summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/25580-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '25580-8.txt')
-rw-r--r--25580-8.txt16569
1 files changed, 16569 insertions, 0 deletions
diff --git a/25580-8.txt b/25580-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d99039f
--- /dev/null
+++ b/25580-8.txt
@@ -0,0 +1,16569 @@
+The Project Gutenberg EBook of Andersens Sproken en vertellingen, by
+Hans Christian Andersen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Andersens Sproken en vertellingen
+ Morgenrood
+
+Author: Hans Christian Andersen
+
+Editor: Titia Klasina Elisabeth van der Tuuk
+
+Translator: Simon Jacob Andriessen
+
+Release Date: May 23, 2008 [EBook #25580]
+[Last updated: June 29, 2012]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ANDERSENS SPROKEN EN VERTELLINGEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Andersens
+
+ Sproken en Vertellingen
+
+
+ Naverteld
+
+ door
+
+ S. J. Andriessen.
+
+
+
+ 4de geheel herziene en veel vermeerderde druk.
+
+ Geïllustreerde uitgave
+
+ Bewerkt door
+
+ Titia van der Tuuk.
+
+
+
+ Nijmegen--Arnhem.
+ Gebr. E. & M. Cohen.
+
+
+
+
+
+
+
+ Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD.
+
+
+Misschien is er geen vorm van letterkunde, die in alle kringen der
+maatschappij zoo zijn invloed doet gelden als het sprookje. Arm
+en rijk, aanzienlijken en geringen, ontwikkelden en eenvoudigen
+van geest raken even gemakkelijk onder de bekoring, die er van het
+sprookje uitgaat, en ofschoon allen het lezen in dezelfde woorden,
+ziet ieder er wat anders in.
+
+Is dat de fout van het sprookje?
+
+Moeten we het fantastische vertelsel onthouden aan de naar bevrediging
+hunkerende verbeelding van onze kleinen, omdat zij er niet alles
+uithalen, wat er in zit?
+
+Maar verbied ze dan ook, hun blikken op te heffen tot den
+sterrenhemel! Zij weten immers niet, dat die «lichtjes» daarboven
+werelden zijn.
+
+Onweerstaanbaar echter worden de kinderen tot het uitspansel
+aangetrokken; maan en sterren, zon en wolken, regenboog en bliksem
+spreken tot hun verbeelding, ja, maar ook tot hun gemoed! Geen moeder,
+die haar kroost kent en dit ontkennen zal.
+
+En zoo is het ook met het sprookje.
+
+Het sprookje _leeft_ in het hart van het kind, en het blijft leven
+en zijn invloed uitoefenen, lang nadat de jeugd is voorbijgegaan. De
+belangrijkste en vaak de schoonste producten van de letterkunde
+zijn daar, om het te bewijzen. Sla Goethe, Heine, Wieland, Schiller,
+Carlyle, Byron, Richepin, Victor Hugo--ik doe maar een greep op goed
+geluk af--op, en overal merkt ge het sprookje. Hier vertoont het
+zich in naïeven eenvoud, daar als een vroolijk lachend kind, ginds
+gluurt het eventjes schalks tusschen de hoog-ernstige sarcastische
+regels door; zonder de minste aanspraken te doen gelden, vertoont
+het zich. Hoe ook verguisd en vertrapt soms, hoe vuig ook belasterd,
+met een onverwoestbare levenskracht staat het frisscher en jeugdiger
+en schooner weer op.
+
+En blijven leven zal het, zoo lang wij menschen nog een jeugdig hart
+bewaren en er dichters opstaan, die het zoo kennen en liefhebben als
+Andersen, de sprookjesdichter bij uitnemendheid.
+
+In hoeveel vormen heeft hij het ons niet geschonken, naïef en roerend,
+zwierig en vroolijk, droefgeestig en somber, schoon en sarcastisch,
+schalksch en geestig, maar altijd levendig en frisch. En heeft men
+tegen de moraal van 't sprookje in 't algemeen iets, wat nood! Zijn
+de vaders en de moeders er dan niet, om de kinderen terecht te wijzen
+en te onderrichten? En is het zelfs geen voordeel, dat het kind al
+vroeg een weinig tot kritisch nadenken wordt geprikkeld? Het bevordert
+stellig de zelfstandigheid van zijn oordeel.
+
+De Nederlandsche bewerking van Andersens sprookjes, die hierbij
+het publiek wordt aangeboden, is voor zoover ik heb kunnen nagaan,
+volledig. Verschillende nommers, die in vroegere edities ontbraken
+of hier en daar verspreid werden aangetroffen, zijn in deze uitgave
+bijeengebracht. Ongetwijfeld zal deze onderneming door ieder, die
+goede lectuur voor het huisgezin op prijs stelt, met vreugde worden
+begroet. De aantrekkelijkheid van het boek wordt nog verhoogd door
+het groote aantal gravures van Dalziel naar teekeningen van Bayes.
+
+Van harte hoop ik, dat door deze uitgave de sprookjes van Andersen
+veel nieuwe vrienden mogen verwerven.
+
+
+Arnhem, Maart '95. Titia van der Tuuk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+HET LEELIJKE JONGE EENDJE.
+
+
+Het was heerlijk buiten op het land. 't Was zomer, het koren was rijp,
+het hooi stond op de groene weiden aan oppers, en de ooievaar liep op
+zijn lange, roode pooten en praatte Egyptisch; want deze taal had hij
+van zijn moeder geleerd. Rondom de korenvelden en de weiden waren
+uitgestrekte bosschen, en midden in de bosschen diepe meren. Ja,
+het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land! Door den glans
+der zon beschenen, stond daar een oud kasteel, dat door een diepe
+gracht omgeven was, en van den muur tot aan het water groeide dicht
+kreupelhout. Te midden hiervan zat in haar nest een eend, die haar
+jongen moest uitbroeden; maar het begon haar bijna te vervelen, zoo
+lang duurde het, eer de jongen uitkwamen; daarbij kreeg zij zelden
+bezoek, want de andere eenden zwommen liever in de gracht rond,
+dan dat zij eens uit het water kwamen om met haar te praten.
+
+Eindelijk ging het eene ei na het andere open. Een gepiep deed zich
+hooren, en al de dooren van de eieren waren levend geworden en staken
+de kopjes uit de schalen.
+
+«Vlug wat, vlug!» zeide zij; en nu haastten zich al de kleine eendjes,
+wat zij konden, en zij kwamen uit de eieren te voorschijn en keken
+naar alle kanten onder de groene bladeren; en de moeder liet ze kijken,
+zooveel als zij maar wilden; want groen is goed voor de oogen.
+
+«Wat is de wereld toch groot!» zeiden al de jongen; want nu hadden
+zij heel wat meer plaats dan in het ei.
+
+«Denk je, dat dit de heele wereld is?» zei de moeder. «Die strekt zich
+nog ver aan den anderen kant van het geboomte uit, tot aan den tuin
+van den pastoor; maar daar ben ik nog nooit geweest.--Je bent toch
+allemaal wel bij elkaar?» vervolgde zij en stond op. «Neen ik heb ze
+nog niet allemaal; het grootste ei ligt daar nog; hoe lang zal het
+nog wel duren, eer dat uitkomt? Nu begint het mij haast te vervelen!»
+en zij ging er weer op zitten.
+
+«Wel zoo, hoe gaat het?» vroeg een oude eend, die haar eens een bezoek
+kwam brengen.
+
+«Het duurt geducht lang met dat eene ei,» zei de eend, die er nu weer
+op zat; «het wil maar niet opengaan; maar kijk eens naar de anderen:
+zijn dat niet de liefste eendjes, die je ooit van je leven gezien
+hebt? Zij lijken allemaal precies op hun vader; maar die ondeugd komt
+mij niet eens bezoeken.»
+
+«Laat mij het ei, dat niet wil opengaan, eens zien!» zei de oude
+eend. «Geloof mij, het is een kalkoenenei! Ik ben ook eens zoo
+beetgenomen en had toen heel wat werk met mijn jongen, want zij waren
+bang voor het water! Ik kon ze er maar niet in krijgen; hoe ik ook
+kwakte, het hielp mij niemendal!--Laat mij het ei eens zien! Ja, dat
+is een kalkoenenei! Laat dat maar liggen, en leer je andere kinderen
+liever zwemmen!»
+
+«Ik zal er toch nog een beetje op blijven zitten,» antwoordde de eend;
+«ik heb er nu al zoo lang op gezeten, en dus kan ik er nog wel een
+paar dagen op zitten!»
+
+«Je moet het zelf weten,» hernam de oude eend en ging weg.
+
+Eindelijk ging het groote ei open. «Piep, piep!» zei het jong en
+kroop er uit. Het was een groot en leelijk beest! De eend bekeek het
+eens. «Wat is dat een verschrikkelijk groot eendje,» dacht zij; «geen
+van de anderen ziet er zoo uit. Zou het misschien een kalkoensch
+kuikentje zijn? Nu, daar zullen we wel gauw achter komen; in het
+water moet het, al zou ik het er ook zelf induwen.»
+
+Den volgenden dag was het mooi, heerlijk weer; de zon scheen op alle
+groene bladeren. De moeder der eendjes ging met haar heele familie
+naar de gracht toe. Plof! daar sprong zij in het water. «Kwak, kwak!»
+zeide zij, en het eene eendje na het andere plofte er nu ook in; het
+water spatte hun om den kop, en zij doken even onder, maar kwamen al
+spoedig weer boven en zwommen uitmuntend; hun pooten gingen van zelf,
+en allen waren zij in het water; zelfs het leelijke, grauwe eendje
+zwom mee.
+
+«Neen, het is geen kalkoen,» dacht de oude eend; «kijk eens, hoe ferm
+hij met zijn pooten slaat en hoe recht hij zich weet te houden! 't
+Is mijn eigen kind! Eigenlijk is hij toch nog zoo leelijk niet, als
+men hem maar eens goed bekijkt! Kwak, kwak! Gaat maar met mij mee,
+dan zal ik je in de groote wereld brengen en je in de eendenkooi
+voorstellen: maar zorgt, dat je dicht in mijn nabijheid blijft,
+en neemt je voor de kat in acht!»
+
+En zoo begaven zij zich naar de eendenkooi. Daarbinnen was een
+verschrikkelijk rumoer; want daar waren twee families, die elkaar
+het bezit van een palingkop betwistten, en eindelijk kreeg de kat
+dien toch.
+
+«Kijk, zoo gaat het nu in de wereld!» zei de moeder der eendjes, en
+zij stak haar snavel al uit, want zij wilde den palingkop ook wel
+hebben. «Gebruikt je pooten nu!» vervolgde zij. «Houdt je fatsoen
+en maakt een buiging voor de oude eend, die je daar ziet: dat is de
+voornaamste van alle; zij is van Spaansche afkomst, daarom is zij zoo
+dik; en, zie je wel, zij heeft een rood lapje om haar poot; dat is
+iets heel moois en de grootste onderscheiding, die een eend te beurt
+kan vallen; dat beteekent, dat men haar niet kwijt wil raken en dat
+zij door dieren en menschen erkend moet worden. Wacht eens! Zet je
+pooten niet zoo binnenwaarts! een welopgevoed eendje zet zijn pooten
+buitenwaarts, evenals vader en moeder doen. Ziet eens! Zoo! Buigt je
+hals nu en zegt: Kwak!»
+
+En dat deden zij; maar de andere eenden in de rondte bekeken ze en
+zeiden tegen elkaar: «Kijk eens! Nu moeten wij nog het aanhangsel
+krijgen, alsof wij al niet talrijk genoeg waren! En foei! wat ziet
+dat eene eendje er uit! Dat willen wij hier niet hebben!» En terstond
+vloog er een oude eend naar het arme beest toe en beet het in den nek.
+
+«Wil je dat nu wel eens laten?» zei de moeder. «Het doet immers
+niemand kwaad!»
+
+«Dat is wel mogelijk, maar het is te groot en ziet er zoo vreemd uit,»
+zei de andere eend, «en daarom moet het eens een pikje hebben.»
+
+«Het zijn lieve kinderen die de moeder heeft,» zei de oude eend met
+het lapje om den poot, «zij zijn allemaal mooi, behalve dat eene; dat
+is mislukt; ik zou wel willen, dal je dat eens wat anders kondt maken.»
+
+«Dat gaat immers niet,» zei de moeder van het eendje; «het is wel
+niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flink als al de
+anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter. Ik denk wel, dat het goed zal
+opgroeien en mettertijd wat kleiner worden. Het heeft te lang in het
+ei gezeten, en daardoor is het wat mismaakt geworden!» Dit zeggende,
+pakte zij het beet en streek zijn veeren glad. «Bovendien is het een
+woerd,» zeide zij; «en daarom doet het er zoo veel niet toe. Ik denk,
+dat het wel krachtig zal worden; het weet zich ten minste nu al goed
+te verweren.»
+
+«De andere eendjes zien er allerliefst uit,» zei de oude eend; «doe
+maar, alsof je thuis waart, en als je een palingkop vindt, dan kun
+je dien wel aan mij brengen.»
+
+En zoo waren zij er dan zoo goed als thuis.
+
+Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei gekomen was en er
+zoo leelijk uitzag, werd gebeten, gestooten en voor den gek gehouden,
+en dat zoowel door de eenden als door de kippen. «Het is te groot!»
+zeiden allen, en de kalkoensche haan, die met sporen ter wereld
+gekomen was en daarom dacht, dat hij keizer was, blies zich op als
+een schip met volle zeilen en kwam op hem af; toen klokte hij en werd
+zijn kop vuurrood. Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden
+of keeren; het was treurig, omdat het er leelijk uitzag en door al
+de anderen bespot werd.
+
+Zoo ging het den eersten dag, en later werd het al erger en erger. Het
+arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusters waren kwaad
+op hem en zeiden steeds: «Mocht de kat je maar beetpakken, jou leelijk
+schepsel!» En de moeder zeide: «Ik wou, dat je maar ver hier vandaan
+waart!» De eenden beten het, en de kippen pikten het, en de meid,
+die de beesten eten moest geven, schopte het.
+
+Nu liep het weg en vloog over de schutting. De vogeltjes in het
+geboomte vlogen daardoor verschrikt op. «Dat komt, omdat ik zoo
+leelijk ben,» dacht het eendje, kneep de oogen even dicht en liep
+toen weer voort. Zoo kwam het aan het groote moeras, waar de wilde
+eenden woonden. Hier lag het den geheelen nacht; het was vermoeid
+en verdrietig.
+
+Tegen den morgen vlogen de wilde eenden op en bekeken haar nieuwen
+kameraad eens. «Wat ben jij er voor een?» vroegen zij, en het eendje
+wendde zich naar alle kanten en groette zoo goed het kon.
+
+«Je bent verschrikkelijk leelijk!» zeiden de wilde eenden; «maar dat
+kan ons niet schelen, als je maar niet met iemand van onze familie
+trouwt!»--Het arme beest! Het dacht er waarlijk niet aan te trouwen;
+als het maar de vergunning kon krijgen, om in het riet te liggen en
+wat moeraswater te drinken.
+
+Zoo lag het twee heele dagen; toen kwamen er twee wilde ganzen of,
+liever gezegd, genten naar hem toe; het was nog niet lang geleden,
+dat zij uit het ei gekropen waren, en daarom waren zij zoo overmoedig.
+
+«Hoor eens, kameraad!» zeiden zij; «je bent zoo leelijk, dat je goed
+bij ons past. Wil je met ons meegaan en trekvogel worden? Hier dichtbij
+in een ander moeras zijn eenige aardige wilde ganzen, allemaal dames,
+die evenals jij «kwak!» kunnen zeggen. Je kunt je fortuin daar wel
+maken, hoe leelijk je ook wezen moogt.»
+
+«Piefpafpoef!» klonk het juist, en de beide wilde genten vielen dood in
+het riet neer, en het water werd bloedrood gekleurd.--«Piefpafpoef!»
+klonk het weer, en nu vlogen er geheele scharen wilde ganzen uit
+het riet op. En toen deed zich andermaal een knal hooren. Er werd
+een groote jacht gehouden; de jagers lagen rondom het moeras; ja,
+eenigen zaten boven in de takken der boomen, die zich ver over het
+riet uitstrekten. De blauwe damp trok in dikke wolken in de boomen en
+ver over het water heen; de jachthonden gingen het moeras in. Plof,
+plof! het riet boog zich naar alle kanten heen. Dat was een schrik
+voor het arme eendje. Het draaide zijn kop om, om hem onder de vleugels
+te steken; maar op hetzelfde oogenblik stond er een vreeselijk groote
+hond dicht bij het eendje; de tong hing hem uit den bek, en zijn oogen
+schoten vlammen; hij strekte zijn snoet juist naar het eendje uit,
+liet het zijn scherpe landen zien en.... Plof! plof! ging het weer,
+zonder dat hij het beetpakte.
+
+«Goddank!» zei het eendje met een zucht; «ik ben zoo leelijk, dat de
+hond mij zelfs niet wil bijten.»
+
+En zoo bleef het roerloos liggen, terwijl de hagel door het riet
+snorde en er schot op schot knalde.
+
+Eerst laat op den dag werd het stil; maar het arme eendje durfde nog
+niet opstaan; het wachtte nog verscheidene uren, voordat het omkeek,
+en toen snelde het uit het moeras weg, zoo vlug als het maar kon. Het
+liep over veld en weide; maar er woei zulk een hevige storm, dat het
+werk had om op zijn pooten te blijven staan.
+
+Tegen den avond bereikte het een kleine, armoedige boerenhut;
+deze was zoo bouwvallig, dat zij zelf niet wist, naar welken kant
+zij zou vallen, en daarom bleef zij maar staan. De storm gierde
+zoo verschrikkelijk om het eendje heen, dat het moest gaan zitten,
+om niet omver te waaien. Nu bemerkte het, dat de deur uit het eene
+scharnier geraakt was en zoo scheef hing, dat het door de reet in de
+kamer kon sluipen, en dit deed het dan ook.
+
+Hier woonde een oude vrouw met haar kater en haar kip. En de kater,
+dien zij haar zoontje noemde, kon een hoogen rug zetten en spinnen;
+hij gaf zelfs vonken van zich, maar dan moest men zijn haar den
+verkeerden kant opstrijken. De kip had korte, lage pooten, en daarom
+werd zij juffrouw Kortbeen genoemd; zij legde heerlijke eieren,
+en de vrouw had haar zoo lief, alsof zij haar kind was.
+
+'s Morgens zag men het vreemde eendje dadelijk, en nu begon de kater
+te blazen en de kip te kakelen.
+
+«Wat is er te doen?» zei de vrouw en keek in de rondte; maar zij had
+een slecht gezicht, en daarom dacht zij, dat het eendje een vette
+eend was, die verdwaald was geraakt. «Dat is een goede vangst!»
+zeide zij. «Nu kan ik eendeneieren krijgen. Als het maar geen woerd
+is! Dat zullen wij eens probeeren!»
+
+En zoo werd het eendje voor drie weken op de proef aangenomen; maar
+er kwamen geen eieren. En de kater was heer in huis, en de kip was
+er zoo goed als vrouw, en altijd zeiden zij: «Wij en de wereld!» Want
+zij dachten, dat zij de helft waren, en verreweg de beste helft. Het
+eendje gaf als zijn meening te kennen, dat het toch ook wel eens
+anders zou kunnen zijn; maar dat kon de kip niet velen.
+
+«Kun je eieren leggen?» vroeg zij.
+
+«Neen.»
+
+«Welnu, wil je dan wel eens zwijgen?»
+
+En de kater zei: «Kun je een hoogen rug zetten en spinnen en maken,
+dat er vonken uit je lijf komen?»
+
+«Neen.»
+
+«Dan mag je ook geen meening hebben, als verstandige lieden met
+elkaar spreken.»
+
+En het eendje zat in den hoek en voelde zich diep ongelukkig; daar
+drong de zonneschijn in het huisje door; het kreeg zulk een lust om
+in het water te zwemmen, dat het zich niet kon weerhouden, dit tegen
+de kip te zeggen.
+
+«Wat is dat voor een dwaze inval!» zei deze. «Je hebt niets uit te
+voeren, en daarom verzin je allerlei dwaasheden. Leg eieren of spin,
+en maak je anders uit de voeten!»
+
+«Maar het is zoo prettig, in het water te zwemmen,» zei het eendje,
+«zoo prettig, het boven zijn kop te laten uitspatten en op den grond
+te duiken.»
+
+«Nu, dat is ook een heel plezier!» zei de kip. «Je bent zeker niet
+goed bij je verstand! Vraag er den kater maar eens naar,--die is het
+verstandigste schepsel, dat ik ken,--of hij er van houdt, in het water
+te zwemmen of onder te duiken? Ik wil niet van mij zelf spreken.--Vraag
+het zelf maar aan onze meesteres, de oude vrouw; wijzer dan zij is
+niemand op de wereld! Denk je misschien, dat zij plezier heeft om te
+zwemmen en het water boven haar hoofd uit te laten spatten?»
+
+«Je begrijpt mij niet!» zei het eendje.
+
+«Begrijpen wij je niet? Wie zou je dan kunnen begrijpen? Je zult
+toch wel niet wijzer willen zijn dan de kater en de vrouw,--van mij
+zelf wil ik niet spreken! Heb maar niet zooveel noten op je zang,
+en wees dankbaar voor al het goede, dat men je bewezen heeft. Ben
+je niet in een warme kamer gekomen en heb je niet een gezelschap,
+waarvan je nog wat kunt leeren? Maar er is geen huis met je te houden,
+en het is alles behalve plezierig, met jou om te gaan. Je kunt mij
+gerust gelooven! Ik meen het goed met je. Ik zeg je de waarheid, al
+vind je dit ook niet prettig, en daaraan kan men zien, wie zijn ware
+vrienden zijn. Doe je best maar om eieren te leggen of te spinnen of
+vonken uit je lijf te laten komen.»
+
+«Ik denk, dat ik de wijde wereld maar in zal gaan!» zei het eendje.
+
+«Ja, doe dat maar!» liet de kip hierop volgen.
+
+En zoo ging het eendje dan heen; het zwom in het water, het dook met
+zijn kopje onder, maar door alle dieren werd het om zijn leelijkheid
+met minachting bejegend.
+
+Nu kwam de herfst; de bladeren in het bosch werden geel en bruin;
+de wind rukte ze af, zoodat zij in de rondte dansten, en boven in de
+lucht was het snerpend koud; de wolken zaten vol hagel en sneeuw; en
+op de heg zat een raaf en deed haar klagend gekras hooren. Het arme
+eendje had het al heel slecht! Op zekeren avond, juist toen de zon in
+haar pracht onderging, kwam er een heele troep groote vogels uit het
+bosch, het eendje had er nooit zulke mooie gezien; zij waren spierwit
+en hadden lange, buigzame halzen: het waren zwanen. Zij lieten een
+eigenaardig geluid hooren, spreidden hun prachtige, lange vleugels
+uit en trokken uit de koude streken naar warmere landen. Zij stegen
+zoo hoog, zoo hoog, dat het het leelijke jonge eendje wonderlijk te
+moede werd. Het draaide zich als een tol in het water rond, strekte
+zijn kop hoog in de lucht naar de zwanen uit en gaf zulk een luiden
+en zonderlingen schreeuw, dat het er zelf van schrikte. O, het kon die
+mooie, gelukkige vogels niet vergeten; en zoodra deze niet meer te zien
+waren, dook het onder tot op den grond en toen het weer boven kwam,
+was het als buiten zich zelf. Het arme beest wist niet, hoe die vogels
+heetten, ook niet, waar zij naar toe vlogen; maar toch liep het er
+hoog mee, zooals het nog nooit ergens mee gedaan had. Het benijdde ze
+volstrekt niet. Hoe zou het hem ook in de gedachten komen, te wenschen,
+zelf zoo mooi te zijn? Het zou al blij geweest zijn als de eenden
+hem maar in haar midden geduld hadden,--dat arme, leelijke beest!
+
+Het werd winter. Het was koud, snerpend koud. Het eendje moest in
+het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet heelemaal dichtvroor;
+maar met iederen nacht werd het gat, waarin het zwom, al kleiner en
+kleiner. Het vroor, dat het kraakte; het eendje moest voortdurend zijn
+pooten gebruiken, opdat het gat niet geheel dicht zou gaan. Eindelijk
+werd het moede, bleef doodstil liggen en vroor in het ijs vast.
+
+'s Morgens vroeg kwam er een boer voorbij. Toen hij het eendje zag,
+ging hij er heen, trapte het ijs met zijn klomp aan stukken en bracht
+het dier naar zijn vrouw toe. Daar kwam het weer bij.
+
+De kinderen wilden met hem spelen; maar het eendje dacht, dat zij
+hem kwaad wilden doen en vloog in zijn angst juist in het melkvat,
+zoodat de melk overal in de kamer rondspatte. De vrouw sloeg de
+handen in elkaar, waarop het eerst in het botervat en toen in de
+meelton vloog. Wat zag het er nu uit! De vrouw schreeuwde en sloeg
+met de tang naar het arme beest; de kinderen liepen elkaar omver, om
+het eendje te pakken; zij lachten en schreeuwden!--'t Was gelukkig,
+dat de deur openstond en dat het tusschen de takken in de versch
+gevallen sneeuw kon sluipen. Daar bleef het geheel uitgeput liggen.
+
+Maar al den nood en de ellende, welke het eendje in dien strengen
+winter moest doorstaan, te vertellen, zou te akelig zijn.
+
+Het lag in het moeras tusschen het riet, toen de zon weer warm begon
+te schijnen. De leeuweriken zongen. Het was lente geworden.
+
+Nu kon het eendje op eens zijn vleugels uitslaan; deze klapten luider
+dan vroeger en droegen hem krachtig van daar; en voordat het beest het
+recht wist, bevond het zich in een grooten tuin, waarin de vlierboomen
+geurden en hun lange, groene takken tot in het water neerbogen. O, hier
+was het zoo schoon, zoo heerlijk! En uit het geboomte kwamen eensklaps
+drie prachtige witte zwanen te voorschijn: zij klapten met hun vleugels
+en zwommen fier in het water. Het eendje kende die prachtige beesten
+en werd door een eigenaardige treurigheid aangegrepen.
+
+«Ik zal naar hen toe vliegen, naar die koninklijke vogels! Maar zij
+zullen mij dooden, omdat ik, die zoo leelijk ben, mij in hun nabijheid
+durf wagen. Maar dat doet er niet toe! 't Is beter, door hen gedood,
+dan door de eenden gebeten, door de kippen gepikt, door de meid,
+die aan de kippen eten geeft, geschopt te worden en in den winter
+gebrek te lijden!»
+
+En het snelde naar het water, plofte er in en zwom naar de prachtige
+zwanen toe; deze zagen hem en kwamen met klappende vleugels op hem af.
+
+«Doodt mij maar!» zei het arme beest, boog zijn kop voorover en
+verwachtte niets anders dan den dood.--Maar wat zag het nu in het
+heldere water? Het zag daarin zijn eigen beeltenis, niet meer die
+van een loggen, grauwen, leelijken vogel, maar van een zwaan.
+
+Het doet er niet toe, door een eend uitgebroed te worden, als men
+maar uit een zwanenei gekomen is!
+
+Het gevoelde zich nu verheugd over al den nood en de ontberingen,
+die het doorgestaan had. Nu erkende het eerst recht zijn geluk en de
+heerlijkheid, die hem omringde.--En de zwanen zwommen om hem heen en
+streelden hem met hun snavels.
+
+Eenige kinderen kwamen den tuin inloopen; ze gooiden brood en gerst
+in het water, en het kleinste riep: «Daar is een nieuwe zwaan!» En
+de andere kinderen jubelden mee: «Ja, er is een nieuwe bijgekomen!»
+En zij klapten in de handen en dansten in de rondte, liepen naar hun
+ouders toe, en er werd brood en koek in het water geworpen, en zij
+zeiden allemaal: «Die nieuwe is nog de mooiste! Hij is zoo jong en
+ziet er zoo prachtig uit!» En de andere zwanen bogen zich voor hem.
+
+Nu gevoelde het zich geheel beschaamd en stak zijn kop onder zijn
+vleugels; het wist zelf niet, hoe het zich zou houden; het was
+overgelukkig, maar volstrekt niet trotsch. Het dacht er aan, hoe
+het vervolgd en bespot was, en hoorde nu allen zeggen, dat het de
+mooiste van al die mooie vogels was. Zelfs de vlierboom boog zich
+met zijn takken tot hem in het water neer, en de zon scheen warm en
+liefelijk! Nu klapte hij met zijn vleugels, richtte zijn slanken hals
+op en jubelde van ganscher harte:
+
+«Zooveel geluk had ik mij niet kunnen voorstellen, toen ik nog een
+leelijk eendje was!»
+
+
+
+
+DE OUDE STRAATLANTAARN.
+
+
+Hebt ge ooit de geschiedenis van de oude straatlantaarn gehoord? Zoo
+heel plezierig is zij wel niet, maar toch laat zij zich wel eens een
+enkele maal lezen.
+
+'t Was een brave, oude straatlantaarn, die vele, vele jaren achtereen
+dienst gedaan had, maar nu voor den post, dien zij zoo lang bekleed
+had, ongeschikt geacht werd. De laatste avond, dien zij op den paal
+zou doorbrengen om de straat te verlichten, was daar. Het was haar
+te moede als een balletdanseres, die voor de laatste maal danst en
+weet, dat zij den volgenden dag vergeten op haar zolderkamertje zal
+zitten. De lantaarn zag geducht tegen den volgenden dag op; want zij
+wist, dat zij dan voor het eerst van haar leven op het stadhuis zou
+komen en door den burgemeester en den gemeenteraad bezichtigd worden,
+die zouden beslissen, of zij nog tot verdere diensten bruikbaar was
+of niet.
+
+Daar zou dan bepaald worden, of zij in 't vervolg haar licht voor de
+bewoners van een der voorsteden zou laten schijnen, dan wel naar de
+een of andere fabriek op het platteland verbannen worden; misschien
+ook zou zij wel regelrecht naar een ijzergieterij gaan, om in een
+anderen vorm te worden gegoten. In dat geval kon er wel is waar alles
+van haar komen; maar de gedachte dat zij niet wist, of zij er dan de
+herinnering nog van zou behouden, dat zij een maal een straatlantaarn
+geweest was, pijnigde haar. Maar hoe het ook met haar mocht afloopen,
+zooveel was zeker, dat zij van den lantaarnopsteker en diens vrouw, die
+haar bijna als een lid der familie beschouwden, gescheiden zou worden.
+
+Toen de lantaarn voor het eerst op den paal gezet werd, was de
+lantaarnopsteker nog een jeugdig, krachtig man. Ja, dat was al
+een heelen tijd geleden, dat zij lantaarn en hij lantaarnopsteker
+werd. Zijn vrouw was toen nog een beetje trotsch. Alleen wanneer zij
+'s avonds voorbijkwam, verwaardigde zij de lantaarn met een blik,
+maar overdag nooit. Doch in de laatste jaren, toen zij alle drie,
+de lantaarnopsteker, zijn vrouw en de lantaarn, oud geworden waren,
+had de oude vrouw haar verzorgd, geschuurd en van olie voorzien. 't
+Waren beiden doodeerlijke menschen; nooit hadden zij de lantaarn ook
+maar een enkelen droppel olie te kort gedaan.
+
+'t Was de laatste avond, die zij op straat doorbracht, en den
+volgenden dag moest zij naar het stadhuis toe: dat waren twee sombere
+gedachten! Geen wonder, dat zij niet heel helder brandde. Maar ook
+vele andere gedachten bestormden haar. Aan hoevelen had zij haar
+licht geschonken, hoeveel had zij gezien, misschien wel evenveel als
+de burgemeester en de gemeenteraad! Maar deze gedachten hield zij voor
+zich, want het was een brave, eerlijke, oude lantaarn, die niemand ooit
+kwaad deed en wel het minst aan de haar gestelde overheid. Allerlei
+dingen kwamen haar in de gedachten, en bij tijd en wijle flikkerde
+haar vlam daardoor even op. Zij had in zulke oogenblikken een gevoel,
+dat men zich ook harer zou herinneren.
+
+«Daar was indertijd dat knappe jonge mensch,--het is al vele jaren
+geleden,--deze hield een briefje op rose papier in de hand. Het was
+zoo keurig geschreven, en wel door een dameshand. Tweemaal las hij het
+en kuste het en keek naar mij op met oogen, die duidelijk schenen te
+zeggen: «Ik ben de gelukkigste van alle stervelingen!» Alleen hij en
+ik wisten, wat er in dien eersten brief van zijn geliefde geschreven
+stond.--Ja, ook nog een ander paar oogen herinner ik mij. Wat kunnen
+onze gedachten toch snel van het eene op het andere springen! Hier in
+de straat had er een begrafenis plaats; een jeugdige, schoone vrouw
+lag in de lijkkoets in de kist, die met bloemen en kransen bedekt
+was; de vele fakkels verduisterden mijn licht. Langs de huizen
+stonden de menschen dicht op elkaar gedrongen; zij sloten zich
+allen bij den lijkstoet aan. Maar toen de fakkels uit mijn gezicht
+verdwenen waren en ik eens in de rondte keek, stond er nog iemand
+tegen mijn paal aan te leunen en weende. Nimmer zal ik die oogen,
+waarin zooveel treurigheid te lezen stond en die naar mij opkeken,
+vergeten!» Deze en dergelijke gedachten bestormden de oude lantaarn,
+die thans voor de laatste maal haar licht in de straat verspreidde.
+
+De schildwacht, die van zijn post afgelost wordt, kent zijn opvolger
+ten minste en kan hem nog eenige woorden toefluisteren; maar de
+lantaarn kende haar plaatsvervangster niet, en zij zou haar toch zoo
+menigen nuttigen wenk omtrent mist en regen hebben kunnen geven; zij
+zou haar hebben kunnen zeggen, hoever de stralen der maan reikten,
+uit welken hoek de wind gewoonlijk woei, en zooveel andere dingen meer.
+
+Op het brugje, dat over de goot lag, stonden drie personen, die
+zich aan de lantaarn wilden voorstellen; want zij verkeerden in den
+waan, dat deze den post zelf te begeven had. De eerste persoon was
+een haringkop, die in de duisternis insgelijks licht van zich kon
+geven. Hij beweerde, dat het heel wat olie zou uithalen, als hij op
+den lantaarnpaal geplaatst werd. De tweede was een stuk vermolmd
+hout, dat ook licht rondom zich verspreidt. Het was, zeide het,
+van een ouden stam afkomstig, eenmaal het sieraad van het bosch. De
+derde persoon was een glimwormpje; waar dit vandaan gekomen was,
+begreep de lantaarn niet, maar het was er, en licht geven kon het
+ook. Het vermolmde hout en de haringkop zwoeren echter bij alles,
+wat hun heilig was, dat het slechts op bepaalde tijden licht van zich
+gaf en dat het daarom volstrekt niet in aanmerking kon komen.
+
+De oude lantaarn verklaarde, dat geen hunner voldoend licht gaf, om den
+post van straatlantaarn te bekleeden; maar dat wilde geen van drieën
+gelooven. Toen zij dan ook hoorden, dat de lantaarn den post niet
+zelf te begeven had, zeiden zij, dat dit hun genoegen deed; want zij
+was al veel te oud en te afgeleefd, om een goede keuze te kunnen doen.
+
+Op hetzelfde oogenblik kwam de wind van den hoek der straat aanbruisen
+en gierde door de luchtgaten der oude lantaarn. «Wat hoor ik daar?»
+zei hij tegen haar. «Gaat ge morgen heen? Is dit de laatste avond, dien
+ik u hier aantref? Dan wil ik u tot afscheid toch nog wat geven. Ik
+blaas nu op zulk een wijze in uw hersenkast, dat ge u voortaan niet
+alleen alles, wat ge gehoord en gezien hebt, zult kunnen herinneren,
+maar dat het zoo helder in uw binnenste zal worden, dat ge alles,
+waarvan in uw tegenwoordigheid gelezen of verteld wordt, kunt zien.»
+
+«O, dat is waarlijk veel, heel veel!» sprak de oude lantaarn. «Ik dank
+u wel hartelijk. Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten wordt!»
+
+«Dat zal nog zoo gauw niet gebeuren!» zei de wind. «Nu blaas ik u de
+herinnering in; als ge meer andere geschenken van dien aard krijgt,
+dan kunt ge nog een gelukkigen ouden dag hebben.»
+
+«Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!» zei de lantaarn
+weer. «Of zal ik dan ook mijn geheugen behouden?»
+
+«Oude lantaarn, wees toch verstandig!» hernam de wind.
+
+Op dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn.
+
+«Wat geeft gij?» vroeg de wind.
+
+«Ik geef niets,» antwoordde zij. «Ik ben immers aan het afnemen, en
+de lantarens hebben mij nooit verlicht, maar wel heb ik omgekeerd de
+lantarens verlicht.» En met deze woorden verschool de maan zich weer
+achter de wolken, om verder aandringen te voorkomen.
+
+Nu viel er een droppel op de lantaarn neer. Deze droppel zeide, dat
+hij uit de grauwe wolken kwam en ook een geschenk was, misschien wel
+het beste. «Ik doordring u zoozeer, dat ge de gave verkrijgt om in
+één nacht, als ge dit verlangt, in roest te veranderen en tot stof
+te worden.»
+
+Dit scheen de lantaarn een slecht geschenk toe, en de wind dacht er
+evenzoo over. «Is er niemand meer, die wat te geven heeft?» blies
+hij zoo hard, als hij maar kon.
+
+Nu viel er een heldere verschietende ster neer en liet een lange,
+vurige streep achter.
+
+«Wat was dat?» riep de haringkop uit. «Viel daar niet een ster naar
+beneden? Ik geloof haast, dat zij op de lantaarn is neergekomen. Nu,
+als er zulke hooggeplaatste personen naar den post dingen, kunnen
+wij wel naar huis gaan.»
+
+En dat deden zij ook alle drie. Maar de oude lantaarn gaf op eens een
+verwonderlijk helder licht van zich. «Dat is een heerlijk geschenk
+geweest!» zeide zij. «De prachtige sterren, waarin ik altijd zooveel
+schik gehad heb en die zulk een helderen glans rondom zich verspreiden,
+als ik nooit van mij heb kunnen geven, ofschoon ik er altijd mijn
+uiterste best toe heb gedaan, hebben mij, arme oude lantaarn, toch
+opgemerkt en mij een geschenk gezonden, waardoor alles, wat ik mij
+zelf herinner en wat ik zoo duidelijk zie, alsof het voor mij stond,
+ook door allen, die ik liefheb, gezien kan worden. En hierin ligt
+toch eerst het wezenlijke genot; want een vreugde, waarin men niet
+met anderen kan deelen, is toch maar een halve vreugde.»
+
+«Dat doet uw hart eer aan!» zei de wind. «Maar ge weet zeker nog
+niet, dat daartoe waskaarsen noodig zijn. Als er geen waskaars in u
+opgestoken wordt, dan kan niemand der anderen iets in u zien. Daaraan
+hebben de sterren niet gedacht; zij meenen, dat alles, wat licht
+geeft, een waskaars in zich heeft. Maar ik ben nu moe en zal wat gaan
+liggen!»--En hij ging terstond liggen.
+
+«Och hemel! Waskaarsen!» zei de lantaarn. «Die heb ik tot hiertoe
+niet gehad, en die zal ik in het vervolg ook wel niet krijgen. Als
+ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!»
+
+Den volgenden dag,--ja, den volgenden dag kunnen wij gerust
+overspringen,--maar den volgenden avond zat de lantaarn dood op
+haar gemak in een leuningstoel! En raad eens waar? Bij den ouden
+lantaarnopsteker. Deze had den burgemeester en den gemeenteraad om de
+gunst verzocht, uit hoofde van zijn langdurige en trouwe diensten de
+lantaarn te mogen behouden, die hij zelf op den dag, waarop hij zijn
+post had aanvaard, nu vier-en-twintig jaren geleden, voor 't eerst
+opgestoken had. Hij beschouwde haar als zijn kind, want hij had er
+geen ander; en de lantaarn werd hem ten geschenke gegeven.
+
+Zoo zat zij daar dan in den leuningstoel, dicht bij de warme
+kachel. Het was, alsof zij grooter geworden was, want zij besloeg
+bijna den geheelen stoel.
+
+De oude luidjes zaten aan hun avondmaal en wierpen vriendelijke
+blikken op de oude lantaarn, waarvoor zij gaarne een plaats aan de
+tafel zouden ingeruimd hebben.
+
+Zij woonden wel is waar in een kelder, die twee el diep onder den
+grond was; men moest een steenen gang door om er in te komen; maar
+van binnen zag het er toch recht gezellig uit, en het was er warm;
+want zij hadden tochtlatten om de deur gespijkerd. Alles zag er hier
+netjes en zindelijk uit, en er hingen gordijnen voor de bedstede en
+voor de kleine raampjes. Op de vensterbank stonden twee zonderlinge
+bloempotten, die de matroos Christiaan uit Oost- of West-Indië
+meegebracht had. Zij waren maar van grof aardewerk en stelden twee
+olifanten voor, die echter geen rug hadden; maar in plaats daarvan
+groeide er uit de aarde, waarmee zij gevuld waren, in den eenen het
+prachtigste bieslook: dat was de moestuin der oude luidjes: in den
+anderen een groote, bloeiende geranium: dat was hun bloemtuin. Aan
+den muur hing een groot, bontgekleurd schilderij, dat het congres van
+Weenen voorstelde. Op deze wijze hadden zij alle koningen en keizers
+op eens bij elkaar. Een klok, waaraan zware looden gewichten hingen,
+deed onophoudelijk: «Tik, tak!» en deze liep altijd voor, maar dat was
+beter, dachten de oude luidjes, dan dat zij naliep. Zij gebruikten hun
+avondmaal, en de oude straatlantaarn zat, zooals reeds gezegd is, in
+den leuningstoel dicht bij de kachel. Het kwam de lantaarn voor, alsof
+de geheele wereld omgedraaid was. Maar toen de oude lantaarnopsteker
+haar aankeek en er van sprak, wat zij beiden alzoo met elkaar doorleefd
+hadden, in regen en mist, in de heldere, korte zomernachten zoowel
+als in de lange winternachten, wanneer het sneeuwde, zoodat het hem
+goeddeed, als hij weer in zijn kelder kwam,--toen wist de lantaarn
+zich weer goed in alles te verplaatsen. Zij zag alles even duidelijk,
+alsof het nu nog gebeurde; ja, de wind had haar inwendig goed verlicht.
+
+De oude luidjes waren zeer vlijtig en bedrijvig; geen uur werd er door
+hen in ledigheid doorgebracht. Des Zondags middags werd er het een of
+ander boek voor den dag gehaald, bij voorkeur een reisbeschrijving,
+en dan las de waardige grijsaard zijn vrouw voor, van Afrika, van de
+groote bosschen, van de olifanten, die daar in 't wild rondloopen,
+en dan luisterde de oude vrouw in gespannen aandacht naar hem en
+sloeg een heimelijken blik op de beide olifanten van aardewerk,
+die voor bloempotten dienden.
+
+«Ik kan mij dat alles best voorstellen!» zeide zij. En de lantaarn
+wenschte dan van ganscher harte, dat er een waskaars voorhanden geweest
+was, die in haar kon opgestoken worden; dan zou de oude vrouw alles tot
+het kleinste toe nauwkeurig zoo hebben kunnen zien, als de lantaarn dit
+zag: de hooge boomen, de dicht in elkaar gegroeide takken, de naakte,
+zwarte menschen te paard en geheele troepen olifanten, die met hun
+plompe pooten riet en struiken vertrapten.
+
+«Wat baten mij nu al mijn gaven, als ik geen waskaars vind?» zei
+de lantaarn met een zucht. «Zij hebben niets anders dan olie en
+vetkaarsen, en dat is niet voldoende!»
+
+Op zekeren dag kwam er een heele boel eindjes waskaars in den kelder;
+de grootste eindjes werden gebrand, en de kleinere gebruikte de vrouw
+om er haar draden mee te wrijven. Er waren dus genoeg waskaarsen
+voorhanden; maar het kwam de beide oude luidjes niet in de gedachten,
+een klein eindje in de lantaarn te zetten.
+
+«Daar sta ik nu met al mijn gaven,» dacht de lantaarn. «Ik heb alles
+in mij, maar kan er hen geen deelgenooten van maken; zij weten niet,
+dat ik de witte muren in de prachtigste tapijten kan veranderen,
+in de heerlijkste bosschen, in alles, wat zij maar kunnen wenschen.»
+
+De lantaarn werd overigens netjes in orde gehouden en stond geschuurd
+in een hoek, waar zij iedereen in het oog viel. De menschen vonden
+wel is waar, dat het een onnut meubel was; maar daarom bekreunden de
+oudjes zich niet: zij hadden de lantaarn immers lief.
+
+Op zekeren dag,--'t was de verjaardag van den ouden lantaarnopsteker,
+ging de oude vrouw glimlachend naar de lantaarn toe en zei: «Ik zal
+vandaag eens ter eere van mijn man illumineeren!» En de lantaarn
+knarste met haar blikken schoorsteentje en dacht: «Wacht! Eindelijk
+zal er toch een licht voor hen opgaan!»
+
+Maar het bleef bij olie, en geen waskaars kwam er te voorschijn. Zij
+brandde den heelen avond door, doch zag nu maar al te goed in, dat
+het geschenk der sterren voor dit leven een doode schat zou blijven.
+
+Daar had zij een droom,--en als men zulke gaven als zij bezit, dan is
+het geen kunst om te droomen! Het kwam haar voor, dat de oude luidjes
+gestorven waren en dat zij naar de ijzergieterij gebracht was, om in
+een anderen vorm gegoten te worden. Het was haar daarbij even bang
+te moede als indertijd, toen zij naar het stadhuis moest, om door
+den burgemeester en den gemeenteraad bekeken te worden. Maar ofschoon
+haar de macht verleend was, zich in roest en stof te veranderen, als
+zij dit wenschte, deed zij dit toch niet. Zij werd in den smeltoven
+geworpen en in een ijzeren kandelaar veranderd, zoo mooi, als men
+maar zou kunnen wenschen, om waskaarsen daarop te plaatsen. Zij had
+den vorm van een engel gekregen, die een grooten bloemruiker draagt;
+midden in den ruiker werd de waskaars geplaatst. De kandelaar kreeg
+zijn plaats op een groene schrijftafel; de kamer, waarin zij stond,
+zag er heel gezellig uit; er stonden vele boeken in, en de muren waren
+met mooie schilderijen behangen; zij behoorde een dichter toe. De
+kamer veranderde in dichte, donkere bosschen, in liefelijke weiden,
+in het scheepsverdek op de golven der zee, in den helderen hemel met
+al zijn sterren.
+
+«Wat liggen er toch een menigte gaven in mij besloten!» zei de oude
+lantaarn, toen zij wakker werd. «Ik zou er bijna naar verlangen, in
+een anderen vorm gegoten te worden. Maar neen! Dat mag niet gebeuren,
+zoolang de oude luidjes leven. Zij hebben mij om mijns zelfs wil
+lief. Zij hebben mij geschuurd en mij olie gegeven. En ik heb het
+immers ook even goed, als het heele congres, in de beschouwing waarvan
+zij insgelijks genoegen vinden!»
+
+Van dien tijd af genoot zij meer inwendige rust, en dat had de oude,
+brave straatlantaarn wel verdiend.
+
+
+
+
+DE OOIEVAARS.
+
+
+Op het laatste huis in een klein dorpje was een ooievaarsnest. Het
+wijfje van een ooievaar zat daarin bij haar vier jongen, die er hun
+kopjes met de spitse zwarte bekjes uitstaken; want deze waren nog niet
+rood geworden. Een klein eindje daar vandaan stond op de vorst van het
+dak, stram en stijf, het mannetje; hij had zijn eenen poot in de hoogte
+getrokken, om toch iets te doen te hebben, terwijl hij op schildwacht
+stond. Men zou gezegd hebben, dat hij van hout gemaakt was, zoo stil
+stond hij. «Het zal zeker wel heel deftig staan, dat mijn vrouw een
+schildwacht bij het nest heeft!» dacht hij. «Ze kunnen immers niet
+weten, dat ik haar man ben. Ze denken zeker, dat zij mij bevel gegeven
+heeft om hier te staan!» En hij ging voort met op één poot te staan.
+
+Beneden op straat speelde een troep kinderen; en toen zij de ooievaars
+zagen, zong een der moedigste knapen, en later allen tegelijk,
+het oude liedje van de ooievaars. Maar zij zongen het slechts zoo,
+als hij het zich kon herinneren:
+
+
+ «Ooievaar! waar vlieg je heen!
+ Sta niet steeds op je eene been!
+ Kijk, je vrouw zit in het nest,
+ Waar zij op haar jongen past.
+
+ Het eene wordt gehangen,
+ Het andere wordt verschroeid,
+ Het derde doodgestoken,
+ Het vierde aan 't braadspit gloeit.»
+
+
+«Hoor eens, wat die knapen daar zingen!» zeiden de jongen; «zij zingen,
+dat wij opgehangen en verbrand moeten worden!»
+
+«Daar moet je je maar niet aan storen!» zei de moeder der
+ooievaars. «Luistert er maar niet naar, dan hindert het je niet!»
+
+Maar de jongens gingen met zingen voort, en zij sliepten den ooievaar
+met hun vingers uit; doch één knaap, die Piet heette, zei dat het
+zonde was, die beesten zoo in het ootje te nemen, en hij wilde dan
+ook volstrekt niet meedoen. De moeder der ooievaars troostte hen door
+te zeggen: «Bekreunt je er maar niet om! Ziet maar eens, hoe bedaard
+je vader daar staat, en dat nog wel op één poot!»
+
+«We zijn doodsbenauwd!» zeiden de jongen en trokken hun kopjes in
+het nest terug.
+
+Den volgenden dag, toen de kinderen weer aan het spelen waren en de
+ooievaars zagen, zongen zij hun lied:
+
+
+ «Het eene wordt gehangen,
+ Het andre wordt verschroeid.»
+
+
+«Zullen we dan toch opgehangen en verschroeid worden?» vroegen de
+jonge ooievaars.
+
+«Wel zeker niet!» zei hun moeder. «Je moet leeren vliegen. Ik zal
+het je wel leeren! Dan gaan wij naar het land toe en leggen een
+bezoek bij de kikvorschen af; die buigen zich voor ons in het water
+en zingen: «Krok, krok, rekkekekkek!» En dan eten wij ze op. Dat zal
+een pret zijn!»
+
+«En wat dan?» vroegen de jongen.
+
+«Dan verzamelen zich al de ooievaars, die er in dit heele land zijn,
+en dan beginnen de herfstmanoeuvres; dan moet men goed kunnen vliegen;
+dat is van het uiterste belang. Want wie dan niet vliegen kan, wordt
+door den generaal met den snavel doodgestoken; past daarom goed op,
+dat je wat leert, als het exerceeren begint.»
+
+«Dan worden we toch doodgestoken, zooals de jongens zeiden. En hoor
+eens! Daar zingen ze het weer!»
+
+«Luistert naar mij en niet naar hen,» zei de moeder der ooievaars. «Na
+de groote manoeuvres vliegen wij naar de warme landen, ver hier
+vandaan, over bergen en bosschen. Naar Egypte vliegen wij toe, waar
+men driehoekige steenen huizen heeft, die in een punt uitloopen en tot
+boven de wolken reiken; zij worden piramiden genoemd en zijn ouder,
+dan een ooievaar zich wel kan voorstellen. Daar is een rivier, die
+buiten haar oevers treedt; dan wordt het geheele land tot slijk. Men
+loopt in het slijk en eet kikvorschen.»
+
+«Zoo?» zeiden al de jongen.
+
+«Ja, daar is het heerlijk! Men doet den heelen dag niets anders dan
+eten; en terwijl we het daar zoo goed hebben, is er in dit land geen
+enkel groen blad aan de boomen; dan is het hier zoo koud, dat de
+wolken stuk vriezen en in kleine, witte lapjes naar beneden vallen!»
+Het was de sneeuw, die zij bedoelde: maar zij wist het niet anders
+te verklaren.
+
+«Vriezen die ondeugende jongens dan ook stuk?» vroegen de jonge
+ooievaars.
+
+«Neen, stuk vriezen ze niet; maar ze zijn er dicht aan toe en moeten
+in de donkere kamer blijven zitten kniezen. Jelui kunt daarentegen
+in vreemde landen rondvliegen, waar men bloemen en warmen zonneschijn
+heeft.»
+
+Nu was er al eenigen tijd verloopen; en de jongen waren zoo
+groot geworden, dat zij rechtop in het nest konden staan en ver
+in de rondte kijken; en de vader der ooievaars kwam alle dagen met
+heerlijke kikvorschen, kleine slangen en alle ooievaarslekkernijen,
+die hij maar kon vinden. O, wat was dat aardig, als hij hun allerlei
+kunstjes voordeed. Zijn kop boog hij heelemaal achterover tot op zijn
+staart, met zijn snavel klapperde hij, alsof het een rateltje was,
+en dan vertelde hij hun geschiedenisjes allemaal van het moeras.
+
+«Hoort eens, nu moet je leeren vliegen!» zei de moeder der ooievaars
+op zekeren dag, en toen moesten al de vier jongen het nest uit en
+de dakvorst op. Och, wat waggelden zij, wat balanceerden zij met hun
+vleugels; en toch scheelde het niet veel, of zij waren naar beneden
+gevallen.
+
+«Kijkt maar eens naar mij!» zei de moeder. «Zoo moet je je kop
+houden! Zoo moet je je pooten zetten. Een, twee! Een, twee! Dat is het,
+wat je in de wereld vooruit zal doen komen!» Daarop vloog zij een klein
+eindje, en de jongen deden een kleinen, onbeholpen sprong. Bom! daar
+lagen ze, want hun lichaam was nog niet lenig genoeg.
+
+«Ik wil niet vliegen!» zei een der jongen en kroop weer in het nest;
+«het kan mij niet schelen, of ik naar de warme landen toe ga!»
+
+«Wil je hier dan doodvriezen, als het winter wordt? Moeten de jongens
+dan komen om je op te hangen, te verbranden of dood te steken? Dan
+zal ik ze maar dadelijk roepen!»
+
+«O neen!» zei de jonge ooievaar en huppelde toen weer over het dak,
+evenals de andere.
+
+Op den derden dag konden zij al een beetje vliegen, en nu dachten zij,
+dat zij ook konden zweven en op de lucht drijven. Dat wilden zij,
+maar bom! daar duikelden zij; daarom moesten zij hun vleugels gauw
+weer in beweging brengen. Nu kwamen de jongens beneden op de straat
+en zongen hun lied:
+
+
+ «Ooievaar! waar vlieg je heen?»
+
+
+«Zullen we niet naar beneden vliegen en hun de oogen uitpikken?»
+vroegen de jongen.
+
+«Neen, doet dat niet!» zei de moeder. «Luistert maar naar mij, dat is
+veel meer van belang! Een, twee, drie! nu vliegen we rechts. Een, twee,
+drie! nu links om den schoorsteen heen!--Kijk, dat ging waarlijk al
+heel goed! De laatste slag met je pooten was zoo netjes en juist, dat
+je permissie krijgt, om morgen met mij naar het moeras te vliegen. Daar
+komen verscheidene deftige ooievaarsfamilies met haar kinderen bijeen;
+toont hun dan, dat de mijne de flinkste zijn en dat je je fatsoenlijk
+weet te gedragen; dat staat goed en geeft aanzien!»
+
+«Maar moeten we dan geen wraak nemen op die ondeugende jongens?»
+vroegen de jonge ooievaars.
+
+«Laat ze maar schreeuwen, zooveel als ze willen! Jelui vliegt toch
+naar de wolken op en komt in het land der piramiden, als zij kou
+moeten lijden en geen groen blad, geen zoeten appel hebben!»
+
+«Ja, we zullen ons toch wreken!» fluisterden zij elkaar toe, en daarop
+werd er weer geëxerceerd.
+
+Van al de jongens op straat was er geen erger op verzot, het spotlied
+te zingen, dan juist diegene, die er mee begonnen was, en dat was nog
+maar een heel kleine jongen; hij was zeker niet ouder dan zes jaar. De
+jonge ooievaars dachten wel is waar, dat hij honderd jaren telde,
+want hij was immers veel grooter dan hun moeder en hun vader, en wat
+wisten zij er van, hoe oud kinderen en groote menschen konden zijn! Al
+hun wraak zou op dezen jongen neerkomen: hij was het eerst begonnen, en
+hij bleef maar volhouden. De jonge ooievaars waren erg nijdig op hem,
+en toen zij grooter werden, konden zij hem nog minder uitstaan. Hun
+moeder moest hun eindelijk beloven, dat zij gewroken zouden worden,
+maar eerst op den laatsten dag van hun verblijf in dit land.
+
+«We moeten eerst eens zien, hoe je je bij de groote manoeuvres zult
+houden! Gedraag je je slecht, zoodat de generaal je den snavel door
+de borst stoot, dan hebben de jongens immers gelijk, althans in een
+zeker opzicht. Laat ons nu eens zien!»
+
+«Ja dat zult ge!» zeiden de jongen, en nu deden zij hun uiterste
+best; zij oefenden zich alle dagen en vlogen zoo netjes en zoo vlug,
+dat het een lust was om te zien.
+
+Nu kwam de herfst. Al de ooievaars begonnen zich te verzamelen, om
+naar de warme landen te trekken, terwijl wij winter hadden. Dat waren
+de manoeuvres! Over bosschen en dorpen moesten ze, alleen om te zien,
+of ze wel goed konden vliegen; want het was immers een verre reis,
+die hun te wachten stond. De jonge ooievaars deden hun zaakjes zoo
+goed, dat zij: «Uitmuntend, met kikvorsch en slangen!» kregen. Dat
+was het allerbeste getuigenis, en den kikvorsch en de slangen konden
+zij opeten; en dat deden ze dan ook.
+
+«Nu zullen we ons wreken!» zeiden zij.
+
+«Wel zeker!» zei de moeder der ooievaars. «Wat ik er op bedacht heb,
+is het allerbeste. Ik weet waar de vijver is, waarin al de kleine
+menschenkinderen liggen, totdat de ooievaar komt en ze aan de ouders
+brengt. De lieve, kleine kinderen slapen en droomen zoo heerlijk, als
+zij later nimmer meer doen. Alle ouders willen graag zulk een klein
+kind hebben, en alle kinderen willen wel een zusje of een broertje
+hebben. Nu zullen we naar den vijver toe vliegen en een daarvan voor
+elk der kinderen halen, die dat leelijke lied niet gezongen en de
+ooievaars niet in het ootje genomen hebben.»
+
+«Maar hij, die met zingen begonnen is, die ondeugende, leelijke
+jongen,» schreeuwden de jonge ooievaars, «wat moeten we met hem
+beginnen?»
+
+«Er ligt in den vijver een klein, dood kind, dat zich dood gedroomd
+heeft; dat zullen we voor hem meenemen; dan zal hij schreien, omdat
+wij hem een klein, dood broertje gebracht hebben; maar dien goeden
+jongen,--hem ben je toch niet vergeten, hem, die zei, dat het zonde
+was, ons in het ootje te nemen?--hem zullen we zoowel een broertje
+als een zusje brengen. En daar de jongen Piet heet, moet jelui ook
+allemaal Piet genoemd worden!»
+
+En het gebeurde, zooals zij zeide; en al de ooievaars werden Piet
+genoemd, en zoo heeten zij nog.
+
+
+
+
+ZOOALS MANLIEF DOET, IS HET ALTIJD GOED.
+
+
+Ik zal u eens een sprookje vertellen, dat ik hoorde, toen ik nog
+een kleine jongen was; telkens wanneer ik aan dit sprookje dacht,
+kwam het mij voor, alsof het gedurig mooier werd; want het gaat met
+sprookjes evenals met vele menschen,--zij worden met de jaren mooier.
+
+Op het land zult ge toch zeker wel eens geweest zijn, ge zult
+dan ook wel eens zulk een heel oud boerenhuis met een stroodak
+gezien hebben. Mos en planten groeien er van zelf op het dak; een
+ooievaarsnest bevindt zich op de vorst daarvan,--de ooievaar behoort er
+zoo bij. De muren van het huis zijn scheef, de ramen laag, en slechts
+een enkel raam is zoo ingericht, dat het kan opengeschoven worden;
+de oven springt buiten den muur uit, evenals een kleine, dikke buik;
+de vlierboom hangt over de heining heen, en onder zijn takken, aan
+den voet der heining, is een vijver, waarin eenige eenden zwemmen. Een
+hond, die tegen elk en een ieder blaft, is er ook.
+
+Zulk een boerenhuis stond er buiten op het land, en in dit huis woonden
+een paar oude lieden, een boer en zijn vrouw. Hoe weinig zij ook
+hadden, iets was daaronder toch, dat zij hadden kunnen missen,--en
+wel een paard, dat zich met het gras voedde, dat het aan den weg
+vond. De oude boer reed op dit paard naar de stad, dikwijls leenden
+zijn buren het ook van hem en bewezen daarvoor aan de oude lieden
+menigen wederdienst. Maar het raadzaamst zou het toch wel zijn, als
+zij dit paard verkochten of het tegen iets anders, dat hun meer van
+nut kon zijn, verruilden. Maar wat zou dit wel zijn?
+
+«Dat zal jij het best weten, man!» zei zijn vrouw tegen hem. «Vandaag
+is het juist jaarmarkt, rijd naar de stad, geef het paard voor geld
+weg of doe er een goeden ruil voor: zooals jij doet, is het mij altijd
+goed. Rijd maar naar de jaarmarkt toe!»
+
+Zij deed hem zijn das om, want daar had zij meer verstand van dan hij;
+zij maakte deze met een dubbelen strik vast: dat stond heel goed! Zij
+streek zijn hoed met haar hand op en gaf hem toen een hartelijken
+zoen. Daarop reed hij weg op het paard, dat moest verkocht of in ruil
+gegeven worden. Ja, de oude man heeft daar wel verstand van!
+
+De zon scheen warm, geen wolkje was er aan den hemel te zien. Op den
+weg stoof het geducht; vele menschen, die de jaarmarkt wilden bezoeken,
+reden er te paard of in een rijtuig heen, of legden den weg te voet
+af. Nergens was eenige schaduw tegen de brandende stralen der zon.
+
+Onder anderen ging er ook iemand dien weg langs, die een koe naar de
+markt dreef. De koe was zoo mooi, als een koe maar wezen kan. «Die
+geeft zeker ook goed melk!» dacht de boer; «dat zou een goede ruil
+zijn: de koe voor het paard!»
+
+«Heidaar!» riep hij den man, die met de koe liep, toe; «weet je
+wat? Een paard, zou ik meenen, kost meer dan een koe; maar dat is
+mij om 't even; ik kan meer dienst, van een koe hebben, als je er
+lust in hebt, dan zullen wij ruilen!»
+
+«Zeker wil ik dat!» zei de man met de koe, en nu ruilden zij.
+
+Dat was alzoo afgedaan, en de boer had nu best weer kunnen terugkeeren;
+want hij had nu immers afgedaan, waarom het hem te doen was; maar
+daar hij zich eenmaal op de jaarmarkt gespitst had, wilde hij er ook
+naar toe, alleen maar om deze eens te zien, en daarom ging hij met
+zijn koe naar de stad.
+
+Terwijl hij de koe meevoerde, liep hij verder, en na verloop van
+eenigen tijd kwam hij een man voorbij, die een schaap voor zich
+uitdreef. Het was een goed, vet schaap, en het had goede wol.
+
+«Dat zou ik wel willen hebben,» dacht onze boer, «het zou bij ons
+volop gras vinden, en gedurende den winter konden wij het bij ons in
+de keuken nemen. Eigenlijk zou het verkieslijker zijn een schaap in
+plaats van een koe te hebben... Willen wij ruilen?» vroeg hij.
+
+Daartoe was de man met het schaap terstond bereid, en de ruiling had
+plaats. Onze boer ging met het schaap langs den straatweg verder.
+
+Al spoedig werd hij andermaal een man gewaar, die den straatweg langs
+kwam en een groote gans onder den arm droeg.
+
+«Dat is een zwaar ding, dat je daar hebt; het heeft veeren en vet,
+dat het een lust is om te zien; het zou wel aardig zijn, als dat bij
+ons aan een touw bij het water liep. Dat zou net zoo iets voor mijn
+vrouw zijn; daarvoor kon zij allerlei afval opzamelen. Hoe dikwijls
+heeft zij niet gezegd: als wij maar eens een gans hadden! Nu kan zij
+er misschien een krijgen... en komaan! zij zal er een hebben... Willen
+wij ruilen? Ik geef je het schaap voor de gans en een bedankje op
+den koop toe.»
+
+Daar had de ander niets tegen in te brengen, en zoo ruilden zij
+dan. Onze boer kreeg de gans.
+
+Nu was hij reeds dicht bij de stad: het gedrang op den straatweg nam
+gedurig toe; menschen en vee verdrongen elkaar: zij liepen op den
+straatweg langs de heggen, ja, bij den slagboom kwamen zij zelfs
+op het aardappelveld van een daglooner, waar zijn eenige kip aan
+een touw rondliep, opdat zij niet van het gedrang zou schrikken,
+afdwalen en wegloopen. De kip had korte veeren in haar staart, zij
+knipte met haar eene oog en zag er zeer schrander uit. «Klok! Klok!»
+zei de kip. Wat zij daarbij dacht, weet ik niet te zeggen; maar toen
+onze boer haar te zien kreeg, dacht hij terstond: «Dat is de mooiste
+kip, die ik ooit gezien heb, zij is zelfs mooier dan de broedhen van
+dominee. Drommels! Die kip zou ik wel willen hebben! Een kip vindt
+altijd wel een graantje; zij kan zich bijna geheel zelf voeden; ik
+geloof, dat het een goede ruil zou zijn, als ik haar voor de gans
+kon krijgen... Willen we ruilen?» vroeg hij den daglooner.
+
+«Ruilen?» herhaalde deze, «ja, dat zou niet kwaad zijn!» En zoo
+ruilden zij. De daglooner kreeg de gans en de boer kreeg de kip.
+
+Zoo had hij al heel wat op de reis naar de stad afgedaan; warm was
+het ook, en hij was moede. Aan een slokje en aan een ontbijt had hij
+wel behoefte; al spoedig daarop bevond hij zich bij de herberg. Hij
+wilde juist naar binnen gaan, toen de huisknecht er uit kwam; zij
+ontmoetten elkaar op den drempel. De knecht droeg een gevulden zak.
+
+«Wat heb je daar in dien zak zitten?» vroeg de boer,
+
+«Verrotte appelen,» antwoordde de knecht, «een heelen zak vol, genoeg
+voor de varkens.»
+
+«Dat is toch een al te groote verkwisting. Dat zou ik wel eens aan
+mijn vrouw willen laten zien. Verleden jaar heeft de oude boom bij
+het turfhok maar een enkelen appel opgeleverd; die werd afgeplukt en
+stond op de kast, totdat hij geheel bedierf en verrotte. «Dat is toch
+altijd iets,» zei mijn vrouw «Wat zou zij opkijken, als zij eens een
+heelen zak vol zag! Ja, dat zou ik haar wel eens gunnen!»
+
+«Wat wil je voor den zak geven?» vroeg de knecht.
+
+«Wat ik er voor geven wil? Ik geef mijn kip daarvoor in ruil,» en hij
+gaf de kip in ruil, kreeg de appelen en trad daarmee de gelagkamer
+binnen. Den zak zette hij voorzichtig, tegen de kachel aan en ging
+toen naar het buffet. Maar de kachel was warm, daaraan dacht hij
+niet.--Er waren vele gasten aanwezig: paardenkoopers, ossendrijvers
+en twee Engelschen, en die Engelschen waren zoo rijk, dat hun zakken
+met goudstukken opgevuld waren en er bijna van barstten;--en wedden,
+dat zij konden! Daar zult ge eens wat van hooren!
+
+«Ss! Ss!»--Wat was dat bij de kachel?--De appelen begonnen te braden.
+
+«Wat is dat toch?»
+
+«Ja, zie je,» zei onze boer, en nu vertelde hij de heele geschiedenis
+van het paard, dat hij tegen een koe verruild had en zoo verder tot
+aan de appelen.
+
+«Nu, dan zal je vrouw wel duchtig op je knorren, als je thuis
+komt. Daar zit wat voor je op!» zeiden de Engelschen.
+
+«Wat? Knorren?» zei de boer. «Een zoen zal zij mij geven en zeggen:
+zooals manlief doet, is het altijd goed.»
+
+«Willen wij eens wedden?» zeiden de Engelschen. «Om gemunt goud per
+ton van een centenaar of honderd pond?»
+
+«Een zak is al voldoende,» antwoordde de boer. «Ik kan er slechts
+mijn zak met appelen tegen zetten.»
+
+«Aangenomen.» En de weddingschap werd aangegaan.
+
+Het rijtuig van den kastelein kwam voor, de Engelschen en de boer
+stapten er in; voorwaarts ging het, en al spoedig daarop hielden zij
+voor het huis van den boer stil.
+
+«Goeden avond, vrouw!»
+
+«Goeden avond, man!»
+
+«De ruil is gedaan.»
+
+«Ja, jij verstaat je zaken wel!» zei de vrouw, terwijl zij hem omhelsde
+en noch op den zak, noch op de vreemde gasten lette.
+
+«Ik heb een koe voor het paard geruild»
+
+«Goddank! Nu zullen we melk krijgen en boter en kaas op de tafel! Dat
+was een goede ruil!»
+
+«Ja, maar de koe heb ik weer tegen een schaap ingeruild.»
+
+«Wel, dat is des te beter!» antwoordde zijn vrouw, «je denkt ook
+altijd aan alles; voor een schaap hebben wij gras genoeg; schapenmelk
+en schapenkaas en wollen kousen en wollen rokken! Dat geeft de koe
+niet, zij verliest haar haren maar. Wat denk je ook aan alles!»
+
+«Maar het schaap heb ik weer tegen een gans verruild.»
+
+«Zullen wij dit jaar dan werkelijk eens een gebraden gans op tafel
+hebben, manlief? Je denkt er altijd aan, mij een plezier te doen. Wat
+is dat heerlijk! De gans kunnen we aan een touw vastzetten en haar
+nog vetter laten worden, voordat wij haar braden.»
+
+«Maar de gans heb ik tegen een kip verruild!» zei haar man.
+
+«Een kip! Dat was een goede ruil!» antwoordde zijn vrouw.
+
+«De kip legt eieren, die broedt zij uit, dan krijgen wij kuikentjes
+en later een heelen troep kippen! Kijk, daar heb ik al zoo lang
+naar verlangd!»
+
+«Ja, maar de kip gaf ik weer voor een zak vol rotte appelen weg!»
+
+«Wat? Nu moet ik je eens een hartelijken zoen geven!» hernam de
+vrouw. «Mijn lieve, beste man! Ik zal je eens wat vertellen. Zie je,
+toen je van morgen pas weg waart, dacht ik er over na, hoe ik tegen,
+van avond eens wat lekkers voor je klaar zou maken. Toen dacht ik
+aan spekpannekoeken met appelen. De eieren had ik al, het spek ook,
+maar de appelen ontbraken mij nog. Zoo ging ik dan naar meesters vrouw
+toe; zij heeft appelen, dat weet ik; maar meesters vrouw is gierig,
+al weet zij zich ook nog zoo mooi voor te doen. Ik verzocht haar, mij
+wat appelen te leenen. «Leenen?» gaf zij ten antwoord. «Geen enkele
+appel groeit er in onzen tuin, niet eens een rotte; zoo een kan ik
+je niet eens leenen, beste vrouw!» Maar nu kan _ik haar_ wel tien,
+ja een heelen zak vol leenen. Dat doet mij plezier, dat is om mij
+dood te lachen!»--En daarbij zoende zij hem, dat het klapte.
+
+«Dat bevalt mij!» riepen de Engelschen als uit éen mond. «Altijd
+minder en toch altijd vroolijk. Dat is het geld wel waard!»
+
+En nu betaalden zij een centenaar gouden munten aan den boer, die
+niet beknord, maar gezoend werd.
+
+Ja, dat vindt altijd zijn loon, als de vrouw het inziet en het ook
+altijd zegt, dat de man het het beste weet en dat al wat hij doet,
+goed is.
+
+Zie, dat is mijn geschiedenis. Ik heb haar reeds als kind gehoord,
+en nu hebt gij haar ook gehoord en weet het nu: «Zooals manlief doet,
+is het altijd goed!»
+
+
+
+
+DE GROOTE KLAAS EN DE KLEINE KLAAS.
+
+
+In zeker dorp woonden twee menschen, die beiden denzelfden naam
+hadden. Beiden heetten Klaas, maar de een bezat vier paarden
+en de ander maar een enkel paard. Om ze nu van elkaar te kunnen
+onderscheiden, noemde men hem, die vier paarden had, den grooten Klaas,
+en hem die maar één paard had, den kleinen Klaas. Nu willen we eens
+hooren, hoe het met beiden ging; want het is een ware geschiedenis.
+
+De heele week door moest de kleine Klaas voor den grooten Klaas ploegen
+en hem zijn eenig paard leenen; dan hielp de groote Klaas hem weer
+met al zijn vier, doch slechts eenmaal in de week, en dat was des
+Zondags. Jongens! wat klapte de kleine Klaas dan met zijn zweep boven
+al de vijf paarden; zij waren immers op dien eenen dag zoo goed als
+de zijne. De zon scheen heerlijk, en al de klokken in den kerktoren
+luidden; de menschen hadden hun beste kleeren aangetrokken en gingen
+met hun gezangboek onder den arm naar de kerk, om den dominee te hooren
+preeken; zij zagen den kleinen Klaas, die met vijf paarden ploegde,
+en deze was zoo in zijn schik, dat hij al door weer met zijn zweep
+klapte en riep: «Voort, mijn paardjes!»
+
+«Zoo moet je niet spreken,» zei de groote Klaas; «het eene paard is
+immers maar van jou.»
+
+Maar toen er weer iemand voorbijkwam, vergat de kleine Klaas, dat
+hij dit niet mocht zeggen, en riep: «Voort, mijn paardjes!»
+
+«Hoor eens! Nu moet ik je verzoeken, het niet meer te zeggen!» zei de
+groote Klaas weer, «want als je het nog eenmaal zegt, dan geef ik je
+paard een slag voor den kop, dat het dood neervalt; dan is het met
+hem gedaan!»
+
+«Ik zal het waarlijk niet meer zeggen!» hernam de kleine Klaas. Maar
+toen er al spoedig daarop weer menschen voorbijkwamen en hem
+toeknikten, werd hij blijde en dacht, dat het toch wel heel deftig
+moest staan, dat hij zoo vijf paarden had, om zijn land te beploegen;
+nu klapte hij andermaal met zijn zweep en zei: «Voort, mijn paardjes»
+
+«Ik zal je dat wel afleeren!» zei de groote Klaas en nam een knuppel
+en sloeg het eenige paard van den kleinen Klaas daarmee zoo duchtig
+voor den kop, dat het omviel en terstond dood was.
+
+«Ach, nu heb ik geen paard meer!» zei de kleine Klaas en begon te
+weenen. Daarop stroopte hij het paard de huid af en liet deze goed in
+den wind drogen, stopte haar toen in een zak, dien hij op den schouder
+nam, en begaf zich naar de stad om zijn paardenhuid te verkoopen.
+
+Hij had een verren tocht af te leggen, hij moest een groot, donker
+bosch door, en nu werd het een verschrikkelijk slecht weer; hij raakte
+heelemaal verdwaald, en voordat hij weer op den rechten weg kwam,
+was het avond en te ver om de stad nog te bereiken of voor den nacht
+naar huis terug te keeren.
+
+Vlak aan den weg stond een groote boerenplaats; de buitenluiken voor de
+ramen waren gesloten; maar het licht kon daaroverheen toch naar buiten
+schijnen. «Daar zal men mij wel willen vergunnen, den nacht door te
+brengen,» dacht de kleine Klaas en ging er naar toe, om aan te kloppen.
+
+De boerin deed de deur open; maar toen zij hoorde, wat hij wilde, zeide
+zij, dat hij maar zijns weegs moest gaan; haar man was niet thuis,
+en zij wilde aan iemand, die haar wildvreemd was, geen onderkomen
+verschaffen.
+
+«Nu, dan moet ik maar buiten blijven liggen,» zei de kleine Klaas,
+en de boerin deed hem de deur voor den neus dicht.
+
+Dicht daarbij stond een groote hooiberg, en tusschen deze en het huis
+een kleine schuur, die met een plat stroodak bedekt was.
+
+«Daar boven kan ik wel liggen!» dacht de kleine Klaas, toen hij het
+dak zag. «Dat is immers een heerlijk bed. De ooievaar zal wel niet
+naar beneden vliegen en mij in mijn beenen bijten!» Want op het dak
+stond een levende ooievaar, die daar zijn nest had.
+
+Nu klom de kleine Klaas boven op de schuur, waar hij zich neerlegde en
+zich al heen en weer wentelde, om toch recht gemakkelijk te liggen. De
+houten luiken voor de ramen waren niet heelemaal tot boven aan toe,
+en zoo kon hij juist in de kamer zien.
+
+Daar stond een groote tafel gedekt, met wijn en gebraden vleesch en
+een heerlijken visch er op; de boerin en de koster zaten aan tafel,
+maar niemand anders; zij schonk hem in, en hij stak zijn vork in de
+visch, want dit was zijn lievelingskost.
+
+«Kon ik daar ook maar wat van krijgen!» dacht de kleine Klaas en
+strekte zijn hoofd naar het raam uit. Och! welk een heerlijken koek
+zag hij op tafel staan! Stellig was het daar feest!
+
+Nu hoorde hij iemand op den straatweg aankomen en naar het huis toe
+rijden; dat was de man der boerin, die naar huis terugkeerde.
+
+Die man was goed genoeg; maar hij had de verwonderlijke eigenschap,
+dat hij geen koster kon uitstaan; als hij een koster in het oog
+kreeg, dan werd hij razend. Dat was ook de reden, waarom de koster
+naar zijn vrouw toe gegaan was, om haar een bezoek te brengen, daar
+hij wist, dat haar man niet thuis was; en de goede vrouw zette hem
+daarom het heerlijkste eten voor, dat zij maar had. Toen zij den man
+echter hoorden aankomen, verschrikten zij, en de vrouw verzocht den
+koster, in een groote leege kist te kruipen. Dat deed hij; want hij
+wist immers, dat de arme man het niet kon verdragen, een koster te
+zien. De vrouw verborg in aller ijl het heerlijke eten en den wijn
+in haar oven; want als haar man dit te zien gekregen had, dan zou
+hij zeker gevraagd hebben, wat dit moest beteekenen.
+
+«Och, och!» zei de kleine Klaas boven op zijn schuur, toen hij het
+eten zag verdwijnen.
+
+«Is er iemand daarboven?» vroeg de boer en keek naar den kleinen
+Klaas op. «Waarom lig je daar? Ga liever met mij mee in huis!»
+
+Nu vertelde de kleine Klaas, hoe hij verdwaald geraakt was, en vroeg,
+of hij hier gedurende den nacht mocht blijven.
+
+«Wel zeker!» zei de boer, «maar wij moeten eerst wat te eten hebben.»
+
+De vrouw ontving beiden zeer vriendelijk, dekte de tafel en zette
+hun een grooten schotel met gort voor. De boer had honger en at met
+den meesten smaak; maar de kleine Klaas kon zich niet weerhouden,
+aan het heerlijke gebraden vleesch, den visch en den koek te denken,
+die, zooals hij wist, in den oven stonden.
+
+Onder de tafel, aan zijn voeten, had hij den zak met de paardehuid er
+in neergelegd; want wij weten immers, dat hij zich ter wille daarvan
+op weg begeven had, om deze in de stad te verkoopen. De gort wilde
+hem maar niet smaken, en daarom trapte hij op zijn zak, en de droge
+huid in den zak maakte nu een knarsend geluid.
+
+«Stil!» zei de kleine Klaas tegen zijn zak, maar te gelijker tijd
+trapte hij er weer op, en nu knarste het er nog luider dan te voren in.
+
+«Wat heb je toch in je zak zitten?» vroeg de boer nu.
+
+«O, dat is een toovenaar!» zei de kleine Klaas. «Hij zegt, dat wij
+geen gort behoeven te eten; want dat hij den heelen oven vol gebraden
+vleesch, visch en koek getooverd heeft.»
+
+«Wat weerga!» zei de boer en deed nu den oven dadelijk open, waarin
+hij al de heerlijke, lekkere spijzen zag staan, die zijn vrouw daarin
+weggestopt had, maar die, zooals hij nu geloofde, de toovenaar in den
+zak voor hen getooverd had. De vrouw dorst niets zeggen, maar zette de
+spijzen terstond op de tafel neer, en zoo aten beiden van den visch,
+van het gebraden vleesch en van den koek. Nu trapte de kleine Klaas
+weer op zijn zak, zoodat de huid knarste.
+
+«Wat zegt hij nu weer?» vroeg de boer.
+
+«Hij zegt,» antwoordde de kleine Klaas, «dat hij ook drie flesschen
+wijn voor ons getooverd heeft, en dat zij daar in den hoek bij den
+oven staan!» Nu moest de vrouw den wijn, dien zij verborgen had,
+voor den dag krijgen, en de boer dronk en werd zeer vroolijk! Zulk
+een toovenaar, als de kleine Klaas in den zak had, zou hij wel graag
+gehad hebben.
+
+«Kan hij den duivel ook te voorschijn brengen?» vroeg de boer. «Ik
+zou hem wel eens willen zien!»
+
+«Ja,» zei de kleine Klaas, mijn toovenaar kan alles, wat ik
+verlang. Niet waar?» vroeg hij en trapte op den zak, zoodat hij
+knarste. «Hoor je wel? Hij zegt ja. Maar de duivel ziet er heel
+leelijk uit; je zult hem zeker liever niet willen zien!»
+
+«O, ik ben volstrekt niet bang. Hoe zou hij er wel uitzien?»
+
+«Hij zal zich precies als een koster voordoen.»
+
+«Foei!» zei de boer, «dat is leelijk! Je moet weten, dat ik het niet
+kan uitstaan, een koster te zien. Maar dat doet er niet toe; ik weet
+immers, dat het de duivel is; dus zal ik er mij wel in schikken! Nu
+heb ik moed! Maar hij mag niet te dicht bij mij komen.»
+
+«Nu, ik zal het aan mijn toovenaar vragen,» zei de kleine Klaas,
+trapte op den zak en hield er zijn oor aan.
+
+«Wat zegt hij?»
+
+«Hij zegt, dat je de kist maar moet opendoen, die daar in den hoek
+staat; dan zal je den duivel zien, zooals hij daarin op zijn hurken
+zit; maar je moet het deksel vasthouden, want anders mocht hij eens
+ontsnappen.»
+
+«Wil je mij helpen om het vast te houden?» vroeg de boer en ging naar
+de kist toe, waarin zijn vrouw den werkelijken koster verborgen had,
+die daarin zat en zich doodelijk ongerust maakte.
+
+De boer deed het deksel eventjes open en keek in de kist.
+
+«Foei!» schreeuwde hij en deinsde terug. «Ja, nu heb ik hem gezien:
+hij zag er precies uit als onze koster. Dat was verschrikkelijk!»
+
+Daarop moest er gedronken worden, en zoo dronken zij dan tot laat in
+den nacht.
+
+«Dien toovenaar moet je mij verkoopen,» zei de boer. «Vraag daarvoor
+al wat je maar wilt. Ja, ik geef je er op staanden voet een schepel
+vol geld voor!»
+
+«Neen, dat kan ik niet,» zei de kleine Klaas. «Bedenk toch, hoeveel
+nut ik van dezen toovenaar kan hebben.»
+
+«Och, ik zou hem toch graag willen hebben,» vervolgde de boer en ging
+voort met smeeken.
+
+«Welnu,» zei de kleine Klaas eindelijk, «daar je zoo goed geweest
+bent, mij van nacht een onderkomen te verschaffen, zal ik het maar
+doen. Je kunt den toovenaar voor een schepel vol geld krijgen.»
+
+«Dat zul je hebben,» zei de boer. «Doch die kist daar moet je maar
+meenemen: ik wil haar geen uur langer in huis houden; men kan het
+nooit weten: misschien zit hij er nog wel in.»
+
+De kleine Klaas gaf den boer zijn zak met de paardehuid er in en kreeg
+daarvoor een schepel vol geld. De boer gaf hem zelfs nog een kar,
+om het geld en de kist daarop mee te nemen.
+
+«Vaarwel!» zei de kleine Klaas en reed met zijn geld en de groote kist,
+waarin de koster nog zat, weg.
+
+Aan den anderen kant van het bosch was een breede, diepe rivier;
+het water stroomde daarin met zooveel snelheid, dat men tenauwernood
+tegen den stroom in kon zwemmen; men had er een groote, nieuwe brug
+overheen gelegd; de kleine Klaas bleef op het midden daarvan staan
+en zei overluid, opdat de koster het zou kunnen hooren:
+
+«Wat moet ik nu met die lompe kist beginnen? Zij is zoo zwaar, alsof er
+steenen in zaten! Ik word er maar moe van, haar verder voort te rijden;
+ik zal haar in de rivier werpen; drijft zij naar mijn huis toe, dan
+is het goed, en doet zij dit niet, dan komt het er ook niet op aan.»
+
+Nu pakte hij de kist met zijn eene hand beet en tilde haar een weinig
+op, alsof hij haar in het water wilde gooien.
+
+«Och, doe dat niet!» riep de koster uit de kist. «Laat mij er eerst
+uit.»
+
+«Hu!» zei de kleine Klaas en hield zich, alsof hij bang was. «Hij
+zit er nog in! Dan moet ik hem gezwind in de rivier werpen, om hem
+te verdrinken.»
+
+«O neen, neen!» riep de koster. «Ik zal je een geheel schepel vol
+geld geven, als je er mij uitlaat.»
+
+«Zoo, dat is wat anders!» zei de kleine Klaas en deed de kist open. De
+koster kroop er gauw uit, stiet de leege kist in het water en ging
+naar zijn huis, waar de kleine Klaas een schepel vol geld kreeg. Hij
+had er al een van den boer gekregen, en zoo had hij dan nu zijn heele
+kar vol geld.
+
+«Nu, het paard heb ik goed betaald gekregen!» zei hij bij zich zelf,
+toen hij te huis in zijn kamer al het geld op een hoop uitschudde. «Dat
+zal den grooten Klaas ergeren, als hij verneemt, hoe rijk ik door
+mijn ééne paard geworden ben; maar ik wil het hem toch niet met ronde
+woorden zeggen!»
+
+Nu zond hij een jongen naar den grooten Klaas toe, om van hem een
+schepelmaat te leenen.
+
+«Wat zou hij daarmee toch willen doen?» dacht de groote Klaas en
+smeerde teer op den bodem daarvan, opdat er van hetgeen er in gemeten
+werd, iets aan zou blijven hangen. En dat gebeurde ook; want toen
+hij de schepelmaat terugkreeg, hingen er drie nieuwe zilverstukken aan.
+
+«Wat is dat?» zei de groote Klaas en liep dadelijk naar den kleinen
+Klaas toe. «Waar heb je al dat geld toch vandaan gekregen?»
+
+«O, dat is voor mijn paardenhuid; die heb ik gisteravond verkocht.»
+
+«Dat is waarlijk goed betaald!» zei de groote Klaas, liep gezwind naar
+huis, nam een bijl, gaf aan al zijn vier paarden een slag voor den kop,
+stroopte hun de huid af en reed met deze huiden naar de stad toe.
+
+«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij door de straten.
+
+Alle schoenmakers en leerlooiers kwamen aanloopen en vroegen, wat
+hij er voor moest hebben.
+
+«Een schepel vol geld voor elke huid,» zei de groote Klaas.
+
+«Ben je niet wijs?» riepen allen uit. «Denk je, dat we het geld zoo
+maar bij schepels hebben?»
+
+«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij weer, en aan al
+degenen, die hem vroegen, wat de huiden moesten kosten, gaf hij ten
+antwoord: «Een schepel vol geld!»
+
+«Hij wil ons beetnemen!» zeiden allen; daarop namen de schoenmakers
+hun spanriemen en de leerlooiers hun schootsvellen, en gaven den
+grooten Klaas daarmee een duchtig pak slaag.
+
+«Huiden, huiden!» voegden zij hem op een spottenden toon toe; «ja, wij
+zullen je huid looien, zoodat het bloed er bij neerloopt. De stad uit
+met hem!» riepen zij, en de groote Klaas moest zich zoo hard wegmaken,
+als hij maar kon; want zulk een pak slaag had hij nog nooit van zijn
+leven gehad.
+
+«Nu!» zeide hij, toen hij thuis kwam, «dat zal ik den kleinen Klaas
+betaald zetten! Ik zal hem daarvoor doodslaan.»
+
+In het huis van den kleinen Klaas was zijn grootmoeder gestorven. Zij
+was wel is waar heel lastig en slecht voor hem geweest; maar hij was
+toch diep bedroefd en nam de doode vrouw op en legde haar in zijn warme
+bed, om te zien of zij niet tot het leven zou terugkeeren. Daar moest
+zij den heelen nacht liggen; hij zelf zou in den hoek gaan zitten en
+op een stoel slapen; dat had hij wel meer gedaan.
+
+Toen hij daar nu in den nacht zat, ging de deur open, en nu trad de
+groote Klaas met zijn bijl binnen. Hij wist wel, waar het ledekant
+van den kleinen Klaas stond, ging daar regelrecht naar toe en sloeg
+diens grootmoeder voor het hoofd, daar hij dacht, dat het de kleine
+Klaas was.
+
+«Ziezoo!» zeide hij. «Nu zal je mij niet meer beethebben!» Daarop
+keerde hij naar zijn huis terug.
+
+«Dat is toch een slechte kerel!» dacht de kleine Klaas. «Hij wilde
+mij doodslaan. Het was maar gelukkig, dat grootmoeder al dood was;
+anders zou hij haar van het leven beroofd hebben!»
+
+Nu trok hij zijn grootmoeder haar Zondagsche kleeren aan, leende
+van zijn buurman een paard, spande dit voor den wagen en zette zijn
+grootmoeder op de achterste bank, zoodat zij er niet kon uitvallen,
+als hij reed; en zoo reden zij weg en gingen het bosch door. Toen
+nu de zon opging, kwamen zij aan een groote herberg; daar hield de
+kleine Klaas stil en ging er in, om wat te gebruiken.
+
+De waard had zeer veel geld; hij was een heel goedhartig man, maar
+erg oploopend.
+
+«Goeden morgen!» zei hij tegen den kleinen Klaas. «Je bent er van
+morgen al vroeg op uitgegaan!»
+
+«Ja,» zei de kleine Klaas; «ik moet met mijn grootmoeder naar de stad
+toe; zij zit op den wagen, en ik kan haar niet in huis brengen. Wil
+je haar niet een glas wijn geven? Maar je moet heel luid spreken,
+want zij kan niet goed hooren!»
+
+«Ja, dat zal ik doen!» zei de waard en schonk een groot glas wijn in,
+waarmee hij naar de doode grootmoeder toe ging, die rechtop in den
+wagen gezet was.
+
+«Hier is een glas wijn van uw kleinzoon!» zei de waard. Maar de doode
+vrouw sprak geen enkel woord en bleef roerloos zitten.
+
+«Hoor je mij niet?» riep de waard nu zoo hard als hij maar kon;
+«hier is een glas wijn van uw kleinzoon!»
+
+Nog eenmaal riep hij hetzelfde, en toen nog eenmaal; maar daar
+zij zich volstrekt niet verroerde, werd hij boos en wierp haar het
+glas in het gezicht, zoodat de wijn haar over den neus liep en zij
+achterover in den wagen viel; want zij was maar los overeind gezet
+en niet vastgebonden.
+
+«Wat heb je daar gedaan?» riep de kleine Klaas, snelde de deur uit
+en pakte den waard bij den kraag beet. «Je hebt mijn grootmoeder
+gedood! Kijk maar eens! Er zit een groot gat in haar voorhoofd!»
+
+«O, dat is ongelukkig!» riep de waard en sloeg zich met de handen
+voor het hoofd. «Dat komt alles van mijn opvliegendheid! Beste kleine
+Klaas! ik zal je een schepel vol geld geven en je grootmoeder laten
+begraven, alsof het mijn eigen was; maar zwijg er dan ook over,
+want anders wordt mij het hoofd afgeslagen, en dat zou ik niet heel
+plezierig vinden!»
+
+Zoo kreeg de kleine Klaas een schepel vol geld, en de waard begroef
+de grootmoeder, alsof het zijn eigen geweest was.
+
+Toen nu de kleine Klaas weer met het vele geld thuis kwam, zond hij
+zijn jongen dadelijk naar den grooten Klaas toe, om hem te verzoeken,
+hem een schepelmaat te leenen.
+
+«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik hem niet doodgeslagen? Dat
+moet ik toch zelf eens gaan zien!» En zoo ging hij zelf met de
+schepelmaat naar den kleinen Klaas.
+
+«Waar heb je toch al dat geld vandaan gekregen?» vroeg hij en zette
+groote oogen op, toen hij alles zag, wat er nog bijgekomen was.
+
+«Je hebt mijn grootmoeder doodgeslagen, maar mij niet!» zei de
+kleine Klaas; «die heb ik nu verkocht en er een schepel vol geld
+voor gekregen.»
+
+«Dat is waarlijk goed betaald,» zei de groote Klaas en snelde naar
+huis toe, nam een bijl en sloeg zijn grootmoeder dadelijk dood, zette
+haar op zijn wagen, reed haar naar de stad, waar de apotheker woonde,
+en vroeg hem, of hij ook een lijk wilde koopen.
+
+«Wie is het, en hoe kom je er aan?» vroeg de apotheker.
+
+«Het is mijn grootmoeder!» zei de groote Klaas. «Ik heb haar
+doodgeslagen, om er een schepel vol geld voor te krijgen!»
+
+«God beware ons!» riep de apotheker uit. «Je spreekt wartaal. Zeg zulke
+dingen toch niet, anders kon het je je hoofd wel eens kosten!»--En nu
+vertelde hij hem omstandig, wat voor een goddelooze daad hij begaan
+had, en wat voor een slecht mensch hij was, en dat hij er voor gestraft
+moest worden; toen verschrikte de groote Klaas zoozeer, dat hij uit
+de apotheek op den wagen sprong, duchtig op de paarden lossloeg en
+naar huis reed. Maar de apotheker en al de menschen dachten, dat hij
+krankzinnig was, en daarom lieten zij hem rijden, waarheen hij wilde.
+
+«Daar zul je voor boeten!» zei de groote Klaas, toen hij buiten op
+den straatweg was. «Ja, dat zal ik je betaald zetten, kleine Klaas!»
+Toen nam hij, zoodra hij thuis kwam, den grootsten zak, dien hij maar
+vinden kon, ging naar den kleinen Klaas toe en zei: «Nu heb je mij al
+weer beetgehad! Eerst heb ik mijn paarden doodgeslagen en toen mijn
+grootmoeder! Dat is allemaal jouw schuld, maar je zult mij niet meer
+beethebben!» Dit zeggende, pakte hij den kleinen Klaas om zijn lijf
+beet en stak hem in zijn zak, nam dezen op zijn rug en riep hem toe:
+«Nu ga ik met je weg en verdrink je!»
+
+Het was een verre weg, dien hij af te leggen had, voordat hij bij de
+rivier kwam, en de kleine Klaas was niet zoo gemakkelijk te dragen. De
+weg liep vlak voorbij de kerk, het orgel speelde en de menschen zongen
+zoo mooi! Nu zette de groote Klaas zijn zak met den kleinen Klaas er
+in dicht bij de kerkdeur neer en dacht, dat het niet kwaad zou zijn,
+de kerk in te gaan en een psalm aan te hooren, voordat hij verder
+ging. De kleine Klaas kon er immers niet uit komen, en al de menschen
+waren in de kerk: zoo ging hij er dan in.
+
+«Och hemel, och hemel!» zuchtte de kleine Klaas in den zak en draaide
+en keerde zich al; maar het was hem niet mogelijk, het touw los te
+krijgen. Nu kwam er een stokoude veehoeder aan met sneeuwwit haar
+en een grooten stok in de hand; hij dreef een groote kudde koeien
+en stieren voor zich uit; deze liepen tegen den zak aan, waarin de
+kleine Klaas zat, zoodat hij omver viel.
+
+«Och, och!» zuchtte de kleine Klaas. «Ik ben nog zoo jong en moet nu
+al naar den hemel toe!»
+
+«En ik, ongelukkige!» zei de veehoeder, «ik ben al zoo oud en kan er
+nog maar niet in komen.»
+
+«Doe den zak open!» riep de kleine Klaas, «kruip er in mijn plaats in,
+dan kom je oogenblikkelijk in den hemel!»
+
+«O, dat wil ik met alle plezier doen,» zei de veehoeder en maakte
+den zak open, waar de kleine Klaas nu dadelijk uitkroop.
+
+«Wil je nu ook op het vee passen?» vroeg de grijsaard en kroop in
+plaats van den kleinen Klaas in den zak, waarna deze hem dichtbond
+en met al de koeien en stieren zijns weegs ging.
+
+Al spoedig daarop kwam de groote Klaas uit de kerk en nam zijn zak weer
+op den rug, ofschoon het hem toescheen, alsof deze lichter geworden
+was; want de oude veehoeder was maar half zoo zwaar als de kleine
+Klaas. «Wat is hij nu toch gemakkelijk te dragen! Dat komt zeker,
+omdat ik een psalm gehoord heb.» Zoo ging hij dan naar de rivier toe,
+die diep en breed was, wierp er den zak met den ouden veehoeder in en
+riep hem achterna, want hij dacht immers, dat de kleine Klaas er in
+zat: «Blijf daar nu maar liggen! Nu zul je mij niet meer beet hebben!»
+
+Daarop ging hij naar huis; maar toen hij bij den kruisweg kwam,
+ontmoette hij den kleinen Klaas, die zijn vee voortdreef.
+
+«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik je niet verdronken?»
+
+«Ja,» zei de kleine Klaas. «Je hebt mij immers een klein half uurtje
+geleden in de rivier geworpen.»
+
+«Maar hoe ben je aan dat prachtige vee gekomen?» vroeg de groote Klaas.
+
+«Dat is watervee!» zei de kleine Klaas. «Ik zal je de heele
+geschiedenis vertellen; maar eerst moet ik je er wel voor bedanken, dat
+je mij verdronken hebt, want nu ben ik er boven op, nu ben ik waarlijk
+rijk!--Wat was het mij bang te moede, toen ik in den zak zat! De wind
+floot mij om de ooren, toen je mij van de brug naar beneden in het
+koude water gooide. Ik zonk dadelijk naar den grond, maar ik stiet mij
+niet, want daar beneden groeit het mooiste, zachtste gras. Daar kwam
+ik op terecht, en terstond ging de zak open; het bekoorlijkste meisje
+in sneeuwwitte kleederen en met een groenen krans om het natte haar
+nam mij bij de hand en zei: «Ben je daar, kleine Klaas? Daar heb je
+vooreerst eenig vee! Een mijl verder op den weg staat nog een heele
+kudde, die ik je wil geven!»--Nu zag ik, dat de rivier een grooten
+straatweg voor de bewoners van het water vormde. Onder op den grond
+liepen en reden zij juist van de zee af en het land in tot daar,
+waar de rivier eindigde. Daar was het vol bloemen en frisch gras;
+de visschen, die in het water zwommen, schoten mij voorbij de ooren,
+evenals hier de vogels in de lucht. Wat waren er daar mooie menschen,
+en wat was daar voor vee, dat in grachten en in slooten graasde!»
+
+«Maar waarom ben je dadelijk weer naar boven gekomen?» vroeg de
+groote Klaas. «Dat zou ik niet gedaan hebben, als het daar beneden
+zoo mooi is!»
+
+«Ja,» zei de kleine Klaas, «dat is juist slim van mij gehandeld. Je
+hebt immers wel gehoord, dat ik je verteld heb, dat de zeemeermin
+tegen mij zei, dat er een mijl verder op den weg,--en met dien weg
+bedoelde zij natuurlijk de rivier, want zij kan nergens anders naar
+toe komen,--nog een heele kudde vee voor mij stond. Maar ik weet,
+wat voor krommingen de rivier maakt, nu eens hier, dan weer daar,
+dat is immers een verre omweg; neen, dan kan men het korter afdoen,
+als men hier aan land stapt en dwars over het veld weer naar de rivier
+toe loopt; daarbij haal ik immers bijna een halve mijl uit en kom
+spoediger bij mijn watervee!»
+
+«O, je bent toch een gelukkig man!» zei de groote Klaas. «Zou je
+denken, dat ik ook watervee kreeg, als ik op den bodem der rivier
+kwam?»
+
+«Ja, dat denk ik wel,» zei de kleine Klaas. «Maar ik kan je niet in
+den zak naar de rivier dragen; je bent mij te zwaar! Wil je er zelf
+naar toe loopen en in den zak kruipen, dan wil ik je er met alle
+plezier ingooien.»
+
+«Heel graag!» zei de groote Klaas. «Maar wanneer ik geen watervee
+krijg, als ik beneden kom, geloof mij, dan zal ik je een duchtig pak
+slaag geven!»
+
+«Och, maak het zoo erg niet!»
+
+Nu begaven zij zich naar de rivier. Toen het vee, dat dorstig was, het
+water zag, liep het zoo hard als het kon naar het water om te drinken.
+
+«Kijk maar eens, hoe het zich voortspoedt!» zei de kleine Klaas»
+«Het verlangt er al naar, om weer op den bodem der rivier te komen.»
+
+«Komaan, help mij dan maar gauw!» zei de groote Klaas, «anders krijg
+je een pak slaag!» En zoo kroop hij in den grooten zak, die dwars
+over den rug van een stier gelegen had. «Doe er een steen in, anders
+vrees ik, dat ik niet naar beneden zal zinken,» zei de groote Klaas.
+
+«Dat wil ik wel!» zei de kleine Klaas, en hij deed nog een grooten
+steen in den zak, bond er het touw stevig om heen en gaf er toen een
+duw aan. Plof! daar viel de groote Klaas in de rivier en zonk dadelijk
+naar den grond.
+
+«Ik geloof, dat hij er het vee wel niet zal vinden!» zei de kleine
+Klaas en keerde toen naar huis terug met alles, wat hij had.
+
+
+
+
+DE VLIEGENDE KOFFER.
+
+
+Er was eens een koopman, die zoo rijk was, dat hij de heele straat en
+bijna nog een klein straatje bovendien met zilvergeld kon plaveien;
+maar dat deed hij niet; want hij wist zijn geld wel anders te
+besteden. Als hij een dubbeltje uitgaf, dan kreeg hij een gulden terug;
+zulk een goed koopman was hij,--totdat hij stierf.
+
+Zijn zoon kreeg nu al dit geld. Hij leefde er vroolijk van, hij
+ging alle avonden naar een gemaskerd bal, hij maakte vliegers van
+bankbiljetten en keilde over het meer met goudstukken in plaats
+van met steentjes. Op die wijze moest het geld wel gauw opraken,
+en dat gebeurde dan ook. Eindelijk bezat hij niet meer dan vier
+dubbeltjes en had geen andere kleeren dan een paar pantoffels en een
+oude kamerjapon. Nu bekommerden zijn vrienden zich niet meer om hem,
+daar zij toch niet samen op straat konden loopen; maar een hunner, die
+goedhartig van aard was, zond hem een ouden koffer met de opmerking:
+«Pak in!» Ja, dat was nu goed en wel, maar hij had niets om in te
+pakken; daarom ging hij zelf in den koffer zitten.
+
+Dat was een zonderlinge koffer. Zoodra men op het slot drukte, kon
+de koffer vliegen. Hij drukte er op en, flap, daar vloog hij er mee
+door den schoorsteen heen, hoog boven de wolken, al verder en verder
+weg. Maar zoo dikwijls de bodem van den koffer een weinig kraakte,
+verkeerde hij in doodsangst, dat de koffer stuk zou gaan; want dan
+zou hij een duchtige buiteling gemaakt hebben.
+
+Op deze wijze kwam hij in het land der Turken. Hij verborg den koffer
+in het bosch onder de dorre bladeren en ging toen de stad in. Dat kon
+hij heel goed doen; want bij de Turken liepen immers allen zooals hij:
+in een kamerjapon en met pantoffels aan. Daar ontmoette hij een min
+met een klein kind op den arm. «Hoor eens, Turksche min!» zei hij,
+«wat is dat voor een groot kasteel hier dicht bij de stad, waar de
+ramen zoo hoog boven den grond zijn?»
+
+«Daar woont de dochter van den Sultan!» antwoordde zij. «Er is
+voorspeld, dat zij over een minnaar diep ongelukkig zou worden, en
+daarom mag niemand bij haar komen, als de Sultan en de Sultane er
+niet bij zijn.»
+
+«Ik dank u wel!» zei de,zoon van den koopman en ging naar het bosch,
+zette zich in zijn koffer neer, vloog op het dak en kroop door het
+raam bij de prinses binnen.
+
+Zij lag op de sofa en sliep; zij was zoo schoon, dat de zoon van den
+koopman zich niet kon weerhouden, haar een kus te geven.
+
+Nu werd zij wakker en ontstelde hevig; maar hij zeide, dat hij de
+god der Turken was, die door de lucht tot haar neergedaald was,
+en dat beviel haar.
+
+Zij gingen zich naast elkander zitten, en hij vertelde haar
+geschiedenisjes van haar oogen: dat waren de heerlijkste, donkere
+meren, daar zwommen de gedachten als meerminnen in. En hij vertelde
+haar van haar voorhoofd: dat was een sneeuwberg met de prachtigste
+zalen en schilderijen.
+
+Ja, dat waren mooie praatjes! Daarop vroeg hij om de hand der prinses,
+en zij zei dadelijk ja!
+
+«Maar ge moet aanstaanden Zaterdag hier komen!» zeide zij. «Dan komen
+de Sultan en de Sultane bij mij op de thee. Zij zullen er trotsch
+op zijn, dat ik een god der Turken tot man krijg. Maar zorg, dat
+ge een heel mooi sprookje weet te vertellen; want daar houden mijn
+ouders bijzonder veel van. Mijn moeder wil het zedelijk en ernstig,
+en mijn vader grappig hebben, zoodat men er om kan lachen!»
+
+«Ja, ik breng geen ander morgengeschenk dan een sprookje!» zeide hij,
+en zoo namen zij afscheid van elkaar. Maar de prinses gaf hem een
+sabel, die met goudstukken bezet was; deze kon hij gebruiken.
+
+Nu vloog hij weg, kocht een nieuwe kamerjapon, ging toen in het bosch
+zitten en vervaardigde er een sprookje; dit moest tegen den Zaterdag
+klaar zijn, en dat is toch zulk een gemakkelijk werk niet.
+
+Toen hij er mee klaar was, was het Zaterdag.
+
+De Sultan, de Sultane en het geheele hof waren bij de prinses op de
+thee. Hij werd zeer goed ontvangen.
+
+«Wilt ge ons niet eens een sprookje vertellen,» zei de Sultane, «een,
+dat diepzinnig en leerrijk is?»
+
+«En waarover men toch ook eens kan lachen,» voegde de Sultan er bij.
+
+«Jawel,» antwoordde hij en vertelde. En nu goed toegeluisterd!
+
+Er was eens een doosje lucifers: deze waren zeer trotsch op hun
+aanzienlijke afkomst! Hun stamboom, namelijk de groote pijnboom,
+waarvan elk hunner een klein houtje was, had als een groote,
+oude boom in het bosch gestaan. De lucifers lagen nu in het midden
+tusschen een tondeldoos en een ouden, ijzeren pot, en allen vertelden
+van hun jeugd. «Ja, toen wij nog aan de groene takken vastzaten,»
+zeiden de lucifers, «toen hadden wij een plezierig leventje! Alle
+ochtenden en avonden kregen we diamanten thee, dat was de dauw, den
+heelen dag hadden we zonneschijn, als de zon scheen, en de kleine
+vogels moesten geschiedenisjes vertellen. Wij konden wel merken,
+dat wij ook rijk waren; want de overige boomen waren slechts in den
+zomer bekleed, maar onze familie had de middelen om zoowel in den
+zomer als in den winter groene kleeren te dragen. Maar daar kwam de
+houthakker: dat was de groote revolutie, en nu werd onze familie her-
+en derwaarts verspreid. De stamhouder kreeg een plaats als groote mast
+op een prachtig schip, dat de aarde kon omzeilen, als het wilde; de
+andere takken gingen naar andere plaatsen, en wij hebben nu de taak,
+voor de menschen licht te ontsteken. Daarom zijn wij, deftige lieden,
+hier in de keuken gekomen.»
+
+«Mijn levensloop heeft zich op een andere wijze toegedragen!» zei
+de ijzeren pot, waarnaast de lucifers lagen. «Van den beginne af,
+sedert ik ter wereld kwam, is er in mij vele malen geschuurd en vele
+malen gekookt! Ik zorg voor het degelijke en ben de eerste hier in
+huis. Mijn eenige vreugde is, na het eten heel zindelijk en netjes op
+mijn plaats te staan en een verstandig gesprek met mijn kameraden te
+voeren. Maar met uitzondering van den emmer, die nu en dan eens op de
+stoep komt, blijven wij altijd tusschen onze vier muren. De eenige,
+die ons eens wat nieuwtjes kan vertellen, is de boodschappenmand,
+maar die spreekt erg oproerig over de regeering en over het volk; ja,
+onlangs was er zelfs een oude pot, die van schrik daarover neerviel
+en in stukken sprong. Die is liberaal, dat verzeker ik u!»
+
+«Nu zegt ge te veel!» viel de tondeldoos in, en het staal sloeg tegen
+den vuursteen aan, zoodat de vonken in de rondte vlogen. «Willen we
+eens een vroolijken avond met elkaar hebben?»
+
+«Ja, laat ons er eens over spreken, wie de voornaamste is!» zeiden
+de lucifers.
+
+«Neen, ik houd er niets van, over mij zelf te spreken,» bracht de
+ijzeren pot hiertegen in. «Laat ons een algemeen gesprek voeren. Ik
+zal beginnen en een geschiedenis uit het dagelijksch leven vertellen,
+zoo iets, wat iedereen beleefd heeft, dan kan men er zich gemakkelijk
+in verplaatsen en heeft men er ook schik in. Aan de Oostzee bij de
+Deensche beuken...»
+
+«Dat is een mooi begin,» zeiden al de borden. «Dat zal een geschiedenis
+worden, die ons bevalt.»
+
+«Ja, daar bracht ik mijn jeugd in een stil gezin door; de meubelen
+werden gewreven, de vloer geschuurd, en om de veertien dagen werden
+er schoone gordijnen opgehangen!»
+
+«Wat kunt ge toch boeiend vertellen!» zei de stoffer. «Men kan dadelijk
+wel hooren, dat iemand spreekt, die heel veel met dames in aanraking
+gekomen is; er straalt zoo iets beschaafds in door.»
+
+«Ja, dat kan men terstond wel merken!» zei de emmer en deed van
+blijdschap een kleinen sprong, zoodat hij op den vloer viel.
+
+En de ijzeren pot ging voort met vertellen, en het einde was even
+mooi als het begin.
+
+Alle borden rammelden van blijdschap, en de stoffer haalde groene
+peterselie uit het zandhok en bekranste daarmee den ijzeren pot,
+want hij wist, dat de anderen zich daaraan zouden ergeren. «Als ik
+hem vandaag bekrans,» dacht hij, «dan bekranst hij mij morgen.»
+
+«Nu zal ik eens dansen!» zei de tang en danste. Lieve hemel, wat kon
+zij haar eene been hoog optillen! Het overtrek van den ouden stoel
+daar in den hoek scheurde, toen het dit zag. «Zou ik nu ook bekranst
+worden?» dacht de tang, en werkelijk gebeurde dit.
+
+«Dat is toch maar gepeupel!» dachten de lucifers.
+
+Nu moest de theeketel zingen; maar deze zei, dat hij kou gevat had;
+hij kon niet zingen, als het niet in hem kookte. Doch dat was maar
+een voorwendsel; hij wilde niet zingen, als hij niet binnen bij de
+familie in de kamer stond.
+
+In het kozijn lag een oude ganzepen, waarmee de meid placht te
+schrijven. Er was niets opmerkelijks aan haar, behalve dat zij wat al
+te diep in den inkt gedoopt was. Maar daarop was zij trotsch. «Als
+de theeketel niet wil zingen,» zeide zij, «dan moet hij het maar
+laten. Daar buiten hangt een nachtegaal in zijn kooi: die kan wel
+zingen. Die heeft wel is waar niets geleerd; maar dat zullen wij maar
+daar laten!»
+
+«Ik vind het heel ongepast,» zei de waterketel,--deze was keukenzanger
+en een halve broeder van den theeketel,--«dat zulk een vreemde vogel
+gehoord moet worden! Is dat patriotsch? De boodschappenmand moet dit
+maar beslissen!»
+
+«Ik erger mij maar!» zei de boodschappenmand; «ik erger mij inwendig
+zoozeer, als niemand zich kan voorstellen. Is dat een geschikte
+manier om den avond door te brengen? Zou het niet verstandiger zijn,
+het huis in orde te brengen? Ieder moest op zijn plaats gaan, dan
+zou ik het spel besturen. Dat zou wat anders worden!»
+
+«Ja, laat ons eens pret maken!» riepen allen. Daar ging de deur
+open. De meid trad binnen, en nu stonden zij stil. Niemand gaf een
+enkel kikje. Maar er was geen enkele pot, die niet zou geweten hebben,
+wat hij kon doen en hoe deftig hij was. «Ja, als ik gewild had,»
+dacht iedereen, «dan had het een recht vroolijke avond kunnen worden!»
+
+De meid nam de lucifers en maakte er het vuur mee aan. Lieve hemel,
+wat spreidden zij een vonken om zich heen en wat brandden zij lustig!
+
+«Nu kan iedereen toch zien,» dachten zij, «dat wij de eersten
+zijn! Welk een glans hebben wij! Welk een licht!»
+
+En dit zeggende, verbrandden zij.
+
+«Dat was een prachtig sprookje!» zei de Sultane. «Ik voel mij geheel
+en al in de keuken bij de lucifers verplaatst. Nu zul je onze dochter
+hebben!»
+
+«Ja,» voegde de Sultan er bij, «je zult onze dochter Maandag hebben.»
+Want zij zeiden «je» tegen hem, omdat hij metterhaast tot de familie
+zou behooren.
+
+De bruiloft werd bepaald en de geheele stad den avond te voren
+geïllumineerd. Beschuit en krakelingen werden er onder het volk
+uitgestrooid; de straatjongens stonden op hun teenen, riepen «Hoera!»
+en floten op hun vingers. Het was buitengemeen prachtig.
+
+«Nu zal ik ook wel iets ten beste dienen te geven!» dacht de zoon
+van den koopman. En zoo kocht hij dan vuurpijlen, zwermers en al
+het vuurwerk, dat men maar kan bedenken, legde dit in zijn koffer en
+vloog daarmee in de lucht.
+
+Jongens! wat ging dat mooi, en wat gaf dat een knal!
+
+Al de Turken sprongen daarbij in de hoogte, zoodat hun de pantoffels
+om de ooren vlogen: zulk een luchtverschijnsel hadden zij nog nooit
+gezien. Nu konden zij begrijpen, dat het de god der Turken zelf was,
+dien de prinses tot vrouw zou krijgen.
+
+Zoodra de zoon van den koopman weer met zijn koffer beneden in het
+bosch kwam, dacht hij: «Ik zal de stad toch eens ingaan, om eens te
+hooren, hoe het afgeloopen is!» En het was natuurlijk, dat hij daarin
+lust had.
+
+O, wat vertelden de menschen hem al niet! Iedereen, dien hij daarnaar
+vroeg, had het op zijn wijze gezien; maar mooi hadden allen het
+gevonden.
+
+«Ik heb den god der Turken zelf gezien,» beweerde er een. «Hij had
+oogen als fonkelende sterren en een baard als golvend graan!»
+
+«Hij vloog in een mantel van vuur!» zei een ander. «De bekoorlijkste
+engeltjes kwamen uit de plooien te voorschijn kijken!»
+
+Ja, dat waren heerlijke dingen, die hij hoorde, en den volgenden dag
+zou hij bruiloft houden.
+
+Nu keerde hij naar het bosch terug, om zich in zijn koffer neer te
+zetten,--maar waar was deze gebleven? De koffer was verbrand. Een
+vonk van het vuurwerk was er ingevallen, deze had vlam gevat, en nu
+lag de koffer in de asch. Hij kon niet meer vliegen, niet meer bij
+zijn verloofde komen.
+
+Deze stond den geheelen dag op het platte dak en wachtte; zij wacht
+waarschijnlijk nog. Maar hij trekt de wereld door en vertelt sprookjes,
+maar deze zijn niet meer zoo grappig als dat, hetwelk hij van de
+lucifers vertelde.
+
+
+
+
+VIJF UIT ÉÉN SCHIL.
+
+
+Er zaten vijf erwten in één schil; zij en de schil waren groen,
+daarom dachten zij, dat de heele wereld groen was,--en dat was niet
+meer dan natuurlijk! De schil groeide, en de erwten ook; zij maakten
+het zich zoo gemakkelijk mogelijk; zij zaten op een rijtje.--De zon
+scheen van buiten en koesterde de schil, de regen maakte haar helder en
+doorzichtig; het was er overdag licht en 's nachts donker in, zooals
+het wezen moet. De erwten werden, nu zij daar eenmaal zoo zaten,
+grooter en begonnen gedurig meer na te denken; want iets moesten zij
+toch doen.
+
+«Moeten we hier nu eeuwig blijven zitten?» vroeg er een. «Als wij
+van het lange zitten maar niet stijf en stram worden! Ik zou toch
+wel zeggen, dat er buiten nog iets is; ik heb daar zoo'n zeker
+voorgevoel van.»
+
+Weken verliepen er; de erwten werden geel en de schil werd geel.
+
+«De heele wereld wordt geel!» zeiden zij, en daarin hadden ze gelijk.
+
+Eensklaps voelden zij een ruk aan de schil; deze werd afgeplukt,
+raakte in menschenhanden, gleed in den zak van een buis en kwam in
+gezelschap van andere gevulde schillen. «Nu zal de schil wel gauw
+opengemaakt worden!» zeiden zij en wachtten daarop reeds.
+
+«Ik zou wel eens willen weten, wie van ons het nu wel 't verst
+zal brengen,» zei de kleinste der vijf. «Ja, nu zal dit al spoedig
+uitkomen.»
+
+«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de grootste.
+
+«Knap!»--daar ging de schil open, en nu rolden al de vijf er uit in den
+helderen zonneschijn. Daar lagen zij nu in de hand van een kind: een
+kleine jongen hield ze omklemd en zei, dat het mooie erwten voor zijn
+klakkebus waren, en terstond deed hij er een in en schoot er haar uit.
+
+«Nu vlieg ik de wijde wereld in! Pak mij maar, als je kunt!» en met
+deze woorden vloog zij weg.
+
+«Ik,» zei de tweede, «ik vlieg regelrecht in de zon; dat is een schil,
+die juist voor mij past!»
+
+Weg was zij.
+
+«Wij zullen ons te slapen leggen, waar wij te land komen,» zeiden de
+twee volgende, «maar wij zullen wel voortrollen!» Zij rolden dan ook
+voort en vielen op den grond, voordat zij in de klakkebus kwamen,
+maar er in kwamen zij toch. «Wij zullen het 't verst brengen!»
+
+«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de laatste, terwijl zij
+uit de klakkebus geschoten werd; zij vloog op een oud bloemenplankje
+voor het raam van een zolderkamertje in een reet, die met mos en
+aarde gevuld was; het mos sloot zich om haar samen,--daar lag zij,
+wel is waar gevangen, maar toch niet vergeten door den goeden God.
+
+«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zeide zij.
+
+Daar op dat kleine zolderkamertje woonde een arme vrouw, die overdag
+uitging om te wasschen, schoon te maken en dergelijken arbeid te
+verrichten, want zij was sterk en ook vlijtig; maar zij bleef toch
+altijd arm. Te huis in het kamertje lag haar eenig dochtertje, een
+meisje van acht jaar, dat zeer fijn en teer was; sedert een jaar was
+zij bedlegerig, en het scheen, alsof zij niet kon leven of sterven.
+
+«Ze gaat naar haar zusje toe!» zei de vrouw, «Ik heb slechts twee
+kinderen gehad, en het was geen lichte taak, voor beiden te zorgen; en
+de goede God deelde met mij en nam het eene tot zich; maar nu zou ik
+toch graag het andere, dat mij nog overgebleven is, willen behouden;
+maar God wil waarschijnlijk niet, dat zij van elkaar gescheiden
+blijven, en mijn zieke lieveling zal naar haar zusje daarboven gaan!»
+
+Maar het zieke meisje bleef, waar het was; het lag den heelen dag
+geduldig en stil in haar bedje, terwijl haar moeder buitenshuis werkte
+om iets te verdienen.
+
+Het was lente; en 's morgens in de vroegte, toen de vrouw juist naar
+haar werk wilde gaan, scheen de zon liefelijk en vriendelijk door het
+kleine raam en wierp haar stralen op den vloer, en het zieke meisje
+vestigde haar blik op de onderste ruit.
+
+«Wat zou toch dat groen zijn, dat daar boven het raam komt
+uitkijken?--Het beweegt zich door den wind!»
+
+Haar moeder ging naar het raam toe en schoof dit half open. «Wel,»
+riep zij uit, «dat is waarlijk een kleine erwt, die hier ontkiemd is
+en haar groene bladeren doet uitspruiten. Hoe zou zij toch wel hier
+in die reet gekomen zijn? Dat is een klein tuintje, waarmee je je
+vermaken kunt!»
+
+Het ledekantje der kleine werd dichter aan het raam geschoven, opdat
+zij de ontkiemende erwt zou kunnen zien, en de moeder ging heen,
+om te werken.
+
+«Moeder, ik geloof, dat ik weer gezond zal worden!» zei het zieke
+meisje 's avonds. «De zon heeft hier vandaag zoo liefelijk warm in
+mijn kamertje geschenen. De kleine erwt gedijt heerlijk, en ook ik
+zal zeker gedijen en opstaan en mij in den zonneschijn koesteren.»
+
+«Dat geve God!» zei de moeder; maar zij geloofde niet, dat het zou
+gebeuren; doch het ontkiemende groen, dat aan het kind zulke blijde
+gedachten des levens ingeboezemd had, ondersteunde zij met een stokje,
+opdat het niet door den wind zou geknakt worden; zij bond een eindje
+touw aan de bloemenplank en aan het bovengedeelte van het raam
+vast, opdat de erwtenrank iets zou hebben, waarom zij zich heen kon
+slingeren, wanneer zij omhoogschoot: dat deed zij, en men kon zien,
+hoe zij met elken dag groeide.
+
+«Waarlijk! Er komt een bloesem aan!» zei de vrouw op zekeren morgen,
+en nu herleefde ook in haar de hoop, dat haar ziek dochtertje zou
+herstellen; zij herinnerde zich, dat het kind in den laatsten tijd
+veel levendiger gesproken had, dat zij zich sedert verscheidene dagen
+'s morgens in haar bedje opgericht en daar gezeten had, en met een
+oog, stralend van geluk, den kleinen erwtentuin, die uit een enkele
+erwt voortgekomen was, bekeken had. Een week later bleef de zieke
+voor de eerste maal een geheel uur op. Gelukkig zat zij in den warmen
+zonneschijn; het raam was opgeschoven, en daarvoor stond een erwteplant
+in vollen bloei. Het meisje boog zich voorover en drukte een kus op
+de teere blaadjes. Deze dag was voor haar als 't ware een feestdag.
+
+«De goede God zelf heeft haar geplant en laten gedijen, tot hoop en
+tot vreugde voor ons beiden!» zei de verheugde moeder en lachte den
+bloesem toe, alsof hij een goede engel Gods was.
+
+Maar de andere erwten nu?--Ja, die, welke de wijde wereld ingevlogen
+was en gezegd had: «Pak mij maar, als je kunt,» viel in de dakgoot
+en raakte in een duivenmaag, en daar lag zij evenals Jonas in den
+buik van den walvisch. De twee luiaards brachten het even ver: ook
+zij werden door duiven opgegeten, en dus waren zij toch op eenigerlei
+wijze nuttig; maar de vierde, die naar de zon op wilde vliegen,--die
+viel in een riool en bleef daar dagen en weken lang in het morsige
+water liggen, en zwol geducht op.
+
+«Ik word zoo mooi dik!» zei de erwt. «Ik zal nog barsten, en verder,
+geloof ik, heeft geen erwt het ooit gebracht of zal het immer
+brengen. Ik ben de merkwaardigste van de vijf uit de schil!»
+
+En het riool was het met haar eens.
+
+Maar het meisje stond daar voor het raam van het zolderkamertje met
+stralende oogen, met den blos der gezondheid op de wangen, en vouwde
+haar teere handjes boven den erwtenbloesem en dankte God daarvoor.
+
+«Ik,» zeide het riool echter, «ik heb mijn erwt liever!»
+
+
+
+
+DE TONDELDOOS.
+
+
+Er kwam een soldaat langs den straatweg aanmarcheeren: een, twee! een,
+twee! Hij had een ransel op den rug en een sabel op zij; want hij
+was in den oorlog geweest en wilde nu naar huis terug.
+
+Daar ontmoette hij op den straatweg een oude heks. Deze zag er
+afzichtelijk uit; haar onderlip hing tot op haar borst neer. Zij zeide:
+«Goeden avond, soldaat! Wat heb je daar toch een mooie sabel en een
+grooten ransel! Je bent een flink soldaat! Daarom moet je zooveel
+geld hebben, als je maar wilt.»
+
+«Ik dank je wel, oude heks!» zei de soldaat.
+
+«Zie je dien grooten boom daar wel?» vroeg de heks en wees naar een
+boom, die dicht in hun nabijheid stond. «Hij is van binnen heelemaal
+hol. Je moet op den top daarvan klimmen, dan zie je een gat, waardoor
+je je kunt laten zakken en zoo onder in den boom komen. Ik zal je
+een touw om het lijf binden, dan kan ik je weer naar boven trekken,
+als je mij roept!»
+
+«Wat moet ik daar, onder in den boom doen?» vroeg de soldaat.
+
+«Geld halen!» antwoordde de heks. «Je moet weten, dat je, als je op
+den grond onder den boom komt, in een groot voorportaal bent; daar is
+het heel licht, want daar branden meer dan driehonderd lampen. Dan
+zie je drie deuren; je kunt die opendoen, want de sleutel steekt er
+in. Als je de eerste kamer ingaat, dan zie je midden op den vloer
+een groote kist staan; daar zit een hond op; deze heeft oogen,
+zoo groot als een paar theekopjes. Maar daaraan hoef je je niet te
+storen! Ik geef je mijn blauw geruit voorschoot; dat kan je op den
+vloer neerleggen; ga dan spoedig heen en neem den hond, zet hem op
+mijn voorschoot neer, doe de kist open en neem zooveel geld, als
+je maar wilt: er zit louter koper in. Wil je liever zilver hebben,
+dan moet je de volgende kamer binnentreden. Maar daar zit een hond,
+die oogen heeft, zoo groot als molenraderen. Laat je daardoor niet
+afschrikken! Zet hem op mijn voorschoot neer en neem van het geld! Wil
+je echter goud hebben, dan kun je dit ook krijgen, en wel zooveel,
+als je maar dragen kunt, als je de derde kamer ingaat. Maar de hond,
+die daar op de geldkist zit, heeft twee oogen, elk zoo groot als
+een toren. Geloof mij, het is een kwade hond! Doch vrees daarom maar
+niet! Zet hem maar op mijn voorschoot neer, dan doet hij je niets,
+en neem uit de kist zooveel goud, als je maar wilt!»
+
+«Dat is zoo kwaad niet!» zei de soldaat. «Maar wat moet ik u geven,
+oude heks? Want voor niet zult ge het toch wel niet doen?»
+
+«Jawel!» zei de heks. «Geen enkelen cent wil ik hebben! Alleen moet je
+voor mij een oude tondeldoos meenemen, die mijn grootmoeder vergeten
+heeft, toen zij de laatste maal beneden was.»
+
+«Welnu, bind het touw dan maar om mijn lijf vast!» zei de soldaat.
+
+«Hier is het,» zei de heks, «en hier is mijn blauw geruit voorschoot.»
+
+Daarop klauterde de soldaat tegen den boom op, liet zich in het gat
+neerzakken en stond toen, zooals de heks gezegd had, beneden in het
+groote voorportaal, waarin de driehonderd lampen brandden.
+
+Nu deed hij de eerste deur open. Foei! daar zat de hond met de oogen,
+zoo groot als theekopjes, en keek hem aan.
+
+«Je bent een lief beest!» zei de soldaat, zette hem op het voorschoot
+der heks neer en nam zooveel koperstukken, als hij maar in zijn zakken
+kon bergen; deed de kist toen dicht, zette er den hond weer op neer
+en ging de andere kamer in. Juist zoo; daar zat de hond met de oogen,
+zoo groot als molenraderen.
+
+«Je moest mij liever maar niet zoo strak aankijken!» zei de
+soldaat. «Want daar vermoei je je oogen maar noodeloos mee!»
+
+En nu zette hij den hond op het voorschoot der heks neer. Maar toen
+hij al het zilvergeld in de kist zag, wierp hij al het kopergeld, dat
+hij had, weg en vulde zijn zakken en zijn ransel met zilver. Daarop
+ging hij in de derde kamer.--O, dat was verschrikkelijk! De hond
+daarin had werkelijk twee oogen, elk zoo groot als een toren, en deze
+draaiden in zijn kop als molenraderen.
+
+«Goeden avond!» zei de soldaat en bracht de hand aan zijn muts,
+want zulk een hond had hij vroeger nooit gezien. Maar toen hij hem
+wat nauwkeuriger bekeken had, dacht hij: «Nu is het genoeg!» tilde
+hem op den grond en deed de kist open. Och! wat was daar een menigte
+goud! Hij kon daarvoor de geheele stad en al de tinnen soldaten,
+zweepen en hobbelpaarden in de heele wereld wel koopen. Ja, dat was
+nu eens een heele massa goud! Nu wierp de soldaat al het zilvergeld,
+waarmee hij zijn zakken en zijn ransel gevuld had, weg en nam daarvoor
+goud; ja, al zijn zakken, zijn ransel, zijn muts en zijn laarzen
+stopte hij daarmee vol, zoodat hij tenauwernood kon gaan. Nu had hij
+geld! Den hond zette hij op de kist neer, deed de deur dicht en riep
+toen door den boom naar boven;
+
+«Trek mij nu maar in de hoogte, oude heks!»
+
+«Heb je de tondeldoos meegebracht?» vroeg de heks.
+
+«Wel drommels!» zei de soldaat, «die heb ik heelemaal vergeten!»
+En nu ging hij deze halen. De heks trok hem naar boven, en nu stond
+hij weer op den straatweg met zakken, laarzen, ransel en muts vol goud.
+
+«Wat wilt ge met die tondeldoos doen?» vroeg de soldaat.
+
+«Dat gaat je niets aan!» zei de heks. «Je hebt immers geld
+gekregen! Geef mij de tondeldoos maar!»
+
+«Hoor eens!» zei de soldaat. «Wil je mij dadelijk zeggen, wat je
+daarmee wilt doen, of ik trek mijn sabel en sla je het hoofd af!»
+
+«Neen!» zei de heks.
+
+Terstond sloeg de soldaat haar het hoofd af. Daar lag zij nu! Hij
+echter bond al zijn goud in haar voorschoot, nam het als een pakje
+op zijn rug, stak de tondeldoos in zijn zak en begaf zich regelrecht
+naar de stad.
+
+Dat was een prachtige stad! En in het grootste logement nam hij zijn
+intrek, verlangde de allerbeste kamers en zijn lievelingsspijzen;
+want nu was hij immers rijk, daar hij zoo veel geld had.
+
+Aan den knecht, die zijn laarzen moest poetsen, kwam het wel is waar
+voor, dat het verschrikkelijk oude laarzen voor zulk een rijk heer
+waren; maar hij had ook nog geen nieuwe gekocht; den volgenden dag
+kreeg hij fatsoenlijke laarzen en prachtige kleeren. Nu was hij van
+een soldaat een deftig heer geworden, en de menschen vertelden hem van
+al de heerlijke dingen, die er in hun stad waren, en van hun koning,
+en wat voor een lieve prinses zijn dochter was.
+
+«Waar kan men haar te zien krijgen?» vroeg de soldaat.
+
+«Zij is in 't geheel niet te zien!» zeiden allen. »Zij woont in
+een groot, koperen kasteel, dat door vele muren en torens omgeven
+is! Niemand anders dan de koning mag bij haar uit- en ingaan; want
+er is voorspeld, dat zij met een gemeen soldaat zal trouwen, en dat
+kan de koning niet toestaan!»
+
+«Ik zou haar toch wel eens willen zien!» dacht de soldaat; maar
+daartoe kon hij immers volstrekt geen vergunning krijgen.
+
+Nu leefde hij recht vroolijk, ging naar den schouwburg, reed in den
+tuin van den koning en gaf de armen veel geld; en dat was heel braaf
+van hem; hij wist nog uit vroegeren tijd, hoe ongelukkig het is, geen
+cent te bezitten! Hij was nu rijk, had prachtige kleeren en kreeg zeer
+veel vrienden, die allemaal zeiden, dat hij een voortreffelijk mensch,
+een echt ridder was. En dat mocht de soldaat graag hooren. Maar
+daar hij alle dagen geld uitgaf en nooit iets ontving, hield hij
+eindelijk bijna niets meer over, en nu moest hij de mooie kamers,
+waarin hij gewoond had, verlaten, en boven op een klein kamertje
+onder het dak wonen, zijn laarzen zelf poetsen en ze met een stopnaald
+dichtnaaien. Geen van zijn vrienden kwam naar hem toe; want er waren
+te veel trappen op te klimmen.
+
+Het was een donkere avond, en hij kon niet eens een kaars koopen. Maar
+het schoot hem te binnen, dat er nog een klein eindje kaars in de
+tondeldoos lag, die hij uit den hollen boom, waarin de heks hem had
+neergelaten, meegenomen had. Hij kreeg de tondeldoos en het eindje
+kaars voor den dag; maar juist toen hij vuur sloeg en de vonken uit
+de vuursteen vlogen, sprong de deur open, en nu stond de hond, die
+oogen zoo groot als een paar theekopjes had en dien hij onder den
+boom had gezien, voor hem en vroeg: «Wat is er van mijnheers dienst?»
+
+«Wat is dat?» riep de soldaat uit. «Dat is wel een aardige tondeldoos,
+als ik zoo maar kan krijgen, wat ik hebben wil!--Bezorg mij wat geld!»
+zei hij tegen den hond, en in een wip was de hond weg en in een wip
+terug, en hield een grooten zak met geld in den bek.
+
+Nu wist de soldaat, wat een heerlijke tondeldoos dit was! Sloeg hij
+eenmaal vuur, dan kwam de hond, die op de kist met kopergeld zat;
+sloeg hij tweemaal, dan kwam die, welke het zilvergeld had, en sloeg
+hij driemaal, dan kwam die, welke het goud bewaakte. Nu nam de soldaat
+zijn intrek weer in de mooie kamers beneden en vertoonde zich op nieuw
+in prachtige kleeren. Nu herkenden al zijn vrienden hem terstond en
+waren heel lief tegen hem.
+
+Eens dacht hij: «Het is toch zonderling, dat men de prinses niet te
+zien kan krijgen. Zij moet heel mooi wezen, zeggen allen; maar wat
+baat dit, als zij altijd in het groote koperen kasteel met die vele
+torens moet zitten?--Zou ik haar dan niet te zien kunnen krijgen? Waar
+is mijn tondeldoos?» En nu sloeg hij vuur, en wip! daar kwam de hond
+met de oogen, zoo groot als theekopjes.
+
+«Het is wel is waar midden in den nacht,» zei de soldaat, «maar ik
+zou de prinses toch wel eens graag een oogenblikje willen zien!»
+
+De hond was dadelijk de deur uit, en voordat de soldaat er op verdacht
+was, kwam hij met de prinses terug. Zij zat en sliep op den rug van den
+hond en was zoo bekoorlijk, dat iedereen kon zien, dat het werkelijk
+een prinses was. De soldaat kon zich niet weerhouden, haar een kus
+te geven, want hij was door en door een soldaat.
+
+Daarop liep de hond met de prinses weer terug. Maar toen het morgen
+werd en de koning en de koningin aan het ontbijt zaten, zei de prinses,
+dat zij 's nachts een zonderlingen droom van een hond en een soldaat
+had gehad; zij had op den hond gereden, en de soldaat had haar een
+kus gegeven.
+
+«Dat zou nog al een mooie geschiedenis zijn!» zei de koning.
+
+Nu zou een der oude hofdames den volgenden nacht bij het bed der
+prinses waken, om te zien, of het werkelijk een droom was, of wat
+het anders wezen zou.
+
+De soldaat had een vurig verlangen om de prinses weer te zien, en
+zoo kwam dan de hond des nachts, haalde haar en liep zoo hard als
+hij maar kon. Maar de oude hofdame trok groote laarzen aan en liep
+hem even hard achterna. Toen zij nu zag, dat zij in een groot huis
+verdwenen, dacht zij: «Nu weet ik, waar het is!» en zette met een
+stuk krijt een kruisje op de deur. Daarop ging zij naar huis en ging
+te bed, en de hond kwam ook met de prinses terug. Maar toen hij zag,
+dat er op de deur van het huis, waar de soldaat woonde, een kruisje
+geteekend was, nam hij ook een stuk krijt en zette kruisjes op alle
+huisdeuren in de stad, en dat was slim bedacht: want nu kon de hofdame
+de deur niet vinden daar er op alle deuren kruisjes stonden.
+
+'s Morgens vroeg kwamen de koning en de koningin, de oude hofdame en
+al de officieren, om te zien, waar de prinses geweest was.
+
+«Daar is het!» zei de koning, toen hij de eerste deur met een kruisje
+er op zag.
+
+«Neen, daar is het, beste man!» zei de koningin, toen zij op de tweede
+deur insgelijks een kruisje zag staan.
+
+«Maar daar staat er een op en ginds staat er ook een op!» zeiden allen;
+waarheen zij hun blikken ook wendden, overal stonden kruisjes op de
+deuren. Nu begrepen zij wel, dat al het zoeken hun niets zou baten.
+
+Maar de koningin was een uiterst schrandere vrouw, die meer kon dan
+in een koets rijden. Zij nam haar groote gouden schaar sneed een
+lap zijde in stukken en naaide daarvan een klein zakje; dit vulde
+zij met fijn tarwemeel, bond het de prinses op den rug, en toen zij
+dit gedaan had, knipte zij een klein gaatje in het zakje, zoodat het
+meel den geheelen weg, dien de prinses nam, moest bestrooien.
+
+In den nacht kwam nu de hond terug, nam de prinses op zijn rug en
+liep met haar naar den soldaat toe, die haar innig liefhad en graag
+een prins zou willen zijn, om haar tot vrouw te krijgen.
+
+De hond merkte volstrekt niet, hoe het meel juist van het kasteel tot
+aan het raam van den soldaat, waar hij den muur met de prinses opliep,
+neergevallen was. Den volgenden morgen zagen de koning en de koningin
+nu wel, waar hun dochter geweest was, en nu namen zij den soldaat en
+zetten hem in de gevangenis.
+
+Daar zat hij nu. Och! wat was het daar donker en vervelend! En zij
+zeiden tegen hem: «Morgen zal je opgehangen worden!» Dat te hooren
+was nu juist zoo heel plezierig niet, en zijn tondeldoos had hij in
+het logement gelaten. Des morgens kon hij door de tralies voor het
+kleine raampje zien, hoe het volk zich haastte, uit de stad te komen
+om hem te zien ophangen. Hij hoorde de trommels en zag de soldaten
+marcheeren. Alle menschen liepen de stad uit; daaronder bevond zich ook
+een schoenmakersjongen met een schootsvel voor en pantoffels aan; deze
+liep zoo hard, dat een van zijn pantoffels van zijn voet viel en vlak
+tegen den muur aanvloog waar de soldaat door de tralies zat te kijken.
+
+«Heidaar, schoenmakersjongen! Je hoeft zoo veel haast niet te
+maken!» zei de soldaat tegen hem. «Het begint toch niet, voordat ik
+er ben! Maar als je naar het huis, waar ik gewoond heb, toe wilt
+loopen en mijn tondeldoos voor mij halen, dan zal ik je een goede
+fooi geven. Maar dan moet je ook zoo hard loopen, als je maar kunt.»
+
+De schoenmakersjongen wilde graag een fooi verdienen en haalde
+de tondeldoos, gaf deze aan den soldaat en--ja, nu zullen we eens
+wat hooren!
+
+Buiten de stad was een hooge galg opgericht, daaromheen stonden de
+soldaten en vele honderdduizenden menschen. De koning en de koningin
+zaten op een prachtigen troon tegenover de rechters en den geheelen
+raad.
+
+De soldaat stond reeds boven op de ladder; maar toen zij hem den
+strop om den hals wilden doen, zeide hij, dat men immers altijd aan
+een armen zondaar, voordat hij zijn straf onderging, de vervulling
+van een onschuldigen wensch toestond. Hij zou zoo graag nog eens een
+pijp willen rooken; het zou toch de laatste pijp zijn, die hij hier
+op aarde rookte.
+
+Dat wilde de koning hem dan ook niet weigeren, en zoo nam de soldaat
+zijn tondeldoos en sloeg vuur, een-, twee-, driemaal. En zie! daar
+stonden eensklaps al de honden, die met de oogen, zoo groot als
+theekopjes, die met de oogen, zoo groot als molenraderen, en die,
+waarvan ieder oog zoo groot als een toren was.
+
+«Help mij nu, dat ik niet opgehangen word!» zei de soldaat. En nu
+vielen de honden op de rechters en den geheelen raad aan, pakten den
+een bij de beenen en den ander bij den neus en slingerden ze vele
+ellen hoog in de lucht, zoodat zij neervielen.
+
+«Ik wil niet!» zei de koning, maar de grootste hond nam zoowel hem
+als de koningin en slingerde ze, evenals de anderen in de lucht; nu
+verschrikten de soldaten, en al het volk riep uit: «Beste soldaat! gij
+zult onze koning zijn en de mooie prinses hebben!»
+
+Daarop zetten zij den soldaat in de koets van den koning, en de drie
+honden dansten voorop en riepen: «Hoera!» En de jongens floten op
+hun vingers, en de soldaten presenteerden het geweer. De prinses
+kwam uit het koperen kasteel en werd koningin, en dat beviel haar
+heel goed. De bruiloft duurde acht dagen, en de honden zaten mee aan
+tafel en zetten groote oogen op.
+
+
+
+
+HET MEISJE, DAT OP HET BROOD TRAPTE.
+
+
+De geschiedenis van het meisje, dat, om haar schoenen niet vuil te
+maken, op het brood trapte, en hoe slecht het met dit meisje afliep,
+is welbekend: zij is geschreven en zelfs gedrukt.
+
+Inge heette dit meisje; zij was een arm kind, trotsch en hoogmoedig;
+er was een slechte grond in haar, zooals men zegt. Reeds als klein
+kind was het haar grootste plezier, vliegen te vangen, ze de vlerken
+uit te trekken en ze in kruipende dieren te veranderen. Later nam zij
+den meikever en den mestkever, stak deze aan een naald vast, schoof
+dan een groen blad of een klein stukje papier naar hun pootjes toe,
+en dan greep het arme diertje daarnaar en hield het vast, draaide en
+wendde het, om van de naald af te komen.
+
+«Nu leest de meikever!» zeide Inge. «Kijk maar eens, hoe hij het
+blad omkeert.»
+
+Met de jaren werd zij eer slechter dan beter; maar mooi was zij, en
+dat was haar ongeluk, anders was zij wel duchtiger beknord; geworden,
+dan nu het geval was.
+
+«Ik denk, dat ik nog eens verdriet van je zal hebben,» zei haar eigen
+moeder. «Als kind heb je mij dikwijls op mijn japon getrapt, ik vrees,
+dat je mij later op het hart zult trappen.»
+
+En dat deed zij ook.
+
+Zij kreeg op een dorp een dienst bij deftige menschen, en deze
+beschouwden haar als hun eigen kind, en zoo ging zij ook gekleed;
+zij zag er lief uit, maar haar hoogmoed nam toe.
+
+Toen zij daar zoo wat een jaar geweest was, zei haar mevrouw tegen
+haar: «Je moest je ouders toch eens gaan opzoeken, Inge!»
+
+En Inge begaf zich op weg naar haar ouders, maar alleen om zich eens
+in haar geboorteplaats te vertoonen; daar moesten de menschen zien,
+hoe mooi zij geworden was; maar toen zij aan den ingang van het dorp
+kwam en de jonge knechts en meiden daar met elkaar zag staan en haar
+moeder ook daarbij, die op een steen zat uit te rusten, met een bosje
+rijshout, dat zij in het bosch gesprokkeld had, voor zich, toen keerde
+Inge om; zij schaamde er zich over, dat zij, die netjes gekleed was,
+zulk een vrouw in lompen, die hout in het bosch sprokkelde, tot moeder
+had. Zij had er volstrekt geen berouw over, dat zij teruggekeerd was.
+
+Weer verliep er omstreeks een half jaar. «Je moest toch nog eens naar
+je dorp toe gaan en je ouders een bezoek brengen, Inge!» zei haar
+mevrouw. «Ik zal je een groot wittebrood geven; dan kan je dit voor
+hen meenemen; zij zullen er zeker blij mee zijn, dat zij je weerzien.»
+
+Inge trok haar beste kleeren en haar nieuwe schoenen aan, tilde haar
+japon op en liep heel voorzichtig voort, opdat zij rein aan haar voeten
+zou blijven, en dat kon men haar niet kwalijk nemen! Maar toen zij daar
+kwam, waar de weg over het moeras loopt en waar slijk en modder was,
+wierp zij het brood op den grond en trapte daarop, om niet nat en
+vuil te worden; maar terwijl zij daar zoo stond, met den eenen voet
+op het brood en den anderen opgeheven, om verder te loopen, zonk het
+brood gedurig dieper met haar; zij verdween geheel en al, en slechts
+een groote modderpoel, die blaasjes deed opborrelen, bleef er te zien.
+
+Dat is de geschiedenis.
+
+Maar waar kwam Inge nu? Zij zonk in den moerasgrond en kwam beneden
+bij de moerasvrouw, die daar allerlei kwaad brouwt. De moerasvrouw
+is de tante der elfen, die bekend genoeg zijn, waarvan men liedjes
+heeft en die men afgeschilderd vindt; maar van de moerasvrouw weten
+de menschen alleen, dat, wanneer er in den zomer damp uit de weiden
+opstijgt, het de moerasvrouw is, die allerlei kwaad brouwt. In de
+brouwerij der moerasvrouw daalde Inge neer, en daar is het niet lang
+uit te houden.--De slijkkist is een pronkkamer, bij de brouwerij der
+moerasvrouw vergeleken! Ieder vat stinkt zoo geducht, dat men daarvan
+flauw valt, en dan staan de vaten dicht op elkaar gepakt, en als er
+hier en daar een kleine opening tusschen is, waar men door zou hebben
+kunnen dringen, dan is dit toch niet mogelijk door de natte padden en
+de dikke slangen, die zich hier letterlijk in elkaar verwarren. Hierin
+zonk Inge neer; al het walglijke, levende ontuig was zoo ijskoud,
+dat zij over al haar leden trilde, ja, dat zij gedurig meer van
+schrik verstijfde. Aan het brood bleef zij vasthangen, en het brood
+trok haar naar beneden, evenals het barnsteen een stroohalm aantrekt.
+
+De moerasvrouw was te huis, de brouwerij kreeg overdag bezoek, zij
+werd bezichtigd door den duivel en zijn grootmoeder, en de grootmoeder
+van den duivel is een oude, zeer giftige vrouw, die nooit ledig is;
+zij rijdt nooit uit, om ergens een bezoek af te leggen, zonder haar
+handwerk mee te nemen, en dit had zij dan ook hier bij zich. Zij
+naaide leugenweefsels en haakte onbezonnen woorden, die op den grond
+gevallen waren, alles tot schade en verderf. Ja, die oude grootmoeder
+kon naaien, borduren en haken!
+
+Zij zag Inge, hield haar brilleglas voor haar oog en keek het meisje
+nog eens aan. «Dat is een meisje, dat kundigheden bezit,» zeide zij,
+«en ik verzoek, de kleine, tot een herinnering aan mijn bezoek hier,
+mee te mogen nemen. Zij zal een geschikt standbeeld in de voorkamer
+van mijn kleinzoon zijn.»
+
+En zij kreeg haar. Op deze wijze kwam Inge in de hel. Daar gaan de
+menschen niet altijd regelrecht naar toe, maar zij kunnen er ook
+langs omwegen inkomen, als zij daartoe de bekwaamheid bezitten.
+
+Dat was een voorkamer zonder einde; men werd al duizelig, als men voor-
+of achterwaarts keek, en een menigte, die het versmachten nabij was,
+stond hier te wachten, totdat de poort der genade voor hen opengedaan
+zou worden. Zij moesten lang wachten. Groote, dikke, waggelende spinnen
+weefden een duizendjarig web over hun voeten, en dit spinneweb sneed
+als voetangels en boeide als koperen ketenen; bovendien kookte er nog
+een eeuwige onrust in iedere ziel, een onrust des jammers. De gierige
+stond daar en had den sleutel van zijn geldkist vergeten; de sleutel
+stak er in, dat wist hij. Maar het is te wijdloopig, al de soorten van
+pijnigingen en van jammer op te sommen, die daar ondergaan werden. Inge
+gevoelde een hevige pijn, terwijl zij daar als een standbeeld moest
+staan; want zij was van onderen aan het brood vastgekleefd.
+
+«Dat heeft men er van, als men zijn voeten rein en helder wil houden!»
+zeide zij bij zich zelve. «Kijk eens, hoe zij mij aangapen!» Ja,
+werkelijk waren aller blikken op haar gevestigd;--hun booze lusten
+fonkelden hun uit de oogen en spraken zonder geluid te geven uit hun
+mond; zij waren verschrikkelijk om aan te zien.
+
+«Mij aan te staren moet een genoegen zijn!» dacht Inge, «ik heb een
+lief gezicht en mooie kleeren aan!» En nu draaide zij haar oogen
+om, maar haar nek kon zij niet omdraaien, want deze was daarvoor te
+stijf. O, hoe morsig was zij in de brouwerij der moerasvrouw geworden:
+daaraan had zij niet gedacht. Haar kleeren waren met slijk bezoedeld,
+een slang had zich in haar lokken gehangen en slingerde langs haar
+rug neer, en uit iedere plooi van haar gewaad kwam een groote pad
+te voorschijn, die als een kortademige mops blafte. Dit was zeer
+onaangenaam. «Maar de anderen hier beneden zien er immers ook
+afschuwelijk uit!» zeide zij, en daarmee troostte zij zich.
+
+Het ergste van alles was echter de vreeselijke honger, dien zij
+gevoelde. Was zij dan niet bij machte, voorover te bukken en een
+stuk van het brood, waarop zij stond, af te breken? Neen, haar
+rug was stijf, haar armen en handen waren verstijfd, haar geheele
+lichaam was als een steenen zuil, alleen haar oogen kon zij nog in
+haar hoofd omdraaien, naar alle kanten heen draaien, zoodat zij ook
+achter zich kon zien; dat was een leelijk gezicht. En toen kwamen er
+vliegen aan, die over haar oogen heen en weer kropen; zij knipte met
+haar oogen, maar de vliegen vlogen niet weg, want zij konden niet
+vliegen daar hun vlerken uitgetrokken waren; zij waren in kruipende
+dieren veranderd;--dat was een pijn; en daarbij kwam nog de honger,
+ja, eindelijk scheen het haar toe, alsof haar ingewanden zich zelf
+opaten, en zij werd van binnen erg leeg. «Als dat langer moet duren,
+dan houd ik het niet uit!» zeide zij, maar zij moest het wel uithouden.
+
+Nu viel er een heete traan op haar hoofd neer, rolde over haar gezicht
+en hare borst tot op het brood, waarop zij stond, en er viel nog een
+traan, nog vele. Maar wie zou er wel over Inge weenen?--Zij had op
+aarde immers nog een moeder! De tranen der smart, die een moeder over
+haar kind stort, komen altijd bij het kind, maar ze verlossen niet, zij
+branden slechts en verergeren de pijn. Het was iets verschrikkelijks,
+zulk een onuitstaanbaren honger te hebben en niet aan het brood te
+kunnen komen, waarop zij toch met haar voeten stond. Zij had een
+gevoel, alsof haar binnenste zich zelf verteerd had, zij was als een
+dun riet, dat ieder geluid inzuigt; zij hoorde duidelijk alles, wat
+er op aarde over haar gesproken werd, en wat zij hoorde, was hard en
+wreed. Haar moeder weende wel is waar erg en was bedroefd over haar,
+maar zij zeide met dat al: «Hoogmoed komt voor den val! Dat is je
+ongeluk geweest, Inge! Je hebt je moeder heel veel verdriet aangedaan!»
+
+Haar moeder en allen op aarde wisten van de zonde, die zij gepleegd
+had, wisten, dat zij op het brood had getrapt, dat zij in de diepte
+weggezonken en verdwenen was; de koeherder had dit van de helling
+bij den moerassigen weg gezien.
+
+«Wat heb je je moeder toch een verdriet aangedaan», Inge!» zei haar
+moeder, «ja, ik had het wel gedacht!»
+
+«O, was ik maar nooit geboren!» dacht zij daarbij; «dat zou veel
+beter voor mij geweest zijn. Maar wat baat het mij nu, dat mijn
+moeder weent?»
+
+Zij hoorde, hoe de goede menschen, die haar als ouders verpleegd
+hadden, nu zeiden, dat zij een zondig kind was, dat zij de gaven
+Gods niet in waarde gehouden, maar daarop met voeten getreden had;
+de deur der genade zou eerst langzaam voor haar opengaan.
+
+«Zij hadden mij moeten kastijden, zij hadden mijn grillen moeten
+uitroeien,» dacht Inge.
+
+Zij hoorde, dat er een liedje op haar gemaakt werd, over het
+hoogmoedige meisje, dat op het brood trapte, opdat haar schoenen
+netjes zouden blijven, en dat men dit liedje overal in het land zong.
+
+«Dat men daarom zoo veel kwaads moet hooren en zoo veel lijden!» dacht
+Inge. «De anderen moesten ook voor hun zonden gestraft worden! Ja,
+dan zou er zeker veel te straffen zijn!--Ach! wat word ik gepijnigd!»
+
+Haar hart verhardde zich nog meer dan haar uiterlijk voorkomen.
+
+«Hier beneden in dit gezelschap kan men niet beter worden! En ik wil
+ook niet beter worden! Kijk eens, hoe zij mij aangapen!»
+
+Haar hart was vol toorn en boosheid ten opzichte van alle menschen.
+
+«Nu hebben zij elkaar daarboven eindelijk eens wat te vertellen. Ach,
+wat word ik gepijnigd!»
+
+Zij hoorde ook, hoe haar geschiedenis aan de kinderen verteld werd,
+en de kleinen noemden haar de goddelooze Inge,--zij was zoo leelijk,
+zeiden zij, zoo afschuwelijk, zij moest erg gepijnigd worden.
+
+Gedurig kwamen er harde woorden over haar uit een kindermond.
+
+Maar op zekeren dag, terwijl toorn en woede in het inwendige van
+haar holle lichaam knaagden en zij haar naam hoorde noemen en haar
+geschiedenis aan een onschuldig kind, een klein meisje, hoorde
+vertellen, merkte zij, dat de kleine in tranen uitbarstte bij het
+hooren van de geschiedenis der hooghartige, ijdele Inge.
+
+«Maar komt Inge dan nooit meer naar boven?» vroeg het kleine meisje. En
+men antwoordde:
+
+«Zij komt nooit meer naar boven.»
+
+«Maar als zij nu eens om vergiffenis vroeg en beloofde, dat zij het
+nooit weer zou doen?»
+
+«Dan wel; maar zij zal niet om vergiffenis vragen!» hernam men.
+
+«Ik zou zoo graag willen, dat zij dit deed!» zei de kleine en was
+ontroostbaar. «Ik zal er mijn pop en mijn speelgoed voor geven, als zij
+maar naar boven mag komen. Het is te verschrikkelijk! Die arme Inge!»
+
+Deze woorden drongen tot het hart van Inge door; zij deden haar goed;
+het was de eerste maal, dat iemand zei: «Die arme Inge!» en er niets
+omtrent haar gebreken bijvoegde, een klein, onschuldig kind weende
+om haar en vroeg genade voor haar; het werd haar daarbij zonderling
+te moede; zij zou nu zelf graag geweend hebben, maar zij vermocht
+dit niet, zij kon niet weenen, en dat was ook een kwelling.
+
+Terwijl er jaren daar boven verliepen,--beneden was er geene
+afwisseling,--hoorde zij gedurig zeldzamer over zich spreken. Nu drong
+er op zekeren dag plotseling een zucht tot haar ooren door: «Inge,
+Inge! Wat heb je mij een verdriet aangedaan! Ik heb het wel gezegd!»
+Het was de laatste zucht van haar stervende moeder.
+
+Somtijds hoorde zij haar naam door de menschen, waarbij zij vroeger
+gediend had, noemen, en het waren liefelijke woorden, als haar mevrouw
+zeide: «Zou ik je wel ooit weerzien, Inge? Men kan nooit weten,
+waar men nog eens zal komen!»
+
+Maar Inge zag wel in, dat haar goede mevrouw nooit daar zou kunnen
+komen, waar zij was.
+
+Er verliep wederom eenige tijd, een lange, bittere tijd.
+
+Nu hoorde Inge nog eenmaal haar naam noemen en zag twee heldere
+sterren boven zich fonkelen; het waren twee vriendelijke oogen, die
+zich op aarde sloten. Er waren destijds al zoovele jaren verloopen,
+sedert het kleine meisje ontroostbaar was en over «de arme Inge»
+weende, dat het kind een oude vrouw geworden was, die God nu weer
+tot zich wilde roepen; en juist in deze ure, waarop de herinnering
+van haar geheele vroegere leven weer bij haar oprees, herinnerde zij
+zich ook, hoe zij eens als klein kind tranen gestort had bij het
+hooren van de geschiedenis van Inge. Dat uur en die indruk werden
+bij die oude vrouw in haar doodsuur weer zoo levendig, dat zij luide
+uitbarstte in de woorden: «Mijn God en Heer! Ook ik heb, evenals Inge,
+uw zegeningen vaak met voeten getreden en daarbij niet bedacht, dat
+ik iets verkeerds deed; ook ik heb vaak een hoogmoedige gezindheid
+gekoesterd,--doch Gij hebt mij in Uw genade niet laten zinken, maar
+mij staande gehouden! O, laat in mijn laatste ure niet van mij af!»
+
+De oogen der oude vrouw sloten zich, en het oog harer ziel opende
+zich, om het verborgene te zien. Zij, in wier laatste gedachten
+Inge zoo levendig tegenwoordig geweest was, zij zag ook nu, hoe
+diep zij gezonken was, en bij den aanblik daarvan barstte de vrouw
+in tranen uit: In den hemel stond zij als een kind en weende om de
+arme Inge! En deze tranen en gebeden klonken als een echo in het
+holle, ledige hulsel, dat de geboeide, gefolterde ziel omsloot; de
+nooit gedachte liefde van boven overweldigde haar! Waarom werd haar
+dit wel vergund? De gepijnigde ziel verzamelde als 't ware in haar
+gedachten iedere daad, die zij op aarde verricht had, en zij, Inge,
+smolt in zulke tranen weg, als zij er vroeger nooit geweend had;
+bekommering over haar zelve vervulde haar, het was haar, alsof de
+poort der genade zich nimmer voor haar kon openen, en terwijl zij dit
+in haar verbrijzeling erkende, schoot er een straal in den afgrond
+tot haar neer, en wel met een kracht, die sterker was dan die van
+den zonnestraal, waardoor de sneeuwman, die de kinderen vervaardigd
+hebben, ontdooit; en veel sneller dan de sneeuwvlok smelt en tot een
+droppel wordt, die op de warme lippen van het kind neervalt, loste de
+versteende gestalte van Inge zich in damp op,--een vogeltje vloog met
+de snelheid van den bliksemstraal naar boven naar de menschenwereld
+op. Maar deze vogel was angstig en schuw voor alles, wat hem omgaf;
+hij schaamde zich over zich zelf, schaamde zich tegenover alle levende
+schepselen en trachtte zich ijlings te verbergen in een donker gat
+in een ouden, verweerden muur; daar zat hij neer, terwijl hij over
+zijn geheele lichaam beefde; hij kon geen geluid van zich geven,
+hij had geen stem; een geruimen tijd zat hij daar, voordat hij de
+heerlijkheid, die hem omgaf, kon zien; ja heerlijk was het! De lucht
+was frisch en zacht, de maan wierp haar helder schijnsel op de aarde;
+boomen en struiken wasemden geuren uit, en prachtig was het, waar hij
+zat; zijn veeren waren rein en fijn. O, wat was al het geschapene
+toch in liefde en heerlijkheid voortgebracht! Alles, wat er in het
+binnenste van den vogel omging, wilde zich in een lied lucht geven,
+maar de vogel vermocht dit niet; gaarne zou hij gezongen hebben,
+evenals in de lente de koekoek en de nachtegaal. Onze God, die zelfs
+het stille lofgezang van den worm hoort, hoorde ook hier het loflied,
+dat zich in gedachtenakkoorden verhief, evenals de psalm in het hart
+van David klonk, voordat deze zich in woorden en melodie kon uiten.
+
+Weken lang stegen deze stille lofliederen op, zij moesten hoorbaar
+worden, zij moesten dit bij den eersten vleugelslag eener goede daad;
+zulk een goede daad moest er verricht worden!
+
+Het kerstfeest naderde. De boer stak in de nabijheid van den muur
+een stok in den grond en bond daaraan een schoof haver vast, opdat
+de vogelen in de lucht ook een vroolijk Kerstfeest en een goeden
+maaltijd mochten hebben; dat was braaf, zoo is de deugdzame!
+
+De zon ging op den Kerstmorgen op en bescheen de schoof, de
+kwinkeleerende vogels fladderden in menigte om den stok heen.
+
+Daar klonk het ook uit het gat in den muur: «Piep, piep!» De zwellende
+gedachte werd een geluid, het zwakke piepen een geheele hymne, de
+gedachte van een goede daad ontwaakte, en de vogel kwam uit zijn
+schuilplaats te voorschijn; in den hemel wisten zij al, wat voor een
+vogel het was!
+
+De winter was streng, de wateren waren dichtgevroren, de vogelen en
+de dieren des velds konden slechts weinig voedsel vinden. Onze kleine
+vogel vloog over den straatweg heen, en daar, in het spoor der sleden,
+vond hij ook nu en dan een graankorreltje, en op de pleisterplaatsen
+eenige broodkruimeltjes; hij zelf at er slechts weinige op, maar hij
+riep al de andere uitgehongerde musschen bij elkaar, opdat zij eenig
+voedsel zouden krijgen. Hij vloog de steden in, keek in de rondte, en
+waar een lieve hand op het kozijn brood voor de vogeltjes gestrooid
+had, at hij zelf maar een enkel kruimeltje en gaf al het andere aan
+de overige vogels.
+
+In den loop van den winter had de vogel zooveel broodkruimeltjes
+verzameld en aan de andere vogels gegeven, dat zij te zamen opwogen
+tegen het geheele brood, waarop Inge getrapt had, opdat haar schoenen
+rein zouden blijven, en toen het laatste broodkruimeltje gevonden
+en goed besteed was, werden de grauwe vleugels van den vogel wit en
+spreidden zich wijd uit.
+
+«Daar vliegt een zeezwaluw over het water heen!» zeiden de kinderen,
+die den witten vogel zagen; nu dook zij in het water onder, toen
+verhief zij zich in den helderen zonneschijn; zij schitterde; het
+was niet mogelijk om te zien, waar zij bleef,--zij zeiden, dat zij
+in de zon gevlogen was!
+
+
+
+
+DE BLOEMEN VAN DE KLEINE IDA.
+
+
+«Mijn arme bloemen zijn heelemaal verwelkt!» zei de kleine Ida, «Wat
+waren zij gisteravond nog mooi, en nu laten ze al haar blaadjes slap
+hangen! Waarom doen zij dat?» vroeg zij aan den student, die op de
+canapé zat en van wien zij heel veel hield. Hij wist zulke aardige
+dingen te knippen: harten met kleine dametjes er in, die dansten,
+bloemen en groote kasteelen, waarvan men de deuren open kon doen;
+'t was een vroolijke student. «Waarom zien de bloemen er vandaag zoo
+verflenst uit?» vroeg zij hem andermaal en liet hem een ruiker zien,
+die geheel verlept was.
+
+«Wil ik eens zeggen, wat haar mankeert?» antwoordde de student. «De
+bloemen zijn van nacht op het bal geweest, en daarom laten zij haar
+kopjes hangen.»
+
+«Maar de bloemen kunnen immers niet dansen!» bracht de kleine Ida in
+het midden.
+
+«Wel zeker,» hernam de student. «Als het donker wordt en wij gerust
+liggen te slapen, dan springen ze lustig in de rondte. Bijna alle
+avonden houden ze bal.»
+
+«Kunnen er ook kinderen op dat bal komen?»
+
+«Ja,» zei de student, «namelijk kleine madeliefjes en lelietjes
+der dalen.»
+
+«Waar dansen die mooie bloemen?» vroeg de kleine Ida.
+
+«Ben je niet dikwijls buiten de poort bij het groote kasteel geweest,
+waar de koning des zomers woont en waar die prachtige tuin met al
+die bloemen is? Je hebt de zwanen immers wel eens gezien, die naar
+je toe zwemmen, als je hun kruimeltjes brood wilt geven? Geloof mij,
+daar buiten is het een groot bal.»
+
+«Gisteren ben ik met mama in dien tuin geweest,» zei Ida, «maar al de
+bladeren waren van de boomen, en er waren in 't geheel geen bloemen
+meer. Waar zijn ze toch gebleven? Van den zomer zag ik er zooveel!»
+
+«Ze zijn binnen in 't kasteel,» hernam de student. «Je moet weten,
+dat de bloemen, zoodra de koning en al de hovelingen naar de stad
+terugkeeren, dadelijk uit den tuin wegloopen en naar het kasteel toe
+gaan, en daar maken ze dan pret. Dat moest je eens zien! De beide
+mooiste rozen zetten zich op den troon neer, en dan zijn ze koning en
+koningin; al de roode hanekammen scharen zich aan beide kanten daarvan:
+dat zijn de kamerheeren.--Dan komen al de andere mooie bloemen, en
+dan is het groot bal. De blauwe viooltjes stellen adelborsten voor;
+zij dansen met hyacinten en krokusjes, die zij jonge dames noemen;
+de tulpen en de groote tijgerleliën zijn oude dames, die zorg dragen,
+dat er goed gedanst wordt en dat alles geregeld in zijn werk gaat.»
+
+«Maar,» vroeg de kleine Ida weer, «is er dan niemand, die de bloemen
+kwaad doet, omdat ze in het kasteel van den koning dansen?»
+
+«Eigenlijk weet niemand daarvan af,» zei de student. «Somtijds wel is
+waar komt de oude slotbewaarder 's nachts wel eens met een grooten
+bos sleutels in de hand; maar zoodra de bloemen de sleutels hooren
+rammelen, houden zij zich stil en verschuilen zich achter de gordijnen,
+en steken het hoofd alleen er uit. Het ruikt hier naar bloemen,»
+zegt de oude slotbewaarder dan; «maar ik kan ze niet zien.»
+
+«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en klapte in haar handen. «Maar
+zou ik de bloemen ook niet kunnen zien?»
+
+«Ja,» zei de student. «Denk er maar eens om, als je er weer
+voorbijkomt, dat je eens door het raam kijkt, dan zul je ze wel
+zien. Dat heb ik vandaag ook gedaan; er lag een lange gele lelie dood
+op haar gemak op de canapé uitgestrekt; dat was een hofdame.»
+
+«Kunnen de bloemen uit den botanischen tuin daar ook komen? Kunnen
+die zoo ver loopen?»
+
+«Wel zeker,» antwoordde de student, «want als ze willen, dan kunnen ze
+vliegen. Heb je die mooie kapelletjes wel niet eens gezien, roode,
+gele en witte? Zij zien er net als bloemen uit: dat zijn ze ook
+geweest. Zij zijn van den stengel af hoog in de lucht opgestegen en
+hebben daar met hun bladeren geklapwiekt, alsof het vleugeltjes waren,
+en zoo vlogen zij weg. En omdat zij dit zoo goed deden, kregen zij de
+vergunning, om ook overdag rond te vliegen en behoefden niet te huis
+en stil op den steel te zitten; en zoo werden de bladeren eindelijk
+tot werkelijke vleugels. Dat heb je zelf immers wel eens gezien. Het
+kan echter wel zijn, dat de bloemen uit den botanischen tuin nog nooit
+in het kasteel van den koning geweest zijn, of dat zij niet weten,
+dat het daar 's nachts zoo vroolijk toegaat. Daarom zal ik je eens
+wat zeggen! Hij zal er vreemd van staan te kijken, de professor in de
+botanie, die hier naast woont: je kent hem immers wel? Als je in zijn
+tuin komt, moet je aan een van de bloemen vertellen, dat er buiten
+op het kasteel een groot bal is; die vertelt het dan weer aan al de
+anderen over, en dan vliegen zij weg. Als de professor dan in den
+tuin komt, is er geen enkele bloem en zal hij niet kunnen begrijpen,
+waar zij gebleven zijn.»
+
+«Maar hoe kan de eene bloem het aan de andere vertellen? De bloemen
+kunnen immers niet spreken!»
+
+«Dat kunnen zij ook niet,» antwoordde de student, «maar dan geven zij
+elkaar wenken. Heb je niet dikwijls gezien, dat de bloemen, als er een
+beetje wind is, elkander toeknikken en al haar bladeren bewegen? Dat is
+voor haar even goed verstaanbaar, als wanneer wij met elkaar spreken.»
+
+«Kan de professor die wenken dan begrijpen?» vroeg Ida.
+
+«Wel zeker. Hij kwam op zekeren morgen in zijn tuin en zag een groote
+brandnetel staan, die met haar bladeren aan een mooien, rooden anjelier
+allerlei wenken gaf. Zij zeide: «Je ziet er zoo lief uit, en ik mag je
+graag lijden.» Maar zoo iets kan de professor niet dulden; hij sloeg
+de brandnetel terstond op haar bladeren, want dat zijn haar vingers;
+maar toen brandde hij zich, en sedert dien tijd waagt hij het niet,
+een brandnetel aan te raken.»
+
+«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en lachte.
+
+«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen?» zei
+een deftig oud heer, die een bezoek was komen brengen en op de canapé
+zat. Hij mocht den student niet lijden en bromde altijd, als hij hem
+al die kluchtige, grappige dingen zag knippen: nu eens was het een
+man, die aan een galg hing en een hart in de hand hield, want het
+was een hartendief, dan weer een oude heks, die op een bezemstok
+reed en haar man op den neus had. Dat kon de oude man niet velen,
+en dan zei hij, evenals nu: «Hoe kan men een kind nu toch zoo iets
+in het hoofd brengen? Dat zijn immers de grootste dwaasheden!»
+
+Maar de kleine Ida scheen het toch heel kluchtig te vinden, wat de
+student van haar bloemen vertelde, en zij dacht dikwijls daaraan. De
+bloemen lieten haar kopjes hangen; want zij waren vermoeid, daar zij
+den heelen nacht gedanst hadden: zij waren zeker ziek. Nu ging zij er
+mee naar haar ander speelgoed, dat op een lief klein tafeltje stond, en
+in de schuiflade lagen allerlei mooie dingen. In het poppenledekantje
+lag haar pop Sophie, die sliep; maar de kleine Ida zei tegen haar:
+«Je moet maar opstaan, Sophie, en het voor lief nemen, van nacht in
+de lade te liggen. De arme bloemen zijn ziek, en daarom moeten ze
+maar in jouw bedje liggen; misschien worden ze dan wel weer beter!»
+En dadelijk nam zij de pop uit haar ledekantje; maar deze zag er
+verdrietig uit en sprak geen enkel woord; want zij ergerde er zich
+over, dat zij haar bedje moest ruimen.
+
+Toen legde de kleine Ida de bloemen in het poppenbedje, sloeg het
+dekentje er over heen en zei, dat zij nu maar heel stil moesten liggen;
+dan zou zij wat vlier zetten, en dan zouden zij wel weer beter worden
+en den volgenden dag kunnen opstaan. Zij deed de gordijnen van het
+kleine ledekantje dicht, opdat de zon ze niet in de oogen zou schijnen.
+
+Den heelen avond kon zij niet nalaten, aan datgene te denken, wat de
+student haar verteld had. En toen zij nu zelf naar bed moest, kon zij
+zich niet weerhouden, eerst eens achter de gordijnen te kijken, die
+voor de ramen hingen, waar de prachtige bloemen van haar mama stonden,
+zoowel hyacinten als tulpen; en nu fluisterde zij zachtjes: «Ik weet
+wel, dat je van nacht naar het bal toe gaat.» Maar de bloemen deden,
+alsof zij niets verstonden en verroerden geen blaadje; doch de kleine
+Ida wist toch, wat zij wist.
+
+Toen zij te bed gegaan was, bleef zij een heelen tijd wakker liggen
+en dacht er over, hoe aardig het toch moest wezen, de mooie bloemen
+in het kasteel van den koning te zien dansen. «Zouden mijn bloemen
+er werkelijk bij geweest zijn?» zeide zij bij zich zelf. Eindelijk
+viel zij in slaap; maar midden in den nacht werd zij weer wakker;
+zij had van de bloemen en van den student, dien de oude heer berispt
+had, gedroomd. Het was doodstil in de slaapkamer, waar Ida lag;
+het nachtlampje brandde op de tafel, en haar pa en ma sliepen.
+
+«Zouden mijn bloemen nu nog in het ledekantje van Sophie liggen?»
+dacht zij bij zich zelve. «Wat zou ik dit graag eens willen weten!»
+Zij kwam eventjes overeind en keek naar de deur, die op een kier stond:
+daar lagen de bloemen en al haar speelgoed. Zij luisterde, en nu kwam
+het haar voor, alsof er binnen in de kamer op de piano gespeeld werd,
+maar heel zachtjes en zoo mooi, als zij het nog nooit gehoord had.
+
+«Nu zijn al de bloemen zeker aan het dansen!» dacht zij. «Och! wat
+zou ik dat toch graag eens willen zien!» Maar zij waagde het niet,
+op te staan, want dan zou zij haar pa en ma licht wakker maken!
+
+«Als ze maar eens hier in de slaapkamer wilden komen,» dacht zij. Maar
+de bloemen kwamen niet, en het spelen op de piano bleef voortduren;
+nu kon zij het niet langer uithouden, want het was al te mooi; zij
+stapte uit haar bedje, sloop zachtjes naar de deur toe en keek de
+kamer in. O, wat was dat prachtig, wat zij nu te zien kreeg.
+
+Er brandde geen nachtlampje in het vertrek, maar toch was het er licht
+in; de maan scheen door het raam midden op den vloer; het was bijna
+zoo helder, alsof het dag was. Al de hyacinten en de tulpen stonden
+in twee lange rijen in de kamer; er waren er volstrekt geen meer voor
+het raam te zien; daar stonden slechts de leege potten. Op den vloer
+dansten al de bloemen zeer sierlijk in de rondte en hielden elkaar
+bij de lange groene bladeren vast. Maar voor de piano zat een groote,
+gele lelie, die de kleine Ida bepaald in den zomer gezien had: want
+zij herinnerde zich nog heel goed, dat de student gezegd had; «O,
+wat lijkt zij op juffrouw Lientje!» Doch toen werd hij door allen
+uitgelachen; maar nu kwam het de kleine Ida werkelijk ook voor, alsof
+de lange, gele bloem op dit meisje leek; en zij had ook dezelfde
+manieren bij het spelen; nu eens boog zij haar glimlachend, geel
+gezicht naar den eenen, dan weer naar den anderen kant en sloeg met
+haar hoofd de maat bij de heerlijke muziek. Niemand lette op de kleine
+Ida. Toen zag zij een groot blauw krokusje midden op de tafel springen,
+waarop het speelgoed stond, regelrecht naar het poppenledekantje toe
+gaan en de gordijnen op zij schuiven. Daar lagen de zieke bloemen,
+maar zij richtten zich dadelijk op en knikten het krokusje toe, dat
+zij ook wel mee wilden dansen. De oude notenkraker, welks onderlip
+afgebroken was, stond op en maakte een buiging voor de mooie bloemen;
+deze zagen er volstrekt niet ziek uit: zij sprongen van de tafel af,
+gingen naar de andere bloemen toe en hadden heel wat pret.
+
+Het was, alsof er iets van de tafel naar beneden viel; Ida keek dien
+kant uit: het was een houten soldaat, die naar beneden sprong: het
+scheen, alsof hij ingelijks tot de bloemen behoorde. Hij zag er ook
+zeer keurig uit, en een kleine wassen pop, die juist zulk een hoed met
+een breeden rand op het hoofd had, als de oude heer droeg, zat boven op
+hem. De soldaat huppelde midden onder de bloemen en stampte geducht,
+want hij danste de mazurka; dien dans kenden de andere bloemen niet,
+omdat zij te licht waren en niet zoo konden stampen.
+
+De wassen pop op den soldaat werd op eens groot en lang en riep luide:
+«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen? Dat zijn
+immers de grootste dwaasheden!» En nu geleek de wassen pop sprekend
+op den ouden heer met zijn breedgeranden hoed; zij zag er even geel
+en gemelijk uit. Maar de bloemen sloegen hem tegen de dunne beenen;
+en nu kromp hij weer ineen en werd een kleine wassen pop. Dat was
+heel kluchtig om aan te zien; de kleine Ida kon zich niet van lachen
+onthouden. De houten soldaat ging met dansen voort, en de oude heer
+moest meedansen; het baatte hem niets, hij mocht zich nu groot en
+lang maken of de kleine gele wassen pop met den grooten zwarten
+hoed blijven. Nu deden de andere bloemen een goed woordje voor hem,
+inzonderheid die, welke in het poppenledekantje gelegen hadden, en
+toen stelde de soldaat zich tevreden. Op hetzelfde oogenblik werd er
+luide binnen in de schuiflade geklopt, waarin Ida's pop Sophie bij
+veel ander speelgoed lag; de notenkraker liep tot aan den rand van de
+tafel, ging plat op zijn buik liggen en begon de lade een weinig uit
+te trekken. Nu stond Sophie op en keek verbaasd in de rondte. «Hier
+is zeker bal?» zei zij. «Waarom heeft niemand mij dit gezegd?»
+
+«Wil je met mij dansen?» vroeg de notenkraker.
+
+«Nu, je bent me nog al een mooie kerel om mee te dansen!» zeide zij
+en draaide hem den rug toe. Daarop zette zij zich op de schuiflade
+neer en dacht, dat er wel een van de bloemen zou komen, om haar ten
+dans uit te noodigen; maar er kwam er geen. Nu knikte zij eens; maar
+toch kwam er geen. De notenkraker danste nu alleen, en dat ging alles
+behalve slecht!
+
+Daar geen van de bloemen Sophie scheen op te merken, liet zij zich van
+de schuiflade op den grond neervallen, zoodat het een geducht leven
+maakte. Al de bloemen kwamen nu naar haar toeloopen en vroegen, of zij
+zich niet bezeerd had, en zij waren allemaal heel vriendelijk jegens
+haar, vooral de bloemen, die in haar ledekantje gelegen hadden. Maar
+zij had zich niet bezeerd, en de bloemen van Ida waren dankbaar voor
+het lekkere bedje, en namen haar midden in de kamer, waar de maan
+in scheen, en dansten met haar; en al de andere bloemen vormden een
+kring om haar heen. Nu was Sophie blijde en zei, dat zij wel altijd
+in haar bedje mochten liggen; het kon haar volstrekt niet schelen,
+in de schuiflade te slapen.
+
+Maar de bloemen zeiden: «Wij bedanken je hartelijk; maar we kunnen
+op deze wijze niet lang leven! Morgen zijn wij dood. Maar zeg tegen
+de kleine Ida, dat zij ons dan maar buiten in den tuin, waar de
+kanarievogel ligt, moet begraven; dan ontwaken wij in den zomer weer
+en worden veel mooier!»
+
+«Neen, je moogt niet sterven!» zei Sophie en kuste de bloemen. Nu
+ging de kamerdeur open, en een menigte prachtige bloemen kwam
+dansend naar binnen. Ida kon maar niet begrijpen, waar zij vandaan
+gekomen waren; dat waren zeker allemaal bloemen uit het kasteel van
+den koning. Voorop liepen twee prachtige rozen, die gouden kronen op
+hadden; zij waren een koning en een koningin. Toen kwamen de violieren
+en de anjelieren, die naar alle kanten groetten. Zij hadden muziek bij
+zich: groote papavers en pioenen bliezen op erwtenschillen, zoodat
+zij heelemaal rood in haar gezicht werden. De blauwe druifhyacinten
+en de kleine witte sneeuwklokjes klingelden, alsof zij schellen bij
+zich hadden. Dat was een merkwaardige muziek! Verder kwamen er vele
+andere bloemen en dansten allemaal met elkaar: de blauwe viooltjes en
+de roode duizendschoonen, de madeliefjes en de lelietjes der dalen. Al
+de bloemen kusten elkaar; het was alleraardigst om aan te zien.
+
+Eindelijk zeiden de bloemen elkander goeden nacht; toen sloop ook de
+kleine Ida naar haar bed en droomde van alles, wat zij gezien had.
+
+Toen zij den volgenden morgen opstond, ging zij terstond naar de kleine
+tafel toe, om eens te zien, of de bloemen er nog waren. Zij schoof
+de gordijnen van het kleine ledekantje weg. Daar lagen ze allemaal
+verwelkt, veel meer dan den vorigen dag. Sophie lag in de schuiflade,
+waarin zij haar neergelegd had: zij zag er erg slaperig uit.
+
+«Weet je niet, wat je tegen mij zeggen moet?» vroeg Ida. Maar Sophie
+zag er heel dom uit en sprak geen enkel woord.
+
+«Je ziet er zoo boos uit,» zei Ida, «en toch hebben ze allemaal met
+je gedanst.»
+
+Daarop nam zij een papieren doosje, waarop mooie vogels geteekend
+waren, deed dit open en legde er de doode bloemen in. «Dit zal je
+doodkist zijn,» zeide zij, «en als mijn neven hier komen, dan moeten
+zij mij helpen om je buiten in den tuin te begraven, opdat je in den
+zomer weer kunt groeien en mooier worden.»
+
+Deze neven waren twee vroolijke knapen; zij heetten Jonas en Adolf;
+hun pa had hun twee nieuwe handbogen gegeven, en deze hadden zij
+meegebracht, om ze eens aan Ida te laten kijken. Ida vertelde hun
+van de arme bloemen, die gestorven waren, en toen kregen zij de
+vergunning om ze te begraven. De beide knapen liepen met de bogen op
+de schouders voorop, en de kleine Ida volgde met de doode bloemen in
+het mooie doosje. Buiten in den tuin werd er een klein graf gedolven;
+Ida gaf de bloemen eerst een kus en legde ze toen met het doosje in
+den kuil; Adolf en Jonas schoten met hun bogen over het graf; want
+geweren en kanonnen hadden ze niet.
+
+
+
+
+DE ONWRIKBARE TINNEN SOLDAAT.
+
+
+Er waren eens vijf-en-twintig tinnen soldaten. Dit waren allemaal
+broers, want ze waren uit één en denzelfden ouden tinnen lepel
+gemaakt. Zij hielden hun geweer in den arm en hun hoofd recht; en hun
+uniform was rood en blauw. Het eerste, wat zij in deze wereld hoorden,
+toen het deksel van de doos, waarin zij lagen, afgenomen werd, waren de
+woorden: «Tinnen soldaten!» Dat riep een kleine jongen en hij klapte
+in de handen; hij had ze gekregen, want het was zijn verjaardag,
+en hij stelde ze nu op de tafel op. De eene soldaat leek precies
+op den anderen, slechts één zag er een beetje anders uit: hij had
+maar één been, want hij was het laatst gegoten, en toen was er geen
+tin genoeg meer; maar toch stond hij even vast op zijn eene been,
+als de anderen op hun twee, en juist hij is het, wiens levensloop
+zoo merkwaardig werd.
+
+Op de tafel, waarop zij opgesteld werden, stond nog veel meer ander
+speelgoed, maar dat, wat het meest in 't oog viel, was een aardig
+kasteel van bordpapier. Door de kleine ramen kon men in de zalen
+zien. Voor het kasteel stonden boompjes rondom een kleinen spiegel,
+die een vijver moest voorstellen. Zwanen van was zwommen daarop en
+spiegelden er zich in. Dat was alles heel lief, maar het liefste
+van alles was toch nog een kleine dame, die midden in de open deur
+van het kasteel stond; zij was ook van karton gesneden, maar zij had
+een japon van het witste katoen aan en een kleinen, smallen, blauwen
+band over den schouder, bij wijze van sjerp; in het midden daarvan
+prijkte een schitterende ster van klatergoud, die net zoo groot was
+als haar heele gezicht. De kleine dame strekte haar beide armen uit,
+want zij was een danseres; en dan lichtte zij haar eene been zoo hoog
+op, dat de tinnen soldaat niet wist waar het was, en dacht, dat zij,
+evenals hij, maar één been had.
+
+«Dat zou een goede vrouw voor mij zijn!» dacht hij: «maar het is
+zoo'n deftige dame; zij woont op een kasteel; ik heb maar een doos,
+en daar wonen we met ons vijf-en-twintigen in; dat is geen plaats
+voor haar! Maar ik moet toch eens kennis met haar maken!»
+
+Daarop legde hij zich, zoo lang als hij was, achter een snuifdoos neer,
+die op tafel stond; nu kon hij de kleine dame eens goed opnemen, die
+al door maar op één been bleef staan, zonder dat zij haar evenwicht
+verloor.
+
+Toen het avond werd, kwamen al de andere tinnen soldaten in hun doos,
+en de menschen in huis gingen te bed. Nu begon het speelgoed allerlei
+spelletjes te doen. De tinnen soldaten rammelden in de doos; want
+zij zouden er ook wel bij willen zijn, maar zij konden het deksel
+niet oplichten. De notenkraker maakte allerlei kromme sprongen, en
+de griffel danste op de tafel; het was zulk een geweldig leven, dat
+de kanarievogel er wakker van werd en begon mee te spreken, en wel
+op rijm. De beide eenigen, die zich niet van hun plaats verroerden,
+waren de tinnen soldaat en de danseres; zij bleef onbeweeglijk op
+haar teenen staan en hield haar beide armen uitgestrekt; hij stond
+even onwrikbaar op zijn eene been; maar zijn oogen wendde hij geen
+oogenblik van haar af.
+
+Nu sloeg de klok twaalf uur en flap! daar sprong het deksel van
+de snuifdoos af; doch er zat geen snuif in, maar een klein zwart
+kaboutermannetje.
+
+«Tinnen soldaat!» zei het kaboutermannetje, «kijk toch niet naar
+datgene, wat je niets hoegenaamd aangaat!»
+
+Maar de tinnen soldaat deed, alsof hij het niet hoorde.
+
+«Ja, wacht maar tot morgen!» zei het kaboutermannetje.
+
+Toen nu de volgende dag aanbrak en de kinderen opstonden, werd
+de tinnen soldaat voor het raam neergezet en, of het nu door het
+kaboutermannetje of door den tocht kwam, zooveel is zeker, dat het
+raam openvloog en de soldaat hals over kop van de derde verdieping
+naar beneden viel. Dat was een verschrikkelijke buiteling. Hij stak
+zijn eene been juist in de hoogte en bleef op zijn schako met de
+bajonet tusschen de straatsteenen steken.
+
+De dienstmeid en de kleine jongen liepen dadelijk naar beneden om
+hem te zoeken; maar ofschoon zij bijna op hem trapten, toch zagen
+zij hem niet. Als de tinnen soldaat maar geroepen had: «Hier ben ik!»
+dan zouden zij hem wel gevonden hebben; maar hij achtte het ongepast,
+luid te schreeuwen, omdat hij in uniform was.
+
+Nu begon het te regenen, al spoedig vielen de droppels dichter neer;
+eindelijk werd het een stortregen. Toen deze over was, kwamen er twee
+straatjongens voorbij.
+
+«Kijk!» zei de een, «daar ligt een tinnen soldaat! Dien zullen we in
+het schuitje laten varen!»
+
+Nu maakten zij van een stuk krant een schuitje, zetten den soldaat
+in het midden daarvan neer, en nu zeilde hij de straatgoot door;
+de beide jongens liepen er naast en klapten in hun handen. Lieve
+hemel! Wat gingen de golven in de goot hoog, en welk een stroom was
+daarin! Maar de regen had het water ook doen wassen. Het papieren
+schuitje schommelde op en neer, en nu en dan draaide het zoo gezwind
+om, dat de tinnen soldaat beefde; maar hij bleef onwrikbaar staan,
+vertrok zijn gezicht niet, hield zijn hoofd recht en zijn geweer in
+den arm. Eensklaps dreef het schuitje onder een lange brug, die over
+de goot lag, en nu werd het zoo donker, alsof hij in zijn doos was.
+
+«Waar zou ik naar toe gaan?» dacht hij. «Ja, ja, daar is het
+kaboutermannetje de schuld van. Ach! zat die kleine dame maar bij
+mij in het schuitje, dan mocht het voor mijn part nog eens zoo
+donker zijn!»
+
+Nu kwam er plotseling een groote waterrot, die onder de brug woonde.
+
+«Heb je een pas?» vroeg de rot. «Geef je pas op!»
+
+Maar de tinnen soldaat zweeg en hield zijn geweer nog vaster omklemd.
+
+Het schuitje dreef verder, en de rot achtervolgde het. Hu! wat liet zij
+haar tanden zien, en hoe riep zij de houten spaanders en het stroo toe:
+
+«Houdt hem vast, houdt hem vast! Hij heeft geen tol betaald! Hij
+heeft geen pas vertoond!»
+
+Maar de stroom werd al sterker en sterker; de tinnen soldaat kon reeds
+daar, waar de brug ophield, het daglicht zien; maar hij hoorde ook
+een bruisend geluid, dat wel in staat was om een dapper man schrik
+aan te jagen. Begrijp eens! De goot liep daar, waar de brug eindigde,
+in een diepe gracht uit: dat was voor hem even gevaarlijk als voor ons,
+om op een bruisenden waterstroom voort te drijven.
+
+Nu was hij er al zoo dicht bij, dat hij niet meer kon blijven
+staan. Het schuitje voer de goot uit: de arme tinnen soldaat hield
+zich zoo stijf, als hij maar kon; niemand zou van hem kunnen zeggen,
+dat hij ook maar met de oogen geknipt had. Het schuitje draaide een
+stuk of viermaal in de rondte en was tot aan den rand met water gevuld:
+het moest nu wel zinken! De tinnen soldaat stond tot aan zijn hals in
+het water, en al dieper en dieper zonk het schuitje, al meer en meer
+raakte het papier uit elkaar, nu sloeg het water over het hoofd van
+den soldaat heen. Thans dacht hij aan de kleine, bevallige danseres,
+die hij nimmer meer zou zien; en het klonk hem in de ooren:
+
+
+ «'t Is met u gedaan, soldaat!
+ De dood staat u te wachten!»
+
+
+Nu raakte het papier geheel los, en de tinnen soldaat stortte
+naar beneden;--maar onmiddellijk werd hij door een grooten visch
+ingezwolgen.
+
+O, wat was het donker in den buik van dien visch! Het was daar nog
+donkerder dan onder de brug, die over de goot lag; en dan was het
+daar erg benauwd. Maar de tinnen soldaat bleef onwrikbaar en lag,
+zoo lang als hij was, met zijn geweer in den arm.
+
+De visch zwom heen en weer; hij maakte de verschrikkelijkste
+bewegingen; eindelijk werd hij doodstil; het werd weer licht, en
+een stem riep luide: «De tinnen soldaat!» De visch was gevangen,
+aan de markt gebracht, verkocht en in de keuken te land gekomen,
+waar de keukenmeid hem met een groot mes opensneed. Zij pakte den
+soldaat met haar beide vingers midden om zijn lijf beet en droeg
+hem naar de kamer, waar allen zulk een merkwaardig man wilden zien,
+die in de maag van een visch gezeten had; maar de tinnen soldaat was
+volstrekt niet trotsch. Zij zetten hem op de tafel neer en... o, hoe
+zonderling kan het toch in de wereld toegaan! De tinnen soldaat was
+in dezelfde kamer, waar hij vroeger geweest was; hij zag dezelfde
+kinderen, en hetzelfde speelgoed stond op de tafel: het prachtige
+kasteel met de kleine danseres. Zij stond nog op één been en hield
+het andere hoog in de lucht; zij was ook onwrikbaar. Dat trof den
+tinnen soldaat; het scheelde niet veel, of hij begon tin te weenen,
+maar dat paste niet. Hij keek haar aan, maar zij zeide niets.
+
+Nu nam een der kleine jongens den soldaat en wierp hem in het vuur,
+zonder dat hij er eenige reden voor had; dat was zeker de schuld van
+het kaboutermannetje in de snuifdoos.
+
+De tinnen soldaat stond daar helder verlicht en voelde een hitte, die
+verschrikkelijk was; maar of deze van het werkelijke vuur of de liefde
+kwam, dat wist hij niet. De kleuren waren heelemaal van hem afgegaan;
+of dat op reis gebeurd was, dan of het verdriet de schuld daarvan was,
+kon niemand zeggen. Hij keek de kleine dame aan, zij keek hem aan,
+en hij voelde, dat hij smolt; maar nog stond hij onwrikbaar met het
+geweer in den arm. Daar ging er eensklaps een deur open, de wind
+pakte de kleine danseres beet, en nu vloog zij als een luchtnimf
+in het vuur naar den tinnen soldaat toe, ging in de vlammen op,
+en weg was zij. Nu smolt de tinnen soldaat tot een klomp, en toen
+de meid den volgenden dag de asch wegnam, vond zij niets anders dan
+een klein tinnen hart. Van de danseres daarentegen was niets anders
+overgebleven dan de ster van klatergoud, die heelemaal zwart van de
+vlam geworden was.
+
+
+
+
+DE GOUDEN SCHAT.
+
+
+De vrouw van den tamboer ging naar de kerk toe, zij zag daar het
+nieuwe altaar met geschilderde beelden en uitgesneden engelen;
+zij waren even mooi, die op het doek in kleuren, als de uit hout
+gesnedene, en deze waren nog bovendien geschilderd en verguld. Hun
+haar straalde van goud en zonneschijn, prachtig om aan te zien; maar
+Gods zonneschijn was toch nog prachtiger; deze scheen helderder,
+rooder door de donkere boomen, als de zon onderging. Hoe heerlijk
+is het, in Gods aangezicht te staren! Zij keek in de roode zon, en
+zij dacht daarover zoo ernstig na, en dacht aan den kleine, dien de
+ooievaar zou brengen; zij was daarbij zeer vroolijk en keek en keek,
+en wenschte, dat het kind dien zonneglans zou krijgen, of althans op
+een dier schitterende engelen op het altaar gelijken mocht.
+
+En toen zij werkelijk het kleine kind in haar armen hield en het
+naar zijn vader ophief, toen zag het er uit als een der engelen in
+de kerk,--zijn haar was als goud; het schijnsel der ondergaande zon
+fonkelde daarin.
+
+«Mijn gouden schat, mijn rijkdom, mijn zonneschijn!» riep de moeder uit
+en kuste de schitterende lokken; en het klonk als muziek en gezang in
+de kamer van den tamboer; er heerschten vreugde en geluk. De tamboer
+sloeg een roffel, een vroolijken roffel. En de trommel, de alarmtrom,
+die geslagen werd, als er brand was in de stad, zei: «Rood haar! De
+kleine heeft rood haar! Geloof het trommelvel en niet wat zijn moeder
+zegt! Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»
+
+En de stad herhaalde wat de alarmtrom verteld had.
+
+
+
+De knaap kwam in de kerk, hij werd gedoopt. Van zijn naam was niets
+te vertellen; hij werd Peter genoemd. De heele stad, ook de trommel
+noemde hem Peter, het tamboerszoontje met het roode haar; maar zijn
+moeder kuste zijn rood haar en noemde hem haar Gouden schat.
+
+In den hollen weg, in de leemachtige helling, hadden velen hun naam
+ter herinnering ingekrast.
+
+«Beroemdheid,» zei de tamboer, «dat is altijd iets!» en daarom kraste
+hij er ook zijn naam en dien van zijn zoontje in.
+
+De zwaluwen kwamen; zij hadden op haar verre reis duurzamer schrift
+in de klippen en in de muren van de tempels in Hindostan ingehouwen
+gezien: groote daden van machtige koningen, onsterfelijke namen,
+zulke oude, dat niemand ze meer kon lezen of noemen.
+
+Merkwaardig! Beroemdheid!
+
+In den hollen weg bouwden de zwaluwen; zij boorden gaten in de steile
+helling, de plasregen en de stofregen brokkelden en spoelden de namen
+weg,--ook die van den tamboer en zijn zoontje.
+
+«Peters naam zal toch wel anderhalf jaar blijven staan!» zei de vader.
+
+«Gek!» dacht de alarmtrom; maar zij zei slechts: «Rom, bom, bom! Rom,
+bom, bom!»
+
+Het was een jongen vol levenslust, de tamboerszoon met het roode
+haar. Hij had een liefelijke stem; hij kon zingen, en hij zong ook
+als de vogels in het bosch. Er was melodie en toch ook geen melodie in.
+
+«Hij moet koorjongen worden,» zei zijn moeder, «in de kerk zingen en
+daar onder de mooie, vergulde engelen staan, die op hem gelijken!»
+
+«Roodkop!» zeiden de menschen in de stad. De trommel hoorde dit van
+de buurvrouwen.
+
+«Ga niet naar huis toe, Peter!» riepen de straatjongens. «Als je
+in het benedenhuis slaapt, dan is er brand op de bovenverdieping,
+en dan wordt de alarmtrom geroerd!»
+
+«Neem jelui je maar voor de trommelstokken in acht!» zei Peter; en
+hoe klein hij ook was, toch snelde hij moedig op hen los en sloeg
+met zijn vuist den eerste den beste voor het lijf, zoodat de plager
+zijn beenen verloor, en de anderen namen de beenen met zich mee,
+hun eigen beenen namelijk.
+
+De stadsmuziekmeester was heel deftig en voornaam; hij was de zoon van
+een koninklijken zilverpoetser; hij mocht Peter graag lijden, nam hem
+van tijd tot tijd met zich mee naar huis, gaf hem een viool en leerde
+hem daarop spelen; het was, alsof het den knaap in de vingers zat,
+hij wilde stadsmuziekmeester worden.
+
+«Soldaat wil ik ook worden!» zei Peter, want hij was nog een kleine
+jongen, en het scheen hem het heerlijkste toe, wat er bestond, een
+geweer te kunnen dragen en zóó te kunnen loopen: «Een, twee! Een,
+twee!» en uniform en sabel te dragen.
+
+«Leer maar naar het trommelvel verlangen, rom, bom, bom! Kom, kom!»
+zei de trommel.
+
+«Ja, als hij tot den rang van generaal kon opklimmen,» zei zijn vader;
+«maar daarvoor moet het oorlog worden.»
+
+«Dat verhoede God!» zei zijn moeder.
+
+«Wij hebben niets te verliezen!» zei zijn vader.
+
+«Wij kunnen onzen jongen toch wel verliezen!» zeide zij.
+
+«Maar als hij nu eens als generaal terugkomt?» zei zijn vader.
+
+«Zonder armen of beenen!» zei zijn moeder. «Neen, liever wil ik mijn
+gouden schat heel houden.»
+
+«Rom, bom, bom!» De alarmtrom werd geroerd, alle trommels werden
+geroerd. Het was oorlog. De soldaten rukten op, en de zoon van den
+tamboer volgde: «Roodkop! Gouden schat!» Zijn moeder weende; zijn
+vader zag hem in gedachten «beroemd;» de stadsmuziekmeester beweerde,
+dat hij niet ten strijde moest trekken, maar zich bij de muziek in
+zijn vaderstad houden.
+
+
+
+«Roodkop!» zeiden de soldaten, en Peter lachte; maar ook zei de een
+na den ander: «Vossekop!» Toen beet hij zich op de lippen en keek
+een anderen kant uit--de wijde wereld in; hij bekommerde zich om den
+scheldnaam niet.
+
+Flink was de jongen, vroolijk van aard, goed van humeur; «en dat is
+de beste veldflesch,» zeiden zijn oude kameraden.
+
+En menigen nacht moest hij in plasregen en stofregen, tot op zijn hemd
+doornat, onder den blooten hemel liggen, maar zijn goede luim begaf
+hem niet, de trommelstokken sloegen: «Rom, bom, bom! Allemaal op!»
+Ja, hij was zeker voor tamboer in de wieg gelegd.
+
+De dag van den veldslag brak aan; de zon was nog niet opgegaan,
+en de morgen was aangebroken: de lucht was koud, het gevecht heet;
+er dreven nevelen aan de lucht, maar het was meer de kruitdamp. De
+kogels en de granaten vlogen over de hoofden en ook in de hoofden,
+in de borsten en de overige ledematen; maar voorwaarts ging het. De
+een na den ander zeeg bewusteloos neer met bloedende slapen, met een
+doodsbleek gezicht. De kleine tamboer had zijn gezonde kleur nog; hij
+had geen schade geleden; hij keek nog met een even vergenoegd gezicht
+den regimentshond achterna, die voor hem uitsprong, zóó vergenoegd,
+alsof alles maar een grap was en alsof de kogels slechts voor hem
+neervielen, om daarmee te spelen.
+
+«Marsch! Voorwaarts! Marsch!» waren de kommandowoorden voor de
+trommels; en deze woorden beteekenden niet: «Terugwijken!» maar zij
+konden terugtrekken, en daarin kon veel verstand liggen; en nu werd er
+gezegd: «Terug!» en daar sloeg de kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!»
+hij had het bevel zóó opgevat; de soldaten gehoorzaamden aan het
+trommelvel. Dat was een goede trommelslag en hij schonk hun, die
+reeds aan het wijken waren, de overwinning.
+
+Lichamen en ledematen gingen er in den slag verloren. Granaten rukten
+het vleesch in bloedige stukken weg; granaten deden de hoopen stroo,
+werwaarts de gekwetsten zich voortgesleept hadden, om daar vele uren
+verlaten te liggen, verlaten misschien voor hun leven, in heldere
+vlammen opgaan.
+
+Het geeft niets, daaraan te denken, en toch denkt men daaraan, zelfs
+ver van daar, in de vreedzame stad; ook de tamboer en zijn vrouw
+dachten daaraan; Peter was immers ten strijde getrokken.
+
+«Nu ben ik het klagen moede!» zei de alarmtrom.
+
+Weer begon er een dag, waarop er een gevecht zou geleverd worden;
+de zon was nog niet opgegaan, maar het was morgen. De tamboer en
+zijn vrouw sliepen, zij hadden over hun zoon gesproken; dat deden
+zij iederen avond; hij was immers op het slagveld--«in Gods hand.»
+En zijn vader droomde, dat de oorlog geëindigd was, dat de soldaten
+naar het vaderland teruggekeerd waren en dat Peter een zilveren kruis
+op de borst droeg; maar zijn moeder droomde, dat zij naar de kerk
+gegaan was en de geschilderde beelden en de uitgesnedene engelen
+met het vergulde haar gezien had; en haar eigen, teerbeminde zoon,
+de gouden schat haars harten, had midden onder de engelen gestaan en
+zoo heerlijk gezongen, als zeker slechts de engelen zingen kunnen,
+en had zich met hen in den zonneschijn verheven en zijn moeder zoo
+vol liefde toegeknikt.
+
+«Mijn gouden schat!» riep zij uit en werd wakker. «Nu heeft God onze
+Heer hem tot zich genomen!» Zij vouwde haar handen, legde haar hoofd
+tegen het katoenen bedgordijn aan en weende.
+
+«Waar rust hij nu onder die velen in het graf, dat zij voor de dooden
+gegraven hebben? Misschien wel in het diepe moeras! Niemand kent zijn
+graf! Er is geen woord Gods daar boven gelezen!»
+
+En het «Onze Vader» kwam nauw hoorbaar over haar lippen; zij boog
+het hoofd voorover, zij was zoo moede, zij viel in slaap.
+
+De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!
+
+Het was avond; er stond een regenboog aan de lucht, die het bosch en
+het diepe moeras aanraakte.
+
+Men zegt, en het is in het volksgeloof bewaard gebleven: waar de
+regenboog de aarde aanraakt, daar ligt een schat begraven, een gouden
+schat; en hier--lag er een; niemand, behalve zijn moeder, dacht aan
+den kleinen tamboer, en daarom droomde zij van hem.
+
+De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!
+
+Geen haar op zijn hoofd was er gekrenkt geworden.
+
+«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Dat is hij! Dat is hij!» zou de
+trommel gezegd en zijn moeder gezongen hebben, als zij dat gezien of
+gedroomd had.
+
+Met gejuich en gezang, met groene zegekransen versierd, keerde men
+naar het vaderland terug, daar de oorlog geëindigd en de vrede gesloten
+was. De regimentshond liep vooruit en maakte allerlei kromme sprongen,
+om zich den weg als 't ware driemaal zoolang te maken, als hij was.
+
+Weken verliepen er en de dagen tevens, en Peter trad de kamer van
+zijn ouders binnen; hij was zoo bruin als een wilde, zijn oogen keken
+fonkelend in de rondte, zijn gezicht straalde als zonneschijn. En
+zijn moeder klemde hem in haar armen; zij kuste hem op zijn mond, op
+zijn oogen, op zijn rood haar. Zij had haar jongen nu immers terug;
+hij droeg wel geen zilveren kruis op de borst, zooals zijn vader
+gedroomd had, maar hij had heele ledematen, wat zijn moeder niet
+gedroomd had. En dat was een vreugde; zij lachten en weenden. En
+Peter omhelsde de oude alarmtrom.
+
+«Daar staat de oude trommel nog!» zei hij.
+
+En zijn vader sloeg daarop een roffel.
+
+«Het is bijna, alsof er hier een hevige brand was,» zei de
+alarmtrom. «Heldere dag! Vuur in het hart! Gouden schat!»
+
+En nu? Ja, wat nu? Vraag het maar aan den stadsmuziekmeester.
+
+«Peter groeit de trommel heelemaal boven 't hoofd,» zei hij; «Peter
+wordt grooter dan ik!» En hij was toch de zoon van een koninklijken
+zilverpoetser; maar alles, wat hij in een half menschenleven geleerd
+had, leerde Peter in een half jaar.
+
+Er was iets vroolijks in hem, zoo iets innerlijk goedhartigs. Zijn
+oogen fonkelden en zijn haar was rood,--dat viel niet te ontkennen.
+
+«Hij moet zijn haar laten verven!» zei de buurvrouw. «Dat is de
+dochter van den politie-commissaris uitstekend gelukt; en--zij raakte
+verloofd.»
+
+«Maar het werd immers al spoedig daarop weer even groen als erwtensoep,
+en het moet telkens weer geverfd worden!»
+
+«Zij weet zich te helpen,» zei de buurvrouw, «en dat kan Peter ook. Hij
+komt in de voornaamste huizen, zelfs in dat van den burgemeester,
+waar hij aan juffrouw Lotje les op de piano geeft.»
+
+Spelen kon hij, ja, de prachtigste stukken, die nog op geen muziekblad
+geschreven waren, kon hij uit zijn hoofd spelen.
+
+Hij speelde in heldere nachten en ook in donkere. Dat was niet om
+uit te houden, zei de buurvrouw, en de alarmtrom stemde daarmee in.
+
+Hij speelde, zoodat zijn gedachten zich verhieven en er groote plannen
+voor de toekomst bij hem oprezen:
+
+«Beroemdheid!»
+
+En Lotje van den burgemeester zat voor de piano; haar fijne vingers
+dansten over de toetsen heen, zoodat het in Peters hart weerklank
+vond; het was, alsof hem dat al te veel werd, en dat gebeurde niet
+eenmaal, maar vele malen, en nu greep hij op zekeren dag de fijne
+vingers en de fraai gevormde hand en kuste haar, en keek haar in de
+groote bruine oogen; God weet, wat hij zeide, maar aan ons staat het
+vrij, er naar te raden. Lotje werd tot achter haar ooren rood en
+antwoordde geen enkel woord;--nu kwam er een vreemde in de kamer,
+de zoon van den staatsraad; deze had een hoog, blank voorhoofd en
+hield het hoofd trotsch omhoog. En Peter zat lang bij haar, en zij
+keek hem met vriendelijke blikken aan.
+
+Toen hij 's avonds thuis gekomen was, sprak hij over de wijde wereld
+en over den schat, die er voor hem in zijn viool verborgen lag.
+
+Beroemdheid!
+
+«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» zei de alarmtrom. «Nu is het met
+Peter over het dolle heen! Ik geloof, dat er brand in huis is.»
+
+Den volgenden dag ging zijn moeder naar de markt toe.
+
+«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen, Peter!» zeide zij, toen zij
+terugkwam, «het is een goed nieuwtje! Lotje van den burgemeester
+is met den zoon van den staatsraad verloofd; het engagement is er
+gisteren doorgegaan.»
+
+«Neen!» zei Peter en sprong van zijn stoel op. Maar zijn moeder zei:
+«Ja!» Zij wist het van de barbiersvrouw, wier man het uit den eigen
+mond van den burgemeester gehoord had.
+
+En Peter werd zoo wit als een doek en viel op een stoel neer.
+
+«Mijn hemel! Wat scheelt er aan?» vroeg zijn moeder.
+
+«Al genoeg, al genoeg! Laat mij maar met rust!» zeide hij, en de
+tranen liepen hem over de wangen.
+
+«Mijn lieve kind, mijn gouden schat!» riep zijn moeder uit en weende;
+maar de alarmtrom zong, niet uitwendig, maar inwendig:
+
+««Lot is dood! Lot is dood!» Ja, nu is het lied uit!»
+
+
+
+Het lied was niet uit; het had nog vele coupletten, lange coupletten,
+de allerschoonste, den gouden schat eens levens.
+
+«Zij gedraagt zich als een gekkin!» zei de buurvrouw. «De heele wereld
+moet de brieven, die zij van haar gouden schat krijgt, lezen en ook
+nog hooren, wat de kranten van hem en van zijn viool zeggen. En geld
+zendt hij haar ook; dat kan zij heel goed gebruiken, nu zij weduwe is.»
+
+«Hij speelt voor keizers en koningen.» zei de stadsmuziekmeester. «Mij
+is dit geluk nooit te beurt gevallen, maar hij is mijn leerling en
+vergeet zijn ouden leermeester niet.»
+
+«Zijn vader droomde eens,» zei zijn moeder, «dat Peter met het zilveren
+kruis op de borst uit den oorlog teruggekeerd was; hij kreeg het in
+den oorlog niet, maar het is nog moeilijker het zoo te krijgen! Nu
+heeft hij het ridderkruis! Dit moest zijn vader eens beleefd hebben!»
+
+«Beroemd!» zei de alarmtrom, en zijn vaderstad zei dit ook: de
+tamboerszoon, Peter met het roode haar, Peter, dien men als kleinen
+jongen op klompen had zien loopen, dien men als tamboer gekend had,
+en die bij het dansen speelde,--beroemd!
+
+«Hij speelde bij ons, nog voordat hij voor koningen gespeeld heeft!»
+zei de vrouw van den burgemeester. «Destijds was hij op Lotje verliefd;
+hij keek altijd hoog op! Mijn eigen man lachte er over, toen hij van
+die dwaasheid hoorde! Nu is Lotje de vrouw van den staatsraad!»
+
+Er was een gouden schat in het hart en in de ziel van het arme kind
+gelegd, dat als kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» sloeg, den
+roffel der overwinning voor hen, die op het punt stonden om terug te
+wijken. Er lag een gouden schat in zijn borst,--de macht der tonen;
+het bruiste uit de viool, alsof er een geheel orgel in zat; men hoorde
+den slag van den lijster en de volle heldere stem van den mensch;
+daarom trok hij met verrukking door de harten en droeg zijn naam door
+het geheele land. Dat was een groote brand,--de brand der geestdrift.
+
+«En dan ziet hij er ook zoo prachtig uit!» zeiden de jonge dames en
+ook de oude; ja, de alleroudste schafte zich een album voor beroemde
+haarlokken aan, alleen maar om een lok van dat weelderige, prachtige
+hoofdhaar, dezen schat, dezen gouden schat te kunnen vragen.
+
+De zoon trad de armoedige kamer van den tamboer binnen, keurig
+gekleed als een prins, gelukkiger dan een koning. Zijn oogen waren
+zoo helder, zijn gezicht als zonneschijn. Hij hield zijn moeder in
+de armen; zij drukte hem een kus op den mond en weende zoo gelukkig,
+als men slechts van blijdschap kan weenen; en hij knikte ieder oud
+meubel in de kamer toe, de kast met de theekopjes en de bloemvaas;
+hij knikte de krib toe, waarin hij als kleine jongen geslapen had;
+maar hij haalde de oude alarmtrom te voorschijn, zette haar midden
+in de kamer neer en zei tegen zijn moeder:
+
+«Vader zou vandaag een roffel geslagen hebben. Dat moet ik nu doen!»
+
+En hij sloeg een duchtigen roffel op de trommel, en deze gevoelde
+zich daardoor zoozeer vereerd, dat zij haar eigen trommelvel scheurde.
+
+«Hij heeft een heerlijken vuistslag!» zei de trommel. «Nu heb ik van
+hem voor altijd een herinnering! Ik denk wel, dat zijn moeder ook
+van blijdschap over haar _gouden schat_ zal barsten.»
+
+_Dat is de geschiedenis van den gouden schat._
+
+
+
+
+DE DROOM VAN DEN OUDEN EIK.
+
+
+In het bosch, hoog op den steilen oever, vlak bij de zeekust, stond
+een heel oude eik. Hij was driehonderd vijf-en-zestig jaren oud;
+maar die lange tijd was voor den boom niet meer dan even zoo vele
+dagen voor ons menschen zijn. Wij waken overdag, slapen 's nachts,
+en hebben dan onze droomen; met den boom gaat het anders; hij is
+drie jaargetijden achtereen wakker, eerst tegen den winter komt zijn
+slaap. De winter is zijn rusttijd, is zijn nacht na den langen dag,
+die lente, zomer en herfst heet.
+
+Op menigen warmen zomerdag had het haft, dat kleine schepseltje, om
+zijn kroon heengedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld,
+en rustte een oogenblik in stille gelukzaligheid op een der groote,
+frissche eikeblaren uit; dan zei de boom altijd: «Arme kleine! Slechts
+een enkelen dag duurt uw geheele leven! Wat is dat kort! Het is
+toch treurig!»
+
+«Treurig?--Wat bedoelt ge daarmee?» vroeg het haft dan altijd. «Om
+mij heen is het immers zoo helder, zoo warm en zoo schoon; dat maakt
+mij vroolijk!»
+
+«Maar slechts één dag,--dan is alles uit!»
+
+«Uit!» herhaalde het haft. «Wat is uit? Zijt gij ook uit?»
+
+«Neen, ik leef misschien duizenden van uw dagen, en mijn dag duurt
+geheele jaargetijden! Dat is zoo iets langs, dat ge het niet eens
+kunt uitrekenen!»
+
+«Neen, dan begrijp ik u niet! Gij hebt duizenden van mijn dagen; maar
+ik heb duizenden van oogenblikken, waarin ik vroolijk en gelukkig
+kan zijn! Houdt dan al de heerlijkheid dezer wereld op, als ge sterft?»
+
+«Neen,» zei de boom, «die duurt zeker veel langer, oneindig langer
+dan ik mij kan voorstellen.»
+
+«Maar dan hebben wij immers precies even veel: wij rekenen alleen
+maar anders!»
+
+Het haft danste en zweefde in de lucht, verheugde zich in zijn kunstige
+vlerkjes, in hun gaas en fluweel, verheugde zich in de warme lucht,
+die bezwangerd was met den heerlijken geur van het klaverveld en de
+rozen, van de vlier en de kamperfoelie, van het muskusplantje en de
+kroezemunt; de geur was zoo sterk, dat het haft er bijna door bedwelmd
+werd. De dag was lang en schoon, vol vreugde en genot, en als de zon
+ten ondergang neeg, gevoelde het haft zich altijd vermoeid van dat
+vroolijke zweven. De vlerkjes wilden het lichaampje niet meer dragen,
+en zachtjes en langzaam streek het neer op den zachten, golvenden
+grashalm, knikte met het kopje en sliep zacht en welgemoed in,--het
+was de dood.
+
+«Arm, klein haft!» zei de eik, «dat was toch een al te kort leven.»
+
+En op iederen zomerdag werd dezelfde dans, dezelfde toespraak,
+hetzelfde antwoord en hetzelfde inslapen herhaald; het werd herhaald
+door geheele geslachten van haften, en allen gevoelden zich gelukkig
+en even vroolijk.
+
+De eik stond daar wakend op zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en
+zijn herfstavond; met rasse schreden naderde zijn rusttijd, zijn
+nacht. De winter was ophanden.
+
+Reeds zongen de stormen hun «Goeden nacht! Goeden nacht!» Hier viel
+een blad, daar viel een blad. «Wij rukken en schudden! Ga slapen,
+ga slapen! Wij zingen u in slaap, wij wiegen u in slaap, maar,
+niet waar, dat doet goed in de oude takken? Zij kraken daarbij van
+louter plezier! Slaap zacht, slaap zacht! Het is uw driehonderd
+en vijf-en-zestigste nacht; eigenlijk zijt ge toch maar een
+kijk-in-de-wereld! Slaap zacht! De wolk strooit sneeuw naar beneden,
+zij geeft een dek, dat zich warm over uw voet uitspreidt! Slaap
+zacht,--en aangename droomen!»
+
+De eik stond daar, van zijn bladeren beroofd, om ter ruste te gaan
+gedurende den geheelen langen winter en menigen droom te droomen,
+altijd iets, wat hij zelf beleefd had, evenals het in de droomen der
+menschen gaat.
+
+De groote boom was ook klein, ja, een eikel was eenmaal zijn wieg
+geweest; naar menschelijke berekening was hij nu al in zijn vierde
+eeuw; hij was de grootste en beste boom uit het bosch, met zijn kroon
+stak hij ver boven al de andere boomen uit, werd uit zee op een verren
+afstand gezien, en diende den zeelieden tot een baken; hij had er geen
+vermoeden van, dat zoovele oogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene
+kroon bouwde de boschduif haar nest, en de koekoek deed zijn geroep
+daaruit hooren, en in den herfst, wanneer de bladeren er uitzagen,
+alsof zij geplette koperen plaatjes waren, kwamen de trekvogels en
+rustten daar, voordat zij over de zee wegvlogen; maar thans was het
+winter, de boom stond daar ontbladerd, en nu kon men goed zien,
+hoe krom en gebogen de takken van den stam uitliepen. Kraaien en
+raven kwamen aanvliegen en zetten er zich bij afwisseling op neer en
+spraken over de slechte tijden, die nu begonnen, en dat het in den
+winter heel moeilijk viel, voedsel te vinden.
+
+Het was omstreeks het heilige Kerstfeest; toen droomde de boom zijn
+schoonsten droom.
+
+De boom had blijkbaar een gevoel van den feestelijken tijd; het was
+hem, als hoorde hij de klokken van alle kerken in den omtrek luiden,
+en daarbij scheen het hem tevens een heerlijke zomerdag te zijn,
+zacht en warm. Frisch en groen spreidde hij zijn forsche kroon uit,
+de zonnestralen speelden tusschen bladeren en takken, de lucht was
+vervuld met den geur van kruiden en bloemen; bonte kapellen vlogen
+elkaar achterna; de haften dansten, alsof alles alleen daarom bestond,
+opdat zij zouden kunnen dansen en pret maken. Alles, wat de boom jaren
+achtereen beleefd had en wat er om hem heen gebeurd was, trok voorbij
+hem heen als in een plechtigen optocht. Hij zag de ridders en de edele
+vrouwen uit oude tijden te paard, met golvende vederbossen op den hoed
+en een valk op de hand, door het bosch rijden; de jachthoorn weerklonk
+en de honden blaften; hij zag vijandelijke krijgslieden in bonte
+kleeren met blanke wapenen, met spies en hellebaard, tenten opslaan
+en weer afbreken; het wachtvuur vlamde, en men zong en sliep onder de
+takken van den boom; hij zag minnende paren elkaar in stil geluk bij
+zijn stam in den maneschijn ontmoeten en hun namen, de beginletters,
+in den grauwachtig groenen bast snijden. Citers en harpen waren
+eenmaal,--ja, er lagen vele jaren tusschen beide,--door reizende
+vroolijke klanten aan de takken van den eik opgehangen, nu hingen zij
+daar weer, nu klonken zij weer met wonderbare tonen. De boschduiven
+kirden, als wilden zij vertellen, wat de boom daarbij gevoelde,
+en de koekoek riep hem toe, hoeveel zomerdagen hij nog te leven had.
+
+Toen was het hem, als stroomde hem een nieuw leven tot diep in
+de kleinste wortelen en tot in de hoogste takjes, ja, tot in de
+bladeren. De boom gevoelde, dat hij zich daarbij uitrekte, ja, hij
+gevoelde het door middel van den wortel, hoe er ook onder in den
+grond leven en warmte was; hij voelde zijn kracht toenemen, hij wies
+al hooger en hooger, de stam schoot omhoog, er was geen stilstand,
+hij groeide gedurig meer en meer, de kroon werd voller, spreidde zich
+uit, verhief zich,--en al naardat de boom groeide, steeg zijn geluk,
+zijn zaligend verlangen om gedurig hooger te reiken, zelfs tot aan
+de schitterende, warme zon.
+
+Reeds was hij hoog boven de wolken opgeschoten, die als donkere
+scharen van trekvogels of groote, witte zwanen onder hem voorttrokken.
+
+Ieder blad van den boom had de gave des gezichts, als had het oogen
+om te zien; de sterren werden op den helderen dag zichtbaar, groot
+en fonkelend, elke daarvan fonkelde als een paar oogen, liefelijk en
+helder. Zij riepen hem bekende, vriendelijke oogen, oogen van kinderen,
+oogen van minnende paren, als deze elkaar onder den boom ontmoetten,
+in het geheugen terug.
+
+Het was een verwonderlijk zalig oogenblik, zoo vol vreugde en
+blijdschap! En toch gevoelde de boom te midden van deze vreugde een
+verlangen, een onweerstaanbaar verlangen, dat alle andere boomen van
+het bosch daarbeneden, alle struiken, alle kruiden en bloemen zich ook
+met hem mochten kunnen verheffen, opdat ook zij dezen glans zouden
+kunnen zien, deze vreugde smaken. De groote majestueuze eik was in
+zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig, zonder hen allen, groot
+en klein, bij zich te hebben, en dit gevoel trilde door alle takken,
+alle bladeren, innig en krachtig als door een menschelijke borst.
+
+De kroon van den boom wiegelde zich heen en weer, als zocht zij
+in dringend verlangen; zij staarde achterwaarts. Nu rook de boom
+den geur van het muskusplantje en al spoedig den nog sterkeren geur
+van de kamperfoelie en de viooltjes; het was hem als hoorde hij den
+koekoek hem antwoord geven.
+
+Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bosch te voorschijn,
+en onder zich zag de eik de andere boomen, hoe zij groeiden en zich
+verhieven. Struiken en kruiden schoten hoog op, enkele rukten zich
+met den wortel los en vlogen nog sneller naar boven. De berk was het
+vlugst; aan een witten bliksemstraal gelijk, schoot zijn slanke stam
+al zigzagsgewijze in de hoogte, de takken golfden als groen gaas om
+hem heen; al de gewassen uit het bosch, zelfs het bruingepluimde riet,
+groeiden mee, en de vogels volgden en zongen, en op den halm, die als
+een lang, groen zijden lint in de lucht fladderde, zat de sprinkhaan
+en speelde met den vleugel langs zijn scheenbeen; de meikevers bromden
+en gonsden, iedere vogel zong, zooals hij gebekt was; alles was zang
+en geklank en vreugde tot in den hemel.
+
+«Maar dat kleine, blauwe bloempje bij het water, waar blijft dat?»
+riep de oude eik, «en het roode klokje en het madeliefje?»--Ja,
+de oude eik wilde ze alle om zich heen hebben.
+
+«Wij zijn er! Wij zijn er!» zong en klonk het.
+
+«Maar het mooie muskusplantje van den vorigen zomer,--en in het vorige
+jaar was hier toch een menigte meibloempjes!--de wilde-appelboom,
+die zoo mooi bloeide!--en al die pracht van het bosch, jaar in jaar
+uit!--leefde het nu maar, was het nu maar geboren, dan zou het er
+ook bij hebben kunnen zijn!»
+
+«Wij zijn er bij! Wij zijn er!» zong en klonk het nog hooger; het was,
+alsof zij vooraangevlogen waren.
+
+«O, dat is al te schoon, ongelooflijk schoon!» jubelde de oude eik. «Ik
+heb ze allemaal! Klein en groot! Niet een is er vergeten! Hoe is toch
+al die gelukzaligheid denkbaar! Hoe is zij mogelijk!»
+
+«In den hemel van den eeuwigen God is zij mogelijk en denkbaar!»
+klonk het door de lucht.
+
+De oude boom, die aldoor voortgroeide, gevoelde het, hoe zijn wortel
+zich uit den grond losrukte.
+
+«Dat gaat goed zoo, dat is het allerbeste!» zei de boom; «nu houden mij
+geen banden meer terug! Ik kan nu opvliegen naar het allerhoogste licht
+en den allerhoogsten glans! En al mijn lieven zijn bij mij! Kleinen
+en grooten! Allen!»
+
+Dat was de droom van den ouden eik; en terwijl hij zoo droomde,
+bruiste er een geweldige storm over land en zee heen,--op het heilige
+Kerstfeest. De zee stuwde haar golven tegen de kust aan; het kraakte
+in den boom,--hij werd met den wortel op den grond geworpen juist
+op het oogenblik, waarop hij droomde, dat zijn wortelen zich van de
+aarde losrukten.--Hij viel. Zijn driehonderd vijf-en-zestig jaren
+waren nu als één dag van het haft.
+
+Op den morgen van den eersten Kerstdag, toen de zon opging, was de
+storm gaan liggen. Van alle kerktorens klonk feestelijk klokgelui,
+en uit iederen schoorsteen, zelfs uit den kleinste der nederigste hut,
+steeg de rook in blauwe wolken omhoog, evenals van het altaar de rook
+van het dankoffer bij het feest der Druïden. De zee kwam allengs tot
+bedaren, en aan boord van een groot schip, dat gedurende den nacht
+met het stormachtige weder gekampt en dit gelukkig doorgestaan had,
+werden nu alle vlaggen, als teeken der Kerstvreugde, geheschen.
+
+«De boom is weg, de oude eik, ons baken op de kust!» spraken de
+zeelieden. «Hij is in dezen stormachtigen nacht gevallen! Wie zal
+hem kunnen vervangen?--Niemand vermag dit!»
+
+Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de boom, die op het
+sneeuwdek aan den oever der zee uitgestrekt lag; en over hem heen
+klonken de psalmtonen van het schip af, een lied van de Kerstvreugde
+en van de uiting der menschelijke gedachten bij het aanschouwen van
+de bestiering van den Albarmhartige:
+
+
+ «Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen!
+ Het is vervuld: uw vorst zal 't loonen!
+ Juicht vroolijk over Gods genâ,
+ Halleluja, Halleluja!»
+
+
+zoo klonk het oude gezang, en iedereen aan boord van het schip gevoelde
+zich op zijn wijze opgeheven door het lied en het gebed, evenals de
+oude eik zich opgeheven gevoelde in zijn laatsten, schoonsten droom
+in den Kerstnacht.
+
+
+
+
+ZIJ DEUGDE NIET.
+
+
+De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd
+met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad
+geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een
+klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant.
+
+«Hoor eens, kleine!» riep hij.
+
+En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die
+juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan
+was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in
+elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige,
+maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de
+knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond.
+
+«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde
+knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet
+je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?»
+
+«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon.
+
+«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester.
+
+«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap.
+
+«Twee halve maken één heel!--Zij deugt niet! Het is treurig met
+zulk soort van menschen!--Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest
+schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel
+worden! Arm kind! Ga maar heen!»
+
+En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden,
+en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der
+straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar
+zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk,
+want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef
+met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden.
+
+«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom
+meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel
+een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?»
+
+De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar
+aan den mond en nam er een fermen slok uit.
+
+«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten,
+en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht
+bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook
+herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar
+dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar
+slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme,
+goede jongen!»
+
+En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de
+kleeren droop.
+
+«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er
+maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!»
+
+Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig
+uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche
+lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt
+worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meer uitkomen. Het
+was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,»
+noemden de buren haar.
+
+«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt
+waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken
+de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»--En
+nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den
+burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had
+alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk
+een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige
+droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een
+dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij
+de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!»
+voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel,
+maar jij deugt niet!»
+
+«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar
+jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet
+deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest
+hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over
+mij gekomen!»
+
+«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester
+nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren
+geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet
+dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft
+vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden,
+maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van
+den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn
+jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!»
+
+«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek.
+
+«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? 't Is waar ook,
+je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.»
+
+«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel
+zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O
+mijn God! het draait mij alles voor de oogen,--dat komt, omdat ik de
+flesch leeggedronken heb,--dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel
+mij alles behalve wel!»
+
+«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te
+hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen,
+dat ik je naar huis breng.»
+
+«Maar de wasch dan?»
+
+«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De
+jongen kan wel hier blijven en oppassen, totdat ik terugkom, dan zal
+ik het overige wel wasschen: dat is immers maar een kleinigheid!»
+
+En de knieën der waschvrouw knikten.
+
+«Ik heb te lang in de koude gestaan; en sedert van morgen heb ik
+droog noch nat over mijn lippen gehad! De koorts brandt mij door
+de leden. O, mijn God! help mij om naar huis te gaan!--Mijn arm
+kind!»--Zij weende. Ook de knaap weende, en al spoedig daarop zat
+hij alleen aan de rivier bij de natte wasch. De beide vrouwen liepen
+slechts langzaam voort, de waschvrouw sleepend en waggelend; zij gingen
+het straatje door en kwamen het huis van den burgemeester voorbij, en
+vlak daarvoor viel zij op de straatsteenen neer. Er verzamelden zich
+verscheidene menschen om haar heen: de lamme Martha liep in het huis,
+om hulp in te roepen. De burgemeester en zijn gasten gingen naar het
+raam toe.
+
+«Dat is de waschvrouw!» zei hij; «die heeft een beetje te diep in het
+glaasje gekeken; zij deugt niet! 't Is jammer van den aardigen jongen,
+dien zij heeft. Ik mag dat kereltje inderdaad graag lijden. Maar zijn
+moeder deugt niet!»
+
+En de waschvrouw kwam weer bij, en men bracht haar in haar armzalige
+woning, waar zij te bed gelegd werd. De goede Martha maakte wat warm
+bier met boter en suiker klaar; dit middel, dacht zij, was het beste,
+en daarop begaf zij zich naar de rivier, waschte heel slecht, maar
+noemde het goed, en deed eigenlijk niets anders dan de natte wasch
+in de mand doen.
+
+Tegen den avond zat zij in het armoedige kamertje bij de
+waschvrouw. Eenige gebakken aardappelen en een lekker vet stuk ham
+had de keukenmeid van den burgemeester haar voor de zieke gegeven;
+daaraan deden Martha en de knaap zich te goed; de zieke genoot van
+den heerlijken geur, deze was heel voedzaam, beweerde zij.
+
+En de knaap werd te bed gebracht, in dezelfde bedstee, waarin zijn
+moeder lag; maar hij had zijn plaats aan haar voeten en dekte zich
+met een oude deken toe.
+
+Met de waschvrouw ging het een weinig beter; het warme bier had haar
+versterkt, en de geur van het heerlijke eten had haar goedgedaan.
+
+«Hartelijk dank!» zeide zij tegen Martha. «Ik zal je alles eens
+vertellen, als de kleine slaapt. Ik geloof, dat hij al in de rust
+is. Wat ziet hij er lief uit, zooals hij daar met gesloten oogen
+ligt! Hij weet niet, hoe het met zijn moeder gesteld is. God geve,
+dat hij dit nimmer te weten kome!--Ik diende bij de ouders van
+den burgemeester. Eens trof het zoo, dat de jongste der zoons, de
+student, te huis kwam; destijds was ik nog jong, een jolig meisje,
+maar eerbaar, dat mag ik voor het aangezicht Gods zeggen!» zei de
+waschvrouw. «De student was vroolijk en opgeruimd. Iedere droppel
+bloed aan hem was goed en rechtschapen; een beter mensch is er nooit op
+aarde geweest. Hij was zoon in huis, ik slechts meid; maar wij hadden
+elkander lief, doch in alle eer en deugd; een kus is toch geen zonde,
+als men elkaar waarlijk liefheeft. En hij zei het tegen zijn moeder,
+wie hij een afgodische liefde toedroeg! En hij was verstandig en
+liefderijk!--Hij vertrok en stak mij zijn gouden ring aan den vinger;
+en zoodra hij het huis uit was, riep mijn mevrouw mij binnen. Ernstig
+en toch liefderijk sprak zij tegen mij, alsof het God zelf was, die
+tegen mij sprak; zij deed mij den afstand gevoelen, die er tusschen
+hem en mij bestond.
+
+««Nu let hij er slechts op, hoe aardig je er uitziet, maar je
+schoonheid zal vergaan! Je hebt niet zulk een opvoeding genoten als
+hij; je staat niet op denzelfden trap van ontwikkeling, en dat is
+een ongeluk. Ik acht den arme,» zeide zij, «bij God staat hij hooger
+aangeschreven dan menige rijke, maar hier op aarde moet men er zich
+voor wachten, in een verkeerd spoor te komen, als men voorwaarts rijdt;
+anders slaat het rijtuig omver, en je zult beiden omverslaan! Ik weet,
+dat een braaf man, een handwerksman, om je hand gevraagd heeft; ik
+bedoel Erich, den handschoenmaker; hij is weduwnaar en heeft geen
+kinderen, denk daar eens over na!»
+
+«Ieder woord, dat zij sprak, sneed mij als een mes door het hart,
+maar de vrouw had gelijk! En dat drukte loodzwaar op mij!--Ik kuste
+haar hand en stortte bittere tranen, en weende nog meer, toen ik op
+mijn kamertje kwam en mij op mijn bed wierp. Het was een pijnlijke
+nacht, die er nu volgde. God weet, wat ik leed en streed. Op den
+daaraanvolgenden Zondag ging ik aan de tafel des Heeren, opdat het mij
+licht zou worden. Het was als een goddelijke beschikking: toen ik de
+kerk uittrad, kwam Erich mij tegen. En nu bleef er geen twijfel meer
+in mijn ziel over; wij pasten voor elkaar, wat rang en stand betreft,
+ja, hij was zelfs een welgesteld man; en ik ging dan ook naar hem
+toe, greep zijn hand en zei: «Heb je nog zin in mij?»--Ja, eeuwig en
+altijd!» zei hij.--«Wil je een meisje nemen, dat je acht en eert, maar
+niet liefheeft,--doch dat kan nog wel komen!»--«Dat zal wel komen!» zei
+hij, en daarop gaven wij elkaar de hand. Ik ging naar huis naar mijn
+mevrouw: den gouden ring, dien haar zoon mij gegeven had, droeg ik op
+mijn hart; ik kon hem overdag niet aan mijn vinger steken, maar deed
+dit alle avonden, voordat ik te bed ging. Ik kuste den ring, zoodat
+mijn lippen er van bloedden, en daarop gaf ik dien aan mijn mevrouw
+en zei tegen haar, dat ik in de volgende week met den handschoenmaker
+zou gaan trouwen. Toen omhelsde en kuste mijn mevrouw mij;--zij zeide
+niet, dat ik _niet deugde_, maar destijds was ik misschien wel beter,
+ofschoon ik nog niet zooveel ervaring omtrent de ellende, die er in
+de wereld bestaat, opgedaan had, als nu het geval is. Met Vrouwendag
+vierden wij de bruiloft; en in het eerste jaar ging het goed, we
+hadden een knecht en een leerling, en jij, Martha, diendet bij ons.»
+
+«O, ge waart een lieve, goede huismoeder!» zei Martha, «nimmer zal
+ik vergeten, hoe goed gij en uw man voor mij geweest zijt!»
+
+«Ja, dat waren destijds de goede jaren, toen je bij ons waart! Kinderen
+hadden we nog niet!--Den student zag ik niet meer!--Maar ja, ik zag hem
+toch nog eens, maar hij zag mij niet. Hij was hier bij gelegenheid van
+de begrafenis zijner moeder. Ik zag hem bij het graf staan; hij zag
+er doodsbleek uit en was diep bedroefd, maar dat was om zijn moeder;
+later, toen zijn vader stierf, was hij in vreemde landen en kwam niet
+weer hier. Hij is nooit getrouwd, dat weet ik; hij werd advocaat,
+geloof ik!--Mij had hij vergeten, en al had hij mij ook gezien, dan
+zou hij mij toch zeker niet herkend hebben, zooveel leelijker ben ik
+geworden. En dat is ook wel goed!»
+
+Zij sprak over de dagen der beproeving en vertelde, hoe het ongeluk als
+'t ware boven haar losbarstte. «Wij bezaten,» zeide zij, «vijfhonderd
+daalders, en omdat er destijds in de straat een huis voor tweehonderd
+te koop was en het de moeite wel zou loonen, dit af te breken en een
+nieuw te bouwen, werd het gekocht. De metselaar en de timmerman maakten
+een begrooting, en het nieuwe gebouw zou duizend en twintig daalders
+kosten. Erich had krediet, het geld leende hij in de hoofdstad,--maar
+de schipper, die het zou overbrengen, leed schipbreuk, en het geld
+ging met hem verloren.
+
+«Omstreeks dezen tijd bracht ik mijn lieven jongen, die daar
+slaapt, ter wereld. Mijn man kreeg een hevige langdurige ziekte,
+drie vierendeel jaars moest ik hem aan- en uitkleeden. Wij gingen
+gedurig meer achteruit, wij maakten schulden; alles wat wij hadden,
+ging verloren, en mijn man stierf eindelijk. Ik heb gewerkt, gestreden
+en geleden, ter wille van mijn kind; ik ben uit schoonmaken gegaan, ik
+heb voor de menschen gewasschen; maar ik mag het niet beter krijgen;
+zoo is Gods wil! Maar Hij zal mij wel tot zich nemen en ook mijn
+zoontje niet verlaten!»
+
+Daarop viel zij in slaap.
+
+Tegen den morgen voelde zij zich verkwikt en krachtig genoeg, zooals
+zij meende, om weer aan haar werk te gaan. Zij was weer aan het
+wasschen gegaan. Daar begon zij eensklaps te beven en viel in onmacht;
+krampachtig sloeg zij met de handen in de lucht, deed een enkelen
+stap en viel neer. Haar hoofd lag op het land, maar haar voeten in de
+rivier; haar klompen, die zij aangehouden had,--in elke daarvan zat
+een bosje stroo,--dreven met den stroom weg. Zoo vond Martha haar,
+toen zij haar koffie wilde brengen.
+
+Ondertusschen was er iemand van den burgemeester naar haar huis
+gezonden met de boodschap, «dat zij eens dadelijk bij hem moest komen;
+want dat hij haar iets te zeggen had.» Het was te laat! Er werd een
+chirurgijn gehaald, om een aderlating te doen; de waschvrouw was dood.
+
+«Zij heeft zich doodgedronken!» zei de burgemeester.
+
+In den brief, die hem de tijding van den dood zijns broeders bracht,
+was de inhoud van het testament meegedeeld, en daarin stond, dat
+er zeshonderd daalders aan de weduwe van den handschoenmaker waren
+vermaakt, die vroeger bij zijn ouders gediend had. Zooals men dit
+het beste vond, moest het geld «bij grootere of kleinere gedeelten
+aan haar of aan haar kind uitbetaald worden.»
+
+«Er heeft zoo wat een vrijage tusschen mijn broeder en haar bestaan,»
+zei de burgemeester. «Het is goed, dat zij maar dood is; de knaap
+krijgt nu alles, en ik zal hem bij brave menschen in den kost doen;
+er kan een flink handwerksman van hem groeien!»--En op deze woorden
+schonk God zijn zegen.
+
+De burgemeester liet den knaap bij zich komen, beloofde, dat hij zich
+zijner zou aantrekken, en voegde er nog bij, hoe gelukkig het was,
+dat zijn moeder maar gestorven was: zij deugde niet.
+
+Men bracht haar naar het kerkhof, naar het kerkhof der armen; Martha
+strooide zand op het graf en plantte er een klein rozeboompje op;
+de knaap stond naast haar.
+
+«Mijn lieve moeder!» zei hij, terwijl de tranen hem langs de wangen
+biggelden. «Is het dan waar? Deugde zij niet?»
+
+«Ja, zij deugde wel!» zei de oude meid en sloeg een blik ten hemel. «Ik
+weet het sedert vele jaren en sedert den laatsten nacht. Ik zeg je,
+dat zij wel deugde!» En God in den hemel zei het ook,--laat dan de
+wereld maar zeggen: «Zij deugde niet!»
+
+
+
+
+DE HERDERIN EN DE SCHOORSTEENVEGER.
+
+
+Hebt ge wel eens een oude houten kast gezien, die heelemaal
+zwart van ouderdom geworden en met uitgesneden krullen en lofwerk
+versierd was? Zulk een stond er in zekere huiskamer: zij was van een
+overgrootmoeder geërfd en van boven tot beneden met uitgesneden rozen
+en tulpen bedekt. Daaraan had men de zonderlingste krullen, en uit deze
+kwamen kleine hertekoppen met horens te voorschijn. Midden op de kast
+stond een man uitgesneden; hij was belachelijk om aan te zien, en hij
+grijnsde ook, want lachen kon men het niet noemen; hij had bokspooten,
+kleine horens op het hoofd en een langen baard. De kinderen in de kamer
+noemden hem altijd den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber;
+dat was een lang woord, dat moeilijk uit te spreken was; en er zijn
+er niet velen, die dezen titel krijgen, maar hem uit te snijden,
+dat beteekende ook nog al wat. Doch nu was hij er immers! Altijd
+keek hij naar het tafeltje onder den spiegel, want daar stond een
+bekoorlijke, kleine herderin van porselein op. Haar schoenen waren
+verguld, haar japon was met een roode roos versierd, en verder had zij
+een gouden hoed en een herderstaf, zij was verwonderlijk schoon. Vlak
+bij haar stond een kleine schoorsteenveger, zoo zwart als roet, maar
+overigens ook van porselein; hij was zoo rein en fijn, als hij maar
+wezen kon; dat hij een schoorsteenveger was, was immers maar iets,
+dat hij voorstelde; de porseleinwerker had even goed een prins van
+hem kunnen maken, als hij dit gewild had!
+
+Daar stond hij heel aardig met zijn ladder en met een gezicht, zoo wit
+en rood als dat van een meisje; dat was eigenlijk een fout, want het
+had toch wel wat zwart moeten zijn. Hij stond vlak bij de herderin;
+zij waren er beiden neergezet; en daar zij nu zoo dicht bij elkaar
+stonden, hadden zij zich met elkaar geëngageerd. Zij pasten immers
+juist bij elkander; het waren jongelieden, beiden van hetzelfde
+porselein en beiden even breekbaar.
+
+Dicht bij hen stond nog een figuur; deze was driemaal zoo groot. Het
+was een oude Chinees, die kon knikken. Hij was ook van porselein
+en zeide, dat hij de grootvader der kleine herderin was; maar dat
+kon hij niet bewijzen. Hij beweerde, dat hij macht over haar had,
+en daarom had hij den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber,
+die de kleine herderin tot vrouw wilde hebben, toegeknikt.
+
+«Dan krijg je een man,» zei de oude Chinees, «een man, die
+zooals ik bijna geloof, van mahoniehout is. Hij kan je tot
+bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebbersvrouw maken; hij heeft de
+heele kast vol zilvergoed, dat hij in geheime laden bewaart.»
+
+«Ik wil de donkere kast niet in!» zei de kleine herderin. «Ik heb
+hooren zeggen, dat hij daarin wel elf porseleinen vrouwen heeft
+zitten.»
+
+«Dan kan jij de twaalfde worden!» zei de Chinees. «In dezen nacht,
+zoodra het in de oude kast kraakt, moet je bruiloft houden, zoo waar
+als ik een Chinees ben!» En daarop knikte hij met het hoofd en viel
+in slaap.
+
+Maar de kleine herderin weende en keek haar minnaar, den porseleinen
+schoorsteenveger, aan.
+
+«Ik zou je wel willen verzoeken,» zeide zij, «de wijde wereld met
+mij in te gaan; want hier kunnen wij niet blijven!»
+
+«Ik wil alles, wat jij wilt!» zei de kleine schoorsteenveger. «Laat
+ons dadelijk gaan! Ik denk wel, dat ik je door middel van mijn ambacht
+zal kunnen onderhouden.»
+
+«Als wij eerst maar goed en wel van het tafeltje af waren!» antwoordde
+zij. «Ik word niet vroolijk, voordat wij de wijde wereld ingegaan
+zijn.»
+
+En hij troostte haar en wees haar, hoe zij haar kleinen voet op
+de uitgesneden hoeken en het vergulde lofwerk aan den poot van
+het tafeltje moest neerzetten; zijn ladder nam hij ook te baat, en
+nu waren zij op den vloer. Maar toen zij naar de oude kast keken,
+heerschte daarin heel wat beweging; al de uitgesneden herten kwamen
+met hun koppen te voorschijn, richtten hun horens op en draaiden hun
+halzen om: de oude bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber sprong
+hoog in de lucht en riep den ouden Chinees toe: «Daar loopen zij
+weg! Daar loopen zij weg!»
+
+Nu verschrikten zij eenigszins en sprongen ijlings in het kastje van
+de vensterbank.
+
+Hier lagen drie à vier spellen kaarten, die niet voltallig waren,
+en een klein poppentooneel, dat, zoo goed als het zich liet doen,
+opgebouwd was. Daarop werd komedie gespeeld, en al de dames, ruiten
+zoowel als harten, klaveren zoowel als schoppen, zaten op de eerste
+rij en verkoelden zich met haar tulpen; en achter haar stonden al
+de boeren en toonden, dat zij een hoofd hadden, zoowel boven als
+beneden, gelijk de speelkaarten dit hebben. De komedie handelde over
+twee personen, die elkaar niet mochten hebben, en de herderin stortte
+daarover tranen; want het was als haar eigen geschiedenis.
+
+«Dat kan ik onmogelijk uithouden!» zeide zij. «Ik moet het kastje uit!»
+
+Maar toen zij weer op den vloer kwamen en naar het tafeltje keken, was
+de oude Chinees wakker geworden en schudde met zijn geheele lichaam.
+
+«Nu komt de oude Chinees!» schreeuwde de kleine herderin en viel op
+haar porseleinen knieën neer: zoo bedroefd was zij.
+
+«Daar valt mij iets in!» zei de schoorsteenveger. «Willen wij in
+die groote vaas, die daar in den hoek staat, kruipen? Daar kunnen
+wij op rozen en lavendel liggen en hem zand in de oogen strooien,
+als hij komt.»
+
+«Dat kan nergens toe dienen!» zeide zij. «Bovendien weet ik, dat de
+oude Chinees en de vaas met elkaar geëngageerd geweest zijn, en er
+blijft toch altijd nog eenige genegenheid bestaan, als men in zulk
+een betrekking tot elkaar gestaan heeft. Neen, er blijft niets anders
+over, dan de wijde wereld in te gaan.»
+
+«Heb je waarlijk moed om de wijde wereld met mij in te gaan?» vroeg
+de schoorsteenveger. «Heb je wel bedacht, hoe groot deze is, en dat
+wij hier nimmer meer terug kunnen komen?»
+
+«Dat heb ik!» zeide zij.
+
+En de schoorsteenveger keek haar strak aan, en toen zeide hij: «Mijn
+weg gaat door den schoorsteen heen! Heb je werkelijk moed, met mij
+door de kachel, zoowel door de ijzeren kolom als door de pijp te
+kruipen? Dan komen wij in den schoorsteen, en daarin weet ik mij wel
+te bewegen! Wij klimmen zoo hoog, dat zij ons niet kunnen bereiken,
+en heel bovenaan komt men door een gat in de wijde wereld.»
+
+En hij bracht haar naar het kacheldeurtje toe.
+
+«Wat ziet het daar zwart uit!» zeide zij; maar ze ging toch met hem
+mee, zoowel door de kolom als door de pijp, waarin een stikdonkere
+nacht heerschte.
+
+«Nu zijn wij in den schoorsteen!» zeide hij. «En zie! daarboven
+fonkelt de heerlijkste ster!»
+
+En het was een werkelijke ster aan den hemel, die vlak op hen neer
+scheen, alsof zij hun den weg wilde wijzen. En zij klauterden en
+kropen; een ellendige weg was het, oneindig hoog; maar hij tilde
+haar op en hielp haar; hij hield haar vast en wees haar de beste
+plaatsen, waar zij haar kleine porseleinen voeten kon neerzetten; en
+zoo bereikten zij den schoorsteenrand, en daarop zetten zij zich neer;
+want zij waren geducht vermoeid; en dat was niet anders dan natuurlijk.
+
+De hemel met al zijn sterren was hoog boven en al de daken der stad
+diep beneden hen. Zij zagen ver in de rondte, ver de wijde wereld
+in. De arme herderin had het zich nooit zoo voorgesteld; zij leunde
+met haar hoofd tegen haar schoorsteenveger aan, en toen weende zij
+zoo geducht, dat het goud van haar gordel afsprong.
+
+«Dat is te veel!» zeide zij. «Dat kan ik niet verdragen! De wereld is
+al te groot! Was ik maar weer op het tafeltje onder den spiegel! Ik
+word nooit vroolijk, voordat ik daar weer ben! Nu ben ik je in de
+wereld gevolgd, nu kan je mij ook weer terugbrengen, als je mij
+werkelijk liefhebt.»
+
+En de schoorsteenveger sprak verstandig met haar, sprak over den
+ouden Chinees en over den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber;
+maar zij snikte geweldig en kuste haar kleinen schoorsteenveger,
+zoodat hij wel niet anders kon, dan zich naar haar te schikken,
+ofschoon het dwaas was.
+
+En zoo klauterden zij met vele bezwaren door den schoorsteen weer
+naar beneden en kropen door de pijp en de kolom. Toen stonden zij
+in de donkere kachel. Nu luisterden zij achter het deurtje, om te
+weten te komen, hoe het in de kamer gesteld was. Daar was het stil;
+zij keken naar binnen,--ach! daar lag de oude Chinees midden op
+den vloer. Hij was van het tafeltje naar beneden gevallen, toen
+hij hen achterna wilde, en lag nu in drie stukken op den grond:
+zijn geheele rug was er in één stuk afgegaan en zijn hoofd was in
+een hoek gerold. De bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber stond,
+waar hij gestaan had, en dacht na.
+
+«Dat is verschrikkelijk!» zei de kleine herderin. «Mijn oude grootvader
+is aan stukken gesprongen, en dat is onze schuld! Dat zal ik niet
+overleven!» En daarop wrong zij haar kleine handen.
+
+«Hij kan nog wel gemaakt worden!» zei de schoorsteenveger; «hij kan
+nog wel gemaakt worden!--Maak maar niet zoo'n geweld! Als ze hem in
+den rug lijmen en hem een goeden spijker in den hals geven, dan zal hij
+zoo goed als nieuw zijn en kan ons nog heel wat onaangenaams zeggen.»
+
+«Zou je dat denken?» zeide zij. En toen kropen zij weer op het
+tafeltje, waarop zij vroeger gestaan hadden.
+
+«Zie, nu zijn wij zoo ver geweest!» zei de schoorsteenveger. «Wij
+hadden ons al die moeite wel kunnen besparen.»
+
+«Als wij mijn ouden grootvader eerst maar weer heel hadden!» zei de
+herderin. «Zou dat erg duur zijn?»
+
+En gemaakt werd hij. De familie liet hem in den rug lijmen; hij kreeg
+een goeden spijker door zijn hals; hij was zoo goed als nieuw; maar
+knikken kon hij niet meer.
+
+«Je bent zeker hoogmoedig geworden, sedert je in stukken gesprongen
+bent,» zei de bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber. «Mij dunkt,
+dat je volstrekt geen reden hadt, om zulk een gevaarlijken sprong te
+doen. Mag ik haar hebben of mag ik haar niet hebben?»
+
+En de schoorsteenveger en de kleine herderin keken den ouden Chinees
+in angstige spanning aan; zij vreesden, dat hij zou knikken. Maar dat
+kon hij niet; en het kwam hem verschrikkelijk voor, aan een vreemde te
+vertellen, dat hij een spijker in zijn hals had zitten. En zoo bleven
+de porseleinen schoorsteenveger en de porseleinen herderin bij elkaar,
+en zij zegenden den spijker in den hals van den grootvader en hadden
+elkander lief, totdat zij in stukken braken.
+
+
+
+
+DE FLESSCHEHALS.
+
+
+In de nauwe, kromme straat tusschen andere huizen der armoede stond
+een bijzonder smal en hoog houten huis, waaraan de tijd zulke parten
+gespeeld had, dat bijna al de planken uit de voegen geweken waren. Het
+huis werd door arme lieden bewoond, en het armoedigst zag het er wel op
+het zolderkamertje uit, waar voor het eenige kleine raampje een oude
+vogelkooi in den zonneschijn hing, waarin niet eens een waterglaasje
+zat, maar slechts een omgekeerde, met water gevulde flesschehals met
+een kurk er op. Een oude juffrouw stond voor het raampje; zij had
+groene murik in de kooi gedaan, en een kleine vlasvink huppelde van
+het eene stokje op het andere heen en weer en zong en kwinkeleerde,
+dat het een lust was om te hooren.
+
+«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals,--hij sprak dit wel
+niet op de wijze uit, zooals wij het kunnen doen; want spreken kan
+een flesschehals niet, maar hij dacht het zoo bij zich zelf, zonder
+zijn gedachten onder woorden te brengen, evenals wij menschen dit ook
+wel eens doen; «ja, jij hebt goed zingen, jij, die al je ledematen nog
+hebt. Je moest eens ondervinden, wat het zeggen wil, zijn ondergedeelte
+verloren, slechts een hals en een mond en bovendien een kurk daarin
+te hebben, zooals met mij het geval is, dan zou je zeker niet zoo
+zingen. Maar het is goed, dat er toch nog iemand is, die vergenoegd
+kan zijn! Ik heb geen reden om te zingen, en ik kan ook niet meer
+zingen. Ja, toen ik nog een heele flesch was, deed ik dit wel, als men
+mij met de kurk wreef: men noemde mij destijds de echte leeuwerik,
+de groote leeuwerik!--toen ik met de familie van den bontwerker op
+een buitenpartij was, en de dochter haar verlovingsfeest vierde,--ja,
+dat weet ik nog zoo goed, alsof het gisteren eerst gebeurd was! Ik heb
+veel beleefd, als ik dat zoo eens naga! Ik ben in het vuur en in het
+water, ik ben diep in de zwarte aarde en hooger in de lucht geweest,
+dan de meeste anderen, en nu zweef ik hier aan den buitenkant der
+vogelkooi in lucht en zonneschijn. O, het zou de moeite wel waard zijn,
+mijn geschiedenis te hooren; maar ik spreek daarover niet overluid,
+omdat ik het niet kan!»
+
+En nu vertelde de flesschehals zijn geschiedenis, die merkwaardig
+genoeg was; hij vertelde haar zoo in zich zelf of dacht er over na;
+en de vogel zong vergenoegd zijn lied, en beneden op de straat was een
+gerij en geloop; iedereen dacht aan het zijne of dacht aan niets,--maar
+de flesschehals dacht. Hij dacht aan den vlammenden smeltoven in de
+fabriek, waar hij in het leven geblazen was; hij herinnerde zich nog,
+dat hij warm geweest was, dat hij in den blakerenden oven, waaruit
+hij zijn oorsprong had genomen, gekeken had en wel lust zou gehad
+hebben, om er dadelijk weer in te springen, maar dat hij zich daar
+van lieverlede, toen hij gedurig koeler werd, heel goed op zijn gemak
+gevoeld had, waar hij gekomen was. Hij had in het gelid gestaan met
+een geheel regiment broeders en zusters, die alle uit denzelfden oven
+gekomen waren, waarvan enkele als Champagneflesschen en andere als
+bierflesschen geblazen waren, en dat maakt een onderscheid! Later,
+buiten in de wereld, kan het wel eens gebeuren, dat een bierflesch
+de kostelijkste _Lacrymae Christi_ bevat en een Champagneflesch met
+schoensmeer gevuld wordt, maar aan het model is het toch altijd te
+zien, waartoe men geboren is,--adel blijft adel, al heeft men ook
+schoensmeer in zijn lijf.
+
+Al de flesschen werden ingepakt en onze flesch ook. Toen ter tijd dacht
+zij er niet aan, dat zij haar loopbaan als flesschehals zou eindigen
+en zich tot den rang van vogelglaasje verheffen, hetgeen toch altijd
+een eervolle taak is,--omdat men alsdan toch iets is! De flesch zag
+het daglicht eerst weer, toen zij met haar overige kameraden in den
+kelder van den wijnkooper uitgepakt en voor de eerste maal uitgespoeld
+werd,--dat was een wonderlijk gevoel. Daar lag zij nu ledig en zonder
+kurk! Het was haar zonderling te moede, er ontbrak haar iets, maar
+zij wist zelfs niet, wat dit was.--Eindelijk werd zij met goeden,
+heerlijken wijn gevuld, kreeg ook een kurk en werd dichtgeplakt:
+«Prima Qualiteit» werd er op haar geplakt; het was haar, alsof zij den
+eersten prijs bij het examen behaald had, maar de wijn was dan ook
+goed, en de flesch was goed. Als men jong is, is men dichter! Het
+zong en klonk in haar van dingen, die zij volstrekt niet kende:
+van de groene, zonnige bergen, waar de wijn groeit, waar vroolijke
+wijngaardeniers en wijngaardeniersters zingen en koozen en elkander
+kussen;--wel is het leven schoon! Van dit alles zong en klonk het
+in de flesch, evenals in de jonge dichters, die ook wel eens niet
+begrijpen, waarvan het in hen klinkt.
+
+Op zekeren morgen werd zij gekocht;--de bontwerkersleerling moest een
+flesch van den besten wijn gaan halen. En nu werd zij in de etensmand
+naast ham, kaas en worst gestoken; de fijnste boter, het fijnste brood
+werd ook er in gedaan; de bontwerkersdochter pakte de mand zelf in,
+haar bruine oogen fonkelden daarbij, en om haar lippen speelde een
+glimlachje. Zij had fijne, blanke handen, en toch waren haar hals en
+haar boezem nog veel blanker, men kon het haar dadelijk wel aanzien,
+dat zij een der mooiste meisjes uit de stad was--en toch nog niet
+geëngageerd!
+
+De etensmand stond op den schoot van het meisje, toen de familie
+naar het bosch reed; de flesschehals kwam tusschen de slippen van het
+witte servet te voorschijn kijken; op de kurk zat rood lak; de flesch
+keek het meisje vlak in 't gezicht; zij keek den jongen zeeman aan,
+die naast het meisje zat; deze was een vriend uit haar jeugd, de zoon
+van een portretschilder. Nog maar kort geleden had hij het examen als
+stuurman met goeden uitslag afgelegd, en den volgenden dag zou hij met
+een schip vertrekken, ver weg naar verre landen. Hierover was onder het
+inpakken der mand veel gesproken, en toen sprak juist de vroolijkheid
+niet uit de oogen en van de lippen der schoone bontwerkersdochter.
+
+De jongelieden deden een wandeling in het groene bosch, zij spraken
+met elkander. En wat spraken zij? Ja, dat hoorde de flesch niet;
+want zij stond immers in de etensmand. Het duurde een geruimen tijd,
+voordat zij er uitgehaald werd, maar toen dit eindelijk gebeurde,
+waren er ook vroolijke dingen voorgevallen; allen lachten, ook de
+dochter van den bontwerker lachte, maar zij sprak minder dan te voren,
+en haar wangen gloeiden als twee roode rozen.
+
+De vader van het meisje nam de volle flesch en den kurketrekker in
+handen.--O, het is zonderling, zoo voor de eerste maal opengetrokken
+te worden! De flesschehals had dit plechtige oogenblik later nooit
+kunnen vergeten; het had immers «flap!» in zijn binnenste gezegd,
+toen de kurk er afvloog, en hoe klokte het, toen de wijn in de glazen
+geschonken werd!
+
+«Op de gezondheid van het jonge paar!» zei de oude vader, en ieder
+glas werd tot op den bodem leeggedronken, en de jonge zeeman kuste
+zijn aanstaande.
+
+«Geluk en zegen!» zeiden de beide oudelui, vader en moeder, en de
+jonkman schonk de glazen nog eens vol. «Op je gelukkige thuiskomst
+en op de bruiloft vandaag over een jaar!» voegde de vader er bij,
+en toen de glazen leeggedronken waren, nam de jonge zeeman de flesch,
+hief haar omhoog en zei: «Je bent er op den schoonsten dag van mijn
+leven bij geweest, je zult nimmer meer een ander dienen!»
+
+En hij slingerde haar hoog in de lucht. De bontwerkersdochter dacht
+er destijds niet aan, dat zij de flesch nog meermalen weer zou
+zien vliegen, en toch zou dit het geval zijn.--Zij viel juist in het
+dichte riet aan den oever van een klein meertje in het bosch neer,--de
+flesschehals herinnerde zich nog levendig, hoe hij daar een tijdlang
+gelegen had. «Ik gaf hun wijn en ze gaven mij water,--maar zoo is het
+ook goed!» Hij zag de verloofden en de vergenoegde ouders niet meer;
+maar hij hoorde nog lang, hoe zij juichten en zongen. Toen kwamen er
+eindelijk twee boerenjongens; zij keken tusschen het riet, zagen de
+flesch en namen haar mee; nu was zij goed bezorgd.
+
+In het huis van den boschwachter was den vorigen dag de oudste broeder
+van deze jongens, een zeeman, gekomen, om afscheid te nemen. Hij zou
+een verre reis doen; zijn moeder was juist bezig, het een en ander
+in te pakken, dat hij op reis moest meenemen, en dat zijn vader 's
+avonds naar de stad zou brengen, om zijn zoon nog eenmaal te zien en
+hem den laatsten groet van zijn moeder over te brengen. Een fleschje
+met maagbitter was reeds ingepakt, en er was een pakje bijgelegd,
+toen de beide jongens met een grooter, steviger flesch, die zij
+gevonden hadden, de kamer binnentraden. In deze ging meer dan in het
+kleine fleschje, en het bitter was zoo goed, als de maag van streek
+was. Men schonk nu niet evenals vroeger, rooden wijn in de flesch;
+het waren bittere droppels, maar ook die zijn goed--voor de maag. De
+nieuwe groote en niet de kleine flesch zou mee; en zoo ging de flesch
+weer op reis. Zij kwam aan boord bij Peter Jensen, en wel aan boord
+van hetzelfde schip, waarmee de jonge stuurman zou vertrekken. Maar
+hij zag de flesch niet, en hij zou haar ook niet herkend of zelfs
+gedacht hebben: dat is dezelfde, waarmee wij onze verloving gevierd
+en al een dronk op de behouden terugkomst uitgebracht hebben.
+
+Wel leverde zij nu geen wijn meer, maar zij bevatte toch iets in
+haar binnenste, dat even goed was; zij werd ook altijd, wanneer Peter
+Jensen haar te voorschijn kreeg, door zijn kameraden «de apotheker»
+genoemd; zij leverde de beste medicijn, daar zij de maag weer in orde
+bracht, en zij verleende haar hulp trouw, zoolang zij een droppel in
+zich had. Dat was een prettige tijd, en de flesch zong, als men er
+met de kurk overheen streek, zij heette de groote leeuwerik, «Peter
+Jensens leeuwerik.»
+
+Verscheidene dagen en maanden verliepen er, zij stond reeds ledig
+in een hoek; nu gebeurde het,--of het op de heenreis dan wel op de
+terugreis was, wist de flesch niet precies op te geven, want zij was
+in 't geheel niet aan land geweest,--dat er een hevige storm opstak;
+hooge golven slingerden het schip her- en derwaarts. De groote mast
+brak; een golf sloeg een der planken in; de pompen brachten geen hulp
+meer, het was een stikdonkere nacht; het schip zonk,--maar op het
+laatste oogenblik schreef de jonge stuurman nog op een stukje papier:
+«In Christus' naam! Wij vergaan!» Hij schreef er den naam van zijn
+meisje, van zich zelf en van het schip op, stopte het papiertje in een
+leege flesch, die hem maar 't eerst in handen kwam, deed er de kurk
+stevig op en wierp de flesch in de onstuimige zee. Hij wist niet,
+dat het dezelfde flesch was, waaruit hem en haar eenmaal de beker
+der vreugde en der hoop gevuld was;--zij wiegelt zich nu op de golven
+met een groet en een doodstijding.
+
+Het schip zonk, de bemanning verging; de flesch vloog voort als een
+vogel,--zij droeg immers een hart, een minnebrief in zich! En de zon
+ging op en zij ging onder,--het was aan de flesch te moede als ten
+tijde van haar ontstaan in den rooden gloeienden oven; zij gevoelde
+een verlangen, er weder in te vliegen.
+
+Zij doorleefde een windstilte en ook nieuwe stormen; zij stiet echter
+tegen geen klip aan, werd door geen haai verzwolgen en dreef jaren
+en dagen rond, nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden,
+al naar gelang de golven haar voortstuwden. Zij was overigens haar
+eigen heer en meester, maar daar kan men toch ook eindelijk wel eens
+genoeg van krijgen.
+
+Het beschreven papiertje, het laatst vaarwel van den minnaar aan
+de geliefde, zou slechts rouw aanbrengen, wanneer het eenmaal in de
+rechte handen kwam; maar waar waren die handen, zoo blank en zacht,
+die indertijd op den dag der verloving den zakdoek op het frissche
+gras in het groene bosch uitspreidden?--Waar was de dochter van den
+bontwerker? Ja, waar was het land, waarin zij woonde, en welk land was
+wel het dichtst in de nabijheid? De flesch wist het niet; zij dreef
+en dreef en werd eindelijk ook het ronddrijven moede, omdat dit toch
+haar roeping niet was; maar zij dreef toch rond, totdat zij eindelijk
+land, vreemd land bereikte. Zij verstond geen woord van datgene,
+wat er hier gesproken werd; het was de taal niet, die zij vroeger
+had hooren spreken, en men mist veel, als men de taal niet verstaat.
+
+De flesch werd opgevischt en van alle kanten bekeken; het papiertje,
+dat er in zat, werd gezien, er uitgenomen, gedraaid en gekeerd, maar de
+menschen verstonden niet, wat daar geschreven stond. Wel begrepen zij,
+dat de flesch over boord geworpen moest zijn, en dat er hiervan iets
+op het papiertje moest staan; maar wat stond er op geschreven? Dat was
+het wonderbare! En het briefje werd weer in de flesch gestoken en deze
+in een groote kast, in een groote kamer, in een groot huis neergezet.
+
+Telkens als er vreemdelingen kwamen, werd het briefje er uit genomen,
+gewend en gedraaid, zoodat de letters, die slechts met potlood
+geschreven waren, allengs minder leesbaar werden; eindelijk kon niemand
+meer zien, dat het letters waren.--En nog een geheel jaar bleef de
+flesch in de kast staan, toen zette men haar op den grond neer, en
+stof en spinnewebben bedekten haar nu. Hoe dacht zij nu terug aan
+betere dagen, aan de tijden, toen zij in het frissche, groene bosch
+den rooden wijn verschaft had, toen zij op de golven der zee heen en
+weer schommelde, en een geheim, een brief, een afscheidszucht in zich
+had bevat.
+
+Wel twintig jaren stond zij op den grond; zij zou daar nog langer
+hebben kunnen staan, als het huis niet verbouwd had moeten worden. Het
+dak werd er afgenomen, men zag de flesch staan en sprak over haar,
+maar zij verstond de taal niet; die leert men niet daardoor, dat men op
+den grond staat, zelfs in geen twintig jaren. «Als ik maar in de kamer
+gebleven was,» dacht zij, «dan zou ik haar toch wel geleerd hebben.»
+
+Zij werd nu afgewasschen en uitgespoeld; dat was niet onnoodig; zij
+gevoelde zich helder en doorzichtig, zij was weer verjongd op haar
+ouden dag; maar het briefje, dat zij trouw in zich gedragen had,--dat
+was met het spoelen weggeraakt.
+
+Men vulde de flesch met zaden, zij wist niet, wat dat eigenlijk was;
+men deed er een kurk op en pakte haar goed in; zij kreeg noch lamp
+noch lantaarn, laat staan dan zon en maan te zien, en iets moet men
+toch zien, als men op reis gaat, meende zij; maar zij zag niets,
+doch het gewichtigste deed zij,--zij reisde en kwam op de plaats
+harer bestemming aan en werd daar uitgepakt.
+
+«Wat hebben ze zich daar in het buitenland een moeite met die flesch
+gegeven!» hoorde zij zeggen. «Zij zal toch wel gebroken zijn!»--Maar
+zij was niet gebroken. De flesch verstond ieder woord, dat er gesproken
+werd; het was de taal, die zij bij den smeltoven en bij den wijnkooper
+en in het bosch en op het schip gehoord had, de eenige, goede, oude
+taal, die zij kon verstaan; zij was in haar vaderland teruggekomen,
+en de taal was haar een welkomstgroet. Van blijdschap zou zij den
+menschen uit de handen gesprongen zijn; zij merkte het nauwelijks,
+dat men de kurk van haar aftrok, dat zij uitgestort en in den kelder
+gebracht werd, om daar neergezet en vergeten te worden. In het
+vaderland is het toch maar het beste, zij het ook in den kelder! Het
+kwam niet bij haar op, er over na te denken, hoe lang zij daar wel
+lag; zij lag er goed en zij lag er jaren lang; eindelijk kwamen er
+menschen die al de flesschen uit den kelder en ook de onze weghaalden.
+
+Buiten in den tuin was een groot feest; brandende lampions en papieren
+lantarens hingen daar als bloemslingers. Het was een prachtige avond,
+het weer stil en helder; de sterren fonkelden, en het was nieuwe maan,
+eigenlijk zag men, als men goed toekeek, de heele ronde maan als een
+blauwachtigen bol, wat heel mooi leek.
+
+Zelfs tot in de afgelegenste laantjes van den tuin strekte de
+illuminatie zich uit, althans in zooverre, dat men bij haar schijnsel
+daar den weg wel kon vinden. In de takken der heggen stonden flesschen,
+en in elke daarvan een brandende kaars. Hier bevond zich ook de flesch,
+die wij kennen, die, welke eenmaal als flesschehals, als vogelglaasje
+aan haar eind zou komen; het kwam haar hier alles prachtig voor,
+zij was immers weer in het groen, weer te midden van vreugde en
+feestelijkheden, zij hoorde gezang en muziek en krioelen van al die
+menschen door elkaar, vooral uit dat gedeelte van den tuin, waar de
+lampions hingen en de papieren lantarens haar kleurenpracht ten toon
+spreidden. Zoo stond zij wel is waar in een afgelegen laantje, maar
+juist dat had iets aangenaams; zij droeg haar licht en stond hier tot
+nut en genoegen, en zoo moet het wezen; in zulk een uur vergeet men
+twintig jaren, die men in een vergeten hoek heeft doorgebracht,--en
+het is goed, deze te vergeten.
+
+Dicht langs haar heen liep een enkel paar, evenals indertijd
+het minnende paar in het bosch, evenals de stuurman en de
+bontwerkersdochter; het was de flesch te moede, alsof zij dat alles
+nog eens doorleefde! In den tuin liepen niet alleen de gasten maar
+ook menschen, die eens naar de illuminatie mochten kijken, en onder
+de laatstgenoemden bevond zich een oude juffrouw, die alleen op de
+wereld stond en geen bloedverwanten had. Zij dacht hetzelfde als de
+flesch, en dacht aan het groene bosch en aan een minnend paar, dat
+haar zeer na aan het hart lag, waaraan zij deel had, ja, waarvan zij
+een gedeelte was,--indertijd in het gelukkigste uur van haar leven,
+en dat uur vergeet men nimmer, al wordt men nog zoo oud.--Maar zij
+kende de flesch niet, en deze bemerkte ook de oude juffrouw niet;
+zoo loopt men elkaar in deze wereld voorbij,--totdat men weer met
+elkaar in aanraking komt, en dat gebeurde met deze twee, want zij
+waren nu immers beiden weer in dezelfde stad.
+
+De flesch kwam uit den tuin nog eens bij den wijnkooper, werd weer met
+wijn gevuld en aan den luchtreiziger verkocht, die den volgenden Zondag
+met een luchtballon zou opstijgen.--Een groote menigte menschen had
+zich verzameld, om dat eens te zien; er was een militair muziekkorps
+geëngageerd, en er waren vele andere toebereidselen gemaakt. De
+flesch zag alles van uit een mand, waarin zij naast een levend
+konijntje lag, dat heelemaal verbluft was, omdat het wel wist,
+dat het mee naar boven moest, om dan door middel van een valscherm
+weer naar beneden gelaten te worden; de flesch wist echter niets,
+noch van het opstijgen, noch van het neerdalen; zij zag slechts,
+dat de ballon zich geducht opblies, gedurig grooter werd en zich,
+toen hij niet grooter kon worden, al begon te verheffen; de touwen,
+waarmee hij werd vastgehouden, werden doorgesneden, en hij zweefde
+met den luchtreiziger, de mand, de flesch en het konijntje naar boven,
+terwijl de muziek zich deed hooren en alle menschen hoera riepen.
+
+«Dat is een wonderlijke reis, zoo de lucht in!» dacht de flesch,
+«dat is een nieuwe zeiltocht; maar hier boven zal men toch nergens
+tegen aan kunnen stooten.»
+
+Duizenden menschen keken den ballon na, en de oude juffrouw keek er ook
+naar; zij stond voor het open raam van haar zolderkamertje, waaronder
+het kooitje met den kleinen vlasvink hing, dat destijds nog geen
+drinkglaasje had, maar zich met een theekopje moest vergenoegen. Voor
+het raam zelf stond een mirt in een pot, en dezen had zij een weinig
+op zij geschoven, opdat hij niet zou omvallen, want de oude juffrouw
+ging uit het raam liggen om het ook te zien, zij zag ook duidelijk
+den luchtreiziger in den ballon, en dat hij het konijntje met het
+valscherm naar beneden liet zakken, toen op het welzijn van alle
+menschen dronk en eindelijk de flesch hoog in de lucht slingerde;--zij
+dacht er niet aan, dat zij dezelfde flesch, haar en haar minnaar ter
+eere, op den dag der verloving in het groene bosch had zien vliegen.
+
+De flesch had geen tijd om na te denken; want het kwam haar al te
+onverwacht, zoo plotseling op het toppunt haars levens te zijn. Torens
+en daken lagen diep, zeer diep beneden haar, en de menschen zagen er
+heel klein uit.
+
+Nu daalde zij echter, maar op een geheel andere wijze dan het
+konijntje; de flesch maakte buitelingen in de lucht, zij voelde
+zich zoo jeugdig, zonder eenige band; zij was nog half vol wijn,
+maar dat bleef zij niet lang. Welk een reis! De zon bescheen de
+flesch, alle menschen keken haar na, de ballon was reeds ver weg,
+en al spoedig daarop was ook de flesch weg, zij viel op een der daken
+neer en daardoor brak zij, maar de stukken hadden nog zulk een vaart,
+dat zij niet konden blijven liggen; zij sprongen en rolden verder,
+totdat zij op de plaats neerkwamen en daar in nog kleinere stukken
+bleven liggen; alleen de flesschehals bleef heel, en deze was als
+met een diamant van de flesch afgesneden.
+
+«Die zou prachtig voor een vogelglaasje zijn!» zeiden de menschen in
+het benedenhuis, maar zij hadden noch een vogeltje, noch een kooitje,
+en zich deze aan te schaffen, omdat zij nu den flesschehals hadden,
+die voor drinkglaasje te gebruiken was, was toch wel wat veel
+gevergd,--maar de oude juffrouw op het zolderkamertje, ja, die kon
+er misschien wel gebruik van maken,--en nu kwam de flesschehals bij
+haar boven, er werd een kurk ingestopt, en wat vroeger boven was, werd
+nu naar onderen gekeerd, zooals het heel dikwijls bij veranderingen
+gebeurt; er werd frisch water in gedaan, men hing hem aan het kooitje
+van het vogeltje op, dat zong en kwinkeleerde, dat het een lust was
+om te hooren.
+
+«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals, en die was immers
+merkwaardig genoeg, die was immers in den ballon geweest,--meer wist
+men van zijn geschiedenis niet af. Nu hing hij daar als drinkglaasje,
+hoorde de menschen beneden op de straat mompelen, hoorde de woorden
+van de oude juffrouw binnen in de kamer; zij had bezoek van een
+oude vriendin gekregen; zij praatten met elkaar,--maar niet over den
+flesschehals, maar over den mirt, die voor het raam stond.
+
+«Neen, je moet waarlijk geen daalder uitgeven voor een bruidskrans voor
+je dochter,» zei de oude juffrouw. «Je zult van mij een allerliefst
+ruikertje hebben! Zie je wel, hoe prachtig het boompje staat? Ja, dat
+is nog afkomstig van een stekje van den mirt, dien je mij op den dag
+na mijn verloving gaaft, waarvan ik mij zelf, als het jaar om was,
+een bruidskrans had moeten vlechten,--maar die dag kwam nooit! De
+oogen sloten zich, die mij in dit leven tot vreugde en ten zegen
+hadden moeten tegenstralen. Op den bodem der zee sluimert hij zacht,
+die trouwe vriend!--De mirt werd een oude boom, maar ik werd nog ouder,
+en toen de boom eindelijk begon weg te kwijnen, nam ik het laatste
+groene takje, stak dit in de aarde, en daarvan is nu een boompje
+gegroeid, en de mirt komt nu eindelijk toch nog op de bruiloft,--als
+bruidskrans voor je dochter.»
+
+En tranen parelden er in de oogen van de oude juffrouw; zij sprak
+over den vriend van haar jeugd, over het verlovingsfeest in het
+bosch; allerlei gedachten kwamen er bij haar op, maar daaraan dacht
+zij toch niet, dat er zich vlak in haar nabijheid, voor het raam,
+nog een aandenken aan dien tijd bevond; de hals van de flesch, die
+een luiden knal gaf, toen de kurk er afvloog. Maar de flesschehals
+herkende ook haar niet meer, want hij hoorde niet naar datgene,
+wat zij sprak en vertelde,--omdat hij slechts aan haar dacht.
+
+
+
+
+HET MINNENDE PAAR.
+
+
+Een drijftol en een bal lagen samen in een kast onder meer ander
+speelgoed. Op zekeren dag zei de drijftol tegen de [1] bal: «Willen
+we maar met elkaar trouwen, daar we toch in dezelfde kast bij elkaar
+liggen?» Doch de bal, die van marokijn gemaakt was en die even veel
+verbeelding had als een preutsch meisje, wilde daar geen antwoord
+op geven.
+
+Den volgenden dag kwam de kleine jongen, aan wien al het speelgoed
+toebehoorde. Hij verfde den drijftol rood en geel en sloeg er een
+koperen spijkertje midden in. Dat stond dan al eens heel prachtig,
+als de tol in de rondte draaide!
+
+«Kijk mij nu eens aan!» zei hij tegen de bal. «Wat zeg je nu wel van
+me? Willen we nu met elkaar trouwen? We passen net goed bij elkaar:
+jij springt en ik dans! Een gelukkiger paar dan wij zouden zijn,
+kan er niet gevonden worden.»
+
+«Zou je dat denken?» vroeg de bal. «Dan weet je zeker niet, dat mijn
+vader en moeder marokijnleeren pantoffels geweest zijn en dat ik een
+kurk in mijn lijf heb zitten?»
+
+«Maar ik ben van mahoniehout,» hernam de tol, «en de burgemeester
+heeft mij zelf gedraaid. Hij houdt er zelf een draaibank op na en
+heeft heel wat schik in mij gehad.»
+
+«Kan ik daar zeker van zijn?» vroeg de bal.
+
+«Nimmer moge de zweep meer op mij neerkomen, als het niet waar is!»
+antwoordde de drijftol.
+
+«Je weet je zaak goed te bepleiten,» zei de bal. «Maar toch valt er
+niet aan een huwelijk tusschen ons te denken; want ik ben al zoo wat
+half en half met een spreeuw geëngageerd. Telkens als ik in de lucht
+vlieg, steekt hij den kop uit zijn nest en vraagt: «Wil je met mij
+trouwen?» En nu heb ik in mijn hart al «ja» gezegd, en dus is het net
+zoo goed, alsof ik hem het jawoord gegeven had; maar ik beloof je,
+dat ik je nooit zal vergeten!»
+
+«Nu, dat geeft me ook wat!» zei de drijftol, en na dien tijd spraken
+zij geen woord meer tegen elkaar.
+
+Na verloop van eenigen tijd werd de bal door den jongen uit de kast
+genomen. De drijftol zag, hoe zij hoog in de lucht vloog, evenals een
+vogel; eindelijk kon hij haar in 't geheel niet meer zien; telkens
+kwam zij weer terug, maar deed iederen keer een hoogen sprong,
+als zij op den grond neerkwam, en dit deed zij òf uit blijdschap òf
+omdat zij een kurk in haar lijf had. Maar den negenden keer bleef de
+bal weg en kwam niet meer terug; en de jongen zocht er overal naar,
+maar zij was en bleef weg.
+
+«Ik weet wel, waar zij is!» zei de drijftol met een zucht. «Zij zit
+in het spreeuwennest en is met den spreeuw getrouwd.»
+
+Hoe meer de drijftol hierover dacht, des te meer raakte hij op de
+bal verliefd; juist omdat hij haar niet kon krijgen, nam zijn liefde
+gedurig toe; dat zij een ander tot man genomen had, stak hem wel het
+meest, en de drijftol danste in de rondte en snorde, maar dacht toch
+aldoor aan de bal, die in zijn gedachten al mooier en mooier werd.
+
+Zoo verliepen er eenige jaren,--en nu was het een oude liefde.
+
+De drijftol was al niet jong meer! Maar daar werd hij op zekeren
+dag heelemaal verguld; nog nooit had hij er zoo prachtig uitgezien;
+hij was nu een vergulde drijftol en sprong, dat hij weer snorde. Ja,
+dat was de moeite waard, om te zien.
+
+Maar eens sprong hij wat hoog, en--weg was hij!
+
+Men zocht en zocht, tot zelfs in den kelder, maar hij was nergens
+te vinden.
+
+Waar was hij dan?
+
+Hij was in den vuilnisbak gesprongen, waarin allerlei dingen lagen:
+koolstronken, aardappelschillen en verrotte bladeren, die uit de goot
+naar beneden gekomen waren.
+
+«'t Is een mooie plaats, voor mij om te liggen! Het verguldsel zal hier
+wel gauw van mij afgaan. Ach, onder welk gespuis ben ik aangeland!»
+Dit zeggende, keek hij naar een koolstronk en toen naar een zonderling,
+rond ding, dat veel van een rotten appel weghad;--doch het was geen
+appel, maar de oude bal, die vele jaren in de goot gelegen had en
+geheel met water doortrokken was.
+
+«Goddank! Daar komt toch iemand, die in rang en stand met mij
+gelijkstaat en met wien ik eens een woordje kan wisselen!» zei
+de bal en keek naar den vergulden drijftol. «Ik ben eigenlijk van
+marokijnleer, ik ben door dameshanden genaaid en heb een kurk in
+mijn lijf: maar dat zal niemand mij zeker kunnen aanzien. Ik stond
+op het punt om met een spreeuw te trouwen, maar toen viel ik in de
+goot, en daarin heb ik vijf jaren gelegen en ben heelemaal met water
+doortrokken. Geloof mij, dat is een heele tijd voor een jong meisje!»
+
+Maar de drijftol zei niets: hij dacht aan zijn oud lief, en hoe meer
+hij hoorde, des te duidelijker werd het hem, dat zij het was.
+
+Daar kwam de meid om den vuilnisbak te leegen. De jongen stond er
+naar te kijken. «Hé! Daar ligt een vergulde tol!» riep zij uit.
+
+En de drijftol kwam weer tot eer en aanzien, maar van de bal hoorde
+men niets meer. En de drijftol sprak nooit meer over zijn vroegere
+liefde; want die vergaat wel, als een minnares vijf jaren lang in
+een goot gelegen heeft en heelemaal met water doortrokken is; ja,
+men erkent haar niet meer, als men haar in een vuilnisbak ziet liggen.
+
+
+
+
+DE PRINSES OP DE ERWT.
+
+
+Er was eens een prins, die met een prinses wilde trouwen; maar
+het moest een echte prinses zijn. Nu reisde hij de heele wereld
+rond, om zoo eene te vinden, maar aan allen, die hij zag, ontbrak
+wat. Prinsessen waren er genoeg; maar of het echte prinsessen waren,
+kon hij niet te weten komen. Altijd was er iets, dat niet geheel in
+den haak was. Zoo kwam hij dan weer thuis en was treurig, want hij
+wilde toch zoo heel graag een echte prinses hebben.
+
+Op zekeren avond kwam er een geducht onweer opzetten; het lichtte en
+donderde, de regen viel bij stroomen neer, het was een verschrikkelijk
+weer! Daar werd er op de stadspoort geklopt, en de oude koning ging
+er heen, om haar open te doen.
+
+Het was een prinses, die buiten voor de poort stond. Maar lieve
+hemel! Wat zag zij er van den regen en van het verschrikkelijke weer
+uit! Het water droop haar uit het haar en de kleeren; het liep er
+bij de neuzen van haar schoenen in en bij de hakken weer uit. En toch
+zeide zij, dat zij een echte prinses was.
+
+«Nu, dat zullen we wel eens te weten komen!» dacht de oude
+koningin. Maar zij zeide niets, ging naar de slaapkamer, lichtte alle
+bedden op en legde een erwt op de onderlagen van het ledekant neer;
+daarop nam zij twintig matrassen en legde deze op de erwt, en toen
+nog twintig donzen bedden op de matrassen.
+
+Daar moest de prinses nu den heelen nacht op liggen. Den volgenden
+morgen vroeg men haar, hoe zij geslapen had.
+
+«Verschrikkelijk slecht!» zei de prinses. «Ik heb bijna den heelen
+nacht geen oog dichtgedaan! De hemel mag weten, wat er in het bed
+geweest is! Ik heb op iets hards gelegen, zoodat ik er over mijn
+heele lijf bont en blauw uitzie! 't Is verschrikkelijk!»
+
+Nu merkten zij, dat zij een echte prinses was, omdat zij door de
+twintig matrassen en de twintig donzen bedden heen de erwt gevoeld
+had. Zoo fijngevoelig kon niemand anders zijn dan een echte prinses.
+
+Nu nam de prins haar tot vrouw; want nu wist hij, dat hij een echte
+prinses bezat, en de erwt kwam in het kabinet van zeldzaamheden,
+waarin zij nog te zien is, als niemand haar ten minste gestolen heeft.
+
+Zie, dat is een ware geschiedenis!
+
+
+
+
+OLE LUK-OIE.
+
+
+Er is niemand op de wereld, die zooveel sprookjes kent, als Ole
+Luk-Oie. [2]--Die heeft eerst slag van vertellen!
+
+Tegen den avond, als de kinderen nog aan tafel of op hun stoeltje
+zitten, komt Ole Luk-Oie. Hij klimt zachtjes de trap op, want hij
+loopt op kousen: hij doet de deur heel zachtjes open en fuut! daar
+spuit hij de kinderen zoete melk in de oogen, en wel met een heel fijn
+straaltje, maar toch altijd genoeg, om te maken, dat zij de oogen niet
+kunnen openhouden en hem dus ook niet zien. Hij sluipt achter hen,
+blaast hun zachtjes in den nek, en daardoor wordt het hun zwaar in
+het hoofd. Maar het doet geen pijn, want Ole Luk-Oie meent het goed
+met de kinderen; hij wil alleen maar, dat zij stil zullen zijn, en
+dat zijn zij eerst, als men ze naar bed gebracht heeft; zij moeten
+stil zijn, opdat hij hun sprookjes kan vertellen.
+
+Als de kinderen dan slapen, zet Ole Luk-Oie zich op hun bed neer. Hij
+is goed gekleed, zijn jas is van zijde, maar het valt onmogelijk te
+zeggen, van welke kleur zij is; want zij heeft een groenen, rooden en
+blauwen glans, al naardat hij zich draait. Onder iederen arm houdt hij
+een paraplu; de eene, met allerlei beelden er op, spant hij over de
+zoete kinderen uit, en dan droomen zij den heelen nacht de heerlijkste
+sprookjes; maar de andere paraplu, waarop niets hoegenaamd staat,
+spreidt hij boven de stoute kinderen uit, dan slapen zij en hebben
+'s morgens, als zij wakker worden, niet het minste gedroomd.
+
+Nu zullen we eens hooren, hoe Ole Luk-Oie op iederen avond van een
+week bij een kleinen jongen, Hjalmar geheeten, kwam, en wat hij hem
+vertelde. Het zijn zeven verhaaltjes; want er zijn zeven dagen in
+de week.
+
+
+
+Maandag.
+
+«Hoor eens!» zei Ole Luk-Oie des avonds, toen hij Hjalmar naar bed
+gebracht had; «ik zal alles eens oppronken!» En nu werden al de
+bloemen in de bloempotten tot groote boomen, die hun lange takken
+onder de zoldering en langs de muren der kamer uitstrekten, zoodat
+de heele kamer er als een prachtig buitenverblijf uitzag; al de
+takken zaten vol bloemen, en iedere bloem was nog schooner dan een
+roos, gaf een liefelijken geur van zich, en als men ze wilde eten,
+dan smaakten zij overheerlijk. De vruchten fonkelden als goud, en er
+was koek, die vol rozijnen zat. Het was onvergelijkelijk schoon! Maar
+tegelijkertijd klonk er een verschrikkelijk gejammer uit de tafellade
+waarin de schoolboeken van Hjalmar lagen.
+
+«Wat is dat toch?» vroeg Ole Luk-Oie en ging naar de tafel toe
+en schoof de lade open. Het was de rekenlei, waarop gekrast werd,
+want er was een verkeerd cijfer in de som gekomen, zoodat het niet
+veel scheelde, of zij viel geheel uit elkaar; de griffel huppelde en
+sprong tegen de lijst van de lei op, alsof het een kleine hond was,
+die aan de som wilde helpen; maar hij kon dit niet.--En toen jammerde
+het ook in het schrijfboek van Hjalmar. O, dat was vreeselijk om
+aan te hooren! Op iedere bladzijde stonden van boven naar beneden
+de groote letters, en naast iedere groote letter stond een kleine;
+dat was het voorbeeld; en naast deze stonden weer eenige letters,
+die er eveneens dachten uit te zien, en deze had Hjalmar geschreven;
+maar zij lagen bijna, alsof zij over de potloodlijnen, waarop zij
+moesten staan, gevallen waren.
+
+«Zie, zoo moet je je houden!» zei het voorbeeld. «Kijk eens! Zoo in
+een schuinsche richting, met een fermen zwaai!»
+
+«O, wij zouden het graag willen,» zeiden de letters van Hjalmar;
+«maar wij kunnen niet; wij zijn te zwak!»
+
+«Dan moet je wat innemen!» zei Ole Luk-Oie.
+
+«O neen!» riepen zij uit, en nu stonden zij zoo geregeld, dat het
+een lust was om te zien.
+
+«Ja, nu kunnen wij geen sprookjes vertellen!» zei Ole Luk-Oie; «nu
+moet ik ze laten exerceeren! Een, twee! Een, twee!» en zoo liet hij
+de letters exerceeren; en zij stonden zoo mooi, als ze maar op een
+voorbeeld kunnen staan. Maar toen Ole Luk-Oie wegging en Hjalmar ze
+'s morgens bekeek, toen waren zij even gebrekkig en jammerlijk als
+vroeger.
+
+
+
+Dinsdag.
+
+Zoodra Hjalmar te bed gegaan was, raakte Ole Luk-Oie al de meubelen in
+de kamer met zijn kleinen tooverstaf aan, en nu begonnen zij te gelijk
+te praten, en spraken allemaal over zich zelf met uitzondering van het
+kwispedoor, dat daar zwijgend stond en er zich over ergerde, dat zij
+zoo ijdel konden zijn om slechts over zich zelf te spreken, slechts aan
+zich zelf te denken, en volstrekt geen notitie te nemen van dengene,
+die toch zoo bescheiden in den hoek stond en zich liet bespuwen.
+
+Boven de latafel hing een groot schilderij in een vergulde lijst;
+dat was een landschap; men zag daarop hooge, oude boomen, bloemen
+in het gras en een breede rivier, die om het bosch heen vloeide,
+voorbij vele kasteelen, en ver weg in de woeste zee.
+
+Ole Luk-Oie raakte het schilderij met zijn tooverstaf aan, en nu
+begonnen de vogels, die daarop afgebeeld stonden, te zingen, de
+boomtakken bewogen zich, en de wolken trokken weg; men kon haar
+schaduw over het landschap zien heenglijden.
+
+Nu tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar de lijst op en zette zijn
+voeten op het schilderij neer, vlak in het hooge gras; daar stond hij
+nu. De zon bescheen hem door de takken der boomen. Hij liep naar het
+water toe en ging in een kleine boot, die daar lag, zitten; deze was
+rood en wit geverfd, het zeil schitterde als zilver, en zes zwanen,
+alle met gouden kroontjes en een fonkelende blauwe ster op den kop,
+trokken de boot voorbij het groene bosch, waar de boomen van roovers
+en heksen en de bloemen van de liefelijke kleine elfen, en van datgene,
+wat de kapelletjes haar gezegd hadden, vertelden.
+
+De prachtigste visschen, met schubben als zilver en goud, zwommen
+de boot achterna; nu en dan deden zij een sprong, zoodat het in het
+water plaste, en vogels, rood en blauw, klein en groot, vlogen in twee
+lange rijen achteraan; de muggen dansten en de meikevers gonsden. Zij
+wilden Hjalmar altemaal volgen, en ieder had een sprookje te vertellen.
+
+Dat was een plezierig tochtje! Nu eens waren de bosschen dicht en
+donker, dan weer waren zij als de heerlijkste tuin vol zonneschijn
+en bloemen; daar stonden groote kasteelen van glas en van marmer: op
+de balkons stonden prinsessen, en dit waren allemaal kleine meisjes,
+die Hjalmar goed kende; hij had vroeger met haar gespeeld. Elk van
+dezen strekte de handen naar hem uit en hield hem het lekkerste hart
+van suiker voor, dat een koekenbakker ooit verkocht heeft; en Hjalmar,
+pakte elk suikerhart beet, terwijl hij voorbijvoer, en de prinses hield
+het goed vast, en zoo kreeg ieder een stuk: zij het kleinste en Hjalmar
+het grootste. Bij ieder kasteel stonden kleine prinsen op schildwacht;
+zij droegen gouden sabeltjes en lieten het rozijnen en tinnen soldaten
+regenen; men kon het hun wel aanzien, dat het echte prinsen waren.
+
+Nu eens zeilde Hjalmar door bosschen, dan weer door groote zalen of
+midden door een stad; hij kwam ook door die, waarin de kindermeid
+woonde, die hem gedragen had, toen hij nog een heel klein kind was,
+en die altijd zoo goed voor hem geweest was; zij knikte hem toe
+en wenkte hem en zong het kleine vers, dat zij zelf gemaakt en aan
+Hjalmar gezonden had:
+
+
+ Uw beeld, mijn Hjalmar, mij zoo lief,
+ Zal nooit mijn hart ontglippen;
+ Ik gaf u kussen zonder tal
+ Op voorhoofd, mond en lippen.
+
+ 'k Hoorde uit uw mond het eerste woord
+ Mij staamlend tegenklinken.
+ Vaarwel! Gods zegen hoede u steeds,
+ Moog' immer voor u blinken!
+
+
+En al de vogels zongen mee, de bloemen dansten op de stelen, en de
+oude boomen knikten, alsof Ole Luk-Oie hun ook sprookjes vertelde.
+
+
+
+Woensdag.
+
+O, wat stroomde de regen daar buiten neer! Hjalmar kon het in zijn
+slaap hooren; en toen Ole Luk-Oie een raam openschoof, stond het
+water tot aan het kozijn toe; het was daar buiten een heele zee,
+maar het prachtigste schip lag dicht bij het huis.
+
+«Wil je meezeilen, kleine Hjalmar?» vroeg Ole Luk-Oie. «Dan kun je
+van nacht naar vreemde landen toe gaan en morgen weer hier zijn!»
+
+Daar stond Hjalmar plotseling in zijn Zondagskleeren midden op het
+prachtige schip; terstond werd het weer mooi, en zij zeilden door
+de straten, kruisten om de kerk, en nu was alles een groote, woeste
+zee. Zij zeilden zoo lang, totdat er geen land meer te ontdekken was,
+en zij zagen een troep ooievaars; deze kwamen ook uit hun vaderland en
+wilden naar de warme landen toe; de eene ooievaar vloog altijd achter
+den anderen aan, en zij hadden al ver, heel ver gevlogen! Een hunner
+was zoo vermoeid, dat zijn vleugels hem tenauwernood meer vermochten te
+dragen; hij was de laatste in de rij, en al spoedig bleef hij een heel
+eind achter; eindelijk daalde hij met uitgespreide vleugels al dieper
+en dieper; hij deed nog een paar slagen met de vleugels, maar het hielp
+niets; nu raakte hij met zijn pooten het touwwerk van het schip aan,
+daarop gleed hij van het zeil af, en bom! daar stond hij op het verdek.
+
+Nu nam de kajuitsjongen hem en zette hem in het kippenhok bij de
+kippen, eenden en kalkoensche hanen; de arme ooievaar stond verlegen
+in hun midden.
+
+«Kijk dien eens aan!» zeiden al de kippen.
+
+En de kalkoensche haan blies zich zoo dik op, als hij maar kon,
+en vroeg, wie hij was; de eenden snaterden, en de ooievaar vertelde
+van het warme Afrika, van de piramiden en van den struisvogel, die,
+als een wild paard, de woestijn doorliep; maar de eenden verstonden
+niet, wat hij vertelde, en toen zeiden zij tegen elkander: «Wij zijn
+het er immers allemaal over eens, dat hij dom is!»
+
+«Ja, zeker is hij dom!» zei de kalkoensche haan, en toen klokte
+hij. Nu zweeg de ooievaar en dacht aan zijn Afrika.
+
+«Dat zijn prachtige dunne pooten, die je hebt!» zei de kalkoensche
+haan. «Wat kost een el daarvan?»
+
+«Skrat, skrat, skrat!» grijnsden al de eenden; maar de ooievaar deed,
+alsof hij het niet hoorde.
+
+«Je kunt gerust meelachen,» zei de kalkoensche haan tegen hem; «want
+het was heel geestig gezegd. Of was het je misschien te hoog? Ach,
+hij is niet veelzijdig! Wij zullen onze aardigheden maar voor ons
+zelf houden!» En toen klokte hij, en de eenden snaterden. Het was
+verschrikkelijk, zoo'n plezier als zij hadden.
+
+Maar Hjalmar ging naar het kippenhok toe, deed het deurtje daarvan
+open, riep den ooievaar, en nu huppelde hij naar hem toe op het
+verdek. Nu was hij immers uitgerust, en het was, alsof hij Hjalmar
+toeknikte om hem te bedanken. Daarop ontplooide hij zijn vleugels
+en vloog naar de warme landen; maar de kippen kakelden, de eenden
+snaterden, en de kalkoensche haan werd vuurrood aan zijn kop.
+
+«Morgen zullen we soep van je koken!» zeide Hjalmar, en dit zeggende,
+werd hij wakker en lag in zijn bedje. Het was toch een zonderlinge
+reis, die Ole Luk-Oie hem dezen nacht had laten doen!
+
+
+
+Donderdag.
+
+«Weet je wat?» zei Ole Luk-Oie. «Word maar niet bang! Hier zul je
+een kleine muis zien!» En toen strekte hij zijn hand, waarin hij het
+lichte, aardige diertje hield, naar hem uit. «Zij is gekomen om je op
+de bruiloft te noodigen. Er zijn twee kleine muizen, die van nacht in
+het huwelijk willen treden. Zij wonen onder den vloer van je moeders
+provisiekamer: dat moet een mooie woning zijn!»
+
+«Maar hoe kan ik door het kleine muizengat in den vloer kruipen?»
+vroeg Hjalmar.
+
+«Laat dat maar aan mij over!» zei Ole Luk-Oie. «Ik zal je wel klein
+maken!» En nu raakte hij Hjalmar met zijn tooverstaf aan, waarop deze
+dadelijk al kleiner en kleiner werd. Eindelijk was hij geen vinger
+lang. «Nu kun je de kleeren van den tinnen soldaat wel leenen; ik
+denk, dat die je wel zullen passen, en het staat goed, een uniform
+aan te hebben, als men in gezelschap is.»
+
+«Dat is ook zoo!» zei Hjalmar en was in een oogenblik als een tinnen
+soldaat gekleed.
+
+«Wilt ge nu maar zoo goed zijn, in den vingerhoed van uw moeder te
+gaan zitten?» zei de kleine muis; «dan zal ik de eer hebben, u er
+naar toe te trekken.»
+
+«Wilt gij u daarmee zelf belasten?» zeide Hjalmar, en zoo reden zij
+naar de muizenbruiloft.
+
+Eerst kwamen zij onder den vloer in een lange gang, die echter niet
+hooger was, dan dat zij er juist met den vingerhoed doorheen konden
+komen, en de heele gang was met verrot hout geïllumineerd.
+
+«Ruikt het hier niet heerlijk?» vroeg de muis, die hem voorttrok. «De
+heele gang is met zwoorden van spek besmeerd! Er kan niets geurigers
+zijn!»
+
+Nu traden zij de bruiloftszaal binnen. Hier stonden aan de rechterhand
+al de kleine muizendames; dezen fluisterden en ginnegapten, alsof
+zij elkaar voor den gek hielden. Aan de linkerhand stonden al de
+muizenheeren en streken met hun poot langs hun snorbaard; midden in de
+zaal zag men het bruidspaar; dit stond in een uitgeholde korst kaas
+en kuste elkaar verschrikkelijk ten aanschouwe van allen, want zij
+waren immers met elkander verloofd en zouden aanstonds bruiloft houden.
+
+Er kwamen gedurig meer vreemden; het scheelde niet veel, of de eene
+muis trapte de andere dood, en het bruidspaar had zich vlak voor de
+deur geplaatst, zoodat men er noch uit noch in kon komen. De heele
+kamer was evenals de gang met zwoorden van spek ingesmeerd; daarin
+bestond het geheele gastmaal: maar aan het dessert werd er een erwt
+vertoond, waarin een muis uit de familie den naam van het bruidspaar
+ingebeten had, namelijk de eerste letters. Dat was iets buitengewoons!
+
+Al de muizen zeiden, dat het een vroolijke bruiloft was, en dat de
+gesprekken zeer onderhoudend waren geweest.
+
+Daarop reed Hjalmar weer naar huis; hij was waarlijk in deftig
+gezelschap geweest; maar hij had zich ook erg moeten inkrimpen,
+zich klein maken en een tinnen-soldatenuniform aantrekken.
+
+
+
+Vrijdag.
+
+«Het is ongeloofelijk, hoeveel oudere menschen er zijn, die mij
+zoo heel graag zouden willen hebben,» zeide Ole Luk-Oie. «Dat
+zijn inzonderheid diegenen, die het een of ander kwaad gedaan
+hebben. «Goede, kleine Ole!» zeggen zij tegen mij, «wij kunnen de
+oogen niet dichtdoen, en zoo liggen wij den heelen nacht en zien al
+onze booze daden, die als kleine leelijke kaboutermannetjes op den
+rand van het bed zitten en ons met heet water bespuiten; mocht gij
+maar komen en ze wegjagen, dan zouden wij gerust kunnen slapen.»
+Daarop slaken zij een diepen zucht. «Wij zouden er waarlijk graag
+voor betalen. Goeden nacht, Ole! het geld ligt in het kozijn!» Maar
+ik doe het niet voor geld!» zegt Ole Luk-Oie.
+
+«Wat zullen we nu van nacht te zien krijgen?» vroeg Hjalmar.
+
+«Ja, ik weet niet, of je van nacht wel weer lust hebt om naar een
+bruiloft toe te gaan; het is een heel ander soort van bruiloft dan
+die van gisteren. De groote pop van je zusje, die, welke er als man
+uitziet en Herman genoemd wordt, wil met pop Bertha in het huwelijk
+treden. Het is bovendien de verjaardag van de pop, en daarom zullen
+zij zeer veel geschenken krijgen!»
+
+«Ja, daar weet ik alles van!» zeide Hjalmar. «Als de poppen nieuwe
+kleeren noodig hebben, dan laat mijn zusje ze altijd haar verjaardag
+vieren of bruiloft houden; dat is zeker al honderdmaal gebeurd!»
+
+«Ja, maar van nacht is het de honderd eerste bruiloft, en als
+honderd een uit is, dan is alles voorbij! Daarom wordt deze ook zoo
+prachtig. Kijk maar eens!»
+
+En Hjalmar keek naar de tafel. Daar stond het kleine bordpapieren
+huis met licht voor de ramen, en buiten daarvoor presenteerden alle
+tinnen soldaten het geweer. Het bruidspaar zat in gedachten verdiept,
+waarvoor het wel reden had, op den grond en leunde tegen den poot der
+tafel aan. Maar Ole Luk-Oie, die in den zwarten rok der grootmoeder
+gekleed was, trouwde ze. Toen de trouwplechtigheid afgeloopen was,
+hieven al de meubelen in de kamer het volgende mooie lied aan, dat
+door het potlood geschreven was:
+
+
+ Hoog klink' ons lied, gelijk de wind,
+ Voor 't bruidspaar, dat zich saam verbindt!
+ Zij pralen beiden, stijf en blind,
+ Van leer, dat men niet mooier vindt.
+ Hoera! al zijn ze doof en blind,
+ Wij zijn tot zingen thans gezind!
+
+
+En nu kregen zij geschenken; maar zij hadden verzocht van alle eetwaren
+verschoond te blijven, want zij hadden genoeg aan hun liefde.
+
+«Zullen wij nu een zomerwoning betrekken of op reis gaan?» vroeg
+de bruidegom. En nu werd de raad van de zwaluw, die veel gereisd
+had, en van de oude kip, die vijfmaal kuikentjes uitgebroed had,
+ingeroepen. De zwaluw vertelde van de heerlijke warme landen, waar
+de druiven zoo groot en zwaar waren, waar de lucht zoo zacht was en
+de bergen kleuren hadden, zooals men ze hier niet zag.
+
+«Maar onze boerenkool hebben ze toch niet!» zei de kip. «Ik ben
+een heelen zomer lang met al mijn kuikentjes op het land geweest;
+daar was een zandgroeve, waarin wij konden rondloopen en krabbelen;
+en dan hadden wij den toegang tot een tuin met boerenkool! O, wat
+was die lekker! Ik kan mij niets schooners voorstellen!»
+
+«Maar de eene koolstronk ziet er precies uit als de andere,» zei de
+zwaluw, «en dan is het hier dikwijls slecht weer.»
+
+«Ja, daaraan is men gewend!» zei de kip.
+
+«Maar hier is het koud en vriest het!»
+
+«Dat is goed voor de kool!» zei de kip. «Overigens kunnen we het
+hier ook wel warm hebben! Hebben wij niet vier jaren geleden,
+een zomer gehad, die vijf weken lang duurde? Het was zoo heet, dat
+men haast geen adem kon halen! En dan hebben wij hier niet al die
+vergiftige dieren, die ze daar hebben! En wij hebben hier geen last
+van roovers. Het is een booswicht, die niet vindt, dat ons land het
+mooiste is. Hij verdient waarlijk niet, hier te zijn!» En toen weende
+de kip en vervolgde: «Ik heb ook gereisd. Ik heb twaalf mijlen ver
+in een mand gereden! Ik vind niet veel plezier in het reizen!»
+
+«Ja, de kip is een verstandige vrouw!» zei pop Bertha. «Ik houd er
+niets van, bergen te beklimmen; want dat gaat maar op en dan weer
+neer. Neen, wij zullen naar de zandgroeve toe gaan en in den kooltuin
+rondwandelen!»
+
+En daarbij bleef het.
+
+
+
+Zaterdag.
+
+«Krijg ik nu sprookjes te hooren?» vroeg de kleine Hjalmar, zoodra
+Ole Luk-Oie hem in slaap gemaakt had.
+
+«Van avond hebben wij er geen tijd voor,» zei Ole Luk-Oie en spreidde
+zijn mooie paraplu over hem uit. «Bekijk deze Chineezen maar eens!»
+En de paraplu zag er uit, als een groote Chineesche schaal met blauwe
+boomen en smalle bruggen en met kleine Chineezen er op, die daar
+stonden en met het hoofd knikten. «Wij moeten de heele wereld tegen
+morgen mooi opgepronkt hebben,» zei Ole Luk-Oie, «het is dan immers
+een feestdag, het is Zondag. Ik wil naar de kerktorens toe om te
+zien, of de kleine kerkkaboutermannetjes de klokken wel polijsten,
+opdat zij mooi klinken. Ik wil naar buiten naar het veld en zien,
+of de winden het stof van gras en bladeren blazen; en wat nog het
+zwaarste werk is, ik zal al de sterren naar beneden halen, om ze
+op te poetsen. Ik neem ze in mijn schort; maar eerst moet aan ieder
+een nommer gegeven worden, en de gaten, waarin zij daarboven zitten,
+moeten ook genommerd worden, opdat zij weer op de rechte plaats komen,
+anders zouden zij niet vastzitten, en dan zouden wij te veel vallende
+sterren krijgen, want dan zou de een na de andere naar beneden rollen.»
+
+«Hoor eens! Weet je wat, mijnheer Ole Luk-Oie?» zei een oud portret,
+dat tegen den muur van het vertrek, waarin Hjalmar sliep, hing.
+
+«Ik ben Hjalmars overgrootvader! Ik dank u, dat ge den jongen
+sprookjes vertelt; maar ge moet zijn begrippen niet verwarren. De
+sterren kunnen niet naar beneden genomen en opgepoetst worden! De
+sterren zijn wereldbollen, evenals onze aarde en juist dat is het
+goede dat er aan is.»
+
+«Ik dank u wel, oude overgrootvader!» zei Ole Luk-Oie; «ik dank u
+wel! Gij zijt immers het hoofd der familie; maar ik ben toch ouder
+dan gij. Ik ben een oude heiden: Romeinen en Grieken noemden mij
+droomgod! Ik ben in de deftigste huizen geweest en kom er nog! Ik
+weet zoowel met geringen als met aanzienlijken om te gaan! Nu kunt gij
+vertellen.»--En daarop ging Ole Luk-Oie heen en nam zijn paraplu mee.
+
+«Nu, nu! Het schijnt, dat men niet eens meer voor zijn gevoelen mag
+uitkomen!» bromde het oude portret.
+
+Op dit oogenblik werd Hjalmar wakker.
+
+
+
+Zondag.
+
+«Goeden avond!» zei Ole Luk-Oie, en Hjalmar knikte hem toe en
+sprong toen weg en keerde het portret van zijn overgrootvader, dat
+tegen den muur hing, om, opdat het niet, evenals den vorigen nacht,
+zou meespreken.
+
+«Nu moet ge sprookjes vertellen: van de vijf groene erwten, die in één
+schil woonden, van den hanepoot, die aan den kippepoot het hof maakte,
+en van de stopnaald, die zich verbeelde dat zij een naainaald was.»
+
+«Men kan ook van het goede te veel krijgen!» zei Ole Luk-Oie. «Je
+weet immers wel, dat ik je het liefst wat laat zien! Ik zal je daarom
+mijn broeder eens laten kijken Deze heet ook Ole Luk-Oie, maar hij
+komt bij niemand meer dan eens, en wien hij bezoekt, dien neemt hij
+op zijn paard mee en vertelt hem sprookjes. Hij kent er maar twee;
+het eene is zoo prachtig schoon, als niemand op de wereld het zich
+kan voorstellen, en het andere is zoo leelijk en afschuwelijk, dat
+het niet om te beschrijven is!» Daarop tilde Ole Luk-Oie den kleinen
+Hjalmar naar het raam op en zei: «Daar zal je mijn broeder zien, den
+anderen Ole Luk-Oie! Ze noemen hem den dood! Zie je wel; hij ziet er
+volstrekt niet zoo leelijk uit als in de prentenboeken, waar hij maar
+een geraamte is! Neen, dat is zilveren borduursel, dat hij op zijn
+gewaad heeft, dat is de mooiste huzarenuniform; een mantel van zwart
+fluweel vliegt achter over het paard. Zie, hoe hij in galop rijdt!»
+
+En Hjalmar zag, hoe deze Ole Luk-Oie wegreed en zoowel jonge als
+oude lieden op zijn paard nam. Eenigen zette hij voorop, anderen
+achterop, maar altijd vroeg hij eerst: «Hoe staat het met het
+aanteekeningboek?»--«Goed!» zeiden zij allemaal.--«Ja, laat mij het
+zelf eens zien!» zeide hij, en dan moest ieder hem het boek laten
+zien, en al diegenen, die «Zeer goed» en «Uitmuntend» hadden, zette
+hij voorop het paard, en dezen kregen het mooie sprookje te hooren,
+maar die, welke «Tamelijk» en «Middelmatig» hadden, moesten achterop
+en kregen het leelijke sprookje te hooren, zij sidderden en weenden;
+zij wilden van het paard springen, maar konden het niet, want zij
+waren er dadelijk aan vastgegroeid.
+
+Maar de dood is immers de prachtigste Ole Luk-Oie!» zei Hjalmar. «Voor
+hem ben ik niet bang!»
+
+«Dat moet je ook niet zijn!» zei Ole Luk-Oie, «pas maar op, dat je
+een goed getuigenis krijgt.»
+
+«Ja, dat is leerrijk!» mompelde het portret van den
+overgrootvader. «Het helpt toch wel eens, als men zijn meening zegt.»
+
+En nu verklaarde hij zich tevreden.
+
+Zie, dat is de geschiedenis van Ole Luk-Oie; nu moet hij u zelf van
+avond maar meer vertellen.
+
+
+
+
+HET OUDE HUIS.
+
+
+In zekere straat stond een oud, overoud huis. Het was bijna driehonderd
+jaren oud; zoo stond er op den gevel te lezen, waarop het jaartal met
+tulpen en hopranken aangebracht was. Daar las men geheele verzen in
+den schrijftrant van den ouden tijd, en boven ieder raam was in het
+kozijn een gezicht uitgesneden, dat allerlei grimassen maakte. De eene
+verdieping stak een heel eind buiten de andere uit, en vlak onder het
+dak was een looden goot met een drakenkop. Het regenwater moest uit den
+bek komen, maar het liep uit den buik, want er was een lek in de pijp.
+
+Al de andere huizen in de straat waren nog nieuw en mooi, met groote
+ruiten en gladde muren. Men kon het wel aan hen merken, dat zij niets
+met het oude huis te doen wilden hebben. Zij dachten misschien wel:
+«Hoe lang zal dat kavalje nog tot algemeene ergernis in de straat
+staan? De kroonlijst steekt zoo ver vooruit, dat niemand uit onze
+ramen kan zien, wat er aan den overkant voorvalt. De trap is zoo breed
+als die van een kasteel en zoo hoog, alsof zij naar een kerktoren
+voerde. Het ijzeren hek ziet er uit, als de ingang tot een familiegraf,
+en koperen knoppen staan er op,--het is waarlijk al te gek!»
+
+Aan den overkant stonden ook nieuwe en nette huizen, en deze dachten
+er evenals de andere over; maar voor het raam van een daarvan zat een
+kleine jongen met frissche roode wangen en heldere blauwe kijkers,
+en dien beviel het oude huis bijzonder goed, zoowel bij zonne-
+als bij maneschijn. En als hij naar den muur aan den overkant keek,
+waar de kalk afgevallen was, dan zag hij er de zonderlingste beelden
+op, juist zooals de straat er vroeger uitgezien had, met bordessen,
+kroonlijsten en spitse gevels; hij kon soldaten zien met hellebaarden,
+en dakgoten, die als draken en griffioenen om het huis heenliepen.--Dat
+was nu juist zoo'n huis om naar te kijken, en daarin woonde een oud
+man, die een korte leeren broek droeg en een rok met groote koperen
+knoopen en een pruik, waarvan men wel kon zien, dat het een echte
+pruik was. Alle ochtenden kwam er een oud man bij hem, die den boel
+opknapte en boodschappen voor hem deed. Overigens woonde de grijsaard
+met zijn korte broek geheel alleen in het oude huis. Somtijds vertoonde
+hij zich voor de ramen en keek naar buiten, en dan knikte de kleine
+jongen hem toe, en dan knikte de grijsaard terug, en zoo raakten zij
+met elkaar bekend, en zoo werden zij vrienden, ofschoon zij elkaar
+nooit gesproken hadden. Maar dat was immers ook volstrekt niet noodig.
+
+De kleine jongen hoorde zijn ouders zeggen: «De oude man daar aan
+den overkant heeft het heel goed, maar hij is alleen.»
+
+Den volgenden Zondag wikkelde de kleine jongen iets in een stuk papier,
+ging daarmee voor de huisdeur staan en zei tegen den persoon, die de
+boodschappen voor den grijsaard deed: «Hoor eens! Wilt ge dit voor
+mij aan den ouden man aan den overkant geven? Ik heb twee tinnen
+soldaten; dit is er een van; hij moet dien hebben; want ik weet,
+dat hij heelemaal alleen is.»
+
+En de oude oppasser zag er vergenoegd uit, knikte en bracht den
+tinnen soldaat naar het oude huis. Later werd er een boodschap naar
+den overkant gezonden, of de jongeheer ook lust had, zelf eens een
+bezoek te komen brengen. En daartoe gaven zijn ouders hem vergunning;
+en zoo kwam hij in het oude huis.
+
+En de koperen knoppen op de leuning van het bordes blonken veel
+helderder dan anders: men zou haast gezegd hebben, dat zij om
+het verwachte bezoek geschuurd waren. En het was precies, alsof
+de uitgesnedene trompetters,--want op de deur waren trompetters
+uitgesneden, die in tulpen stonden,--uit al hun macht bliezen;
+hun wangen zagen er veel boller uit dan vroeger. Ja, zij bliezen:
+Ratata, ratata! De kleine jongen komt! Ratata, ratata!»--En toen ging
+de deur open. Het geheele voorhuis was met oude portretten behangen,
+met ridders in harnassen en vrouwen in zijden kleeren; en de harnassen
+rammelden en de zijden kleeren ruischten!--En toen kwam er een trap;
+deze liep eerst naar boven en dan weer een klein eindje naar beneden,
+en dan kwam men op een balkon, dat echter zeer bouwvallig was, met
+groote gaten en breede reten; hieruit kwam gras te voorschijn; want
+het geheele balkon, de binnenplaats en de muur waren met zoo veel
+groen begroeid, dat het er uitzag als een tuin; maar het was slechts
+een balkon. Hier stonden oude bloempotten, die gezichten en ezelsooren
+hadden; maar de bloemen groeiden, zooals het haar goeddacht. In den
+eenen pot hingen er aan alle kanten anjelieren over, namelijk de
+bladeren daarvan; en deze zeiden duidelijk verstaanbaar: «De lucht
+heeft ons gestreeld, de zon heeft ons gekust en ons tegen den Zondag
+een kleine bloem beloofd, een kleine bloem tegen den Zondag!»
+
+En toen kwamen zij in een kamer, waar de muren met varkensleer behangen
+waren, en op het varkensleer waren gouden bloemen gedrukt.
+
+
+ «'t Verguldsel moge ras vergaan,
+ Het varkensleer blijft steeds bestaan!»
+
+
+zeiden de muren.
+
+En daar stonden stoelen met hooge ruggen, met snijwerk en met armen
+aan de beide kanten. «Ga zitten!» zeiden zij. «Och, wat kraakt het in
+mij! Nu zal ik zeker ook jicht krijgen, evenals de oude kast. Jicht
+in den rug! Foei!»
+
+En toen kwam de kleine jongen in de kamer, waar de oude man zat.
+
+«Dank voor den tinnen soldaat, mijn kleine vriend!» zei de oude
+man. «En dank daarvoor, dat je eens naar mij toe gekomen bent!»
+
+«Dank, dank!» of «Knap, knap!» zeiden alle meubelen. Er waren er zoo
+vele, dat zij elkaar bijna in den weg stonden, om den kleinen jongen
+te zien.
+
+En midden aan den muur hing een schilderij, een mooie dame, die er
+jeugdig en vroolijk uitzag, maar zoo gekleed was als in den ouden tijd,
+met poeder in het haar en met kleeren, die stijf uitstonden. Deze
+zeide noch «dank!» noch «knap!» maar keek met haar vriendelijke oogen
+op den kleinen jongen neer, die dadelijk aan den ouden man vroeg:
+«Waar hebt ge die vandaan?»
+
+«Van den uitdrager,» zei de oude man. «Daar hangen altijd vele
+schilderijen, maar niemand kende ze of bekommerde er zich over, want
+ze zijn allemaal begraven. Maar vele jaren geleden heb ik haar gekend,
+en nu is zij al sedert een halve eeuw dood en weg!»
+
+En onder het schilderij hing achter glas een ruiker verwelkte bloemen;
+deze waren zeker ook een halve eeuw oud, zoo zagen zij er ten minste
+uit. En de slinger der groote klok ging heen en weer, en de wijzers
+draaiden in de rondte, en alles in de kamer werd nog ouder; maar
+niemand merkte het.
+
+«Ze zeggen thuis,» begon de kleine jongen, «dat ge altijd alleen zijt.»
+
+«O,» zeide hij, «de oude gedachten met alles, wat zij met zich
+mee kunnen voeren, komen en bezoeken mij, en nu kom jij immers ook
+eens!--Het gaat heel goed met mij!»
+
+En daarop nam hij van een plank tegen den muur een prentenboek; daarin
+stonden lange optochten, de wonderlijkste rijtuigen, zooals men ze
+heden ten dage niet meer ziet; soldaten als klaverenboer, en burgers
+met wapperende vaandels. De kleermakers hadden een vaandel met een
+schaar, die door twee leeuwen vastgehouden werd, en de schoenmakers
+een vaandel zonder laars, maar met een arend, die twee koppen had;
+want bij de schoenmakers moet alles zoo zijn, opdat zij kunnen zeggen:
+«Dat is een paar!»--Dat was eerst een mooi prentenboek!
+
+De oude man ging naar de andere kamer, om wat ingelegde vruchten,
+appelen en noten te halen. Het was werkelijk heerlijk in het oude huis.
+
+«Ik kan het hier niet uithouden!» zei de tinnen soldaat, die op de
+kist stond. «Het is hier veel te eenzaam en te somber. Och, als men
+het huiselijk leven eenmaal heeft leeren kennen, dan kan men aan het
+leven hier niet gewennen. Ik kan het niet uithouden! De dag duurt mij
+te lang, maar de avond nog langer; hier is het volstrekt niet zooals
+bij u aan den overkant, waar uw vader en moeder altijd vergenoegd met
+elkaar praten, en waar gij en de andere kinderen een oorverdoovend
+geraas maken. Och! wat is het bij den ouden man eenzaam! Denkt ge,
+dat hij zoenen krijgt? Denkt ge, dat hij vriendelijke blikken of een
+Kerstboom krijgt? Hij krijgt niets dan een graf.--Ik kan het hier
+niet uithouden.»
+
+«Je moet het niet zoo van de sombere zijde beschouwen!» zei de
+kleine jongen. «Mij komt dat alles bijzonder prettig voor, en al
+de oude gedachten met datgene, wat zij met zich mee kunnen voeren,
+komen hier immers een bezoek brengen.»
+
+«Ja, maar die zie ik niet en die ken ik niet!» zei de tinnen
+soldaat. «Ik kan het hier niet uithouden.»
+
+«Dat moet je toch!» zei de kleine jongen.
+
+De oude man kwam met het vergenoegdste gezicht en met de heerlijkste
+ingelegde vruchten en appelen en noten; nu dacht de knaap niet meer
+aan den tinnen soldaat.
+
+Gelukkig en vergenoegd kwam de kleine jongen thuis; en er verliepen
+dagen en weken; er werd naar het oude huis toe en van het oude huis
+teruggeknikt; nu ging de kleine jongen weer naar den overkant.
+
+De uitgesneden trompetters bliezen: «Ratata, ratata! Daar is de
+kleine jongen! Ratata, ratata!» De zwaarden en de wapenrustingen op
+de oude ridderportretten rammelden en de zijden kleeren ruischten;
+het varkensleer vertelde, en de oude stoelen hadden jicht in den
+rug. Dat was alles, evenals de eerste maal, want aan den overkant
+was de eene dag en het eene uur precies als de andere.
+
+«Ik kan het hier niet langer uithouden!» zei de tinnen soldaat. «Ik
+heb tin gehuild. Het is hier te somber! Laat mij liever ten strijde
+trekken en armen en beenen verliezen! Dit is ten minste eens wat
+anders. Ik kan het hier niet uithouden!--Nu weet ik wat het wil zeggen,
+bezoek te krijgen van zijn oude gedachten en van alles, wat zij met
+zich mee kunnen voeren. Ik heb een bezoek van de mijne gehad, en ge
+kunt er zeker van zijn, dat dit op den langen duur niet plezierig
+is. Het heeft niet veel gescheeld, of ik was van de kist naar beneden
+gesprongen. Ik zag u allen in het huis aan den overkant zoo duidelijk,
+alsof ge werkelijk hier waart. Het was weer Zondagmorgen, wanneer
+gij, kinderen, allen voor de tafel stondt en den psalm zongt, zooals
+ge iederen morgen doet. Ge stondt met gevouwen handen, en uw vader
+en moeder waren even ernstig gestemd; daar ging de deur open, en uw
+kleine zusje Marie, die nog geen twee jaar oud is en altijd danst,
+als zij muziek of gezang hoort, van welken aard dit ook wezen moge,
+werd in de kamer neergezet.--Zij mocht wel is waar niet, maar zij
+begon toch te dansen; zij kon echter niet goed op haar dreef komen,
+want de tonen waren te lang uitgerekt, en daarom stond ze eerst op
+haar ene been en hield haar hoofd voorover; maar het ging niet. Ge
+bleeft allen heel ernstig, ofschoon ge werk hadt om u goed te houden;
+maar ik moest bij mij zelf lachen, en daarom viel ik van de tafel naar
+beneden en kreeg een bult, waarmee ik nog loop; want het was niet
+goed van mij, dat ik lachte. Maar dit alles, en alles wat ik verder
+beleefd heb, komt mij nu weer voor den geest, en dat zijn zeker de
+oude gedachten met alles, wat zij met zich meevoeren. Zeg mij eens,
+of ge des Zondags nog zingt? Vertel mij iets van Marie! En hoe gaat
+het met mijn kameraad, den anderen tinnen soldaat? Ja, die is zeker
+heel gelukkig!--Ik kan het hier niet meer uithouden!»
+
+«Je bent present gegeven,» zei de knaap, «en je moet hier dus
+blijven. Zie je dat zelf niet in?»
+
+En de oude man kwam met een kistje, waarin allerlei te zien was:
+blanketdoosjes en pommadefleschjes, oude kaarten, zoo groot en verguld,
+als men ze nu niet meer te zien krijgt. Er werden meer kastjes
+opengedaan, ook het klavier; daarin waren van binnen op het deksel
+landschappen geschilderd; maar het was schor, toen de oude man er op
+speelde; toen knikte hij tegen het portret, dat hij bij den uitdrager
+gekocht had, en de oogen van den ouden man fonkelden daarbij helder.
+
+«Ik wil ten strijde trekken! Ik wil ten strijde trekken!» riep de
+tinnen soldaat zoo hard, als hij maar kon, en sprong op den vloer neer.
+
+Waar was hij gebleven? De oude man zocht, de kleine jongen zocht:
+weg was hij en weg bleef hij. «Ik zal hem wel vinden,» zei de oude
+man; maar hij vond hem niet; de vloer was te open en vol gaten. De
+tinnen soldaat was door een reet gevallen; daar lag hij nu, als in
+een open graf.
+
+De dag verliep, en de kleine jongen kwam thuis; en er verliepen
+verscheidene weken. De ruiten waren heelemaal bevroren, en de kleine
+jongen moest er op ademen, om een gat te maken, ten einde naar het
+oude huis te kunnen kijken. Er was sneeuw in alle hoeken gewaaid,
+en deze bedekte de heele trap, alsof er niemand in huis was. En er
+was ook niemand in huis: de oude man was gestorven!
+
+'s Avonds hield er een lijkkoets voor de deur stil, en daar zette
+men zijn doodkist in: hij zou buiten op het land in zijn familiegraf
+rusten. Daar werd hij nu naar toe gereden; maar niemand volgde zijn
+lijk; al zijn vrienden waren dood. De kleine jongen wierp de doodkist,
+toen deze voorbijreed, kushandjes toe.
+
+Eenige dagen daarna werd er verkooping in het oude huis gehouden,
+en de kleine jongen keek uit zijn raam, hoe men de oude ridders en
+de oude dames, de bloempotten met de lange ooren, de stoelen en de
+oude kasten wegdroeg. Het eene ging hierheen, het andere daarheen;
+_haar_ portret, dat van den uitdrager gekocht was, kwam weer bij den
+uitdrager te land, en daar bleef het hangen; want niemand bekommerde
+zich om het oude schilderij.
+
+In het voorjaar brak men het huis af; het was een kavalje, zeiden de
+menschen. Men kon van de straat vlak in de kamer op het varkensleeren
+behangsel zien, dat aan stukken gesneden en van den muur afgehaald
+werd, en het groen van het balkon hing verwilderd om de balken,
+die met instorting bedreigd werden.--En nu werd er opruiming gehouden.
+
+«Dat helpt!» zeiden de naburige huizen.
+
+Er werd een prachtig huis gebouwd met groote ramen en witte, gladde
+muren; maar voor de plaats, waar het oude huis gestaan had, werd een
+klein tuintje aangelegd, en tegen den muur van den buurman klommen
+wilde wijngaardranken op, voor het tuintje kwam een groot ijzeren hek
+met een ijzeren deur; dat zag er deftig uit. De menschen bleven er voor
+staan en keken er doorheen. En de musschen zetten zich bij dozijnen
+op de wijngaardranken neer en praatten door elkaar, zoo hard als zij
+maar konden, doch niet over het oude huis, want dat konden zij zich
+niet meer herinneren; er waren al vele jaren verloopen,--zoo veel,
+dat de kleine jongen tot een man, ja, tot een degelijk man opgegroeid
+was, waarvan zijn ouders plezier hadden. Hij was pas getrouwd en had
+met zijn vrouw het huis betrokken, waarvoor het tuintje zich bevond;
+en hier stond hij nu naast haar, terwijl zij een veldbloem, die zij
+heel mooi vond, in een pot zette; zij plantte haar met haar kleine
+hand en drukte de aarde met haar vingers vast aan.--«Ai! Wat was
+dat?»--Zij prikte zich. Boven de weeke aarde stak een zeker puntig
+voorwerp uit. Dat was--begrijp eens!--dat was de tinnen soldaat,
+dezelfde, die bij den ouden man verloren geraakt was, die een geruimen
+tijd tusschen timmerhout en puin rondgedwaald en nu reeds vele jaren
+in de aarde gelegen had.
+
+De jonge vrouw veegde den soldaat eerst met een groen blad en toen
+met haar fijnen zakdoek af; deze gaf een heerlijken geur van zich! En
+het was den tinnen soldaat juist zoo te moede, alsof hij uit een
+bezwijming ontwaakte.
+
+«Laat mij hem eens zien!» zei de jonge man, glimlachte en schudde
+daarop het hoofd. «Die kan het toch wel niet zijn; maar hij doet mij
+denken aan een geschiedenis met een tinnen soldaat, dien ik gehad heb,
+toen ik nog een kleine jongen was.» En daarop vertelde hij aan zijn
+vrouw van het oude huis en den ouden man, en van den tinnen soldaat,
+die hij hem toegezonden had, omdat hij zoo alleen was, zoodat de tranen
+de jonge vrouw in de oogen kwamen over het oude huis en den ouden man.
+
+«Het is toch wel mogelijk, dat dit dezelfde tinnen soldaat is!» zeide
+zij. «Ik zal hem bewaren en denken aan hetgeen je mij verteld hebt;
+maar het graf van den ouden man moet je mij eens wijzen.»
+
+«Ik weet niet, waar het is,» antwoordde hij, «en dat weet niemand. Al
+zijn vrienden waren dood; niemand plantte er bloemen op, en ik was
+destijds immers nog maar een kleine jongen!»
+
+«Ach! Wat zal hij het hier eenzaam gehad hebben!» zeide zij.
+
+«Ja, eenzaam!» zei de tinnen soldaat; «maar heerlijk is het, niet
+vergeten te worden!»
+
+«Heerlijk!» riep een stem dicht in de nabijheid; maar niemand anders
+dan de tinnen soldaat zag, dat dit van een stuk van het varkensleeren
+behangsel kwam, dat nu zonder eenig verguldsel was. Het zag er uit als
+natte aarde; maar een overtuiging had het toch, en deze sprak het uit:
+
+
+ «'t Verguldsel moge ras vergaan,
+ Het varkensleer blijft steeds bestaan!»
+
+
+Maar de tinnen soldaat geloofde dat niet.
+
+
+
+
+DE GELUKKIGE FAMILIE.
+
+
+Het grootste groene blad in Denemarken is zeker wel dat van het
+kliskruid; houdt men er een voor zijn lijf, dan is het als een schort,
+en legt men het op zijn hoofd, dan is het bij regenachtig weer bijna
+even goed als een paraplu, want het is buitengewoon groot! Nooit
+groeit een klis alleen; waar er een groeit, daar groeien er ook meer;
+het is een pracht om te zien! En al deze pracht is slakkenkost.
+
+De groote, witte slakken, waarvan de deftige lui in oude dagen
+fricassée lieten klaarmaken en, als zij het gegeten hadden, zeiden:
+«Hé! wat smaakt dat!»--want zij geloofden nu eenmaal, dat het
+overheerlijk smaakte, zij leefden van klisbladeren. En daarom werd
+er kliskruid gezaaid.
+
+Nu was er een oud ridderkasteel, waar men geen slakken meer at. De
+slakken waren uitgestorven, maar de klissen niet. Deze groeiden
+en groeiden in alle paden, op alle bedden; men kon ze niet meer
+keeren; het was een echt klissenbosch. Hier en daar stonden appel- of
+pruimeboomen, anders zou men zeker nooit op de gedachte gekomen zijn,
+dat het hier een tuin was. Alles was kliskruid, en daarin woonden de
+beide laatste stokoude slakken, een mannetje en een wijfje.
+
+Zij wisten zelf niet, hoe oud zij waren; maar zij konden zich zeer
+goed herinneren, dat zij veel grooter in getal geweest waren, dat
+zij van een familie uit vreemde landen afstamden, en dat het bosch
+voor hen en de hunnen geplant was. Zij waren er nooit buiten geweest,
+maar het was hun bekend, dat er nog iets in de wereld was, dat het
+ridderkasteel heette; daar werd men gekookt, dan werd men zwart en
+op een zilveren schotel gelegd;--wat er later nog meer gebeurde, dat
+wisten zij niet. Hoe dat overigens is, wanneer men gekookt en op een
+zilveren schotel gelegd wordt, konden zij zich niet voorstellen, maar
+heerlijk moest het zijn, en vooral moest het heel deftig staan. Noch
+de meikever, noch de pad, noch de regenworm, die zij daarnaar vroegen,
+konden hun daaromtrent inlichtingen geven; want geen van hun soort
+was ooit gekookt of op een zilveren schotel gelegd.
+
+De oude, witte slakken waren de voornaamsten in de wereld: dat wisten
+zij! Het bosch was er ter wille van hen, en het ridderkasteel ook,
+opdat zij gekookt en op een zilveren schotel gelegd zouden kunnen
+worden.
+
+Zij leefden nu zeer ingetogen, en daar zij zelf kinderloos waren,
+hadden zij een kleine gemeene slak, een jongetje, tot zich genomen, dat
+zij als hun eigen kind opvoedden. Maar de kleine wilde niet groeien,
+want het was maar een gemeene slak; doch de oudjes, inzonderheid de
+pleegmoeder, meenden wel te merken, dat hij toch grooter werd. En zij
+verzocht den pleegvader, als hij dit niet kon zien, toch eens aan het
+kleine slakkehuisje te willen voelen; nu betastte hij dit en vond,
+dat zijn vrouw gelijk had.
+
+Op zekeren, dag regende het geducht.
+
+«Hoor eens, hoe het op de klisbladeren trommelt!» zei de pleegvader.
+
+«Dat noem ik droppels!» zei de pleegmoeder. «Het loopt immers bij den
+steel neer! Je zult eens zien, dat het hier nat zal worden. Ik ben
+maar blij, dat wij onze goede huisjes hebben, en dat de kleine er
+ook een heeft! Er is toch werkelijk meer voor ons gedaan, dan voor
+alle andere schepselen; men kan het toch duidelijk zien, dat wij de
+hoogste plaats in de wereld bekleeden! Wij hebben van onze geboorte af
+huisjes, en het klissenbosch is ter wille van ons gezaaid! Ik zou wel
+eens willen weten hoe ver dit zich uitstrekt en wat er buiten ligt.»
+
+«Daar is niets,» zei de pleegvader, «dat beter zou kunnen zijn,
+dan bij ons: ik heb volstrekt niets te wenschen.»
+
+«Ja,» zei de pleegmoeder. «Ik zou wel naar het ridderkasteel gebracht,
+gekookt en op een zilveren schotel gelegd willen worden; dat is
+met al onze voorvaderen gebeurd, en je kunt gelooven: daar is een
+bedoeling bij.»
+
+«Misschien is het ridderkasteel wel ingestort,» zei de pleegvader,
+«of is het klissenbosch er overheen gegroeid, zoodat de menschen er
+niet meer uit konden komen. En bovendien is daarbij toch ook geen
+haast. Maar je haast je altijd te veel, en de kleine begint dat ook
+al te doen. Kruipt hij niet reeds sedert drie dagen tegen den steel
+op? Ik krijg er waarlijk hoofdpijn van, als ik naar hem opkijk.»
+
+«Je moet niet op hem knorren!» zei de pleegmoeder. «Hij kruipt immers
+heel voorzichtig; wij zullen zeker veel vreugde aan hem beleven; en
+wij oudjes hebben immers niets anders, waarvoor wij leven. Maar heb
+je er wel eens over nagedacht, waar wij een vrouw voor hem vandaan
+zullen krijgen! Denk je niet, dat er zich verder in het klissenbosch
+nog zulke van onze soort ophouden?»
+
+«Zwarte slakken zullen daar wel zijn, denk ik,» zei de pleegvader,
+«zwarte slakken zonder huisje! Maar die zijn te gemeen en toch
+verbeelden zij zich heel wat. Maar wij zouden aan de mieren wel
+eens last kunnen geven om naar een vrouw voor hem uit te kijken;
+die loopen toch heen en weer, alsof zij heel wat zaken aan de hand
+hadden; die zullen zeker wel een vrouw voor onzen kleine weten.»
+
+«Ik zou er wel een weten,» zeide een der mieren; «maar ik vrees,
+dat dit niet zal gaan, want het is een koningin.»
+
+«Dat doet er niet toe!» zeiden de oudjes. «Heeft zij een huis?»
+
+«Zij heeft een kasteel!» antwoordde de mier; «het mooiste mierenkasteel
+met zevenhonderd gangen.»
+
+«Hartelijk bedankt!» zei de pleegmoeder. «Onze pleegzoon zal niet
+naar een mierennest toe. Als je niets beters weet, dan zullen we aan
+de muggen maar eens last geven, die vliegen overal rond in regen en
+zonneschijn, die kennen het klissenbosch van haver tot gort.»
+
+«Wij weten een vrouw voor hem!» zeiden de muggen. «Honderd
+menschenstappen hier vandaan zit op een kruisbessenboom een kleine
+slak met een huisje; die woont heelemaal alleen en is oud genoeg om
+te trouwen. Het is maar honderd menschenstappen hier vandaan.»
+
+«Ja, laat haar maar eens bij hem komen!» zeiden de oudjes. «Hij heeft
+een klissenbosch, zij maar een boom.»
+
+En nu haalden zij het kleine dametje. Het duurde acht dagen voordat
+zij kwam; maar dat stond juist deftig, en daaraan kon men zien,
+dat zij van de rechte soort was.
+
+Daarop hielden zij bruiloft. Zes glimwormpjes gaven licht, zoo goed
+als zij konden; overigens ging alles heel stil in zijn werk, want
+de oude slakken konden geen geraas en getier velen. Maar er werd een
+heerlijke toespraak door de pleegmoeder gehouden.
+
+De pleegvader kon niet spreken: hij was te geroerd. Daarop gaven zij
+hun als erfenis het geheele klissenbosch en zeiden, wat zij altijd
+gezegd hadden: dat het het beste van de wereld was, en dat zij,
+als zij rechtschapen en eerbaar leefden en zich vermenigvuldigden,
+eenmaal benevens hun kinderen op het ridderkasteel zouden komen, en
+zwart gekookt en op een zilveren schotel gelegd worden. En nadat deze
+toespraak geëindigd was, kropen de oudjes in hun huisje en kwamen
+er nooit meer uit: zij sliepen. Het jonge slakkenpaar regeerde nu
+in het bosch en kreeg een talrijke nakomelingschap. Daar zij echter
+nooit gekookt op den zilveren schotel kwamen, maakten zij daaruit op,
+dat het ridderkasteel ingestort en dat alle menschen op de wereld
+uitgestorven waren. En daar niemand hen tegensprak, moest het immers
+wel waar zijn. De regen viel op de klissenbladeren neer, om voor
+hen trommelmuziek te maken, de zon scheen, om het klissenbosch voor
+hen te verven; en zij waren zeer gelukkig, en de heele familie was
+gelukkig, overgelukkig.
+
+
+
+
+TWEE JUFFERS.
+
+
+Hebt ge wel eens een juffer gezien?--dat is te zeggen, wat de
+straatmakers een juffer noemen, een ding, waarmee zij de straatsteenen
+vaststampen. Zulk een juffer is geheel en al van hout, onderaan breed
+en van ijzeren handen voorzien, bovenaan smal met een stok er door
+heen,--en dezen stok heeft de juffer voor armen.
+
+In de schuur stonden twee zulke juffers; zij hadden haar plaats
+tusschen straathamers, handwagens en kruiwagens, en tot deze allen was
+het gerucht doorgedrongen, dat de juffers voortaan niet meer «juffers,»
+maar «straatstampers» zouden heeten, hetgeen in de straatmakerstaal
+de eenige en alleen juiste benaming is voor het ding, dat men in
+vroegere tijden altijd een juffer noemde.
+
+De twee juffers in de bergplaats dachten er volstrekt niet aan,
+haar ouden naam zoo maar op te geven en zich «straatstampers» te
+laten noemen.
+
+«Juffer is een menschennaam,» zeiden zij, «maar straatstamper is een
+ding, en wij laten ons niet zoo maar een ding noemen; dat zou een
+smaad voor ons zijn!»
+
+«Mijn minnaar zou in staat zijn, het engagement te verbreken!» zei
+de jongste, die met een heiblok verloofd was; en een heiblok is een
+ding, dat groote palen in den grond drijft en dus in het grove datgene
+verricht, wat de juffer in het fijne doet. «Hij wil mij als juffer tot
+vrouw nemen, maar of hij dit zou doen, als ik een straatstamper werd,
+is de vraag nog, en daarom laat ik mij ook niet herdoopen.»
+
+«En ik,» zei de oudste, «laat liever mijn beide armen afhouwen!»
+
+De kruiwagen was echter van een ander gevoelen, en de kruiwagen was
+nog al iemand van beteekenis; hij beschouwde zich als het vierde
+gedeelte van een koets, omdat hij op één wiel liep.
+
+«Ik moet u echter doen opmerken,» sprak deze, «dat juffer vrij
+alledaagsch en op verre na niet zoo deftig klinkt, als straatstamper
+of stempel, welke naam ook voorgesteld is, en waardoor ge b. v. in de
+klasse der cachetten zoudt treden, en denkt maar eens aan het groote
+staatscachet, waarmee men het staatszegel opdrukt en aan de wet eerst
+kracht verleent. Neen, als ik in uw plaats was, dan zou ik dat «juffer»
+maar opgeven.»
+
+«Neen, dat nimmer! Daar ben ik te oud voor!» zei de oudste.
+
+«Ge hebt waarschijnlijk nog nooit hooren spreken over het ding,
+dat men de «Europeesche noodzakelijkheid» noemt,» bracht de eerlijke
+wisse in het midden. «Men moet zich in tijd en omstandigheden weten
+te schikken, en is er eenmaal een wet uitgevaardigd, dat de juffers
+straatstampers moeten heeten, welnu, dan moeten zij ook straatstampers
+heeten, en dan helpt het niet, of men er al tegen moppert.»
+
+«Neen,» zei de jongste, «dan zou ik mij, als er dan toch een
+verandering moet plaats hebben, nog liever jonkvrouw laten noemen:
+jonkvrouw klinkt toch nog altijd wat deftiger dan juffer!»
+
+«Maar dan laat ik mij liever tot brandhout hakken!» zei de oudste
+juffer.
+
+Eindelijk ging men aan het werk; de juffers reden, zij werden op den
+kruiwagen gelegd, dat was wel een goede behandeling, maar met dat al
+noemde men ze toch straatstampers.
+
+«Juf...!» zeiden zij, terwijl zij de straatsteenen
+vaststampten. «Juf...!» En het scheelde niet veel, of zij hadden het
+geheele woord «juffer» uitgesproken, maar zij braken plotseling af
+en slikten de laatste lettergreep in, want na rijp beraad achtten
+zij het beneden haar waardigheid om er zich tegen te verzetten. Maar
+onder elkaar noemden zij zich altijd «juffer» en prezen den goeden,
+ouden tijd, toen men ieder ding bij zijn waren naam noemde en men
+juffer genoemd werd, als men juffer was; en dat bleven zij allebei;
+want het heiblok verbrak inderdaad het engagement met de jongste:
+hij wilde slechts een juffer tot vrouw hebben.
+
+
+
+
+DE WILDE ZWANEN.
+
+
+Ver van hier, daar, waarheen de zwaluwen vliegen, wanneer wij winter
+krijgen, woonde eens een koning. Deze had elf zonen en één dochter,
+Elize genaamd. De elf broeders waren prinsen. Zij gingen met de ster
+op de borst en de sabel op zijde naar school toe, zij schreven met
+diamanten griften op gouden leien en leerden even goed van buiten, als
+zij lazen; men kon dadelijk hooren, dat het prinsen waren. Hun zuster
+Elize zat op een klein bankje van spiegelglas en had een prentenboek,
+dat voor het halve koninkrijk gekocht was.
+
+O, die kinderen hadden het zoo goed, als het maar kon; doch zoo zou
+het niet altijd blijven!
+
+Hun vader, die koning over het geheele land was, trouwde met een
+booze koningin, die de arme kinderen volstrekt niet mocht lijden. Op
+den eersten dag konden zij dit al merken. Op het kasteel heerschte
+groote pracht, en nu speelden de kinderen, dat zij visite hadden;
+maar in plaats dat zij, evenals vroeger, zooveel koek en gebraden
+appels kregen, als er maar te vinden waren, gaf zij hun slechts zand
+in een theekopje en zeide, dat zij nu maar net moesten doen, alsof
+dit iets was.
+
+In de daarop volgende week bracht zij de kleine Elize naar het
+platteland naar een boer en een boerin toe, en lang duurde het niet,
+of zij loog den koning zooveel van de arme prinsen voor, dat deze
+zich volstrekt niet meer om hen bekommerde.
+
+«Vliegt de wijde wereld in en helpt u zelf!» zei de booze
+koningin. «Vliegt, evenals de groote vogels zonder stem!» Maar zij
+kon het toch niet zoo erg maken, als zij graag wilde; het werden elf
+prachtige wilde zwanen. Met een zonderling geschreeuw vlogen zij uit
+de ramen van het kasteel, over het park heen en het bosch in.
+
+Het was nog vroeg in den morgen, toen zij daar voorbijkwamen, waar hun
+zuster Elize in de kamer van den boer lag te slapen. Hier zweefden
+zij boven het dak, draaiden met hun lange halzen heen en weer en
+sloegen toen met hun vleugels; maar niemand hoorde of zag het. Zij
+moesten weer verder, hoog naar de wolken op, de wijde wereld in; nu
+vlogen zij naar een groot, donker bosch, dat zich tot aan het strand
+der zee uitstrekte.
+
+De arme, kleine Elize stond in de kamer van den boer en speelde met
+een groen blad: want ander speelgoed had zij niet. Zij stak een gat
+in dit blad, keek er doorheen naar de zon, en nu was het, alsof zij
+de heldere oogen van hare broeders zag; telkens wanneer de warme
+zonnestralen op haar wangen vielen, dacht zij aan al hun kussen.
+
+De eene dag verliep evenals de andere. Als de wind door de groote
+rozenheggen buiten voor het huis gierde, dan fluisterde hij de rozen
+toe: «Wie kan schooner zijn dan gij?» Maar de rozen schudden het hoofd
+en zeiden: «Elize is schooner!» En als de oude vrouw des Zondags
+voor de deur zat en in haar gezangboek las, dan keerde de wind de
+bladeren om en zeide tegen het boek: «Wie kan vromer zijn dan gij?»
+En dan antwoordde het gezangboek: «Elize is vromer!» En het was de
+volle waarheid, wat de rozen en het gezangboek zeiden.
+
+Toen zij vijftien jaar oud was, zou zij naar huis terugkeeren;
+maar toen de koningin zag, hoe schoon zij was, werd zij toornig
+op haar. Gaarne zou zij haar in een wilden zwaan veranderd hebben,
+evenals haar broeders; maar dat waagde zij niet dadelijk, omdat de
+koning zijn dochter wilde zien.
+
+'s Morgens vroeg ging de koningin in het bad, dat van marmer gebouwd
+en met zachte kussens en de prachtigste dekens versierd was; zij nam
+drie padden, kuste ze en zei tegen de eene: «Ga op het hoofd van Elize
+zitten, als zij in het bad komt, opdat zij even dom moge worden, als
+jij bent!»--«Zet je op haar voorhoofd neer,» zeide zij tegen de tweede,
+«opdat zij even leelijk moge worden, als jij bent, zoodat haar vader
+haar niet herkent!»--«Rust aan haar hart!» fluisterde zij de derde toe;
+«laat haar een boos karakter krijgen, opdat zij daarvan verdriet moge
+hebben!» Daarop zette zij de padden in het heldere water, dat terstond
+een groene kleur aannam, riep Elize, kleedde haar uit en liet haar in
+het water neerdalen. En terwijl Elize onder water dook, zette de eene
+pad zich in haar haar, de andere op haar voorhoofd en de derde op haar
+borst neer. Maar Elize scheen dit niet te bemerken; zoodra zij zich
+oprichtte, dreven er drie roode papavers op het water. Als de dieren
+niet vergiftig geweest waren en een kus van de heks gekregen hadden,
+dan zouden zij in roode rozen veranderd zijn. Maar bloemen werden zij
+toch, omdat zij op haar hoofd, haar voorhoofd en haar hart gezeten
+hadden. Zij was te vroom en te onschuldig, dan dat de tooverij macht
+over haar zou kunnen hebben!
+
+Toen de booze koningin dit zag, wreef zij Elize met het sap van een
+walnoot in, zoodat zij donkerbruin werd, bestreek haar schoon gelaat
+met een stinkende zalf en liet haar prachtig haar in de war raken. Het
+was onmogelijk, de schoone Elize nu te herkennen.
+
+Toen haar vader haar zag, verschrikte hij en zeide, dat het zijn
+dochter niet was. Geen anderen dan de hond en de zwaluwen konden haar
+herkennen; maar dat waren arme dieren, die niets te zeggen hadden.
+
+Nu weende de arme Elize en dacht aan haar elf broeders, die allemaal
+weg waren. Bedroefd sloop zij het kasteel uit en liep den geheelen dag
+over veld en moeras, totdat zij in het groote bosch kwam. Zij wist
+niet, waar zij naar toe zou gaan, maar gevoelde zich diep bedroefd
+en verlangde naar haar broers; dezen waren zeker ook, evenals zij,
+de wijde wereld ingejaagd; en nu wilde zij hen zoeken en vinden.
+
+Slechts korten tijd was zij in het bosch geweest, toen de nacht
+aanbrak; zij wist nu weg noch steg meer; daarom ging zij op het zachte
+mos liggen, deed haar avondgebed en leunde met haar hoofd tegen een
+boomtronk aan. Er heerschte een diepe stilte; de lucht was zacht, en om
+haar heen in het gras en in het mos gaven honderden glimwormpjes, als
+een groen vuur, gloed van zich; toen zij een der takken zachtjes met
+haar hand aanraakte, vielen de lichtgevende insecten als verschietende
+sterren naast haar neer.
+
+Den geheelen nacht droomde zij van haar broers; zij speelden weer
+als kinderen, schreven met de diamanten griften op de gouden leien
+en keken in het prachtige prentenboek, dat het halve koninkrijk
+gekost had. Maar op hun leien schreven zij niet, evenals vroeger,
+cijfers, maar de moedige daden, die zij volbracht, alles, wat zij
+ondervonden en gezien hadden; en in het prentenboek leefde alles;
+de vogels zongen en de menschen kwamen het boek uit en spraken met
+Elize en haar broers. Maar als dezen het blad omkeerden, sprongen
+zij er dadelijk weer in, opdat de prenten niet in de war zouden raken.
+
+Toen zij wakker werd, stond de zon al hoog aan den hemel; Elize kon
+haar echter niet zien; want de hooge boomen spreidden hun takken dicht
+boven haar uit. Maar de stralen speelden daarboven als een gouden lint;
+er was een geur van het groen, en de vogels zetten zich bijna op haar
+schouders neer. Zij hoorde water plassen: dat waren groote bronnen,
+die alle in een meer uitliepen, met den heerlijksten zandgrond. Het
+was omringd door dichte struiken; maar op één plaats hadden de herten
+een groote opening gemaakt, en hier ging Elize naar het water toe. Dit
+was zoo helder, dat men, als de wind de takken en de struiken niet
+had aangeraakt, zoodat zij zich bewogen, zou gedacht hebben, dat zij
+op den bodem van het water afgeteekend waren; zoo duidelijk spiegelde
+ieder blad zich daarin af, zoowel dat, hetwelk door de zon beschenen
+werd, als dat, hetwelk in de schaduw was.
+
+Zoodra Elize haar eigen gezicht zag, verschrikte zij, zoo bruin en
+leelijk was het; maar toen zij haar kleine hand nat maakte en daarmee
+over haar oogen en haar voorhoofd wreef, kwam haar blanke huid weer te
+voorschijn. Nu kleedde zij zich uit en daalde in het frissche water
+neer! Een schooner koningskind, dan zij was, werd er in de wereld
+niet gevonden!
+
+Toen zij zich weer aangekleed en haar lange lokken gevlochten had,
+ging zij naar de springbron toe, dronk uit het holle van haar hand
+en liep het bosch dieper in, zonder zelf te weten waarheen. Zij
+dacht aan haar broeders, dacht aan den goeden God, die haar zeker
+niet zou verlaten. God liet de wilde appelen in het bosch groeien,
+om de hongerigen te verzadigen. Hij wees haar zulk een boom aan;
+de takken daarvan bogen zich onder den last der vruchten. Hier hield
+zij haar middagmaal, zette stutten onder de takken en ging toen het
+donkerste gedeelte van het bosch in. Daar was het zoo stil, dat zij
+haar eigen voetstappen hoorde, alsmede het ritselen van ieder dor blad,
+dat zich onder haar voet boog. Geen enkele vogel was er te zien, geen
+enkele zonnestraal kon door de groote, donkere takken heendringen;
+de hooge stammen stonden zoo dicht bij elkaar, dat het, wanneer zij
+voor zich uitkeek, den schijn had, alsof zij door een hek van balken
+omgeven was. O, hier heerschte een eenzaamheid, zooals zij vroeger
+nooit gekend had.
+
+De nacht werd stikdonker; geen enkel glimwormpje gaf meer licht in
+het mos. Bedroefd legde zij zich ter neer om te slapen. Nu scheen
+het haar, alsof de takken der boomen boven haar ter zijde weken en
+de goede God met milde blikken op haar neerzag; en de kleine engelen
+keken boven Zijn hoofd en onder Zijn armen uit.
+
+Toen zij 's morgens wakker werd, wist zij niet, of zij het gedroomd
+had, dan of het werkelijk zoo geweest was.
+
+Zij deed eenige schreden voorwaarts. Nu ontmoette zij een oude vrouw
+met bessen in haar mand; de oude vrouw gaf haar daarvan wat. Elize
+vroeg haar, of zij niet elf prinsen door het bosch had zien rijden.
+
+«Neen,» zei de oude vrouw; «maar ik heb gisteren elf zwanen, ieder
+met een gouden kroon op den kop, hier in de nabijheid over de rivier
+zien zwemmen.»
+
+En zij bracht Elize een eindje verder tot aan een helling; aan den
+voet daarvan kronkelde zich een riviertje; de boomen op de oevers
+strekten hun lange, lommerrijke takken naar elkander uit, en waar zij,
+tengevolge van hun natuurlijken groei, niet aan elkander konden raken,
+daar waren de wortels uit den grond losgerukt en hingen, met de takken
+in elkaar gestrengeld, over het water heen.
+
+Elize zei de oude vrouw vaarwel en liep langs het riviertje tot aan
+de plaats, waar dit naar den grooten, open oceaan vloeide.
+
+De geheele heerlijke zee lag voor het jonge meisje, maar geen
+enkel zeil vertoonde zich daarop, geen enkel schip was er op te
+zien. Hoe zou zij nu verder komen? Zij bekeek de tallooze kleine
+steentjes, die er op het strand lagen: het water had ze allemaal
+rond gemaakt. Glas, ijzer, steenen, alles, wat daar aangespoeld was,
+had zijn vorm gekregen door het water, dat toch veel zachter dan haar
+fijne hand was. «Dat rolt onvermoeid voort, en zoo wordt het harde
+glad; ik zal ook zoo onvermoeid zijn. Dank voor uw les, gij heldere,
+rollende golven! Eenmaal, dat zegt mij mijn hart, zult ge mij naar
+mijn broeders toe brengen!»
+
+Op het aangespoelde zeegras lagen elf witte zwaneveeren; zij bond ze
+bij elkaar. Er lagen waterdroppels op: of het dauwdroppels of tranen
+waren, kon niemand zien. Eenzaam was het daar aan het strand, maar zij
+gevoelde het niet; want de zee bood een eeuwige afwisseling aan, ja,
+meer in slechts weinige uren, dan de zoete landwateren in een jaar
+kunnen opleveren. Als er een groote, zwarte wolk kwam, dan was het,
+alsof de zee wilde zeggen: «Ik kan er ook donker uitzien,» en dan
+blies de wind en keerden de golven den witten kant naar buiten. Maar
+als de wolken rood schenen en de winden sliepen, dan was de zee als
+een rozeblad; nu eens werd zij groen, dan weer wit. Maar hoe stil
+zij ook was, aan den oever was toch altijd een zachte beweging; het
+water verhief zich slechts even, gelijk de borst van een slapend kind.
+
+Toen de zon zou ondergaan, zag Elize elf witte zwanen met gouden kronen
+op hun koppen naar het land toe komen; zij vlogen vlak achter elkaar,
+zoodat ze een lang wit lint schenen. Nu klom Elize de helling op en
+verborg zich achter een kreupelboschje; de zwanen zetten zich dicht
+bij haar neer en sloegen met hun groote witte vleugels.
+
+Zoodra de zon in het water verdwenen was, vielen de zwaneveeren
+plotseling af, en nu stonden daar elf schoone prinsen, de broeders
+van Elize. Zij gaf een luiden gil; ofschoon zij heel wat veranderd
+waren, wist zij toch, dat zij het waren, gevoelde zij, dat zij het
+zijn moesten. En zij vloog hun in de armen en noemde hen bij name;
+en de prinsen voelden zich hoogst gelukkig, toen zij hun kleine
+zuster zagen en herkenden ook haar, die nu groot en schoon was. Zij
+lachten en weenden, en al spoedig hadden zij begrepen, hoe slecht
+hun stiefmoeder voor hen allen geweest was.
+
+«Wij broeders,» zei de oudste, «wij vliegen als wilde zwanen, zoolang
+de zon aan den hemel staat; zoodra zij ondergegaan is, krijgen wij onze
+menschelijke gedaante terug. Daarom moeten wij altijd oppassen, dat
+wij bij den ondergang der zon een rustplaats voor onze voeten hebben;
+want als wij op dien tijd naar de wolken opvliegen, dan moeten wij als
+menschen in de diepte neerstorten. Hier wonen wij niet; er ligt een
+even schoon land als dit aan gene zijde der zee. Maar de weg daarheen
+is ver: wij moeten over de groote zee heen, en er bevindt zich geen
+eiland op onzen weg, waar wij kunnen overnachten: alleen een kleine
+klip steekt er in het midden daarvan uit; deze is slechts zoo groot,
+dat wij, dicht naast elkander liggende, daarop kunnen slapen. Is
+de zee in hevige beweging, dan spat het water hoog boven ons uit;
+maar toch danken wij God voor die klip. Daar overnachten wij in onze
+menschelijke gedaante; zonder deze zouden wij ons lieve vaderland
+nimmer kunnen bezoeken, want twee van de langste dagen des jaars
+hebben wij voor onzen tocht noodig. Slechts eenmaal in het jaar is
+het ons vergund, een bezoek aan ons vaderland te brengen; elf dagen
+mogen wij hier blijven en over het groote bosch heenvliegen, vanwaar
+wij het kasteel waarin wij geboren zijn en waar onze vader woont, en
+de hooge kerktorens, waar onze moeder begraven is, kunnen zien. Hier
+komt het ons voor, alsof boomen en planten aan ons verwant waren;
+hier loopen de wilde paarden over de steppen heen, zooals wij dit in
+onze kindsheid gezien hebben; hier zingt de kolenbrander zijn oude
+liederen, waarop wij als kinderen dansten; hier is ons vaderland;
+hierheen gevoelen wij ons aangetrokken, en hier hebben wij u, o lieve,
+kleine zuster, gevonden! Twee dagen kunnen wij hier nog blijven,
+dan moeten wij over de zee naar een heerlijk land, dat ons vaderland
+echter niet is. Hoe zullen wij je daar naar toe brengen? Wij hebben
+geen schip en geen boot!»
+
+«Op welke wijze kan ik je verlossen?» vroeg hun zuster. En zij spraken
+bijna den geheelen nacht met elkaar: zij sliepen slechts eenige uren.
+
+Elize ontwaakte door het geklep der zwanevleugels, die over haar heen
+bruisten: haar broeders waren weer veranderd en vlogen in groote
+kringen en eindelijk ver weg; maar een hunner, de jongste, bleef
+achter; en de zwaan legde zijn kop in haar schoot en zij streelde
+zijn vleugels; den geheelen dag waren zij bij elkaar. Tegen den avond
+kwamen de anderen terug, en toen de zon ondergegaan was, stonden zij
+daar weer in hun natuurlijke gedaante.
+
+«Morgen vliegen wij van hier weg en kunnen voor het einde van een
+geheel jaar niet terugkeeren. Maar wij kunnen je zoo niet verlaten. Heb
+je moed om mee te gaan? Ik ben sterk genoeg om je door het bosch te
+dragen. Zouden wij met ons allen niet zulke sterke vleugels hebben,
+om met je over de zee te vliegen?»
+
+«Ja, neemt mij mee!» zei Elize.
+
+Den heelen nacht waren zij bezig van buigzame wilgenschors en taaie
+biezen een net te vlechten, en dit werd groot en stevig. Op dit
+net legde Elize zich neer, en toen de zon te voorschijn kwam en
+haar broeders in wilde zwanen veranderd werden, pakten zij het net
+met hun snavels beet en vlogen met hun lieve zuster, die nog sliep,
+hoog naar de wolken op. De zonnestralen vielen vlak op haar gezicht,
+daarom ging een der zwanen boven haar hoofd vliegen, opdat zijn breede
+vleugels haar zouden beschutten.
+
+Zij waren al ver van het land verwijderd, toen Elize wakker werd;
+zij dacht, dat zij nog droomde, zoo zonderling kwam het haar voor,
+hoog door de lucht over de zee gedragen te worden. Naast haar lag een
+tak met heerlijke, rijpe bessen en een bosje smakelijke wortelen;
+deze had de jongste der broeders voor haar verzameld en bij haar
+neergelegd. Zij glimlachte hem toe, want zij herkende hem; hij was het,
+die boven haar vloog en haar met zijn vleugels beschaduwde.
+
+Zij waren zoo hoog, dat het grootste schip, dat zij onder zich zagen,
+een witte meeuw scheen te zijn, die op het water dreef. Een groote
+wolk stond achter hen; dat was een berg. En op dezen zag Elize haar
+eigene schaduw en die der elf zwanen; zoo reusachtig groot vlogen
+zij daar. Dat was een tooneel, prachtiger dan zij er vroeger ooit
+een gezien had. Maar toen de zon hooger steeg en de wolk verder
+achterbleef, verdween ook het zwevende schaduwbeeld.
+
+Den geheelen dag vlogen zij voort, als een snorrende pijl door de
+lucht; maar het ging toch langzamer dan anders, want nu hadden zij hun
+zuster te dragen. Er was ruw weer ophanden; de avond viel; angstig zag
+Elize de zon al meer en meer dalen, en nog was de eenzame klip in zee
+niet te zien. Het kwam haar voor, alsof de zwanen krachtiger slagen
+met hun vleugels deden. Ach! zij was er de schuld van, dat zij niet
+vlug genoeg konden voortkomen. Als de zon ondergegaan was, dan moesten
+zij menschen worden, in de zee neerstorten en verdrinken. Nu zond zij
+uit het binnenste haars harten een gebed tot God op; maar nog zag zij
+geen klip. De zwarte wolk kwam naderbij; de wolken schenen een enkele,
+groote, dreigende massa te zijn, die er bijna als lood uitzag en al
+meer en meer voorwaarts dreef; bliksemstralen doorkliefden de lucht.
+
+Nu was de zon juist aan den rand der zee. Het hart van Elize beefde;
+nu daalden de zwanen naar beneden, zoo snel, dat zij meende te
+vallen. Maar nu vlogen zij weer verder. De zon was half onder het
+water; nu zag zij eerst de kleine klip onder zich. Deze zag er niet
+grooter uit, dan of het een zeehond was, die met zijn kop boven het
+water uitstak. De zon daalde zeer snel; nu scheen zij nog slechts als
+een ster; daar raakte haar voet den vasten grond aan. De zon doofde
+uit, evenals de laatste vonk in brandend papier: arm in arm zag zij
+haar broeders om zich heen staan; maar meer plaats dan juist voor
+dezen en voor haar was er ook niet. De golven sloegen tegen de klip
+aan en spatten als een stofregen over haar heen; de lucht stond als
+in vuur, en de eene donderslag na den anderen ratelde; maar zuster
+en broeders grepen elkaar bij de hand en zongen psalmen, waaruit zij
+troost en moed putten.
+
+Toen het den volgenden morgen begon te schemeren, was de lucht helder
+en stil; zoodra de zon opging, vlogen de zwanen met Elize van het
+eiland weg. De golven gingen nog hoog; het had, terwijl zij zoo hoog
+in de lucht waren, den schijn, alsof het witte schuim op de zwartachtig
+groene zee millioenen zwanen waren, die op het water zwommen.
+
+Toen de zon hooger steeg, zag Elize voor zich, half in de lucht
+drijvend, een bergachtig land met schitterende ijsmassa's op de
+rotsen; en in het midden daarvan verhief zich een kasteel van wel een
+mijl lang, met de eene kolossale zuilengang boven de andere; beneden
+golfden palmbosschen en prachtige bloemen. Zij vroeg, of dit het land
+was, waar zij naar toe wilden; maar de zwanen schudden met hun kop,
+want datgene, wat zij zag, was het heerlijke, aldoor afwisselende
+wolkenkasteel der Fata Morgana; daarin konden zij geen menschen
+brengen. Elize staarde het aan; daar stortten bergen, bosschen en
+kasteel ineen, en twintig trotsche kerken, alle aan elkaar gelijk,
+met hooge torens en spitsboogvensters stonden voor hen. Zij meende een
+orgel te hooren spelen, maar het was de zee, die zij hoorde. Nu was
+zij zeer dicht bij de kerken, en eensklaps werden deze tot een geheele
+vloot, die onder haar voortzeilde; maar toen zij naar beneden keek,
+waren het slechts nevelen, die over het water heen dreven. Zoo had
+zij een voortdurende afwisseling voor oogen, totdat zij eindelijk het
+werkelijke land zag, waar zij naar toe wilden; daar verhieven zich de
+heerlijkste blauwe bergen met cederbosschen, steden en kasteelen. Lang
+voordat de zon onderging, zat zij op de rotsen voor een groote grot,
+die met fijne groene slingerplanten begroeid was; het zag er uit,
+alsof het geweven tapijten waren.
+
+«Nu zullen we eens zien, wat je hier van nacht droomt!» zei de jongste
+broer en wees haar haar slaapkamer.
+
+«Moge de Hemel geven, dat ik droom, hoe ik je kan verlossen!» zeide
+zij. En deze gedachte hield haar geheel en al bezig; zij bad innig
+tot God om Zijn hulp; ja, zelfs in den slaap ging zij met bidden
+voort. Daar kwam het haar voor, alsof zij hoog in de lucht vloog,
+naar het wolkenkasteel der Fata Morgana; en de toovergodin kwam haar
+te gemoet, schoon en van licht stralende; en toch geleek zij precies
+op de oude vrouw, die haar in het bosch bessen gegeven en haar van
+de zwanen met gouden kronen op den kop verteld had.
+
+«Uw broeders kunnen verlost worden,» zeide zij; «maar bezit ge moed
+en volharding? Wel is het water zachter dan uw fijne handen, maar
+toch rondt het de steenen af; doch het voelt de smarten niet, die uw
+vingers zullen voelen; het heeft geen hart en lijdt den angst en de
+kwelling niet, die gij zult moeten doorstaan. Ziet ge die brandnetel,
+die ik in mijn hand houd? Van die zelfde soort groeien er verscheidene
+rondom de grot, waarin ge slaapt; alleen die daar en die, welke op de
+graven van het kerkhof groeien, zijn bruikbaar: let daar wel op! Die
+moet ge plukken, ofschoon zij uw hand vol blaren zullen branden. Braak
+deze brandnetels met uw voeten, dan krijgt ge vlas; daarvan moet ge
+elf hemden met lange mouwen vlechten en naaien; werp deze over de
+elf zwanen heen, dan is de betoovering geweken. Maar bedenk wel, dat
+ge van het oogenblik, waarop ge met dezen arbeid begint, totdat deze
+voltooid is, al mochten er ook jaren mee verloopen, niet moogt spreken;
+het eerste woord, dat ge spreekt, dringt als een doodende dolk in de
+harten van uw broeders door! Aan uw tong hangt hun leven! Neem dat
+alles wel ter harte!»
+
+En zij raakte met haar hand tegelijkertijd de brandnetel aan; deze was
+als een brandend vuur; Elize werd er wakker van. Het was klaarlichte
+dag, en dicht bij de plaats, waar zij geslapen had, lag een brandnetel
+evenals die, welke zij in den droom gezien had. Nu viel zij op haar
+knieën, dankte God en ging de grot uit, om een begin met haren arbeid
+te maken.
+
+Met haar fijne handen greep zij in de leelijke brandnetels; deze
+waren als vuur; zij brandden groote blaren op haar handen en armen:
+maar gaarne wilde zij dit lijden doorstaan, als zij er haar geliefde
+broeders maar door kon verlossen. Zij braakte iedere brandnetel met
+haar bloote voeten en vlocht het groene vlas.
+
+Toen de zon ondergegaan was, kwamen haar broeders en verschrikten,
+toen zij merkten, dat zij stom was; zij dachten, dat dit een nieuwe
+betoovering van hun booze stiefmoeder was. Maar toen zij haar handen
+zagen, begrepen zij, wat zij om hunnentwil deed. De jongste broeder
+weende; en waar zijn tranen vielen, daar voelde zij geen pijn meer;
+daar verdwenen de brandende blaren.
+
+Den heelen nacht bracht zij met haar arbeid door; want zij had geen
+rust, voordat zij haar broeders verlost had. Den volgenden dag,
+terwijl de zwanen weg waren, zal zij in haar eenzaamheid; maar nog
+nooit was de tijd haar zoo gauw voorbijgegaan als thans. Één hemd
+was reeds klaar, nu begon zij aan het tweede.
+
+Eensklaps weerklonk er een jachthoorn tusschen de bergen; zij werd door
+vrees aangegrepen. Het geschal kwam gedurig naderbij; zij hoorde honden
+blaffen; verschrikt vluchtte zij in de grot, bond de brandnetels,
+die zij verzameld en gebraakt had, in een bosje samen en zette zich
+daarop neer.
+
+Terstond kwam er een groote hond uit de kloof te voorschijn, en al
+spoedig daarop weer een, en nog een; zij blaften luide, liepen terug
+en kwamen andermaal weer. Het duurde slechts weinige minuten, en nu
+stonden al de jagers voor de grot, en de schoonste van hen was de
+koning des lands. Hij ging naar Elize toe; nooit had hij een schooner
+meisje gezien.
+
+«Hoe zijt ge hier zoo gekomen, beste meid?» vroeg hij. Elize schudde
+met het hoofd: zij mocht immers niet spreken; het gold de verlossing
+en het leven van haar broers. En zij verborg haar handen onder haar
+schort, opdat de koning niet zou zien, wat zij moest lijden.
+
+«Ga met mij mee!» zeide hij. «Hier kunt ge niet blijven. Als ge even
+goed zijt als schoon, dan zal ik u in zijde en fluweel kleeden, een
+gouden kroon op uw hoofd zetten, en dan zult ge in mijn prachtigste
+kasteel wonen en heerschen!»--Daarop tilde hij haar op zijn paard. Zij
+weende en wrong zich de handen; maar de koning zei: «Ik wil slechts
+uw geluk. Eenmaal zult ge mij daarvoor danken.» Met deze woorden reed
+hij door het gebergte heen en zette haar voor zich op het paard neer,
+en de jagers reden achter hen.
+
+Toen de zon onderging, lag de schoone koningstad met kerken en koepels
+voor hen. En de koning bracht haar in het kasteel, waar groote
+fonteinen in de marmeren zalen sprongen, en waar schilderijen aan
+de muren prijkten. Maar zij had daarvoor geen oogen: zij weende en
+treurde slechts. Gewillig liet zij zich door de vrouwen koninklijke
+kleeren aandoen, paarlen in de haren vlechten en fijne handschoenen
+over haar verbrande vingers aantrekken.
+
+Toen zij daar in al haar pracht stond, was zij verblindend schoon,
+zoodat het hof diep voor haar boog. En de koning verkoos haar tot zijn
+bruid, ofschoon de aartsbisschop het hoofd schudde en fluisterde, dat
+het schoone meisje uit het bosch zeker een heks was: zij verblindde
+de oogen des konings en maakte zijn hart verdwaasd.
+
+Maar de koning luisterde daar niet naar, liet de muziek weerklinken,
+de kostelijkste gerechten opdragen en de bekoorlijkste meisjes om
+haar heen dansen. En zij werd door geurende tuinen in prachtige
+zalen gebracht, maar geen enkel glimlachje kwam er op haar lippen
+of uit haar oogen: als een beeld der treurigheid stond zij daar. Nu
+deed de koning een kleine kamer daarnaast open, waar zij zou slapen;
+deze was met kostbare groene tapijten versierd en geleek op de grot,
+waarin zij geweest was; op den vloer lag een bosje vlas, dat zij
+uit de brandnetels vervaardigd had, en onder een gordijn hing het
+hemd, dat geheel gereed was. Dit alles had een der jagers als een
+curiositeit meegenomen.
+
+«Hier kunt ge u in uw vroegere woonplaats terugdroomen!» zei de
+koning. «Hier is de arbeid, die u daar bezighield; thans, midden in al
+uw pracht, zal het u een genoegen zijn, aan dien tijd terug te denken.»
+
+Toen Elize zag, wat haar zoo na aan het hart lag, speelde er een
+glimlach om haar lippen en keerde het bloed naar haar wangen terug. Zij
+dacht aan de verlossing van haar broeders, kuste den koning de hand,
+en hij drukte haar aan zijn hart en liet door al de kerkklokken het
+bruiloftsfeest verkondigen. Het schoone, stomme meisje uit het bosch
+werd de koningin van het land.
+
+Nu fluisterde de aartsbisschop booze woorden in de ooren van den
+koning, maar deze drongen niet tot zijn hart door. De bruiloft zou
+plaats hebben; de aartsbisschop zelf moest haar de kroon op het hoofd
+zetten, en hij drukte met kwaadwilligheid den nauwen diadeem vast
+op haar voorhoofd, zoodat het haar pijn deed. Maar een heviger pijn
+gevoelde zij in haar hart: de smart over haar broeders. Zij voelde
+het lichamelijk lijden niet. Haar mond was stom; een enkel woord zou
+immers aan haar broeders het leven kosten; maar in haar oogen verried
+zich innige liefde jegens den goeden, schoonen koning, die alles deed
+om haar genoegen te geven. Van ganscher harte kreeg zij hem van dag
+tot dag meer lief. O, mocht zij haar hart slechts voor hem kunnen
+uitstorten en hem haar lijden klagen! Doch stom moest zij zijn, stom
+moest zij haar werk volbrengen. Daarom sloop zij des nachts van zijn
+zijde weg, ging naar de kleine kamer, die evenals de grot ingericht
+was, en maakte het eene hemd na het andere gereed. Maar toen zij aan
+het zevende zou beginnen; had zij geen vlas meer.
+
+Zij wist, dat de brandnetels, die zij moest hebben, op het kerkhof
+groeiden; maar deze moest zij zelf plukken. Hoe zou zij daar naar
+toe kunnen gaan?
+
+«O, wat is de pijn in mijn vingers bij de foltering, die mijn hart
+doorstaat!» dacht zij. «Ik moet het wagen! Het zal mij stellig aan
+hulp niet ontbreken!» Met een angst, alsof het een booze daad was,
+die zij in den zin had, sloop zij in den nachtelijken maneschijn naar
+den tuin en liep door de lanen en door de eenzame straten naar het
+kerkhof. Daar zag zij op een der grootste grafsteenen een troep heksen
+zitten. Deze leelijke heksen trokken haar lompen uit, alsof zij zich
+wilden baden, en daarop dolven zij met haar lange, magere vingers de
+versche graven op, haalden er met duivelsche begeerigheid de lijken
+uit en aten van hun vleesch. Elize moest er op een kleinen afstand
+voorbij, en zij vestigden haar booze blikken op haar; maar zij bad
+in stilte, verzamelde de brandnetels en bracht ze naar het kasteel toe.
+
+Slechts een enkel mensch had haar gezien, en wel de aartsbisschop;
+hij was wakker, wanneer de anderen sliepen. Nu had hij toch gelijk,
+dat het met de koningin niet was, zooals het wezen moest; zij was
+een heks, daarom had zij den koning en het volk verblind.
+
+In den biechtstoel zeide hij tegen den koning, wat hij gezien had en
+wat hij vreesde. En toen de harde woorden van zijn lippen vloeiden,
+schudden de heiligenbeelden met hun hoofden, alsof zij wilden zeggen:
+«Het is zoo niet! Elize is onschuldig!» Maar de aartsbisschop gaf er
+een andere uitlegging aan; hij dacht, dat zij tegen haar getuigden,
+en dat zij om haar zonde het hoofd schudden. Nu biggelden den koning
+twee tranen langs de wangen; hij ging naar huis met twijfel in zijn
+hart en hield zich 's nachts, alsof hij sliep. Maar er kwam geen
+geruste slaap in zijn oogen: hij merkte, dat Elize opstond. Iederen
+nacht herhaalde zij dit, en telkens achtervolgde hij haar stilletjes
+en zag, hoe zij in haar kamer verdween.
+
+Van dag tot dag werd zijn voorkomen somberder; Elize zag dit, maar
+begreep niet, hoe het kwam; het maakte haar echter ongerust, en wat
+leed zij niet in haar hart voor haar broeders! Op het koninklijk
+fluweel en purper vloeiden haar heete tranen; deze lagen daar als
+fonkelende diamanten en allen, die deze schitterende pracht zagen,
+wenschten koningin te zijn. Intusschen was zij al spoedig met haar
+arbeid gereed; slechts één hemd ontbrak er nog aan; maar vlas had
+zij ook niet meer en geen enkele brandnetel. Nog eenmaal, en wel
+voor den laatsten keer, moest zij daarom naar het kerkhof, om eenige
+handenvol te plukken. Zij dacht met angst aan dezen eenzamen tocht
+en aan de verschrikkelijke heksen; maar haar wil stond vast, alsmede
+haar vertrouwen op den Heer.
+
+Elize ging er heen; maar de koning en de aartsbisschop volgden
+haar. Zij zagen haar het hek van het kerkhof doorgaan, en toen zij daar
+dichter bij kwamen, zaten de heksen op den grafsteen, evenals Elize ze
+gezien had; en de koning wendde zich af, want hij meende ook haar daar
+te zien, wier hoofd nog dien zelfden avond aan zijn borst gerust had.
+
+«Het volk moet haar vonnissen!» zeide hij. En het volk veroordeelde
+haar tot den dood op den brandstapel.
+
+Uit de prachtige koninklijke zalen werd zij naar een donkeren,
+vochtigen kerker overgebracht, waar de wind door de tralies heenfloot;
+in plaats van fluweel en zijde gaf men haar het bosje brandnetels,
+dat zij verzameld had: daar kon zij haar hoofd op neerleggen: de
+harde, brandende hemden, die zij vervaardigd had, zouden haar dekens
+zijn. Maar men had haar niets kunnen geven, wat haar aangenamer was;
+zij vatte haar werk weer op en bad tot God. Buiten zongen de jongens
+spotliederen op haar; niemand troostte haar met een vriendelijk woord.
+
+Daar klapten er tegen den avond dicht voor het getraliede raam
+zwanevleugels; dat was de jongste der broeders. Hij had zijn zuster
+gevonden; en zij snikte luid van vreugde, ofschoon zij wist, dat
+de nacht, die aanstaande was, waarschijnlijk de laatste zou zijn,
+dien zij te leven had. Maar nu was het werk ook bijna geëindigd,
+en haar broeders waren hier.
+
+De aartsbisschop kwam nu, om in haar laatste uren bij haar te zijn:
+dat had hij den koning beloofd. Maar zij schudde het hoofd en smeekte
+met blikken en gebaren, dat hij heen zou gaan. Dezen nacht moest zij
+haar arbeid immers voltooien, anders was alles vruchteloos, alles:
+smart, tranen en slapelooze nachten. De aartsbisschop verwijderde zich,
+terwijl hij haar toornige woorden toevoegde; maar de arme Elize wist,
+dat zij onschuldig was en ging met haar werk voort.
+
+De kleine muizen liepen over den vloer; zij sleepten brandnetels naar
+haar toe, om toch ook wat te helpen; en de lijster zette zich voor
+het raam neer en zong den heelen nacht zoo vroolijk, als zij maar kon,
+opdat Elize den moed niet zou verliezen.
+
+Het was nog schemerachtig; eerst na verloop van een uur ging de zon
+op. En daar stonden de elf broeders voor de poort van het kasteel en
+verlangden tot den koning toegelaten te worden. Dat kon niet gebeuren,
+werd hun ten antwoord gegeven; het was immers nog nacht: de koning
+sliep en mocht niet wakker gemaakt worden. Zij smeekten en dreigden,
+de wacht kwam, ja, zelfs de koning ging naar buiten en vroeg, wat dat
+moest beteekenen? Daar ging de zon op, en nu waren er geen broeders
+te zien; maar boven het kasteel vlogen er elf wilde zwanen.
+
+Het geheele volk stroomde de stadspoort uit: het wilde de heks zien
+verbranden. Een oud paard trok de kar, waarop zij zat, voort; men
+had haar een kiel van grof zaklinnen aangetrokken; haar prachtig
+haar hing verward om haar hoofd; haar wangen waren doodsbleek, haar
+lippen bewogen zich zachtjes, terwijl haar vingers het groene vlas
+vlochten. Zelfs op haar doodsweg hield zij niet met het begonnen werk
+op; de tien hemden lagen aan haar voeten, aan het elfde werkte zij
+nog. Het gepeupel bespotte haar.
+
+«Kijk die leelijke heks eens! Geen gezangboek heeft zij in de hand;
+neen, met haar afschuwelijke tooverij zit zij daar! Scheurt haar in
+duizend stukken!»
+
+En zij snelden allen op haar los en wilden de hemden verscheuren,
+toen er elf wilde zwanen kwamen aanvliegen, die zich rondom haar
+op de kar neerzetten en met hun groote vleugels klapten. Nu week de
+menigte verschrikt op zijde.
+
+«Dat is een teeken van den hemel! Zij is zeker onschuldig!» fluisterden
+velen. Maar zij waagden het niet, dit overluid te zeggen.
+
+Nu greep de beul haar bij de hand, waarop zij de elf hemden haastig
+over de zwanen heenwierp. En onmiddellijk stonden daar elf schoone
+prinsen. Maar de jongste had een zwanevleugel in plaats van zijn
+eenen arm, want er ontbrak een mouw aan zijn hemd: deze had zij niet
+klaargekregen.
+
+«Nu mag ik spreken!» zeide zij. «Ik ben onschuldig!»
+
+En het volk, dat zag, wat er gebeurd was, boog zich voor haar als voor
+een heilige; maar zij zonk levenloos in de armen van haar broeders:
+zoozeer hadden overspanning, angst en smart haar aangegrepen.
+
+«Ja, onschuldig is zij,» zei de oudste broeder, en nu vertelde hij
+alles, wat er gebeurd was. En terwijl hij sprak, verspreidde zich een
+geur, als van millioenen rozen, want ieder stuk brandhout van den
+brandstapel had wortelen geschoten en kreeg takken; er stond daar
+een geurende heg, hoog en groot, met roode rozen; bovenaan prijkte
+een bloem, wit en schitterend; deze fonkelde als een ster. De koning
+plukte haar af en stak haar op de borst van Elize: nu ontwaakte zij
+met vrede en gelukzaligheid in het hart.
+
+En alle kerkklokken luidden van zelf, en de vogels kwamen bij groote
+scharen aan. Het werd een bruidsstoet naar het kasteel terug zooals
+geen koning nog ooit gezien had!
+
+
+
+
+HET MADELIEFJE.
+
+
+Luister nu eens!
+
+Buiten op het land, dicht aan den weg, stond een aardig huisje. Ge
+hebt het zeker zelf wel eens gezien. Daarvoor is een kleine tuin met
+bloemen en een heining, die geverfd is; dicht daarbij aan den kant van
+de gracht, te midden van het mooiste groene gras, groeide een klein
+madeliefje; de zon bescheen het even warm en heerlijk als de groote,
+mooie, prachtige bloemen in den tuin, en daarom groeide het van uur
+tot uur.
+
+Op zekeren morgen stond het met zijn kleine, sneeuwwitte blaadjes,
+die als stralen rondom de gele zon in het midden zaten, geheel
+ontloken. Het dacht er niet aan, dat niemand het daar in het gras
+zag, en dat het een arm, veracht bloempje was; neen, het was zeer
+vergenoegd, het wendde zich naar de warme zon toe, keek er naar op
+en luisterde naar den leeuwerik, die in de lucht zong.
+
+Het kleine madeliefje was zoo gelukkig, alsof het een groote feestdag
+was, en het was toch maar een Maandag. Al de kinderen waren naar school
+toe. Terwijl dezen op hun banken zaten en leerden, zat het madeliefje
+op zijn kleinen, groenen stengel en leerde ook van de warme zon en
+van alles in den omtrek, hoe goed God is; en het beviel het bloempje
+goed, dat de kleine leeuwerik alles, wat het in stilte gevoelde,
+zoo duidelijk en schoon zong. En het madeliefje keek met een soort
+van eerbied naar den gelukkigen vogel, die kon zingen en vliegen,
+maar was er niet bedroefd over, dat het dit zelf niet kon. «Ik zie en
+hoor immers!» dacht het; «de zon beschijnt mij en de wind kust mij! O,
+hoe rijk ben ik toch begiftigd!»
+
+In den tuin stonden vele stijve, deftige bloemen; hoe minder geur
+zij van zich gaven, des te meer pronkten zij. De pioenen bliezen
+zich op, om grooter dan een roos te zijn; maar in de grootte zit
+het hem niet! De tulpen hadden de allerschoonste kleuren, en dat
+wisten zij wel en hielden zich zoo recht als een kaars, opdat men ze
+beter zou kunnen zien. Zij letten niet op het kleine madeliefje daar
+buiten; maar dit keek des te meer naar hen en dacht: «Wat zijn zij
+toch rijk en schoon! Ja, de prachtige vogel vliegt zeker naar hen
+toe en brengt hun een bezoek! Goddank dat ik er zoo dicht bij sta,
+dan heb ik toch ook wat aan die pracht!» En terwijl het dit dacht,
+«Kieviet!» daar kwam de leeuwerik aanvliegen, maar niet naar de
+pioenen en de tulpen toe,--neen, hij zette zich op het gras bij
+het arme madeliefje neer. Dit verschrikte zoo, dat het niet wist,
+wat het er van moest denken.
+
+De kleine vogel danste rondom het lieve bloempje heen en zong: «O, wat
+is dat gras toch zacht! En zie eens, welk een lief bloempje met goud
+in het hart en zilver op zijn kleed!» Het gele stipje in het madeliefje
+zag er immers als goud uit, en de blaadjes rondom waren zilverwit.
+
+Hoe gelukkig het kleine madeliefje was,--neen, dat kan niemand zich
+voorstellen! De vogel kuste het met zijn snavel, zong er voor en vloog
+toen weer in de blauwe lucht op. Het duurde zeker wel een kwartier,
+voordat het madeliefje weer wat tot zich zelf gekomen was. Half
+beschaamd en toch innerlijk verheugd, keek het naar de andere bloemen
+in den tuin; zij hadden immers de eer en het geluk, dat hem weervaren
+was, gezien; zij moesten immers begrijpen, welk een blijdschap dit
+voor hem was. Maar de tulpen stonden nog eens zoo stijf als vroeger,
+en toen zetten zij een lang gezicht en werden vuurrood, want zij hadden
+er zich over geërgerd. De pioenen waren knorrig; het was goed, dat zij
+niet konden spreken, anders had het madeliefje zeker een hatelijkheid
+moeten aanhooren. De arme kleine bloem kon wel zien, dat zij niet in
+een goede luim waren, en dat deed haar van harte leed. Op hetzelfde
+oogenblik kwam er een meisje met een groot, scherp en blinkend mes
+in den tuin; zij liep naar de tulpen toe en sneed de eene na de
+andere af. «Och!» zeide het madeliefje met een zucht: «dat is toch
+verschrikkelijk: nu is het met hen gedaan!» Daarop ging het meisje met
+de tulpen weg. Het madeliefje was er blij om, dat het buiten in het
+gras stond en een klein bloempje was, het gevoelde zich zeer dankbaar,
+en toen de zon onderging, vouwde het zijn blaadjes dicht, viel in
+slaap en droomde den heelen nacht van de zon en van den kleinen vogel.
+
+Den volgenden morgen, toen het bloempje al zijn witte blaadjes weer
+als kleine armen naar de lucht en het licht uitstrekte, herkende het de
+stem van den vogel; maar het klonk treurig, wat hij zong. Ja, de arme
+leeuwerik had daar wel reden voor; hij was gevangen en zat in een kooi,
+dicht bij het open raam. Hij bezong het vrije en gelukkige rondvliegen,
+zong van het jonge, groene koren op het veld en van de heerlijke
+tochten, die hij op zijn vleugels hoog in de lucht kon doen. De arme
+leeuwerik was niet opgewekt; hij zat daar in een kooi gevangen.
+
+Het kleine madeliefje wilde hem graag helpen. Maar hoe zou het dit
+doen? Ja, daar was moeilijk iets op te bedenken. Het bloempje vergat
+heelemaal, hoe schoon alles in den omtrek stond, hoe warm de zon
+scheen en hoe prachtig wit zijn blaadjes er uitzagen. Ach, het kon
+aan niets anders denken dan aan den gevangen vogel, voor wien het
+volstrekt niets kon doen.
+
+Op dit zelfde oogenblik kwamen er twee kleine jongens uit den tuin;
+de een hield een mes in de hand, groot en scherp, evenals dat hetwelk
+het meisje had, om de tulpen af te snijden. Zij gingen naar het kleine
+madeliefje toe, dat maar niet kon begrijpen, wat zij wilden.
+
+«Hier kunnen we een heerlijke graszode voor den leeuwerik uitsnijden!»
+zei het eene jongetje en begon toen om het madeliefje heen een vierhoek
+te snijden, zoodat het midden in de graszode bleef staan.
+
+«Pluk het bloempje af!» zei het andere jongetje, en het madeliefje
+beefde van angst; want afgeplukt te worden stond immers gelijk met
+het leven te verliezen; en nu wilde het nog veel te graag leven, daar
+het met de graszode naar den gevangen leeuwerik in de kooi toe moest.
+
+«Neen, laat het staan!» zei het andere jongetje; «het is zoo'n lief
+bloempje!» En zoo bleef het dan staan en kwam in de kooi van den
+leeuwerik.
+
+Maar de arme vogel klaagde luid over het verlies van zijn vrijheid
+en sloeg met zijn vlerken tegen het ijzerdraad van de kooi; het
+kleine madeliefje kon niet spreken, geen vertroostend woord zeggen,
+hoe graag het ook wilde. Zoo verliep de voormiddag.
+
+«Hier is geen water,» zei de gevangen leeuwerik. «Ze zijn allemaal
+uitgegaan en hebben vergeten, mij te drinken te geven. Mijn keel is
+droog en brandend! Er is vuur en ijs in mij, en de lucht is zwaar! Ach,
+ik moet sterven, scheiden van den warmen zonneschijn, van het frissche
+groen, van al de heerlijkheid, die God geschapen heeft!» En toen
+boorde hij met zijn snavel in de koele graszode, om zich daardoor
+een weinig te verfrisschen! Daar viel zijn blik op het madeliefje,
+en de vogel knikte het toe, kuste het met den snavel en zei: «Gij moet
+hier binnen ook verdrogen, arme, kleine bloem! U en het kleine plekje
+groene gras heeft men mij gegeven in ruil voor de geheele wereld,
+die ik daar buiten had! Ieder grashalmpje moet mij een groene boom,
+elk van uw witte bladeren een geurige bloem zijn! Ach, ge herinnert
+er mij slechts aan, hoeveel ik verloren heb.»
+
+«Kon ik hem maar wat troosten!» dacht het madeliefje; maar het kon
+geen blad bewegen; doch de geur, die de teere blaadjes van zich gaven,
+was veel sterker, dan men anders bij dit bloempje vindt; dat merkte
+de vogel ook, en ofschoon hij van dorst versmachtte en in zijn smart
+de groene grashalmpjes afrukte, raakte hij het bloempje toch niet aan.
+
+Het werd avond, en nog kwam er niemand, om den armen vogel een droppel
+water te brengen; nu strekte hij zijn lieve vlerkjes uit en schudde
+er krampachtig mee; zijn gezang was een weemoedig piep-piep; zijn
+klein kopje boog zich langzaam naar het bloempje toe, en het hart
+van den vogel brak van gebrek en heimwee. Nu kon het bloempje niet,
+evenals den vorigen avond, zijn blaadjes samenvouwen en slapen,
+het hing ziek en treurig op den grond neer.
+
+Eerst den volgenden morgen kwamen de jongetjes, en toen zij den dooden
+vogel zagen, weenden zij bittere tranen en groeven een aardig grafje,
+dat met bloembladeren versierd werd. Het lijk van den vogel kwam in
+een mooi rood doosje; koninklijk zou hij begraven worden, de arme
+vogel! Toen hij leefde en zong, vergaten ze hem, lieten hem in de
+kooi zitten en gebrek lijden; nu werd hij geëerd en werden er tranen
+om hem gestort.
+
+Maar de graszode met het madeliefje werd in het stof van den straatweg
+geworpen. Niemand dacht aan de bloem, die het meest voor den kleinen
+vogel gevoeld had en die hem zoo graag had willen troosten!
+
+
+
+
+DE GESCHIEDENIS VAN EEN MOEDER.
+
+
+Een moeder zat bij de wieg van haar kind: zij was diep bedroefd en
+vreesde, dat het zou sterven. Zijn gezichtje was bleek en zijn oogjes
+waren gesloten. Het kind haalde zwaar en somtijds zoo diep adem,
+alsof het zuchtte, en de moeder keek nog treuriger naar het arme wicht.
+
+Eensklaps werd er op de deur geklopt, en nu trad er een arm, oud
+man binnen, die in een groot paardedek gewikkeld was; want daarin
+blijft men warm, en dat had hij wel noodig; het was immers een koude
+winter. Buiten was alles met ijs en sneeuw bedekt, en de wind blies
+zoo scherp, dat hij in het gezicht sneed.
+
+Daar de oude man van de koude trilde en het kind een oogenblik sliep,
+verliet de moeder de wieg even en zette bier in een kleinen pot op
+het vuur, om het voor hem te warmen. De oude man zette er zich bij
+neer en wiegde het kind, en de moeder ging op een ouden stoel naast
+hem zitten, keek naar haar ziek kind, dat zoo diep adem haalde,
+en greep zijn handje vast.
+
+«Niet waar, ge denkt toch ook, dat ik het wel zal behouden?» vroeg
+zij. «De goede God zal het mij niet ontnemen!»
+
+De oude man--het was de Dood--knikte zoo zonderling, dat het even goed
+ja als neen kon beteekenen. Maar de moeder sloeg haar oogen neer,
+en tranen biggelden langs haar wangen. Het hoofd werd haar zwaar;
+in drie dagen en drie nachten had zij geen oog geloken; en nu viel
+zij in slaap, doch haar slaap duurde niet langer dan een minuut; toen
+stond zij op en beefde van de kou. «Wat is dat?» riep zij uit en keek
+naar alle kanten rond. Maar de oude man was weg, en haar kind was weg:
+hij had het meegenomen. In de hoek van de kamer maakte de oude klok
+een zonderling geluid; het zware looden gewicht kwam op den vloer
+neer--plomp!--daar stond de klok stil.
+
+De arme moeder snelde het huis uit en riep om haar kind.
+
+Buiten, midden in de sneeuw, zat een man in een lang, zwart gewaad,
+en zei: «De Dood is bij u in de kamer geweest; ik heb hem met uw kind
+zien wegsnellen; hij loopt sneller dan de wind en brengt nooit terug,
+wat hij weggenomen heeft.»
+
+«Zeg mij maar, welken weg hij ingeslagen is!» zei de moeder. «Zeg
+mij den weg, en ik zal dien wel vinden.»
+
+«Ik weet dien,» zei de man in het zwarte gewaad; «maar voordat ik u dit
+zeg, moet ge eerst al de liedjes voor mij zingen, die ge voor uw kind
+gezongen hebt. Ik mag zulke liedjes graag; ik heb ze vroeger wel meer
+gehoord; ik ben de nacht en heb uw tranen gezien, toen gij ze zongt.»
+
+«Ik zal ze allemaal zingen!» zei de moeder. «Maar houd mij niet op,
+opdat ik hem kan inhalen, opdat ik mijn kind moge wedervinden!»
+
+Maar de nacht zat stil en stom. Nu wrong de moeder zich de handen,
+zong en weende. En er vloeiden vele liedjes van haar lippen, maar
+nog meer tranen uit haar oogen. Toen zei de nacht: «Loop het donkere
+dennenwoud in; daar heb ik den dood met het kind naar toe zien gaan.»
+
+In het dichtst van het woud bevond zich een kruisweg, en zij wist niet,
+welke richting zij nu moest inslaan. Er stond daar een doornstruik:
+deze had bladeren noch bloemen; maar het was dan ook in den barren
+wintertijd, en er hingen ijskegels aan de takken.
+
+«Hebt ge den Dood met mijn kind zien voorbijgaan?» vroeg zij.
+
+«Ja!» zei de doornstruik; «maar ik zeg u niet, welken weg hij
+ingeslagen is, als gij mij niet vooraf aan uw boezem wilt verwarmen! Ik
+vries hier dood, ik word tot louter ijs!»
+
+En zij drukte den doornstruik vast aan haar borst, opdat hij heelemaal
+zou kunnen ontdooien. De doornen drongen in haar vleesch door, en haar
+bloed vloeide in groote droppels. Maar de doornstruik kreeg nieuwe,
+groene bladeren en droeg bloesems in den winternacht; zoo warm is het
+aan het hart van een bedroefde moeder! De doornstruik zei haar daarop,
+welken weg zij moest inslaan.
+
+Nu kwam zij aan een groot meer, waarop geen enkel schip of schuitje te
+zien was. Het meer was niet genoeg dichtgevroren, om haar te dragen,
+en ook niet open en ondiep genoeg, om doorwaad te kunnen worden,--en
+toch moest zij er overheen, als zij haar kind wilde vinden. Nu ging
+zij op haar knieën liggen, om het meer leeg te drinken; maar dat was
+immers onmogelijk voor een mensch. Doch de bedroefde moeder dacht,
+dat er misschien een wonder zou kunnen gebeuren.
+
+«Neen, dat zal nooit gaan!» zei het meer. «Laat ons beiden liever
+zien, of wij het met elkaar eens kunnen worden. Ik houd er van,
+parels te verzamelen, en uw oogen zijn twee van de schoonste, die ik
+ooit gezien heb: wilt gij ze in mij uitweenen, dan zal ik u naar de
+groote broeikas brengen, waarin de Dood woont en bloemen en boomen
+verpleegt; elk van deze is een menschenleven.»
+
+«O, wat zou ik niet willen geven, om bij mijn kind te komen,» zei de
+moeder, die reeds zooveel tranen gestort had. Zij weende nog meer,
+en haar oogen vielen op den bodem van het meer en werden twee kostbare
+parels. Maar het meer hief haar in de hoogte alsof zij op een schommel
+zat, en in een oogenblik vloog zij op den tegenovergestelden oever,
+waar een mijlenlang, wonderbaar huis stond. Men wist niet, of het een
+berg met bosschen en grotten, dan of het getimmerd was. Maar de arme
+moeder kon het niet zien: zij had haar oogen immers uitgeweend.
+
+«Waar kan ik den Dood vinden, die met mijn kind is weggegaan?»
+vroeg zij.
+
+«Hij is hier nog niet aangekomen!» zei een oude, grijze vrouw, die
+daar rondliep en op de broeikas van den Dood moest passen. «Hoe hebt
+ge den weg hier heen gevonden, en wie heeft u geholpen?»
+
+«De goede God heeft mij geholpen,» antwoordde zij. «Hij is barmhartig,
+en dat zult gij ook zijn. Waar kan ik mijn kind vinden?»
+
+«Ik ken het niet,» zei de oude vrouw, «en gij kunt immers niet
+zien!--Vele bloemen en boomen zijn er in dezen nacht verwelkt: de
+Dood zal wel spoedig komen om ze te verplanten.
+
+«Ge weet immers wel, dat ieder mensch zijn levensboom of zijn
+levensbloem heeft. Zij zien er als andere gewassen uit, maar hun
+harten kloppen. Kinderharten kunnen ook kloppen! Let daarop, misschien
+herkent ge het kloppen van het hart van uw kind. Maar wat geeft ge mij,
+als ik u zeg, wat ge nog meer moet doen?»
+
+«Ik heb niets te geven,» zei de bedroefde moeder. «Maar ik wil voor
+u tot aan het einde der wereld gaan.»
+
+«Daar heb ik niets te doen,» zei de oude vrouw, «maar ge kunt mij
+uw lang, zwart haar geven; ge weet zelf zeker wel, dat het mooi is;
+het bevalt mij! Ge kunt mijn wit haar daarvoor krijgen; dat is toch
+altijd iets!»
+
+«Verlangt ge anders niets?» vroeg zij. «Dat geef ik u met alle
+genoegen!» En zij gaf haar haar mooie haar en kreeg in plaats daarvan
+het sneeuwwitte der oude vrouw.
+
+Daarop gingen zij in de groote broeikas van den Dood, waar bloemen en
+boomen wonderbaar door elkaar groeiden. Daar stonden fijne hyacinten
+onder glazen klokken, en groote, stevige pioenen. Daar groeiden
+waterplanten, waarvan enkele er frisch, andere kwijnend uitzagen,
+waterslangen lagen daarop neer, en zwarte kreeften klemden zich aan
+den stengel vast. Daar stonden prachtige palmen, eiken en platanen,
+peterselie en bloeiende tijm. Alle boomen en bloemen hadden hun
+namen; zij waren elk een menschenleven; de menschen leefden nog,
+sommigen in China, anderen in Groenland, in één woord, in alle
+deelen der wereld. Daar stonden groote boomen in kleine potten,
+zoodat zij het er bekrompen in hadden, en het niet veel scheelde,
+of zij deden de potten barsten; er was daar ook menige kleine zwakke
+bloem in een vetten grond, met mos er omheen en zorgvuldig gekoesterd
+en verpleegd. Maar de bedroefde moeder boog zich over alle kleinere
+planten heen, zij hoorde in elke een menschenhart kloppen; en uit
+millioenen herkende zij dat van haar kind.
+
+«Daar is het!» riep zij en strekte haar hand over een klein krokusje
+uit, dat ziek naar één kant overhing.
+
+«Raak de bloem niet aan!» zei de oude vrouw. «Maar blijf hier staan,
+en als de Dood komt,--ik verwacht hem ieder oogenblik,--laat hem dan
+de plant niet uittrekken en dreig hem, dat gij in dat geval hetzelfde
+met de overige bloemen zult doen: dan wordt hij bang! Hij moet bij
+God daarvoor instaan; er mag er geen uitgetrokken worden, voordat
+Hij er vergunning toe geeft.»
+
+Daar suisde het eensklaps ijskoud door de zaal, en de blinde moeder
+voelde, dat het de Dood was, die nu kwam.
+
+«Hoe hebt ge den weg hier naar toe kunnen vinden?» vroeg hij. «Hoe
+hebt ge hier vlugger naar toe kunnen loopen dan ik?»
+
+«Ik ben een moeder!» antwoordde zij.
+
+De Dood strekte zijn lange hand naar de kleine, fijne bloem uit;
+maar zij hield er haar handen overheen, hield haar vast omsloten, en
+nogtans vol zorgvuldigheid, dat zij geen van de bladeren aanraakte. Nu
+blies de Dood op haar handen, en zij voelde dat dit kouder was dan
+de koude wind; nu vielen haar handen slap neer.
+
+«Tegen mij kunt ge toch niets uitrichten!» zei de Dood.
+
+«Maar God kan dit wel!» gaf zij hem hierop ten antwoord.
+
+«Ik doe slechts, wat Hij wil!» zei de Dood. «Ik ben Zijn tuinman. Ik
+neem al Zijn bloemen en boomen en verplant ze in den grooten tuin
+van het Paradijs, in het onbekende land. Hoe ze daar groeien en hoe
+het daar is, dat mag ik u niet zeggen!»
+
+«Geef mij mijn kind terug!» zei de moeder en weende en
+smeekte. Eensklaps greep zij met haar handen twee mooie bloemen
+stevig vast en riep den Dood toe: «Ik trek al uw bloemen uit, want
+ik ben wanhopig!»
+
+«Raak ze niet aan!» zei de Dood. «Ge zegt, dat ge zoo ongelukkig zijt,
+en wilt ge nu een andere moeder even ongelukkig maken?»
+
+«Een andere moeder?» zei de ongelukkige vrouw en liet de beide bloemen
+dadelijk los.
+
+«Daar hebt ge uw oogen,» zei de Dood. «Ik heb ze uit het meer
+opgevischt; zij fonkelden zoo helder; ik wist niet, dat het de uwe
+waren. Neem ze terug, zij zijn nu nog helderder dan vroeger; en kijk
+dan eens in den diepen put hiernaast naar beneden. Ik zal de namen
+der bloemen, die ge wildet uittrekken, noemen, en dan zult ge zien,
+wat ge hebt willen vernietigen en te gronde richten!»
+
+En zij keek in den put neer: en het was een gelukzaligheid, te zien,
+hoe de eene een zegen voor de wereld werd, zij zag het leven der
+andere, dat uit zorgen en nood, jammer en ellende bestond.
+
+«Beide is Gods wil!» zei de Dood.
+
+«Welke van deze is de bloem des ongeluks en welke de gezegende?»
+vroeg zij.
+
+«Dat zeg ik u niet,» antwoordde de Dood; «maar dit zult ge van mij
+vernemen, dat een der bloemen die van uw eigen kind is. Het was het
+lot van uw eigen kind, dat ge zaagt, de toekomst van uw eigen kind!»
+
+Nu gaf de moeder een luiden gil van schrik. «Welke van deze is die
+van mijn kind? Zeg mij dit! Bevrijd het onschuldige kind! Verlos
+mijn kind van alle ellende! Draag het liever weg! Draag het in Gods
+koninkrijk! Vergeet mijn tranen, vergeet mijn smeeken en alles,
+wat ik gedaan heb!»
+
+«Ik begrijp u niet,» zei de Dood. «Wilt ge uw kind terug hebben,
+of moet ik daarmee naar die plaats gaan, welke gij niet kent?»
+
+Nu wrong de moeder zich de handen, viel op haar knieën en bad tot God:
+«Verhoor mij niet, als ik in strijd met Uw wil bid, die altijd het
+beste is! Verhoor mij niet! Verhoor mij niet!»
+
+Zij liet haar hoofd op haar borst zakken.
+
+En de Dood ging met haar kind naar het onbekende land.
+
+
+
+
+UITSTEL IS GEEN AFSTEL.
+
+
+Er stond ergens een oud ridderkasteel, dat door een breede gracht
+omgeven was, waarover een ophaalbrug lag, die echter slechts zelden
+neergelaten werd; want niet alle bezoekers zijn goede menschen. Onder
+het afdak waren schietgaten aangebracht, om daardoor te schieten,
+kokend water, ja, gesmolten lood op den vijand neer te gieten, als
+hij te dicht in de nabijheid mocht komen. Binnen in het huis waren
+de kamers zeer hoog, hetgeen goed te stade kwam bij den velen rook,
+die er van het haardvuur opsteeg, waarop groote, vochtige houtblokken
+lagen te smeulen. Aan den muur hingen portretten van geharnaste mannen
+en trotsche vrouwen in zware kleeren; de forschte van allen liep hier
+levend rond; zij werd Meta Mogens genoemd; zij was de vrouw des huizes,
+haar behoorde het ridderkasteel toe.
+
+Tegen den avond kwamen er roovers; zij sloegen drie van haar
+onderhoorigen dood, ook den kettinghond sloegen zij dood, en daarop
+legden zij vrouw Meta met den hondeketting aan het hondenhok vast,
+terwijl zij zich zelf in de zaal te goed deden, den wijn en het goede
+bier uit haar kelder leegdronken.
+
+Vrouw Meta was aan den hondeketting vastgelegd; zij kon niet eens
+blaffen.
+
+Maar zie! Daar sloop de bediende van een der roovers zachtjes naderbij;
+hij mocht niet gezien worden, anders zouden zij hem doodgeslagen
+hebben.
+
+«Vrouw Meta Mogens!» zei de knecht; «weet ge nog wel, hoe mijn vader
+tijdens het leven van uw man op het houten paard moest rijden? [3]--Gij
+deedt een goed woord voor hem, maar dit leidde tot niets; hij moest
+zoo lang rijden, totdat zijn ledematen verminkt waren; maar gij sloopt
+naar hem toe, evenals ik nu naar u toesluip; gij schooft zelfs een
+kleinen steen onder elk van zijn voeten, opdat zij daarop zouden
+steunen. Niemand zag het, of zij deden alsof zij niet niet zagen,
+want gij waart immers de jonge genadige vrouw. Dat heeft mijn vader
+mij verteld, en dat heb ik onthouden en niet vergeten! Nu wil ik u
+verlossen, vrouw Meta Mogens!»
+
+Daarop haalden zij de paarden uit den stal en reden te midden van
+regen en wind weg en kregen hulp bij vrienden.
+
+«Dat is een rijke vergelding voor een kleinen dienst, dien ik aan uw
+vader bewezen heb!» zei Meta Mogens.
+
+«Uitstel is geen afstel!» gaf de knecht hierop ten antwoord.
+
+De roovers werden opgehangen.
+
+
+
+Er stond ergens een oud ridderkasteel, en het staat er nog; het is niet
+dat van Meta Mogens, het behoort aan een ander adellijk geslacht toe.
+
+Wij verplaatsen ons in den tegenwoordigen tijd. De zon beschijnt de
+vergulde torenspitsen; kleine eilandjes, waarop bloemen bloeien,
+liggen als ruikers op het water, en de wilde zwanen zwemmen er om
+heen. In den tuin groeien rozen, de vrouw des huizes is zelf het
+fijnste rozeblad, het straalt in vreugde, in de vreugde van goede
+daden, doch niet in de wijde wereld, maar van binnen in het hart;
+wat daar bewaard is, dat is niet vergeten--uitstel is geen afstel!
+
+Nu begeeft zij zich van het heerenhuis naar een kleine boerenhut op
+het land. Daarin woont een arm meisje, dat lam is; het raam in het
+kamertje ziet op het noorden uit, de zon komt hier niet in; het meisje
+heeft slechts het gezicht op een klein stukje land, dat door een hooge
+heg omgeven is. Maar heden is het zonneschijn; de warme, heerlijke zon
+van onzen goeden God is binnen in het kamertje; zij komt uit het zuiden
+door het nieuwe raam heen, daar waar vroeger slechts een muur was.
+
+Het lamme meisje zit in den warmen zonneschijn, ziet bosch en meer,
+de wereld is zoo groot, zoo wonderlijk schoon geworden en wel door
+een enkel woord van de vriendelijke vrouw van het heerenhuis.
+
+«Het woord was zoo gemakkelijk, de daad zoo gering!» zeide zij; «de
+vreugde, die zij mij verschaften, was oneindig groot en rijk in zegen!»
+
+En daarom volbrengt zij zoo menige goede daad, denkt aan allen in de
+arme huizen en in de rijke huizen, waar er maar bedroefden zijn. Het
+is verborgen en bewaard, maar de goede God vergeet het niet; uitstel
+is geen afstel!
+
+
+
+Er stond ergens een oud huis; het was in de groote stad met haar
+druk en levendig verkeer. Het had kamers en zalen; maar deze betreden
+wij niet; wij blijven in de keuken, en daarin is het warm en licht,
+rein en zindelijk; het kopergoed blinkt, de tafel is als gladgewreven,
+de gootsteen is als een versch geschuurde lardeerplank, en dat alles
+heeft dat ééne dienstmeisje gedaan en toch nog tijd genoeg overgehouden
+om zich aan te kleeden, alsof zij naar de kerk wilde gaan. Zij draagt
+een strik op haar muts, een zwarten strik, dat wijst op rouw. Maar
+zij heeft over niemand rouw te dragen, noch over vader, noch over
+moeder, noch over bloedverwanten, noch over vrienden; het is een arm
+meisje. Eenmaal was zij verloofd, verloofd met een armen jongeling;
+zij hadden elkaar innig lief. Op zekeren dag kwam hij bij haar en zei:
+
+«Wij bezitten beiden niets op de wereld! Een rijke weduwe heeft
+hartelijke woorden tegen mij gesproken; zij wil mij tot welstand
+brengen; maar jij ligt in mijn hart begraven. Wat zou je mij raden?»
+
+«Datgene, waarvan je denkt, dat het tot je geluk zal strekken!» zei
+het meisje. «Wees maar goed en liefderijk voor haar; doch laat mij
+je dit zeggen, dat wij elkaar van het uur af, waarop wij van elkander
+scheiden, niet meer mogen zien.»
+
+En er verliepen jaren. Daar ontmoet haar vroegere vriend en minnaar
+haar op de straat; hij zag er ziek en ellendig uit; nu kan zij niet
+nalaten, hem te vragen: «Hoe gaat het met je?»
+
+«Rijk en goed in alle opzichten!» zeide hij. «Mijn vrouw is braaf
+en goed, maar jij ligt in mijn hart begraven. Ik heb mijn strijd
+gestreden, hij is spoedig volstreden! Wij zien elkaar nu niet weer
+dan bij God.»
+
+Een week is er verloopen; dien morgen stond het in de krant te lezen,
+dat hij gestorven was; daarom draagt het meisje een rouwkleed! Haar
+minnaar was gestorven en heeft een vrouw en drie stiefkinderen
+nagelaten, zooals er te lezen staat.
+
+De zwarte strik wijst op rouw, het gezicht van het meisje wijst er
+nog in hoogere mate op; in het hart is deze bewaard en wordt nimmer
+vergeten! Uitstel is geen afstel!
+
+Zie, dat zijn de drie geschiedenissen, drie bladeren aan één
+steel. Wenscht ge nog meer klaverbladeren? In het boekje des harten
+liggen er vele: uitstel is geen afstel!
+
+
+
+
+DE TUIN VAN HET PARADIJS.
+
+
+Daar was eens een koningszoon; niemand had zooveel mooie boeken, als
+hij; alles wat er op deze wereld gebeurd is, kon hij daarin lezen
+en de afbeelding daarvan in prachtige koperplaten zien. Met ieder
+volk en met ieder land kon hij daardoor kennis maken; maar waar de
+tuin van het Paradijs te vinden was, daar stond geen woord van in;
+en deze juist was het, waaraan hij het meest dacht.
+
+Zijn grootmoeder had hem, toen hij nog klein was, maar toch spoedig
+naar school zou gaan, verteld, dat iedere bloem in den tuin van dit
+Paradijs de lekkerste koek en de meeldraden de fijnste wijn waren;
+op de eene bloem stond geschiedenis, op de andere aardrijkskunde,
+op de derde rekenkunde; men behoefde maar koek te eten, dan kende
+men zijn les; hoe meer men er van at, des te meer geschiedenis en
+aardrijkskunde en rekenkunde leerde men.
+
+Dat geloofde hij toen ter tijd. Maar reeds toen hij een grootere
+jongen werd, meer leerde en verstandiger werd, begreep hij wel,
+dat er een heel andere heerlijkheid in den tuis van het Paradijs te
+vinden moest zijn.
+
+«O, waarom plukte Eva toch van den boom der kennis? Waarom at Adam van
+de verboden vrucht? Als ik in hun plaats was geweest, dan zou ik dit
+niet gedaan hebben! Nooit zou de zonde dan in de wereld gekomen zijn!»
+
+Dat zei hij destijds, en dat zei hij nog, toen hij zeventien jaar
+oud was. De tuin van het Paradijs vervulde hem geheel en al.
+
+Op zekeren dag ging hij het bosch alleen in, want dat was zijn
+grootste plezier.
+
+De avond brak aan, de wolken pakten zich samen; er viel een regen,
+alsof de geheele hemel een enkele sluis was, waaruit water stroomde;
+het was zoo donker, als het anders 's nachts slechts in den diepsten
+put is. Nu eens gleed hij op het natte gras uit, dan weer viel hij
+over de gladde steenen, die boven den natten, rotsachtigen grond
+uitstaken. Alles droop van het water: de arme prins had geen enkelen
+drogen draad meer aan het lijf. Hij moest over groote steenblokken
+klauteren, waar het water uit het hooge mos vloeide. Het scheelde
+niet veel, of hij was in onmacht gevallen. Eensklaps hoorde hij
+een zonderling gesuis, en nu zag hij voor zich een groote verlichte
+grot. In het midden daarvan brandde zulk een groot vuur, dat men daarop
+wel een hert kon braden. En dit gebeurde ook. Het prachtigste hert
+met zijn hooge horens was aan het braadspit gestoken en werd langzaam
+tusschen twee afgekapte pijnboomstammen omgedraaid. Een oude vrouw,
+forsch en sterk, als ware zij een verkleed manspersoon, zat bij het
+vuur en wierp er het eene stuk hout na het andere op.
+
+«Kom maar naderbij!» zeide zij; «zet u bij het vuur neer, dan kunt
+ge uw kleeren wat laten drogen.»
+
+«Het tocht hier geducht!» zei de prins en zette zich op den vloer
+neder.
+
+«Dat zal nog wel erger worden, als mijn zonen thuis komen!» antwoordde
+de vrouw. «Ge zijt hier in de grot der winden: mijn zonen zijn de
+vier winden der wereld. Kunt ge dat begrijpen?»
+
+«Waar zijn uw zonen?» vroeg de prins.
+
+«Ja, het is moeilijk, een antwoord te geven, als men ons een dwaze
+vraag doet,» zei de vrouw. «Mijn zonen doen alles op hun eigen houtje;
+zij zijn met de wolken daar in de koningszaal aan het raketten!»
+En daarbij wees zij naar de hoogte.
+
+«O, zoo!» zei de prins. «Ge spreekt overigens vrij barsch en zijt
+niet zoo vriendelijk als de vrouwen, die ik anders om mij heen heb!»
+
+«O, die hebben zeker niets anders te doen! Ik moet wel streng zijn,
+als ik mijn jongens in bedwang wil houden; maar dat kan ik, ofschoon
+het stijfkoppen zijn. Ziet ge die vier zakken hier aan den muur
+hangen? Daarvoor zijn zij even bang, als gij vroeger voor de roede
+achter den spiegel! Ik kan de jongens in elkaar buigen, zeg ik u, en
+dan stop ik ze in den zak; daar maken wij geen komplimenten mee! Daar
+zitten ze dan en mogen er niet uit, voordat ik het hun toesta. Maar
+daar hebben we een van hen.»
+
+Het was de noordenwind, die met een ijzige koude binnentrad; groote
+hagelsteenen kletterden op den grond neer, en sneeuwvlokken dwarrelden
+in de rondte. Hij droeg een broek en buis van een berenhuid; een
+muts van zeehondenvel was heelemaal over zijn ooren getrokken;
+lange ijskegels hingen er aan zijn baard; en de eene hagelsteen na
+den anderen gleed van den kraag van zijn buis naar beneden.
+
+«Ga niet dadelijk bij het vuur zitten!» zei de prins. «Anders zoudt
+ge licht winter in uw gezicht en uw handen kunnen krijgen.»
+
+«Winter?» zei de noordenwind en barstte in een luid gelach uit. «Koude
+is mijn grootste plezier! Maar wat ben jij voor een kereltje? Hoe
+kom je in de grot der winden?»
+
+«Hij is mijn gast,» zei de oude vrouw, «en als je met deze verklaring
+niet tevreden bent, dan zal ik je in den zak stoppen! Versta je mij?»
+
+Zie, dat hielp, en de noordenwind vertelde, waar hij vandaan kwam en
+waar hij bijna een maand geweest was.
+
+«Ik kom van de Poolzee,» zei hij; «ik ben op het Bereneiland met
+de Russische walrusjagers geweest. Ik zat en sliep op het roer,
+toen zij van de Noordkaap wegzeilden: als ik nu en dan wakker werd,
+vloog de stormvogel mij om de beenen. Dat is een kluchtige vogel! Hij
+klapwiekt met zijn vleugels, houdt deze daarop onbeweeglijk uitgestrekt
+en vliegt toch voort!»
+
+«Maak het niet te wijdloopig!» zei de moeder der winden. «Je bent
+dus op het Bereneiland geweest, niet waar?»
+
+«Daar is het prachtig! Daar is een vloer om te dansen, zoo glad als
+een bord! Half ontdooide sneeuw met een weinig mos, puntige steenen
+en geraamten van walrussen en ijsberen lagen er in de rondte, evenals
+reuzenarmen en beenen met beschimmeld groen. Men zou haast denken, dat
+de zon daarop nooit geschenen had. Ik blies een weinig in den nevel,
+en nu zag ik een huis, dat van wrakhout gebouwd en met walrushuiden
+bedekt was; de kant, waaraan het vleesch gezeten had, was naar buiten
+gekeerd; op het dak zat een levende ijsbeer te brommen. Ik ging naar
+het strand toe, keek naar de vogelnesten, zag de naakte jongen, die
+schreeuwden en hun bekken opensperden; nu blies ik in hun kelen,
+en zoo leerden zij hun bekken dichtdoen. Verderop krioelden de
+walrussen door elkaar, als levende ingewanden of reusachtige maden
+met varkenskoppen en ellenlange tanden!»
+
+«Je weet goed te vertellen, mijn zoon!» zei de moeder. «Ik watertand
+er van, als ik naar je luister.»
+
+«Toen begon de jacht! De harpoen werd in de borst van den walrus
+geworpen, zoodat een dampende bloedstraal als een fontein over het ijs
+spoot. Nu dacht ik ook aan mijn spel! Ik blies en liet de torenhooge
+ijsbergen de booten insluiten. Och! wat floot en wat schreeuwde men;
+maar ik floot nog luider! De walruslijken, kisten en touwwerk moesten
+zij op het ijs uitpakken; ik schudde er sneeuwvlokken over heen en
+liet ze in de beklemd geraakte vaartuigen, met hun vangst naar het
+zuiden drijven, om daar zout water te proeven. Zij komen nimmer meer
+naar het Bereneiland toe!»
+
+«Dan heb je heel wat kwaad gedaan!» zei de moeder der winden.
+
+«Wat ik goeds gedaan heb, moeten de anderen maar vertellen!» zei
+hij. «Maar daar hebben we mijn broeder uit het westen; hem mag ik
+het liefste van allen lijden; hij ruikt naar de zee en voert een
+heerlijke koude met zich mee!»
+
+«Is dat de kleine westenwind?» vroeg de prins.
+
+«Zeker is het de westenwind!» zei de oude vrouw. «Maar hij is toch
+niet zoo klein. Jaren geleden was hij een aardige knaap, maar dat is
+nu voorbij!»
+
+Hij zag er als een woeste kerel uit, maar hij had een valhoed op,
+om zich niet te bezeeren. In de hand hield hij een mahoniehouten
+knots, die hij in de Amerikaansche bosschen afgehakt had. Dit was
+geen gemakkelijk werk geweest!
+
+«Waar kom je vandaan?» vroeg zijn moeder.
+
+«Uit de maagdelijke bosschen,» zei hij, «waar de waterslang in het
+natte gras ligt en de menschen overbodig schijnen te zijn!»
+
+«Wat heeft je vandaar weggejaagd?»
+
+«Ik zag in de diepste rivier, zag, hoe deze van de rotsen naar
+beneden stortte, stof werd en naar de wolken vloog, om den regenboog
+te dragen. Ik zag den wilden buffel in de rivier zwemmen; maar
+de stroom voerde hem met zich mee. Hij dreef met een troep wilde
+eenden, die er in de hoogte vlogen, naar de plaats, waar het water
+naar beneden stortte. De buffel moest naar beneden; dat beviel mij,
+en ik blies een storm, zoodat overoude boomen aan splinters barstten
+en tot spaanders werden.»
+
+«En heb je anders niets gedaan?» vroeg de oude vrouw.
+
+«Ik heb in de savannen allerlei kromme sprongen gemaakt; ik heb
+de wilde paarden gestreeld en kokosnoten doen afvallen. Ja, ja, ik
+zou heel wat weten te vertellen! Maar men moet niet alles zeggen,
+wat men weet. Dat weet ge ook wel, oudje!» En hij gaf zijn moeder
+zulk een duchtigen kus, dat zij bijna achterover gevallen was. Het
+was een verschrikkelijk wilde jongen.
+
+Nu kwam de zuidenwind met een tulband en een wuivenden bedouïnenmantel.
+
+«Het is hier vrij koud!» zeide hij en wierp nog wat hout op het
+vuur. «Ik kan wel merken, dat de noordenwind het eerst van allen
+thuis gekomen is!»
+
+«Het is hier zoo heet, dat men wel een ijsbeer kan braden!» zei
+de noordenwind.
+
+«Je bent zelf een ijsbeer!» antwoordde de zuidenwind.
+
+«Wil je in den zak gestopt worden?» vroeg de oude vrouw.--«Ga daar
+op dien steen zitten en vertel, waar je geweest bent.»
+
+«In Afrika, moeder!» antwoordde hij. «Ik ben met de Hottentotten op
+de leeuwenjacht geweest in het land der Kaffers. Daar groeit gras in
+de vlakten, groen als een olijf. Daar liep de struisvogel met mij om
+'t hardst: maar ik ben toch nog vlugger ter been. Ik ging naar de
+woestijn met het gele zand; daar ziet het er uit als op den bodem der
+zee. Ik trof een karavaan aan; men slachtte den laatsten kameel om aan
+drinkwater te komen; maar het was slechts weinig, wat men kreeg. De zon
+brandde van boven en het zand van beneden. De uitgestrekte woestijn had
+geen grenzen. Nu wentelde ik mij in het fijne, losse zand en maakte,
+dat dit zich tot hooge zuilen opstapelde. Dat was een dans! Ge hadt
+eens moeten zien, hoe moedeloos de dromedaris daar stond, en hoe de
+koopman zich den kaftan over het hoofd trok. Hij wierp zich voor mij
+neer, evenals voor Allah zijn God. Nu zijn zij begraven: er staat
+een piramide van zand boven hen allen. Als ik deze eenmaal wegblaas,
+dan zal de zon de beenderen doen verbleeken; dan kunnen de reizigers
+zien, dat daar vroeger menschen geweest zijn. Anders zal men dit in
+de woestijn niet gelooven!»
+
+«Je hebt dus niets anders dan kwaad gedaan!» zei zijn
+moeder. «Marsch! in den zak!» En eer de zuidenwind er op verdacht was,
+had zij hem om zijn middel beetgepakt en in den zak gestopt. Hij lag
+op den vloer rond te wentelen, maar zij zette zich op den zak neer,
+en nu moest hij wel stil blijven liggen.
+
+«Dat zijn vroolijke jongens, die ge hebt!» zei de prins.
+
+«O ja,» antwoordde zij, «en ik weet ze te straffen! Daar hebben we
+den vierde!»
+
+Dat was de oostenwind; deze was als een Chinees gekleed.
+
+«Zoo! kom je uit je land?» vroeg zijn moeder. «Ik dacht, dat je in
+den tuin van het Paradijs geweest waart.»
+
+«Daar vlieg ik morgen eerst naar toe!» zei de oostenwind. «Morgen is
+het honderd jaar geleden, dat ik er geweest ben! Ik kom nu uit China,
+waar ik zoo om den porseleinen toren gedanst heb, dat alle klokken
+klingelden. Op de straat kregen de beambten zweepslagen; een bamboes
+riet werd op hun rug aan stukken geslagen, en dat waren lieden van
+den eersten tot den negenden graad. Zij schreeuwden: «Hartelijk dank,
+mijn vaderlijke weldoener!» Maar dat ging hun niet van harte af,
+en ik klingelde met de klokken en zong: «Tjing, tjang!»»
+
+«Je bent ook altijd ondeugend!» zei de oude vrouw. «Het is goed,
+dat je morgen naar den tuin van het Paradijs gaat; dat draagt altijd
+tot je beschaving bij. Drink dan eens ferm uit de wijsheidsbron,
+en breng een fleschvol voor mij mee!»
+
+«Dat zal ik doen!» zei de oostenwind. «Maar waarom hebt ge mijn broeder
+uit het zuiden in den zak gestopt? Laat hem er uit! Hij moet mij van
+den vogel Phoenix vertellen, van dezen wil de prinses in den tuin van
+het Paradijs altijd hooren, als ik om de honderd jaren een bezoek
+bij haar afleg. Doe den zak open, dan zijt ge mijn lieve moeder,
+en dan geef ik u twee zakken vol thee, zoo groen en frisch, als ik
+ze geplukt heb!»
+
+«Welnu dan, om de thee en omdat je mijn lieve jongen bent, zal ik den
+zak opendoen!» Dat deed zij, en nu kroop de zuidenwind er uit; maar
+hij zag er erg neerslachtig uit, omdat de vreemde prins het gezien had.
+
+«Daar heb je een palmblad voor de prinses!» zei de zuidenwind. «Dit
+blad heeft de vogel Phoenix, de eenige, die er op de wereld was, aan
+mij gegeven! Hij heeft er met zijn snavel zijn heele levensgeschiedenis
+gedurende de honderd jaren, die hij geleefd heeft, op geschreven. Nu
+kan zij het zelf lezen, hoe de vogel Phoenix zijn nest in brand stak
+en daarin zat en verbrandde, evenals de vrouw van een Hindoe. Wat
+knetterden de dorre takken! Het was een rook en een damp van
+belang! Eindelijk ging alles in vlammen op; de oude vogel Phoenix
+werd tot asch verteerd; maar zijn ei lag gloeiend rood in het vuur;
+het barstte met een geweldigen knal open, en het jong vloog er uit;
+nu is _deze_ heer over alle vogels en de eenige vogel Phoenix in de
+wereld. Hij heeft in het palmblad, dat ik je gegeven heb, een gat
+gebeten: dat is zijn groet aan de prinses!»
+
+«Laat ons wat gebruiken!» zei de moeder der winden. En nu zetten zij
+zich allen bij elkander neer, om van het gebraden hert te eten; de
+jonge prins zat naast den oostenwind; daardoor werden zij al spoedig
+goede vrienden.
+
+«Zeg mij eens,» vroeg de prins, «wat is dat toch voor een prinses,
+waarvan hier zooveel gesproken wordt, en waar ligt de tuin van het
+Paradijs?»
+
+«Wel zoo!» zei de oostenwind, «wilt ge daar naar toe? Welnu, vlieg
+dan morgen maar met mij mee! Maar dat moet ik u zeggen: sedert Adams
+en Eva's tijd is geen mensch daar geweest. Ge kent die zeker wel uit
+uw bijbelsche geschiedenis?»
+
+«Jawel,» zei de prins.
+
+«Indertijd, toen zij verdreven werden, zonk de tuin van het Paradijs
+in den grond weg; maar hij behield zijn warmen zonneschijn, zijn
+zachte lucht en al zijn heerlijkheid. De feeënkoningin woont daarin;
+daar ligt het land der gelukzaligheid, waar de dood nooit komt, waar
+het heerlijk is! Zet u morgen op mijn rug neer, dan zal ik u meenemen:
+ik denk, dat dit wel zal gaan. Maar zwijg stil, want ik wil nu slapen!»
+
+En nu gingen zij allemaal slapen.
+
+Reeds vroeg in den morgen werd de prins wakker en was niet weinig
+verbaasd, toen hij merkte, dat hij zich al hoog boven de wolken
+bevond. Hij zat op den rug van den oostenwind, die hem stevig
+vasthield; zij waren zoo hoog in de lucht, dat bosschen en velden,
+rivieren en zeeën zich als op een landkaart aan hen voordeden.
+
+«Goeden morgen!» zei de oostenwind. «Ge hadt best nog een beetje kunnen
+blijven slapen, want er is niet veel op het vlakke veld onder ons te
+zien, of ge moest lust hebben om de kerken te tellen! Die staan als
+krijtstipjes op het groene bord.» Wat hij het groene bord noemde,
+waren velden en weiden.
+
+«Het is niet heel beleefd van mij, dat ik uw moeder en uw broers niet
+goedendag gezegd heb!» zei de prins.
+
+«Als men slaapt, is men verontschuldigd!» beweerde de oostenwind. En
+daarop vlogen zij nog sneller dan te voren. Men kon het in de toppen
+van de boomen hooren, want als zij daar overheen vlogen, ritselden alle
+takken en bladeren; men kon het aan de zeeën en op de meren merken,
+want waar zij vlogen, stegen de golven hooger, en de groote schepen
+bogen zich diep in het water evenals zwemmende zwanen.
+
+Tegen den avond, toen het donker werd, zagen de groote steden er
+bekoorlijk uit; de lichten brandden daar beneden, nu eens hier,
+dan weer daar, het was, als wanneer men een stuk papier in brand
+gestoken heeft en al de kleine vonken ziet, waarvan de eene na
+de andere verdwijnt. En de prins klapte in zijn handen; maar de
+oostenwind verzocht hem, dit niet te doen en zich liever vast te
+houden; anders zou hij licht naar beneden kunnen vallen en aan een
+kerktoren blijven hangen.
+
+De adelaar in de donkere bosschen vloog wel is waar snel, maar de
+oostenwind vloog toch nog sneller. De kozak reed op zijn klein paard
+vlug over de vlakte heen, maar de prins ging toch nog vlugger!
+
+«Nu kunt ge den Himalaya zien!» zei de oostenwind. «Dat is het hoogste
+gebergte in Azië; nu zullen wij spoedig in den tuin van het Paradijs
+komen!»
+
+Daarop wendden zij zich meer zuidwaarts; al spoedig geurde het daar
+van specerijen en bloemen; vijgen en granaatappels groeiden in het
+wild, en aan de wilde wijnstokken zaten blauwe en roode druiven. Hier
+lieten zij zich beiden neer en strekten zich op het zachte gras uit,
+waar de bloemen den wind toeknikten, als wilden zij zeggen: «Welkom!»
+
+«Zijn wij nu in den tuin van het Paradijs?» vroeg de prins.
+
+«Neen, nog niet!» antwoordde de oostenwind. «Maar wij zullen er spoedig
+komen. Ziet ge daar dien rotsachtigen muur en die ruime grot, waarvoor
+de wijngaardranken als een groot, groen gordijn hangen? Daardoor
+zullen we er inkomen! Wikkel u in uw mantel; hier brandt de zon,
+maar nog een schrede verder, en het is ijskoud. De vogel, die daar
+voorbij de grot heenvliegt, heeft zijn eenen vleugel buiten in den
+warmen zomer en zijn anderen binnen in den kouden winter!»
+
+«Wel zoo! Is dat dan de weg naar den tuin van het Paradijs?» vroeg
+de prins.
+
+Nu gingen zij de grot in. Hu! wat was het daar ijskoud! Maar het
+duurde toch niet lang. De oostenwind spreidde zijn vleugelen uit,
+en deze schitterden evenals het helderste vuur. O, wat was dat een
+grot! De groote rotsblokken, waarvan het water afdroop, hingen in de
+zonderlingste gestalten daaroverheen; nu eens was het er zoo nauw,
+dat zij op handen en voeten moesten kruipen, dan weer zoo hoog en
+uitgestrekt, als in de open lucht. Het zag er uit als grafkapellen
+met stomme orgelpijpen en versteende orgels.
+
+«Wij betreden den weg des doods toch niet, nu wij naar den tuin
+van het Paradijs toe gaan?» vroeg de prins. Maar de oostenwind gaf
+hierop niets hoegenaamd ten antwoord, maar wees slechts voorwaarts,
+en het schoonste blauwe licht straalde hun tegen. De rotsblokken
+boven hen werden meer en meer een nevel, die er eindelijk als een
+witte wolk in den maneschijn uitzag. Nu waren zij in de heerlijke,
+zachte lucht, zoo frisch als op de bergen, zoo geurig als bij de rozen
+in het dal. Daar stroomde een rivier, zoo helder als de lucht zelf;
+en de visschen waren als zilver en goud; purperroode palingen, die
+bij iedere beweging blauwe vonken om zich heen spreidden, speelden
+onder in het water, en de breede lotusbladeren hadden al de kleuren
+van den regenboog; de bloem, die daaraan groeide, was een roodachtige
+gele brandende vlam, waaraan het water voedsel gaf, evenals de olie
+de lamp bestendig aan het branden houdt; een stevige brug van marmer,
+maar zoo kunstig en fijn uitgesneden, alsof zij van kant en paarlen
+gemaakt was, voerde over het water naar het eiland der gelukzaligheid,
+waar de tuin van het Paradijs bloeide.
+
+De oostenwind nam den prins op zijn armen en droeg er hem naar
+toe. Daar zongen de bloemen en de bladeren de schoonste liederen uit
+zijn kindsheid, maar zoo welluidend en liefelijk, als geen menschelijke
+stem ze hier kan zingen.
+
+Waren het palmboomen of reusachtig groote waterplanten, die hier
+groeiden? Zulke sappige en groote boomen had de prins vroeger
+nooit gezien; in lange festoenen hingen daar de wonderlijkste
+slingerplanten, zooals men ze slechts met kleuren en goud op den
+rand van oude heiligenboeken, of door de beginletters geslingerd,
+afgebeeld ziet. Dat waren de zonderlingste samenstellingen van vogels,
+bloemen en ranken. Dicht daarnaast in het gras stond een troep pauwen
+met ontplooide, glanzige staarten. Ja, dat was werkelijk zoo! Doch
+toen de prins daaraan raakte, merkte hij, dat het geen dieren, maar
+planten waren; het waren groote klissen, die hier als een prachtige
+pauwestaart schitterden. De leeuw en de tijger sprongen als katten
+tusschen de groene heggen door, die als de bloemen van den olijfboom
+geurden; en de leeuw en de tijger waren tam. De wilde boschduif
+straalde als de schoonste parel en sloeg met haar vleugels tegen de
+manen van den leeuw aan; en de antilope, die anders zoo schuw is,
+stond daarnaast en knikte met den kop, alsof zij ook wilde meespelen.
+
+Nu kwam de fee van het Paradijs; haar kleederen straalden als de
+zon, en haar gelaat was vroolijk als dat van een blijde moeder,
+wanneer zij recht gelukkig met haar kind is. Zij was jong en schoon,
+en de bekoorlijkste meisjes, elk met een schitterende ster in het
+haar, volgden haar. De oostenwind gaf haar het beschreven blad van
+den vogel Phoenix, en haar oogen fonkelden van blijdschap. Zij nam
+den prins bij de hand en bracht hem naar haar kasteel, waar de muren
+kleuren hadden als het prachtigste tulpeblad, wanneer het tegen de zon
+gehouden wordt. De zoldering zelve was een groote, fonkelende bloem,
+en hoe meer men daarnaar keek, des te dieper scheen haar kelk. De
+prins ging naar het raam toe en keek door een der ruiten: daar zag
+hij den boom der kennis met de slang, en Adam en Eva stonden dicht
+daarbij. «Zijn die niet verdreven?» vroeg hij. En de fee glimlachte en
+verklaarde hem, dat de tijd op iedere ruit zijn beeld ingebrand heeft,
+maar niet, zooals men het gewoonlijk ziet; neen, er was leven daarin;
+de bladeren der bloemen bewogen zich; de menschen kwamen en gingen,
+als in een spiegelbeeld. En hij keek door een andere ruit: daar was
+Jacobs droom, waar de ladder tot aan den hemel reikte; en de engelen
+met hun groote vleugels zweefden op en neer. Ja, alles, wat er op
+de wereld gebeurd was, leefde en bewoog zich in de glazen ruiten;
+zulke kunstige schilderijen kon slechts de tijd er in branden.
+
+De fee glimlachte en bracht hem in een groote, hooge zaal, wier muren
+doorzichtig schenen te zijn. Hier waren portretten, waarvan het eene
+gezicht nog mooier was dan het andere. Men zag millioenen gelukkigen,
+die glimlachten en zongen, zoodat het in ééne melodie samensmolt;
+de voornaamsten onder hen waren zoo klein, dat zij kleiner schenen
+dan de kleinste rozeknop, wanneer deze als een punt op het papier
+geteekend wordt. Midden in de zaal stond een groote boom met hangende,
+weelderige takken; gouden appelen hingen als sinaasappels tusschen
+de groene bladeren. Dat was de boom der kennis, van welks vrucht
+Adam en Eva gegeten hadden. Van ieder blad droop een schitterende,
+roode dauwdroppel: het was, alsof de boom bloedige tranen stortte.
+
+«Laat ons nu in de boot stappen!» zei de fee; «dan zullen wij eenige
+ververschingen op het water gebruiken! De boot schommelt en komt niet
+van haar plaats af; maar al de landen der wereld glijden onze oogen
+voorbij.» En het was wonderbaar om aan te zien, hoe de geheele kust
+zich bewoog. Daar kwamen de hooge, met sneeuw bedekte Alpen met wolken
+en zwarte dennen; de hoorn klonk diep weemoedig, en de herder zong
+vroolijk in het dal. Daarop bogen de bananen haar lange, hangende
+takken over de boot neer; zwarte zwanen zwommen er in het water,
+en de zeldzaamste dieren en bloemen vertoonden zich aan den oever:
+dat was Nieuw-Holland, het vijfde werelddeel, dat, met een uitzicht op
+de blauwe bergen, voorbijgleed. Men hoorde het gezang der priesters en
+zag den dans der wilden, begeleid door het geroffel van trommels en het
+geschetter van trompetten. De piramiden van Egypte, die zich tot aan
+de wolken verhieven, omvergevallen zuilen en sfinxen, half onder het
+zand bedolven, zeilden insgelijks voorbij. Het noorderlicht straalde
+over uitgebrande vulkanen van het noorden: dat was een vuurwerk,
+dat niemand kon nabootsen. De prins gevoelde zich hoogst gelukkig:
+ja, hij zag nog honderdmaal meer, dan wat wij hier vertellen.
+
+«En kan ik hier altijd blijven?» vroeg hij.
+
+«Dat hangt van u zelf af!» antwoordde de fee. «Als ge u niet,
+evenals Adam, laat verleiden om het verbodene te doen, dan kunt ge
+hier altijd blijven.»
+
+«Ik zal de appelen van den boom der kennis niet aanraken!» zei de
+prins. «Hier zijn immers duizenden vruchten, even heerlijk als die.»
+
+«Onderzoek u zelven, en als ge niet sterk genoeg zijt, ga dan met
+den oostenwind mee, die u hier haar toe gebracht heeft. Hij vliegt nu
+terug en laat zich in honderd jaren hier niet meer zien; de tijd zal
+op deze plaats voor u voorbijvliegen, alsof het honderd uren waren:
+maar het is een lange tijd voor de verzoeking. Iederen avond, wanneer
+ik van u heenga, moet ik u toeroepen: Kom mee! Ik moet u met de hand
+wenken,--maar blijf achter! Ga niet mee; want anders zal met iedere
+schrede uw verlangen grooter worden. Ge komt dan in de zaal, waar
+de boom der kennis groeit; ik slaap onder zijn geurige, overhangende
+takken; ge zult u over mij heenbuigen, en ik moet glimlachen; maar als
+ge een kus op mijn lippen drukt, dan zinkt het Paradijs diep in den
+grond weg, en het is voor u verloren. De scherpe wind der woestijn
+zal om u heen suizen, de koude regen op uw hoofd droppelen. Kommer
+en ellende worden uw deel.»
+
+«Ik blijf hier!» zei de prins. En de oostenwind kuste hem op het
+voorhoofd en zei: «Wees sterk, dan ontmoeten wij elkander hier na
+verloop van honderd jaren weer! Vaarwel! Vaarwel!» En de oostenwind
+spreidde zijn groote vleugelen uit; zij schitterden, evenals het
+weerlicht in den oogsttijd, of het noorderlicht in den winter.
+
+«Vaarwel! Vaarwel!» klonk het van bloemen en boomen. Ooievaars en
+pelikanen schaarden zich als fladderende linten in rijen en brachten
+hem tot op de grenzen van den tuin.
+
+«Nu beginnen wij onze dansen!» zei de fee. «Wanneer ik ten slotte, als
+de zon ondergaat, met u dans, zult gij zien, dat ik u toewenk; ge zult
+me u hooren toeroepen: Kom mee! Maar doe dit niet! Honderd jaren lang
+moet ik het iederen avond herhalen; telkens wanneer die tijd voorbij
+is, krijgt ge meer kracht; eindelijk denkt ge er volstrekt niet meer
+aan. Heden avond is het voor de eerste maal; nu heb ik u gewaarschuwd!»
+
+En de fee bracht hem in een groote zaal van witte, doorzichtige leliën;
+de gele meeldraden in iedere bloem vormden een kleine gouden harp,
+wier snaren liefelijke tonen van zich gaven. De schoonste meisjes,
+zwevend en slank, in golvend gaas gekleed, zoodat men haar bekoorlijke
+gestalte kon zien, zweefden in den dans en zongen, hoe heerlijk het
+is, te leven, en dat zij nimmer zouden sterven, en dat de tuin van
+het Paradijs eeuwig zou bloeien.
+
+En de zon ging onder; de geheele hemel werd een en al goud, dat aan
+de leliën den glans der heerlijkste rozen gaf; en de prins dronk van
+den parelenden wijn, dien de meisjes hem toereikten, en voelde een
+gelukzaligheid als nooit te voren. Hij zag, hoe de achtergrond der
+zaal zich opende, en de boom der kennis stond daar in een glans,
+die zijn oogen verblindde; het gezang was daar zacht en liefelijk
+evenals de stem van zijn moeder en het was, alsof zij zong: «Mijn kind,
+mijn geliefd kind!»
+
+Nu wenkte de fee hem toe en riep vol liefde: «Kom mee! Kom mee!»
+En hij snelde haar tegemoet, vergat zijn belofte, vergat deze reeds
+den eersten avond, en zij wenkte en glimlachte. De geur, de heerlijke
+geur in de rondte werd sterker; de harpen klonken veel liefelijker,
+en het was, alsof de millioenen glimlachende hoofden in de zaal, waar
+de boom groeide, knikten en zongen: «Alles moet men kennen! De mensch
+is de heer der aarde!» En het waren geen bloedige tranen meer, die
+van den boom der kennis afvielen; het waren roode, fonkelende sterren,
+die hij meende te zien. «Kom mee! Kom mee!» luidden de bevende klanken,
+en bij iedere schrede werden de wangen van den prins rooder, vloeide
+het bloed hem sneller door de aderen. «Ik moet!» zeide hij. «Het
+is immers geen zonde, het kan geen zonde zijn! Waarom de schoonheid
+en de vreugde niet te volgen? Ik wil haar zien slapen; er is immers
+niets aan misdaan, als ik haar maar geen kus geef; en een kus zal ik
+haar niet geven: ik ben sterk, ik heb een vasten wil!»
+
+En de fee wierp haar schitterende kleeding af, boog de takken weg,
+en na een oogenblik was zij daarin verborgen.
+
+«Nog heb ik niet gezondigd!» zei de prins, «en ik zal het ook niet
+doen!» En hierop boog hij de takken ter zijde: daar sliep zij reeds,
+schoon, zooals slechts een fee in den tuin van het Paradijs wezen
+kan. Zij glimlachte in den droom, hij boog zich over haar heen en
+zag tusschen haar oogleden tranen beven.
+
+«Weent ge over mij?» fluisterde hij. «Ween niet, gij bekoorlijke
+vrouw! Nu begrijp ik het geluk van het Paradijs eerst. Het doorstroomt
+mijn bloed, mijn gedachten; de kracht van den cherub en van het eeuwige
+leven voel ik in mijn aardsche lichaam! Al moge het ook eeuwig nacht
+voor mij worden, een minuut als deze is rijkdom genoeg!» En hij kuste
+de tranen uit haar oogen; zijn mond raakte den haren aan.
+
+Daar ratelde een donderslag, zoo zwaar en verschrikkelijk, als niemand
+dien ooit gehoord heeft. En alles stortte ineen; de schoone fee en
+het bloeiende paradijs zonken al dieper en dieper. De prins zag het in
+den zwarten nacht wegzinken; als een kleine, lichtende ster straalde
+het hem heel uit de verte tegen; een doodelijke koude deed hem over
+zijn geheele lichaam beven; hij sloot zijn oogen en lag een geruimen
+tijd als dood.
+
+De koude regen viel hem op het gezicht, de scherpe wind blies om zijn
+hoofd; nu kwam hij weer tot zijn zinnen. «Wat heb ik gedaan!» zeide
+hij met een zucht. «Ik heb gezondigd, evenals Adam gezondigd, zoodat
+het Paradijs in de diepte weggezonken is!» En hij deed zijn oogen
+open; de ster in de verte, die als het gezonken paradijs fonkelde,
+zag hij nog,--het was de morgenster aan den hemel.
+
+Hij stond op en was in het groote bosch dicht bij de grot der winden;
+en de moeder der winden zat naast hem; zij zag er kwaadwillig uit en
+hief haar arm omhoog.
+
+«Reeds den eersten avond!» zeide zij. «Dat dacht ik wel! Als ge mijn
+jongen waart, dan zoudt ge in den zak moeten!»
+
+«Daar moet hij in!» zei de Dood, een krachtig, oud man met een zeis
+in de hand en met groote, zwarte vleugelen. «In de doodkist moet hij
+gelegd worden; maar nu nog niet; ik teeken hem slechts op, doch laat
+hem nog een poos in de wereld rondzwerven, om zijn zonde te boeten
+en beter te worden. Ik kom echter eenmaal. Wanneer hij het juist
+het minst verwacht, stop ik hem in de zwarte doodkist, zet deze op
+mijn hoofd en vlieg naar de sterren op. Ook daar bloeit de tuin van
+het Paradijs, en is hij goed en vroom, dan zal hij er binnentreden;
+maar zijn zijn gedachten boos en is zijn hart nog vol zonde, dan zinkt
+hij met de doodkist dieper dan het Paradijs gezonken is, en slechts
+om de duizend jaren haal ik hem terug, opdat hij nog dieper zinke of
+op de fonkelende ster kome, de fonkelende ster daarboven!»
+
+
+
+
+DE KLEINE TUK.
+
+
+Ja, dat was de kleine Tuk. Hij heette eigenlijk niet Tuk, maar
+toen hij nog niet goed kon praten, noemde hij zich zelf zoo; dat
+moest Karl beteekenen, en dat is wel goed, als men het maar weet. Nu
+moest hij op zijn zusje Gustava passen, dat nog kleiner was dan hij,
+en tegelijkertijd moest hij ook zijn les leeren; maar deze beide
+dingen wilden niet best samengaan. De arme jongen zat daar met zijn
+zusje op den schoot, en zong haar al de liedjes voor, die hij kende,
+en ondertusschen keek bij eens schuins in het geographieboek, dat
+open voor hem lag; tegen den volgenden dag moest hij al de steden
+van Seeland van buiten kennen en alles daarvan weten wat men maar
+weten kan.
+
+Nu kwam zijn moeder te huis, want zij was uit geweest, en nam de kleine
+Gustava op den arm. Tuk liep ijlings naar het raam toe en las nu zoo
+ijverig, dat hij zich bijna de oogen uitgelezen had, want het werd
+gedurig donkerder; maar zijn moeder had geen geld om licht te koopen.
+
+«Daar gaat de oude waschvrouw uit de straat hier dichtbij!» zei zijn
+moeder, toen zij het raam uitkeek. «De arme vrouw kan zich zelve
+tenauwernood voortsleepen, en nu moet zij nog een emmer vol water van
+de bron naar huis dragen. Wees een beste jongen, Tuk, en help de oude
+vrouw eens!»
+
+En Tuk liep in aller ijl de deur uit en hielp haar; maar toen hij
+weer in de kamer kwam, was het heelemaal donker geworden, en van licht
+was er geen sprake. Nu moest hij naar bed toe: dat was een armzalige
+krib! Daar lag hij nu en dacht aan zijn geographieles en aan Seeland
+en aan alles, wat de meester verteld had. Hij had wel is waar zijn
+les nog moeten leeren, maar dat kon hij immers niet. Daarom legde
+hij zijn geographieboek onder zijn hoofdkussen, want hij had wel eens
+gehoord, dat dit zeer veel helpen moet, als men zijn les wil leeren;
+maar men kan zich daarop niet verlaten. Daar lag hij nu en dacht en
+dacht; en daar was het op eens, alsof iemand hem een kus gaf.--Hij
+sliep en sliep toch ook niet; het was, alsof de oude waschvrouw hem
+met haar vriendelijke oogen aankeek en zei: «Het zou jammer zijn,
+als je je les morgen niet kende! Je hebt mij geholpen, daarom wil ik
+je nu ook helpen, en onze goede God zal dat altijd doen!»
+
+En eensklaps kriebelde en krabbelde het boek onder het hoofdkussen
+van Tuk.
+
+«Kikeliki! Ka ka!» Het was een kip, die kwam aanloopen, en deze was
+van Kjöge vandaan. «Ik ben een Kjögekip!» [4] zeide zij, en daarop
+vertelde zij, hoeveel inwoners er daar waren, en van den slag,
+die daar geleverd was, maar die was eigenlijk niet waard om er een
+woord over te spreken. «Kriebel, krabbel, plomp!» Daar viel wat naar
+beneden; het was een houten vogel, de papegaai van het vogelschieten
+te Prästöe. Die zei nu, dat er daar zoo vele inwoners waren, als hij
+spijkers in zijn lijf had; ook was hij trotsch. «Thorwaldsen heeft
+vlak naast mij gewoond. [5] Plomp! Hier lig ik heerlijk!»
+
+Maar Tuk lag nu niet meer; eensklaps zat hij te paard. Hop, hop, hop,
+in galop: zoo ging het voort. Een prachtig gekleed ridder met een
+schitterenden helm en een wuivenden vederbos hield hem voor zich op het
+paard, en zoo reden zij door het bosch naar de oude stad Wordingborg;
+dat was een groote, zeer levendige stad; op het kasteel des konings
+verhieven zich hooge torens, en een lichtglans stroomde er uit alle
+ramen; daar binnen was zang en dans, en koning Waldemar en jonge,
+opgepronkte hofdames dansten met elkander.--Nu werd het morgen,
+en zoodra de zon opkwam, vielen de geheele stad en het koninklijk
+kasteel plotseling in elkaar, en de eene toren na den anderen verdween;
+en eindelijk bleef er nog maar een enkele op den heuvel staan, waar
+vroeger het kasteel geweest was, [6] en de stad was zeer klein en arm,
+en de schooljongens kwamen met hun boeken onder den arm en zeiden:
+«Twee duizend inwoners,» maar dat was niet waar, want zoo veel had
+zij er niet.
+
+En de kleine Tuk lag in zijn bed; het was hem, alsof hij droomde,
+en toch ook weer, alsof hij niet droomde; maar er stond iemand dicht
+naast hem.
+
+«Kleine Tuk! Kleine Tuk!» werd er geroepen: dat was een zeeman, een
+heel klein mannetje, zoo klein, alsof het een cadet was; maar het was
+geen cadet. «Ik moet u veelmalen van Korsöer [7] groeten; dat is een
+stad, die in haar opkomst is, een levendige stad, die stoombooten en
+postwagens heeft; vroeger noemde men haar altijd leelijk, maar dat
+is nu niet meer waar.»
+
+«Ik lig aan de zee,» zei Korsöer, «ik heb straatwegen en lusthoven;
+ik heb een dichter voortgebracht, die geestig en onderhoudend was,
+en dat zijn ze niet allemaal. Ik wilde eens een schip uitrusten,
+dat rondom de aarde zou gaan; maar ik deed het niet, ofschoon ik het
+wel had kunnen doen; en verder ruik ik ook overheerlijk, want dicht
+bij de poort bloeien de prachtigste rozen.»
+
+De kleine Tuk keek er naar, en het werd hem geel en groen voor de
+oogen; maar toen nu het kleurenspel voorbij was, was het op eens een
+begroeide helling dicht aan de baai, en hoog daarboven stond een
+prachtige oude kerk met twee hooge, spitse torens. Uit de helling
+sprongen bronnen in dikke waterstralen, zoodat het aldoor plaste,
+en dicht daarnaast zat een oude koning met een gouden kroon op het
+witte hoofd; dat was koning Hroar bij de bronnen, dicht bij de stad
+Roeskilde, zooals men haar tegenwoordig noemt. En over de helling heen
+in de oude kerk gingen al de koningen en koninginnen van Denemarken
+hand aan hand, allen met gouden kronen op; en het orgel speelde en
+de bronnen murmelden. De kleine Tuk zag alles, hoorde alles. «Vergeet
+de steden niet!» zei koning Hroar. [8]
+
+Op eens was alles weer weg; ja, waar was het gebleven? Het was hem,
+alsof men een blad in een boek omslaat. En nu stond daar een oude
+boerin; deze kwam uit Soröe, [9] waar het gras op de markt groeit;
+zij had een grauw linnen schort over haar hoofd en haar rug hangen;
+dit was druipnat,--het moest dus zeker geregend hebben. «Ja, dat heeft
+het!» zeide zij, en nu vertelde zij veel moois uit Holbergs comedies en
+van Waldemar en Absalom. Maar op eens kromp zij ineen en schudde met
+het hoofd, het was precies, alsof zij een sprong wilde doen. «Krok,
+krok!» zeide zij, «het is nat, het is nat; het is doodstil in Soröe!»
+Nu was zij eensklaps een kikvorsch. «Krok, krok!» en toen was zij
+weer een oude vrouw. «Men moet zich naar het weer kleeden.» zeide
+zij. «Het is nat, het is nat! Mijn stad is als een flesch; bij de stop
+moet men er in, bij de stop moet men er weer uit! Vroeger had ik de
+heerlijkste visschen, en nu heb ik frissche jongens met roode wangen
+op den bodem der flesch; dezen leeren daar wijsheid: Hebreeuwsch,
+Grieksch! Krok!» Dat klonk precies, alsof er kikvorschen kwaakten,
+of alsof men met groote laarzen in het moeras liep: altijd hetzelfde
+geluid, zoo eentonig en zoo vervelend, dat de kleine Tuk er van in
+slaap viel, hetgeen voor hem ook geen kwaad kon.
+
+Maar zelfs in dezen slaap kwam er een droom of wat het anders was. Zijn
+zusje Gustava met haar blauwe oogen en haar blond gelokt haar was op
+eens een volwassen, schoon meisje, en zonder dat zij vleugels had kon
+zij vliegen, en nu vlogen zij over Seeland, over de groene bosschen
+en de blauwe meren.
+
+«Hoor je den haan kraaien, kleine Tuk? Kukelekuku! De hanen vliegen
+uit de stad Kjöge op! Je krijgt een kippenhok, een groot kippenhok! Je
+zult geen honger of gebrek meer lijden! En den vogel zal je schieten,
+zooals men zegt; je zult een rijk en gelukkig man worden! Je huis
+zal zich verheffen als de toren van koning Waldemar en rijk versierd
+zijn met marmeren beeldzuilen, evenals die uit Prästöe. Je begrijpt
+mij wel! Je naam zal met roem om de heele aarde trekken, evenals
+het schip, dat van Korsöer had moeten uitloopen, en te Roeskilde
+..... «Vergeet de steden niet!» zeide koning Hjoar.--Je zult goed en
+verstandig spreken, kleine Tuk, en als je dan eindelijk in je graf
+komt, dan zul je gerust slapen....»
+
+«Alsof ik in Soröe lag!» zei Tuk, en nu werd hij wakker. Het was
+klaarlichte dag, en hij kon zich zijn droom niet meer herinneren. Dat
+was echter ook niet noodig; want men mag niet weten, wat er eenmaal
+zal gebeuren.
+
+Nu sprong hij vlug uit zijn bed en las in zijn boek, nu kende hij op
+eens zijn geheele les. Maar de oude waschvrouw stak het hoofd in de
+kamer, knikte hem vriendelijk toe en zei:
+
+«Hartelijk dank, beste jongen, voor je hulp! De goede God moge je
+schoonen droom vervullen!»
+
+De kleine Tuk wist echter niet, wat hij gedroomd had, maar--de goede
+God wist het wel.
+
+
+
+
+DE BURINNETJES.
+
+
+Men zou gezegd hebben, dat er in den eendenvijver iets gewichtigs
+voorviel; maar er viel niets voor. Al de eenden, die stil in het
+water lagen of op haar kop daarin stonden,--want dat kunnen ze
+doen,--zwommen op eens naar den kant toe; men zag in de natte aarde
+de sporen van haar pooten en hoorde wijd en zijd haar gesnater. Het
+water, dat nog kort te voren zoo blank en glad als een spiegel was,
+kwam in hevige beweging. Nog kort geleden had men daarin iederen
+boom, iederen struik in de nabijheid, het oude boerenhuis met de
+gaten in het dak en het zwaluwennest, maar inzonderheid den grooten,
+met bloemen bezaaiden rozestruik gezien; deze bedekte den muur en
+hing over het water heen, waarin men alles als op een schilderij
+zag, met dit onderscheid nochtans, dat alles ondersteboven stond;
+maar toen het water in beweging kwam, ging alles door elkander en
+was het beeld verdwenen. Twee veeren, die de eenden bij het opvliegen
+verloren hadden, dreven heen en weer; op eens namen zij een loopje,
+alsof de wind kwam; maar deze kwam niet, en dus moesten zij blijven
+liggen, en het water werd weer kalm en effen. De rozen spiegelden er
+zich weer in af; zij waren verwonderlijk schoon, maar zij wisten het
+zelf niet, want niemand had het haar gezegd; de zon scheen tusschen de
+bladeren door, alles verspreidde den heerlijksten geur om zich heen;
+het was allen te moede evenals ons, wanneer wij van de gedachte aan
+ons geluk vervuld zijn.
+
+«Hoe schoon is het leven toch!» zei iedere roos. «Slechts één ding zou
+ik wenschen: de zon te kunnen kussen, omdat zij zoo warm en zoo helder
+is. Ook de rozen daar beneden in het water, onze evenbeelden, zou
+ik wel willen kussen, en de lieve vogeltjes beneden in het nest. Ook
+boven zijn er enkele; zij steken er hun kopjes uit en piepen zacht; zij
+hebben geen veeren, zooals vader en moeder. Het zijn goede burinnetjes,
+zoowel die beneden, als die boven zijn!»
+
+De jongen boven en beneden,--die beneden waren echter slechts de
+weerkaatsing in het water,--waren musschen; haar ouders waren
+insgelijks musschen; zij hadden het leege zwaluwennest van het
+vorige jaar in bezit genomen en huisden daarin nu, alsof het haar
+eigendom was.
+
+«Zijn dat eendekleeren, die daar drijven?» vroegen de jongen van de
+musschen, toen zij de veeren op het water zagen.
+
+«Als je wilt vragen, doe dan ten minste verstandige vragen!» zei de
+moeder. «Zie je dan niet, dat het veeren zijn, levende kleerenstof,
+zooals ik draag en zooals jelui ook eenmaal zult dragen? Maar de onze
+is fijner. Ik zou overigens wel willen dat we ze boven in het nest
+hadden; want ze verwarmen lekker. Ik zou wel eens willen weten, waarvan
+de eenden toch zoo geschrikt zijn; van ons zeker niet; wel is waar
+zeide ik vrij luid tegen jelui: «Piep!» De rozen moesten het eigenlijk
+weten; maar die weten niemendal, bekijken zich zelf slechts en geven
+geur van zich; ik ben deze burinnetjes van ganscher harte moede!»
+
+«Hoor die allerliefste vogeltjes daar boven eens!» zeiden de rozen;
+«die beginnen nu ook hun best te doen om te zingen, maar zij kunnen
+het nog niet. Het zal intusschen wel gaan; wat zal dat plezierig zijn;
+het is wel aardig, zulke vroolijke burinnetjes te hebben.»
+
+Eensklaps kwamen er twee paarden aanrijden om gedrenkt te worden; een
+boerenjongen reed op het eene; hij had al zijn kleeren uitgetrokken
+behalve zijn grooten, breeden, stroohoed. De jongen zong als een
+lijster en reed den vijver in, waar deze het diepst was; en toen hij
+den rozenstruik voorbijkwam, plukte hij een roos af en stak haar
+op zijn hoed en nu dacht hij, dat hij er wat mooi uitzag, en reed
+verder. De andere rozen keken haar zuster na en vroegen zich af:
+«Waar zou zij wel naar toe gaan?» Maar niemand wist dit te zeggen.
+
+«Ik zou de wijde wereld wel eens in willen,» zeide er een; «maar
+hier te huis in ons groen is het ook mooi. Den heelen dag schijnt
+de zon helder en warm, en 's nachts fonkelt de hemel nog helderder;
+dat kunnen wij door al die gaatjes, die er in zijn, wel zien.» Zij
+bedoelde de sterren; zij wist het niet beter.
+
+«Wij maken het levendig in den omtrek van het huis,» zei de moeder
+der musschen, «en het zwaluwennest brengt geluk aan, zeggen de
+menschen, daarom heeft men ons hier graag. Maar onze burinnetjes! Zoo'n
+rozestruik tegen den muur aan veroorzaakt vocht. Hij zal wel weggenomen
+worden; dan groeit hier ten minste misschien nog koren. De rozen
+deugen nergens toe, dan om er naar te kijken en er aan te ruiken en
+op zijn hoogst ze op den hoed te steken.
+
+«Jaarlijks, dat weet ik van mijn moeder, vallen zij af. De vrouw
+van den boer legt ze in en strooit er zout tusschen; dan krijgen zij
+een Franschen naam, die ik niet kan en ook niet wil uitspreken; zij
+worden op het vuur gestrooid als zij lekker moeten ruiken. Zie, zoo
+is haar levensloop; zij bestaan slechts voor het oog en den neus. Nu
+weet je het!»
+
+Toen de avond viel en de muggen in de warme lucht en in de roode
+wolken dansten, kwam de nachtegaal en zong voor de rozen, dat het
+met het schoone eveneens gesteld was als met den zonneschijn in deze
+wereld, en dat het schoone eeuwig leefde. Maar de rozen dachten,
+dat de nachtegaal zich zelf bezong, hetgeen men heel goed had kunnen
+geloven; want dat het gezang haar gold, daaraan dachten zij niet. Zij
+hadden er echter veel schik in en dachten er over na, of al de kleine
+musschen misschien ook nachtegalen konden worden. «Ik heb het gezang
+van dezen vogel heel goed begrepen,» zeiden de jonge musschen. «Slechts
+één woord was mij niet duidelijk. Wat beteekent «het schoone?»»
+
+«Dat is volstrekt niets,» hernam de moeder der musschen; «dat is
+maar iets uiterlijks. Maar op het adellijk kasteel, waar de duiven
+haar eigen huis hebben en waar iederen dag erwten en gerst voor
+haar gestrooid wordt,--ik heb zelf met haar gegeten, en dat zullen
+jelui mettertijd ook wel doen,--op het adellijk kasteel heeft men
+twee vogels met groene halzen en een kam op den kop; die kunnen hun
+staart uitspreiden als een groot wiel, en deze heeft allerlei kleuren,
+zoodat het zien daarvan aan de oogen zeer doet. Deze vogels worden
+pauwen genoemd, en dat is «het schoone». Als ze maar eens een beetje
+geplukt werden, dan zouden zij er niets anders uitzien dan wij. Ik
+zou ze al geplukt hebben, als ze maar niet zoo groot waren.»
+
+«Ik zal ze wel eens plukken,» zei de kleine musch, die nog geen
+veeren had.
+
+In het boerenhuis woonde een jeugdig echtpaar; zij hadden elkander
+hartelijk lief; zij waren vlijtig en flink; het zag er alles heel
+knap bij hen uit. Des Zondags vroeg kwam de jonge vrouw de deur uit,
+plukte een handvol van de mooiste rozen en deed ze in een glas met
+water, dat zij op de kast neerzette.
+
+«Nu kan ik zien, dat het Zondag is,» zei de man en gaf zijn vrouw een
+kus. Zij gingen zitten, lazen in het gezangboek en legden hun handen
+in elkaar; de zon bescheen de frissche rozen en het jonge echtpaar.
+
+«Dat verveelt mij geducht,» zei de moeder der musschen, die uit het
+nest vlak in de kamer kon zien, en vloog weg.
+
+Zoo ging het ook den volgenden Zondag, want alle Zondagen werden
+er versche rozen in het glas gedaan; maar de rozestruik bloeide
+altijd even mooi. De jonge musschen hadden nu veeren en wilden graag
+meevliegen; maar haar moeder wilde dit niet, en dus moesten zij thuis
+blijven. Zij vloog, maar, hoe het ook mocht gekomen zijn, zoo veel is
+zeker: voordat zij er aan dacht, was zij in een strik van paardenharen
+geraakt, die jongens aan een tak vastgemaakt hadden. De paardenharen
+trokken zich vast om haar poot heen, als zou deze doorgesneden worden;
+dat was een pijn, een schrik! De jongens sprongen toe en pakten den
+vogel op een onzachte manier beet.
+
+«Het is maar een musch!» zeiden zij; doch zij lieten haar toch niet
+vliegen, maar namen haar mee naar huis; en telkens wanneer zij piepte,
+gaven zij haar een slag op den snavel.
+
+In het boerenhuis bevond zich juist een oud man, die scheerzeep en
+waschzeep in vierkante stukken zoowel als in ballen vervaardigde. Het
+was een rondreizende, vroolijke grijsaard. Toen hij de musch zag,
+die de jongens meegebracht hadden en waarmee zij, zooals zij zeiden,
+niet veel ophadden, vroeg hij: «Willen we haar eens heel mooi maken?»
+Een ijskoude huivering ging de moeder der musschen over de leden. Uit
+de kast, waarin de mooiste kleuren lagen, nam de grijsaard een doosje
+met bladgoud, en de jongens moesten eiwit halen, waarmee de musch
+werd bestreken; nu werd het goud er op vastgeplakt, en de moeder der
+musschen was nu geheel verguld. Maar zij dacht niet aan het sieraad
+en beefde over al hare leden. En de grijsaard scheurde van de roode
+voering van zijn oude jas een lapje af, tandde dit uit, zoodat het
+er als eene hanekam uitzag, en plakte het den vogel op den kop.
+
+«Nu zal je den goudrok eens zien vliegen,» zei de grijsaard en liet
+de musch los, die in doodelijken angst wegvloog, door de stralen der
+zon beschenen. Wat schitterde zij nu! Al de musschen, zelfs een kraai,
+ofschoon dit al een oude knar was, verschrikten hier niet weinig van;
+maar zij vlogen toch achter haar aan, om eens te zien, wat voor een
+vreemde vogel het was.
+
+Door angst en ontzetting aangegrepen, vloog de musch naar huis terug;
+het scheelde niet veel, of zij viel machteloos op den grond neer:
+de schaar der vervolgende vogels groeide aan, ja, enkelen deden zelfs
+een poging, om haar aan te vallen.
+
+«Kijk die eens! Kijk die eens!» schreeuwden zij allemaal.
+
+«Kijk die eens! Kijk die eens!» schreeuwden ook haar jongen, toen zij
+dicht bij het nest kwam. «Dat is stellig een jonge pauw! Wat heeft
+hij mooie kleuren; je oogen doen er zeer van, zooals moeder verteld
+heeft. Piep! Dat is het schoone!» En nu pikten zij met haar kleine
+snavels naar den vogel, zoodat het hem onmogelijk was, in het nest te
+komen; hij was zoo uitgeput, dat hij niet eens «Piep!» kon zeggen,
+laat staan dan: «Ik ben je moeder!» Ook de andere vogels vielen nu
+op de musch aan, zoodat zij bloedend op den rozestruik neerviel.
+
+«Arm beest!» zeiden alle rozen, «wees maar niet bang: wij zullen je
+wel verbergen! Leg je kopje maar tegen ons aan!»
+
+De musch spreidde haar vleugels nog eenmaal uit, daarop drukte zij
+ze vast aan haar lijf en lag dood bij haar burinnetjes, de mooie,
+frissche rozen.
+
+«Piep!» klonk het uit het nest. «Waar zou moeder toch blijven? Dat
+is onbegrijpelijk! Het zal toch geen streek van haar zijn en moeten
+beteekenen, dat wij nu maar voor ons zelf moeten zorgen! Het huis
+heeft zij ons nagelaten; maar aan wie van ons moet het nu toebehooren,
+als wij ook familie krijgen?»
+
+«Ja, dat gaat niet, dat je bij mij blijft, als ik vrouw en kinderen
+krijg!» beweerde de jongste.
+
+«Ik zal wel meer vrouwen en kinderen krijgen dan jij!» zei de tweede.
+
+«Maar ik ben de oudste!» liet de derde er op volgen. Allen werden nu
+toornig; zij sloegen met de vleugels, pikten met den snavel, en zoo
+werd de een na de ander uit het nest gegooid. Daar lagen zij nu met
+haar toorn! Zij hielden de kop op zijde en knipten met de naar boven
+gekeerde oogen.
+
+Zij konden een weinig vliegen, door oefening leerden zij het nog beter,
+en eindelijk werden zij het eens over een teeken, om elkaar, wanneer
+zij elkaar later in de wereld mochten ontmoeten, te herkennen. Het
+zou in een «Piep!» bestaan en in een driewerf herhaald gekrabbel op
+den grond met den linkerpoot.
+
+De jonge musch, die in het nest achtergebleven was, verbeeldde zich
+nu heel wat: zij was immers de eigenares van het huis. Maar deze
+heerlijkheid duurde niet lang: in den nacht barstte er een hevige
+brand uit, de vlammen grepen het dak aan, het droge stroo vlamde
+hoog op, het geheele huis verbrandde en de jonge musch eveneens;
+de beide andere trouwlustigen echter brachten er het leven gelukkig af.
+
+Toen de zon weer opging en alles er zoo verkwikt uitzag als na
+een gerusten slaap, waren er van het boerenhuis nog slechts enkele
+verkoolde, zwarte balken over, die tegen den schoorsteen leunden,
+die nu geheel op zich zelf stond. Het rookte nog geducht uit het puin;
+maar daar buiten stond frisch en bloeiend de rozestruik, en spiegelde
+iedere bloem, iederen tak in het heldere water af.
+
+«O, wat bloeien die rozen daar voor het afgebrande huis toch heerlijk!»
+riep een voorbijganger uit. «Een bekoorlijker tafereeltje laat zich
+niet denken. Dat moet ik hebben!»
+
+En deze man kreeg uit zijn zak een boek met witte blaadjes: het was
+een schilder; en met een potlood teekende hij het rookende huis,
+de verkoolde balken en den overhangenden schoorsteen uit, en deze
+helde al meer en meer over; op den voorgrond bevond zich de groote,
+bloeiende rozestruik; deze leverde een prachtig gezicht op. Om
+zijnentwil was de teekening ontstaan.
+
+Later op den dag kwamen de twee musschen, die hier geboren
+waren, voorbij. «Waar is het huis?» vroegen zij. «Waar is het
+nest? Piep! Alles is verbrand en onze overmoedige zuster ook. Dat heeft
+zij er nu van, dat zij het nest wou behouden. De rozen zijn er goed
+afgekomen, daar staan zij nog met haar roode wangen. Die treuren zeker
+niet over het ongeluk van haar burinnetjes. Ik wil ze niet aanspreken,
+en het is hier leelijk: zoo denk ik er over!» En weg gingen zij.
+
+Op een prachtigen, helderen herfstdag,--men zou haast gezegd hebben,
+dat het nog midden in den zomer was,--huppelden op het droge en
+schoongeveegde voorplein van het ridderkasteel de duiven, zoowel zwarte
+als witte en bonte; zij schitterden in den zonneschijn. De moeders
+der duiven zeiden tegen haar jongen: «Schaart je in groepen! Want
+dat staat veel beter!»
+
+«Wat zijn dat voor grauwe beestjes, die achter ons loopen?» vroeg
+een oude duif met rood en groen in de oogen. «Kleine grauwe! Kleine
+grauwe!» riep zij.
+
+«Het zijn musschen, lieve beestjes. Wij hebben altijd den naam gehad,
+dat wij zoo goedig zijn; daarom zullen we haar ook veroorloven,
+de korreltjes mee op te pikken; zij vallen ons niet in de rede en
+krabben zoo aardig met de pooten.»
+
+Ja, zij krabden driemaal met den poot en wel met den linkerpoot en
+zeiden ook: «Piep!» Daaraan herkenden zij elkaar; want het waren de
+musschen uit het nest op het afgebrande huis.
+
+«Hier is het heel goed om te eten!» zeiden de musschen. De duiven
+liepen om elkaar heen, zetten een hooge borst en hadden innerlijk
+haar eigene meening.
+
+«Zie je die kropduif wel!» zei er een. «Zie je wel, hoe zij de
+erwten inslikt? Zij neemt er te veel en dat nog wel de beste. Roekoe,
+roekoe! Wat is dat een leelijk, boosaardig dier! Roekoe, roekoe!»
+
+En aller oogen vlamden van toorn. «Schaart je in groepen! Schaart je
+in groepen! Kleine grauwe! Kleine grauwe! Roekoe! Roekoe! Roekoe!»
+Zoo gingen de snavels door elkaar, en zoo zullen zij na duizend jaren
+nog door elkaar gaan.
+
+De musschen deden haar best met eten; zij luisterden oplettend
+toe en schaarden zich zelfs mee in het gelid; dit ging haar echter
+niet goed af. Zij waren verzadigd en verlieten daarom de duiven,
+spraken allen haar oordeel over deze uit en slopen den tuin in, en
+toen zij de tuindeur open vonden, huppelde een, die volop verzadigd
+en daarom overmoedig was, op den drempel. «Piep!» zeide zij, «dat
+durf ik wel doen!»
+
+«Piep!» zei de andere; «dat durf ik ook wel en nog iets meer!» En zij
+huppelde de kamer binnen. Er was niemand aanwezig; dat zag de derde,
+vloog de kamer nog dieper in en riep: «Of heelemaal, of in 't geheel
+niet! Het is overigens een zonderling menschennest; en wat hebben ze
+hier neergezet? Wat is dat?»
+
+Vlak bij de musschen bloeiden zoowaar de rozen: zij spiegelden
+zich in het water af, en de verkoolde balken leunden tegen den
+vooroverhellenden schoorsteen aan. «Wat is dat? Hoe komt dat in de
+kamer van het adellijk kasteel?»
+
+En al de drie musschen wilden over de rozen en den schoorsteen
+wegvliegen, maar zij vlogen tegen een vlakken muur aan. Alles was een
+schilderij, een groot, prachtig schilderij, dat de schilder naar een
+schets vervaardigd had.
+
+«Piep!» zeiden de musschen, «het bestaat niet! Het ziet er maar uit,
+alsof het iets was. Piep! dat is het schoone! Kan jij het begrijpen? Ik
+niet!» En zij vlogen weg, want er kwamen menschen in de kamer.
+
+Er verliepen jaren en dagen; de duiven hadden dikwijls gekord, die
+boosaardige dieren; de musschen hadden het in den winter erg te kwaad
+met de kou gehad en in den zomer vroolijk geleefd: zij waren allemaal
+verloofd of getrouwd of hoe men het noemen wil. Zij hadden jongen,
+en ieder hield de hare natuurlijk voor de mooiste en de slimste; de
+een vloog hierheen, de ander daarheen, en als zij elkaar ontmoetten,
+dan herkenden zij elkaar aan haar «Piep!» en aan het driemaal herhaald
+gekrabbel met den linkerpoot. De oudste was een oude vrijster gebleven,
+die geen nest en geen jongen had; haar lievelingsdenkbeeld was,
+een groote stad te zien; zij vloog daarom naar Kopenhagen toe.
+
+Men zag daar een groot huis, dat met vele bonte kleuren beschilderd
+was, dicht bij het kasteel en bij het kanaal, waarin vele met appelen
+en potten beladen schepen voeren. De ramen waren beneden breeder
+dan boven, en als de musschen er doorheen keken, dan kwam iedere
+kamer haar als een tulp met de bontste kleuren en schakeeringen
+voor. Midden in de tulp echter stonden witte menschen; deze waren
+van marmer, enkele ook van gips; doch met musschenoogen bekeken, komt
+dat al zoo wat op hetzelfde neer. Boven op het dak stond een metalen
+wagen, met metalen paarden bespannen, en de godin der overwinning,
+die insgelijks van metaal vervaardigd was, bestuurde ze. Het was het
+museum van Thorwaldsen.
+
+«Wat schittert dat, wat schittert dat!» zei de musch. «Dat zal wel
+het schoone zijn. Piep! Hier is het echter grooter dan een pauw!»
+Zij herinnerde zich nog uit haar kinderjaren, wat haar moeder
+als het grootste onder het schoone erkend had. Zij vloog naar de
+plaats toe; daar was alles buitengewoon prachtig; op de muren waren
+palmen en takken geschilderd; midden op de plaats stond een groote,
+bloeiende rozestruik; deze spreidde zijn frissche takken met de vele
+rozen over een graf uit. Daar vloog de musch naar toe; want zij zag
+daar verscheidenen van haar soort. Piep en drie krabbels met den
+linkerpoot,--zoo had zij het heele jaar door al zoo dikwijls gegroet,
+maar niemand had haar antwoord gegeven; want die eenmaal gescheiden
+zijn, treffen elkaar niet alle dagen aan: de groet was haar tot een
+gewoonte geworden.--Heden echter antwoordden twee oude musschen en
+een jonge met «Piep!» en een driewerf herhaald gekrabbel met den
+linkerpoot.
+
+«Wel zoo! Goeden dag! Goeden dag!» Het waren twee ouden uit het nest en
+nog een kleine uit de familie. «Moeten we elkaar hier ontmoeten? Het
+is een deftige plaats, maar er is niet veel te eten. Dat is het
+schoone! Piep!»
+
+En vele menschen kwamen er uit de nevenvertrekken, waar de prachtige
+marmeren beelden stonden, en begaven zich naar het graf, waarin
+de groote kunstenaar, die de marmeren beelden vervaardigd had,
+rustte. Allen stonden in een eerbiedige houding rondom het graf van
+Thorwaldsen, en enkelen raapten de afgevallen rozebladeren op en
+staken deze bij zich. Zij waren uit verre landen gekomen: een uit het
+machtige Engeland, anderen uit Duitschland en Frankrijk. De mooiste
+dame plukte een der rozen af en verborg deze aan haar boezem. Nu
+dachten de musschen, dat de rozen hier regeerden en dat het huis
+om harentwil gebouwd was; dat scheen haar nu wel wat te veel, maar
+daar de menschen al hun liefde aan de rozen bewezen, wilden zij niet
+achterblijven. «Piep!» zeiden zij en streken met hare staartjes
+over den grond en keken met één oog naar de rozen: zij hadden ze
+nog niet lang bekeken, of zij merkten, dat het de oude burinnetjes
+waren. En zij waren het werkelijk. De schilder, die den rozestruik
+bij het afgebrande huis had uitgeteekend, had later de vergunning
+verkregen, dezen uit den grond te nemen, en had hem toen aan den
+bouwmeester gegeven, want schoonere rozen had men nooit gezien; en
+de bouwmeester had hem op het graf van Thorwaldsen geplant, waar hij
+als beeld van het schoone bloeide en zijn roode, geurige rozebladeren
+weggaf, om als een herinnering naar verre landen meegenomen te worden.
+
+«Heb je hier in de stad een postje gekregen?» vroegen de musschen.
+
+De rozen knikten; zij herkenden haar grauwe burinnetjes en verheugden
+er zich over, dat zij ze terugzagen. «Wat is het toch heerlijk,
+te leven en te bloeien, oude vrienden terug te zien en alle dagen
+vroolijke gezichten! Het is, alsof het een feestdag was.»--«Piep!»
+zeiden de musschen. «Ja, het zijn waarlijk de oude burinnetjes: wij
+herinneren ons haar afstamming van den vijver. Piep! Wat zijn zij in
+aanzien gekomen! Ja, menigeen gelukt het in den slaap!--Wacht! daar
+zit een verwelkt blad, dat zie ik heel duidelijk!» En zij pikten er
+zoo lang aan, totdat het blad afviel. Maar frisscher en groener stond
+de rozestruik daar; de rozen geurden in den zonneschijn op het graf
+van Thorwaldsen, aan wiens onsterfelijken naam zij zich verbonden.
+
+
+
+
+GROOTMOEDER.
+
+
+Grootmoeder is heel oud, zij heeft vele rimpels in haar voorhoofd
+en sneeuwwit haar; maar haar oogen, die als twee sterren fonkelen,
+ja veel schooner nog, hebben een milden en vriendelijken blik, en
+weldadig is het, er in te staren! En dan weet zij de mooiste sprookjes
+te vertellen. Zij weet heel veel; want zij heeft veel vroeger geleefd
+dan vader en moeder; dat is bepaald zeker! Grootmoeder heeft een
+gezangboek met groote zilveren sloten en leest dikwijls in dit boek;
+daarin ligt een roos, geheel platgedrukt en verdroogd; deze is niet
+zoo mooi als de rozen, die zij in een glas heeft staan, maar toch
+lacht zij haar het vriendelijkst toe, ja, er komen haar zelfs tranen
+in de oogen! Waarom zou grootmoeder de verwelkte bloem in het oude
+boek toch zoo aankijken? Weet gij het?--Wel, telkens wanneer de
+tranen van grootmoeder op de bloem vallen, worden de kleuren weer
+frisch, de roos zwelt op en vervult de geheele kamer met haar geur,
+de muren zinken weg, als waren zij slechts nevel, en rondom haar is het
+groene, heerlijke bosch, waar de zon door het loof der boomen straalt:
+en grootmoeder--ja, zij is weer geheel jong, zij is een bekoorlijk
+meisje met blonde lokken, met blozende wangen, schoon en aanminnig,
+geen roos is frisscher; maar de oogen, die vriendelijke, gezegende
+oogen,--ja, die behooren nog aan grootmoeder toe.--Naast haar zit
+een jonkman, rijzig en krachtig, hij reikt haar de roos over, en zij
+glimlacht,--zoo glimlacht grootmoeder toch niet!--ja, toch wel! Maar
+hij is verdwenen; vele gedachten, vele gestalten zweven voorbij,
+de knappe jonkman is verdwenen, de roos ligt in het gezangboek, en
+grootmoeder,--ja, zij zit daar weer als een oude vrouw en bekijkt de
+verwelkte roos, die er in het boek ligt.
+
+Nu is grootmoeder dood.--Zij zat in haar leuningstoel en vertelde een
+uitvoerig, mooi sprookje; zij zeide, dat het sprookje nu uit en dat
+zij moede was; zij ging met haar hoofd achterover leunen om een weinig
+te slapen. Men kon haar ademhaling hooren, zij sliep; maar het werd
+al stiller en stiller, en haar gelaat straalde van geluk en vrede;
+het was, alsof er zich zonneschijn over haar trekken verspreidde,
+zij glimlachte weer, en toen zeiden de menschen, dat zij gestorven was.
+
+Zij werd in de zwarte kist neergelegd; daar lag zij, gehuld in het
+witte linnen, zacht en schoon, en toch waren haar oogen gesloten,
+maar iedere rimpel was verdwenen; zij lag daar met een glimlachje
+om de lippen; heur haar was zilverwit en eerwaardig, het was niet
+akelig om de doode aan te staren, het was immers de lieve, goedhartige
+grootmoeder. En het gezangboek werd onder haar hoofd neergelegd, dat
+had zij zelf begeerd, de roos lag in het oude boek; toen begroeven
+zij grootmoeder.
+
+Op het graf, dicht bij den muur der kerk, plantten zij een rozeboompje;
+dit zat vol rozen, en de nachtegaal vloog zingend over de bloemen en
+het graf; binnen in de kerk klonken van het orgel de schoonste psalmen,
+die er in het oude boek onder het hoofd der overledene stonden. De
+maan scheen op het graf neer, maar de doode was hier niet; ieder kind
+kon er 's nachts gerust heengaan en een roos bij den kerkhofsmuur
+plukken. Een doode weet meer, dan wij levenden met ons allen weten. De
+dooden weten heel goed, welk een angst zich van ons meester zou maken,
+als het zonderlinge geschiedde en zij tot ons kwamen; de dooden zijn
+beter dan wij allen; zij keeren niet weer. De aarde heeft zich boven
+de doodkist opgehoopt; ook in de doodkist is aarde, de bladen van het
+gezangboek zijn stof, en de roos met al haar herinneringen is tot
+stof vergaan. Maar boven haar bloeien frissche rozen, boven zingt
+de nachtegaal en klinkt het orgel, boven leeft de herinnering aan
+de oude grootmoeder met de milde, eeuwig jonge oogen.--_Oogen kunnen
+nimmer sterven._--De onze zullen eenmaal grootmoeder weerzien, jong en
+schoon, zooals zij voor de eerste maal de frissche, roode roos kuste,
+die nu stof in het graf is.
+
+
+
+
+DE SCHIM.
+
+
+In de warme landen brandt de zon zeer sterk; daar worden de menschen
+zoo bruin als mahoniehout; ja, in de warmste landen worden zij zelfs
+tot negers gebrand. Naar deze warme landen was een geleerd man uit
+de koude streken vertrokken. Deze dacht nu, dat hij daar eveneens
+kon rondloopen als in zijn vaderland; maar van die meening kwam hij
+al spoedig terug. Hij en alle verstandige lieden moesten in huis
+blijven: de luiken en deuren werden den heelen dag gesloten; het
+had den schijn, alsof allen in huis sliepen of uitgegaan waren. De
+nauwe straat met de hooge huizen, waarin hij woonde, was echter ook
+zoo gebouwd, dat de zon er van den ochtend tot den avond in moest
+schijnen; het was werkelijk onverdraaglijk. De geleerde uit de koude
+streken was een jong, kundig man; het kwam hem voor, alsof hij in
+een gloeienden oven zat; dat deed hem veel kwaad: hij werd mager;
+zelfs zijn schim kromp en werd veel kleiner dan hij [10] in zijn
+vaderland geweest was; de zon nam ook zelfs dezen mede, en hij begon
+'s avonds, als zij ondergegaan was, eerst te leven. Het was een aardig
+tooneel, dit aan te zien: zoodra er licht in de kamer gebracht werd,
+rekte de schim zich tegen den muur uit, ja nog verder, tot aan de
+zoldering, zoo lang maakte hij zich; hij moest zich wel uitrekken, om
+weer tot vroegere krachten te komen. De geleerde ging op het balkon
+om zich te verfrisschen, en zoodra de sterren aan den prachtigen,
+helderen hemel te voorschijn kwamen, was het hem, alsof hij weer
+herleefde. Op al de balkons in de straat,--en in de warme landen is
+er voor ieder raam een balkon,--vertoonden zich nu menschen; want
+versche lucht moet men toch hebben, al is men er ook aan gewoon,
+zoo bruin als mahoniehout te worden; dan werd het boven en beneden
+levendig; beneden stalden schoenmakers en kleermakers hun goederen op
+de straat uit; dan bracht men tafels en stoelen, en werden er lichten
+opgestoken, ja, over de duizend lichten: de een sprak, een ander zong,
+en de menschen wandelden; er reden rijtuigen, er draafden muildieren,
+«klingelingling,»--deze dragen namelijk schelletjes aan hun tuig,--er
+werden lijken met gezang begraven; de kerkklokken luidden; ja, het
+was werkelijk zeer druk en levendig op de straat. Slechts in één huis,
+tegenover dat, waar de vreemde, geleerde man woonde, was het doodstil;
+en toch woonde daar iemand, want er stonden bloemen op het balkon,
+en deze bloeiden heerlijk in de zonnehitte; en dat hadden zij niet
+kunnen doen, als zij niet van tijd tot tijd begoten werden, en iemand
+moest ze toch begieten. Menschen moeten er dus wel wonen. De deur
+werd ook tegen den avond op een kier gezet; maar dan was het donker,
+althans in de voorkamer; uit het binnenste van het huis hoorde
+men muziek. De vreemde, geleerde man vond deze allerprachtigst;
+doch het was ook wel mogelijk, dat hij het zich maar verbeeldde,
+want hij vond daar in die warme landen alles voortreffelijk, als er
+maar geen zon geweest was. De huisheer van den vreemdeling zeide,
+dat hij niet wist, wie het huis aan den overkant gehuurd had; men
+zag er geen menschen, en wat de muziek betrof, het kwam hem voor,
+dat deze verschrikkelijk vervelend was. «Het was, alsof daar iemand
+een stuk zat in te studeeren, dat hij toch niet goed kon uitvoeren:
+altijd hetzelfde stuk. ««Ik speel het toch goed!»» denkt hij zeker;
+maar hij doet het nooit goed, hoe lang hij ook speelt.»
+
+Eens werd de vreemdeling midden in den nacht wakker; hij sliep met
+de deur van het balkon open; de wind lichtte het gordijn, dat er
+voor hing, op, en nu scheen het hem toe, alsof er een wonderbare
+glans van het balkon van het huis aan den overkant afstraalde: alle
+bloemen vertoonden zich als vlammen in de schoonste kleuren, en midden
+tusschen de bloemen stond een schoone, slanke maagd. Het was, alsof
+zij insgelijks licht van zich gaf; het verblindde zijn oogen werkelijk,
+doch hij had ze wat te wijd opengespalkt en kwam nog maar pas uit zijn
+slaap. Met een enkelen sprong was hij uit zijn bed; zachtjes sloop
+hij achter het gordijn;--maar de maagd was weg, de glans was weg,
+de bloemen gaven geen licht meer van zich, maar stonden daar nog even
+schoon als altijd; de deur stond op een kier en van binnen deed zich
+muziek hooren, zoo heerlijk, zoo schoon, dat men zich daarbij werkelijk
+in liefelijke gedachten kon verdiepen. Het was als een tooverwerk;
+maar wie woonde daar? Waar was de eigenlijke ingang? Want aan den
+straatkant en in het steegje had men in het geheele benedenhuis raam
+aan raam, en daar konden de menschen toch niet altijd doorheen klimmen.
+
+Op zekeren avond zat de vreemdeling op zijn balkon; in de kamer achter
+hem brandde licht, en dus was het natuurlijk, dat zijn schim zich op
+den muur van het huis aan den overkant afteekende; ja, daar zat hij
+tusschen de bloemen op het balkon; en als de vreemdeling zich bewoog,
+dan bewoog de schim zich ook.
+
+«Ik geloof, dat mijn schim het eenige levende voorwerp is, wat men
+daar aan den overkant ziet,» zei de geleerde man. «Kijk eens, hoe
+aardig hij daar tusschen de bloemen zit; de deur staat maar op een
+kier; nu moest de schim eens zoo slim zijn en naar binnen toe gaan,
+daar eens rondkijken, dan terugkomen en mij vertellen, wat hij daar
+gezien heeft. «Ja, je zoudt je daardoor verdienstelijk maken,» zei hij
+schertsende. «Wees zoo goed en treed binnen! Welnu, zal je ook gaan?»
+En daarop knikte hij den schim toe, en de schim knikte terug. «Komaan,
+ga nu maar, en blijf niet weg!» En de vreemdeling stond op, en de schim
+op het balkon aan den overkant stond ook op; de vreemdeling keerde
+zich om: ja, als iemand er nauwkeurig op gelet had, dan zou hij gezien
+hebben, hoe de schim de halfgeopende balkondeur van het huis aan den
+overkant juist op hetzelfde oogenblik doorging, waarop de vreemdeling
+naar zijn kamer terugkeerde en het lange gordijn liet zakken.
+
+Den volgenden morgen ging de geleerde man uit, om koffie te
+drinken en kranten te lezen. «Wat is dat?» zei hij toen hij in den
+zonneschijn kwam. «Ik heb geen schim meer! Dus is hij gisteravond
+dan toch werkelijk heengegaan en niet teruggekomen, dat is toch
+recht verdrietig!»
+
+Hij was hierover geërgerd, doch niet zoozeer omdat de schim weg was,
+maar omdat hij wist, dat er een geschiedenis was van een man zonder
+schim;--alle menschen in zijn vaderland waren met deze geschiedenis
+bekend; en als de geleerde man nu in zijn vaderland terugkwam en
+zijn eigen geschiedenis vertelde, dan zouden zij zeggen, dat het
+maar een naäperij van hem was, en dat wilde hij liever niet van zich
+laten zeggen. Hij zou er daarom maar niet over spreken, en dat was
+verstandig van hem bedacht.
+
+Toen het avond was, ging hij weer op zijn balkon; het licht had hij
+wel is waar achter zich gezet, want hij wist, dat de schim altijd zijn
+heer tot scherm wil hebben; maar hij kon hem niet te voorschijn doen
+komen. Hij maakte zich klein, hij maakte zich lang; maar er was geen
+schim en er kwam geen schim. Hij zeide: «Hm, hm!» maar dat hielp niets.
+
+Dat was grievend; maar in de warme landen groeit alles zoo vlug,
+en na verloop van acht dagen bemerkte hij dan ook tot zijn vurige
+blijdschap, dat er een nieuwe schim uit zijn beenen groeide, als
+hij in den zonneschijn kwam; de wortel moest alzoo zijn blijven
+zitten. Na verloop van drie weken had hij een vrij grooten schim,
+die, toen hij op de terugreis naar de noordelijke landen was, al meer
+en meer aangroeide, zoodat hij eindelijk zoo lang en zoo breed was,
+dat hij er best de helft van had kunnen missen.
+
+Toen de geleerde man weer in zijn vaderland teruggekomen was,
+schreef hij boeken over het ware, het goede en het schoone, dat er
+in de wereld is, en er verliepen dagen, en er verliepen jaren,--er
+verliepen vele jaren.
+
+Daar zat hij op zekeren avond in zijn kamer, toen er zachtjes aan zijn
+deur getikt werd. «Binnen!» riep hij; maar er kwam niemand binnen;
+nu deed hij de deur open: daar stond een zoo buitengewoon mager man
+voor hem, dat het hem wonderlijk te moede werd. Overigens was deze
+man allerkeurigst gekleed: het moest zeker een deftig heer zijn.
+
+«Met wien heb ik de eer te spreken?» vroeg hij.
+
+«Ja, dat had ik wel gedacht,» zei de deftige heer, «dat ge mij niet
+zoudt kennen: ik ben zooveel lichaam geworden, dat ik vleesch en
+kleeren gekregen heb. Ge hebt er zeker nooit aan gedacht, dat ge mij in
+zulk een toestand zoudt zien? Kent ge uw ouden schim dan niet meer? Ja,
+ge hebt zeker niet gedacht, dat ik toch zou terugkomen. Het is met
+mij buitengewoon goed gegaan, sedert ik de laatste maal bij u was;
+ik ben in alle opzichten zeer vermogend geworden; als ik mij van den
+dienst wil vrijkoopen, dan kan ik dit.» Hij rammelde met een menigte
+kostbare sieraden, die aan zijn horloge hingen, en stak zijn hand
+door den zwaren gouden ketting, dien hij om den hals droeg; en wat
+fonkelden er aan al zijn vingers diamanten ringen! En alles was echt!
+
+«Ik weet waarlijk niet, wat ik er aan heb!» zei de geleerde man. «Wat
+moet dit alles beteekenen?»
+
+«Nu, iets gewoons niet!» zei de schim. «Maar ge behoort immers zelf
+ook niet tot de gewone menschen, en ik ben, zooals ge wel weet, van
+kindsbeen af in uw voetstappen getreden. Zoodra ge vondt, dat ik rijp
+genoeg was, om alleen in de wereld voort te komen, ging ik mijn eigen
+weg; ik verkeer in de gunstigste omstandigheden. Maar er overviel mij
+een soort van verlangen om u nog eenmaal te zien, voordat ge sterft;
+ik wilde deze streken weerzien, want men blijft toch altijd aan zijn
+vaderland gehecht. Ik weet, dat ge een anderen schim gekregen hebt;
+heb ik aan hem of aan u iets te betalen? Wees maar zoo goed, dit
+te zeggen.»
+
+«Wat? Ben je het waarlijk?» zei de geleerde man. «Dat is toch iets
+opmerkelijks! Ik had niet gedacht, dat men zijn ouden schim ooit als
+mensch zou kunnen weerzien.»
+
+«Zeg mij maar, wat ik te betalen heb,» hernam de schim, «want ik zou
+niet graag bij iemand schuld hebben.»
+
+«Hoe kun je nu zoo spreken?» vroeg de geleerde man. «Van welke schuld
+kan hier sprake zijn? Je bent zoo vrij van schuld, als iemand maar
+wezen kan! Ik verblijd mij van harte over je geluk! Ga zitten, oude
+vriend, en vertel mij eens, hoe alles in zijn werk gegaan is en wat
+je daar in die warme landen in het huis aan den overkant gezien hebt.»
+
+«Ja, dat zal ik u vertellen,» zei de schim en zette zich neer;
+«maar dan moet ge mij beloven, dat ge nimmer tegen iemand hier in
+de stad, waar ge mij ook moogt aantreffen, zult zeggen, dat ik uw
+schim geweest ben. Ik heb plan om te gaan trouwen; ik kan best een
+vrouw onderhouden.»
+
+«Wees maar niet bang,» zei de geleerde man; «ik zal aan niemand
+zeggen, wie je eigenlijk bent. Hier heb je mijn hand, ik beloof het
+je, en een man een man, een woord een woord!»
+
+«Een schim een schim, een woord een woord!» zei de schim; want zoo
+moest deze wel spreken.
+
+Het was overigens uiterst opmerkelijk, hoe hij geheel en al mensch
+geworden was. Hij was in het zwart gekleed en droeg het fijnste zwarte
+laken, verlakte laarzen en een hoed, die men in elkaar kon drukken,
+zoodat het niets anders dan een bol en een rand was, om niet te spreken
+van hetgeen we reeds weten: van de sieraden, de gouden halsketting
+en de diamanten ringen. Ja, de schim was bijzonder keurig gekleed,
+en dat was het juist, wat hem tot een man maakte.
+
+«Nu zal ik u eens het een en ander vertellen,» zei de schim, en toen
+zette hij zijn voeten met de verlakte laarzen zoo vast als hij maar
+kon op den arm van den nieuwen schim van den geleerden man neer, die
+als een poedel aan zijn voeten lag. Dit deed hij of uit hoogmoed, of
+misschien ook, opdat de nieuwe schim daaraan zou blijven kleven. Maar
+de liggende schim hield zich kalm en bedaard, om eens goed te kunnen
+luisteren; hij wilde ook weten, hoe men zich kon losmaken en zijn
+eigen heer en meester worden.
+
+«Weet ge, wie er in het huis aan den overkant woonde?» zei de
+schim. «Dat was het heerlijkste van alles: het was de poëzie! Ik ben
+daar drie weken geweest, en dat heeft dezelfde uitwerking, alsof men
+drie duizend jaren lang leefde en alles kon lezen, wat er gedicht en
+geschreven is. Want dat zeg ik, en het is waar: Ik heb alles gezien
+en ik weet alles.»
+
+«De poëzie!» riep de geleerde man uit. «Ja, deze leeft dikwijls als
+een kluizenaarster in de groote steden. De poëzie! Ja, ik heb haar
+een enkel vluchtig oogenblik gezien, maar de slaap stak mij in de
+oogen; zij stond op het balkon en flikkerde, evenals het noorderlicht
+flikkert: bloemen met levende vlammen. Vertel, vertel! Je waart op
+het balkon, je gingt de deur door, en toen....»
+
+«Toen bevond ik mij in de voorkamer,» zei de schim. «Gij zat op het
+balkon en keekt aldoor maar naar de voorkamer aan den overkant. Daar
+was geen licht: er heerschte daar een soort van schemering; maar de
+eene deur na de andere in een reeks van kamers en zalen stond open,
+en daar was het helder, en de massa licht zou mij gedood hebben,
+als ik gegaan was tot de plek waar de jonkvrouw zat. Maar ik was
+voorzichtig; ik gunde mij den tijd, en dat moet men ook doen.»
+
+«En wat zag je nu?» vroeg de geleerde man.
+
+«Ik zag alles! En dat zal ik u vertellen; maar--het is waarlijk geen
+trots van mijn kant--als vrij man en uit hoofde van de kundigheden,
+die ik bezit, om niet te spreken van mijn deftigen stand en mijn
+aanzienlijk fortuin, zou ik toch wel wenschen, dat ge «u» tegen
+mij zeidet.»
+
+«Neem mij niet kwalijk,» zei de geleerde man; «dat «je» is een oude
+gewoonte, en die legt men niet zoo gemakkelijk af. Ge hebt volkomen
+gelijk, en ik zal er aan denken. Maar vertel mij nu, wat ge gezien
+hebt.»
+
+«Alles,» zei de schim, «want ik zag alles en weet alles.»
+
+«Hoe zag het er dan in de binnenvertrekken uit?» vroeg de geleerde
+man. «Was het daar als in het koele bosch? Was het daar als in een
+heiligen tempel? Waren de vertrekken evenals de gesternde hemel,
+wanneer men op de hooge bergen staat?»
+
+«Alles was er,» zeide de schim; «ik ben er wel is waar niet heelemaal
+in geweest; ik bleef in de voorkamer in de schemering, maar daar
+stond ik heel goed. Ik zag alles en weet alles. Ik ben aan het hof
+der poëzie in de voorkamer geweest.»
+
+«Maar wat hebt ge dan gezien? Gingen door de groote zalen al de goden
+van den voortijd? Streden daar de oude helden? Speelden daar lieve
+kinderen en vertelden hun droomen?»
+
+«Ik zeg u, dat ik er geweest ben, en dus begrijpt ge wel, dat ik alles
+gezien heb, wat er te zien was. Maar als gij er naar toe gegaan waart,
+dan zoudt ge geen mensch gebleven zijn; maar dat werd ik, en tevens
+leerde ik mijn innerlijk wezen, mijn aangeborene eigenschappen en de
+betrekking kennen, waarin ik tot de poëzie stond. Ja, indertijd, toen
+ik bij u was, dacht ik daarover niet na; maar altijd, zooals ge weet,
+wanneer de zon op- en onderging, werd ik zoo verwonderlijk lang: in
+den maneschijn was ik bijna nog duidelijker te onderscheiden dan gij
+zelf; ik begreep destijds mijn innerlijk wezen niet: in de voorkamer
+onthulde zich dit aan mij,--ik werd mensch! Rijp kwam ik er weder
+uit, maar gij waart niet meer in de warme landen. Ik schaamde er mij
+over, als mensch zoo te loopen, als ik liep; ik had laarzen, ik had
+kleederen en al dat menschenvernis noodig, dat den eenen mensch van
+den anderen onderscheidt: ik zocht bescherming,--ja, aan u kan ik het
+wel toevertrouwen: gij zult het immers in geen boek zetten,--ik zocht
+bescherming onder de rokken der koekverkoopster; daaronder verschool
+ik mij; de vrouw dacht er niet aan, hoe veel zij verborg. Eerst
+'s avonds ging ik uit; ik liep in den maneschijn op de straat rond;
+ik strekte mij zoo lang als ik was tegen den muur uit; dat kittelde
+heel plezierig op mijn rug; ik liep naar boven en naar beneden, keek
+door de hoogste ramen in de zalen en door het dak, waar niemand in
+kon zien, en ik zag, wat niemand zag, wat niemand mocht zien.--Het
+is toch eigenlijk een booze wereld! Ik zou geen mensch willen zijn,
+als het niet eenmaal aangenomen was, dat het wat beteekent, mensch
+te zijn. Ik zag het allerongeloofelijkste bij vrouwen en mannen
+en ouders en «die lieve, engelachtige kinderen.» Ik zag, wat geen
+mensch moest weten, en wat zij allen toch zoo graag willen weten:
+kwaad bij de naasten. Als ik een krant geschreven had, dan zou zij
+gelezen zijn; maar ik schreef regelrecht aan de personen zelf, en er
+ontstond schrik in alle steden, waar ik kwam. Zij werden bang voor mij,
+en zij hadden mij zoo ontzettend lief! De professor maakte mij tot
+professor; de kleermaker gaf mij nieuwe kleeren (ik ben daarvan goed
+voorzien); de muntmeester sloeg munten voor mij; de vrouwen zeiden,
+dat ik mooi was,--en zoo werd ik de man, die ik nu ben. En nu zeg ik
+u vaarwel! Hier is mijn naamkaartje. Ik woon aan de zonzijde en ben
+met regenachtig weer altijd thuis.» En de schim verdween.
+
+«Dat was toch iets opmerkelijks!» zei de geleerde man.
+
+Jaren en dagen verliepen er, en nu kwam de schim terug.
+
+«Hoe gaat het?» vroeg hij.
+
+«Ach!» zei de geleerde man; «ik schrijf over het ware, het goede
+en het schoone; maar het kan niemand schelen, zoo iets te hooren;
+ik ben wanhopig; want ik trek mij dit erg aan!»
+
+«Dat doe ik niet,» zei de schim; «ik word dik en vet, en dat moet
+men trachten te worden. Ge kent de wereld niet; ge wordt ziek
+daarenboven,--ge moet reizen. Ik ga van den zomer een reis doen:
+wilt ge mee? Ik zou wel een reismakker willen hebben: wilt ge als
+schim meereizen? Dat zou mij veel genoegen doen! Ik betaal de reis!»
+
+«Gaat ge een verre reis doen?» vroeg de geleerde man.
+
+«Al naardat men het nemen wil!» zei de schim. «Een reis zal u goed
+doen. Wilt ge mijn schim zijn? Dan zult ge alles op reis vrij hebben.»
+
+«Dat is toch te dwaas!» zei de geleerde man.
+
+«Maar zoo is de wereld nu eenmaal,» zei de schim, «en zoo zal zij
+ook blijven!»
+
+Daarop verwijderde hij zich.
+
+Met den geleerden man ging het alles behalve goed; zorg en kommer
+vervolgden hem, en wat hij over het ware, het goede en het schoone
+schreef, dat was voor de meesten, wat de muskaatnoot voor de koe
+is. Hij werd eindelijk ziek.
+
+«Ge ziet er werkelijk als een schim uit!» zeiden de menschen tegen
+hem, en er ging den geleerden man een huivering over de leden, want
+hij dacht daarvan het zijne.
+
+«Ge moet naar een badplaats!» zei de schim, die hem een bezoek
+bracht. «Er is geen ander redmiddel voor u. Ik zal u ter wille van
+onze oude betrekking meenemen. Ik betaal de reis, en gij maakt de
+beschrijving daarvan en kort mij daardoor onderweg den tijd wat op. Ik
+wil de baden gebruiken; mijn baard groeit niet zoo hard, als hij wel
+moest, dat is ook een ziekte; en een baard moet ik toch hebben. Wees
+verstandig en neem mijn aanbod aan; wij reizen als kameraden.»
+
+En zij gingen samen op reis. De schim was nu heer en de heer was
+schim. Zij reden met elkaar, zij wandelden samen, naast elkander,
+voor en achter elkander, al naardat de zon stond. De schaduw wist
+altijd de eereplaats in te nemen; dat liet de geleerde man zich echter
+maar welgevallen: hij had een zeer goed hart en was uiterst mild en
+vriendelijk. Nu zei de heer op zekeren dag tegen den schim: «Daar we
+nu op zulk een wijze reiskameraden geworden en tevens van kindsbeen
+af met elkaar opgegroeid zijn, moeten we eens op onze verbroedering
+drinken. «Jij» en «jou» klinkt toch vertrouwelijker.»
+
+«Ge zeidet daar iets,» hernam de schim, die nu immers eigenlijk de
+heer was, «wat zeer welwillend en onbewimpeld gesproken is; ik zal nu
+even welwillend en onbewimpeld zijn. Gij, die een geleerd man zijt,
+weet wel, hoe wonderlijk de natuur is. Er zijn menschen, die het niet
+kunnen verdragen, aan grauw papier te ruiken; zij worden daarvan
+onpasselijk; anderen gaat het door merg en been, als men met een
+spijker op een glasruit krast: ik voor mij heb een dergelijk gevoel,
+als ik u «jij» en «jou» tegen mij hoor zeggen: ik gevoel mij daardoor,
+evenals in mijn eerste stelling bij u, terneergedrukt. Ge ziet, dat dit
+een eigenaardigheid is, en geen trots. Ik kan u niet «jij» en «jou»
+tegen mij laten zeggen; maar ik wil met alle genoegen «jij» en «jou»
+tegen u zeggen: dan wordt uw wensch ten minste voor de helft vervuld.»
+
+En nu zei de schim «jij» en «jou» tegen zijn vroegeren heer.
+
+«Dat is toch wat erg,» dacht deze, «dat ik «u» moet zeggen, terwijl
+hij «jij» en «jou» zegt;» maar hij moest het zich laten welgevallen.
+
+Zij kwamen op een badplaats, waar vele vreemdelingen waren, en onder
+deze een wonderschoone koningsdochter, die de ziekte had, dat zij al
+te scherp zag, hetgeen iets zeer verontrustends was.
+
+Terstond merkte zij, dat de pas aangekomene een heel ander man was
+dan de anderen. «Men zegt, dat hij hier is, om aan zijn baard meer
+groei te geven; maar ik doorzie de eigenlijke reden: hij kan geen
+schaduw werpen!»
+
+Nu was zij nieuwsgierig geworden, en daarom knoopte zij op de
+wandeling terstond een gesprek met den vreemden heer aan. Daar zij
+een koningsdochter was, behoefde zij niet veel komplimenten te maken;
+daarom zeide zij onverholen tegen hem: «Uw ziekte bestaat daarin,
+dat ge geen schaduw kunt werpen.»
+
+«Uwe Koninklijke Hoogheid moet reeds op den weg van beterschap zijn,»
+zei de schim. «Ik weet, dat uw ziekte daarin bestaat, dat ge al te
+scherp ziet; maar dat is nu voorbij; ge zijt weer hersteld. Ik heb een
+zonderlingen schim. Ziet ge den persoon, die altijd naast mij loopt,
+niet? Andere menschen hebben een gewonen schim; maar ik houd niet van
+het gewone. Men geeft dikwijls aan zijn bedienden fijner laken voor
+hun livrei, dan men zelf draagt, en zoo heb ik mijn schim zich als
+een mensch laten kleeden; ja, ge ziet, dat ik hem zelfs een schim
+gegeven heb. Dat kost heel veel, maar ik houd er van, iets op mijn
+eigen handje te hebben.»
+
+«Wat?» riep de prinses uit. «Zou ik werkelijk hersteld zijn? Dit
+bad is het beste, dat er bestaat; het water heeft in onze tijden
+wonderbare krachten. Maar ik ga hier nog niet vandaan, want nu
+wordt het eerst amusant; de vreemde prins--want een prins moet het
+zijn--bevalt mij uitmuntend. Als nu zijn baard maar niet groeit,
+want dan gaat hij heen.»
+
+Des avonds in de groote balzaal dansten de koningsdochter en de schim
+te zamen. Zij was licht, maar hij was nog lichter; zulk een danser had
+zij nog nooit gezien. Zij zeide tegen hem, uit welk land zij was, en
+hij kende dit land; hij was er geweest, maar destijds was zij afwezig;
+hij had door de ramen van het kasteel gekeken, zoowel door die van
+beneden als door die van boven: hij had het een en ander omtrent
+haar vernomen, en dus kon hij aan de koningsdochter antwoord geven en
+zinspelingen maken, waarover deze zich niet weinig verwonderde. Hij
+moest de verstandigste man van de heele wereld zijn; zij kreeg hooge
+achting voor alles, wat hij wist. En toen zij weer met hem danste,
+raakte zij op hem verliefd; en dat merkte de schim heel goed, want
+zij had hem met haar oogen bijna door en door gekeken. Zij dansten
+nog eens, en het lag haar op de lippen, het tegen hem te zeggen;
+maar zij was verstandig, zij dacht aan haar land en haar rijk,
+en aan de vele menschen, waarover zij moest regeeren. «Hij is een
+schrander man,» zeide zij bij zich zelve, «dat is goed; en hij danst
+voortreffelijk, dat is ook goed; maar zou hij wel grondige kennis
+bezitten? Dat is even gewichtig; daarom moet hij ondervraagd worden.»
+En nu richtte zij terstond zulk een moeilijke vraag tot hem, dat zij
+zelve daarop geen antwoord zou hebben kunnen geven, en de schim zette
+een zonderling gezicht.
+
+«Daar kunt ge mij geen antwoord op geven,» zei de koningsdochter.
+
+«Dat heb ik al in mijn kinderjaren geleerd,» zei de schim; «ik geloof
+zelfs, dat mijn schim, die daar bij de deur staat, er wel antwoord
+op zou kunnen geven.»
+
+«Uw schim?» riep de koningsdochter uit. «Dat zou iets zeer opmerkelijks
+zijn!»
+
+«Ik zeg het niet stellig, dat hij het kan,» zei de schim; «maar ik
+zou het wel haast denken. Hij heeft mij al zoo menig jaar gevolgd en
+zoo veel van mij gehoord; ik zou het daarom wel haast denken. Maar
+Uwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij, er u opmerkzaam op te maken,
+dat hij er zoo trotsch op is, voor een mensch door te gaan, dat hij,
+als hij in een goede luim zal zijn,--en dat moet hij zijn, om een
+juist antwoord te geven,--geheel als een mensch wil behandeld worden.»
+
+«Dat bevalt mij,» zei de koningsdochter.
+
+En nu ging zij naar den geleerden man, die bij de deur stond, en
+sprak met hem over de zon en de maan, over de groene bosschen en
+over de menschen nabij en verre, en de geleerde man antwoordde zeer
+verstandig en zeer goed.
+
+«Wat moet dat voor een man zijn, die zulk een verstandigen schim
+heeft!» dacht zij. «Het zou een ware zegen voor mijn volk en mijn
+rijk zijn, als ik dien koos. Ik zal het doen.»
+
+En zij werden het er al spoedig over eens, de koningsdochter en de
+schim namelijk; maar niemand mocht er iets van weten, voordat zij
+naar haar rijk teruggekeerd was.
+
+«Niemand, niet eens mijn schim!» zei de schim; en daarvoor had hij
+zijn bijzondere redenen.
+
+Zij kwamen in het land, waar de koningsdochter regeerde, als zij
+thuis was.
+
+«Hoor eens, beste vriend!» zei de schim tegen den geleerden man,
+«nu ben ik zoo gelukkig en machtig, als maar iemand worden kan;
+nu zal ik ook iets bijzonders voor je doen. Je moet bij mij op het
+kasteel wonen, met mij in een koninklijk rijtuig rijden en honderd
+duizend gulden in het jaar hebben; maar je moet je door elk en een
+ieder schim laten noemen en moogt het nimmer zeggen, dat je eenmaal
+mensch geweest bent; en dan moet je jaarlijks eenmaal, wanneer ik op
+het balkon in den zonneschijn zit en mij laat zien, aan mijn voeten
+liggen, zooals het een schim betaamt. Want ik moet je zeggen, dat ik
+met de koningsdochter trouw, en van avond is het bruiloft!»
+
+«Neen, dat is toch te dwaas!» zei de geleerde man. «Dat wil ik
+niet, dat doe ik niet; dat heet, het geheele land bedriegen en de
+koningsdochter daarbij! Ik zal aan allen zeggen, dat ik mensch ben
+en gij schim, en dat ge maar menschenkleeren aanhebt.»
+
+«Dat zou niemand gelooven,» zei de schim, «wees verstandig, of ik
+laat de wacht roepen!»
+
+«Ik ga regelrecht naar de koningsdochter!» zei de geleerde man.
+
+«Maar ik ga er eerst heen,» zei de schim, «en jij gaat naar de
+gevangenis toe!» En dit gebeurde; want de schildwachten gehoorzaamden
+dengene, die, zooals zij wisten, met de koningsdochter zou trouwen.
+
+«Beef je?» vroeg de koningsdochter, toen de schim bij haar
+binnentrad. «Is er iets voorgevallen? Je moogt vandaag niet ziek
+worden, thans, nu wij bruiloft zullen houden.»
+
+«Ik heb het vreeselijkste beleefd, wat men kan beleven!» zei de
+schim. «Begrijp eens--ja, zulke arme schimmehersens kunnen niet veel
+verdragen!--begrijp eens, mijn schim is krankzinnig geworden; hij
+verbeeldt zich, dat hij mensch geworden is en dat--begrijp eens!--dat
+ik zijn schim ben!»
+
+«Dat is verschrikkelijk!» zei de prinses. «Hij is immers in de
+gevangenis gezet?»
+
+«Dat spreekt vanzelf; ik vrees, dat hij niet meer zal herstellen.»
+
+«Die arme schim!» riep de prinses uit. «Hij is erg ongelukkig; het
+zou een waarachtige weldaad zijn, hem van zijn leven te verlossen,
+en als ik er recht over nadenk, hoe het volk in onzen tijd maar al te
+zeer geneigd is, voor de geringen tegenover de aanzienlijken partij
+te trekken, dan komt het mij noodzakelijk voor, dat men hem in alle
+stilte uit den weg ruimt.»
+
+«Dat is toch een harde zaak: want hij is een getrouw dienaar geweest,»
+zei de schim, en hij deed, alsof hij zuchtte.
+
+«Je bezit een edel karakter!» zei de koningsdochter en maakte voor
+hem een buiging.
+
+Des avonds was de geheele stad geïllumineerd en werden er kanonnen
+afgeschoten. En de soldaten presenteerden hun geweren. Dat was eerst
+een bruiloft! De koningsdochter en de schim kwamen op het balkon,
+om zich aan het volk te vertoonen en zich nog eenmaal een «Hoera!»
+te laten toeroepen.
+
+De geleerde man hoorde niets van al deze heerlijkheid,--want hij was
+al ter dood gebracht.
+
+
+
+
+HET VLAS.
+
+
+Het vlas stond in bloei; het had allerliefste, blauwe bloempjes, even
+teer als de vleugeltjes van een mug, en nog fijner! De zon scheen op
+het vlas, en de regenwolken begoten het; en dat deed daaraan evenveel
+goed, als het aan kleine kinderen doet, als zij gewasschen worden en
+dan een kus van hun moeder krijgen; zij worden daardoor veel schooner,
+en dat werd het vlas ook.
+
+«De menschen zeggen, dat ik bijzonder goed sta,» zei het vlas,
+«en dat ik heel lang ben; er zal een prachtig stuk linnen van mij
+komen. O, hoe gelukkig ben ik toch! Ik ben zeker de gelukkigste van
+alle wezens. Wat heb ik het goed! En er zal zeker wel wat van mij
+worden. Wat maakt de zonneschijn blij en wat smaakt de regen goed en
+wat verfrischt hij! Ik ben overgelukkig, ik ben de allergelukkigste!»
+
+«Ja, ja!» zei een paal van de heining. «Je kent de wereld niet,
+maar wij wel, want er zitten kwasten in ons,» en daarop maakte hij
+een jammerlijk geluid:
+
+
+ «Snip, snap, snor,
+ Basselor,
+ Uit is het lied!»
+
+
+«Neen! het is niet uit!» zei het vlas. «Morgen schijnt de zon of doet
+de regen goed. Ik gevoel, hoe ik groei; ik gevoel, dat ik in bloei
+sta! Ik ben de allergelukkigste!»
+
+Maar op zekeren dag kwamen er menschen; deze pakten het vlas van boven
+beet en trokken het met den wortel uit; dat deed zeer; het werd in
+het water gelegd, alsof het verdronken moest worden, en toen kwam
+het over het vuur, alsof men het wilde braden,--dat was ontzettend!
+
+«Men kan het niet altijd goed hebben!» zei het vlas. «Men moet iets
+ondervinden, dan weet men wat!»
+
+Maar het liep slecht af; het vlas werd nat gemaakt en gedroogd,
+gebraakt en gehekeld,--ja, wat wist het, hoe het heette, wat men er
+al zoo mee deed. Het kwam op het spinnewiel: snor, snor!--Nu was het
+niet mogelijk, zijn gedachten bij elkaar te houden.
+
+«Ik ben buitengewoon gelukkig geweest!» dacht het bij al zijn
+pijn; «men moet tevreden zijn met het goede, dat men genoten
+heeft!--Tevreden! Tevreden! O!» En dat zei het nog, toen het op het
+weefgetouw kwam;--en zoo werd het een mooi, groot stuk linnen. Al
+het vlas, tot op den laatsten stengel, ging aan dat ééne stuk op.
+
+«Maar dat is toch zonderling! Dat had ik nooit gedacht! O, wat is het
+geluk mij toch gunstig! De paal wist werkelijk niet, wat hij bedoelde
+met zijn:
+
+
+ «Snip, snap, snor,
+ Basselor!
+
+
+Het lied is nog volstrekt niet uit! Nu begint het eigenlijk eerst
+recht! Dat is werkelijk zonderling! Al moge ik ook iets geleden
+hebben, er is toch ook iets van mij geworden! Ik ben de gelukkigste
+van alle! Wat ben ik sterk en fijn, wat ben ik wit en lang! Dat is
+wat anders dan slechts een plant te zijn, al draagt men ook bloemen;
+men wordt niet verpleegd; en water krijgt men alleen dan, als het
+regent. Nu word ik verzorgd en verpleegd, de meid keert mij alle
+morgens om, en uit den gieter krijg ik iederen avond een regenbad; ja,
+de domineesvrouw heeft zelfs een lofrede op mij gehouden en gezegd, dat
+ik het beste stuk uit het kerspel ben. Ik kan niet gelukkiger worden!»
+
+Nu kwam het linnen in huis en toen onder de schaar; o, wat sneed en
+rukte men er aan, wat stak men er met naalden in!--Dat was waarlijk
+geen plezier; maar van het linnen kwamen twaalf stukken van die soort,
+welke men niet graag noemt, maar die alle menschen moeten hebben:
+een geheel dozijn werd daarvan vervaardigd.
+
+«O, kijk eens! Nu ben ik eerst wat gewichtigs geworden. Dat was dus
+mijn bestemming! Dat is immers een ware zegen! Nu doe ik nut in de
+wereld, en dat moet men immers, dat is eerst het ware genoegen! Wij
+zijn twaalf stukken geworden, maar wij zijn toch allemaal een en
+hetzelfde: wij zijn juist een dozijn! Wat is dat voor een bijzonder
+geluk!»
+
+Jaren verliepen er,--en nu waren zij heelemaal versleten.
+
+«Eenmaal moet het immers gedaan zijn,» zei ieder stuk. «Ik zou graag
+wat langer geduurd hebben, maar men moet niets onmogelijks verlangen!»
+
+Nu werden zij in stukken en flarden gescheurd. Zij dachten, dat het nu
+met hen gedaan was, want zij werden fijngehakt, geweekt en gekookt,
+ja, zij wisten zelf niet, wat er al zoo met hen gebeurde ... en toen
+werden zij schoon, wit papier.
+
+«Nu, dat is een verrassing, een heerlijke verrassing!» zei het
+papier. «Nu ben ik fijner dan vroeger, en nu zal ik beschreven
+worden. Dat is toch een buitengewoon geluk!»
+
+En er werden werkelijk de mooiste geschiedenissen en verzen op
+geschreven. De menschen hoorden, wat er op stond; en dat was wijs en
+goed, het maakte hen veel wijzer en beter; er lag een groote zegen
+in de woorden op dit papier.
+
+«Dat is meer, dan ik ooit gedacht had, toen ik nog een klein blauw
+bloempje op het veld was! Hoe kon het mij in de gedachten komen, dat
+ik eenmaal vreugde en kennis onder de menschen zou verspreiden? Ik kan
+het zelf nog niet begrijpen, maar het is toch werkelijk zoo! Onze God
+weet, dat ik daartoe zelf niets gedaan heb, dan wat ik overeenkomstig
+mijn zwakke krachten voor mijn bestaan doen moest; en toch brengt Hij
+mij van de eene vreugde en eer tot de andere. Telkens wanneer ik denk:
+«Uit is het lied!» dan ga ik weer tot iets hoogers en beters over. Nu
+moet ik zeker op reis gaan en de heele wereld rondgezonden worden,
+opdat alle menschen mij kunnen lezen. Dat kan niet anders zijn! Dat
+is het waarschijnlijkste! Ik heb kostelijke gedachten, even vele als
+ik vroeger blauwe bloemen had! Ik ben het gelukkigste schepsel!»
+
+Doch het papier ging niet op reis, maar het ging naar den boekdrukker
+toe; en daar werd alles, wat er op geschreven stond, om te drukken
+gezet tot één boek, ja tot vele honderden boeken, want op deze wijze
+konden oneindig velen er meer nut en genoegen van hebben, dan wanneer
+het eenige papier, waarop het geschreven stond, de heele wereld had
+moeten rondgaan en halverwege versleten was.
+
+«Ja, dat is zeker het verstandigste!» dacht het beschreven papier. «Dat
+is mij niet ingevallen. Ik blijf te huis en word in eere gehouden
+als een oude grootvader, en dat ben ik immers ook van al deze nieuwe
+boeken. Nu kan er iets uitgericht worden. Zoo zou ik niet hebben
+kunnen rondreizen. Op mij heeft diegene neergezien, die het geheel
+schreef. Ieder woord vloeide regelrecht uit de pen op mij! Ik ben
+de gelukkigste!»
+
+Daarop werd het papier in een pakje samengebonden en in een ton
+geworpen, die in het wachthuis stond.
+
+«Na volbrachten arbeid is het goed rusten!» zei het papier. «Het is
+zeer verstandig, dat men zijn gedachten verzamelt en omtrent datgene,
+wat er in iemand woont, tot nadenken komt. Nu weet ik eerst zoo
+recht, wat er op mij staat! En zich zelf te kennen, dat is eerst
+de ware vooruitgang. Wat zal er nu wel met mij gebeuren? Voorwaarts
+zal het in allen gevalle gaan; het gaat altijd voorwaarts; dat heb
+ik ondervonden.»
+
+Nu werd op zekeren dag al het papier op den haard gelegd; het zou
+verbrand worden; want het mocht niet aan den kruidenier verkocht en
+voor het inpakken van boter en suiker gebruikt worden: zoo zeide
+men. En al de kinderen in het huis stonden er om heen, want zij
+mochten graag papier zien branden; dat vlamde prachtig in de hoogte,
+en later kon men in de asch de vele roode vonken zien, die heen en weer
+gingen. De eene na de andere ging uit. Dat noemde men: «De kinderen
+uit de school zien komen,» en de laatste vonk was de schoolmeester;
+dikwijls dachten zij, dat deze heengegaan was; maar dan kwam er op
+hetzelfde oogenblik nog een vonk. «Daar ging de schoolmeester!»
+zeiden zij. Nu, die weten het wel. Zij hadden maar moeten weten,
+wie daar ging; wij zullen het te weten komen; maar zij wisten het
+niet. Al het oude papier, het geheele pakje, werd op het vuur gelegd,
+en dit ontvlamde al spoedig. «Hu!» zeide het en flikkerde in heldere
+vlammen op. Nu, dat was juist niet zeer aangenaam; maar toen het
+geheel in heldere vlammen stond, sloegen deze zoo in de hoogte, als
+het vlas nooit zijn kleine, blauwe bloemen had kunnen verheffen, en
+fonkelden, zooals het witte linnen nooit had kunnen fonkelen. Alle
+geschrevene letters werden voor een oogenblik rood, en alle woorden
+en gedachten gingen in vlammen op. «Nu stijg ik regelrecht naar de
+zon op!» sprak het in de vlam, en het was, alsof duizenden stemmen dit
+eenparig zeiden; en de vlammen sloegen door den schoorsteen en er boven
+uit. En fijner dan de vlammen, onzichtbaar voor het menschelijk oog,
+zweefden daar kleine wezens, even groot in getal, als er bloemen
+aan het vlas gezeten hadden. Zij waren nog lichter dan de vlam,
+die ze had doen ontstaan; en toen deze uitging en er van het papier
+slechts de zwarte asch over was, dansten zij nog eenmaal boven deze
+heen, en waar zij ze aanraakten, daar liepen de roode vonken. «De
+kinderen kwamen uit de school en de schoolmeester was de laatste!»
+Dat was een pret, en de kinderen zongen bij de doode asch:
+
+
+ «Snip, snap, snor,
+ Basselor,
+ Uit is het lied!»
+
+
+Maar de kleine onzichtbare wezens zeiden allemaal: «Het lied is
+nooit uit! Dat is het mooiste van alles. Ik weet het, en daarom ben
+ik de gelukkigste!»
+
+Maar dat konden de kinderen niet hooren of verstaan, en dat behoefden
+zij ook niet; want kinderen mogen niet alles weten.
+
+
+
+
+KINDERPRAAT.
+
+
+Er was in het huis van zeker rijk koopman een kinderpartij; het
+waren allemaal kinderen van rijke en aanzienlijke lieden; de koopman
+was een geleerd man; hij had eenmaal het studentenexamen afgelegd;
+daartoe spoorde zijn brave vader hem aan, die van den beginne af
+slechts veehandelaar, maar altijd eerlijk en vlijtig geweest was;
+de handel had geld opgebracht, en dit geld had de koopman weten te
+vermeerderen. Verstandig was hij, en een hart had hij ook, maar over
+zijn hart werd minder gesproken dan over al zijn geld. Bij den koopman
+gingen de deftige lieden in en uit, zoowel menschen van adellijk bloed,
+gelijk het heet, als van verstand, maar ook lieden, die beide bezaten,
+en ook geen van beide. Ditmaal was er daar een kinderpartij, en
+kinderen zeggen alles, wat hun maar voor den mond komt. Onder anderen
+was daar een verwonderlijk schoon, klein meisje, maar dit meisje was
+ontzettend trotsch; dat hadden de dienstboden haar geleerd, en niet
+haar ouders, want daarvoor waren dit veel te verstandige lieden; haar
+vader was kamerheer, en dat is iets heel deftigs, dat wist zij wel.
+
+«Ik ben een kamerkind!» zeide zij. Zij had even goed een kelderkind
+kunnen zijn, want daar kan niemand zelf iets aan doen. Verder vertelde
+zij, dat zij «geboren» was, en zeide, dat men, als men niet geboren
+was, ook niets kon worden; het baatte niets, of men al wilde lezen en
+vlijtig zijn; als men niet geboren was, dan kon men ook niets worden.
+
+«En diegenen, wier namen op «sen» eindigen,» zeide zij, «van die kan
+volstrekt niets komen! Men moet de handen in de zijden zetten en ze
+ver van zich houden, die «sens!» en dit zeggende, zette zij haar
+handen in de zijden en maakte haar ellebogen spits, om te toonen,
+hoe men dat moest doen; en haar armpjes waren heel poezelig. Het was
+een allersnoepigst meisje. Maar het dochtertje van den koopman werd
+over deze taal heel boos; haar vader heette Petersen, en van dezen
+naam wist zij, dat hij op «sen» eindigde, en daarom zeide zij zoo
+trotsch, als zij maar kon:
+
+«Maar mijn vader kan voor honderd thalers bonbons koopen en deze
+midden onder de kinderen werpen! Kan jouw vader dat?»
+
+«Ja, maar mijn vader,» zei het dochtertje van een schrijver, «kan
+jouw vader en jouw vader en al jelui vaders in de krant zetten! Alle
+menschen zijn bang voor hem, zegt moeder, want mijn vader is het,
+die in de krant regeert.»
+
+En het dochtertje zag er daarbij trotsch uit, alsof het een wezenlijke
+prinses geweest was, die er wel trotsch moest uitzien.
+
+Maar buiten voor de deur, die slechts op een kier stond, bevond
+zich een arme jongen en keek door de reet. Hij was zoo gering, dat
+hij niet eens in de kamer mocht komen. Hij had het braadspit voor de
+keukenmeid omgedraaid, en deze had hem nu vergund, achter de deur te
+staan en naar de keurig uitgedoste kinderen te kijken, die zulk een
+plezierigen dag hadden, en dat was al veel voor hem.
+
+«Welk een geluk, een van hen te zijn!» dacht hij, en daarbij hoorde
+hij, wat er gesproken werd, en dat was wel geschikt, om hem erg
+mismoedig te maken. Geen enkelen penning hadden zijn ouders te huis,
+dien zij konden overleggen, om daarvoor een krant te lezen, laat
+staan dan er een te schrijven!--en wat nog het allerergste was: de
+naam van zijn vader en ook de zijne eindigden op «sen» van hem kon
+dus ook niets komen. Dat was treurig!--Maar geboren was hij toch,
+dat kon onmogelijk anders zijn.
+
+Dat was nu op dezen avond.
+
+Sedert verliepen er vele jaren, en ondertusschen worden kinderen
+volwassen menschen.
+
+In de stad stond een prachtig huis, het was opgevuld met louter
+mooie voorwerpen en schatten; alle menschen wilden het zien, zelfs
+menschen, die buiten de stad woonden, kwamen naar de stad toe, om het
+te zien. Wie van de kinderen, waarvan wij verteld hebben, zou dit
+huis nu wel het zijne noemen? Ja, dat te weten, is natuurlijk heel
+gemakkelijk! Neen, neen! het is toch niet zoo heel gemakkelijk. Het
+huis behoorde aan den kleinen, armen jongen, die op den bewusten
+avond achter de deur gestaan had; van hem kwam toch iets, ofschoon
+zijn naam op «sen» eindigde,--het was Thorwaldsen.
+
+En die drie andere kinderen?--de kinderen van het adellijk bloed, van
+het geld en van den hoogmoed?--Ja, het eene heeft het andere niets
+te verwijten, het zijn gelijke kinderen,--van hen kwam alles goeds,
+de natuur had hen rijkelijk bedeeld; wat zij indertijd gedacht en
+gesproken hadden, was niets anders dan kinderpraat.
+
+
+
+
+DE STOPNAALD.
+
+
+Er was eens een stopnaald, die zich zoo fijn waande, dat zij zich
+inbeeldde, een naainaald te zijn.
+
+«Past maar goed op, dat ge mij vasthoudt!» zei de stopnaald tegen de
+vingers, die haar voor den dag haalden. «Laat mij niet vallen! Als
+ik op den grond rol, dan vindt ge mij stellig niet meer terug, zoo
+fijn ben ik.»
+
+«Dat zal wel schikken,» zeiden de vingers en pakten haar om het
+lijf beet.
+
+«Ziet ge, ik kom met gevolg!» zei de stopnaald en trok een langen
+draad achter zich mee; maar er lag een knoop in dezen draad.
+
+De vingers richtten de stopnaald vlak op de pantoffel der
+keukenmeid. Daarvan was het bovenleer doormidden gescheurd, en dat
+moest weer aan elkaar vastgenaaid worden.
+
+«Dat is gemeen werk!» zei de stopnaald. «Ik kom er nooit van mijn
+leven doorheen. Ik breek, ik breek!» En waarlijk, zij brak. «Heb ik
+het niet gezegd?» riep de stopnaald uit. «Ik ben te fijn!»
+
+«Nu deugt zij volstrekt niet meer!» zeiden de vingers; maar zij
+moesten haar toch vasthouden; de keukenmeid liet lak op de naald
+droppelen en stak daarmee haar doekje van voren vast.
+
+«Ziezoo, nu ben ik een doekspeld!» zei de stopnaald. «Ik wist wel, dat
+ik in eere zou komen; is men wat, dan wordt men wat!» En daarbij lachte
+zij in zich zelf; want men kan het een stopnaald nooit aanzien, als
+zij lacht. Daar zat zij nu zoo trotsch, alsof zij in een staatsiekoets
+reed, en keek naar alle kanten.
+
+«Mag ik u ook vragen, of ge van goud zijt?» vroeg de speld, die haar
+buurvrouw was. «Ge ziet er prachtig uit en hebt een eigenaardig hoofd;
+doch het is maar klein! Ge moet uw best doen om het te laten groeien,
+want niet iedereen wordt met lak bedroppeld!»
+
+En nu richtte de stopnaald zich zoo trotsch op, dat zij van het doekje
+afviel en vlak in den gootsteen te land kwam, dien de keukenmeid
+juist doorspoelde.
+
+«Nu gaan wij op reis!» zei de stopnaald. «Als ik er maar niet bij
+verloren ga!» En zij ging werkelijk verloren.
+
+«Ik ben te fijn voor deze wereld!» zeide zij, toen zij in de goot
+lag. «Maar ik weet, wie ik ben, en dat is altijd een klein genoegen!»
+En de stopnaald behield haar trotsche houding en verloor haar goede
+luim niet.
+
+Er zwommen allerlei voorwerpen over haar heen, spaanders en strookjes
+van oude kranten. «Kijk eens, hoe zij zeilen!» zei de stopnaald. «Zij
+weten niet, wat er onder hen ligt! Ik lig hier, ik zit hier vast! Kijk,
+daar gaat een spaander; die denkt aan niets anders in de wereld dan aan
+zich zelf. Daar drijft een strootje! O, wat draait en keert het zich
+naar alle kanten! Denkt toch niet alleen aan u zelf, want dan zoudt ge
+u licht aan een steen kunnen stooten! Daar zwemt een stukje krant! Wat
+daarin staat, is al lang vergeten, en toch spreidt het zich uit! Ik
+zit geduldig en stil! Ik weet, wat ik ben, en dat blijf ik ook!»
+
+Op zekeren dag lag er iets dicht naast haar; dat glinsterde zoo
+prachtig, en nu dacht de stopnaald, dat het een diamant was, maar het
+was een glasscherf, en omdat deze glinsterde, sprak de stopnaald haar
+aan en gaf zich voor een doekspeld uit.
+
+«Ge zijt zeker een diamant?»
+
+«Ja, ik ben zoo iets van dien aard!» En zoo dacht de eene van de
+andere, dat het iets heel kostbaars was; en zij spraken er over,
+hoe hoogmoedig de wereld toch was.
+
+«Ik ben bij een juffrouw in den koker geweest,» zei de stopnaald, «en
+deze juffrouw was keukenmeid; aan iedere hand had zij vijf vingers;
+maar iets, dat zoo veel verbeelding had, als deze vingers, heb ik
+nog nooit van mijn leven gezien, en zij waren er toch maar om mij
+uit den koker te nemen en er weer in te doen.»
+
+«Waren zij dan zoo deftig?» vroeg de glasscherf.
+
+«Deftig?» zei de stopnaald. «Neen, maar hoogmoedig! Er waren vijf
+broeders, allen geborene «vingers». Zij stonden trotsch naast elkaar,
+ofschoon zij van verschillende lengte waren. De eerste, Duimelot,
+was kort en dik, deze had maar één gewricht in den rug en kon maar
+één buiging maken; maar hij zeide, dat, als hij iemand afgehakt werd,
+deze niet meer voor den krijgsdienst deugde. Likkepoot, de tweede
+vinger, kwam zoowel in zoet als in zuur, wees naar de zon en de maan
+en gaf den druk, als zij schreven. Langeliereboom, de derde, keek
+al de anderen over het hoofd heen. Ringeling, de vierde, ging met
+een gouden gordel om het lijf, en Pinkeling, deed volstrekt niets,
+en daarop was hij trotsch. Pralerij was het en pralerij bleef het,
+en daarom ging ik heen!»
+
+«En nu zitten we hier en glinsteren!» zei de glasscherf.
+
+Op hetzelfde oogenblik kwam er meer water in de goot; het stroomde
+over den kant heen en voerde de glasscherf met zich mee.
+
+«Ziezoo, nu wordt zij bevorderd!» zei de stopnaald. «Ik blijf zitten,
+ik ben te fijn; maar dat is mijn trots, en die is achtenswaardig!»
+En trotsch zat zij daar en had vele verhevene gedachten.
+
+«Ik zou haast denken, dat ik uit een zonnestraal geboren ben, zoo
+fijn ben ik! Het komt mij toch ook voor, alsof de zonnestralen mij
+altijd onder het water zoeken. Ach, ik ben zoo fijn, dat mijn moeder
+mij niet kan vinden. Als ik mijn oude oog had, dat afgebroken is,
+dan geloof ik, dat ik zou kunnen schreien; maar ik zou het toch niet
+doen,--want schreien staat niet deftig!»
+
+Op zekeren dag lagen er een paar straatjongens op den grond en wroetten
+in de goot, waarin zij oude spijkers, penningen en dergelijke dingen
+vonden. Het was een smerig werk; maar zij hadden er nu eenmaal
+schik in.
+
+«Ai!» schreeuwde de een, die zich aan de stopnaald stak, «dat is ook
+een kerel!»
+
+«Ik ben geen kerel, ik ben een dame!» zei de stopnaald; maar niemand
+hoorde het. Het lak was er afgegaan en zij was ook zwart geworden, maar
+zwart maakt slanker, en nu dacht zij, dat zij fijner dan vroeger was.
+
+«Daar komt een eierschaal!» zeiden de jongens, en nu staken zij de
+stopnaald in de eierschaal vast.
+
+«Witte muren en zelf zwart,» zei de stopnaald, «dat kleedt goed;
+nu kan men mij toch zien! Als ik maar niet zeeziek word, want dan
+moet ik braken!»
+
+Maar zij werd niet zeeziek en braakte ook niet.
+
+«Het is een goed middel tegen zeeziekte, als men een maag van staal
+heeft en dan ook niet vergeet, dat men iets meer is dan een mensch. Nu
+is de vrees voor zeeziekte geweken. Hoe fijner men is, des te meer
+kan men verdragen.»
+
+«Krak!» zei de eierschaal; er ging een kruiwagen over haar heen.
+
+«Hemel! Wat drukt dat!» zei de stopnaald; «nu word ik toch zeeziek! Ik
+moet braken!» Maar zij braakte niet, ofschoon er een kruiwagen over
+haar heen ging; zij lag zoo lang als zij was op den grond, en zoo
+moet zij maar blijven liggen.
+
+
+
+
+DE OUDE TORENKLOK.
+
+
+In het Duitsche land Wurtemberg, waar de acacia's aan den straatweg
+groeien, waar de appel- en de pereboomen zich in den herfst ter aarde
+buigen onder den zegen van rijpe vruchten, ligt het stadje Marbach. Al
+moge dit ook slechts onder het getal der kleine steden behooren, toch
+ligt het allerbekoorlijkst aan den Neckarstroom, die voorbij dorpen,
+ridderkasteelen en wijnbergen vloeit, om zijn wateren eindelijk met
+die van den trotschen Rijn te vermengen.
+
+Het was in den naherfst, het wingerdloof hing wel is waar nog aan den
+wijnstok; maar de bladeren hadden zich reeds roodachtig gekleurd;
+geweldige regens vielen er in deze streken, de koude herfstwinden
+namen in kracht en scherpte toe,--het was juist geen aangename tijd
+voor arme lieden.
+
+De dagen werden gedurig korter en somberder, en het was donker zelfs
+buiten onder den vrijen hemel; nog donkerder was het binnen de oude,
+kleine huizen.--Een van deze huizen keerde zijn gevel naar de straat
+toe en stond daar met zijn kleine, lage ramen, armoedig en gering;
+arm was ook de familie, die in het huisje woonde, maar zij was braaf
+en vlijtig en droeg een schat van godsvrucht in het diepst van het
+hart. Nog een kind zou de goede God haar schenken; de ure was daar,
+de moeder lag in wee en smarte. Daar drong het vroolijke, feestelijke
+klokgelui van den kerktoren tot haar ooren door; het was een plechtige
+ure, en de tonen der klok vervulden de biddende met geloof; uit het
+diepst haars harten stegen haar gedachten tot God op, en ter zelfder
+ure werd haar een zoontje geboren. Zij was van oneindige blijdschap
+vervuld, en de klok boven in den toren luidde als 't ware haar vreugde
+over stad en land uit. Twee heldere kinderoogen staarden haar aan,
+en het haar van den kleine straalde als van goud. Het kind werd
+op de aarde met klokgelui op den somberen Novemberdag ontvangen;
+moeder en vader kusten het, en in hun bijbel schreven zij: «Op
+den tienden November 1759 schonk God ons een zoon.» Later werd er
+nog bijgevoegd, dat deze bij den doop de namen: _Johann Christoph
+Friedrich_ gekregen had.
+
+En wat werd er nu van het arme knaapje uit het geringe Marbach? Ja,
+destijds wist niemand dat nog, zelfs de oude torenklok niet, hoe hoog
+zij ook hing en ofschoon zij het eerst over hem geklonken had,--over
+hem, die eenmaal het schoone lied van de «Klok» zou zingen.
+
+Welnu, de knaap groeide op, en de wereld groeide met hem op; zijn
+ouders verhuisden later wel is waar naar een andere stad; maar goede
+vrienden lieten zij in het kleine Marbach achter, en daarom begaven
+de moeder en haar zoontje zich op zekeren dag op weg en reden naar
+Marbach, om er een bezoek af te leggen. De knaap was nog maar zes jaren
+oud, doch hij wist reeds veel uit den bijbel en vooral uit de psalmen;
+hij had reeds menigen avond, als hij daar op zijn kleine stoeltje
+zat, naar zijn vader geluisterd, wanneer deze overluid uit Gellerts
+fabelen of uit Klopstocks verheven gedicht «De Messias» voorlas; hij
+en zijn twee jaren ouder zusje hadden heete tranen gestort over Hem,
+die voor ons allen den dood aan het kruis gestorven is.
+
+Bij dit eerste bezoek te Marbach was het stadje niet veel veranderd;
+het was immers ook niet lang geleden, dat zij het verlaten hadden;
+de huizen stonden daar, evenals vroeger, met hun spitse gevels,
+vooruitspringende muren, de eene verdieping boven de andere uitstekend,
+en hun lage ramen; alleen op het kerkhof waren er nieuwe graven
+bijgekomen, en daar, in het gras, dicht bij den muur, stond nu
+de oude klok; zij was van haar hoogte neergestort, had een barst
+gekregen en kon niet meer luiden; er was dan ook een nieuwe klok in
+haar plaats gekomen.
+
+Moeder en zoon hadden het kerkhof betreden. Zij bleven voor de oude
+klok staan, en de moeder vertelde aan haar zoontje, hoe juist deze klok
+eeuwen lang een zeer nuttige klok geweest was, hoe zij voor den doop,
+voor de bruiloft en voor de begrafenis geluid had; zij had van feesten
+en vreugde en van de verschrikkingen des vuurs gesproken, ja, geheele
+menschenlevens had de klok uitgezongen. En nooit vergat de knaap,
+wat zijn moeder hem vertelde; het klonk en zong en weerklonk in zijn
+borst, totdat hij het er als man moest uitzingen. Ook dat vertelde zijn
+moeder hem, dat de oude torenklok haar troost en vreugde in haar nooden
+had toegezongen, en dat zij gezongen en geklonken had, toen hij, het
+zoontje, haar gegeven werd; en bijna met eerbied beschouwde de knaap de
+groote, oude klok, hij boog zich over haar heen en kuste haar, hoe oud,
+gebarsten en verworpen zij daar ook tusschen gras en brandnetels stond.
+
+In aandenken bleef de oude klok bij den knaap, die in armoede
+opgroeide, lang en mager met roodachtig haar en een gezicht vol
+zomersproeten: ja, zoo zag hij er uit, maar daarbij had hij een
+paar oogen, zoo helder en diep als het diepste water. En hoe ging
+het wel met hem?--Goed ging het met hem, benijdenswaardig goed! Wij
+vinden hem in de hoogste gunst aan de militaire school opgenomen,
+zelfs in de afdeeling, waar de zonen der deftige lieden zaten, en dat
+was immers een eer, heette immers een geluk! Slobkousen droeg hij,
+een stijve das en een gepoederde pruik; en kundigheden bracht men
+hem aan, en wel onder het kommando van «Marsch! Halt! Front!»
+
+De oude torenklok had men ondertusschen bijna vergeten; dat zij nog
+eenmaal naar den smeltoven zou moeten gaan, was vooruit te zien,
+en wat zou er dan wel van haar worden?--Ja, dat kon men onmogelijk
+voorspellen, en even onmogelijk was het dan ook, te zeggen, wat
+van de klok zou klinken, die in de borst van den knaap van Marbach
+weerklonk; maar een klinkend metaal was zij, en klinken deed zij,
+zoodat dit geluid zich in de wijde wereld moest verspreiden, en
+hoe enger het achter de schoolmuren werd en hoe bedwelmender het
+«Marsch! Halt! Front!» klonk,--des te luider klonk het in de borst van
+den jongeling, en hij zong het uit in den kring van zijn schoolmakkers,
+en deze tonen klonken over de grenzen van het land. Maar daarvoor had
+men hem geen vrijplaats aan de militaire school en ook geen kleederen
+en voedsel gegeven; hij had immers hier reeds het nummer gekregen
+voor het pennetje, dat hij zijn zou in het groote uurwerk, waarin wij
+allen behooren.--Hoe weinig begrijpen wij ons zelf! Hoe zouden dan
+de anderen, zelfs de besten, ons altijd kunnen begrijpen? Maar juist
+door de wrijving wordt het edelgesteente geschapen. De wrijving had
+hier plaats,--zou de wereld het edelgesteente eenmaal erkennen?
+
+In de hoofdstad van den landsheer werd een groot feest
+gegeven. Duizenden lampen en lichten straalden daar, vuurpijlen stegen
+er ten hemel op;--die glans leeft nog in de herinnering der menschen,
+en wel door hem, den kweekeling der militaire school, die indertijd in
+tranen en in smarte onbemerkt de poging waagde, een vreemden grond
+te bereiken; hij _moest_ ze verlaten, vaderland, moeder, al zijn
+dierbaren, of--in den stroom der algemeenheid ondergaan.--
+
+De oude torenklok had het goed; zij stond tegen den muur der kerk
+te Marbach, goed bewaard, bijna vergeten. De wind bruiste over haar
+heen en had reeds kunnen vertellen van hem, bij wiens geboorte de klok
+geluid had, vertellen, hoe koud hij zelf over hem heengewaaid had in
+het bosch van het naburige land, toen hij, van vermoeienis uitgeput,
+neergezegen was met zijn geheelen rijkdom, de hoop zijner toekomst:
+slechts geschreven bladen van «Fiesko;» de wind had van zijn enkele
+beschermers kunnen vertellen, allen kunstenaars, die bij het voorlezen
+dezer bladen evenwel wegslopen en zich met het kegelspel vermaakten;
+de wind had kunnen vertellen van den bleeken vluchteling, die weken,
+maanden lang in de ellendige herberg doorbracht, waar ruwe vreugde
+heerschte, terwijl hij van idealen zong.--Het waren moeilijke
+dagen! Zelf moet het hart lijden en de beproevingen doorstaan,
+waarvan het wil zingen.
+
+Donkere dagen, koude nachten trokken er ook over de oude klok heen;
+zij had daar geen hinder van; maar de klok in des menschen borst,
+zij gevoelt haar treurigen tijd. Hoe ging het met den jonkman? Hoe
+ging het met de oude klok?--De klok werd ver weggebracht, verder dan
+men haar van haar vroegeren hoogen toren af ooit had kunnen hooren;
+en de jonkman?--Ja, de klok in zijn borst klonk verder dan zijn voet
+ooit zou wandelen, zijn oog ooit zou zien; zij luidde en luidt nog
+aldoor over den oceaan, over de gansche aarde heen.--Maar bepalen wij
+ons voorloopig tot de torenklok! Ook zij verliet Marbach: zij werd voor
+oud koper verkocht en voor den smeltoven in Beieren bestemd. Maar hoe
+en wanneer gebeurde dat?--In Beierens koningsstad, vele jaren nadat zij
+van den toren neergestort was, heette het, dat zij gesmolten was, om
+gebruikt te worden bij de vervaardiging van een gedenkteeken voor een
+der verhevenste gestalten van het Duitsche volk en het Duitsche land.
+
+En zie, hoe dit nu toeging;--zonderling en heerlijk gaat het toch in
+de wereld toe! In Denemarken, op een van die groene eilanden, waar de
+beukenwouden ruischen en de vele hunebedden ons aanstaren, was een arme
+knaap geboren; op klompen was hij de deur uitgegaan; aan zijn vader,
+die op de marinewerven werkte, had hij het middagmaal in een ouden,
+verschoten omslagdoek gebracht;--dit arme kind was echter de trots
+van zijn land geworden, hij wist uit marmer voorwerpen te houwen,
+waarover de geheele wereld verbaasd stond [11], en juist aan dezen was
+de eervolle taak opgedragen, uit klei een heerlijk, schoon beeld, voor
+het gieten in metaal te vormen, het standbeeld van hem, wiens naam zijn
+vader eenmaal als _Johann Christoph Friedrich_ in zijn bijbel schreef.
+
+Het metaal vloeide gloeiend in den vorm; de oude torenklok, aan wier
+afkomst en verstomde geluiden niemand dacht,--deze klok vloeide
+insgelijks in den vorm, en vormde het hoofd en de borst van het
+standbeeld, zooals het daar nu onthuld staat te Stuttgart voor het oude
+kasteel, waar hij, dien het voorstelt, eenmaal levend rondwandelde,
+te midden van strijd en streven, gedrukt door de buitenwereld, hij,
+de knaap van Marbach, de kweekeling der Karlsschule, de vluchteling,
+Duitschlands groote, onsterfelijke dichter, die gezongen heeft van
+den bevrijder van Zwitserland en de door Gods geest aangeblazen maagd
+van Orleans.
+
+Het was een schoone, zonnige dag; vlaggen wapperden er van torens
+en daken in het koninklijke Stuttgart; de torenklokken luidden tot
+feestelijkheid en vreugde; slechts één klok zweeg, maar zij fonkelde
+dan ook in den helderen zonneschijn, straalde van het gelaat en van
+de borst der roemrijke gestalte; er waren op dezen dag juist honderd
+jaren verloopen sedert dien dag, waarop de torenklok te Marbach
+aan de lijdende moeder troost en vreugde had verkondigd, toen zij
+het kind ter wereld bracht, arm in het arme huis,--later echter de
+rijke man, wiens schatten de wereld zegent, hem, den dichter van het
+edele vrouwenhart, den zanger van het verhevene, van het heerlijke:
+_Johann Christoph Friedrich Schiller_.
+
+
+
+
+HET METALEN VARKEN.
+
+
+In de stad Florence, niet ver van de _Piazzo del Granduca_, heeft men
+een kleine dwarsstraat, die, geloof ik, _Porta Rosa_ genoemd wordt. In
+deze straat, voor een soort van hal, waar groenten verkocht worden,
+staat een van metaal kunstig bewerkt varken. Het frissche, heldere
+water vloeit uit den bek van dit dier, dat door ouderdom zwartachtig
+groen geworden is; alleen de snuit blinkt, alsof hij gepolijst
+was, en dat is hij ook door vele honderden kinderen en _lazzaroni_
+(bedelaars), die hem met hun handen aanpakken en hun mond aan den
+snuit van het dier zetten, om te drinken. Het is een schilderachtig
+tooneel, het welgevormde dier door een aardigen, halfnaakten knaap
+te zien omvatten, die de lippen aan zijn snuit zet.
+
+Iedereen, die te Florence komt, kan de plaats gemakkelijk vinden; hij
+moet den eersten den besten bedelaar maar naar het _metalen varken_
+vragen, en hij zal het vinden.
+
+Het was op een winteravond; de bergen waren met sneeuw bedekt,
+maar het was maneschijn, en de maan geeft in Italië evenveel licht,
+als de zon op een somberen winterdag in het noorden, ja, nog meer;
+want de lucht verruimt ons daar, terwijl in het noorden het koude,
+grauwe zwerk ons ter neer drukt naar de koude, vochtige aarde, die
+eenmaal ook op onze doodkist zal drukken.
+
+In den slottuin van den groothertog, onder een dak van pijnhout,
+waar duizenden rozen in den wintertijd bloeien, had een kleine, in
+lompen gehulde knaap den geheelen dag gezeten, een knaap, dien men als
+een beeld van Italië zou kunnen beschouwen, bevallig, glimlachend en
+daarbij toch lijdend. Hij had honger en dorst; maar niemand gaf hem
+een aalmoes, en toen het donker werd en de tuin zou gesloten worden,
+joeg de portier hem er uit. Een geruimen tijd stond hij droomend op
+de brug, die over den Arno ligt, en keek naar de sterren, die zich
+tusschen de plaats, waar hij stond, en de prachtige marmeren brug
+_della Trinità_ in het water afspiegelden.
+
+Hij sloeg den weg naar het metalen varken in, knielde halverwege neer,
+sloeg er zijn armen omheen, zette zijn mond aan den blinkenden snuit
+en dronk met lange teugen van het frissche water. Dicht daarnaast
+lagen eenige slabladen en een paar kastanjes, deze werden zijn
+avondmaaltijd. Niemand anders dan hij was er op de straat; deze
+behoorde hem alleen toe, en onbeschroomd zette hij zich op den rug van
+het metalen varken neer, boog zich voorover, zoodat zijne weelderige
+lokken op den kop van het beest rustten, en voordat hij zich daarvan
+bewust was, overviel hem de slaap.
+
+Het was middernacht, het metalen varken bewoog zich; hij hoorde
+het duidelijk zeggen: «Klein kereltje! houd je vast, want nu ga ik
+loopen,» en weg liep het met hem. Het was een zonderlinge rit. Eerst
+kwamen zij op de _Piazza del Granduca_, en het metalen paard, dat
+het standbeeld van den groothertog draagt, begon luid te hinniken,
+de bonte wapens op het oude raadhuis schenen doorzichtige beelden te
+zijn, en de David van Michaele Angelo zwaaide met zijn slinger. Overal
+heerschten leven en beweging. De metalen groepen, die Perseus en den
+Sabijnschen maagdenroof voorstellen, stonden daar, alsof zij levend
+waren; een gil van doodsangst ontsnapte er aan hun lippen en deed
+zich over het prachtige plein hooren.
+
+Bij den _Palazzo degli Uffizi_ in de zuilengang, waar de adel zich
+tot de vastenavondsvreugd verzamelt, bleef het metalen varken staan.
+
+«Houd je goed vast!» zei het dier, «houd je goed vast, want nu gaan
+we de trap op!» De knaap sprak nog geen woord; half sidderde hij,
+half was hij gelukkig.
+
+Zij betraden een lange galerij, waar hij vroeger nog al eens
+geweest was; de muren waren met schilderijen behangen; hier stonden
+standbeelden en bustes, alles in het helderste licht, alsof het midden
+op den dag was; maar het prachtigst was het, toen de deur van een
+der zijvertrekken openging; ja, de heerlijkheid aldaar herinnerde de
+knaap zich; maar in dezen nacht was alles in zijn hoogsten glans.
+
+Hier stond een naakte, schoone vrouw, zoo schoon, als slechts de
+natuur en de grootste meester over het marmer haar kunnen vormen;
+zij bewoog de schoon gevormde ledematen, dolfijnen sprongen aan haar
+voeten, onsterfelijkheid straalde er uit haar oogen. De wereld noemt
+dit de Venus di Medici. Aan haar zijden prijkten marmeren beelden, bij
+welke het leven des geestes den steen doordrongen had; het zijn naakte,
+schoone mannen; de een wette zijn zwaard: deze werd de slijper genoemd;
+de worstelende gladiatoren vormden een andere groep; het zwaard werd
+gewet, en er werd gestreden voor de godin der schoonheid.
+
+De knaap was door dezen glans als verblind; de muren straalden
+van kleuren; alles was daar leven en beweging. Het beeld van Venus
+vertoonde zich dubbel; de aardsche Venus was zoo opofferend, zoo vurig,
+als Titiaan haar aan zijn hart gedrukt heeft. Het was wonderbaar
+om aan te zien. Het waren twee schoone vrouwen; haar welgevormde,
+onomsluierde leden strekten zich op de mollige kussens uit, haar
+borsten verhieven en haar hoofden bewogen zich, zoodat haar weelderige
+lokken op haar poezelige schouders neergolfden, terwijl haar donkere
+oogen haar gloeiende gedachten uitspraken; maar geen der beelden waagde
+het toch, geheel uit de lijst te voorschijn te treden. De godin der
+schoonheid zelve, de gladiatoren en de slijper bleven op hun plaats;
+want de glans, die er van de Madonna, Jezus en Johannes afstraalde,
+boeide ze daaraan vast. De heiligenbeelden waren geen beelden meer:
+het waren de heiligen zelf.
+
+Welk een glans en welk een schoonheid van zaal tot zaal! De knaap
+zag ze allemaal; het metalen varken liep immers stapvoets door
+al deze pracht en heerlijkheid heen. Het eene beeld verdrong het
+andere; slechts één schilderij prentte zich diep in zijn ziel, en
+wel inzonderheid door de vroolijke, gelukkige kinderen, die er op
+stonden,--de knaap had ze eens bij het daglicht begroet.
+
+Velen gaan dit schilderij zeker achteloos voorbij, en toch bevat het
+een schat van poëzie. Het is Christus, die in de onderwereld neerdaalt;
+maar het zijn niet de verdoemden, die men om hem heen ziet, neen, het
+zijn heidenen. De Florentijner Angiolo Bronzino heeft dit schilderij
+vervaardigd. Het heerlijkst is de uitdrukking van de gezichten der
+kinderen, het volle vertrouwen, dat zij in den hemel zullen komen;
+twee kleinen omhelzen elkaar al, een kind strekt de hand naar een
+ander, dat lager staat, uit en wijst op zich zelf, als wilde het
+zeggen: «Ik zal wel in den hemel komen!» De ouderen staan onzeker,
+hopende, maar buigen zich in ootmoedige aanbidding voor den Heer
+Jezus. Langer dan op een der andere schilderijen rustte de blik van
+den knaap hierop, het metalen varken stond er voor stil, er werd een
+nauw hoorbare zucht geslaakt; ontsnapte deze aan het schilderij of aan
+de borst van het varken? De knaap hief zijn handen naar de glimlachende
+kinderen op;--daar liep het varken met hem weg, weg door de openstaande
+voorzaal. «Dank zij je toegebracht, lief beest!» zei de kleine jongen
+en liefkoosde het metalen varken, dat de trappen met hem afliep.
+
+«Dank zij u toegebracht!» zei het metalen varken. «Ik heb u, en gij
+hebt mij geholpen, want als ik een onschuldig kind op mijn rug heb,
+krijg ik de kracht om te loopen! Ja, ziet ge, ik mag zelfs onder de
+stralen der lantaarn voor het Madonnabeeld komen, maar niet in de
+kerk. Maar als gij bij mij zijt, kan ik er van buiten door de geopende
+deur in zien. Klim niet van mijn rug af; want als ge dat doet, dan
+blijf ik doodliggen, evenals ge mij overdag in de _Porta Rosa_ ziet.»
+
+«Ik blijf bij je, trouw beest!» zei de knaap, en zoo ging het in
+volle vaart door de straten van Florence tot op het plein voor de
+kerk _Santa Croce_.
+
+De vleugeldeuren sprongen open; lichten straalden er van het altaar
+door de kerk tot op het eenzame plein.
+
+Een wonderbare lichtglans stroomde van het eene grafmonument in de
+linkerzijgang af, duizenden beweegbare sterren vormden als het ware
+een stralenkrans daaromheen. Een wapenbord prijkt er op het graf,
+een roode ladder op een blauwen grond schijnt als vuur te gloeien;
+dit was het graf van Galilei. Het monument is eenvoudig; maar de roode
+ladder op den blauwen grond is een veelbeteekenend zinnebeeld: het is,
+alsof het dat der kunst is, want hier voert de weg altijd langs een
+gloeiende ladder naar den hemel. Alle profeten des geestes snellen
+naar den hemel, evenals de profeet Elia.
+
+Rechts in de gang der kerk scheen iedere beeldzuil op de rijke
+sarcophagen leven gekregen te hebben. Hier stond Michaele Angelo,
+daar Dante met den lauwerkrans om de slapen, Alfieri, Macchiavelli:
+naast elkaar rusten hier de groote mannen, die de trots van Italië
+zijn [12]. Het is een prachtige kerk, veel schooner, al moge zij ook
+niet zoo groot zijn, dan de marmeren dom te Florence.
+
+Het was, alsof de marmeren kleederen zich bewogen, alsof de forsche
+gestalten haar hoofden hooger verhieven en, te midden van gezang en
+muziek, opkeken naar het bonte, schitterende altaar, waar in het wit
+gekleede knapen gouden wierookvaten zwaaiden; de sterke geur stroomde
+uit de kerk op het plein.
+
+De knaap strekte zijn hand naar den lichtglans uit, en terstond snelde
+het metalen varken weg, hij moest er zich stevig aan vasthouden, de
+wind suisde hem om de ooren, hij hoorde de kerkdeur op haar hengsels
+knarsen, terwijl zij dichtging, maar in een oogenblik scheen het
+bewustzijn hem te begeven, hij gevoelde een snerpende koude en--sloeg
+de oogen op.
+
+Het was morgen; hij zat, half afgegleden van het metalen varken,
+dat daar stond zooals het altijd in de straat _Porta Rosa_ placht te
+staan, nog op den rug van het beest.
+
+Angst en vrees vervulden den knaap bij de gedachte aan haar, die hij
+moeder noemde, en die hem den vorigen dag uitgezonden had, om geld op
+te loopen; hij had niets; hij had honger en dorst. Nog eenmaal omvatte
+hij den hals van het metalen varken, gaf het een kus op den snuit,
+knikte het toe en wandelde toen voort naar een der nauwste straten,
+tenauwernood breed genoeg voor een beladen ezel. Een groote, met ijzer
+beslagen deur stond op een kier; hier klom hij een steenen trap met
+smerige muren en een touw, dat voor leuning diende, op en kwam in
+een open galerij, die met lompen behangen was; van hier voerde een
+trap naar de binnenplaats, waar van den waterput groote ijzerdraden
+naar alle verdiepingen van het huis gespannen waren en de eene emmer
+na den anderen zweefde, terwijl de katrol knarste en de emmer in de
+lucht danste, zoodat het water op de plaats naar beneden plaste. Weder
+voerde een vervallen steenen trap naar boven. Twee matrozen,--het
+waren Russen,--kwamen vroolijk naar beneden en hadden den armen knaap
+bijna omvergeloopen. Zij kwamen van hun nachtelijke bacchanaliën
+terug. Een niet meer jeugdige, maar toch weelderige vrouwengestalte,
+met prachtig zwart haar, volgde hen. «Wat breng je thuis?» zeide zij
+tegen den knaap.
+
+«Wees niet boos!» smeekte deze, «ik heb niets, niets hoegenaamd
+gekregen!»--En dit zeggende, greep hij zijn moeder bij haar japon
+vast, alsof hij daarop een kus wilde drukken. Zij traden het kamertje
+binnen; dat zal ik niet beschrijven; slechts zooveel zij daarvan
+gezegd, dat daarin een pot met een kolenvuur stond, een _marito_,
+zooals het genoemd wordt. Dezen pot nam zij in den arm, warmde zich
+de handen en gaf den knaap een duw met haar elleboog. «Ja, zeker heb
+je wel geld!» zeide zij.
+
+De knaap schreide; zij gaf hem een schop met den voet; nu begon hij
+nog erger te schreien. «Wil je je wel eens stilhouden, of anders zal
+ik je een slag op je kop geven!» en zij zwaaide met den vuurpot,
+dien zij in de hand hield. Het kind viel met een schreeuw op den
+grond neer. Daar trad een buurvrouw de kamer binnen; ook zij had
+haren _marito_ in den arm. «Felicita! Wat doe je toch met het kind?»
+
+«Het kind is van mij!» antwoordde Felicita. «Ik kan het vermoorden,
+als ik wil, maar jij niet, Giannina!» en zij zwaaide met haar vuurpot;
+de andere vrouw hief den haren op om zich te verdedigen, en nu
+stieten de beide potten zoo geducht tegen elkaar aan, dat scherven,
+vuur en asch in de kamer rondvlogen;--maar op hetzelfde oogenblik was
+de knaap de deur uit, de binnenplaats over en het huis uit. De arme
+jongen liep zoo hard, dat hij eindelijk heelemaal buiten adem was;
+hij hield bij de kerk, waarvan de groote deur zich des nachts voor
+hem geopend had, stil, en trad deze binnen. Alles straalde hem toe,
+de knaap knielde bij het eerste graf aan den rechterkant neer; het
+was het graf van Michaele Angelo, en al spoedig snikte hij luid. Er
+kwamen en gingen menschen, de mis werd gelezen, niemand bemerkte den
+knaap; slechts een achtbare grijsaard bleef staan, keek hem aan--en
+ging toen verder, evenals de anderen.
+
+Honger en dorst kwelden den kleine, hij was geheel uitgeput en ziek;
+hij kroop in een hoek tusschen de marmeren monumenten en viel in
+slaap. Het was tegen den avond, toen hij door iemand wakker gemaakt
+werd; hij stond op, en dezelfde waardige grijsaard stond voor hem.
+
+«Ben je ziek? Waar hoor je thuis? Ben je hier den heelen dag geweest?»
+waren enkele der vele vragen, die de grijsaard tot hem richtte. Zij
+werden beantwoord, en de oude man nam hem met zich mee naar zijn
+huisje, dat dicht in de nabijheid in een zijstraatje stond. Zij
+traden een handschoenmakerswerkplaats binnen; een vrouw zat ijverig
+te naaien. Een klein wit Deensch hondje, zoo kaal geschoren, dat men
+zijn rooskleurige huid kon zien, sprong op de tafel en maakte voor
+den kleinen knaap allerlei kunstjes.
+
+«De onschuldige zielen kennen elkaar,» zei de vrouw en liefkoosde den
+hond en den knaap. De laatstgenoemde kreeg van de goede lieden spijs
+en drank, en zij zeiden, dat het hem vergund was, den nacht bij hen
+door te brengen; den volgenden dag zou vader Giuseppe eens met zijn
+moeder gaan spreken. Hij kreeg een klein, armoedig bed; maar voor
+hem, die dikwijls op den harden, steenen vloer had moeten slapen,
+was dit een koninklijke legerstede. Hoe heerlijk sliep hij en hoe
+droomde hij van de prachtige schilderijen en van het metalen varken!
+
+Vader Giuseppe ging den volgenden morgen uit; de arme jongen was
+daarover niet blij, want hij wist wel, dat het doel van dit uitgaan
+was, hem weer naar zijn moeder terug te brengen. De knaap kuste den
+kleinen vroolijken hond, en de vrouw knikte beiden toe.
+
+En welk antwoord bracht vader Giuseppe nu terug? Hij sprak druk
+met zijn vrouw, en deze knikte en liefkoosde den knaap. «Het is een
+ferme jongen!» zeide zij. «Hij kan een ervaren handschoenmaker worden,
+zooals jij geweest bent, en wat zijn zijn vingers fijn en buigzaam! De
+Madonna heeft hem tot handschoenmaker bestemd!»
+
+En de knaap bleef in dit huis; de vrouw leerde hem zelf naaien; hij
+at goed, hij sliep goed, hij werd vroolijk en begon Bellissima--zoo
+heette het hondje--te plagen; de vrouw hief den vinger dreigend naar
+hem op, beknorde hem en werd boos.--Dat ging den knaap aan het hart:
+in gedachten verdiept, zat hij in zijn kamertje. Van daar had men het
+uitzicht op de straat, waarin huiden gedroogd werden; dikke ijzeren
+spijlen waren er voor de ramen; hij kon niet slapen; het metalen
+varken vertoonde zich aldoor aan hem in zijn gedachten, en eensklaps
+hoorde hij buiten: Knor, knor! Dat was zeker een varken! Hij snelde
+naar het raam toe, maar er was niets te zien; het was al voorbij.
+
+«Help den signor zijn verfdoos dragen!» zei de signora den volgenden
+morgen tegen den knaap, toen de jonge buurman, een schilder,
+vooorbijliep en een schilderdoos benevens een groot, opgerold stuk
+doek droeg. De knaap nam de doos over en volgde den schilder; zij
+sloegen den weg naar de galerij in en liepen dezelfde trap op,
+die hem sedert dien nacht, toen hij op het metalen varken reed,
+wel bekend was. Hij kende de standbeelden en de bustes, de schoone
+marmeren Venus en die, welke in kleuren leefde; hij zag de Moeder Gods,
+Jezus en Johannes weder.
+
+Nu bleven zij voor het schilderij van Bronzino staan, waarop Christus
+in de onderwereld neerdaalt en de kinderen om hem heen glimlachen
+in blijde verwachting van den hemel,--het arme kind glimlachte ook,
+want hier was het in _zijn_ hemel!
+
+«Ga nu maar weer naar huis terug!» zei de schilder, toen de knaap
+al zoo lang was blijven staan, totdat deze ondertusschen zijn ezel
+opgezet had.
+
+«Mag ik u eens zien schilderen?» vroeg de knaap. «Mag ik er eens naar
+kijken, hoe ge het schilderij op dit doek overbrengt?»
+
+«Ik begin nog niet te schilderen!» antwoordde de man en kreeg zijn
+zwart krijt voor den dag. Snel bewoog zich de hand, het oog mat
+het groote schilderij, en ofschoon er slechts eenige fijne lijnen
+zichtbaar werden, stond Christus daar toch reeds zwevend, evenals op
+het groote schilderij.
+
+«Ga nu toch heen!» zei de schilder, en zwijgend keerde de knaap naar
+huis terug, zette zich op de tafel neer en--leerde handschoenen naaien.
+
+Maar den heelen dag waren zijn gedachten in de schilderijenzaal,
+en daardoor prikte hij zich in de vingers, gedroeg zich links, maar
+plaagde Bellissima toch niet. Toen het avond werd en de huisdeur
+juist open stond, sloop hij naar buiten; het was nog koud; maar de
+lucht was helder en als met sterren bezaaid.
+
+Hij wandelde door de straten, die reeds leeg geworden waren, en
+stond al spoedig voor het metalen varken; hij boog er zich over
+heen, gaf het een kus op zijn blanken snuit en zette zich op zijn rug
+neer.--«Gezegend beest!» zeide hij, «wat heb ik naar je verlangd! Wij
+moeten van nacht nog eens een ritje doen!»
+
+Het metalen varken lag onbeweeglijk, en het frissche water vloeide hem
+uit den snuit. De knaap zat schrijlings op hem, daar werd er aan zijn
+kleeren getrokken; hij keek op: Bellissima, de kleine, kaalgeschoren
+Bellissima blafte, als wilde zij zeggen: «Ziet ge wel? Ik ben er
+ook! Waarom zet ge u hier neer?»--Geen vurige draak had den knaap
+zulk een schrik op het lijf kunnen jagen, als de kleine hond op deze
+plaats. Bellissima op straat, en wel zonder aangekleed te zijn, zooals
+de oude vrouw het noemde! Wat moest daarvan komen? De hond kwam in
+den winter slechts buiten de deur, nadat hem vooraf een klein lamsvel
+aangetrokken was, dat uitsluitend voor hem genaaid was. Dit vel,
+dat met lintjes en schelletjes versierd was, kon met een rood bandje
+om zijn hals en onder zijn buik vastgebonden worden. De hond zag er
+dan uit als een geitje, wanneer het hem in den wintertijd vergund
+werd, in dit gewaad met de signora te gaan wandelen. Bellissima was
+buiten en niet aangekleed! Wat moest daarvan komen? Alle phantasieën
+waren verdwenen, maar toch kuste de knaap het metalen varken en nam
+Bellissima op den arm; het beest trilde van de kou, daarom liep de
+knaap zoo hard, als hij maar kon.
+
+«Waar loop je daar mee?» vroegen twee politiesoldaten, die hij
+tegenkwam en waartegen Bellissima begon te blaffen. «Waar heb je dat
+hondje gestolen?» vroegen zij en namen het hem af.
+
+«O, geeft het mij terug!» smeekte de knaap.
+
+«Als je het beest niet gestolen hebt, dan moet je thuis maar zeggen,
+dat het op de wacht kan afgehaald worden!» Zij noemden de plaats en
+gingen met Bellissima heen.
+
+Dat was een verschrikkelijk geval. De knaap wist niet, of hij in
+den Arno zou springen of naar huis gaan en alles bekennen; ze zouden
+hem dan zeker doodslaan, dacht hij.--«Maar ik wil graag doodgeslagen
+worden, ik wil graag sterven, dan kom ik bij Jezus en bij de Madonna!»
+En hij ging naar huis, hoofdzakelijk om doodgeslagen te worden.
+
+De deur was gesloten, en hij kon niet aan den klopper raken. Er was
+niemand op de straat, maar er lag een steen, en daarmee gooide hij
+tegen de deur aan. «Wie is daar?» werd er van binnen geroepen.
+
+«Ik ben het!» zeide hij. «Bellissima is weg! Doe mij open en sla mij
+dan dood!»
+
+Er verspreidde zich een algemeene schrik door het huis, inzonderheid
+bij de signora, over de arme Bellissima. Zij keek terstond naar
+den muur, waar het gewaad van den hond placht te hangen; het kleine
+lamsvel hing er nog.
+
+«Bellissima op de wacht!» riep zij luide uit. «Jou ondeugende
+jongen! Hoe heb je haar de deur uitgelokt? Wat zal zij koud zijn! Dat
+teere diertje bij die ruwe soldaten!»
+
+De man moest er dadelijk naar toe, de vrouw jammerde, de knaap
+weende.--Al de huisgenooten kwamen bij elkaar, en onder dezen bevond
+zich ook de schilder; hij nam den knaap op zijn schoot, hoorde hem uit,
+en bij brokstukken kreeg hij nu de heele geschiedenis van het metalen
+varken en de galerij te hooren,--deze was vrij onbegrijpelijk. De
+schilder troostte den knaap, trachtte de oude vrouw tot bedaren te
+brengen, maar zij was niet tot bedaren te krijgen, voordat haar man
+met Bellissima, die onder de soldaten geweest was, aankwam. Dat was een
+blijdschap! De schilder liefkoosde den knaap en teekende wat voor hem.
+
+O, dat waren heerlijke stukken, kluchtige koppen! En waarlijk, het
+metalen varken was er ook bij. O, niets kon heerlijker zijn! Met een
+paar streken prijkte het op het papier, en zelfs het huis, dat er
+achter stond, was er op afgebeeld.
+
+Wie toch kon teekenen en schilderen, die kon de heele wereld om zich
+heen verzamelen!
+
+Zoodra de knaap den volgenden dag een oogenblik alleen was, nam
+hij een potlood in handen, en op den achterkant van een der prenten
+trachtte hij de teekening van het metalen varken weer te geven. Dit
+gelukte;--wel was het wat scheef, de eene poot was te dik en de andere
+te dun, maar het was er toch goed uit te kennen. Hij stond er zelf
+over verwonderd.--Het potlood wilde niet zoo gaan, als hij wilde;
+dat merkte hij wel; den volgenden dag stond er weer een metalen varken
+naast het andere, en dat was honderdmaal beter; het derde was al zoo
+goed, dat iedereen het er wel uit kon kennen.
+
+Maar het ging slecht met het handschoenen naaien, langzaam met de
+boodschappen in de stad; want het metalen varken had hem geleerd,
+dat alles op het papier gebracht kon worden, en de stad Florence is
+een prentenboek, als men daarin maar wil bladeren. Op de _Piazza
+della Trinità_ staat een slanke zuil en daar bovenop de godin der
+gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen en een weegschaal in
+de hand. Al spoedig stond zij op het papier, en het was de kleine
+leerling van den handschoenmaker, die haar daarop geplaatst had. De
+verzameling van teekeningen groeide aan, maar nog bevatte zij slechts
+teekeningen van levenlooze voorwerpen; nu liep Bellissima op zekeren
+dag voor hem heen en weer. «Blijf eens stilstaan!» zeide hij, «dan
+zal je mooi worden en in mijn verzameling van prenten komen!» Maar
+Bellissima wilde niet stilstaan, zij moest vast gebonden worden;
+kop en staart werden nu vastgebonden, zij blafte en maakte sprongen,
+het touw moest strak aangehaald worden; daar kwam de signora binnen.
+
+«Jou ondeugende jongen! Dat arme beest!» was alles, wat zij kon
+uitbrengen. Zij duwde den knaap van zich af, gaf hem een schop, joeg
+hem haar huis uit, hem, die de ondankbaarste deugniet, het ondeugendste
+kind was, en weenend kuste zij haar kleine, half verworgde Bellissima.
+
+Op hetzelfde oogenblik kwam de schilder de trap op en--hier is het
+keerpunt in de geschiedenis.
+
+In het jaar 1834 werd er te Florence in de _Accademia delle Arti_
+een tentoonstelling gehouden. Twee schilderijen, die naast elkander
+opgehangen waren, lokten een menigte toeschouwers tot zich. Op het
+kleinste was een kleine, vroolijke knaap voorgesteld, die zat te
+teekenen; voor model had hij een klein, wit, gladgeschoren Deensch
+hondje; maar het beestje wilde niet stilstaan en was daarom zoowel aan
+den kop als aan den staart met touw vastgebonden; er was daarin leven
+en een waarheid, die op iedereen indruk moest maken. De schilder,
+vertelde men, was een jonge Florentijn, die als kind op de straat
+gevonden en door een ouden handschoenmaker opgevoed was, en zich zelf
+het teekenen geleerd had. Een thans beroemde schilder had dit talent
+in hem ontdekt, toen de knaap bij zekere gelegenheid uit het huis
+gejaagd werd, omdat hij de lievelinge der signora, het kleine hondje,
+vastgebonden en voor model gebruikt had.
+
+De handschoenmakersleerling was een uitstekend schilder geworden;
+dat bewees dit schilderij, dat bewees inzonderheid het grootere,
+dat er naast hing. Hierop was slechts een enkele levende figuur,
+een in lompen gekleede, maar mooie knaap, die slapend op de straat
+zat; hij leunde tegen het metalen varken in de straat _Porta Rosa_
+aan. Alle toeschouwers kenden deze plaats. De armen van het kind
+rustten op den kop van het varken; de kleine sliep gerust, en de
+lantaarn voor het Madonnabeeld wierp een sterk licht op het bleeke,
+schoone gezicht van het kind.--Het was een allerprachtigst schilderij;
+een groote, vergulde lijst omgaf het, aan een der hoeken was een
+lauwerkrans opgehangen; maar tusschen de groene bladeren slingerde
+zich een zwart lint, en een lang rouwfloers hing er aan.--De jonge
+kunstenaar was juist in die dagen--gestorven!
+
+
+
+
+HET VRIENDSCHAPSVERBOND.
+
+
+Zoo even hebben wij een klein reisje gemaakt, en reeds verlangen
+wij naar een ander. Waar naar toe? Naar Sparta, naar Mycene, naar
+Delphi? Er zijn honderd plaatsen, bij het noemen waarvan het hart van
+reislust klopt. Het gaat te paard de bergpaden op, tusschen boomen en
+struiken door; de enkele reiziger doet zich als een geheele karavaan
+voor. Zelf rijdt hij met zijn gids voorop, een pakpaard draagt koffer,
+tent en proviand, een paar gendarmes komen tot zijn bescherming
+achteraan. Geen logement met zachte bedden wacht hem na de vermoeide
+dagreis, de tent is dikwijls zijn dak in de groote, woeste natuur,
+de gids kookt een pilau [13] voor het avondeten; duizenden muggen
+zwermen om de kleine tent heen, het is een treurige nacht, en morgen
+voert de weg over sterk gezwollen rivieren; zit vast op uw paard,
+opdat ge niet door den stroom meegesleept wordt!
+
+Welk loon valt u voor deze bezwaren ten deel? Het grootste en
+rijkste! De natuur openbaart zich hier in al haar grootheid, iedere
+plek is historisch, oogen en gedachten zwelgen. De dichter kan het
+bezingen, de schilder in rijke beelden voorstellen; maar den geur
+der werkelijkheid, die voor eeuwig in de ziel des aanschouwers
+binnendringt, vermogen zij niet weer te geven.
+
+In vele kleine schetsen heb ik een poging gedaan om een kleine
+uitgestrektheid van Athene met zijn omgeving aanschouwelijk te maken,
+en toch, hoe kleurloos staat het geschetste beeld, hoe weinig geeft
+het Griekenland weer, dien treurenden genius van het schoone, welks
+grootheid en kommer de vreemdeling nimmer vergeet.
+
+De eenzame herder boven op de rotsen zou door een eenvoudige vertelling
+van een zijner levensontmoetingen misschien beter, dan ik door mijne
+beelden, dengene de oogen kunnen openen, die het land der Hellenen
+in eenige trekken wil aanschouwen.
+
+Laat hem dan spreken! zegt mijn Muze. Een gebruik, een eigenaardig
+gebruik moet den herder daar op den berg de stof voor zijn vertelling
+aan de hand doen, namelijk:
+
+
+ «HET VRIENDSCHAPSVERBOND.»
+
+
+Ons huis was uit leem samengesteld; maar de deurposten bestonden
+uit marmeren zuilen, die gevonden waren op de plek, waar men het
+huis bouwde. Het dak reikte bijna tot aan den grond toe; nu was het
+zwartachtig bruin en leelijk, maar toen het gemaakt werd, bestond het
+uit bloeiende oleander- en groene lauriertakken, die achter de bergen
+vandaan gehaald waren. Rondom onze woning was niet veel plaats; de
+bergen liepen steil op en hadden een kale, zwarte kleur, aan hun toppen
+hingen dikwijls wolken, als witte, levende gestalten. Nooit hoorde ik
+hier een zangvogel, nooit dansten de mannen hier op de tonen van den
+doedelzak; maar de plaats was geheiligd uit oude tijden, zelfs de naam
+herinnert daaraan, zij wordt immers Delphi genoemd. De donkere, statige
+bergen waren alle met sneeuw bedekt; de hoogste, die het langst door
+het roode schijnsel der avondzon bestraald werd, was de Parnassus; de
+beek dicht bij ons huis stroomde er van af en was eenmaal ook heilig,
+nu maakt de ezel haar met zijn pooten troebel, doch de stroom gaat
+verder en wordt weer helder. Hoe herinner ik mij ieder plekje in zijn
+heilige, diepe eenzaamheid! Midden in de hut werd vuur aangelegd, en
+als de heete asch daar hoog en gloeiend lag, werd het brood daarin
+gebakken. Als de sneeuw zich zoo hoog om onze hut opstapelde, dat
+zij bijna niet meer te zien was, dan scheen moeder het vroolijkst te
+zijn, dan hield zij mijn hoofd tusschen haar handen, drukte mij een
+kus op het voorhoofd en zong de liedjes, die zij anders nooit zong;
+want de Turken, onze heeren, lieten dit niet toe, en zij zong:
+
+«Op den top van den Olympus, in het nederige dennenbosch, was een
+oud hert; dof waren zijn oogen van tranen; roode, ja, groene en
+lichtblauwe tranen weende het. Nu kwam er een reebok voorbij en
+vroeg: «Wat scheelt er toch aan, dat ge zoo weent, roode, groene,
+ja, lichtblauwe tranen weent?»--«De Turk is in onze stad gekomen en
+gebruikt wilde honden bij zijn jacht, een heelen troep!»--«Ik jaag ze
+over de eilanden,» zei de jonge reebok, «ik jaag ze over de eilanden in
+de diepe zee!»--Maar voordat de avond daalde, was de reebok verslagen,
+en voordat de nacht aanbrak, was het hert gedood!»
+
+En als moeder dit zong, werden haar oogen vochtig, en aan haar lange
+wimpers parelde een traan, maar zij pinkte dien weg en bakte ons
+brood in de asch. Dan balde ik mijn vuist en zeide: «We zullen de
+Turken doodslaan!» maar dan herhaalde zij uit het lied: «Ik jaag ze
+over de eilanden in de diepe zee!--Maar voordat de avond daalde, was
+de reebok verslagen, en voordat de nacht aanbrak, was het hert gedood!»
+
+Verscheidene dagen en nachten waren wij eenzaam in onze hut geweest;
+daar kwam vader thuis; ik wist, dat hij voor mij mosselschelpen
+uit de golf van Lepanto zou meebrengen, of ook een mes, scherp en
+blinkend. Ditmaal bracht hij ons een kind, een klein, naakt meisje, dat
+hij onder zijn schaapspels hield; het was in een dierenhuid gewikkeld,
+en alles, wat de kleine bezat, toen zij zonder deze op den schoot
+van mijn moeder lag, waren drie zilveren geldstukken, die in haar
+zwarte lokken vastgemaakt waren. Vader vertelde van de Turken, die de
+ouders van het kind doodgeslagen hadden; hij vertelde ons zooveel,
+dat ik er den heelen nacht van droomde.--Vader was zelfs gekwetst,
+moeder verbond zijn arm, de wond was diep, de dikke schaapspels zat
+aan het geronnen bloed vastgekleefd. Het kleine meisje zou mij tot een
+zuster zijn. O, wat was het beeldschoon! De oogen van moeder waren
+niet vriendelijker dan de hare. Anastasia, zooals zij genoemd werd,
+zou mijn zuster zijn; want haar vader had zich aan den mijnen verbonden
+naar oud gebruik, zooals wij dit nog in eere houden. Zij hadden in
+hun jeugd broederschap gesloten en het schoonste en deugdzaamste
+meisje uit den geheelen omtrek gekozen, om hun vriendschapsverbond
+te wijden. Dikwijls hoorde ik van dit zonderlinge, treffende gebruik.
+
+Nu was de kleine mijn zuster; zij zat op mijn schoot, ik bracht haar
+bloemen en de veeren der vogels, wij dronken samen uit de wateren
+van den Parnassus en sliepen hoofd aan hoofd onder het laurieren dak
+der hut, terwijl moeder nog menigen winter van de roode, groene en
+lichtblauwe tranen zong! Maar nog begreep ik niet, dat het mijn eigen
+volk was, welks duizendvoudige zorgen zich in deze tranen afspiegelden.
+
+Op zekeren dag kwamen er drie Frankische mannen; dezen waren anders
+dan wij gekleed. Hun bedden en tenten hadden zij op paarden, en meer
+dan twintig Turken, allen met sabels en geweren gewapend, vergezelden
+hen; want ze waren vrienden van den pacha en hadden brieven van
+vrijgeleide van hem bij zich. Zij kwamen slechts om onze bergen
+te zien, om in sneeuw en wolken den Parnassus te beklimmen, en de
+zonderlinge, zwarte, steile rotsen rondom onze hut te bekijken. Zij
+hadden daarin geen plaats, en konden ook den rook niet verdragen,
+die onder de zoldering bleef hangen en langzaam door de lage deur
+naar buiten trok, zij sloegen hun tenten daarom naast onze hut op,
+braadden lammeren en vogels, schonken zoete, krachtige wijnen in,
+maar de Turken mochten daarvan niet drinken.
+
+Toen zij wegreisden, vergezelde ik hen een eindweegs, en mijn
+zusje Anastasia hing, in een bokkevel genaaid, op mijn rug. Een
+der Frankische heeren zette mij tegen een rots aan en teekende mij
+en haar uit, precies zooals wij daar stonden; wij zagen er als één
+schepsel uit;--nooit had ik er aan gedacht, maar Anastasia en ik
+waren immers één, altijd zat zij op mijn schoot of hing op mijn rug,
+en als ik droomde, verscheen zij mij in mijn droomen.
+
+Twee nachten later kwamen er andere menschen, met messen en geweren
+gewapend, in onze hut. Het waren Albaneezen, moedige lieden, zooals
+moeder zeide. Zij vertoefden slechts korten tijd; mijn zusje Anastasia
+zat op den schoot van een hunner,--toen zij weg waren, had zij twee
+en niet meer drie geldstukken in haar lokken. Zij rolden tabak in
+papiertjes en rookten deze; de oudste sprak over den weg, dien zij
+moesten inslaan, en was daaromtrent in het onzekere. «Als ik in de
+hoogte spuw,» zeide hij, «dan komt het op mijn gezicht, als ik naar
+beneden spuw, dan komt het in mijn baard!»
+
+Maar een weg moest er gekozen worden; zij gingen heen en vader
+vergezelde hen. Al spoedig daarop hoorden wij schoten,--er deed zich
+nogmaals een knal hooren; soldaten drongen onze hut binnen en namen
+moeder, mij en Anastasia gevangen; de roovers hadden hun verblijf bij
+ons gehouden, vader was hun aanvoerder geweest, daarom moesten wij
+weg. Ik zag de lijken der roovers, ik zag het lijk van mijn vader,
+en weende, totdat ik in slaap viel. Toen ik wakker werd, waren wij in
+de gevangenis; maar de kamer was niet slechter dan die in onze eigen
+hut; ik kreeg uien en harsachtigen wijn, dien zij uit een geteerden
+zak schonken: beter hadden wij het te huis ook niet.
+
+Hoe lang wij gevangen bleven, weet ik niet; maar er verliepen vele
+dagen en nachten. Toen wij vrijgelaten werden, was het het heilige
+Paaschfeest; ik droeg Anastasia op mijn rug; want moeder was ziek; zij
+kon slechts langzaam loopen, en het was een heel eind, voordat wij aan
+de zee, aan de golf van Lepanto kwamen. Wij traden een kerk binnen,
+die van beelden op een gouden grond straalde; het waren engelen, en
+dezen zagen er heel lief uit, maar het kwam mij toch voor, dat onze
+kleine Anastasia er even lief uitzag. Midden op den vloer stond een
+doodkist vol rozen. «De Heere Jezus ligt daar als een schoone bloem,»
+zei mijn moeder, en «Christus is opgestaan!»
+
+Alle menschen omarmden elkaar. Ieder hield een brandende kaars in de
+hand, ik kreeg er zelf ook een, en Anastasia eveneens; de doedelzakken
+klonken, mannen dansten hand aan hand de kerk uit, en daarbuiten waren
+vrouwen bezig het paaschlam te braden. Wij werden uitgenoodigd om er
+deel aan te nemen, en ik ging bij het vuur zitten. Een knaap, ouder
+dan ik, sloeg zijn armen om mijn hals, kuste mij en zeide: «Christus is
+opgestaan!» Zoo ontmoetten Aphtanides en ik elkaar voor de eerste maal.
+
+Moeder kon vischnetten breien, dat gaf haar hier bij de golf een goede
+verdienste, en wij bleven geruimen tijd bij de zee wonen,--de schoone
+zee, die als tranen smaakte en mij door haar kleuren aan de tranen
+van het hert deed denken: nu eens was zij immers rood, dan groen,
+en dan weer blauw.
+
+Aphtanides wist de boot te besturen, en ik zat er met mijn kleine
+Anastasia in; zij gleed over het water als een wolk door de lucht. Als
+dan de zon onderging, kleurden zich de bergen met een donkerder blauw,
+de eene bergketen verhief zich boven de andere, en het verst stond
+de Parnassus met zijn sneeuw. In de avondzon schitterde de bergtop
+als gloeiend ijzer; hij zag er uit, alsof het licht van binnen kwam,
+want lang nadat de zon ondergegaan was, flikkerde hij in de blauwe,
+heldere lucht; de witte watervogels raakten den waterspiegel met hun
+vlerken aan; overigens was het hier even stil als bij Delphi tusschen
+de zwarte rotsen. Ik lag in de boot op mijn rug. Anastasia lag aan
+mijn borst, en de sterren boven ons fonkelden nog helderder dan
+de lampen in onze kerk. Het waren dezelfde sterren, en zij stonden
+op dezelfde plaats boven mij, als toen ik te Delphi voor onze hut
+zat. Eindelijk kwam het mij voor, alsof ik daar nog was!--Daar plofte
+er iets in het water, en de boot schommelde hevig; ik gaf een luiden
+gil; want Anastasia was in het water gevallen, maar even snel sprong
+Aphtanides haar achterna, en al spoedig daarop reikte hij haar aan
+mij over! Wij trokken haar kleeren uit, wrongen het water er uit en
+kleedden haar toen weer aan; dat deed Aphtanides. Wij bleven op het
+water, totdat de kleeren van Anastasia weer heelemaal droog waren,
+en niemand kwam iets te weten van den schrik, dien wij met de kleine
+pleegzuster gehad hadden, aan wier leven Aphtanides nu immers deel had.
+
+De zomer kwam. De zon brandde zoo heet, dat de bladeren der boomen
+verdorden; ik dacht aan onze koele bergen, aan het frissche water,
+dat wij daar hadden; ook moeder verlangde daarnaar, en op zekeren
+avond ondernamen wij de terugreis. Welk een rust, welk een stilte! Wij
+liepen door den hoogen tijm, die nog geur van zich gaf, ofschoon de
+zon zijn bladeren verzengd had. Geen enkelen herder ontmoetten wij,
+geen enkele hut kwamen wij voorbij. Alles was stil en eenzaam; slechts
+een vallende ster zeide, dat daarboven in den hemel nog leven was. Ik
+weet niet, of de heldere, blauwe lucht zelf licht van zich gaf, dan
+of het de stralen der sterren waren; wij herkenden de omtrekken der
+bergen zeer goed. Mijn moeder legde vuur aan, kookte uien, die zij
+meegebracht had, en mijn zusje en ik sliepen in den tijm, zonder vrees
+voor den afschuwelijken Smidraki [14] uit wiens muil vlammen springen,
+of voor den wolf en den jakhals; moeder zat immers naast ons, en dat
+was voldoende voor onze veiligheid.
+
+Wij bereikten onze vroegere woonplaats; maar de hut was in een puinhoop
+veranderd, er moest dus een nieuwe gebouwd worden. Eenige vrouwen
+hielpen moeder, en binnen weinige dagen waren de muren opgetrokken
+en was er een nieuw dak van oleander op gezet. Mijn moeder vlocht
+van huiden en boomschors vele foedralen voor flesschen, ik hoedde de
+kudde der priesters [15]; Anastasia en de kleine schildpadden waren
+mijn speelkameraden.
+
+Op zekeren dag kregen wij bezoek van den geliefden Aphtanides; hij
+verlangde zoo, ons te zien, zeide hij, en hij bleef twee volle dagen
+bij ons.
+
+Na verloop van een maand kwam hij weer en vertelde, dat hij met een
+schip naar Patras en Corfu wilde; vooraf echter wilde hij ons vaarwel
+zeggen; voor onze moeder bracht hij een grooten visch mee. Hij wist
+zeer veel te vertellen, niet alleen van de visschers aan de golf van
+Lepanto, maar ook van koningen en helden, die eenmaal Griekenland
+beheerscht hadden, evenals nu de Turken deden.
+
+Ik heb den rozeboom een knop zien krijgen en gezien, hoe deze zich
+in dagen en weken tot een bloem ontplooide; hij werd dit, eer ik er
+aan dacht. Wat was zij groot, schoon en rood! Zoo ging het ook met
+Anastasia. Zij was een mooi volwassen meisje, en ik een krachtige
+jongeling. De wolfshuiden op het bed van moeder en van Anastasia had
+ik zelf afgestroopt van de dieren, die onder mijn schot gevallen waren.
+
+Jaren waren er verloopen. Nu kwam op zekeren avond Aphtanides, slank
+als een riet, krachtig en bruin; hij gaf ons allen een kus en wist
+van de groote zee, van Malta's vestingwerken en Egypte's zonderlinge
+graven te vertellen; het klonk mij wonderbaar in de ooren als een
+legende der priesters; ik zag met een soort van eerbied tot hem op.
+
+«Wat weet ge veel!» zei ik. «Wat kunt ge aardig vertellen!»
+
+«Gij hebt mij toch eenmaal het schoonste verteld!» zeide hij. «Gij
+hebt mij verteld, wat mij nooit uit de gedachten gegaan is, van het
+schoone, oude gebruik, het vriendschapsverbond, dat gebruik, dat ik
+wel graag zou willen navolgen. Broeder! laat ons beiden ook, evenals
+de vaders van u en Anastasia gedaan hebben, naar de kerk toe gaan;
+het schoonste en onschuldigste meisje is Anastasia; zij moet ons
+wijden! Geen volk heeft toch schoonere gebruiken dan wij Grieken.»
+
+Anastasia bloosde als een jonge roos; mijn moeder gaf Aphtanides
+een kus.
+
+Op een uur afstands van onze hut, daar, waar op de rotsen losse
+aarde ligt en eenige boomen schaduw werpen, stond de kleine kerk;
+een zilveren lamp hing voor het altaar.
+
+Ik had mijn beste kleeren aangetrokken, de witte fustanella viel in
+rijke plooien langs mijn heupen neer, het roode wambuis sloot mij nauw
+om de leden, aan den kwast van mijn fez zat zilver, in mijn gordel
+staken messen en pistolen. Aphtanides had zijn blauwe kleeding aan,
+zooals Grieksche zeelieden dragen. Op zijn borst hing een zilveren
+plaat omzet met schitterende steenen, zijn sjerp was kostbaar, zooals
+slechts de rijke heeren er een dragen. Iedereen kon wel zien, dat ons
+een plechtigheid wachtte. Wij traden de kleine, stille kerk binnen,
+waar de avondzon door de deur de brandende lamp en de bonte beelden op
+den gouden grond bestraalde. Wij knielden op de trappen van het altaar
+neer, en Anastasia plaatste zich voor ons; een lang, wit gewaad hing
+los en luchtig om haar schoone gestalte; haar blanke hals en haar borst
+waren met een ketting van oude en nieuwe munten bedekt; deze vormden
+een kraag. Haar zwart haar was op het hoofd opgestoken en werd door een
+klein hoofddeksel van zilveren en gouden munten vastgehouden, die in de
+oude tempels gevonden waren. Een schooner sieraad bezat geen Grieksch
+meisje. Haar gezicht fonkelde, haar oogen waren als twee sterren.
+
+Stil baden wij alle drie; daarop vroeg zij ons: «Wilt gij vrienden
+zijn in leven en dood?»--«Ja!» antwoordden wij.--«Wilt ge u, wat er
+ook moge gebeuren, dit herinneren: mijn broeder is een deel van mij;
+mijn geheim, mijn geluk is het zijne; opoffering, volharding, alles
+in mij behoort hem zoowel als mij?» En wij herhaalden ons «ja!»
+
+Zij legde onze handen in elkaar, drukte ons een kus op het voorhoofd,
+en wij baden weer zachtjes. Nu trad de priester uit de deur naast
+het altaar, zegende ons alle drie, en een gezang van de andere
+allerheiligste heeren klonk achter den muur van het altaar. Het
+verbond van eeuwige vriendschap was gesloten. Toen wij opstonden,
+zag ik mijn moeder weenende aan de deur der kerk staan.
+
+Wat was het vroolijk in onze kleine hut en aan Delphi's bronnen! Den
+avond, voordat Aphtanides zou vertrekken, zat hij peinzend evenals ik
+tegen de helling der rots aan; zijn arm was om mijn middel geslagen,
+de mijne om zijn hals; wij spraken over de ellende van Griekenland en
+over de mannen, die het kon vertrouwen. Iedere gedachte onzer zielen
+lag duidelijk voor ons beiden open; nu greep ik zijn hand.
+
+«Één ding moet ge nog weten, één ding, dat tot hiertoe slechts ik en
+God geweten hebben! Mijn geheele ziel is liefde! 't Is een liefde,
+sterker dan die ik mijn moeder en u toedraag....»
+
+«En wie hebt ge lief?» vroeg Aphtanides, en zijn gezicht en zijn hals
+werden vuurrood.
+
+«Ik heb Anastasia lief!» zei ik,--en zijn hand beefde in de mijne; hij
+werd zoo wit als een doek; ik zag het, ik begreep het en ik merkte,
+dat ook mijn hand beefde; ik boog mij naar hem voorover, drukte hem
+een kus op het voorhoofd en fluisterde: «Ik heb het haar nooit gezegd,
+zij heeft mij misschien niet lief!--Broeder! denk er aan, ik zag haar
+dagelijks; zij is aan mijn zijde opgegroeid, één met mijn ziel!»
+
+«En u zal zij toebehooren!» zeide hij. «Ik mag u niet bedriegen, en ik
+wil dit ook niet. Ook ik heb haar lief!--Maar morgen vertrek ik. Over
+een jaar zien wij elkaar weer; dan zijt ge getrouwd, niet waar?--Ik
+bezit eenig goud, het behoort u toe, ge moet, ge zult het aannemen!»
+Zwijgend wandelden wij over de rotsen; het was laat op den avond,
+toen wij voor de hut van mijn moeder stonden.
+
+Anastasia hield ons de lamp toe, toen wij binnentraden, mijn moeder
+was er niet. Zij keek verwonderlijk weemoedig naar Aphtanides.
+
+«Morgen gaat ge ons verlaten!» zeide zij. «Wat spijt mij dat!»
+
+«Spijt het u?» zeide hij, en er scheen mij in deze woorden een smart
+te liggen, even groot als de mijne. Ik kon niet spreken; maar hij
+greep haar bij de hand en zeide: «Onze broeder daar heeft u lief;
+hij is u dierbaar! Zijn zwijgen bewijst juist zijn liefde.»
+
+Anastasia beefde en barstte in tranen uit; nu zag ik slechts haar,
+dacht slechts aan haar, sloeg mijn arm om haar middel en zeide: «Ja,
+ik heb u lief!» Zij drukte haar lippen op de mijne en sloeg haar armen
+om mijn hals; maar de lamp was op den grond gevallen, het was donker
+om ons heen, evenals in het hart van den armen Aphtanides.
+
+Voor het aanbreken van den dag stond hij op, kuste ons allen tot
+afscheid en ging heen. Aan mijn moeder had hij zijn geld voor ons
+gegeven. Anastasia was mijn verloofde en na verloop van weinige dagen
+mijn vrouw!
+
+
+
+
+HET LUCIFERSMEISJE.
+
+
+Het was snerpend koud, het sneeuwde en begon al donker te worden; het
+was de laatste avond van het jaar. In deze koude en in deze duisternis
+liep op straat een klein, arm meisje blootshoofds en barrevoets. Toen
+zij het huis uitging, had zij wel is waar pantoffels aangehad; maar
+wat hielp dat? Het waren heel groote pantoffels, die haar moeder tot
+dusverre gedragen had, zoo groot waren zij. De kleine echter verloor
+deze, toen zij over de straat heen snelde, omdat er twee rijtuigen
+verschrikkelijk hard voorbijreden. De eene pantoffel was niet weer
+te vinden, en de andere had een jongen opgeraapt en snelde er mee
+weg. Daar liep nu het kleine meisje op bloote voeten, die rood en blauw
+van de kou waren. In een oud schort droeg zij een heelen voorraad
+lucifersdoosjes, en een daarvan hield zij in de hand. Niemand had
+er den heelen dag een van haar gekocht, niemand had haar zelfs een
+aalmoes gegeven.
+
+Sidderend van koude en honger sloop de arme kleine voort als een
+beeld van jammer en ellende!
+
+De sneeuwvlokken bedekten haar lang blond haar, dat in prachtige
+lokken op haar schouders neergolfde; maar daaraan dacht zij niet. Al de
+ramen waren helder verlicht, en het rook heerlijk naar ganzengebraad;
+want het was oudejaarsavond. Ja, daaraan dacht zij.
+
+In een hoek, die gevormd werd door twee huizen, waarvan het eene
+een weinig meer dan het andere vooruitsprong, zette zij zich op haar
+hurken neer. Haar voetjes had zij naar zich toe getrokken; maar nu
+werd zij nog kouder, en naar huis durfde zij niet; zij had immers
+geen enkel doosje lucifers verkocht en bracht geen cent mee. Van
+haar vader zou zij zeker slaag krijgen, en te huis was het ook koud;
+boven zich hadden zij slechts het dak, waardoor de wind heenfloot,
+al mochten de grootste reten ook met stroo en lompen dichtgestopt zijn.
+
+Haar handjes waren bijna geheel van de kou verstijfd. Ach! een
+enkel lucifertje zou haar wel goed doen, als zij er maar een uit
+een doosje durfde nemen, dit tegen den muur afstrijken en zich de
+vingers daaraan warmen. Zij haalde er een uit! O, wat glom, wat
+brandde dit! Het was een warme, heldere vlam, als een lichtje, toen
+zij er haar handen bovenhield; het was een wonderbaar lichtje! Het
+scheen het kleine meisje werkelijk toe, alsof zij bij een groote,
+ijzeren kachel zat. Wat brandde het vuur daarin, welk een heerlijke
+warmte gaf het van zich! De kleine strekte haar voeten reeds uit,
+om ook deze te warmen; maar--daar ging het lichtje uit, de kachel
+verdween, zij hield slechts een klein stompje van het afgebrande
+lucifertje in de hand.
+
+Een tweede werd tegen den muur afgestreken; het gaf licht, en waar het
+schijnsel op den muur viel, werd deze doorzichtig als een sluier; zij
+kon in de kamer zien. Over de tafel lag een wit tafellaken uitgespreid;
+daarop stond prachtig porseleinen vaatwerk, en heerlijk dampte de
+gebraden gans, die met appelen en gedroogde pruimen opgevuld was. En
+wat nog prachtiger om te zien was; de gans sprong van den schotel
+naar beneden, waggelde over den vloer, met mes en vork in de borst,
+en kwam naar het arme meisje toe. Daar ging het lucifertje uit, en
+nu bleef slechts de dikke, vochtige, koude muur over. Zij stak nog
+een lucifertje aan. Daar zat zij nu onder den heerlijken Kerstboom;
+deze was nog grooter en prachtiger dan die, welken zij door de glazen
+deur bij den rijken koopman gezien had. Duizenden lichten brandden
+er op de groene takken, en bonte prenten, zooals die, welke er voor
+de winkelramen te zien waren, zagen op haar neer. De kleine strekte
+haar beide handjes er naar uit: daar ging het lucifertje uit. De
+Kerstlichtjes stegen al hooger en hooger: zij zag ze nu als sterren
+aan den hemel; een daarvan viel naar beneden en vormde een lange,
+vurige streek.
+
+«Nu sterft er iemand!» dacht het kleine meisje; want haar oude
+grootmoeder, de eenige, die haar ooit had liefgehad, maar die nu dood
+was, had haar verteld, dat er, als er een ster naar beneden valt,
+een ziel tot God opstijgt.
+
+Zij streek weer een lucifertje tegen den muur af, het werd weder
+helder, en in den glans daarvan stond haar oude grootmoeder, helder
+en glinsterend, vriendelijk en liefderijk.
+
+«Grootmoeder!» riep de kleine uit. «Och, neem mij mee! Ik weet, dat
+ge weer verdwijnt, als het lucifertje uitgaat; ge verdwijnt evenals
+de warme kachel, evenals het heerlijke ganzengebraad en de groote,
+prachtige Kerstboom!» En zij streek al de lucifers uit het doosje
+af, want zij wilde haar grootmoeder zoo graag bij zich houden.--En
+de lucifers schitterden met zulk een glans, dat het helderder werd
+dan midden op den dag; haar grootmoeder was vroeger nooit zoo mooi,
+zoo groot geweest; zij nam het kleine meisje op haar arm, en beiden
+vlogen in glans en vreugde hoog boven de aarde, oneindig hoog; en
+daar boven was noch koude, noch honger, noch angst, zij waren bij God!
+
+Maar in den hoek, tegen den muur aangeleund, zat in den kouden
+morgenstond het arme meisje met roode wangen en met een glimlach om
+de lippen,--doodgevroren op den laatsten avond van het oude jaar. De
+nieuwjaarszon ging over het kleine lijkje op. Verstijfd zat het kind
+daar met de lucifers, waarvan een doosje geheel opgebrand was. «Zij
+heeft zich willen warmen!» zei men. Niemand had er eenig vermoeden
+van, wat al schoons zij gezien had, in welk een glans zij met haar
+grootmoeder het nieuwe jaar ingetreden was.
+
+
+
+
+DE SNEEUWMAN.
+
+
+«Het is zoo vreeselijk koud, dat mijn lichaam er van kraakt!» zei
+de sneeuwman. «Zulk een wind kan iemand wel leven inblazen. En wat
+zet die gloeiende daar groote oogen op!»--Hij bedoelde de zon, die
+juist op het punt stond om onder te gaan. «Mij zal zij niet aan het
+knipoogen brengen, ik zal de stukjes wel vasthouden.»
+
+Hij had namelijk in plaats van oogen twee groote, driehoekige stukjes
+van een dakpan in het hoofd; zijn mond bestond uit een oude hark,
+bijgevolg had hij ook tanden in den mond.
+
+Geboren was hij te midden van het gejuich der jongens, begroet door
+het geschel en het zweepgeknal der sleden.
+
+De zon ging onder, de volle maan kwam op, rond, groot, helder en
+schoon in de blauwe lucht.
+
+«Daar komt zij weer van een anderen kant!» zei de sneeuwman. Daarmee
+wilde hij zeggen: de zon vertoont zich weer. «Ik heb haar toch
+het opzetten van groote oogen afgeleerd! Zij mag daar nu hangen en
+schijnen, opdat ik mij zelven kan zien. Als ik maar wist, hoe men het
+moet aanleggen, om van zijn plaats te komen!--Ik zou mij zoo graag
+eens willen bewegen!--Als ik dit kon, dan zou ik nu daar ginds over
+het ijs heenglijden, evenals ik de jongens zie glijden; maar ik heb
+daar geen verstand van, ik weet niet, hoe men loopt.»
+
+«Weg, weg!» blafte de oude kettinghond; hij was een beetje schor en
+kon het echte «waf, waf!» niet meer uitbrengen; die schorheid had
+hij gekregen, toen hij nog een kamerhond was en achter de kachel
+lag. «De zon zal je wel leeren loopen! Dat heb ik verleden winter
+aan je voorganger en nog vroeger aan diens voorgangers gezien. Weg,
+weg! En weg zijn ze allemaal!»
+
+«Ik begrijp je niet, kameraad!» zei de sneeuwman. «Moet _die_ daar
+boven nog leeren loopen?» Hij bedoelde de maan. «Ja, loopen deed zij
+vroeger wel, toen ik haar goed aankeek, nu komt zij van een anderen
+kant aansluipen.»
+
+«Je weet niets hoegenaamd!» antwoordde de kettinghond; «maar je komt
+dan ook nog pas kijken. De persoon, dien je daar ziet, is de maan;
+die zoo even wegging, was de zon; zij komt morgen terug, zij zal je
+wel leeren, in de gracht naar beneden te loopen. Wij krijgen spoedig
+ander weer; ik voel dat al in mijn linker achterpoot; die steekt
+geweldig;--het weer zal wel veranderen!»
+
+«Ik begrijp hem niet,» zei de sneeuwman; «maar ik heb er een voorgevoel
+van, dat het iets onaangenaams is, wat hij zegt. Zij, die zulke groote
+oogen opzette en zich toen wegmaakte, de zon, zooals hij haar noemt,
+is mijn vriendin niet;--daar heb ik een voorgevoel van!»
+
+«Weg, weg!» blafte de kettinghond, liep driemaal in de rondte en
+kroop toen in zijn hok om te slapen.
+
+Het weer veranderde werkelijk. Tegen den morgen hing er een dikke,
+vochtige nevel over den geheelen omtrek; later kwam de ijskoude wind:
+de vorst pakte iedereen duchtig beet; maar toen de zon opging, welk
+een pracht! Boomen en struiken waren met rijm overdekt, zij geleken op
+een bosch vol koralen, alle takken schenen van boven tot beneden met
+schitterende witte bloemen bedekt te zijn. De vele en fijne takjes,
+die de bladeren gedurende den zomertijd verbergen, kwamen nu allemaal
+te voorschijn. Het was als een weefsel van kant, schitterend wit; uit
+iederen tak stroomde een witte glans. De berk bewoog zich in den wind;
+deze had leven, evenals alle boomen in den zomer: het was verwonderlijk
+schoon! En toen de zon scheen, o, hoe schitterde en fonkelde alles
+toen, alsof er diamanten stof op lag en alsof de groote diamanten op
+het sneeuwtapijt fonkelden, of men kon zich ook voorstellen, dat er
+tallooze kleine lichtjes schitterden, witter zelfs dan de witte sneeuw.
+
+«Dat is prachtig!» zei een meisje, dat met een jonkman in den tuin
+kwam. Beiden bleven in de nabijheid van den sneeuwman staan en bekeken
+van hier de glinsterende boomen. «Een schooner schouwspel levert de
+zomer niet op!» sprak zij, en haar oogen fonkelden.
+
+«En zulk een kerel als deze hier, heeft men in den zomer toch ook
+niet,» antwoordde de jonkman en wees naar den sneeuwpop. «Hij staat
+daar wat deftig!»
+
+Het meisje lachte, knikte den sneeuwman toe en liep daarop met haar
+vriend over de sneeuw, die onder hun voeten kraakte, alsof zij op
+stijfsel liepen.
+
+«Wie waren die twee?» vroeg de sneeuwman den kettinghond. «Jij bent
+hier al langer dan ik: ken jij ze ook?»
+
+«Of ik ze ken!» antwoordde de kettinghond. «Zij heeft mij gestreeld,
+en hij heeft mij een been toegeworpen. Die twee bijt ik niet!»
+
+«Maar wat zijn ze?» vroeg de sneeuwman.
+
+«Een minnend paar!» gaf de kettinghond ten antwoord. «Zij zullen naar
+één hok trekken en samen aan de beenen kluiven. Weg, weg!»
+
+«Zijn die beiden dan ook zulke wezens als jij en ik?» vroeg de
+sneeuwman.
+
+«Zij behooren tot de heerschappen!» hernam de kettinghond; «maar men
+weet zeer weinig, als men eerst den vorigen dag ter wereld gekomen
+is. Dat kan ik aan jou wel merken! Ik ben oud en ook wijs; ik ken
+allen hier in huis, en ook heb ik een tijd gekend, toen ik niet hier
+in de koude aan den ketting vastlag. Weg, weg!»
+
+«De koude is heerlijk!» sprak de sneeuwman. «Vertel, vertel! Maar
+je moogt niet zoo'n leven met den ketting maken; het kraakt in mij,
+als je dat doet!»
+
+«Weg, weg!» blafte de kettinghond. «Een kleine jongen ben ik geweest,
+klein en lief, zeiden ze; destijds lag ik op een stoel, die met
+fluweel overtrokken was, daar ginder in het heerenhuis op den schoot
+der opperste heerschap, ik werd op mijn snoet gekust, en mijn pooten
+werden met een fijnen zakdoek afgeveegd, ik heette Ami! lieve, beste
+Ami! Maar later werd ik hun daar boven te groot, en toen gaven ze mij
+aan de huishoudster. Het was wel een geringere plaats dan boven, maar
+het was er plezieriger; want ik werd niet zoo onophoudelijk door de
+kinderen beetgepakt en geplaagd. Ik kreeg even goed eten als vroeger,
+ja, nog beter. Ik had mijn eigen kussen, en een kachel was daar; die
+is in dezen tijd van 't jaar het heerlijkste, wat er bestaat! Ik ging
+onder de kachel liggen en kon mij daaronder geheel verschuilen. Ach,
+van die kachel droom ik nog wel eens. Weg, weg!»
+
+«Ziet een kachel er dan zoo mooi uit?» vroeg de sneeuwman. «Lijkt
+zij wat op mij?»
+
+«Die is juist het tegendeel van jou! Zij is zoo zwart als een raaf en
+heeft een langen hals. Zij eet brandhout, zoodat het vuur haar uit
+den mond komt. Men moet dicht bij haar blijven, geheel onder haar,
+dat is heel aangenaam. Door het raam zal je haar wel kunnen zien.»
+
+En de sneeuwman keek er naar en zag een glimmend voorwerp; het vuur
+straalde hem daaruit tegen. Het werd den sneeuwman wonderlijk te moede,
+er maakte zich een zeker gevoel van hem meester, hij wist zelf niet
+welk, hij kon er zich geen rekenschap van geven; maar alle menschen,
+als zij geen sneeuwmannen zijn, kennen het.
+
+«Waarom heb je haar verlaten?» vroeg de sneeuwman. Hij gevoelde het,
+dat het een vrouwelijk wezen moest zijn. «Hoe heb je zulk een plaats
+kunnen verlaten?»
+
+«Ik moest wel!» zei de kettinghond. «Men gooide mij de deur uit en
+legde mij hier aan den ketting vast. Ik had den jongsten jonker in
+zijn been gebeten, omdat hij het been wegnam, waaraan ik kloof, been
+om been, zoo denk ik er over! Dat nam men mij echter heel kwalijk,
+en van dien tijd af ben ik aan den ketting vastgelegd en heb mijn
+stem verloren. Hoor je niet, dat ik schor ben? Weg, weg! Ik kan niet
+meer zoo praten, als de andere honden. Weg, weg!» Dat was het einde
+van het lied!
+
+De sneeuwman luisterde echter niet meer naar hem; hij keek steeds maar
+naar de woning van de huishoudster, in haar kamer, waar de kachel op
+haar vier ijzeren pooten stond en zich in dezelfde grootte vertoonde
+als de sneeuwman.
+
+«Wat kraakt het zonderling in mij!» zeide hij. «Zal ik daar dan nooit
+binnen komen? Het is immers een onschuldige wensch, en die zal zeker
+vervuld worden. Ik moet er in, ik moet tegen haar aanleunen, al moest
+ik het raam ook indrukken!»
+
+«Daar binnen zal je nooit komen,» zei de kettinghond, «en als je
+tegen de kachel aankomt, dan verga je. Weg, weg!»
+
+«Ik ben al zoo goed als weg!» antwoordde de sneeuwman. «Ik zak ineen,
+geloof ik.»
+
+Den geheelen dag keek de sneeuwman door het raam naar binnen omstreeks
+het schemeruur begon het er in de kamer nog uitlokkender uit te zien;
+de kachel verspreidde een heerlijken gloed om zich heen, niet als de
+maan, niet als de zon; neen, zooals slechts een kachel kan gloeien,
+wanneer zij iets te eten heeft. Als de deur der kamer openging, sloeg
+de vlam haar uit den mond,--deze gewoonte had de kachel aangenomen:
+de roode vlam speelde vlak op het gezicht van den sneeuwman.
+
+«Ik kan het niet meer uithouden!» zeide hij. «Wat staat het haar mooi,
+als zij de tong zoo uitsteekt!»
+
+De nacht was lang; maar den sneeuwman duurde hij niet lang, hij stond
+daar in zijn eigene, liefelijke gedachten verdiept, en die vroren,
+dat het kraakte.
+
+Den volgenden morgen waren de vensterruiten van het benedenhuis met
+ijs bedekt; zij droegen de schoonste ijsbloemen, die een sneeuwman
+maar kon verlangen, doch zij onttrokken de kachel aan zijn blik. De
+ruiten wilden niet dooien; hij kon de kachel niet zien, die hij
+zich als een bekoorlijk vrouwelijk wezen voorstelde. Het kraakte
+en knapte in hem en om hem heen; het was juist zulk een vriesweer,
+als waarin een sneeuwman wel plezier moest hebben. Maar hij had er
+geen plezier in--hoe zou hij zich ook gelukkig kunnen gevoelen? Hij
+had immers kachel-heimwee.
+
+«Dat is een ongelukkige ziekte voor een sneeuwman,» zei de
+kettinghond. «Ik heb ook aan die ziekte geleden; maar ik ben er
+doorheen geworsteld. Weg, weg!» blafte hij. «We zullen ander weer
+krijgen!» voegde hij er bij.
+
+Het weer veranderde ook; het begon te dooien.
+
+De dooi nam toe; de sneeuwman nam af. Hij zeide niets, hij klaagde
+niet.
+
+Op zekeren morgen zakte hij ineen. En zie! daar verhief zich iets,
+dat veel van een bezemstok weghad, ter plaatse, waar hij gestaan had;
+om dezen stok heen hadden de jongens hem opgebouwd.
+
+«Ja, nu begrijp ik het, nu begrijp ik het, waarom hij daarnaar juist
+heimwee had!» zei de kettinghond. «Er zit immers een ijzer om de
+kachel schoon te maken, aan den stok vast,--de sneeuwman heeft die
+in zijn lijf gehad! Dat is het, wat zich in hem bewogen heeft; nu is
+dat voorbij. Weg, weg!»
+
+En al spoedig daarop was ook de winter voorbij.
+
+«Weg, weg!» blafte de schorre kettinghond; maar de meisjes uit het
+huis zongen:
+
+
+ «Groen van het bosch! kom de knoppen toch uit!
+ Weiland! trek ras uwe handschoenen uit!
+ Leeuwrik en koekoek! zingt vroolijk uw lied!
+ Lente! kom gauw! Och, wacht langer toch niet!
+ 'k Zing met den kwartel, zoo zuiver van slag:
+ Zonnetjelief! kom toch gauw voor den dag!»
+
+
+En dan denkt niemand aan den sneeuwman.
+
+
+
+
+DE VOGEL PHOENIX.
+
+
+In den tuin van het Paradijs, onder den boom der kennis, bloeide
+een rozestruik. Hier, in de eerste roos, werd een vogel geboren:
+zijn vleugels waren als de stralen des lichts, zijn kleur prachtig
+en betooverend zijn gezang!
+
+Maar toen Eva van de vrucht van den boom at en zij en Adam uit het
+Paradijs verdreven werden, toen viel er van het vlammende zwaard van
+den straffenden cherub een vonk in het nest van den vogel, zoodat
+het vuur vatte. De vogel kwam in de vlammen om, maar uit het roode ei
+steeg er een nieuwe, de eenige, de altijd eenige vogel Phoenix op. De
+sage meldt, dat hij in Arabië zijn nest heeft, waar hij zich zelf om
+de honderd jaren aan den dood in de vlammen opoffert; maar dan stijgt
+er een nieuwe Phoenix, de eenige van de wereld, uit het roode ei op.
+
+Ook om ons heen fladdert deze vogel, snel als het licht, heerlijk van
+kleur en betooverend in zijn gezang. Wanneer de moeder bij de wieg van
+haar kind zit, rust hij op het hoofdkussen en slaat met zijn vlerken
+een stralenkrans om het hoofd van het kind. Hij vliegt door de zalen
+der weelde en verspreidt daar zonneglans; hij gaat ook de nederige
+stulp niet voorbij en vervult deze met den geur van viooltjes.
+
+Maar de vogel Phoenix is niet alleen Arabië's vogel; hij fladdert in de
+schemering van het noorderlicht over Laplands ijsvelden, hij huppelt
+tusschen de gele bloemen in Groenlands korten zomer. Onder Faluns
+koperbergen, in Engelands steenkolenmijnen zweeft hij als een stoffige
+mug, boven het gezangboek, dat in de handen van den vromen arbeider
+rust. Op het lotusblad glijdt hij de heilige wateren van den Ganges
+af, en het oog van het Hindoe meisje fonkelt, wanneer zij hem ziet.
+
+Kent ge dien vogel Phoenix niet,--dien vogel van het Paradijs,
+den heiligen zwaan des gezangs? Op de Thespiskar zat hij als een
+snappende raaf en sloeg met zijn zwarte vleugels; over IJslands
+klinkende harp streek hij met den rooden snavel van den zwaan; op
+Shakespeare's schouder zat hij als Odins raaf en fluisterde hem in
+het oor: onsterfelijkheid! Hij fladderde door de ridderzaal van den
+Wartburg bij den zangersstrijd.
+
+Kent ge dien vogel Phoenix niet? Hij zong voor u de Marseillaise,
+en ge kustet de veder, die aan zijn vleugels ontviel; hij kwam in
+den glans van het Paradijs, en ge wenddet u misschien af en keerdet
+u tot de musch, die daar zat met goudschuim op de vleugels.
+
+Vogel Phoenix! Ge wordt om de eeuw verjongd, geboren in vlammen,
+gestorven in vlammen. Uw beeltenis, in goud gezet, hangt in de zalen
+der rijken; zelf vliegt ge vaak dolend en eenzaam rond--slechts als
+een sage: «De vogel Phoenix in Arabië.»
+
+In het Paradijs, toen ge onder den boom der kennis in de eerste roos
+geboren werdt, kuste de Heer u en gaf u uw waren naam: _Poëzie_!
+
+
+
+
+DE ROZENELF.
+
+
+Midden in een tuin groeide een rozeboom. Deze zat vol prachtige rozen;
+en in een daarvan, de mooiste van alle, woonde een elf. Deze was zoo
+geducht klein, dat geen menschelijk oog hem kon zien. Achter ieder blad
+in de roos had hij een slaapkamer. Hij was zoo welgevormd en schoon,
+als een kind maar zijn kon, en hij had vleugels van de schouders tot
+aan de voeten. O, welk een geur was er in zijn kamers, en hoe helder
+en mooi waren de muren! Dit waren immers de lichtroode rozebladeren.
+
+Den heelen dag verheugde hij zich in den warmen zonneschijn, vloog van
+de eene bloem op de andere, danste op de vleugelen van de vliegende
+kapel en mat, hoeveel stappen hij te doen had, om langs alle wegen
+en paden te loopen, die er op een enkel lindeblad zijn. Wat wij de
+aderen in het blad noemen, hield hij voor wegen en paden. Ja, dat
+waren onafzienbare wegen voor hem! Voordat hij daarmee klaar kwam,
+ging de zon onder; hij was er ook te laat meebegonnen!
+
+Het werd koud, de dauw viel en de wind blies; nu was het beste, wat
+hij doen kon, naar huis toe te gaan. Hij haastte zich, zooveel hij kon;
+maar de roos had zich gesloten, en hij kon er dus niet inkomen;--geen
+enkele roos stond er open. De arme, kleine elf schrikte daarvan
+geducht. Hij was 's nachts nog nooit in de open lucht geweest, maar
+had altijd zacht en veilig achter de warme rozebladeren geslapen. O,
+dat zal zeker zijn dood wezen!
+
+Aan het andere einde van den tuin bevond zich, zooals hij wist,
+een priëel van geurige kamperfoelie; de bloemen daarvan zagen er als
+groote beschilderde horens uit; in een daarvan wilde hij afklimmen
+en tot den volgenden morgen slapen.
+
+Hij vloog daarheen. Maar wat zag hij daar? Er zaten twee menschen in
+het prieel: een jong, knap man en een beeldschoon meisje. Zij zaten
+naast elkander en wenschten, dat zij nimmer van elkaar behoefden
+te scheiden. Zij hielden zoo veel van elkaar, veel meer nog dan het
+beste kind van zijn vader en moeder kan houden.
+
+«Toch moeten wij van elkaar scheiden!» zei de jonkman. «Je broer mag
+ons niet lijden, daarom zendt hij mij met een boodschap ver over bergen
+en zeeën heen. Vaarwel, mijn lieve bruid! Want dat ben je immers!»
+
+Daarop kusten zij elkander, en het meisje weende en gaf hem een
+roos. Maar voordat zij hem deze overreikte, drukte zij er zulk
+een vasten en innigen kus op, dat de bloem openging. Nu vloog de
+kleine elf daarin en leunde met zijn hoofd tegen de fijne, geurige
+muren; hier kon hij goed hooren, dat zij elkaar een laatst vaarwel
+toeriepen. Hij gevoelde, dat de roos haar plaats op de borst van den
+jonkman kreeg.--O, wat klopte toch het hart daarbinnen! De kleine
+elf kon niet in slaap komen, zoo klopte het.
+
+Maar niet lang bleef de roos ongestoord op de borst zitten. De jonkman
+nam haar er af, en terwijl hij eenzaam in het donkere bosch liep,
+kuste hij de bloem, o, zoo dikwijls en zoo hartstochtelijk, dat de
+kleine elf bijna doodgedrukt werd. Hij kon door het blad heen voelen,
+hoe de lippen van den man brandden, en de roos zelf had zich, als
+bij de sterkste middagzon, geopend.
+
+Daar kwam een ander man aan, die er norsch en boosaardig uitzag;
+het was de slechte broeder van het lieve meisje. Deze haalde een
+scherp mes te voorschijn, en terwijl de jonkman de roos kuste, stak
+de slechte man hem dood, sneed hem het hoofd af en begroef dit met
+het lichaam in de zachte aarde onder den lindeboom.
+
+«Nu is hij vergeten en weg!» dacht de slechte broeder; «hij komt nooit
+meer terug. Een verre reis zou hij doen, over bergen en zeeën; daarbij
+kan men licht het leven verliezen, en dat heeft hij verloren. Hij
+komt niet meer terug, en mij zal mijn zuster wel niet naar hem vragen.»
+
+Daarop schoof hij met zijn voet dorre bladeren over de losse aarde
+heen en keerde in den donkere nacht naar huis terug.
+
+Maar hij ging niet alleen, zooals hij dacht: de kleine elf vergezelde
+hem. Deze zat in een verdord, ineengerold lindeblad, dat den boozen
+man, toen hij zijn slachtoffer begroef, in het haar gevallen was. De
+hoed was nu daar overheen gezet, het was daarin stikdonker; en de
+elf sidderde van schrik en toorn over de slechte daad.
+
+In den morgenstond kwam de booze man te huis; hij zette zijn hoed af
+en trad de slaapkamer van zijn zuster binnen. Daar lag het schoone,
+bloeiende meisje en droomde van hem, dien zij zoo hartelijk liefhad en
+van wien zij nu dacht, dat hij over bergen en door bosschen ging. En
+haar booze broeder boog zich over haar heen en lachte hatelijk, zooals
+slechts een duivel kan lachen. Daar viel het dorre blad uit zijn haar
+op de dekens neer; maar hij merkte dit niet en ging de kamer uit, om in
+den morgenstond zelf een weinig te slapen. Maar de elf sloop uit het
+verdorde blad, zette zich in het oor van het slapende meisje neer en
+vertelde haar, als in een droom, den verschrikkelijken moord, beschreef
+haar de plaats, waar haar broeder haar minnaar vermoord en diens lijk
+onder den grond gestopt had, vertelde van den bloeienden lindeboom,
+die daar dicht bij stond, en zei: «Opdat ge niet zoudt denken, dat
+het maar een droom is, wat ik u verteld heb, zult ge op uw bed een
+verdord blad vinden!» En dat vond zij ook, toen zij wakker werd.
+
+O, welke bittere tranen stortte zij! Het raam stond den heelen
+dag open, de kleine elf kon gemakkelijk bij de rozen en al de
+overige bloemen in den tuin komen. Maar hij kon het niet van zich
+verkrijgen, de bedroefde te verlaten. Voor het raam stond een boompje
+met maandrozen; in een der bloemen zette hij zich neer en sloeg een
+blik op het ongelukkige meisje. Haar broeder kwam dikwijls in de kamer
+en scheen, ondanks zijn booze daad, altijd vroolijk; maar zij durfde
+geen enkel woord over haar harteleed te zeggen.
+
+Zoodra het donker werd, sloop zij het huis uit, ging in het bosch
+naar de plaats, waar de lindeboom stond, nam de bladeren van den
+grond, groef dezen op en vond hem, die vermoord was, terstond. O,
+wat weende zij en hoe bad zij den goeden God, dat zij nu ook spoedig
+mocht sterven!
+
+Gaarne zou zij het lijk met zich meegenomen hebben, maar dat kon zij
+niet. Nu nam zij het bleeke hoofd met de gesloten oogen, kuste den
+kouden mond en schudde de aarde uit zijn haar. «Dat zal ik behouden!»
+zeide zij. En toen zij aarde en bladeren op het lijk neergelegd had,
+nam zij het hoofd en een takje van de jasmijn, die in het bosch
+bloeide, waar hij begraven was, met zich mee naar huis.
+
+Zoodra zij haar kamer binnentrad, nam zij den grootsten bloempot,
+die er te vinden was; daarin deed zij het doode hoofd, wierp er aarde
+overheen en plantte het jasmijntakje toen in den pot.
+
+«Vaarwel! Vaarwel!» fluisterde de kleine elf; hij kon het niet langer
+verdragen, al deze smart te zien, en vloog daarom naar zijn roos
+in den tuin toe. Maar deze was uitgebloeid; er hingen nog slechts
+verdorde bladeren aan den groenen steel.
+
+«Ach, hoe spoedig is het toch met het schoone en goede voorbij!»
+zei de elf met een zucht. Eindelijk vond hij weer een roos; deze werd
+zijn huis; achter haar fijne en geurige bladeren kon hij wonen.
+
+Alle morgens vloog hij naar het raam van het ongelukkige meisje; zij
+stond altijd bij den bloempot en weende. De zilte tranen vielen op het
+jasmijntakje neer, en terwijl zij met den dag al bleeker en bleeker
+werd, stond het takje daar gedurig frisscher en groener; de eene scheut
+sproot na den anderen uit; kleine, witte knoppen bloeiden er, en deze
+kuste zij. Maar de booze broeder berispte zijn zuster en vroeg haar,
+of zij gek geworden was. Hij kon het niet dulden en niet begrijpen,
+waarom zij altijd over den bloempot weende. Hij wist immers niet,
+welke oogen daarin gesloten en welke roode lippen daarin tot stof
+geworden waren. En zij boog haar hoofd over den bloempot heen, en de
+kleine elf van de roos vond haar daar slapende. Nu zette hij zich in
+haar oor neer, vertelde haar van dien avond in het prieel, van den
+geur der roos en van de liefde der elfen. Zij droomde overheerlijk,
+en terwijl zij droomde, ontvlood haar het leven; zij was zacht en
+kalm ontslapen; zij was bij hem, dien zij liefhad, in den hemel.
+
+En de jasmijn opende haar groote, witte klokjes; zij gaven een
+bijzonder heerlijken geur van zich; anders konden zij niet over de
+dooden weenen.
+
+Maar de booze broeder bekeek het prachtig bloeiende boompje, nam het
+als een erfgoed met zich mee en zette het in zijn slaapkamer dicht
+bij zijn bed neer; want het was prachtig om aan te zien, en de geur
+was overheerlijk. De kleine rozenelf ging mee, vloog van bloem tot
+bloem,--en in elke daarvan woonde immers een kleine ziel,--en deze
+vertelde hij van den vermoorden jonkman, wiens hoofd nu aarde onder
+de aarde was, vertelde van den boozen broeder en van de ongelukkige
+zuster.
+
+«Wij weten het!» zei iedere ziel in de bloemen, «wij weten het! Zijn
+wij niet uit de oogen en de lippen van den verslagene voortgekomen? Wij
+weten het! Wij weten het!» En daarop knikten zij heel zonderling met
+het hoofd.
+
+De rozenelf kon het niet begrijpen, hoe zij zoo kalm konden zijn, en
+vloog het raam uit naar de bijen, die honing verzamelden, en vertelde
+haar de geschiedenis van den boozen broeder. De bijen zeiden het tegen
+haar koningin, en deze beval, dat zij den moordenaar den volgenden
+morgen met haar allen moesten ombrengen.
+
+Maar in den nacht, die daaraan voorafging,--het was de eerste nacht,
+die op den dood der zuster volgde,--toen de broeder in zijn bed
+dicht naast de geurige jasmijn sliep, ging iedere bloemkelk open,
+en onzichtbaar, maar met giftige angels, kwamen de bloemenzielen te
+voorschijn en zetten zich in zijn oor neer en vertelden hem akelige
+droomen, en vlogen over zijn lippen en staken zijn tong met giftige
+angels. «Nu hebben wij de dooden gewroken!» zeiden zij en vlogen naar
+de witte klokjes van de jasmijn terug.
+
+Toen het morgen was en het raam der slaapkamer opengezet werd, vloog de
+rozenelf met de bijenkoningin en den geheelen bijenzwerm naar binnen,
+om hem te dooden.
+
+Maar hij was al dood; er stonden menschen om het bed heen en zeiden:
+«De geur van de jasmijn heeft hem gedood!»
+
+Nu begreep de rozenelf de wraak der bloemen en vertelde het aan
+de koningin der bijen: deze gonsde met haar geheelen zwerm om den
+bloempot heen. De bijen waren niet te verjagen. Nu nam een man den
+bloempot weg, en een der bijen stak hem in zijne hand, zoodat hij
+den bloempot liet vallen: deze brak.
+
+Daar zagen zij een bleeken schedel, en nu wisten zij, dat de doode
+in het bed een moordenaar was.
+
+De bijenkoningin gonsde in de lucht, zong van de wraak der bloemen
+en van den rozenelf, en dat er achter het kleinste blad Een woont,
+die het booze kan vertellen en wreken!
+
+
+
+
+IETS.
+
+
+«Ik wil iets zijn!» zei de oudste van vijf broeders. «Ik wil nut in
+de wereld stichten; al moge het ook nog zulk een nederige betrekking
+zijn, als datgene, wat ik doe, maar wat goeds is, dan is het inderdaad
+iets. Ik wil baksteenen maken; die kan men niet missen; en dan heb
+ik werkelijk iets gedaan!»
+
+«Maar iets, dat veel te weinig beteekent!» sprak de tweede
+broeder. «Datgene, wat je wilt doen, is zoo goed als niets: dat
+is werktuigelijke arbeid en kan even goed door een machine verricht
+worden. Neen, dan zou ik liever metselaar zijn, dat is ten minste iets,
+dat wil ik worden; dat is een stand in de maatschappij. Daardoor
+wordt men een gildebroeder, een burger, daardoor krijgt men zijn
+eigen vaandel, zijn eigen herberg, ja, als alles naar wensch gaat,
+zal ik knechts kunnen houden, word ik baas, en zal mijn vrouw juffrouw
+genoemd worden; dat is toch iets!»
+
+«Dat is toch eigenlijk niets!» zei de derde; «dan behoort men
+toch niet tot den deftigen stand, en er zijn velen in een stad,
+die allen ver boven een metselaarsbaas staan. Men kan wel een braaf
+man zijn; doch men behoort als «baas» toch maar tot diegenen, die
+men den «gemeenen» man noemt. Neen, dan weet ik wat beters! Ik wil
+architect worden, mij op het gebied der kunst begeven en tot de
+hooger geplaatsten in het rijk des geestes behooren. Wel is waar
+moet ik van meet af aan beginnen, ja, om het maar ronduit te zeggen,
+moet ik als krullejongen beginnen, moet ik met een pet rondloopen,
+ofschoon ik er aan gewoon ben, een zijden hoed te dragen, moet ik voor
+de knechts jenever en bier halen, en dezen zullen jij en jou tegen
+mij zeggen, en dat is beleedigend; doch ik zal mij maar verbeelden,
+dat dit alles slechts voor de grap is! Morgen--dat wil zeggen, als
+ik knecht ben, dan ga ik mijn eigen weg, de anderen gaan mij niets
+aan! Ik ga op de teekenacademie, krijg onderwijs in het teekenen,
+heet architect!--Dat is iets, dat is veel!--Ik kan Weledele Heer, ja
+Weledelgeboren Heer worden, ja zelfs nog een deftiger titel krijgen,
+en ik bouw en bouw, evenals de anderen vóór mij gebouwd hebben. Dat
+is altijd iets, waarop men kan bouwen. Het geheel is iets!»
+
+«Maar ik vind dat iets eigenlijk niets!» sprak de vierde; «ik wil
+niet in het zog van anderen varen, geen kopie zijn; ik wil een genie
+zijn, ik wil meer beteekenen dan jelui allemaal met elkaar. Ik ben de
+schepper van een nieuwen bouwstijl, ik geef het idee voor een gebouw
+aan de hand, passend voor het klimaat en de materialen van het land,
+voor de nationaliteit van het volk, voor de ontwikkeling der eeuw,
+en geef bovendien nog een verdieping toe voor mijn genie!»
+
+«Maar als nu het klimaat en de materialen niet deugen?» zei de
+vijfde. «Dat zou een onaangename omstandigheid zijn, want zij oefenen
+hun invloed uit. De nationaliteit kan zich ook zoodanig uitbreiden,
+dat zij onnatuurlijk en gemaakt wordt; de ontwikkeling der eeuw kan
+met je op hol gaan, evenals de jeugd dikwijls op hol gaat. Ik zie
+het al aankomen, dat geen van jelui iets zal worden ofschoon je
+hetzelf ook denkt! Maar doet, wat je wilt, ik zal je niet gelijk
+zijn; ik stel mij buiten de zaken, ik wil over datgene redeneeren,
+wat jelui uitvoert. Aan ieder ding kleeft iets, wat niet juist is,
+iets verkeerds, dat zal ik opsporen en bespreken; dat is iets!»
+
+Dat deed hij dan ook, en de menschen zeiden van den vijfde: «In hem zit
+bepaald iets! Het is een schrandere kop! Maar hij. doet niets!»--Doch
+juist daarom was hij iets!
+
+Zie, dat is maar een kleine geschiedenis, en toch heeft zij geen einde,
+zoolang de wereld bestaat.
+
+Maar werd er dan verder niets van de vijf broeders?--Dat was immers
+niets en niet iets!
+
+Laat ons verder hooren!
+
+De oudste broeder, die baksteenen vervaardigde, merkte al spoedig,
+dat er van iederen steen, als deze gereed was, een kleine munt,
+al was het er ook maar een van koper, afviel; maar vele koperen
+penningen, bij elkaar gelegd, maken een daalder, en waar men met zulk
+een muntstuk aanklopt, hetzij bij den bakker, of bij den slager, of
+bij den kleermaker, ja, bij allen, daar vliegt de deur open, en men
+krijgt, wat men moet hebben; zie, dat werpen de steenen af;--enkele
+verbrokkelden wel is waar of sprongen in tweeën, maar zulke kon men
+ook wel gebruiken.
+
+Op den hoogen aarden wal, den beschermenden dijk aan de zeekust,
+wilde een arme vrouw, Margaretha genaamd, een huisje bouwen; zij
+kreeg al de verbrokkelde steenen en daarbij nog eenige heele, want de
+oudste broeder bezat een goed hart, al bracht hij het ook niet verder,
+dan dat hij baksteenen vervaardigde.
+
+De arme vrouw bouwde haar huisje zelf; het was wel is waar klein
+en bekrompen, het eene raam zat scheef, de deur was te laag en het
+stroodak had beter gelegd kunnen worden; maar beschutting verleende het
+toch, en ver over de zee, die met geweld tegen den muur aanklotste,
+kon men van uit het huisje zien; de zilte golven deden haar schuim
+over het geheele huis spatten, dat er nog stond, toen hij, die de
+steenen daarvoor vervaardigd had, al lang dood en begraven was.
+
+De tweede broeder, die had nu meer verstand van het metselen; hij had
+dit dan ook geleerd. Toen zijn proefjaren als gezel ten einde waren,
+deed hij zijn ransel om en hief het lied van den handwerksman aan:
+
+
+ «Daar ik jong ben, ga 'k op reis,
+ Buiten wil ik huizen bouwen,
+ Gaan van plaats tot plaats in 't rond;
+ Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen.
+ Keer ik weer in 't vaderland,
+ 't Meisje wacht mij, dat ik min.
+ 'k Word gauw baas! Met vromen zin
+ Roep ik: Leev' de werkmansstand!»
+
+
+En baas werd hij dan ook. Toen hij teruggekomen en baas geworden was,
+metselde hij in de stad het eene huis na het andere, een heele straat,
+en toen de straat voltooid was, er goed uitzag en de stad tot sieraad
+strekte, bouwden de huisjes hem weer een huis, dat zijn eigendom zou
+zijn. Maar hoe kunnen de huizen bouwen? Vraag het hun, en zij zullen
+u het antwoord schuldig blijven; maar de menschen zullen het woord
+opvatten en zeggen: «Zeker heeft de straat hem een huis gebouwd!»
+Klein was het, en de vloer was met leem belegd, maar toen hij met
+zijn bruid over den leemen vloer danste, werd deze blank en glad,
+en uit iederen steen in den muur schoot een bloem te voorschijn en
+versierde de kamer als met het kostbaarste tapijt. Het was een lief
+huis en een gelukkig echtpaar. Het vaandel van het gild wapperde uit
+het huis, en gezellen en leerjongens riepen: «Hoera!» Ja, dat was
+iets! En toen stierf hij: dat was ook iets!
+
+Nu kwam de architect, de derde broeder, die eerst krullejongen geweest
+was, met een pet geloopen had en boodschappen had gedaan, maar die
+op de academie geweest en eindelijk tot bouwmeester opgeklommen was,
+en nu een «Weledelgeboren Heer» genoemd werd.
+
+Hadden de huizen der straat voor zijn broeder, die metselaarsbaas was,
+een huis gebouwd, naar hem werd de straat genoemd, en het mooiste huis
+uit de straat werd zijn eigendom; dat was iets, en hij was iets--en
+dat met een langen titel van voren en van achteren. Zijn kinderen
+noemde men «jongeheeren en jongejuffrouwen,» en toen hij stierf,
+was zijn weduwe een «douairière,»--dat is iets! En zijn naam bleef
+voor immer op den hoek van de straat geschreven staan en leefde in
+aller mond voort als de naam van een straat,--ja, dat is iets!
+
+Daarop kwam het genie, de vierde broeder, die iets nieuws, iets
+buitengewoons, en nog een verdieping daarenboven wilde uitvinden;
+maar deze viel naar beneden en brak zijn nek;--maar hij kreeg een mooie
+begrafenis met gildevaandels en muziek, bloemen in de courant en op de
+straat over de steenen heen, en men hield voor hem drie lijkredenen,
+de een al langer dan de andere, en dat zal hem heel veel plezier
+gedaan hebben; want hij had graag, dat er over hem gesproken werd;
+ook werd er een monument op zijn graf opgericht, wel is waar slechts
+één verdieping hoog, maar dat is toch altijd iets!
+
+Hij was nu gestorven, evenals dit met zijn drie andere broeders het
+geval was; maar de laatste, die redeneerde, overleefde ze allemaal,
+en dat was juist, zooals het wezen moest; want daardoor kreeg hij
+immers het laatste woord, en het was voor hem van zeer veel gewicht,
+het laatste woord te hebben. «Hij was toch een schrandere kop!»
+zeiden de menschen.--Maar eindelijk sloeg ook zijn ure; hij stierf
+en kwam voor de poort des hemels. Daar traden altijd twee te gelijk
+binnen; hij stond daar met een andere ziel, die er ook graag in wilde,
+en dit was juist de oude vrouw Margaretha uit het huis op den dijk.
+
+«Dat gebeurt zeker om het contrast, dat ik en deze ellendige ziel hier
+tegelijkertijd moeten aankomen!» zei de liefhebber van redeneeren. «Wel
+zoo! Wie ben je; vrouwtje? Wil je er ook in?» vroeg hij.
+
+De oude vrouw maakte een buiging, zoo goed als zij dit kon; zij dacht,
+dat het Petrus zelf was, die tegen haar sprak. «Ik ben een oude arme
+vrouw zonder eenige familie, ik ben de oude Margaretha uit het huis
+op den dijk.»
+
+«Welnu, wat hebt ge op de wereld uitgevoerd?»
+
+«Ik heb waarlijk niets op de wereld uitgevoerd, niets, waarom de poort
+hier voor mij zou kunnen ontsloten worden. Het zal een waarachtige
+genade zijn, als men mij vergunt, dat ik door de poort binnentreed!»
+
+«Op welke wijze hebt ge de wereld verlaten?» vroeg hij verder, om toch
+ergens over te spreken, daar het hem verveelde, daar te staan wachten.
+
+«Ja, hoe ik haar verlaten heb, dat weet ik niet! Gedurende het laatste
+jaar ben ik ziek en ellendig geweest, en ik heb het zeker niet kunnen
+verdragen, uit het bed te komen en in vorst en koude zoo plotseling
+de deur uit te gaan. Het is een strenge winter, maar nu heb ik het
+immers doorgestaan. Het was eenige dagen stil weer, maar erg koud,
+zooals ge zelf wel weet; het ijs lag zoover in de zee, als men zien
+kon; al de menschen uit de stad wandelden over het ijs; daar was,
+zooals zij zeiden, schaatsenrijden en dans, geloof ik; groote muziek
+en traktatie was daar ook; de muziek drong tot het armoedige kamertje,
+waarin ik lag, door. En toen was het zoo tegen den avond; de maan was
+prachtig opgekomen, maar nog niet in haar vollen glans; ik keek uit
+mijn bed over de ruime zee heen, en daar buiten, aan den rand van
+de lucht en de zee, kwam een zonderlinge witte wolk te voorschijn;
+ik lag en zag de witte wolk aan, ik zag ook het zwarte puntje in het
+midden van de wolk, dat al grooter en grooter werd; en nu wist ik,
+wat dat te beteekenen had; ik ben ervaren, ofschoon men dat teeken niet
+dikwijls ziet. Ik kende het, en een huivering voer mij door de leden.
+
+«Ik heb iets dergelijks al tweemaal van mijn leven gezien, ik
+wist, dat er een verschrikkelijke storm met een springvloed uit
+zou voortkomen, die de arme menschen daarbuiten, die nu dronken,
+rondsprongen en juichten, zou overvallen; jong en oud, de geheele
+stad was immers buiten; wie zou ze waarschuwen, als niemand daar
+dit zag en de beteekenis er van wist, hetgeen met mij wel het geval
+was? Ik kwam mijn bed uit en ging naar het raam; verder kon ik mij
+van vermoeidheid niet sleepen.
+
+«Toch gelukte het mij eindelijk, het raam open te schuiven, ik zag
+de menschen buiten op het ijs loopen en springen; ik zag ook de mooie
+vlaggen, die in den wind wapperden; ik hoorde de jongens hoera! roepen,
+knechts en meiden zingen; het ging vroolijk toe; maar--die witte wolk
+met dat zwarte stipje!
+
+«Ik riep zoo hard, als ik maar kon; doch niemand hoorde mij; ik was te
+ver van de menschen vandaan. Spoedig moest de storm losbarsten en het
+ijs breken, en dan zouden allen, die er op waren, reddeloos verloren
+zijn. Zij konden mij niet hooren, ik kon hun geen wenk geven; o, kon
+ik ze maar op het land brengen! Nu gaf de goede God mij de gedachte
+in, mijn bed in brand te steken en liever mijn heele huisje te laten
+verbranden, dan dat zoo velen jammerlijk zouden omkomen.
+
+«Het gelukte mij, voor hen een licht te ontsteken; de roode vlam steeg
+hoog op,--ja, ik ontkwam gelukkig uit de deur; maar voor deze bleef ik
+liggen; ik kon niet verder; de vlam kwam naar mij toe; flikkerde uit
+de ramen, sloeg hoog boven het dak uit; al de menschen buiten op het
+ijs zagen haar, en allen liepen zoo hard als zij konden, om een arme
+ter hulp te snellen, die, zooals zij dachten, gevaar liep om levend te
+verbranden; niet een was er, die niet holde; ik hoorde ze komen, maar
+ik hoorde ook, hoe het eensklaps in de lucht bruiste, ik hoorde het
+dreunen als zware kanonschoten; de springvloed hief den ijsvloer op,
+die in duizend stukken barstte; maar de menschen bereikten den dijk,
+waar de vonken over mij heenvlogen; ik redde ze allen!--Doch ik heb
+de koude niet kunnen verdragen en ook niet den schrik, en zoo ben ik
+hier aan de poort des hemels gekomen; men zegt immers, dat er ook voor
+zulk een arm mensch als ik ben opengedaan wordt, en nu heb ik immers
+geen huis beneden op den dijk,--doch dat geeft mij zeker geen toegang!»
+
+Daar ging de poort des hemels open, en de engel bracht de oude
+vrouw binnen, zij verloor een strootje, een van die strootjes,
+welke er in haar bed gezeten hadden, toen zij dit in brand stak,
+om velen te redden, en dat had zich in het zuiverste goud veranderd
+en wel in zulk goud, dat aldoor toenam en de schoonste bloemen en
+bladeren voortbracht.
+
+«Zie eens! Dat heeft die arme vrouw gebracht!» zei de engel. «Wat
+brengt gij? Ja, ik weet het wel, dat ge niets uitgevoerd hebt: niet
+eens een baksteen hebt ge gemaakt; als ge maar weer kondt teruggaan
+en het althans zoo ver brengen; waarschijnlijk zou de steen, als ge
+dien gemaakt hadt, niet veel waard zijn; maar als hij met een goeden
+wil gemaakt was, dan zou het toch altijd iets zijn; maar ge kunt niet
+terug, en ik kan niets voor u doen!»
+
+Nu deed de arme ziel, het moedertje uit het huis op den dijk, een
+goed woord voor hem: «Zijn broeder heeft mij de steenen gegeven,
+waarvan ik mijn armzalig huis gebouwd heb, en dat was zeer veel voor
+mij, arme! Zouden nu niet al die halve en heele steenen als één steen
+voor hem kunnen gelden? Het is een daad van genade! Hij heeft daaraan
+nu behoefte, en hier is immers de bron van genade!»
+
+«Uw broeder, diegene, dien gij den geringste noemdet,» zei de engel,
+«diegene, wiens eerlijk werk u het nederigst toescheen, schenkt u zijn
+hemelsche gave. Ge zult niet teruggewezen worden; het zal u vergund
+zijn, hier buiten te staan en na te denken, maar er in komt ge niet,
+voordat ge inderdaad--iets uitgevoerd hebt!»
+
+«Dat zou ik beter hebben kunnen zeggen!» dacht de liefhebber van
+redeneeren; maar hij sprak dit niet overluid uit, en dat was ten
+minste al iets!
+
+
+
+
+HET DOORNENPAD DER EER.
+
+
+Er bestaat nog een oud sprookje van «het doornenpad der eer,»--van een
+schutter, die wel is waar tot eer en waardigheden opklom, maar eerst na
+vele wederwaardigheden en allerlei strijd.--Wie heeft bij dit sprookje
+niet aan zijn eigen doornenpad en aan zijn vele «wederwaardigheden»
+gedacht? Het sprookje en de werkelijkheid grenzen zeer na aan elkander:
+maar het sprookje heeft zijn harmonische oplossing hier op aarde,
+de werkelijkheid vindt deze dikwijls eerst aan gene zijde van het
+aardsche leven en wijst op tijd en eeuwigheid.
+
+De geschiedenis der wereld is een tooverlantaarn, die ons in
+lichtbeelden op den donkeren grond van het tegenwoordige aanwijst,
+hoe de weldoeners der menschheid, de martelaars van het genie, het
+doornenpad van de eer en den roem bewandelen.
+
+Uit alle tijden, uit alle landen stralen deze lichtbeelden ons
+tegen, elk wel is waar slechts voor eenige oogenblikken, maar
+toch als een geheel leven, een levenstijd met zijn strijd en zijn
+zegepraal. Laat ons hier en daar enkelen van deze schare van martelaren
+beschouwen,--deze schare, waaraan eerst dan een einde komt, wanneer
+de aarde vergaat.
+
+Wij zien een welbezet amphitheater. Uit de «Wolken» van een
+Aristophanes gieten de spot en de scherts zich in stroomen over
+de menigte uit; op het tooneel wordt de merkwaardigste man van
+Athene, hij, die het schild en de steun van het volk tegen de dertig
+tirannen was, wordt Socrates belachelijk gemaakt, Socrates, die in het
+strijdgewoel Alcibiades en Xenophon redde en wiens geest zich boven
+de goden der oudheid verhief. Hij zelf is hier tegenwoordig; hij is
+van de bank der toeschouwers opgestaan en te voorschijn gekomen,
+opdat de lachende Atheners zouden zien, hoe het met de gelijkenis
+tusschen hem en de karikatuur op het tooneel geschapen was; daar
+staat hij voor hen, hoog boven hen allen verheven.
+
+Gij, sappige, groene, vergiftige scheerling, en niet gij, olijfboom,
+werp hier uw schaduw over Athene!
+
+Zeven steden streden om de eer, de geboorteplaats van Homerus te zijn,
+dat is te zeggen: nadat hij dood was. Beschouwen wij hem gedurende
+zijn leven!--Hij loopt te voet door de steden en zegt zijn verzen
+op om te leven; de gedachte aan den dag van morgen doet zijn haar
+grijs worden!--Hij, de groote ziener, is blind en bewandelt met
+moeite zijn pad; de scherpe doorn verscheurt den mantel van den
+dichterkoning!--Zijn gezangen leven nog, en door deze alleen leven
+de goden en de helden der oudheid.
+
+Het eene beeld na het andere rijst voor ons op uit het Oosten, uit
+het Westen, zeer ver van elkander, wat tijd en plaats aangaat, en
+toch altijd een gedeelte van het doornenpad der eer, waarop de distel
+eerst dan een bloem voortbrengt, wanneer het graf versierd moet worden.
+
+Onder psalmen trekken de kameelen voort, rijk beladen met indigo
+en andere kostbare schatten, door den heerscher des lands aan hem
+gezonden, wiens gezangen de vreugde des volks, de roem des lands
+zijn; hij, dien leugen en nijd in de ballingschap zonden, hij is
+gevonden,--de karavaan nadert het stadje, waarin hij een schuilplaats
+vond: een lijk wordt de stadspoort uitgedragen, en de lijkstoet beveelt
+de karavaan, halt te houden. De doode is juist degene, dien zij zoekt:
+Firdusi,--het doornenpad der eer is ten einde gewandeld!
+
+De Afrikaan met de plompe gelaatstrekken, de dikke lippen, het zwarte,
+wollige haar, zit op de marmeren trappen van het paleis in de hoofdstad
+van Portugal en bedelt; het is de getrouwe slaaf van Camoëns; zonder
+hem en zonder de koperen munten, die de voorbijgangers hem toewerpen,
+zou zijn heer, de zanger der Lusiade, van honger sterven.
+
+Tegenwoordig verheft zich een kostbaar monument op het graf van
+Camoëns.
+
+Een nieuw beeld!
+
+Achter de ijzeren tralies vertoont zich een man, die er doodsbleek
+uitziet, met een langen, ongekamden baard. «Ik heb een uitvinding
+gedaan, de grootste sedert eeuwen!» roept hij, «en men heeft mij langer
+dan twintig jaren hier opgesloten gehouden!»--«Wie is die man?»--«Een
+krankzinnige!» antwoordt de bewaker der krankzinnigen. «Waar kan een
+mensch in zijn krankzinnigheid al niet toe komen! Hij verbeeldt zich,
+dat men zich door stoom kan bewegen!»--Het is Salomo de Caus, de
+ontdekker der stoomkracht, wiens voorgevoel, in onduidelijke woorden
+uitgesproken, door een Richelieu niet begrepen werd: hij sterft in
+het krankzinnigengesticht.
+
+Hier staat Columbus, dien de straatjongens eenmaal vervolgden en
+bespotten, omdat hij een nieuwe wereld wilde ontdekken,--hij heeft haar
+ontdekt! Het gejubel klinkt hem bij zijn zegevierende terugkomst van
+menschenlippen en door kerkklokstonen tegen, maar de klokken van den
+nijd overstemden deze al spoedig. De ontdekker eener nieuwe wereld,
+hij, die het Amerikaansche goudland uit de zee deed oprijzen en aan
+zijn koning schonk, hij wordt met ijzeren ketenen beloond! Hij wenscht
+deze ketenen in zijn graf mee te nemen; zij leggen getuigenis af van
+de wereld en van de wijze, waarop tijdgenooten verdiensten schatten.
+
+Het eene beeld na het andere rijst op: het doornenpad van de eer en
+den roem is overvol.
+
+Hier in den donkeren nacht zit hij, die de bergen der maan gemeten
+heeft, hij, die in de oneindige ruimte tot sterren en planeten
+doordrong, hij, de machtige, die den geest der natuur hoorde en het
+gevoelde, dat de aarde zich onder zijn voeten bewoog: Galilei. Blind
+en doof zit hij daar, de grijsaard, gefolterd door den doorn van het
+lijden in de kwellingen der verloochening, tenauwernood in staat om
+zijn voet op te lichten, denzelfden, waarmee hij eens in de smart
+zijner ziel, toen men de waarheid verduisterde, op den grond stampte
+en uitriep: «En toch beweegt zij zich!»
+
+Hier staat een vrouw met een kinderlijk gemoed in geestdrift en
+geloof,--voor het strijdende leger draagt zij de banier vooruit, en
+brengt haar vaderland zegepraal en redding. Het gejuich weerklinkt
+en de brandstapel vlamt: Jeanne d'Arc, de heks, wordt verbrand!--Ja,
+een latere eeuw spuwt den zwadder der verachting op de witte lelie
+uit. Voltaire, de sater van het gezonde menschenverstand, zingt van
+«_La pucelle_.»
+
+Op den Thing te Wiborg verbrandt de Deensche adel de wetten des
+konings,--zij vlammen hoog op, verlichten de eeuw en den wetgever,
+werpen een schijnsel van glorie in den donkeren gevangenistoren,
+waarin de vroegere heerscher over drie koninkrijken, de populaire
+koning, de vriend der burgers en der boeren, Christiaan de Tweede,
+vergrijsd, gebogen, met zijn vinger een reet in het steenen tafelblad
+makende, zit. Vijanden teekenen zijn geschiedenis op. Aan zijn
+zeven-en-twintigjarige gevangenschap willen wij gedenken, al kunnen
+wij zijn bloedschuld ook niet loochenen.
+
+Een schip zeilt uit en verlaat het Deensche strand; tegen den mast
+leunt een man, die voor de laatste maal een blik op het eiland Hveen
+slaat;--het is Tycho Brahe; hij verhief den naam van Denemarken
+tot aan de sterren, en men beloonde hem met grieven, met gebrek
+en verdriet;--hij vertrekt naar een vreemd land. «De hemel welft
+zich overal boven mij. Wat wil ik meer?» spreekt hij en zeilt weg,
+de beroemde Deen, geëerd en vrij in een vreemd land!»
+
+«Ach, vrij, al ware het slechts van de duldelooze smarten van het
+lichaam!» luidt de zucht, die door de tijden heen en tot ons oor
+doordringt. Welk een beeld! Griffenfeld, een Deensche Prometheus,
+aan het rotsachtige eiland Munkholm gekluisterd!
+
+Wij bevinden ons in Amerika aan den oever van een der grootste
+rivieren; een tallooze menschenmenigte heeft zich verzameld:
+een schip, zoo heet het, zal tegen weer en wind, de elementen
+trotseerend, kunnen zeilen; Robert Fulton noemt zich de man, die
+dit vraagstuk denkt op te lossen. Het schip begint zijn tocht; maar
+eensklaps blijft het stilliggen,--de menigte lacht, fluit en sist, de
+eigen vader van den man fluit. «Hoogmoed! Dwaasheid! Nu gebeurt er,
+wat hij verdiend heeft,» heet het; «achter slot en grendel met den
+waanzinnige!»--Daar breekt een kleine spijker, die voor een oogenblik
+de machine belemmerde, de roeiriemen bewegen zich weer, de raderen
+breken op nieuw de kracht van het water, het schip zet zijn tocht
+voort! De kracht van den stoom verkort de uren tot minuten tusschen
+de landen der wereld!
+
+Menschengeslacht! begrijpt gij de zaligheid van zulk een minuut van
+wetenschap, van dit doordrongen zijn des geestes van zijn roeping,
+dat oogenblik, waarop al de wanhoop, elke wonde, die het doornenpad der
+eer sloeg,--zelfs die van eigen schuld,--in heil, kracht en klaarheid
+verandert, de disharmonie zich in harmonie oplost, dat oogenblik,
+waarop de menschen de openbaring der goddelijke genade gewaar worden!
+
+Op machtige vleugelen zweeft de geest der geschiedenis door de tijden
+en toont,--bemoedigend en vertroostend, milde gedachten opwekkend,--op
+een nachtelijk donkeren grond in lichtende beelden het doornenpad der
+eer, dat niet, evenals in het sprookje, in glans en vreugde hier op
+aarde, maar verder dan deze in tijd en eeuwigheid eindigt!
+
+
+
+
+DE GODDELOOZE KONING.
+
+
+Er was eens een goddelooze koning; al zijn denken en streven was
+slechts daarop gericht, alle landen der wereld te veroveren en alle
+menschen vrees in te boezemen; te vuur en te zwaard trok hij rond,
+en zijn soldaten vertrapten het zaad op de velden en staken het
+huis van den boer in brand, zoodat de roode vlam de bladeren van den
+boom verschroeide en de vruchten gebraden aan de verzengde, zwarte
+boomen hingen. Met een naakten zuigeling op den arm vluchtte menige
+arme moeder achter de nog rookende muren van haar afgebrande woning;
+maar hier zochten de soldaten haar ook, en als zij de ongelukkigen
+vonden, dan gaf dit nieuw voedsel aan hun duivelachtige vreugde; booze
+geesten hadden niet erger huis kunnen houden dan deze soldaten; maar
+de koning vond, dat het zoo goed was, dat het zoo moest toegaan. Met
+den dag groeide zijn macht aan, zijn naam werd door allen gevreesd,
+en het geluk volgde zijn schreden bij al zijn ondernemingen. Uit
+de veroverde steden voerde hij onmetelijke schatten weg; in zijn
+residentiestad werd een rijkdom opgestapeld, die op geen andere
+plaats zijns gelijke had. Hij liet paleizen, kasteelen en kerken
+bouwen, en iedereen, die deze prachtige gebouwen en deze schatten
+zag, riep vol eerbied uit: «Welk een groot koning!» Zij dachten niet
+aan de ellende, die hij over andere landen en steden gebracht had;
+zij hoorden de zuchten en de jammerklachten niet, die er uit de in
+de asch gelegde steden ten hemel opklommen.
+
+De koning beschouwde zijn goud en zijn prachtige gebouwen, en dacht
+daarbij evenals de menigte: «Welk een groot koning!--Maar ik moet
+veel meer hebben, veel meer! Geen macht mag met de mijne gelijkstaan,
+of grooter dan de mijne zijn!» Hij verklaarde daarom den oorlog aan
+de naburige koningen en overwon ze allen. De overwonnen koningen liet
+hij met gouden ketenen aan zijn wagen vastbinden, en zoo reed hij door
+de straten van zijn residentie; als hij aan tafel zat, dan moesten
+die koningen voor hem en zijn hovelingen op de knieën liggen en zich
+met de brokken, die hun van de tafel toegeworpen werden, verzadigen.
+
+Eindelijk liet de koning zijn eigen beeldzuil op de publieke pleinen
+en in de koninklijke kasteelen oprichten, ja, hij wilde ze zelfs
+in de kerken voor het altaar des Heeren plaatsen, maar de priesters
+verzetten zich daartegen en zeiden: «O koning! gij zijt groot, maar
+God is grooter; wij wagen het niet, uw bevel te gehoorzamen!»
+
+«Welaan dan!» riep de koning uit, «ik zal ook God overwinnen!»--En in
+overmoed en dwazen wrevel liet hij een kostbaar schip bouwen, waarmee
+hij door de lucht kon zeilen; het was bont en prachtig om aan te zien,
+als de staart van een pauw, en het was als met duizenden oogen bezet
+en bezaaid;--maar ieder oog was een geweerloop. De koning zat in het
+midden van het schip, hij behoefde slechts op een daar aangebrachte
+veer te drukken, en dan vlogen er duizend kogels naar alle kanten heen,
+terwijl de vuurwapenen terstond weer op nieuw geladen waren. Honderden
+arenden werden er voor het schip gespannen, en met pijlsnelheid
+ging het nu opwaarts naar de zon toe. Wat lag daar de aarde diep
+beneden! Met haar bergen en bosschen scheen zij slechts een akker te
+zijn, waarin de ploeg zijn voren getrokken had; al spoedig geleek
+zij nog slechts op een platte landkaart met onduidelijke lijnen,
+en eindelijk was zij geheel in wolken en nevelen gehuld. Gedurig
+hooger vlogen de arenden, opwaarts in de lucht. Nu zond God een
+enkelen zijner ontelbare engelen uit; de goddelooze koning schoot
+duizenden kogels op hem af, maar de kogels stuitten op de schitterende
+vleugels van den engel af en vielen als gewone hagelkorreltjes neer;
+maar een bloeddroppel, slechts een enkele, droppelde er van een der
+witte vleugelen neer, en deze droppel viel op het schip, waarop de
+koning zat; hij brandde in het schip in, woog als duizend centenaars
+lood en deed het schip met bliksemsnelheid naar beneden naar de aarde
+neerdalen; de sterke vleugels der arenden braken, de wind gierde om
+het hoofd van den koning, en wolken in de rondte,--deze waren immers
+uit den rook der verbrande steden samengesteld,--vormden zich in
+dreigende gestalten, als mijlenlange zeekrabben, die haar pooten en
+haar scharen naar hem uitstrekten, stapelden zich op tot ontzaglijke
+rotsen met neerrollende, verpletterende blokken, vormden zich tot
+vuurspuwende draken. Halfdood lag de koning op het schip uitgestrekt,
+en dit bleef eindelijk met een vreeselijken schok in de dikke takken
+van een bosch hangen.
+
+«Ik wil God overwinnen!» zei de koning, «ik heb het gezworen, mijn wil
+_moet_ geschieden!»--En zeven jaren lang liet hij bouwen en werken aan
+kunstige schepen tot het doorzeilen der lucht, liet bliksemstralen
+van het hardste staal snijden, want hij wilde den hemelburcht doen
+springen. Uit al zijn landen verzamelde hij legers, die, als zij
+man naast man geschaard stonden, een ruimte van verscheidene mijlen
+besloegen. Het leger ging aan boord van de kunstige schepen, de
+koning begaf zich naar het zijne;--daar zond God een kleinen zwerm
+muggen uit. Deze gonsden om den koning heen en staken zijn gezicht
+en zijn handen; in toorn ontstoken, trok hij zijn zwaard en sloeg om
+zich heen, maar hij sloeg slechts in de lucht, en de muggen trof hij
+niet. Nu beval hij, kostbare tapijten te brengen en hem daarin te
+wikkelen, opdat geen mug hem meer zou kunnen steken, en de dienaren
+deden, zooals hun bevolen was. Maar een enkele mug had zich op den
+binnenkant van het tapijt neergezet; van hier kroop zij in het oor des
+konings en stak hem; het brandde als vuur, het vergif drong in zijn
+hersenen door; als waanzinnig rukte hij de tapijten van zijn lichaam
+af en slingerde ze ver van zich weg, verscheurde zijn kleederen
+en danste naakt in de rondte voor de oogen van zijn ruwe soldaten,
+welke nu den spot dreven met den krankzinnigen vorst, die God wilde
+beoorlogen en die door een enkele kleine mug overwonnen was.
+
+
+
+
+TWEE HANEN.
+
+
+Twee hanen waren er, de een op den mesthoop, de ander op het dak;
+hoovaardig waren zij beide; maar wie van hen voerde wel het meeste
+uit? Zeg ons uw meening daarover eens,--wij behouden toch onze eigen.
+
+De plaats, waarop de kippen liepen, was door een plank van een andere
+plaats gescheiden, waarop een mesthoop was, en op dezen mesthoop lag
+en groeide een groote augurk, die het bewustzijn had, dat zij een
+broeibedplant was.
+
+«Daartoe wordt men geboren,» sprak het in het binnenste van de
+augurk. «Niet allen kunnen als augurken geboren worden, er moeten ook
+andere soorten zijn! De kippen, de eenden en al het gedierte van de
+naburige plaats zijn ook schepselen. Naar den haan, die op de plank
+staat, zie ik nu op; deze heeft echter een heel andere roeping dan
+de weerhaan, die zoo hoog geplaatst is en niet eens kan knarsen,
+laat staan dan kraaien; hij heeft noch kippen, noch kuikentjes,
+hij denkt slechts aan zich zelf en zweet kopergroen! Neen, die haan
+op de plank is eerst een haan! Zijn gang is dans, zijn kraaien is
+muziek! Waar hij komt, daar wordt het iemand terstond duidelijk,
+wat een trompetter is. Als hij maar hierheen kwam! En al at hij mij
+ook met huid en haar op, en al moest ik ook in zijn buik begraven
+worden,--dat zou een zalige dood zijn!» sprak de augurk.
+
+'s Nachts werd het een verschrikkelijk weer; kippen, kuikentjes en
+zelfs de haan zochten beschutting; de wind rukte de plank tusschen de
+beide plaatsen weg, dat het kraakte; de dakpannen vielen naar beneden,
+maar de weerhaan zat vast; hij draaide niet eens in de rondte, hij
+kon niet in de rondte draaien, en toch was hij nog jong, pas gegoten,
+maar stil en bedaard; hij was oud geboren, begreep volstrekt niets van
+de vogels, die in de lucht vlogen, de musschen, de zwaluwen,--neen,
+die verachtte hij; dat waren piepvogels van geringe grootte, gewone
+piepvogels! De duiven, vond hij, waren groot en blank, en schitterend
+als paarlemoer, zij zagen er uit als een soort van weerhanen; maar zij
+waren dik en dom; al haar denken en streven was er slechts op gericht,
+haar buik te vullen; ook waren zij vervelend in den omgang.
+
+Ook de trekvogels hadden den weerhaan een bezoek gebracht en
+hem verteld van vreemde landen, van luchtkaravanen en ijselijke
+rooversgeschiedenissen met de roofvogels; dat was nieuw en interessant,
+namelijk de eerste maal; maar later, dat wist de weerhaan,
+herhaalden zij het, vertelden steeds dezelfde geschiedenissen,
+en dat is vervelend! Zij waren vervelend, en alles was vervelend,
+met niemand kon men omgang hebben, allen waren laf en bekrompen.
+
+«De wereld deugt niets!» zei hij. «Alles is maar dwaasheid!»
+
+De weerhaan was opgeblazen, en deze eigenschap zou hem zeker bij de
+augurk interessant gemaakt hebben, als zij het geweten had; maar zij
+had slechts oogen voor den anderen haan, en die was nu op de plaats
+bij haar.
+
+De wind had de plank omgeblazen; maar de storm was voorbij.
+
+«Wat zegt ge wel van dat gekraai?» vroeg de haan aan de kippen en de
+kuikentjes. «Het was een weinig ruw, de elegantie ontbrak er aan.»
+
+En kippen en kuikentjes betraden den mesthoop, en de haan betrad dien
+ook met een deftigen stap.
+
+«Tuingewas!» zeide hij tegen de augurk, en uit dit eene woord werd
+haar zijn hooge beschaving duidelijk, en zij vergaf het, dat hij in
+haar pikte en haar opat.
+
+«Een zalige dood!»
+
+De kippen en de kuikentjes kwamen, en als de een gaat loopen, dan
+doet de ander het ook; zij klokten en piepten, en zij zagen den haan
+aan en waren er trotsch op, dat hij van hun soort was.
+
+«Kukelekuku!» kraaide hij, «de kuikentjes worden terstond tot groote
+kippen, als ik het uitkraai in den kippenren der wereld!»
+
+En kippen en kuikentjes klokten en piepten, en de haan verkondigde
+een groot nieuws.
+
+«Een haan kan een ei leggen! En weet je, wat er in het ei zit?--In het
+ei zit een basilisk. Den aanblik van zulk een beest vermag niemand uit
+te houden; dat weten de menschen, en nu weet je het ook; nu weet je,
+dat ik een ferme kerel ben!»
+
+Daarop sloeg de haan met zijn vleugels, deed zijn hanekam opzwellen en
+kraaide weer; en allen huiverden, de kippen en de kleine kuikentjes;
+maar zij waren er wat trotsch op, dat een hunner zulk een ferme kerel
+was; zij klokten en piepten, zoodat de weerhaan het wel moest hooren;
+hij hoorde het dan ook, maar verroerde zich daarbij niet.
+
+«Alles is maar dwaasheid!» zei de weerhaan bij zich zelf. «De haan
+legt geen eieren, en ik ben er te lui toe; als ik wilde, dan kon ik
+wel een windei leggen, maar de wereld is geen windei waard. Alles is
+maar dwaasheid!--Nu mag ik hier niet eens lang meer zitten.»
+
+Dit zeggende, brak de weerhaan af, maar hij sloeg den anderen haan
+niet dood, ofschoon hij er plan op had, zooals de kippen zeiden. En
+wat zegt de moraal? «Het is altijd nog beter te kraaien, dan opgeblazen
+te zijn en af te breken.»
+
+
+
+
+ER BESTAAT EEN ONDERSCHEID.
+
+
+Het was in de Meimaand, de wind blies nog koud; maar «de lente is er,»
+zeiden boomen en planten, bosch en beemd; het wemelde van bloemen,
+tot zelfs in de boomgaarden, en daar bepleitte de lente zelve haar
+zaak; zij predikte van een kleinen appelboom: daaraan zat een enkele
+tak, frisch en bloeiend, met fijne, rozeroode knoppen als bezaaid,
+die op het punt waren zich te ontsluiten; hij wist zeer goed, hoe
+schoon dit was, want het zit in het blad zoowel als in het bloed;
+daarom verwonderde het hem ook niet, toen er een deftig rijtuig voor
+hem stilhield en de jonge gravin zei, dat een appeltak het prachtigste
+was, wat men zien kon; het was de lente zelve in haar heerlijkste
+openbaring. De tak werd afgebroken, zij nam dien in haar fijne hand
+en beschaduwde hem met haar zijden parasol,--toen reden zij naar het
+kasteel, waarin zich hooge zalen en prachtige kamers bevonden; heldere,
+witte gordijnen hingen er voor de ramen, en heerlijke bloemen stonden
+er in schitterende, doorzichtige vazen, en in een daarvan, die als
+uit versch gevallen sneeuw gesneden was, werd de appeltak tusschen
+frissche, lichte beuketakken gestoken; het was een lust om hem te zien.
+
+Nu werd de tak trotsch, en dat is immers menschelijk!
+
+Er kwamen menschen van verschillende soort in de kamer, en al naardat
+zij iets golden, durfden zij hun bewondering te kennen geven. Eenigen
+zeiden niets, anderen weer te veel, en de appeltak begreep, dat er een
+onderscheid tusschen verschillende planten en gewassen bestaat. «Enkele
+zijn voor den pronk en andere om te voeden; er zijn er ook zulke,
+die men geheel zou kunnen missen,» dacht de appeltak, en daar hij vlak
+voor het open raam stond, waaruit hij in den tuin en op het land kon
+zien, had hij bloemen en planten genoeg om te bekijken en daarover
+na te denken; daar stonden rijke en arme, eenige zelfs te armoedige.
+
+«Arme, verstooten planten!» zei de appeltak; «er bestaat toch een
+onderscheid! Hoe ongelukkig moeten zij zich gevoelen, als zij ten
+minste zoo gevoelen als ik en mijns gelijken. Wel bestaat er een
+onderscheid; maar dat moet er ook wezen; want anders waren zij immers
+allemaal gelijk!»
+
+En de appeltak zag met een zeker medelijden inzonderheid op een
+soort van bloemen neer, die in menigte op de velden en aan de
+slooten stonden. Niemand maakte er een ruiker van; zij waren veel te
+alledaagsch, ja, men kon ze zelfs tusschen de straatsteenen vinden. Zij
+schoten als het ergste onkruid te voorschijn en droegen den leelijken
+naam: paardenbloemen.
+
+«Arme, verachte plant!» zei de appeltak, «je kunt er niets tegen doen,
+dat je dien leelijken naam, dien je draagt, gekregen hebt. Maar met
+de planten is het evenals met de menschen: er moet onderscheid wezen!»
+
+«Onderscheid!» zei de zonnestraal en kuste den bloeienden appeltak,
+maar kuste ook de gele paardenbloemen buiten op het land; alle broeders
+van den zonnestraal kusten ze de arme bloemen zoowel als de rijke.
+
+De appeltak had nooit over Gods oneindige liefde jegens alles,
+wat er leeft en zich beweegt, nagedacht, hoe veel schoons en goeds
+er verborgen, maar niet vergeten kan liggen,--doch ook dat was
+menschelijk!
+
+De zonnestraal, de straal des lichts wist het beter: «Je ziet niet
+ver, je ziet niet duidelijk!--Wat is de verachte plant, die je vooral
+beklaagt?»
+
+«De paardenbloem!» zei de appeltak. «Nooit wordt daarvan een ruiker
+gemaakt, zij wordt met voeten getreden; er zijn er te veel van, en als
+zij in het zaad schieten, dan vliegen zij als klein gesneden wol over
+den weg en hechten zich aan de kleeren der menschen. Onkruid is het,
+maar ook dat moet er zijn.--Ik ben er werkelijk zeer dankbaar voor,
+dat ik niet een van die bloemen geworden ben!
+
+En over het land huppelde een troep kinderen. Het jongste daarvan was
+nog zoo klein, dat het door een der oudere gedragen moest worden. Toen
+het tusschen de gele bloemen in het gras neergezet werd, lachte
+het luid van vreugde, trappelde met zijn voetjes, wentelde zich
+in de rondte, plukte slechts de gele bloempjes en kuste ze met een
+bekoorlijke onschuld. De grootere kinderen braken de bloemen van de
+lange stelen af, bogen deze rond en schakelden ze aan elkaar vast,
+zoodat daarvan een ketting ontstond; eerst een voor den hals, toen
+een, om dien over de schouders en om het lijf te hangen, en toen nog
+een, om dien op de borst en op het hoofd vast te maken; dat was een
+pracht van groene schakels en kettingen! Maar de grootste kinderen
+grepen de uitgebloeide bloem voorzichtig bij den steel vast, waarop
+de gevederde zaadkroon stond: deze losse, luchtige wollen bloem,
+die een echt kunststuk is, hielden zij voor den mond, om haar in eens
+geheel uit te blazen, en wie dat kon, kreeg, zooals grootmoeder zei,
+nieuwe kleeren voordat het jaar ten einde was.
+
+De verachte bloem was bij deze gelegenheid een profetes.
+
+«Zie je wel?» zei de zonnestraal. «Zie je haar schoonheid, zie je
+haar macht?»
+
+«Ja, voor kinderen!» antwoordde de appeltak.
+
+En een oude vrouw kwam op het land en groef met haar stomp, bot mes
+rondom de wortels der plant en haalde deze uit den grond; van eenige
+van die wortels wilde zij koffie zetten, de andere wilde zij aan den
+apotheker verkoopen.
+
+«Schoonheid is toch iets hoogers!» zei de appeltak. «Slechts de
+uitverkorenen komen in het rijk van het schoone! Er bestaat een
+onderscheid tusschen de verschillende planten, evenals er een
+onderscheid tusschen de verschillende menschen bestaat!»
+
+De zonnestraal sprak van Gods oneindige liefde, die zich in het
+geschapene openbaart, en van alles, wat leven heeft, en van de gelijke
+verdeeling van alle dingen in tijd en eeuwigheid.
+
+«Ja, dat is nu uw meening!» zei de appeltak.
+
+Er kwamen menschen in de kamer, en de jonge schoone gravin kwam ook;
+zij, die den appeltak in de doorzichtige vaas neergezet had, waar het
+zonlicht scheen; zij bracht een bloem, of wat het anders wezen mocht,
+mee, het voorwerp werd door drie of vier groote bladeren verborgen
+gehouden, die als een zakje daaromheen zaten, opdat geen tocht of
+windvlaag daaraan schade zou toebrengen, en het werd zoo voorzichtig
+gedragen, als dit met een appeltak nooit gebeurd was. Voorzichtig
+werden nu de groote bladeren verwijderd, en men zag de fijne, gevederde
+zaadkroon van de gele, verachte paardenbloem. Deze was het, die zij
+zoo voorzichtig afgeplukt had, zoo zorgvuldig droeg, opdat niet een
+van de vele fijne vezeltjes, waaruit zij bestaat en die los zitten,
+zou wegwaaien. Ongedeerd droeg zij deze en bewonderde haar schoonen
+vorm, haar eigenaardig samenstel, haar schoonheid, die zoo in den
+wind zou verwaaien.
+
+«Zie eens, hoe verwonderlijk liefelijk God haar gemaakt heeft!»
+zeide zij. «Ik wil haar met den appeltak tegelijk uitschilderen;
+dezen vinden allen zoo onbeschrijfelijk schoon, maar ook deze arme
+bloem heeft op een andere wijze even veel van den goeden God gekregen;
+hoe verschillend zij ook wezen mogen, toch zijn zij beiden kinderen
+in het rijk der schoonheid!»
+
+De zonnestraal kuste de verachte bloem en den bloeienden appeltak,
+welks bladeren daarbij schenen te blozen.
+
+
+
+
+HET IS STELLIG WAAR!
+
+
+«Dat is een ontzettende geschiedenis!» zei een kip, en zij zeide het
+in een stadswijk, waar de geschiedenis niet voorgevallen was. «Dat
+is een ontzettende geschiedenis in het kippenhok! Ik kan van nacht
+niet alleen slapen! Het is goed, dat er velen van ons op den stok
+bij elkaar zitten!»--En nu vertelde zij zoo iets verschrikkelijks,
+dat de andere kippen de veeren te berge rezen en de haan zijn kam
+liet hangen. Het is stellig waar!
+
+Maar wij willen met het begin beginnen, en dit is in een kippenhok in
+een andere stadswijk te zoeken. De zon ging onder, en de kippen vlogen
+op haar stok; een kip met witte veeren en met korte pooten legde haar
+eieren zeer geregeld en was in alle opzichten een achtenswaardige kip;
+terwijl zij op den stok vloog, plukte zij zich met den snavel en viel
+er haar een veertje uit.
+
+«Daar vliegt het weg!» zeide zij, «hoe meer ik mij pluk, des te
+mooier word ik!» Zij zeide dit op vroolijken toon; want zij was de
+vroolijkste van al de kippen; overigens was zij, zooals gezegd is,
+zeer achtenswaardig, en nu viel zij in slaap.
+
+Donker was het in het rond; de eene kip zat naast de andere, maar
+die, welke het dichtst bij de vroolijke zat, sliep niet; zij hoorde
+en hoorde ook niet, zooals men immers in deze wereld moet doen, om
+rustig en kalm te leven; maar aan haar andere buurvrouw moest zij
+het toch eens vertellen: «Heb je wel gehoord, wat er hier gezegd
+is? Ik wil geen namen noemen, maar er is hier een kip, die zich de
+veeren wil uitplukken, om er goed uit te zien! Als ik een haan was,
+dan zou ik haar verachten!»
+
+Vlak tegenover de kippen zat de uil met de uilenmoeder en de
+uilenkinderen; die familie heeft scherpe ooren, zij hoorden allen ieder
+woord, dat de naburige kip sprak; en zij lieten hun oogen rollen, en
+de uilenmoeder sloeg met de vleugelen en zeide: «Slaat er maar geen
+acht op! Maar je hebt toch wel gehoord, wat daar gezegd werd? Ik heb
+het met mijn eigen ooren gehoord, en men moet veel hooren, voordat zij
+iemand afvallen! Daar is er een onder de kippen, die zoozeer vergeten
+heeft, wat voor een kip passend is, dat zij al haar veeren uitplukt
+en het den haan laat zien!»
+
+«_Prenez garde aux enfants!_» zei de uilenvader, «dat is niet geschikt
+voor kinderooren!»
+
+«Ik zal het toch eens aan den naburigen uil vertellen; dat is een
+uil, die zeer achtbaar in den omgang is!» antwoordde de uilenmoeder,
+en daarop vloog zij weg.
+
+«Hu, hu, uhu!» krasten zij beiden in de duiventil van den buurman,
+zoodat de duiven het hoorden. «Heb je het gehoord? Heb je het
+gehoord? Uhu: Er is een kip, die zich ter wille van den haan al de
+veeren uitgeplukt heeft, zij zal wel doodvriezen, als zij al niet
+doodgevroren is. Uhu!»
+
+«Waar? waar?» kirden de duiven.
+
+«Op de plaats van den buurman! Ik heb het zoo goed als zelf gezien. Het
+is bijna ongepast, de geschiedenis te vertellen. Het is stellig waar!»
+
+«Gelooft, gelooft ieder woord!» zeiden de duiven en zij kirden de
+kippen toe: «Er is een kip, ja, eenigen zeggen, dat er twee zijn,
+die zich alle veeren uitgeplukt hebben, om er niet even als de anderen
+uit te zien, en om de opmerkzaamheid van den haan te trekken. Dat is
+een gewaagd spel; men kan dan kou vatten en aan de koorts sterven,
+en zij zijn beiden gestorven!»
+
+«Wordt wakker, wordt wakker!» kraaide de haan en vloog op de plank;
+de slaap zat hem nog in de oogen, maar hij kraaide toch: «Drie kippen
+zijn door een ongelukkige liefde voor een haan gestorven! Zij hadden
+al haar veeren uitgeplukt! Dat is een verschrikkelijke geschiedenis; ik
+wil haar niet voor mij zelf houden; zij mag gerust verspreid worden!»
+
+«Laat zij bekend worden!» zeiden de vleermuizen, en de kippen kakelden
+en de hanen kraaiden: «Laat zij bekend worden! Laat zij bekend worden!»
+En zoo ging de geschiedenis van kippenhok tot kippenhok, en kwam
+eindelijk op de plaats terug, vanwaar zij eigenlijk uitgegaan was.
+
+«Vijf kippen,» heette het, «hebben zich alle veeren uitgeplukt, om
+te toonen, wie van haar van liefde voor den haan het magerst geworden
+is,--en toen vochten zij duchtig met elkaar en vielen dood neer, tot
+spot en schande voor haar familie, tot groot verlies van den bezitter!»
+
+De kip, die het losse veertje verloren had, herkende haar
+eigen geschiedenis daarin natuurlijk niet meer, en daar zij een
+fatsoenlijke kip was, zeide zij: «Ik veracht die kippen; maar er zijn
+er verscheidene van dien aard! Zoo iets moet men niet verzwijgen,
+en ik zal er het mijne toe bijdragen, dat de geschiedenis in de krant
+komt, dan worden zij door het geheele land bekend, en dat hebben de
+kippen wel verdiend en haar familie ook.»
+
+Het kwam in de krant, het werd gedrukt, en het is stellig waar;
+een klein veertje kan wel tot vijf kippen aangroeien!
+
+
+
+
+DE ELFENHEUVEL.
+
+
+Eenige groote hagedissen liepen vlug in de spleten van een ouden
+boom rond; zij konden elkaar goed verstaan, want ze spraken de
+hagedissentaal.
+
+«Wat is er een rumoer en een gebrom in den ouden elfenheuvel!» zei
+een der hagedissen. «Ik heb van het leven al in twee nachten geen oog
+dicht kunnen doen: ik kon even goed kiespijn hebben, want dan slaap
+ik ook niet.»
+
+«Daar binnen is iets aan 't handje!» zei een andere hagedis. «Zij
+laten den heuvel, totdat 's morgens de haan kraait, op vier roode
+palen staan; hij wordt goed gelucht; en de elfenmeisjes hebben nieuwe
+dansen geleerd. Daar is iets aan 't handje!»
+
+«Ja, ik heb er met een regenworm van mijn kennis over gesproken,» zei
+een derde hagedis; «de regenworm kwam regelrecht uit den heuvel, waar
+hij dag en nacht in de aarde gewoeld had; die had veel en velerlei
+gehoord; zien kan hij wel is waar niet, dat ellendige dier, maar
+voelen en luisteren kan hij goed. Zij verwachten vreemdelingen in den
+elfenheuvel, deftige vreemdelingen; maar wie, dat wilde de regenworm
+niet zeggen, of hij wist het niet. Al de dwaallichten zijn besteld,
+om een fakkeltocht te houden, zooals men het noemt; het zilver en
+goud, waarvan genoeg in den heuvel voorhanden is, wordt opgepoetst
+en in den maneschijn tentoongesteld.»
+
+«Wie zouden die vreemdelingen wel zijn?» vroegen al de hagedissen. «Wat
+zou er toch aan 't handje zijn? Hoor eens, hoe het gonst! Hoor eens,
+hoe het bromt!»
+
+Op hetzelfde oogenblik ging de elfenheuvel open, en nu kwam er een oude
+elf uittrippelen; het was de huishoudster van den ouden elfenkoning;
+zij was een verre bloedverwante van de familie en droeg een hart
+van barnsteen voor het voorhoofd. Haar beenen bewogen zich zoo vlug:
+trip, trip! Sakkerloot! Wat kon zij trippelen! Zij ging regelrecht
+naar het moeras naar den nachtuil toe. [16]
+
+«Ge wordt op den elfenheuvel uitgenoodigd, en wel tegen van avond,»
+zeide zij, «maar wilt ge ons eerst niet een dienst bewijzen en het
+doen van uitnoodigingen op u nemen? Gij moet ook iets doen, daar
+gij zelf geen gasten ontvangt. Wij krijgen eenige deftige vrienden,
+toovenaars, die iets te beteekenen hebben, en daarom wil de elfenkoning
+zich vertoonen!»
+
+«Wie moeten er uitgenoodigd worden?» vroeg de nachtuil.
+
+«Op het groote bal kan iedereen komen, zelfs menschen, wanneer zij
+slechts in den slaap spreken of iets dergelijks kunnen doen, wat in
+onzen geest valt. Maar bij het eerste feest moet er een strenge keuze
+gedaan worden; wij willen alleen de allervoornaamsten hebben. Ik heb
+er met den elfenkoning woorden over gehad; want ik dacht, dat wij niet
+eens spoken konden toelaten. De zeegeest en zijn dochters moeten het
+eerst uitgenoodigd worden. Zij zullen het wel niet plezierig vinden,
+op het droge te komen; maar zij zullen wel een natten steen om op
+te zitten of nog iets beters krijgen, en dan, denk ik, zullen zij
+voor dezen keer wel niet bedanken. Al de oude demonen van de eerste
+klasse met staarten, den alruin en de kobolden moeten wij hebben,
+en dan kunnen wij, dunkt mij, het grafzwijn, het doodenpaard, [17]
+en den kerkdwerg ook niet weglaten; zij behooren wel is waar tot de
+geestelijkheid, die niet tot de onzen gerekend wordt; maar dat is
+slechts hun ambt; zij zijn toch nauw aan ons verwant en leggen druk
+bezoeken bij ons af.»
+
+«Goed!» zei de nachtuil en vloog weg, om de uitnoodigingen te doen.
+
+De elfen dansten reeds op den elfenheuvel, en zij dansten met
+sjaals, die uit nevel en maneschijn geweven waren, en dat staat
+heel mooi voor hen, die daarvan houden. Midden in den elfenheuvel
+was de groote zaal prachtig opgesierd; de vloer was met maneschijn
+geschrobd en de muren waren met heksenvet afgewreven, zoodat zij
+als tulpebladeren in het licht fonkelden. In de keuken waren volop
+kikvorschen aan het braadspit, slakkehuiden met kindervingers er in,
+sla van paddestoelen, vochtige muizesnoeten en dolle kervel, bier van
+het brouwsel der moerasvrouw, fonkelende salpeterwijn uit grafkelders,
+alles overheerlijk; verroeste spijkers en kerkramenglas behoorden
+tot de lekkernijen.
+
+De oude elfenkoning liet zijn gouden kroon met het afschraapsel van
+tufsteen oppoetsen; het was best tufsteenschraapsel, en het is voor
+den elfenkoning zeer moeilijk, tufsteenschraapsel te verkrijgen. In
+de slaapkamer werden de gordijnen opgehangen en met slakkenslijm
+vastgemaakt. Ja, er heerschte een geducht gegons en gebrom.
+
+«Nu moet er hier met paardenharen en zwijnenborstels gerookt worden,
+dan geloof ik het mijne gedaan te hebben,» zei de huishoudster.
+
+«Vaderlief!» zei de jongste der dochters; «mag ik nu ook weten,
+wie de deftige vreemdelingen zijn?»
+
+«Nu ja,» zei hij, «nu moet ik het wel zeggen. Twee van mijn dochters
+moeten zich op het huwelijk voorbereid houden; twee zullen er zeker
+trouwen. De oude kobold uit Noorwegen, die in het oude Dovre-gebergte
+woont en vele klippenkasteelen van veldsteenen en een gouden sieraad
+bezit, dat beter is dan men wel denkt, komt met zijn beide zonen,
+die een vrouw moeten uitzoeken, hier naar toe. De oude kobold is een
+echte, oude, eerlijke Noorweegsche grijsaard, vroolijk en eenvoudig;
+ik ken hem uit vroegere dagen, toen wij broederschap met elkander
+dronken; hij was hier om zijn vrouw af te halen; nu is zij dood; zij
+was een dochter van den koning der krijtrotsen van Möen. Hij nam zijn
+vrouw op krijt, zooals men pleegt te zeggen. O, wat verlang ik naar
+den Noorweegschen ouden kobold! Zijn zonen moeten, naar men zegt, nog
+al ondeugende, neuswijze jongens zijn; maar men kan hun wel ongelijk
+aandoen, en zij zullen wel beter worden, als zij wat ouder zijn. Ik
+hoop, dat je hen beleefd zult behandelen!»
+
+«En wanneer komen zij?» vroeg een der dochters.
+
+«Dat hangt van weer en wind af,» zei de elfenkoning. «Zij komen met
+scheepsgelegenheid hier naar toe. Ik wilde, dat zij over Zweden zouden
+gaan; maar de oude man had daar geen ooren naar. Hij gaat niet met
+zijn tijd mee, en dat kan ik niet velen!»
+
+Daar kwamen twee dwaallichtjes aanhuppelen, het eene vlugger dan het
+andere, en daarom kwam het eene het eerst.
+
+«Zij komen, zij komen!» riepen beiden uit.
+
+«Geef mij mijn kroon en laat mij in den maneschijn staan!» zei de
+elfenkoning.
+
+Zijn dochters hieven haar sjaals in de hoogte en bogen zich tot op
+den grond.
+
+Daar stond de grijze kobold van Dovre met de kroon van geharde
+ijsklompen en gepolijste pijnappels; overigens had hij een berenpels
+en groote warme laarzen aan; zijn zonen daarentegen liepen met blooten
+hals en met broeken zonder bretels, want het waren krachtige mannen.
+
+«Is dat een heuvel?» vroeg de kleinste der jongelingen en wees naar
+den elfenheuvel. «Dat noemen wij bij ons in Noorwegen een gat.»
+
+«Wel, jongen!» zei de grijsaard. «Een gat gaat naar binnen, en een
+heuvel gaat naar boven. Heb je dan geen oogen in je hoofd?»
+
+Het eenige, wat hun verwondering hier wekte, zeiden zij, was, dat
+zij de taal konden verstaan.
+
+«Men zou haast denken,» zei de grijsaard, «dat je niet goed uitgeslapen
+waart.»
+
+En nu gingen zij den elfenheuvel in, waar het waarlijk deftige
+gezelschap zich reeds verzameld had, en wel met zulk een haast,
+dat men zou denken, dat zij samengewaaid waren. Maar voor iedereen
+was het keurig en netjes ingericht. De zeemeerminnen zaten in groote
+tobben aan tafel; zij zeiden, dat het precies was, alsof zij thuis
+waren. Allen namen de tafelwetten in acht, alleen de beide kleine
+Noorsche kobolden niet; deze legden hun beenen op de tafel; want zij
+dachten, dat alles hun goed stond.
+
+«De voeten van het tafellaken af!» zei de oude kobold, en nu
+gehoorzaamden zij wel is waar, maar toch niet terstond. De dames,
+die naast hen aan tafel zaten, kittelden zij met pijnappels, die zij
+in den zak bij zich droegen, en toen trokken zij hun laarzen uit,
+om gemakkelijker te zitten. Maar hun vader, de oude kobold van Dovre,
+was een heel ander man; hij vertelde zoo mooi van de trotsche Noorsche
+rotsen en van watervallen, die wit schuimend met een gedruisch als
+donderslagen en orgelgeluid neerstortten; hij vertelde van den zalm,
+die tegen de neervallende wateren opspringt, als de reus op de gouden
+harp speelt; hij vertelde van de heldere winternachten, wanneer de
+bellen der sleden klinken en de jongens met brandende fakkels over het
+ijs loopen, dat zoo doorzichtig is, dat zij de verschrikte visschen
+onder hun voeten zien zwemmen. Ja, hij kon zoo vertellen, dat men zag,
+wat hij beschreef; het was juist zoo, alsof er zaagmolens maalden,
+alsof er jongens en meisjes liedjes zongen en dansten. En nu gaf de
+oude kobold aan de oude elf een hartelijken kus. En toch bestonden
+zij elkaar niet.
+
+Nu moesten de elfen dansen, en dat zoowel eenvoudig als met
+stampen. Dat ging haar goed af, en toen kwam de kunstmatige dans. O,
+wat konden zij haar beenen ver uitsteken; men wist niet, waar het
+einde en waar het begin was, wist niet, wat armen en wat beenen waren;
+dat ging alles zoo wonderlijk door elkaar; en toen draaiden zij zoo
+hard in de rondte, dat het doodenpaard en het grafzwijn er misselijk
+van werden en van tafel moesten gaan.
+
+«Sakkerloot!» zei de oude kobold, «wat kunnen zij die beenen wonderlijk
+door elkaar haspelen! Maar wat kunnen zij meer dan dansen, de beenen
+uitstrekken en wervelwind maken?»
+
+«Dat zult ge spoedig te weten komen,» zei de elfenkoning. En toen
+riep hij de oudste van zijn dochters. Zij was zoo behendig en klaar
+als maneschijn; zij was de knapste van al de zusters. Zij nam een
+witten spaander in den mond, en toen was zij geheel verdwenen: dat
+was haar kunst.
+
+Maar de oude kobold zei, dat hij deze kunst bij zijn vrouw niet zou
+willen dulden, en hij geloofde ook niet, dat zijn jongens daarvan
+hielden.
+
+De andere kon zich zelf ter zijde gaan, alsof zij een schaduw had,
+en die hebben de kobolden niet.
+
+De derde was van een heel andere soort; zij had in de brouwerij
+der moerasvrouw geleerd, en zij was het, die er verstand van had,
+elzenhout met glimwormpjes te lardeeren.
+
+«Dat zou een goede vrouw zijn,» zei de oude kobold, en daarop knikte
+hij haar toe.
+
+Nu kwam de vierde; die had een groote harp om te spelen; en toen zij
+de eerste snaar aansloeg, tilden allen het linkerbeen op; want de
+kobolden zijn linksch, en toen zij de tweede snaar aansloeg, moesten
+allen doen, wat zij wilde.
+
+«Dat is een gevaarlijke vrouw!» zei de oude kobold; maar zijn beide
+zonen gingen den heuvel uit, want nu hadden zij er genoeg van.
+
+«En wat kan uw dochter, die nu volgt?» vroeg de grijze kobold.
+
+«Ik heb geleerd, Noorwegen lief te hebben,» zeide zij, «en nimmer
+zal ik trouwen, als ik niet naar Noorwegen kan gaan.»
+
+Maar de jongste der zusters fluisterde den grijsaard toe: «Dat is
+maar, omdat zij uit een Noorweegsch lied gehoord heeft, dat, als de
+wereld vergaat, de Noorsche klippen toch als gedenksteenen zullen
+blijven staan, en daarom wil zij er naar toe, want zij is erg bang
+voor den dood.»
+
+«Wel zoo!» zei de oude kobold, «was het zoo gemeend? Maar wat kan de
+zevende en laatste?»
+
+«De zesde gaat voor de zevende!» zei de elfenkoning, want hij kon
+goed rekenen; maar de zesde wilde niet recht voor den dag komen.
+
+«Ik kan de menschen slechts de waarheid zeggen,» zeide zij. «Om
+mij bekommert niemand zich, en ik heb er genoeg mee te doen, mijn
+lijkkleed te naaien.»
+
+Nu kwam de zevende en laatste, en wat kon die? Ja, die kon sprookjes
+vertellen, en wel zooveel, als zij maar wilde.
+
+«Hier zijn mijn vijf vingers,» zeide de oude kobold; «vertel mij er
+nu een van elken vinger!»
+
+En zij greep hem om zijn pols vast, en hij lachte, dat hij schudde,
+en toen zij aan den ringvinger kwam, die een gouden ring om zijn lijf
+had, alsof hij al wist, dat er een verloving zou plaats hebben, zei
+de oude kobold: «Houd vast, wat ge hebt; deze hand behoort aan u toe;
+u wil ik zelf tot vrouw hebben!»
+
+En het elfenmeisje zei, dat het sprookje van den ringvinger en van
+den pink nog ontbraken.
+
+«Die zullen wij van den winter wel hooren,» zei de oude kobold,
+«en van den denneboom zullen wij hooren en van den berk en van de
+geestengeschenken en van den vorst! Gij moet maar vertellen; want
+daar heeft niemand bij ons zoo goed den slag van!--En dan zullen wij
+in de steenen kamer, waarin pijnhout brandt, zitten en mee uit de
+gouden horens der oude Noorweegsche koningen drinken; de reus heeft
+mij een paar gegeven; en als wij daar zitten, dan komt de heks een
+bezoek afleggen; zij zingt voor u al de liedjes der herdersmeisjes in
+het gebergte. Dat zal vroolijk worden! De zalm zal tegen den waterval
+opspringen en met zijn staart tegen de steenen muren aanslaan; maar
+hij komt er toch niet in!--Ja, het is plezierig wonen in het lieve,
+oude Noorwegen! Maar waar zijn de jongens?»
+
+Ja, waar waren die? Zij liepen op het veld rond en bliezen de
+dwaallichtjes uit, die zoo goedhartig geweest waren om den fakkeltocht
+te brengen.
+
+«Waarom loop je toch zoo rond te dwalen?» vroeg de oude kobold. «Ik heb
+mij een moeder voor je genomen, nu kun jelui een van de tantes nemen.»
+
+Maar de jongens zeiden, dat zij het liefst een redevoering wilden
+houden en op de verbroedering drinken; in trouwen hadden zij geen
+lust.--En nu hielden zij redevoeringen, dronken op hun verbroedering en
+deden de nagelproef, om te bewijzen, dat zij hun glazen leeggedronken
+hadden. Later trokken zij hun jassen uit en legden zich op de tafel
+neer, om te slapen, want zij maakten geen omslag. Maar de oude kobold
+danste met zijn jonge bruid de kamer rond en wisselde laarzen met haar;
+want dat staat deftiger, dan ringen te wisselen.
+
+«Nu kraait de haan!» zei de oude elf, die het huishouden waarnam. «Nu
+moeten wij de luiken sluiten, opdat de zon ons niet verbrande!»
+
+En nu sloot de heuvel zich.
+
+Maar buiten liepen de hagedissen in den gebarsten boom op en neer,
+en de eene zei tegen de andere:
+
+«O! wat is die Noorweegsche oude kobold mij uitmuntend bevallen!»
+
+«Mij bevallen de jongens beter!» zei de regenworm. Maar hij kon immers
+niet zien, het ellendige dier!
+
+
+
+
+DE ENGEL.
+
+
+«Zoo dikwijls een goed kind sterft, daalt er een engel uit den hemel
+op de aarde neer, neemt het doode kind in zijn armen, spreidt zijn
+groote, witte vleugelen uit, vliegt over alle plaatsen, die het kind
+heeft liefgehad, en plukt een handvol bloemen, waarmee hij naar God
+opstijgt, opdat zij daar nog schooner dan op aarde mogen bloeien. De
+goede God drukt al de bloemen aan Zijn hart, maar de bloem, welke
+Hem het liefst is, geeft Hij een kus, en dan krijgt zij een stem en
+kan in het groote hemelkoor meezingen!»
+
+Dat alles vertelde een engel Gods, terwijl hij een dood kind naar den
+hemel droeg, en het kind hoorde hem aan, als ware het in den droom;
+en zij vlogen voort over die plekjes, waar de kleine gespeeld had,
+en kwamen door tuinen met heerlijke bloemen.
+
+«Welke bloem zullen wij nu meenemen en in den hemel planten?» vroeg
+de engel.
+
+Daar stond een slank, prachtig rozeboompje, maar een moedwillige hand
+had den stam geknakt, zoodat al de takken vol half ontplooide knopjes
+er verdord aan hingen.
+
+«Dat arme rozeboompje!» zei het kind. «Neem het mede, opdat het
+daarboven bij God moge bloeien!»
+
+En de engel nam het, kuste het kind daarvoor, en de kleine deed zijn
+oogen half open. Zij plukten van de prachtigste bloemen, maar namen
+ook het verachte boterbloempje en het wilde vergeet-mij-nietje mee.
+
+«Nu hebben wij bloemen!» zei het kind, en de engel knikte; maar
+hij vloog nog niet naar God op. Het was nacht, het was doodstil;
+zij bleven in de groote stad en zweefden in een der nauwe straten
+rond, waar hoopen stroo, asch en vuilnis lagen; het was verhuisdag
+geweest. Daar lagen scherven van borden, stukken gips, lompen, oude
+hoeden en alles, wat als nutteloos weggeworpen was.
+
+De engel wees te midden van deze verwarring naar eenige scherven van
+een bloempot en naar een klomp aarde, die er uitgevallen was en door
+de wortels van eene groote, verdorde veldbloem, die niets waard was
+en die men daarom op straat geworpen had, bij elkaar gehouden werd.
+
+«Die zullen wij nog meenemen!» zei de engel. «Ik zal je vertellen
+waarom, terwijl wij verder vliegen!»
+
+Zij vlogen voort, en de engel vertelde nu:
+
+«Daar in die nauwe straat, in dien lagen kelder woonde eens een arme
+knaap; van zijn kindsheid af was hij altijd bedlegerig geweest; als hij
+het gezondst was, kon hij het kleine vertrek een paar malen op krukken
+rondloopen: dat was alles. Op enkele dagen in den zomer drongen de
+zonnestralen gedurende een half uur tot in den kelder door; en als dan
+de arme knaap daar zat en zich in de zon koesterde en het roode bloed
+door zijn dunne vingers zag, wanneer hij deze voor de oogen hield, dan
+heette het, dat hij dien dag uit geweest was. Hij kende het bosch met
+zijn heerlijk lentegroen slechts daardoor, dat het zoontje van zijn
+buurman hem den eersten beuketak bracht; dien hield hij boven zijn
+hoofd en droomde dan, dat hij onder beuken zat, waar de zon scheen
+en de vogels zongen. Op zekeren lentedag bracht het zoontje van zijn
+buurman hem ook eenige veldbloemen; onder deze bevond zich toevallig
+een met den wortel er aan, en daarom werd zij in een bloempot geplant
+en dicht bij het bed voor het raam geplaatst. De bloem was door een
+gelukkige hand geplant: zij groeide, kreeg nieuwe scheuten en droeg
+ieder jaar bloemen. Zij werd de heerlijkste bloemtuin voor den zieken
+knaap, zijn kleine schat hier op aarde; hij begoot en verpleegde haar,
+en zorgde er voor, dat zij iederen zonnestraal tot den laatsten, die
+door het kleine raampje scheen, kreeg; en de bloem zelf groeide in
+zijn droom; want voor hem bloeide en geurde zij; tot haar wendde hij
+zich in den dood, toen de Heer hem riep.--Een jaar is hij nu bij God
+geweest; een jaar heeft de bloem vergeten voor het raam gestaan en
+is verdord; zij werd daarom bij het verhuizen op den vuilnishoop op
+de straat geworpen. En dit is de bloem, de arme, verdorde bloem, die
+wij in onzen bloemruiker opgenomen hebben, want deze bloem heeft meer
+vreugde verschaft dan de prachtigste bloem in den tuin eener koningin!»
+
+«Maar hoe weet ge dit alles?» vroeg het kind, dat door den engel naar
+den hemel gedragen werd.
+
+«Ik weet het,» zei de engel. «Want ik was zelf die kleine, zieke knaap,
+die op krukken liep! Mijn bloem ken ik wel!»
+
+Het kind deed zijn oogen wijd open en keek den engel in het schoone,
+vroolijke gelaat; en op hetzelfde oogenblik bevonden zij zich in Gods
+hemel, waar vreugde en zaligheid heerschten. En God drukte het doode
+kind aan Zijn hart, en nu kreeg het vleugels, evenals de andere engel,
+en vloog aan zijn hand mee. En God drukte al de bloemen aan Zijn hart;
+maar de arme, verwelkte veldbloem kuste Hij; en zij kreeg een stem en
+zong met al de engelen, die Gods troon omzweefden, enkelen dichtbij,
+anderen om hen heen in groote kringen, gedurig verder en verder,
+in het oneindige, maar allen even gelukkig. En allen zongen zij,
+kleinen en grooten, het goede, gezegende kind en de arme veldbloem,
+die daar verwelkt gelegen had, weggeworpen in het vuilnis, onder het
+ontuig van den verhuisdag, in de nauwe donkere straat.
+
+
+
+
+DE NIEUWE KLEEREN VAN DEN KEIZER.
+
+
+Daar was eens--'t is al vele jaren geleden--een keizer, die zoo
+ontzaglijk veel van nieuwe kleeren hield, dat hij al zijn geld uitgaf
+om mooi gekleed te gaan. Hij bekommerde zich niet om zijn soldaten,
+hij bekommerde zich niet om den schouwburg, en hield er slechts van,
+uit rijden te gaan, om zijn nieuwe kleeren te laten zien. Hij had
+voor ieder uur van den dag een afzonderlijken rok, en, evenals men
+van een koning zegt, dat hij in den raad is, zoo zei men hier altijd:
+«De keizer is in zijn kleedkamer!»
+
+In de groote stad, waar hij woonde, ging het zeer vroolijk toe: iederen
+dag vertoonden zich daar vele vreemdelingen. Op zekeren dag kwamen
+er ook twee bedriegers; dezen gaven zich voor wevers uit en zeiden,
+dat zij de mooiste stoffen, die men zich maar kon voorstellen, konden
+weven. De kleuren en het fatsoen waren niet alleen allerprachtigst,
+maar de kleeren, welke van die stoffen vervaardigd werden, bezaten
+de verwonderlijke eigenschap dat zij voor iedereen, die niet voor
+zijn ambt deugde of die oliedom was, onzichtbaar waren.
+
+«Dat zullen wel prachtige kleeren zijn,» dacht de keizer; «als ik deze
+had, dan zou ik er achter kunnen komen, welke mannen in mijn rijk voor
+het ambt, dat zij bekleeden, niet deugen; dan zou ik de verstandigen
+van de dommen kunnen onderscheiden. Ja, zulke kleeren moeten er
+terstond voor mij geweven worden!» En hij gaf aan de beide bedriegers
+veel geld vooruit, opdat zij een begin met hun arbeid konden maken.
+
+Zij stelden nu twee weefgetouwen op en deden alsof zij werkten, maar
+zij hadden volstrekt niets op deze weefgetouwen. Toch verlangden zij
+de fijnste zijde en het prachtigste goud: dit staken zij in hun eigen
+zakken en werkten tot laat in den nacht aan de leege weefgetouwen.
+
+«Ik zou toch wel eens willen weten, hoe ver zij al met de kleeren
+zijn!» dacht de keizer. Maar het was hem werkelijk bang te moede,
+als hij er aan dacht, dat diegene, die dom was of niet voor zijn
+ambt deugde, ze niet zou kunnen zien. Nu geloofde hij wel is waar,
+dat hij voor zich zelf niets te vreezen had; doch hij wilde toch
+eerst maar een ander zenden, om eens te zien, hoe het er mee gesteld
+was. Alle menschen in de geheele stad wisten, welk een bijzondere
+kracht die kleeren bezaten, en allen waren verlangend om te zien,
+hoe slecht of hoe dom hun buurman was.
+
+«Ik zal mijn ouden, eerlijken minister naar de wevers toe zenden!»
+dacht de keizer. «Hij kan het best beoordeelen, hoe de kleeren er
+uitzien; want hij bezit verstand, en niemand is beter voor zijn ambt
+geschikt dan hij!»
+
+Nu trad de goede, oude minister de zaal binnen, waarin de beide
+bedriegers zaten en aan de leege weefgetouwen arbeidden.
+
+«De Hemel beware mij!» dacht de oude minister en spalkte zijn oogen
+wijd open; «ik kan er niets van zien!» Maar dat zei hij niet.
+
+De beide bedriegers verzochten hem naderbij te komen, en vroegen,
+of het geen prachtige stof en geen fraaie kleuren waren. Daarop wezen
+zij naar het leege weefgetouw, en de arme, oude minister spalkte zijn
+oogen nog wijder op; maar hij kon niets zien, want er was ook niets
+te zien. «Lieve hemel!» dacht hij, «zou ik nu zoo dom zijn? Dat had
+ik nooit gedacht, en dat mag niemand weten! Zou ik niet voor mijn ambt
+deugen? Neen, het gaat niet aan, te vertellen, dat ik de kleeren niet
+heb kunnen zien!»
+
+«Welnu, ge zegt er niets van,» zei een der wevers.
+
+«O, 't is prachtig, 't is allerkeurigst!» antwoordde de oude minister
+en keek door zijn bril. «Welk een fijne stof! Welke levendige
+kleuren!--Ja, ik zal tegen den keizer zeggen, dat het mij best bevalt.»
+
+«Nu, dat doet ons genoegen,» zeiden de beide wevers, en daarop noemden
+zij de kleuren met name en gaven een verklaring van het zonderlinge
+fatsoen. De oude minister paste goed op, dat hij hetzelfde zou kunnen
+zeggen, als hij bij den keizer terugkwam, en dat deed hij ook.
+
+Nu verlangden de bedriegers meer geld, meer zijde en meer goud, dat
+zij bij het weven moesten gebruiken. Zij staken alles in hun eigen
+zakken. Op het weefgetouw kwam geen enkele draad; maar zij gingen
+voort, evenals tot hiertoe, aan het leege weefgetouw te arbeiden.
+
+De keizer zond er al spoedig daarop weer een anderen eerlijken
+staatsman naar toe, om eens te zien, hoe het met het weven ging en
+of zijn kleeren haast gereed waren. Het ging met dezen evenals met
+den eerste: hij keek al en keek al, maar omdat er behalve het leege
+weefgetouw niets was, kon hij ook niets zien.
+
+«Dom ben ik niet!» dacht de man. «Dus deug ik niet voor mijn ambt. Dat
+is gek genoeg, maar ik moet dit niet laten blijken!» en zoo roemde hij
+het kleed, dat hij niet zag, en betuigde hun zijn ingenomenheid met de
+heerlijke kleuren en het sierlijke fatsoen. «O, 't is allerkeurigst!»
+zei hij tegen den keizer.
+
+Alle menschen in de stad spraken over de prachtige kleeren.
+
+Nu wilde de keizer ze zelf zien, terwijl ze nog op het weefgetouw
+waren. Met een geheele schare van uitgelezen mannen, waaronder zich
+ook de beide eerlijke staatslieden bevonden, die er reeds vroeger
+geweest waren, ging hij naar de beide listige bedriegers toe, die
+uit al hun macht weefden, maar zonder draden.
+
+«Is dat niet prachtig?» zeiden de beide oude staatslieden, die er reeds
+eenmaal geweest waren. «Kijk eens, Uwe Majesteit! welk een keurige
+stof, welke schitterende kleuren!» En daarbij wezen zij naar het ledige
+weefgetouw, want zij dachten, dat de anderen de stof wel konden zien.
+
+«Hoe nu?» dacht de keizer, «ik zie niets hoegenaamd! Ben ik
+dan zoo dom? Deug ik dan volstrekt niet voor keizer? Dat zou
+het verschrikkelijkste zijn, wat mij kon overkomen.»--«O, het
+is allerprachtigst,» zei hij daarop overluid. «Het heeft mijn
+allerhoogsten bijval!» En hij knikte tevreden en keek naar het leege
+weefgetouw; want hij wilde niet zeggen, dat hij niets kon zien. Het
+geheele gevolg, dat hij bij zich had, keek en keek, en wist evenmin,
+wat het er aan had, als al de anderen; maar zij zeiden, evenals de
+keizer: «O, dat is prachtig!» En zij rieden hem deze nieuwe prachtige
+kleeren bij gelegenheid van den plechtigen optocht, die er zou gehouden
+worden, voor het eerst aan te trekken. «Het is heerlijk, prachtig,
+schitterend!» zoo ging het van mond tot mond; men scheen er overal
+hoog mee ingenomen te zijn, en de keizer verleende de bedriegers den
+titel van keizerlijke hofwevers.
+
+Den geheelen nacht, die vooraf ging aan den morgen, waarop de
+feestelijke optocht zou gehouden worden, waren de bedriegers op en
+hadden wel zestien lichten opgestoken. De menschen konden zien,
+dat zij druk bezig waren, de nieuwe kleeren van den keizer af te
+werken. Zij deden, alsof zij de stof van het weefgetouw afnamen,
+zij knipten met groote scharen in de lucht, zij naaiden met naalden
+zonder draden en zeiden eindelijk: «Nu zijn de kleeren klaar!»
+
+De keizer ging er met de voornaamste heeren van zijn hof zelf naar toe,
+en de beide bedriegers hieven hun eenen arm in de hoogte, alsof zij
+iets vasthielden en zeiden: «Kijk eens! Hier is de broek! Hier is de
+rok! Hier is de mantel!» En zoo voort. «Het is zoo licht als spinrag;
+men zou zeggen, dat men niets aan het lijf had; maar dat maakt er
+juist het mooie van uit!»
+
+«Prachtig!» riepen al de heeren uit; maar zij konden er niets van zien;
+want er was ook niets te zien.
+
+«Gelieft Uwe Majesteit thans uw kleeren uit te trekken,» zeiden de
+bedriegers, «dan zullen wij ze u aantrekken, hier voor den grooten
+spiegel.
+
+De keizer trok al zijn bovenkleeren uit, en de bedriegers deden, alsof
+zij hem ieder stuk der nieuwe kleeren, die gereed waren, aantrokken;
+en de keizer bekeek zich in den grooten spiegel.
+
+«O, wat staan zij goed, wat zitten zij prachtig!» zeiden allen. «Welk
+een keurig fatsoen, welke schitterende kleuren! Dat is een prachtig
+pak!»
+
+«Buiten staan ze met den troonhemel, die bij gelegenheid van den
+plechtigen optocht boven Uwe Majesteit gedragen zal worden,» meldde
+de opperceremoniemeester.
+
+«Kijk maar eens, ik ben al klaar!» zei de keizer. «Staan ze mij niet
+goed?» En daarop begaf hij zich nogmaals naar den spiegel want het
+moest den schijn hebben, alsof hij zijn sierlijke kleeding daarin
+eens goed bekeek.
+
+De kamerheeren, die den sleep moesten dragen, grepen met de handen
+naar den grond, alsof zij den sleep optilden; zij deden, alsof zij
+iets in de hoogte hielden; zij waagden het niet, te laten merken,
+dat zij niets konden zien.
+
+Zoo ging de keizer in een plechtigen optocht onder den prachtigen
+troonhemel, en alle menschen op de straat en voor de ramen zeiden: «O,
+wat zijn de kleeren van den keizer mooi! Wat staan ze hem goed! Welk
+een langen sleep heeft hij er aan!» Niemand wilde laten merken, dat
+hij niets zag, want dan zou hij immers niet voor zijn ambt gedeugd
+hebben of oliedom geweest zijn. Nooit waren de kleeren van den keizer
+zoozeer bewonderd als dezen keer.
+
+«Maar hij heeft immers niets aan!» zei eindelijk een klein kind. «Hoor
+de stem der onschuld nu eens aan!» zei zijn vader; en de een fluisterde
+den ander toe, wat het kind gezegd had.
+
+«Maar hij heeft immers niets aan!» riep eindelijk het geheele volk. Dit
+trof den keizer; want het kwam hem voor, dat men gelijk had; maar
+hij dacht bij zich zelf: «Nu moet ik mij goed blijven houden!» En de
+kamerheeren liepen nog deftiger en droegen den sleep, die er niet was.
+
+
+
+
+DE MESTKEVER.
+
+
+Het lievelingspaard van den keizer kreeg een gouden beslag, een gouden
+hoefijzer aan iederen poot.
+
+Maar waarom dat?
+
+Het was een verwonderlijk mooi beest, had fijne pooten,
+schrandere, heldere oogen en manen, die als een sluier over zijn
+hals neerhingen. Het had zijn meester door kruitdamp en kogelregen
+gedragen, had de kogels hooren zingen en fluiten, had gebeten,
+geslagen en meegestreden, toen de vijanden op hem indrongen, was met
+zijn keizer over het gevallen paard van den vijand heengesprongen,
+had de kroon van goud, het leven van zijn keizer gered,--en daarom
+kreeg het paard van den keizer gouden hoefijzers.
+
+Er kwam een mestkever aankruipen. «Eerst de grooten, dan de kleinen,»
+zeide hij; «maar in de grootte alleen zit het hem niet.» En daarbij
+strekte hij zijn dunne pooten uit.
+
+«Wat moet je hebben?» vroeg de hoefsmid.
+
+«Een gouden hoefbeslag,» antwoordde de mestkever.
+
+«Och, je bent zeker niet wijs!» riep de smid uit. «Wil je ook een
+gouden hoefbeslag hebben?»
+
+«Een gouden hoefbeslag, jawel!» zei de mestkever. «Ben ik dan
+niet even goed als dat groote dier daar, dat opgepast en geroskamd
+wordt en dat men eten en drinken voorzet? Behoor ik ook niet in den
+keizerlijken stal?»
+
+«Maar waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag?» vroeg de
+smid. «Begrijp je dat niet?»
+
+«Begrijpen?--Ik begrijp, dat het een geringschatting van mijn persoon
+is,» zei de mestkever; «het geschiedt om mij te krenken, en daarom
+ga ik ook de wijde wereld in.»
+
+«Ga je gang maar!» zei de smid.
+
+«Gemeene kerel, die je bent!» zei de mestkever, en toen ging hij den
+stal uit, vloog een klein eindje weg en bevond zich al spoedig daarop
+in een mooien bloemtuin, waar het van rozen en lavendel geurde.
+
+«Is het hier niet allerprachtigst?» vroeg een der kleine insecten,
+die met hun roode, sterke, met zwarte stipjes bezaaide vlerkjes daarin
+rondvlogen. «Wat is het hier heerlijk, wat is het hier schoon!»
+
+«Ik ben het beter gewend,» zei de mestkever. «Noem je het hier mooi. Er
+is niet eens een mesthoop?»
+
+Daarop ging hij verder onder de schaduw van een groote violier:
+daar kroop een rups.
+
+«Wat is de wereld toch schoon!» zei de rups. «De zon is zoo warm,
+alles zoo vergenoegd! En als ik eenmaal in slaap val en sterf, zooals
+zij het noemen, dan ontwaak ik als een kapel.»
+
+«Wat verbeeldt je je wel,» zei de mestkever, «als kapel rond te
+vliegen? Ik kom uit den stal van den keizer; maar niemand daar,
+zelfs niet het lievelingspaard van den keizer, dat toch mijn
+afgelegde gouden schoenen draagt, beeldt zich zoo iets in. Vleugels
+krijgen! Vliegen! Ja, maar nu vliegen wij!» En hierop vloog de
+mestkever weg. «Ik wil mij niet ergeren, maar erger mij toch!» zei
+hij onder het wegvliegen.
+
+Al spoedig daarop streek hij op een groot grasperk neer; hier lag
+hij een poos; eindelijk viel hij in slaap.
+
+Een stortregen stroomde er eensklaps uit de wolken neer. De mestkever
+ontwaakte van het rumoer en wilde zich in den grond verschuilen,
+maar dit gelukte hem niet: hij werd al om en om gekeerd; nu eens
+dreef hij op den buik, dan weer op den rug, aan vliegen viel niet te
+denken;--hij twijfelde er aan, of hij wel levend van deze plaats zou
+wegkomen. Hij lag, waar hij lag, en bleef daar ook liggen.
+
+Toen het weer een weinig tot bedaren gekomen was en de mestkever het
+water uit zijn oogen weggepinkt had, zag hij iets wits schemeren:
+het was een stuk linnen, dat op de bleek lag; hij ging er heen en
+kroop tusschen een plooi van het natte linnen. Daar lag hij wel
+is waar anders dan op den warmen mesthoop in den stal; maar iets
+beters was hier niet voorhanden, en daarom bleef hij, waar hij
+was, bleef er een geheelen dag, een geheelen nacht, en ook de regen
+bleef. Tegen den morgen kroop hij tevoorschijn; hij ergerde zich over
+de weersgesteldheid.
+
+Op het linnen zaten twee kikvorschen; hun heldere, oogen straalden
+van louter plezier. «Wat is het heerlijk weer!» zei de eene, «hoe
+verfrisschend! En het linnen houdt het water zoo mooi bij elkander;
+het krabbelt mij in de achterpooten, alsof ik moest zwemmen.»
+
+«Ik zou wel eens willen weten,» zei de andere, «of de zwaluw, die zoo
+ver rondvliegt, op haar vele reizen in het buitenland een beter klimaat
+dan het onze gevonden heeft. Zulk een nattigheid! Het is waarlijk,
+alsof men in een natte sloot lag! Wie zich daarin niet verheugt,
+heeft zijn vaderland niet lief.»
+
+«Ben je dan niet in den stal van den keizer geweest?» vroeg de
+mestkever. «Daar is de vochtigheid warm en geurig: dat is mijn klimaat;
+maar dat kan men niet op reis meenemen. Is er hier in den tuin geen
+mesthoop, waar personen van een aanzienlijken stand zooals ik zich
+te huis kunnen voelen en logeeren?»
+
+De kikvorschen begrepen hem niet of wilden hem niet begrijpen.
+
+«Ik vraag nooit tweemaal!» zei de mestkever, nadat hij reeds driemaal
+gevraagd en geen antwoord gekregen had.
+
+Daarop ging hij een eindje verder en stiet nu op een potscherf, die
+daar wel is waar niet had moeten liggen, maar zooals zij lag, gaf zij
+een goede beschutting tegen weer en wind. Hier woonden verscheidene
+familiën van oorwormen; deze hadden geen hooge eischen,--alleen
+gezelligheid. De vrouwelijke individuen zijn vol van de teederste
+moederliefde, en daarom prees ook iedere moeder haar kind als het
+schoonste en verstandigste.
+
+«Ons zoontje heeft zich verloofd!» zei een moeder. «Het is een beste
+jongen. Zijn geheele streven is daarheen gericht, eenmaal in het
+oor van een geestelijke te komen. Zijn verloving bewaart hem voor
+uitspattingen! Welk een vreugde voor een moeder!»
+
+«Onze zoon,» sprak een andere moeder, «was, zoodra hij uit het ei
+gekropen was, ook dadelijk in de weer; het is alles leven en vuur
+aan hem! Hij loopt zich de horens af! Welk een vreugde voor een
+moeder! Niet waar, mijnheer de mestkever?»
+
+«Je hebt beiden gelijk!» zei de mestkever; en nu verzocht men hem,
+de kamer binnen te treden, zoo ver hij namelijk onder de potscherf
+kon komen.
+
+«Nu zie je ook mijn klein oorwurmpje!» zeiden een derde en een vierde
+van de moeders. «Het zijn lieve kinderen en zij houden veel van een
+grapje. Zij zijn nooit ondeugend, als zij ten minste geen buikpijn
+hebben; maar op hun leeftijd krijgt men dat maar al te gemakkelijk!»
+
+Op deze wijze sprak iedere moeder over haar kindertjes, en de
+kindertjes spraken mee en gebruikten hun kleine scharen, die zij aan
+den staart hebben, om den mestkever aan den baard te trekken.
+
+«Ja, zij moeten ook altijd wat doen, die kleine schalkjes!» zeiden
+de moeders. Maar dat verveelde den mestkever; hij vroeg daarom,
+of hij nog ver van den mesthoop verwijderd was.
+
+«Die is buiten in de wijde wereld, aan gene zijde van de sloot,»
+antwoordde een oorworm; «zoo ver zal, naar ik hoop, geen mijner
+kinderen gaan; dat zou mij den dood aandoen!»
+
+«Zoo ver zal ik toch trachten te komen,» zei de mestkever en
+verwijderde zich zonder afscheid te nemen; want dat staat immers
+deftig.
+
+Bij de sloot trof hij verscheidene van zijn soort aan, allemaal
+mestkevers.
+
+«Hier wonen wij!» zeiden zij. «Wij hebben het hier heel gezellig! Mogen
+wij je ook uitnoodigen, in het vette slijk af te klimmen? De reis is
+zeker vermoeiend voor je geweest!»
+
+«Zeker!» sprak de mestkever. «Ik was aan den regen blootgesteld en heb
+op linnen moeten liggen. Ook heb ik scheuren in mijn eenen vleugel,
+omdat ik onder een potscherf in den tocht gestaan heb. Het is inderdaad
+een waar genot voor mij, weer eens onder mijns gelijken te zijn.»
+
+«Kom je misschien van den mesthoop?» vroeg de oudste.
+
+«Van heel wat deftiger plaats!» zei de mestkever. «Ik kom uit den stal
+van den keizer, waar ik met gouden schoenen aan de pooten geboren ben;
+ik ben op reis ter volbrenging van een geheimen last; doch je moet
+mij daarover maar niet uithooren, want ik verraad het toch niet.»
+
+Daarop klom de mestkever in het vette slijk af. Daar zaten drie
+jonge mestkeverinnen; zij meesmuilden, omdat zij niet wisten, wat
+zij zouden zeggen.
+
+«Geen van de drie is nog verloofd,» zei de moeder; en de jonge dames
+meesmuilden op nieuw, ditmaal uit verlegenheid.
+
+«Ik heb ze in de keizerlijke stallen niet mooier gezien,» zei de
+mestkever, terwijl hij uitrustte.
+
+«Bederf mijn dochters niet; spreek niet tegen haar, of het moest zijn,
+dat je werkelijk plan op een van haar hadt!--Maar dat heb je zeker wel,
+en ik geef er mijn zegen op!»
+
+«Hoera!» riepen al de andere mestkevers uit, en onze mestkever was
+nu verloofd. Op de verloving volgde de bruiloft dadelijk; want er
+bestond geen reden om deze uit te stellen.
+
+De volgende dag verliep zeer aangenaam, de daarop volgende ook nog
+al; maar den derden dag moest hij reeds op voedsel voor zijn vrouw,
+misschien zelfs wel voor zijn kinderen bedacht zijn.
+
+«Ik heb mij laten misleiden!» dacht de mestkever; «er blijft mij dus
+niets anders over, dan ze ook te misleiden!»
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan! Weg was hij, den heelen dag bleef hij uit,
+den heelen nacht bleef hij uit,--en zijn vrouw zat daar als een
+weduwe. «O,» zeiden de andere mestkevers, «hij, dien wij in de familie
+opgenomen hebben, is een echte landlooper: hij is weggegaan en laat
+zijn vrouw ten onzen laste achter!»
+
+«Welnu, dan moet zij maar weer voor een meisje doorgaan,» zei de
+moeder, «en als mijn kind hier blijven. Schande over den booswicht,
+die haar verlaten heeft!»
+
+De mestkever was ondertusschen gedurig verder gereisd en op een
+koolblad over de sloot gezeild. Den volgenden morgen kwamen er twee
+personen bij de sloot; toen zij hem zagen, tilden zij hem op, draaiden
+hem om en om, stelden zich beiden heel geleerd aan, inzonderheid
+een van hen,--een jongen. «Allah ziet de zwarte mestkevers in den
+zwarten steen, in de zwarte rots! Niet waar, zoo staat er in den
+Koran geschreven?» Daarop vertaalde hij den naam van den mestkever
+in het Latijn en verdiepte zich in diens geslacht en aard. De tweede
+persoon, een oudere geleerde, was er voor, hem mee naar huis te nemen;
+zij hadden daar, zei hij, even goede exemplaren noodig, en dat--zoo
+kwam het onzen mestkever voor,--was niet beleefd gesproken, en daarom
+vloog hij hem plotseling uit de hand. Daar hij nu droge vleugels had,
+vloog hij een vrij groot eind voort en bereikte den mesthoop, waarop
+hij plaats nam en zich in den verschen mest begroef.
+
+«Hier is het heerlijk!» zei hij.
+
+Al spoedig daarop viel hij in slaap, en nu droomde hij, dat het
+lievelingspaard van den keizer doodgevallen was en hem zijn gouden
+hoefijzers gegeven en de belofte gedaan had, zijn andere twee pooten
+ook te laten beslaan.
+
+Dat was zeer aangenaam. Toen de mestkever wakker werd, kroop hij te
+voorschijn en keek eens in het rond. Welk een pracht heerschte er
+op den mesthoop! Op den achtergrond groote palmen, die zich hoog
+verhieven; de zon maakte, dat zij doorzichtig schenen, en wat was
+daaronder een menigte groen en frissche bloemen, rood als vuur,
+geel als barnsteen, wit als versch gevallen sneeuw!
+
+«Dat is een onvergelijkelijke plantenpracht; dat zal smaken, als het
+verrot!» zei de mestkever. «Dat is een goede provisiekamer. Hier
+wonen zeker bloedverwanten; ik zal eens zien, of ik iemand vind,
+met wien ik omgang kan hebben. Trotsch ben ik; dat is mijn trots!»
+En nu drentelde hij over den mesthoop rond en dacht aan zijn schoonen
+droom van het doode paard en de geërfde hoefijzers.
+
+Daar pakte een hand den mestkever eensklaps beet, drukte hem en
+draaide hem om en om.
+
+De zoon van den tuinman en een vriendinnetje van dezen waren bij
+den mesthoop gekomen, hadden den mestkever gezien en wilden nu een
+grapje met hem hebben. Eerst werd hij in een wingerdblad gewikkeld
+en toen in een warmen broekzak gestopt; hij kriebelde en krabbelde
+daar naar zijn beste vermogen; daarvoor echter kreeg hij een druk van
+de hand van den knaap en werd op deze wijze tot bedaren gebracht. De
+knaap ging daarop met rassche schreden naar den grooten vijver toe,
+die zich aan het einde van den tuin bevond. Hier werd de mestkever in
+een ouden, halfgebroken klomp gezet, daarop werd er een stokje voor
+mast ingestoken, en aan dezen mast bond men den mestkever nu met een
+wollen draadje vast. Nu was hij schipper en moest zeilen.
+
+De vijver was zeer groot, den mestkever scheen het een oceaan toe,
+en hij verwonderde zich daarover zoozeer, dat hij op zijn rug viel
+en met zijn pooten lag te trappelen.
+
+Het scheepje zeilde af; de stroom van het water voerde het mee; maar
+als deze het te ver van den wal deed afdrijven, dan stroopte een
+der jongens zijn broek dadelijk op, stapte in het water en haalde
+het weer aan land terug. Eindelijk echter, juist toen het weer in
+volle vaart voorwaarts ging, werden de jongens geroepen, dringend
+geroepen; zij haastten zich om te komen, liepen van het water weg en
+lieten het scheepje aan zijn lot over. Dit dreef nu gedurig meer van
+den oever af, gedurig meer naar het midden van den vijver toe; het
+was verschrikkelijk voor den mestkever, daar hij niet kon vliegen,
+omdat hij aan den mast vastgebonden was.
+
+Daar kreeg hij bezoek van een vlieg. «Wat is het vandaag mooi weer!»
+zei de vlieg. «Hier wil ik uitrusten en mij in de zon koesteren. Je
+hebt het hier heel prettig.»
+
+«Je spreekt naar je verstand! Zie je dan niet, dat ik vastgebonden
+ben?»
+
+«Ik ben niet vastgebonden,» zei de vlieg en vloog weg.
+
+«Ja, nu ken ik de wereld!» sprak de mestkever. «Het is een booze
+wereld! Ik ben de eenige fatsoenlijke man op de wereld! Eerst weigert
+men mij gouden schoenen; vervolgens moet ik op nat linnen liggen en in
+den tocht staan, en eindelijk dringen zij mij nog een vrouw op! Doe
+ik daarop een schrede in de wereld en verneem, hoe ik het daar kan
+krijgen en hoe ik het graag wou hebben, dan komt er een menschenjongen,
+bindt mij vast en geeft mij aan de woeste golven ten prijs, terwijl
+het lievelingspaard van den keizer met gouden schoenen rondloopt! Dat
+ergert mij nog het meest! Maar op deelneming mag men in deze wereld
+niet rekenen! Mijn levensloop is zeer interessant; maar wat baat het,
+als niemand dien kent? De wereld verdient het niet, dien te leeren
+kennen; zij zou mij anders wel gouden schoenen in den stal van den
+keizer gegeven hebben, toen het lievelingspaard beslagen werd en
+ik mijn pooten daarom uitstak. Als ik gouden schoenen gekregen had,
+dan zou ik een sieraad van den stal geworden zijn; nu heeft de stal
+mij verloren, nu heeft de wereld mij verloren. Alles is uit!»
+
+Maar alles was nog niet uit. Er kwam een schuitje, waarin eenige
+meisjes zaten, aanroeien.
+
+«Kijk! Daar zeilt een oude klomp!» zei een der meisjes.
+
+«Er zit een diertje aan vastgebonden!» riep een ander uit.
+
+Het schuitje kwam dicht in de nabijheid van het scheepje van
+onzen mestkever; de meisjes vischten dit uit het water op; een van
+haar haalde een schaartje uit haar zak, knipte het wollen draadje
+doormidden, zonder den mestkever eenig leed te doen, en toen zij aan
+land kwam, zette zij hem in het gras neer.
+
+«Kruip, kruip! Vlieg, vlieg, als je kunt!» zeide zij. «Vrijheid is
+een heerlijk ding!»
+
+De mestkever vloog op en door een openstaand raam van een groot gebouw;
+daar viel hij mat en moede neer op de fijne, zachte manen van het
+lievelingspaard van den keizer, dat in den stal stond, waar het te
+huis was, evenals dit met den mestkever het geval was. De mestkever
+klampte zich aan de manen vast, zat een korten tijd doodstil en kwam
+wat tot kalmte.
+
+«Hier zit ik op het lievelingspaard van den keizer, zit als keizer op
+hem! Maar wat wilde ik ook weer zeggen? Ja, nu schiet het mij weer te
+binnen! Dat is een goede gedachte. Waarom krijgt het paard een gouden
+hoefbeslag? Zoo vroeg de smid mij immers. Nu wordt deze vraag mij eerst
+duidelijk. Ter wille van mij kreeg het paard het gouden hoefbeslag.»
+
+En nu kwam de mestkever in een goede luim. «Men krijgt een ruimen
+blik op reis!» zei hij.
+
+De zon wierp haar stralen in den stal op hem neer en maakte het daar
+licht en vriendelijk.
+
+«De wereld is, wel bezien, toch zoo boos niet,» zei de mestkever,
+«men moet haar maar weten te vatten!»
+
+Ja, de wereld was schoon, omdat het lievelingspaard van den keizer
+slechts daarom een gouden hoefbeslag gekregen had, opdat de mestkever
+zijn ruiter kon zijn.
+
+«Nu zal ik naar de andere kevers toe gaan en hun vertellen, hoe veel
+men voor mij gedaan heeft: ik zal hun al de onaangenaamheden vertellen,
+die ik op mijn reis in het buitenland doorgestaan heb, en hun zeggen,
+dat ik nu zoo lang te huis zal blijven, totdat het paard zijn gouden
+hoefbeslag afgesleten heeft.
+
+
+
+
+DE IJSJONKVROUW.
+
+I.
+
+De kleine Rudy.
+
+
+Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis
+doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden
+aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden
+en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken
+voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden
+bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal,
+en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa's brandt zij, zoodat
+deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich
+tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee
+zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den
+Schreckhorn en den Wetterhorn, bij het bergstadje Grindelwald;
+zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in
+den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe;
+zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook
+uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en
+terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer,
+alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken
+dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden
+in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan,
+nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn
+doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en
+bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit,
+alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.
+
+Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten
+huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar:
+want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte,
+die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en
+scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of
+in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de
+kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die,
+welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn
+wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.
+
+Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op
+eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die
+ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig
+gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast,
+alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist
+deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de
+aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak
+den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet
+waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader,
+die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer
+stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte:
+notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen,
+juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap--Rudy
+heette hij--keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks,
+die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem
+beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot
+en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.
+
+Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden,
+en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet
+te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig
+hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog
+boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar
+glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval
+stond of het neerrollen van een lawine hoorde. Hij speelde nooit met
+de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als
+zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den
+handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de
+bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden
+tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats,
+vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van
+oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun
+stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al
+wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen,
+en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht
+behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy's
+vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij
+Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.
+
+«Kom maar eens met mij op het dak!» had de kater gezegd, en wel
+duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet
+kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed;
+de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als
+vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs
+grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop,
+pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan
+bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en
+heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!
+
+«Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!» was zeker wet hel eerste,
+wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. «Wat de menschen van het
+naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet,
+als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw
+anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop
+en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar
+en houd u vast. Zoo doe ik het!»
+
+En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de
+dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja,
+hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.
+
+«Hooger op!» zeiden boom en struik. «Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen
+reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant
+van de rots!»
+
+Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en
+daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht,
+dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de
+menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat:
+de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en
+den tijm van het dal.--Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken
+in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen,
+de geest van den geur gaat in de lucht over, om haar lichter en
+frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy's morgendrank.
+
+De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn
+wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem
+te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop
+niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op
+en zongen: «Wij en gij! Gij en wij!» Zij brachten groeten van huis,
+van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels
+in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.
+
+Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor
+zoo'n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton
+Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort
+geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een
+zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg,
+de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten
+gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar
+vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke
+vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. «Toen de jongen nog
+geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,» had zijn moeder
+geschreven; «van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had,
+was er een andere geest in hem gevaren.» Zijn grootvader sprak hierover
+maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.
+
+De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de
+kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den
+Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rhônedal, in het
+kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van
+Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende
+gids.--Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en
+zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het
+Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald
+af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo
+veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind,
+in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald
+toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den
+hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het
+dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog
+slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch
+gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen
+grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een
+manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar
+beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men
+vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er,
+voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen
+en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na
+veel inspanning haalde men uit de ijskloof twee lijken te voorschijn,
+naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte,
+het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo
+kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees,
+denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof
+hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker
+in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge
+ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag
+ingekerkerd zijn,--zooals de Zwitsersche boer gelooft.
+
+Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot
+groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het
+andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom
+van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote
+kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen
+paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij,
+de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de
+machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich
+met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te
+verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het
+ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het
+dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het
+eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte
+lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de
+diepe meren van Zwitserland schittert.
+
+«Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!» spreekt zij. «Een
+schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust,
+maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt
+de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de
+anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!»
+
+Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was
+de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt
+groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich
+een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters,
+een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die
+velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de
+balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de
+kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in
+de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in
+den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden
+naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar
+nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.
+
+«Ja, dien grijpen!» zei de duizeligheid. «Daartoe ben ik niet in
+staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit
+menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot,
+ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven
+den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolen kittelen of
+hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet
+in staat!»
+
+«Wij zullen het wel gedaan krijgen,» zei de ijsjonkvrouw. «Gij of
+ik! Ik, ik!»
+
+«Neen, neen,» klonk het om haar heen, alsof het een echo van het
+gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was
+een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke
+geesten,--het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich
+iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij
+haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig
+schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden;
+de menschen noemen dat «Alpengloed.» Als de zon dan gezonken is,
+verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar,
+totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral
+hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze
+laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.
+
+«Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!» zeiden zij.
+
+«Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!» zei de ijsjonkvrouw.
+
+Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens
+mantel de stroom wegvoerde,--de wind nam het hulsel, maar den man
+niet; «ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen
+der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan
+de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan
+banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt
+het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!»
+
+Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.
+
+Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis
+van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters
+der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen
+smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem
+gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe
+ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.
+
+
+
+II.
+
+De reis naar de nieuwe woning.
+
+
+Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen
+in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij
+iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn
+grootvader goed en deze liet hem vertrekken.
+
+Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog
+anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats
+Ajola, den ouden hond.
+
+«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn
+ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de
+menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak
+geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen
+hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis
+vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet,
+en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe;
+zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet
+heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet
+allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken;
+ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo'n hondje wel eens in den
+postwagen zien meerijden en daarin de plaats van een mensch innemen;
+de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij
+zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het,
+maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er
+niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik
+liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond
+maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet
+zooals het behoort;--maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is,
+zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het
+rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit
+niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen,
+noch door huilen!»
+
+Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem
+hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm,
+maar deze verzette zich hiertegen.
+
+«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet
+gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers
+geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen,
+dan blijft ge wel hangen!»
+
+Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou
+merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.
+
+De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart
+verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien
+afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.
+
+«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip.
+
+«Hij heeft altijd zoo'n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag
+afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg.
+
+Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en
+wilden meegaan: dat was zeer treurig.
+
+Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den
+anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te
+voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had
+goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.
+
+De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen
+zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine
+stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als
+bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen
+zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te
+beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had,
+en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy
+moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn
+oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn
+met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor
+moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher
+achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was,
+maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men
+moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd,
+gevormd hadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een
+groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag;
+dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de
+echo's uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.
+
+Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in
+de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa's,
+die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een
+oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder
+diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig
+werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere
+geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en
+dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk
+voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet
+moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden
+nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer
+tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende
+nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier
+namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die
+streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo
+hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee
+betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan
+de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de
+golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken,
+hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier
+macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm,
+de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende
+diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen,
+lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog
+gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude
+stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde
+naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan,
+vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis,
+het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar
+het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden,
+de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in
+het geheugen van Rudy.
+
+Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende
+hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en
+rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger
+gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om
+het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank,
+dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den
+drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland,
+van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van
+het heirleger van nachtspoken verteld, dat den slapende door de
+lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van
+den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef;
+al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het
+geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde
+vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees;
+deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor,
+alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig
+duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op,
+luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.
+
+Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af
+in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes
+waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen
+slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.
+
+Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar
+nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis,
+viel hij als op kommando in slaap.
+
+Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen
+op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden;
+zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan
+gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet,
+maar zij waren nog ver van Rudy's nieuwe woning verwijderd. Er
+vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden;
+ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat
+voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle,
+geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet,
+die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten
+zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken
+aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen
+in zijn nieuwe woonplaats?
+
+
+
+III.
+
+De oom.
+
+
+In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er,
+Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een
+enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige
+schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd
+van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven;
+de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam.
+
+De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien
+het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw
+met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar
+begroeiden hals.
+
+Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken,
+zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig
+leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met
+zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de
+muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren;
+boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden
+frissche Alpenrozen en een brandende lamp.
+
+Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers
+uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis
+zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk
+een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de
+jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede
+eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het
+beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde
+den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was
+Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al
+spoedig wortelen in het huis en in het hart.
+
+«Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,» zei de
+oom, «en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de
+steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel
+er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn
+toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons
+ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het
+afgesletene vervalt!» zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn
+nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op
+tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals
+hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen,
+beklagenswaardige kroplijders; «maar de Fransche soldaten kwamen hier,
+zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood,
+en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen
+verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en
+de meisjes hebben er ook verstand van!» Daarbij knikte de oom zijn
+vrouw, die een geboren Française was, al lachend toe. «De Franschen
+hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den
+Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een
+kind van drie jaar kan zeggen: «Ga eens naar Italië toe! Houd den
+grooten weg maar!» En het kind zal goed en wel in Italië aankomen,
+als het den grooten weg maar houdt!» Daarop zong zijn oom een Fransch
+lied en riep «Hoera!» en «Leve Napoleon Bonaparte!»
+
+Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk
+en van Lyon, de groote stad aan de Rhône; daar was zijn oom geweest.
+
+Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend
+gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze
+leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken en het schieten;
+hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van
+het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid
+beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op
+de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, 's middags of
+'s avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem,
+op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de
+voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof
+geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen,
+met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon
+men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij
+zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van
+het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag,
+toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn
+hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan.
+
+Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een
+smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag,
+was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn
+oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder
+stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong
+en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de
+diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom
+stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij
+een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn
+oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde
+werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen
+voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof
+te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd,
+hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks
+af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en
+het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong
+weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest
+was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt,
+een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin
+hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit.
+
+Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom
+een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig
+geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich
+in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich
+in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De
+sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden
+nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen
+wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine,
+die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in
+hun nabijheid, vlak in hun nabijheid.
+
+«Houd je vast, Rudy!» zei de oom, «houd je met alle macht vast!»
+
+En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde
+boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de
+lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking,
+de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek,
+alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts
+heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield,
+was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar,
+tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd,
+zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy
+stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens,
+de eerste huivering, die hem over de leden ging.
+
+Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat
+nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen;
+eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De
+arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden
+dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe.
+
+«Schrijf een brief voor mij!» zeide hij. «Saperli kan niet
+schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!»
+
+«Een brief van jou?» vroeg Rudy. «En aan wien?»
+
+«Aan den Heer Christus.»
+
+«Aan wien, zeg je?»
+
+En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen
+en zeide op een plechtigen en vromen toon:
+
+«Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen,
+of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.»
+
+Rudy drukte hem de hand en zei: «De brief komt daar niet aan en geeft
+ons hem niet terug!»
+
+Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te
+doen inzien.
+
+«Nu ben je de steun des huizes!» zei zijn tante en pleegmoeder,
+en Rudy werd dit ook.
+
+
+
+IV.
+
+Babette.
+
+
+Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de
+gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste
+schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet:
+«Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens,
+want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was
+hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand,
+zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe
+jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet,
+als hij zwom; als een visch kon hij zich in het water wenden en
+keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand
+vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat
+toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en
+later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men
+zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids
+kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd
+had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze
+bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide,
+als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij
+was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene
+zelfs wakend in haar gedachten omdroegen.
+
+«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van
+den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet
+moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet
+gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een
+zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy,
+hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had
+hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen.
+
+«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A
+begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!»
+
+Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre
+tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust,
+en toch was zij niet de bloem van zijn hart.
+
+Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een
+kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het
+woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine
+torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren,
+welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der
+torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had:
+dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en
+welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de
+dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven:
+zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn
+hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar
+vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand
+ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de
+molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had:
+zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken.
+
+De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog
+zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men
+kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet,
+als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn
+kindsheid ingeprent.
+
+Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen
+had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijds
+nog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet
+van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt
+zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône,
+die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen
+voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen
+de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt
+zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat
+er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een
+oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland,
+dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis
+aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste,
+niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap,
+dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in
+een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen
+en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke
+warmte, alsof men zich in Italië bevond.
+
+Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek
+eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan
+Babette, kreeg hij te zien.
+
+Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm
+en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het
+ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en
+zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was,
+alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat
+zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond
+van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de
+boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad,
+die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde
+een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam
+had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op
+dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij
+dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den
+telegraafdraad vliegen,--levensmomenten van gewicht voor den enkele,
+zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,--zoo
+doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns
+levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich
+op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den
+molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy
+hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte;
+maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang,
+als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling,
+wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en
+zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem.
+
+«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden
+avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden,
+als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal
+zien, als ik haar man zal worden!»
+
+Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist,
+wat hij wilde: hij wilde Babette hebben.
+
+De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden
+hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar
+het huis van den molenaar toe.--Maar, zooals, de kinderen zingen:
+
+
+ «Niemand was er thuis,
+ Dan 't katjen en de muis!»
+
+
+De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar
+Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem,
+niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog
+een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen
+hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest
+hij naar den molen toe, om te vragen, en daar kreeg hij het bericht,
+dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat
+Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest,
+dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen
+uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn.
+
+Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor
+zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed
+hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal,
+naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den
+volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze
+was nog nooit verdwenen.
+
+«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich
+zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg
+langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en
+dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook
+al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn
+grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil
+daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn,
+als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!»
+
+Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug,
+met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den
+korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst
+op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren;
+gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun
+bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den
+Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen.
+
+Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de
+frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en
+dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar
+weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende
+iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde
+vingers hoog in de blauwe lucht steekt.
+
+Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten
+zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was
+licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen,
+zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood
+te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig
+als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen,
+evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en
+wij!» Alles was vreugde en blijdschap.
+
+Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid
+met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den
+gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de
+diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De
+kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in
+het land, waar hij zijn jeugd doorgebracht had, toeroepen; zijn hart
+klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor
+een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld
+van herinneringen.
+
+Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met
+de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar
+boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van
+moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen
+hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood
+hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken
+aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de
+beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter,
+de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen,
+het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het
+hebben; en voor hem lag Interlaken.
+
+Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy,
+een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de
+andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam;
+neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het
+groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden
+stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar
+toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van
+alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier
+als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit
+al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de
+kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en
+krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis
+was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de
+ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk,
+en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen
+geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan
+den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het
+gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om
+den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge
+bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat
+men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de
+Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien.
+
+Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen,
+welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder
+schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was
+muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen
+en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden
+vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren,
+en de schoten waren in Rudy's ooren de mooiste muziek. Hij vergat in
+deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil
+hier naar toe gegaan was.
+
+De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al
+spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen;
+altijd was zijn schot raak.
+
+«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt
+het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»--«Hij
+weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden
+enkelen.--«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald
+gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen.
+
+En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn
+blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft
+moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een
+kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees
+hem hulde,--Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar
+klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in
+de Fransche taal aan.
+
+«Zijt ge uit het kanton Walliserland?»
+
+Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man:
+het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg
+hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn
+kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken
+molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de
+beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was
+wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was,
+maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op.
+
+Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen
+zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn
+schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex
+de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de
+beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden;
+ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar
+hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor
+hevig bloosde.
+
+De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd
+hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden
+naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot,
+met den spoortrein en ook met de diligence gereisd.
+
+«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen
+gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.»
+
+«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist
+naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig
+als ge zijt!»
+
+«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!»
+zei Rudy.
+
+De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar
+en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen
+af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat
+was voor Rudy een gewenscht aanbod, het geluk was hem gunstig, gelijk
+het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt,
+dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.»
+
+Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij
+ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op
+het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy
+bedankte voor den toost.
+
+Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de
+oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een
+gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er
+zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had,
+zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met
+elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo
+hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de
+hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen;
+zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy,
+zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den
+gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om
+te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen
+onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei,
+die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen
+Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette
+de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal
+had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en
+haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren
+ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,--zij telde
+immers nog maar achttien jaren.
+
+Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette
+zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en
+hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex
+geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette
+gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en
+onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten,
+die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg,
+maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen
+klimmen, die den weg lang maakte.
+
+Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar
+mocht lijden,--en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van
+het schuttersfeest gekomen was.
+
+Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog
+ophemelde.
+
+Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand
+neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den
+boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en
+sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden
+zich daarin.
+
+«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette.
+
+«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan.
+
+«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later.
+
+«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader
+zeker genoegen doen.»
+
+
+
+V.
+
+Op den terugweg.
+
+
+O, hoeveel had Rudy te dragen, toen hij den daaropvolgenden dag over de
+hooge bergen naar huis terugkeerde. Ja, hij had drie zilveren bekers,
+twee mooie buksen en een zilveren koffiekan; deze kan zou goed te
+gebruiken zijn, als hij een huishouden opzette; maar dat alles was nog
+niet het gewichtigste: iets gewichtigers, machtigers droeg hij of droeg
+hem over de hooge bergen naar huis. Het weder was echter ruw, grauw
+en regenachtig; de wolken hingen als een rouwfloers op de berghoogten
+neer en omhulden de stralende toppen. Uit het bosch klonken de laatste
+bijlslagen, en langs de helling van den berg rolden boomstammen, die
+er, van de hoogte af gezien, als dunne stokjes uitzagen, maar met
+dat al de stevigste scheepsmasten waren. De Lütschine bruiste haar
+eentonige accoorden, de wind suisde, de wolken zeilden. Daar kwam er
+eensklaps een jong meisje naar Rudy toe; hij had haar niet eer bemerkt,
+voordat zij vlak in zijn nabijheid was; zij wilde insgelijks over
+de rotsen klimmen. De oogen van het meisje oefenden een eigenaardige
+kracht op hem uit; hij was wel gedwongen, haar aan te kijken.
+
+«Hebt ge een minnaar?» vroeg Rudy, want al zijn gedachten draaiden
+om de liefde heen.
+
+«Ik heb er geen!» antwoordde het meisje en lachte; maar het was, alsof
+zij de waarheid niet sprak. «Maken we geen omweg?» zeide zij. «Wij
+moeten meer links houden, dan is de weg korter.»
+
+«Jawel, om in een ijskloof neer te storten!» zei Rudy. «Kent gij dien
+weg misschien beter en wilt gij gids zijn?»
+
+«Ik ken den weg heel goed,» zei het meisje, «en ik heb mijn gedachten
+bij elkaar. De uwe zijn zeker wel beneden in het dal, hierboven
+moet men aan de ijsjonkvrouw denken; zij houdt niet van de menschen,
+zegt men.»
+
+«Ik ben niet bang voor haar!» zei Rudy. «Zij heeft mij weer terug
+moeten geven, toen ik nog een kind was; ik zal mij thans niet aan
+haar overgeven, nu ik ouder ben!»
+
+En de duisternis nam toe, de regen viel neer, en het begon te sneeuwen.
+
+«Geef mij uw hand,» zei het meisje, «ik zal u bij het klimmen
+behulpzaam zijn,» en hij voelde, dat hij door ijskoude vingers
+aangeraakt werd.
+
+«Gij mij bijstaan!» zei Rudy. «Nog heb ik de hulp van een vrouw niet
+noodig om te klimmen!» En hij liep sneller voort, van haar weg; de
+sneeuwstorm hulde hem als in een sluier, de wind gierde, en achter zich
+hoorde hij het meisje lachen en zingen; het klonk heel zonderling. Dat
+moest een spookgezicht zijn, dat in den dienst der ijsjonkvrouw was;
+Rudy had daarvan hooren spreken, toen hij, destijds nog een knaap,
+bij de reis over de bergen hier boven den nacht doorbracht.
+
+De sneeuw viel dunner, de wolk lag onder hem, hij keek om, er was
+niemand meer te zien; maar hij hoorde gelach en gezang, en dit klonk
+niet, alsof het uit een menschelijke borst voortkwam.
+
+Toen Rudy eindelijk de bovenste bergvlakte bereikte, vanwaar het pad
+naar beneden naar het Rhônedal voerde, zag hij in de richting van
+Chamouny, in de heldere, blauwe lucht twee heldere sterren staan;
+deze glinsterden en fonkelden, en hij dacht aan Babette, aan zich
+zelf en aan zijn geluk, en het werd hem bij deze gedachte warm.
+
+
+
+VI.
+
+Het bezoek in den molen.
+
+
+«Wat zijn dat prachtige dingen, waar je mee thuis komt!» zei de oude
+pleegmoeder, en haar zonderlinge arendsoogen fonkelden, zij draaide
+haar mageren hals nog sneller dan gewoonlijk in allerlei zonderlinge
+bochten. «Je hebt geluk, Rudy! Ik moet je een kus geven, beste jongen!»
+
+En Rudy liet zich kussen, maar op zijn gezicht stond te lezen, dat hij
+zich in het onvermijdelijke, in dit kleine huiselijke lijden schikte.
+
+«Wat ben je mooi!» zei de oude vrouw.
+
+«Maak mij dat niet wijs!» zei Rudy en lachte,--maar het deed hem
+toch plezier.
+
+«Ik zeg het nogmaals!» sprak de oude vrouw, «het geluk loopt je mee!»
+
+«Ja, daarin zoudt ge wel eens gelijk kunnen hebben!» zei hij en dacht
+aan Babette.
+
+Nog nooit had hij zulk een verlangen gehad om naar het diepe dal
+te gaan.
+
+«Zij moeten nu al thuis zijn!» zei Rudy bij zich zelf. «Het is al
+twee dagen over den tijd, waarop zij terug zouden zijn. Ik moet naar
+Bex toe.»
+
+Rudy ging naar Bex toe, en in den molen waren zij te huis. Hij
+werd goed ontvangen, en groeten van hun familie te Interlaken
+hadden zij voor hem meegebracht. Babette sprak niet veel, zij was
+geducht stil geworden; maar haar oogen spraken, en dat was voor
+Rudy voldoende. Het scheen, alsof de molenaar, die anders graag
+het hoogste woord had,--hij was er aan gewoon, dat men altijd om
+zijn invallen en woordspelingen lachte, hij was immers de rijke
+molenaar,--toch liever de jachtavonturen van Rudy hoorde vertellen,
+en deze sprak van de zwarigheden en de gevaren, die de gemzenjagers op
+de hooge bergtoppen door te staan hadden, hoe zij langs de onzekere
+sneeuwhellingen, die door weer en wind als het ware aan den kant
+der rotsen vastgekleefd zijn, en over de gevaarlijke bruggen moesten
+kruipen, die de sneeuwstorm over diepe kloven geslagen heeft. De oogen
+van den stoutmoedigen Rudy fonkelden, terwijl hij van het jagersleven
+vertelde, van de slimheid der gemzen en haar stoute sprongen, van den
+hevigen orkaan en de rollende lawinen; hij merkte het wel, dat hij bij
+iedere nieuwe beschrijving den molenaar gedurig meer voor zich innam,
+en vooral gevoelde deze zich bijzonder aangetrokken door hetgeen hij
+van den lammergier en den koningsadelaar vertelde.
+
+Niet ver weg, in het kanton Walliserland, was een arendsnest, dat zeer
+kunstig onder een hooge vooruitspringende rots gebouwd was; in dit
+nest bevond zich een jong, maar dit was er niet uit te krijgen. Een
+Engelschman had Rudy eenige dagen geleden een heele hand vol goud
+aangeboden, als hij hem den jongen arend levend wilde bezorgen, «maar
+alles heeft zijn grenzen,» zei Rudy, «de arend is niet te krijgen,
+het zou een dwaasheid zijn dat te beproeven.»
+
+De wijn vloeide en de gesprekken vloeiden, maar de avond was veel te
+kort, kwam het Rudy voor, en toch was het na middernacht, toen hij
+van dit eerste bezoek terugkeerde.
+
+Het licht straalde nog een korten tijd door het raam van den molen door
+de groene boomtakken heen; uit het geopende luik in het dak kwam de
+kamerkat naar buiten en langs de dakgoot kwam de keukenkat aanloopen.
+
+«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen?» zei de kamerkat. «Hier in huis
+heeft een heimelijke verloving plaats gehad. De oude molenaar weet er
+nog niets van; Rudy en Babette hebben elkaar den heelen avond op de
+voeten getrapt; mij trapten zij tweemaal, maar ik mauwde toch niet;
+want dat zou de aandacht getrokken hebben.»
+
+«Ik zou toch gemauwd hebben!» zei de keukenkat.
+
+«Wat in de keuken gaat, gaat niet in de kamer!» zei de kamerkat. «Ik
+ben echter nieuwsgierig, wat de molenaar zal zeggen, als hij de
+verloving verneemt.»
+
+Ja, wat zou de molenaar er wel van zeggen? Dat zou Rudy ook wel graag
+geweten hebben, maar lang wachten, voordat hij dit vernam, kon hij
+niet. Toen de omnibus eenige dagen later over de Rhônebrug tusschen
+Walliserland en Waadland voortratelde, zat Rudy daarin, goedsmoeds
+evenals altijd, en verdiepte zich in liefelijke gedachten over het
+jawoord, dat hij dien zelfden avond nog dacht te krijgen.
+
+En toen de avond daar was en de omnibus denzelfden weg terugreed, zat
+Rudy er ook in; maar in den molen liep de kamerkat met nieuwtjes rond.
+
+«Weet je het al, jij, die altijd in de keuken zit?--De molenaar
+weet nu alles. Maar dat heeft een mooien afloop gehad! Rudy kwam
+hier tegen den avond, en hij en Babette hadden veel met elkaar te
+fluisteren en heimelijk te spreken, zij stonden in de gang voor de
+kamer van den molenaar. Ik lag aan hun voeten, maar zij hadden noch
+oogen noch gedachten voor mij. «Ik ga, zonder mij langer te bedenken,
+naar je vader toe.»--«Wil ik meegaan?» vroeg Babette; «dat zal je
+moed geven.»--«Ik heb moed genoeg,» zei Rudy, «maar als jij er bij
+bent, dan moet hij wel vriendelijk zijn, of hij wil of niet.»--Daarop
+traden zij binnen. Rudy trapte mij geducht op den staart! Rudy is erg
+onhandig; ik mauwde, maar noch hij noch Babette hadden ooren om dit
+te hooren. Zij deden de deur open en traden de kamer samen binnen. Ik
+liep voorop; ik sprong op een stoel, want ik kon immers niet weten,
+hoe Rudy zich misschien zou verweren. Maar de molenaar verweerde zich,
+hij gaf een duchtigen schop en zei: «De deur uit en den berg op naar
+de gemzen!» Daarop mag Rudy nu mikken en niet op onze Babette!»
+
+«Maar wat spraken zij met elkaar? Wat zeiden zij?» vroeg de keukenkat.
+
+«Wat zij zeiden?--Alles werd er gezegd, wat de menschen zoo plegen te
+zeggen, als zij verliefd zijn: «Ik heb haar lief, en zij heeft mij
+lief! En als er melk voor een in de kan is, dan is er ook melk voor
+twee!»--«Maar zij zit je te hoog!» zei de molenaar, «zij zit op zand,
+op goudzand, zooals je weet, je zult haar niet bereiken!»--«Niets zit
+zoo hoog, of men kan het wel bereiken, als men maar wil!» antwoordde
+Rudy; want hij is een onverschrokken man.--«Maar het arendsnest kan
+je toch niet bereiken, zooals je zelf onlangs gezegd hebt: Babette
+zit nog hooger!»--«Ik neem ze allebei!» zei Rudy.--«Ik zal je Babette
+geven, als je mij het levende arendsjong geeft!» zei de molenaar en
+lachte, dat de tranen hem langs de wangen liepen. «Maar nu bedank ik
+je voor je bezoek, Rudy! Bezoek mij morgen weer, morgen is er niemand
+thuis. Vaarwel, Rudy!»--En Babette zei hem ook vaarwel, maar zoo
+klagend als een klein katje, dat zijn moeder nog niet kan zien. «Een
+man een man, een woord een woord!» zei Rudy. «Ween niet, Babette! ik
+zal het arendsjong brengen!»--«Je zult den nek breken, hoop ik!» zei
+de molenaar, «en dan zijn wij van je bezoeken ontslagen!»--Dat noem ik
+een duchtigen schop! Nu is Rudy weg en Babette zit te huilen; maar de
+molenaar zingt Duitsch, dat heeft hij laatst op zijn reis geleerd. Ik
+zal er maar niet treurig over zijn, want dat baat toch niets!»
+
+«Maar zoo is er dan toch altijd nog mogelijkheid op!» zei de keukenkat.
+
+
+
+VII.
+
+Het arendsnest.
+
+
+Van het rotspad af klonk het gezang, lustig en krachtig, het wees op
+een goede luim en een onversaagden moed; het was Rudy; hij ging zijn
+vriend Vesinand opzoeken.
+
+«Je moet mij behulpzaam zijn! Wij nemen Nagli mee, ik moet het
+arendsjong boven aan den kant van de rots uit het nest halen.»
+
+«Zou je dan niet eerst het mannetje uit de maan halen? Dat zal
+even gemakkelijk gaan!» zei Vesinand. «Je schijnt in een goede luim
+te zijn!»
+
+«Dat ben ik ook! Ik denk er aan te gaan trouwen!--Maar om ernstig te
+spreken, ik zal je zeggen, hoe het met mij gesteld is.»
+
+En al spoedig wisten Vesinand en Nagli, wat Rudy wilde.
+
+«Je bent een onverschrokken kerel!» zeiden zij. «Maar dat gaat niet! Je
+zult den nek breken!»
+
+«Men valt niet naar beneden, als men het zich niet verbeeldt!»
+zei Rudy.
+
+Te middernacht rukten zij met stokken, ladders en touwen op; de weg
+liep tusschen boomen en struiken door, over naakte rotsen, steeds
+opwaarts, opwaarts in den donkeren nacht. Het water bruiste beneden,
+het water stroomde boven, vochtige wolken dreven eraan de lucht. De
+jagers bereikten den steilen kant der rots, hier werd het donkerder,
+de rotswanden kwamen bijna tegen elkander aan, en slechts hoog in de
+smalle kloof was de lucht te zien; dicht naast hen, onder hen lag de
+diepe afgrond met het bruisende water. Het drietal zat op de rotsen,
+zij wilden het aanbreken van den dag afwachten, als de arend uitvloog;
+de oude moest eerst doodgeschoten worden, voordat zij er aan konden
+denken, zich van het jong meester te maken. Rudy zat daar op zijn
+hurken, zoo stil, alsof het een stuk van de rots was, waarop hij zich
+bevond, het geweer met den gespannen haan hield hij voor zich om te
+schieten, zijn blik vestigde zich onafgebroken op de bovenste kloof,
+waar het adelaarsnest onder de overhellende rotsen verborgen zat. De
+drie jagers moesten lang wachten.
+
+Maar nu kraakte en suisde het hoog boven hen; een groot, zwevend
+voorwerp verduisterde de lucht om hen heen. Twee buksloopen mikten,
+terwijl de zware arendsgestalte uit het nest vloog;--er viel een schot,
+een oogenblik bewogen zich de uitgespreide vleugels, daarop streek de
+vogel langzaam neer, en het was, alsof hij door zijn grootte en met
+zijn wijd uitgespreide vleugels de geheele kloof wilde beslaan en de
+jagers in zijn val met zich meesleepen. De arend viel in de diepte
+naar beneden, boomtakken en struiken braken door den val van den vogel.
+
+Nu kwamen de jagers in beweging; drie van de langste ladders werden
+aan elkaar vastgebonden,--deze zouden wel lang genoeg zijn; men zette
+ze op de uiterste vaste punt neer, op den rand van den afgrond, maar
+zij waren niet lang genoeg, en de rotswand liep hooger op en was daar,
+waar het nest zich onder den vooruitspringenden top verborg, glad als
+een muur. Na eenige beraadslagingen werd men het daaromtrent eens,
+dat twee aan elkaar gebonden ladders van boven in de kloof neergelaten
+en deze wederom in verbinding met de drie van beneden neergezette
+gebracht moesten worden. Met groote moeite sleepte men de twee ladders
+naar boven en maakte boven de touwen vast; de ladders werden over de
+vooruitspringende rots heengeschoven en hingen daar zwevend boven den
+afgrond; Rudy zat reeds op de onderste sport. Het was een ijskoude
+morgen; nevels stegen er uit den donkeren afgrond op. Rudy zat daar,
+evenals een vlieg op den waggelenden stroohalm zit, dien de een of
+andere vogel bij het bouwen van zijn nest op den rand van den hoogen
+fabrieksschoorsteen verloren heeft; maar de vlieg kan meevliegen,
+als de stroohalm loslaat, doch Rudy kon slechts zijn nek breken. De
+wind suisde om hem heen, en beneden in den afgrond bruisten de wateren
+van den ontdooienden gletscher, het paleis der ijsjonkvrouw.
+
+Nu bracht hij de ladder in een schommelende beweging, evenals de spin
+zich schommelt, wanneer zij, aan haar langen, zwevenden draad hangende,
+iets wil vastgrijpen, en toen Rudy ten vierden male het boveneind der
+van beneden neergezette, aaneengebonden ladders aanraakte, had hij dit
+gegrepen; zij werden met een zekere en krachtige hand samengevoegd,
+maar zij waggelden en klapperden geweldig.
+
+De vijf lange ladders, die tot aan het nest reikten en loodrecht tegen
+den rotswand aanstonden, schenen een waggelend riet te zijn, en nu
+kwam het gevaarlijkste werk nog aan; er moest geklauterd worden,
+zooals de kat kan klauteren, maar Rudy had daar juist verstand
+van, want de kat had het hem geleerd; hij bemerkte niets van de
+duizeligheid, die in de lucht achter hem zweefde en haar poliepenarmen
+naar hem uitstrekte. Thans stond hij op de bovenste sport der ladder
+en bemerkte, dat hij hier nog niet hoog genoeg kon reiken, om in het
+nest te zien, alleen met de hand kon hij eraan komen; hij probeerde,
+hoe vast de onderste, dikke, in elkaar gevlochten takken zaten,
+die het onderste gedeelte van het nest vormden, en nadat hij een
+dikken en vasten tak beetgepakt had, hief hij zich van de ladder naar
+boven, leunde over den tak heen en had nu zijne borst en zijn hoofd
+over het nest gebogen; hier stroomde hem een verstikkende stank van
+aas tegen; in het nest lagen lammeren, gemzen en vogels, die tot
+verrotting overgegaan waren. De duizeligheid, die geen invloed op
+hem kon oefenen, blies hem de giftige uitwasemingen in het gezicht,
+opdat hij verward en bedwelmd zou worden, en beneden in de zwarte,
+gapende diepte op de voortstroomende wateren zat de ijsjonkvrouw
+zelve met haar lange, witachtig groene haren en staarde hem aan met
+oogen als twee buksloopen.
+
+«Nu vang ik u!»
+
+In een hoek van het arendsnest zag hij, groot en forsch, het jong
+van den arend zitten, dat nog niet kon vliegen. Rudy vestigde zijn
+oogen daarop, hield zich met alle kracht met één hand vast en wierp
+met zijn andere den strik om den jongen arend heen; gevangen was hij,
+levend gevangen; zijn pooten staken in het touw, en Rudy wierp den
+strik met den vogel over den schouder, zoodat het beest een heel eind
+beneden hem hing, terwijl hij zich aan een neerhangend touw vasthield,
+totdat zijn voeten de bovenste sport van de ladder weer aanraakten.
+
+«Houd je vast! Denk maar niet, dat je naar beneden kunt vallen, dan val
+je ook niet!» Dat was de oude les, en deze volgde hij op, klauterde,
+was overtuigd, dat hij niet zou vallen, en hij viel ook niet.
+
+Nu deed zich een krachtig en vroolijk gezang hooren. Rudy stond met
+zijn arendsjong op de vaste rotsen.
+
+
+
+VIII.
+
+Welke nieuwtjes de kamerkat wist te vertellen.
+
+
+«Hier is het verlangde!» zei Rudy, terwijl hij bij den molenaar te Bex
+binnentrad, een groote mand op den grond neerzette en den doek, die
+er overheen lag, oplichtte. Twee gele oogen met zwarte randen kwamen
+er uitkijken, fonkelend en wild, als wilden zij zich vastbranden en
+vastbijten, waar zij heenkeken; de korte, krachtige snavel was tot
+bijten opgesperd, de hals was rood en met stoppels bezet.
+
+«Het arendsjong!» riep de molenaar uit. Babette gaf een luiden gil
+en deinsde terug; maar zij kon toch haar oogen noch van Rudy noch
+van den arend afhouden.
+
+«Je laat je niet licht door iets afschrikken!» zei de molenaar.
+
+«En gij houdt altijd woord!» zei Rudy. «Ieder heeft zijn
+eigenaardigheid!»
+
+«Maar waarom heb je den nek niet gebroken?» vroeg de molenaar.
+
+«Omdat ik vasthield!» antwoordde Rudy, «en dat doe ik nog! Ik houd
+Babette vast!»
+
+«Maak eerst maar, dat je haar krijgt!» zei de molenaar en lachte;
+en dat was een goed teeken, dat wist Babette.
+
+«We moeten hem uit de mand halen,--het is om razend te worden, zooals
+hij ons aankijkt! Maar hoe heb je hem weten te krijgen?»
+
+Nu moest Rudy vertellen, en de molenaar zette gedurig grooter oogen op.
+
+«Met je moed en je geluk kan je wel drie vrouwen onderhouden!» zei
+de molenaar.
+
+«Ik dank u!» riep Rudy uit.
+
+«Maar Babette heb je nog niet!» zei de molenaar en klopte den jongen
+Alpenjager schertsend op den schouder.
+
+«Weet je het nieuwste nieuwtje al, dat er in den molen is?» zei de
+kamerkat tegen de keukenkat. «Rudy heeft ons het arendsjong gebracht
+en neemt Babette daarvoor in ruil. Zij hebben elkander een kus gegeven
+en hebben het den ouden molenaar laten zien. Dat is zoo goed als een
+verloving. De oude man was goed gemutst; hij hield zijn klauwen binnen,
+deed zijn middagdutje en liet de twee bij elkaar zitten vrijen; zij
+hebben elkaar zooveel te vertellen, dat zij met Kerstmis nog niet
+klaar zullen zijn!»
+
+Zij kwamen met Kerstmis ook niet klaar. De wind stuwde de bruine
+bladeren op; de sneeuw stoof in het dal, evenals op de hooge bergen; de
+ijsjonkvrouw zat in haar trotsch kasteel, dat gedurende den wintertijd
+in grootte toeneemt; de rotswanden stonden daar met ijzel bedekt,
+en dikke ijskegels, zwaar als olifanten, hingen daar naar beneden,
+waar de rotsstroom in den zomer zijn watersluier laat waaien;
+ijsguirlandes, uit phantastische ijskristallen samengesteld, hingen
+fonkelend aan de met sneeuw bepoederde dennen. De ijsjonkvrouw reed op
+den suizenden wind over de diepste dalen heen. Het sneeuwdek strekte
+zich heelemaal tot aan Bex uit, de ijsjonkvrouw kwam ook daarheen
+en zag Rudy in den molen zitten, hij zat dezen winter meer in huis,
+dan anders zijn gewoonte was, hij zat bij Babette. Den volgenden
+zomer zou er bruiloft gehouden worden; zijn ooren suisden hem vaak,
+zoo druk spraken zijn vrienden daarover. In den molen was zonneschijn,
+de schoonste Alpenroos gloeide er, de vroolijke, glimlachende Babette,
+schoon als de naderende lente, de lente, die alle vogels doet zingen
+van zomertijd en bruiloft.
+
+«Wat zitten die twee toch altijd bij elkander en steken hun hoofden
+bij elkaar!» zei de kamerkat. «Nu heb ik genoeg van hun gemauw!»
+
+
+
+IX.
+
+De ijsjonkvrouw.
+
+
+De lente had haar sappige, groene guirlandes van walnote- en
+kastanjeboomen ontplooid; zwellend slingerden zij zich van de brug
+bij Saint-Maurice tot aan den oever van het meer van Genève langs de
+Rhône, die met een geweldige vaart voortstroomt van haar bron onder
+den groenen gletscher, het ijspaleis, waarin de ijsjonkvrouw woont,
+en vanwaar zij zich door den scherpen wind laat opstuwen tot op het
+hoogste sneeuwveld, om daar te rusten op haar sneeuwzetel; daar zat
+zij en staarde met een doordringenden blik in de diepste dalen neer,
+waar de menschen ijverig in beweging waren, evenals mieren op de
+steenen, die de zon beschijnt.
+
+«Geesteskrachten, zooals de kinderen der zon u noemen!» zei de
+ijsjonkvrouw. «Wormen zijt gij! Een rollende sneeuwbal,--en gij, uw
+huizen en uw steden zijn verpletterd en verdwenen!» Hooger verhief
+zij haar trotsch hoofd en keek wijd en zijd met oogen, die van dood
+en verderf straalden. Maar uit het dal deed zich een rollen hooren,
+rotsen liet men springen: dit was menschenwerk! Wegen en tunnels voor
+spoorwegen werden er aangelegd.
+
+«Zij wroeten als mollen in den grond,» zeide zij; «zij graven gangen
+onder de aarde, van daar dat geknal als van geweerschoten. Als ik
+mijn kasteelen verzet, dan druischt het sterker dan het geratel van
+den donder!»
+
+Uit het dal steeg een dikke rook op, die zich voorwaarts bewoog als een
+fladderende sluier, een wuivende pluim der locomotief, die op den nog
+pas geopenden spoorweg zijn stoet voorttrok, deze kronkelende slang,
+wier ledematen wagens aan wagens zijn. Pijlsnel vloog zij voorwaarts.
+
+«Zij beschouwen zich daar beneden als heeren, die geesteskrachten!»
+zei de ijsjonkvrouw. «De macht der natuurkrachten is toch grooter
+dan de hunne!» Zij lachte, en het dreunde in het dal.
+
+«Daar rolt een lawine naar beneden!» zeiden de menschen.
+
+Maar de kinderen der zon zongen nog luider van de menschen_gedachte_,
+die de zee aan banden legt, bergen verzet, dalen effent; de
+menschengedachte, die de beheerscheres der natuurkrachten is. Omstreeks
+dezen tijd trok over het sneeuwveld, waar de ijsjonkvrouw zat,
+een gezelschap van reizigers; de menschen hadden zich met touwen aan
+elkaar vastgebonden, opdat zij als 't ware een grooter lichaam zouden
+vormen op de gladde ijsvlakte aan den rand van den diepen afgrond.
+
+«Wormen!» zei de ijsmaagd. «Gij, de beheerschers der natuurkrachten!»
+En zij wendde den blik van het gezelschap af en keek gramstorig in
+het diepe dal, waar de spoortrein voortbruiste.
+
+«Daar zitten zij, de _gedachten_! Zij zitten in de macht der
+natuurkrachten! Ik zie ze, elk en een ieder!--de een zit trotsch
+als een koning alleen! Ginds zitten zij op een hoop! Daar slaapt de
+eene helft! En als de stoomdraak stilhoudt, dan stappen zij er uit en
+gaan allen huns weegs! Deze gedachten verspreiden zich in de wereld!»
+En zij lachte.
+
+«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.
+
+«Ons bereikt zij niet!» zeiden er twee, die op den rug van den
+stoomdraak zaten; «twee harten en één slag,» zooals het heet. Het
+waren Rudy en Babette; ook de molenaar was er bij.
+
+«Als bagage!» zei hij. «Ik ben er bij als het noodige aanhangsel!»
+
+«Daar zitten die twee!» zei de ijsjonkvrouw. «Vele gemzen heb ik
+verpletterd, millioenen Alpenrozen heb ik geknakt en gebroken,
+zelfs de wortels spaarde ik niet! Ik wisch ze uit, die gedachten,
+die geesteskrachten!» En zij lachte.
+
+«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.
+
+
+
+X.
+
+De petemoei.
+
+
+Te Montreux, een der naastbijgelegen steden, die met Clarens, Vevay en
+Crin een krans om het noordoostelijke gedeelte van het meer van Genève
+vormen, woonde de petemoei van Babette, de Engelsche, deftige dame met
+haar dochters en een jeugdigen bloedverwant; zij waren daar nog slechts
+kort geleden aangekomen, maar de molenaar had ze reeds bezocht, hun
+de verloving van Babette medegedeeld en van Rudy en het arendsjong,
+van het bezoek te Interlaken, in één woord de geheele geschiedenis
+verteld, en deze had haar in de hoogste mate verblijd en haar ten
+zeerste voor Rudy en Babette en ook voor den molenaar ingenomen;
+alle drie moesten eens overkomen, en daarom gingen zij er dan ook
+naar toe. Babette zou haar petemoei, de petemoei zou Babette zien.
+
+Bij het stadje Villeneuve, aan het einde van het meer van Genève,
+lag de stoomboot, die, na een vaart van een half uur van daar naar
+Vevay, ten zuiden van Montreux, aanlegt. De kust alhier is door
+de dichters bezongen; hier onder de walnoteboomen, aan het diepe,
+blauwachtig groene meer zat Byron en schreef zijn welluidende verzen
+van den gevangene in het donkere rotsachtige kasteel Chillon. Daar,
+waar Clarens zich met zijn treurwilgen in het water afspiegelt,
+wandelde Rousseau, terwijl hij van Heloïse droomde. De Rhône stroomt
+onder de hooge, met sneeuw bedekte bergen van Savoye voort; hier,
+niet ver van haar oorsprong, ligt in het meer een klein eiland;
+dit is zoo klein, dat het van de kust gezien, een vaartuig op het
+water schijnt te zijn. Het eiland is een rotsgrond, dien een dame
+voor omstreeks honderd jaren met steenen liet indammen, met aarde
+bedekken en met drie acaciaboomen beplanten; deze overschaduwen nu
+het geheele eiland. Babette was verrukt over deze plek, deze scheen
+haar de schoonste op den geheelen tocht, daar moest zij naar toe,
+het moest daar verwonderlijk schoon zijn, dacht zij. Maar de stoomboot
+voer voorbij en legde aan, waar zij moest aanleggen en wel te Vevay.
+
+Het kleine gezelschap wandelde van hier verder tusschen de
+witte, door de zon bestraalde muren, die de wijngaarden voor
+het bergstadje Montreux omgeven, waar de vijgeboomen het huis
+van den boer beschaduwen, laurierboomen en cipressen in de tuinen
+groeien. Halverwege op den berg stond het huis, waarin de petemoei
+woonde.
+
+De ontvangst was hartelijk. De petemoei was een vriendelijke vrouw
+met een rond, glimlachend gezicht; als kind was zij zeker een echt
+engelenkopje van Raphaël geweest. Nu was zij een oud engelenhoofd,
+met weelderige zilverwitte lokken. Haar dochters waren lieve, mooie,
+lange en slanke meisjes. De jonge neef, dien zij meegebracht hadden,
+was van het hoofd tot de voeten in het wit gekleed, had blond haar
+en zulke lange roode bakkebaarden, dat er wel genoeg was voor drie
+heeren; hij bewees Babette terstond de grootste opmerkzaamheid.
+
+Rijk gebonden boeken, muziek en teekeningen lagen er op de groote tafel
+verspreid; de deur, die naar het balkon voerde, stond open en gaf het
+uitzicht op het schoone, uitgestrekte meer, dat zoo blank en stil was,
+dat de bergen van Savoye met steden, bosschen en sneeuwtoppen zich
+daarin afspiegelden.
+
+Rudy, die anders overmoedig, vroolijk en opgewekt was, gevoelde
+zich hier volstrekt niet thuis; hij bewoog zich, alsof hij op
+erwten over een gladden vloer liep. Wat viel de tijd hem lang, wat
+ging deze langzaam voorbij, als in een tredmolen! En nu werd er een
+wandeling gedaan! Dat ging even langzaam en vervelend; Rudy had wel
+twee schreden vooruit en een achteruit kunnen doen, om met de anderen
+in den stap te blijven. Zij wandelden naar Chillon, het oude, sombere
+kasteel op het rotsachtige eiland, alleen om de foltertuigen te zien,
+de gevangenissen, de verroeste kettingen in de rotsachtige muren, de
+steenen britsen voor de ter dood veroordeelden, de valluiken, waardoor
+de ongelukkigen naar beneden geworpen en op ijzeren spitse pennen
+opgevangen werden. Dat alles te zien noemden zij een genoegen. Een
+gerechtsplaats was het, die door Byrons gezang in de wereld der poëzie
+opgenomen is. Rudy had slechts gevoel voor de gerechtsplaats; hij
+stak het hoofd uit een der groote steenen vensterramen en keek neer
+in het diepe, blauwachtig groene water en naar het kleine eiland met
+de drie acacia's; daarheen wenschte hij zich wel verplaatst te zien,
+vrij van het geheele pratende gezelschap; maar Babette was bijzonder
+vroolijk gestemd. Zij had zich uitstekend geamuseerd, zeide zij;
+de neef, vond zij, was een alleraardigst mensch.
+
+«Ja, een echte lafbek!» zei Rudy; en dit was de eerste maal, dat Rudy
+iets zei, wat haar niet beviel. De Engelschman had haar een klein
+boekje tot aandenken aan Chillon gegeven, het was Byrons gedicht:
+«De gevangene van Chillon,» in het Fransch vertaald, zoodat Babette
+het kon lezen.
+
+«Het boek kan wel heel mooi zijn,» zei Rudy, «maar de keurig gekleede
+mijnheer, die het je gegeven heeft, staat mij niet aan.»
+
+«Hij zag er net uit als een meelzak zonder meel!» zei de molenaar,
+en lachte om zijn eigen aardigheid. Ook Rudy lachte en zei, dat hij
+er juist zoo over dacht.
+
+
+
+XI.
+
+De neef.
+
+
+Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen,
+vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem
+gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie
+versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was
+volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde de Engelschman hier? Wat had
+hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?--Rudy
+was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen,
+al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel
+als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met
+het hart van Rudy, en toch was hij,--dat moet gezegd worden,--haar
+geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en
+heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik
+zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden
+Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij
+daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou
+haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet
+goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij
+dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag
+door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden,
+dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste.
+
+Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige
+hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen,
+niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was
+evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het
+groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid,
+die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte
+en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven,
+in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den
+snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water,
+dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood
+aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den
+molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de
+Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde
+hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit
+de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd,
+en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het
+water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen
+en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder
+het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de
+stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet
+nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnen naar
+buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen,
+wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij
+blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de
+ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde.
+
+Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!--Maar
+Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak
+onder de linde. Er werd luid gesproken, het waren toornige woorden, er
+kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen.
+
+Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht
+hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef,
+zeide zij.
+
+«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus
+afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam
+je, Babette!»
+
+«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga
+heen, ga heen!»
+
+«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn
+hart brandden als vuur.
+
+Babette wierp zich op haar bed neer en weende.
+
+«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!»
+
+Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders
+zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten,
+den verkwikkenden slaap der jeugd slapen.
+
+
+
+XII.
+
+Booze machten.
+
+
+Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in
+de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw
+heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij
+aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier
+boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke
+strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op
+zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf.
+
+Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden,
+zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht
+genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op
+waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide;
+de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn
+schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond
+hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen.
+
+Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al
+zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig;
+hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de
+bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had
+hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde
+neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal
+stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te
+komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpen voor zijn oogen;
+daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had,
+een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was;
+voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben,
+dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het
+dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje
+vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond,
+toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde.
+
+«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij.
+
+«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!»
+
+«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw
+en rotsen.»
+
+«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier
+achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn
+geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij
+is, blijft van mij!»
+
+«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy.
+
+«Gij ook!» antwoordde het meisje.
+
+«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een
+ondraaglijken dorst!»
+
+«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u
+geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een
+half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen
+het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!»
+
+En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte
+dezen aan Rudy over.
+
+«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden,
+vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed
+vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche
+menschennatuur ontwaakte in hem.
+
+«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!»
+
+«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.»
+
+«Mijn verlovingsring?»
+
+«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den
+beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde
+levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe,
+dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen,
+opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des
+levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden,
+dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel
+en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het
+noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op
+den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos
+en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen,
+evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde
+haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde
+deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft
+het in woorden weer?--was het het leven des geestes of des doods,
+dat hem vervulde?--werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe,
+doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een
+blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte,
+en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig
+blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van
+het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte
+er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,--en het werd nacht
+voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden
+haar spel met hem gedreven.
+
+Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het
+water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom;
+Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring
+was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn
+buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar
+afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als
+vaste sneeuwmassa's in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde
+op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof
+er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met
+zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden.
+
+Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen
+geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis
+moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad.
+
+
+
+XIII.
+
+In den molen.
+
+
+«Wat gaat het toch wonderlijk bij de menschen toe!» zei de kamerkat
+tegen de keukenkat. «Nu zijn zij weer van elkaar af, Babette en
+Rudy. Zij weent, en hij denkt zeker niet meer aan haar.»
+
+«Dat bevalt mij niet!» zei de keukenkat.
+
+«Mij ook niet!» zei de kamerkat, «doch ik zal het mij maar niet
+aantrekken! Babette kan zich immers met dien roodbaard verloven! Maar
+die is hier ook niet meer geweest, sedert hij op het dak wilde
+klimmen!»
+
+Booze machten drijven haar spel om ons en in ons; dat had Rudy wel
+eens gehoord en veel daarover nagedacht; wat was er in hem en om hem
+heen gebeurd daar op den berg? Waren het spoken of koortsachtige
+droomen? Hij had vroeger noch koorts, noch eenige andere ziekte
+gekend. Maar toen hij Babette veroordeelde, had hij een blik in
+zijn eigen binnenste geslagen. Hij had de wilde jacht in zijn hart,
+den heeten orkaan, die daar huisgehouden had, nagespeurd. Zou hij aan
+Babette ook alles kunnen biechten, iedere gedachte biechten, die in de
+ure der verzoeking bij hem tot daad zou kunnen worden? Haar ring had
+hij verloren, en juist door dit verlies had zij hem teruggekregen. Zou
+zij hem alles kunnen opbiechten? Het was, alsof zijn hart zou breken,
+als hij aan haar dacht; hoevele herinneringen rezen er niet bij
+hem op! Hij zag haar, alsof zij bij levenden lijve voor hem stond,
+lachend als een moedwillig kind; menig vriendelijk woord, dat zij
+uit de volheid haars harten gesproken had, drong als zonnestralen in
+zijn borst door, en al spoedig was alles daarin slechts zonneschijn
+bij de gedachte aan Babette.
+
+Ja, zij moest hem alles kunnen biechten, en zij zou dit ook doen.
+
+Hij ging naar den molen toe en kwam tot de biecht. Deze begon met
+een kus en eindigde daarmee, dat Rudy de zondaar bleef; het was
+afschuwelijk van hem! Zulk een wantrouwen, zulk een heftigheid kon
+hen beiden in het ongeluk storten. Ja zeker, dat kon! En daarom
+hield Babette hem een kleine boetpredikatie, waarin zij zelf schik
+had en die haar zeer goed afging, doch op één punt had Rudy gelijk:
+de neef der petemoei van Babette was een lafbek; zij wilde het boek
+verbranden, dat hij haar gegeven had, en zij wilde niet het minste
+bezitten, dat haar aan hem kon herinneren.
+
+«Nu is het gevaar voorbij!» zei de kamerkat. «Rudy is weer hier,
+zij verstaan elkaar, en dat is toch het grootste geluk, zeggen zij.»
+
+«Ik hoorde van nacht van de rotten,» zei de keukenkat, «dat het
+grootste geluk is, vetkaarsen te eten en volop spek te hebben. Wie
+moet men nu gelooven, de rotten of het verliefde paar?»
+
+«Geen van beiden,» zei de kamerkat, «dat is altijd het veiligste!»
+
+Het grootste geluk van Rudy en Babette, de schoonste dag, zooals zij
+hem noemden, de trouwdag, was ophanden.
+
+Maar niet in de kerk te Bex zou de trouwplechtigheid plaats hebben,
+niet in den molen zou er bruiloft gehouden worden; de petemoei
+wilde, dat de bruiloft in haar huis zou gevierd worden en dat de
+trouwplechtigheid in de mooie kleine kerk te Montreux zou plaats
+vinden. De molenaar stond er op, dat deze wensch zou vervuld worden;
+hij alleen wist, wat de petemoei voor de jonggehuwden bestemd had;
+zij zouden van haar een bruidsgeschenk krijgen, dat wel waard was,
+dat men zich naar haar wil schikte. De dag was bepaald. Reeds den
+avond te voren zouden zij naar Villeneuve vertrekken, om den daarop
+volgenden dag tijdig naar Montreux te rijden, opdat de dochters der
+petemoei de bruid aan haar toilet zouden kunnen helpen.
+
+«Hier in huis zal er toch ook wel wat lekkers afvallen,» zei de
+kamerkat; «als dit niet gebeurt, dan geef ik geen miauw voor de
+heele geschiedenis!»
+
+«Hier zal wel gesmuld worden!» zei de keukenkat. «Er zijn eenden
+geslacht, duiven geplukt, en een heele reebok hangt er aan den muur. Ik
+watertand er al van, als ik daaraan denk! Morgen begint de reis!»
+
+Ja, morgen!--Op dezen avond zaten Rudy en Babette voor de laatste
+maal als verloofden in den molen.
+
+Buiten gloeiden de Alpen, luidden de avondklokken en zongen de
+dochteren der zon: «Moge het beste geschieden!»
+
+
+
+XIV.
+
+Nachtelijke droomgezichten.
+
+
+De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de
+hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika
+kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken
+scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik
+doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen
+de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom;
+zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende
+adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij
+daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en
+zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met
+zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was
+de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom
+draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere
+bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten
+der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten,
+zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze
+kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den
+ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot
+in het open meer.
+
+«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water.
+
+Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren
+droom.
+
+Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert
+vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar
+woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij
+haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht,
+hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het
+huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede,
+alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd;
+het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond
+zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd,
+haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven,
+en op den rotswand zag zij Rudy;--zij strekte haar armen naar hem uit,
+maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet
+gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was,
+maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen,
+dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in
+grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag,
+mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een
+groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij
+en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!» En
+in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er
+sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon...
+
+Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,--maar zij wist
+toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman
+gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien
+zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou
+zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er
+over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar
+al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten
+er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk,
+en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy.
+
+Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig
+daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig,
+en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een
+goed vader en een eerlijke ziel.
+
+«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat.
+
+
+
+XV.
+
+Besluit.
+
+
+Het was nog geen avond, toen de drie vroolijke menschen Villeneuve
+bereikten en daar hun middagmaal hielden. De molenaar zette zich in
+den leuningstoel neer, rookte zijn pijp en deed een kort dutje. Het
+jonge bruidspaar liep gearmd de stad uit en ging den straatweg langs
+onder de met struiken begroeide rotsen langs het blauwachtig groene,
+diepe meer; het sombere Chillon spiegelde zijn grauwe muren en zijn
+logge torens in den helderen vloed af; het kleine eiland met de drie
+acacia's lag nog dichter bij: het zag er uit als een bloemruiker op
+het meer.
+
+«Het moet daarboven verrukkelijk schoon zijn!» zei Babette. Zij
+had weer heel veel lust om daar naar toe te gaan, en deze wensch kon
+terstond in vervulling komen; aan den oever lag een schuitje; het touw,
+waarmee het was vastgebonden, was gemakkelijk los te maken. Men zag
+niemand, dien men vergunning kon vragen om het te gebruiken, en zoo
+stapten zij dan zonder verder beraad in het schuitje. Rudy had er
+wel verstand van, de roeiriemen te gebruiken.
+
+De roeiriemen grepen als vinnen van een visch in het water, dat zoo
+buigzaam en toch zoo sterk is, dat een rug tot dragen en een mond
+tot verslinden heeft, dat vriendelijk glimlacht, de zachtzinnigheid
+zelve is, en toch schrik inboezemt en sterk tot verbrijzelen is. Een
+schuimend zog vertoonde zich achter het schuitje, dat beiden in weinige
+minuten naar het eilandje overbracht, waar zij aan land stapten. Hier
+was niet meer plaats dan voor een dans voor twee personen.
+
+Rudy draaide met Babette een paar malen in de rondte; daarop gingen
+zij hand in hand op de kleine bank onder de neerhangende acacia's
+zitten, keken elkaar in de oogen, en alles in het rond straalde in den
+glans der ondergaande zon. De dennenbosschen der bergen kleurden zich
+paarsachtig rood als bloeiend heidekruid, en waar de boomen ophielden
+en de steenen te voorschijn kwamen, daar gloeiden deze, alsof de rots
+doorzichtig was; de wolken aan den hemel fonkelden als rood vuur, het
+geheele meer was als het frissche, gloeiende rozeblad. Langzamerhand
+rezen de schaduwen langs de met sneeuw bedekte bergen van Savoye
+naar boven en kleurden ze zwartachtig blauw; maar de bovenste toppen
+fonkelden als gloeiende lava, zij vertoonden een oogenblik uit de
+vormingsgeschiedenis der bergen, toen deze massa's zich gloeiend uit
+den schoot der aarde verhieven en nog niet afgekoeld waren. Rudy en
+Babette meenden, zulk een Alpengloed nog nooit gezien te hebben. De
+met sneeuw bedekte Dent du midi had een glans als de schijf der volle
+maan, wanneer zij aan den horizon oprijst.
+
+«Zooveel schoonheid! Zooveel geluk!» zeiden beiden.--«De aarde heeft
+mij niets meer te geven!» zei Rudy. «Een avond als deze is toch een
+geheel leven! Hoe dikwijls gevoelde ik mijn geluk, zooals ik het nu
+gevoel, en dacht, hoe gelukkig ik zou geleefd hebben, al kwam er nu
+ook aan alles een einde! Hoe heerlijk is deze wereld! En de dag liep
+ten einde, maar een nieuwe begon, en het kwam mij voor, alsof _deze_
+nog schooner was! Hoe oneindig goed is God, Babette!»
+
+«Ik gevoel mij zoo van heeler harte gelukkig!» zeide zij.
+
+«Meer heeft de aarde mij niet te geven!» riep Rudy uit.
+
+En de avondklokken klonken van de bergen van Savoye, van de Zwitsersche
+bergen; in het Westen verhief zich in den gouden glans het zwartachtig
+blauwe Juragebergte.
+
+«God geve je het heerlijkste en het beste!» zei Babette.
+
+«Dat zal Hij doen!» zei Rudy. «Morgen zal ik het hebben! Morgen ben
+je geheel de mijne, mijn eigen, lief vrouwtje!»
+
+«Het schuitje!» riep Babette plotseling uit.
+
+Het schuitje, dat hen moest terugbrengen, was losgeraakt en dreef
+van het eilandje weg.
+
+«Ik zal het wel terughalen!» zei Rudy, trok zijn jas en zijn laarzen
+uit, sprong in het meer en zwom het schuitje met krachtige slagen
+achterna.
+
+Koud en diep was het heldere, blauwachtig groene ijswater van den
+gletscher van het gebergte. Rudy keek in het water neer; slechts een
+enkele blik, en het was hem, alsof hij een gouden ring zag rollen,
+glinsteren, fonkelen,--zijn verlovingsring kwam hem in de gedachten,
+en de ring werd grooter, breidde zich in een fonkelenden kring uit,
+en hierin schitterde de heldere gletscher; diepe kloven gaapten er in
+het rond, en het was, alsof het water geluid gaf als een klokkenspel
+en van witachtig blauwe vlammetjes fonkelde; in een oogenblik zag
+hij, wat wij met vele woorden moeten zeggen. Jonge jagers en jonge
+meisjes, mannen en vrouwen, die eenmaal in de kloven der gletschers
+neergezonken waren, stonden hier levend met een open en glimlachenden
+mond, en diep beneden klonken de kerkklokken van weggezonken steden;
+de gemeente knielde onder de gewelven der kerk, stukken ijs vormden
+de orgelpijpen, de rotsstroom speelde op het orgel; de ijsjonkvrouw
+zat op den helderen, doorzichtigen grond, zij hief zich naar Rudy op,
+kuste zijn voeten, en een ijskoude huivering ging hem door de leden,
+een electrieke schok--ijs en vuur! Men kan tusschen deze bij de
+kortstondige aanraking geen onderscheid merken.
+
+«Gij zijt de mijne!» klonk het om hem en in hem. «Ik kuste u, toen
+ge nog klein waart, op uw mond!--Nu kus ik u op uw teenen en op uw
+hielen, nu behoort ge mij geheel toe!»
+
+En hij verdween in het heldere blauwe water.
+
+Alles was stil, de kerkklokken verstomden, de laatste tonen verdwenen
+met den glans aan de roode wolken.
+
+«De mijne zijt gij!» klonk het in de diepte; «de mijne zijt gij!»
+klonk het in de hoogte.
+
+Wat is het heerlijk van liefde tot liefde, van de aarde naar den
+hemel te vliegen.
+
+Er sprong een snaar, er klonk een rouwtoon, de ijskus des doods overwon
+het vergankelijke; het voorspel eindigde, opdat het levensdrama zou
+kunnen beginnen, de wanklanken losten zich in de schoonste harmonie op.
+
+Noemt ge dat een treurige geschiedenis?
+
+Die arme Babette! Zij verkeerde in een nameloozen angst. Het
+schuitje dreef gedurig verder weg. Niemand aan den vasten wal wist,
+dat het bruidspaar naar het kleine eilandje gevaren was. De wolken
+daalden, de avond was donker. Alleen, wanhopig, jammerend stond
+zij daar. Een onweder hing boven haar, de eene bliksemstraal na
+den anderen fonkelde over het Juragebergte, over Zwitserland en
+over Savoye heen; van alle kanten schoten er bliksemstralen, van
+alle kanten deden zich donderslagen hooren, zij rolden in elkaar,
+minuten lang. De bliksemstralen hadden vaak den glans der zon, men
+zag iederen wijnstok, evenals op den tijd van den middag, en terstond
+daarop was alles weer in duisternis gehuld. De bliksemstralen sloegen
+in het meer in, zij flikkerden van alle kanten, terwijl het gedreun,
+door de echo's weerkaatst, nog heviger werd. Op het land trok men de
+schuitjes op den oever; alles, wat leven had, zocht beschutting! En
+nu stroomde de regen neer.
+
+«Waar zouden Rudy en Babette toch in dit onweer zijn?» zei de molenaar.
+
+Babette zat met gevouwen handen, met het hoofd in den schoot,
+sprakeloos van smart; zij weende, zij jammerde niet meer.
+
+«In het diepe water!» sprak zij bij zich zelve. «Diep beneden is hij
+onder den gletscher!»
+
+Het kwam haar in de gedachten, wat Rudy van den dood van zijn moeder
+en van zijn redding verteld had, toen hij als een lijk uit de kloof
+van den gletscher gedragen werd. «De ijsjonkvrouw heeft hem weer.»
+
+Er kwam een bliksemstraal, even verblindend als zonneschijn op de witte
+sneeuw. Babette sprong op; het meer verhief zich op dit oogenblik als
+een vlammende gletscher, de ijsjonkvrouw stond daar vol majesteit,
+blauwachtig bleek, stralend, en aan haar voeten lag het lijk van
+Rudy. «Hij behoort mij toe!» zeide zij, en ver in het rond zag zij
+weer niets anders dan duisternis en voortbruisende wateren.
+
+«Hoe wreed!» jammerde Babette. «Waarom moest hij juist sterven,
+nu de dag van ons geluk aanbrak? God, mijn God! verlicht mijn
+verstand! Straal in mijn hart! Ik begrijp Uw wegen niet! Ik tast rond
+in de besluiten van Uw almacht en wijsheid!»
+
+En God verhoorde haar bede. Een gedachtebliksem, een genadestraal,
+haar droom van den afgeloopen nacht, levendig als deze geweest was,
+kwam haar weer voor den geest; zij herinnerde zich de woorden, den
+wensch, dien zij uitgesproken had omtrent datgene, wat voor haar en
+Rudy het beste zou zijn.
+
+«Wee mij! Was dat de kiem der zonde in mijn hart? Was mijn droom een
+leven der toekomst, welks snaar ter mijner redding moest breken? Ik
+ellendige!»
+
+Jammerend zat zij daar in den donkeren nacht. Door de diepe stilte
+schenen de woorden van Rudy nog te klinken, de laatste, die hij hier
+sprak: «Meer heeft de aarde mij niet te geven!» Zij klonken in de
+volheid der vreugde, zij werden herhaald in diepe smart.
+
+
+
+Jaren zijn er sedert verloopen. Het meer glimlacht, zijn oevers
+glimlachen; de wijnstok krijgt zwellende druiven; stoombooten met
+wapperende vlaggen jagen voorbij, plezierbootjes met hun gezwollen
+zeilen vliegen over den waterspiegel als witte vlinders; de spoorweg
+over Chillon is geopend en voert diep het Rhônedal in. Aan ieder
+station stappen vreemdelingen uit; zij houden hun in rood gebondene
+reisboeken in de hand en lezen daarin, wat zij al zoo merkwaardigs
+te zien hebben. Zij bezoeken Chillon, zij zien buiten in het meer
+het kleine eiland met de drie acacia's, en lezen in het boek van
+het bruidspaar, dat daar op een avond van het jaar 1856 langs voer,
+van den dood van den bruidegom en: «eerst den volgenden morgen hoorde
+men aan den oever het wanhopige jammeren der bruid.»
+
+Maar het reishandboek vertelt niets van het stille leven van Babette
+bij haar vader, niet in den molen,--want daar wonen nu andere
+menschen,--maar in het mooie huis in de nabijheid van den spoorweg,
+uit welks ramen zij nog menigen avond over de kastanjeboomen naar
+de sneeuwbergen kijkt, waarover Rudy zich eenmaal voortspoedde; zij
+ziet des avonds den Alpengloed, de kinderen der zon legeren zich
+op de hooge bergen en herhalen het lied van den reiziger, wien de
+wervelwind den mantel afrukte, het hulsel ontnam, maar niet den man.
+
+Hier is rozenglans op de sneeuw van den berg, rozenglans in ieder hart,
+waarin de gedachte woont: «God laat het beste voor ons geschieden!»
+Maar het wordt ons niet altijd geopenbaard, zooals het Babette in
+haar droom geopenbaard werd.
+
+
+
+
+DE NACHTEGAAL.
+
+
+In China, moet je weten, is de keizer een Chinees en allen, die hij om
+zich heen heeft, zijn ook Chineezen. Het is nu al vele jaren geleden,
+maar juist daarom is het de moeite wel waard, de geschiedenis eens
+te hooren, voordat zij vergeten wordt. Het keizerlijk paleis was
+het prachtigste van de wereld, geheel en al van fijn porselein, zeer
+kostbaar, maar zoo broos, zoo gevaarlijk om er aan te raken, dat men
+zich zeer in acht moest nemen. In den tuin zag men de wonderlijkste
+bloemen, en aan de prachtigste waren zilveren klokjes vastgebonden,
+die altijd bengelden, opdat men niet zou voorbijgaan, zonder op de
+bloemen te letten. Ja, alles was in den tuin van den keizer keurig
+ingericht. En hij strekte zich zoo ver uit, dat de tuinman zelf het
+einde daarvan niet wist. Als men maar steeds verder ging, dan kwam
+men in het heerlijkste bosch met hooge boomen en diepe meren. Het
+bosch strekte zich tot aan de zee uit, die blauw en diep was; groote
+schepen konden tot onder de takken der boomen voortzeilen, en in
+deze boomen woonde een nachtegaal, die zoo prachtig zong, dat zelfs
+de arme visscher, die toch drukke bezigheden had, met werken ophield
+en luisterde, als hij 's nachts uitgevaren was, om zijn net uit te
+werpen, en dan den nachtegaal hoorde. «Och, och! wat is dat mooi!»
+zei hij; maar hij moest op zijn zaken acht geven en vergat den vogel
+daardoor. Maar als deze den volgenden nacht weer zong en de visscher
+daarheen kwam, dan zei hij hetzelfde weer.
+
+Uit alle landen der wereld kwamen er reizigers naar de stad van den
+keizer en bewonderden deze, en vooral het paleis en den tuin. Maar
+als zij den nachtegaal hoorden, dan zeiden zij toch allen: «Dat is
+nog het mooiste van alles!»
+
+De reizigers vertelden daarvan, als zij weer thuis kwamen; en
+de geleerden schreven vele boeken over de stad, het paleis en den
+tuin. Maar ook den nachtegaal vergaten zij niet: deze werd het hoogst
+gesteld; en zij, die verzen konden maken, schreven de prachtigste
+gedichten over den nachtegaal in het bosch bij de diepe zee.
+
+Deze boeken werden door de geheele wereld verspreid, en enkele daarvan
+kwamen ook den keizer in handen. Deze zat op zijn gouden stoel en
+las; ieder oogenblik knikte hij met het hoofd, want het deed hem
+genoegen, de prachtige beschrijvingen van de stad, het paleis en den
+tuin te lezen. «Maar de nachtegaal is nog het mooiste van alles!»
+stond daar geschreven.
+
+«Wat is dat?» riep de keizer uit. «Den nachtegaal ken ik niet eens! Is
+er zulk een vogel in mijn keizerrijk en zelfs in mijn tuin? Dat heb
+ik nog nooit gehoord! Dat ik zoo iets eerst uit boeken moet vernemen!»
+
+En hierop riep hij zijn kamerheer. Deze was zoo voornaam, dat hij,
+als iemand, die minder dan hij was, tegen hem wilde spreken of hem
+naar iets vragen, niets anders ten antwoord gaf dan: «P!» en dat
+beteekent niets.
+
+«Er moet hier een uiterst merkwaardige vogel zijn, die nachtegaal
+genoemd wordt!» zei de keizer. «Men zegt, dat deze het mooiste van
+alles in mijn groot rijk is. Waarom heeft men mij daarvan nooit
+iets gezegd?»
+
+«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Hij is
+nooit ten hove voorgesteld.»
+
+«Ik wil, dat hij heden avond in het paleis komt en voor mij zingt!»
+zei de keizer. «De heele wereld weet, wat ik heb, en ik weet het niet.»
+
+«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Ik zal
+hem zoeken, ik zal hem vinden!»
+
+Maar waar zou hij te vinden zijn? De kamerheer liep alle trappen op en
+neer, door zalen en gangen, maar geen van allen, die hij ontmoette,
+had over den nachtegaal hooren spreken. En de kamerheer keerde naar
+den keizer terug en zei, dat het zeker een verzinseltje moest zijn
+van hen, die boeken schreven. «Uwe Keizerlijke Majesteit kan niet
+begrijpen, wat er al zoo geschreven wordt! Dat zijn verdichtselen en
+iets, wat men de zwarte kunst noemt.»
+
+«Maar het boek, waarin ik dit gelezen heb,» zei de keizer, «is mij
+door den grootmachtigen keizer van Japan gezonden; en het kan dus
+geen onwaarheid zijn. Ik wil den nachtegaal hooren! Hij moet heden
+avond hier zijn. Hij bezit mijn hoogste genade! En als hij niet komt,
+dan moet het geheele hof met stokslagen gestraft worden, wanneer men
+den avondmaaltijd genuttigd heeft!»
+
+«Tsing pe!» zei de kamerheer en liep nogmaals alle trappen op en
+neer, door al de zalen en gangen; en het halve hof liep mee, want zij
+wilden niet graag stokslagen krijgen. Nu werd er aan ieder gevraagd
+naar den merkwaardigen nachtegaal, dien de heele wereld kende, maar
+aan het hof niemand.
+
+Eindelijk troffen zij een klein, arm meisje in de keuken aan, dat
+tegen hen zei: «Och, hemel! den nachtegaal ken ik heel goed! O,
+wat kan die zingen! Iederen avond mag ik de restjes van de tafel
+aan mijn arme, zieke moeder brengen; zij woont aan het strand, en
+als ik terugkom, moe ben en in het bosch uitrust, dan hoor ik den
+nachtegaal zingen! Daarbij komen mij de tranen in de oogen, en het
+is mij, alsof mijn moeder mij kuste!»
+
+«Beste meid!» zei de kamerheer, «ik zal je een post in de keuken
+bezorgen en de vergunning, den keizer te zien eten, als je ons naar
+den nachtegaal kunt brengen, want deze is tegen van avond aan het
+hof ontboden!»
+
+En zoo liepen zij met hun allen het bosch in, waar de nachtegaal
+placht te zingen; het halve hof was er bij. Toen zij een eindje
+geloopen hadden, begon er een koe te loeien.
+
+«Ziezoo!» zeiden de hovelingen, «daar hebben we hem! Wat zit er toch
+een stem in zoo'n klein beestje! Ik moet dit vroeger zeker als eens
+meer gehoord hebben.»
+
+«Neen, dat is een koe, die loeit!» zei het meisje. «We zijn nog ver
+van de plaats verwijderd.»
+
+Nu kwaakten de kikvorschen in het moeras.
+
+«Prachtig!» riep de Chineesche hofprediker. «Nu hoor ik hem; het
+klinkt precies als kleine kerkklokken.»
+
+«Neen, dat zijn kikvorschen!» zei het meisje. «Maar nu denk ik,
+dat we hem gauw zullen hooren.»
+
+Daar begon de nachtegaal te zingen.
+
+«Dat is hij!» zei het meisje. «Hoort! Hoort! Daar zit hij!» En hierbij
+wees zij naar een kleinen, grauwachtigen vogel boven in de takken.
+
+«Hoe is 't mogelijk?» zei de kamerheer. «Zoo had ik hem mij niet
+voorgesteld! Wat ziet hij er eenvoudig uit! Hij heeft zeker zijn
+kleur verloren, doordat hij zoo vele deftige heeren om zich heen ziet!»
+
+«Lieve nachtegaal!» zeide het meisje overluid; «onze genadige keizer
+verlangt, dat ge voor hem zingt.»
+
+«Met het meeste genoegen!» antwoordde de nachtegaal en zong daarop,
+dat het een lust was om te hooren.
+
+«Het klinkt precies als glazen klokjes!» zei de kamerheer. «En kijk
+dat kleine keeltje eens, hoe het op en neer gaat! Het is zonderling,
+dat wij hem vroeger nooit gehoord hebben. Hij zal aan het hof zeker
+wel veel opgang maken!»
+
+«Moet ik nog eens voor den keizer zingen?» vroeg de nachtegaal,
+die dacht, dat de keizer er ook bij was.
+
+«Mijn voortreffelijke kleine nachtegaal!» zei de kamerheer, «ik heb
+het genoegen, u heden avond tot een feest ten hove uit te noodigen,
+waar ge Zijne Keizerlijke Majesteit door uw verrukkelijk gezang
+ongetwijfeld zult betooveren.»
+
+«Dit laat zich het best te midden van het geboomte hooren!» zei de
+nachtegaal; maar hij ging toch mee, toen hij hoorde, dat de keizer
+het wenschte.
+
+In het paleis was alles in orde gebracht. De wanden en de vloeren,
+die van porselein waren, fonkelden in den glans van vele duizenden
+gouden lampen; de prachtigste bloemen, die goed konden klingelen,
+waren in de gangen neergezet. Daar was een geloop en gedraaf, en alle
+klokjes klingelden zoo, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan.
+
+Midden in de groote zaal, waar de keizer zat, was een gouden stok
+geplaatst: daarop moest de nachtegaal zitten. Het geheele hof was er,
+en de kleine keukenmeid had vergunning verkregen, om achter de deur
+te staan, daar zij nu den titel van een werkelijke hofkeukenmeid
+gekregen had. Allen waren in feestgewaad gedost, en allen keken naar
+den kleinen, grauwachtigen vogel, dien de keizer toeknikte.
+
+De nachtegaal zong zoo prachtig, dat den keizer de tranen in de oogen
+kwamen en langs de wangen biggelden; en nu zong de nachtegaal nog
+mooier: het ging hem zoo recht van harte. De keizer was zoo verrukt,
+dat hij zei, dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel om den hals
+moest dragen. Maar de nachtegaal bedankte hiervoor: hij was al
+genoeg beloond.
+
+«Ik heb tranen in 's keizers oogen gezien, dat is voor mij de grootste
+schat! De tranen van een keizer hebben een bijzondere kracht! God weet
+het, ik ben genoeg beloond!» Daarop zong hij weer met zijn liefelijke,
+prachtige stem.
+
+«Dat is de beminnelijkste coquetterie, die ik ken!» zeiden de dames in
+de rondte, en toen namen zij water in den mond om daarmee te klokken,
+als iemand tegen haar sprak. Zij meenden, dat zij dan ook nachtegalen
+waren. Ja, de lakeien en de kameniers lieten berichten, dat ook zij
+tevreden waren; dat wil veel zeggen, want die zijn het moeilijkst te
+voldoen. In één woord, de nachtegaal vond algemeenen bijval.
+
+Hij zou nu aan het hof blijven, zijn eigen kooi hebben en de vergunning
+krijgen, er overdag tweemaal en 's nachts eenmaal uit te komen. Hij
+kreeg daarop twaalf bedienden, die allen een zijden draadje om een van
+zijn pooten gebonden hadden, waaraan zij hem stevig vasthielden. Er
+was volstrekt geen plezier in zulk een wandeling.
+
+De geheele stad sprak over den merkwaardigen vogel, en als twee elkaar,
+ontmoetten, dan zei de een niets anders dan «Nacht!» en dan zei de
+ander: «Gaal» [18]. En dan zuchtten zij en begrepen elkaar. Ja, elf
+kinderen werden er naar hem genoemd; maar niet een van hen had eenig
+geluid in zijn keel.
+
+Op zekeren dag kreeg de keizer een groot pakket, waarop geschreven
+stond: «De nachtegaal.»
+
+«Daar hebben we nu een nieuw boek over onzen beroemden vogel!» zei
+de keizer. Maar het was geen boek, maar een klein kunstwerk, dat
+in een doosje lag: een kunstmatige nachtegaal, die op den levenden
+moest gelijken, maar overal met diamanten, robijnen en saffieren als
+bezaaid was. Zoodra men den kunstmatigen vogel opwond, kon hij een
+der stukken, die de werkelijke vogel zong, zingen: en dan bewoog zijn
+staart op en neer en fonkelde van zilver en goud. Om zijn hals hing
+een klein lint, en daarop stond geschreven: «De nachtegaal van den
+keizer van Japan is arm, bij dien van den keizer van China vergeleken.»
+
+«Dat is prachtig!» zeiden allen; en de persoon, die den kunstmatigen
+vogel gebracht had, kreeg dadelijk den titel van Keizerlijken
+Opper-Nachtegaalbrenger.
+
+«Nu moeten zij eens samen zingen. Wat zal dat een mooi duet worden!»
+
+En zoo moesten zij samen zingen; maar het eene gezang paste niet goed
+bij het andere, want de werkelijke nachtegaal zong op zijn wijze
+en de kunstmatige vogel bracht geluid voort door het ronddraaien
+van een cilinder. «Het is zijn schuld niet,» zei de muziekmeester;
+«hij blijft goed in de maat en zingt geheel volgens mijn methode!»
+Nu moest de kunstmatige vogel alleen zingen. Hij vond evenveel bijval
+als de werkelijke, en daarbij kwam nog, dat hij er veel mooier uitzag:
+hij fonkelde als armbanden en doekspelden.
+
+Drie-en-dertig maal zong hij één en hetzelfde stuk en was nog niet
+moe. De aanwezigen zouden hem graag nog eens gehoord hebben, maar de
+keizer beweerde, dat nu ook de levende nachtegaal eens iets moest
+zingen.---Maar waar was die? Niemand had gemerkt, dat hij door het
+openstaande raam naar zijn groene bosschen weggevlogen was.
+
+«Wat is dat?» riep de keizer uit. En al de hovelingen waren geërgerd
+en beweerden, dat de nachtegaal een heel ondankbaar beest was. «Den
+besten nachtegaal hebben we toch!» zeiden zij; en zoo moest dan de
+kunstmatige vogel weer zingen, en dat was de vier-en-dertigste maal,
+dat zij hetzelfde stuk te hooren kregen. Zij kenden het met dat al toch
+niet van buiten; want het was veel te moeilijk. En de muziekmeester
+prees den vogel hemelhoog; ja, hij verzekerde, dat hij beter dan
+een levende nachtegaal was, niet alleen wat zijn veeren en de vele
+prachtige diamanten betreft, maar ook innerlijk.
+
+«Want ziet ge, Mijne Heeren! en bovenal gij, Uwe Majesteit! bij den
+werkelijken nachtegaal kan men nooit berekenen, wat er zal komen; maar
+bij den kunstmatigen vogel is alles bepaald! Men kan het verklaren,
+men kan hem opendoen en het aan de menschen begrijpelijk maken,
+hoe de cilinders zitten, hoe zij omdraaien, en hoe het een uit het
+ander volgt.»
+
+«Zoo denken wij er ook over!» zeiden allen, en de muziekmeester
+kreeg de vergunning, den vogel den volgenden Zondag aan het volk
+te laten zien. Het moest hem ook hooren zingen, beval de keizer. En
+het volk hoorde hem; en het werd zoo uitgelaten, alsof het zich aan
+thee bedronken had, want dat is Chineesch. Nu zeiden allen: «O!»
+en hielden hun wijsvinger in de hoogte en knikten daarbij. De arme
+visschers echter, die den werkelijken nachtegaal gehoord hadden,
+zeiden: «Dat klinkt niet onaardig; de zangwijzen gelijken ook op
+elkaar; maar er ontbreekt toch iets aan, ik weet niet wat.»
+
+De werkelijke nachtegaal werd uit het land verbannen.
+
+De kunstmatige vogel had zijn plaats op een zijden kussen dicht bij het
+bed van den keizer; al de geschenken, die hij gekregen had, lagen om
+hem heen, en in den titel was hij tot een «Keizerlijken Kamerzanger»
+geklommen, in den rang tot nummer één aan de linkerzijde. Want de
+keizer rekende die zijde voor de voornaamste, waar het hart zit, en
+het hart zit ook bij een keizer links. En de muziekmeester schreef
+een werk van vijf-en-twintig deelen over den kunstmatigen vogel; dit
+was zoo geleerd en zoo lang, vol van de allermoeilijkste Chineesche
+woorden, dat alle menschen zeiden, dat zij het gelezen en begrepen
+hadden; want anders zouden zij immers dom geweest zijn en stokslagen
+gekregen hebben.
+
+Zoo ging het een geheel jaar door. De keizer, het hof en al de andere
+Chineezen kenden het gezang van den kunstmatigen vogel nu heelemaal
+van buiten. Maar juist daarom beviel het hun ook het allerbest; zij
+konden zelf meezingen, en dat deden zij dan ook. De straatjongens
+zongen: «Tititi, tititi!» En de keizer zong het insgelijks. Ja,
+dat was allerprachtigst!
+
+Op zekeren avond echter, toen de kunstmatige vogel overheerlijk zong
+en de keizer te bed lag en daarnaar luisterde, ging het van binnen
+in den vogel «Knap!» Daar sprong iets! «Rrrrr!» alle raderen liepen
+in de rondte, en toen stond de muziek stil.
+
+De keizer sprong dadelijk uit zijn bed en liet zijn lijfarts roepen;
+maar wat kon _die_ er aan doen? Toen lieten zij den horlogemaker halen,
+en na veel praten en bekijken kreeg hij den vogel een beetje in orde;
+maar hij zeide, dat hij ontzien moest worden, want de pennetjes waren
+afgesleten, en het was onmogelijk, er nieuwe zóó in te zetten, dat de
+muziek goed bleef gaan. Nu heerschte er een diepe treurigheid! Slechts
+eenmaal in het jaar mocht men den kunstmatigen vogel laten zingen,
+en dat was bijna nog te veel. Maar dan hield de muziekmeester een
+korte toespraak vol vreemde woorden en zeide, dat hij even goed was
+als vroeger; en toen was hij ook even goed als vroeger.
+
+Nu waren er vijf jaren verloopen, en het land werd in diepe treurigheid
+gedompeld. De Chineezen hielden in den grond allen veel van hun keizer,
+en nu was hij ziek en zou het wel niet lang meer maken, zei men. Er
+was al een _nieuwe_ keizer gekozen, en het volk stond buiten op de
+straat en vroeg aan den kamerheer, hoe het met hun ouden keizer ging.
+
+«P!» zeide hij en schudde met het hoofd.
+
+Koud en bleek lag de keizer in zijn groot, prachtig ledekant; het
+geheele hof dacht, dat hij dood was, en ieder van hen liep weg, om den
+nieuwen keizer te begroeten. De kamerdienaars liepen naar buiten, om
+daarover te praten, en de kameniers hadden een groote koffievisite. In
+al de zalen en gangen was laken neergelegd, opdat men geen voetstap
+zou hooren, en daarom was het er stil! Maar de keizer was nog niet
+dood; stijf en bleek lag hij in het prachtige ledekant met de lange
+fluweelen gordijnen en de zware gouden kwasten; in de hoogte stond
+er een raam open, en de maan scheen daardoor heen op den keizer en
+den kunstmatigen vogel.
+
+De arme keizer kon tenauwernood ademhalen; het was, alsof er iets
+op zijn borst zat; hij deed de oogen open, en nu zag hij, dat het
+de dood was, die op zijn borst zat en zich zijn gouden kroon opgezet
+had en in de eene hand zijn gouden sabel, in de andere zijn prachtig
+vaandel hield. En uit de plooien van de groote, fluweelen bedgordijnen
+kwamen wonderlijke hoofden kijken: enkele leelijk, andere liefelijk
+en vriendelijk. Dat waren al 's keizers booze en goede daden, die
+hem aanstaarden, terwijl de dood hem op het hart zat.
+
+«Herinnert ge u dit?» fluisterde de een na den ander. «Herinnert ge
+u dat?» En dan vertelden zij hem zoo veel, dat hem het zweet van het
+voorhoofd gutste.
+
+«Dat heb ik niet geweten!» zei de keizer. «Muziek! Muziek! De groote
+Chineesche trommel!» riep hij, «opdat ik niet alles behoef te hooren,
+wat zij zeggen!»
+
+En zij gingen voort, en de dood knikte als een Chinees bij alles,
+wat er gezegd werd.
+
+«Muziek! Muziek!» schreeuwde de keizer. «Och, kleine, prachtige
+gouden vogel! Zing toch, zing toch! Ik heb u immers goud en
+kostbaarheden gegeven; ik heb u zelfs mijn gouden pantoffel om den
+hals gehangen. Zing toch, zing toch!»
+
+Maar de vogel hield zich stil, er was niemand om hem op te winden,
+en anders zong hij niet; maar de dood ging voort, den keizer met zijn
+groote, holle oogen aan te staren; en stil was het, akelig stil.
+
+Daar deed zich op eens van den kant van het raam het heerlijkste
+gezang hooren: het was de kleine, levende nachtegaal, die buiten op een
+tak zat. Hij had van de ziekte van zijn keizer gehoord en was daarom
+gekomen, om hem troost en hoop toe te zingen. En terwijl hij zong,
+werden de spooksels gedurig bleeker en bleeker; het bloed begon gedurig
+sneller en sneller door 's keizers zwakke leden te vloeien, en zelfs
+de dood luisterde en zei: «Zing door, kleine nachtegaal! Zing door!»
+
+«Wilt ge mij dan de prachtige gouden sabel geven? Wilt ge mij het
+mooie vaandel geven? Wilt ge mij de kroon van den keizer geven?»
+
+En de dood gaf ieder kleinood voor een lied; en de nachtegaal ging
+nog steeds met zingen voort; hij zong van den stillen akker Gods,
+waar de witte rozen groeien, waar de vlier geurt, en waar het frissche
+gras door de tranen der achterblijvenden bevochtigd wordt. Nu kreeg de
+dood verlangen naar zijn tuin en zweefde, als een koude, witte nevel,
+uit het raam.
+
+«Dank, dank!» zei de keizer. «Gij hemelsche, kleine vogel! Ik
+ken u wel! Ik heb u uit mijn land verjaagd! En toch hebt gij de
+booze gezichten van mijn bed weggezonden, den dood van mijn hart
+verdreven! Hoe kan ik u daarvoor beloonen?»
+
+«Ge hebt mij beloond!» zei de nachtegaal. «Ik heb aan uw oogen tranen
+ontlokt, toen ik de eerste maal zong: dat vergeet ik nimmer! Dat zijn
+juweelen, die een zangershart verheugen! Maar slaap nu en word weer
+frisch en sterk! Ik zal u iets voorzingen!»
+
+En hij zong,--en de keizer viel in een zoete sluimering. O, hoe mild
+en weldadig was die slaap!
+
+De zon scheen door het raam naar binnen, toen hij gesterkt en gezond
+ontwaakte. Geen van zijn bedienden was nog teruggekomen, want zij
+dachten, dat hij dood was; alleen de nachtegaal zat nog bij hem
+en zong.
+
+«Altijd moet ge bij mij blijven!» zei de keizer. «Ge moet nu maar
+zingen, als ge zelf wilt, en den kunstmatigen vogel sla ik in duizend
+stukken.»
+
+«Doe dat niet!» zei de nachtegaal. «Hij heeft immers het goede gedaan,
+zoo lang als hij kon. Behoud hem, evenals tot hiertoe! Ik kan in het
+paleis mijn nest niet bouwen en daar wonen; maar laat mij komen, als
+ik zelf lust heb; dan zal ik 's avonds op den tak daar bij het raam
+zitten en iets voor u zingen, opdat ge vroolijk kunt worden en tevens
+leert nadenken. Ik zal van de gelukkigen zingen en van hen, die in
+lijden zijn. Ik zal van het kwade en van het goede zingen, dat om u
+heen verborgen blijft. De kleine zangvogel vliegt ver in de rondte,
+naar den armen visscher, naar den nijveren landman, naar iedereen,
+die ver van u en uw hof verwijderd is. Ik heb uw hart liever dan uw
+kroon, en toch heeft die kroon een stralenkrans van heiligheid om
+zich heen!--Ik zal dus komen en iets voor u zingen!--Maar dan moet
+ge mij één ding beloven!»
+
+«Alles!» zei de keizer en stond daar in zijn keizerlijk gewaad, dat
+hij zelf aangetrokken had, en drukte de sabel, die zwaar van het goud
+was, aan zijn hart.
+
+«Om één ding smeek ik u! Vertel aan niemand, dat ge een kleinen vogel
+hebt, die u alles zegt; dan zal het nog beter gaan!»
+
+Nu vloog de vogel weg.
+
+De bedienden kwamen binnen, om naar hun dooden keizer te kijken,----ja,
+daar stonden zij, en de keizer zei: «Goeden morgen!»
+
+
+
+
+EEN GESCHIEDENIS.
+
+
+In den tuin bloeiden al de appelboomen; zij hadden zich gehaast,
+bloesems te krijgen, voordat hun bladeren ontsproten; en in den tuin
+gingen al de eendjes wandelen, en ook de kat; zij bakerde zich in de
+zon en likte den zonneschijn van haar eigen poot af. En als men een
+blik op de velden sloeg, wat stond daar het koren heerlijk te prijken,
+en wat was alles onbeschrijfelijk prachtig, en wat was er een getjilp
+en een gekwinkeleer van al de kleine vogeltjes, alsof het een groot
+feest was, en dat was het ook, want het was Zondag. De klokken luidden
+en al de menschen gingen in hun beste kleeren naar de kerk en zagen
+er vergenoegd uit; ja, aan alles was iets vroolijks; het was een dag,
+zoo warm en gezegend, dat men wel zeggen kon: De goede God is toch
+onbeschrijfelijk goed voor ons menschen!
+
+Maar binnen in de kerk stond de dominee op den preekstoel en sprak
+heel luid en toornig; hij zei, dat de menschen allemaal goddeloos
+waren, God zou ze daarom straffen, en als ze stierven, dan zouden
+de boozen allemaal in de hel komen, om eeuwig te branden. Hij wees
+er met nadruk op, «dat hun worm niet zou sterven en hun vuur niet
+uitgebluscht worden, dat zij nimmer rust zouden vinden!»
+
+Dat was vreeselijk om aan te hooren, en hij zei dit op zulk een toon
+van overtuiging; hij beschreef hun de hel als een verpeste plaats,
+waarheen al het ontuig uit de geheele wereld samenvloeit,--daar was
+geen andere lucht, dan de heete brandende zwavelvlam, daar was geen
+grond, zij--de boozen--zonken en zonken al dieper en dieper bij een
+eeuwig stilzwijgen!--Het was reeds vreeselijk daarvan te hooren;
+want de dominee sprak het uit het volle hart, en al de menschen in
+de kerk waren daarover ontzet.
+
+Buiten intusschen zongen al de vogeltjes zoo vroolijk, en de zon
+scheen zoo warm, het was alsof ieder bloempje zei: «God! Gij zijt zoo
+onbeschrijfelijk goed voor ons allen!»--Ja, buiten was het volstrekt
+niet, zooals de dominee preekte.
+
+Dien zelfden avond bij het naar bed gaan keek de dominee zijn vrouw
+aan en zag, dat zij peinzend en in gedachten verdiept zat.
+
+«Wat scheelt er aan?» vroeg hij haar.
+
+«Ja, wat mij scheelt?» zeide zij. «Dit scheelt mij, dat ik mijn
+gedachten niet goed weet te verzamelen, dat ik datgene, wat je
+vandaag in de kerk gesproken hebt, niet goed kan begrijpen, «dat er
+zoovele goddelooze menschen zijn en dat zij eeuwig zullen branden!»
+Eeuwig! Ach, wat is dat lang!--Ik ben maar een mensch, een zondares
+voor God, maar ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen, zelfs
+den snoodsten zondaar eeuwig te laten branden, en hoe zou God dit dan
+kunnen, die zoo oneindig goed is, en die immers weet, hoe het booze van
+buiten en van binnen komt? Neen ik kan het mij zoo niet voorstellen,
+ofschoon gij het zegt!»
+
+
+
+Het was herfst, de boomen lieten hun bladeren vallen, de ernstige,
+strenge dominee zat aan de legerstede van een stervende; een vrome,
+geloovige vrouw sloot de oogen: het was de echtgenoote van den dominee.
+
+«Als er iemand rust in het graf en genade voor zijn God vindt, dan
+zal zij het wel zijn!» zei de dominee; hij vouwde haar handen en las
+een psalm voor de overledene.
+
+Men droeg haar ten grave; twee groote tranen biggelden er langs de
+wangen van den strengen man, en in de pastorie was het stil en ledig:
+de zon des huizes was uitgebluscht, zij was huiswaarts gegaan.
+
+Het was nu nacht, een kille wind blies over het hoofd van den dominee;
+hij sloeg de oogen op, en het was hem, alsof de maan in zijn kamer
+scheen, maar deze scheen niet. Een gestalte was het, die voor zijn
+bed stond, hij zag den geest van zijn overleden vrouw; zij keek hem
+zoo innig bedroefd aan; het was, alsof zij iets tegen hem wilde zeggen.
+
+De dominee richtte zich terstond in zijn bed op en strekte de armen
+naar haar uit. «Zoo is dan ook aan u de eeuwige rust niet vergund! Ge
+lijdt, gij, de beste, de vroomste!»
+
+De doode knikte bevestigend met het hoofd en legde de hand op de borst.
+
+«En ben ik bij machte om u de rust in het graf te schenken?»
+
+«Ja!» luidde het antwoord.
+
+«En op welke wijze?»
+
+«Geef mij een haar, maar een enkel haar van het hoofd van den zondaar,
+wiens vuur nimmer zal uitgebluscht worden; van _dien_ zondaar, dien
+God tot eeuwige pijn in de hel zal werpen.»
+
+«Ja, zoo gemakkelijk moet gij verlost kunnen worden, gij reine en
+vrome!» zeide hij.
+
+«Volg mij dan!» zei de doode. «Het is ons vergund. Aan mijn zijde
+zweeft ge, waarheen uw gedachten maar willen: voor de menschen
+onzichtbaar, dringen wij hun geheimste vertrekken binnen,--maar met
+vaste hand moet ge hem opsporen, die tot eeuwige kwelling uitverkoren
+is, en voor het hanengekraai moet hij gevonden zijn!»
+
+Snel, als door de gevleugelde gedachten gedragen, bevonden zij
+zich in de groote stad, en van de muren der huizen straalden hun in
+vlammend schrift de namen der doodzonden tegen: hoogmoed, gierigheid,
+dronkenschap, wellust, in één woord de geheele zevenkleurige boog
+der zonde.
+
+«Ja, daarbinnen, zooals ik wel dacht, zooals ik wel wist,» zei de
+dominee, «daarbinnen wonen zij, die voor het eeuwige vuur bestemd
+zijn!»--En zij stonden voor het prachtig verlichte portaal, de breede
+trappen prijkten met tapijten en bloemen, en door de feestelijk
+versierde zalen ruischte de dansmuziek. De portier, in zijde en
+fluweel gekleed, stond met zijn grooten, met zilver beslagen stok
+aan den ingang.
+
+«Ons bal kan zich met dat van den koning meten!» zei hij en wendde zich
+verachtelijk tot de gapende menigte, die op de straat stond; wat hij
+dacht, bleek genoegzaam uit zijn gedragingen en bewegingen. «Schooiers,
+die daar alles staat aan te gapen, bij mij vergeleken ben je allemaal
+kanalje!»
+
+«Hoogmoed!» zei de doode, «ziet ge hem?»
+
+«Dien daar?» antwoordde de dominee. «Het is immers maar een arme gek,
+een dwaas, en niet voor de kwellingen van het eeuwige vuur bestemd.»
+
+«Maar een dwaas!» klonk het door het geheele huis van den hoogmoed;
+dat waren zij daar allen.
+
+Zij zweefden tot binnen de vier kale muren van den gierigaard. Mager
+als een geraamte, van koude sidderend, hongerig klampt de grijsaard
+zich met al zijn gedachten aan zijn geld vast; zij zagen hem
+koortsachtig van zijn ellendige legerstede opspringen en een lossen
+steen uit den muur nemen, daar lagen gouden munten in een oude kous;
+zij zagen hem zijn gescheurden rok, waarin de goudstukken genaaid
+waren, angstig betasten, en zijn vochtige vingers sidderden!
+
+«Die is ziek! Dat is waanzinnigheid, een droevige waanzinnigheid,
+door angst en booze droomen omgeven!»
+
+Zij verwijderden zich snel en kwamen voor de kribben der misdadigers;
+in lange rijen sliepen de ongelukkigen naast elkander. Als een wild
+dier sprong er een uit zijn slaap op en stiet een afschuwelijken gil
+uit, hij gaf zijn kameraad met den elleboog een duchtigen stoot in
+de ribben, en deze keerde zich slaperig om, zeggende:
+
+«Houd je mond, onmensch, en slaap!--Dat is hier iederen nacht!...»
+
+«Iederen nacht!» herhaalde de ander. «Ja, iederen nacht komt hij en
+kwelt mij!--In mijn drift heb ik dit en dat gedaan, met een boos hart
+ben ik geboren, dit heeft mij ten tweeden male hier gebracht; maar als
+ik kwaad gedaan heb, dan onderga ik daarvoor immers mijn straf.--Er is
+echter één ding, dat ik niet bekend heb. Toen ik de laatste maal hier
+uitkwam en het huis van mijn vroegeren heer voorbijging, toen kookte
+het in mij, omdat mij een en ander in de gedachten kwam,--en ik streek
+een lucifer zoo wat tegen den muur af; alles verbrandde, de hitte kwam
+daarover, zooals zij menigmaal over mij komt. Ik hielp zelf redden,
+vee en meubelen. Niets levends verbrandde er dan een troep duiven,
+die in het vuur vlogen, en de kettinghond, waaraan ik niet gedacht
+had. Men hoorde hem te midden van den brand huilen, en... dit huilen
+hoor ik nog altijd, als ik wil slapen, en als ik in slaap gevallen ben,
+dan komt de hond groot en ruw, en legt zich op mij neer, en huilt,
+en drukt mij, en kwelt mij!--Hoor dan toch, wat ik je vertel! Snorken
+kan je; den heelen nacht snork je, maar ik nog geen kwartier!»--En
+het bloed kwam den verhitten gevangene in de oogen, hij wierp zich
+op zijn kameraad en sloeg hem met zijn gebalde vuist in het gezicht.
+
+«De booze Matz is weer eens dol geworden!» heette het nu in de rondte,
+en de andere misdadigers grepen hem, worstelden met hem, drukten hem
+krom, zoodat zijn hoofd tusschen zijne knieën zat, en daar bonden
+zij dit vast, zoodat het bloed Matz bijna uit de oogen en uit alle
+poriën kwam.
+
+«Gij doodt hem, den ongelukkige!» riep de dominee uit, en terwijl
+hij zijn hand beschermend over dengene uitstrekte, die reeds te zwaar
+boette, veranderde het tooneel. Zij vlogen door rijke zalen en arme
+kamertjes; wellust en nijd, alle doodzonden liepen hun voorbij; een
+engel van het strafgericht las hun schuld, hun verdediging; deze was
+wel is waar niet schitterend, maar zij werd voor God gebracht, voor
+dien God, die in het harte leest en alles weet en kent, het booze,
+dat van binnen en van buiten komt, dien God, die de genade en de
+liefde zelf is.
+
+De hand van den dominee beefde, hij waagde het niet, haar uit te
+strekken, hij had den moed niet, een enkel haar uit het hoofd van
+den zondaar te trekken.--En de tranen vloeiden hem uit de oogen als
+een stroom der genade en der liefde, welks verkoelende wateren het
+eeuwige vuur der hel uitbluschten.
+
+Daar kraaide de haan.
+
+«Barmhartige God! Geef Gij haar den vrede, dien ik haar niet heb
+kunnen verschaffen!»
+
+«Dien heb ik nu!» zei de doode. «Het was een hard woord, uw wanhoop
+aan de menschheid, uw somber geloof aan God en Zijn schepping, dat
+mij naar u toe dreef! Leer de menschen kennen! Zelfs in de boozen
+leeft een deel van God, dat de vlam der hel uitbluscht en overwint!»
+
+
+
+De dominee voelde een kus op zijn lippen, er verspreidde zich een
+schemering om hem heen; de heldere zon van God scheen in de kamer,
+waar zijn vrouw, levend, vriendelijk en vol liefde, hem uit een droom
+wakker maakte, die hem door God gezonden was!
+
+
+
+
+TWAALF MET DE DILIGENCE.
+
+
+Het was snerpend koud; de sterren fonkelden aan den onbewolkten hemel;
+geen windje was er aan de lucht.
+
+«Bom!» daar werd een oude pot tegen de voordeur van den buurman
+geworpen. «Piefpafpoef!» daar knalde een pistool; men begroette het
+nieuwe jaar! Het was oudejaarsavond! Nu sloeg de torenklok twaalf
+slagen!
+
+«Ratatatatata!» De diligence kwam aanrijden en hield voor de stadspoort
+stil. Zij bracht twaalf personen mee; al de plaatsen waren bezet.
+
+«Hoera! Hoera!» riepen de menschen in de huizen der stad, waar de
+oudejaarsavond gevierd werd en men met klokslag van twaalven het
+gevulde glas omhoog hief, om het nieuwe jaar het welkom toe te roepen.
+
+«Een gelukkig nieuwjaar!» heette het. «Een mooie vrouw! Veel geld! Geen
+verdriet en geen smart!»
+
+Dat wenschte men elkaar van weerskanten toe, en daarop klonk men met
+de glazen, zoodat het een geducht gerinkel gaf,--en voor de stadspoort
+hield de diligence met de vreemde gasten, de twaalf reizigers, stil.
+
+En wie waren deze vreemdelingen? Ieder had zijn reispas en zijn bagage
+bij zich; ja, zij brachten zelfs geschenken mee voor mij en voor u
+en voor alle menschen, die er in het stadje woonden. Wie waren zij,
+wat wilden zij en wat brachten zij?
+
+«Goeden morgen!» riepen zij den schildwacht toe, die bij den ingang
+van de stadspoort stond.
+
+«Goeden morgen!» antwoordde deze, want de klok had immers twaalf
+uur geslagen.
+
+«Uw naam? Uw beroep?» vroeg de schildwacht aan hem, die het eerst
+uit de diligence stapte.
+
+«Kijk dat zelf maar in den pas na!» antwoordde de man. «Ik ben ik!»
+En het was ook een flinke kerel, die een berenpels en laarzen met
+bont gevoerd aanhad. «Ik ben de man, waarop zeer veel menschen hun
+hoop bouwen. Kom morgen bij mij, dan zal ik je een nieuwjaarsgeschenk
+geven! Ik werp penningen en daalders onder de menschen, ja, ik geef
+ook bals, een en dertig bals, want meer avonden kan ik daarvoor niet
+afstaan. Mijn schepen zijn vastgevroren, maar in mijn kantoor is het
+warm en gezellig. Ik ben koopman, heet _Januari_ en breng slechts
+rekeningen met mij mee.»
+
+Nu stapte de tweede uit. Dit was een lustige kwant; hij was
+directeur van een komedie, directeur van gemaskerde bals en van alle
+vermakelijkheden, die men zich maar kan voorstellen. Zijn bagage
+bestond uit een groote ton.
+
+«Uit de ton,» zei hij, «zullen wij op vastenavond de kat jagen. Ik
+zal jelui het leven wel prettig maken en mij zelf ook; alle dagen
+vroolijk! Ik heb juist niet lang te leven, van den heelen troep
+den kortsten tijd: ik word namelijk maar acht-en-twintig dagen
+oud. Somtijds voegen zij er nog wel eens een dag aan toe,--maar dat
+kan mij weinig schelen. Hoera!»
+
+«Ge moogt niet zoo schreeuwen!» zei de schildwacht.
+
+«Och kom! Ik mag wel schreeuwen,» riep de man uit. «Ik ben prins
+Carnaval en reis onder den naam _Februari_.»
+
+Nu stapte de derde uit de diligence; deze zag er als de
+verpersoonlijkte vasten uit, maar hij zette een hooge borst; want hij
+was familie van de «veertig ridders» en bovendien een weerprofeet. Maar
+dat is geen vet postje, en daarom roemde hij ook de vasten. In een
+knoopsgat droeg hij ook een ruikertje van viooltjes, maar deze waren
+zeer klein.
+
+«_Maart_! _Maart_!» riep de vierde hem achterna en klopte hem op
+den schouder; «ruik je niets? Gauw de wachtkamer in; daar drinken ze
+pons, je lievelingsdrank; ik kan het hier buiten al ruiken. Komaan,
+mijnheer _Maart_!»
+
+Maar het was niet waar; de vierde wilde hem slechts den invloed van
+zijn naam laten voelen en hem eens beetnemen, want daarmee begon
+_April_ zijn levensloop in de stad. Hij zag er over 't algemeen zeer
+vroolijk uit; werken deed hij maar heel weinig; maar des te meer maakte
+hij feestdagen. «Als het maar wat bestendiger in de wereld was,» zei
+hij; «maar nu eens is men goed, dan weer slecht geluimd, al naar het
+valt; nu eens regen, dan weer zonneschijn! Ik ben ook zoo'n soort van
+een agent van een verhuurkantoor, ook een aanspreker; ik kan lachen en
+huilen, al naar het te pas komt. In mijn koffer heb ik een zomertoilet,
+maar het zou heel dwaas zijn, dit aan te trekken. Hier ben ik nu!»
+
+Na hem stapte er een dame uit het rijtuig. Juffrouw _Mei_ noemde zij
+zich. Zij droeg een zomertoilet en overschoenen, een lindebladgroene
+japon en anemonen in het haar, en daarbij rook zij zoo geducht naar
+de muskus, dat de schildwacht moest niezen. «Op uw gezondheid en Gods
+zegen!» zeide zij; dat was haar groet. Wat zag zij er allerliefst
+uit! En zangeres was zij, geen operazangeres, ook geen kermiszangeres,
+neen, zangeres van het bosch: zij doolde het frissche, groene bosch
+door en zong daar voor haar eigen plezier.
+
+«Nu komt de jonge vrouw!» riepen ze binnen in het rijtuig, en nu
+stapte de jonge vrouw, die er fijn, fier en lief uitzag, er uit. Men
+kon het haar, mevrouw _Juni_, wel aanzien, dat zij het gewoon was,
+door luie slaapkoppen bediend te worden. Op den langsten dag van het
+jaar gaf zij een groote partij, opdat de gasten tijd zouden hebben om
+de vele gerechten, die er op de tafel stonden, te nuttigen. Zij had
+wel is waar haar eigen equipage; maar zij reisde toch met diligence,
+evenals de anderen, omdat zij wilde toonen, dat zij niet hoogmoedig
+was. Maar zonder gezelschap was zij niet; haar jongere broeder _Juli_
+was bij haar.
+
+Dit was een welgedane jongeling, op zijn zomersch gekleed en met
+een stroohoed op. Hij had maar weinig bagage bij zich, omdat dit bij
+een hevige warmte te lastig is; daarom had hij zich slechts van een
+zwembroekje voorzien, en dat is niet veel.
+
+Daarop kwam de moeder zelf, mevrouw _Augustus_, fruitverkoopster in het
+groot, eigenares van een menigte vischvijvers, een landhuishoudkundige
+in een groote crinoline; zij was dik en had het warm, maar toch pakte
+zij alles aan en bracht de arbeiders op het land zelf bier. «In het
+zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten!» zeide zij, «dat staat
+in den bijbel. Later komen de pleziertochtjes, dans en spel in het
+groen en de oogstfeesten!» Zij was een knappe huishoudster.
+
+Na haar stapte er weer een man uit het rijtuig, een schilder van
+beroep, mijnheer _September_; die moest naar het bosch; de bladeren
+moesten van kleur wisselen; maar hoe schoon werd alles, als hij het
+wilde; al spoedig prijkte het bosch in rood, geel of bruin. De schilder
+floot als een lijster, was een ervaren kunstenaar en slingerde de
+bruinachtig groene hopranken om zijn bierglas. Dat sierde het glas op,
+en van opsieren hield hij veel. Daar stond hij nu met zijn verfpot:
+dat was zijn heele bagage!
+
+Op hem volgde de landeigenaar, die aan het beploegen en bezaaien van
+den grond, maar ook aan het jachtvermaak dacht; mijnheer _October_
+had een hond en een geweer bij zich en noten in zijn weitasch. Hij
+had veel bagage bij zich, zelfs een Engelschen ploeg, hij sprak over
+landhuishoudkunde, maar door het hoesten van zijn buurman hoorde men
+daar niet veel van.
+
+Mijnheer _November_ was het, die zoo hoestte, terwijl hij uit het
+rijtuig stapte. Deze had heel veel last van verkoudheid; hij snoot
+zijn neus aldoor en toch, zeide hij, moest hij de dienstmeisjes
+vergezellen en ze in haar nieuwen dienst brengen; die verkoudheid,
+dacht hij, zou wel weer overgaan, als hij maar aan het houthakken
+ging, en hout moest hij zagen en hakken, want hij was meesterknecht
+bij een houtkooper. De avonden bracht hij met het snijden van hout
+voor schaatsen door; want hij wist wel, zei hij, dat men over eenige
+weken behoefte aan deze soort van schoenen zou hebben.
+
+Eindelijk kwam de laatste passagier te voorschijn, het oude moedertje
+_December_ met een stoof onder den arm; de oude vrouw had het koud;
+maar haar oogen fonkelden als twee heldere sterren. Zij droeg een
+bloempot in de hand, waarin een kleine dennenboom geplant was. «Dien
+boom wil ik opkweeken, dan kan hij groeien en groot worden tegen
+den Kerstavond, van den vloer tot hoog aan de zoldering reiken en
+opschieten met vlammende lichten, gouden appelen en uitgesneden
+figuurtjes. De stoof geeft evenveel warmte als een kachel; ik haal
+het sprookjesboek uit mijn zak en lees daaruit overluid voor, zoodat
+alle kinderen in de kamer stil en de figuurtjes aan den boom vroolijk
+worden, en de kleine engel van was op de uiterste punt zijn gouden
+vleugelen uitspreidt, van zijn groenen zetel afvliegt en kleinen en
+grooten in de kamer kust, ja, ook de arme kinderen, die buiten op de
+straat staan en het Kerstlied van de ster van Bethlehem zingen.»
+
+«Ziezoo! Nu kan de diligence wegrijden,» zei de schildwacht. «Wij
+hebben ze alle twaalf. De bijwagen kan voorkomen.»
+
+«Laat de twaalf eerst bij mij binnenkomen!» zei de kapitein, die de
+wacht had, «de een na den ander! De passen houd ik hier; zij zijn
+ieder voor een maand geldig; als deze verstreken is, zal ik het gedrag
+op den pas aanteekenen. Mijnheer _Januari_! mag ik u maar verzoeken,
+nader te komen?»
+
+En mijnheer Januari kwam nader.
+
+Als er een jaar verloopen is, zal ik u eens zeggen, wat die twaalf
+u, mij en ons allen gebracht hebben. Nu weet ik het nog niet, en
+misschien weten zij het zelf niet eens,--want het is een zonderlinge
+tijd, waarin wij leven.
+
+
+
+
+DOMME HANS.
+
+
+Diep in het binnenste van het land stond een oud ridderkasteel;
+daarin woonde een oude grondeigenaar, die twee zonen had, die zich
+zoo knap en geleerd waanden, dat de helft al voldoende geweest zou
+zijn. Dezen wilden nu naar de hand van de koningsdochter dingen,
+want de prinses had openlijk laten aankondigen, dat zij dengene tot
+echtgenoot zou kiezen, die zijn woorden het best klaar had.
+
+Beiden bereidden zich nu volle acht dagen daarop voor; dit was een
+lange, maar toch ook voldoende tijd, die hun vergund was; want zij
+waren in het bezit van voorloopige kundigheden, en hoezeer deze
+te stade komen, weet iedereen. De een kende het heele Latijnsche
+woordenboek en bovendien nog drie jaargangen van het dagblad van het
+stadje van buiten, en wel zoo, dat hij alles van voren naar achteren
+en van achteren naar voren, al naar men het wilde, kon opzeggen. De
+ander had zich de gildewetten in het hoofd geprent en kende van buiten,
+wat iedere gildemeester moet weten, waarom hij dacht, dat hij over
+staatszaken mee kon spreken en daarover ook een duit in het zakje
+leggen. Bovendien had hij nog ergens verstand van: hij kon rozen en
+andere bloempjes en arabesken op wapenrustingen borduren, want hij
+was ook vindingrijk en kunstvaardig.
+
+«Ik krijg de koningsdochter!» riepen zij allebei, en zoo gaf hun oude
+vader ieder van hen een prachtig paard. Hij, die het woordenboek en
+het dagblad van buiten kende, kreeg een zwart paard; hij, die met de
+gildewetten bekend was, kreeg een wit paard, en daarop smeerden zij de
+hoekjes van hun mond met traan in, opdat deze heel buigzaam zou worden.
+
+Al de bedienden stonden beneden op het voorplein en waren er getuigen
+van, hoe zij te paard stegen, en als bij toeval kwam ook de derde
+broer er bij, want de oude grondeigenaar had eigenlijk drie zonen,
+maar niemand telde dezen derden broer bij de andere broers, omdat hij
+niet zoo geleerd als deze was, en men gaf hem dan ook gewoonlijk den
+naam van dommen Hans.
+
+«Wel zoo!» zei domme Hans, «waar moet je naar toe? Je hebt je
+Zondagskleeren immers aangetrokken.»
+
+«Naar het hof van den koning, om de koningsdochter door praten te
+krijgen. Weet je dan niet, wat er in het geheele land bekend gemaakt
+is?» En nu vertelden zij hem alles.
+
+«Wel drommels! Dan ben ik ook van de partij!» riep domme Hans; maar
+zijn broers lachten hem uit en reden weg.
+
+«Vader,» zei domme Hans, «ik moet ook een paard hebben. Wat krijg
+ik een lust in trouwen! Als zij mij neemt, dan neemt zij mij, en als
+zij mij niet neemt, dan neem ik haar,--krijgen zal ik haar toch!»
+
+«Houd met die dwaze praatjes op!» zei de grijsaard. «Jou geef ik geen
+paard. Je kunt immers niet spreken, je hebt je woorden immers niet
+klaar; neen, je broers zijn andere kerels!»
+
+«Welnu,» zei domme Hans, «als ik geen paard kan krijgen, dan neem ik
+den bok; die behoort mij zoo goed als toe, en dragen kan hij mij ook!»
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij zette zich schrijlings op den bok, drukte
+zijn hakken in diens zijden, reed weg en vloog den grooten straatweg
+als een stormwind langs. Hei, hop, dat was een tocht. «Hier kom ik!»
+schreeuwde domme Hans en zong, zoodat het wijd en zijd in den omtrek
+weerklonk.
+
+Maar zijn broers reden hem langzaam vooruit; zij spraken geen woord,
+zij moesten eens over al de goede invallen nadenken, die zij voor
+den dag zouden brengen; want dat moest alles keurig uitgedacht zijn.
+
+«Heidaar!» schreeuwde domme Hans, «hier ben ik! Kijkt eens, wat ik
+op den straatweg gevonden heb!» En hij liet hun een doode kraai zien,
+die hij gevonden had.
+
+«Domoor!» zeiden de broers, «wat wil je daarmee beginnen?»
+
+«Met de kraai?--Die wil ik aan de koningsdochter geven!»
+
+«Ja, doe dat maar!» zeiden zij, lachten en reden verder.
+
+«Hei, hop! Hier ben ik! Zie eens, wat ik nu gevonden heb. Dat vindt
+men niet alle dagen op den straatweg!»
+
+En de broers keerden zich om, ten einde te zien, wat hij nu weer kon
+gevonden hebben. «Domoor!» zeiden zij, «dat is immers een oude klomp,
+waarvan het bovengedeelte nog wel ontbreekt; wil je dat ook aan de
+koningsdochter geven?»
+
+«Zeker wil ik dat!» antwoordde domme Hans, «het wordt al mooier en
+mooier! O, het is allerprachtigst!»
+
+«Wat heb je nu dan weer gevonden?» vroegen de broers.
+
+«O,» zei domme Hans, «dat is niet om te zeggen! Wat zal de
+koningsdochter blij zijn!»
+
+«Ba!» zeiden de broers, «dat is immers slijk, dat uit de sloot komt.»
+
+«Zeker is het dat!» sprak domme Hans, «en wel van het fijnste
+soort. Kijk maar, het loopt iemand tusschen de vingers door!» En
+daarbij vulde hij zijn zak met het slijk.
+
+Maar zijn broers reden voort, zoodat keisteentjes en vonken om hen
+heen sprongen, daardoor kwamen zij ook een uur vroeger dan domme Hans
+aan de stadspoort. Daar kregen al de vrijers nommers terstond na hun
+aankomst, en werden in het gelid geschaard, zes op iedere rij, en
+zoo dicht op elkaar gedrongen, dat zij hun armen niet konden bewegen;
+dat was wijselijk zoo ingericht, want anders zouden zij elkaar zeker
+wel het vel over de ooren getrokken hebben, alleen omdat de een voor
+den ander stond.
+
+De geheele volksmenigte stond rondom het koninklijk kasteel in dichte
+massa's op elkaar gedrongen tot aan de ramen toe, om de vrijers door
+de koningsdochter te zien ontvangen; telkens wanneer er een van hen
+de zaal binnentrad, stond hij met zijn mond vol tanden.
+
+«Die past mij niet!» sprak de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»
+
+Eindelijk kwam de beurt aan dien van de broeders, die het woordenboek
+van buiten kende, maar hij wist het niet meer; hij had het heelemaal
+vergeten, terwijl hij daar in het gelid geschaard stond; en de
+planken van den vloer kraakten en de zoldering der zaal was van
+louter spiegelglas, zoodat hij zich zelf op het hoofd zag staan,
+en bij ieder raam stonden drie secretarissen en een oppersecretaris,
+en ieder van hen schreef alles op, wat er gesproken werd, opdat het
+terstond in de krant zou komen en voor een kleinigheid op de hoeken
+der straten verkocht worden. Het was ontzettend, en daarbij hadden
+zij de kachel zoo geducht opgestookt, dat het er gloeiend warm was.
+
+«Het is hier verschrikkelijk heet!» zei de vrijer.
+
+«Dat is ook zoo; maar mijn vader braadt vandaag ook jonge haantjes!»
+zei de koningsdochter.
+
+Op zulk een gesprek was hij niet voorbereid geweest; geen woord wist
+hij te zeggen, ofschoon hij iets geestigs had willen zeggen.
+
+«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»
+En hij moest de deur uit.
+
+Nu trad de andere broer binnen.
+
+«Wat is het hier ontzaglijk heet!» zeide hij.
+
+«Dat is ook zoo; maar wij braden vandaag jonge haantjes!» merkte de
+koningsdochter aan.
+
+«Wat? Bra....? Wat?» zeide hij, en de secretarissen schreven:
+«Wat? Bra....? Wat?»
+
+«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»
+
+Nu kwam domme Hans aan; hij reed op den bok regelrecht de zaal
+binnen. «Wat is het hier gloeiend heet!» zeide hij.
+
+«Dat is zoo; maar ik braad ook jonge haantjes!» antwoordde de
+koningsdochter.
+
+«Wel, dat treft goed!» hernam domme Hans, «dan kan ik wel een kraai
+mee braden.»
+
+«Met alle genoegen!» zei de koningsdochter; «maar hebt ge iets waarin
+ge kunt braden? Want ik heb geen pot of pan.»
+
+«O, dat heb ik wel!» zei domme Hans. «Hier is kookgereedschap met een
+tinnen beugel,» en nu haalde hij den klomp voor den dag en legde er
+de kraai in.
+
+«Dat is een deftige maaltijd,» zei de koningsdochter, «maar waar
+moeten wij de saus vandaan krijgen?»
+
+«Die heb ik in mijn zak!» zei domme Hans. «Ik heb zoo veel, dat ik
+er zelfs wel wat van kan weggooien!»--En nu goot hij wat slijk uit
+zijn zak.
+
+«Dat bevalt mij!» zei de koningsdochter. «Gij weet antwoord te geven,
+en gij weet te spreken, en u wil ik tot man hebben! Maar weet ge wel,
+dat ieder woord, dat wij spreken en gesproken hebben, opgeschreven
+wordt en morgen in de krant komt? Bij ieder raam staan, zooals ge ziet,
+drie secretarissen en een oppersecretaris, en deze oude oppersecretaris
+is nog de ergste, want hij kan niets begrijpen!» En dat zeide zij maar,
+om dommen Hans angst aan te jagen. En de secretarissen grinnikten en
+spatten daarbij ieder een inktvlek op den vloer.
+
+«Zoo! Dat is dus de voornaamste!» zei domme Hans. «Welnu dan zal ik
+aan den oppersecretaris het beste geven!» En dit zeggende keerde hij
+zijne zakken om en wierp hem het slijk vlak in het gezicht.
+
+«Dat was slim bedacht!» zei de koningsdochter. «Dat zou ik niet hebben
+kunnen doen; maar ik zal het wel leeren!»
+
+Domme Hans werd koning, kreeg een vrouw en een kroon en zat op een
+troon, en dat hebben wij versch uit de krant van den oppersecretaris
+en de secretarissen,--maar op hen valt geen staat te maken!
+
+
+
+
+DRIE SPRINGERS.
+
+
+De vloo, de sprinkhaan en de hup-op [19] wilden eens zien, wie van
+hen wel het hoogst kon springen. Nu noodigden zij de heele wereld
+uit en wie nog meer wilden komen, om die pracht mee aan te zien. Het
+waren drie duchtige springers, die in de kamer bijeenkwamen.
+
+«Ik geef mijn dochter aan hem, die het hoogst springt!» zei de
+koning. «Want het zou te gierig zijn, als deze lui voor niet moesten
+springen.»
+
+De vloo kwam het eerst voor; zij had zeer beschaafde manieren en
+groette naar alle kanten, want zij had damesbloed in haar aderen en
+was er aan gewoon, slechts met menschen om te gaan; en dat deed zeer
+veel af.
+
+Toen kwam de sprinkhaan; deze was wel is waar veel zwaarder; maar hij
+had toch een knappe figuur en droeg een groene uniform. Bovendien
+beweerde deze persoon, dat hij in het land van Egypte tot een zeer
+oude familie behoorde, en dat hij daar hooggeschat werd. Hij was
+van het veld genomen en in een kaartenhuis van drie verdiepingen
+gezet, alle samengesteld van kaartebladen, waarvan de bonte kant
+naar binnen gekeerd was. Daar waren zoowel deuren als ramen, en wel
+in het lichaam van hartenvrouw uitgesneden. «Ik zing zoo,» zeide hij,
+«dat zestien inlandsche krekels, die van der jeugd af gezongen en toch
+geen kaartenhuis gekregen hadden, van ergernis nog magerder werden,
+dan zij al waren, toen zij mij hoorden!»
+
+Allebei, de vloo en de sprinkhaan, deden behoorlijk uitkomen, wie zij
+waren, en dat zij dachten, dat zij wel met een prinses konden trouwen.
+
+De hup-op zei niets; maar men vertelde van hem, dat hij des te meer
+dacht; en toen de bulhond hem alleen maar besnuffeld had, wilde hij
+er wel voor instaan, dat de hup-op van eene goede familie en van
+het borstbeen van een echte gans gemaakt was. De oude raadsheer,
+die drie ridderordes voor zijn stilzwijgen gekregen had, verzekerde,
+dat de hup-op met de gave der voorzegging bedeeld was; men kon aan
+zijn been onderkennen, of men een zachten of een strengen winter
+zou krijgen; en dat kan men niet eens aan het borstbeen van hem,
+die den kalender schrijft, zien.
+
+«Ik zeg maar niets!» zei de oude koning, «ik ga altijd maar stil mijn
+gang en denk er het mijne van!»
+
+Nu was het om den sprong te doen. De vloo sprong zoo hoog, dat niemand
+het kon zien; nu beweerden zij, dat zij in 't geheel niet gesprongen
+had. Dat was toch schandalig!
+
+De sprinkhaan sprong maar half zoo hoog; maar hij sprong den koning
+vlak in het gezicht, en deze zei, dat zoo iets afschuwelijk was.
+
+De hup-op stond lang stil en bedacht zich: eindelijk begon men te
+gelooven, dat hij niet kon springen.
+
+«Als hij maar niet ongesteld geworden is!» zei de bulhond, en toen
+besnuffelde hij hem weer. Ritsch! daar sprong hij met een kleinen
+scheeven sprong op den schoot der prinses, die laag op een gouden
+voetbankje zat.
+
+Nu zei de koning: «De hoogste sprong bestaat daarin, naar mijn dochter
+op te springen, want daarin ligt het fijne van de zaak. Maar er behoort
+een goede kop toe, om daar op te komen. En de hup-op heeft getoond,
+dat hij een goeden kop heeft.»
+
+En daarom kreeg hij de prinses.
+
+«Ik heb toch het hoogst gesprongen!» zei de vloo. «Maar dat doet
+er niet toe! Laat haar het ganzebeen met het stokje en het pik maar
+hebben. Ik heb toch het hoogst gesprongen! Maar er behoort in deze
+wereld een groot lichaam toe, om gezien te kunnen worden.»
+
+En daarop ging de vloo in vreemden krijgsdienst, waar zij, naar men
+zegt, gedood moet zijn.
+
+De sprinkhaan zette zich buiten in de sloot neer en dacht er over
+na hoe het eigenlijk in de wereld toegaat. En hij zei ook: «Een
+groot lichaam behoort daartoe! Een groot lichaam behoort daartoe!»
+En toen zong hij zijn eigen, droefgeestig lied, en daaraan hebben wij
+deze geschiedenis ontleend, die toch wel niet waar zou kunnen zijn,
+al is zij ook gedrukt.
+
+
+
+
+DE WATERDROPPEL.
+
+
+Ge zult toch wel weten, wat een vergrootglas is, zoo'n rond brilleglas,
+dat alles honderdmaal grooter maakt dan het is? Als men het in de hand
+neemt en voor zijn oog houdt en daardoor een droppel water uit den
+vijver bekijkt, dan ziet men meer dan duizend zonderlinge diertjes,
+die men anders nooit in het water waarneemt. Maar zij zijn er toch
+in, en het is geen zinsbedrog. Het ziet er bijna uit als een bord vol
+krabben, die door elkander rondspringen, en wat zijn zij woedend! Zij
+rukken elkaar armen en beenen, stukken en brokken af, en toch zijn
+zij op hun wijze vroolijk en vergenoegd.
+
+Nu was er eens een oud man, dien alle menschen Kriebel-Krabbel noemden;
+want zoo heette hij. Hij wilde altijd het beste van iedere zaak hebben,
+en als dit volstrekt niet ging, dan nam hij het door tooverij.
+
+Daar zit hij nu op zekeren dag en houdt zijn vergrootglas voor de oogen
+en bekijkt een waterdroppel, die uit een waterput genomen was. Maar
+wat kriebelde en krabbelde het daarin! Al de duizenden kleine diertjes
+huppelden en sprongen, verscheurden en verslonden elkaar.
+
+«Maar dat is toch afschuwelijk!» zei de oude Kriebel-Krabbel; «kan
+men ze er dan niet toe brengen, in rust en vrede te leven, zoodat
+iedereen zich slechts met zich zelf bemoeit?» Hij peinsde en peinsde,
+maar het wilde niet gaan, en hij moest dus tooveren. «Ik moet hun
+een kleur geven, zoodat zij duidelijker te zien zijn!» zeide hij,
+en nu goot hij iets, dat er als een droppeltje rooden wijn uitzag,
+in de waterdroppel; maar het was heksenbloed van de fijnste soort,
+die er bestaat. En nu werden al de zonderlinge diertjes heelemaal
+rozerood; het zag er uit als een stad vol naakte, wilde mannen.
+
+«Wat heb je daar?» vroeg een andere oude toovenaar, die geen naam had;
+en dat was juist het fijne van hem.
+
+«Ja, als je kunt raden, wat dat is,» zei Kriebel-Krabbel, «dan zal
+ik het je geven. Maar het is niet gemakkelijk te verklaren, als men
+het niet weet.»
+
+En de toovenaar, die geen naam had, keek door het vergrootglas. Het
+zag er daarin werkelijk uit als een stad, waarin al de menschen zonder
+kleeren rondliepen! Het was afgrijselijk! Maar nog afgrijselijker
+was het, te zien, hoe de een den ander duwde en stiet, trapte en
+beet. Wat beneden was, moest naar boven, en wat boven was, moest
+naar beneden. Zie, zie! Zijn been is langer dan het mijne! Bah! Weg
+daarmee! Daar is er een, die een puistje achter zijn oor heeft. Maar
+dat doet hem zeer, en daarom moet het nog meer zeer doen. Zij hieuwen
+op hem los, rukten aan hem, en verslonden hem om dat puistje. Daar
+zat er een zoo stil als een meisje en wenschte slechts naar rust en
+vrede. Maar nu moest zij voor den dag! Zij duwden haar, trokken haar
+in de rondte en verslonden haar.
+
+«Dat is kluchtig!» zei de toovenaar.
+
+«Ja. Maar wat denk je wel, dat het is?» vroeg Kriebel-Krabbel. «Kan
+je het verklaren?»
+
+«Nu, dat kan men toch wel zien!» zei de ander. «Dat is immers Parijs
+of een andere groote stad;--want ze gelijken allemaal op elkaar. Een
+groote stad is het!»
+
+«Het is putwater!» zei Kriebel-Krabbel.
+
+
+
+
+EEN BLAD VAN DEN HEMEL.
+
+
+Hoog boven in de ijle, heldere lucht vloog een engel met een bloem uit
+den tuin van den hemel. Terwijl hij de bloem kuste, viel er een heel
+klein blaadje af, kwam in den weeken grond midden in het bosch neer,
+schoot terstond wortelen en groeide tusschen andere planten op.
+
+«Dat is een kluchtig ding, dat daar staat,» zeiden de planten. En
+niemand wilde haar als zijn gelijke erkennen, noch distelen noch
+brandnetels.
+
+«Dat zal zeker een soort van tuinplant zijn,» zeiden zij, en nu werd
+de plant als tuingewas bespot.
+
+«Waar wil je naar toe?» vroegen de hooge distelen, wier bladeren
+allemaal met stekels gewapend zijn.
+
+«Je strekt je nog al ver in het rond uit. Dat is een dwaasheid! Wij
+staan hier niet om je te dragen!»
+
+De winter kwam, de sneeuw bedekte de plant; maar van haar kreeg
+het sneeuwdek een glans, alsof zij ook van beneden door zonlicht
+doorstroomd werd. Toen het voorjaar kwam, vertoonde zich een bloeiend
+gewas, zoo heerlijk, als geen ander in het bosch.
+
+Nu verscheen de botanische professor, die het zwart op wit had,
+dat hij datgene was, waarvoor hij zich uitgaf. Hij bekeek de plant,
+hij proefde haar; maar zij stond niet in zijn plantenleer; het was
+hem niet mogelijk te ontdekken, tot welke soort zij behoorde.
+
+«Dat is een bastaardsoort!» zei hij. «Ik ken haar niet. Zij is niet
+in het systeem opgenomen.»
+
+«Niet in het systeem opgenomen?» zeiden distelen en brandnetels. De
+hooge boomen, die in de rondte stonden, zagen en hoorden het,
+doch zeiden niets,--noch kwaad noch goed, en dat is altijd het
+verstandigste, als men dom is.
+
+Nu kwam er door het bosch een arm, onschuldig meisje: haar hart
+was rein, haar verstand groot door het geloof; haar geheele erfdeel
+was een oude bijbel; maar uit de bladen van dien bijbel sprak Gods
+stem tot haar: «Als de menschen ons kwaad willen doen, dan heet
+het immers van Jozef: «Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar
+God heeft het ten goede gedacht.» Als wij onrechtvaardig lijden,
+als wij miskend en bespot worden, dan klinkt het woord van hem,
+den reinste, den beste, van hem, dien zij bespotten en aan het kruis
+nagelden, ons tegen: «Vader! vergeef het hun, want zij weten niet,
+wat zij doen!»» Het meisje bleef voor de zonderlinge plant staan, wier
+groene bladeren heerlijk en verkwikkend geurden, wier bloemen in den
+helderen zonneschijn als een veelkleurig vuurwerk straalden, en uit
+elke kwam een geluid, als verborg zij de diepe bron der melodieën,
+die duizenden jaren niet vermogen uit te putten. Met vrome aandacht
+bekeek zij al deze heerlijkheid Gods, zij boog een der takken naar
+zich neer, om de bloem goed te kunnen bekijken en haar geur te kunnen
+genieten. Het werd helder in haar verstand; het deed haar harte goed;
+gaarne zou zij een bloem afgeplukt hebben; maar zij kon het niet van
+zich verkrijgen, haar af te breken: zij zou immers spoedig bij haar
+verwelken; het meisje nam slechts een enkel blaadje en legde dit te
+huis in haar bijbel; daar lag het frisch, altijd groen en onverwelkt.
+
+Tusschen de bladen van den bijbel lag het bewaard; met den bijbel
+werd het onder het hoofd van het meisje gelegd, toen zij na verloop
+van eenige weken in haar doodkist lag met den heiligen ernst des doods
+op het vrome gezicht, alsof het zich in het aardsche stof afspiegelde,
+dat zij nu voor haar God stond!
+
+Maar buiten in het bosch bloeide de zonderlinge plant; zij zag er
+bijna als een boom uit, en alle trekvogels bogen er zich voor.
+
+«Wat zijn dat nu weer voor vreemde kunsten!» zeiden de distelen en
+de klissen. «Zoo doen wij hier te lande toch nooit!»
+
+De zwarte slakken uit het bosch spuwden op de bloem.
+
+Toen kwam de zwijnenhoeder. Deze verzamelde distelen en struiken,
+om daarvan asch te branden. De geheele zonderlinge plant met al haar
+wortelen kwam in zijn bezit. «Zij moet ook nuttig worden,» zei hij,
+en zoo gezegd, zoo gedaan!
+
+Maar sedert jaar en dag leed de koning van het land aan de diepste
+zwaarmoedigheid; hij was vlijtig en arbeidzaam, maar het hielp hem
+niets; men las hem diepzinnige, geleerde geschriften voor, men las
+de oppervlakkigste, de lichtzinnigste, die men maar vinden kon,--het
+baatte niets! Nu zond een van de wijsten der wereld, tot wien men zich
+gewend had, een bode af en liet zeggen, dat er toch een middel was, om
+hem leniging te verschaffen en hem te doen herstellen: «In het eigen
+rijk van den koning groeide in het bosch een plant van hemelschen
+oorsprong; zoo en zoo zag zij er uit; men kon zich niet vergissen.»
+
+«Zij is zeker door mij uitgetrokken,» zei de zwijnenhoeder, «en al
+lang tot asch vergaan, maar ik wist niet beter!»
+
+«Wist ge niet beter? O, welk een diepte van onkunde!» En deze woorden
+kon de zwijnenhoeder in zijn zak steken; hem en geen ander golden zij.
+
+Geen blad was er meer te vinden, het eenige lag in de doodkist der
+overledene, en daarvan wist niemand iets.
+
+En de koning zelf wandelde in zijn mismoedigheid naar de plaats in
+het bosch toe.
+
+«Hier heeft de plant gestaan!» zei hij. «Het is een heilige plaats!»
+
+En de plaats werd met een gouden hek omgeven, en een schildwacht werd
+er bij geposteerd!
+
+De botanische professor schreef een lange verhandeling over de
+hemelsche plant, en daarvoor werd hij in goud beslagen, en dit
+verguldsel stond hem en zijn familie zeer goed; en dat was het
+verblijdendste van de heele geschiedenis; want de plant was verdwenen,
+en de koning bleef mismoedig en bedroefd,--«maar dat was hij vroeger
+ook,» zei de schildwacht.
+
+
+
+ EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+Het leelijke jonge eendje.
+De oude straatlantaarn.
+De ooievaars.
+Zooals manlief doet, is het altijd goed.
+De groote Klaas en de kleine Klaas.
+De vliegende koffer.
+Vijf uit één schil.
+De tondeldoos.
+Het meisje, dat op het brood trapte.
+De bloemen van de kleine Ida.
+De onwrikbare tinnen soldaat.
+De gouden schat.
+De droom van den ouden eik.
+Zij deugde niet.
+De herderin en de schoorsteenveger.
+De flesschehals.
+Het minnende paar.
+De prinses op de erwt.
+Ole Luk-Oie.
+Het oude huis.
+De gelukkige familie.
+Twee juffers.
+De wilde zwanen.
+Het madeliefje.
+De geschiedenis van een moeder.
+Uitstel is geen afstel.
+De tuin van het Paradijs.
+De kleine Tuk.
+De burinnetjes.
+Grootmoeder.
+De schim.
+Het vlas.
+Kinderpraat.
+De stopnaald.
+De oude torenklok.
+Het metalen varken.
+Het vriendschapsverbond.
+Het lucifersmeisje.
+De sneeuwman.
+De vogel Phoenix.
+De rozenelf.
+Iets.
+Het doornenpad der eer.
+De goddelooze koning.
+Twee hanen.
+Er bestaat een onderscheid.
+Het is stellig waar!
+De elfenheuvel.
+De engel.
+De nieuwe kleeren van den keizer.
+De mestkever.
+De ijsjonkvrouw.
+De nachtegaal.
+Een geschiedenis.
+Twaalf met de diligence.
+Domme Hans.
+Drie springers.
+De waterdroppel.
+Een blad van den hemel.
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Daar een drijftol en een bal hier te lande beide tot het mannelijke
+geslacht behooren en dus niet met elkaar kunnen trouwen, is de bal
+in dit sprookje van een heer in een dame gemetamorphoseerd.
+
+[2] Ole de Oogensluiter.
+
+[3] Een oude en barbaarsche militaire straf.
+
+[4] Kjöge, een stadje aan de Kjöge-baai. «Kjögekippen zien» noemt men,
+de kinderen door het omvatten van het hoofd met beide handen in de
+hoogte tillen. Bij Kjöge werd bij den overval der Engelschen in het
+jaar 1807 tusschen dezen en de ongedisciplineerde Deensche landweer
+een niet zeer roemrijke slag geleverd.
+
+[5] Prästöe, een nog kleiner stadje. Omstreeks honderd schreden daar
+van daan staat het adellijk kasteel Nysöe, waar Thorwaldsen zich
+gedurende zijn verblijf in Denemarken gewoonlijk ophield en vele
+onsterfelijke werken in het aanzijn riep.
+
+[6] Wordingborg, onder koning Waldemar een aanzienlijke plaats,
+thans een onbeteekenend stadje. Slechts een eenzaam staande toren en
+eenige overblijfselen van muren wijzen aan, waar het kasteel vroeger
+gestaan heeft.
+
+[7] Korsöer, aan den Grooten Belt, vroeger, vóór het in zwang komen
+der stoomvaart, toen de reizigers dikwijls een geruimen tijd op een
+gunstigen wind moesten wachten, de vervelendste der steden genoemd
+en door een geestige vaudeville van Heiberg tot het Deensche Schilda
+gestempeld. Hier is de dichter Baggesen geboren.
+
+[8] Roeskilde (Roesbron, verkeerdelijk Rothschild genoemd), vroeger de
+hoofdstad van Denemarken. De stad heeft haar naam van koning Hroar en
+de vele bronnen in den omtrek. In den prachtigen dom liggen de meeste
+koningen en koninginnen van Denemarken begraven. Te Roeskilde kwamen
+ook de Deensche stenden bij elkaar.
+
+[9] Soröe, een zeer stil stadje, dat prachtig gelegen en door bosschen
+en meren omgeven is. Denemarkens Molière, Holberg, stichtte hier
+een ridderacademie. De dichters Hauch en Ingemann werden hier als
+professoren aangesteld.
+
+[10] Het woord _schim_ is hier, in strijd met den aard onzer taal,
+maar in overeenstemming met den inhoud van dit sprookje, manlijk
+genomen. Vert.
+
+[11] De Deensche beeldhouwer Thorwaldsen.
+
+[12] Tegenover het graf van Galilei bevindt zich dat van Michaele
+Angelo. Op het monument is zijn buste aangebracht en bovendien drie
+figuren: de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de bouwkunst; dicht
+daarnaast is het grafteeken van Dante (zijn lijk bevindt zich te
+Ravenna); op het monument ziet men Italië, dat wijst op het kolossale
+standbeeld van Dante; de poëzie weent over zijn verlies. Eenige
+schreden verder ziet men het monument van Alfieri, dat met lauweren
+versierd is; Italië weent boven zijn graf. Macchiavelli besluit hier
+de rij der beroemde mannen.
+
+[13] Deze wordt van kippen, rijst en kerrie klaargemaakt.
+
+[14] Het Grieksche bijgeloof laat dit monster uit de onopengesneden
+maag van geslachte schapen ontstaan, die op het veld geworpen worden.
+
+[15] Een boer, die kan lezen, wordt dikwijls priester, en men noemt
+hem dan «allerheiligste heer»: de geringere stand kust den grond,
+dien hij betreden heeft.
+
+[16] Als er zich in vroegere tijden een spook vertoonde, dan bande de
+predikant het in den grond; als dit gebeurd was, heide men op deze
+plaats een paal in. Te middernacht klonk dan het geschreeuw: «Laat
+los!» De paal werd uit den grond gehaald, en de gebannen geest vloog
+in de gedaante van een uil weg, met een gat in den linkervleugel. Deze
+spookvogel werd nachtuil genoemd.
+
+[17] Het is in Denemarken een volksbijgeloof, dat er onder iedere
+kerk, die er gebouwd wordt, een levend paard begraven moet worden;
+het spooksel daarvan is het doodenpaard, dat iederen nacht op drie
+pooten naar het huis toe hinkt, waar iemand moet sterven. Onder
+enkele kerken werd ook een levend varken begraven; het spooksel
+daarvan heette het grafzwijn.
+
+[18] Dit is in het oorspronkelijke dubbelzinnig, daar «gaal» in het
+Deensch «krankzinnig» beteekent.
+
+[19] Een kinderspeelgoed, van het been van een ganzeborst, een houtje
+en pik vervaardigd.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Andersens Sproken en vertellingen, by
+Hans Christian Andersen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ANDERSENS SPROKEN EN VERTELLINGEN ***
+
+***** This file should be named 25580-8.txt or 25580-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/5/5/8/25580/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.