar over Wouter z'n zaken kan hij niet
+meepraten.... Je weet toch ook wel dat Wouter tegenwoordig een aandeel
+in de winst heeft?...."
+
+"Nou ja, die winst! daar gelooft-ie zelf niet aan!"
+
+"Wat?.... Daar heeft-ie mij nooit iets van gezegd!...."
+
+"Niet?.... Nou, 't kan zijn, dat ik 't overdrijf!.... Enfin, spreekt u
+er hem dan ook maar niet over!.... 't Zijn ook eigenlijk mijn zaken
+niet!...." En Anna liep de kamer uit.
+
+Moeder Rubrecht was erg geschrokken. Ze had een gevoel alsof haar beenen
+opzwollen, ze kon ze haast niet verzetten, ze moest gaan zitten. 't
+Bonsde in haar keel, haar lippen brandden. En in haar gilde een stem:
+Daar is het! daar heb je 't al! Den heelen dag was 't haar onmogelijk
+helder te denken. Ze was angstig, gejaagd, ze gaf verstrooide
+antwoorden. Wouter at dien dag bij zijn meisje, hij kwam laat thuis.
+Zijn moeder was al naar bed toen hij thuis kwam. Maar zij sliep niet.
+Zij hoorde hem de voordeur sluiten, de trap opkomen, naar zijn kamertje
+gaan. 't Was vlak boven haar kamer. Zij hoorde hem stommelen op zijn
+kamertje. Maar al gauw werd het stil, hoorde ze alleen 't geronk van den
+ouden man, die naast haar lag, achterover in zijn slaapmuts. Toen
+draaide ze zich om, duwde 't kleine gezichtje weg in 't kussen en ze bad
+weer.
+
+Toen week de angst, ze werd kalmer, ze voelde zich wegzinken in doffen
+weemoed.
+
+Eindelijk sliep ze in.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Den volgenden dag liep Wouter, die druk was geweest aan tafel, na het
+eten naar zijn kamer. Zijn moeder ging hem daar opzoeken. Hij liep heen
+en weer, zijn gezicht stond ernstig. "Wouter," zei ze, toen ze de deur
+achter zich gesloten had, op gedempten toon, "gaat 't slecht in de
+zaken?"
+
+Hij keek haar even aan, quasi-verwonderd, maar toen keek hij een anderen
+kant op. "Hoe komt u daaraan, moedertje, en waarom komt u me dat zoo
+geheimzinnig vragen?" zei hij met een heldere stem.
+
+"Ik weet niet, hoe 'k er aan kom, jongen," zei ze,--want Anna had haar
+gevraagd vooral niet te vertellen, wat zij gezegd had--"maar ik maak me
+soms zoo ongerust!"
+
+"Maar daar is geen reden voor!" zei hij, haar aldoor niet aankijkend,
+"ben ik dan niet opgewekt .... niet vroolijk? .... doe ik dan als iemand
+wiens zaken beroerd gaan?...."
+
+"Nee .... nee! .... maar, zeg, Wouter, zeg 't me nu maar .... Zou je
+denken, dat 't niet ging op den duur?"
+
+"Och, wel jà .... wel jà!...."
+
+"Waarom kijk je me niet aan?"
+
+Toen keek Wouter haar plotseling strak aan en ze zag, dat zijn gezicht
+bleek was en heel ernstig. Hij kwam naar haar toe en lei zijn handen op
+haar schouders, wat haar goed deed, wat ze voelde als een bescherming,
+als een zegen. "Moeder," zei hij, en zijn stem trilde nu even, "er is
+heel veel in onze zaak, wat ik anders wenschen zou, maar ik ben jong, ik
+kan 'n boel doen, ik zal er wel komen!.... Maar vraag er me nu niet zoo
+dikwijls meer na', want dat benauwt me zoo! Heusch, vraag me er nu niet
+meer na'!...."
+
+"Maar .... wat?...."
+
+"Sst! stil nu, moedertje, ik kan u dat toch onmogelijk allemaal
+uitleggen. Laten we nu maar samen naar beneden gaan en een kopje thee
+drinken, hè? Want ik moet weg, ik ga van avond met Greet naar de
+komedie...."
+
+En hij troonde haar mee en sprak over 't stuk, dat ze zouden geven dien
+avond; hij was vroolijk, hij plaagde Anna met haar nieuwe kapsel en
+sjouwde zijn moeder in haar stoel van het raam naar de tafel en maakte
+zijn vader, die, achter, zijn middagdutje genoot, bijna wakker door zijn
+luidruchtigheid. Maar toen hij 'n kop thee had gehad, zoende hij zijn
+moeder hartelijk op beide wangen en liep vlug weg.
+
+Dat gesprek had moeder Rubrecht wat gerust gesteld en zij nam zich voor,
+Wouter voorloopig niet meer te vragen naar zijn zaken. Hij was toch ook
+immers zoo'n degelijke, verstandige vent, hij zou wel doen wat 't beste
+was, altijd! Maar zij lette scherp op alles wat hij deed thuis en keek
+hem altijd aan als hij sprak en lachte, en ontdekte zoo langzamerhand,
+dat hij eigenlijk nooit meer kalm-vergenoegd, bedaard-vroolijk was, als
+vroeger, maar altijd opgewonden, onrustig, gejaagd soms. Hij kreeg ook
+iets nonchalants, iets oppervlakkigs in zijn manier van doen en van
+vertellen, 't was of hij er nooit heelemaal bij was. Dat verontrustte
+zijn moeder weer en bracht haar weer meer aan 't soezen over zijn zaken
+en over zijn meisje. En zij lette ook scherp op haar, maar Margreet was
+altijd dezelfde.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Ook de winter ging voorbij en 't was op een guren middag in Maart dat
+mevrouw Rubrecht een briefje uit de bus haalde met Wouter's adres er op.
+Dat gebeurde heel zelden; Wouter had weinig vrinden door zijn lang
+verblijf buiten 't land, door zijn engagement zoo kort na zijn
+terugkomst. 't Was een briefje van een mannehand, geadresseerd: "den
+heer Wouter Rubrecht ZijnEdele in handen," een glanzend-witte, vierkante
+enveloppe, van dat gladde stijve papier, en 't was niet goed
+dichtgeplakt geweest, want toen zij 't heen en weer schoof in haar
+handen, gissend naar den afzender, ging 't krakend open. Ze schrok er
+even van. Nu zou Wouter denken dat 't open gemaakt was! Kom! zij zou 't
+immers zelf weer dicht plakken! Maar .... nu 't toch eenmaal open
+was....; zou er een geheim in kunnen staan voor zijn moeder? .... zou er
+misschien wat in staan....
+
+Zij gaf zich niet helder rekenschap van wat ze meende dat er in zou
+kunnen staan, maar voor ze 'r verder over nadacht had ze 't briefje uit
+de enveloppe gehaald en begon ze te lezen. 't Was van een ouden
+schoolkameraad van Wouter, dien hij later ook nog dikwijls gezien had,
+Willem Veegens. Hij vroeg geld terug, dat hij Wouter had geleend,
+vijftig gulden; hij had ze noodig, schreef hij, anders zou hij er niet
+om vragen. Toen de moeder 't briefje gelezen had, vouwde ze 't
+schielijk weer toe; ze schrok toen 't even kraakte tusschen haar
+vingers, ze keek rond of niemand haar bespiedde, ze werd bang. Maar 't
+kon immers niet, Rubrecht en Wouter waren naar kantoor, Anna uit om
+boodschappen en de meid hoorde ze in de keuken. Haastig stopte ze 't
+briefje in de envelop en bracht die aan den mond. Ze sneed zich in de
+tong met het scherpe papier. Toen sloot ze den brief en liep op haar
+teenen naar boven, waar ze den brief op den schoorsteen lei, op de
+gewone plaats.
+
+Angstig verlangde ze naar Wouter's thuiskomst, 't duurde lang.
+Eindelijk, daar kwam hij de trap op. "Er ligt een brief voor je,
+Wouter," zei ze, langzaam, om bedaard te blijven, maar ze voelde dat ze
+bloosde; ze boog zich diep over haar werkdoos als om een naald te
+zoeken. Gelukkig was 't in de schemering, 't licht nog niet op. "Aha!"
+zei Wouter, "dank u." En hij liep met den brief naar 't raam, waar hij
+ging staan lezen, de rug naar haar toegekeerd. Zij hoorde 't papier weer
+kraken, zij was beklemd, angstig. Vergeefs redeneerde ze tot zichzelf,
+dat 't immers niets was. Wouter zou dat geld voor korten tijd hebben
+geleend op een oogenblik dat hij er om verlegen was, hij zou 't terug
+geven en daarmee uit! Zij zag dat hij den brief in zijn zak stak en nog
+even staan bleef, in gedachten. Hij streek eenige malen met zijn hand
+door zijn haar; toen draaide hij zich plotseling om: "Moedertje," zei
+hij, "'t zal u wel verwonderen, dat ik 't u vraag, maar .... kunt u me
+ook wat geld leenen?"
+
+Zij schrok hevig, zij beefde, zij moest zich fel in 't gebit bijten om
+niet te klappertanden. Ze kon niet dadelijk antwoorden. "U verstaat me
+toch wel, moeder," zei hij, dichter naar haar toekomend.
+
+"Ja, ja! .... je wat geld leenen .... ja, zeker, Wouter, als je 't
+noodig hebt...."
+
+"Ja! .... niet voor lang, ziet u, 't is maar om een paar kleine
+rekeningetjes te betalen, .... bij me kleermaker .... en .... en bij
+.... bij me barbier, .... ziet u, de volgende maand krijgt u 't terug
+natuurlijk...., 'n vijftig gulden bijvoorbeeld."
+
+Hij liegt, hij wil 't me niet zeggen, suisde 't door haar hoofd.
+
+"O, dat hoeft anders niet, Wouter .... maar vijftig gulden, dat is nogal
+veel!.... Maar ik kan 't je toch wel geven .... uit mijn spaarduiten,
+zie je! .... wacht! ik zal 't even halen!"
+
+"O, wel nee, moesje, 't heeft geen haast!"
+
+"Jawèl, nu is 't maar 't beste, dan merkt niemand er iets van...." En ze
+ging de kamer uit. Ze ging naar haar slaapkamer, waar de oude
+schrijftafel stond, 't eenige stuk uit het huis van haar vader, dat ze
+had mogen houden--'t oude ding was toch niets waard!--daar, in een van
+de laadjes, lag 't geld dat ze af en toe had gekregen, als Rubrecht een
+extratje had gehad van den patroon. Ze had 't nooit gebruikt, waarom
+ook? Ze had voor zich zelf geene bizondere behoeften, ze had 't altijd
+maar opzij gelegd voor een cadeau als de kinderen trouwden. Vijftig
+gulden nam ze er af. Er bleef nog zoowat evenveel liggen.
+
+Haastig liep ze er mee terug en gaf 't geld aan Wouter. "Hier heb je
+ze," zei ze "stuur ze nu maar gauw aan Willem."
+
+Wouter schrok, hij bloosde sterk.
+
+"Aan Willem, moeder? hoe weet u dat...." zei hij zacht, "u hebt toch
+niet...."
+
+"Ja, ja! .... jawèl! .... ik heb dat briefje opengemaakt .... ik weet
+wel, ik had 't niet moeten doen .... dan wist ik nu niet .... dan dacht
+ik nu dat 't voor je kleermaker en voor je barbier was...." Ze zonk in
+één op haar stoel en begon te snikken. Wouter knielde bij haar neer, hij
+streelde het zachte donkerblonde haar en de witte handen die in haar
+schoot lagen, terwijl ze snikkend voor zich keek. "Moedertje,
+moedertje," zei hij, "huil nu niet zoo .... en wees niet hard tegen me
+.... toe, moedertje."
+
+Maar 't hielp niet, ze keek hem niet aan, ze staarde zoo diep treurig
+voor zich uit! Toen zei hij niets meer, maar lei zijn hoofd op haar knie
+en snikte ook.
+
+"O Wouter," fluisterde ze toen, "Waarom vertel je me niet meer
+alles...., zooals vroeger altijd!.... Ik ben toch nooit hard tegen je
+geweest, ben ik wel?.... Waarom heb je me niet gezegd, dat je geldgebrek
+hadt...., dat je zaken slecht gaan....?"
+
+"Omdat u je dat zoo zoudt aangetrokken hebben, moedertje...."
+
+"Maar, mijn arme jongen," zei ze, een hand op zijn hoofd leggend, "ik
+merk 't immers toch!.... Heb je veel schuld?"
+
+"Nee...., niet veel! .... nog zoowat een honderd gulden, maar ik zal 't
+heusch allemaal wel inhalen!...."
+
+"En van wien heb je dat alles dan geleend?"
+
+"Van Willem .... en van oom .... en ook wat van .... van Greetje."
+
+"Van haar? Leent ze je geld? Vraagt ze dan niet waar of dat voor is?"
+
+"Och, ze weet 't wel!...., maar ik zal 't immers allemaal wel inhalen,
+als de zaken maar wat beter gaan, als er maar .... als.... Och! moeder,
+laat me maar tobben! u kunt er toch niets aandoen...., 't zal wel weer
+terecht komen .... heusch!" Daar hoorde ze schellen en de meid naar
+beneden gaan om open te doen.
+
+"Daar is Anna," zei toen de moeder, haar tranen wegvegend, vlug,
+gejaagd, "we kunnen nu niet meer praten, Wouter, 't geeft ook niet ....
+maar beloof me één ding. (Ze stonden beiden op, zij keek hem vast in de
+oogen). Vraag jezelf nog 's goed af, nog 's heel goed, zie je, of
+Margreet wel een goeie vrouw voor je wezen zal...."
+
+"Maar moeder, hoe kunt u zoo iets zeggen!" viel hij driftig in. Maar
+Anna kwam binnen en groette en bleef in de kamer en dus waren ze weer
+beiden alleen met hun verdriet.
+
+
+
+
+X.
+
+
+Den anderen morgen voor hij wegging riep Wouter zijn moeder nog even
+apart en zei: "Wat ik u bidden mag, moesje, geen woord aan Margreet over
+wat we gisteren .... bespraken. Belooft u me dat?"
+
+"Als jij me dan belooft...."
+
+"Ja, ja! .... ik weet wel wat u zeggen wilt, goed, goed!" En hij drukte
+haar zenuwachtig de hand en was weg.
+
+En de moeder tobde en tobde en tobde....
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Weer ging een maand voorbij.
+
+De firma Van Plaswijk en Co. opende 's morgens om negen uur haar
+kantoor, maar in de laatste weken was Wouter er niet op tijd geweest.
+
+Hij had zoo'n moeite met opstaan, hij was zoo moe en loom 's morgens,
+zei hij. 't Werd tien uur, half elf soms, voor hij wegging. Zijn moeder
+riep hem, na half negen om 't kwartier, maar in den regel hielp 't niet.
+
+En iederen middag hoorde zij, die wachtte, verlangend, hem thuis komen,
+en de trap oploopen, zwaar en zwijgend. Zoodra hij de kamer binnenkwam
+en haar zag zitten, trok hij wel een vroolijk gezicht en deed blijkbaar
+zijn best heel opgewekt te schijnen, maar er was altijd iets schichtigs,
+iets gejaagds in zijn bewegingen, hij schrok dikwijls en van een treurig
+bericht, waar Anna mee thuis kwam, of dat zijn vader voorlas uit de
+krant, of als hij zelfs eens wat vertelde, al was 't een mop, waar de
+anderen om lachten, kreeg hij tranen in de oogen.
+
+Eens herinnerde zijn moeder zich plotseling precies hoe hij er een jaar
+geleden uit gezien had; zij zag hem voor zich zooals hij haar was komen
+vertellen dat Margreet hem hebben wou, en toen ze hem daarop aankeek
+schrok ze er van, zooveel ouder was hij geworden.
+
+Hij zei altijd dat hij goed geslapen had, als zijn moeder hem er naar
+vroeg, 's morgens aan 't ontbijt, maar ééns, toen 't weer 's heel laat
+was (zijn vader was al lang weg) en zij 't weer vroeg, heel ernstig, en
+hem er scherp bij aankijkend, antwoordde hij met een geluid van bitteren
+wrevel in zijn stem, met iets baloorigs in zijn gezicht: "Nee, eigenlijk
+beroerd slecht, ik heb weer tot vier uur wakker gelegen!"
+
+"Tot vier uur wakker gelegen? weer? .... gebeurt dat dan dikwijls?"
+vroeg ze verschrikt.
+
+Maar hij had zich al hersteld. "Dikwijls? wel nee, moedertje, gelukkig
+niet! In den regel slaap ik als een roos, te vast zelfs." En hij dronk
+haastig zijn kop thee uit en ging weg.
+
+Na dien morgen sliep ook de moeder slecht. In bed dacht ze aan hem, die
+daar boven lag, en ze luisterde met ingehouden adem. Soms verbeeldde ze
+zich, dat ze wat hoorde, en dan liet ze zich zachtjes uit bed glijden en
+luisterde aan de open deur van haar kamer. Maar 't was altijd dan weer
+stil gebleven.
+
+Tobbend leefde ze door.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Op een middag--ze zat te naaien voor 't raam in de achterkamer--kwam
+plotseling Frits van Plaswijk binnen.
+
+Vreemd! Hij kwam anders nooit in de week, hij had 't te druk zei hij
+altijd. Hij kwam alleen nu en dan 's Zondags met zijn vrouw. Dan deed
+hij deftig, voornaam, en sprak over koetjes en kalfjes en lachte witjes
+en ging gauw weer weg.
+
+Nu was hij ook--als 's Zondags--keurig gekleed, correct in zijn
+spannende handschoenen; zijn laarzen en zijn hooge boord glommen. Maar
+hij was wat rooder dan anders en hij sprak vlugger, hij scheen wat
+opgewonden.
+
+"'t Bevreemdt je zeker, Marie," zei hij, na een lichten handdruk, "dat
+ik je zoo midden in de week kom overvallen, maar ik wou je 's alleen
+spreken, ik ben je 'n raad schuldig."
+
+Zij keek hem aan zonder antwoord, met open mond, met angst verlangend
+naar zijn woorden.
+
+"Ik ben je 'n raad schuldig," herhaalde hij, langzamer en streek met
+zijn hand langs zijn geschoren kin.
+
+"God! wat is er, Frits," vroeg ze toen.
+
+"Niets! .... niets! .... zusje, schrik maar zoo niet .... zóó erg is 't
+niet .... maar, zie je, ik weet, je adoreert je zoon, en dat vind ik
+heel mooi .... heel mooi .... maar ik dacht zoo, zie je, .... als je 't
+werkelijk goed met hem meent, dan moet je 'm nu toch 's goed onderhanden
+nemen!.... Zie je, ik zou 't ook wel kunnen doen! maar, och, wat zal ik
+je zeggen!--wij schijnen elkaar nu eenmaal niet heel goed te verstaan,
+Wouter en ik, .... hij kan van mij niets hooren .... en van jou wel, dat
+weet ik...."
+
+"Maar wat is er dan? Wat moet ik hem zeggen?"
+
+Zijn blik, die tot nog toe van haar afgewend was, trof nu den haren.
+
+"Weet je van niets?" vroeg hij, 'n beetje ongeloovig, met een lachje van
+spot en meelij.
+
+"Maar wat is er dan? .... wat moet ik weten?"
+
+"Wèl!...., dat Wouter leelijk in de schuld zit!"
+
+Haar gezicht helderde op. "Is 't zoo erg?" vroeg ze.
+
+"Ik geloof, dat 't nog al heel erg is," zei hij, "altijd voor zijn doen,
+vat je."
+
+"Krijg jij ook geld van 'm," vroeg ze.
+
+"Nou, dat 's maar een kleinigheid," zei hij, "'n vijftig gulden!....
+Maar zie je, .... weet je wie z'n schuld of 't is, dat Wouter er zoo
+inzit?.... Niet?.... Heb je daar heelemaal geen idee van?.... Nou, ik
+dan wel!"
+
+"Wie bedoel je? Margreet toch niet?"
+
+"Wel, natuurlijk wèl.... Ze deugt niet voor 'm!"
+
+"Nu overdrijf je toch wel wat, Frits," zei ze, zenuwachtig grabbelend in
+het goed van de japon die ze aan 't verstellen was.... Hij haalde zijn
+schouders op. "'t Kan zijn," zei hij, "maar wat ik dan maar zeggen wou
+is dit: in jou plaats zou ik hem 's goed onderhanden nemen.... De jongen
+loopt anders in zijn verderf,--je begrijpt: onze zaak is jong, _veel_
+wordt er nog niet verdiend .... en zijn salaris is .... enfin! .... niet
+hoog! .... maar 't is zooveel als over 't algemeen in 't vak betaald
+wordt voor 'n eerste-bediende. Zijn werk, moet je denken,--tot nog toe
+ten minste--is .... bediendewerk! .... de hoofdzaken rusten op mij! ....
+hij voert maar uit wat ik beplan, .... wat ik bedenk," herhaalde hij
+langzaam met 'n gewichtig gezicht,--"en deed hij dat nog maar altijd
+goed! .... maar weet je wel, dat als hij jou zoon niet was, dat ik hem
+dan niet zou willen houden! Hij komt 's morgens om elf uur .... hij
+werkt loom, laks,--vadsig zou ik haast zeggen .... zonder lust! .... 't
+is of hij al zijn energie uitgeput heeft in de eerste maanden, .... hij
+is eigenlijk net als alle andere bedienden; in de eerste maanden zetten
+ze hun beste beentje voor, maar daarna .... och, maar, geloof me, 't is
+allemaal dat meisje van 'm!...."
+
+"Maar hij houd toch zoo innig veel van haar, en ze is ook zoo lief ....
+zoo goedhartig...., zoo...."
+
+Oom Frits floot even zacht voor zich uit. "Daar niet van!" riep hij toen
+uit, "ze is charmant .... allercharmantst! .... als _ik_ haar had
+ontmoet in me jonge jaren! .... maar ze deugt niet voor hem en hij niet
+voor haar! .... hij is een administratieve kop, net als z'n vader!"
+
+"Ik heb altijd gevonden, dat hij meer van mij heeft," zei ze, met innige
+teleurstelling in haar stem.
+
+"Gekheid! .... hij is 'n boekhouder! .... 'n echte boekhouder! .... hij
+moet 'n dooood-een-voudig, 'n simpel burgerlijk meiske trouwen,--als hij
+absoluut trouwen wil ten minste!--en Margreet moet zien, dat ze 'n
+knappen rijken kerel krijgt, en dat zal haar wel lukken ook!"
+
+Zij staarde voor zich in smartelijk gepeins en zei niets.
+
+Hij floot weer zachtjes tusschen zijn tanden.
+
+Eindelijk begon ze weer: "Hij zal haar nooit opgeven, hij houdt zoo dol,
+zoo dol veel van haar!...."
+
+Hij haalde even zijn schouders op en floot door.
+
+"En zij van hem! .... dat kan niet anders!" zei ze weer, met een
+zacht-weemoedigen glimlach.
+
+Frits lachte even, spotachtig, en weer opschokkend zijn schouders.
+
+"Geloof je 't _niet_," vroeg ze, angstig, "geloof jij 't _niet_, dat ze
+genoeg van 'm houdt?"
+
+"Ik weet 't niet," zei hij, ongeduldig, "ik weet 't niet, maar (en hij
+stond op en nam zijn hoed) .... zooals gezegd, zusjelief, .... hij zal
+moeten kiezen tusschen mij en haar...., ik kan geen procuratiehouder
+hebben, die zich in de schuld steekt, dat 's te gevaarlijk!"
+
+"Te gevaarlijk? .... zou je dan denken?...." begon ze met drift.
+
+"Ik zou niets denken! .... zeur toch zoo niet! .... jelie vrouwen hebt
+geen begrip van geld, heelemaal niet! .... nu, adieu, ik moet weg, ....
+ik moet 'n auteur gaan opzoeken! .... adieu!...." En hij reikte haar
+weer de toppen van zijn gehandschoende vingers en ging heen.
+
+En weer ging mevrouw Rubrecht na het eten haar zoon opzoeken op zijn
+kamer. Hij stond zijn hoed op te schuieren, hij ging weer uit met
+Margreet. En zij vertelde hem, zenuwachtig, moeilijk sprekend, alles wat
+oom Frits gezegd had. Ze vertelde 't hem in afgebroken zinnen, met opzet
+krasse uitdrukkingen verzachtend en toch telkens angstig naar hem
+opkijkend. Weer stond hij van haar afgewend te luisteren en toen ze
+alles gezegd had draaide hij zich langzaam om. Hij zag bleek en beet op
+zijn onderlip.
+
+"Zoo!....," zei hij, quasi-bedaard, met een schorre doffe stem, "zoo!
+heeft hij dat allemaal gezegd? .... wel zoo! deugt ze niet voor me?...."
+En toen, losbarstend in dolle woede, slaande met zijn beenige kneukels
+op de tafel, schreeuwde hij: "Zoo'n ploert, zoo'n ellendige ploert! Dat
+wil hij dus ook nog!.... Werken moet ik, zorgen en zwoegen, dat hij
+luibakken kan, den godganschelijken dag, lanterfanten en kletspraatjes
+maken--maar dat is niet genoeg! nee! dat meisje moet ook weg, dat ik nog
+meer tijd kan geven aan zijn zaak, dat ik heelemaal, heelemaal zal leven
+voor zijn belangen alleen,--die verregaande egoïst!--hij stinkt van
+egoïsme, die vent!--hij houdt van niemand dan van zichzelf, hij trapt,
+hij mishandelt ons allemaal, zijn vrouw, mij, zijn andere
+ondergeschikten! Compagnon zou hij me maken! Jawèl! 'n Aandeel in de
+winst die niet bestaat, die nooit bestaan zal, zoolang hij zijn zotte
+plannen zal willen uitvoeren--laten uitvoeren bedoel ik!--maar ik doe 't
+ook niet langer! .... ik kan me brood nog wel op 'n andere manier
+verdienen!--ik doe 't niet langer, zeg ik, ik doe 't niet! .... zoo'n
+ploert, zoo'n misselijke beroerde ploert!"
+
+Hevig geschrokken, lijkbleek, klappertandend was zijn moeder neergezegen
+op den stoel. Zoo was Wouter nog nooit geweest! O God, o God, wat moest
+ze nu beginnen, o God, o God!
+
+"Wouter!" zei ze herhaaldelijk, "Wouter!" maar hij hoorde 't niet.
+
+"'k Ga er van daan," schreeuwde hij, op en neer loopend door zijn kamer,
+"'k ga weg, morgen nog!--dat zal 'm opfrisschen, dan zal je 'm eens zien
+kijken!--kan me ook wat schelen!--hij kan naar den bliksem
+loopen!--Margreet! Natuurlijk! Margreet deugt niet voor me!--omdat ze
+levenslustig is, omdat ze graag mooie dingen heeft, omdat dat wat geld
+kost!.... 'k Verdien 't toch! 'k Werk er toch voor! Den heelen dag, ....
+en nacht!"
+
+"En nacht?" herhaalde zij, dof.
+
+Hij keek haar even aan. "Nou ja, moeder," zei hij zachter, met tranen in
+zijn stem, "ik had 't u nooit willen zeggen, omdat ik weet hoe naar u 't
+vinden zult .... maar, ja! ik heb veel nachten hier op mijn kamertje
+zitten werken.... U hebt 't nooit gemerkt! .... ik trok mijn schoenen
+uit en deed alles heel zachtjes."
+
+Medelijden met zich zelf overmande hem. Hij viel neer op 'n stoel en
+barstte in snikken uit.
+
+Zijn moeder ging naar hem toe.
+
+Op dat oogenblik werd er geklopt. Toen ging ze eerst naar de deur, deed
+die half open en vroeg naar buiten: "Wel?" 't Was Anna: "Ma, wat is er
+toch? Pa is er wakker van geworden en vraagt wat er is...." en toen
+zachter: "Wat is er, maatje, heeft-ie wat met Margreet gehad."
+
+"Nee! .... nee! .... stil!.... Ga maar naar beneden, An, en houd je kalm
+en zeg aan pa ook dat er niets is.--Wouter heeft wat met oom gehad, ....
+maar 't komt allemaal weer terecht."
+
+"Nee! .... 't komt niet terecht .... 'k ga er vandaan!" gilde Wouter,
+opnieuw woedend, doordat hij niet spreken kon door zijn snikken.
+
+"Wouter!" zei zijn moeder met wanhoop in haar stem.
+
+Anna ging. De moeder sloot de deur weer en kwam naar hem toe. Hij snikte
+voorovergebogen, met zijn arm op de leuning van zijn stoel en zijn hoofd
+op zijn arm. Zij streelde hem alleen maar zacht over zijn hoofd, en zei:
+"Arme jongen, arme, arme jongen'" En toen hij opkeek gaf ze 'm een zoen
+op zijn voorhoofd.
+
+Nu niet boos meer, verteederd, begon hij weer: "Margreet opgeven! mijn
+lief, lief meisje! mijn alles!.... Nou ja, ik weet wel, ze denkt niet
+verstandig over geldzaken, ze vraagt te veel, .... maar ze is ook zoo
+innig levenslustig, zoo echt vroolijk, ze geniet zoo graag! .... ze is
+toch ook nog zoo jong! .... ik weet ook wel, ik ben zwak, ellendig zwak
+soms, ik geef te veel uit .... ik kan haar niets weigeren .... ik kan 't
+niet! .... ik kan 't niet!...." En hij snikte weer, zijn hoofd op zijn
+arm.
+
+"Maar Wouter, mijn goeie Wouter, dat moet toch," zei ze, hem aldoor
+streelend over zijn haar, "dat moet ze toch begrijpen, .... ze houdt
+immers zooveel van je, .... als je haar nu zegt dat je 't niet betalen
+_kunt_, niet _kunt_ .... dan zal ze toch niet eischen...."
+
+"Haar zeggen!.... Och, moeder, u kent 'r niet!...."
+
+O, hoe goed wist ze dat zelf, de arme moeder! Ze kende Margreet niet, ze
+wist niet wie ze was, ze begreep niets van dien grooten levenslust, dat
+grage genieten.
+
+"Maar 't moet toch," zei ze weer, wanhopig, "'t moet toch...."
+
+"Ja," snikte hij, "'t moet ook wel! .... 't is waar! .... maar .... o
+God! o God! .... o, moedertje, u weet niet wat 'n zorg of 't me kost
+.... o God! o God!"
+
+"Zal ik met haar spreken," opperde ze, weifelend.
+
+"Nee, moeder!" zei hij, inééns flinker en zijn behuild gezicht
+afdrogend.... "Nee! nee! .... 'k zal 't zelf wel doen! .... 't
+moet!.... Maar .... hoe laat is 't? .... half acht al? .... ik zou haar
+gaan halen; we moeten op visite!"
+
+"Schrijf 't af," zei ze, "zeg dat je plotseling verhinderd bent, schrijf
+haar ook 'n briefje!"
+
+"Nee! .... nee! .... dat gaat niet! .... 'k zal me 'n beetje wasschen,
+zie ik er erg uit? .... ja zeker?.... Gaat u nou maar naar beneden,
+moeder, kalmeert u nou de menschen beneden maar vast wat, .... ik ....
+ik ga dan maar ongemerkt uit!...."
+
+En zwijgend ging ze, gebukt onder haar verdriet, beklemd door
+afmattenden angst. Een kwartier later hoorde ze de voordeur dicht slaan.
+Ze schrok er van; de anderen keken haar aan en zwegen.
+
+Later op den avond zei de vader tusschen twee trekken aan zijn pijp:
+"Als 't Wouter niet bevalt bij Frits, dan moet-ie maar wat anders
+zoeken, .... 'n jongen als hij komt overal terecht! .... er zijn
+kantoren genoeg!.... De goede bedienden zijn toch tegenwoordig niet
+opgeschept!...."
+
+Hij kreeg geen antwoord.
+
+En hij rookte zijn pijp maar weer door--zijn pijp, zijn eenigen
+kameraad!--en soesde over de krant, en zag veel woorden, die hij niet
+begreep, .... onafhankelijkheid .... eerzucht .... hartstocht....
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+Dien avond vond Margreet Wouter stil,--maar dat was hij wel meer in
+gezelschap! Hij bracht haar naar huis, pratend over onverschillige
+dingen. 't Was niet ver, en 't was laat geworden. Hij was blij dat hij
+goede reden had dat andere tot morgen uit te stellen.
+
+Den volgenden morgen, toen hij op kantoor kwam, vroeg Wouter zijn oom,
+of hij 'm een oogenblik alleen kon spreken en toen ze samen waren begon
+hij dadelijk met nagebootste bedaardheid over dat bezoek aan zijn
+moeder. Hij zag het spotachtig glimlachend gezicht van zijn oom en al
+gauw voelde hij, dat, zijn woede hem te machtig werd. Hij voelde zijn
+hoofd vol bloed, zijn oogen deden hem zeer.
+
+"'t Is 'n laag idee van u," zei hij, zijn stem met groote inspanning
+smorend, "den invloed van mijn moeder te willen gebruiken om mij van
+mijn meisje af te brengen! 't Is lage zelfzucht, niets anders!.... Nee,
+laat me uitspreken," riep hij uit, met 'n driftig gebiedend gebaar,
+ziende dat zijn oom hem in de rede wou vallen, "'t Heet, dat u het
+voornaamste werk doet en dat ik maar zorgen moet, dat uw bevelen
+gehoorzaamd worden. Larie! praatjes! u verzint allerlei zotte dingen,
+ja, en ik moet me doodwerken om groote ongelukken te voorkomen! ....
+maar, wacht maar! .... 't duurt niet lang meer met u, .... want ik ga
+weg, vandaag nog! .... 'k kan hier niet langer werken...."
+
+"Je gaat weg?" vroeg Van Plaswijk verschrikt, bleek wordend....
+
+"Waarachtig!" riep Wouter. "Ik zal toch wel zorgen dat 'k aan den kost
+kom,--zóó schitterend is mijn positie hier toch ook waarachtig niet!....
+U weet heel goed, dat de zaken beroerd gaan, dank zij al uw mooie
+plannen! en over 'n jaar of drie .... is alles uit!.... Dan is 't geld
+van uw vrouw op en dan zult u weer wat anders moeten beginnen, 't
+twaalfde ambacht, 't dertiende ongeluk...."
+
+"Vlegel!" riep oom Frits, opstaand, "brutale vlegel!...."
+
+"Ba!" zei Wouter, "als 't op scheldwoorden aankwam, dan zou ik er
+zooveel weten, die raak waren!.... 'k Groet u!.... 'k Zal me boel
+natuurlijk allemaal opruimen--u kunt 't van middag van me overnemen--of
+laten overnemen, want zelf zoudt u er niet veel van snappen!...."
+
+Pas toen hij weer voor zijn lessenaar stond en daar al de dingen zag
+waar hij zoolang mee verkeerd had, allen dag, kleine dingen waar hij
+aan gehecht was zonder 't te weten, en den jongste-bediende, die
+aandachtig een lange punt aan zijn potlood zat te slijpen, toen pas
+begreep hij wat hij had gedaan. Hij had er geen plan op gehad, dien
+morgen, maar 't was hem te machtig geworden. Wat 'n wellust was 't
+geweest dien man zijn verachting in 't gezicht te spuwen. O, lang niet
+genoeg had hij nog gezegd! lang niet genoeg, .... er was nog zooveel,
+zooveel! Een oogenblik wou hij weer terug, opnieuw woedend nu hij voelde
+wat hij ging doen, nu hij met één blik een langen weg van misère voor
+zich zag: 't aan zijn meisje vertellen, aan haar vader, een nieuwe
+betrekking, getuigschriften.... Maar hij bedwong zich. Hij leunde een
+poosje soezend op zijn lessenaar .... en begon toen, kalm, gelaten,
+alles op te ruimen .... sorteerend zijn papieren .... opschrijvend wat
+er gedaan moest worden....
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+'t Was twee uur toen hij langzaam, aarzelend, omkijkend, zijn kantoor
+den rug toedraaide--voorgoed. Maar toen hij den hoek van de straat om
+was begon hij harder te loopen. Hij verlangde nu naar zijn meisje--hij
+verlangde naar haar liefkoozende omhelzing--hij had er behoefte aan
+begrepen en getroost te worden. En zij zou hem begrijpen, zij moest hem
+begrijpen, .... hij kon daar niet langer blijven, dat was toch
+duidelijk!.... Hij liep aldoor harder, hijgend kwam hij aan, opgewonden,
+zenuwachtig. Hij had zich warm geloopen, zijn gezicht was vol roode
+vlekken. Hij vond Margreet boven op de voorkamer, alleen. Zij schrok
+toen ze 'm zag. "God, Wouter! wat is er gebeurd," vroeg ze. "Wat is er?"
+
+"Niets, lieveling, niets," zei hij, "als ik jou maar weer heb, is al het
+andere niets!" En hij drukte haar tegen zich aan, vol innige behoefte
+aan haar liefde en kuste haar op 't voorhoofd en de oogen.
+
+"Maar wat is er dan toch eigenlijk," vroeg ze angstig, zich losmakend
+uit zijn armen om hem aan te kijken.
+
+"Ik heb me'n congé genomen, ik .... ik heb ruzie gehad met oom Frits, ik
+ben er weg! Maar 't is niets! .... 't is allemaal niets! .... ik zal wel
+wat anders vinden .... ik zal...."
+
+Maar zij luisterde niet. Hevig verschrikt viel ze in: "Wat? ben je weg
+uit je zaak?.... God! hoe komt dat? .... wat is er gebeurd?...."
+
+Toen begon Wouter 't pijnende verhaal van hoe hij gezorgd en gezwoegd
+had, opkroppend zijn grieven, aldoor nog hopend, dat 't wel beter gaan
+zou, maar hoe nu zijn oom zich over hem was komen beklagen bij zijn
+moeder (hij zei niet wat Frits over haar had gezegd) en dat 't 'm nu
+vanmorgen de baas geworden was, 't opgehoopte verdriet, de verachting
+voor dien man, die hem bedrogen had, gemeen bedrogen, de woeste woede
+tegen dien ploert. Hij wond zich weer op, hij liep door de kamer, hij
+stampte op den grond, hij sloeg met zijn hand op de tafel van
+niet-in-woorden-te-uiten ergernis.
+
+Zij luisterde met schrik in haar oogen, met open mond, niet begrijpend.
+En toen hij uitgewoed had en naar haar toe kwam en, in ééns heel zacht
+gestemd, fluisterde: "Maar, niet waar, lieveling? jij zult me wel
+troosten, en helpen?" toen keek ze hem aan met 'n koele verbazing, die
+hem diep trof. Hij werd bleek, hij stamelde: "Je begrijpt toch wel, dat
+'t niet anders kon, hè?"
+
+"'k Weet 't niet," zei ze,.... "nee, ik begrijp je niet, ik begrijp er
+niets van, niets!.... Wat wil je nu doen?.... Wat wil je nu
+beginnen?.... Ik heb altijd gedacht dat je zulke mooie vooruitzichten
+hadt .... waarom heb je 't me niet eer verteld?"
+
+"Maar, lieveling, is 't dan niet altijd vroeg genoeg voor zulke dingen?"
+
+Er kwam meer en meer teleurstelling in haar trekken. Zij begon zich ook
+op te winden: "Ik had gedacht dat we komend jaar wel zouden trouwen,
+.... dat je dan een mooie positie hebben zoudt!.... Wat moeten we nou
+doen?.... Hoe lang zullen we wel geëngageerd moeten zijn?...."
+
+"Maar ik zal er immers dadelijk op uit gaan, .... ik zal wat anders
+zoeken!"
+
+"Wat anders! .... wat bedoel je?.... Een betrekking als bediende? Zullen
+ze je daar ook maar dadelijk compagnon maken?"
+
+"Nee .... nee .... maar dat hoeft toch ook niet.... Er zijn wel goede
+betrekkingen...."
+
+"Zooals die van Wim bijvoorbeeld, hè?" viel ze in, met minachting in
+haar stem, die hoog klonk, schel.
+
+"Greetjelief .... wind je niet zoo op .... toe, blijf kalm! .... ja,
+ja, bijvoorbeeld zooals Wim, of beter nog...."
+
+Zij lachte schamper. Zij schudde haar mooi kopje met een trotsch gebaar.
+
+"Zooals die pummel .... die .... ba! .... je meent 't toch
+niet?--bespottelijk! Vergelijk je mij dan ook met Anna, dat schaap...."
+
+"Greetje! .... bedaar! .... spreek zoo niet!...." zei hij, haar handen
+pakkend.
+
+Maar zij rukte zich los. "Bespottelijk!" riep zij nogmaals uit. "Stel je
+voor: me man is klerk! .... och nee maar, dat meen je niet!"
+
+"Greetje, .... Greetje, .... och God! spreek nu niet zoo! .... niet op
+dien toon! .... dat heb je nog nooit gedaan! .... houden we dan niet van
+elkaar! en is dat niet 't voornaamste, 't eenige, 't eenige noodige?....
+Heusch, lieveling, we zouden toch niet op den duur kunnen blijven leven
+zooals we nu doen. Al dat uitgaan en zoo...., dat zou op den duur toch
+niet gegaan zijn...., maar dat is immers allemaal niets, mijn lieve
+lieveling, niets, niets!" En hij sloeg zijn arm om haar heen, wilde haar
+tegen zich aandrukken.
+
+Maar weer rukte ze zich los. Ze ging tegen de tafel staan leunen met een
+boos gezicht. Ze was rood geworden, haar donkere oogen gloeiden;
+heerlijk mooi was ze zooals ze daar stond.
+
+"Greetje," fluisterde hij wanhopig.
+
+"Och!" zei ze, "je bent 'n driftkop .... je zegt dat je van me houd,
+maar je denkt niet aan me, .... je doet maar net wat je in 't hoofd
+komt...."
+
+"Greetje!"
+
+"Je houdt niks van me, heelemaal niks! .... je bent 'n egoïst, ga maar
+weg, ga maar weg!"
+
+"Greetje," herhaalde hij nog eens. En toen, in zijn overspanning,
+verlamd door de onverwachte slagen van haar woorden, viel hij neer op 'n
+stoel en schreide luid uit en klaagde over zijn bitter verdriet en
+smeekte haar toch niet zoo hard, zoo wreed voor hem te zijn. Maar zij
+zweeg, aldoor leunend tegen de tafel en toornig turend op den grond.
+Eindelijk werd hij zich weer meester, hij stond op en begon uiterlijk
+kalm, met een weeke stem, nu en dan nog heftig snikkend, tegen haar te
+praten van liefde en opoffering, van lief en leed samen deelen, van
+vertrouwen op elkaar.
+
+Toen liep ze eerst naar 't raam en keek naar buiten. Zij kreeg tranen in
+de oogen en ze wilde niet, dat hij 't zien zou. Maar eindelijk viel ze
+neer op een stoel en begon ook luid snikkend te huilen. "Ga nou weg,"
+kreet ze, "laat me nou huilen!"
+
+"Zeg dan dat je van me houd, Gree, toe, lieveling, zeg dat dan nog
+alleen," bad hij.
+
+"Nee! .... nee! later .... misschien .... ga nou eerst weg! .... laat
+me uithuilen .... laat me alleen! .... ga nou weg .... toe, ga nou weg!"
+
+Toen ging Wouter.
+
+
+
+
+XV.
+
+
+Weer zat moeder Rubrecht alleen voor 't raam in de achterkamer te mazen
+een wollen sok voor haar man. Alleen, want Anna was gaan wandelen met
+een vrindin; alleen in 't stille huis; alleen met haar droeve gepeinzen,
+zich met wellust overgevend aan haar mijmeringen, die in haar hingen,
+zwaar als wierookwalm, haar vullend gansch en al met bedwelmenden geur.
+Ze hoorde 't getik van de klok niet, 't eenige geluid in huis, en ze zag
+haar handenbeweeg zonder bewustzijn. Alleen als ze kuchte schrok ze op
+en keek naar de klok.
+
+Eerst had ze aan Wouter zitten denken. Of hij vandaag al met Frits zou
+gesproken hebben en hoe 't zou afloopen en wat Margreet zeggen zou, als
+hij soms wegging bij Frits, .... ja, wat zij zeggen zou en doen, dat was
+'t voornaamste, daar hing alles van af. Dan voor 't eerst zou ze weten
+of Margreet genoeg van Wouter hield.... Maar ze had over Wouter en zijn
+meisje al zoo veel gedacht, al zoo lang getobd, al zoo lang, dat 't als
+verlamd was haar denken daarover alleen, dat ze de energie niet meer had
+haar gedachten scherp daarbij te bepalen, daarop te concentreeren....
+
+En haar gepeinzen zetten uit, ze werden breeder, breeder, wegvloeiend in
+haar melancholie en 't was haar weer als walmden haar mijmeringen uit
+haar op, als vulden ze de kamer en de binnenplaats en als kronkelden ze
+zich over de huizen, neerhangend op de daken en op de straten en over
+den ganschen grond rondom....
+
+En ze dacht weer aan haar dood.... Ze zag zich liggen geelbleek onder
+witte lakens in een houten kist, die stond midden in een groote kamer en
+die kamer midden in een groot leeg huis. En ze hoorde een klok dof
+brommen, aldoor den zelfden toon: bom .... bom .... bom .... En haar
+zware gedachten, opgeurend uit de vreemde plant in haar, drongen uit al
+de ramen van 't huis en overvloeiden overal de zwarte aarde rondom. En
+eerst als al de gedachten uit haar waren weggevloeid, dan viel de bloem
+af, dan liet de plant zijn takken hangen en stierf in haar leege
+lijf.... De klok hield op met luiden en 't was stil in haar .... stil
+.... dood .... Dan zullen ze, dacht ze, mijn lichaam opnemen en begraven
+en ze zullen een steen leggen op de aarde daar waar ik lig. En er zal
+sneeuw vallen overal, .... overal .... en ook de steen zal onzichtbaar
+zijn .... en _dan_ zal ik rusten....
+
+Plotseling sloeg de voordeur dicht met harden slag en kwam iemand
+driftig de trap oploopen. En haar gemijmer spatte uiteen en was
+vervlogen en ze voelde een scherpsnijdenden angst. Ze herkende den stap
+dadelijk, 't was Wouter. Ze stond half op, haar maaswerk in haar rechter
+hand geklemd, met open mond kijkend naar de deur. Hij kwam binnen,
+bleek, ontdaan en liep op haar toe: "O, moeder, moeder! wat moet ik nou
+doen," kermde hij, en zij zonk neer op haar stoel en hij naast haar op
+zijn knieën en zij nam zijn hoofd in haar handen. Toen snikte hij 't
+uit, zijn groot leed. En hij begon te vertellen. Snel sprekend met 'n
+heesche stem zei hij zijn moeder hoe 't gegaan was, eerst bij oom Frits
+en toen bij haar, bij Margreet. Hoe ze hem had aangekeken en alles wat
+ze gezegd had. O! Ieder woord had hij gevoeld als een slag. Hij was er
+onder bezweken, hij had gehuild en geklaagd en haar gesmeekt niet zóó te
+zijn tegen hem! Eindelijk had hij zich toch overmand, zich met de
+uiterste inspanning tot kalmte gedwongen en met haar gepraat.... Maar
+niets, niets had dat gegeven allemaal! Ze was op 'n kanapee
+neergevallen en had gesnikt en gehuild en geroepen dat hij nu maar weg
+moest gaan! aldoor dat hij weg moest gaan!.... Beneden was hij haar
+vader tegen 't lijf geloopen, die naar boven wou komen om te hooren wat
+er gaande was, en hij had 't hem gezegd, en de oude man had 't hoofd
+geschud, hij had erg bedrukt gekeken--maar hij had hem toch op
+hartelijken toon beloofd, dat hij hem helpen zou en hem gezegd, dat hij
+dien oom al dadelijk niet best had kunnen zetten. Hij had 't wel
+gedacht, dat die vent 't achter de mouw had, dat had hij gezegd....
+
+Maar o! dat Margreet hem zoo had kunnen behandelen .... o God! o
+God!....
+
+En hij snikte met lange snikken, zijn hoofd achterover tegen haar arm
+leggend, zij voelde 't schokken tegen zich aan.
+
+Zij huilde ook en beklaagde hem en gaf hem lieve naampjes en deed haar
+best hem te bedaren. Ze stond op, terwijl hij naast den stoel bleef
+liggen en gaf 'm een glas water. Hij slurpte wat naar binnen. Toen werd
+hij kalmer en ging op een voetkussen zitten en nam z'n hoofd in z'n
+beide handen. Zóó voor zich uit starend klaagde hij en morde tegen zijn
+lot en tegen de menschen. En 't was haar of zij zelf die woorden sprak;
+zij voelde met weemoedig genot de overeenkomst van hun zielen. Zij liet
+hem lang alleen praten. Eindelijk boog ze zich over hem en zei zacht:
+"Wouter! .... 't gaat zoo niet, hoor! .... je moet 't afmaken."
+
+"O, moeder, moeder! hoe kan dat nou? .... hoe kan dat nou?!...."
+
+"Heusch, mijn jongen, 't moet, 't moet .... je zoudt niet gelukkig
+kunnen zijn .... geen van beiden."
+
+"Gelukkig zijn? .... och, maar dat is immers toch onmogelijk!...."
+
+Zij zuchtte. "Voor jou mag 't niet onmogelijk zijn," zei ze.
+
+"Bent u gelukkig, moeder?.... bent u 't ooit geweest?"
+
+"Nee...." fluisterde ze.
+
+"Och, 't kan ook niet!.... 't kan ook niet! .... je houdt toch altijd je
+zorg! .... 't leven is nu eenmaal zoo vreeselijk wreed en hard, ....
+maar daarom hoeft _alles_ toch nog niet uit te zijn! .... o! laat me
+haar houden! .... u weet niet hoe ik van haar houd, moeder, .... u weet
+'t niet!"
+
+"Je hebt al zooveel zorg door haar gehad!"
+
+"En altijd ben ik meer van haar gaan houden!"
+
+"Ze heeft je zóóveel verdriet gedaan .... vandaag nog!"
+
+"En toch houd ik van 'r, meer dan ooit!"
+
+"Maar Wouter, als ze nou toch 's niet zooveel van jou hield!"
+
+"O, moeder! zeg dat niet .... zeg dat niet! .... 't is zoo vreeselijk!"
+
+"Arme jongen, .... wees sterk, .... wees sterk! .... denk je dat ik 't
+zeggen zou, als ik 't niet zeker wist? ... o, ik weet 't, ik voel 't zoo
+goed, Wouter, .... ze houd niet van je zoo als jij van haar!"
+
+"Maar, moeder! wat moet ik dan doen dat ze meer van me gaat houden!"
+
+"Arme goeie jongen...., ik geloof niet, dat je daar iets aan doen
+kunt...., je kunt niet anders zijn dan je bent, en, .... nietwaar? dat
+zou je ook niet willen?...."
+
+"O! moeder! .... ik ben zoo wanhopig!...."
+
+Ze keek even rond, schichtig, alsof ze iets ging doen, wat ze niet doen
+mocht.--Toen boog ze zich weer over hem en fluisterde: "Wouter, 't is
+nog tijd nu, .... denk 's hoe vreeselijk 't zijn zou, als je al getrouwd
+was en je merkte dan, dat je vrouw niet genoeg van je hield...., o maar,
+dat is zoo verschrikkelijk!.... Ik weet 't .... ik weet 't, geloof
+me...., ik zelf heb pas toen ik getrouwd was ingezien, dat ik nooit
+zooveel van je vader zou kunnen houden als noodig was.... Toen ben ik
+ook wanhopig geweest...., maar 't was eenmaal zoo .... ik moest mijn
+leven lang oppassen...., altijd oppassen, dat hij 't niet merken zou....
+Toch zal hij 't wel voelen.... Maar jij bent niet zoo als hij,
+Wouter!.... Jij zoudt er ziek van worden...., 't zou jou dood zijn....
+O, Wouter, mijn eenige lieveling, mijn alles, alles! je doet 'n misdaad
+tegen je zelf als je haar trouwt!"
+
+"In Godsnaam, moeder, dan maar 'n misdaad, ik kan haar niet missen!"
+
+"Ze bedriegt je...."
+
+"Dan wil ik maar bedrogen worden!...."
+
+"Maar _ik_ wil 't niet," zei ze toen opééns met veel vuur, met kracht,
+niet een heel andere stem, "ik wil 't niet, versta je! .... je zult niet
+bedrogen worden .... nooit! .... nooit! .... jij bent mijn eenige troost
+in 't leven, mijn eenige rijkdom, en trots! .... jij _zult_ gelukkig
+worden, .... 't moet!.... Ik wil niet, dat zij je ongelukkig maakt,
+hoor-je, Wouter, ik wil 't niet!"
+
+En plotseling stond ze op en liep de kamer uit. Hij bleef nog even
+zitten, z'n hoofd in z'n handen, maar toen, dof-vermoedend wat zijn
+moeder ging doen, liep hij haar achterna. Hij hoorde haar boven, hij
+liep de trap op. Daar stond ze al met 'n hoed op en 'n mantel in de
+hand. "Waar gaat u heen?" vroeg hij angstig. "Naar Margreet," zei ze,
+vlug, met vaste stem, "ik ga haar spreken."
+
+"U wilt 't gaan afmaken!"
+
+"Dat zal aan haar liggen," antwoordde ze, ontwijkend.
+
+"Toe, moeder, doe dat nou niet .... doe dat nou niet...." klaagde hij.
+
+Maar zij trok haar mantel aan en gaf geen antwoord meer, bijtend op haar
+lippen, strafstarend met wijde oogen....
+
+Hij leunde tegen den deurpost met hangend hoofd, hij was heelemaal
+gebroken en op.
+
+"Wat zal ik zeggen als vader thuis komt, en Anna," vroeg hij.
+
+"Zeg maar, dat ik naar Margreet ben,--ik mag toch zeker wel naar 't
+meisje van mijn zoon gaan, als ik daar lust in heb?"
+
+Haar stem was hard, brutaal scherp,--heel vreemd.
+
+Wouter kreeg een gevoel van vrees, hij was bang voor zijn moeder--hij
+dacht plotseling aan waanzin, hij zag ellende overal om zich heen!
+Strompelend liep hij naar zijn kamertje, boven, zijn zolderkamertje,
+waar hij neer viel op een stoel, bevend, klappertandend. Telkens gingen
+er rillingen over zijn rug.
+
+Zijn moeder ging naar beneden. Maar toen ze nog op de boventrap was
+hoorde ze de voordeur open gaan. Dat was Rubrecht.... Hij zou vragen
+waar ze heen ging.... 't Was misschien toch niet goed nu te gaan....
+Maar morgen, ja! .... dat was beter, morgen ochtend zou ze gaan .... en
+eerst nog afwachten wat de avond brengen zou. Ze kwam weer terug.
+
+
+
+
+XVI.
+
+
+Zwijgend zaten ze aan tafel. Anna keek met angstige nieuwsgierigheid van
+Wouter naar haar moeder en van haar moeder naar Wouter. Rubrecht vroeg
+eindelijk goedig, weifelend, 'n beetje bedeesd: "Wat is er, Wouter, heb
+je weer wat met oom gehad?...."
+
+"Ja, ja!" viel toen de moeder, weer met die vreemde scherpheid,
+schielijk in. "Wouter heeft ruzie gehad met Frits en hij is er weg."
+
+Anna schrok. "Hemel!" riep ze.
+
+De oude vader fronsde zijn grijze wenkbrauwen en bromde, terwijl hij de
+sauskom naar zich toe trok en zich langzaam bediende: "Ruzie, ruzie!
+.... kom, kom! dat moet niet, .... dat moet toch niet!.... Wat is er
+eigenlijk, Wouter? Heb je...."
+
+Maar Wouter viel hem in de rede: "Vader, laten we er nu niet over
+spreken, nu nog niet. Later zal ik u alles wel vertellen!...."
+
+"Goed! .... goed, jongen," bromde de oude man weer en at langzaam
+kauwend door, soms tusschen twee aardappelen mompelend: "Ruzie!
+ruzie!...."
+
+Vóórdat 't korte maal nog afgeloopen was stond Wouter op.
+
+Hij ging uit.
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+Om twee uur 's nachts kwam Wouter thuis. Zijn moeder hoorde hem zacht
+stommelend de trap opkomen. Toen liet ze zich 't bed uitglijden en sloop
+naar 't portaal, waar ze hem opwachtte. 't Was er donker. Alleen viel
+langs de deur van haar slaapkamer, die ze op een kier had gelaten, een
+smalle streep schemerlicht op den gekalkten muur. Daar ging ze staan,
+zoodat hij haar zag toen hij de tweede trap opkwam. Hij huiverde van
+schrik. "Ben je daar, Wouter," zei ze, "Goddank!" "Moeder, u zult kou
+vatten, gauw naar binnen!" "Ben je bij haar geweest? hoe heeft ze je
+ontvangen?" fluisterde ze. "Ze heeft me heelemaal niet ontvangen," zei
+hij somber, .... "ze kon niet .... ze was naar bed gegaan met hoofdpijn,
+zei meneer...." "En wat heb jij dan gedaan den heelen avond?" "Ik? ....
+'k weet niet...., 'k heb geloopen...., overal rondgeboemeld.... Toe,
+moeder, ga nou naar binnen! ga nou slapen!.... Vader zal wakker worden
+.... nacht moeder!" En hij liep langzaam door naar zijn kamertje. Zij
+hoorde hem naar binnen gaan, de deur sluiten, nog wat
+rondstommelen--toen werd alles stil....
+
+Ze ging naar binnen en terug in 't groote bed, waar Rubrecht sliep,
+achterover liggend, zwaar ronkend als oude mannen doen. Huiverend trok
+ze haar deken om zich heen en ging scherp liggen denken aan morgen, wat
+ze zeggen zou. En plotseling trof 't haar met een schok dat ze Margreet
+haatte, met staalharden haat, en zij voelde zich sterk en vol
+strijdlust; zij voelde zich een tijgerin, die haar jong moest verdedigen
+tegen een vijand....
+
+"Ze zal 'm niet hebben! .... nooit!" mompelde ze.
+
+
+
+
+XVIII.
+
+
+'t Was tien uur in den volgenden morgen toen mevrouw Rubrecht--nietig
+vrouwtje in haar eenvoudig zwart manteltje, met haar simpel stroohoedje
+op--voorzichtig de voordeur achter zich dicht trok zonder slag--en,
+schichtig omkijkend, langs de huizen voortliep, op weg naar 't huis van
+Smit. Wouter was nog niet beneden gekomen, hij was loom blijven liggen
+in z'n bed, hij had geklaagd dat hij zoo moe was. De dikke drukker
+ontstelde even toen hij 't bleeke vrouwtje zag--ze was dadelijk 't
+kantoor binnengeloopen, "Hé, hé!" riep hij uit, en vroeg, 'n beetje
+angstig: "er is toch geen onraad?"
+
+"Nee .... nee! .... maar kan ik u even spreken, meneer Smit? ....
+alleen?"
+
+"Wel zeker, mevrouwtje, wel zeker," zei Smit, die een kleur kreeg, "gaat
+u mee, .... gaat u mee naar boven!"
+
+Ze gingen samen naar boven en hij liet haar in de voorkamer, en gaf haar
+een stoel, aldoor met blijkbare verlegenheid pratend in kleine
+uitroepjes: "Wel! .... wel! al zoo vroeg er op uit!.... Ja! zeker over
+Wouter, hé? .... 'n lastig geval, mevrouwtje, jammer! .... jammer!"
+
+"U meent dat hij bij me broer weg is .... ja! .... maar, ziet u .... dat
+is toch eigenlijk zoo erg jammer niet!"
+
+"Niet?" vroeg Smit, verwonderd.
+
+"Nee .... och, .... als twee menschen nu eenmaal niet bij elkaar passen
+moeten ze ook niet samen blijven, vindt u ook niet? .... en--u weet dat
+misschien niet--maar de zaken schijnen daar niet zoo heel best te
+gaan.... Ten minste Wouter verdiende niet veel! .... och! dat heeft 't
+'m eigenlijk gedaan, hij had natuurlijk op beter toekomst gerekend...."
+
+"Maar .... 'm gedaan? .... wat bedoelt u?"
+
+En zij, op den man af: "Zeg me 's rond uit, meneer Smit, hebt u wel 's
+gemerkt, dat Wouter schulden maakte?"
+
+Hij dadelijk met heldere stem: "Nooit, mevrouw!.... Wouter
+schulden!--Dat valt me niet mee van 'm!"
+
+"Ik dacht wel, dat u 't niet weten zoudt! .... ziet u, zoo _heel_ veel
+is 't nu ook niet, geloof ik, .... maar hij heeft toch geld geleend, van
+mijn broer, .... van vrinden, .... van Margreet!"
+
+"Van Margreet ook?" Smit werd onrustig en warm.
+
+"Ja, van Margreet ook! .... ik weet niet hoeveel .... maar ik denk, dat
+'t nog al wat zal zijn."
+
+"Maar! .... ik begrijp er niets van!.... Waarom deed hij dat! waar was
+al dat geld voor?"
+
+"Voor uitgaan .... comedies, concerten, voor cadeautjes aan haar!"
+
+Smit stond op en liep een paar maal de kamer op en neer. "Maar dat is
+heel verkeerd! heel verkeerd van Wouter en van Greetje!.... Vindt u goed
+dat ik haar even roep?"
+
+"Wacht u nog even, meneer Smit," zei ze vlug, met een zenuwachtige
+beweging van haar hand naar haar hoofd? Ze wist niet hoe ze 't hem nu
+verder zeggen zou, waarvoor ze gekomen was. Ze keek dwars rimpelend 't
+blanke voorhoofdvel angstig voor zich en zweeg.
+
+Hij kwam weer naar haar toe, maar ging niet zitten. Blijkbaar was hij
+zeer ontsteld nu, hij wachtte strak op haar neerkijkend. Plotseling
+wierp ze met een hartstochtelijken ruk haar hoofdje achterover en hem
+aankijkend zei ze vlug achter elkaar, zenuwachtig vlug: "Meneer Smit,
+.... och God! ik zal 't je maar zeggen, ik ben gekomen om 't af te
+maken, ik kan 't niet langer aanzien zooals Wouter tegenwoordig leeft.
+De jongen lijdt, meneer Smit, hij gaat gebukt onder den last van zijn
+leven. En dat moet toch niet, hij is nog zoo jong, niet waar? Margreet
+is niet de rechte vrouw voor hem, zij houdt te veel van de weelde en die
+kan hij haar niet geven!.... Ik geloof ook niet, dat zij genoeg van 'm
+houdt, .... dat is eigenlijk de hoofdzaak! Maar hij houdt vreeselijk
+veel van haar, hij verafgoodt 'r letterlijk! .... daarom is 't ook zoo
+hard, zoo bitter hard voor hem!.... Maar 't kan toch niet langer zoo,
+meneer Smit, waarachtig, ik voel 't, 't kan zoo niet langer." (Ze stond
+op, ging een stap dichter naar hem toe en keek hem smeekend aan.) "En
+daarom, meneer Smit!--u houdt toch ook van Wouter, dat weet ik--doe met
+mij wat u kunt om 'r een eind aan te maken.... Voor Margreet kan 't zoo
+erg niet zijn, 't kan niet, 't kan niet, dat ze zooveel van hem houdt,
+dan zou ze anders zijn.... Voor hem wél, voor hem zal 't verschrikkelijk
+wezen, .... maar ik denk maar, ziet u, later, later zal hij wel inzien,
+dat 't niet goedgegaan zou zijn. En, niet waar? hoeveel vreeselijker zou
+het zijn, als hij, pas als ze getrouwd waren, zou merken dat ze niet
+genoeg van hem hield...."
+
+Ze zweeg weer. Smit sprongen tranen in de oogen. Hij kon niet dadelijk
+wat zeggen. Haar stem was 't vooral die hem aangegrepen had; er was
+zooveel diepe smart in haar stem, ja soms klonken haar woorden als
+wanhoopskreten. Toch had ze zacht, bijna toonloos gesproken, zonder alle
+zucht naar effect. Hij voelde, dat ze heelemaal waar was, dat er geen
+zweem van aanstellerij, van mooi-doen was in haar.
+
+Eindelijk opperde hij weifelend: "Ziet u 't niet wat te zwart in?...."
+
+"Nee! .... meneer Smit, ik zie 't niet te zwart in...., heusch niet! Al
+zoo menigmaal heb ik op 't punt gestaan om naar u toe te komen om er
+over te spreken, maar och! .... dan zei ik altijd maar weer tegen me
+zelf: Je ziet 't te donker in, je bent 'n melancholiek mensch, je ziet
+alles, alles in 't donker. Maar nu moet 't, waarachtig! Weet u hoe ze 'm
+gisterenmiddag ontvangen heeft?.... En 's avonds heeft ze 'm heelemaal
+niet willen zien!...."
+
+"Ze had hoofdpijn!...."
+
+"Ja, ja," zei Wouter's moeder met een droevigen glimlach, "ze had
+hoofdpijn."
+
+Beiden zwegen. Zij ging weer zitten, hij ook--stil, in elkaar gezakt,
+met z'n handen op z'n knieën. De anders altijd drukke bewegelijke man
+was als geslagen.... "Wat zullen we doen?" vroeg hij, toen 't zwijgen
+pijnlijk werd, met weifelende stem.
+
+"Laat haar nu hier komen, meneer Smit, laten we met haar praten."
+
+"Nu? .... nou dadelijk?" vroeg hij, opziende tegen de scène.
+
+"Ik geloof werkelijk, dat dat 't beste is," antwoordde zij.
+
+Hij ging naar de deur en riep: "Gree!.... Gree!"
+
+En ze kwam.
+
+Ze liep, vriendelijk glimlachend als altijd, naar mevrouw Rubrecht toe.
+"Hé! zoo vroeg al? .... hoe gaat 't u, mevrouw?"
+
+Maar eer ze nog 't kleine vrouwtje 'n hand reiken kon, vroeg haar vader,
+kortaf, 'n beetje bar om zijn weekheid te verbergen: "Je hebt geld
+geleend aan Wouter?"
+
+Ze schrok van die vreemde stem. Ze keerde zich naar hem om. Ze werd
+bleek. "Ja! .... ja, pa!" zei ze.
+
+"Veel?"
+
+"'n Hondervijftig gulden is 't zoowat bij elkaar!...."
+
+"Zoowat? Weet je 't niet precies?"
+
+"Nee--, ik weet 't niet precies."
+
+"Weet je 't niet precies?" vroeg hij nog eens, zich over die kleinigheid
+opwindend. "Hoe komt 't, dat je 't niet weet? Schrijf je zulke dingen
+niet op?...."
+
+"Och! meneer Smit," viel toen moeder Rubrecht in, op zeer kalmen, bijna
+plechtigen toon,--want ze was zich nu heelemaal meester, nu ze haar
+vijandin tegenover zich zag--, "laten we daar nu niet over praten! Mag
+ik 's wat aan Margreet vragen?"
+
+"Zeker! .... zeker!...." bromde Smit.
+
+Margreet durfde mevrouw Rubrecht niet aanzien. Zij trok een
+onverschillig gezicht, liep naar 't raam en keek naar buiten. Toen stond
+'t vrouwtje op en ging ook 'n paar stappen naar 't raam, zoodat ze
+achter Margreet stond. Ze steunde op de leuning van een stoel. "Ik heb
+je _nog_ 's ééns gevraagd, wat ik je nu weer vragen zal; Margreet: houd
+je wel genoeg van Wouter? Ik geloof, dat je me toen niet goed begrepen
+hebt. Ik hoop, dat je me nu beter begrijpen zal. Luister goed.
+Houd--je--wel--genoeg--van--Wouter? Is bij hem te zijn wel 't
+heerlijkste wat er is voor je? Zou je alles wat je verder op de wereld
+bezit willen missen om hem alleen?.... Zou je ellende, verachting,
+alles, met hem willen dragen? Zou je jezelf vermoorden om hem te redden?
+.... als je kinderen kreeg, zou je ze dan liefhebben omdat 't zijn
+kinderen waren? .... en als je ze niet kreeg, zou dan toch je gansche
+verdere leven, dat zoolang kan zijn, nog wel vijftig, nog wel zestig
+jaar, zouden al die jaren gevuld worden door hem alleen?....
+
+Margreet bleef staan. Ze tuurde aldoor naar buiten, ze verroerde zich
+niet.
+
+Haar vader liepen de tranen in z'n baard.
+
+"Zeg, Margreet!" begon de moeder weer, "kan-je nu weer antwoorden zoo
+als toen?"
+
+Langzaam draaide 't meisje zich om. Ze was bleek, geelbleek, en er was
+een zenuwachtig trekken om haar mond.
+
+"Nee! ...." zei ze fluisterend, .... "eigenlijk geloof ik niet, dat
+ik...."
+
+"Maar Greetje!" riep de vader uit, zich afwendend om zijn aandoening
+meester te worden, "hoe kom je nu zoo...."
+
+"Je gelooft 't niet?.... Nee! je weet heel zeker, dat je _niet_ zooveel
+van 'm houdt," ging nu moeder Rubrecht voort en haar stem kreeg weer dat
+onaangenaam scherpe, "je moet 't al dikwijls gevoeld hebben, dat kan
+toch niet anders!.... En toch heb je 'r nog geen eind aan gemaakt!....
+Waarom dee-je dat niet? Om toch maar geëngageerd te zijn, toch maar uit
+te gaan?...."
+
+"Ik heb er nooit zoo ernstig over gedacht," zei ze, plotseling
+uitbarstend in hoog snikken. "Maar 'k zal 't hem nu wel zeggen.... Want
+ik wil 't ook niet langer...., ik _wil_ 't niet...., ik ben altijd
+vroolijk geweest en zonder zorg en tegenwoordig zie ik op tegen elken
+dag!.... Hij weet van niets dan zorgen, zorgen, altijd zorgen!.... Hij
+zet haast nooit 's 'n vroolijk gezicht.... Me vrindinnen vragen wat of
+hij heeft, of hij ziek is.... 't Is 'n akelige jongen! ik wil 'm niet
+hebben .... nooit! .... nooit! ziedaar!" En ze stampte op den grond en
+huilde luid en liet zich achterover vallen in een gemakkelijken stoel.
+
+"Margreet!" riep de vader, nu heel boos, vuurrood in zijn gezicht, "ik
+wil niet, dat je zoo spreekt! Hoe kom je zoo gek je 'r iets van aan te
+trekken wat je vrindinnen zeggen?.... Je bent heel oppervlakkig ....
+heel lichtzinnig!...."
+
+"'t Is toch niet waar!" huilde 't meisje weer, "ik ben niet
+lichtzinnig!.... Omdat ik nou vroolijk ben en levenslustig! .... daar
+ben ik toch jong voor!.... Waarom, zou ik nu al altijd zuur moeten
+kijken!.... En als ik te veel van plezier houd .... en uitgaan .... en
+van mooie dingen koopen en zoo .... dan komt dat allemaal alleen doordat
+u me verwend hebt!.... 't Is uw schuld!.... Ik kan nou niet anders
+meer...., ik kan toch me zelf geen geweld aandoen!...."
+
+Smit zweeg en zuchtte. Mevrouw Rubrecht ging naar hem toe, gaf hem 'n
+hand en zei zacht: "Ik dank u wel voor uw hulp, meneer Smit...., en ik
+laat 't nu verder aan u over...., spreekt u met haar .... en laat ze
+Wouter .... laat ze Wouter .... ja, 't zal 't beste zijn, dat ze hem
+afschrijft. Want als hij haar weer ziet of spreekt .... misschien...."
+
+"Goed!.... Goed!.... zei Smit, "ik zal met haar praten...."
+
+Toen ging de moeder weg, zonder zelfs meer om te kijken naar 't meisje
+dat daar op dien stoel lag.
+
+
+
+
+XIX.
+
+
+Wouter was eindelijk opgestaan, tegen twaalf uur, en naar beneden
+gekomen. Hij vond zijn moeder alleen aan de gedekte koffietafel, bezig
+met de koffie....; hij groette haar met 'n zacht vrindelijk "Morgen,
+moedertje!" en ging op 'n stoel zitten, die ergens tegen den muur stond.
+Z'n handen in z'n zakken, z'n beenen rechtuitgestoken zat hij daar
+zwijgend voor zich te turen. Zij kwam naar hem toe, keek hem teeder aan
+en gaf hem een zoen op z'n voorhoofd. "Hoe is 't nou, Wouter, voel je je
+nog zoo moe? heb je geen hoofdpijn?"
+
+"Nee!...."
+
+"Mijn goeie arme jongen, _mijn_ jongen, je moet wat doorstaan dezer
+dagen, .... maar je zult je er wel flink onder houden, hè?.... Je bent
+immers altijd mijn flinke Wouter geweest!.... Beloof je 't me?"
+
+"Zeker, moeder, zeker!" zei hij flauw glimlachend.
+
+Ze zwegen weer. Ze zeurde wat in de kamer rond, keek nog 's in de
+koffiekan, verzette 'n paar kopjes.
+
+"Zeg moeder!"
+
+"Wat is 't?"
+
+"Dat plan van naar Margreet gaan hebt u toch uit 't hoofd gezet?"
+
+Zij gaf geen antwoord. Zij keek den anderen kant op.
+
+"Zeg, moeder!...."
+
+"Waarom, Wouter?"
+
+"Waarom? .... maar, moeder! waarom? .... wel omdat dat toch niet kan!
+.... maar, .... God! moeder! wat is er? .... u bent er toch niet al heen
+geweest?.... Hebt u haar gesproken? Wat zei ze? Moeder! zeg! .... hebt u
+'t toch willen afmaken?...." Hij was opgestaan, hij beefde, zijn stem
+was heesch.
+
+"Wouter! Wouter! In Godsnaam, wees nou bedaard! .... wees nou flink!....
+Ja, ik ben er geweest en ik heb een eind gemaakt aan wat alleen op je
+ongeluk uit kon loopen! Ik weet, dat ik er goed aan gedaan heb!.... Ze
+zal je schrijven!...."
+
+Hij luisterde niet meer. Hij viel weer neer op zijn stoel. Hij greep met
+z'n rechterhand naar z'n hoofd, wreef zich over z'n kort geknipt haar
+met onbewust gebaar, als een krankzinnige.
+
+Zijn moeder kwam naar hem toe.
+
+Toen vloog hij op, de deur uit.
+
+"Wouter!" riep ze, "Wouter!" En in de gang: "Wouter!"
+
+Maar de voordeur sloeg dicht.
+
+
+
+
+XX.
+
+
+Buiten adem kwam hij voor de deur bij Smit aan. Hij schelde wild, en
+toen de deur openging wou hij doorstormen naar boven, maar Smit--hij was
+'t zelf--greep hem bij z'n arm. "Niet naar boven!" beval hij ernstig.
+
+"Ik moet, ik moet!" riep Wouter met een woesten ruk.
+
+"Je zult niet!.... Wie 's hier de baas, jij of ik? .... je zult niet
+naar boven!"
+
+Wouter rukte aan z'n arm maar Smit hield stevig vast.
+
+"Je wilt toch niet, dat ik je de deur uit zetten zal, Wouter?"
+
+Toen gaf hij toe, bleef staan, hijgend.
+
+Smit schudde den arm, dien hij nog vast hield. "Arme jongen," zei hij,
+met trillende stem, "ik heb bliksems met je te doen! waarachtig! ....
+maar toe, wees nou flink! .... toon nou dat je 'n kerel bent, 'n
+mannetjesvent, wat donder! Ga nou naar huis! .... ze zal je
+schrijven!.... Geloof me, kerel, er is toch niets meer aan te doen, 't
+is beter zoo!"
+
+"'t Is beter zoo .... 't is beter zoo," herhaalde Wouter met innige
+bitterheid, "altijd beter zoo! .... als je gemarteld wordt...., als je
+moet tobben en ploeteren en niets hebt dan verdriet, .... altijd: beter
+zoo! beter zoo!"
+
+"Arme kerel, arme kerel! .... kom, wees nou bedaard! .... ga nou weg!
+.... ze zal je schrijven van middag.... Ga nou weg, Wouter, .... maar
+geef me eerst nog 'n hand, ouwe jongen!.... Ik heb er toch waarachtig
+geen schuld aan, dat weet je wel!...."
+
+Wouter gaf hem zijn rechter hand; maar even lag die hand slap, zonder
+actie, in Smit's knijpenden knuist. Toen ging hij weg, zwijgend,
+langzaam, loom. Hij liep straten en grachten om. Hij wou niet naar huis,
+niet zijn moeder zien. Hij liep den ganschen middag door, diep ellendig,
+zich voelend als een schooier, armoedig, verloopen, door de menschen
+vergeten. Tegen den avond at hij wat in een gaarkeuken, niet veel, hij
+was te moe. Hij verbeeldde zich, dat alle menschen hem aankeken in die
+gaarkeuken, ging er gauw uit, liep weer door....
+
+Eindelijk ging hij naar huis, hij wou dien brief lezen.
+
+
+
+
+XXI.
+
+
+Voor zijn moeder was die middag één lange marteling. Waar was hij
+heen?.... Waarom kwam hij niet thuis?....
+
+Zij liep naar Smit, hoorde hoe 't daar gegaan was. Toen weer naar
+huis!.... Neen, hij was er nog niet....
+
+Waar dan?.... Denken dorst ze niet.... O, die angst, die
+hartverschroeiende angst!....
+
+De grachten liep ze langs en in het park dwaalde ze rond. Ze schrok
+hevig toen ze 'n troep menschen ergens aan den waterkant zag staan. Weer
+kwam ze thuis .... en, in wanhoop, wou ze ook weer dadelijk weggaan,
+maar Anna, die vermoedde wat er gebeurd was, smeekte haar huilend thuis
+te blijven; ze was immers ook veel te moe....
+
+Ja, 't was waar, ze was wel moe, wel moe!....
+
+Toen kwam Rubrecht van kantoor en in korte afgebroken zinnen en zonder
+hem aan te zien, zei ze 'm alles. Hij was één en al verbazing, hij zat
+met open mond te luisteren, hij begreep er niets van.... Wouter schuld!
+Zijn engagement af!.... Ze wisten niet waar hij was!.... Maar dat was
+verschrikkelijk!.... Ach, waarom moest hij dat nog allemaal beleven op
+zijn ouden dag....
+
+Inéén gedoken, voorover, zijn groot rond hoofd wiegend op zijn halsboord
+zat hij suf te kijken, te staren, te mompelen.
+
+Moeder Rubrecht was ook op een stoel neergevallen, stil snikkend en
+bijtend op haar zakdoek met wijdopen oogen. Anna stond bij het raam en
+keek uit.
+
+De meid kwam zeggen, dat het eten op tafel was.
+
+Ze letten er niet op.
+
+Ze zwegen, ze wachtten.
+
+De vader vroeg alleen nog:.... "Hoeveel is 't .... die schuld....?"
+
+"'k Weet 't niet precies, .... 'n paar honderd gulden," zei zijn vrouw.
+
+Daar werd gescheld! Anna zei, dat 't de post was. De meid kwam weer naar
+boven, klopte bedeesd, en Anna ging naar de deur en nam den brief aan.
+"Van Margreet," zei ze alleen, en lei den brief op tafel.
+
+De moeder nam 'm op. Ja, daar stond 't, keurig geschreven:
+
+"Den WelEdelen Heer Wouter Rubrecht, E. V."....
+
+Ze wachtten weer....
+
+Eindelijk! daar sloeg de deur dicht.... "Daar is hij!" riep moeder
+Rubrecht, blij opvliegend, kijkend naar de deur die opengaan zou. Ook de
+vader draaide zijn dikke hoofd om naar de deur en Anna keek er half
+afgewend naar. Hij kwam de trap op, hij was op 't portaal, .... hij liep
+voorbij, naar boven!....
+
+Zijn moeder nam de brief en ging hem achterna.
+
+"Wouter!.... waar ben je geweest? .... we waren zoo vreeselijk
+ongerust!"
+
+"Ongerust? .... om mij?...." vroeg hij bitter..........................
+.....................................................................
+
+"Hier is de brief!"
+
+"O! dank u...."
+
+Hij bekeek het adres, .... brak den brief open.... Zij bleef staan bij
+de deur.
+
+"Och, moeder! .... toe, laat me nou alleen!"
+
+"Ik wou zoo graag bij je blijven om je te troosten, .... maar als je
+liever hebt, dat ik wegga...."
+
+"Ja! ja!"
+
+"Goed .... goed!...." En zij ging ... ze ging op de trap zitten. Ze
+hoorde niets dan nu en dan wat gekraak of 'n kuch.... Na een uur ging ze
+weer naar boven, zonder gedruisch, en klopte aan zijn deur.
+
+"Binnen!" hoorde ze zacht zeggen.
+
+Ze kwam de kamer in. "Wouter", zei ze, "ik ben niet gerust, voor ik met
+je gesproken heb...."
+
+Hij lag met z'n hoofd op de houten tafel, .... z'n armen er om heen,
+.... de brief naast hem.
+
+Hij gaf geen antwoord.
+
+"Wouter!...."
+
+"Wouter!...."
+
+Daar keek hij op. Hij keek haar aan. "O, moeder, moeder! hoe hebt u dat
+kunnen doen!" zei hij. En die blik! die blik van dof smartelijk verwijt.
+
+Zij rilde! o God, o God! Neen, zoo verschrikkelijk had ze 't zich niet
+voorgesteld. Ze kon niet spreken.
+
+Ze greep zich stevig vast aan de leuning van een stoel om zich weer
+meester te worden. Eindelijk, met een schor geluid: "'t Was heusch om
+jou alleen, Wouter, waarachtig, alleen voor jou.... Maar ik begrijp wel,
+dat je dat nu niet inziet nog .... later wel .... later wèl!"
+
+"Voor mij! voor mij!" riep hij uit, met krijschende wanhoop,.... "Och!
+moeder, ga nou weg...., laat me nu met rust! .... o laat ik nu niets
+meer zeggen! .... laat ik nu zwijgen!" Ze ging, maar bleef nog bij de
+deur staan, aarzelend, niet een laatste hoop, dat hij haar terug zou
+roepen.
+
+Hij had zijn hoofd weer op de tafel laten vallen. Dof, toonloos hoorde
+ze 'm mompelen: "'k Wou 'k dood was." En toen weer opkijkend,
+krachtiger: "Och, laat me nou toch met rust .... laat me nou toch
+alleen!"
+
+
+
+
+XXII.
+
+
+De dagen verliepen in grijze treurigheid in 't Rubrechtshuis. Wim kwam
+geregeld 's avonds. Maar hij was er heelemaal de man niet naar om de
+menschen wat op te beuren. Met een gewichtig gezicht en hoofdschuddend
+hoorde hij alles aan en zei alleen maar nu en dan: "sjonge jonge, 't is
+toch jammer, hoor!...." of: "ja, ik zeg maar: beter ten halve gekeerd
+dan ten heele gedwaald, dat zeg ik maar!"
+
+En hij was nog veel eigenwijzer en pedanter dan vroeger, want hij
+verbeeldde zich nu hoog boven Wouter te staan. Hij was toch maar zijn
+betrekking niet kwijt, alles behalve! hij kreeg met één Mei weer honderd
+gulden opslag, had de patroon hem beloofd, en zijn engagement! .... wel,
+hoe zou dat ooit af kunnen gaan!.... Hij had nooit wat met Annetje! ....
+en over 'n maand of wat zouden ze trouwen! Dat 's wat anders!
+
+De oude man zat meestal te suffen en liet zijn pijp soms uitgaan, wat
+vroeger nooit gebeurde.
+
+Moeder Rubrecht leefde van uur tot uur in onrust door. Zij was altijd
+weer bang als Wouter uitging. Maar geen oogenblik had ze spijt van wat
+ze gedaan had. "Als ik niet wist, dat 'k me plicht had gedaan," zei ze
+tegen Anna, "dan zou ik zeker sterven van verdriet."
+
+Wouter zat meestal op zijn kamertje te soezen of in kranten te kijken,
+soms schreef hij een brief of ging hij iemand spreken. Als hij
+binnenkwam om te eten, zei hij niets dan 't hoognoodige. Hij vermeed
+vooral zijn moeder toe te spreken.
+
+Zoo verliepen acht dagen. Toen, op een avond, stond de oude Rubrecht in
+ééns op en lei zijn pijp neer en ging de kamer uit en de anderen hoorden
+vol verwondering, dat hij naar boven ging, naar Wouter. Hij bleef 'r wel
+een uur. Toen hij weer beneden kwam had hij iets vergenoegds over zich.
+Hij ging naar zijn vrouw en fluisterde: "'t Is maar tweehonderdtwintig
+gulden, ik heb ze hem gegeven," en hij knipoogde, bijna vroolijk. Zij
+stak hem 'n hand toe en begon te huilen. Toen knipoogde hij sterker en
+ging weer in zijn stoel zitten knikkebollen, maar hij schoof zich 'n
+beetje van 't licht af.
+
+
+
+
+XXIII.
+
+
+'n Paar dagen later zei Wouter aan tafel: "Vader, ik wou u van avond
+graag nog even spreken."
+
+"Goed, jongen, best...." bromde de oude man, weer met dat vergenoegde
+gezicht even.
+
+Wim en Anna waren er niet.
+
+En hij ging weer naar boven en ze praatten weer een uur, maar toen hij
+beneden kwam, keek hij erg bedrukt. Zijn vrouw kwam naar hem toe. "Wat
+is er?" vroeg ze gejaagd.
+
+"Hij wil weg!.... Naar de Transvaal!...."
+
+Toen sloot ze de oogen en zonk neer op 'n stoel .... en lang bleef ze
+dof snikkend zoo zitten.
+
+"Hij sprak over 't geld voor de reis," zei Rubrecht nog, .... nou dat
+kan hij krijgen natuurlijk...."
+
+
+
+
+XXIV.
+
+
+'t Was prachtig weer den dag toen Wouter wegging. Ze brachten hem
+allemaal naar de boot, zijn ouders, Anna en Wim. Gelukkig! bij het
+inpakken van zijn boeltje, waar zijn moeder natuurlijk aan te pas was
+gekomen, had hij weer vriendelijk met haar gepraat....
+
+Ze had 'm ook gevraagd wat hij van plan was daar te gaan doen in de
+Transvaal. Hij wist 't nog niet, had hij gezegd, hij zou wel zien, hij
+had 'n paar aanbevelingen gekregen door toedoen van zijn vrinden en nu
+zou hij wel 's zien. Hij zou in ieder geval wel _wat_ krijgen!....
+
+"Je schrijft ons toch vooral gauw, Wouter?"
+
+"Ja zeker .... zeker!...."
+
+Onderweg naar de boot werd niet veel gepraat. Alleen Wim beweerde wat,
+hij kraamde schoolwijsheid uit over Zuid-Afrika, hij gaf Wouter nuttige
+wenken met 't oog op het klimaat daar en de insecten.
+
+Ze gingen mee op de boot en zagen Wouter's hut en zijn moeder huilde
+stil, toen ze 't kleine hokje zag. "Had je nog maar 'n kussen
+meegenomen," zei ze.
+
+Eindelijk werd het tijd om afscheid te nemen. Overal op de boot werd al
+gezoend en gehuild.... Er werd een bel geluid....
+
+Wouter drukte zijn vader lang de hand.
+
+De oude man sprak met groote moeite 'n paar wenschen uit voor Wouter's
+reis en toekomst: "Ik!.... Ik zal je wel nooit meer zien, jongen! ....
+maar och! .... als 't jou maar goed gaat!...."
+
+Wouter kuste Anna, gaf Wim 'n hand en wenschte hun beiden gelukkige
+bruidsdagen en ook verder .... maar hij kon niet verder.
+
+Toen nam hij zijn moeder in z'n armen.
+
+Hij keek haar lang aan, en zij voelde, drinkend dien laatsten langen
+blik, dat hij nog altijd veel van haar hield, maar dat 't toch niet meer
+was zooals vroeger. "Je bent nu toch niet meer boos op me?" vroeg ze,
+droevig glimlachend. Toen wendde hij z'n blik af en trok even z'n
+wenkbrauwen samen.
+
+"Nee, .... moeder, nee .... nee...." zei hij toen. En dan bukte hij zich
+snel over haar en zoende haar tweemaal op 'r voorhoofd, dat ze nat
+voelde van zijn tranen.
+
+
+
+
+XXV.
+
+
+Hij is weg, .... hij is weg, .... dat suisde door moeder Rubrecht's
+hoofd de heele dagen door en de nachten als ze wakker lag.
+
+Hij is weg, mijn lieveling, fluisterde ze soms heel zacht voor zich heen
+in den stillen nacht.
+
+En ze bad weer: O goeie God! waak over hem! .... ik kan nu niets meer
+voor hem doen! .... o God, maak hem gelukkig!....
+
+Altijd dacht ze aan hem.... 't Liefst haalde ze zich zijn beeld voor den
+geest zooals hij geweest was tien jaar oud, aardig klein jongetje,
+leunend aan haar schoot.... Maar ook later, zooals hij was thuis
+gekomen, toen hij den eersten keer naar 't buitenland was geweest, den
+eersten keer, dat hij zoolang van haar weg geweest was, zes maanden!....
+Wat had hij haar toen gekust, en wat was hij uitgelaten geweest! Dol!
+Hij had met haar gedanst door de kamer, hij moest met haar uit, hij
+sprak over alles met zijn "moedertje-lief," zoo als hij toen altijd
+zei,--"ouwetje" zei hij ook wel 's--wat 'n heerlijke tijd was dat
+geweest....
+
+Maar altijd kwam haar denken ten slotte weer neer op dien vreeselijken
+dag toen ze naar Smit was gegaan om 't af te maken. Die zware dag, die
+zwarte dag! Maar ja, ja, ja, ze had haar plicht gedaan, zij moest 't
+doen! zij moest, zij moest. O! als ik daar zelf ooit aan ga twijfelen,
+dacht ze, dan .... dan is alles uit....
+
+Ik heb mijn plicht gedaan, zei ze dan maar aldoor in zichzelf. Hij zal
+'t ook wel in gaan zien. Van dat verre land uit zal hij de dingen zien
+zoo als ze zijn. Want als je er midden in staat zie je de dingen niet in
+hun ware verhoudingen, maar op een afstand zie je ze zoo als ze zijn....
+Hij zal 't wel gaan begrijpen.
+
+Maar ook al begreep hij 't nooit!.... Zij had haar plicht gedaan, zij
+mocht niet anders doen.
+
+
+
+
+XXVI.
+
+
+Wouter moest er nu al twee maanden zijn. En er was nog geen brief.
+Rubrecht's patroon informeerde bij een handelsvriend in Johannesburg en
+vrij gauw kwam er antwoord. Zeker, de jonge Rubrecht was daar bekend,
+hij was bediende aan een groote handelsinrichting, een goede betrekking.
+
+Blij met dat bericht, trotsch op zijn zoon die daar toch maar weer zoo
+gauw een goede positie had gekregen, schreef de oude Rubrecht hem
+dadelijk zes zijdjes vol. Het verwonderde hem, dat zijn vrouw niet zoo
+blij scheen; hij vroeg of zij niet een briefje bij den zijnen wou doen.
+Zij deed 't. Ze schreef een korten brief:
+
+"Vader heeft je 't weinige verteld wat hier gebeurt," schreef ze, "maar
+waarom heb jij ons niet geschreven? O, Wouter, als je wist hoe ik
+verlang naar een brief van je! Waarom? waarom schreef je nog niet? Hoe
+voel je je nu? Hoe leef je, wat doe je? O, schrijf, dat je gelukkig
+bent, ik verlang er zoo naar, 't zal me zoo goed doen! Mijn lieve
+jongen, ik wil je geen verwijt maken .... maar och! waarom schreef je
+nog niet?"
+
+Anna's uitzet gaf veel drukte en afleiding. Dag in dag uit zaten moeder
+en dochter te naaien .... te zoomen.... En toen kwam de drukte van het
+trouwen zelf.
+
+Maar een brief van Wouter kwam er niet....
+
+In een roes van veel doen voor Anna en Wim trachtte moeder Rubrecht dat
+vlijmend leed te vergeten, maar iederen morgen was 't toch 't eerste
+weer waar ze aan dacht: Nog geen brief van Wouter.
+
+Eindelijk trouwden ze. 't Ging alles heel eenvoudig en burgerlijk toe.
+De familie van Wim bestond uit kleine winkeliers, kommiezen en klerken.
+Er was een dansavond waar veel werd gezongen en gezoend.... Maar op den
+trouwdag werd er niet rondgereden, dat had moeder Rubrecht niet gewild;
+Wim had 't land tegenover zijn familie.
+
+Ze gingen wonen ergens in een nieuwe buurt, in een aartsvervelende
+rechte straat; bovenhuizen, benedenhuizen, alle gelijk, twee en twintig
+huizen onder één gevel. 't Was een heel eind van de oude gracht naar
+die nieuwe straat....
+
+Er was nog altijd geen brief.
+
+
+
+
+XXVII.
+
+
+Zoo bleven dan vader Rubrecht en zijn vrouw alleen in het bovenhuis op
+de smalle oude gracht. En altijd nog ging de oude boekhouder 's morgens
+om kwart voor negen naar kantoor en kwart over vijven kwam hij thuis.
+Hij klaagde soms over den last dien hij had van een jongmensch, dien
+zijn patroon er bij genomen had tot zijn hulp, een wijsneuzig ventje dat
+alles beter wou weten.... Waarvoor was die kwajongen noodig, hij kon 't
+nog best alleen af!
+
+'s Avonds sufte hij met zijn pijp of dutte in. Om den anderen dag zei
+hij 's: "Waarom of die Wouter toch nooit schrijft!...." maar daar bleef
+'t dan bij.
+
+De arme moeder leed.... Waarom, waarom deed hij haar dat aan? Kon hij
+dan niet vergeven? Begreep hij haar nog altijd niet? Hield hij niet meer
+van haar? Of was hij werkelijk ongelukkig, nog altijd, voor goed
+misschien?....
+
+
+
+
+XXVIII.
+
+
+Eéns, op weg naar Anna, kwam ze Margreet tegen! Ze had haar niet gezien
+sinds dien morgen daar in de voorkamer. Met plotseling drooggeschroeiden
+mond, de beenen zwaar van schrik was ze 't meisje voorbij geloopen. En
+ze had gezien, dat ze veel ouder was en bleeker en magerder....
+
+Hoe kwam dat?.... Ze was toch altijd gezond geweest, 'n sterk kind, 'n
+krachtig, bloeiend meisje!.... Zou ze 'r dan toch over tobben?.... Zou
+ze dan toch meer van hem gehouden hebben dan.... Neen!.... neen!....
+Maar hoe kwam 't dan, dat ze er zoo slecht uitzag?....
+
+En toen kwam 't ergste wat de gemartelde vrouw overkomen kon, toen kwam
+de twijfel of ze 'r wel goed aan gedaan had, toen.... En 't was zooals
+ze zelf wel gevoeld had, toen was alles uit....
+
+
+
+
+XXIX.
+
+
+'t Liep naar den winter, de dagen werden al korter en korter. En somber,
+somber werd 't op de oude smalle gracht; de regen droop van de
+bladerlooze boomen, zolderluiken klepperden in woeste windvlagen.
+
+En meestal sinds Anna trouwde zat de moeder in de voorkamer aan het
+middelste raam, aan dat tafeltje waar toen dat mandje bloemen op gestaan
+had, naar buiten te kijken, naar de grauwe wolkmonsters, de staag
+stuwende wolkgevaarten en naar het vuile groenbruine water in de gracht.
+Als Rubrecht thuis kwam, in de schemering, vond hij haar daar nog
+zitten, onzichtbaar bijna in de schaduw van het penant tusschen de
+ramen. Dan placht hij zacht op haar te knorren, te zeggen, dat 't niet
+goed was, jezelf zoo melancholiek te maken door zoo in 't donker te
+blijven zitten, dan deed hij soms nog wel 's zijn best haar wat op te
+vroolijken, vertellend 't een of ander wat hij gehoord had op kantoor.
+Maar hij zag dan wel, dat ze toch niet luisterde .... en dan hield hij
+maar op met een zucht.
+
+Nu en dan kwam Anna 's middags en 'n enkele maal ging de moeder ook nog
+wel 's naar haar en Wim. Anna was gauw gewend aan haar nieuwe leven, aan
+die nieuwe straat; ze had kennis gemaakt met de buren en onderhield
+conversatie met de vrouw van den jongen bakker op de hoek en met de
+dochters van een hoofdinspecteur van politie. Ze was altijd vol verhalen
+over al die menschen.
+
+'t Beviel haar allemaal uitstekend.
+
+En ál minder begreep ze haar moeder, ál meer vervreemdde ze van haar. En
+over Wouter dacht ze haast nooit....
+
+Wèl zei ze soms, dat ze zoo verlangde naar een kind, want dat 't zoo'n
+"vervulling" zou zijn. "Met de lange avonden ook, ziet u, je weet niet
+wat je aldoor doen moet...." Wim verlangde er ook zoo naar....
+
+Dan glimlachte de moeder en zei niets. En Anna zag niet de oneindige
+treurigheid van dien glimlach.
+
+
+
+
+XXX.
+
+
+En eens op een laten avond--Rubrecht zat te dutten over de krant--werd
+heel zacht de buitendeur dicht getrokken. 't Was 'n stille avond. De
+maan scheen.
+
+Moeder Rubrecht liep vlug over de stille gracht. Ze kwam een jongen man
+tegen, lang, krachtig gebouwd. Ze stak de straat over, recht op hem af.
+De onbekende bleef staan, verbaasd. "Ben jij 't Wouter," fluisterde ze,
+"goed .... goed .... ga maar gauw naar huis, vader zit zoo alleen ....
+ik ga naar de tuin...."
+
+"Je hebt de verkeerde voor, juffrouw," riep de ander, "zoek je je
+zoon?...."
+
+"Me zoon?" zei ze, peinzend, "me zoon? o ja! .... o ja! .... heb je 'm
+niet gezien?"
+
+"Nee, hoor! .... niet gezien!....." zei de jongeman en stapte door.
+"Zeker gek!" mompelde hij.
+
+Ze liep door tot aan een smal zijsteegje. Daar ging ze in. 't Liep dood,
+dat steegje, 't liep dood op een andere gracht. Heel aan 't eind stond
+een lantaarn, daar juist neergezet dat de menschen zien zouden, dat 't
+doodliep op 't water en er niet invallen.
+
+Ze ging op den steenen walkant zitten en keek in 't zwarte water.
+Verderop scheen de maan, maar voor haar lag 't in de schaduw van de
+huizen.
+
+Toen begon ze zacht te zingen een oud, oud kinderdeuntje:
+
+ "'n Karretje over den zandweg reed,
+ De maan scheen helder, de weg was breed,
+ De voerman lag te rusten...."
+
+Verder kwam ze niet. En zoo zacht liet ze zich afglijden, dat er geen
+plomp was in 't water.
+
+Nog wat kreunend geworstel alleen....
+
+En één lange, bange kreet!....
+
+Stilte toen....
+
+
+
+
+ * * * * *
+
+De Uitgevers-Maatschappy "Elsevier" geeft uit en debiteert met klimmend
+succes
+
+NATUUR en VERNUFT
+
+*Verrassende uitkomsten van 's menschen speurzin en vindingrijkheid*
+
+ONDER LEIDING VAN
+
+Dr. N. G. VAN HUFFEL
+
+*door deskundigen op verschillend gebied.*
+
+Met *700* à *750* illustraties, waaronder *26* prachtige prenten in
+kleuren.
+
+
+Twee honderd korte, boeiende, populaire artikelen over hoogst
+belangwekkende onderwerpen; en een *overvloed* van prachtige, pakkende
+illustraties.
+
+Verschijnt in 24 afleveringen, à *45 cent* per aflevering, die te zamen 2
+dikke deelen van 400 bladz. elk zullen vormen.
+
+Deel I is verschenen.
+
+ * * * * *
+
+*Een boek, dat de beschaafde leek NOODIG heeft!*
+
+DE MEESTERWERKEN DER BEELDHOUWKUNST EN DER BOUWKUNST
+
+uit den vroegsten tot in dezen tijd
+
+door
+
+MARCEL LAURENT,
+
+Hoogleeraar aan de Universiteit te Luik
+
+EN
+
+W. A. E. VAN DER PLUYM.
+
+Met 350 à 400 groote en kleinere afbeeldingen tusschen den tekst en 13
+buitentekstplaten in kleuren en in tint.
+
+
+Dit boek wordt uitgegeven in 4o formaat, en gedrukt op kunstdrukpapier;
+het verschijnt in 12 afleveringen, die te zamen _een dik deel_ van
+omstreeks 400 bladzijden zullen vormen.
+
+De prijs per aflevering is vastgesteld op slechts 45 cent; bij de
+verschijning van de 12de zal een mooie _stempelband_ verkrijgbaar
+worden gesteld (tegen een lagen prijs).
+
+UITGEVERS-MAATSCHAPPY
+"ELSEVIER".
+
+
+
+
+Transcriber's Notes
+
+
+- Throughout the book: lines consisting of full-stops have been replaced
+by extra vertical space in the HTML-version.
+
+- Throughout the book: paragraphs ending in a series of full-stops have
+retained these full-stops.
+
+- Although spaced en-dashes are and were common in Dutch typography, the
+print original used the "English" method of clothed em-dashes, and this
+choice has been retained.
+
+- Page 9: deleted rectangles at the top of the page in the TXT version.
+
+- Page 9: replaced rectangles by a hyphen at the bottom of the page
+in the TXT version.
+
+- Page 53: corrected "conversatoire" to "conservatoire"
+(_conservatory_).
+
+- Page 63: normalised the ellipsis in "zeker!..": "zeker!..."
+
+- Page 72: corrected "ergenis" to "ergernis" (_irritation_).
+
+- Page 76: normalised "symphatieke" to "sympathieke" (_sympathetic_).
+
+- Page 98: removed extraneous closing quotes from "wel verwonderen, dat
+ik".
+
+- Page 99: removed extraneous closing quotes from "niet, Wouter ....
+maar vijftig gulden".
+
+- Pages 114/115: removed extraneous closing quotes from "o God, o
+God!"
+
+- Page 120: normalised the chapter number by adding a full-stop: "XIII"
+became "XIII."
+
+- Page 124: normalised the chapter number by adding a full-stop: "XIV"
+became "XIV."
+
+- Page 126: added missing closing quotes to "niet anders kon, hè?".
+
+- Page 144: removed extraneous closing quotes from "toen werd alles
+stil....".
+
+- Page 149: added missing full-stop to "keek hem smeekend aan".
+
+- Page 154: inserted an em-dash between "genoeg" and "van" to preserve
+the cadence: "Houd--je--wel--genoeg--van--Wouter?"
+
+- Page 156: normalised "lichtzininig" to "lichtzinnig".
+
+- Page 167: removed extraneous comma from "waarachtig, alleen voor
+jou....".
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De vreemde plant, by Herman Robbers
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VREEMDE PLANT ***
+
+***** This file should be named 26554-8.txt or 26554-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/6/5/5/26554/
+
+Produced by Branko Collin and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.