diff options
Diffstat (limited to '26554-8.txt')
| -rw-r--r-- | 26554-8.txt | 3603 |
1 files changed, 3603 insertions, 0 deletions
diff --git a/26554-8.txt b/26554-8.txt new file mode 100644 index 0000000..3a52cbf --- /dev/null +++ b/26554-8.txt @@ -0,0 +1,3603 @@ +The Project Gutenberg EBook of De vreemde plant, by Herman Robbers + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De vreemde plant + +Author: Herman Robbers + +Release Date: September 7, 2008 [EBook #26554] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VREEMDE PLANT *** + + + + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + +Dedication: Herman Robbers lived from 1868 to 1937. This book is +published at Project Gutenberg in celebration of Public Domain Day 2008. + + + + +DE VREEMDE PLANT + +DOOR HERMAN ROBBERS + + +TWEEDE DRUK + +UITGEGEVEN DOOR JACs. G. ROBBERS + +TE AMSTERDAM - MCMXVI. + + + + + * * * * * + +Van denzelfden schrijver: + +DE ROMAN VAN BERNARD BANDT; vijfde druk, f 0.50 ingenaaid, f 0.75 +gebonden. + +DE BRUIDSTIJD VAN ANNIE DE BOOGH; zesde druk, f 0.50 ingenaaid, +f 0.75 gebonden. + +VAN STILTE EN STEMMING; een bundel studies (Kamerstemming, Verjaardag, +IJs in de gracht, Heimwee, Einde, Vacantie, In de stilte.) f 3.25 +ingenaaid, f 3.90 gebonden. + +DE ROMAN VAN EEN GEZIN: I. DE GELUKKIGE FAMILIE (derde druk), II. EÉN +VOOR EÉN (tweede druk); per deel f 1.90 ingenaaid, f 2.50 gebonden +in linnen, f 2.90 gebonden in leer. + +HELENE SERVAES; f 3.25 ingenaaid, f 3.90 gebonden. + + * * * * * + + + + +I. + + +Een vreemde tuin lag stil in den maneschijn. Maar de maan was er niet. +De schijn hing over de bloemen, die geurden. Groote bloemen op lange +stengels recht op. Trotsch pronkend gloeiden de wijde kelken in het +licht. En die eene--die groote witte--dat was zij....! + +Zóó was de droom, die sterk als een herinnering lag in haar denken. + +Zóó was de droom van haar jeugd, de zalige droom, de troost, de geheime +heerlijkheid van haar jong leven. + +De droom....? Was 't dan een droom geweest....? O! zij rook de geur nog, +zij voelde de koele nachtlucht, zij hoorde de stilte! + +O! die tuin! Waarom was ze er niet meer? Wat ruwe ruk had haar afgeknakt +van den sappig-glanzenden stengel?............................. +..................................................................... + +Van zoolang haar heugde had ze altijd moeten denken aan dien vreemden +tuin en aan die eene witte bloem, die zij was. En eens--'t was in haar +twaalfde jaar--, op 'n zomeravond, in de schemering, had ze 't +plotseling gevoeld, duidelijk gevoeld, zoodat ze rilde van verrukking: +in haar, diep geworteld in haar hart stond rechtop de slanke stengel en +de bloem bloeide en geurde en zacht togen de geuren door haar gansche +lijf.... En toen had ze ook voor 't eerst gevoeld die groote smart, die +over haar was gekomen als een bedwelming, mysterieus, zonder oorzaak, 'n +onbestemd, onuitsprekelijk zoet lijden!.............................. +..................................................................... + +Haar moeder was gestorven toen haar broertje geboren werd. Ze was vijf +jaar toen. Haar vader had haar opgetild en ze had haar moeder zien +liggen, wit en stil. Toen had ze zich den tuin herinnerd; was dat de +eerste keer geweest? Ze had gedacht: Zou moeder nu naar den tuin gaan? +Waarom had ze dat gedacht? Ze had er haar vader niet over durven +spreken. Ze sprak nooit met iemand over den tuin, noch--later--over de +vreemde plant. 't Was of 't dan alles weg zou gaan!--En 't was haar +alles--haar alles!.............................. +..................................................................... + +Want in droomen alléén had ze haar jonge jaren doorgeleefd, hatend de +werkelijkheid, het dagelijksche leven, de school, die één lange straf +was, vreezend haar vader en alle andere groote menschen, bang in het +groote leege huis, bang vooral 's nachts, als ze wakker lag in haar +bed, midden in de alomme drukkende duisternis, als ze niet durfde +kuchen, niet verroeren. + +Eén plekje was er maar geweest in het groote huis, een hoekje van een +vensterbank, waar ze graag was. Daar zat ze dikwijls te droomen, kijkend +naar de drijvende wolken. De wolken waren haar groote vrinden. Ze zag ze +komen met herkenning en keek ze vertrouwelijk na. Ook onder de boomen en +heesters en bloemen had ze vrinden en vertrouwden. Maar andere waren +weer vijandig. En zoo ook de meeste dingen thuis. Er was een kast, waar +ze niet voorbij dorst gaan, er was een leuningstoel, waarin ze niet +zitten wou. Want doode dingen waren er niet, alles was bezield, de +dingen keken haar aan, de dingen dreigden en grijnsden. Ze hield alleen +van 'n paar oude etsjes die in de logeerkamer hingen in simpele zwarte +lijstjes en die ze heel mooi vond, en van een ouderwetschen blaasbalg, +die in de zaal naast den haard hing en van een wollen pop, die ze heel +jong van haar moeder gekregen had, en van een koperen plaatje, +schijnbaar zonder doel ergens aan den muur geslagen in de wijde gang. +Zonder doel--maar voor haar een beschermer tegen de akelige gezichten in +de marmeren steenen, de spotoogen en grijparmen. + +Ze hield veel van haar broertje, maar hij was altijd bij de kindermeid, +die zij haatte. + +Van haar vader hield ze soms wel, als hij stil en vriendelijk was en +zacht met haar sprak. Maar anders was ze alleen maar bang voor hem. Hij +was 'n driftig-drukke man, hij liep hard en sprak luid en ruw. Zij was +bang voor al wat ruw was, scherp en hard. Zij schrok er altijd weer van. +Zachte geuren en tinten trokken haar aan. + +Ze kon 't zichzelve zelden verklaren, waarom ze van den eenen dag wel +hield en niet van den anderen. Maar 't was toch zoo. Alle dagen gingen +om zonder verschil; toch hield ze van den Woensdag en niet van den +Dinsdag. Ze begreep 't niet. Ze merkte alleen op dat alle dingen en +begrippen een kleur hadden in haar denken en als ze de kleur niet +verdragen kon hield ze ook niet van het ding of van de idee, die zoo +gekleurd was voor haar ziele-oog. Dinsdag was geelachtig-bruin en daar +hield ze niet van. + +Toen ze ouder werd en leerde begrijpen wat plichten zijn en dat het haar +plicht was haar vader dankbaar te zijn en van hem te houden, veel en +altijd, weende ze dikwijls omdat ze 't niet kon en vond zich slecht en +trachtte zich te dwingen met teederheid aan hem te denken. Maar zij kon +het niet. Zij geloofde wel dat zij iets voor hem zou kunnen doen, iets +moeilijks, een groote opoffering, maar zoo aan hem denken, dat kon ze +niet. + +Hoe ouder ze werd, hoe meer ze zich voelde aangetrokken door distinctie, +verfijning, door exquise, bizondere dingen. En wat anderen +onbegrijpelijk vonden was haar lief als 'n oude bekende; kleuren die +niemand zag, geluiden die niemand hoorde, waren haar dagelijksche +zielevoedsel. Zij kon heele concerten aanhooren zonder bewogen te worden +en één golf van klanken roerde haar tot tranen toe; zij kon met groote +kalmte lange gedichten opzeggen, die ze uit 't hoofd had moeten leeren, +met vriendelijke stem en juiste intonatie, precies zooals 't haar +voorgedaan was,--en soms was twee regels uit te spreken haar onmogelijk. + +Ze had heel graag leeren schilderen: lucht en bloemen, maar haar vader +vond dat niets voor 'n meisje. Hij was een koppig man, vergroeid met +allerlei verroeste vooroordeelen. Zij moest leeren kooken en een +huishouden bestieren. Daarom was ze later wel eens jaloersch op haar +broer, die 't wel mocht leeren. Hij was 'n jongen met "lieve talenten." +Hij schilderde en dichtte en maakte muziek. Zij was trotsch op hem. +Maar begrijpen deed ze hem nooit. Want hij schilderde heel anders dan +zij 't gedaan zou hebben, zeker voelde hij heel anders dan zij. Toch +hield ze veel van hem. Dat kwam door zijn fijne, blanke vel en zijn +lenige leden en doordat hij óók lang kon liggen soezen en droomen. Zij +begreep hem heelemaal niet. Hij was een slim ventje, lui, en altijd +alleen bedacht op zijn eigen genot. + +Haar ouder worden was 'n zich meer en meer bewust worden van haar +droomleven, 'n steeds inniger voelen van haar neiging tot mijmeren, 'n +langzame overgave, maar een volkomen overgave aan den wellust der +melancolie. Zij bleef klein, tenger, nietig. Bij haar geen groeien van +het lichaam tot volwassen kracht, geen zwellend rijpen van +vrouwenvormen, geen wilde uiting van jeugd, geen driftig grijpen naar +genot, geen siddering van lentelust, geen vermoeden van levensrijkdom. +Zij bleef klein en tenger, en haar leven werd een reeks van +zacht-weemoedige en zoet-smartelijke stemmingen. + +Zij leerde wat ze leeren moest op school en ze leerde kooken en al wat +bij de huishouding hoort, ze ging met haar vader naar dinétjes en +avondjes, ze ontving zelf menschen en deed het met gratie, ja met +opgewektheid, vriendelijk pratend met iedereen. Ze deed veel kennissen +op en maakte zoogenaamde vrindinnen. Maar dat alles ging buiten haar om, +buiten haar eigenlijke leven. 't Luchtig gepraat raakte niet haar +stemming, geen menschenstem drong door in de stille dalen van haar +mijmering. En zoo leefde ze voort van dag op dag, van maand op maand, +van jaar op jaar.... +..................................................................... + +Voor dat haar vader bankroet ging, gebeurde er nooit iets met haar, had +ze geen geschiedenis. Eens alleen stoorde een groote verwondering haar +droomleven. Een rijk jongman, iemand die haar nauwelijks kende--die ook +haar rijk dacht en die een huishoudster lastig vond en duur--had haar +tot vrouw verlangd. Hij had haar gevraagd aan haar vader, die 't haar +vertelde met ingenomenheid. Verbaasd, verschrikt had ze geweigerd, +kortaf, voor goed. Er was niet meer over gesproken. Hij had wel andere +dingen aan zijn hoofd, haar vader! +..................................................................... + +Maar eindelijk kwam de groote verandering, de verwoesting, de ruïne! + +Ze was vijf en twintig jaar toen de reuzenramp haar trof, haar greep in +haar eenzelvig voortgeleef, haar schudde, schokte, dat ze gansch +verbijsterd staarde voor zich uit met wijde oogen. Haar vader smakte die +ramp neer op zijn ziekbed. Maar haar broer was 't een ontwaken, hij was +de eerste, die zich redde, zichzelf alleen. Hij dacht altijd aan zijn +eigen lot alleen. + +Zooals 'n eenzaam herder, wiens hut verwoest is door den storm de +planken weer bijeen zoekt, weer samenvoegt tot muren, tot een dak--maar +zoo goed als vroeger wordt het niet--zoo herstelde zij zich na dien +vernielenden schok. Voort! voort! moest ze nu. Ze had geen tijd meer om +te soezen en te droomen. Ze moest haar vader--den verlamden, den +versuften--verzorgen en ze deed het, meer als een zuster, dan als een +dochter, als een liefdezuster, trouw doende wat haar plicht is zonder te +denken aan eigen lijden. + +Ze waren arm................... +..................................................................... + +Toen was Rubrecht, de boekhouder, een schuchter man, schoorvoetend naar +haar toe gekomen en had haar aangeboden al wat hij had, zijn goed, +beproefd-trouw hart, zijn pover salaris en zijn dak. Hij had haar +verteld dat hij een nieuwe, een betere betrekking gevonden had, dat ze +'t goed bij hem hebben zou, dat haar vader--zoolang hij nog zou +leven--bij hem zou kunnen inwonen.--'t Was toch zijn goede oude +patroon!--Hij had haar ook stotterend van verlegenheid gesproken over +zijn "liefde." Nooit zou hij 't haar hebben durven zeggen als ze +gebleven was in haar vroegere "omstandigheden," hij wist wel dat hij +eigenlijk geen partij was voor 'n juffrouw Van Plaswijk, maar nu--nu ze +toch immers arm was.... Hij had tranen in de oogen. 't Had haar +getroffen. Ze had er iets van gevoeld wat die simpele man waagde in zijn +onverstand, in blind vertrouwen op haar. Ze wou wel waard worden zooveel +vertrouwen. + +Maar 't denkbeeld het allerintiemste te moeten deelen met dien +burgerman, die twintig jaar ouder was, 'n kantoorlucht had en groote +dikke handen, die een lange gekleede-jas droeg, kaal op de mouwen, en +scheef onder zijn smal liggend boordje een oude onoogelijke das,--met +dien grofgemanierden, platsprekenden burgerman! + +Ze had bedenktijd gevraagd. + +Bedenktijd!--Denken, helder denken in armoede en zwaardrukkende zorg! 't +Was niet mogelijk. En haar vader, die haar smeekte, bezwoer haar geluk +toch niet weg te gooien, het rustig zekere te verkiezen boven +'n--misschien levenslang!--worstelen niet de ellende,--haar vader, die +wel niet lang meer leven zou! Gold het niet de rust van zijn laatste +dagen, van zijn sterfbed?.... + +En was 't dan toch niet waar, dat zij in staat was tot een groote +opoffering? En was de opoffering dan zóó groot? Welke andere verwachting +had ze dan van 't leven? Had ze dan illusies .... illusies .... +illusies.... Hoe dikwijls had ze dat woord gehoord en gelezen met een +angstige verwondering en een vaag gevoel van gemis.... Had ze nu +toch....? Maar haar was immers tot eenig genot gegeven die vreemde plant +in haar hart, die bloeide, bloeide en met zijn geuren vulde haar +gansche wezen en voor haar blikken had gesponnen dien zilverzwarten +sluier waardoor ze de zon zag als een bloedrooden bol hangend in de +ruimte zonder straling, zonder doel.--En dat genot, die troost, zou haar +immers toch nooit verlaten.... + +Rubrecht kwam terug--niet vergeefs. En haar vader stierf zonder angst, +in haar huis, haar zegenend.... + +Neen, niet in haar huis!--O hoe scherp had ze 't toen al gevoeld--in het +zijne, in het huis van Rubrecht, den boekhouder, 't burgerbovenhuis met +zijn bont gebloemde behangsels, zijn roodgestreepte karpetten, +bloempotten voor de ramen en buiten 'n spionnetje. + +Ze liet het huis precies zooals ze 't vond, zich met martelaarswellust +de ziel schrijnend aan 't gezicht van al die leelijke dingen. + +Eerst was het nieuwe leven haar meegevallen; haar man ging teer, +bescheiden-voorzichtig met haar om, meer als 'n vader dan als 'n +minnaar, altijd trachtend haar wat op te wekken, haar vroolijk te +stemmen, vol hoop dat 't hem gelukken zou, trotsch als ze maar +glimlachte. Maar langzaam was in haar gerezen 't bewustzijn van de +beteekenis van haar daad, had ze begrepen dat haar noodlot was dien man, +die haar zoo liefhad om haar zelf alleen, ongelukkig te maken voor +altijd. Die arme eenvoudige man, wiens wenschen toch niet te hoog +gingen, die zich zooveel had voorgesteld van 't leven, als hij maar eens +een goede betrekking had en een lieve vrouw, die hem koesteren zou en +verzorgen, als hij oud werd, hem aanhooren als hij sprak van zijn kleine +belangen, hem aan zijn kleine liefhebberijen zou helpen met geduldige +hand, die man moest door haar, teleurgesteld, onbevredigd zijn leven +leven tot het einde. Dat _moest_, dat _moest_! Want ze _kon_ niets voor +hem worden, ze was van een heel ander menschensoort, zij kon geen +belangstelling in zich kweeken voor zijn grootboek en zijn kasboek, noch +voor zijn postzegelverzameling, noch voor zijn doorgerookte pijpen. En +wat zon hij er van begrepen hebben als ze hem gesproken had over de +kleuren van de dagen, over de vriendschap van de wolken, over den tuin, +den vreemden tuin van haar herinnering. + +'t Duurde lang, maar eindelijk ging hij 't ook voelen, hij werd stil en +in zichzelf gekeerd--soms brommerig, mopperig. Maar hij verweet haar +nooit iets. + +De twist was onbekend in hun huis. + +Maar zij tobde over zijn leed--en zij vond alleen vergetelheid in de +bedwelming van melancholische mijmering. + +Tot er weer een verandering kwam... +..................................................................... + +Ze was twee jaar getrouwd toen ze zich zwanger voelde. Ze schrok, ze +wilde 't niet voelen, 't niet gelooven. Moest nu ook nog 'n ander +mensch door haar leven dit treurige leven? + +Het kind werd geboren, 't was 'n jongen. Zij had veel pijn geleden en +daar had ze hem dadelijk lief om, haar zoon. Met innige, medelijdende +liefde koesterde zij het kind. Als zij 't in haar armen droeg had ze 'n +gevoel als moest zij, zij alleen, dat kind beschermen tegen 'n heele +vijandige wereld. + +En nu kreeg haar leven ook weer 'n richting, nu had ze weer geen tijd om +te soezen, te droomen. + +'t Jongetje groeide. Hij was zwak en fijn. Hij leek op haar, ze zag haar +eigen ziel in zijn oogen. O, maar zijn jeugd mocht niet zijn als de +hare, koud en grijs, ze zou hem troosten, zij zou zijn vrindin zijn, +zijn beschermster, zijn alles! Zij zou over hem waken! Wat ze voor +zichzelf altijd versmaad had deed ze voor hem, ze bad. Ze bad den +grooten goeden God, den geheimen vader van alle smart en alle vreugde +voor hem te doen, wat ze voor zichzelf nooit had gevraagd, hem gelukkig +te maken! Als geluk mogelijk was, dan moest, dan moest hij, haar Wouter, +gelukkig worden. + +Toen begreep ze wat een illusie is; zij had een illusie, zij ook! + +O! hem gelukkig te zien, gelukkig door haar! En voor hem alles te zijn, +te blijven, zoodat hij meer van haar zou houden dan van ieder +ander--altijd! En als hij soms--over twintig, vijfentwintig jaar, als +hij weg zou willen uit haar huis en zich misschien--, o! dan wilde ze +sterven, ja, dan sterven!--Maar, weg, weg die gedachte! zij, zijn moeder +zou alles voor hem blijven, zijn vertrouwde, zijn eenige +vrindin................ +..................................................................... + +Maar als dat toch moest komen, als dat moest, dat, hij zich 'n vrouw zou +nemen!.... + +Dan moest dat zijn een van Gods engelen, dien zij den Vader bidden zou +neder te zenden voor hem, haar zoon. Zulk een wezen alleen zou hem +mogen aanraken, omarmen, bezitten. Voor 'n engel alleen zou zij afstand +van hem doen--misschien!............ + +Vijf jaar later, onverwacht, 'n tweede kind, een meisje. Dat gaf +verwarring in haar denken, maakte haar zenuwziek, veel weken, maanden. +Ze hield lang niet zooveel van dat tweede kind als van Wouter. 't Was +ook heel anders, 't was grof, 't had haar en Wouters oogen niet. Maar 't +was haar kind. Zoo bleef ze haar zorgen verdeelen met volkomen +toewijding, met streng plichtgevoel, over haar man, haar zoon en haar +dochter. + +Maar Wouter was haar lieveling.... En de jonge aanbad haar als 'n +heilige. Zelden waren twee menschen meer aan elkaar gehecht. + + + + +II. + + +De Rubrechts dan bewoonden een bovenhuis op een smalle gracht, een +gracht van den derden rang, stil, oud, heel oud. 't Was een huis met +een donkeren geölieden gevel, een trapgevel en zoo waren al de huizen +aan weerszijden. Moe stonden ze tegen elkaar aan en voorover te hangen. +Twee sombere rijen. + +Zwaar helden over het water, dat stil stond tusschen de steile wallen, +de dikke boomkolossen, de een scheever dan de ander, al de stammen +grillig gespleten en gebocheld, vreemde gedaanten. Hier en daar ontbrak +er een, eindelijk bezweken onder den last van zijn kruin en neergeploft +in 't vieze water, en op zoo'n leege plek was dan een lummelig jong +boompje gezet met een banaal keurig hekje er om van geverfd ijzer, een +boompje als uit een speelgoeddoos, onuitstaanbaar wijsneuzig. + +De Rubrechts woonden boven 'n kantoor en links en rechts waren kantoren +met bovenhuizen. Maar de oude Rubrecht had niets te maken met het +kantoor beneden, want hij was eerste boekhouder bij Jan Blok, een +groote firma ergens op 'n veel voornamer gracht. Hij woonde daar alleen +maar omdat 't er zoo goedkoop en toch zoo door en door fatsoenlijk was. +En goedkoop en toch fatsoenlijk, dat was alles wat hij wenschte. + +'t Was op een Zondagmorgen. Die kant van de oude gracht waar de +Rubrechts woonden lag in de hitte, die fel brandde op de keisteenen voor +het huis, maar 't stilstaande water in de schaduw van den overkant en +van de boomen, vuilzwart en donkergroen, bedorven. + +'t Kantoor beneden was gesloten met hardgele luiken, die brutaal blonken +in de zon. Maar boven zag alles er rustig en fatsoenlijk uit. De +gordijnen in de beneden voorkamer, de "mooie" kamer, de dikke +roomkleurige ophaalgordijnen, ouderwetsche, met plooien en de witte +opengewerkte overgordijnen, voor alle drie de ramen even hoog en even +breed, lieten precies gelijke zeskante stukjes raam vrij voor het licht. +De buitenjalouzieën aan de tweede verdieping en het gordijn van het +zolderraam hingen strak neer in hun volle lengte, 't Oude hijschblok +reikte somber in de ruimte, zijn schaduw werpend op het huis. + +Dit was een Zondagmorgen als iedere andere, als de vorige en als +verleden jaar en als voor tien jaar. Niemand had die gracht ooit anders +gezien op Zondag. + +Toch was er juist aan het Rubrechtshuis iets zeer buitengewoons te zien +dien morgen en tuurden de overburen over hun vensterbanken en tusschen +de takken van de boomen door verbaasd naar de ramen van de +benedenvoorkamer. 't Was al ongewoon dat de gordijnen niet heelemaal +gesloten waren in de zon, maar het allervreemdst was, dat op het ronde +tafeltje voor het middelste raam, waar anders altijd de zilveren +inktkoker glansde onder de glazen stolp (altijd tenminste nadat Rubrecht +zijn jubileum had gevierd bij Jan Blok)--nu stond een mandje bloemen. +Een elegant rond mandje met een deksel, die half openstond en waar de +witte en roode rozen onderuitdrongen in gloeienden overvloed. Rozen ook +om het hengsel en een wit lint, eindend in een lossen strik. Een +buitengemeen mooi mandje, zeker het sierlijkste voorwerp wat nog ooit +bij Rubrecht te zien geweest was en toch nog maar een voorbode, een +inleiding.... + +Want Wouters meisje, Wouters mooi meisje zou haar intree komen vieren in +Wouters ouderlijk huis!.... + +Aan weerszijden van het kleine tafeltje stond een leuningstoel en op de +linksche zat de oude Rubrecht en keek naar 't mandje. Dat was zijn +eenige bezigheid maar niet het doel van zijn zitten daar, want al +dadelijk toen 't gekomen was had hij 't aan alle kanten bekeken en +beroken, 'n half uur lang. Het doel was negatief: hij wilde zich niet +"vuil maken." En al scheen daartoe weinig gelegenheid in de zorgvuldig +afgestofte kamer, 't veiligst was toch maar onbewegelijk te blijven +zitten. Zijn gekleede jas zonder kreukje, zonder stofje, zijn witte das +recht als die van 'n dominee op zijn portret, zijn breede laarzen +glimmend, zat hij daar en keek en wachtte. Zijn dikke doezelkop 'n +beetje naar voren en meest naar voren de onderlip. Een glad geschoren +egaal-rood gezicht, alleen zijn kale kruin wat blanker en heel wit de +dunne haren langs de slapen en de zware wenkbrauwen. Goedige kleine +oogen starend langs de dikke neus en onder de oogen groote blazen. De +vleezige wangen zakkend in de onderkin. + +Alleen de oogen bewogen nu en dan, opkijkend van het mandje naar de +bloemen van 't gekalkte plafond, naar de "schilderijen" aan den wand, +premieplaten van zoogenaamde prachtwerken, leelijke ouderwetsche +staalgravuren, of naar de helder gewreven bonheur, 't cadeau van zijn +ouders bij zijn huwelijk, nog altijd ontzien, gevreesd bijna als een +voorwerp van buitensporige pracht en weelde. De overige meubelen waren +eenvoudig. Een ronde tafel op één gedraaide poot, acht stoelen en een +kanapee met zwarte trijpen zittingen. + +Op den schoorsteenmantel een ander voorwerp van luxe, ook een cadeau, +een vergulde pendule, met een vergulde Ceres en vergulde korenschoven er +op, onder een stolp en aan de eene zij een porseleinen herder, met 'n +poeslief gezichtje, zijn jasje kleurig gebloemd en een luciferstandaard +van geel koper, en aan de andere zij een porseleinen herderin en een +geelkoperen aschbak. Deze vijf stukken op gelijke afstanden en de herder +en herderin wat naar elkaar toegedraaid uit hartelijkheid. 'n Goed kind, +die Anna! + +Schielijk ging de deur open en kwam mevrouw Rubrecht de kamer in. Klein +nietig vrouwtje in 't zwart, stemmig dofzwart, 'n ernstig, wasbleek +gezichtje, ovaal, regelmatig als 'n Mariakop, in een kap van gladweg +gekamd donkerblond haar, waarop ze 'n donker dofgrijs tulen mutsje +droeg, wat haar ouder deed schijnen dan ze was. Om den schralen hals lag +povertjes 'n smal wit kraagje en wat zwarte kant viel uit de mouwen over +de magere polsen. + +Ze kwam haastig binnen, liet de deur achter zich open. "Daar is Wim," +zei ze. En ook kwam kort daarna, veel bedaarder, een jongmensch naar +binnen en stapte op Rubrecht toe. De oude man draaide zich half om. +"Zoo! dag Wim," zei hij. "Goeiemorgen, meneer," groette Wim hem de hand +reikend, "hoe maakt u 't?... Hé!--wat 'n mooie bloemen!"--Rubrecht +grinnikte vergenoegd. "Ja, ja!--Woutertje weet 't wel, vindt je niet?" + +Mevrouw schoof gejaagd met 'n stofdoek langs de leuning van een stoel. +"Ik zal Anna 's even roepen," zei ze. "Ze is nog aan 'r toilet bezig.... +ze heeft je misschien niet gehoord".... En ze liep de kamer weer uit +zonder naar Wim te luisteren, die nog riep: "Doet u geen moeite! Ze zal +wel komen!".... + +"Ga zitten, Wim," zei de oude Rubrecht. + +Toen nam de heer Willem Teunisse--genaamd Wim--voorzichtig tusschen +iedere duim en voorste vinger een pand van zijn gekleede jas en liet +zich langzaam en vol waardigheid neer op den anderen leuningstoel. + +Rubrecht's aanstaande schoonzoon was boekhouder; hij was een degelijk, +solied jongeling, knap in zijn vak, bescheiden tegenover oudere +boekhouders, nederig en eerbiedig als hij van zijn patroon sprak; hij +zou een schoonzoon worden zooals Rubrecht er zich zeker een gedroomd zou +hebben, als hij ooit gedroomd had. 't Was iemand, die zijn plaats in de +wereld begreep en die niet, als zoovelen tot hun ongeluk, streefde naar +onafhankelijkheid, roem, eer of schatten. Zijn eer lag in de brandkast +van zijn patroon, zijn roem was honderd gulden verhooging van salaris en +zijn eenige schat was op 't oogenblik aan haar toilet bezig. Zoo hoorde +'t! Daarbij kwam dat de heer Wim iemand was van onbesproken +levenswandel, zevenentwintig jaar oud, schutter, 'n weinig mottig maar +toch niet opvallend leelijk, en eigenaar van 'n miniem erfenisje en 'n +gering spaarduitje, samen vormend een ruggesteuntje, dat 'n zekeren roep +van welgesteldheid van hem deed uitgaan onder zijn kennissen. Deze heer +had dus alle recht zich langzaam en met waardigheid te bewegen. + +"Lekker weer, hè Wim," zei Rubrecht. + +"Bizonder lekker weer, meneer," zei Wim, "bepaald zeer mooi weer, ziet +u, haast te mooi voor den tijd van 't jaar! Wat blijft 't lang droog, +vindt u ook niet?" + +"Wees maar niet bang; voor we 't kwartaal afsluiten zal de regen z'n +debet wel aanzuiveren," zei de oude boekhouder, en beide lachten met +deftigen kraaklach om die aardigheid. + +Mevrouw Rubrecht kwam weer binnen en kwam ook bij het tafeltje staan. +"Ze komt dadelijk," zei ze, zenuwachtig glimlachend met 'n verstrooiden +blik in 't rond. En toen tot Wim: "Vindt je die bloemen niet +prachtig?--die Wouter!--goeie, royale vent, hè?--Ja, maar hij heeft nu +ook 'n mooie positie!--en 't moet zoo'n lief meisje zijn, Wim--o, zoo'n +lief meisje!--ja, zet nu maar niet zoo'n ongeloovig gezicht,--dacht jij +misschien, dat ze wat .... wat oppervlakkig was, 'n beetje luchthartig +misschien?---O, nee, Wim!--nee! dan zou Wouter nooit zooveel van 'r +zijn gaan houden--heusch niet!--dat is niets voor Wouter!--Wouter is +ernstig, bedaard! Hij is er de jongen niet na' om zich door 't eerste 't +beste mooie gezichtje te laten inpakken!--nee! dan ken je Wouter +niet!--" + +"Maar mevrouw, ik...." + +"Nou ja, ik weet wel, Wim, je meent 't goed .... maar, zie je, +Wouter!...." + +En de moeder begon met een wijden blik, die ver over de hoofden van de +twee boekhouders heen aan een heerlijk lichtbeeld scheen te hangen, de +moeder begon te praten over haar zoon, haar eenige, haar alles! Hij had +nu een goede positie, maar hij verdiende dat ook ten volle, je moest +zijn patroon, zijn aanstaanden compagnon, haar knappen broer Frits maar +over hem hooren. Neen, dat stond vast, Wouter had zich een vrouw +gekozen, die hem waard was! Niet dat hij dat zelf zeggen zou!--pedant +was hij heelemaal niet!--Maar 't was zoo!--Wouter met zijn juisten +blik, met zijn menschenkennis! + +"Nee, heusch, Wim," zoo ging ze al maar door, ofschoon haar aanstaande +schoonzoon al lang overtuigd scheen, "'t _is_ een engel van 'n +meisje!--Weet je, dat ze zoo jong haar moeder verloren heeft!--net als +ik,--treurig, hè?--Haar vader heeft er heel veel van geweten!--goeie +man, haar vader!--goeie man!--hij werd gevoelig toen hij er over +sprak.--Mevrouwtje, zei hij, je haalt 't zonnetje uit m'n huis!.... Toen +me lieve vrouw dood was, is zij hier in huis het middelpunt geworden +.... zonder haar zal 't hier uitgestorven lijken.... 't Is misschien +niet goed zooveel van 'n kind te houden, zei hij, maar zooals zij ook +altijd met me omging, zoo innig lief, zoo aanhankelijk...." + +Mevrouw Rubrecht beet zich op de onderlip en snoof een traan op. + +Wim keek haar verwonderd aan. + +"En weet je, wat haar vader ook zei," ging ze weer door, "dat is iets +voor jou Wim!--Hij zei, dat ze zoo'n knap huishoudstertje is.... In 't +laatste jaar heeft zij de kas gehouden, de huishoudkas, .... keurig, +keurig! .... 't klopt altijd prompt!" + +Wim glimlachte. "Aan diversen zooveel," zei hij. + +"Waarom zeg je dat nu weer, Wim? Kan dat nu weer niet, dat 'n meisje +zulke dingen goed doet?...." + +"Zeker, zeker!" zei Wim, knikkend met zijn gewichtig hoofd, zoodat zijn +glimmende gekamde haren, op en weer wipten in zijn nek, "maar uit een +volle beurs is 't makkelijk kas houden!...." + +"Wat bedoel je daarmee, Wim?--je dacht toch niet dat Wouter haar om 't +geld....? O, Wim, wat ken je Wouter weinig, foei!" + +En vader Rubrecht, die tot nu toe al maar goedig glimlachend voor zich +uit had zitten kijken zonder 'n woord te zeggen, schraapte zich nu de +keel en zei: "Nee, Wim, nee!--dat is niks voor Wouter!...." + +"Wie zegt dat dan ook!" zei Wim, "ik denk er niet aan...." + +Maar Anna was binnen gekomen. Wim stond bedaard op, liep haar drie +stappen tegemoet en gaf haar een kus op iedere wang. Ze kwam ook naar de +bloemen kijken en berook de mand aan alle kanten en zei dat 't jammer +was dat rozen zoo weinig geur gaven, 't Was of 't haar troostte! Wat ook +wel zoo geweest zal zijn, want zelf was ze maar 'n simpel muurbloempje +en heel blij dat ze toch geplukt zou worden, al was 't dan maar door 'n +boekhouder, die 'n weinig mottig was. + +Ze leek op haar vader, ze was een leelijk meisje, met fletse oogen en +iets paffigs in haar gezicht. + +De moeder liep de kamer weer uit. + +"Je ma schijnt in 'r schik, vandaag," zei Wim tot zijn meisje,--"maar +wat is ze zenuwachtig!" + +"Gelukkig, dat ze zoo is," zei Anna--wat korzel door dat ze zoo laat +was--"en niet in 'n melancholieke bui zooals eergisteren nog--en zooals +zoo dikwijls." + +"Zoo, zoo!--Meer dan vroeger?" + +De oude Rubrecht keek op, niet meer glimlachend, 'n beetje wrevelig. +"Wel nee!"--bromde hij--"niet meer dan vroeger--je moet daar niet zoo +over praten, Anna,--je weet, 't zit in ma's gestel!--nee! niet meer dan +vroeger--niet meer dan vroeger!" + +"Waar ze nu heen geloopen is?" zei Wim, op zijn horloge kijkend, "'t is +half één, Wouter en z'n meisje kunnen ieder oogenblik komen." + +"Ik wed, dat ze boven uit 't raam uitkijkt, of ze 'r al aankomen," +antwoordde Anna. En dat scheen 't ook te zijn geweest, want 'n paar +minuten later kwam moeder Rubrecht weer binnen, even maar, om +blij-gejaagd te roepen: "Daar komen ze, daar komen ze!" En meteen was +ze weer weg om zelf open te doen. + +De oude heer zette zich in postuur, werd nog rooder dan anders en +hoestte herhaaldelijk. Wim knipte zich 'n paar stofjes van de jas, stond +op, kuchte ook en was blijkbaar wat verlegen met zijn stijve figuur. +Anna ging in de gang over de leuning van de trap staan kijken. + +En ze kwamen. 't Moedertje kuste beiden met tranen in de oogen zoodra ze +in huis waren. Vroolijk pratend kwamen ze de trap op, Anna tegemoet, die +haar aanstaande schoonzuster op iedere wang een klapzoen gaf. Toen ze +binnen kwamen zette vader Rubrecht zich geheel overeind, maar bij bleef +bij zijn stoel staan en stak 'n hand uit. "Welkom hier," zei hij, +"welkom, welkom!" En Margreetje vatte de hand en drukte haar lippen even +op 'n licht plekje van 't roode gezicht. Met stralende oogen ging de +oude man weer zitten. En toen kwam ook Wim haar sterk blozend +begroeten. + +Een kind, een mooi kind, frisch-jong, hel-blond, stralend van dartele +levenslust, van dol-vermetele vroolijkheid--zoo stond daar Wouters +meisje in het huis van zijn moeder. Ze was heel mooi. Ze had een slanke +figuur, zacht-ronde lippen, een gezond-veerkrachtige, fiere houding. +Lachend haar ongemeen bekoorlijken, welluidenden lach liet ze zich +kussen, mild met lieve blikken en warme woorden. Dadelijk was ze druk +aan 't praten; zij had een innemende stem, soms licht geaffecteerd, maar +'t was niet hinderlijk, 't was alleen maar een beetje coquet. De bloemen +vond ze "beeldig," 't mandje "dol elegant." "Wat snoezig van je, +Wouter," zei ze, en opwippend op haar teenen--want ze was veel +kleiner--lei ze even tegen hem aan haar mooie lijf en gaf 'm een zoen! + +Wouters goedig, onbehaard gezicht glom van innig genoegen. Hij lachte +kort, sprak weinig. Hij stond te wippen, keek nu eens vol trots naar +zijn meisje, dan weer naar ieder van de anderen, hij trok gekke +gezichten, bewegend zonder ophouden zijn wenkbrauwen en zijn mond. Er +was stille triomf in zijn houding. Blijkbaar was hij blij met den indruk +die zijn meisje maakte op zijn huisgenooten, blijkbaar was hij vol dolle +vreugde, had hij 't wel uit willen gillen, maar hield hij zijn +aandoening met veel kracht in bedwang. Hij leek op zijn moeder, wat +vooral zoo sterk uitkwam doordat hij baard noch snor droeg. Toch had hij +een echt mannelijk voorkomen, droog, streng, zeer gunstig, en in zijn +oogen een schat van gulle goedhartigheid. + +Ze stonden een poosje te praten en te lachen. Moeder Rubrecht dribbelde +telkens de kamer uit en in en kwam eindelijk met een glanzend gezichtje +vragen "of de kinderen kwamen koffiedrinken." Toen trokken ze naar de +achterkamer met glimlachende monden, de oude vader achteraan. Hij was +wat slap in zijn knieën en hij wilde niet dat Margreet dat al dadelijk +merken zou. + +Er was een zonnige stemming aan de koffietafel; Margreet was het +middelpunt, zij moest zonder ophouden haar mooi kopje draaien van rechts +naar links om iedereen te woord te staan. Anna was blij dat haar +elegante aanstaande schoonzuster zoo vriendelijk tegen haar was, zij +keek dankbaar op naar Wim--die naast haar zat--, alsof die 't helpen +kon. De moeder tuurde al maar naar dat meisje, dat mooie meisje, die een +fee geleek, een fee uit een sprookje en die toch Wouters meisje was, +zijn vrouw zou worden. Dat was ze dus, dat was ze dus! En ze keek naar +haar met groote oplettendheid, ze nam dat mooie beeld in zich op, niet +in ééns, maar minutieus, bekijkend de oogen, de neus, de lippen, de +kin, als iemand, die een portret teekent. Margreet bloosde onder dien +blik. En de moeder, die dat zag begon om toch door te kunnen kijken met +veel nauwkeurigheid en in logische volgorde te vragen naar Margreet's +familie, haar ooms en tantes, haar neven en nichten, van vaders zij en +van moeders zij. Voor iederen nieuwen naam had ze 'n uitroepje van +verwondering of medelijden en het meisje daardoor aangemoedigd vertelde +druk pratend door. Wouter lachte er om en plaagde zijn moeder een beetje +met die instructie, maar Anna verdedigde haar, zeggend dat zij vrouwen +nu eenmaal wat nieuwsgierig waren, ze hadden ook niet zulke gewichtige +dingen aan 't hoofd als de heeren. De oude man zei ook nu en dan een +paar woorden, maar werd doorgaans niet verstaan. Margreet boog zich dan +naar hem toe en vroeg heel vrindelijk wat hij gezegd had. Maar dan kwam +er alleen maar een grijns, die beduiden moest: Oolijkerd, je verstaat +me best, je houdt je maar zoo. + +Wim vroeg Wouter naar zijn zaken en Wouters gezicht betrok even, maar +hij zei dat hij vandaag niet over zaken te spreken was. Zijn moeder +hoorde dat, al luisterend naar Margreet en nam zich dadelijk voor, er 's +middags haar broer naar te vragen, die kwam eten met zijn vrouw, ter +eere van het feest.... Ook Margreet's vader en haar broer zouden komen. + +Na de koffie gingen Wouter en Wim met hun meisjes wandelen; 't bleek dat +Wim gedroomd had van een plan om met z'n vieren uit te gaan, maar +Margreetje lachte hem, schijnbaar onwillekeurig, zoo hartelijk uit, dat +hij verlegen werd en zijn Anna voorstelde dan ook maar dadelijk op weg +te gaan, terwijl de anderen nog wat talmden in de voorkamer. + +De oude heer bleef zijn pijp rooken en zijn krant lezen in een +gemakkelijken matten stoel bij het linkerraam, achter, in de huiskamer, +die uitzag op een binnenplaats, op een gekalkte blinde muur, vol +vuilbruine regenstrepen. Toen zijn kinderen weg waren trok hij zijn jas +uit. + +Zijn vrouw was dadelijk druk in de weer met de meid, er kwamen immers +menschen. Ze was erg gejaagd en toen alles klaar was te moe en te +zenuwachtig om zelf wat te eten. + + + + +III. + + +Oom Frits--Wouter's toekomstige compagnon--was een man van talent. Toen +zijn vader bankroet ging en de tijding tot hem kwam in Parijs, waar hij +studeerde aan 't conservatoire, had hij zich eerst volkomen overgegeven +aan zijn droefheid; hij had zichzelf diep beklaagd en zich laten +beklagen door zijn vrinden; hij had zijn lange haren vóór over zijn +gezicht gehaald en voor zich uitgestaard met wanhoopsblikken. Maar toen +hij dan eindelijk goed begon te begrijpen, dat 't nu uit was met zijn +lekker-lui leventje--zoogenaamd voor de kunst--met languit liggen op +sofa's en gedichten maken op mooie meisjes en gloeiende feesten, met +droomerig neerzitten voor een half-af schilderstuk, zacht tokkelend op +de snaren van een viool--want hij deed aan alles: muziekmaken, dichten, +schilderen--toen was 't hem of hij voor 't eerst in zijn leven goed +wakker was! Zijn innerlijk ik, die al die kunst heel aardig vond, maar +toch 't meest behoefte had aan lekker eten en drinken en een zacht bed +dreef hem voort--weg uit Parijs .... terug naar zijn geboortestad! En +hij ging aan 't zoeken! Hij schreef op allerlei advertenties; hij liep +zijn oude kennissen af, smeekend om hulp, want zijn innerlijk ik +versmaadde weinig middelen! + +Zoo was hij gekomen, als "aankomend bediende" op kantoor bij een +graankooper, een eenvoudig man, dien hij zoo handig wist in te palmen +door zijn slim gekozen woorden en zijn fijnbeschaafde manieren en ook +door zijn leepheid in 't zaken doen, dat hij in korten tijd van +"aankomend bediende" procuratiehouder werd, bij zijn patroon ontvangen, +aan zijn dochter voorgesteld en .... twee jaar later de zaak van zijn +schoonvader overnam. Hij had den altijd bezigen ouden man net zoolang +aan het hoofd gemaald van "welverdiende rust" en "kalmen ouden dag" en +zoo meer, tot hij zich teruggetrokken had op een vervelend buitentje. En +toen werden 'n paar nieuwe bedienden aangesteld, de viool en 't penseel +weer ter hand genomen en 't ontijdig afgebroken lekker-lui leventje +voortgezet. Zijn schoonvader--die den slag niet had van 't +rentenieren--ergerde zich dagelijks erger, en dat was heel gevaarlijk +voor hem, want hij was een dik, volbloedig man. De gevolgen bleven dan +ook niet uit .... een beroerte .... en Louise en haar Frits kregen de +erfenis thuis. Nu werd de zaak aan kant gedaan, bij 't huis werd een +stal gebouwd, in de opera werd een loge gehuurd. Er kwamen veel gasten, +goede, welmeenende vrienden, bewonderaars van oom Frits' talenten. + +Tot plotseling bleek dat de zaak toch wel wat al te vroeg aan kant +gedaan was, dat er wel wat al te veel verteerd was, dat 't ook al te +laat was om in te krimpen wat te veel was uitgezet.... Er kwam een nare +tijd van gejaagdheid en zorg en roezemoes voor dien armen oom Frits. +Maar de ramp dreigde en trof en bleef niet alleen. Alles werd verkocht, +tot de viool toe, en tante Louise stierf. Kinderen waren er gelukkig +niet. Zoo stond dan Frits van Plaswijk op een donkeren najaarsmorgen +weer heel alleen, was hij weer even ver als twintig jaar geleden en had +hij zich weer de oogen uit te wrijven om ten tweeden male te ontwaken. + +Maar toen was zijn familie, vervuld van bewondering voor zijn talenten +en ingenomenheid voor zijn sympathieke persoon, hem te hulp gekomen. Er +was--'n idee van hem natuurlijk!--een stoomwasscherij opgericht onder +zijn directeurschap. Ooms en tantes, neven en nichten namen aandeelen en +zonden hun wasschen. De inrichting was kranig, vooral het kantoor van +den directeur, waar niets ontbrak. Daar werden ook de +bestuursvergaderingen gehouden die heel gezellig waren en altijd werden +gevolgd door een fijn dinétje, voor rekening van de nieuwe maatschappij. +Aan 't dessert werd dan warme hulde gebracht aan den genialen stichter +van deze waschinrichting. + +In 't begin ging alles goed, telkens sloten zich nieuwe familieleden en +goede vrienden aan. Maar toen kwam er stremming, de neefjes en vrindjes +waren op. En 't "groote publiek" bleek nog niet rijp voor Van Plaswijks +ideeën. Hij besteedde een paar duizend gulden aan reclame, maar 't hielp +niet veel. 't Was treurig--maar 't was eenmaal zoo! Men kon toch niet +van hem eischen dat hij de menschen zou gaan vragen om hun vuil linnen? + +Laat ons trachten, zoo dacht toen oom Frits, de inrichting tot nog +grooter volkomenheid te brengen. En hij ging op reis naar Berlijn en +naar Parijs om daar stoomwasscherijen te bestudeeren. Maar dat duurde +niet lang. Een telegram van een der commissarissen deed hem hals over +kop terugkeeren. Zijn boekhouder, die zijn volle vertrouwen bezat, was +plotseling ook op reis gegaan om de stoomwasscherijen in Amerika te +bestudeeren en hij had de kas meegenomen uit voorzorg. Later schreef hij +nog een brief om hulde te brengen aan het inzicht van oom Frits, voor +wiens ideeën hij Amerika volkomen rijp bevonden had. + +Intusschen kon Van Plaswijk's grootsche stichting 't verlies van haar +boekhouder en haar kas niet lijden. Men likwideerde, de familie berustte +in 't verlies en had niets dan medelijden voor hem, den man van talent, +slachtoffer van zijn genialiteit en te groot vertrouwen in een +medemensch! + +En voor de derde maal moest Frits van Plaswijk zich wakker schudden en +al de gaven, die hem tot nog toe uit den brand geholpen hadden te zamen +grijpen en goed uitkijken en scherp denken. Ditmaal hield hij zijn +vrienden er buiten. Hij verkocht wat hij bezat en ging ergens in een +achterafbuurt wonen, heel eenvoudig. Een tijdlang zag hem niemand. Toen +hij zich weer vertoonde, was 't met hangend hoofd. Hij was nu +ongelukkiger dan ooit, zuchtte hij, en zijn mooie donkere oogen keken +dwalend rond. Hij was verliefd, en .... hopeloos! Zij was een lief, +jong weeuwtje .... ze zou hem uitlachen .... wat had ze hem noodig!.... +Ze trachtten hem moed in te spreken, maar hij schudde 't hoofd. Ze +vreesden, dat hij zich van kant maken zou.... + +Maar daar kwam opeens de blijde tijding: hij was geëngageerd! Hij was de +gelukkigste mensch van de heele wereld!.... Want zij was een engel, hij +aanbad haar!.... En, o gelukkig toeval! zij was ver van onbemiddeld. Nu +belette ook niets hem meer een plan te verwezenlijken, dat altijd tot +zijn illusies behoord had, maar in den laatsten tijd tot rijpheid was +gekomen in zijn geest. Een nieuwe onderneming, die zeker slagen zou! +Juist iets voor hem,--als geknipt!--Men zou er algauw meer van hooren. + +Hij trouwde en openbaarde den nieuwsgierigen familiekring zijn plannen. +Een groote drukkerij en uitgeverszaak zou hij oprichten. Dat was iets +in den geest van den tijd. Immers door het meer en meer verbreide +onderwijs groeide dagelijks het publiek voor wetenschap en litteraire +kunst. 't Zou een schitterende onderneming worden. Wel had hij +persoonlijk geen ondervinding van zulke zaken maar daarom zou hij zijn +neef Wouter er bij halen, die er een piet in was. Hij zelf zou zich +uitsluitend bezighouden met het hoogere hersenwerk, 't uitdenken van +grootsche uitgeversplannen, 't confereeren met geleerden, schrijvers, +illustrators, 't bijwonen van letterkundige congressen .... en wat dies +meer zij.... De firma zou als eerste uitgaaf zijn eigen gedichten doen +verschijnen op geschept papier............................. +..................................................................... + +En hij schreef aan Wouter dat zijn toekomst verzekerd was, als hij maar +gauw overkwam. Want Wouter was toen in Londen. Hij zou beginnen als +procuratiehouder, maar--wanneer alles goed ging--over een jaar lid van +de firma worden. Wouter, die veel wist van zijn vak en er van hield, die +anderhalf jaar in verschillende drukkerijen in Leipzig en Parijs gewerkt +had en nu in Londen, waar hij zich gelukkig en thuis voelde--hij hield +veel van Engelschen--Wouter had er eerst weinig zin in. 't Plan kwam hem +te onbekookt voor en zijn ooms brieven deden hem onwillekeurig aan +Holloway en Beecham denken. Maar de brieven bleven aandringen en alle +bezwaren wegredeneeren--'t begon hem te duizelen--, zijn moeder ried 't +hem ook aan--en ze schreef dat ze 't zoo heerlijk vinden zou haar +lieveling weer voorgoed bij zich te hebben.... + +Zoo was hij dan toch gekomen en terstond daarop was een begin gemaakt +met de toebereidselen, het inkoopen van machines, letters, het +aanstellen van personeel. En alles ging uit een ruime beurs, zoodat 't +Wouter wel moest bevallen.... En 't beviel hem dan ook .... zeker .... +o, zeker!.... + + + + +IV. + + +Een van Wouters eerste bezoeken na zijn terugkeer had den man gegolden +die hem met de handgrepen van zijn vak vertrouwd gemaakt had, die hem, +'n jongen van zestien jaar, zóó van de lagere school, in de leer genomen +had, den bekenden boekdrukker Smit. Een goedig-ruwe, luidruchtig +vroolijke man, vol levenslust en werkkracht. Wouter had veel van hem +gehouden, hij was een van de menschen geweest die invloed gehad hadden +op zijn manier van denken en van doen, op zijn gansche optreden; hij zou +hem nooit kunnen vergeten. En ook de drukker, die trotsch was op zijn +vak, die er voor gloeide en 't er ver in gebracht had, hield van den +leergragen jongen en was blij toen hij 'm weer zag. Vroolijk stak hij +hem de groote roode hand toe. "Dat 's goed van je, dat je je ouwen baas +éris op komt zoeken, hoor! .... dat 's goed! .... dat 's heel goed! .... +kom 's gauw mee naar de zetterij .... kijk 's wat ik heb laten +verbouwen!.... Mooi, hè?.... Ja, kijk maar 's goed rond, er is hier heel +wat veranderd!.... Twee groote nieuwe persen zul je vinden in de +drukkerij .... maar nou eerst mee naar boven, want je moet 'n borrel met +me drinken.... En vertel nou 's, wat ga je nu doen hier?...." Zoo +praatte hij door, druk, telkens hartelijk lachend tusschen zijn woorden. +En dan bekeek hij Wouter weer van top tot teen. "Kerel, wat ben jij 'n +mannetjesvent geworden! 'k Zou je toch herkend hebben! Waarachtig! Al +had je er nog een sappeursbaard bij gehad!" + +En hij de kamer uit en roepen aan de trap: "Komen jelie 's even hier, +Margreet, Willem, waar zijn jelie?" + +Want ze moesten ook zien wat 'n mannetjesvent Wouter Rubrecht geworden +was. Eerst kwam Willem beneden, een echte sportjongen, vier jaar jonger +dan Wouter, die hem ternauwernood herkende, die niet op hem gelet had +vroeger, en wien hij nu ook vrijwel onverschillig was, want hij stond +juist op 't punt om te gaan footballen. "Dag pa! .... bonjour meneer +Rubrecht!...." En daarna Margreetje, die hem heel goed herkende en dat +ook dadelijk zei met een lieven blos. Maar toen haar vader in zijn ruwe +luidruchtigheid platweg vroeg: "Nou .... en .... wat zeg je van 'm .... +is 't niet een knappe jongen geworden?" lachte ze maar 's en zei niets, +maar bloosde nog sterker. Wouter herinnerde zich Margreet ook nog wel, +maar vóór ze was binnengekomen had hij haar in zijn gedachten zóó voor +zich gezien: een frisch kind van twaalf jaar met loshangende blonde +haren en mooie groote kinderoogen, in een lichtblauwe katoenen jurk, +stijf gestreken, met een hoog wit boezelaar er voor en twee tengere +bloote armen slaphangend langs het slanke kinderlijf. Jurk en boezelaar +tot op de weeke knieën en daar onderuit in helwitte kousen de stevige +kuiten en dan de blinkende rijglaarzen in volle glorie!.... En inplaats +van dat kind was een jonge vrouw binnengekomen--hij was even +verbaasd--maar 't haar was nog even zachtblond en de oogen nog even mooi +en groot en kinderlijk brutaal. Wouter werd verlegen en verward, was +maar blij toen hij weer met zijn ouden baas in de drukkerij stond en +naar de nieuwe machines keek en luisterde naar die vroolijke stem die +hem in de ooren klonk als een oude lievelingsmelodie: "Ja, ja! jongen, +werken maar, dan kom je er wel!.... Al dat geleuter van slechte +tijden!.... Gekheid, hoor!.... Wat had ik toen ik begon, niets! niet dat +wat op me hand ligt! ziedaar!" En hij blies op zijn vlakke hand bij +wijze van illustratie. + +Maar hoeveel lichter Wouter zich ook gevoeld had, toen hij de kamer uit +was, waar Margreet hem tegemoet was gekomen met haar lieven lach en dien +blos van herkenning, den anderen dag wou hij er wéér wel heen. Maar dat +ging natuurlijk niet, hij wachtte behoorlijk een week. En meneer Smit +was weer even blij en hartelijk; hij moest 's komen eten! Ook Margreetje +scheen niet ontstemd door de haastige herhaling van zijn bezoek. En hij +kwam eten, en nog 's, en dikwijls en werd erg verliefd. En hij vroeg +haar. En zij zei: ja! En de vader was verrukt; er was geen enkel +bezwaar! 't Ging alles heel gewoon!.... + +En Wouter hield van zijn Margreet zooals een eenvoudig man als hij houdt +van de vrouw, die voor hem 't ideaal is en die hem liefde gegeven en +trouw beloofd heeft. Zijn gevoel was niet bizonder gedistingeerd, niet +gecompliceerd, niet exotisch, hij was er trouwens de man niet naar +geweest zich daarvan rekenschap te geven. Hij was eenvoudig dol op haar, +de gedachte aan zijn meisje vulde hem gansch en al met warme +levensvreugde, met welwillende goedheid en trots; hij droomde zich geen +ander geluk dan voor haar te werken, te zorgen, voor haar en met haar te +leven, zijn heele leven, o, dat 't lang mocht zijn en zonder rampen! + +En zij hield ook veel van hem--heel veel! Zij vond hem een knappen +jongen en zoo goedhartig. En vooral dat hij zooveel gezien had van de +wereld en zoo'n prettige man was om mee uit te gaan, dat beviel +haar!.... En dat hij zoo'n mooie positie krijgen zou.... En zij vond 't +heerlijk om geëngageerd te zijn, zij was de eerste van haar kransje; ze +was pas achttien! + + + + +V. + + +Een ongewone drukte dien Zondagmiddag in 't stille Rubrechtshuis. Tien +menschen om de ronde tafel in de achterkamer, waar anders de oude +boekhouder en zijn vrouw met hun twee kinderen alleen zaten. Druk +gepraat en gelach, waar anders zoo nu en dan maar 's wat werd verteld +door Wouter of door Anna om de stilte te breken en 't middagmaal een +beetje te rekken, dat 't niet zoo erg gauw afgeloopen was. Druk gepraat +en gelach van Smit vooral, den stevigen boekdrukker, die rechts naast +mevrouw Rubrecht zat en met zijn forsche figuur en zijn joviaal gezicht, +rood en baardig, de tafel beheerschte, vroolijkheid uitstralend; van oom +Frits ook, die, zittend aan de andere zij van zijn zuster, zich als den +voornaamsten gast en als het meest gedistingeerde element van het +gezelschap beschouwde, altijd even interessant met zijn bleek gezicht en +zwarte haren, zijn ietwat lijdend type, zoo door-en-door sympathiek. Hij +praatte veel, coquetteerend met zijn beschaafde uitspraak en met de +weeke gebaren van zijn witte handen, waarheen een paar flonkerende +diamanten de blikken trokken. + +Zijn vrouw, een lief, blond schepseltje, soms innemend schuchter, soms +zielig-onderworpen van houding zat rechts van den boekdrukker, naast +haar Wouter en dan zijn meisje, die tusschen Wouter en zijn vader +geplaatst was, zoodat de gastheer--zooals dat hoort--vlak over zijn +vrouw was komen te zitten. Rechts had hij zijn gewaardeerden Wim, die +trotsch scheen op zijn plaats en de kleine Anna naast hem door 't +gewicht van zijn figuur als verpletterde. Tusschen haar en oom Frits +troonde de sport belichaamd in den jongenheer Willem Smit, wiens basstem +voortdurend met de woorden: fiets, trainen, racen, football en zoo meer +jongleerde. En te midden van al die drukke menschen die haar vriendelijk +prezen, haar en haar keukenmeid, om 't lekkere eten, zat moeder +Rubrecht, vermoeid, soms weemoedig glimlachend, soms als verbijsterd, +met dofdwalende oogen, een vreemd gewas, verdwaald in een +burgermansbloembed met veel geel, oranje en hardpaars. + +Over haar hoofd heen spraken Smit en oom Frits elkaar toe en waren 't in +den regel niet eens. Nu beweerde de boekdrukker, die zijn gastheer iets +aangenaams zeggen wou, dat je in zaken de administratieve koppen toch +maar niet missen kon en won zich daarmee niet alleen het hart van den +ouden Rubrecht, die zat te glimmen van louter genoegen, maar ook dat van +Wim, die houterig boog over zijn soep en zei, dat in een zaak als die +van meneer Smit technische kennis toch wel de eerste vereischte zijn +zou, maar oom Frits merkte zeer bescheiden op dat boekhouden en dat +soort van bekwaamheid altijd voor geld te koop was, maar talent, meneer! +talent, ziedaar 't eenige noodige, en dat was niet te koop! dat was +aangeboren!.... Dan weer gaf Van Plaswijk zijn ergernis lucht over die +menschen, die Wagner's muziek niet mooi vinden en toen Smit gullachend +bekende tot "die menschen" te behooren--want dat hij er "geen laars" van +begreep--pakte oom Frits die gelegenheid aan om een "verklaring" van die +muziek te geven, een verklaring die bestond in een aaneenschakeling +zonder samenhang van woorden en phrasen, die hij hier en daar gelezen +had, en hij bracht zooveel kunsttermen te voorschijn dat 't den +boekdrukker begon te duizelen. De goede dikkerd maakte er een eind aan +door een luide en langdurige schaterbui, waarna Van Plaswijk, geërgerd +en verward, over 't onderwerp zweeg en zich met den jongen Smit in de +geheimen van het race-roeien begon te verdiepen. Moeder Rubrecht, 'n +beetje ongerust door die luidruchtige woordenwisselingen keek angstig +rechts en links zoodat Wouter medelijden met haar kreeg en haar +bemoedigend toeknikte, waarvoor hij beloond werd met een blik zoo +weemoedig-dankbaar, dat hij, in zijn hooge stemming, ontroerde. Tranen +sprongen in zijn oogen en hij boog zich snel over zijn bord, dat zijn +meisje 't niet zien zou. Maar Margreet, blozend van opgewonden +vroolijkheid, zich zalig bewust van haar bekoring, stralend van trots op +haar beteekenis aan die tafel, Margreet zag 't niet. Zij lachte juist +helder op, om iets wat oom Frits zei; haar mooi welluidend lachen rees +en daalde zonder trilling. + +'t Stilst was tante Amelie, 't jonge weeuwtje dat oom Frits tot den +gelukkigsten man der wereld maakte. Zij antwoordde als ze werd +aangesproken, met een enkel woord of een glimlach, en at heel weinig. +Zij scheen wel weg te willen zinken in het geroes om haar heen. + +Werd 't een oogenblik stil aan tafel, dan keken de mannen naar Wouter +en zijn meisje en werden zij toegelachen en toegeknikt en geplaagd met +hun verliefdheid, een geesteloos welmeenend, goedmoedig burgerlijk, +vrindelijk kleinzielig geplaag met afgezaagde phrasen. Anna keek wat +spijtig omdat zij niet meer geplaagd werd, zij fluisterde met Wim en +gichelde om de aandacht te trekken, maar 't hielp niet. + +Aan 't dessert werd getoost. Vader Rubrecht begon--zijn zwager had 'm al +een paar maal gewenkt met een gebaar van meerderheid--vader Rubrecht +begon kuchend en met een wijnrooden kop en zei, dat hij alleen maar even +op de jongelui wou drinken, dat hij geloofde dat Margreet een lief +meisje was en een lieve vrouw voor Wouter zou zijn. Hij hoopte maar dat +zij, die 't zoo goed gewoon was, de eenvoudige levenswijs van de +Rubrechts voor lief zou willen nemen. Hij was maar een pennelikker, zie +je!--maar och, nietwaar, die menschen moeten er toch ook zijn--en hij +en z'n vrouw, niet waar moeder?--hij en z'n vrouw .... úche, úche .... +nou ja, enfin, hij dronk op de jongelui. "Daar gaan ze." + +Ze stonden allen op en klonken en Smit bleef staan en keek Wouter aan en +zei: "Woutertje, jongen, dat hadt je toch niet gedacht toen je bij mij +op de drukkerij kwam; weet je nog, dien eersten dag, toen ik je 'n lik +om je ooren gaf omdat je die zetplank op m'n eksteroogen liet vallen." +En toen draaide hij zich naar den vader en begon over Wouter te praten, +zijn leerling, die nu zijn schoonzoon zou worden, en hij zei, dat hij 'm +niet pedant wou maken, maar dat hij wel vertrouwde dat er voor hem 'n +toekomst was in 't vak, dat 'n mooi vak was, 'n nobel vak, al zei-ie 't +zelf! Hij hoopte van harte dat 't 'm voor den wind gaan zou, dat zijn +zaak zou bloeien, maar dat hij--en de stem van den zwaren man begon te +trillen--dat hij hem, zijn ouden baas, nooit vergeten zou. Oom Frits +scheen dezen toost als een compliment aan zijn adres te beschouwen, hij +bedankte allerminzaamst en begon met zijn zachte sympathieke stem vlug +te praten over zijn groote plannen, waarin Wouter zoo'n belangrijke rol +spelen zou. Hij beweerde Wouter oprecht te bewonderen, zoowel om zijn +smaak voor het schoone (met een minzaam glimlachend buiginkje naar +Margreet, die bloosde) als om zijn bekwaamheden, waartoe meneer Smit +zooveel had bijgedragen (met een licht knikje aan 't adres van den +drukker). Hij geloofde dat Wouter zeker nooit 't groote vertrouwen +beschamen zou, dat hij--oom Frits--in hem stelde. Daarvan hing ook voor +een groot deel het welslagen af van hun onderneming, waaraan trouwens +hij--oom Frits--niet twijfelde. + +En Wim stond ook op en dronk op zijn aanstaande schoonouders en op den +hechten band, die naar hij hoopte hun kinderen steeds .... en zoo meer, +en zoo meer.... + +Eindelijk bedankte Wouter. Hij deed 't met groote inspanning; tranen +vielen op de hand die zijn glas omknelde. Hij sprak verward van dank en +vertrouwen en liefde .... en 't kostte hem zooveel moeite de woorden uit +te brengen dat de anderen medelijden met hem kregen. Smit wenkte dat hij +'t er bij laten zou. Oom Frits wierp er geestigheden tusschen door, +Willem Smit proeste 't luid uit, Margreet had 'n beetje 't land en trok +Wouter zachtjes aan zijn mouw. Maar hij wilde 't toch tot 'n eind +brengen. Zijn moeder tuurde voor zich uit en hoorde 't niet, toen hij +eindelijk ophield met spreken en ging zitten. Zij zat in gepeins met het +hoofd naar voren, zacht weenend. Maar Smit stootte haar aan, en zei met +zijn ruw-vroolijke stem, nog harder dan anders, om zijn aandoening te +loochenen. "Kom, mevrouwtje, laten we 's klinken!" Toen schrok ze op, +glimlachte en veegde haar tranen weg. + + + + +VI. + + +Dadelijk toen ze 't gemerkt had, dat Wouter zoo dikwijls naar zijn ouden +patroon ging, had moeder Rubrecht begrepen waarom. Maar toen 't voor 't +eerst in haar opkwam: 't is om die dochter dat hij er heen gaat, was ze +hevig geschrokken en een gevoel van woede was over haar gekomen en van +vijandschap, jaloersche vijandschap tegen dat meisje.... Maar gauw was +dat gevoel overgegaan in weemoedige smart, in melancholische +onderwerping aan het noodlot. 't Moest immers komen, ze was er immers op +voorbereid geweest zooveel jaren! Maar hard was 't, bitter hard! Ze was +zoo blij geweest dat ze haar jongen weer bij zich had, voorgoed had ze +even gedacht, en nu was 't al uit, alles uit!.... + +Maar plotseling had ze zich diep geschaamd over die egoïstische +gedachten. En ze had ze verdrongen met al de kracht van haar liefde voor +Wouter. Wat? hij ging zijn geluk tegemoet en zij zou treuren? Zij was +wel in staat geweest tot die groote opoffering voor haar vader, van wien +ze niet hield, en nu zou ze terugschrikken van een opoffering voor hem, +haar afgod? Ze zou Wouter niet willen afstaan aan zijn geluk? Neen! haar +liefde was sterk, zij zou 't hem bewijzen, zij zou hem afstaan, hem +geven aan haar, .... die hem nu het liefste was (o! wreedschrijnende +gedachte). Zij zou hem afstaan, haar lieveling, .... 't deed haar goed +zich voor hem te kunnen opofferen.... zij zou hem afstaan aan, .... o, +aan een engel natuurlijk .... aan een engel!.... + +Want anders!.... Maar, 't _moest_ een engel zijn, die Wouter lief +had.... + +En Wouter had Margreet gevraagd en zijn moeder had haar gezien en ze was +gekomen, dien Zondag. + +'t Was een groote dag, een moeilijke dag geweest voor moeder Rubrecht. + +Dat was ze dus, dat was ze dus! + +Zij trachtte zich de voorstelling weer voor den geest te brengen, die ze +zich van Wouter's meisje gemaakt had, vóórdat ze haar gezien had, maar +'t ging niet. Aldoor zag ze Margreets gezicht, aldoor hoorde ze haar +lach. En dat gezicht herkende ze niet, en die lach vond geen echo in +haar ziel. Toch, wat was ze mooi! wat was ze lief en vriendelijk! Ja, +ja, ze was een engel! Maar was ze zooals zij zich vroeger Wouters vrouw +had gedroomd? Ze wist 't niet! 't Verwarde haar, die gedachte. Ze wist +'t niet! Want wat was ze, wie was ze? Waarom was ze zoo vroolijk, was +dat geluk? Waarom lachte ze zóó, zóó, zoo helder, zoo zilver, was dat +goedheid? Wie was ze, wat was ze? was ze gelukkig omdat ze van Wouter +hield en hij van haar? Hield ze van hem? Genoeg? genoeg? + +O ja, zeker hield ze van hem, want hoe zou Wouter anders zoo gelukkig +zijn, hij zou 't toch wel voelen als 't niet zoo was. En hij _was_ +gelukkig. Een schat van milde humaniteit straalde uit zijn oogen, warm +en vol klonk zijn stem als hij liep te zingen door 't huis. Dikwijls was +hij dol van uitgelaten vreugde. Hij _was_ gelukkig. + +Toch soesde ze er aldoor over de nu volgende dagen en weken, terwijl het +leven in het Rubrechtshuis weer zijn gewonen gang ging. Wouter was +weinig thuis, 's avonds ging hij naar zijn meisje, meestal gingen ze +samen uit,--'t was zomer! Soms kwamen ze ook even aan samen, soms kwam +Margreet koffiedrinken of eten bij de Rubrechts. Dan was het 'r altijd +een en al luidruchtige vroolijkheid; Wouter zette 't huis op stelten, ze +stoeiden, ze juichten. Soms ook kwam Margreet alleen, 's middags +tusschen twee en vier, correct in 't visite-uur, elegant gekleed en met +haar visiteboekje in de hand. Dan was mevrouw Rubrecht blij. Ze praatte +met haar tot Margreet ongeduldig werd en korte antwoorden gevend telkens +bewegingen van opstaan maakte. Maar Wouters moeder wilde dan niet, dat +ze zoo gauw gaan zou. Ze wilde met haar praten, vertrouwelijk met haar +worden, om te weten wie ze was. Maar 't lukte niet. Er scheen iets +tusschen die twee te hangen, waardoor geen echte vertrouwelijkheid, geen +wederzijdsche overgave mogelijk was. Moeder Rubrecht vroeg en vroeg en +vertelde veel van Wouter maar niets van zichzelf. En Margreet was altijd +lief en attent en behulpzaam, blijkbaar voortdurend er op uit, Wouter's +moeder voor zich in te nemen door de bekoring van haar verschijning en +van haar stem en lieve maniertjes, maar aan eenige ontboezeming had ze +blijkbaar geen behoefte. Als ze wegging kuste ze 't kleine mevrouwtje, +twee, drie maal en glimlachend drukte ze zacht de hand, die de hare +vasthield om 't afscheid te rekken. En buiten keek ze nog eens op naar +het raam en lachte en knikte. Dan zonk moeder Rubrecht weer soezend +terug in haar leuningstoel en staarde voor zich uit, nu en dan diep +zuchtend, en bleef soms wel een half uur zoo zitten, zoodat Anna, die er +niets van begreep, 'n beetje kriegel vroeg: "Maar wat is er dan toch, +maatje?" "Niets, kind, niets," zei ze dan en stond schielijk op en liep +de kamer uit of ze werkte door aan haar handwerk om een paar minuten +later weer op te houden en weer soezend voor zich te staren. Dikwijls +ook glimlachte ze dan plotseling. Dat was als ze dacht aan dingen, die +Wouter gezegd had en waaruit zoo duidelijk spraken zijn goedheid en zijn +geluk. Dan herhaalde ze die woorden voor Anna, met trotsche liefde warm +sprekend over haar zoon, en Anna verdroot 't dat 'r moeder bijna nooit +over haar en Wim sprak. + +Eens toen mevrouw Rubrecht met Margreet alleen zat te praten, legde ze +plotseling haar hand op 'n arm van 't meisje--'n schichtige beweging, +Margreet schrok even en rilde licht--en keek ze haar strak aan en zei +zacht: "Zeg, ik moet je 's wat vragen, je houdt toch wel genoeg van +Wouter? .... als hij 's ziek werd, erg ziek, zie je, .... hoe zou je 'm +dan oppassen? Wat zou je kunnen doen voor hem?" + +Margreet lachte even, zenuwachtig, "Maar, mevrouwtje, waar denkt u aan! +Of ik van 'm hou--dat weet u toch wel! En hij wordt niet ziek! Daar zal +ik wel voor zorgen, hoor!.... En als hij 's 't een of ander heeft, dan +zal ik 'm wel troetelen en verwennen; hoor, mevrouwtje, wees u maar niet +bezorgd...." "Ja, ja!" zei de moeder, "ja, ja, verzorg 'm dan goed hoor, +want .... want, zie je.... als hij 's stierf in jou huis, als ik +niet...." Zij kwam niet verder, ze fronsde de wenkbrauwen, strak +starend voor zich uit en er was even een uitdrukking van woeste woede in +haar gezicht. Margreet vond 't vreemd, ze voelde zich wat onbehagelijk, +maar, als een kind dat zijn moeder ziet weenen, zonder dat 't weet +waarom, streelde ze enkel zacht de magere handen, die in den schoot +waren gevallen, en zoende ze 't grijsbleeke voorhoofd, en fluisterde een +paar lief-sussende woordjes. En gauw ging ze weer weg, vroolijk lachend, +als altijd. + +Maar de moeder bleef zich zelf die eeuwige vraag herhalen: Houd ze van +'m? Genoeg? genoeg? En ze kon zich maar niet duidelijk rekenschap geven +van wat ze eigenlijk dacht over haar, ze bleef er over soezen, 's +morgens en 's middags en 's avonds vooral, als ze om de tafel zaten +onder de brandende lamp, de oude Rubrecht, Anna, Wim en zij. Dan +zwierven haar gedachten over haar verleden rond en ze dacht aan haar +moeder, zooals ze daar gelegen had, toen 'r vader haar opgetild had, en +toen zij voor 't eerst aan den tuin gedacht had .... en aan haar trouwen +dacht ze, aan de geboorte van Wouter, aan haar vurig bidden voor zijn +behoud en voor zijn geluk. En zij tobde over zijn toekomst.... + +De oude Rubrecht rookte zijn pijp en las zijn krant, of hij zat te +praten met Wim en Anna haakte aan haar sprei. + + + + +VII. + + +Zoo ging de zomer voorbij en het najaar. + +Nu kwam Wouter wel eens niet zoo vroolijk thuis, liep hij zwijgend de +trap op en keek hij bedrukt als hij binnenkwam. Als zijn moeder dan +vroeg wat er was, zei hij: "Och! zaken, moedertje, zaken, de drukke tijd +komt nu aan, ziet u!" of: "Ja, ja, 't is een slechte tijd voor ons vak, +de menschen koopen geen boeken meer!" Maar den volgenden dag was hij +altijd weer vroolijk en zong en lachte. + +In 't eerst kwam Margreet ook Anna wel eens afhalen om te gaan wandelen +en dan kwam Anna altijd vroolijk thuis en vol over Wouter's meisje. Maar +dat kwam al minder en minder voor. 't Was dan ook najaar en 't was geen +weer meer om te wandelen, zei de moeder, als Anna zich er over +beklaagde. Maar ze zag ook wel, dat Anna dikwijls de kamer uitliep als +Margreet er was en ze hoorde wel, dat ze koel en kort tegen haar sprak, +zoodat moeder Rubrecht eens op een morgen aan Anna vroeg: "Zeg, heb je +wat gehad met Margreetje?" + +"Ik? Wel, nee, Ma, hoe komt u daaraan?" + +"Waarom ben je dan zoo stroef tegen haar en loop je soms de kamer uit, +als ze 'r is?" + +"Och! zoo! .... ik weet niet!...." + +"Wèl ja, .... wat is dat nou, An?--je weet 't natuurlijk heel goed, +waarom wil je 't me niet zeggen?" + +"Och, u kunt toch immers geen kwaad van Wouter z'n meisje hooren! Ik heb +immers toch ongelijk!" + +"Kwaad? Kwaad van Wouter z'n meisje? Wat dan? Wat is er dan? Ik wil, dat +je 't me zegt." + +"Nou, goed dan! .... ziet u, Wim en ik vinden haar wel lief, maar niets +hartelijk tegen ons. Tegen u en pa is ze eigenlijk ook niet hartelijk, +wèl altijd heel lief, maar...., ik weet niet, niet gewoon, zooals +iedereen, ze wordt dan toch uw dochter!.... Wim zegt, dat ze trotsch is, +maar dat geloof ik niet, want waarop zou in 's hemelsnaam trotsch zijn? +Omdat haar pa nou boekdrukker is? Is dat dan voornamer dan +boekhouder?--Maar, ziet u, weet u, wat ik ook vind? Waarom verwent +Wouter haar zoo? Alles wat ze hebben wil, dat krijgt ze. Altijd opschik! +Een ring met een diamant, voor haar verjaardag een vreeselijk dure +broche, nu weer pas dat gouden kettinkje, zóó maar 's, omdat ze 't zoo +snoezig vond! En hij gaat met haar naar de komedie, soms twee, drie maal +in de week, omdat ze er zoo vreeselijk veel van houd, zegt-ie; nou ja, +wie zou daar niet van houden, maar waar moet Wouter dat allemaal van +betalen? Hij is toch ook maar kantoorbediende net als Wim! En waarom +vraagt ze niet vast wat in hun huishouden, daar heeft ze wat aan.... Al +die opschik, als je al geëngageerd bent!...." Zoo ratelde Anna door, +zich meer en meer opwindend, tot haar moeder, verbaasd, haar in de rede +viel: "Maar kind, zoo spreek je nooit! Hoe kom je daar allemaal aan? Je +weet toch wel, dat Wouter geen onverstandige dingen doet!.... Geloof dat +maar gerust, hoor! Wouter weet wel wat hij doen en laten mag...." + +"Maar Wim zegt...." + +"Wim moest zich liever met zijn eigen zaken bemoeien!" zei moeder +Rubrecht scherp, maar 't speet haar dadelijk en op Anna toekomend zei +ze zacht: "Nou ja, An, je weet wel hoe 'k 't bedoel, hè? Maar heusch, +Wim is een goeie jongen, maar over Wouter z'n zaken kan hij niet +meepraten.... Je weet toch ook wel dat Wouter tegenwoordig een aandeel +in de winst heeft?...." + +"Nou ja, die winst! daar gelooft-ie zelf niet aan!" + +"Wat?.... Daar heeft-ie mij nooit iets van gezegd!...." + +"Niet?.... Nou, 't kan zijn, dat ik 't overdrijf!.... Enfin, spreekt u +er hem dan ook maar niet over!.... 't Zijn ook eigenlijk mijn zaken +niet!...." En Anna liep de kamer uit. + +Moeder Rubrecht was erg geschrokken. Ze had een gevoel alsof haar beenen +opzwollen, ze kon ze haast niet verzetten, ze moest gaan zitten. 't +Bonsde in haar keel, haar lippen brandden. En in haar gilde een stem: +Daar is het! daar heb je 't al! Den heelen dag was 't haar onmogelijk +helder te denken. Ze was angstig, gejaagd, ze gaf verstrooide +antwoorden. Wouter at dien dag bij zijn meisje, hij kwam laat thuis. +Zijn moeder was al naar bed toen hij thuis kwam. Maar zij sliep niet. +Zij hoorde hem de voordeur sluiten, de trap opkomen, naar zijn kamertje +gaan. 't Was vlak boven haar kamer. Zij hoorde hem stommelen op zijn +kamertje. Maar al gauw werd het stil, hoorde ze alleen 't geronk van den +ouden man, die naast haar lag, achterover in zijn slaapmuts. Toen +draaide ze zich om, duwde 't kleine gezichtje weg in 't kussen en ze bad +weer. + +Toen week de angst, ze werd kalmer, ze voelde zich wegzinken in doffen +weemoed. + +Eindelijk sliep ze in. + + + + +VIII. + + +Den volgenden dag liep Wouter, die druk was geweest aan tafel, na het +eten naar zijn kamer. Zijn moeder ging hem daar opzoeken. Hij liep heen +en weer, zijn gezicht stond ernstig. "Wouter," zei ze, toen ze de deur +achter zich gesloten had, op gedempten toon, "gaat 't slecht in de +zaken?" + +Hij keek haar even aan, quasi-verwonderd, maar toen keek hij een anderen +kant op. "Hoe komt u daaraan, moedertje, en waarom komt u me dat zoo +geheimzinnig vragen?" zei hij met een heldere stem. + +"Ik weet niet, hoe 'k er aan kom, jongen," zei ze,--want Anna had haar +gevraagd vooral niet te vertellen, wat zij gezegd had--"maar ik maak me +soms zoo ongerust!" + +"Maar daar is geen reden voor!" zei hij, haar aldoor niet aankijkend, +"ben ik dan niet opgewekt .... niet vroolijk? .... doe ik dan als iemand +wiens zaken beroerd gaan?...." + +"Nee .... nee! .... maar, zeg, Wouter, zeg 't me nu maar .... Zou je +denken, dat 't niet ging op den duur?" + +"Och, wel jà .... wel jà!...." + +"Waarom kijk je me niet aan?" + +Toen keek Wouter haar plotseling strak aan en ze zag, dat zijn gezicht +bleek was en heel ernstig. Hij kwam naar haar toe en lei zijn handen op +haar schouders, wat haar goed deed, wat ze voelde als een bescherming, +als een zegen. "Moeder," zei hij, en zijn stem trilde nu even, "er is +heel veel in onze zaak, wat ik anders wenschen zou, maar ik ben jong, ik +kan 'n boel doen, ik zal er wel komen!.... Maar vraag er me nu niet zoo +dikwijls meer na', want dat benauwt me zoo! Heusch, vraag me er nu niet +meer na'!...." + +"Maar .... wat?...." + +"Sst! stil nu, moedertje, ik kan u dat toch onmogelijk allemaal +uitleggen. Laten we nu maar samen naar beneden gaan en een kopje thee +drinken, hè? Want ik moet weg, ik ga van avond met Greet naar de +komedie...." + +En hij troonde haar mee en sprak over 't stuk, dat ze zouden geven dien +avond; hij was vroolijk, hij plaagde Anna met haar nieuwe kapsel en +sjouwde zijn moeder in haar stoel van het raam naar de tafel en maakte +zijn vader, die, achter, zijn middagdutje genoot, bijna wakker door zijn +luidruchtigheid. Maar toen hij 'n kop thee had gehad, zoende hij zijn +moeder hartelijk op beide wangen en liep vlug weg. + +Dat gesprek had moeder Rubrecht wat gerust gesteld en zij nam zich voor, +Wouter voorloopig niet meer te vragen naar zijn zaken. Hij was toch ook +immers zoo'n degelijke, verstandige vent, hij zou wel doen wat 't beste +was, altijd! Maar zij lette scherp op alles wat hij deed thuis en keek +hem altijd aan als hij sprak en lachte, en ontdekte zoo langzamerhand, +dat hij eigenlijk nooit meer kalm-vergenoegd, bedaard-vroolijk was, als +vroeger, maar altijd opgewonden, onrustig, gejaagd soms. Hij kreeg ook +iets nonchalants, iets oppervlakkigs in zijn manier van doen en van +vertellen, 't was of hij er nooit heelemaal bij was. Dat verontrustte +zijn moeder weer en bracht haar weer meer aan 't soezen over zijn zaken +en over zijn meisje. En zij lette ook scherp op haar, maar Margreet was +altijd dezelfde. + + + + +IX. + + +Ook de winter ging voorbij en 't was op een guren middag in Maart dat +mevrouw Rubrecht een briefje uit de bus haalde met Wouter's adres er op. +Dat gebeurde heel zelden; Wouter had weinig vrinden door zijn lang +verblijf buiten 't land, door zijn engagement zoo kort na zijn +terugkomst. 't Was een briefje van een mannehand, geadresseerd: "den +heer Wouter Rubrecht ZijnEdele in handen," een glanzend-witte, vierkante +enveloppe, van dat gladde stijve papier, en 't was niet goed +dichtgeplakt geweest, want toen zij 't heen en weer schoof in haar +handen, gissend naar den afzender, ging 't krakend open. Ze schrok er +even van. Nu zou Wouter denken dat 't open gemaakt was! Kom! zij zou 't +immers zelf weer dicht plakken! Maar .... nu 't toch eenmaal open +was....; zou er een geheim in kunnen staan voor zijn moeder? .... zou er +misschien wat in staan.... + +Zij gaf zich niet helder rekenschap van wat ze meende dat er in zou +kunnen staan, maar voor ze 'r verder over nadacht had ze 't briefje uit +de enveloppe gehaald en begon ze te lezen. 't Was van een ouden +schoolkameraad van Wouter, dien hij later ook nog dikwijls gezien had, +Willem Veegens. Hij vroeg geld terug, dat hij Wouter had geleend, +vijftig gulden; hij had ze noodig, schreef hij, anders zou hij er niet +om vragen. Toen de moeder 't briefje gelezen had, vouwde ze 't +schielijk weer toe; ze schrok toen 't even kraakte tusschen haar +vingers, ze keek rond of niemand haar bespiedde, ze werd bang. Maar 't +kon immers niet, Rubrecht en Wouter waren naar kantoor, Anna uit om +boodschappen en de meid hoorde ze in de keuken. Haastig stopte ze 't +briefje in de envelop en bracht die aan den mond. Ze sneed zich in de +tong met het scherpe papier. Toen sloot ze den brief en liep op haar +teenen naar boven, waar ze den brief op den schoorsteen lei, op de +gewone plaats. + +Angstig verlangde ze naar Wouter's thuiskomst, 't duurde lang. +Eindelijk, daar kwam hij de trap op. "Er ligt een brief voor je, +Wouter," zei ze, langzaam, om bedaard te blijven, maar ze voelde dat ze +bloosde; ze boog zich diep over haar werkdoos als om een naald te +zoeken. Gelukkig was 't in de schemering, 't licht nog niet op. "Aha!" +zei Wouter, "dank u." En hij liep met den brief naar 't raam, waar hij +ging staan lezen, de rug naar haar toegekeerd. Zij hoorde 't papier weer +kraken, zij was beklemd, angstig. Vergeefs redeneerde ze tot zichzelf, +dat 't immers niets was. Wouter zou dat geld voor korten tijd hebben +geleend op een oogenblik dat hij er om verlegen was, hij zou 't terug +geven en daarmee uit! Zij zag dat hij den brief in zijn zak stak en nog +even staan bleef, in gedachten. Hij streek eenige malen met zijn hand +door zijn haar; toen draaide hij zich plotseling om: "Moedertje," zei +hij, "'t zal u wel verwonderen, dat ik 't u vraag, maar .... kunt u me +ook wat geld leenen?" + +Zij schrok hevig, zij beefde, zij moest zich fel in 't gebit bijten om +niet te klappertanden. Ze kon niet dadelijk antwoorden. "U verstaat me +toch wel, moeder," zei hij, dichter naar haar toekomend. + +"Ja, ja! .... je wat geld leenen .... ja, zeker, Wouter, als je 't +noodig hebt...." + +"Ja! .... niet voor lang, ziet u, 't is maar om een paar kleine +rekeningetjes te betalen, .... bij me kleermaker .... en .... en bij +.... bij me barbier, .... ziet u, de volgende maand krijgt u 't terug +natuurlijk...., 'n vijftig gulden bijvoorbeeld." + +Hij liegt, hij wil 't me niet zeggen, suisde 't door haar hoofd. + +"O, dat hoeft anders niet, Wouter .... maar vijftig gulden, dat is nogal +veel!.... Maar ik kan 't je toch wel geven .... uit mijn spaarduiten, +zie je! .... wacht! ik zal 't even halen!" + +"O, wel nee, moesje, 't heeft geen haast!" + +"Jawèl, nu is 't maar 't beste, dan merkt niemand er iets van...." En ze +ging de kamer uit. Ze ging naar haar slaapkamer, waar de oude +schrijftafel stond, 't eenige stuk uit het huis van haar vader, dat ze +had mogen houden--'t oude ding was toch niets waard!--daar, in een van +de laadjes, lag 't geld dat ze af en toe had gekregen, als Rubrecht een +extratje had gehad van den patroon. Ze had 't nooit gebruikt, waarom +ook? Ze had voor zich zelf geene bizondere behoeften, ze had 't altijd +maar opzij gelegd voor een cadeau als de kinderen trouwden. Vijftig +gulden nam ze er af. Er bleef nog zoowat evenveel liggen. + +Haastig liep ze er mee terug en gaf 't geld aan Wouter. "Hier heb je +ze," zei ze "stuur ze nu maar gauw aan Willem." + +Wouter schrok, hij bloosde sterk. + +"Aan Willem, moeder? hoe weet u dat...." zei hij zacht, "u hebt toch +niet...." + +"Ja, ja! .... jawèl! .... ik heb dat briefje opengemaakt .... ik weet +wel, ik had 't niet moeten doen .... dan wist ik nu niet .... dan dacht +ik nu dat 't voor je kleermaker en voor je barbier was...." Ze zonk in +één op haar stoel en begon te snikken. Wouter knielde bij haar neer, hij +streelde het zachte donkerblonde haar en de witte handen die in haar +schoot lagen, terwijl ze snikkend voor zich keek. "Moedertje, +moedertje," zei hij, "huil nu niet zoo .... en wees niet hard tegen me +.... toe, moedertje." + +Maar 't hielp niet, ze keek hem niet aan, ze staarde zoo diep treurig +voor zich uit! Toen zei hij niets meer, maar lei zijn hoofd op haar knie +en snikte ook. + +"O Wouter," fluisterde ze toen, "Waarom vertel je me niet meer +alles...., zooals vroeger altijd!.... Ik ben toch nooit hard tegen je +geweest, ben ik wel?.... Waarom heb je me niet gezegd, dat je geldgebrek +hadt...., dat je zaken slecht gaan....?" + +"Omdat u je dat zoo zoudt aangetrokken hebben, moedertje...." + +"Maar, mijn arme jongen," zei ze, een hand op zijn hoofd leggend, "ik +merk 't immers toch!.... Heb je veel schuld?" + +"Nee...., niet veel! .... nog zoowat een honderd gulden, maar ik zal 't +heusch allemaal wel inhalen!...." + +"En van wien heb je dat alles dan geleend?" + +"Van Willem .... en van oom .... en ook wat van .... van Greetje." + +"Van haar? Leent ze je geld? Vraagt ze dan niet waar of dat voor is?" + +"Och, ze weet 't wel!...., maar ik zal 't immers allemaal wel inhalen, +als de zaken maar wat beter gaan, als er maar .... als.... Och! moeder, +laat me maar tobben! u kunt er toch niets aandoen...., 't zal wel weer +terecht komen .... heusch!" Daar hoorde ze schellen en de meid naar +beneden gaan om open te doen. + +"Daar is Anna," zei toen de moeder, haar tranen wegvegend, vlug, +gejaagd, "we kunnen nu niet meer praten, Wouter, 't geeft ook niet .... +maar beloof me één ding. (Ze stonden beiden op, zij keek hem vast in de +oogen). Vraag jezelf nog 's goed af, nog 's heel goed, zie je, of +Margreet wel een goeie vrouw voor je wezen zal...." + +"Maar moeder, hoe kunt u zoo iets zeggen!" viel hij driftig in. Maar +Anna kwam binnen en groette en bleef in de kamer en dus waren ze weer +beiden alleen met hun verdriet. + + + + +X. + + +Den anderen morgen voor hij wegging riep Wouter zijn moeder nog even +apart en zei: "Wat ik u bidden mag, moesje, geen woord aan Margreet over +wat we gisteren .... bespraken. Belooft u me dat?" + +"Als jij me dan belooft...." + +"Ja, ja! .... ik weet wel wat u zeggen wilt, goed, goed!" En hij drukte +haar zenuwachtig de hand en was weg. + +En de moeder tobde en tobde en tobde.... + + + + +XI. + + +Weer ging een maand voorbij. + +De firma Van Plaswijk en Co. opende 's morgens om negen uur haar +kantoor, maar in de laatste weken was Wouter er niet op tijd geweest. + +Hij had zoo'n moeite met opstaan, hij was zoo moe en loom 's morgens, +zei hij. 't Werd tien uur, half elf soms, voor hij wegging. Zijn moeder +riep hem, na half negen om 't kwartier, maar in den regel hielp 't niet. + +En iederen middag hoorde zij, die wachtte, verlangend, hem thuis komen, +en de trap oploopen, zwaar en zwijgend. Zoodra hij de kamer binnenkwam +en haar zag zitten, trok hij wel een vroolijk gezicht en deed blijkbaar +zijn best heel opgewekt te schijnen, maar er was altijd iets schichtigs, +iets gejaagds in zijn bewegingen, hij schrok dikwijls en van een treurig +bericht, waar Anna mee thuis kwam, of dat zijn vader voorlas uit de +krant, of als hij zelfs eens wat vertelde, al was 't een mop, waar de +anderen om lachten, kreeg hij tranen in de oogen. + +Eens herinnerde zijn moeder zich plotseling precies hoe hij er een jaar +geleden uit gezien had; zij zag hem voor zich zooals hij haar was komen +vertellen dat Margreet hem hebben wou, en toen ze hem daarop aankeek +schrok ze er van, zooveel ouder was hij geworden. + +Hij zei altijd dat hij goed geslapen had, als zijn moeder hem er naar +vroeg, 's morgens aan 't ontbijt, maar ééns, toen 't weer 's heel laat +was (zijn vader was al lang weg) en zij 't weer vroeg, heel ernstig, en +hem er scherp bij aankijkend, antwoordde hij met een geluid van bitteren +wrevel in zijn stem, met iets baloorigs in zijn gezicht: "Nee, eigenlijk +beroerd slecht, ik heb weer tot vier uur wakker gelegen!" + +"Tot vier uur wakker gelegen? weer? .... gebeurt dat dan dikwijls?" +vroeg ze verschrikt. + +Maar hij had zich al hersteld. "Dikwijls? wel nee, moedertje, gelukkig +niet! In den regel slaap ik als een roos, te vast zelfs." En hij dronk +haastig zijn kop thee uit en ging weg. + +Na dien morgen sliep ook de moeder slecht. In bed dacht ze aan hem, die +daar boven lag, en ze luisterde met ingehouden adem. Soms verbeeldde ze +zich, dat ze wat hoorde, en dan liet ze zich zachtjes uit bed glijden en +luisterde aan de open deur van haar kamer. Maar 't was altijd dan weer +stil gebleven. + +Tobbend leefde ze door. + + + + +XII. + + +Op een middag--ze zat te naaien voor 't raam in de achterkamer--kwam +plotseling Frits van Plaswijk binnen. + +Vreemd! Hij kwam anders nooit in de week, hij had 't te druk zei hij +altijd. Hij kwam alleen nu en dan 's Zondags met zijn vrouw. Dan deed +hij deftig, voornaam, en sprak over koetjes en kalfjes en lachte witjes +en ging gauw weer weg. + +Nu was hij ook--als 's Zondags--keurig gekleed, correct in zijn +spannende handschoenen; zijn laarzen en zijn hooge boord glommen. Maar +hij was wat rooder dan anders en hij sprak vlugger, hij scheen wat +opgewonden. + +"'t Bevreemdt je zeker, Marie," zei hij, na een lichten handdruk, "dat +ik je zoo midden in de week kom overvallen, maar ik wou je 's alleen +spreken, ik ben je 'n raad schuldig." + +Zij keek hem aan zonder antwoord, met open mond, met angst verlangend +naar zijn woorden. + +"Ik ben je 'n raad schuldig," herhaalde hij, langzamer en streek met +zijn hand langs zijn geschoren kin. + +"God! wat is er, Frits," vroeg ze toen. + +"Niets! .... niets! .... zusje, schrik maar zoo niet .... zóó erg is 't +niet .... maar, zie je, ik weet, je adoreert je zoon, en dat vind ik +heel mooi .... heel mooi .... maar ik dacht zoo, zie je, .... als je 't +werkelijk goed met hem meent, dan moet je 'm nu toch 's goed onderhanden +nemen!.... Zie je, ik zou 't ook wel kunnen doen! maar, och, wat zal ik +je zeggen!--wij schijnen elkaar nu eenmaal niet heel goed te verstaan, +Wouter en ik, .... hij kan van mij niets hooren .... en van jou wel, dat +weet ik...." + +"Maar wat is er dan? Wat moet ik hem zeggen?" + +Zijn blik, die tot nog toe van haar afgewend was, trof nu den haren. + +"Weet je van niets?" vroeg hij, 'n beetje ongeloovig, met een lachje van +spot en meelij. + +"Maar wat is er dan? .... wat moet ik weten?" + +"Wèl!...., dat Wouter leelijk in de schuld zit!" + +Haar gezicht helderde op. "Is 't zoo erg?" vroeg ze. + +"Ik geloof, dat 't nog al heel erg is," zei hij, "altijd voor zijn doen, +vat je." + +"Krijg jij ook geld van 'm," vroeg ze. + +"Nou, dat 's maar een kleinigheid," zei hij, "'n vijftig gulden!.... +Maar zie je, .... weet je wie z'n schuld of 't is, dat Wouter er zoo +inzit?.... Niet?.... Heb je daar heelemaal geen idee van?.... Nou, ik +dan wel!" + +"Wie bedoel je? Margreet toch niet?" + +"Wel, natuurlijk wèl.... Ze deugt niet voor 'm!" + +"Nu overdrijf je toch wel wat, Frits," zei ze, zenuwachtig grabbelend in +het goed van de japon die ze aan 't verstellen was.... Hij haalde zijn +schouders op. "'t Kan zijn," zei hij, "maar wat ik dan maar zeggen wou +is dit: in jou plaats zou ik hem 's goed onderhanden nemen.... De jongen +loopt anders in zijn verderf,--je begrijpt: onze zaak is jong, _veel_ +wordt er nog niet verdiend .... en zijn salaris is .... enfin! .... niet +hoog! .... maar 't is zooveel als over 't algemeen in 't vak betaald +wordt voor 'n eerste-bediende. Zijn werk, moet je denken,--tot nog toe +ten minste--is .... bediendewerk! .... de hoofdzaken rusten op mij! .... +hij voert maar uit wat ik beplan, .... wat ik bedenk," herhaalde hij +langzaam met 'n gewichtig gezicht,--"en deed hij dat nog maar altijd +goed! .... maar weet je wel, dat als hij jou zoon niet was, dat ik hem +dan niet zou willen houden! Hij komt 's morgens om elf uur .... hij +werkt loom, laks,--vadsig zou ik haast zeggen .... zonder lust! .... 't +is of hij al zijn energie uitgeput heeft in de eerste maanden, .... hij +is eigenlijk net als alle andere bedienden; in de eerste maanden zetten +ze hun beste beentje voor, maar daarna .... och, maar, geloof me, 't is +allemaal dat meisje van 'm!...." + +"Maar hij houd toch zoo innig veel van haar, en ze is ook zoo lief .... +zoo goedhartig...., zoo...." + +Oom Frits floot even zacht voor zich uit. "Daar niet van!" riep hij toen +uit, "ze is charmant .... allercharmantst! .... als _ik_ haar had +ontmoet in me jonge jaren! .... maar ze deugt niet voor hem en hij niet +voor haar! .... hij is een administratieve kop, net als z'n vader!" + +"Ik heb altijd gevonden, dat hij meer van mij heeft," zei ze, met innige +teleurstelling in haar stem. + +"Gekheid! .... hij is 'n boekhouder! .... 'n echte boekhouder! .... hij +moet 'n dooood-een-voudig, 'n simpel burgerlijk meiske trouwen,--als hij +absoluut trouwen wil ten minste!--en Margreet moet zien, dat ze 'n +knappen rijken kerel krijgt, en dat zal haar wel lukken ook!" + +Zij staarde voor zich in smartelijk gepeins en zei niets. + +Hij floot weer zachtjes tusschen zijn tanden. + +Eindelijk begon ze weer: "Hij zal haar nooit opgeven, hij houdt zoo dol, +zoo dol veel van haar!...." + +Hij haalde even zijn schouders op en floot door. + +"En zij van hem! .... dat kan niet anders!" zei ze weer, met een +zacht-weemoedigen glimlach. + +Frits lachte even, spotachtig, en weer opschokkend zijn schouders. + +"Geloof je 't _niet_," vroeg ze, angstig, "geloof jij 't _niet_, dat ze +genoeg van 'm houdt?" + +"Ik weet 't niet," zei hij, ongeduldig, "ik weet 't niet, maar (en hij +stond op en nam zijn hoed) .... zooals gezegd, zusjelief, .... hij zal +moeten kiezen tusschen mij en haar...., ik kan geen procuratiehouder +hebben, die zich in de schuld steekt, dat 's te gevaarlijk!" + +"Te gevaarlijk? .... zou je dan denken?...." begon ze met drift. + +"Ik zou niets denken! .... zeur toch zoo niet! .... jelie vrouwen hebt +geen begrip van geld, heelemaal niet! .... nu, adieu, ik moet weg, .... +ik moet 'n auteur gaan opzoeken! .... adieu!...." En hij reikte haar +weer de toppen van zijn gehandschoende vingers en ging heen. + +En weer ging mevrouw Rubrecht na het eten haar zoon opzoeken op zijn +kamer. Hij stond zijn hoed op te schuieren, hij ging weer uit met +Margreet. En zij vertelde hem, zenuwachtig, moeilijk sprekend, alles wat +oom Frits gezegd had. Ze vertelde 't hem in afgebroken zinnen, met opzet +krasse uitdrukkingen verzachtend en toch telkens angstig naar hem +opkijkend. Weer stond hij van haar afgewend te luisteren en toen ze +alles gezegd had draaide hij zich langzaam om. Hij zag bleek en beet op +zijn onderlip. + +"Zoo!....," zei hij, quasi-bedaard, met een schorre doffe stem, "zoo! +heeft hij dat allemaal gezegd? .... wel zoo! deugt ze niet voor me?...." +En toen, losbarstend in dolle woede, slaande met zijn beenige kneukels +op de tafel, schreeuwde hij: "Zoo'n ploert, zoo'n ellendige ploert! Dat +wil hij dus ook nog!.... Werken moet ik, zorgen en zwoegen, dat hij +luibakken kan, den godganschelijken dag, lanterfanten en kletspraatjes +maken--maar dat is niet genoeg! nee! dat meisje moet ook weg, dat ik nog +meer tijd kan geven aan zijn zaak, dat ik heelemaal, heelemaal zal leven +voor zijn belangen alleen,--die verregaande egoïst!--hij stinkt van +egoïsme, die vent!--hij houdt van niemand dan van zichzelf, hij trapt, +hij mishandelt ons allemaal, zijn vrouw, mij, zijn andere +ondergeschikten! Compagnon zou hij me maken! Jawèl! 'n Aandeel in de +winst die niet bestaat, die nooit bestaan zal, zoolang hij zijn zotte +plannen zal willen uitvoeren--laten uitvoeren bedoel ik!--maar ik doe 't +ook niet langer! .... ik kan me brood nog wel op 'n andere manier +verdienen!--ik doe 't niet langer, zeg ik, ik doe 't niet! .... zoo'n +ploert, zoo'n misselijke beroerde ploert!" + +Hevig geschrokken, lijkbleek, klappertandend was zijn moeder neergezegen +op den stoel. Zoo was Wouter nog nooit geweest! O God, o God, wat moest +ze nu beginnen, o God, o God! + +"Wouter!" zei ze herhaaldelijk, "Wouter!" maar hij hoorde 't niet. + +"'k Ga er van daan," schreeuwde hij, op en neer loopend door zijn kamer, +"'k ga weg, morgen nog!--dat zal 'm opfrisschen, dan zal je 'm eens zien +kijken!--kan me ook wat schelen!--hij kan naar den bliksem +loopen!--Margreet! Natuurlijk! Margreet deugt niet voor me!--omdat ze +levenslustig is, omdat ze graag mooie dingen heeft, omdat dat wat geld +kost!.... 'k Verdien 't toch! 'k Werk er toch voor! Den heelen dag, .... +en nacht!" + +"En nacht?" herhaalde zij, dof. + +Hij keek haar even aan. "Nou ja, moeder," zei hij zachter, met tranen in +zijn stem, "ik had 't u nooit willen zeggen, omdat ik weet hoe naar u 't +vinden zult .... maar, ja! ik heb veel nachten hier op mijn kamertje +zitten werken.... U hebt 't nooit gemerkt! .... ik trok mijn schoenen +uit en deed alles heel zachtjes." + +Medelijden met zich zelf overmande hem. Hij viel neer op 'n stoel en +barstte in snikken uit. + +Zijn moeder ging naar hem toe. + +Op dat oogenblik werd er geklopt. Toen ging ze eerst naar de deur, deed +die half open en vroeg naar buiten: "Wel?" 't Was Anna: "Ma, wat is er +toch? Pa is er wakker van geworden en vraagt wat er is...." en toen +zachter: "Wat is er, maatje, heeft-ie wat met Margreet gehad." + +"Nee! .... nee! .... stil!.... Ga maar naar beneden, An, en houd je kalm +en zeg aan pa ook dat er niets is.--Wouter heeft wat met oom gehad, .... +maar 't komt allemaal weer terecht." + +"Nee! .... 't komt niet terecht .... 'k ga er vandaan!" gilde Wouter, +opnieuw woedend, doordat hij niet spreken kon door zijn snikken. + +"Wouter!" zei zijn moeder met wanhoop in haar stem. + +Anna ging. De moeder sloot de deur weer en kwam naar hem toe. Hij snikte +voorovergebogen, met zijn arm op de leuning van zijn stoel en zijn hoofd +op zijn arm. Zij streelde hem alleen maar zacht over zijn hoofd, en zei: +"Arme jongen, arme, arme jongen'" En toen hij opkeek gaf ze 'm een zoen +op zijn voorhoofd. + +Nu niet boos meer, verteederd, begon hij weer: "Margreet opgeven! mijn +lief, lief meisje! mijn alles!.... Nou ja, ik weet wel, ze denkt niet +verstandig over geldzaken, ze vraagt te veel, .... maar ze is ook zoo +innig levenslustig, zoo echt vroolijk, ze geniet zoo graag! .... ze is +toch ook nog zoo jong! .... ik weet ook wel, ik ben zwak, ellendig zwak +soms, ik geef te veel uit .... ik kan haar niets weigeren .... ik kan 't +niet! .... ik kan 't niet!...." En hij snikte weer, zijn hoofd op zijn +arm. + +"Maar Wouter, mijn goeie Wouter, dat moet toch," zei ze, hem aldoor +streelend over zijn haar, "dat moet ze toch begrijpen, .... ze houdt +immers zooveel van je, .... als je haar nu zegt dat je 't niet betalen +_kunt_, niet _kunt_ .... dan zal ze toch niet eischen...." + +"Haar zeggen!.... Och, moeder, u kent 'r niet!...." + +O, hoe goed wist ze dat zelf, de arme moeder! Ze kende Margreet niet, ze +wist niet wie ze was, ze begreep niets van dien grooten levenslust, dat +grage genieten. + +"Maar 't moet toch," zei ze weer, wanhopig, "'t moet toch...." + +"Ja," snikte hij, "'t moet ook wel! .... 't is waar! .... maar .... o +God! o God! .... o, moedertje, u weet niet wat 'n zorg of 't me kost +.... o God! o God!" + +"Zal ik met haar spreken," opperde ze, weifelend. + +"Nee, moeder!" zei hij, inééns flinker en zijn behuild gezicht +afdrogend.... "Nee! nee! .... 'k zal 't zelf wel doen! .... 't +moet!.... Maar .... hoe laat is 't? .... half acht al? .... ik zou haar +gaan halen; we moeten op visite!" + +"Schrijf 't af," zei ze, "zeg dat je plotseling verhinderd bent, schrijf +haar ook 'n briefje!" + +"Nee! .... nee! .... dat gaat niet! .... 'k zal me 'n beetje wasschen, +zie ik er erg uit? .... ja zeker?.... Gaat u nou maar naar beneden, +moeder, kalmeert u nou de menschen beneden maar vast wat, .... ik .... +ik ga dan maar ongemerkt uit!...." + +En zwijgend ging ze, gebukt onder haar verdriet, beklemd door +afmattenden angst. Een kwartier later hoorde ze de voordeur dicht slaan. +Ze schrok er van; de anderen keken haar aan en zwegen. + +Later op den avond zei de vader tusschen twee trekken aan zijn pijp: +"Als 't Wouter niet bevalt bij Frits, dan moet-ie maar wat anders +zoeken, .... 'n jongen als hij komt overal terecht! .... er zijn +kantoren genoeg!.... De goede bedienden zijn toch tegenwoordig niet +opgeschept!...." + +Hij kreeg geen antwoord. + +En hij rookte zijn pijp maar weer door--zijn pijp, zijn eenigen +kameraad!--en soesde over de krant, en zag veel woorden, die hij niet +begreep, .... onafhankelijkheid .... eerzucht .... hartstocht.... + + + + +XIII. + + +Dien avond vond Margreet Wouter stil,--maar dat was hij wel meer in +gezelschap! Hij bracht haar naar huis, pratend over onverschillige +dingen. 't Was niet ver, en 't was laat geworden. Hij was blij dat hij +goede reden had dat andere tot morgen uit te stellen. + +Den volgenden morgen, toen hij op kantoor kwam, vroeg Wouter zijn oom, +of hij 'm een oogenblik alleen kon spreken en toen ze samen waren begon +hij dadelijk met nagebootste bedaardheid over dat bezoek aan zijn +moeder. Hij zag het spotachtig glimlachend gezicht van zijn oom en al +gauw voelde hij, dat, zijn woede hem te machtig werd. Hij voelde zijn +hoofd vol bloed, zijn oogen deden hem zeer. + +"'t Is 'n laag idee van u," zei hij, zijn stem met groote inspanning +smorend, "den invloed van mijn moeder te willen gebruiken om mij van +mijn meisje af te brengen! 't Is lage zelfzucht, niets anders!.... Nee, +laat me uitspreken," riep hij uit, met 'n driftig gebiedend gebaar, +ziende dat zijn oom hem in de rede wou vallen, "'t Heet, dat u het +voornaamste werk doet en dat ik maar zorgen moet, dat uw bevelen +gehoorzaamd worden. Larie! praatjes! u verzint allerlei zotte dingen, +ja, en ik moet me doodwerken om groote ongelukken te voorkomen! .... +maar, wacht maar! .... 't duurt niet lang meer met u, .... want ik ga +weg, vandaag nog! .... 'k kan hier niet langer werken...." + +"Je gaat weg?" vroeg Van Plaswijk verschrikt, bleek wordend.... + +"Waarachtig!" riep Wouter. "Ik zal toch wel zorgen dat 'k aan den kost +kom,--zóó schitterend is mijn positie hier toch ook waarachtig niet!.... +U weet heel goed, dat de zaken beroerd gaan, dank zij al uw mooie +plannen! en over 'n jaar of drie .... is alles uit!.... Dan is 't geld +van uw vrouw op en dan zult u weer wat anders moeten beginnen, 't +twaalfde ambacht, 't dertiende ongeluk...." + +"Vlegel!" riep oom Frits, opstaand, "brutale vlegel!...." + +"Ba!" zei Wouter, "als 't op scheldwoorden aankwam, dan zou ik er +zooveel weten, die raak waren!.... 'k Groet u!.... 'k Zal me boel +natuurlijk allemaal opruimen--u kunt 't van middag van me overnemen--of +laten overnemen, want zelf zoudt u er niet veel van snappen!...." + +Pas toen hij weer voor zijn lessenaar stond en daar al de dingen zag +waar hij zoolang mee verkeerd had, allen dag, kleine dingen waar hij +aan gehecht was zonder 't te weten, en den jongste-bediende, die +aandachtig een lange punt aan zijn potlood zat te slijpen, toen pas +begreep hij wat hij had gedaan. Hij had er geen plan op gehad, dien +morgen, maar 't was hem te machtig geworden. Wat 'n wellust was 't +geweest dien man zijn verachting in 't gezicht te spuwen. O, lang niet +genoeg had hij nog gezegd! lang niet genoeg, .... er was nog zooveel, +zooveel! Een oogenblik wou hij weer terug, opnieuw woedend nu hij voelde +wat hij ging doen, nu hij met één blik een langen weg van misère voor +zich zag: 't aan zijn meisje vertellen, aan haar vader, een nieuwe +betrekking, getuigschriften.... Maar hij bedwong zich. Hij leunde een +poosje soezend op zijn lessenaar .... en begon toen, kalm, gelaten, +alles op te ruimen .... sorteerend zijn papieren .... opschrijvend wat +er gedaan moest worden.... + + + + +XIV. + + +'t Was twee uur toen hij langzaam, aarzelend, omkijkend, zijn kantoor +den rug toedraaide--voorgoed. Maar toen hij den hoek van de straat om +was begon hij harder te loopen. Hij verlangde nu naar zijn meisje--hij +verlangde naar haar liefkoozende omhelzing--hij had er behoefte aan +begrepen en getroost te worden. En zij zou hem begrijpen, zij moest hem +begrijpen, .... hij kon daar niet langer blijven, dat was toch +duidelijk!.... Hij liep aldoor harder, hijgend kwam hij aan, opgewonden, +zenuwachtig. Hij had zich warm geloopen, zijn gezicht was vol roode +vlekken. Hij vond Margreet boven op de voorkamer, alleen. Zij schrok +toen ze 'm zag. "God, Wouter! wat is er gebeurd," vroeg ze. "Wat is er?" + +"Niets, lieveling, niets," zei hij, "als ik jou maar weer heb, is al het +andere niets!" En hij drukte haar tegen zich aan, vol innige behoefte +aan haar liefde en kuste haar op 't voorhoofd en de oogen. + +"Maar wat is er dan toch eigenlijk," vroeg ze angstig, zich losmakend +uit zijn armen om hem aan te kijken. + +"Ik heb me'n congé genomen, ik .... ik heb ruzie gehad met oom Frits, ik +ben er weg! Maar 't is niets! .... 't is allemaal niets! .... ik zal wel +wat anders vinden .... ik zal...." + +Maar zij luisterde niet. Hevig verschrikt viel ze in: "Wat? ben je weg +uit je zaak?.... God! hoe komt dat? .... wat is er gebeurd?...." + +Toen begon Wouter 't pijnende verhaal van hoe hij gezorgd en gezwoegd +had, opkroppend zijn grieven, aldoor nog hopend, dat 't wel beter gaan +zou, maar hoe nu zijn oom zich over hem was komen beklagen bij zijn +moeder (hij zei niet wat Frits over haar had gezegd) en dat 't 'm nu +vanmorgen de baas geworden was, 't opgehoopte verdriet, de verachting +voor dien man, die hem bedrogen had, gemeen bedrogen, de woeste woede +tegen dien ploert. Hij wond zich weer op, hij liep door de kamer, hij +stampte op den grond, hij sloeg met zijn hand op de tafel van +niet-in-woorden-te-uiten ergernis. + +Zij luisterde met schrik in haar oogen, met open mond, niet begrijpend. +En toen hij uitgewoed had en naar haar toe kwam en, in ééns heel zacht +gestemd, fluisterde: "Maar, niet waar, lieveling? jij zult me wel +troosten, en helpen?" toen keek ze hem aan met 'n koele verbazing, die +hem diep trof. Hij werd bleek, hij stamelde: "Je begrijpt toch wel, dat +'t niet anders kon, hè?" + +"'k Weet 't niet," zei ze,.... "nee, ik begrijp je niet, ik begrijp er +niets van, niets!.... Wat wil je nu doen?.... Wat wil je nu +beginnen?.... Ik heb altijd gedacht dat je zulke mooie vooruitzichten +hadt .... waarom heb je 't me niet eer verteld?" + +"Maar, lieveling, is 't dan niet altijd vroeg genoeg voor zulke dingen?" + +Er kwam meer en meer teleurstelling in haar trekken. Zij begon zich ook +op te winden: "Ik had gedacht dat we komend jaar wel zouden trouwen, +.... dat je dan een mooie positie hebben zoudt!.... Wat moeten we nou +doen?.... Hoe lang zullen we wel geëngageerd moeten zijn?...." + +"Maar ik zal er immers dadelijk op uit gaan, .... ik zal wat anders +zoeken!" + +"Wat anders! .... wat bedoel je?.... Een betrekking als bediende? Zullen +ze je daar ook maar dadelijk compagnon maken?" + +"Nee .... nee .... maar dat hoeft toch ook niet.... Er zijn wel goede +betrekkingen...." + +"Zooals die van Wim bijvoorbeeld, hè?" viel ze in, met minachting in +haar stem, die hoog klonk, schel. + +"Greetjelief .... wind je niet zoo op .... toe, blijf kalm! .... ja, +ja, bijvoorbeeld zooals Wim, of beter nog...." + +Zij lachte schamper. Zij schudde haar mooi kopje met een trotsch gebaar. + +"Zooals die pummel .... die .... ba! .... je meent 't toch +niet?--bespottelijk! Vergelijk je mij dan ook met Anna, dat schaap...." + +"Greetje! .... bedaar! .... spreek zoo niet!...." zei hij, haar handen +pakkend. + +Maar zij rukte zich los. "Bespottelijk!" riep zij nogmaals uit. "Stel je +voor: me man is klerk! .... och nee maar, dat meen je niet!" + +"Greetje, .... Greetje, .... och God! spreek nu niet zoo! .... niet op +dien toon! .... dat heb je nog nooit gedaan! .... houden we dan niet van +elkaar! en is dat niet 't voornaamste, 't eenige, 't eenige noodige?.... +Heusch, lieveling, we zouden toch niet op den duur kunnen blijven leven +zooals we nu doen. Al dat uitgaan en zoo...., dat zou op den duur toch +niet gegaan zijn...., maar dat is immers allemaal niets, mijn lieve +lieveling, niets, niets!" En hij sloeg zijn arm om haar heen, wilde haar +tegen zich aandrukken. + +Maar weer rukte ze zich los. Ze ging tegen de tafel staan leunen met een +boos gezicht. Ze was rood geworden, haar donkere oogen gloeiden; +heerlijk mooi was ze zooals ze daar stond. + +"Greetje," fluisterde hij wanhopig. + +"Och!" zei ze, "je bent 'n driftkop .... je zegt dat je van me houd, +maar je denkt niet aan me, .... je doet maar net wat je in 't hoofd +komt...." + +"Greetje!" + +"Je houdt niks van me, heelemaal niks! .... je bent 'n egoïst, ga maar +weg, ga maar weg!" + +"Greetje," herhaalde hij nog eens. En toen, in zijn overspanning, +verlamd door de onverwachte slagen van haar woorden, viel hij neer op 'n +stoel en schreide luid uit en klaagde over zijn bitter verdriet en +smeekte haar toch niet zoo hard, zoo wreed voor hem te zijn. Maar zij +zweeg, aldoor leunend tegen de tafel en toornig turend op den grond. +Eindelijk werd hij zich weer meester, hij stond op en begon uiterlijk +kalm, met een weeke stem, nu en dan nog heftig snikkend, tegen haar te +praten van liefde en opoffering, van lief en leed samen deelen, van +vertrouwen op elkaar. + +Toen liep ze eerst naar 't raam en keek naar buiten. Zij kreeg tranen in +de oogen en ze wilde niet, dat hij 't zien zou. Maar eindelijk viel ze +neer op een stoel en begon ook luid snikkend te huilen. "Ga nou weg," +kreet ze, "laat me nou huilen!" + +"Zeg dan dat je van me houd, Gree, toe, lieveling, zeg dat dan nog +alleen," bad hij. + +"Nee! .... nee! later .... misschien .... ga nou eerst weg! .... laat +me uithuilen .... laat me alleen! .... ga nou weg .... toe, ga nou weg!" + +Toen ging Wouter. + + + + +XV. + + +Weer zat moeder Rubrecht alleen voor 't raam in de achterkamer te mazen +een wollen sok voor haar man. Alleen, want Anna was gaan wandelen met +een vrindin; alleen in 't stille huis; alleen met haar droeve gepeinzen, +zich met wellust overgevend aan haar mijmeringen, die in haar hingen, +zwaar als wierookwalm, haar vullend gansch en al met bedwelmenden geur. +Ze hoorde 't getik van de klok niet, 't eenige geluid in huis, en ze zag +haar handenbeweeg zonder bewustzijn. Alleen als ze kuchte schrok ze op +en keek naar de klok. + +Eerst had ze aan Wouter zitten denken. Of hij vandaag al met Frits zou +gesproken hebben en hoe 't zou afloopen en wat Margreet zeggen zou, als +hij soms wegging bij Frits, .... ja, wat zij zeggen zou en doen, dat was +'t voornaamste, daar hing alles van af. Dan voor 't eerst zou ze weten +of Margreet genoeg van Wouter hield.... Maar ze had over Wouter en zijn +meisje al zoo veel gedacht, al zoo lang getobd, al zoo lang, dat 't als +verlamd was haar denken daarover alleen, dat ze de energie niet meer had +haar gedachten scherp daarbij te bepalen, daarop te concentreeren.... + +En haar gepeinzen zetten uit, ze werden breeder, breeder, wegvloeiend in +haar melancholie en 't was haar weer als walmden haar mijmeringen uit +haar op, als vulden ze de kamer en de binnenplaats en als kronkelden ze +zich over de huizen, neerhangend op de daken en op de straten en over +den ganschen grond rondom.... + +En ze dacht weer aan haar dood.... Ze zag zich liggen geelbleek onder +witte lakens in een houten kist, die stond midden in een groote kamer en +die kamer midden in een groot leeg huis. En ze hoorde een klok dof +brommen, aldoor den zelfden toon: bom .... bom .... bom .... En haar +zware gedachten, opgeurend uit de vreemde plant in haar, drongen uit al +de ramen van 't huis en overvloeiden overal de zwarte aarde rondom. En +eerst als al de gedachten uit haar waren weggevloeid, dan viel de bloem +af, dan liet de plant zijn takken hangen en stierf in haar leege +lijf.... De klok hield op met luiden en 't was stil in haar .... stil +.... dood .... Dan zullen ze, dacht ze, mijn lichaam opnemen en begraven +en ze zullen een steen leggen op de aarde daar waar ik lig. En er zal +sneeuw vallen overal, .... overal .... en ook de steen zal onzichtbaar +zijn .... en _dan_ zal ik rusten.... + +Plotseling sloeg de voordeur dicht met harden slag en kwam iemand +driftig de trap oploopen. En haar gemijmer spatte uiteen en was +vervlogen en ze voelde een scherpsnijdenden angst. Ze herkende den stap +dadelijk, 't was Wouter. Ze stond half op, haar maaswerk in haar rechter +hand geklemd, met open mond kijkend naar de deur. Hij kwam binnen, +bleek, ontdaan en liep op haar toe: "O, moeder, moeder! wat moet ik nou +doen," kermde hij, en zij zonk neer op haar stoel en hij naast haar op +zijn knieën en zij nam zijn hoofd in haar handen. Toen snikte hij 't +uit, zijn groot leed. En hij begon te vertellen. Snel sprekend met 'n +heesche stem zei hij zijn moeder hoe 't gegaan was, eerst bij oom Frits +en toen bij haar, bij Margreet. Hoe ze hem had aangekeken en alles wat +ze gezegd had. O! Ieder woord had hij gevoeld als een slag. Hij was er +onder bezweken, hij had gehuild en geklaagd en haar gesmeekt niet zóó te +zijn tegen hem! Eindelijk had hij zich toch overmand, zich met de +uiterste inspanning tot kalmte gedwongen en met haar gepraat.... Maar +niets, niets had dat gegeven allemaal! Ze was op 'n kanapee +neergevallen en had gesnikt en gehuild en geroepen dat hij nu maar weg +moest gaan! aldoor dat hij weg moest gaan!.... Beneden was hij haar +vader tegen 't lijf geloopen, die naar boven wou komen om te hooren wat +er gaande was, en hij had 't hem gezegd, en de oude man had 't hoofd +geschud, hij had erg bedrukt gekeken--maar hij had hem toch op +hartelijken toon beloofd, dat hij hem helpen zou en hem gezegd, dat hij +dien oom al dadelijk niet best had kunnen zetten. Hij had 't wel +gedacht, dat die vent 't achter de mouw had, dat had hij gezegd.... + +Maar o! dat Margreet hem zoo had kunnen behandelen .... o God! o +God!.... + +En hij snikte met lange snikken, zijn hoofd achterover tegen haar arm +leggend, zij voelde 't schokken tegen zich aan. + +Zij huilde ook en beklaagde hem en gaf hem lieve naampjes en deed haar +best hem te bedaren. Ze stond op, terwijl hij naast den stoel bleef +liggen en gaf 'm een glas water. Hij slurpte wat naar binnen. Toen werd +hij kalmer en ging op een voetkussen zitten en nam z'n hoofd in z'n +beide handen. Zóó voor zich uit starend klaagde hij en morde tegen zijn +lot en tegen de menschen. En 't was haar of zij zelf die woorden sprak; +zij voelde met weemoedig genot de overeenkomst van hun zielen. Zij liet +hem lang alleen praten. Eindelijk boog ze zich over hem en zei zacht: +"Wouter! .... 't gaat zoo niet, hoor! .... je moet 't afmaken." + +"O, moeder, moeder! hoe kan dat nou? .... hoe kan dat nou?!...." + +"Heusch, mijn jongen, 't moet, 't moet .... je zoudt niet gelukkig +kunnen zijn .... geen van beiden." + +"Gelukkig zijn? .... och, maar dat is immers toch onmogelijk!...." + +Zij zuchtte. "Voor jou mag 't niet onmogelijk zijn," zei ze. + +"Bent u gelukkig, moeder?.... bent u 't ooit geweest?" + +"Nee...." fluisterde ze. + +"Och, 't kan ook niet!.... 't kan ook niet! .... je houdt toch altijd je +zorg! .... 't leven is nu eenmaal zoo vreeselijk wreed en hard, .... +maar daarom hoeft _alles_ toch nog niet uit te zijn! .... o! laat me +haar houden! .... u weet niet hoe ik van haar houd, moeder, .... u weet +'t niet!" + +"Je hebt al zooveel zorg door haar gehad!" + +"En altijd ben ik meer van haar gaan houden!" + +"Ze heeft je zóóveel verdriet gedaan .... vandaag nog!" + +"En toch houd ik van 'r, meer dan ooit!" + +"Maar Wouter, als ze nou toch 's niet zooveel van jou hield!" + +"O, moeder! zeg dat niet .... zeg dat niet! .... 't is zoo vreeselijk!" + +"Arme jongen, .... wees sterk, .... wees sterk! .... denk je dat ik 't +zeggen zou, als ik 't niet zeker wist? ... o, ik weet 't, ik voel 't zoo +goed, Wouter, .... ze houd niet van je zoo als jij van haar!" + +"Maar, moeder! wat moet ik dan doen dat ze meer van me gaat houden!" + +"Arme goeie jongen...., ik geloof niet, dat je daar iets aan doen +kunt...., je kunt niet anders zijn dan je bent, en, .... nietwaar? dat +zou je ook niet willen?...." + +"O! moeder! .... ik ben zoo wanhopig!...." + +Ze keek even rond, schichtig, alsof ze iets ging doen, wat ze niet doen +mocht.--Toen boog ze zich weer over hem en fluisterde: "Wouter, 't is +nog tijd nu, .... denk 's hoe vreeselijk 't zijn zou, als je al getrouwd +was en je merkte dan, dat je vrouw niet genoeg van je hield...., o maar, +dat is zoo verschrikkelijk!.... Ik weet 't .... ik weet 't, geloof +me...., ik zelf heb pas toen ik getrouwd was ingezien, dat ik nooit +zooveel van je vader zou kunnen houden als noodig was.... Toen ben ik +ook wanhopig geweest...., maar 't was eenmaal zoo .... ik moest mijn +leven lang oppassen...., altijd oppassen, dat hij 't niet merken zou.... +Toch zal hij 't wel voelen.... Maar jij bent niet zoo als hij, +Wouter!.... Jij zoudt er ziek van worden...., 't zou jou dood zijn.... +O, Wouter, mijn eenige lieveling, mijn alles, alles! je doet 'n misdaad +tegen je zelf als je haar trouwt!" + +"In Godsnaam, moeder, dan maar 'n misdaad, ik kan haar niet missen!" + +"Ze bedriegt je...." + +"Dan wil ik maar bedrogen worden!...." + +"Maar _ik_ wil 't niet," zei ze toen opééns met veel vuur, met kracht, +niet een heel andere stem, "ik wil 't niet, versta je! .... je zult niet +bedrogen worden .... nooit! .... nooit! .... jij bent mijn eenige troost +in 't leven, mijn eenige rijkdom, en trots! .... jij _zult_ gelukkig +worden, .... 't moet!.... Ik wil niet, dat zij je ongelukkig maakt, +hoor-je, Wouter, ik wil 't niet!" + +En plotseling stond ze op en liep de kamer uit. Hij bleef nog even +zitten, z'n hoofd in z'n handen, maar toen, dof-vermoedend wat zijn +moeder ging doen, liep hij haar achterna. Hij hoorde haar boven, hij +liep de trap op. Daar stond ze al met 'n hoed op en 'n mantel in de +hand. "Waar gaat u heen?" vroeg hij angstig. "Naar Margreet," zei ze, +vlug, met vaste stem, "ik ga haar spreken." + +"U wilt 't gaan afmaken!" + +"Dat zal aan haar liggen," antwoordde ze, ontwijkend. + +"Toe, moeder, doe dat nou niet .... doe dat nou niet...." klaagde hij. + +Maar zij trok haar mantel aan en gaf geen antwoord meer, bijtend op haar +lippen, strafstarend met wijde oogen.... + +Hij leunde tegen den deurpost met hangend hoofd, hij was heelemaal +gebroken en op. + +"Wat zal ik zeggen als vader thuis komt, en Anna," vroeg hij. + +"Zeg maar, dat ik naar Margreet ben,--ik mag toch zeker wel naar 't +meisje van mijn zoon gaan, als ik daar lust in heb?" + +Haar stem was hard, brutaal scherp,--heel vreemd. + +Wouter kreeg een gevoel van vrees, hij was bang voor zijn moeder--hij +dacht plotseling aan waanzin, hij zag ellende overal om zich heen! +Strompelend liep hij naar zijn kamertje, boven, zijn zolderkamertje, +waar hij neer viel op een stoel, bevend, klappertandend. Telkens gingen +er rillingen over zijn rug. + +Zijn moeder ging naar beneden. Maar toen ze nog op de boventrap was +hoorde ze de voordeur open gaan. Dat was Rubrecht.... Hij zou vragen +waar ze heen ging.... 't Was misschien toch niet goed nu te gaan.... +Maar morgen, ja! .... dat was beter, morgen ochtend zou ze gaan .... en +eerst nog afwachten wat de avond brengen zou. Ze kwam weer terug. + + + + +XVI. + + +Zwijgend zaten ze aan tafel. Anna keek met angstige nieuwsgierigheid van +Wouter naar haar moeder en van haar moeder naar Wouter. Rubrecht vroeg +eindelijk goedig, weifelend, 'n beetje bedeesd: "Wat is er, Wouter, heb +je weer wat met oom gehad?...." + +"Ja, ja!" viel toen de moeder, weer met die vreemde scherpheid, +schielijk in. "Wouter heeft ruzie gehad met Frits en hij is er weg." + +Anna schrok. "Hemel!" riep ze. + +De oude vader fronsde zijn grijze wenkbrauwen en bromde, terwijl hij de +sauskom naar zich toe trok en zich langzaam bediende: "Ruzie, ruzie! +.... kom, kom! dat moet niet, .... dat moet toch niet!.... Wat is er +eigenlijk, Wouter? Heb je...." + +Maar Wouter viel hem in de rede: "Vader, laten we er nu niet over +spreken, nu nog niet. Later zal ik u alles wel vertellen!...." + +"Goed! .... goed, jongen," bromde de oude man weer en at langzaam +kauwend door, soms tusschen twee aardappelen mompelend: "Ruzie! +ruzie!...." + +Vóórdat 't korte maal nog afgeloopen was stond Wouter op. + +Hij ging uit. + + + + +XVII. + + +Om twee uur 's nachts kwam Wouter thuis. Zijn moeder hoorde hem zacht +stommelend de trap opkomen. Toen liet ze zich 't bed uitglijden en sloop +naar 't portaal, waar ze hem opwachtte. 't Was er donker. Alleen viel +langs de deur van haar slaapkamer, die ze op een kier had gelaten, een +smalle streep schemerlicht op den gekalkten muur. Daar ging ze staan, +zoodat hij haar zag toen hij de tweede trap opkwam. Hij huiverde van +schrik. "Ben je daar, Wouter," zei ze, "Goddank!" "Moeder, u zult kou +vatten, gauw naar binnen!" "Ben je bij haar geweest? hoe heeft ze je +ontvangen?" fluisterde ze. "Ze heeft me heelemaal niet ontvangen," zei +hij somber, .... "ze kon niet .... ze was naar bed gegaan met hoofdpijn, +zei meneer...." "En wat heb jij dan gedaan den heelen avond?" "Ik? .... +'k weet niet...., 'k heb geloopen...., overal rondgeboemeld.... Toe, +moeder, ga nou naar binnen! ga nou slapen!.... Vader zal wakker worden +.... nacht moeder!" En hij liep langzaam door naar zijn kamertje. Zij +hoorde hem naar binnen gaan, de deur sluiten, nog wat +rondstommelen--toen werd alles stil.... + +Ze ging naar binnen en terug in 't groote bed, waar Rubrecht sliep, +achterover liggend, zwaar ronkend als oude mannen doen. Huiverend trok +ze haar deken om zich heen en ging scherp liggen denken aan morgen, wat +ze zeggen zou. En plotseling trof 't haar met een schok dat ze Margreet +haatte, met staalharden haat, en zij voelde zich sterk en vol +strijdlust; zij voelde zich een tijgerin, die haar jong moest verdedigen +tegen een vijand.... + +"Ze zal 'm niet hebben! .... nooit!" mompelde ze. + + + + +XVIII. + + +'t Was tien uur in den volgenden morgen toen mevrouw Rubrecht--nietig +vrouwtje in haar eenvoudig zwart manteltje, met haar simpel stroohoedje +op--voorzichtig de voordeur achter zich dicht trok zonder slag--en, +schichtig omkijkend, langs de huizen voortliep, op weg naar 't huis van +Smit. Wouter was nog niet beneden gekomen, hij was loom blijven liggen +in z'n bed, hij had geklaagd dat hij zoo moe was. De dikke drukker +ontstelde even toen hij 't bleeke vrouwtje zag--ze was dadelijk 't +kantoor binnengeloopen, "Hé, hé!" riep hij uit, en vroeg, 'n beetje +angstig: "er is toch geen onraad?" + +"Nee .... nee! .... maar kan ik u even spreken, meneer Smit? .... +alleen?" + +"Wel zeker, mevrouwtje, wel zeker," zei Smit, die een kleur kreeg, "gaat +u mee, .... gaat u mee naar boven!" + +Ze gingen samen naar boven en hij liet haar in de voorkamer, en gaf haar +een stoel, aldoor met blijkbare verlegenheid pratend in kleine +uitroepjes: "Wel! .... wel! al zoo vroeg er op uit!.... Ja! zeker over +Wouter, hé? .... 'n lastig geval, mevrouwtje, jammer! .... jammer!" + +"U meent dat hij bij me broer weg is .... ja! .... maar, ziet u .... dat +is toch eigenlijk zoo erg jammer niet!" + +"Niet?" vroeg Smit, verwonderd. + +"Nee .... och, .... als twee menschen nu eenmaal niet bij elkaar passen +moeten ze ook niet samen blijven, vindt u ook niet? .... en--u weet dat +misschien niet--maar de zaken schijnen daar niet zoo heel best te +gaan.... Ten minste Wouter verdiende niet veel! .... och! dat heeft 't +'m eigenlijk gedaan, hij had natuurlijk op beter toekomst gerekend...." + +"Maar .... 'm gedaan? .... wat bedoelt u?" + +En zij, op den man af: "Zeg me 's rond uit, meneer Smit, hebt u wel 's +gemerkt, dat Wouter schulden maakte?" + +Hij dadelijk met heldere stem: "Nooit, mevrouw!.... Wouter +schulden!--Dat valt me niet mee van 'm!" + +"Ik dacht wel, dat u 't niet weten zoudt! .... ziet u, zoo _heel_ veel +is 't nu ook niet, geloof ik, .... maar hij heeft toch geld geleend, van +mijn broer, .... van vrinden, .... van Margreet!" + +"Van Margreet ook?" Smit werd onrustig en warm. + +"Ja, van Margreet ook! .... ik weet niet hoeveel .... maar ik denk, dat +'t nog al wat zal zijn." + +"Maar! .... ik begrijp er niets van!.... Waarom deed hij dat! waar was +al dat geld voor?" + +"Voor uitgaan .... comedies, concerten, voor cadeautjes aan haar!" + +Smit stond op en liep een paar maal de kamer op en neer. "Maar dat is +heel verkeerd! heel verkeerd van Wouter en van Greetje!.... Vindt u goed +dat ik haar even roep?" + +"Wacht u nog even, meneer Smit," zei ze vlug, met een zenuwachtige +beweging van haar hand naar haar hoofd? Ze wist niet hoe ze 't hem nu +verder zeggen zou, waarvoor ze gekomen was. Ze keek dwars rimpelend 't +blanke voorhoofdvel angstig voor zich en zweeg. + +Hij kwam weer naar haar toe, maar ging niet zitten. Blijkbaar was hij +zeer ontsteld nu, hij wachtte strak op haar neerkijkend. Plotseling +wierp ze met een hartstochtelijken ruk haar hoofdje achterover en hem +aankijkend zei ze vlug achter elkaar, zenuwachtig vlug: "Meneer Smit, +.... och God! ik zal 't je maar zeggen, ik ben gekomen om 't af te +maken, ik kan 't niet langer aanzien zooals Wouter tegenwoordig leeft. +De jongen lijdt, meneer Smit, hij gaat gebukt onder den last van zijn +leven. En dat moet toch niet, hij is nog zoo jong, niet waar? Margreet +is niet de rechte vrouw voor hem, zij houdt te veel van de weelde en die +kan hij haar niet geven!.... Ik geloof ook niet, dat zij genoeg van 'm +houdt, .... dat is eigenlijk de hoofdzaak! Maar hij houdt vreeselijk +veel van haar, hij verafgoodt 'r letterlijk! .... daarom is 't ook zoo +hard, zoo bitter hard voor hem!.... Maar 't kan toch niet langer zoo, +meneer Smit, waarachtig, ik voel 't, 't kan zoo niet langer." (Ze stond +op, ging een stap dichter naar hem toe en keek hem smeekend aan.) "En +daarom, meneer Smit!--u houdt toch ook van Wouter, dat weet ik--doe met +mij wat u kunt om 'r een eind aan te maken.... Voor Margreet kan 't zoo +erg niet zijn, 't kan niet, 't kan niet, dat ze zooveel van hem houdt, +dan zou ze anders zijn.... Voor hem wél, voor hem zal 't verschrikkelijk +wezen, .... maar ik denk maar, ziet u, later, later zal hij wel inzien, +dat 't niet goedgegaan zou zijn. En, niet waar? hoeveel vreeselijker zou +het zijn, als hij, pas als ze getrouwd waren, zou merken dat ze niet +genoeg van hem hield...." + +Ze zweeg weer. Smit sprongen tranen in de oogen. Hij kon niet dadelijk +wat zeggen. Haar stem was 't vooral die hem aangegrepen had; er was +zooveel diepe smart in haar stem, ja soms klonken haar woorden als +wanhoopskreten. Toch had ze zacht, bijna toonloos gesproken, zonder alle +zucht naar effect. Hij voelde, dat ze heelemaal waar was, dat er geen +zweem van aanstellerij, van mooi-doen was in haar. + +Eindelijk opperde hij weifelend: "Ziet u 't niet wat te zwart in?...." + +"Nee! .... meneer Smit, ik zie 't niet te zwart in...., heusch niet! Al +zoo menigmaal heb ik op 't punt gestaan om naar u toe te komen om er +over te spreken, maar och! .... dan zei ik altijd maar weer tegen me +zelf: Je ziet 't te donker in, je bent 'n melancholiek mensch, je ziet +alles, alles in 't donker. Maar nu moet 't, waarachtig! Weet u hoe ze 'm +gisterenmiddag ontvangen heeft?.... En 's avonds heeft ze 'm heelemaal +niet willen zien!...." + +"Ze had hoofdpijn!...." + +"Ja, ja," zei Wouter's moeder met een droevigen glimlach, "ze had +hoofdpijn." + +Beiden zwegen. Zij ging weer zitten, hij ook--stil, in elkaar gezakt, +met z'n handen op z'n knieën. De anders altijd drukke bewegelijke man +was als geslagen.... "Wat zullen we doen?" vroeg hij, toen 't zwijgen +pijnlijk werd, met weifelende stem. + +"Laat haar nu hier komen, meneer Smit, laten we met haar praten." + +"Nu? .... nou dadelijk?" vroeg hij, opziende tegen de scène. + +"Ik geloof werkelijk, dat dat 't beste is," antwoordde zij. + +Hij ging naar de deur en riep: "Gree!.... Gree!" + +En ze kwam. + +Ze liep, vriendelijk glimlachend als altijd, naar mevrouw Rubrecht toe. +"Hé! zoo vroeg al? .... hoe gaat 't u, mevrouw?" + +Maar eer ze nog 't kleine vrouwtje 'n hand reiken kon, vroeg haar vader, +kortaf, 'n beetje bar om zijn weekheid te verbergen: "Je hebt geld +geleend aan Wouter?" + +Ze schrok van die vreemde stem. Ze keerde zich naar hem om. Ze werd +bleek. "Ja! .... ja, pa!" zei ze. + +"Veel?" + +"'n Hondervijftig gulden is 't zoowat bij elkaar!...." + +"Zoowat? Weet je 't niet precies?" + +"Nee--, ik weet 't niet precies." + +"Weet je 't niet precies?" vroeg hij nog eens, zich over die kleinigheid +opwindend. "Hoe komt 't, dat je 't niet weet? Schrijf je zulke dingen +niet op?...." + +"Och! meneer Smit," viel toen moeder Rubrecht in, op zeer kalmen, bijna +plechtigen toon,--want ze was zich nu heelemaal meester, nu ze haar +vijandin tegenover zich zag--, "laten we daar nu niet over praten! Mag +ik 's wat aan Margreet vragen?" + +"Zeker! .... zeker!...." bromde Smit. + +Margreet durfde mevrouw Rubrecht niet aanzien. Zij trok een +onverschillig gezicht, liep naar 't raam en keek naar buiten. Toen stond +'t vrouwtje op en ging ook 'n paar stappen naar 't raam, zoodat ze +achter Margreet stond. Ze steunde op de leuning van een stoel. "Ik heb +je _nog_ 's ééns gevraagd, wat ik je nu weer vragen zal; Margreet: houd +je wel genoeg van Wouter? Ik geloof, dat je me toen niet goed begrepen +hebt. Ik hoop, dat je me nu beter begrijpen zal. Luister goed. +Houd--je--wel--genoeg--van--Wouter? Is bij hem te zijn wel 't +heerlijkste wat er is voor je? Zou je alles wat je verder op de wereld +bezit willen missen om hem alleen?.... Zou je ellende, verachting, +alles, met hem willen dragen? Zou je jezelf vermoorden om hem te redden? +.... als je kinderen kreeg, zou je ze dan liefhebben omdat 't zijn +kinderen waren? .... en als je ze niet kreeg, zou dan toch je gansche +verdere leven, dat zoolang kan zijn, nog wel vijftig, nog wel zestig +jaar, zouden al die jaren gevuld worden door hem alleen?.... + +Margreet bleef staan. Ze tuurde aldoor naar buiten, ze verroerde zich +niet. + +Haar vader liepen de tranen in z'n baard. + +"Zeg, Margreet!" begon de moeder weer, "kan-je nu weer antwoorden zoo +als toen?" + +Langzaam draaide 't meisje zich om. Ze was bleek, geelbleek, en er was +een zenuwachtig trekken om haar mond. + +"Nee! ...." zei ze fluisterend, .... "eigenlijk geloof ik niet, dat +ik...." + +"Maar Greetje!" riep de vader uit, zich afwendend om zijn aandoening +meester te worden, "hoe kom je nu zoo...." + +"Je gelooft 't niet?.... Nee! je weet heel zeker, dat je _niet_ zooveel +van 'm houdt," ging nu moeder Rubrecht voort en haar stem kreeg weer dat +onaangenaam scherpe, "je moet 't al dikwijls gevoeld hebben, dat kan +toch niet anders!.... En toch heb je 'r nog geen eind aan gemaakt!.... +Waarom dee-je dat niet? Om toch maar geëngageerd te zijn, toch maar uit +te gaan?...." + +"Ik heb er nooit zoo ernstig over gedacht," zei ze, plotseling +uitbarstend in hoog snikken. "Maar 'k zal 't hem nu wel zeggen.... Want +ik wil 't ook niet langer...., ik _wil_ 't niet...., ik ben altijd +vroolijk geweest en zonder zorg en tegenwoordig zie ik op tegen elken +dag!.... Hij weet van niets dan zorgen, zorgen, altijd zorgen!.... Hij +zet haast nooit 's 'n vroolijk gezicht.... Me vrindinnen vragen wat of +hij heeft, of hij ziek is.... 't Is 'n akelige jongen! ik wil 'm niet +hebben .... nooit! .... nooit! ziedaar!" En ze stampte op den grond en +huilde luid en liet zich achterover vallen in een gemakkelijken stoel. + +"Margreet!" riep de vader, nu heel boos, vuurrood in zijn gezicht, "ik +wil niet, dat je zoo spreekt! Hoe kom je zoo gek je 'r iets van aan te +trekken wat je vrindinnen zeggen?.... Je bent heel oppervlakkig .... +heel lichtzinnig!...." + +"'t Is toch niet waar!" huilde 't meisje weer, "ik ben niet +lichtzinnig!.... Omdat ik nou vroolijk ben en levenslustig! .... daar +ben ik toch jong voor!.... Waarom, zou ik nu al altijd zuur moeten +kijken!.... En als ik te veel van plezier houd .... en uitgaan .... en +van mooie dingen koopen en zoo .... dan komt dat allemaal alleen doordat +u me verwend hebt!.... 't Is uw schuld!.... Ik kan nou niet anders +meer...., ik kan toch me zelf geen geweld aandoen!...." + +Smit zweeg en zuchtte. Mevrouw Rubrecht ging naar hem toe, gaf hem 'n +hand en zei zacht: "Ik dank u wel voor uw hulp, meneer Smit...., en ik +laat 't nu verder aan u over...., spreekt u met haar .... en laat ze +Wouter .... laat ze Wouter .... ja, 't zal 't beste zijn, dat ze hem +afschrijft. Want als hij haar weer ziet of spreekt .... misschien...." + +"Goed!.... Goed!.... zei Smit, "ik zal met haar praten...." + +Toen ging de moeder weg, zonder zelfs meer om te kijken naar 't meisje +dat daar op dien stoel lag. + + + + +XIX. + + +Wouter was eindelijk opgestaan, tegen twaalf uur, en naar beneden +gekomen. Hij vond zijn moeder alleen aan de gedekte koffietafel, bezig +met de koffie....; hij groette haar met 'n zacht vrindelijk "Morgen, +moedertje!" en ging op 'n stoel zitten, die ergens tegen den muur stond. +Z'n handen in z'n zakken, z'n beenen rechtuitgestoken zat hij daar +zwijgend voor zich te turen. Zij kwam naar hem toe, keek hem teeder aan +en gaf hem een zoen op z'n voorhoofd. "Hoe is 't nou, Wouter, voel je je +nog zoo moe? heb je geen hoofdpijn?" + +"Nee!...." + +"Mijn goeie arme jongen, _mijn_ jongen, je moet wat doorstaan dezer +dagen, .... maar je zult je er wel flink onder houden, hè?.... Je bent +immers altijd mijn flinke Wouter geweest!.... Beloof je 't me?" + +"Zeker, moeder, zeker!" zei hij flauw glimlachend. + +Ze zwegen weer. Ze zeurde wat in de kamer rond, keek nog 's in de +koffiekan, verzette 'n paar kopjes. + +"Zeg moeder!" + +"Wat is 't?" + +"Dat plan van naar Margreet gaan hebt u toch uit 't hoofd gezet?" + +Zij gaf geen antwoord. Zij keek den anderen kant op. + +"Zeg, moeder!...." + +"Waarom, Wouter?" + +"Waarom? .... maar, moeder! waarom? .... wel omdat dat toch niet kan! +.... maar, .... God! moeder! wat is er? .... u bent er toch niet al heen +geweest?.... Hebt u haar gesproken? Wat zei ze? Moeder! zeg! .... hebt u +'t toch willen afmaken?...." Hij was opgestaan, hij beefde, zijn stem +was heesch. + +"Wouter! Wouter! In Godsnaam, wees nou bedaard! .... wees nou flink!.... +Ja, ik ben er geweest en ik heb een eind gemaakt aan wat alleen op je +ongeluk uit kon loopen! Ik weet, dat ik er goed aan gedaan heb!.... Ze +zal je schrijven!...." + +Hij luisterde niet meer. Hij viel weer neer op zijn stoel. Hij greep met +z'n rechterhand naar z'n hoofd, wreef zich over z'n kort geknipt haar +met onbewust gebaar, als een krankzinnige. + +Zijn moeder kwam naar hem toe. + +Toen vloog hij op, de deur uit. + +"Wouter!" riep ze, "Wouter!" En in de gang: "Wouter!" + +Maar de voordeur sloeg dicht. + + + + +XX. + + +Buiten adem kwam hij voor de deur bij Smit aan. Hij schelde wild, en +toen de deur openging wou hij doorstormen naar boven, maar Smit--hij was +'t zelf--greep hem bij z'n arm. "Niet naar boven!" beval hij ernstig. + +"Ik moet, ik moet!" riep Wouter met een woesten ruk. + +"Je zult niet!.... Wie 's hier de baas, jij of ik? .... je zult niet +naar boven!" + +Wouter rukte aan z'n arm maar Smit hield stevig vast. + +"Je wilt toch niet, dat ik je de deur uit zetten zal, Wouter?" + +Toen gaf hij toe, bleef staan, hijgend. + +Smit schudde den arm, dien hij nog vast hield. "Arme jongen," zei hij, +met trillende stem, "ik heb bliksems met je te doen! waarachtig! .... +maar toe, wees nou flink! .... toon nou dat je 'n kerel bent, 'n +mannetjesvent, wat donder! Ga nou naar huis! .... ze zal je +schrijven!.... Geloof me, kerel, er is toch niets meer aan te doen, 't +is beter zoo!" + +"'t Is beter zoo .... 't is beter zoo," herhaalde Wouter met innige +bitterheid, "altijd beter zoo! .... als je gemarteld wordt...., als je +moet tobben en ploeteren en niets hebt dan verdriet, .... altijd: beter +zoo! beter zoo!" + +"Arme kerel, arme kerel! .... kom, wees nou bedaard! .... ga nou weg! +.... ze zal je schrijven van middag.... Ga nou weg, Wouter, .... maar +geef me eerst nog 'n hand, ouwe jongen!.... Ik heb er toch waarachtig +geen schuld aan, dat weet je wel!...." + +Wouter gaf hem zijn rechter hand; maar even lag die hand slap, zonder +actie, in Smit's knijpenden knuist. Toen ging hij weg, zwijgend, +langzaam, loom. Hij liep straten en grachten om. Hij wou niet naar huis, +niet zijn moeder zien. Hij liep den ganschen middag door, diep ellendig, +zich voelend als een schooier, armoedig, verloopen, door de menschen +vergeten. Tegen den avond at hij wat in een gaarkeuken, niet veel, hij +was te moe. Hij verbeeldde zich, dat alle menschen hem aankeken in die +gaarkeuken, ging er gauw uit, liep weer door.... + +Eindelijk ging hij naar huis, hij wou dien brief lezen. + + + + +XXI. + + +Voor zijn moeder was die middag één lange marteling. Waar was hij +heen?.... Waarom kwam hij niet thuis?.... + +Zij liep naar Smit, hoorde hoe 't daar gegaan was. Toen weer naar +huis!.... Neen, hij was er nog niet.... + +Waar dan?.... Denken dorst ze niet.... O, die angst, die +hartverschroeiende angst!.... + +De grachten liep ze langs en in het park dwaalde ze rond. Ze schrok +hevig toen ze 'n troep menschen ergens aan den waterkant zag staan. Weer +kwam ze thuis .... en, in wanhoop, wou ze ook weer dadelijk weggaan, +maar Anna, die vermoedde wat er gebeurd was, smeekte haar huilend thuis +te blijven; ze was immers ook veel te moe.... + +Ja, 't was waar, ze was wel moe, wel moe!.... + +Toen kwam Rubrecht van kantoor en in korte afgebroken zinnen en zonder +hem aan te zien, zei ze 'm alles. Hij was één en al verbazing, hij zat +met open mond te luisteren, hij begreep er niets van.... Wouter schuld! +Zijn engagement af!.... Ze wisten niet waar hij was!.... Maar dat was +verschrikkelijk!.... Ach, waarom moest hij dat nog allemaal beleven op +zijn ouden dag.... + +Inéén gedoken, voorover, zijn groot rond hoofd wiegend op zijn halsboord +zat hij suf te kijken, te staren, te mompelen. + +Moeder Rubrecht was ook op een stoel neergevallen, stil snikkend en +bijtend op haar zakdoek met wijdopen oogen. Anna stond bij het raam en +keek uit. + +De meid kwam zeggen, dat het eten op tafel was. + +Ze letten er niet op. + +Ze zwegen, ze wachtten. + +De vader vroeg alleen nog:.... "Hoeveel is 't .... die schuld....?" + +"'k Weet 't niet precies, .... 'n paar honderd gulden," zei zijn vrouw. + +Daar werd gescheld! Anna zei, dat 't de post was. De meid kwam weer naar +boven, klopte bedeesd, en Anna ging naar de deur en nam den brief aan. +"Van Margreet," zei ze alleen, en lei den brief op tafel. + +De moeder nam 'm op. Ja, daar stond 't, keurig geschreven: + +"Den WelEdelen Heer Wouter Rubrecht, E. V.".... + +Ze wachtten weer.... + +Eindelijk! daar sloeg de deur dicht.... "Daar is hij!" riep moeder +Rubrecht, blij opvliegend, kijkend naar de deur die opengaan zou. Ook de +vader draaide zijn dikke hoofd om naar de deur en Anna keek er half +afgewend naar. Hij kwam de trap op, hij was op 't portaal, .... hij liep +voorbij, naar boven!.... + +Zijn moeder nam de brief en ging hem achterna. + +"Wouter!.... waar ben je geweest? .... we waren zoo vreeselijk +ongerust!" + +"Ongerust? .... om mij?...." vroeg hij bitter.......................... +..................................................................... + +"Hier is de brief!" + +"O! dank u...." + +Hij bekeek het adres, .... brak den brief open.... Zij bleef staan bij +de deur. + +"Och, moeder! .... toe, laat me nou alleen!" + +"Ik wou zoo graag bij je blijven om je te troosten, .... maar als je +liever hebt, dat ik wegga...." + +"Ja! ja!" + +"Goed .... goed!...." En zij ging ... ze ging op de trap zitten. Ze +hoorde niets dan nu en dan wat gekraak of 'n kuch.... Na een uur ging ze +weer naar boven, zonder gedruisch, en klopte aan zijn deur. + +"Binnen!" hoorde ze zacht zeggen. + +Ze kwam de kamer in. "Wouter", zei ze, "ik ben niet gerust, voor ik met +je gesproken heb...." + +Hij lag met z'n hoofd op de houten tafel, .... z'n armen er om heen, +.... de brief naast hem. + +Hij gaf geen antwoord. + +"Wouter!...." + +"Wouter!...." + +Daar keek hij op. Hij keek haar aan. "O, moeder, moeder! hoe hebt u dat +kunnen doen!" zei hij. En die blik! die blik van dof smartelijk verwijt. + +Zij rilde! o God, o God! Neen, zoo verschrikkelijk had ze 't zich niet +voorgesteld. Ze kon niet spreken. + +Ze greep zich stevig vast aan de leuning van een stoel om zich weer +meester te worden. Eindelijk, met een schor geluid: "'t Was heusch om +jou alleen, Wouter, waarachtig, alleen voor jou.... Maar ik begrijp wel, +dat je dat nu niet inziet nog .... later wel .... later wèl!" + +"Voor mij! voor mij!" riep hij uit, met krijschende wanhoop,.... "Och! +moeder, ga nou weg...., laat me nu met rust! .... o laat ik nu niets +meer zeggen! .... laat ik nu zwijgen!" Ze ging, maar bleef nog bij de +deur staan, aarzelend, niet een laatste hoop, dat hij haar terug zou +roepen. + +Hij had zijn hoofd weer op de tafel laten vallen. Dof, toonloos hoorde +ze 'm mompelen: "'k Wou 'k dood was." En toen weer opkijkend, +krachtiger: "Och, laat me nou toch met rust .... laat me nou toch +alleen!" + + + + +XXII. + + +De dagen verliepen in grijze treurigheid in 't Rubrechtshuis. Wim kwam +geregeld 's avonds. Maar hij was er heelemaal de man niet naar om de +menschen wat op te beuren. Met een gewichtig gezicht en hoofdschuddend +hoorde hij alles aan en zei alleen maar nu en dan: "sjonge jonge, 't is +toch jammer, hoor!...." of: "ja, ik zeg maar: beter ten halve gekeerd +dan ten heele gedwaald, dat zeg ik maar!" + +En hij was nog veel eigenwijzer en pedanter dan vroeger, want hij +verbeeldde zich nu hoog boven Wouter te staan. Hij was toch maar zijn +betrekking niet kwijt, alles behalve! hij kreeg met één Mei weer honderd +gulden opslag, had de patroon hem beloofd, en zijn engagement! .... wel, +hoe zou dat ooit af kunnen gaan!.... Hij had nooit wat met Annetje! .... +en over 'n maand of wat zouden ze trouwen! Dat 's wat anders! + +De oude man zat meestal te suffen en liet zijn pijp soms uitgaan, wat +vroeger nooit gebeurde. + +Moeder Rubrecht leefde van uur tot uur in onrust door. Zij was altijd +weer bang als Wouter uitging. Maar geen oogenblik had ze spijt van wat +ze gedaan had. "Als ik niet wist, dat 'k me plicht had gedaan," zei ze +tegen Anna, "dan zou ik zeker sterven van verdriet." + +Wouter zat meestal op zijn kamertje te soezen of in kranten te kijken, +soms schreef hij een brief of ging hij iemand spreken. Als hij +binnenkwam om te eten, zei hij niets dan 't hoognoodige. Hij vermeed +vooral zijn moeder toe te spreken. + +Zoo verliepen acht dagen. Toen, op een avond, stond de oude Rubrecht in +ééns op en lei zijn pijp neer en ging de kamer uit en de anderen hoorden +vol verwondering, dat hij naar boven ging, naar Wouter. Hij bleef 'r wel +een uur. Toen hij weer beneden kwam had hij iets vergenoegds over zich. +Hij ging naar zijn vrouw en fluisterde: "'t Is maar tweehonderdtwintig +gulden, ik heb ze hem gegeven," en hij knipoogde, bijna vroolijk. Zij +stak hem 'n hand toe en begon te huilen. Toen knipoogde hij sterker en +ging weer in zijn stoel zitten knikkebollen, maar hij schoof zich 'n +beetje van 't licht af. + + + + +XXIII. + + +'n Paar dagen later zei Wouter aan tafel: "Vader, ik wou u van avond +graag nog even spreken." + +"Goed, jongen, best...." bromde de oude man, weer met dat vergenoegde +gezicht even. + +Wim en Anna waren er niet. + +En hij ging weer naar boven en ze praatten weer een uur, maar toen hij +beneden kwam, keek hij erg bedrukt. Zijn vrouw kwam naar hem toe. "Wat +is er?" vroeg ze gejaagd. + +"Hij wil weg!.... Naar de Transvaal!...." + +Toen sloot ze de oogen en zonk neer op 'n stoel .... en lang bleef ze +dof snikkend zoo zitten. + +"Hij sprak over 't geld voor de reis," zei Rubrecht nog, .... nou dat +kan hij krijgen natuurlijk...." + + + + +XXIV. + + +'t Was prachtig weer den dag toen Wouter wegging. Ze brachten hem +allemaal naar de boot, zijn ouders, Anna en Wim. Gelukkig! bij het +inpakken van zijn boeltje, waar zijn moeder natuurlijk aan te pas was +gekomen, had hij weer vriendelijk met haar gepraat.... + +Ze had 'm ook gevraagd wat hij van plan was daar te gaan doen in de +Transvaal. Hij wist 't nog niet, had hij gezegd, hij zou wel zien, hij +had 'n paar aanbevelingen gekregen door toedoen van zijn vrinden en nu +zou hij wel 's zien. Hij zou in ieder geval wel _wat_ krijgen!.... + +"Je schrijft ons toch vooral gauw, Wouter?" + +"Ja zeker .... zeker!...." + +Onderweg naar de boot werd niet veel gepraat. Alleen Wim beweerde wat, +hij kraamde schoolwijsheid uit over Zuid-Afrika, hij gaf Wouter nuttige +wenken met 't oog op het klimaat daar en de insecten. + +Ze gingen mee op de boot en zagen Wouter's hut en zijn moeder huilde +stil, toen ze 't kleine hokje zag. "Had je nog maar 'n kussen +meegenomen," zei ze. + +Eindelijk werd het tijd om afscheid te nemen. Overal op de boot werd al +gezoend en gehuild.... Er werd een bel geluid.... + +Wouter drukte zijn vader lang de hand. + +De oude man sprak met groote moeite 'n paar wenschen uit voor Wouter's +reis en toekomst: "Ik!.... Ik zal je wel nooit meer zien, jongen! .... +maar och! .... als 't jou maar goed gaat!...." + +Wouter kuste Anna, gaf Wim 'n hand en wenschte hun beiden gelukkige +bruidsdagen en ook verder .... maar hij kon niet verder. + +Toen nam hij zijn moeder in z'n armen. + +Hij keek haar lang aan, en zij voelde, drinkend dien laatsten langen +blik, dat hij nog altijd veel van haar hield, maar dat 't toch niet meer +was zooals vroeger. "Je bent nu toch niet meer boos op me?" vroeg ze, +droevig glimlachend. Toen wendde hij z'n blik af en trok even z'n +wenkbrauwen samen. + +"Nee, .... moeder, nee .... nee...." zei hij toen. En dan bukte hij zich +snel over haar en zoende haar tweemaal op 'r voorhoofd, dat ze nat +voelde van zijn tranen. + + + + +XXV. + + +Hij is weg, .... hij is weg, .... dat suisde door moeder Rubrecht's +hoofd de heele dagen door en de nachten als ze wakker lag. + +Hij is weg, mijn lieveling, fluisterde ze soms heel zacht voor zich heen +in den stillen nacht. + +En ze bad weer: O goeie God! waak over hem! .... ik kan nu niets meer +voor hem doen! .... o God, maak hem gelukkig!.... + +Altijd dacht ze aan hem.... 't Liefst haalde ze zich zijn beeld voor den +geest zooals hij geweest was tien jaar oud, aardig klein jongetje, +leunend aan haar schoot.... Maar ook later, zooals hij was thuis +gekomen, toen hij den eersten keer naar 't buitenland was geweest, den +eersten keer, dat hij zoolang van haar weg geweest was, zes maanden!.... +Wat had hij haar toen gekust, en wat was hij uitgelaten geweest! Dol! +Hij had met haar gedanst door de kamer, hij moest met haar uit, hij +sprak over alles met zijn "moedertje-lief," zoo als hij toen altijd +zei,--"ouwetje" zei hij ook wel 's--wat 'n heerlijke tijd was dat +geweest.... + +Maar altijd kwam haar denken ten slotte weer neer op dien vreeselijken +dag toen ze naar Smit was gegaan om 't af te maken. Die zware dag, die +zwarte dag! Maar ja, ja, ja, ze had haar plicht gedaan, zij moest 't +doen! zij moest, zij moest. O! als ik daar zelf ooit aan ga twijfelen, +dacht ze, dan .... dan is alles uit.... + +Ik heb mijn plicht gedaan, zei ze dan maar aldoor in zichzelf. Hij zal +'t ook wel in gaan zien. Van dat verre land uit zal hij de dingen zien +zoo als ze zijn. Want als je er midden in staat zie je de dingen niet in +hun ware verhoudingen, maar op een afstand zie je ze zoo als ze zijn.... +Hij zal 't wel gaan begrijpen. + +Maar ook al begreep hij 't nooit!.... Zij had haar plicht gedaan, zij +mocht niet anders doen. + + + + +XXVI. + + +Wouter moest er nu al twee maanden zijn. En er was nog geen brief. +Rubrecht's patroon informeerde bij een handelsvriend in Johannesburg en +vrij gauw kwam er antwoord. Zeker, de jonge Rubrecht was daar bekend, +hij was bediende aan een groote handelsinrichting, een goede betrekking. + +Blij met dat bericht, trotsch op zijn zoon die daar toch maar weer zoo +gauw een goede positie had gekregen, schreef de oude Rubrecht hem +dadelijk zes zijdjes vol. Het verwonderde hem, dat zijn vrouw niet zoo +blij scheen; hij vroeg of zij niet een briefje bij den zijnen wou doen. +Zij deed 't. Ze schreef een korten brief: + +"Vader heeft je 't weinige verteld wat hier gebeurt," schreef ze, "maar +waarom heb jij ons niet geschreven? O, Wouter, als je wist hoe ik +verlang naar een brief van je! Waarom? waarom schreef je nog niet? Hoe +voel je je nu? Hoe leef je, wat doe je? O, schrijf, dat je gelukkig +bent, ik verlang er zoo naar, 't zal me zoo goed doen! Mijn lieve +jongen, ik wil je geen verwijt maken .... maar och! waarom schreef je +nog niet?" + +Anna's uitzet gaf veel drukte en afleiding. Dag in dag uit zaten moeder +en dochter te naaien .... te zoomen.... En toen kwam de drukte van het +trouwen zelf. + +Maar een brief van Wouter kwam er niet.... + +In een roes van veel doen voor Anna en Wim trachtte moeder Rubrecht dat +vlijmend leed te vergeten, maar iederen morgen was 't toch 't eerste +weer waar ze aan dacht: Nog geen brief van Wouter. + +Eindelijk trouwden ze. 't Ging alles heel eenvoudig en burgerlijk toe. +De familie van Wim bestond uit kleine winkeliers, kommiezen en klerken. +Er was een dansavond waar veel werd gezongen en gezoend.... Maar op den +trouwdag werd er niet rondgereden, dat had moeder Rubrecht niet gewild; +Wim had 't land tegenover zijn familie. + +Ze gingen wonen ergens in een nieuwe buurt, in een aartsvervelende +rechte straat; bovenhuizen, benedenhuizen, alle gelijk, twee en twintig +huizen onder één gevel. 't Was een heel eind van de oude gracht naar +die nieuwe straat.... + +Er was nog altijd geen brief. + + + + +XXVII. + + +Zoo bleven dan vader Rubrecht en zijn vrouw alleen in het bovenhuis op +de smalle oude gracht. En altijd nog ging de oude boekhouder 's morgens +om kwart voor negen naar kantoor en kwart over vijven kwam hij thuis. +Hij klaagde soms over den last dien hij had van een jongmensch, dien +zijn patroon er bij genomen had tot zijn hulp, een wijsneuzig ventje dat +alles beter wou weten.... Waarvoor was die kwajongen noodig, hij kon 't +nog best alleen af! + +'s Avonds sufte hij met zijn pijp of dutte in. Om den anderen dag zei +hij 's: "Waarom of die Wouter toch nooit schrijft!...." maar daar bleef +'t dan bij. + +De arme moeder leed.... Waarom, waarom deed hij haar dat aan? Kon hij +dan niet vergeven? Begreep hij haar nog altijd niet? Hield hij niet meer +van haar? Of was hij werkelijk ongelukkig, nog altijd, voor goed +misschien?.... + + + + +XXVIII. + + +Eéns, op weg naar Anna, kwam ze Margreet tegen! Ze had haar niet gezien +sinds dien morgen daar in de voorkamer. Met plotseling drooggeschroeiden +mond, de beenen zwaar van schrik was ze 't meisje voorbij geloopen. En +ze had gezien, dat ze veel ouder was en bleeker en magerder.... + +Hoe kwam dat?.... Ze was toch altijd gezond geweest, 'n sterk kind, 'n +krachtig, bloeiend meisje!.... Zou ze 'r dan toch over tobben?.... Zou +ze dan toch meer van hem gehouden hebben dan.... Neen!.... neen!.... +Maar hoe kwam 't dan, dat ze er zoo slecht uitzag?.... + +En toen kwam 't ergste wat de gemartelde vrouw overkomen kon, toen kwam +de twijfel of ze 'r wel goed aan gedaan had, toen.... En 't was zooals +ze zelf wel gevoeld had, toen was alles uit.... + + + + +XXIX. + + +'t Liep naar den winter, de dagen werden al korter en korter. En somber, +somber werd 't op de oude smalle gracht; de regen droop van de +bladerlooze boomen, zolderluiken klepperden in woeste windvlagen. + +En meestal sinds Anna trouwde zat de moeder in de voorkamer aan het +middelste raam, aan dat tafeltje waar toen dat mandje bloemen op gestaan +had, naar buiten te kijken, naar de grauwe wolkmonsters, de staag +stuwende wolkgevaarten en naar het vuile groenbruine water in de gracht. +Als Rubrecht thuis kwam, in de schemering, vond hij haar daar nog +zitten, onzichtbaar bijna in de schaduw van het penant tusschen de +ramen. Dan placht hij zacht op haar te knorren, te zeggen, dat 't niet +goed was, jezelf zoo melancholiek te maken door zoo in 't donker te +blijven zitten, dan deed hij soms nog wel 's zijn best haar wat op te +vroolijken, vertellend 't een of ander wat hij gehoord had op kantoor. +Maar hij zag dan wel, dat ze toch niet luisterde .... en dan hield hij +maar op met een zucht. + +Nu en dan kwam Anna 's middags en 'n enkele maal ging de moeder ook nog +wel 's naar haar en Wim. Anna was gauw gewend aan haar nieuwe leven, aan +die nieuwe straat; ze had kennis gemaakt met de buren en onderhield +conversatie met de vrouw van den jongen bakker op de hoek en met de +dochters van een hoofdinspecteur van politie. Ze was altijd vol verhalen +over al die menschen. + +'t Beviel haar allemaal uitstekend. + +En ál minder begreep ze haar moeder, ál meer vervreemdde ze van haar. En +over Wouter dacht ze haast nooit.... + +Wèl zei ze soms, dat ze zoo verlangde naar een kind, want dat 't zoo'n +"vervulling" zou zijn. "Met de lange avonden ook, ziet u, je weet niet +wat je aldoor doen moet...." Wim verlangde er ook zoo naar.... + +Dan glimlachte de moeder en zei niets. En Anna zag niet de oneindige +treurigheid van dien glimlach. + + + + +XXX. + + +En eens op een laten avond--Rubrecht zat te dutten over de krant--werd +heel zacht de buitendeur dicht getrokken. 't Was 'n stille avond. De +maan scheen. + +Moeder Rubrecht liep vlug over de stille gracht. Ze kwam een jongen man +tegen, lang, krachtig gebouwd. Ze stak de straat over, recht op hem af. +De onbekende bleef staan, verbaasd. "Ben jij 't Wouter," fluisterde ze, +"goed .... goed .... ga maar gauw naar huis, vader zit zoo alleen .... +ik ga naar de tuin...." + +"Je hebt de verkeerde voor, juffrouw," riep de ander, "zoek je je +zoon?...." + +"Me zoon?" zei ze, peinzend, "me zoon? o ja! .... o ja! .... heb je 'm +niet gezien?" + +"Nee, hoor! .... niet gezien!....." zei de jongeman en stapte door. +"Zeker gek!" mompelde hij. + +Ze liep door tot aan een smal zijsteegje. Daar ging ze in. 't Liep dood, +dat steegje, 't liep dood op een andere gracht. Heel aan 't eind stond +een lantaarn, daar juist neergezet dat de menschen zien zouden, dat 't +doodliep op 't water en er niet invallen. + +Ze ging op den steenen walkant zitten en keek in 't zwarte water. +Verderop scheen de maan, maar voor haar lag 't in de schaduw van de +huizen. + +Toen begon ze zacht te zingen een oud, oud kinderdeuntje: + + "'n Karretje over den zandweg reed, + De maan scheen helder, de weg was breed, + De voerman lag te rusten...." + +Verder kwam ze niet. En zoo zacht liet ze zich afglijden, dat er geen +plomp was in 't water. + +Nog wat kreunend geworstel alleen.... + +En één lange, bange kreet!.... + +Stilte toen.... + + + + + * * * * * + +De Uitgevers-Maatschappy "Elsevier" geeft uit en debiteert met klimmend +succes + +NATUUR en VERNUFT + +*Verrassende uitkomsten van 's menschen speurzin en vindingrijkheid* + +ONDER LEIDING VAN + +Dr. N. G. VAN HUFFEL + +*door deskundigen op verschillend gebied.* + +Met *700* à *750* illustraties, waaronder *26* prachtige prenten in +kleuren. + + +Twee honderd korte, boeiende, populaire artikelen over hoogst +belangwekkende onderwerpen; en een *overvloed* van prachtige, pakkende +illustraties. + +Verschijnt in 24 afleveringen, à *45 cent* per aflevering, die te zamen 2 +dikke deelen van 400 bladz. elk zullen vormen. + +Deel I is verschenen. + + * * * * * + +*Een boek, dat de beschaafde leek NOODIG heeft!* + +DE MEESTERWERKEN DER BEELDHOUWKUNST EN DER BOUWKUNST + +uit den vroegsten tot in dezen tijd + +door + +MARCEL LAURENT, + +Hoogleeraar aan de Universiteit te Luik + +EN + +W. A. E. VAN DER PLUYM. + +Met 350 à 400 groote en kleinere afbeeldingen tusschen den tekst en 13 +buitentekstplaten in kleuren en in tint. + + +Dit boek wordt uitgegeven in 4o formaat, en gedrukt op kunstdrukpapier; +het verschijnt in 12 afleveringen, die te zamen _een dik deel_ van +omstreeks 400 bladzijden zullen vormen. + +De prijs per aflevering is vastgesteld op slechts 45 cent; bij de +verschijning van de 12de zal een mooie _stempelband_ verkrijgbaar +worden gesteld (tegen een lagen prijs). + +UITGEVERS-MAATSCHAPPY +"ELSEVIER". + + + + +Transcriber's Notes + + +- Throughout the book: lines consisting of full-stops have been replaced +by extra vertical space in the HTML-version. + +- Throughout the book: paragraphs ending in a series of full-stops have +retained these full-stops. + +- Although spaced en-dashes are and were common in Dutch typography, the +print original used the "English" method of clothed em-dashes, and this +choice has been retained. + +- Page 9: deleted rectangles at the top of the page in the TXT version. + +- Page 9: replaced rectangles by a hyphen at the bottom of the page +in the TXT version. + +- Page 53: corrected "conversatoire" to "conservatoire" +(_conservatory_). + +- Page 63: normalised the ellipsis in "zeker!..": "zeker!..." + +- Page 72: corrected "ergenis" to "ergernis" (_irritation_). + +- Page 76: normalised "symphatieke" to "sympathieke" (_sympathetic_). + +- Page 98: removed extraneous closing quotes from "wel verwonderen, dat +ik". + +- Page 99: removed extraneous closing quotes from "niet, Wouter .... +maar vijftig gulden". + +- Pages 114/115: removed extraneous closing quotes from "o God, o +God!" + +- Page 120: normalised the chapter number by adding a full-stop: "XIII" +became "XIII." + +- Page 124: normalised the chapter number by adding a full-stop: "XIV" +became "XIV." + +- Page 126: added missing closing quotes to "niet anders kon, hè?". + +- Page 144: removed extraneous closing quotes from "toen werd alles +stil....". + +- Page 149: added missing full-stop to "keek hem smeekend aan". + +- Page 154: inserted an em-dash between "genoeg" and "van" to preserve +the cadence: "Houd--je--wel--genoeg--van--Wouter?" + +- Page 156: normalised "lichtzininig" to "lichtzinnig". + +- Page 167: removed extraneous comma from "waarachtig, alleen voor +jou....". + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De vreemde plant, by Herman Robbers + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE VREEMDE PLANT *** + +***** This file should be named 26554-8.txt or 26554-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/6/5/5/26554/ + +Produced by Branko Collin and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
