diff options
Diffstat (limited to '25580-8.txt')
| -rw-r--r-- | 25580-8.txt | 16569 |
1 files changed, 16569 insertions, 0 deletions
diff --git a/25580-8.txt b/25580-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d99039f --- /dev/null +++ b/25580-8.txt @@ -0,0 +1,16569 @@ +The Project Gutenberg EBook of Andersens Sproken en vertellingen, by +Hans Christian Andersen + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Andersens Sproken en vertellingen + Morgenrood + +Author: Hans Christian Andersen + +Editor: Titia Klasina Elisabeth van der Tuuk + +Translator: Simon Jacob Andriessen + +Release Date: May 23, 2008 [EBook #25580] +[Last updated: June 29, 2012] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ANDERSENS SPROKEN EN VERTELLINGEN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Andersens + + Sproken en Vertellingen + + + Naverteld + + door + + S. J. Andriessen. + + + + 4de geheel herziene en veel vermeerderde druk. + + Geïllustreerde uitgave + + Bewerkt door + + Titia van der Tuuk. + + + + Nijmegen--Arnhem. + Gebr. E. & M. Cohen. + + + + + + + + Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem. + + + + + + + + +VOORWOORD. + + +Misschien is er geen vorm van letterkunde, die in alle kringen der +maatschappij zoo zijn invloed doet gelden als het sprookje. Arm +en rijk, aanzienlijken en geringen, ontwikkelden en eenvoudigen +van geest raken even gemakkelijk onder de bekoring, die er van het +sprookje uitgaat, en ofschoon allen het lezen in dezelfde woorden, +ziet ieder er wat anders in. + +Is dat de fout van het sprookje? + +Moeten we het fantastische vertelsel onthouden aan de naar bevrediging +hunkerende verbeelding van onze kleinen, omdat zij er niet alles +uithalen, wat er in zit? + +Maar verbied ze dan ook, hun blikken op te heffen tot den +sterrenhemel! Zij weten immers niet, dat die «lichtjes» daarboven +werelden zijn. + +Onweerstaanbaar echter worden de kinderen tot het uitspansel +aangetrokken; maan en sterren, zon en wolken, regenboog en bliksem +spreken tot hun verbeelding, ja, maar ook tot hun gemoed! Geen moeder, +die haar kroost kent en dit ontkennen zal. + +En zoo is het ook met het sprookje. + +Het sprookje _leeft_ in het hart van het kind, en het blijft leven +en zijn invloed uitoefenen, lang nadat de jeugd is voorbijgegaan. De +belangrijkste en vaak de schoonste producten van de letterkunde +zijn daar, om het te bewijzen. Sla Goethe, Heine, Wieland, Schiller, +Carlyle, Byron, Richepin, Victor Hugo--ik doe maar een greep op goed +geluk af--op, en overal merkt ge het sprookje. Hier vertoont het +zich in naïeven eenvoud, daar als een vroolijk lachend kind, ginds +gluurt het eventjes schalks tusschen de hoog-ernstige sarcastische +regels door; zonder de minste aanspraken te doen gelden, vertoont +het zich. Hoe ook verguisd en vertrapt soms, hoe vuig ook belasterd, +met een onverwoestbare levenskracht staat het frisscher en jeugdiger +en schooner weer op. + +En blijven leven zal het, zoo lang wij menschen nog een jeugdig hart +bewaren en er dichters opstaan, die het zoo kennen en liefhebben als +Andersen, de sprookjesdichter bij uitnemendheid. + +In hoeveel vormen heeft hij het ons niet geschonken, naïef en roerend, +zwierig en vroolijk, droefgeestig en somber, schoon en sarcastisch, +schalksch en geestig, maar altijd levendig en frisch. En heeft men +tegen de moraal van 't sprookje in 't algemeen iets, wat nood! Zijn +de vaders en de moeders er dan niet, om de kinderen terecht te wijzen +en te onderrichten? En is het zelfs geen voordeel, dat het kind al +vroeg een weinig tot kritisch nadenken wordt geprikkeld? Het bevordert +stellig de zelfstandigheid van zijn oordeel. + +De Nederlandsche bewerking van Andersens sprookjes, die hierbij +het publiek wordt aangeboden, is voor zoover ik heb kunnen nagaan, +volledig. Verschillende nommers, die in vroegere edities ontbraken +of hier en daar verspreid werden aangetroffen, zijn in deze uitgave +bijeengebracht. Ongetwijfeld zal deze onderneming door ieder, die +goede lectuur voor het huisgezin op prijs stelt, met vreugde worden +begroet. De aantrekkelijkheid van het boek wordt nog verhoogd door +het groote aantal gravures van Dalziel naar teekeningen van Bayes. + +Van harte hoop ik, dat door deze uitgave de sprookjes van Andersen +veel nieuwe vrienden mogen verwerven. + + +Arnhem, Maart '95. Titia van der Tuuk. + + + + + + + + + +HET LEELIJKE JONGE EENDJE. + + +Het was heerlijk buiten op het land. 't Was zomer, het koren was rijp, +het hooi stond op de groene weiden aan oppers, en de ooievaar liep op +zijn lange, roode pooten en praatte Egyptisch; want deze taal had hij +van zijn moeder geleerd. Rondom de korenvelden en de weiden waren +uitgestrekte bosschen, en midden in de bosschen diepe meren. Ja, +het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land! Door den glans +der zon beschenen, stond daar een oud kasteel, dat door een diepe +gracht omgeven was, en van den muur tot aan het water groeide dicht +kreupelhout. Te midden hiervan zat in haar nest een eend, die haar +jongen moest uitbroeden; maar het begon haar bijna te vervelen, zoo +lang duurde het, eer de jongen uitkwamen; daarbij kreeg zij zelden +bezoek, want de andere eenden zwommen liever in de gracht rond, +dan dat zij eens uit het water kwamen om met haar te praten. + +Eindelijk ging het eene ei na het andere open. Een gepiep deed zich +hooren, en al de dooren van de eieren waren levend geworden en staken +de kopjes uit de schalen. + +«Vlug wat, vlug!» zeide zij; en nu haastten zich al de kleine eendjes, +wat zij konden, en zij kwamen uit de eieren te voorschijn en keken +naar alle kanten onder de groene bladeren; en de moeder liet ze kijken, +zooveel als zij maar wilden; want groen is goed voor de oogen. + +«Wat is de wereld toch groot!» zeiden al de jongen; want nu hadden +zij heel wat meer plaats dan in het ei. + +«Denk je, dat dit de heele wereld is?» zei de moeder. «Die strekt zich +nog ver aan den anderen kant van het geboomte uit, tot aan den tuin +van den pastoor; maar daar ben ik nog nooit geweest.--Je bent toch +allemaal wel bij elkaar?» vervolgde zij en stond op. «Neen ik heb ze +nog niet allemaal; het grootste ei ligt daar nog; hoe lang zal het +nog wel duren, eer dat uitkomt? Nu begint het mij haast te vervelen!» +en zij ging er weer op zitten. + +«Wel zoo, hoe gaat het?» vroeg een oude eend, die haar eens een bezoek +kwam brengen. + +«Het duurt geducht lang met dat eene ei,» zei de eend, die er nu weer +op zat; «het wil maar niet opengaan; maar kijk eens naar de anderen: +zijn dat niet de liefste eendjes, die je ooit van je leven gezien +hebt? Zij lijken allemaal precies op hun vader; maar die ondeugd komt +mij niet eens bezoeken.» + +«Laat mij het ei, dat niet wil opengaan, eens zien!» zei de oude +eend. «Geloof mij, het is een kalkoenenei! Ik ben ook eens zoo +beetgenomen en had toen heel wat werk met mijn jongen, want zij waren +bang voor het water! Ik kon ze er maar niet in krijgen; hoe ik ook +kwakte, het hielp mij niemendal!--Laat mij het ei eens zien! Ja, dat +is een kalkoenenei! Laat dat maar liggen, en leer je andere kinderen +liever zwemmen!» + +«Ik zal er toch nog een beetje op blijven zitten,» antwoordde de eend; +«ik heb er nu al zoo lang op gezeten, en dus kan ik er nog wel een +paar dagen op zitten!» + +«Je moet het zelf weten,» hernam de oude eend en ging weg. + +Eindelijk ging het groote ei open. «Piep, piep!» zei het jong en +kroop er uit. Het was een groot en leelijk beest! De eend bekeek het +eens. «Wat is dat een verschrikkelijk groot eendje,» dacht zij; «geen +van de anderen ziet er zoo uit. Zou het misschien een kalkoensch +kuikentje zijn? Nu, daar zullen we wel gauw achter komen; in het +water moet het, al zou ik het er ook zelf induwen.» + +Den volgenden dag was het mooi, heerlijk weer; de zon scheen op alle +groene bladeren. De moeder der eendjes ging met haar heele familie +naar de gracht toe. Plof! daar sprong zij in het water. «Kwak, kwak!» +zeide zij, en het eene eendje na het andere plofte er nu ook in; het +water spatte hun om den kop, en zij doken even onder, maar kwamen al +spoedig weer boven en zwommen uitmuntend; hun pooten gingen van zelf, +en allen waren zij in het water; zelfs het leelijke, grauwe eendje +zwom mee. + +«Neen, het is geen kalkoen,» dacht de oude eend; «kijk eens, hoe ferm +hij met zijn pooten slaat en hoe recht hij zich weet te houden! 't +Is mijn eigen kind! Eigenlijk is hij toch nog zoo leelijk niet, als +men hem maar eens goed bekijkt! Kwak, kwak! Gaat maar met mij mee, +dan zal ik je in de groote wereld brengen en je in de eendenkooi +voorstellen: maar zorgt, dat je dicht in mijn nabijheid blijft, +en neemt je voor de kat in acht!» + +En zoo begaven zij zich naar de eendenkooi. Daarbinnen was een +verschrikkelijk rumoer; want daar waren twee families, die elkaar +het bezit van een palingkop betwistten, en eindelijk kreeg de kat +dien toch. + +«Kijk, zoo gaat het nu in de wereld!» zei de moeder der eendjes, en +zij stak haar snavel al uit, want zij wilde den palingkop ook wel +hebben. «Gebruikt je pooten nu!» vervolgde zij. «Houdt je fatsoen +en maakt een buiging voor de oude eend, die je daar ziet: dat is de +voornaamste van alle; zij is van Spaansche afkomst, daarom is zij zoo +dik; en, zie je wel, zij heeft een rood lapje om haar poot; dat is +iets heel moois en de grootste onderscheiding, die een eend te beurt +kan vallen; dat beteekent, dat men haar niet kwijt wil raken en dat +zij door dieren en menschen erkend moet worden. Wacht eens! Zet je +pooten niet zoo binnenwaarts! een welopgevoed eendje zet zijn pooten +buitenwaarts, evenals vader en moeder doen. Ziet eens! Zoo! Buigt je +hals nu en zegt: Kwak!» + +En dat deden zij; maar de andere eenden in de rondte bekeken ze en +zeiden tegen elkaar: «Kijk eens! Nu moeten wij nog het aanhangsel +krijgen, alsof wij al niet talrijk genoeg waren! En foei! wat ziet +dat eene eendje er uit! Dat willen wij hier niet hebben!» En terstond +vloog er een oude eend naar het arme beest toe en beet het in den nek. + +«Wil je dat nu wel eens laten?» zei de moeder. «Het doet immers +niemand kwaad!» + +«Dat is wel mogelijk, maar het is te groot en ziet er zoo vreemd uit,» +zei de andere eend, «en daarom moet het eens een pikje hebben.» + +«Het zijn lieve kinderen die de moeder heeft,» zei de oude eend met +het lapje om den poot, «zij zijn allemaal mooi, behalve dat eene; dat +is mislukt; ik zou wel willen, dal je dat eens wat anders kondt maken.» + +«Dat gaat immers niet,» zei de moeder van het eendje; «het is wel +niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flink als al de +anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter. Ik denk wel, dat het goed zal +opgroeien en mettertijd wat kleiner worden. Het heeft te lang in het +ei gezeten, en daardoor is het wat mismaakt geworden!» Dit zeggende, +pakte zij het beet en streek zijn veeren glad. «Bovendien is het een +woerd,» zeide zij; «en daarom doet het er zoo veel niet toe. Ik denk, +dat het wel krachtig zal worden; het weet zich ten minste nu al goed +te verweren.» + +«De andere eendjes zien er allerliefst uit,» zei de oude eend; «doe +maar, alsof je thuis waart, en als je een palingkop vindt, dan kun +je dien wel aan mij brengen.» + +En zoo waren zij er dan zoo goed als thuis. + +Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei gekomen was en er +zoo leelijk uitzag, werd gebeten, gestooten en voor den gek gehouden, +en dat zoowel door de eenden als door de kippen. «Het is te groot!» +zeiden allen, en de kalkoensche haan, die met sporen ter wereld +gekomen was en daarom dacht, dat hij keizer was, blies zich op als +een schip met volle zeilen en kwam op hem af; toen klokte hij en werd +zijn kop vuurrood. Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden +of keeren; het was treurig, omdat het er leelijk uitzag en door al +de anderen bespot werd. + +Zoo ging het den eersten dag, en later werd het al erger en erger. Het +arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusters waren kwaad +op hem en zeiden steeds: «Mocht de kat je maar beetpakken, jou leelijk +schepsel!» En de moeder zeide: «Ik wou, dat je maar ver hier vandaan +waart!» De eenden beten het, en de kippen pikten het, en de meid, +die de beesten eten moest geven, schopte het. + +Nu liep het weg en vloog over de schutting. De vogeltjes in het +geboomte vlogen daardoor verschrikt op. «Dat komt, omdat ik zoo +leelijk ben,» dacht het eendje, kneep de oogen even dicht en liep +toen weer voort. Zoo kwam het aan het groote moeras, waar de wilde +eenden woonden. Hier lag het den geheelen nacht; het was vermoeid +en verdrietig. + +Tegen den morgen vlogen de wilde eenden op en bekeken haar nieuwen +kameraad eens. «Wat ben jij er voor een?» vroegen zij, en het eendje +wendde zich naar alle kanten en groette zoo goed het kon. + +«Je bent verschrikkelijk leelijk!» zeiden de wilde eenden; «maar dat +kan ons niet schelen, als je maar niet met iemand van onze familie +trouwt!»--Het arme beest! Het dacht er waarlijk niet aan te trouwen; +als het maar de vergunning kon krijgen, om in het riet te liggen en +wat moeraswater te drinken. + +Zoo lag het twee heele dagen; toen kwamen er twee wilde ganzen of, +liever gezegd, genten naar hem toe; het was nog niet lang geleden, +dat zij uit het ei gekropen waren, en daarom waren zij zoo overmoedig. + +«Hoor eens, kameraad!» zeiden zij; «je bent zoo leelijk, dat je goed +bij ons past. Wil je met ons meegaan en trekvogel worden? Hier dichtbij +in een ander moeras zijn eenige aardige wilde ganzen, allemaal dames, +die evenals jij «kwak!» kunnen zeggen. Je kunt je fortuin daar wel +maken, hoe leelijk je ook wezen moogt.» + +«Piefpafpoef!» klonk het juist, en de beide wilde genten vielen dood in +het riet neer, en het water werd bloedrood gekleurd.--«Piefpafpoef!» +klonk het weer, en nu vlogen er geheele scharen wilde ganzen uit +het riet op. En toen deed zich andermaal een knal hooren. Er werd +een groote jacht gehouden; de jagers lagen rondom het moeras; ja, +eenigen zaten boven in de takken der boomen, die zich ver over het +riet uitstrekten. De blauwe damp trok in dikke wolken in de boomen en +ver over het water heen; de jachthonden gingen het moeras in. Plof, +plof! het riet boog zich naar alle kanten heen. Dat was een schrik +voor het arme eendje. Het draaide zijn kop om, om hem onder de vleugels +te steken; maar op hetzelfde oogenblik stond er een vreeselijk groote +hond dicht bij het eendje; de tong hing hem uit den bek, en zijn oogen +schoten vlammen; hij strekte zijn snoet juist naar het eendje uit, +liet het zijn scherpe landen zien en.... Plof! plof! ging het weer, +zonder dat hij het beetpakte. + +«Goddank!» zei het eendje met een zucht; «ik ben zoo leelijk, dat de +hond mij zelfs niet wil bijten.» + +En zoo bleef het roerloos liggen, terwijl de hagel door het riet +snorde en er schot op schot knalde. + +Eerst laat op den dag werd het stil; maar het arme eendje durfde nog +niet opstaan; het wachtte nog verscheidene uren, voordat het omkeek, +en toen snelde het uit het moeras weg, zoo vlug als het maar kon. Het +liep over veld en weide; maar er woei zulk een hevige storm, dat het +werk had om op zijn pooten te blijven staan. + +Tegen den avond bereikte het een kleine, armoedige boerenhut; +deze was zoo bouwvallig, dat zij zelf niet wist, naar welken kant +zij zou vallen, en daarom bleef zij maar staan. De storm gierde +zoo verschrikkelijk om het eendje heen, dat het moest gaan zitten, +om niet omver te waaien. Nu bemerkte het, dat de deur uit het eene +scharnier geraakt was en zoo scheef hing, dat het door de reet in de +kamer kon sluipen, en dit deed het dan ook. + +Hier woonde een oude vrouw met haar kater en haar kip. En de kater, +dien zij haar zoontje noemde, kon een hoogen rug zetten en spinnen; +hij gaf zelfs vonken van zich, maar dan moest men zijn haar den +verkeerden kant opstrijken. De kip had korte, lage pooten, en daarom +werd zij juffrouw Kortbeen genoemd; zij legde heerlijke eieren, +en de vrouw had haar zoo lief, alsof zij haar kind was. + +'s Morgens zag men het vreemde eendje dadelijk, en nu begon de kater +te blazen en de kip te kakelen. + +«Wat is er te doen?» zei de vrouw en keek in de rondte; maar zij had +een slecht gezicht, en daarom dacht zij, dat het eendje een vette +eend was, die verdwaald was geraakt. «Dat is een goede vangst!» +zeide zij. «Nu kan ik eendeneieren krijgen. Als het maar geen woerd +is! Dat zullen wij eens probeeren!» + +En zoo werd het eendje voor drie weken op de proef aangenomen; maar +er kwamen geen eieren. En de kater was heer in huis, en de kip was +er zoo goed als vrouw, en altijd zeiden zij: «Wij en de wereld!» Want +zij dachten, dat zij de helft waren, en verreweg de beste helft. Het +eendje gaf als zijn meening te kennen, dat het toch ook wel eens +anders zou kunnen zijn; maar dat kon de kip niet velen. + +«Kun je eieren leggen?» vroeg zij. + +«Neen.» + +«Welnu, wil je dan wel eens zwijgen?» + +En de kater zei: «Kun je een hoogen rug zetten en spinnen en maken, +dat er vonken uit je lijf komen?» + +«Neen.» + +«Dan mag je ook geen meening hebben, als verstandige lieden met +elkaar spreken.» + +En het eendje zat in den hoek en voelde zich diep ongelukkig; daar +drong de zonneschijn in het huisje door; het kreeg zulk een lust om +in het water te zwemmen, dat het zich niet kon weerhouden, dit tegen +de kip te zeggen. + +«Wat is dat voor een dwaze inval!» zei deze. «Je hebt niets uit te +voeren, en daarom verzin je allerlei dwaasheden. Leg eieren of spin, +en maak je anders uit de voeten!» + +«Maar het is zoo prettig, in het water te zwemmen,» zei het eendje, +«zoo prettig, het boven zijn kop te laten uitspatten en op den grond +te duiken.» + +«Nu, dat is ook een heel plezier!» zei de kip. «Je bent zeker niet +goed bij je verstand! Vraag er den kater maar eens naar,--die is het +verstandigste schepsel, dat ik ken,--of hij er van houdt, in het water +te zwemmen of onder te duiken? Ik wil niet van mij zelf spreken.--Vraag +het zelf maar aan onze meesteres, de oude vrouw; wijzer dan zij is +niemand op de wereld! Denk je misschien, dat zij plezier heeft om te +zwemmen en het water boven haar hoofd uit te laten spatten?» + +«Je begrijpt mij niet!» zei het eendje. + +«Begrijpen wij je niet? Wie zou je dan kunnen begrijpen? Je zult +toch wel niet wijzer willen zijn dan de kater en de vrouw,--van mij +zelf wil ik niet spreken! Heb maar niet zooveel noten op je zang, +en wees dankbaar voor al het goede, dat men je bewezen heeft. Ben +je niet in een warme kamer gekomen en heb je niet een gezelschap, +waarvan je nog wat kunt leeren? Maar er is geen huis met je te houden, +en het is alles behalve plezierig, met jou om te gaan. Je kunt mij +gerust gelooven! Ik meen het goed met je. Ik zeg je de waarheid, al +vind je dit ook niet prettig, en daaraan kan men zien, wie zijn ware +vrienden zijn. Doe je best maar om eieren te leggen of te spinnen of +vonken uit je lijf te laten komen.» + +«Ik denk, dat ik de wijde wereld maar in zal gaan!» zei het eendje. + +«Ja, doe dat maar!» liet de kip hierop volgen. + +En zoo ging het eendje dan heen; het zwom in het water, het dook met +zijn kopje onder, maar door alle dieren werd het om zijn leelijkheid +met minachting bejegend. + +Nu kwam de herfst; de bladeren in het bosch werden geel en bruin; +de wind rukte ze af, zoodat zij in de rondte dansten, en boven in de +lucht was het snerpend koud; de wolken zaten vol hagel en sneeuw; en +op de heg zat een raaf en deed haar klagend gekras hooren. Het arme +eendje had het al heel slecht! Op zekeren avond, juist toen de zon in +haar pracht onderging, kwam er een heele troep groote vogels uit het +bosch, het eendje had er nooit zulke mooie gezien; zij waren spierwit +en hadden lange, buigzame halzen: het waren zwanen. Zij lieten een +eigenaardig geluid hooren, spreidden hun prachtige, lange vleugels +uit en trokken uit de koude streken naar warmere landen. Zij stegen +zoo hoog, zoo hoog, dat het het leelijke jonge eendje wonderlijk te +moede werd. Het draaide zich als een tol in het water rond, strekte +zijn kop hoog in de lucht naar de zwanen uit en gaf zulk een luiden +en zonderlingen schreeuw, dat het er zelf van schrikte. O, het kon die +mooie, gelukkige vogels niet vergeten; en zoodra deze niet meer te zien +waren, dook het onder tot op den grond en toen het weer boven kwam, +was het als buiten zich zelf. Het arme beest wist niet, hoe die vogels +heetten, ook niet, waar zij naar toe vlogen; maar toch liep het er +hoog mee, zooals het nog nooit ergens mee gedaan had. Het benijdde ze +volstrekt niet. Hoe zou het hem ook in de gedachten komen, te wenschen, +zelf zoo mooi te zijn? Het zou al blij geweest zijn als de eenden +hem maar in haar midden geduld hadden,--dat arme, leelijke beest! + +Het werd winter. Het was koud, snerpend koud. Het eendje moest in +het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet heelemaal dichtvroor; +maar met iederen nacht werd het gat, waarin het zwom, al kleiner en +kleiner. Het vroor, dat het kraakte; het eendje moest voortdurend zijn +pooten gebruiken, opdat het gat niet geheel dicht zou gaan. Eindelijk +werd het moede, bleef doodstil liggen en vroor in het ijs vast. + +'s Morgens vroeg kwam er een boer voorbij. Toen hij het eendje zag, +ging hij er heen, trapte het ijs met zijn klomp aan stukken en bracht +het dier naar zijn vrouw toe. Daar kwam het weer bij. + +De kinderen wilden met hem spelen; maar het eendje dacht, dat zij +hem kwaad wilden doen en vloog in zijn angst juist in het melkvat, +zoodat de melk overal in de kamer rondspatte. De vrouw sloeg de +handen in elkaar, waarop het eerst in het botervat en toen in de +meelton vloog. Wat zag het er nu uit! De vrouw schreeuwde en sloeg +met de tang naar het arme beest; de kinderen liepen elkaar omver, om +het eendje te pakken; zij lachten en schreeuwden!--'t Was gelukkig, +dat de deur openstond en dat het tusschen de takken in de versch +gevallen sneeuw kon sluipen. Daar bleef het geheel uitgeput liggen. + +Maar al den nood en de ellende, welke het eendje in dien strengen +winter moest doorstaan, te vertellen, zou te akelig zijn. + +Het lag in het moeras tusschen het riet, toen de zon weer warm begon +te schijnen. De leeuweriken zongen. Het was lente geworden. + +Nu kon het eendje op eens zijn vleugels uitslaan; deze klapten luider +dan vroeger en droegen hem krachtig van daar; en voordat het beest het +recht wist, bevond het zich in een grooten tuin, waarin de vlierboomen +geurden en hun lange, groene takken tot in het water neerbogen. O, hier +was het zoo schoon, zoo heerlijk! En uit het geboomte kwamen eensklaps +drie prachtige witte zwanen te voorschijn: zij klapten met hun vleugels +en zwommen fier in het water. Het eendje kende die prachtige beesten +en werd door een eigenaardige treurigheid aangegrepen. + +«Ik zal naar hen toe vliegen, naar die koninklijke vogels! Maar zij +zullen mij dooden, omdat ik, die zoo leelijk ben, mij in hun nabijheid +durf wagen. Maar dat doet er niet toe! 't Is beter, door hen gedood, +dan door de eenden gebeten, door de kippen gepikt, door de meid, +die aan de kippen eten geeft, geschopt te worden en in den winter +gebrek te lijden!» + +En het snelde naar het water, plofte er in en zwom naar de prachtige +zwanen toe; deze zagen hem en kwamen met klappende vleugels op hem af. + +«Doodt mij maar!» zei het arme beest, boog zijn kop voorover en +verwachtte niets anders dan den dood.--Maar wat zag het nu in het +heldere water? Het zag daarin zijn eigen beeltenis, niet meer die +van een loggen, grauwen, leelijken vogel, maar van een zwaan. + +Het doet er niet toe, door een eend uitgebroed te worden, als men +maar uit een zwanenei gekomen is! + +Het gevoelde zich nu verheugd over al den nood en de ontberingen, +die het doorgestaan had. Nu erkende het eerst recht zijn geluk en de +heerlijkheid, die hem omringde.--En de zwanen zwommen om hem heen en +streelden hem met hun snavels. + +Eenige kinderen kwamen den tuin inloopen; ze gooiden brood en gerst +in het water, en het kleinste riep: «Daar is een nieuwe zwaan!» En +de andere kinderen jubelden mee: «Ja, er is een nieuwe bijgekomen!» +En zij klapten in de handen en dansten in de rondte, liepen naar hun +ouders toe, en er werd brood en koek in het water geworpen, en zij +zeiden allemaal: «Die nieuwe is nog de mooiste! Hij is zoo jong en +ziet er zoo prachtig uit!» En de andere zwanen bogen zich voor hem. + +Nu gevoelde het zich geheel beschaamd en stak zijn kop onder zijn +vleugels; het wist zelf niet, hoe het zich zou houden; het was +overgelukkig, maar volstrekt niet trotsch. Het dacht er aan, hoe +het vervolgd en bespot was, en hoorde nu allen zeggen, dat het de +mooiste van al die mooie vogels was. Zelfs de vlierboom boog zich +met zijn takken tot hem in het water neer, en de zon scheen warm en +liefelijk! Nu klapte hij met zijn vleugels, richtte zijn slanken hals +op en jubelde van ganscher harte: + +«Zooveel geluk had ik mij niet kunnen voorstellen, toen ik nog een +leelijk eendje was!» + + + + +DE OUDE STRAATLANTAARN. + + +Hebt ge ooit de geschiedenis van de oude straatlantaarn gehoord? Zoo +heel plezierig is zij wel niet, maar toch laat zij zich wel eens een +enkele maal lezen. + +'t Was een brave, oude straatlantaarn, die vele, vele jaren achtereen +dienst gedaan had, maar nu voor den post, dien zij zoo lang bekleed +had, ongeschikt geacht werd. De laatste avond, dien zij op den paal +zou doorbrengen om de straat te verlichten, was daar. Het was haar +te moede als een balletdanseres, die voor de laatste maal danst en +weet, dat zij den volgenden dag vergeten op haar zolderkamertje zal +zitten. De lantaarn zag geducht tegen den volgenden dag op; want zij +wist, dat zij dan voor het eerst van haar leven op het stadhuis zou +komen en door den burgemeester en den gemeenteraad bezichtigd worden, +die zouden beslissen, of zij nog tot verdere diensten bruikbaar was +of niet. + +Daar zou dan bepaald worden, of zij in 't vervolg haar licht voor de +bewoners van een der voorsteden zou laten schijnen, dan wel naar de +een of andere fabriek op het platteland verbannen worden; misschien +ook zou zij wel regelrecht naar een ijzergieterij gaan, om in een +anderen vorm te worden gegoten. In dat geval kon er wel is waar alles +van haar komen; maar de gedachte dat zij niet wist, of zij er dan de +herinnering nog van zou behouden, dat zij een maal een straatlantaarn +geweest was, pijnigde haar. Maar hoe het ook met haar mocht afloopen, +zooveel was zeker, dat zij van den lantaarnopsteker en diens vrouw, die +haar bijna als een lid der familie beschouwden, gescheiden zou worden. + +Toen de lantaarn voor het eerst op den paal gezet werd, was de +lantaarnopsteker nog een jeugdig, krachtig man. Ja, dat was al +een heelen tijd geleden, dat zij lantaarn en hij lantaarnopsteker +werd. Zijn vrouw was toen nog een beetje trotsch. Alleen wanneer zij +'s avonds voorbijkwam, verwaardigde zij de lantaarn met een blik, +maar overdag nooit. Doch in de laatste jaren, toen zij alle drie, +de lantaarnopsteker, zijn vrouw en de lantaarn, oud geworden waren, +had de oude vrouw haar verzorgd, geschuurd en van olie voorzien. 't +Waren beiden doodeerlijke menschen; nooit hadden zij de lantaarn ook +maar een enkelen droppel olie te kort gedaan. + +'t Was de laatste avond, die zij op straat doorbracht, en den +volgenden dag moest zij naar het stadhuis toe: dat waren twee sombere +gedachten! Geen wonder, dat zij niet heel helder brandde. Maar ook +vele andere gedachten bestormden haar. Aan hoevelen had zij haar +licht geschonken, hoeveel had zij gezien, misschien wel evenveel als +de burgemeester en de gemeenteraad! Maar deze gedachten hield zij voor +zich, want het was een brave, eerlijke, oude lantaarn, die niemand ooit +kwaad deed en wel het minst aan de haar gestelde overheid. Allerlei +dingen kwamen haar in de gedachten, en bij tijd en wijle flikkerde +haar vlam daardoor even op. Zij had in zulke oogenblikken een gevoel, +dat men zich ook harer zou herinneren. + +«Daar was indertijd dat knappe jonge mensch,--het is al vele jaren +geleden,--deze hield een briefje op rose papier in de hand. Het was +zoo keurig geschreven, en wel door een dameshand. Tweemaal las hij het +en kuste het en keek naar mij op met oogen, die duidelijk schenen te +zeggen: «Ik ben de gelukkigste van alle stervelingen!» Alleen hij en +ik wisten, wat er in dien eersten brief van zijn geliefde geschreven +stond.--Ja, ook nog een ander paar oogen herinner ik mij. Wat kunnen +onze gedachten toch snel van het eene op het andere springen! Hier in +de straat had er een begrafenis plaats; een jeugdige, schoone vrouw +lag in de lijkkoets in de kist, die met bloemen en kransen bedekt +was; de vele fakkels verduisterden mijn licht. Langs de huizen +stonden de menschen dicht op elkaar gedrongen; zij sloten zich +allen bij den lijkstoet aan. Maar toen de fakkels uit mijn gezicht +verdwenen waren en ik eens in de rondte keek, stond er nog iemand +tegen mijn paal aan te leunen en weende. Nimmer zal ik die oogen, +waarin zooveel treurigheid te lezen stond en die naar mij opkeken, +vergeten!» Deze en dergelijke gedachten bestormden de oude lantaarn, +die thans voor de laatste maal haar licht in de straat verspreidde. + +De schildwacht, die van zijn post afgelost wordt, kent zijn opvolger +ten minste en kan hem nog eenige woorden toefluisteren; maar de +lantaarn kende haar plaatsvervangster niet, en zij zou haar toch zoo +menigen nuttigen wenk omtrent mist en regen hebben kunnen geven; zij +zou haar hebben kunnen zeggen, hoever de stralen der maan reikten, +uit welken hoek de wind gewoonlijk woei, en zooveel andere dingen meer. + +Op het brugje, dat over de goot lag, stonden drie personen, die +zich aan de lantaarn wilden voorstellen; want zij verkeerden in den +waan, dat deze den post zelf te begeven had. De eerste persoon was +een haringkop, die in de duisternis insgelijks licht van zich kon +geven. Hij beweerde, dat het heel wat olie zou uithalen, als hij op +den lantaarnpaal geplaatst werd. De tweede was een stuk vermolmd +hout, dat ook licht rondom zich verspreidt. Het was, zeide het, +van een ouden stam afkomstig, eenmaal het sieraad van het bosch. De +derde persoon was een glimwormpje; waar dit vandaan gekomen was, +begreep de lantaarn niet, maar het was er, en licht geven kon het +ook. Het vermolmde hout en de haringkop zwoeren echter bij alles, +wat hun heilig was, dat het slechts op bepaalde tijden licht van zich +gaf en dat het daarom volstrekt niet in aanmerking kon komen. + +De oude lantaarn verklaarde, dat geen hunner voldoend licht gaf, om den +post van straatlantaarn te bekleeden; maar dat wilde geen van drieën +gelooven. Toen zij dan ook hoorden, dat de lantaarn den post niet +zelf te begeven had, zeiden zij, dat dit hun genoegen deed; want zij +was al veel te oud en te afgeleefd, om een goede keuze te kunnen doen. + +Op hetzelfde oogenblik kwam de wind van den hoek der straat aanbruisen +en gierde door de luchtgaten der oude lantaarn. «Wat hoor ik daar?» +zei hij tegen haar. «Gaat ge morgen heen? Is dit de laatste avond, dien +ik u hier aantref? Dan wil ik u tot afscheid toch nog wat geven. Ik +blaas nu op zulk een wijze in uw hersenkast, dat ge u voortaan niet +alleen alles, wat ge gehoord en gezien hebt, zult kunnen herinneren, +maar dat het zoo helder in uw binnenste zal worden, dat ge alles, +waarvan in uw tegenwoordigheid gelezen of verteld wordt, kunt zien.» + +«O, dat is waarlijk veel, heel veel!» sprak de oude lantaarn. «Ik dank +u wel hartelijk. Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten wordt!» + +«Dat zal nog zoo gauw niet gebeuren!» zei de wind. «Nu blaas ik u de +herinnering in; als ge meer andere geschenken van dien aard krijgt, +dan kunt ge nog een gelukkigen ouden dag hebben.» + +«Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!» zei de lantaarn +weer. «Of zal ik dan ook mijn geheugen behouden?» + +«Oude lantaarn, wees toch verstandig!» hernam de wind. + +Op dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn. + +«Wat geeft gij?» vroeg de wind. + +«Ik geef niets,» antwoordde zij. «Ik ben immers aan het afnemen, en +de lantarens hebben mij nooit verlicht, maar wel heb ik omgekeerd de +lantarens verlicht.» En met deze woorden verschool de maan zich weer +achter de wolken, om verder aandringen te voorkomen. + +Nu viel er een droppel op de lantaarn neer. Deze droppel zeide, dat +hij uit de grauwe wolken kwam en ook een geschenk was, misschien wel +het beste. «Ik doordring u zoozeer, dat ge de gave verkrijgt om in +één nacht, als ge dit verlangt, in roest te veranderen en tot stof +te worden.» + +Dit scheen de lantaarn een slecht geschenk toe, en de wind dacht er +evenzoo over. «Is er niemand meer, die wat te geven heeft?» blies +hij zoo hard, als hij maar kon. + +Nu viel er een heldere verschietende ster neer en liet een lange, +vurige streep achter. + +«Wat was dat?» riep de haringkop uit. «Viel daar niet een ster naar +beneden? Ik geloof haast, dat zij op de lantaarn is neergekomen. Nu, +als er zulke hooggeplaatste personen naar den post dingen, kunnen +wij wel naar huis gaan.» + +En dat deden zij ook alle drie. Maar de oude lantaarn gaf op eens een +verwonderlijk helder licht van zich. «Dat is een heerlijk geschenk +geweest!» zeide zij. «De prachtige sterren, waarin ik altijd zooveel +schik gehad heb en die zulk een helderen glans rondom zich verspreiden, +als ik nooit van mij heb kunnen geven, ofschoon ik er altijd mijn +uiterste best toe heb gedaan, hebben mij, arme oude lantaarn, toch +opgemerkt en mij een geschenk gezonden, waardoor alles, wat ik mij +zelf herinner en wat ik zoo duidelijk zie, alsof het voor mij stond, +ook door allen, die ik liefheb, gezien kan worden. En hierin ligt +toch eerst het wezenlijke genot; want een vreugde, waarin men niet +met anderen kan deelen, is toch maar een halve vreugde.» + +«Dat doet uw hart eer aan!» zei de wind. «Maar ge weet zeker nog +niet, dat daartoe waskaarsen noodig zijn. Als er geen waskaars in u +opgestoken wordt, dan kan niemand der anderen iets in u zien. Daaraan +hebben de sterren niet gedacht; zij meenen, dat alles, wat licht +geeft, een waskaars in zich heeft. Maar ik ben nu moe en zal wat gaan +liggen!»--En hij ging terstond liggen. + +«Och hemel! Waskaarsen!» zei de lantaarn. «Die heb ik tot hiertoe +niet gehad, en die zal ik in het vervolg ook wel niet krijgen. Als +ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!» + +Den volgenden dag,--ja, den volgenden dag kunnen wij gerust +overspringen,--maar den volgenden avond zat de lantaarn dood op +haar gemak in een leuningstoel! En raad eens waar? Bij den ouden +lantaarnopsteker. Deze had den burgemeester en den gemeenteraad om de +gunst verzocht, uit hoofde van zijn langdurige en trouwe diensten de +lantaarn te mogen behouden, die hij zelf op den dag, waarop hij zijn +post had aanvaard, nu vier-en-twintig jaren geleden, voor 't eerst +opgestoken had. Hij beschouwde haar als zijn kind, want hij had er +geen ander; en de lantaarn werd hem ten geschenke gegeven. + +Zoo zat zij daar dan in den leuningstoel, dicht bij de warme +kachel. Het was, alsof zij grooter geworden was, want zij besloeg +bijna den geheelen stoel. + +De oude luidjes zaten aan hun avondmaal en wierpen vriendelijke +blikken op de oude lantaarn, waarvoor zij gaarne een plaats aan de +tafel zouden ingeruimd hebben. + +Zij woonden wel is waar in een kelder, die twee el diep onder den +grond was; men moest een steenen gang door om er in te komen; maar +van binnen zag het er toch recht gezellig uit, en het was er warm; +want zij hadden tochtlatten om de deur gespijkerd. Alles zag er hier +netjes en zindelijk uit, en er hingen gordijnen voor de bedstede en +voor de kleine raampjes. Op de vensterbank stonden twee zonderlinge +bloempotten, die de matroos Christiaan uit Oost- of West-Indië +meegebracht had. Zij waren maar van grof aardewerk en stelden twee +olifanten voor, die echter geen rug hadden; maar in plaats daarvan +groeide er uit de aarde, waarmee zij gevuld waren, in den eenen het +prachtigste bieslook: dat was de moestuin der oude luidjes: in den +anderen een groote, bloeiende geranium: dat was hun bloemtuin. Aan +den muur hing een groot, bontgekleurd schilderij, dat het congres van +Weenen voorstelde. Op deze wijze hadden zij alle koningen en keizers +op eens bij elkaar. Een klok, waaraan zware looden gewichten hingen, +deed onophoudelijk: «Tik, tak!» en deze liep altijd voor, maar dat was +beter, dachten de oude luidjes, dan dat zij naliep. Zij gebruikten hun +avondmaal, en de oude straatlantaarn zat, zooals reeds gezegd is, in +den leuningstoel dicht bij de kachel. Het kwam de lantaarn voor, alsof +de geheele wereld omgedraaid was. Maar toen de oude lantaarnopsteker +haar aankeek en er van sprak, wat zij beiden alzoo met elkaar doorleefd +hadden, in regen en mist, in de heldere, korte zomernachten zoowel +als in de lange winternachten, wanneer het sneeuwde, zoodat het hem +goeddeed, als hij weer in zijn kelder kwam,--toen wist de lantaarn +zich weer goed in alles te verplaatsen. Zij zag alles even duidelijk, +alsof het nu nog gebeurde; ja, de wind had haar inwendig goed verlicht. + +De oude luidjes waren zeer vlijtig en bedrijvig; geen uur werd er door +hen in ledigheid doorgebracht. Des Zondags middags werd er het een of +ander boek voor den dag gehaald, bij voorkeur een reisbeschrijving, +en dan las de waardige grijsaard zijn vrouw voor, van Afrika, van de +groote bosschen, van de olifanten, die daar in 't wild rondloopen, +en dan luisterde de oude vrouw in gespannen aandacht naar hem en +sloeg een heimelijken blik op de beide olifanten van aardewerk, +die voor bloempotten dienden. + +«Ik kan mij dat alles best voorstellen!» zeide zij. En de lantaarn +wenschte dan van ganscher harte, dat er een waskaars voorhanden geweest +was, die in haar kon opgestoken worden; dan zou de oude vrouw alles tot +het kleinste toe nauwkeurig zoo hebben kunnen zien, als de lantaarn dit +zag: de hooge boomen, de dicht in elkaar gegroeide takken, de naakte, +zwarte menschen te paard en geheele troepen olifanten, die met hun +plompe pooten riet en struiken vertrapten. + +«Wat baten mij nu al mijn gaven, als ik geen waskaars vind?» zei +de lantaarn met een zucht. «Zij hebben niets anders dan olie en +vetkaarsen, en dat is niet voldoende!» + +Op zekeren dag kwam er een heele boel eindjes waskaars in den kelder; +de grootste eindjes werden gebrand, en de kleinere gebruikte de vrouw +om er haar draden mee te wrijven. Er waren dus genoeg waskaarsen +voorhanden; maar het kwam de beide oude luidjes niet in de gedachten, +een klein eindje in de lantaarn te zetten. + +«Daar sta ik nu met al mijn gaven,» dacht de lantaarn. «Ik heb alles +in mij, maar kan er hen geen deelgenooten van maken; zij weten niet, +dat ik de witte muren in de prachtigste tapijten kan veranderen, +in de heerlijkste bosschen, in alles, wat zij maar kunnen wenschen.» + +De lantaarn werd overigens netjes in orde gehouden en stond geschuurd +in een hoek, waar zij iedereen in het oog viel. De menschen vonden +wel is waar, dat het een onnut meubel was; maar daarom bekreunden de +oudjes zich niet: zij hadden de lantaarn immers lief. + +Op zekeren dag,--'t was de verjaardag van den ouden lantaarnopsteker, +ging de oude vrouw glimlachend naar de lantaarn toe en zei: «Ik zal +vandaag eens ter eere van mijn man illumineeren!» En de lantaarn +knarste met haar blikken schoorsteentje en dacht: «Wacht! Eindelijk +zal er toch een licht voor hen opgaan!» + +Maar het bleef bij olie, en geen waskaars kwam er te voorschijn. Zij +brandde den heelen avond door, doch zag nu maar al te goed in, dat +het geschenk der sterren voor dit leven een doode schat zou blijven. + +Daar had zij een droom,--en als men zulke gaven als zij bezit, dan is +het geen kunst om te droomen! Het kwam haar voor, dat de oude luidjes +gestorven waren en dat zij naar de ijzergieterij gebracht was, om in +een anderen vorm gegoten te worden. Het was haar daarbij even bang +te moede als indertijd, toen zij naar het stadhuis moest, om door +den burgemeester en den gemeenteraad bekeken te worden. Maar ofschoon +haar de macht verleend was, zich in roest en stof te veranderen, als +zij dit wenschte, deed zij dit toch niet. Zij werd in den smeltoven +geworpen en in een ijzeren kandelaar veranderd, zoo mooi, als men +maar zou kunnen wenschen, om waskaarsen daarop te plaatsen. Zij had +den vorm van een engel gekregen, die een grooten bloemruiker draagt; +midden in den ruiker werd de waskaars geplaatst. De kandelaar kreeg +zijn plaats op een groene schrijftafel; de kamer, waarin zij stond, +zag er heel gezellig uit; er stonden vele boeken in, en de muren waren +met mooie schilderijen behangen; zij behoorde een dichter toe. De +kamer veranderde in dichte, donkere bosschen, in liefelijke weiden, +in het scheepsverdek op de golven der zee, in den helderen hemel met +al zijn sterren. + +«Wat liggen er toch een menigte gaven in mij besloten!» zei de oude +lantaarn, toen zij wakker werd. «Ik zou er bijna naar verlangen, in +een anderen vorm gegoten te worden. Maar neen! Dat mag niet gebeuren, +zoolang de oude luidjes leven. Zij hebben mij om mijns zelfs wil +lief. Zij hebben mij geschuurd en mij olie gegeven. En ik heb het +immers ook even goed, als het heele congres, in de beschouwing waarvan +zij insgelijks genoegen vinden!» + +Van dien tijd af genoot zij meer inwendige rust, en dat had de oude, +brave straatlantaarn wel verdiend. + + + + +DE OOIEVAARS. + + +Op het laatste huis in een klein dorpje was een ooievaarsnest. Het +wijfje van een ooievaar zat daarin bij haar vier jongen, die er hun +kopjes met de spitse zwarte bekjes uitstaken; want deze waren nog niet +rood geworden. Een klein eindje daar vandaan stond op de vorst van het +dak, stram en stijf, het mannetje; hij had zijn eenen poot in de hoogte +getrokken, om toch iets te doen te hebben, terwijl hij op schildwacht +stond. Men zou gezegd hebben, dat hij van hout gemaakt was, zoo stil +stond hij. «Het zal zeker wel heel deftig staan, dat mijn vrouw een +schildwacht bij het nest heeft!» dacht hij. «Ze kunnen immers niet +weten, dat ik haar man ben. Ze denken zeker, dat zij mij bevel gegeven +heeft om hier te staan!» En hij ging voort met op één poot te staan. + +Beneden op straat speelde een troep kinderen; en toen zij de ooievaars +zagen, zong een der moedigste knapen, en later allen tegelijk, +het oude liedje van de ooievaars. Maar zij zongen het slechts zoo, +als hij het zich kon herinneren: + + + «Ooievaar! waar vlieg je heen! + Sta niet steeds op je eene been! + Kijk, je vrouw zit in het nest, + Waar zij op haar jongen past. + + Het eene wordt gehangen, + Het andere wordt verschroeid, + Het derde doodgestoken, + Het vierde aan 't braadspit gloeit.» + + +«Hoor eens, wat die knapen daar zingen!» zeiden de jongen; «zij zingen, +dat wij opgehangen en verbrand moeten worden!» + +«Daar moet je je maar niet aan storen!» zei de moeder der +ooievaars. «Luistert er maar niet naar, dan hindert het je niet!» + +Maar de jongens gingen met zingen voort, en zij sliepten den ooievaar +met hun vingers uit; doch één knaap, die Piet heette, zei dat het +zonde was, die beesten zoo in het ootje te nemen, en hij wilde dan +ook volstrekt niet meedoen. De moeder der ooievaars troostte hen door +te zeggen: «Bekreunt je er maar niet om! Ziet maar eens, hoe bedaard +je vader daar staat, en dat nog wel op één poot!» + +«We zijn doodsbenauwd!» zeiden de jongen en trokken hun kopjes in +het nest terug. + +Den volgenden dag, toen de kinderen weer aan het spelen waren en de +ooievaars zagen, zongen zij hun lied: + + + «Het eene wordt gehangen, + Het andre wordt verschroeid.» + + +«Zullen we dan toch opgehangen en verschroeid worden?» vroegen de +jonge ooievaars. + +«Wel zeker niet!» zei hun moeder. «Je moet leeren vliegen. Ik zal +het je wel leeren! Dan gaan wij naar het land toe en leggen een +bezoek bij de kikvorschen af; die buigen zich voor ons in het water +en zingen: «Krok, krok, rekkekekkek!» En dan eten wij ze op. Dat zal +een pret zijn!» + +«En wat dan?» vroegen de jongen. + +«Dan verzamelen zich al de ooievaars, die er in dit heele land zijn, +en dan beginnen de herfstmanoeuvres; dan moet men goed kunnen vliegen; +dat is van het uiterste belang. Want wie dan niet vliegen kan, wordt +door den generaal met den snavel doodgestoken; past daarom goed op, +dat je wat leert, als het exerceeren begint.» + +«Dan worden we toch doodgestoken, zooals de jongens zeiden. En hoor +eens! Daar zingen ze het weer!» + +«Luistert naar mij en niet naar hen,» zei de moeder der ooievaars. «Na +de groote manoeuvres vliegen wij naar de warme landen, ver hier +vandaan, over bergen en bosschen. Naar Egypte vliegen wij toe, waar +men driehoekige steenen huizen heeft, die in een punt uitloopen en tot +boven de wolken reiken; zij worden piramiden genoemd en zijn ouder, +dan een ooievaar zich wel kan voorstellen. Daar is een rivier, die +buiten haar oevers treedt; dan wordt het geheele land tot slijk. Men +loopt in het slijk en eet kikvorschen.» + +«Zoo?» zeiden al de jongen. + +«Ja, daar is het heerlijk! Men doet den heelen dag niets anders dan +eten; en terwijl we het daar zoo goed hebben, is er in dit land geen +enkel groen blad aan de boomen; dan is het hier zoo koud, dat de +wolken stuk vriezen en in kleine, witte lapjes naar beneden vallen!» +Het was de sneeuw, die zij bedoelde: maar zij wist het niet anders +te verklaren. + +«Vriezen die ondeugende jongens dan ook stuk?» vroegen de jonge +ooievaars. + +«Neen, stuk vriezen ze niet; maar ze zijn er dicht aan toe en moeten +in de donkere kamer blijven zitten kniezen. Jelui kunt daarentegen +in vreemde landen rondvliegen, waar men bloemen en warmen zonneschijn +heeft.» + +Nu was er al eenigen tijd verloopen; en de jongen waren zoo +groot geworden, dat zij rechtop in het nest konden staan en ver +in de rondte kijken; en de vader der ooievaars kwam alle dagen met +heerlijke kikvorschen, kleine slangen en alle ooievaarslekkernijen, +die hij maar kon vinden. O, wat was dat aardig, als hij hun allerlei +kunstjes voordeed. Zijn kop boog hij heelemaal achterover tot op zijn +staart, met zijn snavel klapperde hij, alsof het een rateltje was, +en dan vertelde hij hun geschiedenisjes allemaal van het moeras. + +«Hoort eens, nu moet je leeren vliegen!» zei de moeder der ooievaars +op zekeren dag, en toen moesten al de vier jongen het nest uit en +de dakvorst op. Och, wat waggelden zij, wat balanceerden zij met hun +vleugels; en toch scheelde het niet veel, of zij waren naar beneden +gevallen. + +«Kijkt maar eens naar mij!» zei de moeder. «Zoo moet je je kop +houden! Zoo moet je je pooten zetten. Een, twee! Een, twee! Dat is het, +wat je in de wereld vooruit zal doen komen!» Daarop vloog zij een klein +eindje, en de jongen deden een kleinen, onbeholpen sprong. Bom! daar +lagen ze, want hun lichaam was nog niet lenig genoeg. + +«Ik wil niet vliegen!» zei een der jongen en kroop weer in het nest; +«het kan mij niet schelen, of ik naar de warme landen toe ga!» + +«Wil je hier dan doodvriezen, als het winter wordt? Moeten de jongens +dan komen om je op te hangen, te verbranden of dood te steken? Dan +zal ik ze maar dadelijk roepen!» + +«O neen!» zei de jonge ooievaar en huppelde toen weer over het dak, +evenals de andere. + +Op den derden dag konden zij al een beetje vliegen, en nu dachten zij, +dat zij ook konden zweven en op de lucht drijven. Dat wilden zij, +maar bom! daar duikelden zij; daarom moesten zij hun vleugels gauw +weer in beweging brengen. Nu kwamen de jongens beneden op de straat +en zongen hun lied: + + + «Ooievaar! waar vlieg je heen?» + + +«Zullen we niet naar beneden vliegen en hun de oogen uitpikken?» +vroegen de jongen. + +«Neen, doet dat niet!» zei de moeder. «Luistert maar naar mij, dat is +veel meer van belang! Een, twee, drie! nu vliegen we rechts. Een, twee, +drie! nu links om den schoorsteen heen!--Kijk, dat ging waarlijk al +heel goed! De laatste slag met je pooten was zoo netjes en juist, dat +je permissie krijgt, om morgen met mij naar het moeras te vliegen. Daar +komen verscheidene deftige ooievaarsfamilies met haar kinderen bijeen; +toont hun dan, dat de mijne de flinkste zijn en dat je je fatsoenlijk +weet te gedragen; dat staat goed en geeft aanzien!» + +«Maar moeten we dan geen wraak nemen op die ondeugende jongens?» +vroegen de jonge ooievaars. + +«Laat ze maar schreeuwen, zooveel als ze willen! Jelui vliegt toch +naar de wolken op en komt in het land der piramiden, als zij kou +moeten lijden en geen groen blad, geen zoeten appel hebben!» + +«Ja, we zullen ons toch wreken!» fluisterden zij elkaar toe, en daarop +werd er weer geëxerceerd. + +Van al de jongens op straat was er geen erger op verzot, het spotlied +te zingen, dan juist diegene, die er mee begonnen was, en dat was nog +maar een heel kleine jongen; hij was zeker niet ouder dan zes jaar. De +jonge ooievaars dachten wel is waar, dat hij honderd jaren telde, +want hij was immers veel grooter dan hun moeder en hun vader, en wat +wisten zij er van, hoe oud kinderen en groote menschen konden zijn! Al +hun wraak zou op dezen jongen neerkomen: hij was het eerst begonnen, en +hij bleef maar volhouden. De jonge ooievaars waren erg nijdig op hem, +en toen zij grooter werden, konden zij hem nog minder uitstaan. Hun +moeder moest hun eindelijk beloven, dat zij gewroken zouden worden, +maar eerst op den laatsten dag van hun verblijf in dit land. + +«We moeten eerst eens zien, hoe je je bij de groote manoeuvres zult +houden! Gedraag je je slecht, zoodat de generaal je den snavel door +de borst stoot, dan hebben de jongens immers gelijk, althans in een +zeker opzicht. Laat ons nu eens zien!» + +«Ja dat zult ge!» zeiden de jongen, en nu deden zij hun uiterste +best; zij oefenden zich alle dagen en vlogen zoo netjes en zoo vlug, +dat het een lust was om te zien. + +Nu kwam de herfst. Al de ooievaars begonnen zich te verzamelen, om +naar de warme landen te trekken, terwijl wij winter hadden. Dat waren +de manoeuvres! Over bosschen en dorpen moesten ze, alleen om te zien, +of ze wel goed konden vliegen; want het was immers een verre reis, +die hun te wachten stond. De jonge ooievaars deden hun zaakjes zoo +goed, dat zij: «Uitmuntend, met kikvorsch en slangen!» kregen. Dat +was het allerbeste getuigenis, en den kikvorsch en de slangen konden +zij opeten; en dat deden ze dan ook. + +«Nu zullen we ons wreken!» zeiden zij. + +«Wel zeker!» zei de moeder der ooievaars. «Wat ik er op bedacht heb, +is het allerbeste. Ik weet waar de vijver is, waarin al de kleine +menschenkinderen liggen, totdat de ooievaar komt en ze aan de ouders +brengt. De lieve, kleine kinderen slapen en droomen zoo heerlijk, als +zij later nimmer meer doen. Alle ouders willen graag zulk een klein +kind hebben, en alle kinderen willen wel een zusje of een broertje +hebben. Nu zullen we naar den vijver toe vliegen en een daarvan voor +elk der kinderen halen, die dat leelijke lied niet gezongen en de +ooievaars niet in het ootje genomen hebben.» + +«Maar hij, die met zingen begonnen is, die ondeugende, leelijke +jongen,» schreeuwden de jonge ooievaars, «wat moeten we met hem +beginnen?» + +«Er ligt in den vijver een klein, dood kind, dat zich dood gedroomd +heeft; dat zullen we voor hem meenemen; dan zal hij schreien, omdat +wij hem een klein, dood broertje gebracht hebben; maar dien goeden +jongen,--hem ben je toch niet vergeten, hem, die zei, dat het zonde +was, ons in het ootje te nemen?--hem zullen we zoowel een broertje +als een zusje brengen. En daar de jongen Piet heet, moet jelui ook +allemaal Piet genoemd worden!» + +En het gebeurde, zooals zij zeide; en al de ooievaars werden Piet +genoemd, en zoo heeten zij nog. + + + + +ZOOALS MANLIEF DOET, IS HET ALTIJD GOED. + + +Ik zal u eens een sprookje vertellen, dat ik hoorde, toen ik nog +een kleine jongen was; telkens wanneer ik aan dit sprookje dacht, +kwam het mij voor, alsof het gedurig mooier werd; want het gaat met +sprookjes evenals met vele menschen,--zij worden met de jaren mooier. + +Op het land zult ge toch zeker wel eens geweest zijn, ge zult +dan ook wel eens zulk een heel oud boerenhuis met een stroodak +gezien hebben. Mos en planten groeien er van zelf op het dak; een +ooievaarsnest bevindt zich op de vorst daarvan,--de ooievaar behoort er +zoo bij. De muren van het huis zijn scheef, de ramen laag, en slechts +een enkel raam is zoo ingericht, dat het kan opengeschoven worden; +de oven springt buiten den muur uit, evenals een kleine, dikke buik; +de vlierboom hangt over de heining heen, en onder zijn takken, aan +den voet der heining, is een vijver, waarin eenige eenden zwemmen. Een +hond, die tegen elk en een ieder blaft, is er ook. + +Zulk een boerenhuis stond er buiten op het land, en in dit huis woonden +een paar oude lieden, een boer en zijn vrouw. Hoe weinig zij ook +hadden, iets was daaronder toch, dat zij hadden kunnen missen,--en +wel een paard, dat zich met het gras voedde, dat het aan den weg +vond. De oude boer reed op dit paard naar de stad, dikwijls leenden +zijn buren het ook van hem en bewezen daarvoor aan de oude lieden +menigen wederdienst. Maar het raadzaamst zou het toch wel zijn, als +zij dit paard verkochten of het tegen iets anders, dat hun meer van +nut kon zijn, verruilden. Maar wat zou dit wel zijn? + +«Dat zal jij het best weten, man!» zei zijn vrouw tegen hem. «Vandaag +is het juist jaarmarkt, rijd naar de stad, geef het paard voor geld +weg of doe er een goeden ruil voor: zooals jij doet, is het mij altijd +goed. Rijd maar naar de jaarmarkt toe!» + +Zij deed hem zijn das om, want daar had zij meer verstand van dan hij; +zij maakte deze met een dubbelen strik vast: dat stond heel goed! Zij +streek zijn hoed met haar hand op en gaf hem toen een hartelijken +zoen. Daarop reed hij weg op het paard, dat moest verkocht of in ruil +gegeven worden. Ja, de oude man heeft daar wel verstand van! + +De zon scheen warm, geen wolkje was er aan den hemel te zien. Op den +weg stoof het geducht; vele menschen, die de jaarmarkt wilden bezoeken, +reden er te paard of in een rijtuig heen, of legden den weg te voet +af. Nergens was eenige schaduw tegen de brandende stralen der zon. + +Onder anderen ging er ook iemand dien weg langs, die een koe naar de +markt dreef. De koe was zoo mooi, als een koe maar wezen kan. «Die +geeft zeker ook goed melk!» dacht de boer; «dat zou een goede ruil +zijn: de koe voor het paard!» + +«Heidaar!» riep hij den man, die met de koe liep, toe; «weet je +wat? Een paard, zou ik meenen, kost meer dan een koe; maar dat is +mij om 't even; ik kan meer dienst, van een koe hebben, als je er +lust in hebt, dan zullen wij ruilen!» + +«Zeker wil ik dat!» zei de man met de koe, en nu ruilden zij. + +Dat was alzoo afgedaan, en de boer had nu best weer kunnen terugkeeren; +want hij had nu immers afgedaan, waarom het hem te doen was; maar +daar hij zich eenmaal op de jaarmarkt gespitst had, wilde hij er ook +naar toe, alleen maar om deze eens te zien, en daarom ging hij met +zijn koe naar de stad. + +Terwijl hij de koe meevoerde, liep hij verder, en na verloop van +eenigen tijd kwam hij een man voorbij, die een schaap voor zich +uitdreef. Het was een goed, vet schaap, en het had goede wol. + +«Dat zou ik wel willen hebben,» dacht onze boer, «het zou bij ons +volop gras vinden, en gedurende den winter konden wij het bij ons in +de keuken nemen. Eigenlijk zou het verkieslijker zijn een schaap in +plaats van een koe te hebben... Willen wij ruilen?» vroeg hij. + +Daartoe was de man met het schaap terstond bereid, en de ruiling had +plaats. Onze boer ging met het schaap langs den straatweg verder. + +Al spoedig werd hij andermaal een man gewaar, die den straatweg langs +kwam en een groote gans onder den arm droeg. + +«Dat is een zwaar ding, dat je daar hebt; het heeft veeren en vet, +dat het een lust is om te zien; het zou wel aardig zijn, als dat bij +ons aan een touw bij het water liep. Dat zou net zoo iets voor mijn +vrouw zijn; daarvoor kon zij allerlei afval opzamelen. Hoe dikwijls +heeft zij niet gezegd: als wij maar eens een gans hadden! Nu kan zij +er misschien een krijgen... en komaan! zij zal er een hebben... Willen +wij ruilen? Ik geef je het schaap voor de gans en een bedankje op +den koop toe.» + +Daar had de ander niets tegen in te brengen, en zoo ruilden zij +dan. Onze boer kreeg de gans. + +Nu was hij reeds dicht bij de stad: het gedrang op den straatweg nam +gedurig toe; menschen en vee verdrongen elkaar: zij liepen op den +straatweg langs de heggen, ja, bij den slagboom kwamen zij zelfs +op het aardappelveld van een daglooner, waar zijn eenige kip aan +een touw rondliep, opdat zij niet van het gedrang zou schrikken, +afdwalen en wegloopen. De kip had korte veeren in haar staart, zij +knipte met haar eene oog en zag er zeer schrander uit. «Klok! Klok!» +zei de kip. Wat zij daarbij dacht, weet ik niet te zeggen; maar toen +onze boer haar te zien kreeg, dacht hij terstond: «Dat is de mooiste +kip, die ik ooit gezien heb, zij is zelfs mooier dan de broedhen van +dominee. Drommels! Die kip zou ik wel willen hebben! Een kip vindt +altijd wel een graantje; zij kan zich bijna geheel zelf voeden; ik +geloof, dat het een goede ruil zou zijn, als ik haar voor de gans +kon krijgen... Willen we ruilen?» vroeg hij den daglooner. + +«Ruilen?» herhaalde deze, «ja, dat zou niet kwaad zijn!» En zoo +ruilden zij. De daglooner kreeg de gans en de boer kreeg de kip. + +Zoo had hij al heel wat op de reis naar de stad afgedaan; warm was +het ook, en hij was moede. Aan een slokje en aan een ontbijt had hij +wel behoefte; al spoedig daarop bevond hij zich bij de herberg. Hij +wilde juist naar binnen gaan, toen de huisknecht er uit kwam; zij +ontmoetten elkaar op den drempel. De knecht droeg een gevulden zak. + +«Wat heb je daar in dien zak zitten?» vroeg de boer, + +«Verrotte appelen,» antwoordde de knecht, «een heelen zak vol, genoeg +voor de varkens.» + +«Dat is toch een al te groote verkwisting. Dat zou ik wel eens aan +mijn vrouw willen laten zien. Verleden jaar heeft de oude boom bij +het turfhok maar een enkelen appel opgeleverd; die werd afgeplukt en +stond op de kast, totdat hij geheel bedierf en verrotte. «Dat is toch +altijd iets,» zei mijn vrouw «Wat zou zij opkijken, als zij eens een +heelen zak vol zag! Ja, dat zou ik haar wel eens gunnen!» + +«Wat wil je voor den zak geven?» vroeg de knecht. + +«Wat ik er voor geven wil? Ik geef mijn kip daarvoor in ruil,» en hij +gaf de kip in ruil, kreeg de appelen en trad daarmee de gelagkamer +binnen. Den zak zette hij voorzichtig, tegen de kachel aan en ging +toen naar het buffet. Maar de kachel was warm, daaraan dacht hij +niet.--Er waren vele gasten aanwezig: paardenkoopers, ossendrijvers +en twee Engelschen, en die Engelschen waren zoo rijk, dat hun zakken +met goudstukken opgevuld waren en er bijna van barstten;--en wedden, +dat zij konden! Daar zult ge eens wat van hooren! + +«Ss! Ss!»--Wat was dat bij de kachel?--De appelen begonnen te braden. + +«Wat is dat toch?» + +«Ja, zie je,» zei onze boer, en nu vertelde hij de heele geschiedenis +van het paard, dat hij tegen een koe verruild had en zoo verder tot +aan de appelen. + +«Nu, dan zal je vrouw wel duchtig op je knorren, als je thuis +komt. Daar zit wat voor je op!» zeiden de Engelschen. + +«Wat? Knorren?» zei de boer. «Een zoen zal zij mij geven en zeggen: +zooals manlief doet, is het altijd goed.» + +«Willen wij eens wedden?» zeiden de Engelschen. «Om gemunt goud per +ton van een centenaar of honderd pond?» + +«Een zak is al voldoende,» antwoordde de boer. «Ik kan er slechts +mijn zak met appelen tegen zetten.» + +«Aangenomen.» En de weddingschap werd aangegaan. + +Het rijtuig van den kastelein kwam voor, de Engelschen en de boer +stapten er in; voorwaarts ging het, en al spoedig daarop hielden zij +voor het huis van den boer stil. + +«Goeden avond, vrouw!» + +«Goeden avond, man!» + +«De ruil is gedaan.» + +«Ja, jij verstaat je zaken wel!» zei de vrouw, terwijl zij hem omhelsde +en noch op den zak, noch op de vreemde gasten lette. + +«Ik heb een koe voor het paard geruild» + +«Goddank! Nu zullen we melk krijgen en boter en kaas op de tafel! Dat +was een goede ruil!» + +«Ja, maar de koe heb ik weer tegen een schaap ingeruild.» + +«Wel, dat is des te beter!» antwoordde zijn vrouw, «je denkt ook +altijd aan alles; voor een schaap hebben wij gras genoeg; schapenmelk +en schapenkaas en wollen kousen en wollen rokken! Dat geeft de koe +niet, zij verliest haar haren maar. Wat denk je ook aan alles!» + +«Maar het schaap heb ik weer tegen een gans verruild.» + +«Zullen wij dit jaar dan werkelijk eens een gebraden gans op tafel +hebben, manlief? Je denkt er altijd aan, mij een plezier te doen. Wat +is dat heerlijk! De gans kunnen we aan een touw vastzetten en haar +nog vetter laten worden, voordat wij haar braden.» + +«Maar de gans heb ik tegen een kip verruild!» zei haar man. + +«Een kip! Dat was een goede ruil!» antwoordde zijn vrouw. + +«De kip legt eieren, die broedt zij uit, dan krijgen wij kuikentjes +en later een heelen troep kippen! Kijk, daar heb ik al zoo lang +naar verlangd!» + +«Ja, maar de kip gaf ik weer voor een zak vol rotte appelen weg!» + +«Wat? Nu moet ik je eens een hartelijken zoen geven!» hernam de +vrouw. «Mijn lieve, beste man! Ik zal je eens wat vertellen. Zie je, +toen je van morgen pas weg waart, dacht ik er over na, hoe ik tegen, +van avond eens wat lekkers voor je klaar zou maken. Toen dacht ik +aan spekpannekoeken met appelen. De eieren had ik al, het spek ook, +maar de appelen ontbraken mij nog. Zoo ging ik dan naar meesters vrouw +toe; zij heeft appelen, dat weet ik; maar meesters vrouw is gierig, +al weet zij zich ook nog zoo mooi voor te doen. Ik verzocht haar, mij +wat appelen te leenen. «Leenen?» gaf zij ten antwoord. «Geen enkele +appel groeit er in onzen tuin, niet eens een rotte; zoo een kan ik +je niet eens leenen, beste vrouw!» Maar nu kan _ik haar_ wel tien, +ja een heelen zak vol leenen. Dat doet mij plezier, dat is om mij +dood te lachen!»--En daarbij zoende zij hem, dat het klapte. + +«Dat bevalt mij!» riepen de Engelschen als uit éen mond. «Altijd +minder en toch altijd vroolijk. Dat is het geld wel waard!» + +En nu betaalden zij een centenaar gouden munten aan den boer, die +niet beknord, maar gezoend werd. + +Ja, dat vindt altijd zijn loon, als de vrouw het inziet en het ook +altijd zegt, dat de man het het beste weet en dat al wat hij doet, +goed is. + +Zie, dat is mijn geschiedenis. Ik heb haar reeds als kind gehoord, +en nu hebt gij haar ook gehoord en weet het nu: «Zooals manlief doet, +is het altijd goed!» + + + + +DE GROOTE KLAAS EN DE KLEINE KLAAS. + + +In zeker dorp woonden twee menschen, die beiden denzelfden naam +hadden. Beiden heetten Klaas, maar de een bezat vier paarden +en de ander maar een enkel paard. Om ze nu van elkaar te kunnen +onderscheiden, noemde men hem, die vier paarden had, den grooten Klaas, +en hem die maar één paard had, den kleinen Klaas. Nu willen we eens +hooren, hoe het met beiden ging; want het is een ware geschiedenis. + +De heele week door moest de kleine Klaas voor den grooten Klaas ploegen +en hem zijn eenig paard leenen; dan hielp de groote Klaas hem weer +met al zijn vier, doch slechts eenmaal in de week, en dat was des +Zondags. Jongens! wat klapte de kleine Klaas dan met zijn zweep boven +al de vijf paarden; zij waren immers op dien eenen dag zoo goed als +de zijne. De zon scheen heerlijk, en al de klokken in den kerktoren +luidden; de menschen hadden hun beste kleeren aangetrokken en gingen +met hun gezangboek onder den arm naar de kerk, om den dominee te hooren +preeken; zij zagen den kleinen Klaas, die met vijf paarden ploegde, +en deze was zoo in zijn schik, dat hij al door weer met zijn zweep +klapte en riep: «Voort, mijn paardjes!» + +«Zoo moet je niet spreken,» zei de groote Klaas; «het eene paard is +immers maar van jou.» + +Maar toen er weer iemand voorbijkwam, vergat de kleine Klaas, dat +hij dit niet mocht zeggen, en riep: «Voort, mijn paardjes!» + +«Hoor eens! Nu moet ik je verzoeken, het niet meer te zeggen!» zei de +groote Klaas weer, «want als je het nog eenmaal zegt, dan geef ik je +paard een slag voor den kop, dat het dood neervalt; dan is het met +hem gedaan!» + +«Ik zal het waarlijk niet meer zeggen!» hernam de kleine Klaas. Maar +toen er al spoedig daarop weer menschen voorbijkwamen en hem +toeknikten, werd hij blijde en dacht, dat het toch wel heel deftig +moest staan, dat hij zoo vijf paarden had, om zijn land te beploegen; +nu klapte hij andermaal met zijn zweep en zei: «Voort, mijn paardjes» + +«Ik zal je dat wel afleeren!» zei de groote Klaas en nam een knuppel +en sloeg het eenige paard van den kleinen Klaas daarmee zoo duchtig +voor den kop, dat het omviel en terstond dood was. + +«Ach, nu heb ik geen paard meer!» zei de kleine Klaas en begon te +weenen. Daarop stroopte hij het paard de huid af en liet deze goed in +den wind drogen, stopte haar toen in een zak, dien hij op den schouder +nam, en begaf zich naar de stad om zijn paardenhuid te verkoopen. + +Hij had een verren tocht af te leggen, hij moest een groot, donker +bosch door, en nu werd het een verschrikkelijk slecht weer; hij raakte +heelemaal verdwaald, en voordat hij weer op den rechten weg kwam, +was het avond en te ver om de stad nog te bereiken of voor den nacht +naar huis terug te keeren. + +Vlak aan den weg stond een groote boerenplaats; de buitenluiken voor de +ramen waren gesloten; maar het licht kon daaroverheen toch naar buiten +schijnen. «Daar zal men mij wel willen vergunnen, den nacht door te +brengen,» dacht de kleine Klaas en ging er naar toe, om aan te kloppen. + +De boerin deed de deur open; maar toen zij hoorde, wat hij wilde, zeide +zij, dat hij maar zijns weegs moest gaan; haar man was niet thuis, +en zij wilde aan iemand, die haar wildvreemd was, geen onderkomen +verschaffen. + +«Nu, dan moet ik maar buiten blijven liggen,» zei de kleine Klaas, +en de boerin deed hem de deur voor den neus dicht. + +Dicht daarbij stond een groote hooiberg, en tusschen deze en het huis +een kleine schuur, die met een plat stroodak bedekt was. + +«Daar boven kan ik wel liggen!» dacht de kleine Klaas, toen hij het +dak zag. «Dat is immers een heerlijk bed. De ooievaar zal wel niet +naar beneden vliegen en mij in mijn beenen bijten!» Want op het dak +stond een levende ooievaar, die daar zijn nest had. + +Nu klom de kleine Klaas boven op de schuur, waar hij zich neerlegde en +zich al heen en weer wentelde, om toch recht gemakkelijk te liggen. De +houten luiken voor de ramen waren niet heelemaal tot boven aan toe, +en zoo kon hij juist in de kamer zien. + +Daar stond een groote tafel gedekt, met wijn en gebraden vleesch en +een heerlijken visch er op; de boerin en de koster zaten aan tafel, +maar niemand anders; zij schonk hem in, en hij stak zijn vork in de +visch, want dit was zijn lievelingskost. + +«Kon ik daar ook maar wat van krijgen!» dacht de kleine Klaas en +strekte zijn hoofd naar het raam uit. Och! welk een heerlijken koek +zag hij op tafel staan! Stellig was het daar feest! + +Nu hoorde hij iemand op den straatweg aankomen en naar het huis toe +rijden; dat was de man der boerin, die naar huis terugkeerde. + +Die man was goed genoeg; maar hij had de verwonderlijke eigenschap, +dat hij geen koster kon uitstaan; als hij een koster in het oog +kreeg, dan werd hij razend. Dat was ook de reden, waarom de koster +naar zijn vrouw toe gegaan was, om haar een bezoek te brengen, daar +hij wist, dat haar man niet thuis was; en de goede vrouw zette hem +daarom het heerlijkste eten voor, dat zij maar had. Toen zij den man +echter hoorden aankomen, verschrikten zij, en de vrouw verzocht den +koster, in een groote leege kist te kruipen. Dat deed hij; want hij +wist immers, dat de arme man het niet kon verdragen, een koster te +zien. De vrouw verborg in aller ijl het heerlijke eten en den wijn +in haar oven; want als haar man dit te zien gekregen had, dan zou +hij zeker gevraagd hebben, wat dit moest beteekenen. + +«Och, och!» zei de kleine Klaas boven op zijn schuur, toen hij het +eten zag verdwijnen. + +«Is er iemand daarboven?» vroeg de boer en keek naar den kleinen +Klaas op. «Waarom lig je daar? Ga liever met mij mee in huis!» + +Nu vertelde de kleine Klaas, hoe hij verdwaald geraakt was, en vroeg, +of hij hier gedurende den nacht mocht blijven. + +«Wel zeker!» zei de boer, «maar wij moeten eerst wat te eten hebben.» + +De vrouw ontving beiden zeer vriendelijk, dekte de tafel en zette +hun een grooten schotel met gort voor. De boer had honger en at met +den meesten smaak; maar de kleine Klaas kon zich niet weerhouden, +aan het heerlijke gebraden vleesch, den visch en den koek te denken, +die, zooals hij wist, in den oven stonden. + +Onder de tafel, aan zijn voeten, had hij den zak met de paardehuid er +in neergelegd; want wij weten immers, dat hij zich ter wille daarvan +op weg begeven had, om deze in de stad te verkoopen. De gort wilde +hem maar niet smaken, en daarom trapte hij op zijn zak, en de droge +huid in den zak maakte nu een knarsend geluid. + +«Stil!» zei de kleine Klaas tegen zijn zak, maar te gelijker tijd +trapte hij er weer op, en nu knarste het er nog luider dan te voren in. + +«Wat heb je toch in je zak zitten?» vroeg de boer nu. + +«O, dat is een toovenaar!» zei de kleine Klaas. «Hij zegt, dat wij +geen gort behoeven te eten; want dat hij den heelen oven vol gebraden +vleesch, visch en koek getooverd heeft.» + +«Wat weerga!» zei de boer en deed nu den oven dadelijk open, waarin +hij al de heerlijke, lekkere spijzen zag staan, die zijn vrouw daarin +weggestopt had, maar die, zooals hij nu geloofde, de toovenaar in den +zak voor hen getooverd had. De vrouw dorst niets zeggen, maar zette de +spijzen terstond op de tafel neer, en zoo aten beiden van den visch, +van het gebraden vleesch en van den koek. Nu trapte de kleine Klaas +weer op zijn zak, zoodat de huid knarste. + +«Wat zegt hij nu weer?» vroeg de boer. + +«Hij zegt,» antwoordde de kleine Klaas, «dat hij ook drie flesschen +wijn voor ons getooverd heeft, en dat zij daar in den hoek bij den +oven staan!» Nu moest de vrouw den wijn, dien zij verborgen had, +voor den dag krijgen, en de boer dronk en werd zeer vroolijk! Zulk +een toovenaar, als de kleine Klaas in den zak had, zou hij wel graag +gehad hebben. + +«Kan hij den duivel ook te voorschijn brengen?» vroeg de boer. «Ik +zou hem wel eens willen zien!» + +«Ja,» zei de kleine Klaas, mijn toovenaar kan alles, wat ik +verlang. Niet waar?» vroeg hij en trapte op den zak, zoodat hij +knarste. «Hoor je wel? Hij zegt ja. Maar de duivel ziet er heel +leelijk uit; je zult hem zeker liever niet willen zien!» + +«O, ik ben volstrekt niet bang. Hoe zou hij er wel uitzien?» + +«Hij zal zich precies als een koster voordoen.» + +«Foei!» zei de boer, «dat is leelijk! Je moet weten, dat ik het niet +kan uitstaan, een koster te zien. Maar dat doet er niet toe; ik weet +immers, dat het de duivel is; dus zal ik er mij wel in schikken! Nu +heb ik moed! Maar hij mag niet te dicht bij mij komen.» + +«Nu, ik zal het aan mijn toovenaar vragen,» zei de kleine Klaas, +trapte op den zak en hield er zijn oor aan. + +«Wat zegt hij?» + +«Hij zegt, dat je de kist maar moet opendoen, die daar in den hoek +staat; dan zal je den duivel zien, zooals hij daarin op zijn hurken +zit; maar je moet het deksel vasthouden, want anders mocht hij eens +ontsnappen.» + +«Wil je mij helpen om het vast te houden?» vroeg de boer en ging naar +de kist toe, waarin zijn vrouw den werkelijken koster verborgen had, +die daarin zat en zich doodelijk ongerust maakte. + +De boer deed het deksel eventjes open en keek in de kist. + +«Foei!» schreeuwde hij en deinsde terug. «Ja, nu heb ik hem gezien: +hij zag er precies uit als onze koster. Dat was verschrikkelijk!» + +Daarop moest er gedronken worden, en zoo dronken zij dan tot laat in +den nacht. + +«Dien toovenaar moet je mij verkoopen,» zei de boer. «Vraag daarvoor +al wat je maar wilt. Ja, ik geef je er op staanden voet een schepel +vol geld voor!» + +«Neen, dat kan ik niet,» zei de kleine Klaas. «Bedenk toch, hoeveel +nut ik van dezen toovenaar kan hebben.» + +«Och, ik zou hem toch graag willen hebben,» vervolgde de boer en ging +voort met smeeken. + +«Welnu,» zei de kleine Klaas eindelijk, «daar je zoo goed geweest +bent, mij van nacht een onderkomen te verschaffen, zal ik het maar +doen. Je kunt den toovenaar voor een schepel vol geld krijgen.» + +«Dat zul je hebben,» zei de boer. «Doch die kist daar moet je maar +meenemen: ik wil haar geen uur langer in huis houden; men kan het +nooit weten: misschien zit hij er nog wel in.» + +De kleine Klaas gaf den boer zijn zak met de paardehuid er in en kreeg +daarvoor een schepel vol geld. De boer gaf hem zelfs nog een kar, +om het geld en de kist daarop mee te nemen. + +«Vaarwel!» zei de kleine Klaas en reed met zijn geld en de groote kist, +waarin de koster nog zat, weg. + +Aan den anderen kant van het bosch was een breede, diepe rivier; +het water stroomde daarin met zooveel snelheid, dat men tenauwernood +tegen den stroom in kon zwemmen; men had er een groote, nieuwe brug +overheen gelegd; de kleine Klaas bleef op het midden daarvan staan +en zei overluid, opdat de koster het zou kunnen hooren: + +«Wat moet ik nu met die lompe kist beginnen? Zij is zoo zwaar, alsof er +steenen in zaten! Ik word er maar moe van, haar verder voort te rijden; +ik zal haar in de rivier werpen; drijft zij naar mijn huis toe, dan +is het goed, en doet zij dit niet, dan komt het er ook niet op aan.» + +Nu pakte hij de kist met zijn eene hand beet en tilde haar een weinig +op, alsof hij haar in het water wilde gooien. + +«Och, doe dat niet!» riep de koster uit de kist. «Laat mij er eerst +uit.» + +«Hu!» zei de kleine Klaas en hield zich, alsof hij bang was. «Hij +zit er nog in! Dan moet ik hem gezwind in de rivier werpen, om hem +te verdrinken.» + +«O neen, neen!» riep de koster. «Ik zal je een geheel schepel vol +geld geven, als je er mij uitlaat.» + +«Zoo, dat is wat anders!» zei de kleine Klaas en deed de kist open. De +koster kroop er gauw uit, stiet de leege kist in het water en ging +naar zijn huis, waar de kleine Klaas een schepel vol geld kreeg. Hij +had er al een van den boer gekregen, en zoo had hij dan nu zijn heele +kar vol geld. + +«Nu, het paard heb ik goed betaald gekregen!» zei hij bij zich zelf, +toen hij te huis in zijn kamer al het geld op een hoop uitschudde. «Dat +zal den grooten Klaas ergeren, als hij verneemt, hoe rijk ik door +mijn ééne paard geworden ben; maar ik wil het hem toch niet met ronde +woorden zeggen!» + +Nu zond hij een jongen naar den grooten Klaas toe, om van hem een +schepelmaat te leenen. + +«Wat zou hij daarmee toch willen doen?» dacht de groote Klaas en +smeerde teer op den bodem daarvan, opdat er van hetgeen er in gemeten +werd, iets aan zou blijven hangen. En dat gebeurde ook; want toen +hij de schepelmaat terugkreeg, hingen er drie nieuwe zilverstukken aan. + +«Wat is dat?» zei de groote Klaas en liep dadelijk naar den kleinen +Klaas toe. «Waar heb je al dat geld toch vandaan gekregen?» + +«O, dat is voor mijn paardenhuid; die heb ik gisteravond verkocht.» + +«Dat is waarlijk goed betaald!» zei de groote Klaas, liep gezwind naar +huis, nam een bijl, gaf aan al zijn vier paarden een slag voor den kop, +stroopte hun de huid af en reed met deze huiden naar de stad toe. + +«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij door de straten. + +Alle schoenmakers en leerlooiers kwamen aanloopen en vroegen, wat +hij er voor moest hebben. + +«Een schepel vol geld voor elke huid,» zei de groote Klaas. + +«Ben je niet wijs?» riepen allen uit. «Denk je, dat we het geld zoo +maar bij schepels hebben?» + +«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij weer, en aan al +degenen, die hem vroegen, wat de huiden moesten kosten, gaf hij ten +antwoord: «Een schepel vol geld!» + +«Hij wil ons beetnemen!» zeiden allen; daarop namen de schoenmakers +hun spanriemen en de leerlooiers hun schootsvellen, en gaven den +grooten Klaas daarmee een duchtig pak slaag. + +«Huiden, huiden!» voegden zij hem op een spottenden toon toe; «ja, wij +zullen je huid looien, zoodat het bloed er bij neerloopt. De stad uit +met hem!» riepen zij, en de groote Klaas moest zich zoo hard wegmaken, +als hij maar kon; want zulk een pak slaag had hij nog nooit van zijn +leven gehad. + +«Nu!» zeide hij, toen hij thuis kwam, «dat zal ik den kleinen Klaas +betaald zetten! Ik zal hem daarvoor doodslaan.» + +In het huis van den kleinen Klaas was zijn grootmoeder gestorven. Zij +was wel is waar heel lastig en slecht voor hem geweest; maar hij was +toch diep bedroefd en nam de doode vrouw op en legde haar in zijn warme +bed, om te zien of zij niet tot het leven zou terugkeeren. Daar moest +zij den heelen nacht liggen; hij zelf zou in den hoek gaan zitten en +op een stoel slapen; dat had hij wel meer gedaan. + +Toen hij daar nu in den nacht zat, ging de deur open, en nu trad de +groote Klaas met zijn bijl binnen. Hij wist wel, waar het ledekant +van den kleinen Klaas stond, ging daar regelrecht naar toe en sloeg +diens grootmoeder voor het hoofd, daar hij dacht, dat het de kleine +Klaas was. + +«Ziezoo!» zeide hij. «Nu zal je mij niet meer beethebben!» Daarop +keerde hij naar zijn huis terug. + +«Dat is toch een slechte kerel!» dacht de kleine Klaas. «Hij wilde +mij doodslaan. Het was maar gelukkig, dat grootmoeder al dood was; +anders zou hij haar van het leven beroofd hebben!» + +Nu trok hij zijn grootmoeder haar Zondagsche kleeren aan, leende +van zijn buurman een paard, spande dit voor den wagen en zette zijn +grootmoeder op de achterste bank, zoodat zij er niet kon uitvallen, +als hij reed; en zoo reden zij weg en gingen het bosch door. Toen +nu de zon opging, kwamen zij aan een groote herberg; daar hield de +kleine Klaas stil en ging er in, om wat te gebruiken. + +De waard had zeer veel geld; hij was een heel goedhartig man, maar +erg oploopend. + +«Goeden morgen!» zei hij tegen den kleinen Klaas. «Je bent er van +morgen al vroeg op uitgegaan!» + +«Ja,» zei de kleine Klaas; «ik moet met mijn grootmoeder naar de stad +toe; zij zit op den wagen, en ik kan haar niet in huis brengen. Wil +je haar niet een glas wijn geven? Maar je moet heel luid spreken, +want zij kan niet goed hooren!» + +«Ja, dat zal ik doen!» zei de waard en schonk een groot glas wijn in, +waarmee hij naar de doode grootmoeder toe ging, die rechtop in den +wagen gezet was. + +«Hier is een glas wijn van uw kleinzoon!» zei de waard. Maar de doode +vrouw sprak geen enkel woord en bleef roerloos zitten. + +«Hoor je mij niet?» riep de waard nu zoo hard als hij maar kon; +«hier is een glas wijn van uw kleinzoon!» + +Nog eenmaal riep hij hetzelfde, en toen nog eenmaal; maar daar +zij zich volstrekt niet verroerde, werd hij boos en wierp haar het +glas in het gezicht, zoodat de wijn haar over den neus liep en zij +achterover in den wagen viel; want zij was maar los overeind gezet +en niet vastgebonden. + +«Wat heb je daar gedaan?» riep de kleine Klaas, snelde de deur uit +en pakte den waard bij den kraag beet. «Je hebt mijn grootmoeder +gedood! Kijk maar eens! Er zit een groot gat in haar voorhoofd!» + +«O, dat is ongelukkig!» riep de waard en sloeg zich met de handen +voor het hoofd. «Dat komt alles van mijn opvliegendheid! Beste kleine +Klaas! ik zal je een schepel vol geld geven en je grootmoeder laten +begraven, alsof het mijn eigen was; maar zwijg er dan ook over, +want anders wordt mij het hoofd afgeslagen, en dat zou ik niet heel +plezierig vinden!» + +Zoo kreeg de kleine Klaas een schepel vol geld, en de waard begroef +de grootmoeder, alsof het zijn eigen geweest was. + +Toen nu de kleine Klaas weer met het vele geld thuis kwam, zond hij +zijn jongen dadelijk naar den grooten Klaas toe, om hem te verzoeken, +hem een schepelmaat te leenen. + +«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik hem niet doodgeslagen? Dat +moet ik toch zelf eens gaan zien!» En zoo ging hij zelf met de +schepelmaat naar den kleinen Klaas. + +«Waar heb je toch al dat geld vandaan gekregen?» vroeg hij en zette +groote oogen op, toen hij alles zag, wat er nog bijgekomen was. + +«Je hebt mijn grootmoeder doodgeslagen, maar mij niet!» zei de +kleine Klaas; «die heb ik nu verkocht en er een schepel vol geld +voor gekregen.» + +«Dat is waarlijk goed betaald,» zei de groote Klaas en snelde naar +huis toe, nam een bijl en sloeg zijn grootmoeder dadelijk dood, zette +haar op zijn wagen, reed haar naar de stad, waar de apotheker woonde, +en vroeg hem, of hij ook een lijk wilde koopen. + +«Wie is het, en hoe kom je er aan?» vroeg de apotheker. + +«Het is mijn grootmoeder!» zei de groote Klaas. «Ik heb haar +doodgeslagen, om er een schepel vol geld voor te krijgen!» + +«God beware ons!» riep de apotheker uit. «Je spreekt wartaal. Zeg zulke +dingen toch niet, anders kon het je je hoofd wel eens kosten!»--En nu +vertelde hij hem omstandig, wat voor een goddelooze daad hij begaan +had, en wat voor een slecht mensch hij was, en dat hij er voor gestraft +moest worden; toen verschrikte de groote Klaas zoozeer, dat hij uit +de apotheek op den wagen sprong, duchtig op de paarden lossloeg en +naar huis reed. Maar de apotheker en al de menschen dachten, dat hij +krankzinnig was, en daarom lieten zij hem rijden, waarheen hij wilde. + +«Daar zul je voor boeten!» zei de groote Klaas, toen hij buiten op +den straatweg was. «Ja, dat zal ik je betaald zetten, kleine Klaas!» +Toen nam hij, zoodra hij thuis kwam, den grootsten zak, dien hij maar +vinden kon, ging naar den kleinen Klaas toe en zei: «Nu heb je mij al +weer beetgehad! Eerst heb ik mijn paarden doodgeslagen en toen mijn +grootmoeder! Dat is allemaal jouw schuld, maar je zult mij niet meer +beethebben!» Dit zeggende, pakte hij den kleinen Klaas om zijn lijf +beet en stak hem in zijn zak, nam dezen op zijn rug en riep hem toe: +«Nu ga ik met je weg en verdrink je!» + +Het was een verre weg, dien hij af te leggen had, voordat hij bij de +rivier kwam, en de kleine Klaas was niet zoo gemakkelijk te dragen. De +weg liep vlak voorbij de kerk, het orgel speelde en de menschen zongen +zoo mooi! Nu zette de groote Klaas zijn zak met den kleinen Klaas er +in dicht bij de kerkdeur neer en dacht, dat het niet kwaad zou zijn, +de kerk in te gaan en een psalm aan te hooren, voordat hij verder +ging. De kleine Klaas kon er immers niet uit komen, en al de menschen +waren in de kerk: zoo ging hij er dan in. + +«Och hemel, och hemel!» zuchtte de kleine Klaas in den zak en draaide +en keerde zich al; maar het was hem niet mogelijk, het touw los te +krijgen. Nu kwam er een stokoude veehoeder aan met sneeuwwit haar +en een grooten stok in de hand; hij dreef een groote kudde koeien +en stieren voor zich uit; deze liepen tegen den zak aan, waarin de +kleine Klaas zat, zoodat hij omver viel. + +«Och, och!» zuchtte de kleine Klaas. «Ik ben nog zoo jong en moet nu +al naar den hemel toe!» + +«En ik, ongelukkige!» zei de veehoeder, «ik ben al zoo oud en kan er +nog maar niet in komen.» + +«Doe den zak open!» riep de kleine Klaas, «kruip er in mijn plaats in, +dan kom je oogenblikkelijk in den hemel!» + +«O, dat wil ik met alle plezier doen,» zei de veehoeder en maakte +den zak open, waar de kleine Klaas nu dadelijk uitkroop. + +«Wil je nu ook op het vee passen?» vroeg de grijsaard en kroop in +plaats van den kleinen Klaas in den zak, waarna deze hem dichtbond +en met al de koeien en stieren zijns weegs ging. + +Al spoedig daarop kwam de groote Klaas uit de kerk en nam zijn zak weer +op den rug, ofschoon het hem toescheen, alsof deze lichter geworden +was; want de oude veehoeder was maar half zoo zwaar als de kleine +Klaas. «Wat is hij nu toch gemakkelijk te dragen! Dat komt zeker, +omdat ik een psalm gehoord heb.» Zoo ging hij dan naar de rivier toe, +die diep en breed was, wierp er den zak met den ouden veehoeder in en +riep hem achterna, want hij dacht immers, dat de kleine Klaas er in +zat: «Blijf daar nu maar liggen! Nu zul je mij niet meer beet hebben!» + +Daarop ging hij naar huis; maar toen hij bij den kruisweg kwam, +ontmoette hij den kleinen Klaas, die zijn vee voortdreef. + +«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik je niet verdronken?» + +«Ja,» zei de kleine Klaas. «Je hebt mij immers een klein half uurtje +geleden in de rivier geworpen.» + +«Maar hoe ben je aan dat prachtige vee gekomen?» vroeg de groote Klaas. + +«Dat is watervee!» zei de kleine Klaas. «Ik zal je de heele +geschiedenis vertellen; maar eerst moet ik je er wel voor bedanken, dat +je mij verdronken hebt, want nu ben ik er boven op, nu ben ik waarlijk +rijk!--Wat was het mij bang te moede, toen ik in den zak zat! De wind +floot mij om de ooren, toen je mij van de brug naar beneden in het +koude water gooide. Ik zonk dadelijk naar den grond, maar ik stiet mij +niet, want daar beneden groeit het mooiste, zachtste gras. Daar kwam +ik op terecht, en terstond ging de zak open; het bekoorlijkste meisje +in sneeuwwitte kleederen en met een groenen krans om het natte haar +nam mij bij de hand en zei: «Ben je daar, kleine Klaas? Daar heb je +vooreerst eenig vee! Een mijl verder op den weg staat nog een heele +kudde, die ik je wil geven!»--Nu zag ik, dat de rivier een grooten +straatweg voor de bewoners van het water vormde. Onder op den grond +liepen en reden zij juist van de zee af en het land in tot daar, +waar de rivier eindigde. Daar was het vol bloemen en frisch gras; +de visschen, die in het water zwommen, schoten mij voorbij de ooren, +evenals hier de vogels in de lucht. Wat waren er daar mooie menschen, +en wat was daar voor vee, dat in grachten en in slooten graasde!» + +«Maar waarom ben je dadelijk weer naar boven gekomen?» vroeg de +groote Klaas. «Dat zou ik niet gedaan hebben, als het daar beneden +zoo mooi is!» + +«Ja,» zei de kleine Klaas, «dat is juist slim van mij gehandeld. Je +hebt immers wel gehoord, dat ik je verteld heb, dat de zeemeermin +tegen mij zei, dat er een mijl verder op den weg,--en met dien weg +bedoelde zij natuurlijk de rivier, want zij kan nergens anders naar +toe komen,--nog een heele kudde vee voor mij stond. Maar ik weet, +wat voor krommingen de rivier maakt, nu eens hier, dan weer daar, +dat is immers een verre omweg; neen, dan kan men het korter afdoen, +als men hier aan land stapt en dwars over het veld weer naar de rivier +toe loopt; daarbij haal ik immers bijna een halve mijl uit en kom +spoediger bij mijn watervee!» + +«O, je bent toch een gelukkig man!» zei de groote Klaas. «Zou je +denken, dat ik ook watervee kreeg, als ik op den bodem der rivier +kwam?» + +«Ja, dat denk ik wel,» zei de kleine Klaas. «Maar ik kan je niet in +den zak naar de rivier dragen; je bent mij te zwaar! Wil je er zelf +naar toe loopen en in den zak kruipen, dan wil ik je er met alle +plezier ingooien.» + +«Heel graag!» zei de groote Klaas. «Maar wanneer ik geen watervee +krijg, als ik beneden kom, geloof mij, dan zal ik je een duchtig pak +slaag geven!» + +«Och, maak het zoo erg niet!» + +Nu begaven zij zich naar de rivier. Toen het vee, dat dorstig was, het +water zag, liep het zoo hard als het kon naar het water om te drinken. + +«Kijk maar eens, hoe het zich voortspoedt!» zei de kleine Klaas» +«Het verlangt er al naar, om weer op den bodem der rivier te komen.» + +«Komaan, help mij dan maar gauw!» zei de groote Klaas, «anders krijg +je een pak slaag!» En zoo kroop hij in den grooten zak, die dwars +over den rug van een stier gelegen had. «Doe er een steen in, anders +vrees ik, dat ik niet naar beneden zal zinken,» zei de groote Klaas. + +«Dat wil ik wel!» zei de kleine Klaas, en hij deed nog een grooten +steen in den zak, bond er het touw stevig om heen en gaf er toen een +duw aan. Plof! daar viel de groote Klaas in de rivier en zonk dadelijk +naar den grond. + +«Ik geloof, dat hij er het vee wel niet zal vinden!» zei de kleine +Klaas en keerde toen naar huis terug met alles, wat hij had. + + + + +DE VLIEGENDE KOFFER. + + +Er was eens een koopman, die zoo rijk was, dat hij de heele straat en +bijna nog een klein straatje bovendien met zilvergeld kon plaveien; +maar dat deed hij niet; want hij wist zijn geld wel anders te +besteden. Als hij een dubbeltje uitgaf, dan kreeg hij een gulden terug; +zulk een goed koopman was hij,--totdat hij stierf. + +Zijn zoon kreeg nu al dit geld. Hij leefde er vroolijk van, hij +ging alle avonden naar een gemaskerd bal, hij maakte vliegers van +bankbiljetten en keilde over het meer met goudstukken in plaats +van met steentjes. Op die wijze moest het geld wel gauw opraken, +en dat gebeurde dan ook. Eindelijk bezat hij niet meer dan vier +dubbeltjes en had geen andere kleeren dan een paar pantoffels en een +oude kamerjapon. Nu bekommerden zijn vrienden zich niet meer om hem, +daar zij toch niet samen op straat konden loopen; maar een hunner, die +goedhartig van aard was, zond hem een ouden koffer met de opmerking: +«Pak in!» Ja, dat was nu goed en wel, maar hij had niets om in te +pakken; daarom ging hij zelf in den koffer zitten. + +Dat was een zonderlinge koffer. Zoodra men op het slot drukte, kon +de koffer vliegen. Hij drukte er op en, flap, daar vloog hij er mee +door den schoorsteen heen, hoog boven de wolken, al verder en verder +weg. Maar zoo dikwijls de bodem van den koffer een weinig kraakte, +verkeerde hij in doodsangst, dat de koffer stuk zou gaan; want dan +zou hij een duchtige buiteling gemaakt hebben. + +Op deze wijze kwam hij in het land der Turken. Hij verborg den koffer +in het bosch onder de dorre bladeren en ging toen de stad in. Dat kon +hij heel goed doen; want bij de Turken liepen immers allen zooals hij: +in een kamerjapon en met pantoffels aan. Daar ontmoette hij een min +met een klein kind op den arm. «Hoor eens, Turksche min!» zei hij, +«wat is dat voor een groot kasteel hier dicht bij de stad, waar de +ramen zoo hoog boven den grond zijn?» + +«Daar woont de dochter van den Sultan!» antwoordde zij. «Er is +voorspeld, dat zij over een minnaar diep ongelukkig zou worden, en +daarom mag niemand bij haar komen, als de Sultan en de Sultane er +niet bij zijn.» + +«Ik dank u wel!» zei de,zoon van den koopman en ging naar het bosch, +zette zich in zijn koffer neer, vloog op het dak en kroop door het +raam bij de prinses binnen. + +Zij lag op de sofa en sliep; zij was zoo schoon, dat de zoon van den +koopman zich niet kon weerhouden, haar een kus te geven. + +Nu werd zij wakker en ontstelde hevig; maar hij zeide, dat hij de +god der Turken was, die door de lucht tot haar neergedaald was, +en dat beviel haar. + +Zij gingen zich naast elkander zitten, en hij vertelde haar +geschiedenisjes van haar oogen: dat waren de heerlijkste, donkere +meren, daar zwommen de gedachten als meerminnen in. En hij vertelde +haar van haar voorhoofd: dat was een sneeuwberg met de prachtigste +zalen en schilderijen. + +Ja, dat waren mooie praatjes! Daarop vroeg hij om de hand der prinses, +en zij zei dadelijk ja! + +«Maar ge moet aanstaanden Zaterdag hier komen!» zeide zij. «Dan komen +de Sultan en de Sultane bij mij op de thee. Zij zullen er trotsch +op zijn, dat ik een god der Turken tot man krijg. Maar zorg, dat +ge een heel mooi sprookje weet te vertellen; want daar houden mijn +ouders bijzonder veel van. Mijn moeder wil het zedelijk en ernstig, +en mijn vader grappig hebben, zoodat men er om kan lachen!» + +«Ja, ik breng geen ander morgengeschenk dan een sprookje!» zeide hij, +en zoo namen zij afscheid van elkaar. Maar de prinses gaf hem een +sabel, die met goudstukken bezet was; deze kon hij gebruiken. + +Nu vloog hij weg, kocht een nieuwe kamerjapon, ging toen in het bosch +zitten en vervaardigde er een sprookje; dit moest tegen den Zaterdag +klaar zijn, en dat is toch zulk een gemakkelijk werk niet. + +Toen hij er mee klaar was, was het Zaterdag. + +De Sultan, de Sultane en het geheele hof waren bij de prinses op de +thee. Hij werd zeer goed ontvangen. + +«Wilt ge ons niet eens een sprookje vertellen,» zei de Sultane, «een, +dat diepzinnig en leerrijk is?» + +«En waarover men toch ook eens kan lachen,» voegde de Sultan er bij. + +«Jawel,» antwoordde hij en vertelde. En nu goed toegeluisterd! + +Er was eens een doosje lucifers: deze waren zeer trotsch op hun +aanzienlijke afkomst! Hun stamboom, namelijk de groote pijnboom, +waarvan elk hunner een klein houtje was, had als een groote, +oude boom in het bosch gestaan. De lucifers lagen nu in het midden +tusschen een tondeldoos en een ouden, ijzeren pot, en allen vertelden +van hun jeugd. «Ja, toen wij nog aan de groene takken vastzaten,» +zeiden de lucifers, «toen hadden wij een plezierig leventje! Alle +ochtenden en avonden kregen we diamanten thee, dat was de dauw, den +heelen dag hadden we zonneschijn, als de zon scheen, en de kleine +vogels moesten geschiedenisjes vertellen. Wij konden wel merken, +dat wij ook rijk waren; want de overige boomen waren slechts in den +zomer bekleed, maar onze familie had de middelen om zoowel in den +zomer als in den winter groene kleeren te dragen. Maar daar kwam de +houthakker: dat was de groote revolutie, en nu werd onze familie her- +en derwaarts verspreid. De stamhouder kreeg een plaats als groote mast +op een prachtig schip, dat de aarde kon omzeilen, als het wilde; de +andere takken gingen naar andere plaatsen, en wij hebben nu de taak, +voor de menschen licht te ontsteken. Daarom zijn wij, deftige lieden, +hier in de keuken gekomen.» + +«Mijn levensloop heeft zich op een andere wijze toegedragen!» zei +de ijzeren pot, waarnaast de lucifers lagen. «Van den beginne af, +sedert ik ter wereld kwam, is er in mij vele malen geschuurd en vele +malen gekookt! Ik zorg voor het degelijke en ben de eerste hier in +huis. Mijn eenige vreugde is, na het eten heel zindelijk en netjes op +mijn plaats te staan en een verstandig gesprek met mijn kameraden te +voeren. Maar met uitzondering van den emmer, die nu en dan eens op de +stoep komt, blijven wij altijd tusschen onze vier muren. De eenige, +die ons eens wat nieuwtjes kan vertellen, is de boodschappenmand, +maar die spreekt erg oproerig over de regeering en over het volk; ja, +onlangs was er zelfs een oude pot, die van schrik daarover neerviel +en in stukken sprong. Die is liberaal, dat verzeker ik u!» + +«Nu zegt ge te veel!» viel de tondeldoos in, en het staal sloeg tegen +den vuursteen aan, zoodat de vonken in de rondte vlogen. «Willen we +eens een vroolijken avond met elkaar hebben?» + +«Ja, laat ons er eens over spreken, wie de voornaamste is!» zeiden +de lucifers. + +«Neen, ik houd er niets van, over mij zelf te spreken,» bracht de +ijzeren pot hiertegen in. «Laat ons een algemeen gesprek voeren. Ik +zal beginnen en een geschiedenis uit het dagelijksch leven vertellen, +zoo iets, wat iedereen beleefd heeft, dan kan men er zich gemakkelijk +in verplaatsen en heeft men er ook schik in. Aan de Oostzee bij de +Deensche beuken...» + +«Dat is een mooi begin,» zeiden al de borden. «Dat zal een geschiedenis +worden, die ons bevalt.» + +«Ja, daar bracht ik mijn jeugd in een stil gezin door; de meubelen +werden gewreven, de vloer geschuurd, en om de veertien dagen werden +er schoone gordijnen opgehangen!» + +«Wat kunt ge toch boeiend vertellen!» zei de stoffer. «Men kan dadelijk +wel hooren, dat iemand spreekt, die heel veel met dames in aanraking +gekomen is; er straalt zoo iets beschaafds in door.» + +«Ja, dat kan men terstond wel merken!» zei de emmer en deed van +blijdschap een kleinen sprong, zoodat hij op den vloer viel. + +En de ijzeren pot ging voort met vertellen, en het einde was even +mooi als het begin. + +Alle borden rammelden van blijdschap, en de stoffer haalde groene +peterselie uit het zandhok en bekranste daarmee den ijzeren pot, +want hij wist, dat de anderen zich daaraan zouden ergeren. «Als ik +hem vandaag bekrans,» dacht hij, «dan bekranst hij mij morgen.» + +«Nu zal ik eens dansen!» zei de tang en danste. Lieve hemel, wat kon +zij haar eene been hoog optillen! Het overtrek van den ouden stoel +daar in den hoek scheurde, toen het dit zag. «Zou ik nu ook bekranst +worden?» dacht de tang, en werkelijk gebeurde dit. + +«Dat is toch maar gepeupel!» dachten de lucifers. + +Nu moest de theeketel zingen; maar deze zei, dat hij kou gevat had; +hij kon niet zingen, als het niet in hem kookte. Doch dat was maar +een voorwendsel; hij wilde niet zingen, als hij niet binnen bij de +familie in de kamer stond. + +In het kozijn lag een oude ganzepen, waarmee de meid placht te +schrijven. Er was niets opmerkelijks aan haar, behalve dat zij wat al +te diep in den inkt gedoopt was. Maar daarop was zij trotsch. «Als +de theeketel niet wil zingen,» zeide zij, «dan moet hij het maar +laten. Daar buiten hangt een nachtegaal in zijn kooi: die kan wel +zingen. Die heeft wel is waar niets geleerd; maar dat zullen wij maar +daar laten!» + +«Ik vind het heel ongepast,» zei de waterketel,--deze was keukenzanger +en een halve broeder van den theeketel,--«dat zulk een vreemde vogel +gehoord moet worden! Is dat patriotsch? De boodschappenmand moet dit +maar beslissen!» + +«Ik erger mij maar!» zei de boodschappenmand; «ik erger mij inwendig +zoozeer, als niemand zich kan voorstellen. Is dat een geschikte +manier om den avond door te brengen? Zou het niet verstandiger zijn, +het huis in orde te brengen? Ieder moest op zijn plaats gaan, dan +zou ik het spel besturen. Dat zou wat anders worden!» + +«Ja, laat ons eens pret maken!» riepen allen. Daar ging de deur +open. De meid trad binnen, en nu stonden zij stil. Niemand gaf een +enkel kikje. Maar er was geen enkele pot, die niet zou geweten hebben, +wat hij kon doen en hoe deftig hij was. «Ja, als ik gewild had,» +dacht iedereen, «dan had het een recht vroolijke avond kunnen worden!» + +De meid nam de lucifers en maakte er het vuur mee aan. Lieve hemel, +wat spreidden zij een vonken om zich heen en wat brandden zij lustig! + +«Nu kan iedereen toch zien,» dachten zij, «dat wij de eersten +zijn! Welk een glans hebben wij! Welk een licht!» + +En dit zeggende, verbrandden zij. + +«Dat was een prachtig sprookje!» zei de Sultane. «Ik voel mij geheel +en al in de keuken bij de lucifers verplaatst. Nu zul je onze dochter +hebben!» + +«Ja,» voegde de Sultan er bij, «je zult onze dochter Maandag hebben.» +Want zij zeiden «je» tegen hem, omdat hij metterhaast tot de familie +zou behooren. + +De bruiloft werd bepaald en de geheele stad den avond te voren +geïllumineerd. Beschuit en krakelingen werden er onder het volk +uitgestrooid; de straatjongens stonden op hun teenen, riepen «Hoera!» +en floten op hun vingers. Het was buitengemeen prachtig. + +«Nu zal ik ook wel iets ten beste dienen te geven!» dacht de zoon +van den koopman. En zoo kocht hij dan vuurpijlen, zwermers en al +het vuurwerk, dat men maar kan bedenken, legde dit in zijn koffer en +vloog daarmee in de lucht. + +Jongens! wat ging dat mooi, en wat gaf dat een knal! + +Al de Turken sprongen daarbij in de hoogte, zoodat hun de pantoffels +om de ooren vlogen: zulk een luchtverschijnsel hadden zij nog nooit +gezien. Nu konden zij begrijpen, dat het de god der Turken zelf was, +dien de prinses tot vrouw zou krijgen. + +Zoodra de zoon van den koopman weer met zijn koffer beneden in het +bosch kwam, dacht hij: «Ik zal de stad toch eens ingaan, om eens te +hooren, hoe het afgeloopen is!» En het was natuurlijk, dat hij daarin +lust had. + +O, wat vertelden de menschen hem al niet! Iedereen, dien hij daarnaar +vroeg, had het op zijn wijze gezien; maar mooi hadden allen het +gevonden. + +«Ik heb den god der Turken zelf gezien,» beweerde er een. «Hij had +oogen als fonkelende sterren en een baard als golvend graan!» + +«Hij vloog in een mantel van vuur!» zei een ander. «De bekoorlijkste +engeltjes kwamen uit de plooien te voorschijn kijken!» + +Ja, dat waren heerlijke dingen, die hij hoorde, en den volgenden dag +zou hij bruiloft houden. + +Nu keerde hij naar het bosch terug, om zich in zijn koffer neer te +zetten,--maar waar was deze gebleven? De koffer was verbrand. Een +vonk van het vuurwerk was er ingevallen, deze had vlam gevat, en nu +lag de koffer in de asch. Hij kon niet meer vliegen, niet meer bij +zijn verloofde komen. + +Deze stond den geheelen dag op het platte dak en wachtte; zij wacht +waarschijnlijk nog. Maar hij trekt de wereld door en vertelt sprookjes, +maar deze zijn niet meer zoo grappig als dat, hetwelk hij van de +lucifers vertelde. + + + + +VIJF UIT ÉÉN SCHIL. + + +Er zaten vijf erwten in één schil; zij en de schil waren groen, +daarom dachten zij, dat de heele wereld groen was,--en dat was niet +meer dan natuurlijk! De schil groeide, en de erwten ook; zij maakten +het zich zoo gemakkelijk mogelijk; zij zaten op een rijtje.--De zon +scheen van buiten en koesterde de schil, de regen maakte haar helder en +doorzichtig; het was er overdag licht en 's nachts donker in, zooals +het wezen moet. De erwten werden, nu zij daar eenmaal zoo zaten, +grooter en begonnen gedurig meer na te denken; want iets moesten zij +toch doen. + +«Moeten we hier nu eeuwig blijven zitten?» vroeg er een. «Als wij +van het lange zitten maar niet stijf en stram worden! Ik zou toch +wel zeggen, dat er buiten nog iets is; ik heb daar zoo'n zeker +voorgevoel van.» + +Weken verliepen er; de erwten werden geel en de schil werd geel. + +«De heele wereld wordt geel!» zeiden zij, en daarin hadden ze gelijk. + +Eensklaps voelden zij een ruk aan de schil; deze werd afgeplukt, +raakte in menschenhanden, gleed in den zak van een buis en kwam in +gezelschap van andere gevulde schillen. «Nu zal de schil wel gauw +opengemaakt worden!» zeiden zij en wachtten daarop reeds. + +«Ik zou wel eens willen weten, wie van ons het nu wel 't verst +zal brengen,» zei de kleinste der vijf. «Ja, nu zal dit al spoedig +uitkomen.» + +«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de grootste. + +«Knap!»--daar ging de schil open, en nu rolden al de vijf er uit in den +helderen zonneschijn. Daar lagen zij nu in de hand van een kind: een +kleine jongen hield ze omklemd en zei, dat het mooie erwten voor zijn +klakkebus waren, en terstond deed hij er een in en schoot er haar uit. + +«Nu vlieg ik de wijde wereld in! Pak mij maar, als je kunt!» en met +deze woorden vloog zij weg. + +«Ik,» zei de tweede, «ik vlieg regelrecht in de zon; dat is een schil, +die juist voor mij past!» + +Weg was zij. + +«Wij zullen ons te slapen leggen, waar wij te land komen,» zeiden de +twee volgende, «maar wij zullen wel voortrollen!» Zij rolden dan ook +voort en vielen op den grond, voordat zij in de klakkebus kwamen, +maar er in kwamen zij toch. «Wij zullen het 't verst brengen!» + +«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de laatste, terwijl zij +uit de klakkebus geschoten werd; zij vloog op een oud bloemenplankje +voor het raam van een zolderkamertje in een reet, die met mos en +aarde gevuld was; het mos sloot zich om haar samen,--daar lag zij, +wel is waar gevangen, maar toch niet vergeten door den goeden God. + +«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zeide zij. + +Daar op dat kleine zolderkamertje woonde een arme vrouw, die overdag +uitging om te wasschen, schoon te maken en dergelijken arbeid te +verrichten, want zij was sterk en ook vlijtig; maar zij bleef toch +altijd arm. Te huis in het kamertje lag haar eenig dochtertje, een +meisje van acht jaar, dat zeer fijn en teer was; sedert een jaar was +zij bedlegerig, en het scheen, alsof zij niet kon leven of sterven. + +«Ze gaat naar haar zusje toe!» zei de vrouw, «Ik heb slechts twee +kinderen gehad, en het was geen lichte taak, voor beiden te zorgen; en +de goede God deelde met mij en nam het eene tot zich; maar nu zou ik +toch graag het andere, dat mij nog overgebleven is, willen behouden; +maar God wil waarschijnlijk niet, dat zij van elkaar gescheiden +blijven, en mijn zieke lieveling zal naar haar zusje daarboven gaan!» + +Maar het zieke meisje bleef, waar het was; het lag den heelen dag +geduldig en stil in haar bedje, terwijl haar moeder buitenshuis werkte +om iets te verdienen. + +Het was lente; en 's morgens in de vroegte, toen de vrouw juist naar +haar werk wilde gaan, scheen de zon liefelijk en vriendelijk door het +kleine raam en wierp haar stralen op den vloer, en het zieke meisje +vestigde haar blik op de onderste ruit. + +«Wat zou toch dat groen zijn, dat daar boven het raam komt +uitkijken?--Het beweegt zich door den wind!» + +Haar moeder ging naar het raam toe en schoof dit half open. «Wel,» +riep zij uit, «dat is waarlijk een kleine erwt, die hier ontkiemd is +en haar groene bladeren doet uitspruiten. Hoe zou zij toch wel hier +in die reet gekomen zijn? Dat is een klein tuintje, waarmee je je +vermaken kunt!» + +Het ledekantje der kleine werd dichter aan het raam geschoven, opdat +zij de ontkiemende erwt zou kunnen zien, en de moeder ging heen, +om te werken. + +«Moeder, ik geloof, dat ik weer gezond zal worden!» zei het zieke +meisje 's avonds. «De zon heeft hier vandaag zoo liefelijk warm in +mijn kamertje geschenen. De kleine erwt gedijt heerlijk, en ook ik +zal zeker gedijen en opstaan en mij in den zonneschijn koesteren.» + +«Dat geve God!» zei de moeder; maar zij geloofde niet, dat het zou +gebeuren; doch het ontkiemende groen, dat aan het kind zulke blijde +gedachten des levens ingeboezemd had, ondersteunde zij met een stokje, +opdat het niet door den wind zou geknakt worden; zij bond een eindje +touw aan de bloemenplank en aan het bovengedeelte van het raam +vast, opdat de erwtenrank iets zou hebben, waarom zij zich heen kon +slingeren, wanneer zij omhoogschoot: dat deed zij, en men kon zien, +hoe zij met elken dag groeide. + +«Waarlijk! Er komt een bloesem aan!» zei de vrouw op zekeren morgen, +en nu herleefde ook in haar de hoop, dat haar ziek dochtertje zou +herstellen; zij herinnerde zich, dat het kind in den laatsten tijd +veel levendiger gesproken had, dat zij zich sedert verscheidene dagen +'s morgens in haar bedje opgericht en daar gezeten had, en met een +oog, stralend van geluk, den kleinen erwtentuin, die uit een enkele +erwt voortgekomen was, bekeken had. Een week later bleef de zieke +voor de eerste maal een geheel uur op. Gelukkig zat zij in den warmen +zonneschijn; het raam was opgeschoven, en daarvoor stond een erwteplant +in vollen bloei. Het meisje boog zich voorover en drukte een kus op +de teere blaadjes. Deze dag was voor haar als 't ware een feestdag. + +«De goede God zelf heeft haar geplant en laten gedijen, tot hoop en +tot vreugde voor ons beiden!» zei de verheugde moeder en lachte den +bloesem toe, alsof hij een goede engel Gods was. + +Maar de andere erwten nu?--Ja, die, welke de wijde wereld ingevlogen +was en gezegd had: «Pak mij maar, als je kunt,» viel in de dakgoot +en raakte in een duivenmaag, en daar lag zij evenals Jonas in den +buik van den walvisch. De twee luiaards brachten het even ver: ook +zij werden door duiven opgegeten, en dus waren zij toch op eenigerlei +wijze nuttig; maar de vierde, die naar de zon op wilde vliegen,--die +viel in een riool en bleef daar dagen en weken lang in het morsige +water liggen, en zwol geducht op. + +«Ik word zoo mooi dik!» zei de erwt. «Ik zal nog barsten, en verder, +geloof ik, heeft geen erwt het ooit gebracht of zal het immer +brengen. Ik ben de merkwaardigste van de vijf uit de schil!» + +En het riool was het met haar eens. + +Maar het meisje stond daar voor het raam van het zolderkamertje met +stralende oogen, met den blos der gezondheid op de wangen, en vouwde +haar teere handjes boven den erwtenbloesem en dankte God daarvoor. + +«Ik,» zeide het riool echter, «ik heb mijn erwt liever!» + + + + +DE TONDELDOOS. + + +Er kwam een soldaat langs den straatweg aanmarcheeren: een, twee! een, +twee! Hij had een ransel op den rug en een sabel op zij; want hij +was in den oorlog geweest en wilde nu naar huis terug. + +Daar ontmoette hij op den straatweg een oude heks. Deze zag er +afzichtelijk uit; haar onderlip hing tot op haar borst neer. Zij zeide: +«Goeden avond, soldaat! Wat heb je daar toch een mooie sabel en een +grooten ransel! Je bent een flink soldaat! Daarom moet je zooveel +geld hebben, als je maar wilt.» + +«Ik dank je wel, oude heks!» zei de soldaat. + +«Zie je dien grooten boom daar wel?» vroeg de heks en wees naar een +boom, die dicht in hun nabijheid stond. «Hij is van binnen heelemaal +hol. Je moet op den top daarvan klimmen, dan zie je een gat, waardoor +je je kunt laten zakken en zoo onder in den boom komen. Ik zal je +een touw om het lijf binden, dan kan ik je weer naar boven trekken, +als je mij roept!» + +«Wat moet ik daar, onder in den boom doen?» vroeg de soldaat. + +«Geld halen!» antwoordde de heks. «Je moet weten, dat je, als je op +den grond onder den boom komt, in een groot voorportaal bent; daar is +het heel licht, want daar branden meer dan driehonderd lampen. Dan +zie je drie deuren; je kunt die opendoen, want de sleutel steekt er +in. Als je de eerste kamer ingaat, dan zie je midden op den vloer +een groote kist staan; daar zit een hond op; deze heeft oogen, +zoo groot als een paar theekopjes. Maar daaraan hoef je je niet te +storen! Ik geef je mijn blauw geruit voorschoot; dat kan je op den +vloer neerleggen; ga dan spoedig heen en neem den hond, zet hem op +mijn voorschoot neer, doe de kist open en neem zooveel geld, als +je maar wilt: er zit louter koper in. Wil je liever zilver hebben, +dan moet je de volgende kamer binnentreden. Maar daar zit een hond, +die oogen heeft, zoo groot als molenraderen. Laat je daardoor niet +afschrikken! Zet hem op mijn voorschoot neer en neem van het geld! Wil +je echter goud hebben, dan kun je dit ook krijgen, en wel zooveel, +als je maar dragen kunt, als je de derde kamer ingaat. Maar de hond, +die daar op de geldkist zit, heeft twee oogen, elk zoo groot als +een toren. Geloof mij, het is een kwade hond! Doch vrees daarom maar +niet! Zet hem maar op mijn voorschoot neer, dan doet hij je niets, +en neem uit de kist zooveel goud, als je maar wilt!» + +«Dat is zoo kwaad niet!» zei de soldaat. «Maar wat moet ik u geven, +oude heks? Want voor niet zult ge het toch wel niet doen?» + +«Jawel!» zei de heks. «Geen enkelen cent wil ik hebben! Alleen moet je +voor mij een oude tondeldoos meenemen, die mijn grootmoeder vergeten +heeft, toen zij de laatste maal beneden was.» + +«Welnu, bind het touw dan maar om mijn lijf vast!» zei de soldaat. + +«Hier is het,» zei de heks, «en hier is mijn blauw geruit voorschoot.» + +Daarop klauterde de soldaat tegen den boom op, liet zich in het gat +neerzakken en stond toen, zooals de heks gezegd had, beneden in het +groote voorportaal, waarin de driehonderd lampen brandden. + +Nu deed hij de eerste deur open. Foei! daar zat de hond met de oogen, +zoo groot als theekopjes, en keek hem aan. + +«Je bent een lief beest!» zei de soldaat, zette hem op het voorschoot +der heks neer en nam zooveel koperstukken, als hij maar in zijn zakken +kon bergen; deed de kist toen dicht, zette er den hond weer op neer +en ging de andere kamer in. Juist zoo; daar zat de hond met de oogen, +zoo groot als molenraderen. + +«Je moest mij liever maar niet zoo strak aankijken!» zei de +soldaat. «Want daar vermoei je je oogen maar noodeloos mee!» + +En nu zette hij den hond op het voorschoot der heks neer. Maar toen +hij al het zilvergeld in de kist zag, wierp hij al het kopergeld, dat +hij had, weg en vulde zijn zakken en zijn ransel met zilver. Daarop +ging hij in de derde kamer.--O, dat was verschrikkelijk! De hond +daarin had werkelijk twee oogen, elk zoo groot als een toren, en deze +draaiden in zijn kop als molenraderen. + +«Goeden avond!» zei de soldaat en bracht de hand aan zijn muts, +want zulk een hond had hij vroeger nooit gezien. Maar toen hij hem +wat nauwkeuriger bekeken had, dacht hij: «Nu is het genoeg!» tilde +hem op den grond en deed de kist open. Och! wat was daar een menigte +goud! Hij kon daarvoor de geheele stad en al de tinnen soldaten, +zweepen en hobbelpaarden in de heele wereld wel koopen. Ja, dat was +nu eens een heele massa goud! Nu wierp de soldaat al het zilvergeld, +waarmee hij zijn zakken en zijn ransel gevuld had, weg en nam daarvoor +goud; ja, al zijn zakken, zijn ransel, zijn muts en zijn laarzen +stopte hij daarmee vol, zoodat hij tenauwernood kon gaan. Nu had hij +geld! Den hond zette hij op de kist neer, deed de deur dicht en riep +toen door den boom naar boven; + +«Trek mij nu maar in de hoogte, oude heks!» + +«Heb je de tondeldoos meegebracht?» vroeg de heks. + +«Wel drommels!» zei de soldaat, «die heb ik heelemaal vergeten!» +En nu ging hij deze halen. De heks trok hem naar boven, en nu stond +hij weer op den straatweg met zakken, laarzen, ransel en muts vol goud. + +«Wat wilt ge met die tondeldoos doen?» vroeg de soldaat. + +«Dat gaat je niets aan!» zei de heks. «Je hebt immers geld +gekregen! Geef mij de tondeldoos maar!» + +«Hoor eens!» zei de soldaat. «Wil je mij dadelijk zeggen, wat je +daarmee wilt doen, of ik trek mijn sabel en sla je het hoofd af!» + +«Neen!» zei de heks. + +Terstond sloeg de soldaat haar het hoofd af. Daar lag zij nu! Hij +echter bond al zijn goud in haar voorschoot, nam het als een pakje +op zijn rug, stak de tondeldoos in zijn zak en begaf zich regelrecht +naar de stad. + +Dat was een prachtige stad! En in het grootste logement nam hij zijn +intrek, verlangde de allerbeste kamers en zijn lievelingsspijzen; +want nu was hij immers rijk, daar hij zoo veel geld had. + +Aan den knecht, die zijn laarzen moest poetsen, kwam het wel is waar +voor, dat het verschrikkelijk oude laarzen voor zulk een rijk heer +waren; maar hij had ook nog geen nieuwe gekocht; den volgenden dag +kreeg hij fatsoenlijke laarzen en prachtige kleeren. Nu was hij van +een soldaat een deftig heer geworden, en de menschen vertelden hem van +al de heerlijke dingen, die er in hun stad waren, en van hun koning, +en wat voor een lieve prinses zijn dochter was. + +«Waar kan men haar te zien krijgen?» vroeg de soldaat. + +«Zij is in 't geheel niet te zien!» zeiden allen. »Zij woont in +een groot, koperen kasteel, dat door vele muren en torens omgeven +is! Niemand anders dan de koning mag bij haar uit- en ingaan; want +er is voorspeld, dat zij met een gemeen soldaat zal trouwen, en dat +kan de koning niet toestaan!» + +«Ik zou haar toch wel eens willen zien!» dacht de soldaat; maar +daartoe kon hij immers volstrekt geen vergunning krijgen. + +Nu leefde hij recht vroolijk, ging naar den schouwburg, reed in den +tuin van den koning en gaf de armen veel geld; en dat was heel braaf +van hem; hij wist nog uit vroegeren tijd, hoe ongelukkig het is, geen +cent te bezitten! Hij was nu rijk, had prachtige kleeren en kreeg zeer +veel vrienden, die allemaal zeiden, dat hij een voortreffelijk mensch, +een echt ridder was. En dat mocht de soldaat graag hooren. Maar +daar hij alle dagen geld uitgaf en nooit iets ontving, hield hij +eindelijk bijna niets meer over, en nu moest hij de mooie kamers, +waarin hij gewoond had, verlaten, en boven op een klein kamertje +onder het dak wonen, zijn laarzen zelf poetsen en ze met een stopnaald +dichtnaaien. Geen van zijn vrienden kwam naar hem toe; want er waren +te veel trappen op te klimmen. + +Het was een donkere avond, en hij kon niet eens een kaars koopen. Maar +het schoot hem te binnen, dat er nog een klein eindje kaars in de +tondeldoos lag, die hij uit den hollen boom, waarin de heks hem had +neergelaten, meegenomen had. Hij kreeg de tondeldoos en het eindje +kaars voor den dag; maar juist toen hij vuur sloeg en de vonken uit +de vuursteen vlogen, sprong de deur open, en nu stond de hond, die +oogen zoo groot als een paar theekopjes had en dien hij onder den +boom had gezien, voor hem en vroeg: «Wat is er van mijnheers dienst?» + +«Wat is dat?» riep de soldaat uit. «Dat is wel een aardige tondeldoos, +als ik zoo maar kan krijgen, wat ik hebben wil!--Bezorg mij wat geld!» +zei hij tegen den hond, en in een wip was de hond weg en in een wip +terug, en hield een grooten zak met geld in den bek. + +Nu wist de soldaat, wat een heerlijke tondeldoos dit was! Sloeg hij +eenmaal vuur, dan kwam de hond, die op de kist met kopergeld zat; +sloeg hij tweemaal, dan kwam die, welke het zilvergeld had, en sloeg +hij driemaal, dan kwam die, welke het goud bewaakte. Nu nam de soldaat +zijn intrek weer in de mooie kamers beneden en vertoonde zich op nieuw +in prachtige kleeren. Nu herkenden al zijn vrienden hem terstond en +waren heel lief tegen hem. + +Eens dacht hij: «Het is toch zonderling, dat men de prinses niet te +zien kan krijgen. Zij moet heel mooi wezen, zeggen allen; maar wat +baat dit, als zij altijd in het groote koperen kasteel met die vele +torens moet zitten?--Zou ik haar dan niet te zien kunnen krijgen? Waar +is mijn tondeldoos?» En nu sloeg hij vuur, en wip! daar kwam de hond +met de oogen, zoo groot als theekopjes. + +«Het is wel is waar midden in den nacht,» zei de soldaat, «maar ik +zou de prinses toch wel eens graag een oogenblikje willen zien!» + +De hond was dadelijk de deur uit, en voordat de soldaat er op verdacht +was, kwam hij met de prinses terug. Zij zat en sliep op den rug van den +hond en was zoo bekoorlijk, dat iedereen kon zien, dat het werkelijk +een prinses was. De soldaat kon zich niet weerhouden, haar een kus +te geven, want hij was door en door een soldaat. + +Daarop liep de hond met de prinses weer terug. Maar toen het morgen +werd en de koning en de koningin aan het ontbijt zaten, zei de prinses, +dat zij 's nachts een zonderlingen droom van een hond en een soldaat +had gehad; zij had op den hond gereden, en de soldaat had haar een +kus gegeven. + +«Dat zou nog al een mooie geschiedenis zijn!» zei de koning. + +Nu zou een der oude hofdames den volgenden nacht bij het bed der +prinses waken, om te zien, of het werkelijk een droom was, of wat +het anders wezen zou. + +De soldaat had een vurig verlangen om de prinses weer te zien, en +zoo kwam dan de hond des nachts, haalde haar en liep zoo hard als +hij maar kon. Maar de oude hofdame trok groote laarzen aan en liep +hem even hard achterna. Toen zij nu zag, dat zij in een groot huis +verdwenen, dacht zij: «Nu weet ik, waar het is!» en zette met een +stuk krijt een kruisje op de deur. Daarop ging zij naar huis en ging +te bed, en de hond kwam ook met de prinses terug. Maar toen hij zag, +dat er op de deur van het huis, waar de soldaat woonde, een kruisje +geteekend was, nam hij ook een stuk krijt en zette kruisjes op alle +huisdeuren in de stad, en dat was slim bedacht: want nu kon de hofdame +de deur niet vinden daar er op alle deuren kruisjes stonden. + +'s Morgens vroeg kwamen de koning en de koningin, de oude hofdame en +al de officieren, om te zien, waar de prinses geweest was. + +«Daar is het!» zei de koning, toen hij de eerste deur met een kruisje +er op zag. + +«Neen, daar is het, beste man!» zei de koningin, toen zij op de tweede +deur insgelijks een kruisje zag staan. + +«Maar daar staat er een op en ginds staat er ook een op!» zeiden allen; +waarheen zij hun blikken ook wendden, overal stonden kruisjes op de +deuren. Nu begrepen zij wel, dat al het zoeken hun niets zou baten. + +Maar de koningin was een uiterst schrandere vrouw, die meer kon dan +in een koets rijden. Zij nam haar groote gouden schaar sneed een +lap zijde in stukken en naaide daarvan een klein zakje; dit vulde +zij met fijn tarwemeel, bond het de prinses op den rug, en toen zij +dit gedaan had, knipte zij een klein gaatje in het zakje, zoodat het +meel den geheelen weg, dien de prinses nam, moest bestrooien. + +In den nacht kwam nu de hond terug, nam de prinses op zijn rug en +liep met haar naar den soldaat toe, die haar innig liefhad en graag +een prins zou willen zijn, om haar tot vrouw te krijgen. + +De hond merkte volstrekt niet, hoe het meel juist van het kasteel tot +aan het raam van den soldaat, waar hij den muur met de prinses opliep, +neergevallen was. Den volgenden morgen zagen de koning en de koningin +nu wel, waar hun dochter geweest was, en nu namen zij den soldaat en +zetten hem in de gevangenis. + +Daar zat hij nu. Och! wat was het daar donker en vervelend! En zij +zeiden tegen hem: «Morgen zal je opgehangen worden!» Dat te hooren +was nu juist zoo heel plezierig niet, en zijn tondeldoos had hij in +het logement gelaten. Des morgens kon hij door de tralies voor het +kleine raampje zien, hoe het volk zich haastte, uit de stad te komen +om hem te zien ophangen. Hij hoorde de trommels en zag de soldaten +marcheeren. Alle menschen liepen de stad uit; daaronder bevond zich ook +een schoenmakersjongen met een schootsvel voor en pantoffels aan; deze +liep zoo hard, dat een van zijn pantoffels van zijn voet viel en vlak +tegen den muur aanvloog waar de soldaat door de tralies zat te kijken. + +«Heidaar, schoenmakersjongen! Je hoeft zoo veel haast niet te +maken!» zei de soldaat tegen hem. «Het begint toch niet, voordat ik +er ben! Maar als je naar het huis, waar ik gewoond heb, toe wilt +loopen en mijn tondeldoos voor mij halen, dan zal ik je een goede +fooi geven. Maar dan moet je ook zoo hard loopen, als je maar kunt.» + +De schoenmakersjongen wilde graag een fooi verdienen en haalde +de tondeldoos, gaf deze aan den soldaat en--ja, nu zullen we eens +wat hooren! + +Buiten de stad was een hooge galg opgericht, daaromheen stonden de +soldaten en vele honderdduizenden menschen. De koning en de koningin +zaten op een prachtigen troon tegenover de rechters en den geheelen +raad. + +De soldaat stond reeds boven op de ladder; maar toen zij hem den +strop om den hals wilden doen, zeide hij, dat men immers altijd aan +een armen zondaar, voordat hij zijn straf onderging, de vervulling +van een onschuldigen wensch toestond. Hij zou zoo graag nog eens een +pijp willen rooken; het zou toch de laatste pijp zijn, die hij hier +op aarde rookte. + +Dat wilde de koning hem dan ook niet weigeren, en zoo nam de soldaat +zijn tondeldoos en sloeg vuur, een-, twee-, driemaal. En zie! daar +stonden eensklaps al de honden, die met de oogen, zoo groot als +theekopjes, die met de oogen, zoo groot als molenraderen, en die, +waarvan ieder oog zoo groot als een toren was. + +«Help mij nu, dat ik niet opgehangen word!» zei de soldaat. En nu +vielen de honden op de rechters en den geheelen raad aan, pakten den +een bij de beenen en den ander bij den neus en slingerden ze vele +ellen hoog in de lucht, zoodat zij neervielen. + +«Ik wil niet!» zei de koning, maar de grootste hond nam zoowel hem +als de koningin en slingerde ze, evenals de anderen in de lucht; nu +verschrikten de soldaten, en al het volk riep uit: «Beste soldaat! gij +zult onze koning zijn en de mooie prinses hebben!» + +Daarop zetten zij den soldaat in de koets van den koning, en de drie +honden dansten voorop en riepen: «Hoera!» En de jongens floten op +hun vingers, en de soldaten presenteerden het geweer. De prinses +kwam uit het koperen kasteel en werd koningin, en dat beviel haar +heel goed. De bruiloft duurde acht dagen, en de honden zaten mee aan +tafel en zetten groote oogen op. + + + + +HET MEISJE, DAT OP HET BROOD TRAPTE. + + +De geschiedenis van het meisje, dat, om haar schoenen niet vuil te +maken, op het brood trapte, en hoe slecht het met dit meisje afliep, +is welbekend: zij is geschreven en zelfs gedrukt. + +Inge heette dit meisje; zij was een arm kind, trotsch en hoogmoedig; +er was een slechte grond in haar, zooals men zegt. Reeds als klein +kind was het haar grootste plezier, vliegen te vangen, ze de vlerken +uit te trekken en ze in kruipende dieren te veranderen. Later nam zij +den meikever en den mestkever, stak deze aan een naald vast, schoof +dan een groen blad of een klein stukje papier naar hun pootjes toe, +en dan greep het arme diertje daarnaar en hield het vast, draaide en +wendde het, om van de naald af te komen. + +«Nu leest de meikever!» zeide Inge. «Kijk maar eens, hoe hij het +blad omkeert.» + +Met de jaren werd zij eer slechter dan beter; maar mooi was zij, en +dat was haar ongeluk, anders was zij wel duchtiger beknord; geworden, +dan nu het geval was. + +«Ik denk, dat ik nog eens verdriet van je zal hebben,» zei haar eigen +moeder. «Als kind heb je mij dikwijls op mijn japon getrapt, ik vrees, +dat je mij later op het hart zult trappen.» + +En dat deed zij ook. + +Zij kreeg op een dorp een dienst bij deftige menschen, en deze +beschouwden haar als hun eigen kind, en zoo ging zij ook gekleed; +zij zag er lief uit, maar haar hoogmoed nam toe. + +Toen zij daar zoo wat een jaar geweest was, zei haar mevrouw tegen +haar: «Je moest je ouders toch eens gaan opzoeken, Inge!» + +En Inge begaf zich op weg naar haar ouders, maar alleen om zich eens +in haar geboorteplaats te vertoonen; daar moesten de menschen zien, +hoe mooi zij geworden was; maar toen zij aan den ingang van het dorp +kwam en de jonge knechts en meiden daar met elkaar zag staan en haar +moeder ook daarbij, die op een steen zat uit te rusten, met een bosje +rijshout, dat zij in het bosch gesprokkeld had, voor zich, toen keerde +Inge om; zij schaamde er zich over, dat zij, die netjes gekleed was, +zulk een vrouw in lompen, die hout in het bosch sprokkelde, tot moeder +had. Zij had er volstrekt geen berouw over, dat zij teruggekeerd was. + +Weer verliep er omstreeks een half jaar. «Je moest toch nog eens naar +je dorp toe gaan en je ouders een bezoek brengen, Inge!» zei haar +mevrouw. «Ik zal je een groot wittebrood geven; dan kan je dit voor +hen meenemen; zij zullen er zeker blij mee zijn, dat zij je weerzien.» + +Inge trok haar beste kleeren en haar nieuwe schoenen aan, tilde haar +japon op en liep heel voorzichtig voort, opdat zij rein aan haar voeten +zou blijven, en dat kon men haar niet kwalijk nemen! Maar toen zij daar +kwam, waar de weg over het moeras loopt en waar slijk en modder was, +wierp zij het brood op den grond en trapte daarop, om niet nat en +vuil te worden; maar terwijl zij daar zoo stond, met den eenen voet +op het brood en den anderen opgeheven, om verder te loopen, zonk het +brood gedurig dieper met haar; zij verdween geheel en al, en slechts +een groote modderpoel, die blaasjes deed opborrelen, bleef er te zien. + +Dat is de geschiedenis. + +Maar waar kwam Inge nu? Zij zonk in den moerasgrond en kwam beneden +bij de moerasvrouw, die daar allerlei kwaad brouwt. De moerasvrouw +is de tante der elfen, die bekend genoeg zijn, waarvan men liedjes +heeft en die men afgeschilderd vindt; maar van de moerasvrouw weten +de menschen alleen, dat, wanneer er in den zomer damp uit de weiden +opstijgt, het de moerasvrouw is, die allerlei kwaad brouwt. In de +brouwerij der moerasvrouw daalde Inge neer, en daar is het niet lang +uit te houden.--De slijkkist is een pronkkamer, bij de brouwerij der +moerasvrouw vergeleken! Ieder vat stinkt zoo geducht, dat men daarvan +flauw valt, en dan staan de vaten dicht op elkaar gepakt, en als er +hier en daar een kleine opening tusschen is, waar men door zou hebben +kunnen dringen, dan is dit toch niet mogelijk door de natte padden en +de dikke slangen, die zich hier letterlijk in elkaar verwarren. Hierin +zonk Inge neer; al het walglijke, levende ontuig was zoo ijskoud, +dat zij over al haar leden trilde, ja, dat zij gedurig meer van +schrik verstijfde. Aan het brood bleef zij vasthangen, en het brood +trok haar naar beneden, evenals het barnsteen een stroohalm aantrekt. + +De moerasvrouw was te huis, de brouwerij kreeg overdag bezoek, zij +werd bezichtigd door den duivel en zijn grootmoeder, en de grootmoeder +van den duivel is een oude, zeer giftige vrouw, die nooit ledig is; +zij rijdt nooit uit, om ergens een bezoek af te leggen, zonder haar +handwerk mee te nemen, en dit had zij dan ook hier bij zich. Zij +naaide leugenweefsels en haakte onbezonnen woorden, die op den grond +gevallen waren, alles tot schade en verderf. Ja, die oude grootmoeder +kon naaien, borduren en haken! + +Zij zag Inge, hield haar brilleglas voor haar oog en keek het meisje +nog eens aan. «Dat is een meisje, dat kundigheden bezit,» zeide zij, +«en ik verzoek, de kleine, tot een herinnering aan mijn bezoek hier, +mee te mogen nemen. Zij zal een geschikt standbeeld in de voorkamer +van mijn kleinzoon zijn.» + +En zij kreeg haar. Op deze wijze kwam Inge in de hel. Daar gaan de +menschen niet altijd regelrecht naar toe, maar zij kunnen er ook +langs omwegen inkomen, als zij daartoe de bekwaamheid bezitten. + +Dat was een voorkamer zonder einde; men werd al duizelig, als men voor- +of achterwaarts keek, en een menigte, die het versmachten nabij was, +stond hier te wachten, totdat de poort der genade voor hen opengedaan +zou worden. Zij moesten lang wachten. Groote, dikke, waggelende spinnen +weefden een duizendjarig web over hun voeten, en dit spinneweb sneed +als voetangels en boeide als koperen ketenen; bovendien kookte er nog +een eeuwige onrust in iedere ziel, een onrust des jammers. De gierige +stond daar en had den sleutel van zijn geldkist vergeten; de sleutel +stak er in, dat wist hij. Maar het is te wijdloopig, al de soorten van +pijnigingen en van jammer op te sommen, die daar ondergaan werden. Inge +gevoelde een hevige pijn, terwijl zij daar als een standbeeld moest +staan; want zij was van onderen aan het brood vastgekleefd. + +«Dat heeft men er van, als men zijn voeten rein en helder wil houden!» +zeide zij bij zich zelve. «Kijk eens, hoe zij mij aangapen!» Ja, +werkelijk waren aller blikken op haar gevestigd;--hun booze lusten +fonkelden hun uit de oogen en spraken zonder geluid te geven uit hun +mond; zij waren verschrikkelijk om aan te zien. + +«Mij aan te staren moet een genoegen zijn!» dacht Inge, «ik heb een +lief gezicht en mooie kleeren aan!» En nu draaide zij haar oogen +om, maar haar nek kon zij niet omdraaien, want deze was daarvoor te +stijf. O, hoe morsig was zij in de brouwerij der moerasvrouw geworden: +daaraan had zij niet gedacht. Haar kleeren waren met slijk bezoedeld, +een slang had zich in haar lokken gehangen en slingerde langs haar +rug neer, en uit iedere plooi van haar gewaad kwam een groote pad +te voorschijn, die als een kortademige mops blafte. Dit was zeer +onaangenaam. «Maar de anderen hier beneden zien er immers ook +afschuwelijk uit!» zeide zij, en daarmee troostte zij zich. + +Het ergste van alles was echter de vreeselijke honger, dien zij +gevoelde. Was zij dan niet bij machte, voorover te bukken en een +stuk van het brood, waarop zij stond, af te breken? Neen, haar +rug was stijf, haar armen en handen waren verstijfd, haar geheele +lichaam was als een steenen zuil, alleen haar oogen kon zij nog in +haar hoofd omdraaien, naar alle kanten heen draaien, zoodat zij ook +achter zich kon zien; dat was een leelijk gezicht. En toen kwamen er +vliegen aan, die over haar oogen heen en weer kropen; zij knipte met +haar oogen, maar de vliegen vlogen niet weg, want zij konden niet +vliegen daar hun vlerken uitgetrokken waren; zij waren in kruipende +dieren veranderd;--dat was een pijn; en daarbij kwam nog de honger, +ja, eindelijk scheen het haar toe, alsof haar ingewanden zich zelf +opaten, en zij werd van binnen erg leeg. «Als dat langer moet duren, +dan houd ik het niet uit!» zeide zij, maar zij moest het wel uithouden. + +Nu viel er een heete traan op haar hoofd neer, rolde over haar gezicht +en hare borst tot op het brood, waarop zij stond, en er viel nog een +traan, nog vele. Maar wie zou er wel over Inge weenen?--Zij had op +aarde immers nog een moeder! De tranen der smart, die een moeder over +haar kind stort, komen altijd bij het kind, maar ze verlossen niet, zij +branden slechts en verergeren de pijn. Het was iets verschrikkelijks, +zulk een onuitstaanbaren honger te hebben en niet aan het brood te +kunnen komen, waarop zij toch met haar voeten stond. Zij had een +gevoel, alsof haar binnenste zich zelf verteerd had, zij was als een +dun riet, dat ieder geluid inzuigt; zij hoorde duidelijk alles, wat +er op aarde over haar gesproken werd, en wat zij hoorde, was hard en +wreed. Haar moeder weende wel is waar erg en was bedroefd over haar, +maar zij zeide met dat al: «Hoogmoed komt voor den val! Dat is je +ongeluk geweest, Inge! Je hebt je moeder heel veel verdriet aangedaan!» + +Haar moeder en allen op aarde wisten van de zonde, die zij gepleegd +had, wisten, dat zij op het brood had getrapt, dat zij in de diepte +weggezonken en verdwenen was; de koeherder had dit van de helling +bij den moerassigen weg gezien. + +«Wat heb je je moeder toch een verdriet aangedaan», Inge!» zei haar +moeder, «ja, ik had het wel gedacht!» + +«O, was ik maar nooit geboren!» dacht zij daarbij; «dat zou veel +beter voor mij geweest zijn. Maar wat baat het mij nu, dat mijn +moeder weent?» + +Zij hoorde, hoe de goede menschen, die haar als ouders verpleegd +hadden, nu zeiden, dat zij een zondig kind was, dat zij de gaven +Gods niet in waarde gehouden, maar daarop met voeten getreden had; +de deur der genade zou eerst langzaam voor haar opengaan. + +«Zij hadden mij moeten kastijden, zij hadden mijn grillen moeten +uitroeien,» dacht Inge. + +Zij hoorde, dat er een liedje op haar gemaakt werd, over het +hoogmoedige meisje, dat op het brood trapte, opdat haar schoenen +netjes zouden blijven, en dat men dit liedje overal in het land zong. + +«Dat men daarom zoo veel kwaads moet hooren en zoo veel lijden!» dacht +Inge. «De anderen moesten ook voor hun zonden gestraft worden! Ja, +dan zou er zeker veel te straffen zijn!--Ach! wat word ik gepijnigd!» + +Haar hart verhardde zich nog meer dan haar uiterlijk voorkomen. + +«Hier beneden in dit gezelschap kan men niet beter worden! En ik wil +ook niet beter worden! Kijk eens, hoe zij mij aangapen!» + +Haar hart was vol toorn en boosheid ten opzichte van alle menschen. + +«Nu hebben zij elkaar daarboven eindelijk eens wat te vertellen. Ach, +wat word ik gepijnigd!» + +Zij hoorde ook, hoe haar geschiedenis aan de kinderen verteld werd, +en de kleinen noemden haar de goddelooze Inge,--zij was zoo leelijk, +zeiden zij, zoo afschuwelijk, zij moest erg gepijnigd worden. + +Gedurig kwamen er harde woorden over haar uit een kindermond. + +Maar op zekeren dag, terwijl toorn en woede in het inwendige van +haar holle lichaam knaagden en zij haar naam hoorde noemen en haar +geschiedenis aan een onschuldig kind, een klein meisje, hoorde +vertellen, merkte zij, dat de kleine in tranen uitbarstte bij het +hooren van de geschiedenis der hooghartige, ijdele Inge. + +«Maar komt Inge dan nooit meer naar boven?» vroeg het kleine meisje. En +men antwoordde: + +«Zij komt nooit meer naar boven.» + +«Maar als zij nu eens om vergiffenis vroeg en beloofde, dat zij het +nooit weer zou doen?» + +«Dan wel; maar zij zal niet om vergiffenis vragen!» hernam men. + +«Ik zou zoo graag willen, dat zij dit deed!» zei de kleine en was +ontroostbaar. «Ik zal er mijn pop en mijn speelgoed voor geven, als zij +maar naar boven mag komen. Het is te verschrikkelijk! Die arme Inge!» + +Deze woorden drongen tot het hart van Inge door; zij deden haar goed; +het was de eerste maal, dat iemand zei: «Die arme Inge!» en er niets +omtrent haar gebreken bijvoegde, een klein, onschuldig kind weende +om haar en vroeg genade voor haar; het werd haar daarbij zonderling +te moede; zij zou nu zelf graag geweend hebben, maar zij vermocht +dit niet, zij kon niet weenen, en dat was ook een kwelling. + +Terwijl er jaren daar boven verliepen,--beneden was er geene +afwisseling,--hoorde zij gedurig zeldzamer over zich spreken. Nu drong +er op zekeren dag plotseling een zucht tot haar ooren door: «Inge, +Inge! Wat heb je mij een verdriet aangedaan! Ik heb het wel gezegd!» +Het was de laatste zucht van haar stervende moeder. + +Somtijds hoorde zij haar naam door de menschen, waarbij zij vroeger +gediend had, noemen, en het waren liefelijke woorden, als haar mevrouw +zeide: «Zou ik je wel ooit weerzien, Inge? Men kan nooit weten, +waar men nog eens zal komen!» + +Maar Inge zag wel in, dat haar goede mevrouw nooit daar zou kunnen +komen, waar zij was. + +Er verliep wederom eenige tijd, een lange, bittere tijd. + +Nu hoorde Inge nog eenmaal haar naam noemen en zag twee heldere +sterren boven zich fonkelen; het waren twee vriendelijke oogen, die +zich op aarde sloten. Er waren destijds al zoovele jaren verloopen, +sedert het kleine meisje ontroostbaar was en over «de arme Inge» +weende, dat het kind een oude vrouw geworden was, die God nu weer +tot zich wilde roepen; en juist in deze ure, waarop de herinnering +van haar geheele vroegere leven weer bij haar oprees, herinnerde zij +zich ook, hoe zij eens als klein kind tranen gestort had bij het +hooren van de geschiedenis van Inge. Dat uur en die indruk werden +bij die oude vrouw in haar doodsuur weer zoo levendig, dat zij luide +uitbarstte in de woorden: «Mijn God en Heer! Ook ik heb, evenals Inge, +uw zegeningen vaak met voeten getreden en daarbij niet bedacht, dat +ik iets verkeerds deed; ook ik heb vaak een hoogmoedige gezindheid +gekoesterd,--doch Gij hebt mij in Uw genade niet laten zinken, maar +mij staande gehouden! O, laat in mijn laatste ure niet van mij af!» + +De oogen der oude vrouw sloten zich, en het oog harer ziel opende +zich, om het verborgene te zien. Zij, in wier laatste gedachten +Inge zoo levendig tegenwoordig geweest was, zij zag ook nu, hoe +diep zij gezonken was, en bij den aanblik daarvan barstte de vrouw +in tranen uit: In den hemel stond zij als een kind en weende om de +arme Inge! En deze tranen en gebeden klonken als een echo in het +holle, ledige hulsel, dat de geboeide, gefolterde ziel omsloot; de +nooit gedachte liefde van boven overweldigde haar! Waarom werd haar +dit wel vergund? De gepijnigde ziel verzamelde als 't ware in haar +gedachten iedere daad, die zij op aarde verricht had, en zij, Inge, +smolt in zulke tranen weg, als zij er vroeger nooit geweend had; +bekommering over haar zelve vervulde haar, het was haar, alsof de +poort der genade zich nimmer voor haar kon openen, en terwijl zij dit +in haar verbrijzeling erkende, schoot er een straal in den afgrond +tot haar neer, en wel met een kracht, die sterker was dan die van +den zonnestraal, waardoor de sneeuwman, die de kinderen vervaardigd +hebben, ontdooit; en veel sneller dan de sneeuwvlok smelt en tot een +droppel wordt, die op de warme lippen van het kind neervalt, loste de +versteende gestalte van Inge zich in damp op,--een vogeltje vloog met +de snelheid van den bliksemstraal naar boven naar de menschenwereld +op. Maar deze vogel was angstig en schuw voor alles, wat hem omgaf; +hij schaamde zich over zich zelf, schaamde zich tegenover alle levende +schepselen en trachtte zich ijlings te verbergen in een donker gat +in een ouden, verweerden muur; daar zat hij neer, terwijl hij over +zijn geheele lichaam beefde; hij kon geen geluid van zich geven, +hij had geen stem; een geruimen tijd zat hij daar, voordat hij de +heerlijkheid, die hem omgaf, kon zien; ja heerlijk was het! De lucht +was frisch en zacht, de maan wierp haar helder schijnsel op de aarde; +boomen en struiken wasemden geuren uit, en prachtig was het, waar hij +zat; zijn veeren waren rein en fijn. O, wat was al het geschapene +toch in liefde en heerlijkheid voortgebracht! Alles, wat er in het +binnenste van den vogel omging, wilde zich in een lied lucht geven, +maar de vogel vermocht dit niet; gaarne zou hij gezongen hebben, +evenals in de lente de koekoek en de nachtegaal. Onze God, die zelfs +het stille lofgezang van den worm hoort, hoorde ook hier het loflied, +dat zich in gedachtenakkoorden verhief, evenals de psalm in het hart +van David klonk, voordat deze zich in woorden en melodie kon uiten. + +Weken lang stegen deze stille lofliederen op, zij moesten hoorbaar +worden, zij moesten dit bij den eersten vleugelslag eener goede daad; +zulk een goede daad moest er verricht worden! + +Het kerstfeest naderde. De boer stak in de nabijheid van den muur +een stok in den grond en bond daaraan een schoof haver vast, opdat +de vogelen in de lucht ook een vroolijk Kerstfeest en een goeden +maaltijd mochten hebben; dat was braaf, zoo is de deugdzame! + +De zon ging op den Kerstmorgen op en bescheen de schoof, de +kwinkeleerende vogels fladderden in menigte om den stok heen. + +Daar klonk het ook uit het gat in den muur: «Piep, piep!» De zwellende +gedachte werd een geluid, het zwakke piepen een geheele hymne, de +gedachte van een goede daad ontwaakte, en de vogel kwam uit zijn +schuilplaats te voorschijn; in den hemel wisten zij al, wat voor een +vogel het was! + +De winter was streng, de wateren waren dichtgevroren, de vogelen en +de dieren des velds konden slechts weinig voedsel vinden. Onze kleine +vogel vloog over den straatweg heen, en daar, in het spoor der sleden, +vond hij ook nu en dan een graankorreltje, en op de pleisterplaatsen +eenige broodkruimeltjes; hij zelf at er slechts weinige op, maar hij +riep al de andere uitgehongerde musschen bij elkaar, opdat zij eenig +voedsel zouden krijgen. Hij vloog de steden in, keek in de rondte, en +waar een lieve hand op het kozijn brood voor de vogeltjes gestrooid +had, at hij zelf maar een enkel kruimeltje en gaf al het andere aan +de overige vogels. + +In den loop van den winter had de vogel zooveel broodkruimeltjes +verzameld en aan de andere vogels gegeven, dat zij te zamen opwogen +tegen het geheele brood, waarop Inge getrapt had, opdat haar schoenen +rein zouden blijven, en toen het laatste broodkruimeltje gevonden +en goed besteed was, werden de grauwe vleugels van den vogel wit en +spreidden zich wijd uit. + +«Daar vliegt een zeezwaluw over het water heen!» zeiden de kinderen, +die den witten vogel zagen; nu dook zij in het water onder, toen +verhief zij zich in den helderen zonneschijn; zij schitterde; het +was niet mogelijk om te zien, waar zij bleef,--zij zeiden, dat zij +in de zon gevlogen was! + + + + +DE BLOEMEN VAN DE KLEINE IDA. + + +«Mijn arme bloemen zijn heelemaal verwelkt!» zei de kleine Ida, «Wat +waren zij gisteravond nog mooi, en nu laten ze al haar blaadjes slap +hangen! Waarom doen zij dat?» vroeg zij aan den student, die op de +canapé zat en van wien zij heel veel hield. Hij wist zulke aardige +dingen te knippen: harten met kleine dametjes er in, die dansten, +bloemen en groote kasteelen, waarvan men de deuren open kon doen; +'t was een vroolijke student. «Waarom zien de bloemen er vandaag zoo +verflenst uit?» vroeg zij hem andermaal en liet hem een ruiker zien, +die geheel verlept was. + +«Wil ik eens zeggen, wat haar mankeert?» antwoordde de student. «De +bloemen zijn van nacht op het bal geweest, en daarom laten zij haar +kopjes hangen.» + +«Maar de bloemen kunnen immers niet dansen!» bracht de kleine Ida in +het midden. + +«Wel zeker,» hernam de student. «Als het donker wordt en wij gerust +liggen te slapen, dan springen ze lustig in de rondte. Bijna alle +avonden houden ze bal.» + +«Kunnen er ook kinderen op dat bal komen?» + +«Ja,» zei de student, «namelijk kleine madeliefjes en lelietjes +der dalen.» + +«Waar dansen die mooie bloemen?» vroeg de kleine Ida. + +«Ben je niet dikwijls buiten de poort bij het groote kasteel geweest, +waar de koning des zomers woont en waar die prachtige tuin met al +die bloemen is? Je hebt de zwanen immers wel eens gezien, die naar +je toe zwemmen, als je hun kruimeltjes brood wilt geven? Geloof mij, +daar buiten is het een groot bal.» + +«Gisteren ben ik met mama in dien tuin geweest,» zei Ida, «maar al de +bladeren waren van de boomen, en er waren in 't geheel geen bloemen +meer. Waar zijn ze toch gebleven? Van den zomer zag ik er zooveel!» + +«Ze zijn binnen in 't kasteel,» hernam de student. «Je moet weten, +dat de bloemen, zoodra de koning en al de hovelingen naar de stad +terugkeeren, dadelijk uit den tuin wegloopen en naar het kasteel toe +gaan, en daar maken ze dan pret. Dat moest je eens zien! De beide +mooiste rozen zetten zich op den troon neer, en dan zijn ze koning en +koningin; al de roode hanekammen scharen zich aan beide kanten daarvan: +dat zijn de kamerheeren.--Dan komen al de andere mooie bloemen, en +dan is het groot bal. De blauwe viooltjes stellen adelborsten voor; +zij dansen met hyacinten en krokusjes, die zij jonge dames noemen; +de tulpen en de groote tijgerleliën zijn oude dames, die zorg dragen, +dat er goed gedanst wordt en dat alles geregeld in zijn werk gaat.» + +«Maar,» vroeg de kleine Ida weer, «is er dan niemand, die de bloemen +kwaad doet, omdat ze in het kasteel van den koning dansen?» + +«Eigenlijk weet niemand daarvan af,» zei de student. «Somtijds wel is +waar komt de oude slotbewaarder 's nachts wel eens met een grooten +bos sleutels in de hand; maar zoodra de bloemen de sleutels hooren +rammelen, houden zij zich stil en verschuilen zich achter de gordijnen, +en steken het hoofd alleen er uit. Het ruikt hier naar bloemen,» +zegt de oude slotbewaarder dan; «maar ik kan ze niet zien.» + +«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en klapte in haar handen. «Maar +zou ik de bloemen ook niet kunnen zien?» + +«Ja,» zei de student. «Denk er maar eens om, als je er weer +voorbijkomt, dat je eens door het raam kijkt, dan zul je ze wel +zien. Dat heb ik vandaag ook gedaan; er lag een lange gele lelie dood +op haar gemak op de canapé uitgestrekt; dat was een hofdame.» + +«Kunnen de bloemen uit den botanischen tuin daar ook komen? Kunnen +die zoo ver loopen?» + +«Wel zeker,» antwoordde de student, «want als ze willen, dan kunnen ze +vliegen. Heb je die mooie kapelletjes wel niet eens gezien, roode, +gele en witte? Zij zien er net als bloemen uit: dat zijn ze ook +geweest. Zij zijn van den stengel af hoog in de lucht opgestegen en +hebben daar met hun bladeren geklapwiekt, alsof het vleugeltjes waren, +en zoo vlogen zij weg. En omdat zij dit zoo goed deden, kregen zij de +vergunning, om ook overdag rond te vliegen en behoefden niet te huis +en stil op den steel te zitten; en zoo werden de bladeren eindelijk +tot werkelijke vleugels. Dat heb je zelf immers wel eens gezien. Het +kan echter wel zijn, dat de bloemen uit den botanischen tuin nog nooit +in het kasteel van den koning geweest zijn, of dat zij niet weten, +dat het daar 's nachts zoo vroolijk toegaat. Daarom zal ik je eens +wat zeggen! Hij zal er vreemd van staan te kijken, de professor in de +botanie, die hier naast woont: je kent hem immers wel? Als je in zijn +tuin komt, moet je aan een van de bloemen vertellen, dat er buiten +op het kasteel een groot bal is; die vertelt het dan weer aan al de +anderen over, en dan vliegen zij weg. Als de professor dan in den +tuin komt, is er geen enkele bloem en zal hij niet kunnen begrijpen, +waar zij gebleven zijn.» + +«Maar hoe kan de eene bloem het aan de andere vertellen? De bloemen +kunnen immers niet spreken!» + +«Dat kunnen zij ook niet,» antwoordde de student, «maar dan geven zij +elkaar wenken. Heb je niet dikwijls gezien, dat de bloemen, als er een +beetje wind is, elkander toeknikken en al haar bladeren bewegen? Dat is +voor haar even goed verstaanbaar, als wanneer wij met elkaar spreken.» + +«Kan de professor die wenken dan begrijpen?» vroeg Ida. + +«Wel zeker. Hij kwam op zekeren morgen in zijn tuin en zag een groote +brandnetel staan, die met haar bladeren aan een mooien, rooden anjelier +allerlei wenken gaf. Zij zeide: «Je ziet er zoo lief uit, en ik mag je +graag lijden.» Maar zoo iets kan de professor niet dulden; hij sloeg +de brandnetel terstond op haar bladeren, want dat zijn haar vingers; +maar toen brandde hij zich, en sedert dien tijd waagt hij het niet, +een brandnetel aan te raken.» + +«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en lachte. + +«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen?» zei +een deftig oud heer, die een bezoek was komen brengen en op de canapé +zat. Hij mocht den student niet lijden en bromde altijd, als hij hem +al die kluchtige, grappige dingen zag knippen: nu eens was het een +man, die aan een galg hing en een hart in de hand hield, want het +was een hartendief, dan weer een oude heks, die op een bezemstok +reed en haar man op den neus had. Dat kon de oude man niet velen, +en dan zei hij, evenals nu: «Hoe kan men een kind nu toch zoo iets +in het hoofd brengen? Dat zijn immers de grootste dwaasheden!» + +Maar de kleine Ida scheen het toch heel kluchtig te vinden, wat de +student van haar bloemen vertelde, en zij dacht dikwijls daaraan. De +bloemen lieten haar kopjes hangen; want zij waren vermoeid, daar zij +den heelen nacht gedanst hadden: zij waren zeker ziek. Nu ging zij er +mee naar haar ander speelgoed, dat op een lief klein tafeltje stond, en +in de schuiflade lagen allerlei mooie dingen. In het poppenledekantje +lag haar pop Sophie, die sliep; maar de kleine Ida zei tegen haar: +«Je moet maar opstaan, Sophie, en het voor lief nemen, van nacht in +de lade te liggen. De arme bloemen zijn ziek, en daarom moeten ze +maar in jouw bedje liggen; misschien worden ze dan wel weer beter!» +En dadelijk nam zij de pop uit haar ledekantje; maar deze zag er +verdrietig uit en sprak geen enkel woord; want zij ergerde er zich +over, dat zij haar bedje moest ruimen. + +Toen legde de kleine Ida de bloemen in het poppenbedje, sloeg het +dekentje er over heen en zei, dat zij nu maar heel stil moesten liggen; +dan zou zij wat vlier zetten, en dan zouden zij wel weer beter worden +en den volgenden dag kunnen opstaan. Zij deed de gordijnen van het +kleine ledekantje dicht, opdat de zon ze niet in de oogen zou schijnen. + +Den heelen avond kon zij niet nalaten, aan datgene te denken, wat de +student haar verteld had. En toen zij nu zelf naar bed moest, kon zij +zich niet weerhouden, eerst eens achter de gordijnen te kijken, die +voor de ramen hingen, waar de prachtige bloemen van haar mama stonden, +zoowel hyacinten als tulpen; en nu fluisterde zij zachtjes: «Ik weet +wel, dat je van nacht naar het bal toe gaat.» Maar de bloemen deden, +alsof zij niets verstonden en verroerden geen blaadje; doch de kleine +Ida wist toch, wat zij wist. + +Toen zij te bed gegaan was, bleef zij een heelen tijd wakker liggen +en dacht er over, hoe aardig het toch moest wezen, de mooie bloemen +in het kasteel van den koning te zien dansen. «Zouden mijn bloemen +er werkelijk bij geweest zijn?» zeide zij bij zich zelf. Eindelijk +viel zij in slaap; maar midden in den nacht werd zij weer wakker; +zij had van de bloemen en van den student, dien de oude heer berispt +had, gedroomd. Het was doodstil in de slaapkamer, waar Ida lag; +het nachtlampje brandde op de tafel, en haar pa en ma sliepen. + +«Zouden mijn bloemen nu nog in het ledekantje van Sophie liggen?» +dacht zij bij zich zelve. «Wat zou ik dit graag eens willen weten!» +Zij kwam eventjes overeind en keek naar de deur, die op een kier stond: +daar lagen de bloemen en al haar speelgoed. Zij luisterde, en nu kwam +het haar voor, alsof er binnen in de kamer op de piano gespeeld werd, +maar heel zachtjes en zoo mooi, als zij het nog nooit gehoord had. + +«Nu zijn al de bloemen zeker aan het dansen!» dacht zij. «Och! wat +zou ik dat toch graag eens willen zien!» Maar zij waagde het niet, +op te staan, want dan zou zij haar pa en ma licht wakker maken! + +«Als ze maar eens hier in de slaapkamer wilden komen,» dacht zij. Maar +de bloemen kwamen niet, en het spelen op de piano bleef voortduren; +nu kon zij het niet langer uithouden, want het was al te mooi; zij +stapte uit haar bedje, sloop zachtjes naar de deur toe en keek de +kamer in. O, wat was dat prachtig, wat zij nu te zien kreeg. + +Er brandde geen nachtlampje in het vertrek, maar toch was het er licht +in; de maan scheen door het raam midden op den vloer; het was bijna +zoo helder, alsof het dag was. Al de hyacinten en de tulpen stonden +in twee lange rijen in de kamer; er waren er volstrekt geen meer voor +het raam te zien; daar stonden slechts de leege potten. Op den vloer +dansten al de bloemen zeer sierlijk in de rondte en hielden elkaar +bij de lange groene bladeren vast. Maar voor de piano zat een groote, +gele lelie, die de kleine Ida bepaald in den zomer gezien had: want +zij herinnerde zich nog heel goed, dat de student gezegd had; «O, +wat lijkt zij op juffrouw Lientje!» Doch toen werd hij door allen +uitgelachen; maar nu kwam het de kleine Ida werkelijk ook voor, alsof +de lange, gele bloem op dit meisje leek; en zij had ook dezelfde +manieren bij het spelen; nu eens boog zij haar glimlachend, geel +gezicht naar den eenen, dan weer naar den anderen kant en sloeg met +haar hoofd de maat bij de heerlijke muziek. Niemand lette op de kleine +Ida. Toen zag zij een groot blauw krokusje midden op de tafel springen, +waarop het speelgoed stond, regelrecht naar het poppenledekantje toe +gaan en de gordijnen op zij schuiven. Daar lagen de zieke bloemen, +maar zij richtten zich dadelijk op en knikten het krokusje toe, dat +zij ook wel mee wilden dansen. De oude notenkraker, welks onderlip +afgebroken was, stond op en maakte een buiging voor de mooie bloemen; +deze zagen er volstrekt niet ziek uit: zij sprongen van de tafel af, +gingen naar de andere bloemen toe en hadden heel wat pret. + +Het was, alsof er iets van de tafel naar beneden viel; Ida keek dien +kant uit: het was een houten soldaat, die naar beneden sprong: het +scheen, alsof hij ingelijks tot de bloemen behoorde. Hij zag er ook +zeer keurig uit, en een kleine wassen pop, die juist zulk een hoed met +een breeden rand op het hoofd had, als de oude heer droeg, zat boven op +hem. De soldaat huppelde midden onder de bloemen en stampte geducht, +want hij danste de mazurka; dien dans kenden de andere bloemen niet, +omdat zij te licht waren en niet zoo konden stampen. + +De wassen pop op den soldaat werd op eens groot en lang en riep luide: +«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen? Dat zijn +immers de grootste dwaasheden!» En nu geleek de wassen pop sprekend +op den ouden heer met zijn breedgeranden hoed; zij zag er even geel +en gemelijk uit. Maar de bloemen sloegen hem tegen de dunne beenen; +en nu kromp hij weer ineen en werd een kleine wassen pop. Dat was +heel kluchtig om aan te zien; de kleine Ida kon zich niet van lachen +onthouden. De houten soldaat ging met dansen voort, en de oude heer +moest meedansen; het baatte hem niets, hij mocht zich nu groot en +lang maken of de kleine gele wassen pop met den grooten zwarten +hoed blijven. Nu deden de andere bloemen een goed woordje voor hem, +inzonderheid die, welke in het poppenledekantje gelegen hadden, en +toen stelde de soldaat zich tevreden. Op hetzelfde oogenblik werd er +luide binnen in de schuiflade geklopt, waarin Ida's pop Sophie bij +veel ander speelgoed lag; de notenkraker liep tot aan den rand van de +tafel, ging plat op zijn buik liggen en begon de lade een weinig uit +te trekken. Nu stond Sophie op en keek verbaasd in de rondte. «Hier +is zeker bal?» zei zij. «Waarom heeft niemand mij dit gezegd?» + +«Wil je met mij dansen?» vroeg de notenkraker. + +«Nu, je bent me nog al een mooie kerel om mee te dansen!» zeide zij +en draaide hem den rug toe. Daarop zette zij zich op de schuiflade +neer en dacht, dat er wel een van de bloemen zou komen, om haar ten +dans uit te noodigen; maar er kwam er geen. Nu knikte zij eens; maar +toch kwam er geen. De notenkraker danste nu alleen, en dat ging alles +behalve slecht! + +Daar geen van de bloemen Sophie scheen op te merken, liet zij zich van +de schuiflade op den grond neervallen, zoodat het een geducht leven +maakte. Al de bloemen kwamen nu naar haar toeloopen en vroegen, of zij +zich niet bezeerd had, en zij waren allemaal heel vriendelijk jegens +haar, vooral de bloemen, die in haar ledekantje gelegen hadden. Maar +zij had zich niet bezeerd, en de bloemen van Ida waren dankbaar voor +het lekkere bedje, en namen haar midden in de kamer, waar de maan +in scheen, en dansten met haar; en al de andere bloemen vormden een +kring om haar heen. Nu was Sophie blijde en zei, dat zij wel altijd +in haar bedje mochten liggen; het kon haar volstrekt niet schelen, +in de schuiflade te slapen. + +Maar de bloemen zeiden: «Wij bedanken je hartelijk; maar we kunnen +op deze wijze niet lang leven! Morgen zijn wij dood. Maar zeg tegen +de kleine Ida, dat zij ons dan maar buiten in den tuin, waar de +kanarievogel ligt, moet begraven; dan ontwaken wij in den zomer weer +en worden veel mooier!» + +«Neen, je moogt niet sterven!» zei Sophie en kuste de bloemen. Nu +ging de kamerdeur open, en een menigte prachtige bloemen kwam +dansend naar binnen. Ida kon maar niet begrijpen, waar zij vandaan +gekomen waren; dat waren zeker allemaal bloemen uit het kasteel van +den koning. Voorop liepen twee prachtige rozen, die gouden kronen op +hadden; zij waren een koning en een koningin. Toen kwamen de violieren +en de anjelieren, die naar alle kanten groetten. Zij hadden muziek bij +zich: groote papavers en pioenen bliezen op erwtenschillen, zoodat +zij heelemaal rood in haar gezicht werden. De blauwe druifhyacinten +en de kleine witte sneeuwklokjes klingelden, alsof zij schellen bij +zich hadden. Dat was een merkwaardige muziek! Verder kwamen er vele +andere bloemen en dansten allemaal met elkaar: de blauwe viooltjes en +de roode duizendschoonen, de madeliefjes en de lelietjes der dalen. Al +de bloemen kusten elkaar; het was alleraardigst om aan te zien. + +Eindelijk zeiden de bloemen elkander goeden nacht; toen sloop ook de +kleine Ida naar haar bed en droomde van alles, wat zij gezien had. + +Toen zij den volgenden morgen opstond, ging zij terstond naar de kleine +tafel toe, om eens te zien, of de bloemen er nog waren. Zij schoof +de gordijnen van het kleine ledekantje weg. Daar lagen ze allemaal +verwelkt, veel meer dan den vorigen dag. Sophie lag in de schuiflade, +waarin zij haar neergelegd had: zij zag er erg slaperig uit. + +«Weet je niet, wat je tegen mij zeggen moet?» vroeg Ida. Maar Sophie +zag er heel dom uit en sprak geen enkel woord. + +«Je ziet er zoo boos uit,» zei Ida, «en toch hebben ze allemaal met +je gedanst.» + +Daarop nam zij een papieren doosje, waarop mooie vogels geteekend +waren, deed dit open en legde er de doode bloemen in. «Dit zal je +doodkist zijn,» zeide zij, «en als mijn neven hier komen, dan moeten +zij mij helpen om je buiten in den tuin te begraven, opdat je in den +zomer weer kunt groeien en mooier worden.» + +Deze neven waren twee vroolijke knapen; zij heetten Jonas en Adolf; +hun pa had hun twee nieuwe handbogen gegeven, en deze hadden zij +meegebracht, om ze eens aan Ida te laten kijken. Ida vertelde hun +van de arme bloemen, die gestorven waren, en toen kregen zij de +vergunning om ze te begraven. De beide knapen liepen met de bogen op +de schouders voorop, en de kleine Ida volgde met de doode bloemen in +het mooie doosje. Buiten in den tuin werd er een klein graf gedolven; +Ida gaf de bloemen eerst een kus en legde ze toen met het doosje in +den kuil; Adolf en Jonas schoten met hun bogen over het graf; want +geweren en kanonnen hadden ze niet. + + + + +DE ONWRIKBARE TINNEN SOLDAAT. + + +Er waren eens vijf-en-twintig tinnen soldaten. Dit waren allemaal +broers, want ze waren uit één en denzelfden ouden tinnen lepel +gemaakt. Zij hielden hun geweer in den arm en hun hoofd recht; en hun +uniform was rood en blauw. Het eerste, wat zij in deze wereld hoorden, +toen het deksel van de doos, waarin zij lagen, afgenomen werd, waren de +woorden: «Tinnen soldaten!» Dat riep een kleine jongen en hij klapte +in de handen; hij had ze gekregen, want het was zijn verjaardag, +en hij stelde ze nu op de tafel op. De eene soldaat leek precies +op den anderen, slechts één zag er een beetje anders uit: hij had +maar één been, want hij was het laatst gegoten, en toen was er geen +tin genoeg meer; maar toch stond hij even vast op zijn eene been, +als de anderen op hun twee, en juist hij is het, wiens levensloop +zoo merkwaardig werd. + +Op de tafel, waarop zij opgesteld werden, stond nog veel meer ander +speelgoed, maar dat, wat het meest in 't oog viel, was een aardig +kasteel van bordpapier. Door de kleine ramen kon men in de zalen +zien. Voor het kasteel stonden boompjes rondom een kleinen spiegel, +die een vijver moest voorstellen. Zwanen van was zwommen daarop en +spiegelden er zich in. Dat was alles heel lief, maar het liefste +van alles was toch nog een kleine dame, die midden in de open deur +van het kasteel stond; zij was ook van karton gesneden, maar zij had +een japon van het witste katoen aan en een kleinen, smallen, blauwen +band over den schouder, bij wijze van sjerp; in het midden daarvan +prijkte een schitterende ster van klatergoud, die net zoo groot was +als haar heele gezicht. De kleine dame strekte haar beide armen uit, +want zij was een danseres; en dan lichtte zij haar eene been zoo hoog +op, dat de tinnen soldaat niet wist waar het was, en dacht, dat zij, +evenals hij, maar één been had. + +«Dat zou een goede vrouw voor mij zijn!» dacht hij: «maar het is +zoo'n deftige dame; zij woont op een kasteel; ik heb maar een doos, +en daar wonen we met ons vijf-en-twintigen in; dat is geen plaats +voor haar! Maar ik moet toch eens kennis met haar maken!» + +Daarop legde hij zich, zoo lang als hij was, achter een snuifdoos neer, +die op tafel stond; nu kon hij de kleine dame eens goed opnemen, die +al door maar op één been bleef staan, zonder dat zij haar evenwicht +verloor. + +Toen het avond werd, kwamen al de andere tinnen soldaten in hun doos, +en de menschen in huis gingen te bed. Nu begon het speelgoed allerlei +spelletjes te doen. De tinnen soldaten rammelden in de doos; want +zij zouden er ook wel bij willen zijn, maar zij konden het deksel +niet oplichten. De notenkraker maakte allerlei kromme sprongen, en +de griffel danste op de tafel; het was zulk een geweldig leven, dat +de kanarievogel er wakker van werd en begon mee te spreken, en wel +op rijm. De beide eenigen, die zich niet van hun plaats verroerden, +waren de tinnen soldaat en de danseres; zij bleef onbeweeglijk op +haar teenen staan en hield haar beide armen uitgestrekt; hij stond +even onwrikbaar op zijn eene been; maar zijn oogen wendde hij geen +oogenblik van haar af. + +Nu sloeg de klok twaalf uur en flap! daar sprong het deksel van +de snuifdoos af; doch er zat geen snuif in, maar een klein zwart +kaboutermannetje. + +«Tinnen soldaat!» zei het kaboutermannetje, «kijk toch niet naar +datgene, wat je niets hoegenaamd aangaat!» + +Maar de tinnen soldaat deed, alsof hij het niet hoorde. + +«Ja, wacht maar tot morgen!» zei het kaboutermannetje. + +Toen nu de volgende dag aanbrak en de kinderen opstonden, werd +de tinnen soldaat voor het raam neergezet en, of het nu door het +kaboutermannetje of door den tocht kwam, zooveel is zeker, dat het +raam openvloog en de soldaat hals over kop van de derde verdieping +naar beneden viel. Dat was een verschrikkelijke buiteling. Hij stak +zijn eene been juist in de hoogte en bleef op zijn schako met de +bajonet tusschen de straatsteenen steken. + +De dienstmeid en de kleine jongen liepen dadelijk naar beneden om +hem te zoeken; maar ofschoon zij bijna op hem trapten, toch zagen +zij hem niet. Als de tinnen soldaat maar geroepen had: «Hier ben ik!» +dan zouden zij hem wel gevonden hebben; maar hij achtte het ongepast, +luid te schreeuwen, omdat hij in uniform was. + +Nu begon het te regenen, al spoedig vielen de droppels dichter neer; +eindelijk werd het een stortregen. Toen deze over was, kwamen er twee +straatjongens voorbij. + +«Kijk!» zei de een, «daar ligt een tinnen soldaat! Dien zullen we in +het schuitje laten varen!» + +Nu maakten zij van een stuk krant een schuitje, zetten den soldaat +in het midden daarvan neer, en nu zeilde hij de straatgoot door; +de beide jongens liepen er naast en klapten in hun handen. Lieve +hemel! Wat gingen de golven in de goot hoog, en welk een stroom was +daarin! Maar de regen had het water ook doen wassen. Het papieren +schuitje schommelde op en neer, en nu en dan draaide het zoo gezwind +om, dat de tinnen soldaat beefde; maar hij bleef onwrikbaar staan, +vertrok zijn gezicht niet, hield zijn hoofd recht en zijn geweer in +den arm. Eensklaps dreef het schuitje onder een lange brug, die over +de goot lag, en nu werd het zoo donker, alsof hij in zijn doos was. + +«Waar zou ik naar toe gaan?» dacht hij. «Ja, ja, daar is het +kaboutermannetje de schuld van. Ach! zat die kleine dame maar bij +mij in het schuitje, dan mocht het voor mijn part nog eens zoo +donker zijn!» + +Nu kwam er plotseling een groote waterrot, die onder de brug woonde. + +«Heb je een pas?» vroeg de rot. «Geef je pas op!» + +Maar de tinnen soldaat zweeg en hield zijn geweer nog vaster omklemd. + +Het schuitje dreef verder, en de rot achtervolgde het. Hu! wat liet zij +haar tanden zien, en hoe riep zij de houten spaanders en het stroo toe: + +«Houdt hem vast, houdt hem vast! Hij heeft geen tol betaald! Hij +heeft geen pas vertoond!» + +Maar de stroom werd al sterker en sterker; de tinnen soldaat kon reeds +daar, waar de brug ophield, het daglicht zien; maar hij hoorde ook +een bruisend geluid, dat wel in staat was om een dapper man schrik +aan te jagen. Begrijp eens! De goot liep daar, waar de brug eindigde, +in een diepe gracht uit: dat was voor hem even gevaarlijk als voor ons, +om op een bruisenden waterstroom voort te drijven. + +Nu was hij er al zoo dicht bij, dat hij niet meer kon blijven +staan. Het schuitje voer de goot uit: de arme tinnen soldaat hield +zich zoo stijf, als hij maar kon; niemand zou van hem kunnen zeggen, +dat hij ook maar met de oogen geknipt had. Het schuitje draaide een +stuk of viermaal in de rondte en was tot aan den rand met water gevuld: +het moest nu wel zinken! De tinnen soldaat stond tot aan zijn hals in +het water, en al dieper en dieper zonk het schuitje, al meer en meer +raakte het papier uit elkaar, nu sloeg het water over het hoofd van +den soldaat heen. Thans dacht hij aan de kleine, bevallige danseres, +die hij nimmer meer zou zien; en het klonk hem in de ooren: + + + «'t Is met u gedaan, soldaat! + De dood staat u te wachten!» + + +Nu raakte het papier geheel los, en de tinnen soldaat stortte +naar beneden;--maar onmiddellijk werd hij door een grooten visch +ingezwolgen. + +O, wat was het donker in den buik van dien visch! Het was daar nog +donkerder dan onder de brug, die over de goot lag; en dan was het +daar erg benauwd. Maar de tinnen soldaat bleef onwrikbaar en lag, +zoo lang als hij was, met zijn geweer in den arm. + +De visch zwom heen en weer; hij maakte de verschrikkelijkste +bewegingen; eindelijk werd hij doodstil; het werd weer licht, en +een stem riep luide: «De tinnen soldaat!» De visch was gevangen, +aan de markt gebracht, verkocht en in de keuken te land gekomen, +waar de keukenmeid hem met een groot mes opensneed. Zij pakte den +soldaat met haar beide vingers midden om zijn lijf beet en droeg +hem naar de kamer, waar allen zulk een merkwaardig man wilden zien, +die in de maag van een visch gezeten had; maar de tinnen soldaat was +volstrekt niet trotsch. Zij zetten hem op de tafel neer en... o, hoe +zonderling kan het toch in de wereld toegaan! De tinnen soldaat was +in dezelfde kamer, waar hij vroeger geweest was; hij zag dezelfde +kinderen, en hetzelfde speelgoed stond op de tafel: het prachtige +kasteel met de kleine danseres. Zij stond nog op één been en hield +het andere hoog in de lucht; zij was ook onwrikbaar. Dat trof den +tinnen soldaat; het scheelde niet veel, of hij begon tin te weenen, +maar dat paste niet. Hij keek haar aan, maar zij zeide niets. + +Nu nam een der kleine jongens den soldaat en wierp hem in het vuur, +zonder dat hij er eenige reden voor had; dat was zeker de schuld van +het kaboutermannetje in de snuifdoos. + +De tinnen soldaat stond daar helder verlicht en voelde een hitte, die +verschrikkelijk was; maar of deze van het werkelijke vuur of de liefde +kwam, dat wist hij niet. De kleuren waren heelemaal van hem afgegaan; +of dat op reis gebeurd was, dan of het verdriet de schuld daarvan was, +kon niemand zeggen. Hij keek de kleine dame aan, zij keek hem aan, +en hij voelde, dat hij smolt; maar nog stond hij onwrikbaar met het +geweer in den arm. Daar ging er eensklaps een deur open, de wind +pakte de kleine danseres beet, en nu vloog zij als een luchtnimf +in het vuur naar den tinnen soldaat toe, ging in de vlammen op, +en weg was zij. Nu smolt de tinnen soldaat tot een klomp, en toen +de meid den volgenden dag de asch wegnam, vond zij niets anders dan +een klein tinnen hart. Van de danseres daarentegen was niets anders +overgebleven dan de ster van klatergoud, die heelemaal zwart van de +vlam geworden was. + + + + +DE GOUDEN SCHAT. + + +De vrouw van den tamboer ging naar de kerk toe, zij zag daar het +nieuwe altaar met geschilderde beelden en uitgesneden engelen; +zij waren even mooi, die op het doek in kleuren, als de uit hout +gesnedene, en deze waren nog bovendien geschilderd en verguld. Hun +haar straalde van goud en zonneschijn, prachtig om aan te zien; maar +Gods zonneschijn was toch nog prachtiger; deze scheen helderder, +rooder door de donkere boomen, als de zon onderging. Hoe heerlijk +is het, in Gods aangezicht te staren! Zij keek in de roode zon, en +zij dacht daarover zoo ernstig na, en dacht aan den kleine, dien de +ooievaar zou brengen; zij was daarbij zeer vroolijk en keek en keek, +en wenschte, dat het kind dien zonneglans zou krijgen, of althans op +een dier schitterende engelen op het altaar gelijken mocht. + +En toen zij werkelijk het kleine kind in haar armen hield en het +naar zijn vader ophief, toen zag het er uit als een der engelen in +de kerk,--zijn haar was als goud; het schijnsel der ondergaande zon +fonkelde daarin. + +«Mijn gouden schat, mijn rijkdom, mijn zonneschijn!» riep de moeder uit +en kuste de schitterende lokken; en het klonk als muziek en gezang in +de kamer van den tamboer; er heerschten vreugde en geluk. De tamboer +sloeg een roffel, een vroolijken roffel. En de trommel, de alarmtrom, +die geslagen werd, als er brand was in de stad, zei: «Rood haar! De +kleine heeft rood haar! Geloof het trommelvel en niet wat zijn moeder +zegt! Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» + +En de stad herhaalde wat de alarmtrom verteld had. + + + +De knaap kwam in de kerk, hij werd gedoopt. Van zijn naam was niets +te vertellen; hij werd Peter genoemd. De heele stad, ook de trommel +noemde hem Peter, het tamboerszoontje met het roode haar; maar zijn +moeder kuste zijn rood haar en noemde hem haar Gouden schat. + +In den hollen weg, in de leemachtige helling, hadden velen hun naam +ter herinnering ingekrast. + +«Beroemdheid,» zei de tamboer, «dat is altijd iets!» en daarom kraste +hij er ook zijn naam en dien van zijn zoontje in. + +De zwaluwen kwamen; zij hadden op haar verre reis duurzamer schrift +in de klippen en in de muren van de tempels in Hindostan ingehouwen +gezien: groote daden van machtige koningen, onsterfelijke namen, +zulke oude, dat niemand ze meer kon lezen of noemen. + +Merkwaardig! Beroemdheid! + +In den hollen weg bouwden de zwaluwen; zij boorden gaten in de steile +helling, de plasregen en de stofregen brokkelden en spoelden de namen +weg,--ook die van den tamboer en zijn zoontje. + +«Peters naam zal toch wel anderhalf jaar blijven staan!» zei de vader. + +«Gek!» dacht de alarmtrom; maar zij zei slechts: «Rom, bom, bom! Rom, +bom, bom!» + +Het was een jongen vol levenslust, de tamboerszoon met het roode +haar. Hij had een liefelijke stem; hij kon zingen, en hij zong ook +als de vogels in het bosch. Er was melodie en toch ook geen melodie in. + +«Hij moet koorjongen worden,» zei zijn moeder, «in de kerk zingen en +daar onder de mooie, vergulde engelen staan, die op hem gelijken!» + +«Roodkop!» zeiden de menschen in de stad. De trommel hoorde dit van +de buurvrouwen. + +«Ga niet naar huis toe, Peter!» riepen de straatjongens. «Als je +in het benedenhuis slaapt, dan is er brand op de bovenverdieping, +en dan wordt de alarmtrom geroerd!» + +«Neem jelui je maar voor de trommelstokken in acht!» zei Peter; en +hoe klein hij ook was, toch snelde hij moedig op hen los en sloeg +met zijn vuist den eerste den beste voor het lijf, zoodat de plager +zijn beenen verloor, en de anderen namen de beenen met zich mee, +hun eigen beenen namelijk. + +De stadsmuziekmeester was heel deftig en voornaam; hij was de zoon van +een koninklijken zilverpoetser; hij mocht Peter graag lijden, nam hem +van tijd tot tijd met zich mee naar huis, gaf hem een viool en leerde +hem daarop spelen; het was, alsof het den knaap in de vingers zat, +hij wilde stadsmuziekmeester worden. + +«Soldaat wil ik ook worden!» zei Peter, want hij was nog een kleine +jongen, en het scheen hem het heerlijkste toe, wat er bestond, een +geweer te kunnen dragen en zóó te kunnen loopen: «Een, twee! Een, +twee!» en uniform en sabel te dragen. + +«Leer maar naar het trommelvel verlangen, rom, bom, bom! Kom, kom!» +zei de trommel. + +«Ja, als hij tot den rang van generaal kon opklimmen,» zei zijn vader; +«maar daarvoor moet het oorlog worden.» + +«Dat verhoede God!» zei zijn moeder. + +«Wij hebben niets te verliezen!» zei zijn vader. + +«Wij kunnen onzen jongen toch wel verliezen!» zeide zij. + +«Maar als hij nu eens als generaal terugkomt?» zei zijn vader. + +«Zonder armen of beenen!» zei zijn moeder. «Neen, liever wil ik mijn +gouden schat heel houden.» + +«Rom, bom, bom!» De alarmtrom werd geroerd, alle trommels werden +geroerd. Het was oorlog. De soldaten rukten op, en de zoon van den +tamboer volgde: «Roodkop! Gouden schat!» Zijn moeder weende; zijn +vader zag hem in gedachten «beroemd;» de stadsmuziekmeester beweerde, +dat hij niet ten strijde moest trekken, maar zich bij de muziek in +zijn vaderstad houden. + + + +«Roodkop!» zeiden de soldaten, en Peter lachte; maar ook zei de een +na den ander: «Vossekop!» Toen beet hij zich op de lippen en keek +een anderen kant uit--de wijde wereld in; hij bekommerde zich om den +scheldnaam niet. + +Flink was de jongen, vroolijk van aard, goed van humeur; «en dat is +de beste veldflesch,» zeiden zijn oude kameraden. + +En menigen nacht moest hij in plasregen en stofregen, tot op zijn hemd +doornat, onder den blooten hemel liggen, maar zijn goede luim begaf +hem niet, de trommelstokken sloegen: «Rom, bom, bom! Allemaal op!» +Ja, hij was zeker voor tamboer in de wieg gelegd. + +De dag van den veldslag brak aan; de zon was nog niet opgegaan, +en de morgen was aangebroken: de lucht was koud, het gevecht heet; +er dreven nevelen aan de lucht, maar het was meer de kruitdamp. De +kogels en de granaten vlogen over de hoofden en ook in de hoofden, +in de borsten en de overige ledematen; maar voorwaarts ging het. De +een na den ander zeeg bewusteloos neer met bloedende slapen, met een +doodsbleek gezicht. De kleine tamboer had zijn gezonde kleur nog; hij +had geen schade geleden; hij keek nog met een even vergenoegd gezicht +den regimentshond achterna, die voor hem uitsprong, zóó vergenoegd, +alsof alles maar een grap was en alsof de kogels slechts voor hem +neervielen, om daarmee te spelen. + +«Marsch! Voorwaarts! Marsch!» waren de kommandowoorden voor de +trommels; en deze woorden beteekenden niet: «Terugwijken!» maar zij +konden terugtrekken, en daarin kon veel verstand liggen; en nu werd er +gezegd: «Terug!» en daar sloeg de kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» +hij had het bevel zóó opgevat; de soldaten gehoorzaamden aan het +trommelvel. Dat was een goede trommelslag en hij schonk hun, die +reeds aan het wijken waren, de overwinning. + +Lichamen en ledematen gingen er in den slag verloren. Granaten rukten +het vleesch in bloedige stukken weg; granaten deden de hoopen stroo, +werwaarts de gekwetsten zich voortgesleept hadden, om daar vele uren +verlaten te liggen, verlaten misschien voor hun leven, in heldere +vlammen opgaan. + +Het geeft niets, daaraan te denken, en toch denkt men daaraan, zelfs +ver van daar, in de vreedzame stad; ook de tamboer en zijn vrouw +dachten daaraan; Peter was immers ten strijde getrokken. + +«Nu ben ik het klagen moede!» zei de alarmtrom. + +Weer begon er een dag, waarop er een gevecht zou geleverd worden; +de zon was nog niet opgegaan, maar het was morgen. De tamboer en +zijn vrouw sliepen, zij hadden over hun zoon gesproken; dat deden +zij iederen avond; hij was immers op het slagveld--«in Gods hand.» +En zijn vader droomde, dat de oorlog geëindigd was, dat de soldaten +naar het vaderland teruggekeerd waren en dat Peter een zilveren kruis +op de borst droeg; maar zijn moeder droomde, dat zij naar de kerk +gegaan was en de geschilderde beelden en de uitgesnedene engelen +met het vergulde haar gezien had; en haar eigen, teerbeminde zoon, +de gouden schat haars harten, had midden onder de engelen gestaan en +zoo heerlijk gezongen, als zeker slechts de engelen zingen kunnen, +en had zich met hen in den zonneschijn verheven en zijn moeder zoo +vol liefde toegeknikt. + +«Mijn gouden schat!» riep zij uit en werd wakker. «Nu heeft God onze +Heer hem tot zich genomen!» Zij vouwde haar handen, legde haar hoofd +tegen het katoenen bedgordijn aan en weende. + +«Waar rust hij nu onder die velen in het graf, dat zij voor de dooden +gegraven hebben? Misschien wel in het diepe moeras! Niemand kent zijn +graf! Er is geen woord Gods daar boven gelezen!» + +En het «Onze Vader» kwam nauw hoorbaar over haar lippen; zij boog +het hoofd voorover, zij was zoo moede, zij viel in slaap. + +De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen! + +Het was avond; er stond een regenboog aan de lucht, die het bosch en +het diepe moeras aanraakte. + +Men zegt, en het is in het volksgeloof bewaard gebleven: waar de +regenboog de aarde aanraakt, daar ligt een schat begraven, een gouden +schat; en hier--lag er een; niemand, behalve zijn moeder, dacht aan +den kleinen tamboer, en daarom droomde zij van hem. + +De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen! + +Geen haar op zijn hoofd was er gekrenkt geworden. + +«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Dat is hij! Dat is hij!» zou de +trommel gezegd en zijn moeder gezongen hebben, als zij dat gezien of +gedroomd had. + +Met gejuich en gezang, met groene zegekransen versierd, keerde men +naar het vaderland terug, daar de oorlog geëindigd en de vrede gesloten +was. De regimentshond liep vooruit en maakte allerlei kromme sprongen, +om zich den weg als 't ware driemaal zoolang te maken, als hij was. + +Weken verliepen er en de dagen tevens, en Peter trad de kamer van +zijn ouders binnen; hij was zoo bruin als een wilde, zijn oogen keken +fonkelend in de rondte, zijn gezicht straalde als zonneschijn. En +zijn moeder klemde hem in haar armen; zij kuste hem op zijn mond, op +zijn oogen, op zijn rood haar. Zij had haar jongen nu immers terug; +hij droeg wel geen zilveren kruis op de borst, zooals zijn vader +gedroomd had, maar hij had heele ledematen, wat zijn moeder niet +gedroomd had. En dat was een vreugde; zij lachten en weenden. En +Peter omhelsde de oude alarmtrom. + +«Daar staat de oude trommel nog!» zei hij. + +En zijn vader sloeg daarop een roffel. + +«Het is bijna, alsof er hier een hevige brand was,» zei de +alarmtrom. «Heldere dag! Vuur in het hart! Gouden schat!» + +En nu? Ja, wat nu? Vraag het maar aan den stadsmuziekmeester. + +«Peter groeit de trommel heelemaal boven 't hoofd,» zei hij; «Peter +wordt grooter dan ik!» En hij was toch de zoon van een koninklijken +zilverpoetser; maar alles, wat hij in een half menschenleven geleerd +had, leerde Peter in een half jaar. + +Er was iets vroolijks in hem, zoo iets innerlijk goedhartigs. Zijn +oogen fonkelden en zijn haar was rood,--dat viel niet te ontkennen. + +«Hij moet zijn haar laten verven!» zei de buurvrouw. «Dat is de +dochter van den politie-commissaris uitstekend gelukt; en--zij raakte +verloofd.» + +«Maar het werd immers al spoedig daarop weer even groen als erwtensoep, +en het moet telkens weer geverfd worden!» + +«Zij weet zich te helpen,» zei de buurvrouw, «en dat kan Peter ook. Hij +komt in de voornaamste huizen, zelfs in dat van den burgemeester, +waar hij aan juffrouw Lotje les op de piano geeft.» + +Spelen kon hij, ja, de prachtigste stukken, die nog op geen muziekblad +geschreven waren, kon hij uit zijn hoofd spelen. + +Hij speelde in heldere nachten en ook in donkere. Dat was niet om +uit te houden, zei de buurvrouw, en de alarmtrom stemde daarmee in. + +Hij speelde, zoodat zijn gedachten zich verhieven en er groote plannen +voor de toekomst bij hem oprezen: + +«Beroemdheid!» + +En Lotje van den burgemeester zat voor de piano; haar fijne vingers +dansten over de toetsen heen, zoodat het in Peters hart weerklank +vond; het was, alsof hem dat al te veel werd, en dat gebeurde niet +eenmaal, maar vele malen, en nu greep hij op zekeren dag de fijne +vingers en de fraai gevormde hand en kuste haar, en keek haar in de +groote bruine oogen; God weet, wat hij zeide, maar aan ons staat het +vrij, er naar te raden. Lotje werd tot achter haar ooren rood en +antwoordde geen enkel woord;--nu kwam er een vreemde in de kamer, +de zoon van den staatsraad; deze had een hoog, blank voorhoofd en +hield het hoofd trotsch omhoog. En Peter zat lang bij haar, en zij +keek hem met vriendelijke blikken aan. + +Toen hij 's avonds thuis gekomen was, sprak hij over de wijde wereld +en over den schat, die er voor hem in zijn viool verborgen lag. + +Beroemdheid! + +«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» zei de alarmtrom. «Nu is het met +Peter over het dolle heen! Ik geloof, dat er brand in huis is.» + +Den volgenden dag ging zijn moeder naar de markt toe. + +«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen, Peter!» zeide zij, toen zij +terugkwam, «het is een goed nieuwtje! Lotje van den burgemeester +is met den zoon van den staatsraad verloofd; het engagement is er +gisteren doorgegaan.» + +«Neen!» zei Peter en sprong van zijn stoel op. Maar zijn moeder zei: +«Ja!» Zij wist het van de barbiersvrouw, wier man het uit den eigen +mond van den burgemeester gehoord had. + +En Peter werd zoo wit als een doek en viel op een stoel neer. + +«Mijn hemel! Wat scheelt er aan?» vroeg zijn moeder. + +«Al genoeg, al genoeg! Laat mij maar met rust!» zeide hij, en de +tranen liepen hem over de wangen. + +«Mijn lieve kind, mijn gouden schat!» riep zijn moeder uit en weende; +maar de alarmtrom zong, niet uitwendig, maar inwendig: + +««Lot is dood! Lot is dood!» Ja, nu is het lied uit!» + + + +Het lied was niet uit; het had nog vele coupletten, lange coupletten, +de allerschoonste, den gouden schat eens levens. + +«Zij gedraagt zich als een gekkin!» zei de buurvrouw. «De heele wereld +moet de brieven, die zij van haar gouden schat krijgt, lezen en ook +nog hooren, wat de kranten van hem en van zijn viool zeggen. En geld +zendt hij haar ook; dat kan zij heel goed gebruiken, nu zij weduwe is.» + +«Hij speelt voor keizers en koningen.» zei de stadsmuziekmeester. «Mij +is dit geluk nooit te beurt gevallen, maar hij is mijn leerling en +vergeet zijn ouden leermeester niet.» + +«Zijn vader droomde eens,» zei zijn moeder, «dat Peter met het zilveren +kruis op de borst uit den oorlog teruggekeerd was; hij kreeg het in +den oorlog niet, maar het is nog moeilijker het zoo te krijgen! Nu +heeft hij het ridderkruis! Dit moest zijn vader eens beleefd hebben!» + +«Beroemd!» zei de alarmtrom, en zijn vaderstad zei dit ook: de +tamboerszoon, Peter met het roode haar, Peter, dien men als kleinen +jongen op klompen had zien loopen, dien men als tamboer gekend had, +en die bij het dansen speelde,--beroemd! + +«Hij speelde bij ons, nog voordat hij voor koningen gespeeld heeft!» +zei de vrouw van den burgemeester. «Destijds was hij op Lotje verliefd; +hij keek altijd hoog op! Mijn eigen man lachte er over, toen hij van +die dwaasheid hoorde! Nu is Lotje de vrouw van den staatsraad!» + +Er was een gouden schat in het hart en in de ziel van het arme kind +gelegd, dat als kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» sloeg, den +roffel der overwinning voor hen, die op het punt stonden om terug te +wijken. Er lag een gouden schat in zijn borst,--de macht der tonen; +het bruiste uit de viool, alsof er een geheel orgel in zat; men hoorde +den slag van den lijster en de volle heldere stem van den mensch; +daarom trok hij met verrukking door de harten en droeg zijn naam door +het geheele land. Dat was een groote brand,--de brand der geestdrift. + +«En dan ziet hij er ook zoo prachtig uit!» zeiden de jonge dames en +ook de oude; ja, de alleroudste schafte zich een album voor beroemde +haarlokken aan, alleen maar om een lok van dat weelderige, prachtige +hoofdhaar, dezen schat, dezen gouden schat te kunnen vragen. + +De zoon trad de armoedige kamer van den tamboer binnen, keurig +gekleed als een prins, gelukkiger dan een koning. Zijn oogen waren +zoo helder, zijn gezicht als zonneschijn. Hij hield zijn moeder in +de armen; zij drukte hem een kus op den mond en weende zoo gelukkig, +als men slechts van blijdschap kan weenen; en hij knikte ieder oud +meubel in de kamer toe, de kast met de theekopjes en de bloemvaas; +hij knikte de krib toe, waarin hij als kleine jongen geslapen had; +maar hij haalde de oude alarmtrom te voorschijn, zette haar midden +in de kamer neer en zei tegen zijn moeder: + +«Vader zou vandaag een roffel geslagen hebben. Dat moet ik nu doen!» + +En hij sloeg een duchtigen roffel op de trommel, en deze gevoelde +zich daardoor zoozeer vereerd, dat zij haar eigen trommelvel scheurde. + +«Hij heeft een heerlijken vuistslag!» zei de trommel. «Nu heb ik van +hem voor altijd een herinnering! Ik denk wel, dat zijn moeder ook +van blijdschap over haar _gouden schat_ zal barsten.» + +_Dat is de geschiedenis van den gouden schat._ + + + + +DE DROOM VAN DEN OUDEN EIK. + + +In het bosch, hoog op den steilen oever, vlak bij de zeekust, stond +een heel oude eik. Hij was driehonderd vijf-en-zestig jaren oud; +maar die lange tijd was voor den boom niet meer dan even zoo vele +dagen voor ons menschen zijn. Wij waken overdag, slapen 's nachts, +en hebben dan onze droomen; met den boom gaat het anders; hij is +drie jaargetijden achtereen wakker, eerst tegen den winter komt zijn +slaap. De winter is zijn rusttijd, is zijn nacht na den langen dag, +die lente, zomer en herfst heet. + +Op menigen warmen zomerdag had het haft, dat kleine schepseltje, om +zijn kroon heengedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld, +en rustte een oogenblik in stille gelukzaligheid op een der groote, +frissche eikeblaren uit; dan zei de boom altijd: «Arme kleine! Slechts +een enkelen dag duurt uw geheele leven! Wat is dat kort! Het is +toch treurig!» + +«Treurig?--Wat bedoelt ge daarmee?» vroeg het haft dan altijd. «Om +mij heen is het immers zoo helder, zoo warm en zoo schoon; dat maakt +mij vroolijk!» + +«Maar slechts één dag,--dan is alles uit!» + +«Uit!» herhaalde het haft. «Wat is uit? Zijt gij ook uit?» + +«Neen, ik leef misschien duizenden van uw dagen, en mijn dag duurt +geheele jaargetijden! Dat is zoo iets langs, dat ge het niet eens +kunt uitrekenen!» + +«Neen, dan begrijp ik u niet! Gij hebt duizenden van mijn dagen; maar +ik heb duizenden van oogenblikken, waarin ik vroolijk en gelukkig +kan zijn! Houdt dan al de heerlijkheid dezer wereld op, als ge sterft?» + +«Neen,» zei de boom, «die duurt zeker veel langer, oneindig langer +dan ik mij kan voorstellen.» + +«Maar dan hebben wij immers precies even veel: wij rekenen alleen +maar anders!» + +Het haft danste en zweefde in de lucht, verheugde zich in zijn kunstige +vlerkjes, in hun gaas en fluweel, verheugde zich in de warme lucht, +die bezwangerd was met den heerlijken geur van het klaverveld en de +rozen, van de vlier en de kamperfoelie, van het muskusplantje en de +kroezemunt; de geur was zoo sterk, dat het haft er bijna door bedwelmd +werd. De dag was lang en schoon, vol vreugde en genot, en als de zon +ten ondergang neeg, gevoelde het haft zich altijd vermoeid van dat +vroolijke zweven. De vlerkjes wilden het lichaampje niet meer dragen, +en zachtjes en langzaam streek het neer op den zachten, golvenden +grashalm, knikte met het kopje en sliep zacht en welgemoed in,--het +was de dood. + +«Arm, klein haft!» zei de eik, «dat was toch een al te kort leven.» + +En op iederen zomerdag werd dezelfde dans, dezelfde toespraak, +hetzelfde antwoord en hetzelfde inslapen herhaald; het werd herhaald +door geheele geslachten van haften, en allen gevoelden zich gelukkig +en even vroolijk. + +De eik stond daar wakend op zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en +zijn herfstavond; met rasse schreden naderde zijn rusttijd, zijn +nacht. De winter was ophanden. + +Reeds zongen de stormen hun «Goeden nacht! Goeden nacht!» Hier viel +een blad, daar viel een blad. «Wij rukken en schudden! Ga slapen, +ga slapen! Wij zingen u in slaap, wij wiegen u in slaap, maar, +niet waar, dat doet goed in de oude takken? Zij kraken daarbij van +louter plezier! Slaap zacht, slaap zacht! Het is uw driehonderd +en vijf-en-zestigste nacht; eigenlijk zijt ge toch maar een +kijk-in-de-wereld! Slaap zacht! De wolk strooit sneeuw naar beneden, +zij geeft een dek, dat zich warm over uw voet uitspreidt! Slaap +zacht,--en aangename droomen!» + +De eik stond daar, van zijn bladeren beroofd, om ter ruste te gaan +gedurende den geheelen langen winter en menigen droom te droomen, +altijd iets, wat hij zelf beleefd had, evenals het in de droomen der +menschen gaat. + +De groote boom was ook klein, ja, een eikel was eenmaal zijn wieg +geweest; naar menschelijke berekening was hij nu al in zijn vierde +eeuw; hij was de grootste en beste boom uit het bosch, met zijn kroon +stak hij ver boven al de andere boomen uit, werd uit zee op een verren +afstand gezien, en diende den zeelieden tot een baken; hij had er geen +vermoeden van, dat zoovele oogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene +kroon bouwde de boschduif haar nest, en de koekoek deed zijn geroep +daaruit hooren, en in den herfst, wanneer de bladeren er uitzagen, +alsof zij geplette koperen plaatjes waren, kwamen de trekvogels en +rustten daar, voordat zij over de zee wegvlogen; maar thans was het +winter, de boom stond daar ontbladerd, en nu kon men goed zien, +hoe krom en gebogen de takken van den stam uitliepen. Kraaien en +raven kwamen aanvliegen en zetten er zich bij afwisseling op neer en +spraken over de slechte tijden, die nu begonnen, en dat het in den +winter heel moeilijk viel, voedsel te vinden. + +Het was omstreeks het heilige Kerstfeest; toen droomde de boom zijn +schoonsten droom. + +De boom had blijkbaar een gevoel van den feestelijken tijd; het was +hem, als hoorde hij de klokken van alle kerken in den omtrek luiden, +en daarbij scheen het hem tevens een heerlijke zomerdag te zijn, +zacht en warm. Frisch en groen spreidde hij zijn forsche kroon uit, +de zonnestralen speelden tusschen bladeren en takken, de lucht was +vervuld met den geur van kruiden en bloemen; bonte kapellen vlogen +elkaar achterna; de haften dansten, alsof alles alleen daarom bestond, +opdat zij zouden kunnen dansen en pret maken. Alles, wat de boom jaren +achtereen beleefd had en wat er om hem heen gebeurd was, trok voorbij +hem heen als in een plechtigen optocht. Hij zag de ridders en de edele +vrouwen uit oude tijden te paard, met golvende vederbossen op den hoed +en een valk op de hand, door het bosch rijden; de jachthoorn weerklonk +en de honden blaften; hij zag vijandelijke krijgslieden in bonte +kleeren met blanke wapenen, met spies en hellebaard, tenten opslaan +en weer afbreken; het wachtvuur vlamde, en men zong en sliep onder de +takken van den boom; hij zag minnende paren elkaar in stil geluk bij +zijn stam in den maneschijn ontmoeten en hun namen, de beginletters, +in den grauwachtig groenen bast snijden. Citers en harpen waren +eenmaal,--ja, er lagen vele jaren tusschen beide,--door reizende +vroolijke klanten aan de takken van den eik opgehangen, nu hingen zij +daar weer, nu klonken zij weer met wonderbare tonen. De boschduiven +kirden, als wilden zij vertellen, wat de boom daarbij gevoelde, +en de koekoek riep hem toe, hoeveel zomerdagen hij nog te leven had. + +Toen was het hem, als stroomde hem een nieuw leven tot diep in +de kleinste wortelen en tot in de hoogste takjes, ja, tot in de +bladeren. De boom gevoelde, dat hij zich daarbij uitrekte, ja, hij +gevoelde het door middel van den wortel, hoe er ook onder in den +grond leven en warmte was; hij voelde zijn kracht toenemen, hij wies +al hooger en hooger, de stam schoot omhoog, er was geen stilstand, +hij groeide gedurig meer en meer, de kroon werd voller, spreidde zich +uit, verhief zich,--en al naardat de boom groeide, steeg zijn geluk, +zijn zaligend verlangen om gedurig hooger te reiken, zelfs tot aan +de schitterende, warme zon. + +Reeds was hij hoog boven de wolken opgeschoten, die als donkere +scharen van trekvogels of groote, witte zwanen onder hem voorttrokken. + +Ieder blad van den boom had de gave des gezichts, als had het oogen +om te zien; de sterren werden op den helderen dag zichtbaar, groot +en fonkelend, elke daarvan fonkelde als een paar oogen, liefelijk en +helder. Zij riepen hem bekende, vriendelijke oogen, oogen van kinderen, +oogen van minnende paren, als deze elkaar onder den boom ontmoetten, +in het geheugen terug. + +Het was een verwonderlijk zalig oogenblik, zoo vol vreugde en +blijdschap! En toch gevoelde de boom te midden van deze vreugde een +verlangen, een onweerstaanbaar verlangen, dat alle andere boomen van +het bosch daarbeneden, alle struiken, alle kruiden en bloemen zich ook +met hem mochten kunnen verheffen, opdat ook zij dezen glans zouden +kunnen zien, deze vreugde smaken. De groote majestueuze eik was in +zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig, zonder hen allen, groot +en klein, bij zich te hebben, en dit gevoel trilde door alle takken, +alle bladeren, innig en krachtig als door een menschelijke borst. + +De kroon van den boom wiegelde zich heen en weer, als zocht zij +in dringend verlangen; zij staarde achterwaarts. Nu rook de boom +den geur van het muskusplantje en al spoedig den nog sterkeren geur +van de kamperfoelie en de viooltjes; het was hem als hoorde hij den +koekoek hem antwoord geven. + +Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bosch te voorschijn, +en onder zich zag de eik de andere boomen, hoe zij groeiden en zich +verhieven. Struiken en kruiden schoten hoog op, enkele rukten zich +met den wortel los en vlogen nog sneller naar boven. De berk was het +vlugst; aan een witten bliksemstraal gelijk, schoot zijn slanke stam +al zigzagsgewijze in de hoogte, de takken golfden als groen gaas om +hem heen; al de gewassen uit het bosch, zelfs het bruingepluimde riet, +groeiden mee, en de vogels volgden en zongen, en op den halm, die als +een lang, groen zijden lint in de lucht fladderde, zat de sprinkhaan +en speelde met den vleugel langs zijn scheenbeen; de meikevers bromden +en gonsden, iedere vogel zong, zooals hij gebekt was; alles was zang +en geklank en vreugde tot in den hemel. + +«Maar dat kleine, blauwe bloempje bij het water, waar blijft dat?» +riep de oude eik, «en het roode klokje en het madeliefje?»--Ja, +de oude eik wilde ze alle om zich heen hebben. + +«Wij zijn er! Wij zijn er!» zong en klonk het. + +«Maar het mooie muskusplantje van den vorigen zomer,--en in het vorige +jaar was hier toch een menigte meibloempjes!--de wilde-appelboom, +die zoo mooi bloeide!--en al die pracht van het bosch, jaar in jaar +uit!--leefde het nu maar, was het nu maar geboren, dan zou het er +ook bij hebben kunnen zijn!» + +«Wij zijn er bij! Wij zijn er!» zong en klonk het nog hooger; het was, +alsof zij vooraangevlogen waren. + +«O, dat is al te schoon, ongelooflijk schoon!» jubelde de oude eik. «Ik +heb ze allemaal! Klein en groot! Niet een is er vergeten! Hoe is toch +al die gelukzaligheid denkbaar! Hoe is zij mogelijk!» + +«In den hemel van den eeuwigen God is zij mogelijk en denkbaar!» +klonk het door de lucht. + +De oude boom, die aldoor voortgroeide, gevoelde het, hoe zijn wortel +zich uit den grond losrukte. + +«Dat gaat goed zoo, dat is het allerbeste!» zei de boom; «nu houden mij +geen banden meer terug! Ik kan nu opvliegen naar het allerhoogste licht +en den allerhoogsten glans! En al mijn lieven zijn bij mij! Kleinen +en grooten! Allen!» + +Dat was de droom van den ouden eik; en terwijl hij zoo droomde, +bruiste er een geweldige storm over land en zee heen,--op het heilige +Kerstfeest. De zee stuwde haar golven tegen de kust aan; het kraakte +in den boom,--hij werd met den wortel op den grond geworpen juist +op het oogenblik, waarop hij droomde, dat zijn wortelen zich van de +aarde losrukten.--Hij viel. Zijn driehonderd vijf-en-zestig jaren +waren nu als één dag van het haft. + +Op den morgen van den eersten Kerstdag, toen de zon opging, was de +storm gaan liggen. Van alle kerktorens klonk feestelijk klokgelui, +en uit iederen schoorsteen, zelfs uit den kleinste der nederigste hut, +steeg de rook in blauwe wolken omhoog, evenals van het altaar de rook +van het dankoffer bij het feest der Druïden. De zee kwam allengs tot +bedaren, en aan boord van een groot schip, dat gedurende den nacht +met het stormachtige weder gekampt en dit gelukkig doorgestaan had, +werden nu alle vlaggen, als teeken der Kerstvreugde, geheschen. + +«De boom is weg, de oude eik, ons baken op de kust!» spraken de +zeelieden. «Hij is in dezen stormachtigen nacht gevallen! Wie zal +hem kunnen vervangen?--Niemand vermag dit!» + +Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de boom, die op het +sneeuwdek aan den oever der zee uitgestrekt lag; en over hem heen +klonken de psalmtonen van het schip af, een lied van de Kerstvreugde +en van de uiting der menschelijke gedachten bij het aanschouwen van +de bestiering van den Albarmhartige: + + + «Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen! + Het is vervuld: uw vorst zal 't loonen! + Juicht vroolijk over Gods genâ, + Halleluja, Halleluja!» + + +zoo klonk het oude gezang, en iedereen aan boord van het schip gevoelde +zich op zijn wijze opgeheven door het lied en het gebed, evenals de +oude eik zich opgeheven gevoelde in zijn laatsten, schoonsten droom +in den Kerstnacht. + + + + +ZIJ DEUGDE NIET. + + +De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd +met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad +geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een +klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant. + +«Hoor eens, kleine!» riep hij. + +En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die +juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan +was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in +elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige, +maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de +knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond. + +«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde +knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet +je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?» + +«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon. + +«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester. + +«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap. + +«Twee halve maken één heel!--Zij deugt niet! Het is treurig met +zulk soort van menschen!--Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest +schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel +worden! Arm kind! Ga maar heen!» + +En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden, +en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der +straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar +zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk, +want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef +met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden. + +«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom +meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel +een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?» + +De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar +aan den mond en nam er een fermen slok uit. + +«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten, +en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht +bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook +herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar +dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar +slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme, +goede jongen!» + +En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de +kleeren droop. + +«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er +maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!» + +Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig +uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche +lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt +worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meer uitkomen. Het +was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,» +noemden de buren haar. + +«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt +waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken +de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»--En +nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den +burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had +alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk +een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige +droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een +dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij +de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!» +voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel, +maar jij deugt niet!» + +«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar +jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet +deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest +hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over +mij gekomen!» + +«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester +nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren +geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet +dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft +vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden, +maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van +den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn +jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!» + +«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek. + +«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? 't Is waar ook, +je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.» + +«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel +zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O +mijn God! het draait mij alles voor de oogen,--dat komt, omdat ik de +flesch leeggedronken heb,--dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel +mij alles behalve wel!» + +«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te +hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen, +dat ik je naar huis breng.» + +«Maar de wasch dan?» + +«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De +jongen kan wel hier blijven en oppassen, totdat ik terugkom, dan zal +ik het overige wel wasschen: dat is immers maar een kleinigheid!» + +En de knieën der waschvrouw knikten. + +«Ik heb te lang in de koude gestaan; en sedert van morgen heb ik +droog noch nat over mijn lippen gehad! De koorts brandt mij door +de leden. O, mijn God! help mij om naar huis te gaan!--Mijn arm +kind!»--Zij weende. Ook de knaap weende, en al spoedig daarop zat +hij alleen aan de rivier bij de natte wasch. De beide vrouwen liepen +slechts langzaam voort, de waschvrouw sleepend en waggelend; zij gingen +het straatje door en kwamen het huis van den burgemeester voorbij, en +vlak daarvoor viel zij op de straatsteenen neer. Er verzamelden zich +verscheidene menschen om haar heen: de lamme Martha liep in het huis, +om hulp in te roepen. De burgemeester en zijn gasten gingen naar het +raam toe. + +«Dat is de waschvrouw!» zei hij; «die heeft een beetje te diep in het +glaasje gekeken; zij deugt niet! 't Is jammer van den aardigen jongen, +dien zij heeft. Ik mag dat kereltje inderdaad graag lijden. Maar zijn +moeder deugt niet!» + +En de waschvrouw kwam weer bij, en men bracht haar in haar armzalige +woning, waar zij te bed gelegd werd. De goede Martha maakte wat warm +bier met boter en suiker klaar; dit middel, dacht zij, was het beste, +en daarop begaf zij zich naar de rivier, waschte heel slecht, maar +noemde het goed, en deed eigenlijk niets anders dan de natte wasch +in de mand doen. + +Tegen den avond zat zij in het armoedige kamertje bij de +waschvrouw. Eenige gebakken aardappelen en een lekker vet stuk ham +had de keukenmeid van den burgemeester haar voor de zieke gegeven; +daaraan deden Martha en de knaap zich te goed; de zieke genoot van +den heerlijken geur, deze was heel voedzaam, beweerde zij. + +En de knaap werd te bed gebracht, in dezelfde bedstee, waarin zijn +moeder lag; maar hij had zijn plaats aan haar voeten en dekte zich +met een oude deken toe. + +Met de waschvrouw ging het een weinig beter; het warme bier had haar +versterkt, en de geur van het heerlijke eten had haar goedgedaan. + +«Hartelijk dank!» zeide zij tegen Martha. «Ik zal je alles eens +vertellen, als de kleine slaapt. Ik geloof, dat hij al in de rust +is. Wat ziet hij er lief uit, zooals hij daar met gesloten oogen +ligt! Hij weet niet, hoe het met zijn moeder gesteld is. God geve, +dat hij dit nimmer te weten kome!--Ik diende bij de ouders van +den burgemeester. Eens trof het zoo, dat de jongste der zoons, de +student, te huis kwam; destijds was ik nog jong, een jolig meisje, +maar eerbaar, dat mag ik voor het aangezicht Gods zeggen!» zei de +waschvrouw. «De student was vroolijk en opgeruimd. Iedere droppel +bloed aan hem was goed en rechtschapen; een beter mensch is er nooit op +aarde geweest. Hij was zoon in huis, ik slechts meid; maar wij hadden +elkander lief, doch in alle eer en deugd; een kus is toch geen zonde, +als men elkaar waarlijk liefheeft. En hij zei het tegen zijn moeder, +wie hij een afgodische liefde toedroeg! En hij was verstandig en +liefderijk!--Hij vertrok en stak mij zijn gouden ring aan den vinger; +en zoodra hij het huis uit was, riep mijn mevrouw mij binnen. Ernstig +en toch liefderijk sprak zij tegen mij, alsof het God zelf was, die +tegen mij sprak; zij deed mij den afstand gevoelen, die er tusschen +hem en mij bestond. + +««Nu let hij er slechts op, hoe aardig je er uitziet, maar je +schoonheid zal vergaan! Je hebt niet zulk een opvoeding genoten als +hij; je staat niet op denzelfden trap van ontwikkeling, en dat is +een ongeluk. Ik acht den arme,» zeide zij, «bij God staat hij hooger +aangeschreven dan menige rijke, maar hier op aarde moet men er zich +voor wachten, in een verkeerd spoor te komen, als men voorwaarts rijdt; +anders slaat het rijtuig omver, en je zult beiden omverslaan! Ik weet, +dat een braaf man, een handwerksman, om je hand gevraagd heeft; ik +bedoel Erich, den handschoenmaker; hij is weduwnaar en heeft geen +kinderen, denk daar eens over na!» + +«Ieder woord, dat zij sprak, sneed mij als een mes door het hart, +maar de vrouw had gelijk! En dat drukte loodzwaar op mij!--Ik kuste +haar hand en stortte bittere tranen, en weende nog meer, toen ik op +mijn kamertje kwam en mij op mijn bed wierp. Het was een pijnlijke +nacht, die er nu volgde. God weet, wat ik leed en streed. Op den +daaraanvolgenden Zondag ging ik aan de tafel des Heeren, opdat het mij +licht zou worden. Het was als een goddelijke beschikking: toen ik de +kerk uittrad, kwam Erich mij tegen. En nu bleef er geen twijfel meer +in mijn ziel over; wij pasten voor elkaar, wat rang en stand betreft, +ja, hij was zelfs een welgesteld man; en ik ging dan ook naar hem +toe, greep zijn hand en zei: «Heb je nog zin in mij?»--Ja, eeuwig en +altijd!» zei hij.--«Wil je een meisje nemen, dat je acht en eert, maar +niet liefheeft,--doch dat kan nog wel komen!»--«Dat zal wel komen!» zei +hij, en daarop gaven wij elkaar de hand. Ik ging naar huis naar mijn +mevrouw: den gouden ring, dien haar zoon mij gegeven had, droeg ik op +mijn hart; ik kon hem overdag niet aan mijn vinger steken, maar deed +dit alle avonden, voordat ik te bed ging. Ik kuste den ring, zoodat +mijn lippen er van bloedden, en daarop gaf ik dien aan mijn mevrouw +en zei tegen haar, dat ik in de volgende week met den handschoenmaker +zou gaan trouwen. Toen omhelsde en kuste mijn mevrouw mij;--zij zeide +niet, dat ik _niet deugde_, maar destijds was ik misschien wel beter, +ofschoon ik nog niet zooveel ervaring omtrent de ellende, die er in +de wereld bestaat, opgedaan had, als nu het geval is. Met Vrouwendag +vierden wij de bruiloft; en in het eerste jaar ging het goed, we +hadden een knecht en een leerling, en jij, Martha, diendet bij ons.» + +«O, ge waart een lieve, goede huismoeder!» zei Martha, «nimmer zal +ik vergeten, hoe goed gij en uw man voor mij geweest zijt!» + +«Ja, dat waren destijds de goede jaren, toen je bij ons waart! Kinderen +hadden we nog niet!--Den student zag ik niet meer!--Maar ja, ik zag hem +toch nog eens, maar hij zag mij niet. Hij was hier bij gelegenheid van +de begrafenis zijner moeder. Ik zag hem bij het graf staan; hij zag +er doodsbleek uit en was diep bedroefd, maar dat was om zijn moeder; +later, toen zijn vader stierf, was hij in vreemde landen en kwam niet +weer hier. Hij is nooit getrouwd, dat weet ik; hij werd advocaat, +geloof ik!--Mij had hij vergeten, en al had hij mij ook gezien, dan +zou hij mij toch zeker niet herkend hebben, zooveel leelijker ben ik +geworden. En dat is ook wel goed!» + +Zij sprak over de dagen der beproeving en vertelde, hoe het ongeluk als +'t ware boven haar losbarstte. «Wij bezaten,» zeide zij, «vijfhonderd +daalders, en omdat er destijds in de straat een huis voor tweehonderd +te koop was en het de moeite wel zou loonen, dit af te breken en een +nieuw te bouwen, werd het gekocht. De metselaar en de timmerman maakten +een begrooting, en het nieuwe gebouw zou duizend en twintig daalders +kosten. Erich had krediet, het geld leende hij in de hoofdstad,--maar +de schipper, die het zou overbrengen, leed schipbreuk, en het geld +ging met hem verloren. + +«Omstreeks dezen tijd bracht ik mijn lieven jongen, die daar +slaapt, ter wereld. Mijn man kreeg een hevige langdurige ziekte, +drie vierendeel jaars moest ik hem aan- en uitkleeden. Wij gingen +gedurig meer achteruit, wij maakten schulden; alles wat wij hadden, +ging verloren, en mijn man stierf eindelijk. Ik heb gewerkt, gestreden +en geleden, ter wille van mijn kind; ik ben uit schoonmaken gegaan, ik +heb voor de menschen gewasschen; maar ik mag het niet beter krijgen; +zoo is Gods wil! Maar Hij zal mij wel tot zich nemen en ook mijn +zoontje niet verlaten!» + +Daarop viel zij in slaap. + +Tegen den morgen voelde zij zich verkwikt en krachtig genoeg, zooals +zij meende, om weer aan haar werk te gaan. Zij was weer aan het +wasschen gegaan. Daar begon zij eensklaps te beven en viel in onmacht; +krampachtig sloeg zij met de handen in de lucht, deed een enkelen +stap en viel neer. Haar hoofd lag op het land, maar haar voeten in de +rivier; haar klompen, die zij aangehouden had,--in elke daarvan zat +een bosje stroo,--dreven met den stroom weg. Zoo vond Martha haar, +toen zij haar koffie wilde brengen. + +Ondertusschen was er iemand van den burgemeester naar haar huis +gezonden met de boodschap, «dat zij eens dadelijk bij hem moest komen; +want dat hij haar iets te zeggen had.» Het was te laat! Er werd een +chirurgijn gehaald, om een aderlating te doen; de waschvrouw was dood. + +«Zij heeft zich doodgedronken!» zei de burgemeester. + +In den brief, die hem de tijding van den dood zijns broeders bracht, +was de inhoud van het testament meegedeeld, en daarin stond, dat +er zeshonderd daalders aan de weduwe van den handschoenmaker waren +vermaakt, die vroeger bij zijn ouders gediend had. Zooals men dit +het beste vond, moest het geld «bij grootere of kleinere gedeelten +aan haar of aan haar kind uitbetaald worden.» + +«Er heeft zoo wat een vrijage tusschen mijn broeder en haar bestaan,» +zei de burgemeester. «Het is goed, dat zij maar dood is; de knaap +krijgt nu alles, en ik zal hem bij brave menschen in den kost doen; +er kan een flink handwerksman van hem groeien!»--En op deze woorden +schonk God zijn zegen. + +De burgemeester liet den knaap bij zich komen, beloofde, dat hij zich +zijner zou aantrekken, en voegde er nog bij, hoe gelukkig het was, +dat zijn moeder maar gestorven was: zij deugde niet. + +Men bracht haar naar het kerkhof, naar het kerkhof der armen; Martha +strooide zand op het graf en plantte er een klein rozeboompje op; +de knaap stond naast haar. + +«Mijn lieve moeder!» zei hij, terwijl de tranen hem langs de wangen +biggelden. «Is het dan waar? Deugde zij niet?» + +«Ja, zij deugde wel!» zei de oude meid en sloeg een blik ten hemel. «Ik +weet het sedert vele jaren en sedert den laatsten nacht. Ik zeg je, +dat zij wel deugde!» En God in den hemel zei het ook,--laat dan de +wereld maar zeggen: «Zij deugde niet!» + + + + +DE HERDERIN EN DE SCHOORSTEENVEGER. + + +Hebt ge wel eens een oude houten kast gezien, die heelemaal +zwart van ouderdom geworden en met uitgesneden krullen en lofwerk +versierd was? Zulk een stond er in zekere huiskamer: zij was van een +overgrootmoeder geërfd en van boven tot beneden met uitgesneden rozen +en tulpen bedekt. Daaraan had men de zonderlingste krullen, en uit deze +kwamen kleine hertekoppen met horens te voorschijn. Midden op de kast +stond een man uitgesneden; hij was belachelijk om aan te zien, en hij +grijnsde ook, want lachen kon men het niet noemen; hij had bokspooten, +kleine horens op het hoofd en een langen baard. De kinderen in de kamer +noemden hem altijd den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber; +dat was een lang woord, dat moeilijk uit te spreken was; en er zijn +er niet velen, die dezen titel krijgen, maar hem uit te snijden, +dat beteekende ook nog al wat. Doch nu was hij er immers! Altijd +keek hij naar het tafeltje onder den spiegel, want daar stond een +bekoorlijke, kleine herderin van porselein op. Haar schoenen waren +verguld, haar japon was met een roode roos versierd, en verder had zij +een gouden hoed en een herderstaf, zij was verwonderlijk schoon. Vlak +bij haar stond een kleine schoorsteenveger, zoo zwart als roet, maar +overigens ook van porselein; hij was zoo rein en fijn, als hij maar +wezen kon; dat hij een schoorsteenveger was, was immers maar iets, +dat hij voorstelde; de porseleinwerker had even goed een prins van +hem kunnen maken, als hij dit gewild had! + +Daar stond hij heel aardig met zijn ladder en met een gezicht, zoo wit +en rood als dat van een meisje; dat was eigenlijk een fout, want het +had toch wel wat zwart moeten zijn. Hij stond vlak bij de herderin; +zij waren er beiden neergezet; en daar zij nu zoo dicht bij elkaar +stonden, hadden zij zich met elkaar geëngageerd. Zij pasten immers +juist bij elkander; het waren jongelieden, beiden van hetzelfde +porselein en beiden even breekbaar. + +Dicht bij hen stond nog een figuur; deze was driemaal zoo groot. Het +was een oude Chinees, die kon knikken. Hij was ook van porselein +en zeide, dat hij de grootvader der kleine herderin was; maar dat +kon hij niet bewijzen. Hij beweerde, dat hij macht over haar had, +en daarom had hij den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber, +die de kleine herderin tot vrouw wilde hebben, toegeknikt. + +«Dan krijg je een man,» zei de oude Chinees, «een man, die +zooals ik bijna geloof, van mahoniehout is. Hij kan je tot +bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebbersvrouw maken; hij heeft de +heele kast vol zilvergoed, dat hij in geheime laden bewaart.» + +«Ik wil de donkere kast niet in!» zei de kleine herderin. «Ik heb +hooren zeggen, dat hij daarin wel elf porseleinen vrouwen heeft +zitten.» + +«Dan kan jij de twaalfde worden!» zei de Chinees. «In dezen nacht, +zoodra het in de oude kast kraakt, moet je bruiloft houden, zoo waar +als ik een Chinees ben!» En daarop knikte hij met het hoofd en viel +in slaap. + +Maar de kleine herderin weende en keek haar minnaar, den porseleinen +schoorsteenveger, aan. + +«Ik zou je wel willen verzoeken,» zeide zij, «de wijde wereld met +mij in te gaan; want hier kunnen wij niet blijven!» + +«Ik wil alles, wat jij wilt!» zei de kleine schoorsteenveger. «Laat +ons dadelijk gaan! Ik denk wel, dat ik je door middel van mijn ambacht +zal kunnen onderhouden.» + +«Als wij eerst maar goed en wel van het tafeltje af waren!» antwoordde +zij. «Ik word niet vroolijk, voordat wij de wijde wereld ingegaan +zijn.» + +En hij troostte haar en wees haar, hoe zij haar kleinen voet op +de uitgesneden hoeken en het vergulde lofwerk aan den poot van +het tafeltje moest neerzetten; zijn ladder nam hij ook te baat, en +nu waren zij op den vloer. Maar toen zij naar de oude kast keken, +heerschte daarin heel wat beweging; al de uitgesneden herten kwamen +met hun koppen te voorschijn, richtten hun horens op en draaiden hun +halzen om: de oude bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber sprong +hoog in de lucht en riep den ouden Chinees toe: «Daar loopen zij +weg! Daar loopen zij weg!» + +Nu verschrikten zij eenigszins en sprongen ijlings in het kastje van +de vensterbank. + +Hier lagen drie à vier spellen kaarten, die niet voltallig waren, +en een klein poppentooneel, dat, zoo goed als het zich liet doen, +opgebouwd was. Daarop werd komedie gespeeld, en al de dames, ruiten +zoowel als harten, klaveren zoowel als schoppen, zaten op de eerste +rij en verkoelden zich met haar tulpen; en achter haar stonden al +de boeren en toonden, dat zij een hoofd hadden, zoowel boven als +beneden, gelijk de speelkaarten dit hebben. De komedie handelde over +twee personen, die elkaar niet mochten hebben, en de herderin stortte +daarover tranen; want het was als haar eigen geschiedenis. + +«Dat kan ik onmogelijk uithouden!» zeide zij. «Ik moet het kastje uit!» + +Maar toen zij weer op den vloer kwamen en naar het tafeltje keken, was +de oude Chinees wakker geworden en schudde met zijn geheele lichaam. + +«Nu komt de oude Chinees!» schreeuwde de kleine herderin en viel op +haar porseleinen knieën neer: zoo bedroefd was zij. + +«Daar valt mij iets in!» zei de schoorsteenveger. «Willen wij in +die groote vaas, die daar in den hoek staat, kruipen? Daar kunnen +wij op rozen en lavendel liggen en hem zand in de oogen strooien, +als hij komt.» + +«Dat kan nergens toe dienen!» zeide zij. «Bovendien weet ik, dat de +oude Chinees en de vaas met elkaar geëngageerd geweest zijn, en er +blijft toch altijd nog eenige genegenheid bestaan, als men in zulk +een betrekking tot elkaar gestaan heeft. Neen, er blijft niets anders +over, dan de wijde wereld in te gaan.» + +«Heb je waarlijk moed om de wijde wereld met mij in te gaan?» vroeg +de schoorsteenveger. «Heb je wel bedacht, hoe groot deze is, en dat +wij hier nimmer meer terug kunnen komen?» + +«Dat heb ik!» zeide zij. + +En de schoorsteenveger keek haar strak aan, en toen zeide hij: «Mijn +weg gaat door den schoorsteen heen! Heb je werkelijk moed, met mij +door de kachel, zoowel door de ijzeren kolom als door de pijp te +kruipen? Dan komen wij in den schoorsteen, en daarin weet ik mij wel +te bewegen! Wij klimmen zoo hoog, dat zij ons niet kunnen bereiken, +en heel bovenaan komt men door een gat in de wijde wereld.» + +En hij bracht haar naar het kacheldeurtje toe. + +«Wat ziet het daar zwart uit!» zeide zij; maar ze ging toch met hem +mee, zoowel door de kolom als door de pijp, waarin een stikdonkere +nacht heerschte. + +«Nu zijn wij in den schoorsteen!» zeide hij. «En zie! daarboven +fonkelt de heerlijkste ster!» + +En het was een werkelijke ster aan den hemel, die vlak op hen neer +scheen, alsof zij hun den weg wilde wijzen. En zij klauterden en +kropen; een ellendige weg was het, oneindig hoog; maar hij tilde +haar op en hielp haar; hij hield haar vast en wees haar de beste +plaatsen, waar zij haar kleine porseleinen voeten kon neerzetten; en +zoo bereikten zij den schoorsteenrand, en daarop zetten zij zich neer; +want zij waren geducht vermoeid; en dat was niet anders dan natuurlijk. + +De hemel met al zijn sterren was hoog boven en al de daken der stad +diep beneden hen. Zij zagen ver in de rondte, ver de wijde wereld +in. De arme herderin had het zich nooit zoo voorgesteld; zij leunde +met haar hoofd tegen haar schoorsteenveger aan, en toen weende zij +zoo geducht, dat het goud van haar gordel afsprong. + +«Dat is te veel!» zeide zij. «Dat kan ik niet verdragen! De wereld is +al te groot! Was ik maar weer op het tafeltje onder den spiegel! Ik +word nooit vroolijk, voordat ik daar weer ben! Nu ben ik je in de +wereld gevolgd, nu kan je mij ook weer terugbrengen, als je mij +werkelijk liefhebt.» + +En de schoorsteenveger sprak verstandig met haar, sprak over den +ouden Chinees en over den bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber; +maar zij snikte geweldig en kuste haar kleinen schoorsteenveger, +zoodat hij wel niet anders kon, dan zich naar haar te schikken, +ofschoon het dwaas was. + +En zoo klauterden zij met vele bezwaren door den schoorsteen weer +naar beneden en kropen door de pijp en de kolom. Toen stonden zij +in de donkere kachel. Nu luisterden zij achter het deurtje, om te +weten te komen, hoe het in de kamer gesteld was. Daar was het stil; +zij keken naar binnen,--ach! daar lag de oude Chinees midden op +den vloer. Hij was van het tafeltje naar beneden gevallen, toen +hij hen achterna wilde, en lag nu in drie stukken op den grond: +zijn geheele rug was er in één stuk afgegaan en zijn hoofd was in +een hoek gerold. De bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber stond, +waar hij gestaan had, en dacht na. + +«Dat is verschrikkelijk!» zei de kleine herderin. «Mijn oude grootvader +is aan stukken gesprongen, en dat is onze schuld! Dat zal ik niet +overleven!» En daarop wrong zij haar kleine handen. + +«Hij kan nog wel gemaakt worden!» zei de schoorsteenveger; «hij kan +nog wel gemaakt worden!--Maak maar niet zoo'n geweld! Als ze hem in +den rug lijmen en hem een goeden spijker in den hals geven, dan zal hij +zoo goed als nieuw zijn en kan ons nog heel wat onaangenaams zeggen.» + +«Zou je dat denken?» zeide zij. En toen kropen zij weer op het +tafeltje, waarop zij vroeger gestaan hadden. + +«Zie, nu zijn wij zoo ver geweest!» zei de schoorsteenveger. «Wij +hadden ons al die moeite wel kunnen besparen.» + +«Als wij mijn ouden grootvader eerst maar weer heel hadden!» zei de +herderin. «Zou dat erg duur zijn?» + +En gemaakt werd hij. De familie liet hem in den rug lijmen; hij kreeg +een goeden spijker door zijn hals; hij was zoo goed als nieuw; maar +knikken kon hij niet meer. + +«Je bent zeker hoogmoedig geworden, sedert je in stukken gesprongen +bent,» zei de bokspoot-opper-en-onder-krijgsbevelhebber. «Mij dunkt, +dat je volstrekt geen reden hadt, om zulk een gevaarlijken sprong te +doen. Mag ik haar hebben of mag ik haar niet hebben?» + +En de schoorsteenveger en de kleine herderin keken den ouden Chinees +in angstige spanning aan; zij vreesden, dat hij zou knikken. Maar dat +kon hij niet; en het kwam hem verschrikkelijk voor, aan een vreemde te +vertellen, dat hij een spijker in zijn hals had zitten. En zoo bleven +de porseleinen schoorsteenveger en de porseleinen herderin bij elkaar, +en zij zegenden den spijker in den hals van den grootvader en hadden +elkander lief, totdat zij in stukken braken. + + + + +DE FLESSCHEHALS. + + +In de nauwe, kromme straat tusschen andere huizen der armoede stond +een bijzonder smal en hoog houten huis, waaraan de tijd zulke parten +gespeeld had, dat bijna al de planken uit de voegen geweken waren. Het +huis werd door arme lieden bewoond, en het armoedigst zag het er wel op +het zolderkamertje uit, waar voor het eenige kleine raampje een oude +vogelkooi in den zonneschijn hing, waarin niet eens een waterglaasje +zat, maar slechts een omgekeerde, met water gevulde flesschehals met +een kurk er op. Een oude juffrouw stond voor het raampje; zij had +groene murik in de kooi gedaan, en een kleine vlasvink huppelde van +het eene stokje op het andere heen en weer en zong en kwinkeleerde, +dat het een lust was om te hooren. + +«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals,--hij sprak dit wel +niet op de wijze uit, zooals wij het kunnen doen; want spreken kan +een flesschehals niet, maar hij dacht het zoo bij zich zelf, zonder +zijn gedachten onder woorden te brengen, evenals wij menschen dit ook +wel eens doen; «ja, jij hebt goed zingen, jij, die al je ledematen nog +hebt. Je moest eens ondervinden, wat het zeggen wil, zijn ondergedeelte +verloren, slechts een hals en een mond en bovendien een kurk daarin +te hebben, zooals met mij het geval is, dan zou je zeker niet zoo +zingen. Maar het is goed, dat er toch nog iemand is, die vergenoegd +kan zijn! Ik heb geen reden om te zingen, en ik kan ook niet meer +zingen. Ja, toen ik nog een heele flesch was, deed ik dit wel, als men +mij met de kurk wreef: men noemde mij destijds de echte leeuwerik, +de groote leeuwerik!--toen ik met de familie van den bontwerker op +een buitenpartij was, en de dochter haar verlovingsfeest vierde,--ja, +dat weet ik nog zoo goed, alsof het gisteren eerst gebeurd was! Ik heb +veel beleefd, als ik dat zoo eens naga! Ik ben in het vuur en in het +water, ik ben diep in de zwarte aarde en hooger in de lucht geweest, +dan de meeste anderen, en nu zweef ik hier aan den buitenkant der +vogelkooi in lucht en zonneschijn. O, het zou de moeite wel waard zijn, +mijn geschiedenis te hooren; maar ik spreek daarover niet overluid, +omdat ik het niet kan!» + +En nu vertelde de flesschehals zijn geschiedenis, die merkwaardig +genoeg was; hij vertelde haar zoo in zich zelf of dacht er over na; +en de vogel zong vergenoegd zijn lied, en beneden op de straat was een +gerij en geloop; iedereen dacht aan het zijne of dacht aan niets,--maar +de flesschehals dacht. Hij dacht aan den vlammenden smeltoven in de +fabriek, waar hij in het leven geblazen was; hij herinnerde zich nog, +dat hij warm geweest was, dat hij in den blakerenden oven, waaruit +hij zijn oorsprong had genomen, gekeken had en wel lust zou gehad +hebben, om er dadelijk weer in te springen, maar dat hij zich daar +van lieverlede, toen hij gedurig koeler werd, heel goed op zijn gemak +gevoeld had, waar hij gekomen was. Hij had in het gelid gestaan met +een geheel regiment broeders en zusters, die alle uit denzelfden oven +gekomen waren, waarvan enkele als Champagneflesschen en andere als +bierflesschen geblazen waren, en dat maakt een onderscheid! Later, +buiten in de wereld, kan het wel eens gebeuren, dat een bierflesch +de kostelijkste _Lacrymae Christi_ bevat en een Champagneflesch met +schoensmeer gevuld wordt, maar aan het model is het toch altijd te +zien, waartoe men geboren is,--adel blijft adel, al heeft men ook +schoensmeer in zijn lijf. + +Al de flesschen werden ingepakt en onze flesch ook. Toen ter tijd dacht +zij er niet aan, dat zij haar loopbaan als flesschehals zou eindigen +en zich tot den rang van vogelglaasje verheffen, hetgeen toch altijd +een eervolle taak is,--omdat men alsdan toch iets is! De flesch zag +het daglicht eerst weer, toen zij met haar overige kameraden in den +kelder van den wijnkooper uitgepakt en voor de eerste maal uitgespoeld +werd,--dat was een wonderlijk gevoel. Daar lag zij nu ledig en zonder +kurk! Het was haar zonderling te moede, er ontbrak haar iets, maar +zij wist zelfs niet, wat dit was.--Eindelijk werd zij met goeden, +heerlijken wijn gevuld, kreeg ook een kurk en werd dichtgeplakt: +«Prima Qualiteit» werd er op haar geplakt; het was haar, alsof zij den +eersten prijs bij het examen behaald had, maar de wijn was dan ook +goed, en de flesch was goed. Als men jong is, is men dichter! Het +zong en klonk in haar van dingen, die zij volstrekt niet kende: +van de groene, zonnige bergen, waar de wijn groeit, waar vroolijke +wijngaardeniers en wijngaardeniersters zingen en koozen en elkander +kussen;--wel is het leven schoon! Van dit alles zong en klonk het +in de flesch, evenals in de jonge dichters, die ook wel eens niet +begrijpen, waarvan het in hen klinkt. + +Op zekeren morgen werd zij gekocht;--de bontwerkersleerling moest een +flesch van den besten wijn gaan halen. En nu werd zij in de etensmand +naast ham, kaas en worst gestoken; de fijnste boter, het fijnste brood +werd ook er in gedaan; de bontwerkersdochter pakte de mand zelf in, +haar bruine oogen fonkelden daarbij, en om haar lippen speelde een +glimlachje. Zij had fijne, blanke handen, en toch waren haar hals en +haar boezem nog veel blanker, men kon het haar dadelijk wel aanzien, +dat zij een der mooiste meisjes uit de stad was--en toch nog niet +geëngageerd! + +De etensmand stond op den schoot van het meisje, toen de familie +naar het bosch reed; de flesschehals kwam tusschen de slippen van het +witte servet te voorschijn kijken; op de kurk zat rood lak; de flesch +keek het meisje vlak in 't gezicht; zij keek den jongen zeeman aan, +die naast het meisje zat; deze was een vriend uit haar jeugd, de zoon +van een portretschilder. Nog maar kort geleden had hij het examen als +stuurman met goeden uitslag afgelegd, en den volgenden dag zou hij met +een schip vertrekken, ver weg naar verre landen. Hierover was onder het +inpakken der mand veel gesproken, en toen sprak juist de vroolijkheid +niet uit de oogen en van de lippen der schoone bontwerkersdochter. + +De jongelieden deden een wandeling in het groene bosch, zij spraken +met elkander. En wat spraken zij? Ja, dat hoorde de flesch niet; +want zij stond immers in de etensmand. Het duurde een geruimen tijd, +voordat zij er uitgehaald werd, maar toen dit eindelijk gebeurde, +waren er ook vroolijke dingen voorgevallen; allen lachten, ook de +dochter van den bontwerker lachte, maar zij sprak minder dan te voren, +en haar wangen gloeiden als twee roode rozen. + +De vader van het meisje nam de volle flesch en den kurketrekker in +handen.--O, het is zonderling, zoo voor de eerste maal opengetrokken +te worden! De flesschehals had dit plechtige oogenblik later nooit +kunnen vergeten; het had immers «flap!» in zijn binnenste gezegd, +toen de kurk er afvloog, en hoe klokte het, toen de wijn in de glazen +geschonken werd! + +«Op de gezondheid van het jonge paar!» zei de oude vader, en ieder +glas werd tot op den bodem leeggedronken, en de jonge zeeman kuste +zijn aanstaande. + +«Geluk en zegen!» zeiden de beide oudelui, vader en moeder, en de +jonkman schonk de glazen nog eens vol. «Op je gelukkige thuiskomst +en op de bruiloft vandaag over een jaar!» voegde de vader er bij, +en toen de glazen leeggedronken waren, nam de jonge zeeman de flesch, +hief haar omhoog en zei: «Je bent er op den schoonsten dag van mijn +leven bij geweest, je zult nimmer meer een ander dienen!» + +En hij slingerde haar hoog in de lucht. De bontwerkersdochter dacht +er destijds niet aan, dat zij de flesch nog meermalen weer zou +zien vliegen, en toch zou dit het geval zijn.--Zij viel juist in het +dichte riet aan den oever van een klein meertje in het bosch neer,--de +flesschehals herinnerde zich nog levendig, hoe hij daar een tijdlang +gelegen had. «Ik gaf hun wijn en ze gaven mij water,--maar zoo is het +ook goed!» Hij zag de verloofden en de vergenoegde ouders niet meer; +maar hij hoorde nog lang, hoe zij juichten en zongen. Toen kwamen er +eindelijk twee boerenjongens; zij keken tusschen het riet, zagen de +flesch en namen haar mee; nu was zij goed bezorgd. + +In het huis van den boschwachter was den vorigen dag de oudste broeder +van deze jongens, een zeeman, gekomen, om afscheid te nemen. Hij zou +een verre reis doen; zijn moeder was juist bezig, het een en ander +in te pakken, dat hij op reis moest meenemen, en dat zijn vader 's +avonds naar de stad zou brengen, om zijn zoon nog eenmaal te zien en +hem den laatsten groet van zijn moeder over te brengen. Een fleschje +met maagbitter was reeds ingepakt, en er was een pakje bijgelegd, +toen de beide jongens met een grooter, steviger flesch, die zij +gevonden hadden, de kamer binnentraden. In deze ging meer dan in het +kleine fleschje, en het bitter was zoo goed, als de maag van streek +was. Men schonk nu niet evenals vroeger, rooden wijn in de flesch; +het waren bittere droppels, maar ook die zijn goed--voor de maag. De +nieuwe groote en niet de kleine flesch zou mee; en zoo ging de flesch +weer op reis. Zij kwam aan boord bij Peter Jensen, en wel aan boord +van hetzelfde schip, waarmee de jonge stuurman zou vertrekken. Maar +hij zag de flesch niet, en hij zou haar ook niet herkend of zelfs +gedacht hebben: dat is dezelfde, waarmee wij onze verloving gevierd +en al een dronk op de behouden terugkomst uitgebracht hebben. + +Wel leverde zij nu geen wijn meer, maar zij bevatte toch iets in +haar binnenste, dat even goed was; zij werd ook altijd, wanneer Peter +Jensen haar te voorschijn kreeg, door zijn kameraden «de apotheker» +genoemd; zij leverde de beste medicijn, daar zij de maag weer in orde +bracht, en zij verleende haar hulp trouw, zoolang zij een droppel in +zich had. Dat was een prettige tijd, en de flesch zong, als men er +met de kurk overheen streek, zij heette de groote leeuwerik, «Peter +Jensens leeuwerik.» + +Verscheidene dagen en maanden verliepen er, zij stond reeds ledig +in een hoek; nu gebeurde het,--of het op de heenreis dan wel op de +terugreis was, wist de flesch niet precies op te geven, want zij was +in 't geheel niet aan land geweest,--dat er een hevige storm opstak; +hooge golven slingerden het schip her- en derwaarts. De groote mast +brak; een golf sloeg een der planken in; de pompen brachten geen hulp +meer, het was een stikdonkere nacht; het schip zonk,--maar op het +laatste oogenblik schreef de jonge stuurman nog op een stukje papier: +«In Christus' naam! Wij vergaan!» Hij schreef er den naam van zijn +meisje, van zich zelf en van het schip op, stopte het papiertje in een +leege flesch, die hem maar 't eerst in handen kwam, deed er de kurk +stevig op en wierp de flesch in de onstuimige zee. Hij wist niet, +dat het dezelfde flesch was, waaruit hem en haar eenmaal de beker +der vreugde en der hoop gevuld was;--zij wiegelt zich nu op de golven +met een groet en een doodstijding. + +Het schip zonk, de bemanning verging; de flesch vloog voort als een +vogel,--zij droeg immers een hart, een minnebrief in zich! En de zon +ging op en zij ging onder,--het was aan de flesch te moede als ten +tijde van haar ontstaan in den rooden gloeienden oven; zij gevoelde +een verlangen, er weder in te vliegen. + +Zij doorleefde een windstilte en ook nieuwe stormen; zij stiet echter +tegen geen klip aan, werd door geen haai verzwolgen en dreef jaren +en dagen rond, nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden, +al naar gelang de golven haar voortstuwden. Zij was overigens haar +eigen heer en meester, maar daar kan men toch ook eindelijk wel eens +genoeg van krijgen. + +Het beschreven papiertje, het laatst vaarwel van den minnaar aan +de geliefde, zou slechts rouw aanbrengen, wanneer het eenmaal in de +rechte handen kwam; maar waar waren die handen, zoo blank en zacht, +die indertijd op den dag der verloving den zakdoek op het frissche +gras in het groene bosch uitspreidden?--Waar was de dochter van den +bontwerker? Ja, waar was het land, waarin zij woonde, en welk land was +wel het dichtst in de nabijheid? De flesch wist het niet; zij dreef +en dreef en werd eindelijk ook het ronddrijven moede, omdat dit toch +haar roeping niet was; maar zij dreef toch rond, totdat zij eindelijk +land, vreemd land bereikte. Zij verstond geen woord van datgene, +wat er hier gesproken werd; het was de taal niet, die zij vroeger +had hooren spreken, en men mist veel, als men de taal niet verstaat. + +De flesch werd opgevischt en van alle kanten bekeken; het papiertje, +dat er in zat, werd gezien, er uitgenomen, gedraaid en gekeerd, maar de +menschen verstonden niet, wat daar geschreven stond. Wel begrepen zij, +dat de flesch over boord geworpen moest zijn, en dat er hiervan iets +op het papiertje moest staan; maar wat stond er op geschreven? Dat was +het wonderbare! En het briefje werd weer in de flesch gestoken en deze +in een groote kast, in een groote kamer, in een groot huis neergezet. + +Telkens als er vreemdelingen kwamen, werd het briefje er uit genomen, +gewend en gedraaid, zoodat de letters, die slechts met potlood +geschreven waren, allengs minder leesbaar werden; eindelijk kon niemand +meer zien, dat het letters waren.--En nog een geheel jaar bleef de +flesch in de kast staan, toen zette men haar op den grond neer, en +stof en spinnewebben bedekten haar nu. Hoe dacht zij nu terug aan +betere dagen, aan de tijden, toen zij in het frissche, groene bosch +den rooden wijn verschaft had, toen zij op de golven der zee heen en +weer schommelde, en een geheim, een brief, een afscheidszucht in zich +had bevat. + +Wel twintig jaren stond zij op den grond; zij zou daar nog langer +hebben kunnen staan, als het huis niet verbouwd had moeten worden. Het +dak werd er afgenomen, men zag de flesch staan en sprak over haar, +maar zij verstond de taal niet; die leert men niet daardoor, dat men op +den grond staat, zelfs in geen twintig jaren. «Als ik maar in de kamer +gebleven was,» dacht zij, «dan zou ik haar toch wel geleerd hebben.» + +Zij werd nu afgewasschen en uitgespoeld; dat was niet onnoodig; zij +gevoelde zich helder en doorzichtig, zij was weer verjongd op haar +ouden dag; maar het briefje, dat zij trouw in zich gedragen had,--dat +was met het spoelen weggeraakt. + +Men vulde de flesch met zaden, zij wist niet, wat dat eigenlijk was; +men deed er een kurk op en pakte haar goed in; zij kreeg noch lamp +noch lantaarn, laat staan dan zon en maan te zien, en iets moet men +toch zien, als men op reis gaat, meende zij; maar zij zag niets, +doch het gewichtigste deed zij,--zij reisde en kwam op de plaats +harer bestemming aan en werd daar uitgepakt. + +«Wat hebben ze zich daar in het buitenland een moeite met die flesch +gegeven!» hoorde zij zeggen. «Zij zal toch wel gebroken zijn!»--Maar +zij was niet gebroken. De flesch verstond ieder woord, dat er gesproken +werd; het was de taal, die zij bij den smeltoven en bij den wijnkooper +en in het bosch en op het schip gehoord had, de eenige, goede, oude +taal, die zij kon verstaan; zij was in haar vaderland teruggekomen, +en de taal was haar een welkomstgroet. Van blijdschap zou zij den +menschen uit de handen gesprongen zijn; zij merkte het nauwelijks, +dat men de kurk van haar aftrok, dat zij uitgestort en in den kelder +gebracht werd, om daar neergezet en vergeten te worden. In het +vaderland is het toch maar het beste, zij het ook in den kelder! Het +kwam niet bij haar op, er over na te denken, hoe lang zij daar wel +lag; zij lag er goed en zij lag er jaren lang; eindelijk kwamen er +menschen die al de flesschen uit den kelder en ook de onze weghaalden. + +Buiten in den tuin was een groot feest; brandende lampions en papieren +lantarens hingen daar als bloemslingers. Het was een prachtige avond, +het weer stil en helder; de sterren fonkelden, en het was nieuwe maan, +eigenlijk zag men, als men goed toekeek, de heele ronde maan als een +blauwachtigen bol, wat heel mooi leek. + +Zelfs tot in de afgelegenste laantjes van den tuin strekte de +illuminatie zich uit, althans in zooverre, dat men bij haar schijnsel +daar den weg wel kon vinden. In de takken der heggen stonden flesschen, +en in elke daarvan een brandende kaars. Hier bevond zich ook de flesch, +die wij kennen, die, welke eenmaal als flesschehals, als vogelglaasje +aan haar eind zou komen; het kwam haar hier alles prachtig voor, +zij was immers weer in het groen, weer te midden van vreugde en +feestelijkheden, zij hoorde gezang en muziek en krioelen van al die +menschen door elkaar, vooral uit dat gedeelte van den tuin, waar de +lampions hingen en de papieren lantarens haar kleurenpracht ten toon +spreidden. Zoo stond zij wel is waar in een afgelegen laantje, maar +juist dat had iets aangenaams; zij droeg haar licht en stond hier tot +nut en genoegen, en zoo moet het wezen; in zulk een uur vergeet men +twintig jaren, die men in een vergeten hoek heeft doorgebracht,--en +het is goed, deze te vergeten. + +Dicht langs haar heen liep een enkel paar, evenals indertijd +het minnende paar in het bosch, evenals de stuurman en de +bontwerkersdochter; het was de flesch te moede, alsof zij dat alles +nog eens doorleefde! In den tuin liepen niet alleen de gasten maar +ook menschen, die eens naar de illuminatie mochten kijken, en onder +de laatstgenoemden bevond zich een oude juffrouw, die alleen op de +wereld stond en geen bloedverwanten had. Zij dacht hetzelfde als de +flesch, en dacht aan het groene bosch en aan een minnend paar, dat +haar zeer na aan het hart lag, waaraan zij deel had, ja, waarvan zij +een gedeelte was,--indertijd in het gelukkigste uur van haar leven, +en dat uur vergeet men nimmer, al wordt men nog zoo oud.--Maar zij +kende de flesch niet, en deze bemerkte ook de oude juffrouw niet; +zoo loopt men elkaar in deze wereld voorbij,--totdat men weer met +elkaar in aanraking komt, en dat gebeurde met deze twee, want zij +waren nu immers beiden weer in dezelfde stad. + +De flesch kwam uit den tuin nog eens bij den wijnkooper, werd weer met +wijn gevuld en aan den luchtreiziger verkocht, die den volgenden Zondag +met een luchtballon zou opstijgen.--Een groote menigte menschen had +zich verzameld, om dat eens te zien; er was een militair muziekkorps +geëngageerd, en er waren vele andere toebereidselen gemaakt. De +flesch zag alles van uit een mand, waarin zij naast een levend +konijntje lag, dat heelemaal verbluft was, omdat het wel wist, +dat het mee naar boven moest, om dan door middel van een valscherm +weer naar beneden gelaten te worden; de flesch wist echter niets, +noch van het opstijgen, noch van het neerdalen; zij zag slechts, +dat de ballon zich geducht opblies, gedurig grooter werd en zich, +toen hij niet grooter kon worden, al begon te verheffen; de touwen, +waarmee hij werd vastgehouden, werden doorgesneden, en hij zweefde +met den luchtreiziger, de mand, de flesch en het konijntje naar boven, +terwijl de muziek zich deed hooren en alle menschen hoera riepen. + +«Dat is een wonderlijke reis, zoo de lucht in!» dacht de flesch, +«dat is een nieuwe zeiltocht; maar hier boven zal men toch nergens +tegen aan kunnen stooten.» + +Duizenden menschen keken den ballon na, en de oude juffrouw keek er ook +naar; zij stond voor het open raam van haar zolderkamertje, waaronder +het kooitje met den kleinen vlasvink hing, dat destijds nog geen +drinkglaasje had, maar zich met een theekopje moest vergenoegen. Voor +het raam zelf stond een mirt in een pot, en dezen had zij een weinig +op zij geschoven, opdat hij niet zou omvallen, want de oude juffrouw +ging uit het raam liggen om het ook te zien, zij zag ook duidelijk +den luchtreiziger in den ballon, en dat hij het konijntje met het +valscherm naar beneden liet zakken, toen op het welzijn van alle +menschen dronk en eindelijk de flesch hoog in de lucht slingerde;--zij +dacht er niet aan, dat zij dezelfde flesch, haar en haar minnaar ter +eere, op den dag der verloving in het groene bosch had zien vliegen. + +De flesch had geen tijd om na te denken; want het kwam haar al te +onverwacht, zoo plotseling op het toppunt haars levens te zijn. Torens +en daken lagen diep, zeer diep beneden haar, en de menschen zagen er +heel klein uit. + +Nu daalde zij echter, maar op een geheel andere wijze dan het +konijntje; de flesch maakte buitelingen in de lucht, zij voelde +zich zoo jeugdig, zonder eenige band; zij was nog half vol wijn, +maar dat bleef zij niet lang. Welk een reis! De zon bescheen de +flesch, alle menschen keken haar na, de ballon was reeds ver weg, +en al spoedig daarop was ook de flesch weg, zij viel op een der daken +neer en daardoor brak zij, maar de stukken hadden nog zulk een vaart, +dat zij niet konden blijven liggen; zij sprongen en rolden verder, +totdat zij op de plaats neerkwamen en daar in nog kleinere stukken +bleven liggen; alleen de flesschehals bleef heel, en deze was als +met een diamant van de flesch afgesneden. + +«Die zou prachtig voor een vogelglaasje zijn!» zeiden de menschen in +het benedenhuis, maar zij hadden noch een vogeltje, noch een kooitje, +en zich deze aan te schaffen, omdat zij nu den flesschehals hadden, +die voor drinkglaasje te gebruiken was, was toch wel wat veel +gevergd,--maar de oude juffrouw op het zolderkamertje, ja, die kon +er misschien wel gebruik van maken,--en nu kwam de flesschehals bij +haar boven, er werd een kurk ingestopt, en wat vroeger boven was, werd +nu naar onderen gekeerd, zooals het heel dikwijls bij veranderingen +gebeurt; er werd frisch water in gedaan, men hing hem aan het kooitje +van het vogeltje op, dat zong en kwinkeleerde, dat het een lust was +om te hooren. + +«Ja, jij hebt goed zingen!» zei de flesschehals, en die was immers +merkwaardig genoeg, die was immers in den ballon geweest,--meer wist +men van zijn geschiedenis niet af. Nu hing hij daar als drinkglaasje, +hoorde de menschen beneden op de straat mompelen, hoorde de woorden +van de oude juffrouw binnen in de kamer; zij had bezoek van een +oude vriendin gekregen; zij praatten met elkaar,--maar niet over den +flesschehals, maar over den mirt, die voor het raam stond. + +«Neen, je moet waarlijk geen daalder uitgeven voor een bruidskrans voor +je dochter,» zei de oude juffrouw. «Je zult van mij een allerliefst +ruikertje hebben! Zie je wel, hoe prachtig het boompje staat? Ja, dat +is nog afkomstig van een stekje van den mirt, dien je mij op den dag +na mijn verloving gaaft, waarvan ik mij zelf, als het jaar om was, +een bruidskrans had moeten vlechten,--maar die dag kwam nooit! De +oogen sloten zich, die mij in dit leven tot vreugde en ten zegen +hadden moeten tegenstralen. Op den bodem der zee sluimert hij zacht, +die trouwe vriend!--De mirt werd een oude boom, maar ik werd nog ouder, +en toen de boom eindelijk begon weg te kwijnen, nam ik het laatste +groene takje, stak dit in de aarde, en daarvan is nu een boompje +gegroeid, en de mirt komt nu eindelijk toch nog op de bruiloft,--als +bruidskrans voor je dochter.» + +En tranen parelden er in de oogen van de oude juffrouw; zij sprak +over den vriend van haar jeugd, over het verlovingsfeest in het +bosch; allerlei gedachten kwamen er bij haar op, maar daaraan dacht +zij toch niet, dat er zich vlak in haar nabijheid, voor het raam, +nog een aandenken aan dien tijd bevond; de hals van de flesch, die +een luiden knal gaf, toen de kurk er afvloog. Maar de flesschehals +herkende ook haar niet meer, want hij hoorde niet naar datgene, +wat zij sprak en vertelde,--omdat hij slechts aan haar dacht. + + + + +HET MINNENDE PAAR. + + +Een drijftol en een bal lagen samen in een kast onder meer ander +speelgoed. Op zekeren dag zei de drijftol tegen de [1] bal: «Willen +we maar met elkaar trouwen, daar we toch in dezelfde kast bij elkaar +liggen?» Doch de bal, die van marokijn gemaakt was en die even veel +verbeelding had als een preutsch meisje, wilde daar geen antwoord +op geven. + +Den volgenden dag kwam de kleine jongen, aan wien al het speelgoed +toebehoorde. Hij verfde den drijftol rood en geel en sloeg er een +koperen spijkertje midden in. Dat stond dan al eens heel prachtig, +als de tol in de rondte draaide! + +«Kijk mij nu eens aan!» zei hij tegen de bal. «Wat zeg je nu wel van +me? Willen we nu met elkaar trouwen? We passen net goed bij elkaar: +jij springt en ik dans! Een gelukkiger paar dan wij zouden zijn, +kan er niet gevonden worden.» + +«Zou je dat denken?» vroeg de bal. «Dan weet je zeker niet, dat mijn +vader en moeder marokijnleeren pantoffels geweest zijn en dat ik een +kurk in mijn lijf heb zitten?» + +«Maar ik ben van mahoniehout,» hernam de tol, «en de burgemeester +heeft mij zelf gedraaid. Hij houdt er zelf een draaibank op na en +heeft heel wat schik in mij gehad.» + +«Kan ik daar zeker van zijn?» vroeg de bal. + +«Nimmer moge de zweep meer op mij neerkomen, als het niet waar is!» +antwoordde de drijftol. + +«Je weet je zaak goed te bepleiten,» zei de bal. «Maar toch valt er +niet aan een huwelijk tusschen ons te denken; want ik ben al zoo wat +half en half met een spreeuw geëngageerd. Telkens als ik in de lucht +vlieg, steekt hij den kop uit zijn nest en vraagt: «Wil je met mij +trouwen?» En nu heb ik in mijn hart al «ja» gezegd, en dus is het net +zoo goed, alsof ik hem het jawoord gegeven had; maar ik beloof je, +dat ik je nooit zal vergeten!» + +«Nu, dat geeft me ook wat!» zei de drijftol, en na dien tijd spraken +zij geen woord meer tegen elkaar. + +Na verloop van eenigen tijd werd de bal door den jongen uit de kast +genomen. De drijftol zag, hoe zij hoog in de lucht vloog, evenals een +vogel; eindelijk kon hij haar in 't geheel niet meer zien; telkens +kwam zij weer terug, maar deed iederen keer een hoogen sprong, +als zij op den grond neerkwam, en dit deed zij òf uit blijdschap òf +omdat zij een kurk in haar lijf had. Maar den negenden keer bleef de +bal weg en kwam niet meer terug; en de jongen zocht er overal naar, +maar zij was en bleef weg. + +«Ik weet wel, waar zij is!» zei de drijftol met een zucht. «Zij zit +in het spreeuwennest en is met den spreeuw getrouwd.» + +Hoe meer de drijftol hierover dacht, des te meer raakte hij op de +bal verliefd; juist omdat hij haar niet kon krijgen, nam zijn liefde +gedurig toe; dat zij een ander tot man genomen had, stak hem wel het +meest, en de drijftol danste in de rondte en snorde, maar dacht toch +aldoor aan de bal, die in zijn gedachten al mooier en mooier werd. + +Zoo verliepen er eenige jaren,--en nu was het een oude liefde. + +De drijftol was al niet jong meer! Maar daar werd hij op zekeren +dag heelemaal verguld; nog nooit had hij er zoo prachtig uitgezien; +hij was nu een vergulde drijftol en sprong, dat hij weer snorde. Ja, +dat was de moeite waard, om te zien. + +Maar eens sprong hij wat hoog, en--weg was hij! + +Men zocht en zocht, tot zelfs in den kelder, maar hij was nergens +te vinden. + +Waar was hij dan? + +Hij was in den vuilnisbak gesprongen, waarin allerlei dingen lagen: +koolstronken, aardappelschillen en verrotte bladeren, die uit de goot +naar beneden gekomen waren. + +«'t Is een mooie plaats, voor mij om te liggen! Het verguldsel zal hier +wel gauw van mij afgaan. Ach, onder welk gespuis ben ik aangeland!» +Dit zeggende, keek hij naar een koolstronk en toen naar een zonderling, +rond ding, dat veel van een rotten appel weghad;--doch het was geen +appel, maar de oude bal, die vele jaren in de goot gelegen had en +geheel met water doortrokken was. + +«Goddank! Daar komt toch iemand, die in rang en stand met mij +gelijkstaat en met wien ik eens een woordje kan wisselen!» zei +de bal en keek naar den vergulden drijftol. «Ik ben eigenlijk van +marokijnleer, ik ben door dameshanden genaaid en heb een kurk in +mijn lijf: maar dat zal niemand mij zeker kunnen aanzien. Ik stond +op het punt om met een spreeuw te trouwen, maar toen viel ik in de +goot, en daarin heb ik vijf jaren gelegen en ben heelemaal met water +doortrokken. Geloof mij, dat is een heele tijd voor een jong meisje!» + +Maar de drijftol zei niets: hij dacht aan zijn oud lief, en hoe meer +hij hoorde, des te duidelijker werd het hem, dat zij het was. + +Daar kwam de meid om den vuilnisbak te leegen. De jongen stond er +naar te kijken. «Hé! Daar ligt een vergulde tol!» riep zij uit. + +En de drijftol kwam weer tot eer en aanzien, maar van de bal hoorde +men niets meer. En de drijftol sprak nooit meer over zijn vroegere +liefde; want die vergaat wel, als een minnares vijf jaren lang in +een goot gelegen heeft en heelemaal met water doortrokken is; ja, +men erkent haar niet meer, als men haar in een vuilnisbak ziet liggen. + + + + +DE PRINSES OP DE ERWT. + + +Er was eens een prins, die met een prinses wilde trouwen; maar +het moest een echte prinses zijn. Nu reisde hij de heele wereld +rond, om zoo eene te vinden, maar aan allen, die hij zag, ontbrak +wat. Prinsessen waren er genoeg; maar of het echte prinsessen waren, +kon hij niet te weten komen. Altijd was er iets, dat niet geheel in +den haak was. Zoo kwam hij dan weer thuis en was treurig, want hij +wilde toch zoo heel graag een echte prinses hebben. + +Op zekeren avond kwam er een geducht onweer opzetten; het lichtte en +donderde, de regen viel bij stroomen neer, het was een verschrikkelijk +weer! Daar werd er op de stadspoort geklopt, en de oude koning ging +er heen, om haar open te doen. + +Het was een prinses, die buiten voor de poort stond. Maar lieve +hemel! Wat zag zij er van den regen en van het verschrikkelijke weer +uit! Het water droop haar uit het haar en de kleeren; het liep er +bij de neuzen van haar schoenen in en bij de hakken weer uit. En toch +zeide zij, dat zij een echte prinses was. + +«Nu, dat zullen we wel eens te weten komen!» dacht de oude +koningin. Maar zij zeide niets, ging naar de slaapkamer, lichtte alle +bedden op en legde een erwt op de onderlagen van het ledekant neer; +daarop nam zij twintig matrassen en legde deze op de erwt, en toen +nog twintig donzen bedden op de matrassen. + +Daar moest de prinses nu den heelen nacht op liggen. Den volgenden +morgen vroeg men haar, hoe zij geslapen had. + +«Verschrikkelijk slecht!» zei de prinses. «Ik heb bijna den heelen +nacht geen oog dichtgedaan! De hemel mag weten, wat er in het bed +geweest is! Ik heb op iets hards gelegen, zoodat ik er over mijn +heele lijf bont en blauw uitzie! 't Is verschrikkelijk!» + +Nu merkten zij, dat zij een echte prinses was, omdat zij door de +twintig matrassen en de twintig donzen bedden heen de erwt gevoeld +had. Zoo fijngevoelig kon niemand anders zijn dan een echte prinses. + +Nu nam de prins haar tot vrouw; want nu wist hij, dat hij een echte +prinses bezat, en de erwt kwam in het kabinet van zeldzaamheden, +waarin zij nog te zien is, als niemand haar ten minste gestolen heeft. + +Zie, dat is een ware geschiedenis! + + + + +OLE LUK-OIE. + + +Er is niemand op de wereld, die zooveel sprookjes kent, als Ole +Luk-Oie. [2]--Die heeft eerst slag van vertellen! + +Tegen den avond, als de kinderen nog aan tafel of op hun stoeltje +zitten, komt Ole Luk-Oie. Hij klimt zachtjes de trap op, want hij +loopt op kousen: hij doet de deur heel zachtjes open en fuut! daar +spuit hij de kinderen zoete melk in de oogen, en wel met een heel fijn +straaltje, maar toch altijd genoeg, om te maken, dat zij de oogen niet +kunnen openhouden en hem dus ook niet zien. Hij sluipt achter hen, +blaast hun zachtjes in den nek, en daardoor wordt het hun zwaar in +het hoofd. Maar het doet geen pijn, want Ole Luk-Oie meent het goed +met de kinderen; hij wil alleen maar, dat zij stil zullen zijn, en +dat zijn zij eerst, als men ze naar bed gebracht heeft; zij moeten +stil zijn, opdat hij hun sprookjes kan vertellen. + +Als de kinderen dan slapen, zet Ole Luk-Oie zich op hun bed neer. Hij +is goed gekleed, zijn jas is van zijde, maar het valt onmogelijk te +zeggen, van welke kleur zij is; want zij heeft een groenen, rooden en +blauwen glans, al naardat hij zich draait. Onder iederen arm houdt hij +een paraplu; de eene, met allerlei beelden er op, spant hij over de +zoete kinderen uit, en dan droomen zij den heelen nacht de heerlijkste +sprookjes; maar de andere paraplu, waarop niets hoegenaamd staat, +spreidt hij boven de stoute kinderen uit, dan slapen zij en hebben +'s morgens, als zij wakker worden, niet het minste gedroomd. + +Nu zullen we eens hooren, hoe Ole Luk-Oie op iederen avond van een +week bij een kleinen jongen, Hjalmar geheeten, kwam, en wat hij hem +vertelde. Het zijn zeven verhaaltjes; want er zijn zeven dagen in +de week. + + + +Maandag. + +«Hoor eens!» zei Ole Luk-Oie des avonds, toen hij Hjalmar naar bed +gebracht had; «ik zal alles eens oppronken!» En nu werden al de +bloemen in de bloempotten tot groote boomen, die hun lange takken +onder de zoldering en langs de muren der kamer uitstrekten, zoodat +de heele kamer er als een prachtig buitenverblijf uitzag; al de +takken zaten vol bloemen, en iedere bloem was nog schooner dan een +roos, gaf een liefelijken geur van zich, en als men ze wilde eten, +dan smaakten zij overheerlijk. De vruchten fonkelden als goud, en er +was koek, die vol rozijnen zat. Het was onvergelijkelijk schoon! Maar +tegelijkertijd klonk er een verschrikkelijk gejammer uit de tafellade +waarin de schoolboeken van Hjalmar lagen. + +«Wat is dat toch?» vroeg Ole Luk-Oie en ging naar de tafel toe +en schoof de lade open. Het was de rekenlei, waarop gekrast werd, +want er was een verkeerd cijfer in de som gekomen, zoodat het niet +veel scheelde, of zij viel geheel uit elkaar; de griffel huppelde en +sprong tegen de lijst van de lei op, alsof het een kleine hond was, +die aan de som wilde helpen; maar hij kon dit niet.--En toen jammerde +het ook in het schrijfboek van Hjalmar. O, dat was vreeselijk om +aan te hooren! Op iedere bladzijde stonden van boven naar beneden +de groote letters, en naast iedere groote letter stond een kleine; +dat was het voorbeeld; en naast deze stonden weer eenige letters, +die er eveneens dachten uit te zien, en deze had Hjalmar geschreven; +maar zij lagen bijna, alsof zij over de potloodlijnen, waarop zij +moesten staan, gevallen waren. + +«Zie, zoo moet je je houden!» zei het voorbeeld. «Kijk eens! Zoo in +een schuinsche richting, met een fermen zwaai!» + +«O, wij zouden het graag willen,» zeiden de letters van Hjalmar; +«maar wij kunnen niet; wij zijn te zwak!» + +«Dan moet je wat innemen!» zei Ole Luk-Oie. + +«O neen!» riepen zij uit, en nu stonden zij zoo geregeld, dat het +een lust was om te zien. + +«Ja, nu kunnen wij geen sprookjes vertellen!» zei Ole Luk-Oie; «nu +moet ik ze laten exerceeren! Een, twee! Een, twee!» en zoo liet hij +de letters exerceeren; en zij stonden zoo mooi, als ze maar op een +voorbeeld kunnen staan. Maar toen Ole Luk-Oie wegging en Hjalmar ze +'s morgens bekeek, toen waren zij even gebrekkig en jammerlijk als +vroeger. + + + +Dinsdag. + +Zoodra Hjalmar te bed gegaan was, raakte Ole Luk-Oie al de meubelen in +de kamer met zijn kleinen tooverstaf aan, en nu begonnen zij te gelijk +te praten, en spraken allemaal over zich zelf met uitzondering van het +kwispedoor, dat daar zwijgend stond en er zich over ergerde, dat zij +zoo ijdel konden zijn om slechts over zich zelf te spreken, slechts aan +zich zelf te denken, en volstrekt geen notitie te nemen van dengene, +die toch zoo bescheiden in den hoek stond en zich liet bespuwen. + +Boven de latafel hing een groot schilderij in een vergulde lijst; +dat was een landschap; men zag daarop hooge, oude boomen, bloemen +in het gras en een breede rivier, die om het bosch heen vloeide, +voorbij vele kasteelen, en ver weg in de woeste zee. + +Ole Luk-Oie raakte het schilderij met zijn tooverstaf aan, en nu +begonnen de vogels, die daarop afgebeeld stonden, te zingen, de +boomtakken bewogen zich, en de wolken trokken weg; men kon haar +schaduw over het landschap zien heenglijden. + +Nu tilde Ole Luk-Oie den kleinen Hjalmar naar de lijst op en zette zijn +voeten op het schilderij neer, vlak in het hooge gras; daar stond hij +nu. De zon bescheen hem door de takken der boomen. Hij liep naar het +water toe en ging in een kleine boot, die daar lag, zitten; deze was +rood en wit geverfd, het zeil schitterde als zilver, en zes zwanen, +alle met gouden kroontjes en een fonkelende blauwe ster op den kop, +trokken de boot voorbij het groene bosch, waar de boomen van roovers +en heksen en de bloemen van de liefelijke kleine elfen, en van datgene, +wat de kapelletjes haar gezegd hadden, vertelden. + +De prachtigste visschen, met schubben als zilver en goud, zwommen +de boot achterna; nu en dan deden zij een sprong, zoodat het in het +water plaste, en vogels, rood en blauw, klein en groot, vlogen in twee +lange rijen achteraan; de muggen dansten en de meikevers gonsden. Zij +wilden Hjalmar altemaal volgen, en ieder had een sprookje te vertellen. + +Dat was een plezierig tochtje! Nu eens waren de bosschen dicht en +donker, dan weer waren zij als de heerlijkste tuin vol zonneschijn +en bloemen; daar stonden groote kasteelen van glas en van marmer: op +de balkons stonden prinsessen, en dit waren allemaal kleine meisjes, +die Hjalmar goed kende; hij had vroeger met haar gespeeld. Elk van +dezen strekte de handen naar hem uit en hield hem het lekkerste hart +van suiker voor, dat een koekenbakker ooit verkocht heeft; en Hjalmar, +pakte elk suikerhart beet, terwijl hij voorbijvoer, en de prinses hield +het goed vast, en zoo kreeg ieder een stuk: zij het kleinste en Hjalmar +het grootste. Bij ieder kasteel stonden kleine prinsen op schildwacht; +zij droegen gouden sabeltjes en lieten het rozijnen en tinnen soldaten +regenen; men kon het hun wel aanzien, dat het echte prinsen waren. + +Nu eens zeilde Hjalmar door bosschen, dan weer door groote zalen of +midden door een stad; hij kwam ook door die, waarin de kindermeid +woonde, die hem gedragen had, toen hij nog een heel klein kind was, +en die altijd zoo goed voor hem geweest was; zij knikte hem toe +en wenkte hem en zong het kleine vers, dat zij zelf gemaakt en aan +Hjalmar gezonden had: + + + Uw beeld, mijn Hjalmar, mij zoo lief, + Zal nooit mijn hart ontglippen; + Ik gaf u kussen zonder tal + Op voorhoofd, mond en lippen. + + 'k Hoorde uit uw mond het eerste woord + Mij staamlend tegenklinken. + Vaarwel! Gods zegen hoede u steeds, + Moog' immer voor u blinken! + + +En al de vogels zongen mee, de bloemen dansten op de stelen, en de +oude boomen knikten, alsof Ole Luk-Oie hun ook sprookjes vertelde. + + + +Woensdag. + +O, wat stroomde de regen daar buiten neer! Hjalmar kon het in zijn +slaap hooren; en toen Ole Luk-Oie een raam openschoof, stond het +water tot aan het kozijn toe; het was daar buiten een heele zee, +maar het prachtigste schip lag dicht bij het huis. + +«Wil je meezeilen, kleine Hjalmar?» vroeg Ole Luk-Oie. «Dan kun je +van nacht naar vreemde landen toe gaan en morgen weer hier zijn!» + +Daar stond Hjalmar plotseling in zijn Zondagskleeren midden op het +prachtige schip; terstond werd het weer mooi, en zij zeilden door +de straten, kruisten om de kerk, en nu was alles een groote, woeste +zee. Zij zeilden zoo lang, totdat er geen land meer te ontdekken was, +en zij zagen een troep ooievaars; deze kwamen ook uit hun vaderland en +wilden naar de warme landen toe; de eene ooievaar vloog altijd achter +den anderen aan, en zij hadden al ver, heel ver gevlogen! Een hunner +was zoo vermoeid, dat zijn vleugels hem tenauwernood meer vermochten te +dragen; hij was de laatste in de rij, en al spoedig bleef hij een heel +eind achter; eindelijk daalde hij met uitgespreide vleugels al dieper +en dieper; hij deed nog een paar slagen met de vleugels, maar het hielp +niets; nu raakte hij met zijn pooten het touwwerk van het schip aan, +daarop gleed hij van het zeil af, en bom! daar stond hij op het verdek. + +Nu nam de kajuitsjongen hem en zette hem in het kippenhok bij de +kippen, eenden en kalkoensche hanen; de arme ooievaar stond verlegen +in hun midden. + +«Kijk dien eens aan!» zeiden al de kippen. + +En de kalkoensche haan blies zich zoo dik op, als hij maar kon, +en vroeg, wie hij was; de eenden snaterden, en de ooievaar vertelde +van het warme Afrika, van de piramiden en van den struisvogel, die, +als een wild paard, de woestijn doorliep; maar de eenden verstonden +niet, wat hij vertelde, en toen zeiden zij tegen elkander: «Wij zijn +het er immers allemaal over eens, dat hij dom is!» + +«Ja, zeker is hij dom!» zei de kalkoensche haan, en toen klokte +hij. Nu zweeg de ooievaar en dacht aan zijn Afrika. + +«Dat zijn prachtige dunne pooten, die je hebt!» zei de kalkoensche +haan. «Wat kost een el daarvan?» + +«Skrat, skrat, skrat!» grijnsden al de eenden; maar de ooievaar deed, +alsof hij het niet hoorde. + +«Je kunt gerust meelachen,» zei de kalkoensche haan tegen hem; «want +het was heel geestig gezegd. Of was het je misschien te hoog? Ach, +hij is niet veelzijdig! Wij zullen onze aardigheden maar voor ons +zelf houden!» En toen klokte hij, en de eenden snaterden. Het was +verschrikkelijk, zoo'n plezier als zij hadden. + +Maar Hjalmar ging naar het kippenhok toe, deed het deurtje daarvan +open, riep den ooievaar, en nu huppelde hij naar hem toe op het +verdek. Nu was hij immers uitgerust, en het was, alsof hij Hjalmar +toeknikte om hem te bedanken. Daarop ontplooide hij zijn vleugels +en vloog naar de warme landen; maar de kippen kakelden, de eenden +snaterden, en de kalkoensche haan werd vuurrood aan zijn kop. + +«Morgen zullen we soep van je koken!» zeide Hjalmar, en dit zeggende, +werd hij wakker en lag in zijn bedje. Het was toch een zonderlinge +reis, die Ole Luk-Oie hem dezen nacht had laten doen! + + + +Donderdag. + +«Weet je wat?» zei Ole Luk-Oie. «Word maar niet bang! Hier zul je +een kleine muis zien!» En toen strekte hij zijn hand, waarin hij het +lichte, aardige diertje hield, naar hem uit. «Zij is gekomen om je op +de bruiloft te noodigen. Er zijn twee kleine muizen, die van nacht in +het huwelijk willen treden. Zij wonen onder den vloer van je moeders +provisiekamer: dat moet een mooie woning zijn!» + +«Maar hoe kan ik door het kleine muizengat in den vloer kruipen?» +vroeg Hjalmar. + +«Laat dat maar aan mij over!» zei Ole Luk-Oie. «Ik zal je wel klein +maken!» En nu raakte hij Hjalmar met zijn tooverstaf aan, waarop deze +dadelijk al kleiner en kleiner werd. Eindelijk was hij geen vinger +lang. «Nu kun je de kleeren van den tinnen soldaat wel leenen; ik +denk, dat die je wel zullen passen, en het staat goed, een uniform +aan te hebben, als men in gezelschap is.» + +«Dat is ook zoo!» zei Hjalmar en was in een oogenblik als een tinnen +soldaat gekleed. + +«Wilt ge nu maar zoo goed zijn, in den vingerhoed van uw moeder te +gaan zitten?» zei de kleine muis; «dan zal ik de eer hebben, u er +naar toe te trekken.» + +«Wilt gij u daarmee zelf belasten?» zeide Hjalmar, en zoo reden zij +naar de muizenbruiloft. + +Eerst kwamen zij onder den vloer in een lange gang, die echter niet +hooger was, dan dat zij er juist met den vingerhoed doorheen konden +komen, en de heele gang was met verrot hout geïllumineerd. + +«Ruikt het hier niet heerlijk?» vroeg de muis, die hem voorttrok. «De +heele gang is met zwoorden van spek besmeerd! Er kan niets geurigers +zijn!» + +Nu traden zij de bruiloftszaal binnen. Hier stonden aan de rechterhand +al de kleine muizendames; dezen fluisterden en ginnegapten, alsof +zij elkaar voor den gek hielden. Aan de linkerhand stonden al de +muizenheeren en streken met hun poot langs hun snorbaard; midden in de +zaal zag men het bruidspaar; dit stond in een uitgeholde korst kaas +en kuste elkaar verschrikkelijk ten aanschouwe van allen, want zij +waren immers met elkander verloofd en zouden aanstonds bruiloft houden. + +Er kwamen gedurig meer vreemden; het scheelde niet veel, of de eene +muis trapte de andere dood, en het bruidspaar had zich vlak voor de +deur geplaatst, zoodat men er noch uit noch in kon komen. De heele +kamer was evenals de gang met zwoorden van spek ingesmeerd; daarin +bestond het geheele gastmaal: maar aan het dessert werd er een erwt +vertoond, waarin een muis uit de familie den naam van het bruidspaar +ingebeten had, namelijk de eerste letters. Dat was iets buitengewoons! + +Al de muizen zeiden, dat het een vroolijke bruiloft was, en dat de +gesprekken zeer onderhoudend waren geweest. + +Daarop reed Hjalmar weer naar huis; hij was waarlijk in deftig +gezelschap geweest; maar hij had zich ook erg moeten inkrimpen, +zich klein maken en een tinnen-soldatenuniform aantrekken. + + + +Vrijdag. + +«Het is ongeloofelijk, hoeveel oudere menschen er zijn, die mij +zoo heel graag zouden willen hebben,» zeide Ole Luk-Oie. «Dat +zijn inzonderheid diegenen, die het een of ander kwaad gedaan +hebben. «Goede, kleine Ole!» zeggen zij tegen mij, «wij kunnen de +oogen niet dichtdoen, en zoo liggen wij den heelen nacht en zien al +onze booze daden, die als kleine leelijke kaboutermannetjes op den +rand van het bed zitten en ons met heet water bespuiten; mocht gij +maar komen en ze wegjagen, dan zouden wij gerust kunnen slapen.» +Daarop slaken zij een diepen zucht. «Wij zouden er waarlijk graag +voor betalen. Goeden nacht, Ole! het geld ligt in het kozijn!» Maar +ik doe het niet voor geld!» zegt Ole Luk-Oie. + +«Wat zullen we nu van nacht te zien krijgen?» vroeg Hjalmar. + +«Ja, ik weet niet, of je van nacht wel weer lust hebt om naar een +bruiloft toe te gaan; het is een heel ander soort van bruiloft dan +die van gisteren. De groote pop van je zusje, die, welke er als man +uitziet en Herman genoemd wordt, wil met pop Bertha in het huwelijk +treden. Het is bovendien de verjaardag van de pop, en daarom zullen +zij zeer veel geschenken krijgen!» + +«Ja, daar weet ik alles van!» zeide Hjalmar. «Als de poppen nieuwe +kleeren noodig hebben, dan laat mijn zusje ze altijd haar verjaardag +vieren of bruiloft houden; dat is zeker al honderdmaal gebeurd!» + +«Ja, maar van nacht is het de honderd eerste bruiloft, en als +honderd een uit is, dan is alles voorbij! Daarom wordt deze ook zoo +prachtig. Kijk maar eens!» + +En Hjalmar keek naar de tafel. Daar stond het kleine bordpapieren +huis met licht voor de ramen, en buiten daarvoor presenteerden alle +tinnen soldaten het geweer. Het bruidspaar zat in gedachten verdiept, +waarvoor het wel reden had, op den grond en leunde tegen den poot der +tafel aan. Maar Ole Luk-Oie, die in den zwarten rok der grootmoeder +gekleed was, trouwde ze. Toen de trouwplechtigheid afgeloopen was, +hieven al de meubelen in de kamer het volgende mooie lied aan, dat +door het potlood geschreven was: + + + Hoog klink' ons lied, gelijk de wind, + Voor 't bruidspaar, dat zich saam verbindt! + Zij pralen beiden, stijf en blind, + Van leer, dat men niet mooier vindt. + Hoera! al zijn ze doof en blind, + Wij zijn tot zingen thans gezind! + + +En nu kregen zij geschenken; maar zij hadden verzocht van alle eetwaren +verschoond te blijven, want zij hadden genoeg aan hun liefde. + +«Zullen wij nu een zomerwoning betrekken of op reis gaan?» vroeg +de bruidegom. En nu werd de raad van de zwaluw, die veel gereisd +had, en van de oude kip, die vijfmaal kuikentjes uitgebroed had, +ingeroepen. De zwaluw vertelde van de heerlijke warme landen, waar +de druiven zoo groot en zwaar waren, waar de lucht zoo zacht was en +de bergen kleuren hadden, zooals men ze hier niet zag. + +«Maar onze boerenkool hebben ze toch niet!» zei de kip. «Ik ben +een heelen zomer lang met al mijn kuikentjes op het land geweest; +daar was een zandgroeve, waarin wij konden rondloopen en krabbelen; +en dan hadden wij den toegang tot een tuin met boerenkool! O, wat +was die lekker! Ik kan mij niets schooners voorstellen!» + +«Maar de eene koolstronk ziet er precies uit als de andere,» zei de +zwaluw, «en dan is het hier dikwijls slecht weer.» + +«Ja, daaraan is men gewend!» zei de kip. + +«Maar hier is het koud en vriest het!» + +«Dat is goed voor de kool!» zei de kip. «Overigens kunnen we het +hier ook wel warm hebben! Hebben wij niet vier jaren geleden, +een zomer gehad, die vijf weken lang duurde? Het was zoo heet, dat +men haast geen adem kon halen! En dan hebben wij hier niet al die +vergiftige dieren, die ze daar hebben! En wij hebben hier geen last +van roovers. Het is een booswicht, die niet vindt, dat ons land het +mooiste is. Hij verdient waarlijk niet, hier te zijn!» En toen weende +de kip en vervolgde: «Ik heb ook gereisd. Ik heb twaalf mijlen ver +in een mand gereden! Ik vind niet veel plezier in het reizen!» + +«Ja, de kip is een verstandige vrouw!» zei pop Bertha. «Ik houd er +niets van, bergen te beklimmen; want dat gaat maar op en dan weer +neer. Neen, wij zullen naar de zandgroeve toe gaan en in den kooltuin +rondwandelen!» + +En daarbij bleef het. + + + +Zaterdag. + +«Krijg ik nu sprookjes te hooren?» vroeg de kleine Hjalmar, zoodra +Ole Luk-Oie hem in slaap gemaakt had. + +«Van avond hebben wij er geen tijd voor,» zei Ole Luk-Oie en spreidde +zijn mooie paraplu over hem uit. «Bekijk deze Chineezen maar eens!» +En de paraplu zag er uit, als een groote Chineesche schaal met blauwe +boomen en smalle bruggen en met kleine Chineezen er op, die daar +stonden en met het hoofd knikten. «Wij moeten de heele wereld tegen +morgen mooi opgepronkt hebben,» zei Ole Luk-Oie, «het is dan immers +een feestdag, het is Zondag. Ik wil naar de kerktorens toe om te +zien, of de kleine kerkkaboutermannetjes de klokken wel polijsten, +opdat zij mooi klinken. Ik wil naar buiten naar het veld en zien, +of de winden het stof van gras en bladeren blazen; en wat nog het +zwaarste werk is, ik zal al de sterren naar beneden halen, om ze +op te poetsen. Ik neem ze in mijn schort; maar eerst moet aan ieder +een nommer gegeven worden, en de gaten, waarin zij daarboven zitten, +moeten ook genommerd worden, opdat zij weer op de rechte plaats komen, +anders zouden zij niet vastzitten, en dan zouden wij te veel vallende +sterren krijgen, want dan zou de een na de andere naar beneden rollen.» + +«Hoor eens! Weet je wat, mijnheer Ole Luk-Oie?» zei een oud portret, +dat tegen den muur van het vertrek, waarin Hjalmar sliep, hing. + +«Ik ben Hjalmars overgrootvader! Ik dank u, dat ge den jongen +sprookjes vertelt; maar ge moet zijn begrippen niet verwarren. De +sterren kunnen niet naar beneden genomen en opgepoetst worden! De +sterren zijn wereldbollen, evenals onze aarde en juist dat is het +goede dat er aan is.» + +«Ik dank u wel, oude overgrootvader!» zei Ole Luk-Oie; «ik dank u +wel! Gij zijt immers het hoofd der familie; maar ik ben toch ouder +dan gij. Ik ben een oude heiden: Romeinen en Grieken noemden mij +droomgod! Ik ben in de deftigste huizen geweest en kom er nog! Ik +weet zoowel met geringen als met aanzienlijken om te gaan! Nu kunt gij +vertellen.»--En daarop ging Ole Luk-Oie heen en nam zijn paraplu mee. + +«Nu, nu! Het schijnt, dat men niet eens meer voor zijn gevoelen mag +uitkomen!» bromde het oude portret. + +Op dit oogenblik werd Hjalmar wakker. + + + +Zondag. + +«Goeden avond!» zei Ole Luk-Oie, en Hjalmar knikte hem toe en +sprong toen weg en keerde het portret van zijn overgrootvader, dat +tegen den muur hing, om, opdat het niet, evenals den vorigen nacht, +zou meespreken. + +«Nu moet ge sprookjes vertellen: van de vijf groene erwten, die in één +schil woonden, van den hanepoot, die aan den kippepoot het hof maakte, +en van de stopnaald, die zich verbeelde dat zij een naainaald was.» + +«Men kan ook van het goede te veel krijgen!» zei Ole Luk-Oie. «Je +weet immers wel, dat ik je het liefst wat laat zien! Ik zal je daarom +mijn broeder eens laten kijken Deze heet ook Ole Luk-Oie, maar hij +komt bij niemand meer dan eens, en wien hij bezoekt, dien neemt hij +op zijn paard mee en vertelt hem sprookjes. Hij kent er maar twee; +het eene is zoo prachtig schoon, als niemand op de wereld het zich +kan voorstellen, en het andere is zoo leelijk en afschuwelijk, dat +het niet om te beschrijven is!» Daarop tilde Ole Luk-Oie den kleinen +Hjalmar naar het raam op en zei: «Daar zal je mijn broeder zien, den +anderen Ole Luk-Oie! Ze noemen hem den dood! Zie je wel; hij ziet er +volstrekt niet zoo leelijk uit als in de prentenboeken, waar hij maar +een geraamte is! Neen, dat is zilveren borduursel, dat hij op zijn +gewaad heeft, dat is de mooiste huzarenuniform; een mantel van zwart +fluweel vliegt achter over het paard. Zie, hoe hij in galop rijdt!» + +En Hjalmar zag, hoe deze Ole Luk-Oie wegreed en zoowel jonge als +oude lieden op zijn paard nam. Eenigen zette hij voorop, anderen +achterop, maar altijd vroeg hij eerst: «Hoe staat het met het +aanteekeningboek?»--«Goed!» zeiden zij allemaal.--«Ja, laat mij het +zelf eens zien!» zeide hij, en dan moest ieder hem het boek laten +zien, en al diegenen, die «Zeer goed» en «Uitmuntend» hadden, zette +hij voorop het paard, en dezen kregen het mooie sprookje te hooren, +maar die, welke «Tamelijk» en «Middelmatig» hadden, moesten achterop +en kregen het leelijke sprookje te hooren, zij sidderden en weenden; +zij wilden van het paard springen, maar konden het niet, want zij +waren er dadelijk aan vastgegroeid. + +Maar de dood is immers de prachtigste Ole Luk-Oie!» zei Hjalmar. «Voor +hem ben ik niet bang!» + +«Dat moet je ook niet zijn!» zei Ole Luk-Oie, «pas maar op, dat je +een goed getuigenis krijgt.» + +«Ja, dat is leerrijk!» mompelde het portret van den +overgrootvader. «Het helpt toch wel eens, als men zijn meening zegt.» + +En nu verklaarde hij zich tevreden. + +Zie, dat is de geschiedenis van Ole Luk-Oie; nu moet hij u zelf van +avond maar meer vertellen. + + + + +HET OUDE HUIS. + + +In zekere straat stond een oud, overoud huis. Het was bijna driehonderd +jaren oud; zoo stond er op den gevel te lezen, waarop het jaartal met +tulpen en hopranken aangebracht was. Daar las men geheele verzen in +den schrijftrant van den ouden tijd, en boven ieder raam was in het +kozijn een gezicht uitgesneden, dat allerlei grimassen maakte. De eene +verdieping stak een heel eind buiten de andere uit, en vlak onder het +dak was een looden goot met een drakenkop. Het regenwater moest uit den +bek komen, maar het liep uit den buik, want er was een lek in de pijp. + +Al de andere huizen in de straat waren nog nieuw en mooi, met groote +ruiten en gladde muren. Men kon het wel aan hen merken, dat zij niets +met het oude huis te doen wilden hebben. Zij dachten misschien wel: +«Hoe lang zal dat kavalje nog tot algemeene ergernis in de straat +staan? De kroonlijst steekt zoo ver vooruit, dat niemand uit onze +ramen kan zien, wat er aan den overkant voorvalt. De trap is zoo breed +als die van een kasteel en zoo hoog, alsof zij naar een kerktoren +voerde. Het ijzeren hek ziet er uit, als de ingang tot een familiegraf, +en koperen knoppen staan er op,--het is waarlijk al te gek!» + +Aan den overkant stonden ook nieuwe en nette huizen, en deze dachten +er evenals de andere over; maar voor het raam van een daarvan zat een +kleine jongen met frissche roode wangen en heldere blauwe kijkers, +en dien beviel het oude huis bijzonder goed, zoowel bij zonne- +als bij maneschijn. En als hij naar den muur aan den overkant keek, +waar de kalk afgevallen was, dan zag hij er de zonderlingste beelden +op, juist zooals de straat er vroeger uitgezien had, met bordessen, +kroonlijsten en spitse gevels; hij kon soldaten zien met hellebaarden, +en dakgoten, die als draken en griffioenen om het huis heenliepen.--Dat +was nu juist zoo'n huis om naar te kijken, en daarin woonde een oud +man, die een korte leeren broek droeg en een rok met groote koperen +knoopen en een pruik, waarvan men wel kon zien, dat het een echte +pruik was. Alle ochtenden kwam er een oud man bij hem, die den boel +opknapte en boodschappen voor hem deed. Overigens woonde de grijsaard +met zijn korte broek geheel alleen in het oude huis. Somtijds vertoonde +hij zich voor de ramen en keek naar buiten, en dan knikte de kleine +jongen hem toe, en dan knikte de grijsaard terug, en zoo raakten zij +met elkaar bekend, en zoo werden zij vrienden, ofschoon zij elkaar +nooit gesproken hadden. Maar dat was immers ook volstrekt niet noodig. + +De kleine jongen hoorde zijn ouders zeggen: «De oude man daar aan +den overkant heeft het heel goed, maar hij is alleen.» + +Den volgenden Zondag wikkelde de kleine jongen iets in een stuk papier, +ging daarmee voor de huisdeur staan en zei tegen den persoon, die de +boodschappen voor den grijsaard deed: «Hoor eens! Wilt ge dit voor +mij aan den ouden man aan den overkant geven? Ik heb twee tinnen +soldaten; dit is er een van; hij moet dien hebben; want ik weet, +dat hij heelemaal alleen is.» + +En de oude oppasser zag er vergenoegd uit, knikte en bracht den +tinnen soldaat naar het oude huis. Later werd er een boodschap naar +den overkant gezonden, of de jongeheer ook lust had, zelf eens een +bezoek te komen brengen. En daartoe gaven zijn ouders hem vergunning; +en zoo kwam hij in het oude huis. + +En de koperen knoppen op de leuning van het bordes blonken veel +helderder dan anders: men zou haast gezegd hebben, dat zij om +het verwachte bezoek geschuurd waren. En het was precies, alsof +de uitgesnedene trompetters,--want op de deur waren trompetters +uitgesneden, die in tulpen stonden,--uit al hun macht bliezen; +hun wangen zagen er veel boller uit dan vroeger. Ja, zij bliezen: +Ratata, ratata! De kleine jongen komt! Ratata, ratata!»--En toen ging +de deur open. Het geheele voorhuis was met oude portretten behangen, +met ridders in harnassen en vrouwen in zijden kleeren; en de harnassen +rammelden en de zijden kleeren ruischten!--En toen kwam er een trap; +deze liep eerst naar boven en dan weer een klein eindje naar beneden, +en dan kwam men op een balkon, dat echter zeer bouwvallig was, met +groote gaten en breede reten; hieruit kwam gras te voorschijn; want +het geheele balkon, de binnenplaats en de muur waren met zoo veel +groen begroeid, dat het er uitzag als een tuin; maar het was slechts +een balkon. Hier stonden oude bloempotten, die gezichten en ezelsooren +hadden; maar de bloemen groeiden, zooals het haar goeddacht. In den +eenen pot hingen er aan alle kanten anjelieren over, namelijk de +bladeren daarvan; en deze zeiden duidelijk verstaanbaar: «De lucht +heeft ons gestreeld, de zon heeft ons gekust en ons tegen den Zondag +een kleine bloem beloofd, een kleine bloem tegen den Zondag!» + +En toen kwamen zij in een kamer, waar de muren met varkensleer behangen +waren, en op het varkensleer waren gouden bloemen gedrukt. + + + «'t Verguldsel moge ras vergaan, + Het varkensleer blijft steeds bestaan!» + + +zeiden de muren. + +En daar stonden stoelen met hooge ruggen, met snijwerk en met armen +aan de beide kanten. «Ga zitten!» zeiden zij. «Och, wat kraakt het in +mij! Nu zal ik zeker ook jicht krijgen, evenals de oude kast. Jicht +in den rug! Foei!» + +En toen kwam de kleine jongen in de kamer, waar de oude man zat. + +«Dank voor den tinnen soldaat, mijn kleine vriend!» zei de oude +man. «En dank daarvoor, dat je eens naar mij toe gekomen bent!» + +«Dank, dank!» of «Knap, knap!» zeiden alle meubelen. Er waren er zoo +vele, dat zij elkaar bijna in den weg stonden, om den kleinen jongen +te zien. + +En midden aan den muur hing een schilderij, een mooie dame, die er +jeugdig en vroolijk uitzag, maar zoo gekleed was als in den ouden tijd, +met poeder in het haar en met kleeren, die stijf uitstonden. Deze +zeide noch «dank!» noch «knap!» maar keek met haar vriendelijke oogen +op den kleinen jongen neer, die dadelijk aan den ouden man vroeg: +«Waar hebt ge die vandaan?» + +«Van den uitdrager,» zei de oude man. «Daar hangen altijd vele +schilderijen, maar niemand kende ze of bekommerde er zich over, want +ze zijn allemaal begraven. Maar vele jaren geleden heb ik haar gekend, +en nu is zij al sedert een halve eeuw dood en weg!» + +En onder het schilderij hing achter glas een ruiker verwelkte bloemen; +deze waren zeker ook een halve eeuw oud, zoo zagen zij er ten minste +uit. En de slinger der groote klok ging heen en weer, en de wijzers +draaiden in de rondte, en alles in de kamer werd nog ouder; maar +niemand merkte het. + +«Ze zeggen thuis,» begon de kleine jongen, «dat ge altijd alleen zijt.» + +«O,» zeide hij, «de oude gedachten met alles, wat zij met zich +mee kunnen voeren, komen en bezoeken mij, en nu kom jij immers ook +eens!--Het gaat heel goed met mij!» + +En daarop nam hij van een plank tegen den muur een prentenboek; daarin +stonden lange optochten, de wonderlijkste rijtuigen, zooals men ze +heden ten dage niet meer ziet; soldaten als klaverenboer, en burgers +met wapperende vaandels. De kleermakers hadden een vaandel met een +schaar, die door twee leeuwen vastgehouden werd, en de schoenmakers +een vaandel zonder laars, maar met een arend, die twee koppen had; +want bij de schoenmakers moet alles zoo zijn, opdat zij kunnen zeggen: +«Dat is een paar!»--Dat was eerst een mooi prentenboek! + +De oude man ging naar de andere kamer, om wat ingelegde vruchten, +appelen en noten te halen. Het was werkelijk heerlijk in het oude huis. + +«Ik kan het hier niet uithouden!» zei de tinnen soldaat, die op de +kist stond. «Het is hier veel te eenzaam en te somber. Och, als men +het huiselijk leven eenmaal heeft leeren kennen, dan kan men aan het +leven hier niet gewennen. Ik kan het niet uithouden! De dag duurt mij +te lang, maar de avond nog langer; hier is het volstrekt niet zooals +bij u aan den overkant, waar uw vader en moeder altijd vergenoegd met +elkaar praten, en waar gij en de andere kinderen een oorverdoovend +geraas maken. Och! wat is het bij den ouden man eenzaam! Denkt ge, +dat hij zoenen krijgt? Denkt ge, dat hij vriendelijke blikken of een +Kerstboom krijgt? Hij krijgt niets dan een graf.--Ik kan het hier +niet uithouden.» + +«Je moet het niet zoo van de sombere zijde beschouwen!» zei de +kleine jongen. «Mij komt dat alles bijzonder prettig voor, en al +de oude gedachten met datgene, wat zij met zich mee kunnen voeren, +komen hier immers een bezoek brengen.» + +«Ja, maar die zie ik niet en die ken ik niet!» zei de tinnen +soldaat. «Ik kan het hier niet uithouden.» + +«Dat moet je toch!» zei de kleine jongen. + +De oude man kwam met het vergenoegdste gezicht en met de heerlijkste +ingelegde vruchten en appelen en noten; nu dacht de knaap niet meer +aan den tinnen soldaat. + +Gelukkig en vergenoegd kwam de kleine jongen thuis; en er verliepen +dagen en weken; er werd naar het oude huis toe en van het oude huis +teruggeknikt; nu ging de kleine jongen weer naar den overkant. + +De uitgesneden trompetters bliezen: «Ratata, ratata! Daar is de +kleine jongen! Ratata, ratata!» De zwaarden en de wapenrustingen op +de oude ridderportretten rammelden en de zijden kleeren ruischten; +het varkensleer vertelde, en de oude stoelen hadden jicht in den +rug. Dat was alles, evenals de eerste maal, want aan den overkant +was de eene dag en het eene uur precies als de andere. + +«Ik kan het hier niet langer uithouden!» zei de tinnen soldaat. «Ik +heb tin gehuild. Het is hier te somber! Laat mij liever ten strijde +trekken en armen en beenen verliezen! Dit is ten minste eens wat +anders. Ik kan het hier niet uithouden!--Nu weet ik wat het wil zeggen, +bezoek te krijgen van zijn oude gedachten en van alles, wat zij met +zich mee kunnen voeren. Ik heb een bezoek van de mijne gehad, en ge +kunt er zeker van zijn, dat dit op den langen duur niet plezierig +is. Het heeft niet veel gescheeld, of ik was van de kist naar beneden +gesprongen. Ik zag u allen in het huis aan den overkant zoo duidelijk, +alsof ge werkelijk hier waart. Het was weer Zondagmorgen, wanneer +gij, kinderen, allen voor de tafel stondt en den psalm zongt, zooals +ge iederen morgen doet. Ge stondt met gevouwen handen, en uw vader +en moeder waren even ernstig gestemd; daar ging de deur open, en uw +kleine zusje Marie, die nog geen twee jaar oud is en altijd danst, +als zij muziek of gezang hoort, van welken aard dit ook wezen moge, +werd in de kamer neergezet.--Zij mocht wel is waar niet, maar zij +begon toch te dansen; zij kon echter niet goed op haar dreef komen, +want de tonen waren te lang uitgerekt, en daarom stond ze eerst op +haar ene been en hield haar hoofd voorover; maar het ging niet. Ge +bleeft allen heel ernstig, ofschoon ge werk hadt om u goed te houden; +maar ik moest bij mij zelf lachen, en daarom viel ik van de tafel naar +beneden en kreeg een bult, waarmee ik nog loop; want het was niet +goed van mij, dat ik lachte. Maar dit alles, en alles wat ik verder +beleefd heb, komt mij nu weer voor den geest, en dat zijn zeker de +oude gedachten met alles, wat zij met zich meevoeren. Zeg mij eens, +of ge des Zondags nog zingt? Vertel mij iets van Marie! En hoe gaat +het met mijn kameraad, den anderen tinnen soldaat? Ja, die is zeker +heel gelukkig!--Ik kan het hier niet meer uithouden!» + +«Je bent present gegeven,» zei de knaap, «en je moet hier dus +blijven. Zie je dat zelf niet in?» + +En de oude man kwam met een kistje, waarin allerlei te zien was: +blanketdoosjes en pommadefleschjes, oude kaarten, zoo groot en verguld, +als men ze nu niet meer te zien krijgt. Er werden meer kastjes +opengedaan, ook het klavier; daarin waren van binnen op het deksel +landschappen geschilderd; maar het was schor, toen de oude man er op +speelde; toen knikte hij tegen het portret, dat hij bij den uitdrager +gekocht had, en de oogen van den ouden man fonkelden daarbij helder. + +«Ik wil ten strijde trekken! Ik wil ten strijde trekken!» riep de +tinnen soldaat zoo hard, als hij maar kon, en sprong op den vloer neer. + +Waar was hij gebleven? De oude man zocht, de kleine jongen zocht: +weg was hij en weg bleef hij. «Ik zal hem wel vinden,» zei de oude +man; maar hij vond hem niet; de vloer was te open en vol gaten. De +tinnen soldaat was door een reet gevallen; daar lag hij nu, als in +een open graf. + +De dag verliep, en de kleine jongen kwam thuis; en er verliepen +verscheidene weken. De ruiten waren heelemaal bevroren, en de kleine +jongen moest er op ademen, om een gat te maken, ten einde naar het +oude huis te kunnen kijken. Er was sneeuw in alle hoeken gewaaid, +en deze bedekte de heele trap, alsof er niemand in huis was. En er +was ook niemand in huis: de oude man was gestorven! + +'s Avonds hield er een lijkkoets voor de deur stil, en daar zette +men zijn doodkist in: hij zou buiten op het land in zijn familiegraf +rusten. Daar werd hij nu naar toe gereden; maar niemand volgde zijn +lijk; al zijn vrienden waren dood. De kleine jongen wierp de doodkist, +toen deze voorbijreed, kushandjes toe. + +Eenige dagen daarna werd er verkooping in het oude huis gehouden, +en de kleine jongen keek uit zijn raam, hoe men de oude ridders en +de oude dames, de bloempotten met de lange ooren, de stoelen en de +oude kasten wegdroeg. Het eene ging hierheen, het andere daarheen; +_haar_ portret, dat van den uitdrager gekocht was, kwam weer bij den +uitdrager te land, en daar bleef het hangen; want niemand bekommerde +zich om het oude schilderij. + +In het voorjaar brak men het huis af; het was een kavalje, zeiden de +menschen. Men kon van de straat vlak in de kamer op het varkensleeren +behangsel zien, dat aan stukken gesneden en van den muur afgehaald +werd, en het groen van het balkon hing verwilderd om de balken, +die met instorting bedreigd werden.--En nu werd er opruiming gehouden. + +«Dat helpt!» zeiden de naburige huizen. + +Er werd een prachtig huis gebouwd met groote ramen en witte, gladde +muren; maar voor de plaats, waar het oude huis gestaan had, werd een +klein tuintje aangelegd, en tegen den muur van den buurman klommen +wilde wijngaardranken op, voor het tuintje kwam een groot ijzeren hek +met een ijzeren deur; dat zag er deftig uit. De menschen bleven er voor +staan en keken er doorheen. En de musschen zetten zich bij dozijnen +op de wijngaardranken neer en praatten door elkaar, zoo hard als zij +maar konden, doch niet over het oude huis, want dat konden zij zich +niet meer herinneren; er waren al vele jaren verloopen,--zoo veel, +dat de kleine jongen tot een man, ja, tot een degelijk man opgegroeid +was, waarvan zijn ouders plezier hadden. Hij was pas getrouwd en had +met zijn vrouw het huis betrokken, waarvoor het tuintje zich bevond; +en hier stond hij nu naast haar, terwijl zij een veldbloem, die zij +heel mooi vond, in een pot zette; zij plantte haar met haar kleine +hand en drukte de aarde met haar vingers vast aan.--«Ai! Wat was +dat?»--Zij prikte zich. Boven de weeke aarde stak een zeker puntig +voorwerp uit. Dat was--begrijp eens!--dat was de tinnen soldaat, +dezelfde, die bij den ouden man verloren geraakt was, die een geruimen +tijd tusschen timmerhout en puin rondgedwaald en nu reeds vele jaren +in de aarde gelegen had. + +De jonge vrouw veegde den soldaat eerst met een groen blad en toen +met haar fijnen zakdoek af; deze gaf een heerlijken geur van zich! En +het was den tinnen soldaat juist zoo te moede, alsof hij uit een +bezwijming ontwaakte. + +«Laat mij hem eens zien!» zei de jonge man, glimlachte en schudde +daarop het hoofd. «Die kan het toch wel niet zijn; maar hij doet mij +denken aan een geschiedenis met een tinnen soldaat, dien ik gehad heb, +toen ik nog een kleine jongen was.» En daarop vertelde hij aan zijn +vrouw van het oude huis en den ouden man, en van den tinnen soldaat, +die hij hem toegezonden had, omdat hij zoo alleen was, zoodat de tranen +de jonge vrouw in de oogen kwamen over het oude huis en den ouden man. + +«Het is toch wel mogelijk, dat dit dezelfde tinnen soldaat is!» zeide +zij. «Ik zal hem bewaren en denken aan hetgeen je mij verteld hebt; +maar het graf van den ouden man moet je mij eens wijzen.» + +«Ik weet niet, waar het is,» antwoordde hij, «en dat weet niemand. Al +zijn vrienden waren dood; niemand plantte er bloemen op, en ik was +destijds immers nog maar een kleine jongen!» + +«Ach! Wat zal hij het hier eenzaam gehad hebben!» zeide zij. + +«Ja, eenzaam!» zei de tinnen soldaat; «maar heerlijk is het, niet +vergeten te worden!» + +«Heerlijk!» riep een stem dicht in de nabijheid; maar niemand anders +dan de tinnen soldaat zag, dat dit van een stuk van het varkensleeren +behangsel kwam, dat nu zonder eenig verguldsel was. Het zag er uit als +natte aarde; maar een overtuiging had het toch, en deze sprak het uit: + + + «'t Verguldsel moge ras vergaan, + Het varkensleer blijft steeds bestaan!» + + +Maar de tinnen soldaat geloofde dat niet. + + + + +DE GELUKKIGE FAMILIE. + + +Het grootste groene blad in Denemarken is zeker wel dat van het +kliskruid; houdt men er een voor zijn lijf, dan is het als een schort, +en legt men het op zijn hoofd, dan is het bij regenachtig weer bijna +even goed als een paraplu, want het is buitengewoon groot! Nooit +groeit een klis alleen; waar er een groeit, daar groeien er ook meer; +het is een pracht om te zien! En al deze pracht is slakkenkost. + +De groote, witte slakken, waarvan de deftige lui in oude dagen +fricassée lieten klaarmaken en, als zij het gegeten hadden, zeiden: +«Hé! wat smaakt dat!»--want zij geloofden nu eenmaal, dat het +overheerlijk smaakte, zij leefden van klisbladeren. En daarom werd +er kliskruid gezaaid. + +Nu was er een oud ridderkasteel, waar men geen slakken meer at. De +slakken waren uitgestorven, maar de klissen niet. Deze groeiden +en groeiden in alle paden, op alle bedden; men kon ze niet meer +keeren; het was een echt klissenbosch. Hier en daar stonden appel- of +pruimeboomen, anders zou men zeker nooit op de gedachte gekomen zijn, +dat het hier een tuin was. Alles was kliskruid, en daarin woonden de +beide laatste stokoude slakken, een mannetje en een wijfje. + +Zij wisten zelf niet, hoe oud zij waren; maar zij konden zich zeer +goed herinneren, dat zij veel grooter in getal geweest waren, dat +zij van een familie uit vreemde landen afstamden, en dat het bosch +voor hen en de hunnen geplant was. Zij waren er nooit buiten geweest, +maar het was hun bekend, dat er nog iets in de wereld was, dat het +ridderkasteel heette; daar werd men gekookt, dan werd men zwart en +op een zilveren schotel gelegd;--wat er later nog meer gebeurde, dat +wisten zij niet. Hoe dat overigens is, wanneer men gekookt en op een +zilveren schotel gelegd wordt, konden zij zich niet voorstellen, maar +heerlijk moest het zijn, en vooral moest het heel deftig staan. Noch +de meikever, noch de pad, noch de regenworm, die zij daarnaar vroegen, +konden hun daaromtrent inlichtingen geven; want geen van hun soort +was ooit gekookt of op een zilveren schotel gelegd. + +De oude, witte slakken waren de voornaamsten in de wereld: dat wisten +zij! Het bosch was er ter wille van hen, en het ridderkasteel ook, +opdat zij gekookt en op een zilveren schotel gelegd zouden kunnen +worden. + +Zij leefden nu zeer ingetogen, en daar zij zelf kinderloos waren, +hadden zij een kleine gemeene slak, een jongetje, tot zich genomen, dat +zij als hun eigen kind opvoedden. Maar de kleine wilde niet groeien, +want het was maar een gemeene slak; doch de oudjes, inzonderheid de +pleegmoeder, meenden wel te merken, dat hij toch grooter werd. En zij +verzocht den pleegvader, als hij dit niet kon zien, toch eens aan het +kleine slakkehuisje te willen voelen; nu betastte hij dit en vond, +dat zijn vrouw gelijk had. + +Op zekeren, dag regende het geducht. + +«Hoor eens, hoe het op de klisbladeren trommelt!» zei de pleegvader. + +«Dat noem ik droppels!» zei de pleegmoeder. «Het loopt immers bij den +steel neer! Je zult eens zien, dat het hier nat zal worden. Ik ben +maar blij, dat wij onze goede huisjes hebben, en dat de kleine er +ook een heeft! Er is toch werkelijk meer voor ons gedaan, dan voor +alle andere schepselen; men kan het toch duidelijk zien, dat wij de +hoogste plaats in de wereld bekleeden! Wij hebben van onze geboorte af +huisjes, en het klissenbosch is ter wille van ons gezaaid! Ik zou wel +eens willen weten hoe ver dit zich uitstrekt en wat er buiten ligt.» + +«Daar is niets,» zei de pleegvader, «dat beter zou kunnen zijn, +dan bij ons: ik heb volstrekt niets te wenschen.» + +«Ja,» zei de pleegmoeder. «Ik zou wel naar het ridderkasteel gebracht, +gekookt en op een zilveren schotel gelegd willen worden; dat is +met al onze voorvaderen gebeurd, en je kunt gelooven: daar is een +bedoeling bij.» + +«Misschien is het ridderkasteel wel ingestort,» zei de pleegvader, +«of is het klissenbosch er overheen gegroeid, zoodat de menschen er +niet meer uit konden komen. En bovendien is daarbij toch ook geen +haast. Maar je haast je altijd te veel, en de kleine begint dat ook +al te doen. Kruipt hij niet reeds sedert drie dagen tegen den steel +op? Ik krijg er waarlijk hoofdpijn van, als ik naar hem opkijk.» + +«Je moet niet op hem knorren!» zei de pleegmoeder. «Hij kruipt immers +heel voorzichtig; wij zullen zeker veel vreugde aan hem beleven; en +wij oudjes hebben immers niets anders, waarvoor wij leven. Maar heb +je er wel eens over nagedacht, waar wij een vrouw voor hem vandaan +zullen krijgen! Denk je niet, dat er zich verder in het klissenbosch +nog zulke van onze soort ophouden?» + +«Zwarte slakken zullen daar wel zijn, denk ik,» zei de pleegvader, +«zwarte slakken zonder huisje! Maar die zijn te gemeen en toch +verbeelden zij zich heel wat. Maar wij zouden aan de mieren wel +eens last kunnen geven om naar een vrouw voor hem uit te kijken; +die loopen toch heen en weer, alsof zij heel wat zaken aan de hand +hadden; die zullen zeker wel een vrouw voor onzen kleine weten.» + +«Ik zou er wel een weten,» zeide een der mieren; «maar ik vrees, +dat dit niet zal gaan, want het is een koningin.» + +«Dat doet er niet toe!» zeiden de oudjes. «Heeft zij een huis?» + +«Zij heeft een kasteel!» antwoordde de mier; «het mooiste mierenkasteel +met zevenhonderd gangen.» + +«Hartelijk bedankt!» zei de pleegmoeder. «Onze pleegzoon zal niet +naar een mierennest toe. Als je niets beters weet, dan zullen we aan +de muggen maar eens last geven, die vliegen overal rond in regen en +zonneschijn, die kennen het klissenbosch van haver tot gort.» + +«Wij weten een vrouw voor hem!» zeiden de muggen. «Honderd +menschenstappen hier vandaan zit op een kruisbessenboom een kleine +slak met een huisje; die woont heelemaal alleen en is oud genoeg om +te trouwen. Het is maar honderd menschenstappen hier vandaan.» + +«Ja, laat haar maar eens bij hem komen!» zeiden de oudjes. «Hij heeft +een klissenbosch, zij maar een boom.» + +En nu haalden zij het kleine dametje. Het duurde acht dagen voordat +zij kwam; maar dat stond juist deftig, en daaraan kon men zien, +dat zij van de rechte soort was. + +Daarop hielden zij bruiloft. Zes glimwormpjes gaven licht, zoo goed +als zij konden; overigens ging alles heel stil in zijn werk, want +de oude slakken konden geen geraas en getier velen. Maar er werd een +heerlijke toespraak door de pleegmoeder gehouden. + +De pleegvader kon niet spreken: hij was te geroerd. Daarop gaven zij +hun als erfenis het geheele klissenbosch en zeiden, wat zij altijd +gezegd hadden: dat het het beste van de wereld was, en dat zij, +als zij rechtschapen en eerbaar leefden en zich vermenigvuldigden, +eenmaal benevens hun kinderen op het ridderkasteel zouden komen, en +zwart gekookt en op een zilveren schotel gelegd worden. En nadat deze +toespraak geëindigd was, kropen de oudjes in hun huisje en kwamen +er nooit meer uit: zij sliepen. Het jonge slakkenpaar regeerde nu +in het bosch en kreeg een talrijke nakomelingschap. Daar zij echter +nooit gekookt op den zilveren schotel kwamen, maakten zij daaruit op, +dat het ridderkasteel ingestort en dat alle menschen op de wereld +uitgestorven waren. En daar niemand hen tegensprak, moest het immers +wel waar zijn. De regen viel op de klissenbladeren neer, om voor +hen trommelmuziek te maken, de zon scheen, om het klissenbosch voor +hen te verven; en zij waren zeer gelukkig, en de heele familie was +gelukkig, overgelukkig. + + + + +TWEE JUFFERS. + + +Hebt ge wel eens een juffer gezien?--dat is te zeggen, wat de +straatmakers een juffer noemen, een ding, waarmee zij de straatsteenen +vaststampen. Zulk een juffer is geheel en al van hout, onderaan breed +en van ijzeren handen voorzien, bovenaan smal met een stok er door +heen,--en dezen stok heeft de juffer voor armen. + +In de schuur stonden twee zulke juffers; zij hadden haar plaats +tusschen straathamers, handwagens en kruiwagens, en tot deze allen was +het gerucht doorgedrongen, dat de juffers voortaan niet meer «juffers,» +maar «straatstampers» zouden heeten, hetgeen in de straatmakerstaal +de eenige en alleen juiste benaming is voor het ding, dat men in +vroegere tijden altijd een juffer noemde. + +De twee juffers in de bergplaats dachten er volstrekt niet aan, +haar ouden naam zoo maar op te geven en zich «straatstampers» te +laten noemen. + +«Juffer is een menschennaam,» zeiden zij, «maar straatstamper is een +ding, en wij laten ons niet zoo maar een ding noemen; dat zou een +smaad voor ons zijn!» + +«Mijn minnaar zou in staat zijn, het engagement te verbreken!» zei +de jongste, die met een heiblok verloofd was; en een heiblok is een +ding, dat groote palen in den grond drijft en dus in het grove datgene +verricht, wat de juffer in het fijne doet. «Hij wil mij als juffer tot +vrouw nemen, maar of hij dit zou doen, als ik een straatstamper werd, +is de vraag nog, en daarom laat ik mij ook niet herdoopen.» + +«En ik,» zei de oudste, «laat liever mijn beide armen afhouwen!» + +De kruiwagen was echter van een ander gevoelen, en de kruiwagen was +nog al iemand van beteekenis; hij beschouwde zich als het vierde +gedeelte van een koets, omdat hij op één wiel liep. + +«Ik moet u echter doen opmerken,» sprak deze, «dat juffer vrij +alledaagsch en op verre na niet zoo deftig klinkt, als straatstamper +of stempel, welke naam ook voorgesteld is, en waardoor ge b. v. in de +klasse der cachetten zoudt treden, en denkt maar eens aan het groote +staatscachet, waarmee men het staatszegel opdrukt en aan de wet eerst +kracht verleent. Neen, als ik in uw plaats was, dan zou ik dat «juffer» +maar opgeven.» + +«Neen, dat nimmer! Daar ben ik te oud voor!» zei de oudste. + +«Ge hebt waarschijnlijk nog nooit hooren spreken over het ding, +dat men de «Europeesche noodzakelijkheid» noemt,» bracht de eerlijke +wisse in het midden. «Men moet zich in tijd en omstandigheden weten +te schikken, en is er eenmaal een wet uitgevaardigd, dat de juffers +straatstampers moeten heeten, welnu, dan moeten zij ook straatstampers +heeten, en dan helpt het niet, of men er al tegen moppert.» + +«Neen,» zei de jongste, «dan zou ik mij, als er dan toch een +verandering moet plaats hebben, nog liever jonkvrouw laten noemen: +jonkvrouw klinkt toch nog altijd wat deftiger dan juffer!» + +«Maar dan laat ik mij liever tot brandhout hakken!» zei de oudste +juffer. + +Eindelijk ging men aan het werk; de juffers reden, zij werden op den +kruiwagen gelegd, dat was wel een goede behandeling, maar met dat al +noemde men ze toch straatstampers. + +«Juf...!» zeiden zij, terwijl zij de straatsteenen +vaststampten. «Juf...!» En het scheelde niet veel, of zij hadden het +geheele woord «juffer» uitgesproken, maar zij braken plotseling af +en slikten de laatste lettergreep in, want na rijp beraad achtten +zij het beneden haar waardigheid om er zich tegen te verzetten. Maar +onder elkaar noemden zij zich altijd «juffer» en prezen den goeden, +ouden tijd, toen men ieder ding bij zijn waren naam noemde en men +juffer genoemd werd, als men juffer was; en dat bleven zij allebei; +want het heiblok verbrak inderdaad het engagement met de jongste: +hij wilde slechts een juffer tot vrouw hebben. + + + + +DE WILDE ZWANEN. + + +Ver van hier, daar, waarheen de zwaluwen vliegen, wanneer wij winter +krijgen, woonde eens een koning. Deze had elf zonen en één dochter, +Elize genaamd. De elf broeders waren prinsen. Zij gingen met de ster +op de borst en de sabel op zijde naar school toe, zij schreven met +diamanten griften op gouden leien en leerden even goed van buiten, als +zij lazen; men kon dadelijk hooren, dat het prinsen waren. Hun zuster +Elize zat op een klein bankje van spiegelglas en had een prentenboek, +dat voor het halve koninkrijk gekocht was. + +O, die kinderen hadden het zoo goed, als het maar kon; doch zoo zou +het niet altijd blijven! + +Hun vader, die koning over het geheele land was, trouwde met een +booze koningin, die de arme kinderen volstrekt niet mocht lijden. Op +den eersten dag konden zij dit al merken. Op het kasteel heerschte +groote pracht, en nu speelden de kinderen, dat zij visite hadden; +maar in plaats dat zij, evenals vroeger, zooveel koek en gebraden +appels kregen, als er maar te vinden waren, gaf zij hun slechts zand +in een theekopje en zeide, dat zij nu maar net moesten doen, alsof +dit iets was. + +In de daarop volgende week bracht zij de kleine Elize naar het +platteland naar een boer en een boerin toe, en lang duurde het niet, +of zij loog den koning zooveel van de arme prinsen voor, dat deze +zich volstrekt niet meer om hen bekommerde. + +«Vliegt de wijde wereld in en helpt u zelf!» zei de booze +koningin. «Vliegt, evenals de groote vogels zonder stem!» Maar zij +kon het toch niet zoo erg maken, als zij graag wilde; het werden elf +prachtige wilde zwanen. Met een zonderling geschreeuw vlogen zij uit +de ramen van het kasteel, over het park heen en het bosch in. + +Het was nog vroeg in den morgen, toen zij daar voorbijkwamen, waar hun +zuster Elize in de kamer van den boer lag te slapen. Hier zweefden +zij boven het dak, draaiden met hun lange halzen heen en weer en +sloegen toen met hun vleugels; maar niemand hoorde of zag het. Zij +moesten weer verder, hoog naar de wolken op, de wijde wereld in; nu +vlogen zij naar een groot, donker bosch, dat zich tot aan het strand +der zee uitstrekte. + +De arme, kleine Elize stond in de kamer van den boer en speelde met +een groen blad: want ander speelgoed had zij niet. Zij stak een gat +in dit blad, keek er doorheen naar de zon, en nu was het, alsof zij +de heldere oogen van hare broeders zag; telkens wanneer de warme +zonnestralen op haar wangen vielen, dacht zij aan al hun kussen. + +De eene dag verliep evenals de andere. Als de wind door de groote +rozenheggen buiten voor het huis gierde, dan fluisterde hij de rozen +toe: «Wie kan schooner zijn dan gij?» Maar de rozen schudden het hoofd +en zeiden: «Elize is schooner!» En als de oude vrouw des Zondags +voor de deur zat en in haar gezangboek las, dan keerde de wind de +bladeren om en zeide tegen het boek: «Wie kan vromer zijn dan gij?» +En dan antwoordde het gezangboek: «Elize is vromer!» En het was de +volle waarheid, wat de rozen en het gezangboek zeiden. + +Toen zij vijftien jaar oud was, zou zij naar huis terugkeeren; +maar toen de koningin zag, hoe schoon zij was, werd zij toornig +op haar. Gaarne zou zij haar in een wilden zwaan veranderd hebben, +evenals haar broeders; maar dat waagde zij niet dadelijk, omdat de +koning zijn dochter wilde zien. + +'s Morgens vroeg ging de koningin in het bad, dat van marmer gebouwd +en met zachte kussens en de prachtigste dekens versierd was; zij nam +drie padden, kuste ze en zei tegen de eene: «Ga op het hoofd van Elize +zitten, als zij in het bad komt, opdat zij even dom moge worden, als +jij bent!»--«Zet je op haar voorhoofd neer,» zeide zij tegen de tweede, +«opdat zij even leelijk moge worden, als jij bent, zoodat haar vader +haar niet herkent!»--«Rust aan haar hart!» fluisterde zij de derde toe; +«laat haar een boos karakter krijgen, opdat zij daarvan verdriet moge +hebben!» Daarop zette zij de padden in het heldere water, dat terstond +een groene kleur aannam, riep Elize, kleedde haar uit en liet haar in +het water neerdalen. En terwijl Elize onder water dook, zette de eene +pad zich in haar haar, de andere op haar voorhoofd en de derde op haar +borst neer. Maar Elize scheen dit niet te bemerken; zoodra zij zich +oprichtte, dreven er drie roode papavers op het water. Als de dieren +niet vergiftig geweest waren en een kus van de heks gekregen hadden, +dan zouden zij in roode rozen veranderd zijn. Maar bloemen werden zij +toch, omdat zij op haar hoofd, haar voorhoofd en haar hart gezeten +hadden. Zij was te vroom en te onschuldig, dan dat de tooverij macht +over haar zou kunnen hebben! + +Toen de booze koningin dit zag, wreef zij Elize met het sap van een +walnoot in, zoodat zij donkerbruin werd, bestreek haar schoon gelaat +met een stinkende zalf en liet haar prachtig haar in de war raken. Het +was onmogelijk, de schoone Elize nu te herkennen. + +Toen haar vader haar zag, verschrikte hij en zeide, dat het zijn +dochter niet was. Geen anderen dan de hond en de zwaluwen konden haar +herkennen; maar dat waren arme dieren, die niets te zeggen hadden. + +Nu weende de arme Elize en dacht aan haar elf broeders, die allemaal +weg waren. Bedroefd sloop zij het kasteel uit en liep den geheelen dag +over veld en moeras, totdat zij in het groote bosch kwam. Zij wist +niet, waar zij naar toe zou gaan, maar gevoelde zich diep bedroefd +en verlangde naar haar broers; dezen waren zeker ook, evenals zij, +de wijde wereld ingejaagd; en nu wilde zij hen zoeken en vinden. + +Slechts korten tijd was zij in het bosch geweest, toen de nacht +aanbrak; zij wist nu weg noch steg meer; daarom ging zij op het zachte +mos liggen, deed haar avondgebed en leunde met haar hoofd tegen een +boomtronk aan. Er heerschte een diepe stilte; de lucht was zacht, en om +haar heen in het gras en in het mos gaven honderden glimwormpjes, als +een groen vuur, gloed van zich; toen zij een der takken zachtjes met +haar hand aanraakte, vielen de lichtgevende insecten als verschietende +sterren naast haar neer. + +Den geheelen nacht droomde zij van haar broers; zij speelden weer +als kinderen, schreven met de diamanten griften op de gouden leien +en keken in het prachtige prentenboek, dat het halve koninkrijk +gekost had. Maar op hun leien schreven zij niet, evenals vroeger, +cijfers, maar de moedige daden, die zij volbracht, alles, wat zij +ondervonden en gezien hadden; en in het prentenboek leefde alles; +de vogels zongen en de menschen kwamen het boek uit en spraken met +Elize en haar broers. Maar als dezen het blad omkeerden, sprongen +zij er dadelijk weer in, opdat de prenten niet in de war zouden raken. + +Toen zij wakker werd, stond de zon al hoog aan den hemel; Elize kon +haar echter niet zien; want de hooge boomen spreidden hun takken dicht +boven haar uit. Maar de stralen speelden daarboven als een gouden lint; +er was een geur van het groen, en de vogels zetten zich bijna op haar +schouders neer. Zij hoorde water plassen: dat waren groote bronnen, +die alle in een meer uitliepen, met den heerlijksten zandgrond. Het +was omringd door dichte struiken; maar op één plaats hadden de herten +een groote opening gemaakt, en hier ging Elize naar het water toe. Dit +was zoo helder, dat men, als de wind de takken en de struiken niet +had aangeraakt, zoodat zij zich bewogen, zou gedacht hebben, dat zij +op den bodem van het water afgeteekend waren; zoo duidelijk spiegelde +ieder blad zich daarin af, zoowel dat, hetwelk door de zon beschenen +werd, als dat, hetwelk in de schaduw was. + +Zoodra Elize haar eigen gezicht zag, verschrikte zij, zoo bruin en +leelijk was het; maar toen zij haar kleine hand nat maakte en daarmee +over haar oogen en haar voorhoofd wreef, kwam haar blanke huid weer te +voorschijn. Nu kleedde zij zich uit en daalde in het frissche water +neer! Een schooner koningskind, dan zij was, werd er in de wereld +niet gevonden! + +Toen zij zich weer aangekleed en haar lange lokken gevlochten had, +ging zij naar de springbron toe, dronk uit het holle van haar hand +en liep het bosch dieper in, zonder zelf te weten waarheen. Zij +dacht aan haar broeders, dacht aan den goeden God, die haar zeker +niet zou verlaten. God liet de wilde appelen in het bosch groeien, +om de hongerigen te verzadigen. Hij wees haar zulk een boom aan; +de takken daarvan bogen zich onder den last der vruchten. Hier hield +zij haar middagmaal, zette stutten onder de takken en ging toen het +donkerste gedeelte van het bosch in. Daar was het zoo stil, dat zij +haar eigen voetstappen hoorde, alsmede het ritselen van ieder dor blad, +dat zich onder haar voet boog. Geen enkele vogel was er te zien, geen +enkele zonnestraal kon door de groote, donkere takken heendringen; +de hooge stammen stonden zoo dicht bij elkaar, dat het, wanneer zij +voor zich uitkeek, den schijn had, alsof zij door een hek van balken +omgeven was. O, hier heerschte een eenzaamheid, zooals zij vroeger +nooit gekend had. + +De nacht werd stikdonker; geen enkel glimwormpje gaf meer licht in +het mos. Bedroefd legde zij zich ter neer om te slapen. Nu scheen +het haar, alsof de takken der boomen boven haar ter zijde weken en +de goede God met milde blikken op haar neerzag; en de kleine engelen +keken boven Zijn hoofd en onder Zijn armen uit. + +Toen zij 's morgens wakker werd, wist zij niet, of zij het gedroomd +had, dan of het werkelijk zoo geweest was. + +Zij deed eenige schreden voorwaarts. Nu ontmoette zij een oude vrouw +met bessen in haar mand; de oude vrouw gaf haar daarvan wat. Elize +vroeg haar, of zij niet elf prinsen door het bosch had zien rijden. + +«Neen,» zei de oude vrouw; «maar ik heb gisteren elf zwanen, ieder +met een gouden kroon op den kop, hier in de nabijheid over de rivier +zien zwemmen.» + +En zij bracht Elize een eindje verder tot aan een helling; aan den +voet daarvan kronkelde zich een riviertje; de boomen op de oevers +strekten hun lange, lommerrijke takken naar elkander uit, en waar zij, +tengevolge van hun natuurlijken groei, niet aan elkander konden raken, +daar waren de wortels uit den grond losgerukt en hingen, met de takken +in elkaar gestrengeld, over het water heen. + +Elize zei de oude vrouw vaarwel en liep langs het riviertje tot aan +de plaats, waar dit naar den grooten, open oceaan vloeide. + +De geheele heerlijke zee lag voor het jonge meisje, maar geen +enkel zeil vertoonde zich daarop, geen enkel schip was er op te +zien. Hoe zou zij nu verder komen? Zij bekeek de tallooze kleine +steentjes, die er op het strand lagen: het water had ze allemaal +rond gemaakt. Glas, ijzer, steenen, alles, wat daar aangespoeld was, +had zijn vorm gekregen door het water, dat toch veel zachter dan haar +fijne hand was. «Dat rolt onvermoeid voort, en zoo wordt het harde +glad; ik zal ook zoo onvermoeid zijn. Dank voor uw les, gij heldere, +rollende golven! Eenmaal, dat zegt mij mijn hart, zult ge mij naar +mijn broeders toe brengen!» + +Op het aangespoelde zeegras lagen elf witte zwaneveeren; zij bond ze +bij elkaar. Er lagen waterdroppels op: of het dauwdroppels of tranen +waren, kon niemand zien. Eenzaam was het daar aan het strand, maar zij +gevoelde het niet; want de zee bood een eeuwige afwisseling aan, ja, +meer in slechts weinige uren, dan de zoete landwateren in een jaar +kunnen opleveren. Als er een groote, zwarte wolk kwam, dan was het, +alsof de zee wilde zeggen: «Ik kan er ook donker uitzien,» en dan +blies de wind en keerden de golven den witten kant naar buiten. Maar +als de wolken rood schenen en de winden sliepen, dan was de zee als +een rozeblad; nu eens werd zij groen, dan weer wit. Maar hoe stil +zij ook was, aan den oever was toch altijd een zachte beweging; het +water verhief zich slechts even, gelijk de borst van een slapend kind. + +Toen de zon zou ondergaan, zag Elize elf witte zwanen met gouden kronen +op hun koppen naar het land toe komen; zij vlogen vlak achter elkaar, +zoodat ze een lang wit lint schenen. Nu klom Elize de helling op en +verborg zich achter een kreupelboschje; de zwanen zetten zich dicht +bij haar neer en sloegen met hun groote witte vleugels. + +Zoodra de zon in het water verdwenen was, vielen de zwaneveeren +plotseling af, en nu stonden daar elf schoone prinsen, de broeders +van Elize. Zij gaf een luiden gil; ofschoon zij heel wat veranderd +waren, wist zij toch, dat zij het waren, gevoelde zij, dat zij het +zijn moesten. En zij vloog hun in de armen en noemde hen bij name; +en de prinsen voelden zich hoogst gelukkig, toen zij hun kleine +zuster zagen en herkenden ook haar, die nu groot en schoon was. Zij +lachten en weenden, en al spoedig hadden zij begrepen, hoe slecht +hun stiefmoeder voor hen allen geweest was. + +«Wij broeders,» zei de oudste, «wij vliegen als wilde zwanen, zoolang +de zon aan den hemel staat; zoodra zij ondergegaan is, krijgen wij onze +menschelijke gedaante terug. Daarom moeten wij altijd oppassen, dat +wij bij den ondergang der zon een rustplaats voor onze voeten hebben; +want als wij op dien tijd naar de wolken opvliegen, dan moeten wij als +menschen in de diepte neerstorten. Hier wonen wij niet; er ligt een +even schoon land als dit aan gene zijde der zee. Maar de weg daarheen +is ver: wij moeten over de groote zee heen, en er bevindt zich geen +eiland op onzen weg, waar wij kunnen overnachten: alleen een kleine +klip steekt er in het midden daarvan uit; deze is slechts zoo groot, +dat wij, dicht naast elkander liggende, daarop kunnen slapen. Is +de zee in hevige beweging, dan spat het water hoog boven ons uit; +maar toch danken wij God voor die klip. Daar overnachten wij in onze +menschelijke gedaante; zonder deze zouden wij ons lieve vaderland +nimmer kunnen bezoeken, want twee van de langste dagen des jaars +hebben wij voor onzen tocht noodig. Slechts eenmaal in het jaar is +het ons vergund, een bezoek aan ons vaderland te brengen; elf dagen +mogen wij hier blijven en over het groote bosch heenvliegen, vanwaar +wij het kasteel waarin wij geboren zijn en waar onze vader woont, en +de hooge kerktorens, waar onze moeder begraven is, kunnen zien. Hier +komt het ons voor, alsof boomen en planten aan ons verwant waren; +hier loopen de wilde paarden over de steppen heen, zooals wij dit in +onze kindsheid gezien hebben; hier zingt de kolenbrander zijn oude +liederen, waarop wij als kinderen dansten; hier is ons vaderland; +hierheen gevoelen wij ons aangetrokken, en hier hebben wij u, o lieve, +kleine zuster, gevonden! Twee dagen kunnen wij hier nog blijven, +dan moeten wij over de zee naar een heerlijk land, dat ons vaderland +echter niet is. Hoe zullen wij je daar naar toe brengen? Wij hebben +geen schip en geen boot!» + +«Op welke wijze kan ik je verlossen?» vroeg hun zuster. En zij spraken +bijna den geheelen nacht met elkaar: zij sliepen slechts eenige uren. + +Elize ontwaakte door het geklep der zwanevleugels, die over haar heen +bruisten: haar broeders waren weer veranderd en vlogen in groote +kringen en eindelijk ver weg; maar een hunner, de jongste, bleef +achter; en de zwaan legde zijn kop in haar schoot en zij streelde +zijn vleugels; den geheelen dag waren zij bij elkaar. Tegen den avond +kwamen de anderen terug, en toen de zon ondergegaan was, stonden zij +daar weer in hun natuurlijke gedaante. + +«Morgen vliegen wij van hier weg en kunnen voor het einde van een +geheel jaar niet terugkeeren. Maar wij kunnen je zoo niet verlaten. Heb +je moed om mee te gaan? Ik ben sterk genoeg om je door het bosch te +dragen. Zouden wij met ons allen niet zulke sterke vleugels hebben, +om met je over de zee te vliegen?» + +«Ja, neemt mij mee!» zei Elize. + +Den heelen nacht waren zij bezig van buigzame wilgenschors en taaie +biezen een net te vlechten, en dit werd groot en stevig. Op dit +net legde Elize zich neer, en toen de zon te voorschijn kwam en +haar broeders in wilde zwanen veranderd werden, pakten zij het net +met hun snavels beet en vlogen met hun lieve zuster, die nog sliep, +hoog naar de wolken op. De zonnestralen vielen vlak op haar gezicht, +daarom ging een der zwanen boven haar hoofd vliegen, opdat zijn breede +vleugels haar zouden beschutten. + +Zij waren al ver van het land verwijderd, toen Elize wakker werd; +zij dacht, dat zij nog droomde, zoo zonderling kwam het haar voor, +hoog door de lucht over de zee gedragen te worden. Naast haar lag een +tak met heerlijke, rijpe bessen en een bosje smakelijke wortelen; +deze had de jongste der broeders voor haar verzameld en bij haar +neergelegd. Zij glimlachte hem toe, want zij herkende hem; hij was het, +die boven haar vloog en haar met zijn vleugels beschaduwde. + +Zij waren zoo hoog, dat het grootste schip, dat zij onder zich zagen, +een witte meeuw scheen te zijn, die op het water dreef. Een groote +wolk stond achter hen; dat was een berg. En op dezen zag Elize haar +eigene schaduw en die der elf zwanen; zoo reusachtig groot vlogen +zij daar. Dat was een tooneel, prachtiger dan zij er vroeger ooit +een gezien had. Maar toen de zon hooger steeg en de wolk verder +achterbleef, verdween ook het zwevende schaduwbeeld. + +Den geheelen dag vlogen zij voort, als een snorrende pijl door de +lucht; maar het ging toch langzamer dan anders, want nu hadden zij hun +zuster te dragen. Er was ruw weer ophanden; de avond viel; angstig zag +Elize de zon al meer en meer dalen, en nog was de eenzame klip in zee +niet te zien. Het kwam haar voor, alsof de zwanen krachtiger slagen +met hun vleugels deden. Ach! zij was er de schuld van, dat zij niet +vlug genoeg konden voortkomen. Als de zon ondergegaan was, dan moesten +zij menschen worden, in de zee neerstorten en verdrinken. Nu zond zij +uit het binnenste haars harten een gebed tot God op; maar nog zag zij +geen klip. De zwarte wolk kwam naderbij; de wolken schenen een enkele, +groote, dreigende massa te zijn, die er bijna als lood uitzag en al +meer en meer voorwaarts dreef; bliksemstralen doorkliefden de lucht. + +Nu was de zon juist aan den rand der zee. Het hart van Elize beefde; +nu daalden de zwanen naar beneden, zoo snel, dat zij meende te +vallen. Maar nu vlogen zij weer verder. De zon was half onder het +water; nu zag zij eerst de kleine klip onder zich. Deze zag er niet +grooter uit, dan of het een zeehond was, die met zijn kop boven het +water uitstak. De zon daalde zeer snel; nu scheen zij nog slechts als +een ster; daar raakte haar voet den vasten grond aan. De zon doofde +uit, evenals de laatste vonk in brandend papier: arm in arm zag zij +haar broeders om zich heen staan; maar meer plaats dan juist voor +dezen en voor haar was er ook niet. De golven sloegen tegen de klip +aan en spatten als een stofregen over haar heen; de lucht stond als +in vuur, en de eene donderslag na den anderen ratelde; maar zuster +en broeders grepen elkaar bij de hand en zongen psalmen, waaruit zij +troost en moed putten. + +Toen het den volgenden morgen begon te schemeren, was de lucht helder +en stil; zoodra de zon opging, vlogen de zwanen met Elize van het +eiland weg. De golven gingen nog hoog; het had, terwijl zij zoo hoog +in de lucht waren, den schijn, alsof het witte schuim op de zwartachtig +groene zee millioenen zwanen waren, die op het water zwommen. + +Toen de zon hooger steeg, zag Elize voor zich, half in de lucht +drijvend, een bergachtig land met schitterende ijsmassa's op de +rotsen; en in het midden daarvan verhief zich een kasteel van wel een +mijl lang, met de eene kolossale zuilengang boven de andere; beneden +golfden palmbosschen en prachtige bloemen. Zij vroeg, of dit het land +was, waar zij naar toe wilden; maar de zwanen schudden met hun kop, +want datgene, wat zij zag, was het heerlijke, aldoor afwisselende +wolkenkasteel der Fata Morgana; daarin konden zij geen menschen +brengen. Elize staarde het aan; daar stortten bergen, bosschen en +kasteel ineen, en twintig trotsche kerken, alle aan elkaar gelijk, +met hooge torens en spitsboogvensters stonden voor hen. Zij meende een +orgel te hooren spelen, maar het was de zee, die zij hoorde. Nu was +zij zeer dicht bij de kerken, en eensklaps werden deze tot een geheele +vloot, die onder haar voortzeilde; maar toen zij naar beneden keek, +waren het slechts nevelen, die over het water heen dreven. Zoo had +zij een voortdurende afwisseling voor oogen, totdat zij eindelijk het +werkelijke land zag, waar zij naar toe wilden; daar verhieven zich de +heerlijkste blauwe bergen met cederbosschen, steden en kasteelen. Lang +voordat de zon onderging, zat zij op de rotsen voor een groote grot, +die met fijne groene slingerplanten begroeid was; het zag er uit, +alsof het geweven tapijten waren. + +«Nu zullen we eens zien, wat je hier van nacht droomt!» zei de jongste +broer en wees haar haar slaapkamer. + +«Moge de Hemel geven, dat ik droom, hoe ik je kan verlossen!» zeide +zij. En deze gedachte hield haar geheel en al bezig; zij bad innig +tot God om Zijn hulp; ja, zelfs in den slaap ging zij met bidden +voort. Daar kwam het haar voor, alsof zij hoog in de lucht vloog, +naar het wolkenkasteel der Fata Morgana; en de toovergodin kwam haar +te gemoet, schoon en van licht stralende; en toch geleek zij precies +op de oude vrouw, die haar in het bosch bessen gegeven en haar van +de zwanen met gouden kronen op den kop verteld had. + +«Uw broeders kunnen verlost worden,» zeide zij; «maar bezit ge moed +en volharding? Wel is het water zachter dan uw fijne handen, maar +toch rondt het de steenen af; doch het voelt de smarten niet, die uw +vingers zullen voelen; het heeft geen hart en lijdt den angst en de +kwelling niet, die gij zult moeten doorstaan. Ziet ge die brandnetel, +die ik in mijn hand houd? Van die zelfde soort groeien er verscheidene +rondom de grot, waarin ge slaapt; alleen die daar en die, welke op de +graven van het kerkhof groeien, zijn bruikbaar: let daar wel op! Die +moet ge plukken, ofschoon zij uw hand vol blaren zullen branden. Braak +deze brandnetels met uw voeten, dan krijgt ge vlas; daarvan moet ge +elf hemden met lange mouwen vlechten en naaien; werp deze over de +elf zwanen heen, dan is de betoovering geweken. Maar bedenk wel, dat +ge van het oogenblik, waarop ge met dezen arbeid begint, totdat deze +voltooid is, al mochten er ook jaren mee verloopen, niet moogt spreken; +het eerste woord, dat ge spreekt, dringt als een doodende dolk in de +harten van uw broeders door! Aan uw tong hangt hun leven! Neem dat +alles wel ter harte!» + +En zij raakte met haar hand tegelijkertijd de brandnetel aan; deze was +als een brandend vuur; Elize werd er wakker van. Het was klaarlichte +dag, en dicht bij de plaats, waar zij geslapen had, lag een brandnetel +evenals die, welke zij in den droom gezien had. Nu viel zij op haar +knieën, dankte God en ging de grot uit, om een begin met haren arbeid +te maken. + +Met haar fijne handen greep zij in de leelijke brandnetels; deze +waren als vuur; zij brandden groote blaren op haar handen en armen: +maar gaarne wilde zij dit lijden doorstaan, als zij er haar geliefde +broeders maar door kon verlossen. Zij braakte iedere brandnetel met +haar bloote voeten en vlocht het groene vlas. + +Toen de zon ondergegaan was, kwamen haar broeders en verschrikten, +toen zij merkten, dat zij stom was; zij dachten, dat dit een nieuwe +betoovering van hun booze stiefmoeder was. Maar toen zij haar handen +zagen, begrepen zij, wat zij om hunnentwil deed. De jongste broeder +weende; en waar zijn tranen vielen, daar voelde zij geen pijn meer; +daar verdwenen de brandende blaren. + +Den heelen nacht bracht zij met haar arbeid door; want zij had geen +rust, voordat zij haar broeders verlost had. Den volgenden dag, +terwijl de zwanen weg waren, zal zij in haar eenzaamheid; maar nog +nooit was de tijd haar zoo gauw voorbijgegaan als thans. Één hemd +was reeds klaar, nu begon zij aan het tweede. + +Eensklaps weerklonk er een jachthoorn tusschen de bergen; zij werd door +vrees aangegrepen. Het geschal kwam gedurig naderbij; zij hoorde honden +blaffen; verschrikt vluchtte zij in de grot, bond de brandnetels, +die zij verzameld en gebraakt had, in een bosje samen en zette zich +daarop neer. + +Terstond kwam er een groote hond uit de kloof te voorschijn, en al +spoedig daarop weer een, en nog een; zij blaften luide, liepen terug +en kwamen andermaal weer. Het duurde slechts weinige minuten, en nu +stonden al de jagers voor de grot, en de schoonste van hen was de +koning des lands. Hij ging naar Elize toe; nooit had hij een schooner +meisje gezien. + +«Hoe zijt ge hier zoo gekomen, beste meid?» vroeg hij. Elize schudde +met het hoofd: zij mocht immers niet spreken; het gold de verlossing +en het leven van haar broers. En zij verborg haar handen onder haar +schort, opdat de koning niet zou zien, wat zij moest lijden. + +«Ga met mij mee!» zeide hij. «Hier kunt ge niet blijven. Als ge even +goed zijt als schoon, dan zal ik u in zijde en fluweel kleeden, een +gouden kroon op uw hoofd zetten, en dan zult ge in mijn prachtigste +kasteel wonen en heerschen!»--Daarop tilde hij haar op zijn paard. Zij +weende en wrong zich de handen; maar de koning zei: «Ik wil slechts +uw geluk. Eenmaal zult ge mij daarvoor danken.» Met deze woorden reed +hij door het gebergte heen en zette haar voor zich op het paard neer, +en de jagers reden achter hen. + +Toen de zon onderging, lag de schoone koningstad met kerken en koepels +voor hen. En de koning bracht haar in het kasteel, waar groote +fonteinen in de marmeren zalen sprongen, en waar schilderijen aan +de muren prijkten. Maar zij had daarvoor geen oogen: zij weende en +treurde slechts. Gewillig liet zij zich door de vrouwen koninklijke +kleeren aandoen, paarlen in de haren vlechten en fijne handschoenen +over haar verbrande vingers aantrekken. + +Toen zij daar in al haar pracht stond, was zij verblindend schoon, +zoodat het hof diep voor haar boog. En de koning verkoos haar tot zijn +bruid, ofschoon de aartsbisschop het hoofd schudde en fluisterde, dat +het schoone meisje uit het bosch zeker een heks was: zij verblindde +de oogen des konings en maakte zijn hart verdwaasd. + +Maar de koning luisterde daar niet naar, liet de muziek weerklinken, +de kostelijkste gerechten opdragen en de bekoorlijkste meisjes om +haar heen dansen. En zij werd door geurende tuinen in prachtige +zalen gebracht, maar geen enkel glimlachje kwam er op haar lippen +of uit haar oogen: als een beeld der treurigheid stond zij daar. Nu +deed de koning een kleine kamer daarnaast open, waar zij zou slapen; +deze was met kostbare groene tapijten versierd en geleek op de grot, +waarin zij geweest was; op den vloer lag een bosje vlas, dat zij +uit de brandnetels vervaardigd had, en onder een gordijn hing het +hemd, dat geheel gereed was. Dit alles had een der jagers als een +curiositeit meegenomen. + +«Hier kunt ge u in uw vroegere woonplaats terugdroomen!» zei de +koning. «Hier is de arbeid, die u daar bezighield; thans, midden in al +uw pracht, zal het u een genoegen zijn, aan dien tijd terug te denken.» + +Toen Elize zag, wat haar zoo na aan het hart lag, speelde er een +glimlach om haar lippen en keerde het bloed naar haar wangen terug. Zij +dacht aan de verlossing van haar broeders, kuste den koning de hand, +en hij drukte haar aan zijn hart en liet door al de kerkklokken het +bruiloftsfeest verkondigen. Het schoone, stomme meisje uit het bosch +werd de koningin van het land. + +Nu fluisterde de aartsbisschop booze woorden in de ooren van den +koning, maar deze drongen niet tot zijn hart door. De bruiloft zou +plaats hebben; de aartsbisschop zelf moest haar de kroon op het hoofd +zetten, en hij drukte met kwaadwilligheid den nauwen diadeem vast +op haar voorhoofd, zoodat het haar pijn deed. Maar een heviger pijn +gevoelde zij in haar hart: de smart over haar broeders. Zij voelde +het lichamelijk lijden niet. Haar mond was stom; een enkel woord zou +immers aan haar broeders het leven kosten; maar in haar oogen verried +zich innige liefde jegens den goeden, schoonen koning, die alles deed +om haar genoegen te geven. Van ganscher harte kreeg zij hem van dag +tot dag meer lief. O, mocht zij haar hart slechts voor hem kunnen +uitstorten en hem haar lijden klagen! Doch stom moest zij zijn, stom +moest zij haar werk volbrengen. Daarom sloop zij des nachts van zijn +zijde weg, ging naar de kleine kamer, die evenals de grot ingericht +was, en maakte het eene hemd na het andere gereed. Maar toen zij aan +het zevende zou beginnen; had zij geen vlas meer. + +Zij wist, dat de brandnetels, die zij moest hebben, op het kerkhof +groeiden; maar deze moest zij zelf plukken. Hoe zou zij daar naar +toe kunnen gaan? + +«O, wat is de pijn in mijn vingers bij de foltering, die mijn hart +doorstaat!» dacht zij. «Ik moet het wagen! Het zal mij stellig aan +hulp niet ontbreken!» Met een angst, alsof het een booze daad was, +die zij in den zin had, sloop zij in den nachtelijken maneschijn naar +den tuin en liep door de lanen en door de eenzame straten naar het +kerkhof. Daar zag zij op een der grootste grafsteenen een troep heksen +zitten. Deze leelijke heksen trokken haar lompen uit, alsof zij zich +wilden baden, en daarop dolven zij met haar lange, magere vingers de +versche graven op, haalden er met duivelsche begeerigheid de lijken +uit en aten van hun vleesch. Elize moest er op een kleinen afstand +voorbij, en zij vestigden haar booze blikken op haar; maar zij bad +in stilte, verzamelde de brandnetels en bracht ze naar het kasteel toe. + +Slechts een enkel mensch had haar gezien, en wel de aartsbisschop; +hij was wakker, wanneer de anderen sliepen. Nu had hij toch gelijk, +dat het met de koningin niet was, zooals het wezen moest; zij was +een heks, daarom had zij den koning en het volk verblind. + +In den biechtstoel zeide hij tegen den koning, wat hij gezien had en +wat hij vreesde. En toen de harde woorden van zijn lippen vloeiden, +schudden de heiligenbeelden met hun hoofden, alsof zij wilden zeggen: +«Het is zoo niet! Elize is onschuldig!» Maar de aartsbisschop gaf er +een andere uitlegging aan; hij dacht, dat zij tegen haar getuigden, +en dat zij om haar zonde het hoofd schudden. Nu biggelden den koning +twee tranen langs de wangen; hij ging naar huis met twijfel in zijn +hart en hield zich 's nachts, alsof hij sliep. Maar er kwam geen +geruste slaap in zijn oogen: hij merkte, dat Elize opstond. Iederen +nacht herhaalde zij dit, en telkens achtervolgde hij haar stilletjes +en zag, hoe zij in haar kamer verdween. + +Van dag tot dag werd zijn voorkomen somberder; Elize zag dit, maar +begreep niet, hoe het kwam; het maakte haar echter ongerust, en wat +leed zij niet in haar hart voor haar broeders! Op het koninklijk +fluweel en purper vloeiden haar heete tranen; deze lagen daar als +fonkelende diamanten en allen, die deze schitterende pracht zagen, +wenschten koningin te zijn. Intusschen was zij al spoedig met haar +arbeid gereed; slechts één hemd ontbrak er nog aan; maar vlas had +zij ook niet meer en geen enkele brandnetel. Nog eenmaal, en wel +voor den laatsten keer, moest zij daarom naar het kerkhof, om eenige +handenvol te plukken. Zij dacht met angst aan dezen eenzamen tocht +en aan de verschrikkelijke heksen; maar haar wil stond vast, alsmede +haar vertrouwen op den Heer. + +Elize ging er heen; maar de koning en de aartsbisschop volgden +haar. Zij zagen haar het hek van het kerkhof doorgaan, en toen zij daar +dichter bij kwamen, zaten de heksen op den grafsteen, evenals Elize ze +gezien had; en de koning wendde zich af, want hij meende ook haar daar +te zien, wier hoofd nog dien zelfden avond aan zijn borst gerust had. + +«Het volk moet haar vonnissen!» zeide hij. En het volk veroordeelde +haar tot den dood op den brandstapel. + +Uit de prachtige koninklijke zalen werd zij naar een donkeren, +vochtigen kerker overgebracht, waar de wind door de tralies heenfloot; +in plaats van fluweel en zijde gaf men haar het bosje brandnetels, +dat zij verzameld had: daar kon zij haar hoofd op neerleggen: de +harde, brandende hemden, die zij vervaardigd had, zouden haar dekens +zijn. Maar men had haar niets kunnen geven, wat haar aangenamer was; +zij vatte haar werk weer op en bad tot God. Buiten zongen de jongens +spotliederen op haar; niemand troostte haar met een vriendelijk woord. + +Daar klapten er tegen den avond dicht voor het getraliede raam +zwanevleugels; dat was de jongste der broeders. Hij had zijn zuster +gevonden; en zij snikte luid van vreugde, ofschoon zij wist, dat +de nacht, die aanstaande was, waarschijnlijk de laatste zou zijn, +dien zij te leven had. Maar nu was het werk ook bijna geëindigd, +en haar broeders waren hier. + +De aartsbisschop kwam nu, om in haar laatste uren bij haar te zijn: +dat had hij den koning beloofd. Maar zij schudde het hoofd en smeekte +met blikken en gebaren, dat hij heen zou gaan. Dezen nacht moest zij +haar arbeid immers voltooien, anders was alles vruchteloos, alles: +smart, tranen en slapelooze nachten. De aartsbisschop verwijderde zich, +terwijl hij haar toornige woorden toevoegde; maar de arme Elize wist, +dat zij onschuldig was en ging met haar werk voort. + +De kleine muizen liepen over den vloer; zij sleepten brandnetels naar +haar toe, om toch ook wat te helpen; en de lijster zette zich voor +het raam neer en zong den heelen nacht zoo vroolijk, als zij maar kon, +opdat Elize den moed niet zou verliezen. + +Het was nog schemerachtig; eerst na verloop van een uur ging de zon +op. En daar stonden de elf broeders voor de poort van het kasteel en +verlangden tot den koning toegelaten te worden. Dat kon niet gebeuren, +werd hun ten antwoord gegeven; het was immers nog nacht: de koning +sliep en mocht niet wakker gemaakt worden. Zij smeekten en dreigden, +de wacht kwam, ja, zelfs de koning ging naar buiten en vroeg, wat dat +moest beteekenen? Daar ging de zon op, en nu waren er geen broeders +te zien; maar boven het kasteel vlogen er elf wilde zwanen. + +Het geheele volk stroomde de stadspoort uit: het wilde de heks zien +verbranden. Een oud paard trok de kar, waarop zij zat, voort; men +had haar een kiel van grof zaklinnen aangetrokken; haar prachtig +haar hing verward om haar hoofd; haar wangen waren doodsbleek, haar +lippen bewogen zich zachtjes, terwijl haar vingers het groene vlas +vlochten. Zelfs op haar doodsweg hield zij niet met het begonnen werk +op; de tien hemden lagen aan haar voeten, aan het elfde werkte zij +nog. Het gepeupel bespotte haar. + +«Kijk die leelijke heks eens! Geen gezangboek heeft zij in de hand; +neen, met haar afschuwelijke tooverij zit zij daar! Scheurt haar in +duizend stukken!» + +En zij snelden allen op haar los en wilden de hemden verscheuren, +toen er elf wilde zwanen kwamen aanvliegen, die zich rondom haar +op de kar neerzetten en met hun groote vleugels klapten. Nu week de +menigte verschrikt op zijde. + +«Dat is een teeken van den hemel! Zij is zeker onschuldig!» fluisterden +velen. Maar zij waagden het niet, dit overluid te zeggen. + +Nu greep de beul haar bij de hand, waarop zij de elf hemden haastig +over de zwanen heenwierp. En onmiddellijk stonden daar elf schoone +prinsen. Maar de jongste had een zwanevleugel in plaats van zijn +eenen arm, want er ontbrak een mouw aan zijn hemd: deze had zij niet +klaargekregen. + +«Nu mag ik spreken!» zeide zij. «Ik ben onschuldig!» + +En het volk, dat zag, wat er gebeurd was, boog zich voor haar als voor +een heilige; maar zij zonk levenloos in de armen van haar broeders: +zoozeer hadden overspanning, angst en smart haar aangegrepen. + +«Ja, onschuldig is zij,» zei de oudste broeder, en nu vertelde hij +alles, wat er gebeurd was. En terwijl hij sprak, verspreidde zich een +geur, als van millioenen rozen, want ieder stuk brandhout van den +brandstapel had wortelen geschoten en kreeg takken; er stond daar +een geurende heg, hoog en groot, met roode rozen; bovenaan prijkte +een bloem, wit en schitterend; deze fonkelde als een ster. De koning +plukte haar af en stak haar op de borst van Elize: nu ontwaakte zij +met vrede en gelukzaligheid in het hart. + +En alle kerkklokken luidden van zelf, en de vogels kwamen bij groote +scharen aan. Het werd een bruidsstoet naar het kasteel terug zooals +geen koning nog ooit gezien had! + + + + +HET MADELIEFJE. + + +Luister nu eens! + +Buiten op het land, dicht aan den weg, stond een aardig huisje. Ge +hebt het zeker zelf wel eens gezien. Daarvoor is een kleine tuin met +bloemen en een heining, die geverfd is; dicht daarbij aan den kant van +de gracht, te midden van het mooiste groene gras, groeide een klein +madeliefje; de zon bescheen het even warm en heerlijk als de groote, +mooie, prachtige bloemen in den tuin, en daarom groeide het van uur +tot uur. + +Op zekeren morgen stond het met zijn kleine, sneeuwwitte blaadjes, +die als stralen rondom de gele zon in het midden zaten, geheel +ontloken. Het dacht er niet aan, dat niemand het daar in het gras +zag, en dat het een arm, veracht bloempje was; neen, het was zeer +vergenoegd, het wendde zich naar de warme zon toe, keek er naar op +en luisterde naar den leeuwerik, die in de lucht zong. + +Het kleine madeliefje was zoo gelukkig, alsof het een groote feestdag +was, en het was toch maar een Maandag. Al de kinderen waren naar school +toe. Terwijl dezen op hun banken zaten en leerden, zat het madeliefje +op zijn kleinen, groenen stengel en leerde ook van de warme zon en +van alles in den omtrek, hoe goed God is; en het beviel het bloempje +goed, dat de kleine leeuwerik alles, wat het in stilte gevoelde, +zoo duidelijk en schoon zong. En het madeliefje keek met een soort +van eerbied naar den gelukkigen vogel, die kon zingen en vliegen, +maar was er niet bedroefd over, dat het dit zelf niet kon. «Ik zie en +hoor immers!» dacht het; «de zon beschijnt mij en de wind kust mij! O, +hoe rijk ben ik toch begiftigd!» + +In den tuin stonden vele stijve, deftige bloemen; hoe minder geur +zij van zich gaven, des te meer pronkten zij. De pioenen bliezen +zich op, om grooter dan een roos te zijn; maar in de grootte zit +het hem niet! De tulpen hadden de allerschoonste kleuren, en dat +wisten zij wel en hielden zich zoo recht als een kaars, opdat men ze +beter zou kunnen zien. Zij letten niet op het kleine madeliefje daar +buiten; maar dit keek des te meer naar hen en dacht: «Wat zijn zij +toch rijk en schoon! Ja, de prachtige vogel vliegt zeker naar hen +toe en brengt hun een bezoek! Goddank dat ik er zoo dicht bij sta, +dan heb ik toch ook wat aan die pracht!» En terwijl het dit dacht, +«Kieviet!» daar kwam de leeuwerik aanvliegen, maar niet naar de +pioenen en de tulpen toe,--neen, hij zette zich op het gras bij +het arme madeliefje neer. Dit verschrikte zoo, dat het niet wist, +wat het er van moest denken. + +De kleine vogel danste rondom het lieve bloempje heen en zong: «O, wat +is dat gras toch zacht! En zie eens, welk een lief bloempje met goud +in het hart en zilver op zijn kleed!» Het gele stipje in het madeliefje +zag er immers als goud uit, en de blaadjes rondom waren zilverwit. + +Hoe gelukkig het kleine madeliefje was,--neen, dat kan niemand zich +voorstellen! De vogel kuste het met zijn snavel, zong er voor en vloog +toen weer in de blauwe lucht op. Het duurde zeker wel een kwartier, +voordat het madeliefje weer wat tot zich zelf gekomen was. Half +beschaamd en toch innerlijk verheugd, keek het naar de andere bloemen +in den tuin; zij hadden immers de eer en het geluk, dat hem weervaren +was, gezien; zij moesten immers begrijpen, welk een blijdschap dit +voor hem was. Maar de tulpen stonden nog eens zoo stijf als vroeger, +en toen zetten zij een lang gezicht en werden vuurrood, want zij hadden +er zich over geërgerd. De pioenen waren knorrig; het was goed, dat zij +niet konden spreken, anders had het madeliefje zeker een hatelijkheid +moeten aanhooren. De arme kleine bloem kon wel zien, dat zij niet in +een goede luim waren, en dat deed haar van harte leed. Op hetzelfde +oogenblik kwam er een meisje met een groot, scherp en blinkend mes +in den tuin; zij liep naar de tulpen toe en sneed de eene na de +andere af. «Och!» zeide het madeliefje met een zucht: «dat is toch +verschrikkelijk: nu is het met hen gedaan!» Daarop ging het meisje met +de tulpen weg. Het madeliefje was er blij om, dat het buiten in het +gras stond en een klein bloempje was, het gevoelde zich zeer dankbaar, +en toen de zon onderging, vouwde het zijn blaadjes dicht, viel in +slaap en droomde den heelen nacht van de zon en van den kleinen vogel. + +Den volgenden morgen, toen het bloempje al zijn witte blaadjes weer +als kleine armen naar de lucht en het licht uitstrekte, herkende het de +stem van den vogel; maar het klonk treurig, wat hij zong. Ja, de arme +leeuwerik had daar wel reden voor; hij was gevangen en zat in een kooi, +dicht bij het open raam. Hij bezong het vrije en gelukkige rondvliegen, +zong van het jonge, groene koren op het veld en van de heerlijke +tochten, die hij op zijn vleugels hoog in de lucht kon doen. De arme +leeuwerik was niet opgewekt; hij zat daar in een kooi gevangen. + +Het kleine madeliefje wilde hem graag helpen. Maar hoe zou het dit +doen? Ja, daar was moeilijk iets op te bedenken. Het bloempje vergat +heelemaal, hoe schoon alles in den omtrek stond, hoe warm de zon +scheen en hoe prachtig wit zijn blaadjes er uitzagen. Ach, het kon +aan niets anders denken dan aan den gevangen vogel, voor wien het +volstrekt niets kon doen. + +Op dit zelfde oogenblik kwamen er twee kleine jongens uit den tuin; +de een hield een mes in de hand, groot en scherp, evenals dat hetwelk +het meisje had, om de tulpen af te snijden. Zij gingen naar het kleine +madeliefje toe, dat maar niet kon begrijpen, wat zij wilden. + +«Hier kunnen we een heerlijke graszode voor den leeuwerik uitsnijden!» +zei het eene jongetje en begon toen om het madeliefje heen een vierhoek +te snijden, zoodat het midden in de graszode bleef staan. + +«Pluk het bloempje af!» zei het andere jongetje, en het madeliefje +beefde van angst; want afgeplukt te worden stond immers gelijk met +het leven te verliezen; en nu wilde het nog veel te graag leven, daar +het met de graszode naar den gevangen leeuwerik in de kooi toe moest. + +«Neen, laat het staan!» zei het andere jongetje; «het is zoo'n lief +bloempje!» En zoo bleef het dan staan en kwam in de kooi van den +leeuwerik. + +Maar de arme vogel klaagde luid over het verlies van zijn vrijheid +en sloeg met zijn vlerken tegen het ijzerdraad van de kooi; het +kleine madeliefje kon niet spreken, geen vertroostend woord zeggen, +hoe graag het ook wilde. Zoo verliep de voormiddag. + +«Hier is geen water,» zei de gevangen leeuwerik. «Ze zijn allemaal +uitgegaan en hebben vergeten, mij te drinken te geven. Mijn keel is +droog en brandend! Er is vuur en ijs in mij, en de lucht is zwaar! Ach, +ik moet sterven, scheiden van den warmen zonneschijn, van het frissche +groen, van al de heerlijkheid, die God geschapen heeft!» En toen +boorde hij met zijn snavel in de koele graszode, om zich daardoor +een weinig te verfrisschen! Daar viel zijn blik op het madeliefje, +en de vogel knikte het toe, kuste het met den snavel en zei: «Gij moet +hier binnen ook verdrogen, arme, kleine bloem! U en het kleine plekje +groene gras heeft men mij gegeven in ruil voor de geheele wereld, +die ik daar buiten had! Ieder grashalmpje moet mij een groene boom, +elk van uw witte bladeren een geurige bloem zijn! Ach, ge herinnert +er mij slechts aan, hoeveel ik verloren heb.» + +«Kon ik hem maar wat troosten!» dacht het madeliefje; maar het kon +geen blad bewegen; doch de geur, die de teere blaadjes van zich gaven, +was veel sterker, dan men anders bij dit bloempje vindt; dat merkte +de vogel ook, en ofschoon hij van dorst versmachtte en in zijn smart +de groene grashalmpjes afrukte, raakte hij het bloempje toch niet aan. + +Het werd avond, en nog kwam er niemand, om den armen vogel een droppel +water te brengen; nu strekte hij zijn lieve vlerkjes uit en schudde +er krampachtig mee; zijn gezang was een weemoedig piep-piep; zijn +klein kopje boog zich langzaam naar het bloempje toe, en het hart +van den vogel brak van gebrek en heimwee. Nu kon het bloempje niet, +evenals den vorigen avond, zijn blaadjes samenvouwen en slapen, +het hing ziek en treurig op den grond neer. + +Eerst den volgenden morgen kwamen de jongetjes, en toen zij den dooden +vogel zagen, weenden zij bittere tranen en groeven een aardig grafje, +dat met bloembladeren versierd werd. Het lijk van den vogel kwam in +een mooi rood doosje; koninklijk zou hij begraven worden, de arme +vogel! Toen hij leefde en zong, vergaten ze hem, lieten hem in de +kooi zitten en gebrek lijden; nu werd hij geëerd en werden er tranen +om hem gestort. + +Maar de graszode met het madeliefje werd in het stof van den straatweg +geworpen. Niemand dacht aan de bloem, die het meest voor den kleinen +vogel gevoeld had en die hem zoo graag had willen troosten! + + + + +DE GESCHIEDENIS VAN EEN MOEDER. + + +Een moeder zat bij de wieg van haar kind: zij was diep bedroefd en +vreesde, dat het zou sterven. Zijn gezichtje was bleek en zijn oogjes +waren gesloten. Het kind haalde zwaar en somtijds zoo diep adem, +alsof het zuchtte, en de moeder keek nog treuriger naar het arme wicht. + +Eensklaps werd er op de deur geklopt, en nu trad er een arm, oud +man binnen, die in een groot paardedek gewikkeld was; want daarin +blijft men warm, en dat had hij wel noodig; het was immers een koude +winter. Buiten was alles met ijs en sneeuw bedekt, en de wind blies +zoo scherp, dat hij in het gezicht sneed. + +Daar de oude man van de koude trilde en het kind een oogenblik sliep, +verliet de moeder de wieg even en zette bier in een kleinen pot op +het vuur, om het voor hem te warmen. De oude man zette er zich bij +neer en wiegde het kind, en de moeder ging op een ouden stoel naast +hem zitten, keek naar haar ziek kind, dat zoo diep adem haalde, +en greep zijn handje vast. + +«Niet waar, ge denkt toch ook, dat ik het wel zal behouden?» vroeg +zij. «De goede God zal het mij niet ontnemen!» + +De oude man--het was de Dood--knikte zoo zonderling, dat het even goed +ja als neen kon beteekenen. Maar de moeder sloeg haar oogen neer, +en tranen biggelden langs haar wangen. Het hoofd werd haar zwaar; +in drie dagen en drie nachten had zij geen oog geloken; en nu viel +zij in slaap, doch haar slaap duurde niet langer dan een minuut; toen +stond zij op en beefde van de kou. «Wat is dat?» riep zij uit en keek +naar alle kanten rond. Maar de oude man was weg, en haar kind was weg: +hij had het meegenomen. In de hoek van de kamer maakte de oude klok +een zonderling geluid; het zware looden gewicht kwam op den vloer +neer--plomp!--daar stond de klok stil. + +De arme moeder snelde het huis uit en riep om haar kind. + +Buiten, midden in de sneeuw, zat een man in een lang, zwart gewaad, +en zei: «De Dood is bij u in de kamer geweest; ik heb hem met uw kind +zien wegsnellen; hij loopt sneller dan de wind en brengt nooit terug, +wat hij weggenomen heeft.» + +«Zeg mij maar, welken weg hij ingeslagen is!» zei de moeder. «Zeg +mij den weg, en ik zal dien wel vinden.» + +«Ik weet dien,» zei de man in het zwarte gewaad; «maar voordat ik u dit +zeg, moet ge eerst al de liedjes voor mij zingen, die ge voor uw kind +gezongen hebt. Ik mag zulke liedjes graag; ik heb ze vroeger wel meer +gehoord; ik ben de nacht en heb uw tranen gezien, toen gij ze zongt.» + +«Ik zal ze allemaal zingen!» zei de moeder. «Maar houd mij niet op, +opdat ik hem kan inhalen, opdat ik mijn kind moge wedervinden!» + +Maar de nacht zat stil en stom. Nu wrong de moeder zich de handen, +zong en weende. En er vloeiden vele liedjes van haar lippen, maar +nog meer tranen uit haar oogen. Toen zei de nacht: «Loop het donkere +dennenwoud in; daar heb ik den dood met het kind naar toe zien gaan.» + +In het dichtst van het woud bevond zich een kruisweg, en zij wist niet, +welke richting zij nu moest inslaan. Er stond daar een doornstruik: +deze had bladeren noch bloemen; maar het was dan ook in den barren +wintertijd, en er hingen ijskegels aan de takken. + +«Hebt ge den Dood met mijn kind zien voorbijgaan?» vroeg zij. + +«Ja!» zei de doornstruik; «maar ik zeg u niet, welken weg hij +ingeslagen is, als gij mij niet vooraf aan uw boezem wilt verwarmen! Ik +vries hier dood, ik word tot louter ijs!» + +En zij drukte den doornstruik vast aan haar borst, opdat hij heelemaal +zou kunnen ontdooien. De doornen drongen in haar vleesch door, en haar +bloed vloeide in groote droppels. Maar de doornstruik kreeg nieuwe, +groene bladeren en droeg bloesems in den winternacht; zoo warm is het +aan het hart van een bedroefde moeder! De doornstruik zei haar daarop, +welken weg zij moest inslaan. + +Nu kwam zij aan een groot meer, waarop geen enkel schip of schuitje te +zien was. Het meer was niet genoeg dichtgevroren, om haar te dragen, +en ook niet open en ondiep genoeg, om doorwaad te kunnen worden,--en +toch moest zij er overheen, als zij haar kind wilde vinden. Nu ging +zij op haar knieën liggen, om het meer leeg te drinken; maar dat was +immers onmogelijk voor een mensch. Doch de bedroefde moeder dacht, +dat er misschien een wonder zou kunnen gebeuren. + +«Neen, dat zal nooit gaan!» zei het meer. «Laat ons beiden liever +zien, of wij het met elkaar eens kunnen worden. Ik houd er van, +parels te verzamelen, en uw oogen zijn twee van de schoonste, die ik +ooit gezien heb: wilt gij ze in mij uitweenen, dan zal ik u naar de +groote broeikas brengen, waarin de Dood woont en bloemen en boomen +verpleegt; elk van deze is een menschenleven.» + +«O, wat zou ik niet willen geven, om bij mijn kind te komen,» zei de +moeder, die reeds zooveel tranen gestort had. Zij weende nog meer, +en haar oogen vielen op den bodem van het meer en werden twee kostbare +parels. Maar het meer hief haar in de hoogte alsof zij op een schommel +zat, en in een oogenblik vloog zij op den tegenovergestelden oever, +waar een mijlenlang, wonderbaar huis stond. Men wist niet, of het een +berg met bosschen en grotten, dan of het getimmerd was. Maar de arme +moeder kon het niet zien: zij had haar oogen immers uitgeweend. + +«Waar kan ik den Dood vinden, die met mijn kind is weggegaan?» +vroeg zij. + +«Hij is hier nog niet aangekomen!» zei een oude, grijze vrouw, die +daar rondliep en op de broeikas van den Dood moest passen. «Hoe hebt +ge den weg hier heen gevonden, en wie heeft u geholpen?» + +«De goede God heeft mij geholpen,» antwoordde zij. «Hij is barmhartig, +en dat zult gij ook zijn. Waar kan ik mijn kind vinden?» + +«Ik ken het niet,» zei de oude vrouw, «en gij kunt immers niet +zien!--Vele bloemen en boomen zijn er in dezen nacht verwelkt: de +Dood zal wel spoedig komen om ze te verplanten. + +«Ge weet immers wel, dat ieder mensch zijn levensboom of zijn +levensbloem heeft. Zij zien er als andere gewassen uit, maar hun +harten kloppen. Kinderharten kunnen ook kloppen! Let daarop, misschien +herkent ge het kloppen van het hart van uw kind. Maar wat geeft ge mij, +als ik u zeg, wat ge nog meer moet doen?» + +«Ik heb niets te geven,» zei de bedroefde moeder. «Maar ik wil voor +u tot aan het einde der wereld gaan.» + +«Daar heb ik niets te doen,» zei de oude vrouw, «maar ge kunt mij +uw lang, zwart haar geven; ge weet zelf zeker wel, dat het mooi is; +het bevalt mij! Ge kunt mijn wit haar daarvoor krijgen; dat is toch +altijd iets!» + +«Verlangt ge anders niets?» vroeg zij. «Dat geef ik u met alle +genoegen!» En zij gaf haar haar mooie haar en kreeg in plaats daarvan +het sneeuwwitte der oude vrouw. + +Daarop gingen zij in de groote broeikas van den Dood, waar bloemen en +boomen wonderbaar door elkaar groeiden. Daar stonden fijne hyacinten +onder glazen klokken, en groote, stevige pioenen. Daar groeiden +waterplanten, waarvan enkele er frisch, andere kwijnend uitzagen, +waterslangen lagen daarop neer, en zwarte kreeften klemden zich aan +den stengel vast. Daar stonden prachtige palmen, eiken en platanen, +peterselie en bloeiende tijm. Alle boomen en bloemen hadden hun +namen; zij waren elk een menschenleven; de menschen leefden nog, +sommigen in China, anderen in Groenland, in één woord, in alle +deelen der wereld. Daar stonden groote boomen in kleine potten, +zoodat zij het er bekrompen in hadden, en het niet veel scheelde, +of zij deden de potten barsten; er was daar ook menige kleine zwakke +bloem in een vetten grond, met mos er omheen en zorgvuldig gekoesterd +en verpleegd. Maar de bedroefde moeder boog zich over alle kleinere +planten heen, zij hoorde in elke een menschenhart kloppen; en uit +millioenen herkende zij dat van haar kind. + +«Daar is het!» riep zij en strekte haar hand over een klein krokusje +uit, dat ziek naar één kant overhing. + +«Raak de bloem niet aan!» zei de oude vrouw. «Maar blijf hier staan, +en als de Dood komt,--ik verwacht hem ieder oogenblik,--laat hem dan +de plant niet uittrekken en dreig hem, dat gij in dat geval hetzelfde +met de overige bloemen zult doen: dan wordt hij bang! Hij moet bij +God daarvoor instaan; er mag er geen uitgetrokken worden, voordat +Hij er vergunning toe geeft.» + +Daar suisde het eensklaps ijskoud door de zaal, en de blinde moeder +voelde, dat het de Dood was, die nu kwam. + +«Hoe hebt ge den weg hier naar toe kunnen vinden?» vroeg hij. «Hoe +hebt ge hier vlugger naar toe kunnen loopen dan ik?» + +«Ik ben een moeder!» antwoordde zij. + +De Dood strekte zijn lange hand naar de kleine, fijne bloem uit; +maar zij hield er haar handen overheen, hield haar vast omsloten, en +nogtans vol zorgvuldigheid, dat zij geen van de bladeren aanraakte. Nu +blies de Dood op haar handen, en zij voelde dat dit kouder was dan +de koude wind; nu vielen haar handen slap neer. + +«Tegen mij kunt ge toch niets uitrichten!» zei de Dood. + +«Maar God kan dit wel!» gaf zij hem hierop ten antwoord. + +«Ik doe slechts, wat Hij wil!» zei de Dood. «Ik ben Zijn tuinman. Ik +neem al Zijn bloemen en boomen en verplant ze in den grooten tuin +van het Paradijs, in het onbekende land. Hoe ze daar groeien en hoe +het daar is, dat mag ik u niet zeggen!» + +«Geef mij mijn kind terug!» zei de moeder en weende en +smeekte. Eensklaps greep zij met haar handen twee mooie bloemen +stevig vast en riep den Dood toe: «Ik trek al uw bloemen uit, want +ik ben wanhopig!» + +«Raak ze niet aan!» zei de Dood. «Ge zegt, dat ge zoo ongelukkig zijt, +en wilt ge nu een andere moeder even ongelukkig maken?» + +«Een andere moeder?» zei de ongelukkige vrouw en liet de beide bloemen +dadelijk los. + +«Daar hebt ge uw oogen,» zei de Dood. «Ik heb ze uit het meer +opgevischt; zij fonkelden zoo helder; ik wist niet, dat het de uwe +waren. Neem ze terug, zij zijn nu nog helderder dan vroeger; en kijk +dan eens in den diepen put hiernaast naar beneden. Ik zal de namen +der bloemen, die ge wildet uittrekken, noemen, en dan zult ge zien, +wat ge hebt willen vernietigen en te gronde richten!» + +En zij keek in den put neer: en het was een gelukzaligheid, te zien, +hoe de eene een zegen voor de wereld werd, zij zag het leven der +andere, dat uit zorgen en nood, jammer en ellende bestond. + +«Beide is Gods wil!» zei de Dood. + +«Welke van deze is de bloem des ongeluks en welke de gezegende?» +vroeg zij. + +«Dat zeg ik u niet,» antwoordde de Dood; «maar dit zult ge van mij +vernemen, dat een der bloemen die van uw eigen kind is. Het was het +lot van uw eigen kind, dat ge zaagt, de toekomst van uw eigen kind!» + +Nu gaf de moeder een luiden gil van schrik. «Welke van deze is die +van mijn kind? Zeg mij dit! Bevrijd het onschuldige kind! Verlos +mijn kind van alle ellende! Draag het liever weg! Draag het in Gods +koninkrijk! Vergeet mijn tranen, vergeet mijn smeeken en alles, +wat ik gedaan heb!» + +«Ik begrijp u niet,» zei de Dood. «Wilt ge uw kind terug hebben, +of moet ik daarmee naar die plaats gaan, welke gij niet kent?» + +Nu wrong de moeder zich de handen, viel op haar knieën en bad tot God: +«Verhoor mij niet, als ik in strijd met Uw wil bid, die altijd het +beste is! Verhoor mij niet! Verhoor mij niet!» + +Zij liet haar hoofd op haar borst zakken. + +En de Dood ging met haar kind naar het onbekende land. + + + + +UITSTEL IS GEEN AFSTEL. + + +Er stond ergens een oud ridderkasteel, dat door een breede gracht +omgeven was, waarover een ophaalbrug lag, die echter slechts zelden +neergelaten werd; want niet alle bezoekers zijn goede menschen. Onder +het afdak waren schietgaten aangebracht, om daardoor te schieten, +kokend water, ja, gesmolten lood op den vijand neer te gieten, als +hij te dicht in de nabijheid mocht komen. Binnen in het huis waren +de kamers zeer hoog, hetgeen goed te stade kwam bij den velen rook, +die er van het haardvuur opsteeg, waarop groote, vochtige houtblokken +lagen te smeulen. Aan den muur hingen portretten van geharnaste mannen +en trotsche vrouwen in zware kleeren; de forschte van allen liep hier +levend rond; zij werd Meta Mogens genoemd; zij was de vrouw des huizes, +haar behoorde het ridderkasteel toe. + +Tegen den avond kwamen er roovers; zij sloegen drie van haar +onderhoorigen dood, ook den kettinghond sloegen zij dood, en daarop +legden zij vrouw Meta met den hondeketting aan het hondenhok vast, +terwijl zij zich zelf in de zaal te goed deden, den wijn en het goede +bier uit haar kelder leegdronken. + +Vrouw Meta was aan den hondeketting vastgelegd; zij kon niet eens +blaffen. + +Maar zie! Daar sloop de bediende van een der roovers zachtjes naderbij; +hij mocht niet gezien worden, anders zouden zij hem doodgeslagen +hebben. + +«Vrouw Meta Mogens!» zei de knecht; «weet ge nog wel, hoe mijn vader +tijdens het leven van uw man op het houten paard moest rijden? [3]--Gij +deedt een goed woord voor hem, maar dit leidde tot niets; hij moest +zoo lang rijden, totdat zijn ledematen verminkt waren; maar gij sloopt +naar hem toe, evenals ik nu naar u toesluip; gij schooft zelfs een +kleinen steen onder elk van zijn voeten, opdat zij daarop zouden +steunen. Niemand zag het, of zij deden alsof zij niet niet zagen, +want gij waart immers de jonge genadige vrouw. Dat heeft mijn vader +mij verteld, en dat heb ik onthouden en niet vergeten! Nu wil ik u +verlossen, vrouw Meta Mogens!» + +Daarop haalden zij de paarden uit den stal en reden te midden van +regen en wind weg en kregen hulp bij vrienden. + +«Dat is een rijke vergelding voor een kleinen dienst, dien ik aan uw +vader bewezen heb!» zei Meta Mogens. + +«Uitstel is geen afstel!» gaf de knecht hierop ten antwoord. + +De roovers werden opgehangen. + + + +Er stond ergens een oud ridderkasteel, en het staat er nog; het is niet +dat van Meta Mogens, het behoort aan een ander adellijk geslacht toe. + +Wij verplaatsen ons in den tegenwoordigen tijd. De zon beschijnt de +vergulde torenspitsen; kleine eilandjes, waarop bloemen bloeien, +liggen als ruikers op het water, en de wilde zwanen zwemmen er om +heen. In den tuin groeien rozen, de vrouw des huizes is zelf het +fijnste rozeblad, het straalt in vreugde, in de vreugde van goede +daden, doch niet in de wijde wereld, maar van binnen in het hart; +wat daar bewaard is, dat is niet vergeten--uitstel is geen afstel! + +Nu begeeft zij zich van het heerenhuis naar een kleine boerenhut op +het land. Daarin woont een arm meisje, dat lam is; het raam in het +kamertje ziet op het noorden uit, de zon komt hier niet in; het meisje +heeft slechts het gezicht op een klein stukje land, dat door een hooge +heg omgeven is. Maar heden is het zonneschijn; de warme, heerlijke zon +van onzen goeden God is binnen in het kamertje; zij komt uit het zuiden +door het nieuwe raam heen, daar waar vroeger slechts een muur was. + +Het lamme meisje zit in den warmen zonneschijn, ziet bosch en meer, +de wereld is zoo groot, zoo wonderlijk schoon geworden en wel door +een enkel woord van de vriendelijke vrouw van het heerenhuis. + +«Het woord was zoo gemakkelijk, de daad zoo gering!» zeide zij; «de +vreugde, die zij mij verschaften, was oneindig groot en rijk in zegen!» + +En daarom volbrengt zij zoo menige goede daad, denkt aan allen in de +arme huizen en in de rijke huizen, waar er maar bedroefden zijn. Het +is verborgen en bewaard, maar de goede God vergeet het niet; uitstel +is geen afstel! + + + +Er stond ergens een oud huis; het was in de groote stad met haar +druk en levendig verkeer. Het had kamers en zalen; maar deze betreden +wij niet; wij blijven in de keuken, en daarin is het warm en licht, +rein en zindelijk; het kopergoed blinkt, de tafel is als gladgewreven, +de gootsteen is als een versch geschuurde lardeerplank, en dat alles +heeft dat ééne dienstmeisje gedaan en toch nog tijd genoeg overgehouden +om zich aan te kleeden, alsof zij naar de kerk wilde gaan. Zij draagt +een strik op haar muts, een zwarten strik, dat wijst op rouw. Maar +zij heeft over niemand rouw te dragen, noch over vader, noch over +moeder, noch over bloedverwanten, noch over vrienden; het is een arm +meisje. Eenmaal was zij verloofd, verloofd met een armen jongeling; +zij hadden elkaar innig lief. Op zekeren dag kwam hij bij haar en zei: + +«Wij bezitten beiden niets op de wereld! Een rijke weduwe heeft +hartelijke woorden tegen mij gesproken; zij wil mij tot welstand +brengen; maar jij ligt in mijn hart begraven. Wat zou je mij raden?» + +«Datgene, waarvan je denkt, dat het tot je geluk zal strekken!» zei +het meisje. «Wees maar goed en liefderijk voor haar; doch laat mij +je dit zeggen, dat wij elkaar van het uur af, waarop wij van elkander +scheiden, niet meer mogen zien.» + +En er verliepen jaren. Daar ontmoet haar vroegere vriend en minnaar +haar op de straat; hij zag er ziek en ellendig uit; nu kan zij niet +nalaten, hem te vragen: «Hoe gaat het met je?» + +«Rijk en goed in alle opzichten!» zeide hij. «Mijn vrouw is braaf +en goed, maar jij ligt in mijn hart begraven. Ik heb mijn strijd +gestreden, hij is spoedig volstreden! Wij zien elkaar nu niet weer +dan bij God.» + +Een week is er verloopen; dien morgen stond het in de krant te lezen, +dat hij gestorven was; daarom draagt het meisje een rouwkleed! Haar +minnaar was gestorven en heeft een vrouw en drie stiefkinderen +nagelaten, zooals er te lezen staat. + +De zwarte strik wijst op rouw, het gezicht van het meisje wijst er +nog in hoogere mate op; in het hart is deze bewaard en wordt nimmer +vergeten! Uitstel is geen afstel! + +Zie, dat zijn de drie geschiedenissen, drie bladeren aan één +steel. Wenscht ge nog meer klaverbladeren? In het boekje des harten +liggen er vele: uitstel is geen afstel! + + + + +DE TUIN VAN HET PARADIJS. + + +Daar was eens een koningszoon; niemand had zooveel mooie boeken, als +hij; alles wat er op deze wereld gebeurd is, kon hij daarin lezen +en de afbeelding daarvan in prachtige koperplaten zien. Met ieder +volk en met ieder land kon hij daardoor kennis maken; maar waar de +tuin van het Paradijs te vinden was, daar stond geen woord van in; +en deze juist was het, waaraan hij het meest dacht. + +Zijn grootmoeder had hem, toen hij nog klein was, maar toch spoedig +naar school zou gaan, verteld, dat iedere bloem in den tuin van dit +Paradijs de lekkerste koek en de meeldraden de fijnste wijn waren; +op de eene bloem stond geschiedenis, op de andere aardrijkskunde, +op de derde rekenkunde; men behoefde maar koek te eten, dan kende +men zijn les; hoe meer men er van at, des te meer geschiedenis en +aardrijkskunde en rekenkunde leerde men. + +Dat geloofde hij toen ter tijd. Maar reeds toen hij een grootere +jongen werd, meer leerde en verstandiger werd, begreep hij wel, +dat er een heel andere heerlijkheid in den tuis van het Paradijs te +vinden moest zijn. + +«O, waarom plukte Eva toch van den boom der kennis? Waarom at Adam van +de verboden vrucht? Als ik in hun plaats was geweest, dan zou ik dit +niet gedaan hebben! Nooit zou de zonde dan in de wereld gekomen zijn!» + +Dat zei hij destijds, en dat zei hij nog, toen hij zeventien jaar +oud was. De tuin van het Paradijs vervulde hem geheel en al. + +Op zekeren dag ging hij het bosch alleen in, want dat was zijn +grootste plezier. + +De avond brak aan, de wolken pakten zich samen; er viel een regen, +alsof de geheele hemel een enkele sluis was, waaruit water stroomde; +het was zoo donker, als het anders 's nachts slechts in den diepsten +put is. Nu eens gleed hij op het natte gras uit, dan weer viel hij +over de gladde steenen, die boven den natten, rotsachtigen grond +uitstaken. Alles droop van het water: de arme prins had geen enkelen +drogen draad meer aan het lijf. Hij moest over groote steenblokken +klauteren, waar het water uit het hooge mos vloeide. Het scheelde +niet veel, of hij was in onmacht gevallen. Eensklaps hoorde hij +een zonderling gesuis, en nu zag hij voor zich een groote verlichte +grot. In het midden daarvan brandde zulk een groot vuur, dat men daarop +wel een hert kon braden. En dit gebeurde ook. Het prachtigste hert +met zijn hooge horens was aan het braadspit gestoken en werd langzaam +tusschen twee afgekapte pijnboomstammen omgedraaid. Een oude vrouw, +forsch en sterk, als ware zij een verkleed manspersoon, zat bij het +vuur en wierp er het eene stuk hout na het andere op. + +«Kom maar naderbij!» zeide zij; «zet u bij het vuur neer, dan kunt +ge uw kleeren wat laten drogen.» + +«Het tocht hier geducht!» zei de prins en zette zich op den vloer +neder. + +«Dat zal nog wel erger worden, als mijn zonen thuis komen!» antwoordde +de vrouw. «Ge zijt hier in de grot der winden: mijn zonen zijn de +vier winden der wereld. Kunt ge dat begrijpen?» + +«Waar zijn uw zonen?» vroeg de prins. + +«Ja, het is moeilijk, een antwoord te geven, als men ons een dwaze +vraag doet,» zei de vrouw. «Mijn zonen doen alles op hun eigen houtje; +zij zijn met de wolken daar in de koningszaal aan het raketten!» +En daarbij wees zij naar de hoogte. + +«O, zoo!» zei de prins. «Ge spreekt overigens vrij barsch en zijt +niet zoo vriendelijk als de vrouwen, die ik anders om mij heen heb!» + +«O, die hebben zeker niets anders te doen! Ik moet wel streng zijn, +als ik mijn jongens in bedwang wil houden; maar dat kan ik, ofschoon +het stijfkoppen zijn. Ziet ge die vier zakken hier aan den muur +hangen? Daarvoor zijn zij even bang, als gij vroeger voor de roede +achter den spiegel! Ik kan de jongens in elkaar buigen, zeg ik u, en +dan stop ik ze in den zak; daar maken wij geen komplimenten mee! Daar +zitten ze dan en mogen er niet uit, voordat ik het hun toesta. Maar +daar hebben we een van hen.» + +Het was de noordenwind, die met een ijzige koude binnentrad; groote +hagelsteenen kletterden op den grond neer, en sneeuwvlokken dwarrelden +in de rondte. Hij droeg een broek en buis van een berenhuid; een +muts van zeehondenvel was heelemaal over zijn ooren getrokken; +lange ijskegels hingen er aan zijn baard; en de eene hagelsteen na +den anderen gleed van den kraag van zijn buis naar beneden. + +«Ga niet dadelijk bij het vuur zitten!» zei de prins. «Anders zoudt +ge licht winter in uw gezicht en uw handen kunnen krijgen.» + +«Winter?» zei de noordenwind en barstte in een luid gelach uit. «Koude +is mijn grootste plezier! Maar wat ben jij voor een kereltje? Hoe +kom je in de grot der winden?» + +«Hij is mijn gast,» zei de oude vrouw, «en als je met deze verklaring +niet tevreden bent, dan zal ik je in den zak stoppen! Versta je mij?» + +Zie, dat hielp, en de noordenwind vertelde, waar hij vandaan kwam en +waar hij bijna een maand geweest was. + +«Ik kom van de Poolzee,» zei hij; «ik ben op het Bereneiland met +de Russische walrusjagers geweest. Ik zat en sliep op het roer, +toen zij van de Noordkaap wegzeilden: als ik nu en dan wakker werd, +vloog de stormvogel mij om de beenen. Dat is een kluchtige vogel! Hij +klapwiekt met zijn vleugels, houdt deze daarop onbeweeglijk uitgestrekt +en vliegt toch voort!» + +«Maak het niet te wijdloopig!» zei de moeder der winden. «Je bent +dus op het Bereneiland geweest, niet waar?» + +«Daar is het prachtig! Daar is een vloer om te dansen, zoo glad als +een bord! Half ontdooide sneeuw met een weinig mos, puntige steenen +en geraamten van walrussen en ijsberen lagen er in de rondte, evenals +reuzenarmen en beenen met beschimmeld groen. Men zou haast denken, dat +de zon daarop nooit geschenen had. Ik blies een weinig in den nevel, +en nu zag ik een huis, dat van wrakhout gebouwd en met walrushuiden +bedekt was; de kant, waaraan het vleesch gezeten had, was naar buiten +gekeerd; op het dak zat een levende ijsbeer te brommen. Ik ging naar +het strand toe, keek naar de vogelnesten, zag de naakte jongen, die +schreeuwden en hun bekken opensperden; nu blies ik in hun kelen, +en zoo leerden zij hun bekken dichtdoen. Verderop krioelden de +walrussen door elkaar, als levende ingewanden of reusachtige maden +met varkenskoppen en ellenlange tanden!» + +«Je weet goed te vertellen, mijn zoon!» zei de moeder. «Ik watertand +er van, als ik naar je luister.» + +«Toen begon de jacht! De harpoen werd in de borst van den walrus +geworpen, zoodat een dampende bloedstraal als een fontein over het ijs +spoot. Nu dacht ik ook aan mijn spel! Ik blies en liet de torenhooge +ijsbergen de booten insluiten. Och! wat floot en wat schreeuwde men; +maar ik floot nog luider! De walruslijken, kisten en touwwerk moesten +zij op het ijs uitpakken; ik schudde er sneeuwvlokken over heen en +liet ze in de beklemd geraakte vaartuigen, met hun vangst naar het +zuiden drijven, om daar zout water te proeven. Zij komen nimmer meer +naar het Bereneiland toe!» + +«Dan heb je heel wat kwaad gedaan!» zei de moeder der winden. + +«Wat ik goeds gedaan heb, moeten de anderen maar vertellen!» zei +hij. «Maar daar hebben we mijn broeder uit het westen; hem mag ik +het liefste van allen lijden; hij ruikt naar de zee en voert een +heerlijke koude met zich mee!» + +«Is dat de kleine westenwind?» vroeg de prins. + +«Zeker is het de westenwind!» zei de oude vrouw. «Maar hij is toch +niet zoo klein. Jaren geleden was hij een aardige knaap, maar dat is +nu voorbij!» + +Hij zag er als een woeste kerel uit, maar hij had een valhoed op, +om zich niet te bezeeren. In de hand hield hij een mahoniehouten +knots, die hij in de Amerikaansche bosschen afgehakt had. Dit was +geen gemakkelijk werk geweest! + +«Waar kom je vandaan?» vroeg zijn moeder. + +«Uit de maagdelijke bosschen,» zei hij, «waar de waterslang in het +natte gras ligt en de menschen overbodig schijnen te zijn!» + +«Wat heeft je vandaar weggejaagd?» + +«Ik zag in de diepste rivier, zag, hoe deze van de rotsen naar +beneden stortte, stof werd en naar de wolken vloog, om den regenboog +te dragen. Ik zag den wilden buffel in de rivier zwemmen; maar +de stroom voerde hem met zich mee. Hij dreef met een troep wilde +eenden, die er in de hoogte vlogen, naar de plaats, waar het water +naar beneden stortte. De buffel moest naar beneden; dat beviel mij, +en ik blies een storm, zoodat overoude boomen aan splinters barstten +en tot spaanders werden.» + +«En heb je anders niets gedaan?» vroeg de oude vrouw. + +«Ik heb in de savannen allerlei kromme sprongen gemaakt; ik heb +de wilde paarden gestreeld en kokosnoten doen afvallen. Ja, ja, ik +zou heel wat weten te vertellen! Maar men moet niet alles zeggen, +wat men weet. Dat weet ge ook wel, oudje!» En hij gaf zijn moeder +zulk een duchtigen kus, dat zij bijna achterover gevallen was. Het +was een verschrikkelijk wilde jongen. + +Nu kwam de zuidenwind met een tulband en een wuivenden bedouïnenmantel. + +«Het is hier vrij koud!» zeide hij en wierp nog wat hout op het +vuur. «Ik kan wel merken, dat de noordenwind het eerst van allen +thuis gekomen is!» + +«Het is hier zoo heet, dat men wel een ijsbeer kan braden!» zei +de noordenwind. + +«Je bent zelf een ijsbeer!» antwoordde de zuidenwind. + +«Wil je in den zak gestopt worden?» vroeg de oude vrouw.--«Ga daar +op dien steen zitten en vertel, waar je geweest bent.» + +«In Afrika, moeder!» antwoordde hij. «Ik ben met de Hottentotten op +de leeuwenjacht geweest in het land der Kaffers. Daar groeit gras in +de vlakten, groen als een olijf. Daar liep de struisvogel met mij om +'t hardst: maar ik ben toch nog vlugger ter been. Ik ging naar de +woestijn met het gele zand; daar ziet het er uit als op den bodem der +zee. Ik trof een karavaan aan; men slachtte den laatsten kameel om aan +drinkwater te komen; maar het was slechts weinig, wat men kreeg. De zon +brandde van boven en het zand van beneden. De uitgestrekte woestijn had +geen grenzen. Nu wentelde ik mij in het fijne, losse zand en maakte, +dat dit zich tot hooge zuilen opstapelde. Dat was een dans! Ge hadt +eens moeten zien, hoe moedeloos de dromedaris daar stond, en hoe de +koopman zich den kaftan over het hoofd trok. Hij wierp zich voor mij +neer, evenals voor Allah zijn God. Nu zijn zij begraven: er staat +een piramide van zand boven hen allen. Als ik deze eenmaal wegblaas, +dan zal de zon de beenderen doen verbleeken; dan kunnen de reizigers +zien, dat daar vroeger menschen geweest zijn. Anders zal men dit in +de woestijn niet gelooven!» + +«Je hebt dus niets anders dan kwaad gedaan!» zei zijn +moeder. «Marsch! in den zak!» En eer de zuidenwind er op verdacht was, +had zij hem om zijn middel beetgepakt en in den zak gestopt. Hij lag +op den vloer rond te wentelen, maar zij zette zich op den zak neer, +en nu moest hij wel stil blijven liggen. + +«Dat zijn vroolijke jongens, die ge hebt!» zei de prins. + +«O ja,» antwoordde zij, «en ik weet ze te straffen! Daar hebben we +den vierde!» + +Dat was de oostenwind; deze was als een Chinees gekleed. + +«Zoo! kom je uit je land?» vroeg zijn moeder. «Ik dacht, dat je in +den tuin van het Paradijs geweest waart.» + +«Daar vlieg ik morgen eerst naar toe!» zei de oostenwind. «Morgen is +het honderd jaar geleden, dat ik er geweest ben! Ik kom nu uit China, +waar ik zoo om den porseleinen toren gedanst heb, dat alle klokken +klingelden. Op de straat kregen de beambten zweepslagen; een bamboes +riet werd op hun rug aan stukken geslagen, en dat waren lieden van +den eersten tot den negenden graad. Zij schreeuwden: «Hartelijk dank, +mijn vaderlijke weldoener!» Maar dat ging hun niet van harte af, +en ik klingelde met de klokken en zong: «Tjing, tjang!»» + +«Je bent ook altijd ondeugend!» zei de oude vrouw. «Het is goed, +dat je morgen naar den tuin van het Paradijs gaat; dat draagt altijd +tot je beschaving bij. Drink dan eens ferm uit de wijsheidsbron, +en breng een fleschvol voor mij mee!» + +«Dat zal ik doen!» zei de oostenwind. «Maar waarom hebt ge mijn broeder +uit het zuiden in den zak gestopt? Laat hem er uit! Hij moet mij van +den vogel Phoenix vertellen, van dezen wil de prinses in den tuin van +het Paradijs altijd hooren, als ik om de honderd jaren een bezoek +bij haar afleg. Doe den zak open, dan zijt ge mijn lieve moeder, +en dan geef ik u twee zakken vol thee, zoo groen en frisch, als ik +ze geplukt heb!» + +«Welnu dan, om de thee en omdat je mijn lieve jongen bent, zal ik den +zak opendoen!» Dat deed zij, en nu kroop de zuidenwind er uit; maar +hij zag er erg neerslachtig uit, omdat de vreemde prins het gezien had. + +«Daar heb je een palmblad voor de prinses!» zei de zuidenwind. «Dit +blad heeft de vogel Phoenix, de eenige, die er op de wereld was, aan +mij gegeven! Hij heeft er met zijn snavel zijn heele levensgeschiedenis +gedurende de honderd jaren, die hij geleefd heeft, op geschreven. Nu +kan zij het zelf lezen, hoe de vogel Phoenix zijn nest in brand stak +en daarin zat en verbrandde, evenals de vrouw van een Hindoe. Wat +knetterden de dorre takken! Het was een rook en een damp van +belang! Eindelijk ging alles in vlammen op; de oude vogel Phoenix +werd tot asch verteerd; maar zijn ei lag gloeiend rood in het vuur; +het barstte met een geweldigen knal open, en het jong vloog er uit; +nu is _deze_ heer over alle vogels en de eenige vogel Phoenix in de +wereld. Hij heeft in het palmblad, dat ik je gegeven heb, een gat +gebeten: dat is zijn groet aan de prinses!» + +«Laat ons wat gebruiken!» zei de moeder der winden. En nu zetten zij +zich allen bij elkander neer, om van het gebraden hert te eten; de +jonge prins zat naast den oostenwind; daardoor werden zij al spoedig +goede vrienden. + +«Zeg mij eens,» vroeg de prins, «wat is dat toch voor een prinses, +waarvan hier zooveel gesproken wordt, en waar ligt de tuin van het +Paradijs?» + +«Wel zoo!» zei de oostenwind, «wilt ge daar naar toe? Welnu, vlieg +dan morgen maar met mij mee! Maar dat moet ik u zeggen: sedert Adams +en Eva's tijd is geen mensch daar geweest. Ge kent die zeker wel uit +uw bijbelsche geschiedenis?» + +«Jawel,» zei de prins. + +«Indertijd, toen zij verdreven werden, zonk de tuin van het Paradijs +in den grond weg; maar hij behield zijn warmen zonneschijn, zijn +zachte lucht en al zijn heerlijkheid. De feeënkoningin woont daarin; +daar ligt het land der gelukzaligheid, waar de dood nooit komt, waar +het heerlijk is! Zet u morgen op mijn rug neer, dan zal ik u meenemen: +ik denk, dat dit wel zal gaan. Maar zwijg stil, want ik wil nu slapen!» + +En nu gingen zij allemaal slapen. + +Reeds vroeg in den morgen werd de prins wakker en was niet weinig +verbaasd, toen hij merkte, dat hij zich al hoog boven de wolken +bevond. Hij zat op den rug van den oostenwind, die hem stevig +vasthield; zij waren zoo hoog in de lucht, dat bosschen en velden, +rivieren en zeeën zich als op een landkaart aan hen voordeden. + +«Goeden morgen!» zei de oostenwind. «Ge hadt best nog een beetje kunnen +blijven slapen, want er is niet veel op het vlakke veld onder ons te +zien, of ge moest lust hebben om de kerken te tellen! Die staan als +krijtstipjes op het groene bord.» Wat hij het groene bord noemde, +waren velden en weiden. + +«Het is niet heel beleefd van mij, dat ik uw moeder en uw broers niet +goedendag gezegd heb!» zei de prins. + +«Als men slaapt, is men verontschuldigd!» beweerde de oostenwind. En +daarop vlogen zij nog sneller dan te voren. Men kon het in de toppen +van de boomen hooren, want als zij daar overheen vlogen, ritselden alle +takken en bladeren; men kon het aan de zeeën en op de meren merken, +want waar zij vlogen, stegen de golven hooger, en de groote schepen +bogen zich diep in het water evenals zwemmende zwanen. + +Tegen den avond, toen het donker werd, zagen de groote steden er +bekoorlijk uit; de lichten brandden daar beneden, nu eens hier, +dan weer daar, het was, als wanneer men een stuk papier in brand +gestoken heeft en al de kleine vonken ziet, waarvan de eene na +de andere verdwijnt. En de prins klapte in zijn handen; maar de +oostenwind verzocht hem, dit niet te doen en zich liever vast te +houden; anders zou hij licht naar beneden kunnen vallen en aan een +kerktoren blijven hangen. + +De adelaar in de donkere bosschen vloog wel is waar snel, maar de +oostenwind vloog toch nog sneller. De kozak reed op zijn klein paard +vlug over de vlakte heen, maar de prins ging toch nog vlugger! + +«Nu kunt ge den Himalaya zien!» zei de oostenwind. «Dat is het hoogste +gebergte in Azië; nu zullen wij spoedig in den tuin van het Paradijs +komen!» + +Daarop wendden zij zich meer zuidwaarts; al spoedig geurde het daar +van specerijen en bloemen; vijgen en granaatappels groeiden in het +wild, en aan de wilde wijnstokken zaten blauwe en roode druiven. Hier +lieten zij zich beiden neer en strekten zich op het zachte gras uit, +waar de bloemen den wind toeknikten, als wilden zij zeggen: «Welkom!» + +«Zijn wij nu in den tuin van het Paradijs?» vroeg de prins. + +«Neen, nog niet!» antwoordde de oostenwind. «Maar wij zullen er spoedig +komen. Ziet ge daar dien rotsachtigen muur en die ruime grot, waarvoor +de wijngaardranken als een groot, groen gordijn hangen? Daardoor +zullen we er inkomen! Wikkel u in uw mantel; hier brandt de zon, +maar nog een schrede verder, en het is ijskoud. De vogel, die daar +voorbij de grot heenvliegt, heeft zijn eenen vleugel buiten in den +warmen zomer en zijn anderen binnen in den kouden winter!» + +«Wel zoo! Is dat dan de weg naar den tuin van het Paradijs?» vroeg +de prins. + +Nu gingen zij de grot in. Hu! wat was het daar ijskoud! Maar het +duurde toch niet lang. De oostenwind spreidde zijn vleugelen uit, +en deze schitterden evenals het helderste vuur. O, wat was dat een +grot! De groote rotsblokken, waarvan het water afdroop, hingen in de +zonderlingste gestalten daaroverheen; nu eens was het er zoo nauw, +dat zij op handen en voeten moesten kruipen, dan weer zoo hoog en +uitgestrekt, als in de open lucht. Het zag er uit als grafkapellen +met stomme orgelpijpen en versteende orgels. + +«Wij betreden den weg des doods toch niet, nu wij naar den tuin +van het Paradijs toe gaan?» vroeg de prins. Maar de oostenwind gaf +hierop niets hoegenaamd ten antwoord, maar wees slechts voorwaarts, +en het schoonste blauwe licht straalde hun tegen. De rotsblokken +boven hen werden meer en meer een nevel, die er eindelijk als een +witte wolk in den maneschijn uitzag. Nu waren zij in de heerlijke, +zachte lucht, zoo frisch als op de bergen, zoo geurig als bij de rozen +in het dal. Daar stroomde een rivier, zoo helder als de lucht zelf; +en de visschen waren als zilver en goud; purperroode palingen, die +bij iedere beweging blauwe vonken om zich heen spreidden, speelden +onder in het water, en de breede lotusbladeren hadden al de kleuren +van den regenboog; de bloem, die daaraan groeide, was een roodachtige +gele brandende vlam, waaraan het water voedsel gaf, evenals de olie +de lamp bestendig aan het branden houdt; een stevige brug van marmer, +maar zoo kunstig en fijn uitgesneden, alsof zij van kant en paarlen +gemaakt was, voerde over het water naar het eiland der gelukzaligheid, +waar de tuin van het Paradijs bloeide. + +De oostenwind nam den prins op zijn armen en droeg er hem naar +toe. Daar zongen de bloemen en de bladeren de schoonste liederen uit +zijn kindsheid, maar zoo welluidend en liefelijk, als geen menschelijke +stem ze hier kan zingen. + +Waren het palmboomen of reusachtig groote waterplanten, die hier +groeiden? Zulke sappige en groote boomen had de prins vroeger +nooit gezien; in lange festoenen hingen daar de wonderlijkste +slingerplanten, zooals men ze slechts met kleuren en goud op den +rand van oude heiligenboeken, of door de beginletters geslingerd, +afgebeeld ziet. Dat waren de zonderlingste samenstellingen van vogels, +bloemen en ranken. Dicht daarnaast in het gras stond een troep pauwen +met ontplooide, glanzige staarten. Ja, dat was werkelijk zoo! Doch +toen de prins daaraan raakte, merkte hij, dat het geen dieren, maar +planten waren; het waren groote klissen, die hier als een prachtige +pauwestaart schitterden. De leeuw en de tijger sprongen als katten +tusschen de groene heggen door, die als de bloemen van den olijfboom +geurden; en de leeuw en de tijger waren tam. De wilde boschduif +straalde als de schoonste parel en sloeg met haar vleugels tegen de +manen van den leeuw aan; en de antilope, die anders zoo schuw is, +stond daarnaast en knikte met den kop, alsof zij ook wilde meespelen. + +Nu kwam de fee van het Paradijs; haar kleederen straalden als de +zon, en haar gelaat was vroolijk als dat van een blijde moeder, +wanneer zij recht gelukkig met haar kind is. Zij was jong en schoon, +en de bekoorlijkste meisjes, elk met een schitterende ster in het +haar, volgden haar. De oostenwind gaf haar het beschreven blad van +den vogel Phoenix, en haar oogen fonkelden van blijdschap. Zij nam +den prins bij de hand en bracht hem naar haar kasteel, waar de muren +kleuren hadden als het prachtigste tulpeblad, wanneer het tegen de zon +gehouden wordt. De zoldering zelve was een groote, fonkelende bloem, +en hoe meer men daarnaar keek, des te dieper scheen haar kelk. De +prins ging naar het raam toe en keek door een der ruiten: daar zag +hij den boom der kennis met de slang, en Adam en Eva stonden dicht +daarbij. «Zijn die niet verdreven?» vroeg hij. En de fee glimlachte en +verklaarde hem, dat de tijd op iedere ruit zijn beeld ingebrand heeft, +maar niet, zooals men het gewoonlijk ziet; neen, er was leven daarin; +de bladeren der bloemen bewogen zich; de menschen kwamen en gingen, +als in een spiegelbeeld. En hij keek door een andere ruit: daar was +Jacobs droom, waar de ladder tot aan den hemel reikte; en de engelen +met hun groote vleugels zweefden op en neer. Ja, alles, wat er op +de wereld gebeurd was, leefde en bewoog zich in de glazen ruiten; +zulke kunstige schilderijen kon slechts de tijd er in branden. + +De fee glimlachte en bracht hem in een groote, hooge zaal, wier muren +doorzichtig schenen te zijn. Hier waren portretten, waarvan het eene +gezicht nog mooier was dan het andere. Men zag millioenen gelukkigen, +die glimlachten en zongen, zoodat het in ééne melodie samensmolt; +de voornaamsten onder hen waren zoo klein, dat zij kleiner schenen +dan de kleinste rozeknop, wanneer deze als een punt op het papier +geteekend wordt. Midden in de zaal stond een groote boom met hangende, +weelderige takken; gouden appelen hingen als sinaasappels tusschen +de groene bladeren. Dat was de boom der kennis, van welks vrucht +Adam en Eva gegeten hadden. Van ieder blad droop een schitterende, +roode dauwdroppel: het was, alsof de boom bloedige tranen stortte. + +«Laat ons nu in de boot stappen!» zei de fee; «dan zullen wij eenige +ververschingen op het water gebruiken! De boot schommelt en komt niet +van haar plaats af; maar al de landen der wereld glijden onze oogen +voorbij.» En het was wonderbaar om aan te zien, hoe de geheele kust +zich bewoog. Daar kwamen de hooge, met sneeuw bedekte Alpen met wolken +en zwarte dennen; de hoorn klonk diep weemoedig, en de herder zong +vroolijk in het dal. Daarop bogen de bananen haar lange, hangende +takken over de boot neer; zwarte zwanen zwommen er in het water, +en de zeldzaamste dieren en bloemen vertoonden zich aan den oever: +dat was Nieuw-Holland, het vijfde werelddeel, dat, met een uitzicht op +de blauwe bergen, voorbijgleed. Men hoorde het gezang der priesters en +zag den dans der wilden, begeleid door het geroffel van trommels en het +geschetter van trompetten. De piramiden van Egypte, die zich tot aan +de wolken verhieven, omvergevallen zuilen en sfinxen, half onder het +zand bedolven, zeilden insgelijks voorbij. Het noorderlicht straalde +over uitgebrande vulkanen van het noorden: dat was een vuurwerk, +dat niemand kon nabootsen. De prins gevoelde zich hoogst gelukkig: +ja, hij zag nog honderdmaal meer, dan wat wij hier vertellen. + +«En kan ik hier altijd blijven?» vroeg hij. + +«Dat hangt van u zelf af!» antwoordde de fee. «Als ge u niet, +evenals Adam, laat verleiden om het verbodene te doen, dan kunt ge +hier altijd blijven.» + +«Ik zal de appelen van den boom der kennis niet aanraken!» zei de +prins. «Hier zijn immers duizenden vruchten, even heerlijk als die.» + +«Onderzoek u zelven, en als ge niet sterk genoeg zijt, ga dan met +den oostenwind mee, die u hier haar toe gebracht heeft. Hij vliegt nu +terug en laat zich in honderd jaren hier niet meer zien; de tijd zal +op deze plaats voor u voorbijvliegen, alsof het honderd uren waren: +maar het is een lange tijd voor de verzoeking. Iederen avond, wanneer +ik van u heenga, moet ik u toeroepen: Kom mee! Ik moet u met de hand +wenken,--maar blijf achter! Ga niet mee; want anders zal met iedere +schrede uw verlangen grooter worden. Ge komt dan in de zaal, waar +de boom der kennis groeit; ik slaap onder zijn geurige, overhangende +takken; ge zult u over mij heenbuigen, en ik moet glimlachen; maar als +ge een kus op mijn lippen drukt, dan zinkt het Paradijs diep in den +grond weg, en het is voor u verloren. De scherpe wind der woestijn +zal om u heen suizen, de koude regen op uw hoofd droppelen. Kommer +en ellende worden uw deel.» + +«Ik blijf hier!» zei de prins. En de oostenwind kuste hem op het +voorhoofd en zei: «Wees sterk, dan ontmoeten wij elkander hier na +verloop van honderd jaren weer! Vaarwel! Vaarwel!» En de oostenwind +spreidde zijn groote vleugelen uit; zij schitterden, evenals het +weerlicht in den oogsttijd, of het noorderlicht in den winter. + +«Vaarwel! Vaarwel!» klonk het van bloemen en boomen. Ooievaars en +pelikanen schaarden zich als fladderende linten in rijen en brachten +hem tot op de grenzen van den tuin. + +«Nu beginnen wij onze dansen!» zei de fee. «Wanneer ik ten slotte, als +de zon ondergaat, met u dans, zult gij zien, dat ik u toewenk; ge zult +me u hooren toeroepen: Kom mee! Maar doe dit niet! Honderd jaren lang +moet ik het iederen avond herhalen; telkens wanneer die tijd voorbij +is, krijgt ge meer kracht; eindelijk denkt ge er volstrekt niet meer +aan. Heden avond is het voor de eerste maal; nu heb ik u gewaarschuwd!» + +En de fee bracht hem in een groote zaal van witte, doorzichtige leliën; +de gele meeldraden in iedere bloem vormden een kleine gouden harp, +wier snaren liefelijke tonen van zich gaven. De schoonste meisjes, +zwevend en slank, in golvend gaas gekleed, zoodat men haar bekoorlijke +gestalte kon zien, zweefden in den dans en zongen, hoe heerlijk het +is, te leven, en dat zij nimmer zouden sterven, en dat de tuin van +het Paradijs eeuwig zou bloeien. + +En de zon ging onder; de geheele hemel werd een en al goud, dat aan +de leliën den glans der heerlijkste rozen gaf; en de prins dronk van +den parelenden wijn, dien de meisjes hem toereikten, en voelde een +gelukzaligheid als nooit te voren. Hij zag, hoe de achtergrond der +zaal zich opende, en de boom der kennis stond daar in een glans, +die zijn oogen verblindde; het gezang was daar zacht en liefelijk +evenals de stem van zijn moeder en het was, alsof zij zong: «Mijn kind, +mijn geliefd kind!» + +Nu wenkte de fee hem toe en riep vol liefde: «Kom mee! Kom mee!» +En hij snelde haar tegemoet, vergat zijn belofte, vergat deze reeds +den eersten avond, en zij wenkte en glimlachte. De geur, de heerlijke +geur in de rondte werd sterker; de harpen klonken veel liefelijker, +en het was, alsof de millioenen glimlachende hoofden in de zaal, waar +de boom groeide, knikten en zongen: «Alles moet men kennen! De mensch +is de heer der aarde!» En het waren geen bloedige tranen meer, die +van den boom der kennis afvielen; het waren roode, fonkelende sterren, +die hij meende te zien. «Kom mee! Kom mee!» luidden de bevende klanken, +en bij iedere schrede werden de wangen van den prins rooder, vloeide +het bloed hem sneller door de aderen. «Ik moet!» zeide hij. «Het +is immers geen zonde, het kan geen zonde zijn! Waarom de schoonheid +en de vreugde niet te volgen? Ik wil haar zien slapen; er is immers +niets aan misdaan, als ik haar maar geen kus geef; en een kus zal ik +haar niet geven: ik ben sterk, ik heb een vasten wil!» + +En de fee wierp haar schitterende kleeding af, boog de takken weg, +en na een oogenblik was zij daarin verborgen. + +«Nog heb ik niet gezondigd!» zei de prins, «en ik zal het ook niet +doen!» En hierop boog hij de takken ter zijde: daar sliep zij reeds, +schoon, zooals slechts een fee in den tuin van het Paradijs wezen +kan. Zij glimlachte in den droom, hij boog zich over haar heen en +zag tusschen haar oogleden tranen beven. + +«Weent ge over mij?» fluisterde hij. «Ween niet, gij bekoorlijke +vrouw! Nu begrijp ik het geluk van het Paradijs eerst. Het doorstroomt +mijn bloed, mijn gedachten; de kracht van den cherub en van het eeuwige +leven voel ik in mijn aardsche lichaam! Al moge het ook eeuwig nacht +voor mij worden, een minuut als deze is rijkdom genoeg!» En hij kuste +de tranen uit haar oogen; zijn mond raakte den haren aan. + +Daar ratelde een donderslag, zoo zwaar en verschrikkelijk, als niemand +dien ooit gehoord heeft. En alles stortte ineen; de schoone fee en +het bloeiende paradijs zonken al dieper en dieper. De prins zag het in +den zwarten nacht wegzinken; als een kleine, lichtende ster straalde +het hem heel uit de verte tegen; een doodelijke koude deed hem over +zijn geheele lichaam beven; hij sloot zijn oogen en lag een geruimen +tijd als dood. + +De koude regen viel hem op het gezicht, de scherpe wind blies om zijn +hoofd; nu kwam hij weer tot zijn zinnen. «Wat heb ik gedaan!» zeide +hij met een zucht. «Ik heb gezondigd, evenals Adam gezondigd, zoodat +het Paradijs in de diepte weggezonken is!» En hij deed zijn oogen +open; de ster in de verte, die als het gezonken paradijs fonkelde, +zag hij nog,--het was de morgenster aan den hemel. + +Hij stond op en was in het groote bosch dicht bij de grot der winden; +en de moeder der winden zat naast hem; zij zag er kwaadwillig uit en +hief haar arm omhoog. + +«Reeds den eersten avond!» zeide zij. «Dat dacht ik wel! Als ge mijn +jongen waart, dan zoudt ge in den zak moeten!» + +«Daar moet hij in!» zei de Dood, een krachtig, oud man met een zeis +in de hand en met groote, zwarte vleugelen. «In de doodkist moet hij +gelegd worden; maar nu nog niet; ik teeken hem slechts op, doch laat +hem nog een poos in de wereld rondzwerven, om zijn zonde te boeten +en beter te worden. Ik kom echter eenmaal. Wanneer hij het juist +het minst verwacht, stop ik hem in de zwarte doodkist, zet deze op +mijn hoofd en vlieg naar de sterren op. Ook daar bloeit de tuin van +het Paradijs, en is hij goed en vroom, dan zal hij er binnentreden; +maar zijn zijn gedachten boos en is zijn hart nog vol zonde, dan zinkt +hij met de doodkist dieper dan het Paradijs gezonken is, en slechts +om de duizend jaren haal ik hem terug, opdat hij nog dieper zinke of +op de fonkelende ster kome, de fonkelende ster daarboven!» + + + + +DE KLEINE TUK. + + +Ja, dat was de kleine Tuk. Hij heette eigenlijk niet Tuk, maar +toen hij nog niet goed kon praten, noemde hij zich zelf zoo; dat +moest Karl beteekenen, en dat is wel goed, als men het maar weet. Nu +moest hij op zijn zusje Gustava passen, dat nog kleiner was dan hij, +en tegelijkertijd moest hij ook zijn les leeren; maar deze beide +dingen wilden niet best samengaan. De arme jongen zat daar met zijn +zusje op den schoot, en zong haar al de liedjes voor, die hij kende, +en ondertusschen keek bij eens schuins in het geographieboek, dat +open voor hem lag; tegen den volgenden dag moest hij al de steden +van Seeland van buiten kennen en alles daarvan weten wat men maar +weten kan. + +Nu kwam zijn moeder te huis, want zij was uit geweest, en nam de kleine +Gustava op den arm. Tuk liep ijlings naar het raam toe en las nu zoo +ijverig, dat hij zich bijna de oogen uitgelezen had, want het werd +gedurig donkerder; maar zijn moeder had geen geld om licht te koopen. + +«Daar gaat de oude waschvrouw uit de straat hier dichtbij!» zei zijn +moeder, toen zij het raam uitkeek. «De arme vrouw kan zich zelve +tenauwernood voortsleepen, en nu moet zij nog een emmer vol water van +de bron naar huis dragen. Wees een beste jongen, Tuk, en help de oude +vrouw eens!» + +En Tuk liep in aller ijl de deur uit en hielp haar; maar toen hij +weer in de kamer kwam, was het heelemaal donker geworden, en van licht +was er geen sprake. Nu moest hij naar bed toe: dat was een armzalige +krib! Daar lag hij nu en dacht aan zijn geographieles en aan Seeland +en aan alles, wat de meester verteld had. Hij had wel is waar zijn +les nog moeten leeren, maar dat kon hij immers niet. Daarom legde +hij zijn geographieboek onder zijn hoofdkussen, want hij had wel eens +gehoord, dat dit zeer veel helpen moet, als men zijn les wil leeren; +maar men kan zich daarop niet verlaten. Daar lag hij nu en dacht en +dacht; en daar was het op eens, alsof iemand hem een kus gaf.--Hij +sliep en sliep toch ook niet; het was, alsof de oude waschvrouw hem +met haar vriendelijke oogen aankeek en zei: «Het zou jammer zijn, +als je je les morgen niet kende! Je hebt mij geholpen, daarom wil ik +je nu ook helpen, en onze goede God zal dat altijd doen!» + +En eensklaps kriebelde en krabbelde het boek onder het hoofdkussen +van Tuk. + +«Kikeliki! Ka ka!» Het was een kip, die kwam aanloopen, en deze was +van Kjöge vandaan. «Ik ben een Kjögekip!» [4] zeide zij, en daarop +vertelde zij, hoeveel inwoners er daar waren, en van den slag, +die daar geleverd was, maar die was eigenlijk niet waard om er een +woord over te spreken. «Kriebel, krabbel, plomp!» Daar viel wat naar +beneden; het was een houten vogel, de papegaai van het vogelschieten +te Prästöe. Die zei nu, dat er daar zoo vele inwoners waren, als hij +spijkers in zijn lijf had; ook was hij trotsch. «Thorwaldsen heeft +vlak naast mij gewoond. [5] Plomp! Hier lig ik heerlijk!» + +Maar Tuk lag nu niet meer; eensklaps zat hij te paard. Hop, hop, hop, +in galop: zoo ging het voort. Een prachtig gekleed ridder met een +schitterenden helm en een wuivenden vederbos hield hem voor zich op het +paard, en zoo reden zij door het bosch naar de oude stad Wordingborg; +dat was een groote, zeer levendige stad; op het kasteel des konings +verhieven zich hooge torens, en een lichtglans stroomde er uit alle +ramen; daar binnen was zang en dans, en koning Waldemar en jonge, +opgepronkte hofdames dansten met elkander.--Nu werd het morgen, +en zoodra de zon opkwam, vielen de geheele stad en het koninklijk +kasteel plotseling in elkaar, en de eene toren na den anderen verdween; +en eindelijk bleef er nog maar een enkele op den heuvel staan, waar +vroeger het kasteel geweest was, [6] en de stad was zeer klein en arm, +en de schooljongens kwamen met hun boeken onder den arm en zeiden: +«Twee duizend inwoners,» maar dat was niet waar, want zoo veel had +zij er niet. + +En de kleine Tuk lag in zijn bed; het was hem, alsof hij droomde, +en toch ook weer, alsof hij niet droomde; maar er stond iemand dicht +naast hem. + +«Kleine Tuk! Kleine Tuk!» werd er geroepen: dat was een zeeman, een +heel klein mannetje, zoo klein, alsof het een cadet was; maar het was +geen cadet. «Ik moet u veelmalen van Korsöer [7] groeten; dat is een +stad, die in haar opkomst is, een levendige stad, die stoombooten en +postwagens heeft; vroeger noemde men haar altijd leelijk, maar dat +is nu niet meer waar.» + +«Ik lig aan de zee,» zei Korsöer, «ik heb straatwegen en lusthoven; +ik heb een dichter voortgebracht, die geestig en onderhoudend was, +en dat zijn ze niet allemaal. Ik wilde eens een schip uitrusten, +dat rondom de aarde zou gaan; maar ik deed het niet, ofschoon ik het +wel had kunnen doen; en verder ruik ik ook overheerlijk, want dicht +bij de poort bloeien de prachtigste rozen.» + +De kleine Tuk keek er naar, en het werd hem geel en groen voor de +oogen; maar toen nu het kleurenspel voorbij was, was het op eens een +begroeide helling dicht aan de baai, en hoog daarboven stond een +prachtige oude kerk met twee hooge, spitse torens. Uit de helling +sprongen bronnen in dikke waterstralen, zoodat het aldoor plaste, +en dicht daarnaast zat een oude koning met een gouden kroon op het +witte hoofd; dat was koning Hroar bij de bronnen, dicht bij de stad +Roeskilde, zooals men haar tegenwoordig noemt. En over de helling heen +in de oude kerk gingen al de koningen en koninginnen van Denemarken +hand aan hand, allen met gouden kronen op; en het orgel speelde en +de bronnen murmelden. De kleine Tuk zag alles, hoorde alles. «Vergeet +de steden niet!» zei koning Hroar. [8] + +Op eens was alles weer weg; ja, waar was het gebleven? Het was hem, +alsof men een blad in een boek omslaat. En nu stond daar een oude +boerin; deze kwam uit Soröe, [9] waar het gras op de markt groeit; +zij had een grauw linnen schort over haar hoofd en haar rug hangen; +dit was druipnat,--het moest dus zeker geregend hebben. «Ja, dat heeft +het!» zeide zij, en nu vertelde zij veel moois uit Holbergs comedies en +van Waldemar en Absalom. Maar op eens kromp zij ineen en schudde met +het hoofd, het was precies, alsof zij een sprong wilde doen. «Krok, +krok!» zeide zij, «het is nat, het is nat; het is doodstil in Soröe!» +Nu was zij eensklaps een kikvorsch. «Krok, krok!» en toen was zij +weer een oude vrouw. «Men moet zich naar het weer kleeden.» zeide +zij. «Het is nat, het is nat! Mijn stad is als een flesch; bij de stop +moet men er in, bij de stop moet men er weer uit! Vroeger had ik de +heerlijkste visschen, en nu heb ik frissche jongens met roode wangen +op den bodem der flesch; dezen leeren daar wijsheid: Hebreeuwsch, +Grieksch! Krok!» Dat klonk precies, alsof er kikvorschen kwaakten, +of alsof men met groote laarzen in het moeras liep: altijd hetzelfde +geluid, zoo eentonig en zoo vervelend, dat de kleine Tuk er van in +slaap viel, hetgeen voor hem ook geen kwaad kon. + +Maar zelfs in dezen slaap kwam er een droom of wat het anders was. Zijn +zusje Gustava met haar blauwe oogen en haar blond gelokt haar was op +eens een volwassen, schoon meisje, en zonder dat zij vleugels had kon +zij vliegen, en nu vlogen zij over Seeland, over de groene bosschen +en de blauwe meren. + +«Hoor je den haan kraaien, kleine Tuk? Kukelekuku! De hanen vliegen +uit de stad Kjöge op! Je krijgt een kippenhok, een groot kippenhok! Je +zult geen honger of gebrek meer lijden! En den vogel zal je schieten, +zooals men zegt; je zult een rijk en gelukkig man worden! Je huis +zal zich verheffen als de toren van koning Waldemar en rijk versierd +zijn met marmeren beeldzuilen, evenals die uit Prästöe. Je begrijpt +mij wel! Je naam zal met roem om de heele aarde trekken, evenals +het schip, dat van Korsöer had moeten uitloopen, en te Roeskilde +..... «Vergeet de steden niet!» zeide koning Hjoar.--Je zult goed en +verstandig spreken, kleine Tuk, en als je dan eindelijk in je graf +komt, dan zul je gerust slapen....» + +«Alsof ik in Soröe lag!» zei Tuk, en nu werd hij wakker. Het was +klaarlichte dag, en hij kon zich zijn droom niet meer herinneren. Dat +was echter ook niet noodig; want men mag niet weten, wat er eenmaal +zal gebeuren. + +Nu sprong hij vlug uit zijn bed en las in zijn boek, nu kende hij op +eens zijn geheele les. Maar de oude waschvrouw stak het hoofd in de +kamer, knikte hem vriendelijk toe en zei: + +«Hartelijk dank, beste jongen, voor je hulp! De goede God moge je +schoonen droom vervullen!» + +De kleine Tuk wist echter niet, wat hij gedroomd had, maar--de goede +God wist het wel. + + + + +DE BURINNETJES. + + +Men zou gezegd hebben, dat er in den eendenvijver iets gewichtigs +voorviel; maar er viel niets voor. Al de eenden, die stil in het +water lagen of op haar kop daarin stonden,--want dat kunnen ze +doen,--zwommen op eens naar den kant toe; men zag in de natte aarde +de sporen van haar pooten en hoorde wijd en zijd haar gesnater. Het +water, dat nog kort te voren zoo blank en glad als een spiegel was, +kwam in hevige beweging. Nog kort geleden had men daarin iederen +boom, iederen struik in de nabijheid, het oude boerenhuis met de +gaten in het dak en het zwaluwennest, maar inzonderheid den grooten, +met bloemen bezaaiden rozestruik gezien; deze bedekte den muur en +hing over het water heen, waarin men alles als op een schilderij +zag, met dit onderscheid nochtans, dat alles ondersteboven stond; +maar toen het water in beweging kwam, ging alles door elkander en +was het beeld verdwenen. Twee veeren, die de eenden bij het opvliegen +verloren hadden, dreven heen en weer; op eens namen zij een loopje, +alsof de wind kwam; maar deze kwam niet, en dus moesten zij blijven +liggen, en het water werd weer kalm en effen. De rozen spiegelden er +zich weer in af; zij waren verwonderlijk schoon, maar zij wisten het +zelf niet, want niemand had het haar gezegd; de zon scheen tusschen de +bladeren door, alles verspreidde den heerlijksten geur om zich heen; +het was allen te moede evenals ons, wanneer wij van de gedachte aan +ons geluk vervuld zijn. + +«Hoe schoon is het leven toch!» zei iedere roos. «Slechts één ding zou +ik wenschen: de zon te kunnen kussen, omdat zij zoo warm en zoo helder +is. Ook de rozen daar beneden in het water, onze evenbeelden, zou +ik wel willen kussen, en de lieve vogeltjes beneden in het nest. Ook +boven zijn er enkele; zij steken er hun kopjes uit en piepen zacht; zij +hebben geen veeren, zooals vader en moeder. Het zijn goede burinnetjes, +zoowel die beneden, als die boven zijn!» + +De jongen boven en beneden,--die beneden waren echter slechts de +weerkaatsing in het water,--waren musschen; haar ouders waren +insgelijks musschen; zij hadden het leege zwaluwennest van het +vorige jaar in bezit genomen en huisden daarin nu, alsof het haar +eigendom was. + +«Zijn dat eendekleeren, die daar drijven?» vroegen de jongen van de +musschen, toen zij de veeren op het water zagen. + +«Als je wilt vragen, doe dan ten minste verstandige vragen!» zei de +moeder. «Zie je dan niet, dat het veeren zijn, levende kleerenstof, +zooals ik draag en zooals jelui ook eenmaal zult dragen? Maar de onze +is fijner. Ik zou overigens wel willen dat we ze boven in het nest +hadden; want ze verwarmen lekker. Ik zou wel eens willen weten, waarvan +de eenden toch zoo geschrikt zijn; van ons zeker niet; wel is waar +zeide ik vrij luid tegen jelui: «Piep!» De rozen moesten het eigenlijk +weten; maar die weten niemendal, bekijken zich zelf slechts en geven +geur van zich; ik ben deze burinnetjes van ganscher harte moede!» + +«Hoor die allerliefste vogeltjes daar boven eens!» zeiden de rozen; +«die beginnen nu ook hun best te doen om te zingen, maar zij kunnen +het nog niet. Het zal intusschen wel gaan; wat zal dat plezierig zijn; +het is wel aardig, zulke vroolijke burinnetjes te hebben.» + +Eensklaps kwamen er twee paarden aanrijden om gedrenkt te worden; een +boerenjongen reed op het eene; hij had al zijn kleeren uitgetrokken +behalve zijn grooten, breeden, stroohoed. De jongen zong als een +lijster en reed den vijver in, waar deze het diepst was; en toen hij +den rozenstruik voorbijkwam, plukte hij een roos af en stak haar +op zijn hoed en nu dacht hij, dat hij er wat mooi uitzag, en reed +verder. De andere rozen keken haar zuster na en vroegen zich af: +«Waar zou zij wel naar toe gaan?» Maar niemand wist dit te zeggen. + +«Ik zou de wijde wereld wel eens in willen,» zeide er een; «maar +hier te huis in ons groen is het ook mooi. Den heelen dag schijnt +de zon helder en warm, en 's nachts fonkelt de hemel nog helderder; +dat kunnen wij door al die gaatjes, die er in zijn, wel zien.» Zij +bedoelde de sterren; zij wist het niet beter. + +«Wij maken het levendig in den omtrek van het huis,» zei de moeder +der musschen, «en het zwaluwennest brengt geluk aan, zeggen de +menschen, daarom heeft men ons hier graag. Maar onze burinnetjes! Zoo'n +rozestruik tegen den muur aan veroorzaakt vocht. Hij zal wel weggenomen +worden; dan groeit hier ten minste misschien nog koren. De rozen +deugen nergens toe, dan om er naar te kijken en er aan te ruiken en +op zijn hoogst ze op den hoed te steken. + +«Jaarlijks, dat weet ik van mijn moeder, vallen zij af. De vrouw +van den boer legt ze in en strooit er zout tusschen; dan krijgen zij +een Franschen naam, die ik niet kan en ook niet wil uitspreken; zij +worden op het vuur gestrooid als zij lekker moeten ruiken. Zie, zoo +is haar levensloop; zij bestaan slechts voor het oog en den neus. Nu +weet je het!» + +Toen de avond viel en de muggen in de warme lucht en in de roode +wolken dansten, kwam de nachtegaal en zong voor de rozen, dat het +met het schoone eveneens gesteld was als met den zonneschijn in deze +wereld, en dat het schoone eeuwig leefde. Maar de rozen dachten, +dat de nachtegaal zich zelf bezong, hetgeen men heel goed had kunnen +geloven; want dat het gezang haar gold, daaraan dachten zij niet. Zij +hadden er echter veel schik in en dachten er over na, of al de kleine +musschen misschien ook nachtegalen konden worden. «Ik heb het gezang +van dezen vogel heel goed begrepen,» zeiden de jonge musschen. «Slechts +één woord was mij niet duidelijk. Wat beteekent «het schoone?»» + +«Dat is volstrekt niets,» hernam de moeder der musschen; «dat is +maar iets uiterlijks. Maar op het adellijk kasteel, waar de duiven +haar eigen huis hebben en waar iederen dag erwten en gerst voor +haar gestrooid wordt,--ik heb zelf met haar gegeten, en dat zullen +jelui mettertijd ook wel doen,--op het adellijk kasteel heeft men +twee vogels met groene halzen en een kam op den kop; die kunnen hun +staart uitspreiden als een groot wiel, en deze heeft allerlei kleuren, +zoodat het zien daarvan aan de oogen zeer doet. Deze vogels worden +pauwen genoemd, en dat is «het schoone». Als ze maar eens een beetje +geplukt werden, dan zouden zij er niets anders uitzien dan wij. Ik +zou ze al geplukt hebben, als ze maar niet zoo groot waren.» + +«Ik zal ze wel eens plukken,» zei de kleine musch, die nog geen +veeren had. + +In het boerenhuis woonde een jeugdig echtpaar; zij hadden elkander +hartelijk lief; zij waren vlijtig en flink; het zag er alles heel +knap bij hen uit. Des Zondags vroeg kwam de jonge vrouw de deur uit, +plukte een handvol van de mooiste rozen en deed ze in een glas met +water, dat zij op de kast neerzette. + +«Nu kan ik zien, dat het Zondag is,» zei de man en gaf zijn vrouw een +kus. Zij gingen zitten, lazen in het gezangboek en legden hun handen +in elkaar; de zon bescheen de frissche rozen en het jonge echtpaar. + +«Dat verveelt mij geducht,» zei de moeder der musschen, die uit het +nest vlak in de kamer kon zien, en vloog weg. + +Zoo ging het ook den volgenden Zondag, want alle Zondagen werden +er versche rozen in het glas gedaan; maar de rozestruik bloeide +altijd even mooi. De jonge musschen hadden nu veeren en wilden graag +meevliegen; maar haar moeder wilde dit niet, en dus moesten zij thuis +blijven. Zij vloog, maar, hoe het ook mocht gekomen zijn, zoo veel is +zeker: voordat zij er aan dacht, was zij in een strik van paardenharen +geraakt, die jongens aan een tak vastgemaakt hadden. De paardenharen +trokken zich vast om haar poot heen, als zou deze doorgesneden worden; +dat was een pijn, een schrik! De jongens sprongen toe en pakten den +vogel op een onzachte manier beet. + +«Het is maar een musch!» zeiden zij; doch zij lieten haar toch niet +vliegen, maar namen haar mee naar huis; en telkens wanneer zij piepte, +gaven zij haar een slag op den snavel. + +In het boerenhuis bevond zich juist een oud man, die scheerzeep en +waschzeep in vierkante stukken zoowel als in ballen vervaardigde. Het +was een rondreizende, vroolijke grijsaard. Toen hij de musch zag, +die de jongens meegebracht hadden en waarmee zij, zooals zij zeiden, +niet veel ophadden, vroeg hij: «Willen we haar eens heel mooi maken?» +Een ijskoude huivering ging de moeder der musschen over de leden. Uit +de kast, waarin de mooiste kleuren lagen, nam de grijsaard een doosje +met bladgoud, en de jongens moesten eiwit halen, waarmee de musch +werd bestreken; nu werd het goud er op vastgeplakt, en de moeder der +musschen was nu geheel verguld. Maar zij dacht niet aan het sieraad +en beefde over al hare leden. En de grijsaard scheurde van de roode +voering van zijn oude jas een lapje af, tandde dit uit, zoodat het +er als eene hanekam uitzag, en plakte het den vogel op den kop. + +«Nu zal je den goudrok eens zien vliegen,» zei de grijsaard en liet +de musch los, die in doodelijken angst wegvloog, door de stralen der +zon beschenen. Wat schitterde zij nu! Al de musschen, zelfs een kraai, +ofschoon dit al een oude knar was, verschrikten hier niet weinig van; +maar zij vlogen toch achter haar aan, om eens te zien, wat voor een +vreemde vogel het was. + +Door angst en ontzetting aangegrepen, vloog de musch naar huis terug; +het scheelde niet veel, of zij viel machteloos op den grond neer: +de schaar der vervolgende vogels groeide aan, ja, enkelen deden zelfs +een poging, om haar aan te vallen. + +«Kijk die eens! Kijk die eens!» schreeuwden zij allemaal. + +«Kijk die eens! Kijk die eens!» schreeuwden ook haar jongen, toen zij +dicht bij het nest kwam. «Dat is stellig een jonge pauw! Wat heeft +hij mooie kleuren; je oogen doen er zeer van, zooals moeder verteld +heeft. Piep! Dat is het schoone!» En nu pikten zij met haar kleine +snavels naar den vogel, zoodat het hem onmogelijk was, in het nest te +komen; hij was zoo uitgeput, dat hij niet eens «Piep!» kon zeggen, +laat staan dan: «Ik ben je moeder!» Ook de andere vogels vielen nu +op de musch aan, zoodat zij bloedend op den rozestruik neerviel. + +«Arm beest!» zeiden alle rozen, «wees maar niet bang: wij zullen je +wel verbergen! Leg je kopje maar tegen ons aan!» + +De musch spreidde haar vleugels nog eenmaal uit, daarop drukte zij +ze vast aan haar lijf en lag dood bij haar burinnetjes, de mooie, +frissche rozen. + +«Piep!» klonk het uit het nest. «Waar zou moeder toch blijven? Dat +is onbegrijpelijk! Het zal toch geen streek van haar zijn en moeten +beteekenen, dat wij nu maar voor ons zelf moeten zorgen! Het huis +heeft zij ons nagelaten; maar aan wie van ons moet het nu toebehooren, +als wij ook familie krijgen?» + +«Ja, dat gaat niet, dat je bij mij blijft, als ik vrouw en kinderen +krijg!» beweerde de jongste. + +«Ik zal wel meer vrouwen en kinderen krijgen dan jij!» zei de tweede. + +«Maar ik ben de oudste!» liet de derde er op volgen. Allen werden nu +toornig; zij sloegen met de vleugels, pikten met den snavel, en zoo +werd de een na de ander uit het nest gegooid. Daar lagen zij nu met +haar toorn! Zij hielden de kop op zijde en knipten met de naar boven +gekeerde oogen. + +Zij konden een weinig vliegen, door oefening leerden zij het nog beter, +en eindelijk werden zij het eens over een teeken, om elkaar, wanneer +zij elkaar later in de wereld mochten ontmoeten, te herkennen. Het +zou in een «Piep!» bestaan en in een driewerf herhaald gekrabbel op +den grond met den linkerpoot. + +De jonge musch, die in het nest achtergebleven was, verbeeldde zich +nu heel wat: zij was immers de eigenares van het huis. Maar deze +heerlijkheid duurde niet lang: in den nacht barstte er een hevige +brand uit, de vlammen grepen het dak aan, het droge stroo vlamde +hoog op, het geheele huis verbrandde en de jonge musch eveneens; +de beide andere trouwlustigen echter brachten er het leven gelukkig af. + +Toen de zon weer opging en alles er zoo verkwikt uitzag als na +een gerusten slaap, waren er van het boerenhuis nog slechts enkele +verkoolde, zwarte balken over, die tegen den schoorsteen leunden, +die nu geheel op zich zelf stond. Het rookte nog geducht uit het puin; +maar daar buiten stond frisch en bloeiend de rozestruik, en spiegelde +iedere bloem, iederen tak in het heldere water af. + +«O, wat bloeien die rozen daar voor het afgebrande huis toch heerlijk!» +riep een voorbijganger uit. «Een bekoorlijker tafereeltje laat zich +niet denken. Dat moet ik hebben!» + +En deze man kreeg uit zijn zak een boek met witte blaadjes: het was +een schilder; en met een potlood teekende hij het rookende huis, +de verkoolde balken en den overhangenden schoorsteen uit, en deze +helde al meer en meer over; op den voorgrond bevond zich de groote, +bloeiende rozestruik; deze leverde een prachtig gezicht op. Om +zijnentwil was de teekening ontstaan. + +Later op den dag kwamen de twee musschen, die hier geboren +waren, voorbij. «Waar is het huis?» vroegen zij. «Waar is het +nest? Piep! Alles is verbrand en onze overmoedige zuster ook. Dat heeft +zij er nu van, dat zij het nest wou behouden. De rozen zijn er goed +afgekomen, daar staan zij nog met haar roode wangen. Die treuren zeker +niet over het ongeluk van haar burinnetjes. Ik wil ze niet aanspreken, +en het is hier leelijk: zoo denk ik er over!» En weg gingen zij. + +Op een prachtigen, helderen herfstdag,--men zou haast gezegd hebben, +dat het nog midden in den zomer was,--huppelden op het droge en +schoongeveegde voorplein van het ridderkasteel de duiven, zoowel zwarte +als witte en bonte; zij schitterden in den zonneschijn. De moeders +der duiven zeiden tegen haar jongen: «Schaart je in groepen! Want +dat staat veel beter!» + +«Wat zijn dat voor grauwe beestjes, die achter ons loopen?» vroeg +een oude duif met rood en groen in de oogen. «Kleine grauwe! Kleine +grauwe!» riep zij. + +«Het zijn musschen, lieve beestjes. Wij hebben altijd den naam gehad, +dat wij zoo goedig zijn; daarom zullen we haar ook veroorloven, +de korreltjes mee op te pikken; zij vallen ons niet in de rede en +krabben zoo aardig met de pooten.» + +Ja, zij krabden driemaal met den poot en wel met den linkerpoot en +zeiden ook: «Piep!» Daaraan herkenden zij elkaar; want het waren de +musschen uit het nest op het afgebrande huis. + +«Hier is het heel goed om te eten!» zeiden de musschen. De duiven +liepen om elkaar heen, zetten een hooge borst en hadden innerlijk +haar eigene meening. + +«Zie je die kropduif wel!» zei er een. «Zie je wel, hoe zij de +erwten inslikt? Zij neemt er te veel en dat nog wel de beste. Roekoe, +roekoe! Wat is dat een leelijk, boosaardig dier! Roekoe, roekoe!» + +En aller oogen vlamden van toorn. «Schaart je in groepen! Schaart je +in groepen! Kleine grauwe! Kleine grauwe! Roekoe! Roekoe! Roekoe!» +Zoo gingen de snavels door elkaar, en zoo zullen zij na duizend jaren +nog door elkaar gaan. + +De musschen deden haar best met eten; zij luisterden oplettend +toe en schaarden zich zelfs mee in het gelid; dit ging haar echter +niet goed af. Zij waren verzadigd en verlieten daarom de duiven, +spraken allen haar oordeel over deze uit en slopen den tuin in, en +toen zij de tuindeur open vonden, huppelde een, die volop verzadigd +en daarom overmoedig was, op den drempel. «Piep!» zeide zij, «dat +durf ik wel doen!» + +«Piep!» zei de andere; «dat durf ik ook wel en nog iets meer!» En zij +huppelde de kamer binnen. Er was niemand aanwezig; dat zag de derde, +vloog de kamer nog dieper in en riep: «Of heelemaal, of in 't geheel +niet! Het is overigens een zonderling menschennest; en wat hebben ze +hier neergezet? Wat is dat?» + +Vlak bij de musschen bloeiden zoowaar de rozen: zij spiegelden +zich in het water af, en de verkoolde balken leunden tegen den +vooroverhellenden schoorsteen aan. «Wat is dat? Hoe komt dat in de +kamer van het adellijk kasteel?» + +En al de drie musschen wilden over de rozen en den schoorsteen +wegvliegen, maar zij vlogen tegen een vlakken muur aan. Alles was een +schilderij, een groot, prachtig schilderij, dat de schilder naar een +schets vervaardigd had. + +«Piep!» zeiden de musschen, «het bestaat niet! Het ziet er maar uit, +alsof het iets was. Piep! dat is het schoone! Kan jij het begrijpen? Ik +niet!» En zij vlogen weg, want er kwamen menschen in de kamer. + +Er verliepen jaren en dagen; de duiven hadden dikwijls gekord, die +boosaardige dieren; de musschen hadden het in den winter erg te kwaad +met de kou gehad en in den zomer vroolijk geleefd: zij waren allemaal +verloofd of getrouwd of hoe men het noemen wil. Zij hadden jongen, +en ieder hield de hare natuurlijk voor de mooiste en de slimste; de +een vloog hierheen, de ander daarheen, en als zij elkaar ontmoetten, +dan herkenden zij elkaar aan haar «Piep!» en aan het driemaal herhaald +gekrabbel met den linkerpoot. De oudste was een oude vrijster gebleven, +die geen nest en geen jongen had; haar lievelingsdenkbeeld was, +een groote stad te zien; zij vloog daarom naar Kopenhagen toe. + +Men zag daar een groot huis, dat met vele bonte kleuren beschilderd +was, dicht bij het kasteel en bij het kanaal, waarin vele met appelen +en potten beladen schepen voeren. De ramen waren beneden breeder +dan boven, en als de musschen er doorheen keken, dan kwam iedere +kamer haar als een tulp met de bontste kleuren en schakeeringen +voor. Midden in de tulp echter stonden witte menschen; deze waren +van marmer, enkele ook van gips; doch met musschenoogen bekeken, komt +dat al zoo wat op hetzelfde neer. Boven op het dak stond een metalen +wagen, met metalen paarden bespannen, en de godin der overwinning, +die insgelijks van metaal vervaardigd was, bestuurde ze. Het was het +museum van Thorwaldsen. + +«Wat schittert dat, wat schittert dat!» zei de musch. «Dat zal wel +het schoone zijn. Piep! Hier is het echter grooter dan een pauw!» +Zij herinnerde zich nog uit haar kinderjaren, wat haar moeder +als het grootste onder het schoone erkend had. Zij vloog naar de +plaats toe; daar was alles buitengewoon prachtig; op de muren waren +palmen en takken geschilderd; midden op de plaats stond een groote, +bloeiende rozestruik; deze spreidde zijn frissche takken met de vele +rozen over een graf uit. Daar vloog de musch naar toe; want zij zag +daar verscheidenen van haar soort. Piep en drie krabbels met den +linkerpoot,--zoo had zij het heele jaar door al zoo dikwijls gegroet, +maar niemand had haar antwoord gegeven; want die eenmaal gescheiden +zijn, treffen elkaar niet alle dagen aan: de groet was haar tot een +gewoonte geworden.--Heden echter antwoordden twee oude musschen en +een jonge met «Piep!» en een driewerf herhaald gekrabbel met den +linkerpoot. + +«Wel zoo! Goeden dag! Goeden dag!» Het waren twee ouden uit het nest en +nog een kleine uit de familie. «Moeten we elkaar hier ontmoeten? Het +is een deftige plaats, maar er is niet veel te eten. Dat is het +schoone! Piep!» + +En vele menschen kwamen er uit de nevenvertrekken, waar de prachtige +marmeren beelden stonden, en begaven zich naar het graf, waarin +de groote kunstenaar, die de marmeren beelden vervaardigd had, +rustte. Allen stonden in een eerbiedige houding rondom het graf van +Thorwaldsen, en enkelen raapten de afgevallen rozebladeren op en +staken deze bij zich. Zij waren uit verre landen gekomen: een uit het +machtige Engeland, anderen uit Duitschland en Frankrijk. De mooiste +dame plukte een der rozen af en verborg deze aan haar boezem. Nu +dachten de musschen, dat de rozen hier regeerden en dat het huis +om harentwil gebouwd was; dat scheen haar nu wel wat te veel, maar +daar de menschen al hun liefde aan de rozen bewezen, wilden zij niet +achterblijven. «Piep!» zeiden zij en streken met hare staartjes +over den grond en keken met één oog naar de rozen: zij hadden ze +nog niet lang bekeken, of zij merkten, dat het de oude burinnetjes +waren. En zij waren het werkelijk. De schilder, die den rozestruik +bij het afgebrande huis had uitgeteekend, had later de vergunning +verkregen, dezen uit den grond te nemen, en had hem toen aan den +bouwmeester gegeven, want schoonere rozen had men nooit gezien; en +de bouwmeester had hem op het graf van Thorwaldsen geplant, waar hij +als beeld van het schoone bloeide en zijn roode, geurige rozebladeren +weggaf, om als een herinnering naar verre landen meegenomen te worden. + +«Heb je hier in de stad een postje gekregen?» vroegen de musschen. + +De rozen knikten; zij herkenden haar grauwe burinnetjes en verheugden +er zich over, dat zij ze terugzagen. «Wat is het toch heerlijk, +te leven en te bloeien, oude vrienden terug te zien en alle dagen +vroolijke gezichten! Het is, alsof het een feestdag was.»--«Piep!» +zeiden de musschen. «Ja, het zijn waarlijk de oude burinnetjes: wij +herinneren ons haar afstamming van den vijver. Piep! Wat zijn zij in +aanzien gekomen! Ja, menigeen gelukt het in den slaap!--Wacht! daar +zit een verwelkt blad, dat zie ik heel duidelijk!» En zij pikten er +zoo lang aan, totdat het blad afviel. Maar frisscher en groener stond +de rozestruik daar; de rozen geurden in den zonneschijn op het graf +van Thorwaldsen, aan wiens onsterfelijken naam zij zich verbonden. + + + + +GROOTMOEDER. + + +Grootmoeder is heel oud, zij heeft vele rimpels in haar voorhoofd +en sneeuwwit haar; maar haar oogen, die als twee sterren fonkelen, +ja veel schooner nog, hebben een milden en vriendelijken blik, en +weldadig is het, er in te staren! En dan weet zij de mooiste sprookjes +te vertellen. Zij weet heel veel; want zij heeft veel vroeger geleefd +dan vader en moeder; dat is bepaald zeker! Grootmoeder heeft een +gezangboek met groote zilveren sloten en leest dikwijls in dit boek; +daarin ligt een roos, geheel platgedrukt en verdroogd; deze is niet +zoo mooi als de rozen, die zij in een glas heeft staan, maar toch +lacht zij haar het vriendelijkst toe, ja, er komen haar zelfs tranen +in de oogen! Waarom zou grootmoeder de verwelkte bloem in het oude +boek toch zoo aankijken? Weet gij het?--Wel, telkens wanneer de +tranen van grootmoeder op de bloem vallen, worden de kleuren weer +frisch, de roos zwelt op en vervult de geheele kamer met haar geur, +de muren zinken weg, als waren zij slechts nevel, en rondom haar is het +groene, heerlijke bosch, waar de zon door het loof der boomen straalt: +en grootmoeder--ja, zij is weer geheel jong, zij is een bekoorlijk +meisje met blonde lokken, met blozende wangen, schoon en aanminnig, +geen roos is frisscher; maar de oogen, die vriendelijke, gezegende +oogen,--ja, die behooren nog aan grootmoeder toe.--Naast haar zit +een jonkman, rijzig en krachtig, hij reikt haar de roos over, en zij +glimlacht,--zoo glimlacht grootmoeder toch niet!--ja, toch wel! Maar +hij is verdwenen; vele gedachten, vele gestalten zweven voorbij, +de knappe jonkman is verdwenen, de roos ligt in het gezangboek, en +grootmoeder,--ja, zij zit daar weer als een oude vrouw en bekijkt de +verwelkte roos, die er in het boek ligt. + +Nu is grootmoeder dood.--Zij zat in haar leuningstoel en vertelde een +uitvoerig, mooi sprookje; zij zeide, dat het sprookje nu uit en dat +zij moede was; zij ging met haar hoofd achterover leunen om een weinig +te slapen. Men kon haar ademhaling hooren, zij sliep; maar het werd +al stiller en stiller, en haar gelaat straalde van geluk en vrede; +het was, alsof er zich zonneschijn over haar trekken verspreidde, +zij glimlachte weer, en toen zeiden de menschen, dat zij gestorven was. + +Zij werd in de zwarte kist neergelegd; daar lag zij, gehuld in het +witte linnen, zacht en schoon, en toch waren haar oogen gesloten, +maar iedere rimpel was verdwenen; zij lag daar met een glimlachje +om de lippen; heur haar was zilverwit en eerwaardig, het was niet +akelig om de doode aan te staren, het was immers de lieve, goedhartige +grootmoeder. En het gezangboek werd onder haar hoofd neergelegd, dat +had zij zelf begeerd, de roos lag in het oude boek; toen begroeven +zij grootmoeder. + +Op het graf, dicht bij den muur der kerk, plantten zij een rozeboompje; +dit zat vol rozen, en de nachtegaal vloog zingend over de bloemen en +het graf; binnen in de kerk klonken van het orgel de schoonste psalmen, +die er in het oude boek onder het hoofd der overledene stonden. De +maan scheen op het graf neer, maar de doode was hier niet; ieder kind +kon er 's nachts gerust heengaan en een roos bij den kerkhofsmuur +plukken. Een doode weet meer, dan wij levenden met ons allen weten. De +dooden weten heel goed, welk een angst zich van ons meester zou maken, +als het zonderlinge geschiedde en zij tot ons kwamen; de dooden zijn +beter dan wij allen; zij keeren niet weer. De aarde heeft zich boven +de doodkist opgehoopt; ook in de doodkist is aarde, de bladen van het +gezangboek zijn stof, en de roos met al haar herinneringen is tot +stof vergaan. Maar boven haar bloeien frissche rozen, boven zingt +de nachtegaal en klinkt het orgel, boven leeft de herinnering aan +de oude grootmoeder met de milde, eeuwig jonge oogen.--_Oogen kunnen +nimmer sterven._--De onze zullen eenmaal grootmoeder weerzien, jong en +schoon, zooals zij voor de eerste maal de frissche, roode roos kuste, +die nu stof in het graf is. + + + + +DE SCHIM. + + +In de warme landen brandt de zon zeer sterk; daar worden de menschen +zoo bruin als mahoniehout; ja, in de warmste landen worden zij zelfs +tot negers gebrand. Naar deze warme landen was een geleerd man uit +de koude streken vertrokken. Deze dacht nu, dat hij daar eveneens +kon rondloopen als in zijn vaderland; maar van die meening kwam hij +al spoedig terug. Hij en alle verstandige lieden moesten in huis +blijven: de luiken en deuren werden den heelen dag gesloten; het +had den schijn, alsof allen in huis sliepen of uitgegaan waren. De +nauwe straat met de hooge huizen, waarin hij woonde, was echter ook +zoo gebouwd, dat de zon er van den ochtend tot den avond in moest +schijnen; het was werkelijk onverdraaglijk. De geleerde uit de koude +streken was een jong, kundig man; het kwam hem voor, alsof hij in +een gloeienden oven zat; dat deed hem veel kwaad: hij werd mager; +zelfs zijn schim kromp en werd veel kleiner dan hij [10] in zijn +vaderland geweest was; de zon nam ook zelfs dezen mede, en hij begon +'s avonds, als zij ondergegaan was, eerst te leven. Het was een aardig +tooneel, dit aan te zien: zoodra er licht in de kamer gebracht werd, +rekte de schim zich tegen den muur uit, ja nog verder, tot aan de +zoldering, zoo lang maakte hij zich; hij moest zich wel uitrekken, om +weer tot vroegere krachten te komen. De geleerde ging op het balkon +om zich te verfrisschen, en zoodra de sterren aan den prachtigen, +helderen hemel te voorschijn kwamen, was het hem, alsof hij weer +herleefde. Op al de balkons in de straat,--en in de warme landen is +er voor ieder raam een balkon,--vertoonden zich nu menschen; want +versche lucht moet men toch hebben, al is men er ook aan gewoon, +zoo bruin als mahoniehout te worden; dan werd het boven en beneden +levendig; beneden stalden schoenmakers en kleermakers hun goederen op +de straat uit; dan bracht men tafels en stoelen, en werden er lichten +opgestoken, ja, over de duizend lichten: de een sprak, een ander zong, +en de menschen wandelden; er reden rijtuigen, er draafden muildieren, +«klingelingling,»--deze dragen namelijk schelletjes aan hun tuig,--er +werden lijken met gezang begraven; de kerkklokken luidden; ja, het +was werkelijk zeer druk en levendig op de straat. Slechts in één huis, +tegenover dat, waar de vreemde, geleerde man woonde, was het doodstil; +en toch woonde daar iemand, want er stonden bloemen op het balkon, +en deze bloeiden heerlijk in de zonnehitte; en dat hadden zij niet +kunnen doen, als zij niet van tijd tot tijd begoten werden, en iemand +moest ze toch begieten. Menschen moeten er dus wel wonen. De deur +werd ook tegen den avond op een kier gezet; maar dan was het donker, +althans in de voorkamer; uit het binnenste van het huis hoorde +men muziek. De vreemde, geleerde man vond deze allerprachtigst; +doch het was ook wel mogelijk, dat hij het zich maar verbeeldde, +want hij vond daar in die warme landen alles voortreffelijk, als er +maar geen zon geweest was. De huisheer van den vreemdeling zeide, +dat hij niet wist, wie het huis aan den overkant gehuurd had; men +zag er geen menschen, en wat de muziek betrof, het kwam hem voor, +dat deze verschrikkelijk vervelend was. «Het was, alsof daar iemand +een stuk zat in te studeeren, dat hij toch niet goed kon uitvoeren: +altijd hetzelfde stuk. ««Ik speel het toch goed!»» denkt hij zeker; +maar hij doet het nooit goed, hoe lang hij ook speelt.» + +Eens werd de vreemdeling midden in den nacht wakker; hij sliep met +de deur van het balkon open; de wind lichtte het gordijn, dat er +voor hing, op, en nu scheen het hem toe, alsof er een wonderbare +glans van het balkon van het huis aan den overkant afstraalde: alle +bloemen vertoonden zich als vlammen in de schoonste kleuren, en midden +tusschen de bloemen stond een schoone, slanke maagd. Het was, alsof +zij insgelijks licht van zich gaf; het verblindde zijn oogen werkelijk, +doch hij had ze wat te wijd opengespalkt en kwam nog maar pas uit zijn +slaap. Met een enkelen sprong was hij uit zijn bed; zachtjes sloop +hij achter het gordijn;--maar de maagd was weg, de glans was weg, +de bloemen gaven geen licht meer van zich, maar stonden daar nog even +schoon als altijd; de deur stond op een kier en van binnen deed zich +muziek hooren, zoo heerlijk, zoo schoon, dat men zich daarbij werkelijk +in liefelijke gedachten kon verdiepen. Het was als een tooverwerk; +maar wie woonde daar? Waar was de eigenlijke ingang? Want aan den +straatkant en in het steegje had men in het geheele benedenhuis raam +aan raam, en daar konden de menschen toch niet altijd doorheen klimmen. + +Op zekeren avond zat de vreemdeling op zijn balkon; in de kamer achter +hem brandde licht, en dus was het natuurlijk, dat zijn schim zich op +den muur van het huis aan den overkant afteekende; ja, daar zat hij +tusschen de bloemen op het balkon; en als de vreemdeling zich bewoog, +dan bewoog de schim zich ook. + +«Ik geloof, dat mijn schim het eenige levende voorwerp is, wat men +daar aan den overkant ziet,» zei de geleerde man. «Kijk eens, hoe +aardig hij daar tusschen de bloemen zit; de deur staat maar op een +kier; nu moest de schim eens zoo slim zijn en naar binnen toe gaan, +daar eens rondkijken, dan terugkomen en mij vertellen, wat hij daar +gezien heeft. «Ja, je zoudt je daardoor verdienstelijk maken,» zei hij +schertsende. «Wees zoo goed en treed binnen! Welnu, zal je ook gaan?» +En daarop knikte hij den schim toe, en de schim knikte terug. «Komaan, +ga nu maar, en blijf niet weg!» En de vreemdeling stond op, en de schim +op het balkon aan den overkant stond ook op; de vreemdeling keerde +zich om: ja, als iemand er nauwkeurig op gelet had, dan zou hij gezien +hebben, hoe de schim de halfgeopende balkondeur van het huis aan den +overkant juist op hetzelfde oogenblik doorging, waarop de vreemdeling +naar zijn kamer terugkeerde en het lange gordijn liet zakken. + +Den volgenden morgen ging de geleerde man uit, om koffie te +drinken en kranten te lezen. «Wat is dat?» zei hij toen hij in den +zonneschijn kwam. «Ik heb geen schim meer! Dus is hij gisteravond +dan toch werkelijk heengegaan en niet teruggekomen, dat is toch +recht verdrietig!» + +Hij was hierover geërgerd, doch niet zoozeer omdat de schim weg was, +maar omdat hij wist, dat er een geschiedenis was van een man zonder +schim;--alle menschen in zijn vaderland waren met deze geschiedenis +bekend; en als de geleerde man nu in zijn vaderland terugkwam en +zijn eigen geschiedenis vertelde, dan zouden zij zeggen, dat het +maar een naäperij van hem was, en dat wilde hij liever niet van zich +laten zeggen. Hij zou er daarom maar niet over spreken, en dat was +verstandig van hem bedacht. + +Toen het avond was, ging hij weer op zijn balkon; het licht had hij +wel is waar achter zich gezet, want hij wist, dat de schim altijd zijn +heer tot scherm wil hebben; maar hij kon hem niet te voorschijn doen +komen. Hij maakte zich klein, hij maakte zich lang; maar er was geen +schim en er kwam geen schim. Hij zeide: «Hm, hm!» maar dat hielp niets. + +Dat was grievend; maar in de warme landen groeit alles zoo vlug, +en na verloop van acht dagen bemerkte hij dan ook tot zijn vurige +blijdschap, dat er een nieuwe schim uit zijn beenen groeide, als +hij in den zonneschijn kwam; de wortel moest alzoo zijn blijven +zitten. Na verloop van drie weken had hij een vrij grooten schim, +die, toen hij op de terugreis naar de noordelijke landen was, al meer +en meer aangroeide, zoodat hij eindelijk zoo lang en zoo breed was, +dat hij er best de helft van had kunnen missen. + +Toen de geleerde man weer in zijn vaderland teruggekomen was, +schreef hij boeken over het ware, het goede en het schoone, dat er +in de wereld is, en er verliepen dagen, en er verliepen jaren,--er +verliepen vele jaren. + +Daar zat hij op zekeren avond in zijn kamer, toen er zachtjes aan zijn +deur getikt werd. «Binnen!» riep hij; maar er kwam niemand binnen; +nu deed hij de deur open: daar stond een zoo buitengewoon mager man +voor hem, dat het hem wonderlijk te moede werd. Overigens was deze +man allerkeurigst gekleed: het moest zeker een deftig heer zijn. + +«Met wien heb ik de eer te spreken?» vroeg hij. + +«Ja, dat had ik wel gedacht,» zei de deftige heer, «dat ge mij niet +zoudt kennen: ik ben zooveel lichaam geworden, dat ik vleesch en +kleeren gekregen heb. Ge hebt er zeker nooit aan gedacht, dat ge mij in +zulk een toestand zoudt zien? Kent ge uw ouden schim dan niet meer? Ja, +ge hebt zeker niet gedacht, dat ik toch zou terugkomen. Het is met +mij buitengewoon goed gegaan, sedert ik de laatste maal bij u was; +ik ben in alle opzichten zeer vermogend geworden; als ik mij van den +dienst wil vrijkoopen, dan kan ik dit.» Hij rammelde met een menigte +kostbare sieraden, die aan zijn horloge hingen, en stak zijn hand +door den zwaren gouden ketting, dien hij om den hals droeg; en wat +fonkelden er aan al zijn vingers diamanten ringen! En alles was echt! + +«Ik weet waarlijk niet, wat ik er aan heb!» zei de geleerde man. «Wat +moet dit alles beteekenen?» + +«Nu, iets gewoons niet!» zei de schim. «Maar ge behoort immers zelf +ook niet tot de gewone menschen, en ik ben, zooals ge wel weet, van +kindsbeen af in uw voetstappen getreden. Zoodra ge vondt, dat ik rijp +genoeg was, om alleen in de wereld voort te komen, ging ik mijn eigen +weg; ik verkeer in de gunstigste omstandigheden. Maar er overviel mij +een soort van verlangen om u nog eenmaal te zien, voordat ge sterft; +ik wilde deze streken weerzien, want men blijft toch altijd aan zijn +vaderland gehecht. Ik weet, dat ge een anderen schim gekregen hebt; +heb ik aan hem of aan u iets te betalen? Wees maar zoo goed, dit +te zeggen.» + +«Wat? Ben je het waarlijk?» zei de geleerde man. «Dat is toch iets +opmerkelijks! Ik had niet gedacht, dat men zijn ouden schim ooit als +mensch zou kunnen weerzien.» + +«Zeg mij maar, wat ik te betalen heb,» hernam de schim, «want ik zou +niet graag bij iemand schuld hebben.» + +«Hoe kun je nu zoo spreken?» vroeg de geleerde man. «Van welke schuld +kan hier sprake zijn? Je bent zoo vrij van schuld, als iemand maar +wezen kan! Ik verblijd mij van harte over je geluk! Ga zitten, oude +vriend, en vertel mij eens, hoe alles in zijn werk gegaan is en wat +je daar in die warme landen in het huis aan den overkant gezien hebt.» + +«Ja, dat zal ik u vertellen,» zei de schim en zette zich neer; +«maar dan moet ge mij beloven, dat ge nimmer tegen iemand hier in +de stad, waar ge mij ook moogt aantreffen, zult zeggen, dat ik uw +schim geweest ben. Ik heb plan om te gaan trouwen; ik kan best een +vrouw onderhouden.» + +«Wees maar niet bang,» zei de geleerde man; «ik zal aan niemand +zeggen, wie je eigenlijk bent. Hier heb je mijn hand, ik beloof het +je, en een man een man, een woord een woord!» + +«Een schim een schim, een woord een woord!» zei de schim; want zoo +moest deze wel spreken. + +Het was overigens uiterst opmerkelijk, hoe hij geheel en al mensch +geworden was. Hij was in het zwart gekleed en droeg het fijnste zwarte +laken, verlakte laarzen en een hoed, die men in elkaar kon drukken, +zoodat het niets anders dan een bol en een rand was, om niet te spreken +van hetgeen we reeds weten: van de sieraden, de gouden halsketting +en de diamanten ringen. Ja, de schim was bijzonder keurig gekleed, +en dat was het juist, wat hem tot een man maakte. + +«Nu zal ik u eens het een en ander vertellen,» zei de schim, en toen +zette hij zijn voeten met de verlakte laarzen zoo vast als hij maar +kon op den arm van den nieuwen schim van den geleerden man neer, die +als een poedel aan zijn voeten lag. Dit deed hij of uit hoogmoed, of +misschien ook, opdat de nieuwe schim daaraan zou blijven kleven. Maar +de liggende schim hield zich kalm en bedaard, om eens goed te kunnen +luisteren; hij wilde ook weten, hoe men zich kon losmaken en zijn +eigen heer en meester worden. + +«Weet ge, wie er in het huis aan den overkant woonde?» zei de +schim. «Dat was het heerlijkste van alles: het was de poëzie! Ik ben +daar drie weken geweest, en dat heeft dezelfde uitwerking, alsof men +drie duizend jaren lang leefde en alles kon lezen, wat er gedicht en +geschreven is. Want dat zeg ik, en het is waar: Ik heb alles gezien +en ik weet alles.» + +«De poëzie!» riep de geleerde man uit. «Ja, deze leeft dikwijls als +een kluizenaarster in de groote steden. De poëzie! Ja, ik heb haar +een enkel vluchtig oogenblik gezien, maar de slaap stak mij in de +oogen; zij stond op het balkon en flikkerde, evenals het noorderlicht +flikkert: bloemen met levende vlammen. Vertel, vertel! Je waart op +het balkon, je gingt de deur door, en toen....» + +«Toen bevond ik mij in de voorkamer,» zei de schim. «Gij zat op het +balkon en keekt aldoor maar naar de voorkamer aan den overkant. Daar +was geen licht: er heerschte daar een soort van schemering; maar de +eene deur na de andere in een reeks van kamers en zalen stond open, +en daar was het helder, en de massa licht zou mij gedood hebben, +als ik gegaan was tot de plek waar de jonkvrouw zat. Maar ik was +voorzichtig; ik gunde mij den tijd, en dat moet men ook doen.» + +«En wat zag je nu?» vroeg de geleerde man. + +«Ik zag alles! En dat zal ik u vertellen; maar--het is waarlijk geen +trots van mijn kant--als vrij man en uit hoofde van de kundigheden, +die ik bezit, om niet te spreken van mijn deftigen stand en mijn +aanzienlijk fortuin, zou ik toch wel wenschen, dat ge «u» tegen +mij zeidet.» + +«Neem mij niet kwalijk,» zei de geleerde man; «dat «je» is een oude +gewoonte, en die legt men niet zoo gemakkelijk af. Ge hebt volkomen +gelijk, en ik zal er aan denken. Maar vertel mij nu, wat ge gezien +hebt.» + +«Alles,» zei de schim, «want ik zag alles en weet alles.» + +«Hoe zag het er dan in de binnenvertrekken uit?» vroeg de geleerde +man. «Was het daar als in het koele bosch? Was het daar als in een +heiligen tempel? Waren de vertrekken evenals de gesternde hemel, +wanneer men op de hooge bergen staat?» + +«Alles was er,» zeide de schim; «ik ben er wel is waar niet heelemaal +in geweest; ik bleef in de voorkamer in de schemering, maar daar +stond ik heel goed. Ik zag alles en weet alles. Ik ben aan het hof +der poëzie in de voorkamer geweest.» + +«Maar wat hebt ge dan gezien? Gingen door de groote zalen al de goden +van den voortijd? Streden daar de oude helden? Speelden daar lieve +kinderen en vertelden hun droomen?» + +«Ik zeg u, dat ik er geweest ben, en dus begrijpt ge wel, dat ik alles +gezien heb, wat er te zien was. Maar als gij er naar toe gegaan waart, +dan zoudt ge geen mensch gebleven zijn; maar dat werd ik, en tevens +leerde ik mijn innerlijk wezen, mijn aangeborene eigenschappen en de +betrekking kennen, waarin ik tot de poëzie stond. Ja, indertijd, toen +ik bij u was, dacht ik daarover niet na; maar altijd, zooals ge weet, +wanneer de zon op- en onderging, werd ik zoo verwonderlijk lang: in +den maneschijn was ik bijna nog duidelijker te onderscheiden dan gij +zelf; ik begreep destijds mijn innerlijk wezen niet: in de voorkamer +onthulde zich dit aan mij,--ik werd mensch! Rijp kwam ik er weder +uit, maar gij waart niet meer in de warme landen. Ik schaamde er mij +over, als mensch zoo te loopen, als ik liep; ik had laarzen, ik had +kleederen en al dat menschenvernis noodig, dat den eenen mensch van +den anderen onderscheidt: ik zocht bescherming,--ja, aan u kan ik het +wel toevertrouwen: gij zult het immers in geen boek zetten,--ik zocht +bescherming onder de rokken der koekverkoopster; daaronder verschool +ik mij; de vrouw dacht er niet aan, hoe veel zij verborg. Eerst +'s avonds ging ik uit; ik liep in den maneschijn op de straat rond; +ik strekte mij zoo lang als ik was tegen den muur uit; dat kittelde +heel plezierig op mijn rug; ik liep naar boven en naar beneden, keek +door de hoogste ramen in de zalen en door het dak, waar niemand in +kon zien, en ik zag, wat niemand zag, wat niemand mocht zien.--Het +is toch eigenlijk een booze wereld! Ik zou geen mensch willen zijn, +als het niet eenmaal aangenomen was, dat het wat beteekent, mensch +te zijn. Ik zag het allerongeloofelijkste bij vrouwen en mannen +en ouders en «die lieve, engelachtige kinderen.» Ik zag, wat geen +mensch moest weten, en wat zij allen toch zoo graag willen weten: +kwaad bij de naasten. Als ik een krant geschreven had, dan zou zij +gelezen zijn; maar ik schreef regelrecht aan de personen zelf, en er +ontstond schrik in alle steden, waar ik kwam. Zij werden bang voor mij, +en zij hadden mij zoo ontzettend lief! De professor maakte mij tot +professor; de kleermaker gaf mij nieuwe kleeren (ik ben daarvan goed +voorzien); de muntmeester sloeg munten voor mij; de vrouwen zeiden, +dat ik mooi was,--en zoo werd ik de man, die ik nu ben. En nu zeg ik +u vaarwel! Hier is mijn naamkaartje. Ik woon aan de zonzijde en ben +met regenachtig weer altijd thuis.» En de schim verdween. + +«Dat was toch iets opmerkelijks!» zei de geleerde man. + +Jaren en dagen verliepen er, en nu kwam de schim terug. + +«Hoe gaat het?» vroeg hij. + +«Ach!» zei de geleerde man; «ik schrijf over het ware, het goede +en het schoone; maar het kan niemand schelen, zoo iets te hooren; +ik ben wanhopig; want ik trek mij dit erg aan!» + +«Dat doe ik niet,» zei de schim; «ik word dik en vet, en dat moet +men trachten te worden. Ge kent de wereld niet; ge wordt ziek +daarenboven,--ge moet reizen. Ik ga van den zomer een reis doen: +wilt ge mee? Ik zou wel een reismakker willen hebben: wilt ge als +schim meereizen? Dat zou mij veel genoegen doen! Ik betaal de reis!» + +«Gaat ge een verre reis doen?» vroeg de geleerde man. + +«Al naardat men het nemen wil!» zei de schim. «Een reis zal u goed +doen. Wilt ge mijn schim zijn? Dan zult ge alles op reis vrij hebben.» + +«Dat is toch te dwaas!» zei de geleerde man. + +«Maar zoo is de wereld nu eenmaal,» zei de schim, «en zoo zal zij +ook blijven!» + +Daarop verwijderde hij zich. + +Met den geleerden man ging het alles behalve goed; zorg en kommer +vervolgden hem, en wat hij over het ware, het goede en het schoone +schreef, dat was voor de meesten, wat de muskaatnoot voor de koe +is. Hij werd eindelijk ziek. + +«Ge ziet er werkelijk als een schim uit!» zeiden de menschen tegen +hem, en er ging den geleerden man een huivering over de leden, want +hij dacht daarvan het zijne. + +«Ge moet naar een badplaats!» zei de schim, die hem een bezoek +bracht. «Er is geen ander redmiddel voor u. Ik zal u ter wille van +onze oude betrekking meenemen. Ik betaal de reis, en gij maakt de +beschrijving daarvan en kort mij daardoor onderweg den tijd wat op. Ik +wil de baden gebruiken; mijn baard groeit niet zoo hard, als hij wel +moest, dat is ook een ziekte; en een baard moet ik toch hebben. Wees +verstandig en neem mijn aanbod aan; wij reizen als kameraden.» + +En zij gingen samen op reis. De schim was nu heer en de heer was +schim. Zij reden met elkaar, zij wandelden samen, naast elkander, +voor en achter elkander, al naardat de zon stond. De schaduw wist +altijd de eereplaats in te nemen; dat liet de geleerde man zich echter +maar welgevallen: hij had een zeer goed hart en was uiterst mild en +vriendelijk. Nu zei de heer op zekeren dag tegen den schim: «Daar we +nu op zulk een wijze reiskameraden geworden en tevens van kindsbeen +af met elkaar opgegroeid zijn, moeten we eens op onze verbroedering +drinken. «Jij» en «jou» klinkt toch vertrouwelijker.» + +«Ge zeidet daar iets,» hernam de schim, die nu immers eigenlijk de +heer was, «wat zeer welwillend en onbewimpeld gesproken is; ik zal nu +even welwillend en onbewimpeld zijn. Gij, die een geleerd man zijt, +weet wel, hoe wonderlijk de natuur is. Er zijn menschen, die het niet +kunnen verdragen, aan grauw papier te ruiken; zij worden daarvan +onpasselijk; anderen gaat het door merg en been, als men met een +spijker op een glasruit krast: ik voor mij heb een dergelijk gevoel, +als ik u «jij» en «jou» tegen mij hoor zeggen: ik gevoel mij daardoor, +evenals in mijn eerste stelling bij u, terneergedrukt. Ge ziet, dat dit +een eigenaardigheid is, en geen trots. Ik kan u niet «jij» en «jou» +tegen mij laten zeggen; maar ik wil met alle genoegen «jij» en «jou» +tegen u zeggen: dan wordt uw wensch ten minste voor de helft vervuld.» + +En nu zei de schim «jij» en «jou» tegen zijn vroegeren heer. + +«Dat is toch wat erg,» dacht deze, «dat ik «u» moet zeggen, terwijl +hij «jij» en «jou» zegt;» maar hij moest het zich laten welgevallen. + +Zij kwamen op een badplaats, waar vele vreemdelingen waren, en onder +deze een wonderschoone koningsdochter, die de ziekte had, dat zij al +te scherp zag, hetgeen iets zeer verontrustends was. + +Terstond merkte zij, dat de pas aangekomene een heel ander man was +dan de anderen. «Men zegt, dat hij hier is, om aan zijn baard meer +groei te geven; maar ik doorzie de eigenlijke reden: hij kan geen +schaduw werpen!» + +Nu was zij nieuwsgierig geworden, en daarom knoopte zij op de +wandeling terstond een gesprek met den vreemden heer aan. Daar zij +een koningsdochter was, behoefde zij niet veel komplimenten te maken; +daarom zeide zij onverholen tegen hem: «Uw ziekte bestaat daarin, +dat ge geen schaduw kunt werpen.» + +«Uwe Koninklijke Hoogheid moet reeds op den weg van beterschap zijn,» +zei de schim. «Ik weet, dat uw ziekte daarin bestaat, dat ge al te +scherp ziet; maar dat is nu voorbij; ge zijt weer hersteld. Ik heb een +zonderlingen schim. Ziet ge den persoon, die altijd naast mij loopt, +niet? Andere menschen hebben een gewonen schim; maar ik houd niet van +het gewone. Men geeft dikwijls aan zijn bedienden fijner laken voor +hun livrei, dan men zelf draagt, en zoo heb ik mijn schim zich als +een mensch laten kleeden; ja, ge ziet, dat ik hem zelfs een schim +gegeven heb. Dat kost heel veel, maar ik houd er van, iets op mijn +eigen handje te hebben.» + +«Wat?» riep de prinses uit. «Zou ik werkelijk hersteld zijn? Dit +bad is het beste, dat er bestaat; het water heeft in onze tijden +wonderbare krachten. Maar ik ga hier nog niet vandaan, want nu +wordt het eerst amusant; de vreemde prins--want een prins moet het +zijn--bevalt mij uitmuntend. Als nu zijn baard maar niet groeit, +want dan gaat hij heen.» + +Des avonds in de groote balzaal dansten de koningsdochter en de schim +te zamen. Zij was licht, maar hij was nog lichter; zulk een danser had +zij nog nooit gezien. Zij zeide tegen hem, uit welk land zij was, en +hij kende dit land; hij was er geweest, maar destijds was zij afwezig; +hij had door de ramen van het kasteel gekeken, zoowel door die van +beneden als door die van boven: hij had het een en ander omtrent +haar vernomen, en dus kon hij aan de koningsdochter antwoord geven en +zinspelingen maken, waarover deze zich niet weinig verwonderde. Hij +moest de verstandigste man van de heele wereld zijn; zij kreeg hooge +achting voor alles, wat hij wist. En toen zij weer met hem danste, +raakte zij op hem verliefd; en dat merkte de schim heel goed, want +zij had hem met haar oogen bijna door en door gekeken. Zij dansten +nog eens, en het lag haar op de lippen, het tegen hem te zeggen; +maar zij was verstandig, zij dacht aan haar land en haar rijk, +en aan de vele menschen, waarover zij moest regeeren. «Hij is een +schrander man,» zeide zij bij zich zelve, «dat is goed; en hij danst +voortreffelijk, dat is ook goed; maar zou hij wel grondige kennis +bezitten? Dat is even gewichtig; daarom moet hij ondervraagd worden.» +En nu richtte zij terstond zulk een moeilijke vraag tot hem, dat zij +zelve daarop geen antwoord zou hebben kunnen geven, en de schim zette +een zonderling gezicht. + +«Daar kunt ge mij geen antwoord op geven,» zei de koningsdochter. + +«Dat heb ik al in mijn kinderjaren geleerd,» zei de schim; «ik geloof +zelfs, dat mijn schim, die daar bij de deur staat, er wel antwoord +op zou kunnen geven.» + +«Uw schim?» riep de koningsdochter uit. «Dat zou iets zeer opmerkelijks +zijn!» + +«Ik zeg het niet stellig, dat hij het kan,» zei de schim; «maar ik +zou het wel haast denken. Hij heeft mij al zoo menig jaar gevolgd en +zoo veel van mij gehoord; ik zou het daarom wel haast denken. Maar +Uwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij, er u opmerkzaam op te maken, +dat hij er zoo trotsch op is, voor een mensch door te gaan, dat hij, +als hij in een goede luim zal zijn,--en dat moet hij zijn, om een +juist antwoord te geven,--geheel als een mensch wil behandeld worden.» + +«Dat bevalt mij,» zei de koningsdochter. + +En nu ging zij naar den geleerden man, die bij de deur stond, en +sprak met hem over de zon en de maan, over de groene bosschen en +over de menschen nabij en verre, en de geleerde man antwoordde zeer +verstandig en zeer goed. + +«Wat moet dat voor een man zijn, die zulk een verstandigen schim +heeft!» dacht zij. «Het zou een ware zegen voor mijn volk en mijn +rijk zijn, als ik dien koos. Ik zal het doen.» + +En zij werden het er al spoedig over eens, de koningsdochter en de +schim namelijk; maar niemand mocht er iets van weten, voordat zij +naar haar rijk teruggekeerd was. + +«Niemand, niet eens mijn schim!» zei de schim; en daarvoor had hij +zijn bijzondere redenen. + +Zij kwamen in het land, waar de koningsdochter regeerde, als zij +thuis was. + +«Hoor eens, beste vriend!» zei de schim tegen den geleerden man, +«nu ben ik zoo gelukkig en machtig, als maar iemand worden kan; +nu zal ik ook iets bijzonders voor je doen. Je moet bij mij op het +kasteel wonen, met mij in een koninklijk rijtuig rijden en honderd +duizend gulden in het jaar hebben; maar je moet je door elk en een +ieder schim laten noemen en moogt het nimmer zeggen, dat je eenmaal +mensch geweest bent; en dan moet je jaarlijks eenmaal, wanneer ik op +het balkon in den zonneschijn zit en mij laat zien, aan mijn voeten +liggen, zooals het een schim betaamt. Want ik moet je zeggen, dat ik +met de koningsdochter trouw, en van avond is het bruiloft!» + +«Neen, dat is toch te dwaas!» zei de geleerde man. «Dat wil ik +niet, dat doe ik niet; dat heet, het geheele land bedriegen en de +koningsdochter daarbij! Ik zal aan allen zeggen, dat ik mensch ben +en gij schim, en dat ge maar menschenkleeren aanhebt.» + +«Dat zou niemand gelooven,» zei de schim, «wees verstandig, of ik +laat de wacht roepen!» + +«Ik ga regelrecht naar de koningsdochter!» zei de geleerde man. + +«Maar ik ga er eerst heen,» zei de schim, «en jij gaat naar de +gevangenis toe!» En dit gebeurde; want de schildwachten gehoorzaamden +dengene, die, zooals zij wisten, met de koningsdochter zou trouwen. + +«Beef je?» vroeg de koningsdochter, toen de schim bij haar +binnentrad. «Is er iets voorgevallen? Je moogt vandaag niet ziek +worden, thans, nu wij bruiloft zullen houden.» + +«Ik heb het vreeselijkste beleefd, wat men kan beleven!» zei de +schim. «Begrijp eens--ja, zulke arme schimmehersens kunnen niet veel +verdragen!--begrijp eens, mijn schim is krankzinnig geworden; hij +verbeeldt zich, dat hij mensch geworden is en dat--begrijp eens!--dat +ik zijn schim ben!» + +«Dat is verschrikkelijk!» zei de prinses. «Hij is immers in de +gevangenis gezet?» + +«Dat spreekt vanzelf; ik vrees, dat hij niet meer zal herstellen.» + +«Die arme schim!» riep de prinses uit. «Hij is erg ongelukkig; het +zou een waarachtige weldaad zijn, hem van zijn leven te verlossen, +en als ik er recht over nadenk, hoe het volk in onzen tijd maar al te +zeer geneigd is, voor de geringen tegenover de aanzienlijken partij +te trekken, dan komt het mij noodzakelijk voor, dat men hem in alle +stilte uit den weg ruimt.» + +«Dat is toch een harde zaak: want hij is een getrouw dienaar geweest,» +zei de schim, en hij deed, alsof hij zuchtte. + +«Je bezit een edel karakter!» zei de koningsdochter en maakte voor +hem een buiging. + +Des avonds was de geheele stad geïllumineerd en werden er kanonnen +afgeschoten. En de soldaten presenteerden hun geweren. Dat was eerst +een bruiloft! De koningsdochter en de schim kwamen op het balkon, +om zich aan het volk te vertoonen en zich nog eenmaal een «Hoera!» +te laten toeroepen. + +De geleerde man hoorde niets van al deze heerlijkheid,--want hij was +al ter dood gebracht. + + + + +HET VLAS. + + +Het vlas stond in bloei; het had allerliefste, blauwe bloempjes, even +teer als de vleugeltjes van een mug, en nog fijner! De zon scheen op +het vlas, en de regenwolken begoten het; en dat deed daaraan evenveel +goed, als het aan kleine kinderen doet, als zij gewasschen worden en +dan een kus van hun moeder krijgen; zij worden daardoor veel schooner, +en dat werd het vlas ook. + +«De menschen zeggen, dat ik bijzonder goed sta,» zei het vlas, +«en dat ik heel lang ben; er zal een prachtig stuk linnen van mij +komen. O, hoe gelukkig ben ik toch! Ik ben zeker de gelukkigste van +alle wezens. Wat heb ik het goed! En er zal zeker wel wat van mij +worden. Wat maakt de zonneschijn blij en wat smaakt de regen goed en +wat verfrischt hij! Ik ben overgelukkig, ik ben de allergelukkigste!» + +«Ja, ja!» zei een paal van de heining. «Je kent de wereld niet, +maar wij wel, want er zitten kwasten in ons,» en daarop maakte hij +een jammerlijk geluid: + + + «Snip, snap, snor, + Basselor, + Uit is het lied!» + + +«Neen! het is niet uit!» zei het vlas. «Morgen schijnt de zon of doet +de regen goed. Ik gevoel, hoe ik groei; ik gevoel, dat ik in bloei +sta! Ik ben de allergelukkigste!» + +Maar op zekeren dag kwamen er menschen; deze pakten het vlas van boven +beet en trokken het met den wortel uit; dat deed zeer; het werd in +het water gelegd, alsof het verdronken moest worden, en toen kwam +het over het vuur, alsof men het wilde braden,--dat was ontzettend! + +«Men kan het niet altijd goed hebben!» zei het vlas. «Men moet iets +ondervinden, dan weet men wat!» + +Maar het liep slecht af; het vlas werd nat gemaakt en gedroogd, +gebraakt en gehekeld,--ja, wat wist het, hoe het heette, wat men er +al zoo mee deed. Het kwam op het spinnewiel: snor, snor!--Nu was het +niet mogelijk, zijn gedachten bij elkaar te houden. + +«Ik ben buitengewoon gelukkig geweest!» dacht het bij al zijn +pijn; «men moet tevreden zijn met het goede, dat men genoten +heeft!--Tevreden! Tevreden! O!» En dat zei het nog, toen het op het +weefgetouw kwam;--en zoo werd het een mooi, groot stuk linnen. Al +het vlas, tot op den laatsten stengel, ging aan dat ééne stuk op. + +«Maar dat is toch zonderling! Dat had ik nooit gedacht! O, wat is het +geluk mij toch gunstig! De paal wist werkelijk niet, wat hij bedoelde +met zijn: + + + «Snip, snap, snor, + Basselor! + + +Het lied is nog volstrekt niet uit! Nu begint het eigenlijk eerst +recht! Dat is werkelijk zonderling! Al moge ik ook iets geleden +hebben, er is toch ook iets van mij geworden! Ik ben de gelukkigste +van alle! Wat ben ik sterk en fijn, wat ben ik wit en lang! Dat is +wat anders dan slechts een plant te zijn, al draagt men ook bloemen; +men wordt niet verpleegd; en water krijgt men alleen dan, als het +regent. Nu word ik verzorgd en verpleegd, de meid keert mij alle +morgens om, en uit den gieter krijg ik iederen avond een regenbad; ja, +de domineesvrouw heeft zelfs een lofrede op mij gehouden en gezegd, dat +ik het beste stuk uit het kerspel ben. Ik kan niet gelukkiger worden!» + +Nu kwam het linnen in huis en toen onder de schaar; o, wat sneed en +rukte men er aan, wat stak men er met naalden in!--Dat was waarlijk +geen plezier; maar van het linnen kwamen twaalf stukken van die soort, +welke men niet graag noemt, maar die alle menschen moeten hebben: +een geheel dozijn werd daarvan vervaardigd. + +«O, kijk eens! Nu ben ik eerst wat gewichtigs geworden. Dat was dus +mijn bestemming! Dat is immers een ware zegen! Nu doe ik nut in de +wereld, en dat moet men immers, dat is eerst het ware genoegen! Wij +zijn twaalf stukken geworden, maar wij zijn toch allemaal een en +hetzelfde: wij zijn juist een dozijn! Wat is dat voor een bijzonder +geluk!» + +Jaren verliepen er,--en nu waren zij heelemaal versleten. + +«Eenmaal moet het immers gedaan zijn,» zei ieder stuk. «Ik zou graag +wat langer geduurd hebben, maar men moet niets onmogelijks verlangen!» + +Nu werden zij in stukken en flarden gescheurd. Zij dachten, dat het nu +met hen gedaan was, want zij werden fijngehakt, geweekt en gekookt, +ja, zij wisten zelf niet, wat er al zoo met hen gebeurde ... en toen +werden zij schoon, wit papier. + +«Nu, dat is een verrassing, een heerlijke verrassing!» zei het +papier. «Nu ben ik fijner dan vroeger, en nu zal ik beschreven +worden. Dat is toch een buitengewoon geluk!» + +En er werden werkelijk de mooiste geschiedenissen en verzen op +geschreven. De menschen hoorden, wat er op stond; en dat was wijs en +goed, het maakte hen veel wijzer en beter; er lag een groote zegen +in de woorden op dit papier. + +«Dat is meer, dan ik ooit gedacht had, toen ik nog een klein blauw +bloempje op het veld was! Hoe kon het mij in de gedachten komen, dat +ik eenmaal vreugde en kennis onder de menschen zou verspreiden? Ik kan +het zelf nog niet begrijpen, maar het is toch werkelijk zoo! Onze God +weet, dat ik daartoe zelf niets gedaan heb, dan wat ik overeenkomstig +mijn zwakke krachten voor mijn bestaan doen moest; en toch brengt Hij +mij van de eene vreugde en eer tot de andere. Telkens wanneer ik denk: +«Uit is het lied!» dan ga ik weer tot iets hoogers en beters over. Nu +moet ik zeker op reis gaan en de heele wereld rondgezonden worden, +opdat alle menschen mij kunnen lezen. Dat kan niet anders zijn! Dat +is het waarschijnlijkste! Ik heb kostelijke gedachten, even vele als +ik vroeger blauwe bloemen had! Ik ben het gelukkigste schepsel!» + +Doch het papier ging niet op reis, maar het ging naar den boekdrukker +toe; en daar werd alles, wat er op geschreven stond, om te drukken +gezet tot één boek, ja tot vele honderden boeken, want op deze wijze +konden oneindig velen er meer nut en genoegen van hebben, dan wanneer +het eenige papier, waarop het geschreven stond, de heele wereld had +moeten rondgaan en halverwege versleten was. + +«Ja, dat is zeker het verstandigste!» dacht het beschreven papier. «Dat +is mij niet ingevallen. Ik blijf te huis en word in eere gehouden +als een oude grootvader, en dat ben ik immers ook van al deze nieuwe +boeken. Nu kan er iets uitgericht worden. Zoo zou ik niet hebben +kunnen rondreizen. Op mij heeft diegene neergezien, die het geheel +schreef. Ieder woord vloeide regelrecht uit de pen op mij! Ik ben +de gelukkigste!» + +Daarop werd het papier in een pakje samengebonden en in een ton +geworpen, die in het wachthuis stond. + +«Na volbrachten arbeid is het goed rusten!» zei het papier. «Het is +zeer verstandig, dat men zijn gedachten verzamelt en omtrent datgene, +wat er in iemand woont, tot nadenken komt. Nu weet ik eerst zoo +recht, wat er op mij staat! En zich zelf te kennen, dat is eerst +de ware vooruitgang. Wat zal er nu wel met mij gebeuren? Voorwaarts +zal het in allen gevalle gaan; het gaat altijd voorwaarts; dat heb +ik ondervonden.» + +Nu werd op zekeren dag al het papier op den haard gelegd; het zou +verbrand worden; want het mocht niet aan den kruidenier verkocht en +voor het inpakken van boter en suiker gebruikt worden: zoo zeide +men. En al de kinderen in het huis stonden er om heen, want zij +mochten graag papier zien branden; dat vlamde prachtig in de hoogte, +en later kon men in de asch de vele roode vonken zien, die heen en weer +gingen. De eene na de andere ging uit. Dat noemde men: «De kinderen +uit de school zien komen,» en de laatste vonk was de schoolmeester; +dikwijls dachten zij, dat deze heengegaan was; maar dan kwam er op +hetzelfde oogenblik nog een vonk. «Daar ging de schoolmeester!» +zeiden zij. Nu, die weten het wel. Zij hadden maar moeten weten, +wie daar ging; wij zullen het te weten komen; maar zij wisten het +niet. Al het oude papier, het geheele pakje, werd op het vuur gelegd, +en dit ontvlamde al spoedig. «Hu!» zeide het en flikkerde in heldere +vlammen op. Nu, dat was juist niet zeer aangenaam; maar toen het +geheel in heldere vlammen stond, sloegen deze zoo in de hoogte, als +het vlas nooit zijn kleine, blauwe bloemen had kunnen verheffen, en +fonkelden, zooals het witte linnen nooit had kunnen fonkelen. Alle +geschrevene letters werden voor een oogenblik rood, en alle woorden +en gedachten gingen in vlammen op. «Nu stijg ik regelrecht naar de +zon op!» sprak het in de vlam, en het was, alsof duizenden stemmen dit +eenparig zeiden; en de vlammen sloegen door den schoorsteen en er boven +uit. En fijner dan de vlammen, onzichtbaar voor het menschelijk oog, +zweefden daar kleine wezens, even groot in getal, als er bloemen +aan het vlas gezeten hadden. Zij waren nog lichter dan de vlam, +die ze had doen ontstaan; en toen deze uitging en er van het papier +slechts de zwarte asch over was, dansten zij nog eenmaal boven deze +heen, en waar zij ze aanraakten, daar liepen de roode vonken. «De +kinderen kwamen uit de school en de schoolmeester was de laatste!» +Dat was een pret, en de kinderen zongen bij de doode asch: + + + «Snip, snap, snor, + Basselor, + Uit is het lied!» + + +Maar de kleine onzichtbare wezens zeiden allemaal: «Het lied is +nooit uit! Dat is het mooiste van alles. Ik weet het, en daarom ben +ik de gelukkigste!» + +Maar dat konden de kinderen niet hooren of verstaan, en dat behoefden +zij ook niet; want kinderen mogen niet alles weten. + + + + +KINDERPRAAT. + + +Er was in het huis van zeker rijk koopman een kinderpartij; het +waren allemaal kinderen van rijke en aanzienlijke lieden; de koopman +was een geleerd man; hij had eenmaal het studentenexamen afgelegd; +daartoe spoorde zijn brave vader hem aan, die van den beginne af +slechts veehandelaar, maar altijd eerlijk en vlijtig geweest was; +de handel had geld opgebracht, en dit geld had de koopman weten te +vermeerderen. Verstandig was hij, en een hart had hij ook, maar over +zijn hart werd minder gesproken dan over al zijn geld. Bij den koopman +gingen de deftige lieden in en uit, zoowel menschen van adellijk bloed, +gelijk het heet, als van verstand, maar ook lieden, die beide bezaten, +en ook geen van beide. Ditmaal was er daar een kinderpartij, en +kinderen zeggen alles, wat hun maar voor den mond komt. Onder anderen +was daar een verwonderlijk schoon, klein meisje, maar dit meisje was +ontzettend trotsch; dat hadden de dienstboden haar geleerd, en niet +haar ouders, want daarvoor waren dit veel te verstandige lieden; haar +vader was kamerheer, en dat is iets heel deftigs, dat wist zij wel. + +«Ik ben een kamerkind!» zeide zij. Zij had even goed een kelderkind +kunnen zijn, want daar kan niemand zelf iets aan doen. Verder vertelde +zij, dat zij «geboren» was, en zeide, dat men, als men niet geboren +was, ook niets kon worden; het baatte niets, of men al wilde lezen en +vlijtig zijn; als men niet geboren was, dan kon men ook niets worden. + +«En diegenen, wier namen op «sen» eindigen,» zeide zij, «van die kan +volstrekt niets komen! Men moet de handen in de zijden zetten en ze +ver van zich houden, die «sens!» en dit zeggende, zette zij haar +handen in de zijden en maakte haar ellebogen spits, om te toonen, +hoe men dat moest doen; en haar armpjes waren heel poezelig. Het was +een allersnoepigst meisje. Maar het dochtertje van den koopman werd +over deze taal heel boos; haar vader heette Petersen, en van dezen +naam wist zij, dat hij op «sen» eindigde, en daarom zeide zij zoo +trotsch, als zij maar kon: + +«Maar mijn vader kan voor honderd thalers bonbons koopen en deze +midden onder de kinderen werpen! Kan jouw vader dat?» + +«Ja, maar mijn vader,» zei het dochtertje van een schrijver, «kan +jouw vader en jouw vader en al jelui vaders in de krant zetten! Alle +menschen zijn bang voor hem, zegt moeder, want mijn vader is het, +die in de krant regeert.» + +En het dochtertje zag er daarbij trotsch uit, alsof het een wezenlijke +prinses geweest was, die er wel trotsch moest uitzien. + +Maar buiten voor de deur, die slechts op een kier stond, bevond +zich een arme jongen en keek door de reet. Hij was zoo gering, dat +hij niet eens in de kamer mocht komen. Hij had het braadspit voor de +keukenmeid omgedraaid, en deze had hem nu vergund, achter de deur te +staan en naar de keurig uitgedoste kinderen te kijken, die zulk een +plezierigen dag hadden, en dat was al veel voor hem. + +«Welk een geluk, een van hen te zijn!» dacht hij, en daarbij hoorde +hij, wat er gesproken werd, en dat was wel geschikt, om hem erg +mismoedig te maken. Geen enkelen penning hadden zijn ouders te huis, +dien zij konden overleggen, om daarvoor een krant te lezen, laat +staan dan er een te schrijven!--en wat nog het allerergste was: de +naam van zijn vader en ook de zijne eindigden op «sen» van hem kon +dus ook niets komen. Dat was treurig!--Maar geboren was hij toch, +dat kon onmogelijk anders zijn. + +Dat was nu op dezen avond. + +Sedert verliepen er vele jaren, en ondertusschen worden kinderen +volwassen menschen. + +In de stad stond een prachtig huis, het was opgevuld met louter +mooie voorwerpen en schatten; alle menschen wilden het zien, zelfs +menschen, die buiten de stad woonden, kwamen naar de stad toe, om het +te zien. Wie van de kinderen, waarvan wij verteld hebben, zou dit +huis nu wel het zijne noemen? Ja, dat te weten, is natuurlijk heel +gemakkelijk! Neen, neen! het is toch niet zoo heel gemakkelijk. Het +huis behoorde aan den kleinen, armen jongen, die op den bewusten +avond achter de deur gestaan had; van hem kwam toch iets, ofschoon +zijn naam op «sen» eindigde,--het was Thorwaldsen. + +En die drie andere kinderen?--de kinderen van het adellijk bloed, van +het geld en van den hoogmoed?--Ja, het eene heeft het andere niets +te verwijten, het zijn gelijke kinderen,--van hen kwam alles goeds, +de natuur had hen rijkelijk bedeeld; wat zij indertijd gedacht en +gesproken hadden, was niets anders dan kinderpraat. + + + + +DE STOPNAALD. + + +Er was eens een stopnaald, die zich zoo fijn waande, dat zij zich +inbeeldde, een naainaald te zijn. + +«Past maar goed op, dat ge mij vasthoudt!» zei de stopnaald tegen de +vingers, die haar voor den dag haalden. «Laat mij niet vallen! Als +ik op den grond rol, dan vindt ge mij stellig niet meer terug, zoo +fijn ben ik.» + +«Dat zal wel schikken,» zeiden de vingers en pakten haar om het +lijf beet. + +«Ziet ge, ik kom met gevolg!» zei de stopnaald en trok een langen +draad achter zich mee; maar er lag een knoop in dezen draad. + +De vingers richtten de stopnaald vlak op de pantoffel der +keukenmeid. Daarvan was het bovenleer doormidden gescheurd, en dat +moest weer aan elkaar vastgenaaid worden. + +«Dat is gemeen werk!» zei de stopnaald. «Ik kom er nooit van mijn +leven doorheen. Ik breek, ik breek!» En waarlijk, zij brak. «Heb ik +het niet gezegd?» riep de stopnaald uit. «Ik ben te fijn!» + +«Nu deugt zij volstrekt niet meer!» zeiden de vingers; maar zij +moesten haar toch vasthouden; de keukenmeid liet lak op de naald +droppelen en stak daarmee haar doekje van voren vast. + +«Ziezoo, nu ben ik een doekspeld!» zei de stopnaald. «Ik wist wel, dat +ik in eere zou komen; is men wat, dan wordt men wat!» En daarbij lachte +zij in zich zelf; want men kan het een stopnaald nooit aanzien, als +zij lacht. Daar zat zij nu zoo trotsch, alsof zij in een staatsiekoets +reed, en keek naar alle kanten. + +«Mag ik u ook vragen, of ge van goud zijt?» vroeg de speld, die haar +buurvrouw was. «Ge ziet er prachtig uit en hebt een eigenaardig hoofd; +doch het is maar klein! Ge moet uw best doen om het te laten groeien, +want niet iedereen wordt met lak bedroppeld!» + +En nu richtte de stopnaald zich zoo trotsch op, dat zij van het doekje +afviel en vlak in den gootsteen te land kwam, dien de keukenmeid +juist doorspoelde. + +«Nu gaan wij op reis!» zei de stopnaald. «Als ik er maar niet bij +verloren ga!» En zij ging werkelijk verloren. + +«Ik ben te fijn voor deze wereld!» zeide zij, toen zij in de goot +lag. «Maar ik weet, wie ik ben, en dat is altijd een klein genoegen!» +En de stopnaald behield haar trotsche houding en verloor haar goede +luim niet. + +Er zwommen allerlei voorwerpen over haar heen, spaanders en strookjes +van oude kranten. «Kijk eens, hoe zij zeilen!» zei de stopnaald. «Zij +weten niet, wat er onder hen ligt! Ik lig hier, ik zit hier vast! Kijk, +daar gaat een spaander; die denkt aan niets anders in de wereld dan aan +zich zelf. Daar drijft een strootje! O, wat draait en keert het zich +naar alle kanten! Denkt toch niet alleen aan u zelf, want dan zoudt ge +u licht aan een steen kunnen stooten! Daar zwemt een stukje krant! Wat +daarin staat, is al lang vergeten, en toch spreidt het zich uit! Ik +zit geduldig en stil! Ik weet, wat ik ben, en dat blijf ik ook!» + +Op zekeren dag lag er iets dicht naast haar; dat glinsterde zoo +prachtig, en nu dacht de stopnaald, dat het een diamant was, maar het +was een glasscherf, en omdat deze glinsterde, sprak de stopnaald haar +aan en gaf zich voor een doekspeld uit. + +«Ge zijt zeker een diamant?» + +«Ja, ik ben zoo iets van dien aard!» En zoo dacht de eene van de +andere, dat het iets heel kostbaars was; en zij spraken er over, +hoe hoogmoedig de wereld toch was. + +«Ik ben bij een juffrouw in den koker geweest,» zei de stopnaald, «en +deze juffrouw was keukenmeid; aan iedere hand had zij vijf vingers; +maar iets, dat zoo veel verbeelding had, als deze vingers, heb ik +nog nooit van mijn leven gezien, en zij waren er toch maar om mij +uit den koker te nemen en er weer in te doen.» + +«Waren zij dan zoo deftig?» vroeg de glasscherf. + +«Deftig?» zei de stopnaald. «Neen, maar hoogmoedig! Er waren vijf +broeders, allen geborene «vingers». Zij stonden trotsch naast elkaar, +ofschoon zij van verschillende lengte waren. De eerste, Duimelot, +was kort en dik, deze had maar één gewricht in den rug en kon maar +één buiging maken; maar hij zeide, dat, als hij iemand afgehakt werd, +deze niet meer voor den krijgsdienst deugde. Likkepoot, de tweede +vinger, kwam zoowel in zoet als in zuur, wees naar de zon en de maan +en gaf den druk, als zij schreven. Langeliereboom, de derde, keek +al de anderen over het hoofd heen. Ringeling, de vierde, ging met +een gouden gordel om het lijf, en Pinkeling, deed volstrekt niets, +en daarop was hij trotsch. Pralerij was het en pralerij bleef het, +en daarom ging ik heen!» + +«En nu zitten we hier en glinsteren!» zei de glasscherf. + +Op hetzelfde oogenblik kwam er meer water in de goot; het stroomde +over den kant heen en voerde de glasscherf met zich mee. + +«Ziezoo, nu wordt zij bevorderd!» zei de stopnaald. «Ik blijf zitten, +ik ben te fijn; maar dat is mijn trots, en die is achtenswaardig!» +En trotsch zat zij daar en had vele verhevene gedachten. + +«Ik zou haast denken, dat ik uit een zonnestraal geboren ben, zoo +fijn ben ik! Het komt mij toch ook voor, alsof de zonnestralen mij +altijd onder het water zoeken. Ach, ik ben zoo fijn, dat mijn moeder +mij niet kan vinden. Als ik mijn oude oog had, dat afgebroken is, +dan geloof ik, dat ik zou kunnen schreien; maar ik zou het toch niet +doen,--want schreien staat niet deftig!» + +Op zekeren dag lagen er een paar straatjongens op den grond en wroetten +in de goot, waarin zij oude spijkers, penningen en dergelijke dingen +vonden. Het was een smerig werk; maar zij hadden er nu eenmaal +schik in. + +«Ai!» schreeuwde de een, die zich aan de stopnaald stak, «dat is ook +een kerel!» + +«Ik ben geen kerel, ik ben een dame!» zei de stopnaald; maar niemand +hoorde het. Het lak was er afgegaan en zij was ook zwart geworden, maar +zwart maakt slanker, en nu dacht zij, dat zij fijner dan vroeger was. + +«Daar komt een eierschaal!» zeiden de jongens, en nu staken zij de +stopnaald in de eierschaal vast. + +«Witte muren en zelf zwart,» zei de stopnaald, «dat kleedt goed; +nu kan men mij toch zien! Als ik maar niet zeeziek word, want dan +moet ik braken!» + +Maar zij werd niet zeeziek en braakte ook niet. + +«Het is een goed middel tegen zeeziekte, als men een maag van staal +heeft en dan ook niet vergeet, dat men iets meer is dan een mensch. Nu +is de vrees voor zeeziekte geweken. Hoe fijner men is, des te meer +kan men verdragen.» + +«Krak!» zei de eierschaal; er ging een kruiwagen over haar heen. + +«Hemel! Wat drukt dat!» zei de stopnaald; «nu word ik toch zeeziek! Ik +moet braken!» Maar zij braakte niet, ofschoon er een kruiwagen over +haar heen ging; zij lag zoo lang als zij was op den grond, en zoo +moet zij maar blijven liggen. + + + + +DE OUDE TORENKLOK. + + +In het Duitsche land Wurtemberg, waar de acacia's aan den straatweg +groeien, waar de appel- en de pereboomen zich in den herfst ter aarde +buigen onder den zegen van rijpe vruchten, ligt het stadje Marbach. Al +moge dit ook slechts onder het getal der kleine steden behooren, toch +ligt het allerbekoorlijkst aan den Neckarstroom, die voorbij dorpen, +ridderkasteelen en wijnbergen vloeit, om zijn wateren eindelijk met +die van den trotschen Rijn te vermengen. + +Het was in den naherfst, het wingerdloof hing wel is waar nog aan den +wijnstok; maar de bladeren hadden zich reeds roodachtig gekleurd; +geweldige regens vielen er in deze streken, de koude herfstwinden +namen in kracht en scherpte toe,--het was juist geen aangename tijd +voor arme lieden. + +De dagen werden gedurig korter en somberder, en het was donker zelfs +buiten onder den vrijen hemel; nog donkerder was het binnen de oude, +kleine huizen.--Een van deze huizen keerde zijn gevel naar de straat +toe en stond daar met zijn kleine, lage ramen, armoedig en gering; +arm was ook de familie, die in het huisje woonde, maar zij was braaf +en vlijtig en droeg een schat van godsvrucht in het diepst van het +hart. Nog een kind zou de goede God haar schenken; de ure was daar, +de moeder lag in wee en smarte. Daar drong het vroolijke, feestelijke +klokgelui van den kerktoren tot haar ooren door; het was een plechtige +ure, en de tonen der klok vervulden de biddende met geloof; uit het +diepst haars harten stegen haar gedachten tot God op, en ter zelfder +ure werd haar een zoontje geboren. Zij was van oneindige blijdschap +vervuld, en de klok boven in den toren luidde als 't ware haar vreugde +over stad en land uit. Twee heldere kinderoogen staarden haar aan, +en het haar van den kleine straalde als van goud. Het kind werd +op de aarde met klokgelui op den somberen Novemberdag ontvangen; +moeder en vader kusten het, en in hun bijbel schreven zij: «Op +den tienden November 1759 schonk God ons een zoon.» Later werd er +nog bijgevoegd, dat deze bij den doop de namen: _Johann Christoph +Friedrich_ gekregen had. + +En wat werd er nu van het arme knaapje uit het geringe Marbach? Ja, +destijds wist niemand dat nog, zelfs de oude torenklok niet, hoe hoog +zij ook hing en ofschoon zij het eerst over hem geklonken had,--over +hem, die eenmaal het schoone lied van de «Klok» zou zingen. + +Welnu, de knaap groeide op, en de wereld groeide met hem op; zijn +ouders verhuisden later wel is waar naar een andere stad; maar goede +vrienden lieten zij in het kleine Marbach achter, en daarom begaven +de moeder en haar zoontje zich op zekeren dag op weg en reden naar +Marbach, om er een bezoek af te leggen. De knaap was nog maar zes jaren +oud, doch hij wist reeds veel uit den bijbel en vooral uit de psalmen; +hij had reeds menigen avond, als hij daar op zijn kleine stoeltje +zat, naar zijn vader geluisterd, wanneer deze overluid uit Gellerts +fabelen of uit Klopstocks verheven gedicht «De Messias» voorlas; hij +en zijn twee jaren ouder zusje hadden heete tranen gestort over Hem, +die voor ons allen den dood aan het kruis gestorven is. + +Bij dit eerste bezoek te Marbach was het stadje niet veel veranderd; +het was immers ook niet lang geleden, dat zij het verlaten hadden; +de huizen stonden daar, evenals vroeger, met hun spitse gevels, +vooruitspringende muren, de eene verdieping boven de andere uitstekend, +en hun lage ramen; alleen op het kerkhof waren er nieuwe graven +bijgekomen, en daar, in het gras, dicht bij den muur, stond nu +de oude klok; zij was van haar hoogte neergestort, had een barst +gekregen en kon niet meer luiden; er was dan ook een nieuwe klok in +haar plaats gekomen. + +Moeder en zoon hadden het kerkhof betreden. Zij bleven voor de oude +klok staan, en de moeder vertelde aan haar zoontje, hoe juist deze klok +eeuwen lang een zeer nuttige klok geweest was, hoe zij voor den doop, +voor de bruiloft en voor de begrafenis geluid had; zij had van feesten +en vreugde en van de verschrikkingen des vuurs gesproken, ja, geheele +menschenlevens had de klok uitgezongen. En nooit vergat de knaap, +wat zijn moeder hem vertelde; het klonk en zong en weerklonk in zijn +borst, totdat hij het er als man moest uitzingen. Ook dat vertelde zijn +moeder hem, dat de oude torenklok haar troost en vreugde in haar nooden +had toegezongen, en dat zij gezongen en geklonken had, toen hij, het +zoontje, haar gegeven werd; en bijna met eerbied beschouwde de knaap de +groote, oude klok, hij boog zich over haar heen en kuste haar, hoe oud, +gebarsten en verworpen zij daar ook tusschen gras en brandnetels stond. + +In aandenken bleef de oude klok bij den knaap, die in armoede +opgroeide, lang en mager met roodachtig haar en een gezicht vol +zomersproeten: ja, zoo zag hij er uit, maar daarbij had hij een +paar oogen, zoo helder en diep als het diepste water. En hoe ging +het wel met hem?--Goed ging het met hem, benijdenswaardig goed! Wij +vinden hem in de hoogste gunst aan de militaire school opgenomen, +zelfs in de afdeeling, waar de zonen der deftige lieden zaten, en dat +was immers een eer, heette immers een geluk! Slobkousen droeg hij, +een stijve das en een gepoederde pruik; en kundigheden bracht men +hem aan, en wel onder het kommando van «Marsch! Halt! Front!» + +De oude torenklok had men ondertusschen bijna vergeten; dat zij nog +eenmaal naar den smeltoven zou moeten gaan, was vooruit te zien, +en wat zou er dan wel van haar worden?--Ja, dat kon men onmogelijk +voorspellen, en even onmogelijk was het dan ook, te zeggen, wat +van de klok zou klinken, die in de borst van den knaap van Marbach +weerklonk; maar een klinkend metaal was zij, en klinken deed zij, +zoodat dit geluid zich in de wijde wereld moest verspreiden, en +hoe enger het achter de schoolmuren werd en hoe bedwelmender het +«Marsch! Halt! Front!» klonk,--des te luider klonk het in de borst van +den jongeling, en hij zong het uit in den kring van zijn schoolmakkers, +en deze tonen klonken over de grenzen van het land. Maar daarvoor had +men hem geen vrijplaats aan de militaire school en ook geen kleederen +en voedsel gegeven; hij had immers hier reeds het nummer gekregen +voor het pennetje, dat hij zijn zou in het groote uurwerk, waarin wij +allen behooren.--Hoe weinig begrijpen wij ons zelf! Hoe zouden dan +de anderen, zelfs de besten, ons altijd kunnen begrijpen? Maar juist +door de wrijving wordt het edelgesteente geschapen. De wrijving had +hier plaats,--zou de wereld het edelgesteente eenmaal erkennen? + +In de hoofdstad van den landsheer werd een groot feest +gegeven. Duizenden lampen en lichten straalden daar, vuurpijlen stegen +er ten hemel op;--die glans leeft nog in de herinnering der menschen, +en wel door hem, den kweekeling der militaire school, die indertijd in +tranen en in smarte onbemerkt de poging waagde, een vreemden grond +te bereiken; hij _moest_ ze verlaten, vaderland, moeder, al zijn +dierbaren, of--in den stroom der algemeenheid ondergaan.-- + +De oude torenklok had het goed; zij stond tegen den muur der kerk +te Marbach, goed bewaard, bijna vergeten. De wind bruiste over haar +heen en had reeds kunnen vertellen van hem, bij wiens geboorte de klok +geluid had, vertellen, hoe koud hij zelf over hem heengewaaid had in +het bosch van het naburige land, toen hij, van vermoeienis uitgeput, +neergezegen was met zijn geheelen rijkdom, de hoop zijner toekomst: +slechts geschreven bladen van «Fiesko;» de wind had van zijn enkele +beschermers kunnen vertellen, allen kunstenaars, die bij het voorlezen +dezer bladen evenwel wegslopen en zich met het kegelspel vermaakten; +de wind had kunnen vertellen van den bleeken vluchteling, die weken, +maanden lang in de ellendige herberg doorbracht, waar ruwe vreugde +heerschte, terwijl hij van idealen zong.--Het waren moeilijke +dagen! Zelf moet het hart lijden en de beproevingen doorstaan, +waarvan het wil zingen. + +Donkere dagen, koude nachten trokken er ook over de oude klok heen; +zij had daar geen hinder van; maar de klok in des menschen borst, +zij gevoelt haar treurigen tijd. Hoe ging het met den jonkman? Hoe +ging het met de oude klok?--De klok werd ver weggebracht, verder dan +men haar van haar vroegeren hoogen toren af ooit had kunnen hooren; +en de jonkman?--Ja, de klok in zijn borst klonk verder dan zijn voet +ooit zou wandelen, zijn oog ooit zou zien; zij luidde en luidt nog +aldoor over den oceaan, over de gansche aarde heen.--Maar bepalen wij +ons voorloopig tot de torenklok! Ook zij verliet Marbach: zij werd voor +oud koper verkocht en voor den smeltoven in Beieren bestemd. Maar hoe +en wanneer gebeurde dat?--In Beierens koningsstad, vele jaren nadat zij +van den toren neergestort was, heette het, dat zij gesmolten was, om +gebruikt te worden bij de vervaardiging van een gedenkteeken voor een +der verhevenste gestalten van het Duitsche volk en het Duitsche land. + +En zie, hoe dit nu toeging;--zonderling en heerlijk gaat het toch in +de wereld toe! In Denemarken, op een van die groene eilanden, waar de +beukenwouden ruischen en de vele hunebedden ons aanstaren, was een arme +knaap geboren; op klompen was hij de deur uitgegaan; aan zijn vader, +die op de marinewerven werkte, had hij het middagmaal in een ouden, +verschoten omslagdoek gebracht;--dit arme kind was echter de trots +van zijn land geworden, hij wist uit marmer voorwerpen te houwen, +waarover de geheele wereld verbaasd stond [11], en juist aan dezen was +de eervolle taak opgedragen, uit klei een heerlijk, schoon beeld, voor +het gieten in metaal te vormen, het standbeeld van hem, wiens naam zijn +vader eenmaal als _Johann Christoph Friedrich_ in zijn bijbel schreef. + +Het metaal vloeide gloeiend in den vorm; de oude torenklok, aan wier +afkomst en verstomde geluiden niemand dacht,--deze klok vloeide +insgelijks in den vorm, en vormde het hoofd en de borst van het +standbeeld, zooals het daar nu onthuld staat te Stuttgart voor het oude +kasteel, waar hij, dien het voorstelt, eenmaal levend rondwandelde, +te midden van strijd en streven, gedrukt door de buitenwereld, hij, +de knaap van Marbach, de kweekeling der Karlsschule, de vluchteling, +Duitschlands groote, onsterfelijke dichter, die gezongen heeft van +den bevrijder van Zwitserland en de door Gods geest aangeblazen maagd +van Orleans. + +Het was een schoone, zonnige dag; vlaggen wapperden er van torens +en daken in het koninklijke Stuttgart; de torenklokken luidden tot +feestelijkheid en vreugde; slechts één klok zweeg, maar zij fonkelde +dan ook in den helderen zonneschijn, straalde van het gelaat en van +de borst der roemrijke gestalte; er waren op dezen dag juist honderd +jaren verloopen sedert dien dag, waarop de torenklok te Marbach +aan de lijdende moeder troost en vreugde had verkondigd, toen zij +het kind ter wereld bracht, arm in het arme huis,--later echter de +rijke man, wiens schatten de wereld zegent, hem, den dichter van het +edele vrouwenhart, den zanger van het verhevene, van het heerlijke: +_Johann Christoph Friedrich Schiller_. + + + + +HET METALEN VARKEN. + + +In de stad Florence, niet ver van de _Piazzo del Granduca_, heeft men +een kleine dwarsstraat, die, geloof ik, _Porta Rosa_ genoemd wordt. In +deze straat, voor een soort van hal, waar groenten verkocht worden, +staat een van metaal kunstig bewerkt varken. Het frissche, heldere +water vloeit uit den bek van dit dier, dat door ouderdom zwartachtig +groen geworden is; alleen de snuit blinkt, alsof hij gepolijst +was, en dat is hij ook door vele honderden kinderen en _lazzaroni_ +(bedelaars), die hem met hun handen aanpakken en hun mond aan den +snuit van het dier zetten, om te drinken. Het is een schilderachtig +tooneel, het welgevormde dier door een aardigen, halfnaakten knaap +te zien omvatten, die de lippen aan zijn snuit zet. + +Iedereen, die te Florence komt, kan de plaats gemakkelijk vinden; hij +moet den eersten den besten bedelaar maar naar het _metalen varken_ +vragen, en hij zal het vinden. + +Het was op een winteravond; de bergen waren met sneeuw bedekt, +maar het was maneschijn, en de maan geeft in Italië evenveel licht, +als de zon op een somberen winterdag in het noorden, ja, nog meer; +want de lucht verruimt ons daar, terwijl in het noorden het koude, +grauwe zwerk ons ter neer drukt naar de koude, vochtige aarde, die +eenmaal ook op onze doodkist zal drukken. + +In den slottuin van den groothertog, onder een dak van pijnhout, +waar duizenden rozen in den wintertijd bloeien, had een kleine, in +lompen gehulde knaap den geheelen dag gezeten, een knaap, dien men als +een beeld van Italië zou kunnen beschouwen, bevallig, glimlachend en +daarbij toch lijdend. Hij had honger en dorst; maar niemand gaf hem +een aalmoes, en toen het donker werd en de tuin zou gesloten worden, +joeg de portier hem er uit. Een geruimen tijd stond hij droomend op +de brug, die over den Arno ligt, en keek naar de sterren, die zich +tusschen de plaats, waar hij stond, en de prachtige marmeren brug +_della Trinità_ in het water afspiegelden. + +Hij sloeg den weg naar het metalen varken in, knielde halverwege neer, +sloeg er zijn armen omheen, zette zijn mond aan den blinkenden snuit +en dronk met lange teugen van het frissche water. Dicht daarnaast +lagen eenige slabladen en een paar kastanjes, deze werden zijn +avondmaaltijd. Niemand anders dan hij was er op de straat; deze +behoorde hem alleen toe, en onbeschroomd zette hij zich op den rug van +het metalen varken neer, boog zich voorover, zoodat zijne weelderige +lokken op den kop van het beest rustten, en voordat hij zich daarvan +bewust was, overviel hem de slaap. + +Het was middernacht, het metalen varken bewoog zich; hij hoorde +het duidelijk zeggen: «Klein kereltje! houd je vast, want nu ga ik +loopen,» en weg liep het met hem. Het was een zonderlinge rit. Eerst +kwamen zij op de _Piazza del Granduca_, en het metalen paard, dat +het standbeeld van den groothertog draagt, begon luid te hinniken, +de bonte wapens op het oude raadhuis schenen doorzichtige beelden te +zijn, en de David van Michaele Angelo zwaaide met zijn slinger. Overal +heerschten leven en beweging. De metalen groepen, die Perseus en den +Sabijnschen maagdenroof voorstellen, stonden daar, alsof zij levend +waren; een gil van doodsangst ontsnapte er aan hun lippen en deed +zich over het prachtige plein hooren. + +Bij den _Palazzo degli Uffizi_ in de zuilengang, waar de adel zich +tot de vastenavondsvreugd verzamelt, bleef het metalen varken staan. + +«Houd je goed vast!» zei het dier, «houd je goed vast, want nu gaan +we de trap op!» De knaap sprak nog geen woord; half sidderde hij, +half was hij gelukkig. + +Zij betraden een lange galerij, waar hij vroeger nog al eens +geweest was; de muren waren met schilderijen behangen; hier stonden +standbeelden en bustes, alles in het helderste licht, alsof het midden +op den dag was; maar het prachtigst was het, toen de deur van een +der zijvertrekken openging; ja, de heerlijkheid aldaar herinnerde de +knaap zich; maar in dezen nacht was alles in zijn hoogsten glans. + +Hier stond een naakte, schoone vrouw, zoo schoon, als slechts de +natuur en de grootste meester over het marmer haar kunnen vormen; +zij bewoog de schoon gevormde ledematen, dolfijnen sprongen aan haar +voeten, onsterfelijkheid straalde er uit haar oogen. De wereld noemt +dit de Venus di Medici. Aan haar zijden prijkten marmeren beelden, bij +welke het leven des geestes den steen doordrongen had; het zijn naakte, +schoone mannen; de een wette zijn zwaard: deze werd de slijper genoemd; +de worstelende gladiatoren vormden een andere groep; het zwaard werd +gewet, en er werd gestreden voor de godin der schoonheid. + +De knaap was door dezen glans als verblind; de muren straalden +van kleuren; alles was daar leven en beweging. Het beeld van Venus +vertoonde zich dubbel; de aardsche Venus was zoo opofferend, zoo vurig, +als Titiaan haar aan zijn hart gedrukt heeft. Het was wonderbaar +om aan te zien. Het waren twee schoone vrouwen; haar welgevormde, +onomsluierde leden strekten zich op de mollige kussens uit, haar +borsten verhieven en haar hoofden bewogen zich, zoodat haar weelderige +lokken op haar poezelige schouders neergolfden, terwijl haar donkere +oogen haar gloeiende gedachten uitspraken; maar geen der beelden waagde +het toch, geheel uit de lijst te voorschijn te treden. De godin der +schoonheid zelve, de gladiatoren en de slijper bleven op hun plaats; +want de glans, die er van de Madonna, Jezus en Johannes afstraalde, +boeide ze daaraan vast. De heiligenbeelden waren geen beelden meer: +het waren de heiligen zelf. + +Welk een glans en welk een schoonheid van zaal tot zaal! De knaap +zag ze allemaal; het metalen varken liep immers stapvoets door +al deze pracht en heerlijkheid heen. Het eene beeld verdrong het +andere; slechts één schilderij prentte zich diep in zijn ziel, en +wel inzonderheid door de vroolijke, gelukkige kinderen, die er op +stonden,--de knaap had ze eens bij het daglicht begroet. + +Velen gaan dit schilderij zeker achteloos voorbij, en toch bevat het +een schat van poëzie. Het is Christus, die in de onderwereld neerdaalt; +maar het zijn niet de verdoemden, die men om hem heen ziet, neen, het +zijn heidenen. De Florentijner Angiolo Bronzino heeft dit schilderij +vervaardigd. Het heerlijkst is de uitdrukking van de gezichten der +kinderen, het volle vertrouwen, dat zij in den hemel zullen komen; +twee kleinen omhelzen elkaar al, een kind strekt de hand naar een +ander, dat lager staat, uit en wijst op zich zelf, als wilde het +zeggen: «Ik zal wel in den hemel komen!» De ouderen staan onzeker, +hopende, maar buigen zich in ootmoedige aanbidding voor den Heer +Jezus. Langer dan op een der andere schilderijen rustte de blik van +den knaap hierop, het metalen varken stond er voor stil, er werd een +nauw hoorbare zucht geslaakt; ontsnapte deze aan het schilderij of aan +de borst van het varken? De knaap hief zijn handen naar de glimlachende +kinderen op;--daar liep het varken met hem weg, weg door de openstaande +voorzaal. «Dank zij je toegebracht, lief beest!» zei de kleine jongen +en liefkoosde het metalen varken, dat de trappen met hem afliep. + +«Dank zij u toegebracht!» zei het metalen varken. «Ik heb u, en gij +hebt mij geholpen, want als ik een onschuldig kind op mijn rug heb, +krijg ik de kracht om te loopen! Ja, ziet ge, ik mag zelfs onder de +stralen der lantaarn voor het Madonnabeeld komen, maar niet in de +kerk. Maar als gij bij mij zijt, kan ik er van buiten door de geopende +deur in zien. Klim niet van mijn rug af; want als ge dat doet, dan +blijf ik doodliggen, evenals ge mij overdag in de _Porta Rosa_ ziet.» + +«Ik blijf bij je, trouw beest!» zei de knaap, en zoo ging het in +volle vaart door de straten van Florence tot op het plein voor de +kerk _Santa Croce_. + +De vleugeldeuren sprongen open; lichten straalden er van het altaar +door de kerk tot op het eenzame plein. + +Een wonderbare lichtglans stroomde van het eene grafmonument in de +linkerzijgang af, duizenden beweegbare sterren vormden als het ware +een stralenkrans daaromheen. Een wapenbord prijkt er op het graf, +een roode ladder op een blauwen grond schijnt als vuur te gloeien; +dit was het graf van Galilei. Het monument is eenvoudig; maar de roode +ladder op den blauwen grond is een veelbeteekenend zinnebeeld: het is, +alsof het dat der kunst is, want hier voert de weg altijd langs een +gloeiende ladder naar den hemel. Alle profeten des geestes snellen +naar den hemel, evenals de profeet Elia. + +Rechts in de gang der kerk scheen iedere beeldzuil op de rijke +sarcophagen leven gekregen te hebben. Hier stond Michaele Angelo, +daar Dante met den lauwerkrans om de slapen, Alfieri, Macchiavelli: +naast elkaar rusten hier de groote mannen, die de trots van Italië +zijn [12]. Het is een prachtige kerk, veel schooner, al moge zij ook +niet zoo groot zijn, dan de marmeren dom te Florence. + +Het was, alsof de marmeren kleederen zich bewogen, alsof de forsche +gestalten haar hoofden hooger verhieven en, te midden van gezang en +muziek, opkeken naar het bonte, schitterende altaar, waar in het wit +gekleede knapen gouden wierookvaten zwaaiden; de sterke geur stroomde +uit de kerk op het plein. + +De knaap strekte zijn hand naar den lichtglans uit, en terstond snelde +het metalen varken weg, hij moest er zich stevig aan vasthouden, de +wind suisde hem om de ooren, hij hoorde de kerkdeur op haar hengsels +knarsen, terwijl zij dichtging, maar in een oogenblik scheen het +bewustzijn hem te begeven, hij gevoelde een snerpende koude en--sloeg +de oogen op. + +Het was morgen; hij zat, half afgegleden van het metalen varken, +dat daar stond zooals het altijd in de straat _Porta Rosa_ placht te +staan, nog op den rug van het beest. + +Angst en vrees vervulden den knaap bij de gedachte aan haar, die hij +moeder noemde, en die hem den vorigen dag uitgezonden had, om geld op +te loopen; hij had niets; hij had honger en dorst. Nog eenmaal omvatte +hij den hals van het metalen varken, gaf het een kus op den snuit, +knikte het toe en wandelde toen voort naar een der nauwste straten, +tenauwernood breed genoeg voor een beladen ezel. Een groote, met ijzer +beslagen deur stond op een kier; hier klom hij een steenen trap met +smerige muren en een touw, dat voor leuning diende, op en kwam in +een open galerij, die met lompen behangen was; van hier voerde een +trap naar de binnenplaats, waar van den waterput groote ijzerdraden +naar alle verdiepingen van het huis gespannen waren en de eene emmer +na den anderen zweefde, terwijl de katrol knarste en de emmer in de +lucht danste, zoodat het water op de plaats naar beneden plaste. Weder +voerde een vervallen steenen trap naar boven. Twee matrozen,--het +waren Russen,--kwamen vroolijk naar beneden en hadden den armen knaap +bijna omvergeloopen. Zij kwamen van hun nachtelijke bacchanaliën +terug. Een niet meer jeugdige, maar toch weelderige vrouwengestalte, +met prachtig zwart haar, volgde hen. «Wat breng je thuis?» zeide zij +tegen den knaap. + +«Wees niet boos!» smeekte deze, «ik heb niets, niets hoegenaamd +gekregen!»--En dit zeggende, greep hij zijn moeder bij haar japon +vast, alsof hij daarop een kus wilde drukken. Zij traden het kamertje +binnen; dat zal ik niet beschrijven; slechts zooveel zij daarvan +gezegd, dat daarin een pot met een kolenvuur stond, een _marito_, +zooals het genoemd wordt. Dezen pot nam zij in den arm, warmde zich +de handen en gaf den knaap een duw met haar elleboog. «Ja, zeker heb +je wel geld!» zeide zij. + +De knaap schreide; zij gaf hem een schop met den voet; nu begon hij +nog erger te schreien. «Wil je je wel eens stilhouden, of anders zal +ik je een slag op je kop geven!» en zij zwaaide met den vuurpot, +dien zij in de hand hield. Het kind viel met een schreeuw op den +grond neer. Daar trad een buurvrouw de kamer binnen; ook zij had +haren _marito_ in den arm. «Felicita! Wat doe je toch met het kind?» + +«Het kind is van mij!» antwoordde Felicita. «Ik kan het vermoorden, +als ik wil, maar jij niet, Giannina!» en zij zwaaide met haar vuurpot; +de andere vrouw hief den haren op om zich te verdedigen, en nu +stieten de beide potten zoo geducht tegen elkaar aan, dat scherven, +vuur en asch in de kamer rondvlogen;--maar op hetzelfde oogenblik was +de knaap de deur uit, de binnenplaats over en het huis uit. De arme +jongen liep zoo hard, dat hij eindelijk heelemaal buiten adem was; +hij hield bij de kerk, waarvan de groote deur zich des nachts voor +hem geopend had, stil, en trad deze binnen. Alles straalde hem toe, +de knaap knielde bij het eerste graf aan den rechterkant neer; het +was het graf van Michaele Angelo, en al spoedig snikte hij luid. Er +kwamen en gingen menschen, de mis werd gelezen, niemand bemerkte den +knaap; slechts een achtbare grijsaard bleef staan, keek hem aan--en +ging toen verder, evenals de anderen. + +Honger en dorst kwelden den kleine, hij was geheel uitgeput en ziek; +hij kroop in een hoek tusschen de marmeren monumenten en viel in +slaap. Het was tegen den avond, toen hij door iemand wakker gemaakt +werd; hij stond op, en dezelfde waardige grijsaard stond voor hem. + +«Ben je ziek? Waar hoor je thuis? Ben je hier den heelen dag geweest?» +waren enkele der vele vragen, die de grijsaard tot hem richtte. Zij +werden beantwoord, en de oude man nam hem met zich mee naar zijn +huisje, dat dicht in de nabijheid in een zijstraatje stond. Zij +traden een handschoenmakerswerkplaats binnen; een vrouw zat ijverig +te naaien. Een klein wit Deensch hondje, zoo kaal geschoren, dat men +zijn rooskleurige huid kon zien, sprong op de tafel en maakte voor +den kleinen knaap allerlei kunstjes. + +«De onschuldige zielen kennen elkaar,» zei de vrouw en liefkoosde den +hond en den knaap. De laatstgenoemde kreeg van de goede lieden spijs +en drank, en zij zeiden, dat het hem vergund was, den nacht bij hen +door te brengen; den volgenden dag zou vader Giuseppe eens met zijn +moeder gaan spreken. Hij kreeg een klein, armoedig bed; maar voor +hem, die dikwijls op den harden, steenen vloer had moeten slapen, +was dit een koninklijke legerstede. Hoe heerlijk sliep hij en hoe +droomde hij van de prachtige schilderijen en van het metalen varken! + +Vader Giuseppe ging den volgenden morgen uit; de arme jongen was +daarover niet blij, want hij wist wel, dat het doel van dit uitgaan +was, hem weer naar zijn moeder terug te brengen. De knaap kuste den +kleinen vroolijken hond, en de vrouw knikte beiden toe. + +En welk antwoord bracht vader Giuseppe nu terug? Hij sprak druk +met zijn vrouw, en deze knikte en liefkoosde den knaap. «Het is een +ferme jongen!» zeide zij. «Hij kan een ervaren handschoenmaker worden, +zooals jij geweest bent, en wat zijn zijn vingers fijn en buigzaam! De +Madonna heeft hem tot handschoenmaker bestemd!» + +En de knaap bleef in dit huis; de vrouw leerde hem zelf naaien; hij +at goed, hij sliep goed, hij werd vroolijk en begon Bellissima--zoo +heette het hondje--te plagen; de vrouw hief den vinger dreigend naar +hem op, beknorde hem en werd boos.--Dat ging den knaap aan het hart: +in gedachten verdiept, zat hij in zijn kamertje. Van daar had men het +uitzicht op de straat, waarin huiden gedroogd werden; dikke ijzeren +spijlen waren er voor de ramen; hij kon niet slapen; het metalen +varken vertoonde zich aldoor aan hem in zijn gedachten, en eensklaps +hoorde hij buiten: Knor, knor! Dat was zeker een varken! Hij snelde +naar het raam toe, maar er was niets te zien; het was al voorbij. + +«Help den signor zijn verfdoos dragen!» zei de signora den volgenden +morgen tegen den knaap, toen de jonge buurman, een schilder, +vooorbijliep en een schilderdoos benevens een groot, opgerold stuk +doek droeg. De knaap nam de doos over en volgde den schilder; zij +sloegen den weg naar de galerij in en liepen dezelfde trap op, +die hem sedert dien nacht, toen hij op het metalen varken reed, +wel bekend was. Hij kende de standbeelden en de bustes, de schoone +marmeren Venus en die, welke in kleuren leefde; hij zag de Moeder Gods, +Jezus en Johannes weder. + +Nu bleven zij voor het schilderij van Bronzino staan, waarop Christus +in de onderwereld neerdaalt en de kinderen om hem heen glimlachen +in blijde verwachting van den hemel,--het arme kind glimlachte ook, +want hier was het in _zijn_ hemel! + +«Ga nu maar weer naar huis terug!» zei de schilder, toen de knaap +al zoo lang was blijven staan, totdat deze ondertusschen zijn ezel +opgezet had. + +«Mag ik u eens zien schilderen?» vroeg de knaap. «Mag ik er eens naar +kijken, hoe ge het schilderij op dit doek overbrengt?» + +«Ik begin nog niet te schilderen!» antwoordde de man en kreeg zijn +zwart krijt voor den dag. Snel bewoog zich de hand, het oog mat +het groote schilderij, en ofschoon er slechts eenige fijne lijnen +zichtbaar werden, stond Christus daar toch reeds zwevend, evenals op +het groote schilderij. + +«Ga nu toch heen!» zei de schilder, en zwijgend keerde de knaap naar +huis terug, zette zich op de tafel neer en--leerde handschoenen naaien. + +Maar den heelen dag waren zijn gedachten in de schilderijenzaal, +en daardoor prikte hij zich in de vingers, gedroeg zich links, maar +plaagde Bellissima toch niet. Toen het avond werd en de huisdeur +juist open stond, sloop hij naar buiten; het was nog koud; maar de +lucht was helder en als met sterren bezaaid. + +Hij wandelde door de straten, die reeds leeg geworden waren, en +stond al spoedig voor het metalen varken; hij boog er zich over +heen, gaf het een kus op zijn blanken snuit en zette zich op zijn rug +neer.--«Gezegend beest!» zeide hij, «wat heb ik naar je verlangd! Wij +moeten van nacht nog eens een ritje doen!» + +Het metalen varken lag onbeweeglijk, en het frissche water vloeide hem +uit den snuit. De knaap zat schrijlings op hem, daar werd er aan zijn +kleeren getrokken; hij keek op: Bellissima, de kleine, kaalgeschoren +Bellissima blafte, als wilde zij zeggen: «Ziet ge wel? Ik ben er +ook! Waarom zet ge u hier neer?»--Geen vurige draak had den knaap +zulk een schrik op het lijf kunnen jagen, als de kleine hond op deze +plaats. Bellissima op straat, en wel zonder aangekleed te zijn, zooals +de oude vrouw het noemde! Wat moest daarvan komen? De hond kwam in +den winter slechts buiten de deur, nadat hem vooraf een klein lamsvel +aangetrokken was, dat uitsluitend voor hem genaaid was. Dit vel, +dat met lintjes en schelletjes versierd was, kon met een rood bandje +om zijn hals en onder zijn buik vastgebonden worden. De hond zag er +dan uit als een geitje, wanneer het hem in den wintertijd vergund +werd, in dit gewaad met de signora te gaan wandelen. Bellissima was +buiten en niet aangekleed! Wat moest daarvan komen? Alle phantasieën +waren verdwenen, maar toch kuste de knaap het metalen varken en nam +Bellissima op den arm; het beest trilde van de kou, daarom liep de +knaap zoo hard, als hij maar kon. + +«Waar loop je daar mee?» vroegen twee politiesoldaten, die hij +tegenkwam en waartegen Bellissima begon te blaffen. «Waar heb je dat +hondje gestolen?» vroegen zij en namen het hem af. + +«O, geeft het mij terug!» smeekte de knaap. + +«Als je het beest niet gestolen hebt, dan moet je thuis maar zeggen, +dat het op de wacht kan afgehaald worden!» Zij noemden de plaats en +gingen met Bellissima heen. + +Dat was een verschrikkelijk geval. De knaap wist niet, of hij in +den Arno zou springen of naar huis gaan en alles bekennen; ze zouden +hem dan zeker doodslaan, dacht hij.--«Maar ik wil graag doodgeslagen +worden, ik wil graag sterven, dan kom ik bij Jezus en bij de Madonna!» +En hij ging naar huis, hoofdzakelijk om doodgeslagen te worden. + +De deur was gesloten, en hij kon niet aan den klopper raken. Er was +niemand op de straat, maar er lag een steen, en daarmee gooide hij +tegen de deur aan. «Wie is daar?» werd er van binnen geroepen. + +«Ik ben het!» zeide hij. «Bellissima is weg! Doe mij open en sla mij +dan dood!» + +Er verspreidde zich een algemeene schrik door het huis, inzonderheid +bij de signora, over de arme Bellissima. Zij keek terstond naar +den muur, waar het gewaad van den hond placht te hangen; het kleine +lamsvel hing er nog. + +«Bellissima op de wacht!» riep zij luide uit. «Jou ondeugende +jongen! Hoe heb je haar de deur uitgelokt? Wat zal zij koud zijn! Dat +teere diertje bij die ruwe soldaten!» + +De man moest er dadelijk naar toe, de vrouw jammerde, de knaap +weende.--Al de huisgenooten kwamen bij elkaar, en onder dezen bevond +zich ook de schilder; hij nam den knaap op zijn schoot, hoorde hem uit, +en bij brokstukken kreeg hij nu de heele geschiedenis van het metalen +varken en de galerij te hooren,--deze was vrij onbegrijpelijk. De +schilder troostte den knaap, trachtte de oude vrouw tot bedaren te +brengen, maar zij was niet tot bedaren te krijgen, voordat haar man +met Bellissima, die onder de soldaten geweest was, aankwam. Dat was een +blijdschap! De schilder liefkoosde den knaap en teekende wat voor hem. + +O, dat waren heerlijke stukken, kluchtige koppen! En waarlijk, het +metalen varken was er ook bij. O, niets kon heerlijker zijn! Met een +paar streken prijkte het op het papier, en zelfs het huis, dat er +achter stond, was er op afgebeeld. + +Wie toch kon teekenen en schilderen, die kon de heele wereld om zich +heen verzamelen! + +Zoodra de knaap den volgenden dag een oogenblik alleen was, nam +hij een potlood in handen, en op den achterkant van een der prenten +trachtte hij de teekening van het metalen varken weer te geven. Dit +gelukte;--wel was het wat scheef, de eene poot was te dik en de andere +te dun, maar het was er toch goed uit te kennen. Hij stond er zelf +over verwonderd.--Het potlood wilde niet zoo gaan, als hij wilde; +dat merkte hij wel; den volgenden dag stond er weer een metalen varken +naast het andere, en dat was honderdmaal beter; het derde was al zoo +goed, dat iedereen het er wel uit kon kennen. + +Maar het ging slecht met het handschoenen naaien, langzaam met de +boodschappen in de stad; want het metalen varken had hem geleerd, +dat alles op het papier gebracht kon worden, en de stad Florence is +een prentenboek, als men daarin maar wil bladeren. Op de _Piazza +della Trinità_ staat een slanke zuil en daar bovenop de godin der +gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen en een weegschaal in +de hand. Al spoedig stond zij op het papier, en het was de kleine +leerling van den handschoenmaker, die haar daarop geplaatst had. De +verzameling van teekeningen groeide aan, maar nog bevatte zij slechts +teekeningen van levenlooze voorwerpen; nu liep Bellissima op zekeren +dag voor hem heen en weer. «Blijf eens stilstaan!» zeide hij, «dan +zal je mooi worden en in mijn verzameling van prenten komen!» Maar +Bellissima wilde niet stilstaan, zij moest vast gebonden worden; +kop en staart werden nu vastgebonden, zij blafte en maakte sprongen, +het touw moest strak aangehaald worden; daar kwam de signora binnen. + +«Jou ondeugende jongen! Dat arme beest!» was alles, wat zij kon +uitbrengen. Zij duwde den knaap van zich af, gaf hem een schop, joeg +hem haar huis uit, hem, die de ondankbaarste deugniet, het ondeugendste +kind was, en weenend kuste zij haar kleine, half verworgde Bellissima. + +Op hetzelfde oogenblik kwam de schilder de trap op en--hier is het +keerpunt in de geschiedenis. + +In het jaar 1834 werd er te Florence in de _Accademia delle Arti_ +een tentoonstelling gehouden. Twee schilderijen, die naast elkander +opgehangen waren, lokten een menigte toeschouwers tot zich. Op het +kleinste was een kleine, vroolijke knaap voorgesteld, die zat te +teekenen; voor model had hij een klein, wit, gladgeschoren Deensch +hondje; maar het beestje wilde niet stilstaan en was daarom zoowel aan +den kop als aan den staart met touw vastgebonden; er was daarin leven +en een waarheid, die op iedereen indruk moest maken. De schilder, +vertelde men, was een jonge Florentijn, die als kind op de straat +gevonden en door een ouden handschoenmaker opgevoed was, en zich zelf +het teekenen geleerd had. Een thans beroemde schilder had dit talent +in hem ontdekt, toen de knaap bij zekere gelegenheid uit het huis +gejaagd werd, omdat hij de lievelinge der signora, het kleine hondje, +vastgebonden en voor model gebruikt had. + +De handschoenmakersleerling was een uitstekend schilder geworden; +dat bewees dit schilderij, dat bewees inzonderheid het grootere, +dat er naast hing. Hierop was slechts een enkele levende figuur, +een in lompen gekleede, maar mooie knaap, die slapend op de straat +zat; hij leunde tegen het metalen varken in de straat _Porta Rosa_ +aan. Alle toeschouwers kenden deze plaats. De armen van het kind +rustten op den kop van het varken; de kleine sliep gerust, en de +lantaarn voor het Madonnabeeld wierp een sterk licht op het bleeke, +schoone gezicht van het kind.--Het was een allerprachtigst schilderij; +een groote, vergulde lijst omgaf het, aan een der hoeken was een +lauwerkrans opgehangen; maar tusschen de groene bladeren slingerde +zich een zwart lint, en een lang rouwfloers hing er aan.--De jonge +kunstenaar was juist in die dagen--gestorven! + + + + +HET VRIENDSCHAPSVERBOND. + + +Zoo even hebben wij een klein reisje gemaakt, en reeds verlangen +wij naar een ander. Waar naar toe? Naar Sparta, naar Mycene, naar +Delphi? Er zijn honderd plaatsen, bij het noemen waarvan het hart van +reislust klopt. Het gaat te paard de bergpaden op, tusschen boomen en +struiken door; de enkele reiziger doet zich als een geheele karavaan +voor. Zelf rijdt hij met zijn gids voorop, een pakpaard draagt koffer, +tent en proviand, een paar gendarmes komen tot zijn bescherming +achteraan. Geen logement met zachte bedden wacht hem na de vermoeide +dagreis, de tent is dikwijls zijn dak in de groote, woeste natuur, +de gids kookt een pilau [13] voor het avondeten; duizenden muggen +zwermen om de kleine tent heen, het is een treurige nacht, en morgen +voert de weg over sterk gezwollen rivieren; zit vast op uw paard, +opdat ge niet door den stroom meegesleept wordt! + +Welk loon valt u voor deze bezwaren ten deel? Het grootste en +rijkste! De natuur openbaart zich hier in al haar grootheid, iedere +plek is historisch, oogen en gedachten zwelgen. De dichter kan het +bezingen, de schilder in rijke beelden voorstellen; maar den geur +der werkelijkheid, die voor eeuwig in de ziel des aanschouwers +binnendringt, vermogen zij niet weer te geven. + +In vele kleine schetsen heb ik een poging gedaan om een kleine +uitgestrektheid van Athene met zijn omgeving aanschouwelijk te maken, +en toch, hoe kleurloos staat het geschetste beeld, hoe weinig geeft +het Griekenland weer, dien treurenden genius van het schoone, welks +grootheid en kommer de vreemdeling nimmer vergeet. + +De eenzame herder boven op de rotsen zou door een eenvoudige vertelling +van een zijner levensontmoetingen misschien beter, dan ik door mijne +beelden, dengene de oogen kunnen openen, die het land der Hellenen +in eenige trekken wil aanschouwen. + +Laat hem dan spreken! zegt mijn Muze. Een gebruik, een eigenaardig +gebruik moet den herder daar op den berg de stof voor zijn vertelling +aan de hand doen, namelijk: + + + «HET VRIENDSCHAPSVERBOND.» + + +Ons huis was uit leem samengesteld; maar de deurposten bestonden +uit marmeren zuilen, die gevonden waren op de plek, waar men het +huis bouwde. Het dak reikte bijna tot aan den grond toe; nu was het +zwartachtig bruin en leelijk, maar toen het gemaakt werd, bestond het +uit bloeiende oleander- en groene lauriertakken, die achter de bergen +vandaan gehaald waren. Rondom onze woning was niet veel plaats; de +bergen liepen steil op en hadden een kale, zwarte kleur, aan hun toppen +hingen dikwijls wolken, als witte, levende gestalten. Nooit hoorde ik +hier een zangvogel, nooit dansten de mannen hier op de tonen van den +doedelzak; maar de plaats was geheiligd uit oude tijden, zelfs de naam +herinnert daaraan, zij wordt immers Delphi genoemd. De donkere, statige +bergen waren alle met sneeuw bedekt; de hoogste, die het langst door +het roode schijnsel der avondzon bestraald werd, was de Parnassus; de +beek dicht bij ons huis stroomde er van af en was eenmaal ook heilig, +nu maakt de ezel haar met zijn pooten troebel, doch de stroom gaat +verder en wordt weer helder. Hoe herinner ik mij ieder plekje in zijn +heilige, diepe eenzaamheid! Midden in de hut werd vuur aangelegd, en +als de heete asch daar hoog en gloeiend lag, werd het brood daarin +gebakken. Als de sneeuw zich zoo hoog om onze hut opstapelde, dat +zij bijna niet meer te zien was, dan scheen moeder het vroolijkst te +zijn, dan hield zij mijn hoofd tusschen haar handen, drukte mij een +kus op het voorhoofd en zong de liedjes, die zij anders nooit zong; +want de Turken, onze heeren, lieten dit niet toe, en zij zong: + +«Op den top van den Olympus, in het nederige dennenbosch, was een +oud hert; dof waren zijn oogen van tranen; roode, ja, groene en +lichtblauwe tranen weende het. Nu kwam er een reebok voorbij en +vroeg: «Wat scheelt er toch aan, dat ge zoo weent, roode, groene, +ja, lichtblauwe tranen weent?»--«De Turk is in onze stad gekomen en +gebruikt wilde honden bij zijn jacht, een heelen troep!»--«Ik jaag ze +over de eilanden,» zei de jonge reebok, «ik jaag ze over de eilanden in +de diepe zee!»--Maar voordat de avond daalde, was de reebok verslagen, +en voordat de nacht aanbrak, was het hert gedood!» + +En als moeder dit zong, werden haar oogen vochtig, en aan haar lange +wimpers parelde een traan, maar zij pinkte dien weg en bakte ons +brood in de asch. Dan balde ik mijn vuist en zeide: «We zullen de +Turken doodslaan!» maar dan herhaalde zij uit het lied: «Ik jaag ze +over de eilanden in de diepe zee!--Maar voordat de avond daalde, was +de reebok verslagen, en voordat de nacht aanbrak, was het hert gedood!» + +Verscheidene dagen en nachten waren wij eenzaam in onze hut geweest; +daar kwam vader thuis; ik wist, dat hij voor mij mosselschelpen +uit de golf van Lepanto zou meebrengen, of ook een mes, scherp en +blinkend. Ditmaal bracht hij ons een kind, een klein, naakt meisje, dat +hij onder zijn schaapspels hield; het was in een dierenhuid gewikkeld, +en alles, wat de kleine bezat, toen zij zonder deze op den schoot +van mijn moeder lag, waren drie zilveren geldstukken, die in haar +zwarte lokken vastgemaakt waren. Vader vertelde van de Turken, die de +ouders van het kind doodgeslagen hadden; hij vertelde ons zooveel, +dat ik er den heelen nacht van droomde.--Vader was zelfs gekwetst, +moeder verbond zijn arm, de wond was diep, de dikke schaapspels zat +aan het geronnen bloed vastgekleefd. Het kleine meisje zou mij tot een +zuster zijn. O, wat was het beeldschoon! De oogen van moeder waren +niet vriendelijker dan de hare. Anastasia, zooals zij genoemd werd, +zou mijn zuster zijn; want haar vader had zich aan den mijnen verbonden +naar oud gebruik, zooals wij dit nog in eere houden. Zij hadden in +hun jeugd broederschap gesloten en het schoonste en deugdzaamste +meisje uit den geheelen omtrek gekozen, om hun vriendschapsverbond +te wijden. Dikwijls hoorde ik van dit zonderlinge, treffende gebruik. + +Nu was de kleine mijn zuster; zij zat op mijn schoot, ik bracht haar +bloemen en de veeren der vogels, wij dronken samen uit de wateren +van den Parnassus en sliepen hoofd aan hoofd onder het laurieren dak +der hut, terwijl moeder nog menigen winter van de roode, groene en +lichtblauwe tranen zong! Maar nog begreep ik niet, dat het mijn eigen +volk was, welks duizendvoudige zorgen zich in deze tranen afspiegelden. + +Op zekeren dag kwamen er drie Frankische mannen; dezen waren anders +dan wij gekleed. Hun bedden en tenten hadden zij op paarden, en meer +dan twintig Turken, allen met sabels en geweren gewapend, vergezelden +hen; want ze waren vrienden van den pacha en hadden brieven van +vrijgeleide van hem bij zich. Zij kwamen slechts om onze bergen +te zien, om in sneeuw en wolken den Parnassus te beklimmen, en de +zonderlinge, zwarte, steile rotsen rondom onze hut te bekijken. Zij +hadden daarin geen plaats, en konden ook den rook niet verdragen, +die onder de zoldering bleef hangen en langzaam door de lage deur +naar buiten trok, zij sloegen hun tenten daarom naast onze hut op, +braadden lammeren en vogels, schonken zoete, krachtige wijnen in, +maar de Turken mochten daarvan niet drinken. + +Toen zij wegreisden, vergezelde ik hen een eindweegs, en mijn +zusje Anastasia hing, in een bokkevel genaaid, op mijn rug. Een +der Frankische heeren zette mij tegen een rots aan en teekende mij +en haar uit, precies zooals wij daar stonden; wij zagen er als één +schepsel uit;--nooit had ik er aan gedacht, maar Anastasia en ik +waren immers één, altijd zat zij op mijn schoot of hing op mijn rug, +en als ik droomde, verscheen zij mij in mijn droomen. + +Twee nachten later kwamen er andere menschen, met messen en geweren +gewapend, in onze hut. Het waren Albaneezen, moedige lieden, zooals +moeder zeide. Zij vertoefden slechts korten tijd; mijn zusje Anastasia +zat op den schoot van een hunner,--toen zij weg waren, had zij twee +en niet meer drie geldstukken in haar lokken. Zij rolden tabak in +papiertjes en rookten deze; de oudste sprak over den weg, dien zij +moesten inslaan, en was daaromtrent in het onzekere. «Als ik in de +hoogte spuw,» zeide hij, «dan komt het op mijn gezicht, als ik naar +beneden spuw, dan komt het in mijn baard!» + +Maar een weg moest er gekozen worden; zij gingen heen en vader +vergezelde hen. Al spoedig daarop hoorden wij schoten,--er deed zich +nogmaals een knal hooren; soldaten drongen onze hut binnen en namen +moeder, mij en Anastasia gevangen; de roovers hadden hun verblijf bij +ons gehouden, vader was hun aanvoerder geweest, daarom moesten wij +weg. Ik zag de lijken der roovers, ik zag het lijk van mijn vader, +en weende, totdat ik in slaap viel. Toen ik wakker werd, waren wij in +de gevangenis; maar de kamer was niet slechter dan die in onze eigen +hut; ik kreeg uien en harsachtigen wijn, dien zij uit een geteerden +zak schonken: beter hadden wij het te huis ook niet. + +Hoe lang wij gevangen bleven, weet ik niet; maar er verliepen vele +dagen en nachten. Toen wij vrijgelaten werden, was het het heilige +Paaschfeest; ik droeg Anastasia op mijn rug; want moeder was ziek; zij +kon slechts langzaam loopen, en het was een heel eind, voordat wij aan +de zee, aan de golf van Lepanto kwamen. Wij traden een kerk binnen, +die van beelden op een gouden grond straalde; het waren engelen, en +dezen zagen er heel lief uit, maar het kwam mij toch voor, dat onze +kleine Anastasia er even lief uitzag. Midden op den vloer stond een +doodkist vol rozen. «De Heere Jezus ligt daar als een schoone bloem,» +zei mijn moeder, en «Christus is opgestaan!» + +Alle menschen omarmden elkaar. Ieder hield een brandende kaars in de +hand, ik kreeg er zelf ook een, en Anastasia eveneens; de doedelzakken +klonken, mannen dansten hand aan hand de kerk uit, en daarbuiten waren +vrouwen bezig het paaschlam te braden. Wij werden uitgenoodigd om er +deel aan te nemen, en ik ging bij het vuur zitten. Een knaap, ouder +dan ik, sloeg zijn armen om mijn hals, kuste mij en zeide: «Christus is +opgestaan!» Zoo ontmoetten Aphtanides en ik elkaar voor de eerste maal. + +Moeder kon vischnetten breien, dat gaf haar hier bij de golf een goede +verdienste, en wij bleven geruimen tijd bij de zee wonen,--de schoone +zee, die als tranen smaakte en mij door haar kleuren aan de tranen +van het hert deed denken: nu eens was zij immers rood, dan groen, +en dan weer blauw. + +Aphtanides wist de boot te besturen, en ik zat er met mijn kleine +Anastasia in; zij gleed over het water als een wolk door de lucht. Als +dan de zon onderging, kleurden zich de bergen met een donkerder blauw, +de eene bergketen verhief zich boven de andere, en het verst stond +de Parnassus met zijn sneeuw. In de avondzon schitterde de bergtop +als gloeiend ijzer; hij zag er uit, alsof het licht van binnen kwam, +want lang nadat de zon ondergegaan was, flikkerde hij in de blauwe, +heldere lucht; de witte watervogels raakten den waterspiegel met hun +vlerken aan; overigens was het hier even stil als bij Delphi tusschen +de zwarte rotsen. Ik lag in de boot op mijn rug. Anastasia lag aan +mijn borst, en de sterren boven ons fonkelden nog helderder dan +de lampen in onze kerk. Het waren dezelfde sterren, en zij stonden +op dezelfde plaats boven mij, als toen ik te Delphi voor onze hut +zat. Eindelijk kwam het mij voor, alsof ik daar nog was!--Daar plofte +er iets in het water, en de boot schommelde hevig; ik gaf een luiden +gil; want Anastasia was in het water gevallen, maar even snel sprong +Aphtanides haar achterna, en al spoedig daarop reikte hij haar aan +mij over! Wij trokken haar kleeren uit, wrongen het water er uit en +kleedden haar toen weer aan; dat deed Aphtanides. Wij bleven op het +water, totdat de kleeren van Anastasia weer heelemaal droog waren, +en niemand kwam iets te weten van den schrik, dien wij met de kleine +pleegzuster gehad hadden, aan wier leven Aphtanides nu immers deel had. + +De zomer kwam. De zon brandde zoo heet, dat de bladeren der boomen +verdorden; ik dacht aan onze koele bergen, aan het frissche water, +dat wij daar hadden; ook moeder verlangde daarnaar, en op zekeren +avond ondernamen wij de terugreis. Welk een rust, welk een stilte! Wij +liepen door den hoogen tijm, die nog geur van zich gaf, ofschoon de +zon zijn bladeren verzengd had. Geen enkelen herder ontmoetten wij, +geen enkele hut kwamen wij voorbij. Alles was stil en eenzaam; slechts +een vallende ster zeide, dat daarboven in den hemel nog leven was. Ik +weet niet, of de heldere, blauwe lucht zelf licht van zich gaf, dan +of het de stralen der sterren waren; wij herkenden de omtrekken der +bergen zeer goed. Mijn moeder legde vuur aan, kookte uien, die zij +meegebracht had, en mijn zusje en ik sliepen in den tijm, zonder vrees +voor den afschuwelijken Smidraki [14] uit wiens muil vlammen springen, +of voor den wolf en den jakhals; moeder zat immers naast ons, en dat +was voldoende voor onze veiligheid. + +Wij bereikten onze vroegere woonplaats; maar de hut was in een puinhoop +veranderd, er moest dus een nieuwe gebouwd worden. Eenige vrouwen +hielpen moeder, en binnen weinige dagen waren de muren opgetrokken +en was er een nieuw dak van oleander op gezet. Mijn moeder vlocht +van huiden en boomschors vele foedralen voor flesschen, ik hoedde de +kudde der priesters [15]; Anastasia en de kleine schildpadden waren +mijn speelkameraden. + +Op zekeren dag kregen wij bezoek van den geliefden Aphtanides; hij +verlangde zoo, ons te zien, zeide hij, en hij bleef twee volle dagen +bij ons. + +Na verloop van een maand kwam hij weer en vertelde, dat hij met een +schip naar Patras en Corfu wilde; vooraf echter wilde hij ons vaarwel +zeggen; voor onze moeder bracht hij een grooten visch mee. Hij wist +zeer veel te vertellen, niet alleen van de visschers aan de golf van +Lepanto, maar ook van koningen en helden, die eenmaal Griekenland +beheerscht hadden, evenals nu de Turken deden. + +Ik heb den rozeboom een knop zien krijgen en gezien, hoe deze zich +in dagen en weken tot een bloem ontplooide; hij werd dit, eer ik er +aan dacht. Wat was zij groot, schoon en rood! Zoo ging het ook met +Anastasia. Zij was een mooi volwassen meisje, en ik een krachtige +jongeling. De wolfshuiden op het bed van moeder en van Anastasia had +ik zelf afgestroopt van de dieren, die onder mijn schot gevallen waren. + +Jaren waren er verloopen. Nu kwam op zekeren avond Aphtanides, slank +als een riet, krachtig en bruin; hij gaf ons allen een kus en wist +van de groote zee, van Malta's vestingwerken en Egypte's zonderlinge +graven te vertellen; het klonk mij wonderbaar in de ooren als een +legende der priesters; ik zag met een soort van eerbied tot hem op. + +«Wat weet ge veel!» zei ik. «Wat kunt ge aardig vertellen!» + +«Gij hebt mij toch eenmaal het schoonste verteld!» zeide hij. «Gij +hebt mij verteld, wat mij nooit uit de gedachten gegaan is, van het +schoone, oude gebruik, het vriendschapsverbond, dat gebruik, dat ik +wel graag zou willen navolgen. Broeder! laat ons beiden ook, evenals +de vaders van u en Anastasia gedaan hebben, naar de kerk toe gaan; +het schoonste en onschuldigste meisje is Anastasia; zij moet ons +wijden! Geen volk heeft toch schoonere gebruiken dan wij Grieken.» + +Anastasia bloosde als een jonge roos; mijn moeder gaf Aphtanides +een kus. + +Op een uur afstands van onze hut, daar, waar op de rotsen losse +aarde ligt en eenige boomen schaduw werpen, stond de kleine kerk; +een zilveren lamp hing voor het altaar. + +Ik had mijn beste kleeren aangetrokken, de witte fustanella viel in +rijke plooien langs mijn heupen neer, het roode wambuis sloot mij nauw +om de leden, aan den kwast van mijn fez zat zilver, in mijn gordel +staken messen en pistolen. Aphtanides had zijn blauwe kleeding aan, +zooals Grieksche zeelieden dragen. Op zijn borst hing een zilveren +plaat omzet met schitterende steenen, zijn sjerp was kostbaar, zooals +slechts de rijke heeren er een dragen. Iedereen kon wel zien, dat ons +een plechtigheid wachtte. Wij traden de kleine, stille kerk binnen, +waar de avondzon door de deur de brandende lamp en de bonte beelden op +den gouden grond bestraalde. Wij knielden op de trappen van het altaar +neer, en Anastasia plaatste zich voor ons; een lang, wit gewaad hing +los en luchtig om haar schoone gestalte; haar blanke hals en haar borst +waren met een ketting van oude en nieuwe munten bedekt; deze vormden +een kraag. Haar zwart haar was op het hoofd opgestoken en werd door een +klein hoofddeksel van zilveren en gouden munten vastgehouden, die in de +oude tempels gevonden waren. Een schooner sieraad bezat geen Grieksch +meisje. Haar gezicht fonkelde, haar oogen waren als twee sterren. + +Stil baden wij alle drie; daarop vroeg zij ons: «Wilt gij vrienden +zijn in leven en dood?»--«Ja!» antwoordden wij.--«Wilt ge u, wat er +ook moge gebeuren, dit herinneren: mijn broeder is een deel van mij; +mijn geheim, mijn geluk is het zijne; opoffering, volharding, alles +in mij behoort hem zoowel als mij?» En wij herhaalden ons «ja!» + +Zij legde onze handen in elkaar, drukte ons een kus op het voorhoofd, +en wij baden weer zachtjes. Nu trad de priester uit de deur naast +het altaar, zegende ons alle drie, en een gezang van de andere +allerheiligste heeren klonk achter den muur van het altaar. Het +verbond van eeuwige vriendschap was gesloten. Toen wij opstonden, +zag ik mijn moeder weenende aan de deur der kerk staan. + +Wat was het vroolijk in onze kleine hut en aan Delphi's bronnen! Den +avond, voordat Aphtanides zou vertrekken, zat hij peinzend evenals ik +tegen de helling der rots aan; zijn arm was om mijn middel geslagen, +de mijne om zijn hals; wij spraken over de ellende van Griekenland en +over de mannen, die het kon vertrouwen. Iedere gedachte onzer zielen +lag duidelijk voor ons beiden open; nu greep ik zijn hand. + +«Één ding moet ge nog weten, één ding, dat tot hiertoe slechts ik en +God geweten hebben! Mijn geheele ziel is liefde! 't Is een liefde, +sterker dan die ik mijn moeder en u toedraag....» + +«En wie hebt ge lief?» vroeg Aphtanides, en zijn gezicht en zijn hals +werden vuurrood. + +«Ik heb Anastasia lief!» zei ik,--en zijn hand beefde in de mijne; hij +werd zoo wit als een doek; ik zag het, ik begreep het en ik merkte, +dat ook mijn hand beefde; ik boog mij naar hem voorover, drukte hem +een kus op het voorhoofd en fluisterde: «Ik heb het haar nooit gezegd, +zij heeft mij misschien niet lief!--Broeder! denk er aan, ik zag haar +dagelijks; zij is aan mijn zijde opgegroeid, één met mijn ziel!» + +«En u zal zij toebehooren!» zeide hij. «Ik mag u niet bedriegen, en ik +wil dit ook niet. Ook ik heb haar lief!--Maar morgen vertrek ik. Over +een jaar zien wij elkaar weer; dan zijt ge getrouwd, niet waar?--Ik +bezit eenig goud, het behoort u toe, ge moet, ge zult het aannemen!» +Zwijgend wandelden wij over de rotsen; het was laat op den avond, +toen wij voor de hut van mijn moeder stonden. + +Anastasia hield ons de lamp toe, toen wij binnentraden, mijn moeder +was er niet. Zij keek verwonderlijk weemoedig naar Aphtanides. + +«Morgen gaat ge ons verlaten!» zeide zij. «Wat spijt mij dat!» + +«Spijt het u?» zeide hij, en er scheen mij in deze woorden een smart +te liggen, even groot als de mijne. Ik kon niet spreken; maar hij +greep haar bij de hand en zeide: «Onze broeder daar heeft u lief; +hij is u dierbaar! Zijn zwijgen bewijst juist zijn liefde.» + +Anastasia beefde en barstte in tranen uit; nu zag ik slechts haar, +dacht slechts aan haar, sloeg mijn arm om haar middel en zeide: «Ja, +ik heb u lief!» Zij drukte haar lippen op de mijne en sloeg haar armen +om mijn hals; maar de lamp was op den grond gevallen, het was donker +om ons heen, evenals in het hart van den armen Aphtanides. + +Voor het aanbreken van den dag stond hij op, kuste ons allen tot +afscheid en ging heen. Aan mijn moeder had hij zijn geld voor ons +gegeven. Anastasia was mijn verloofde en na verloop van weinige dagen +mijn vrouw! + + + + +HET LUCIFERSMEISJE. + + +Het was snerpend koud, het sneeuwde en begon al donker te worden; het +was de laatste avond van het jaar. In deze koude en in deze duisternis +liep op straat een klein, arm meisje blootshoofds en barrevoets. Toen +zij het huis uitging, had zij wel is waar pantoffels aangehad; maar +wat hielp dat? Het waren heel groote pantoffels, die haar moeder tot +dusverre gedragen had, zoo groot waren zij. De kleine echter verloor +deze, toen zij over de straat heen snelde, omdat er twee rijtuigen +verschrikkelijk hard voorbijreden. De eene pantoffel was niet weer +te vinden, en de andere had een jongen opgeraapt en snelde er mee +weg. Daar liep nu het kleine meisje op bloote voeten, die rood en blauw +van de kou waren. In een oud schort droeg zij een heelen voorraad +lucifersdoosjes, en een daarvan hield zij in de hand. Niemand had +er den heelen dag een van haar gekocht, niemand had haar zelfs een +aalmoes gegeven. + +Sidderend van koude en honger sloop de arme kleine voort als een +beeld van jammer en ellende! + +De sneeuwvlokken bedekten haar lang blond haar, dat in prachtige +lokken op haar schouders neergolfde; maar daaraan dacht zij niet. Al de +ramen waren helder verlicht, en het rook heerlijk naar ganzengebraad; +want het was oudejaarsavond. Ja, daaraan dacht zij. + +In een hoek, die gevormd werd door twee huizen, waarvan het eene +een weinig meer dan het andere vooruitsprong, zette zij zich op haar +hurken neer. Haar voetjes had zij naar zich toe getrokken; maar nu +werd zij nog kouder, en naar huis durfde zij niet; zij had immers +geen enkel doosje lucifers verkocht en bracht geen cent mee. Van +haar vader zou zij zeker slaag krijgen, en te huis was het ook koud; +boven zich hadden zij slechts het dak, waardoor de wind heenfloot, +al mochten de grootste reten ook met stroo en lompen dichtgestopt zijn. + +Haar handjes waren bijna geheel van de kou verstijfd. Ach! een +enkel lucifertje zou haar wel goed doen, als zij er maar een uit +een doosje durfde nemen, dit tegen den muur afstrijken en zich de +vingers daaraan warmen. Zij haalde er een uit! O, wat glom, wat +brandde dit! Het was een warme, heldere vlam, als een lichtje, toen +zij er haar handen bovenhield; het was een wonderbaar lichtje! Het +scheen het kleine meisje werkelijk toe, alsof zij bij een groote, +ijzeren kachel zat. Wat brandde het vuur daarin, welk een heerlijke +warmte gaf het van zich! De kleine strekte haar voeten reeds uit, +om ook deze te warmen; maar--daar ging het lichtje uit, de kachel +verdween, zij hield slechts een klein stompje van het afgebrande +lucifertje in de hand. + +Een tweede werd tegen den muur afgestreken; het gaf licht, en waar het +schijnsel op den muur viel, werd deze doorzichtig als een sluier; zij +kon in de kamer zien. Over de tafel lag een wit tafellaken uitgespreid; +daarop stond prachtig porseleinen vaatwerk, en heerlijk dampte de +gebraden gans, die met appelen en gedroogde pruimen opgevuld was. En +wat nog prachtiger om te zien was; de gans sprong van den schotel +naar beneden, waggelde over den vloer, met mes en vork in de borst, +en kwam naar het arme meisje toe. Daar ging het lucifertje uit, en +nu bleef slechts de dikke, vochtige, koude muur over. Zij stak nog +een lucifertje aan. Daar zat zij nu onder den heerlijken Kerstboom; +deze was nog grooter en prachtiger dan die, welken zij door de glazen +deur bij den rijken koopman gezien had. Duizenden lichten brandden +er op de groene takken, en bonte prenten, zooals die, welke er voor +de winkelramen te zien waren, zagen op haar neer. De kleine strekte +haar beide handjes er naar uit: daar ging het lucifertje uit. De +Kerstlichtjes stegen al hooger en hooger: zij zag ze nu als sterren +aan den hemel; een daarvan viel naar beneden en vormde een lange, +vurige streek. + +«Nu sterft er iemand!» dacht het kleine meisje; want haar oude +grootmoeder, de eenige, die haar ooit had liefgehad, maar die nu dood +was, had haar verteld, dat er, als er een ster naar beneden valt, +een ziel tot God opstijgt. + +Zij streek weer een lucifertje tegen den muur af, het werd weder +helder, en in den glans daarvan stond haar oude grootmoeder, helder +en glinsterend, vriendelijk en liefderijk. + +«Grootmoeder!» riep de kleine uit. «Och, neem mij mee! Ik weet, dat +ge weer verdwijnt, als het lucifertje uitgaat; ge verdwijnt evenals +de warme kachel, evenals het heerlijke ganzengebraad en de groote, +prachtige Kerstboom!» En zij streek al de lucifers uit het doosje +af, want zij wilde haar grootmoeder zoo graag bij zich houden.--En +de lucifers schitterden met zulk een glans, dat het helderder werd +dan midden op den dag; haar grootmoeder was vroeger nooit zoo mooi, +zoo groot geweest; zij nam het kleine meisje op haar arm, en beiden +vlogen in glans en vreugde hoog boven de aarde, oneindig hoog; en +daar boven was noch koude, noch honger, noch angst, zij waren bij God! + +Maar in den hoek, tegen den muur aangeleund, zat in den kouden +morgenstond het arme meisje met roode wangen en met een glimlach om +de lippen,--doodgevroren op den laatsten avond van het oude jaar. De +nieuwjaarszon ging over het kleine lijkje op. Verstijfd zat het kind +daar met de lucifers, waarvan een doosje geheel opgebrand was. «Zij +heeft zich willen warmen!» zei men. Niemand had er eenig vermoeden +van, wat al schoons zij gezien had, in welk een glans zij met haar +grootmoeder het nieuwe jaar ingetreden was. + + + + +DE SNEEUWMAN. + + +«Het is zoo vreeselijk koud, dat mijn lichaam er van kraakt!» zei +de sneeuwman. «Zulk een wind kan iemand wel leven inblazen. En wat +zet die gloeiende daar groote oogen op!»--Hij bedoelde de zon, die +juist op het punt stond om onder te gaan. «Mij zal zij niet aan het +knipoogen brengen, ik zal de stukjes wel vasthouden.» + +Hij had namelijk in plaats van oogen twee groote, driehoekige stukjes +van een dakpan in het hoofd; zijn mond bestond uit een oude hark, +bijgevolg had hij ook tanden in den mond. + +Geboren was hij te midden van het gejuich der jongens, begroet door +het geschel en het zweepgeknal der sleden. + +De zon ging onder, de volle maan kwam op, rond, groot, helder en +schoon in de blauwe lucht. + +«Daar komt zij weer van een anderen kant!» zei de sneeuwman. Daarmee +wilde hij zeggen: de zon vertoont zich weer. «Ik heb haar toch +het opzetten van groote oogen afgeleerd! Zij mag daar nu hangen en +schijnen, opdat ik mij zelven kan zien. Als ik maar wist, hoe men het +moet aanleggen, om van zijn plaats te komen!--Ik zou mij zoo graag +eens willen bewegen!--Als ik dit kon, dan zou ik nu daar ginds over +het ijs heenglijden, evenals ik de jongens zie glijden; maar ik heb +daar geen verstand van, ik weet niet, hoe men loopt.» + +«Weg, weg!» blafte de oude kettinghond; hij was een beetje schor en +kon het echte «waf, waf!» niet meer uitbrengen; die schorheid had +hij gekregen, toen hij nog een kamerhond was en achter de kachel +lag. «De zon zal je wel leeren loopen! Dat heb ik verleden winter +aan je voorganger en nog vroeger aan diens voorgangers gezien. Weg, +weg! En weg zijn ze allemaal!» + +«Ik begrijp je niet, kameraad!» zei de sneeuwman. «Moet _die_ daar +boven nog leeren loopen?» Hij bedoelde de maan. «Ja, loopen deed zij +vroeger wel, toen ik haar goed aankeek, nu komt zij van een anderen +kant aansluipen.» + +«Je weet niets hoegenaamd!» antwoordde de kettinghond; «maar je komt +dan ook nog pas kijken. De persoon, dien je daar ziet, is de maan; +die zoo even wegging, was de zon; zij komt morgen terug, zij zal je +wel leeren, in de gracht naar beneden te loopen. Wij krijgen spoedig +ander weer; ik voel dat al in mijn linker achterpoot; die steekt +geweldig;--het weer zal wel veranderen!» + +«Ik begrijp hem niet,» zei de sneeuwman; «maar ik heb er een voorgevoel +van, dat het iets onaangenaams is, wat hij zegt. Zij, die zulke groote +oogen opzette en zich toen wegmaakte, de zon, zooals hij haar noemt, +is mijn vriendin niet;--daar heb ik een voorgevoel van!» + +«Weg, weg!» blafte de kettinghond, liep driemaal in de rondte en +kroop toen in zijn hok om te slapen. + +Het weer veranderde werkelijk. Tegen den morgen hing er een dikke, +vochtige nevel over den geheelen omtrek; later kwam de ijskoude wind: +de vorst pakte iedereen duchtig beet; maar toen de zon opging, welk +een pracht! Boomen en struiken waren met rijm overdekt, zij geleken op +een bosch vol koralen, alle takken schenen van boven tot beneden met +schitterende witte bloemen bedekt te zijn. De vele en fijne takjes, +die de bladeren gedurende den zomertijd verbergen, kwamen nu allemaal +te voorschijn. Het was als een weefsel van kant, schitterend wit; uit +iederen tak stroomde een witte glans. De berk bewoog zich in den wind; +deze had leven, evenals alle boomen in den zomer: het was verwonderlijk +schoon! En toen de zon scheen, o, hoe schitterde en fonkelde alles +toen, alsof er diamanten stof op lag en alsof de groote diamanten op +het sneeuwtapijt fonkelden, of men kon zich ook voorstellen, dat er +tallooze kleine lichtjes schitterden, witter zelfs dan de witte sneeuw. + +«Dat is prachtig!» zei een meisje, dat met een jonkman in den tuin +kwam. Beiden bleven in de nabijheid van den sneeuwman staan en bekeken +van hier de glinsterende boomen. «Een schooner schouwspel levert de +zomer niet op!» sprak zij, en haar oogen fonkelden. + +«En zulk een kerel als deze hier, heeft men in den zomer toch ook +niet,» antwoordde de jonkman en wees naar den sneeuwpop. «Hij staat +daar wat deftig!» + +Het meisje lachte, knikte den sneeuwman toe en liep daarop met haar +vriend over de sneeuw, die onder hun voeten kraakte, alsof zij op +stijfsel liepen. + +«Wie waren die twee?» vroeg de sneeuwman den kettinghond. «Jij bent +hier al langer dan ik: ken jij ze ook?» + +«Of ik ze ken!» antwoordde de kettinghond. «Zij heeft mij gestreeld, +en hij heeft mij een been toegeworpen. Die twee bijt ik niet!» + +«Maar wat zijn ze?» vroeg de sneeuwman. + +«Een minnend paar!» gaf de kettinghond ten antwoord. «Zij zullen naar +één hok trekken en samen aan de beenen kluiven. Weg, weg!» + +«Zijn die beiden dan ook zulke wezens als jij en ik?» vroeg de +sneeuwman. + +«Zij behooren tot de heerschappen!» hernam de kettinghond; «maar men +weet zeer weinig, als men eerst den vorigen dag ter wereld gekomen +is. Dat kan ik aan jou wel merken! Ik ben oud en ook wijs; ik ken +allen hier in huis, en ook heb ik een tijd gekend, toen ik niet hier +in de koude aan den ketting vastlag. Weg, weg!» + +«De koude is heerlijk!» sprak de sneeuwman. «Vertel, vertel! Maar +je moogt niet zoo'n leven met den ketting maken; het kraakt in mij, +als je dat doet!» + +«Weg, weg!» blafte de kettinghond. «Een kleine jongen ben ik geweest, +klein en lief, zeiden ze; destijds lag ik op een stoel, die met +fluweel overtrokken was, daar ginder in het heerenhuis op den schoot +der opperste heerschap, ik werd op mijn snoet gekust, en mijn pooten +werden met een fijnen zakdoek afgeveegd, ik heette Ami! lieve, beste +Ami! Maar later werd ik hun daar boven te groot, en toen gaven ze mij +aan de huishoudster. Het was wel een geringere plaats dan boven, maar +het was er plezieriger; want ik werd niet zoo onophoudelijk door de +kinderen beetgepakt en geplaagd. Ik kreeg even goed eten als vroeger, +ja, nog beter. Ik had mijn eigen kussen, en een kachel was daar; die +is in dezen tijd van 't jaar het heerlijkste, wat er bestaat! Ik ging +onder de kachel liggen en kon mij daaronder geheel verschuilen. Ach, +van die kachel droom ik nog wel eens. Weg, weg!» + +«Ziet een kachel er dan zoo mooi uit?» vroeg de sneeuwman. «Lijkt +zij wat op mij?» + +«Die is juist het tegendeel van jou! Zij is zoo zwart als een raaf en +heeft een langen hals. Zij eet brandhout, zoodat het vuur haar uit +den mond komt. Men moet dicht bij haar blijven, geheel onder haar, +dat is heel aangenaam. Door het raam zal je haar wel kunnen zien.» + +En de sneeuwman keek er naar en zag een glimmend voorwerp; het vuur +straalde hem daaruit tegen. Het werd den sneeuwman wonderlijk te moede, +er maakte zich een zeker gevoel van hem meester, hij wist zelf niet +welk, hij kon er zich geen rekenschap van geven; maar alle menschen, +als zij geen sneeuwmannen zijn, kennen het. + +«Waarom heb je haar verlaten?» vroeg de sneeuwman. Hij gevoelde het, +dat het een vrouwelijk wezen moest zijn. «Hoe heb je zulk een plaats +kunnen verlaten?» + +«Ik moest wel!» zei de kettinghond. «Men gooide mij de deur uit en +legde mij hier aan den ketting vast. Ik had den jongsten jonker in +zijn been gebeten, omdat hij het been wegnam, waaraan ik kloof, been +om been, zoo denk ik er over! Dat nam men mij echter heel kwalijk, +en van dien tijd af ben ik aan den ketting vastgelegd en heb mijn +stem verloren. Hoor je niet, dat ik schor ben? Weg, weg! Ik kan niet +meer zoo praten, als de andere honden. Weg, weg!» Dat was het einde +van het lied! + +De sneeuwman luisterde echter niet meer naar hem; hij keek steeds maar +naar de woning van de huishoudster, in haar kamer, waar de kachel op +haar vier ijzeren pooten stond en zich in dezelfde grootte vertoonde +als de sneeuwman. + +«Wat kraakt het zonderling in mij!» zeide hij. «Zal ik daar dan nooit +binnen komen? Het is immers een onschuldige wensch, en die zal zeker +vervuld worden. Ik moet er in, ik moet tegen haar aanleunen, al moest +ik het raam ook indrukken!» + +«Daar binnen zal je nooit komen,» zei de kettinghond, «en als je +tegen de kachel aankomt, dan verga je. Weg, weg!» + +«Ik ben al zoo goed als weg!» antwoordde de sneeuwman. «Ik zak ineen, +geloof ik.» + +Den geheelen dag keek de sneeuwman door het raam naar binnen omstreeks +het schemeruur begon het er in de kamer nog uitlokkender uit te zien; +de kachel verspreidde een heerlijken gloed om zich heen, niet als de +maan, niet als de zon; neen, zooals slechts een kachel kan gloeien, +wanneer zij iets te eten heeft. Als de deur der kamer openging, sloeg +de vlam haar uit den mond,--deze gewoonte had de kachel aangenomen: +de roode vlam speelde vlak op het gezicht van den sneeuwman. + +«Ik kan het niet meer uithouden!» zeide hij. «Wat staat het haar mooi, +als zij de tong zoo uitsteekt!» + +De nacht was lang; maar den sneeuwman duurde hij niet lang, hij stond +daar in zijn eigene, liefelijke gedachten verdiept, en die vroren, +dat het kraakte. + +Den volgenden morgen waren de vensterruiten van het benedenhuis met +ijs bedekt; zij droegen de schoonste ijsbloemen, die een sneeuwman +maar kon verlangen, doch zij onttrokken de kachel aan zijn blik. De +ruiten wilden niet dooien; hij kon de kachel niet zien, die hij +zich als een bekoorlijk vrouwelijk wezen voorstelde. Het kraakte +en knapte in hem en om hem heen; het was juist zulk een vriesweer, +als waarin een sneeuwman wel plezier moest hebben. Maar hij had er +geen plezier in--hoe zou hij zich ook gelukkig kunnen gevoelen? Hij +had immers kachel-heimwee. + +«Dat is een ongelukkige ziekte voor een sneeuwman,» zei de +kettinghond. «Ik heb ook aan die ziekte geleden; maar ik ben er +doorheen geworsteld. Weg, weg!» blafte hij. «We zullen ander weer +krijgen!» voegde hij er bij. + +Het weer veranderde ook; het begon te dooien. + +De dooi nam toe; de sneeuwman nam af. Hij zeide niets, hij klaagde +niet. + +Op zekeren morgen zakte hij ineen. En zie! daar verhief zich iets, +dat veel van een bezemstok weghad, ter plaatse, waar hij gestaan had; +om dezen stok heen hadden de jongens hem opgebouwd. + +«Ja, nu begrijp ik het, nu begrijp ik het, waarom hij daarnaar juist +heimwee had!» zei de kettinghond. «Er zit immers een ijzer om de +kachel schoon te maken, aan den stok vast,--de sneeuwman heeft die +in zijn lijf gehad! Dat is het, wat zich in hem bewogen heeft; nu is +dat voorbij. Weg, weg!» + +En al spoedig daarop was ook de winter voorbij. + +«Weg, weg!» blafte de schorre kettinghond; maar de meisjes uit het +huis zongen: + + + «Groen van het bosch! kom de knoppen toch uit! + Weiland! trek ras uwe handschoenen uit! + Leeuwrik en koekoek! zingt vroolijk uw lied! + Lente! kom gauw! Och, wacht langer toch niet! + 'k Zing met den kwartel, zoo zuiver van slag: + Zonnetjelief! kom toch gauw voor den dag!» + + +En dan denkt niemand aan den sneeuwman. + + + + +DE VOGEL PHOENIX. + + +In den tuin van het Paradijs, onder den boom der kennis, bloeide +een rozestruik. Hier, in de eerste roos, werd een vogel geboren: +zijn vleugels waren als de stralen des lichts, zijn kleur prachtig +en betooverend zijn gezang! + +Maar toen Eva van de vrucht van den boom at en zij en Adam uit het +Paradijs verdreven werden, toen viel er van het vlammende zwaard van +den straffenden cherub een vonk in het nest van den vogel, zoodat +het vuur vatte. De vogel kwam in de vlammen om, maar uit het roode ei +steeg er een nieuwe, de eenige, de altijd eenige vogel Phoenix op. De +sage meldt, dat hij in Arabië zijn nest heeft, waar hij zich zelf om +de honderd jaren aan den dood in de vlammen opoffert; maar dan stijgt +er een nieuwe Phoenix, de eenige van de wereld, uit het roode ei op. + +Ook om ons heen fladdert deze vogel, snel als het licht, heerlijk van +kleur en betooverend in zijn gezang. Wanneer de moeder bij de wieg van +haar kind zit, rust hij op het hoofdkussen en slaat met zijn vlerken +een stralenkrans om het hoofd van het kind. Hij vliegt door de zalen +der weelde en verspreidt daar zonneglans; hij gaat ook de nederige +stulp niet voorbij en vervult deze met den geur van viooltjes. + +Maar de vogel Phoenix is niet alleen Arabië's vogel; hij fladdert in de +schemering van het noorderlicht over Laplands ijsvelden, hij huppelt +tusschen de gele bloemen in Groenlands korten zomer. Onder Faluns +koperbergen, in Engelands steenkolenmijnen zweeft hij als een stoffige +mug, boven het gezangboek, dat in de handen van den vromen arbeider +rust. Op het lotusblad glijdt hij de heilige wateren van den Ganges +af, en het oog van het Hindoe meisje fonkelt, wanneer zij hem ziet. + +Kent ge dien vogel Phoenix niet,--dien vogel van het Paradijs, +den heiligen zwaan des gezangs? Op de Thespiskar zat hij als een +snappende raaf en sloeg met zijn zwarte vleugels; over IJslands +klinkende harp streek hij met den rooden snavel van den zwaan; op +Shakespeare's schouder zat hij als Odins raaf en fluisterde hem in +het oor: onsterfelijkheid! Hij fladderde door de ridderzaal van den +Wartburg bij den zangersstrijd. + +Kent ge dien vogel Phoenix niet? Hij zong voor u de Marseillaise, +en ge kustet de veder, die aan zijn vleugels ontviel; hij kwam in +den glans van het Paradijs, en ge wenddet u misschien af en keerdet +u tot de musch, die daar zat met goudschuim op de vleugels. + +Vogel Phoenix! Ge wordt om de eeuw verjongd, geboren in vlammen, +gestorven in vlammen. Uw beeltenis, in goud gezet, hangt in de zalen +der rijken; zelf vliegt ge vaak dolend en eenzaam rond--slechts als +een sage: «De vogel Phoenix in Arabië.» + +In het Paradijs, toen ge onder den boom der kennis in de eerste roos +geboren werdt, kuste de Heer u en gaf u uw waren naam: _Poëzie_! + + + + +DE ROZENELF. + + +Midden in een tuin groeide een rozeboom. Deze zat vol prachtige rozen; +en in een daarvan, de mooiste van alle, woonde een elf. Deze was zoo +geducht klein, dat geen menschelijk oog hem kon zien. Achter ieder blad +in de roos had hij een slaapkamer. Hij was zoo welgevormd en schoon, +als een kind maar zijn kon, en hij had vleugels van de schouders tot +aan de voeten. O, welk een geur was er in zijn kamers, en hoe helder +en mooi waren de muren! Dit waren immers de lichtroode rozebladeren. + +Den heelen dag verheugde hij zich in den warmen zonneschijn, vloog van +de eene bloem op de andere, danste op de vleugelen van de vliegende +kapel en mat, hoeveel stappen hij te doen had, om langs alle wegen +en paden te loopen, die er op een enkel lindeblad zijn. Wat wij de +aderen in het blad noemen, hield hij voor wegen en paden. Ja, dat +waren onafzienbare wegen voor hem! Voordat hij daarmee klaar kwam, +ging de zon onder; hij was er ook te laat meebegonnen! + +Het werd koud, de dauw viel en de wind blies; nu was het beste, wat +hij doen kon, naar huis toe te gaan. Hij haastte zich, zooveel hij kon; +maar de roos had zich gesloten, en hij kon er dus niet inkomen;--geen +enkele roos stond er open. De arme, kleine elf schrikte daarvan +geducht. Hij was 's nachts nog nooit in de open lucht geweest, maar +had altijd zacht en veilig achter de warme rozebladeren geslapen. O, +dat zal zeker zijn dood wezen! + +Aan het andere einde van den tuin bevond zich, zooals hij wist, +een priëel van geurige kamperfoelie; de bloemen daarvan zagen er als +groote beschilderde horens uit; in een daarvan wilde hij afklimmen +en tot den volgenden morgen slapen. + +Hij vloog daarheen. Maar wat zag hij daar? Er zaten twee menschen in +het prieel: een jong, knap man en een beeldschoon meisje. Zij zaten +naast elkander en wenschten, dat zij nimmer van elkaar behoefden +te scheiden. Zij hielden zoo veel van elkaar, veel meer nog dan het +beste kind van zijn vader en moeder kan houden. + +«Toch moeten wij van elkaar scheiden!» zei de jonkman. «Je broer mag +ons niet lijden, daarom zendt hij mij met een boodschap ver over bergen +en zeeën heen. Vaarwel, mijn lieve bruid! Want dat ben je immers!» + +Daarop kusten zij elkander, en het meisje weende en gaf hem een +roos. Maar voordat zij hem deze overreikte, drukte zij er zulk +een vasten en innigen kus op, dat de bloem openging. Nu vloog de +kleine elf daarin en leunde met zijn hoofd tegen de fijne, geurige +muren; hier kon hij goed hooren, dat zij elkaar een laatst vaarwel +toeriepen. Hij gevoelde, dat de roos haar plaats op de borst van den +jonkman kreeg.--O, wat klopte toch het hart daarbinnen! De kleine +elf kon niet in slaap komen, zoo klopte het. + +Maar niet lang bleef de roos ongestoord op de borst zitten. De jonkman +nam haar er af, en terwijl hij eenzaam in het donkere bosch liep, +kuste hij de bloem, o, zoo dikwijls en zoo hartstochtelijk, dat de +kleine elf bijna doodgedrukt werd. Hij kon door het blad heen voelen, +hoe de lippen van den man brandden, en de roos zelf had zich, als +bij de sterkste middagzon, geopend. + +Daar kwam een ander man aan, die er norsch en boosaardig uitzag; +het was de slechte broeder van het lieve meisje. Deze haalde een +scherp mes te voorschijn, en terwijl de jonkman de roos kuste, stak +de slechte man hem dood, sneed hem het hoofd af en begroef dit met +het lichaam in de zachte aarde onder den lindeboom. + +«Nu is hij vergeten en weg!» dacht de slechte broeder; «hij komt nooit +meer terug. Een verre reis zou hij doen, over bergen en zeeën; daarbij +kan men licht het leven verliezen, en dat heeft hij verloren. Hij +komt niet meer terug, en mij zal mijn zuster wel niet naar hem vragen.» + +Daarop schoof hij met zijn voet dorre bladeren over de losse aarde +heen en keerde in den donkere nacht naar huis terug. + +Maar hij ging niet alleen, zooals hij dacht: de kleine elf vergezelde +hem. Deze zat in een verdord, ineengerold lindeblad, dat den boozen +man, toen hij zijn slachtoffer begroef, in het haar gevallen was. De +hoed was nu daar overheen gezet, het was daarin stikdonker; en de +elf sidderde van schrik en toorn over de slechte daad. + +In den morgenstond kwam de booze man te huis; hij zette zijn hoed af +en trad de slaapkamer van zijn zuster binnen. Daar lag het schoone, +bloeiende meisje en droomde van hem, dien zij zoo hartelijk liefhad en +van wien zij nu dacht, dat hij over bergen en door bosschen ging. En +haar booze broeder boog zich over haar heen en lachte hatelijk, zooals +slechts een duivel kan lachen. Daar viel het dorre blad uit zijn haar +op de dekens neer; maar hij merkte dit niet en ging de kamer uit, om in +den morgenstond zelf een weinig te slapen. Maar de elf sloop uit het +verdorde blad, zette zich in het oor van het slapende meisje neer en +vertelde haar, als in een droom, den verschrikkelijken moord, beschreef +haar de plaats, waar haar broeder haar minnaar vermoord en diens lijk +onder den grond gestopt had, vertelde van den bloeienden lindeboom, +die daar dicht bij stond, en zei: «Opdat ge niet zoudt denken, dat +het maar een droom is, wat ik u verteld heb, zult ge op uw bed een +verdord blad vinden!» En dat vond zij ook, toen zij wakker werd. + +O, welke bittere tranen stortte zij! Het raam stond den heelen +dag open, de kleine elf kon gemakkelijk bij de rozen en al de +overige bloemen in den tuin komen. Maar hij kon het niet van zich +verkrijgen, de bedroefde te verlaten. Voor het raam stond een boompje +met maandrozen; in een der bloemen zette hij zich neer en sloeg een +blik op het ongelukkige meisje. Haar broeder kwam dikwijls in de kamer +en scheen, ondanks zijn booze daad, altijd vroolijk; maar zij durfde +geen enkel woord over haar harteleed te zeggen. + +Zoodra het donker werd, sloop zij het huis uit, ging in het bosch +naar de plaats, waar de lindeboom stond, nam de bladeren van den +grond, groef dezen op en vond hem, die vermoord was, terstond. O, +wat weende zij en hoe bad zij den goeden God, dat zij nu ook spoedig +mocht sterven! + +Gaarne zou zij het lijk met zich meegenomen hebben, maar dat kon zij +niet. Nu nam zij het bleeke hoofd met de gesloten oogen, kuste den +kouden mond en schudde de aarde uit zijn haar. «Dat zal ik behouden!» +zeide zij. En toen zij aarde en bladeren op het lijk neergelegd had, +nam zij het hoofd en een takje van de jasmijn, die in het bosch +bloeide, waar hij begraven was, met zich mee naar huis. + +Zoodra zij haar kamer binnentrad, nam zij den grootsten bloempot, +die er te vinden was; daarin deed zij het doode hoofd, wierp er aarde +overheen en plantte het jasmijntakje toen in den pot. + +«Vaarwel! Vaarwel!» fluisterde de kleine elf; hij kon het niet langer +verdragen, al deze smart te zien, en vloog daarom naar zijn roos +in den tuin toe. Maar deze was uitgebloeid; er hingen nog slechts +verdorde bladeren aan den groenen steel. + +«Ach, hoe spoedig is het toch met het schoone en goede voorbij!» +zei de elf met een zucht. Eindelijk vond hij weer een roos; deze werd +zijn huis; achter haar fijne en geurige bladeren kon hij wonen. + +Alle morgens vloog hij naar het raam van het ongelukkige meisje; zij +stond altijd bij den bloempot en weende. De zilte tranen vielen op het +jasmijntakje neer, en terwijl zij met den dag al bleeker en bleeker +werd, stond het takje daar gedurig frisscher en groener; de eene scheut +sproot na den anderen uit; kleine, witte knoppen bloeiden er, en deze +kuste zij. Maar de booze broeder berispte zijn zuster en vroeg haar, +of zij gek geworden was. Hij kon het niet dulden en niet begrijpen, +waarom zij altijd over den bloempot weende. Hij wist immers niet, +welke oogen daarin gesloten en welke roode lippen daarin tot stof +geworden waren. En zij boog haar hoofd over den bloempot heen, en de +kleine elf van de roos vond haar daar slapende. Nu zette hij zich in +haar oor neer, vertelde haar van dien avond in het prieel, van den +geur der roos en van de liefde der elfen. Zij droomde overheerlijk, +en terwijl zij droomde, ontvlood haar het leven; zij was zacht en +kalm ontslapen; zij was bij hem, dien zij liefhad, in den hemel. + +En de jasmijn opende haar groote, witte klokjes; zij gaven een +bijzonder heerlijken geur van zich; anders konden zij niet over de +dooden weenen. + +Maar de booze broeder bekeek het prachtig bloeiende boompje, nam het +als een erfgoed met zich mee en zette het in zijn slaapkamer dicht +bij zijn bed neer; want het was prachtig om aan te zien, en de geur +was overheerlijk. De kleine rozenelf ging mee, vloog van bloem tot +bloem,--en in elke daarvan woonde immers een kleine ziel,--en deze +vertelde hij van den vermoorden jonkman, wiens hoofd nu aarde onder +de aarde was, vertelde van den boozen broeder en van de ongelukkige +zuster. + +«Wij weten het!» zei iedere ziel in de bloemen, «wij weten het! Zijn +wij niet uit de oogen en de lippen van den verslagene voortgekomen? Wij +weten het! Wij weten het!» En daarop knikten zij heel zonderling met +het hoofd. + +De rozenelf kon het niet begrijpen, hoe zij zoo kalm konden zijn, en +vloog het raam uit naar de bijen, die honing verzamelden, en vertelde +haar de geschiedenis van den boozen broeder. De bijen zeiden het tegen +haar koningin, en deze beval, dat zij den moordenaar den volgenden +morgen met haar allen moesten ombrengen. + +Maar in den nacht, die daaraan voorafging,--het was de eerste nacht, +die op den dood der zuster volgde,--toen de broeder in zijn bed +dicht naast de geurige jasmijn sliep, ging iedere bloemkelk open, +en onzichtbaar, maar met giftige angels, kwamen de bloemenzielen te +voorschijn en zetten zich in zijn oor neer en vertelden hem akelige +droomen, en vlogen over zijn lippen en staken zijn tong met giftige +angels. «Nu hebben wij de dooden gewroken!» zeiden zij en vlogen naar +de witte klokjes van de jasmijn terug. + +Toen het morgen was en het raam der slaapkamer opengezet werd, vloog de +rozenelf met de bijenkoningin en den geheelen bijenzwerm naar binnen, +om hem te dooden. + +Maar hij was al dood; er stonden menschen om het bed heen en zeiden: +«De geur van de jasmijn heeft hem gedood!» + +Nu begreep de rozenelf de wraak der bloemen en vertelde het aan +de koningin der bijen: deze gonsde met haar geheelen zwerm om den +bloempot heen. De bijen waren niet te verjagen. Nu nam een man den +bloempot weg, en een der bijen stak hem in zijne hand, zoodat hij +den bloempot liet vallen: deze brak. + +Daar zagen zij een bleeken schedel, en nu wisten zij, dat de doode +in het bed een moordenaar was. + +De bijenkoningin gonsde in de lucht, zong van de wraak der bloemen +en van den rozenelf, en dat er achter het kleinste blad Een woont, +die het booze kan vertellen en wreken! + + + + +IETS. + + +«Ik wil iets zijn!» zei de oudste van vijf broeders. «Ik wil nut in +de wereld stichten; al moge het ook nog zulk een nederige betrekking +zijn, als datgene, wat ik doe, maar wat goeds is, dan is het inderdaad +iets. Ik wil baksteenen maken; die kan men niet missen; en dan heb +ik werkelijk iets gedaan!» + +«Maar iets, dat veel te weinig beteekent!» sprak de tweede +broeder. «Datgene, wat je wilt doen, is zoo goed als niets: dat +is werktuigelijke arbeid en kan even goed door een machine verricht +worden. Neen, dan zou ik liever metselaar zijn, dat is ten minste iets, +dat wil ik worden; dat is een stand in de maatschappij. Daardoor +wordt men een gildebroeder, een burger, daardoor krijgt men zijn +eigen vaandel, zijn eigen herberg, ja, als alles naar wensch gaat, +zal ik knechts kunnen houden, word ik baas, en zal mijn vrouw juffrouw +genoemd worden; dat is toch iets!» + +«Dat is toch eigenlijk niets!» zei de derde; «dan behoort men +toch niet tot den deftigen stand, en er zijn velen in een stad, +die allen ver boven een metselaarsbaas staan. Men kan wel een braaf +man zijn; doch men behoort als «baas» toch maar tot diegenen, die +men den «gemeenen» man noemt. Neen, dan weet ik wat beters! Ik wil +architect worden, mij op het gebied der kunst begeven en tot de +hooger geplaatsten in het rijk des geestes behooren. Wel is waar +moet ik van meet af aan beginnen, ja, om het maar ronduit te zeggen, +moet ik als krullejongen beginnen, moet ik met een pet rondloopen, +ofschoon ik er aan gewoon ben, een zijden hoed te dragen, moet ik voor +de knechts jenever en bier halen, en dezen zullen jij en jou tegen +mij zeggen, en dat is beleedigend; doch ik zal mij maar verbeelden, +dat dit alles slechts voor de grap is! Morgen--dat wil zeggen, als +ik knecht ben, dan ga ik mijn eigen weg, de anderen gaan mij niets +aan! Ik ga op de teekenacademie, krijg onderwijs in het teekenen, +heet architect!--Dat is iets, dat is veel!--Ik kan Weledele Heer, ja +Weledelgeboren Heer worden, ja zelfs nog een deftiger titel krijgen, +en ik bouw en bouw, evenals de anderen vóór mij gebouwd hebben. Dat +is altijd iets, waarop men kan bouwen. Het geheel is iets!» + +«Maar ik vind dat iets eigenlijk niets!» sprak de vierde; «ik wil +niet in het zog van anderen varen, geen kopie zijn; ik wil een genie +zijn, ik wil meer beteekenen dan jelui allemaal met elkaar. Ik ben de +schepper van een nieuwen bouwstijl, ik geef het idee voor een gebouw +aan de hand, passend voor het klimaat en de materialen van het land, +voor de nationaliteit van het volk, voor de ontwikkeling der eeuw, +en geef bovendien nog een verdieping toe voor mijn genie!» + +«Maar als nu het klimaat en de materialen niet deugen?» zei de +vijfde. «Dat zou een onaangename omstandigheid zijn, want zij oefenen +hun invloed uit. De nationaliteit kan zich ook zoodanig uitbreiden, +dat zij onnatuurlijk en gemaakt wordt; de ontwikkeling der eeuw kan +met je op hol gaan, evenals de jeugd dikwijls op hol gaat. Ik zie +het al aankomen, dat geen van jelui iets zal worden ofschoon je +hetzelf ook denkt! Maar doet, wat je wilt, ik zal je niet gelijk +zijn; ik stel mij buiten de zaken, ik wil over datgene redeneeren, +wat jelui uitvoert. Aan ieder ding kleeft iets, wat niet juist is, +iets verkeerds, dat zal ik opsporen en bespreken; dat is iets!» + +Dat deed hij dan ook, en de menschen zeiden van den vijfde: «In hem zit +bepaald iets! Het is een schrandere kop! Maar hij. doet niets!»--Doch +juist daarom was hij iets! + +Zie, dat is maar een kleine geschiedenis, en toch heeft zij geen einde, +zoolang de wereld bestaat. + +Maar werd er dan verder niets van de vijf broeders?--Dat was immers +niets en niet iets! + +Laat ons verder hooren! + +De oudste broeder, die baksteenen vervaardigde, merkte al spoedig, +dat er van iederen steen, als deze gereed was, een kleine munt, +al was het er ook maar een van koper, afviel; maar vele koperen +penningen, bij elkaar gelegd, maken een daalder, en waar men met zulk +een muntstuk aanklopt, hetzij bij den bakker, of bij den slager, of +bij den kleermaker, ja, bij allen, daar vliegt de deur open, en men +krijgt, wat men moet hebben; zie, dat werpen de steenen af;--enkele +verbrokkelden wel is waar of sprongen in tweeën, maar zulke kon men +ook wel gebruiken. + +Op den hoogen aarden wal, den beschermenden dijk aan de zeekust, +wilde een arme vrouw, Margaretha genaamd, een huisje bouwen; zij +kreeg al de verbrokkelde steenen en daarbij nog eenige heele, want de +oudste broeder bezat een goed hart, al bracht hij het ook niet verder, +dan dat hij baksteenen vervaardigde. + +De arme vrouw bouwde haar huisje zelf; het was wel is waar klein +en bekrompen, het eene raam zat scheef, de deur was te laag en het +stroodak had beter gelegd kunnen worden; maar beschutting verleende het +toch, en ver over de zee, die met geweld tegen den muur aanklotste, +kon men van uit het huisje zien; de zilte golven deden haar schuim +over het geheele huis spatten, dat er nog stond, toen hij, die de +steenen daarvoor vervaardigd had, al lang dood en begraven was. + +De tweede broeder, die had nu meer verstand van het metselen; hij had +dit dan ook geleerd. Toen zijn proefjaren als gezel ten einde waren, +deed hij zijn ransel om en hief het lied van den handwerksman aan: + + + «Daar ik jong ben, ga 'k op reis, + Buiten wil ik huizen bouwen, + Gaan van plaats tot plaats in 't rond; + Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen. + Keer ik weer in 't vaderland, + 't Meisje wacht mij, dat ik min. + 'k Word gauw baas! Met vromen zin + Roep ik: Leev' de werkmansstand!» + + +En baas werd hij dan ook. Toen hij teruggekomen en baas geworden was, +metselde hij in de stad het eene huis na het andere, een heele straat, +en toen de straat voltooid was, er goed uitzag en de stad tot sieraad +strekte, bouwden de huisjes hem weer een huis, dat zijn eigendom zou +zijn. Maar hoe kunnen de huizen bouwen? Vraag het hun, en zij zullen +u het antwoord schuldig blijven; maar de menschen zullen het woord +opvatten en zeggen: «Zeker heeft de straat hem een huis gebouwd!» +Klein was het, en de vloer was met leem belegd, maar toen hij met +zijn bruid over den leemen vloer danste, werd deze blank en glad, +en uit iederen steen in den muur schoot een bloem te voorschijn en +versierde de kamer als met het kostbaarste tapijt. Het was een lief +huis en een gelukkig echtpaar. Het vaandel van het gild wapperde uit +het huis, en gezellen en leerjongens riepen: «Hoera!» Ja, dat was +iets! En toen stierf hij: dat was ook iets! + +Nu kwam de architect, de derde broeder, die eerst krullejongen geweest +was, met een pet geloopen had en boodschappen had gedaan, maar die +op de academie geweest en eindelijk tot bouwmeester opgeklommen was, +en nu een «Weledelgeboren Heer» genoemd werd. + +Hadden de huizen der straat voor zijn broeder, die metselaarsbaas was, +een huis gebouwd, naar hem werd de straat genoemd, en het mooiste huis +uit de straat werd zijn eigendom; dat was iets, en hij was iets--en +dat met een langen titel van voren en van achteren. Zijn kinderen +noemde men «jongeheeren en jongejuffrouwen,» en toen hij stierf, +was zijn weduwe een «douairière,»--dat is iets! En zijn naam bleef +voor immer op den hoek van de straat geschreven staan en leefde in +aller mond voort als de naam van een straat,--ja, dat is iets! + +Daarop kwam het genie, de vierde broeder, die iets nieuws, iets +buitengewoons, en nog een verdieping daarenboven wilde uitvinden; +maar deze viel naar beneden en brak zijn nek;--maar hij kreeg een mooie +begrafenis met gildevaandels en muziek, bloemen in de courant en op de +straat over de steenen heen, en men hield voor hem drie lijkredenen, +de een al langer dan de andere, en dat zal hem heel veel plezier +gedaan hebben; want hij had graag, dat er over hem gesproken werd; +ook werd er een monument op zijn graf opgericht, wel is waar slechts +één verdieping hoog, maar dat is toch altijd iets! + +Hij was nu gestorven, evenals dit met zijn drie andere broeders het +geval was; maar de laatste, die redeneerde, overleefde ze allemaal, +en dat was juist, zooals het wezen moest; want daardoor kreeg hij +immers het laatste woord, en het was voor hem van zeer veel gewicht, +het laatste woord te hebben. «Hij was toch een schrandere kop!» +zeiden de menschen.--Maar eindelijk sloeg ook zijn ure; hij stierf +en kwam voor de poort des hemels. Daar traden altijd twee te gelijk +binnen; hij stond daar met een andere ziel, die er ook graag in wilde, +en dit was juist de oude vrouw Margaretha uit het huis op den dijk. + +«Dat gebeurt zeker om het contrast, dat ik en deze ellendige ziel hier +tegelijkertijd moeten aankomen!» zei de liefhebber van redeneeren. «Wel +zoo! Wie ben je; vrouwtje? Wil je er ook in?» vroeg hij. + +De oude vrouw maakte een buiging, zoo goed als zij dit kon; zij dacht, +dat het Petrus zelf was, die tegen haar sprak. «Ik ben een oude arme +vrouw zonder eenige familie, ik ben de oude Margaretha uit het huis +op den dijk.» + +«Welnu, wat hebt ge op de wereld uitgevoerd?» + +«Ik heb waarlijk niets op de wereld uitgevoerd, niets, waarom de poort +hier voor mij zou kunnen ontsloten worden. Het zal een waarachtige +genade zijn, als men mij vergunt, dat ik door de poort binnentreed!» + +«Op welke wijze hebt ge de wereld verlaten?» vroeg hij verder, om toch +ergens over te spreken, daar het hem verveelde, daar te staan wachten. + +«Ja, hoe ik haar verlaten heb, dat weet ik niet! Gedurende het laatste +jaar ben ik ziek en ellendig geweest, en ik heb het zeker niet kunnen +verdragen, uit het bed te komen en in vorst en koude zoo plotseling +de deur uit te gaan. Het is een strenge winter, maar nu heb ik het +immers doorgestaan. Het was eenige dagen stil weer, maar erg koud, +zooals ge zelf wel weet; het ijs lag zoover in de zee, als men zien +kon; al de menschen uit de stad wandelden over het ijs; daar was, +zooals zij zeiden, schaatsenrijden en dans, geloof ik; groote muziek +en traktatie was daar ook; de muziek drong tot het armoedige kamertje, +waarin ik lag, door. En toen was het zoo tegen den avond; de maan was +prachtig opgekomen, maar nog niet in haar vollen glans; ik keek uit +mijn bed over de ruime zee heen, en daar buiten, aan den rand van +de lucht en de zee, kwam een zonderlinge witte wolk te voorschijn; +ik lag en zag de witte wolk aan, ik zag ook het zwarte puntje in het +midden van de wolk, dat al grooter en grooter werd; en nu wist ik, +wat dat te beteekenen had; ik ben ervaren, ofschoon men dat teeken niet +dikwijls ziet. Ik kende het, en een huivering voer mij door de leden. + +«Ik heb iets dergelijks al tweemaal van mijn leven gezien, ik +wist, dat er een verschrikkelijke storm met een springvloed uit +zou voortkomen, die de arme menschen daarbuiten, die nu dronken, +rondsprongen en juichten, zou overvallen; jong en oud, de geheele +stad was immers buiten; wie zou ze waarschuwen, als niemand daar +dit zag en de beteekenis er van wist, hetgeen met mij wel het geval +was? Ik kwam mijn bed uit en ging naar het raam; verder kon ik mij +van vermoeidheid niet sleepen. + +«Toch gelukte het mij eindelijk, het raam open te schuiven, ik zag +de menschen buiten op het ijs loopen en springen; ik zag ook de mooie +vlaggen, die in den wind wapperden; ik hoorde de jongens hoera! roepen, +knechts en meiden zingen; het ging vroolijk toe; maar--die witte wolk +met dat zwarte stipje! + +«Ik riep zoo hard, als ik maar kon; doch niemand hoorde mij; ik was te +ver van de menschen vandaan. Spoedig moest de storm losbarsten en het +ijs breken, en dan zouden allen, die er op waren, reddeloos verloren +zijn. Zij konden mij niet hooren, ik kon hun geen wenk geven; o, kon +ik ze maar op het land brengen! Nu gaf de goede God mij de gedachte +in, mijn bed in brand te steken en liever mijn heele huisje te laten +verbranden, dan dat zoo velen jammerlijk zouden omkomen. + +«Het gelukte mij, voor hen een licht te ontsteken; de roode vlam steeg +hoog op,--ja, ik ontkwam gelukkig uit de deur; maar voor deze bleef ik +liggen; ik kon niet verder; de vlam kwam naar mij toe; flikkerde uit +de ramen, sloeg hoog boven het dak uit; al de menschen buiten op het +ijs zagen haar, en allen liepen zoo hard als zij konden, om een arme +ter hulp te snellen, die, zooals zij dachten, gevaar liep om levend te +verbranden; niet een was er, die niet holde; ik hoorde ze komen, maar +ik hoorde ook, hoe het eensklaps in de lucht bruiste, ik hoorde het +dreunen als zware kanonschoten; de springvloed hief den ijsvloer op, +die in duizend stukken barstte; maar de menschen bereikten den dijk, +waar de vonken over mij heenvlogen; ik redde ze allen!--Doch ik heb +de koude niet kunnen verdragen en ook niet den schrik, en zoo ben ik +hier aan de poort des hemels gekomen; men zegt immers, dat er ook voor +zulk een arm mensch als ik ben opengedaan wordt, en nu heb ik immers +geen huis beneden op den dijk,--doch dat geeft mij zeker geen toegang!» + +Daar ging de poort des hemels open, en de engel bracht de oude +vrouw binnen, zij verloor een strootje, een van die strootjes, +welke er in haar bed gezeten hadden, toen zij dit in brand stak, +om velen te redden, en dat had zich in het zuiverste goud veranderd +en wel in zulk goud, dat aldoor toenam en de schoonste bloemen en +bladeren voortbracht. + +«Zie eens! Dat heeft die arme vrouw gebracht!» zei de engel. «Wat +brengt gij? Ja, ik weet het wel, dat ge niets uitgevoerd hebt: niet +eens een baksteen hebt ge gemaakt; als ge maar weer kondt teruggaan +en het althans zoo ver brengen; waarschijnlijk zou de steen, als ge +dien gemaakt hadt, niet veel waard zijn; maar als hij met een goeden +wil gemaakt was, dan zou het toch altijd iets zijn; maar ge kunt niet +terug, en ik kan niets voor u doen!» + +Nu deed de arme ziel, het moedertje uit het huis op den dijk, een +goed woord voor hem: «Zijn broeder heeft mij de steenen gegeven, +waarvan ik mijn armzalig huis gebouwd heb, en dat was zeer veel voor +mij, arme! Zouden nu niet al die halve en heele steenen als één steen +voor hem kunnen gelden? Het is een daad van genade! Hij heeft daaraan +nu behoefte, en hier is immers de bron van genade!» + +«Uw broeder, diegene, dien gij den geringste noemdet,» zei de engel, +«diegene, wiens eerlijk werk u het nederigst toescheen, schenkt u zijn +hemelsche gave. Ge zult niet teruggewezen worden; het zal u vergund +zijn, hier buiten te staan en na te denken, maar er in komt ge niet, +voordat ge inderdaad--iets uitgevoerd hebt!» + +«Dat zou ik beter hebben kunnen zeggen!» dacht de liefhebber van +redeneeren; maar hij sprak dit niet overluid uit, en dat was ten +minste al iets! + + + + +HET DOORNENPAD DER EER. + + +Er bestaat nog een oud sprookje van «het doornenpad der eer,»--van een +schutter, die wel is waar tot eer en waardigheden opklom, maar eerst na +vele wederwaardigheden en allerlei strijd.--Wie heeft bij dit sprookje +niet aan zijn eigen doornenpad en aan zijn vele «wederwaardigheden» +gedacht? Het sprookje en de werkelijkheid grenzen zeer na aan elkander: +maar het sprookje heeft zijn harmonische oplossing hier op aarde, +de werkelijkheid vindt deze dikwijls eerst aan gene zijde van het +aardsche leven en wijst op tijd en eeuwigheid. + +De geschiedenis der wereld is een tooverlantaarn, die ons in +lichtbeelden op den donkeren grond van het tegenwoordige aanwijst, +hoe de weldoeners der menschheid, de martelaars van het genie, het +doornenpad van de eer en den roem bewandelen. + +Uit alle tijden, uit alle landen stralen deze lichtbeelden ons +tegen, elk wel is waar slechts voor eenige oogenblikken, maar +toch als een geheel leven, een levenstijd met zijn strijd en zijn +zegepraal. Laat ons hier en daar enkelen van deze schare van martelaren +beschouwen,--deze schare, waaraan eerst dan een einde komt, wanneer +de aarde vergaat. + +Wij zien een welbezet amphitheater. Uit de «Wolken» van een +Aristophanes gieten de spot en de scherts zich in stroomen over +de menigte uit; op het tooneel wordt de merkwaardigste man van +Athene, hij, die het schild en de steun van het volk tegen de dertig +tirannen was, wordt Socrates belachelijk gemaakt, Socrates, die in het +strijdgewoel Alcibiades en Xenophon redde en wiens geest zich boven +de goden der oudheid verhief. Hij zelf is hier tegenwoordig; hij is +van de bank der toeschouwers opgestaan en te voorschijn gekomen, +opdat de lachende Atheners zouden zien, hoe het met de gelijkenis +tusschen hem en de karikatuur op het tooneel geschapen was; daar +staat hij voor hen, hoog boven hen allen verheven. + +Gij, sappige, groene, vergiftige scheerling, en niet gij, olijfboom, +werp hier uw schaduw over Athene! + +Zeven steden streden om de eer, de geboorteplaats van Homerus te zijn, +dat is te zeggen: nadat hij dood was. Beschouwen wij hem gedurende +zijn leven!--Hij loopt te voet door de steden en zegt zijn verzen +op om te leven; de gedachte aan den dag van morgen doet zijn haar +grijs worden!--Hij, de groote ziener, is blind en bewandelt met +moeite zijn pad; de scherpe doorn verscheurt den mantel van den +dichterkoning!--Zijn gezangen leven nog, en door deze alleen leven +de goden en de helden der oudheid. + +Het eene beeld na het andere rijst voor ons op uit het Oosten, uit +het Westen, zeer ver van elkander, wat tijd en plaats aangaat, en +toch altijd een gedeelte van het doornenpad der eer, waarop de distel +eerst dan een bloem voortbrengt, wanneer het graf versierd moet worden. + +Onder psalmen trekken de kameelen voort, rijk beladen met indigo +en andere kostbare schatten, door den heerscher des lands aan hem +gezonden, wiens gezangen de vreugde des volks, de roem des lands +zijn; hij, dien leugen en nijd in de ballingschap zonden, hij is +gevonden,--de karavaan nadert het stadje, waarin hij een schuilplaats +vond: een lijk wordt de stadspoort uitgedragen, en de lijkstoet beveelt +de karavaan, halt te houden. De doode is juist degene, dien zij zoekt: +Firdusi,--het doornenpad der eer is ten einde gewandeld! + +De Afrikaan met de plompe gelaatstrekken, de dikke lippen, het zwarte, +wollige haar, zit op de marmeren trappen van het paleis in de hoofdstad +van Portugal en bedelt; het is de getrouwe slaaf van Camoëns; zonder +hem en zonder de koperen munten, die de voorbijgangers hem toewerpen, +zou zijn heer, de zanger der Lusiade, van honger sterven. + +Tegenwoordig verheft zich een kostbaar monument op het graf van +Camoëns. + +Een nieuw beeld! + +Achter de ijzeren tralies vertoont zich een man, die er doodsbleek +uitziet, met een langen, ongekamden baard. «Ik heb een uitvinding +gedaan, de grootste sedert eeuwen!» roept hij, «en men heeft mij langer +dan twintig jaren hier opgesloten gehouden!»--«Wie is die man?»--«Een +krankzinnige!» antwoordt de bewaker der krankzinnigen. «Waar kan een +mensch in zijn krankzinnigheid al niet toe komen! Hij verbeeldt zich, +dat men zich door stoom kan bewegen!»--Het is Salomo de Caus, de +ontdekker der stoomkracht, wiens voorgevoel, in onduidelijke woorden +uitgesproken, door een Richelieu niet begrepen werd: hij sterft in +het krankzinnigengesticht. + +Hier staat Columbus, dien de straatjongens eenmaal vervolgden en +bespotten, omdat hij een nieuwe wereld wilde ontdekken,--hij heeft haar +ontdekt! Het gejubel klinkt hem bij zijn zegevierende terugkomst van +menschenlippen en door kerkklokstonen tegen, maar de klokken van den +nijd overstemden deze al spoedig. De ontdekker eener nieuwe wereld, +hij, die het Amerikaansche goudland uit de zee deed oprijzen en aan +zijn koning schonk, hij wordt met ijzeren ketenen beloond! Hij wenscht +deze ketenen in zijn graf mee te nemen; zij leggen getuigenis af van +de wereld en van de wijze, waarop tijdgenooten verdiensten schatten. + +Het eene beeld na het andere rijst op: het doornenpad van de eer en +den roem is overvol. + +Hier in den donkeren nacht zit hij, die de bergen der maan gemeten +heeft, hij, die in de oneindige ruimte tot sterren en planeten +doordrong, hij, de machtige, die den geest der natuur hoorde en het +gevoelde, dat de aarde zich onder zijn voeten bewoog: Galilei. Blind +en doof zit hij daar, de grijsaard, gefolterd door den doorn van het +lijden in de kwellingen der verloochening, tenauwernood in staat om +zijn voet op te lichten, denzelfden, waarmee hij eens in de smart +zijner ziel, toen men de waarheid verduisterde, op den grond stampte +en uitriep: «En toch beweegt zij zich!» + +Hier staat een vrouw met een kinderlijk gemoed in geestdrift en +geloof,--voor het strijdende leger draagt zij de banier vooruit, en +brengt haar vaderland zegepraal en redding. Het gejuich weerklinkt +en de brandstapel vlamt: Jeanne d'Arc, de heks, wordt verbrand!--Ja, +een latere eeuw spuwt den zwadder der verachting op de witte lelie +uit. Voltaire, de sater van het gezonde menschenverstand, zingt van +«_La pucelle_.» + +Op den Thing te Wiborg verbrandt de Deensche adel de wetten des +konings,--zij vlammen hoog op, verlichten de eeuw en den wetgever, +werpen een schijnsel van glorie in den donkeren gevangenistoren, +waarin de vroegere heerscher over drie koninkrijken, de populaire +koning, de vriend der burgers en der boeren, Christiaan de Tweede, +vergrijsd, gebogen, met zijn vinger een reet in het steenen tafelblad +makende, zit. Vijanden teekenen zijn geschiedenis op. Aan zijn +zeven-en-twintigjarige gevangenschap willen wij gedenken, al kunnen +wij zijn bloedschuld ook niet loochenen. + +Een schip zeilt uit en verlaat het Deensche strand; tegen den mast +leunt een man, die voor de laatste maal een blik op het eiland Hveen +slaat;--het is Tycho Brahe; hij verhief den naam van Denemarken +tot aan de sterren, en men beloonde hem met grieven, met gebrek +en verdriet;--hij vertrekt naar een vreemd land. «De hemel welft +zich overal boven mij. Wat wil ik meer?» spreekt hij en zeilt weg, +de beroemde Deen, geëerd en vrij in een vreemd land!» + +«Ach, vrij, al ware het slechts van de duldelooze smarten van het +lichaam!» luidt de zucht, die door de tijden heen en tot ons oor +doordringt. Welk een beeld! Griffenfeld, een Deensche Prometheus, +aan het rotsachtige eiland Munkholm gekluisterd! + +Wij bevinden ons in Amerika aan den oever van een der grootste +rivieren; een tallooze menschenmenigte heeft zich verzameld: +een schip, zoo heet het, zal tegen weer en wind, de elementen +trotseerend, kunnen zeilen; Robert Fulton noemt zich de man, die +dit vraagstuk denkt op te lossen. Het schip begint zijn tocht; maar +eensklaps blijft het stilliggen,--de menigte lacht, fluit en sist, de +eigen vader van den man fluit. «Hoogmoed! Dwaasheid! Nu gebeurt er, +wat hij verdiend heeft,» heet het; «achter slot en grendel met den +waanzinnige!»--Daar breekt een kleine spijker, die voor een oogenblik +de machine belemmerde, de roeiriemen bewegen zich weer, de raderen +breken op nieuw de kracht van het water, het schip zet zijn tocht +voort! De kracht van den stoom verkort de uren tot minuten tusschen +de landen der wereld! + +Menschengeslacht! begrijpt gij de zaligheid van zulk een minuut van +wetenschap, van dit doordrongen zijn des geestes van zijn roeping, +dat oogenblik, waarop al de wanhoop, elke wonde, die het doornenpad der +eer sloeg,--zelfs die van eigen schuld,--in heil, kracht en klaarheid +verandert, de disharmonie zich in harmonie oplost, dat oogenblik, +waarop de menschen de openbaring der goddelijke genade gewaar worden! + +Op machtige vleugelen zweeft de geest der geschiedenis door de tijden +en toont,--bemoedigend en vertroostend, milde gedachten opwekkend,--op +een nachtelijk donkeren grond in lichtende beelden het doornenpad der +eer, dat niet, evenals in het sprookje, in glans en vreugde hier op +aarde, maar verder dan deze in tijd en eeuwigheid eindigt! + + + + +DE GODDELOOZE KONING. + + +Er was eens een goddelooze koning; al zijn denken en streven was +slechts daarop gericht, alle landen der wereld te veroveren en alle +menschen vrees in te boezemen; te vuur en te zwaard trok hij rond, +en zijn soldaten vertrapten het zaad op de velden en staken het +huis van den boer in brand, zoodat de roode vlam de bladeren van den +boom verschroeide en de vruchten gebraden aan de verzengde, zwarte +boomen hingen. Met een naakten zuigeling op den arm vluchtte menige +arme moeder achter de nog rookende muren van haar afgebrande woning; +maar hier zochten de soldaten haar ook, en als zij de ongelukkigen +vonden, dan gaf dit nieuw voedsel aan hun duivelachtige vreugde; booze +geesten hadden niet erger huis kunnen houden dan deze soldaten; maar +de koning vond, dat het zoo goed was, dat het zoo moest toegaan. Met +den dag groeide zijn macht aan, zijn naam werd door allen gevreesd, +en het geluk volgde zijn schreden bij al zijn ondernemingen. Uit +de veroverde steden voerde hij onmetelijke schatten weg; in zijn +residentiestad werd een rijkdom opgestapeld, die op geen andere +plaats zijns gelijke had. Hij liet paleizen, kasteelen en kerken +bouwen, en iedereen, die deze prachtige gebouwen en deze schatten +zag, riep vol eerbied uit: «Welk een groot koning!» Zij dachten niet +aan de ellende, die hij over andere landen en steden gebracht had; +zij hoorden de zuchten en de jammerklachten niet, die er uit de in +de asch gelegde steden ten hemel opklommen. + +De koning beschouwde zijn goud en zijn prachtige gebouwen, en dacht +daarbij evenals de menigte: «Welk een groot koning!--Maar ik moet +veel meer hebben, veel meer! Geen macht mag met de mijne gelijkstaan, +of grooter dan de mijne zijn!» Hij verklaarde daarom den oorlog aan +de naburige koningen en overwon ze allen. De overwonnen koningen liet +hij met gouden ketenen aan zijn wagen vastbinden, en zoo reed hij door +de straten van zijn residentie; als hij aan tafel zat, dan moesten +die koningen voor hem en zijn hovelingen op de knieën liggen en zich +met de brokken, die hun van de tafel toegeworpen werden, verzadigen. + +Eindelijk liet de koning zijn eigen beeldzuil op de publieke pleinen +en in de koninklijke kasteelen oprichten, ja, hij wilde ze zelfs +in de kerken voor het altaar des Heeren plaatsen, maar de priesters +verzetten zich daartegen en zeiden: «O koning! gij zijt groot, maar +God is grooter; wij wagen het niet, uw bevel te gehoorzamen!» + +«Welaan dan!» riep de koning uit, «ik zal ook God overwinnen!»--En in +overmoed en dwazen wrevel liet hij een kostbaar schip bouwen, waarmee +hij door de lucht kon zeilen; het was bont en prachtig om aan te zien, +als de staart van een pauw, en het was als met duizenden oogen bezet +en bezaaid;--maar ieder oog was een geweerloop. De koning zat in het +midden van het schip, hij behoefde slechts op een daar aangebrachte +veer te drukken, en dan vlogen er duizend kogels naar alle kanten heen, +terwijl de vuurwapenen terstond weer op nieuw geladen waren. Honderden +arenden werden er voor het schip gespannen, en met pijlsnelheid +ging het nu opwaarts naar de zon toe. Wat lag daar de aarde diep +beneden! Met haar bergen en bosschen scheen zij slechts een akker te +zijn, waarin de ploeg zijn voren getrokken had; al spoedig geleek +zij nog slechts op een platte landkaart met onduidelijke lijnen, +en eindelijk was zij geheel in wolken en nevelen gehuld. Gedurig +hooger vlogen de arenden, opwaarts in de lucht. Nu zond God een +enkelen zijner ontelbare engelen uit; de goddelooze koning schoot +duizenden kogels op hem af, maar de kogels stuitten op de schitterende +vleugels van den engel af en vielen als gewone hagelkorreltjes neer; +maar een bloeddroppel, slechts een enkele, droppelde er van een der +witte vleugelen neer, en deze droppel viel op het schip, waarop de +koning zat; hij brandde in het schip in, woog als duizend centenaars +lood en deed het schip met bliksemsnelheid naar beneden naar de aarde +neerdalen; de sterke vleugels der arenden braken, de wind gierde om +het hoofd van den koning, en wolken in de rondte,--deze waren immers +uit den rook der verbrande steden samengesteld,--vormden zich in +dreigende gestalten, als mijlenlange zeekrabben, die haar pooten en +haar scharen naar hem uitstrekten, stapelden zich op tot ontzaglijke +rotsen met neerrollende, verpletterende blokken, vormden zich tot +vuurspuwende draken. Halfdood lag de koning op het schip uitgestrekt, +en dit bleef eindelijk met een vreeselijken schok in de dikke takken +van een bosch hangen. + +«Ik wil God overwinnen!» zei de koning, «ik heb het gezworen, mijn wil +_moet_ geschieden!»--En zeven jaren lang liet hij bouwen en werken aan +kunstige schepen tot het doorzeilen der lucht, liet bliksemstralen +van het hardste staal snijden, want hij wilde den hemelburcht doen +springen. Uit al zijn landen verzamelde hij legers, die, als zij +man naast man geschaard stonden, een ruimte van verscheidene mijlen +besloegen. Het leger ging aan boord van de kunstige schepen, de +koning begaf zich naar het zijne;--daar zond God een kleinen zwerm +muggen uit. Deze gonsden om den koning heen en staken zijn gezicht +en zijn handen; in toorn ontstoken, trok hij zijn zwaard en sloeg om +zich heen, maar hij sloeg slechts in de lucht, en de muggen trof hij +niet. Nu beval hij, kostbare tapijten te brengen en hem daarin te +wikkelen, opdat geen mug hem meer zou kunnen steken, en de dienaren +deden, zooals hun bevolen was. Maar een enkele mug had zich op den +binnenkant van het tapijt neergezet; van hier kroop zij in het oor des +konings en stak hem; het brandde als vuur, het vergif drong in zijn +hersenen door; als waanzinnig rukte hij de tapijten van zijn lichaam +af en slingerde ze ver van zich weg, verscheurde zijn kleederen +en danste naakt in de rondte voor de oogen van zijn ruwe soldaten, +welke nu den spot dreven met den krankzinnigen vorst, die God wilde +beoorlogen en die door een enkele kleine mug overwonnen was. + + + + +TWEE HANEN. + + +Twee hanen waren er, de een op den mesthoop, de ander op het dak; +hoovaardig waren zij beide; maar wie van hen voerde wel het meeste +uit? Zeg ons uw meening daarover eens,--wij behouden toch onze eigen. + +De plaats, waarop de kippen liepen, was door een plank van een andere +plaats gescheiden, waarop een mesthoop was, en op dezen mesthoop lag +en groeide een groote augurk, die het bewustzijn had, dat zij een +broeibedplant was. + +«Daartoe wordt men geboren,» sprak het in het binnenste van de +augurk. «Niet allen kunnen als augurken geboren worden, er moeten ook +andere soorten zijn! De kippen, de eenden en al het gedierte van de +naburige plaats zijn ook schepselen. Naar den haan, die op de plank +staat, zie ik nu op; deze heeft echter een heel andere roeping dan +de weerhaan, die zoo hoog geplaatst is en niet eens kan knarsen, +laat staan dan kraaien; hij heeft noch kippen, noch kuikentjes, +hij denkt slechts aan zich zelf en zweet kopergroen! Neen, die haan +op de plank is eerst een haan! Zijn gang is dans, zijn kraaien is +muziek! Waar hij komt, daar wordt het iemand terstond duidelijk, +wat een trompetter is. Als hij maar hierheen kwam! En al at hij mij +ook met huid en haar op, en al moest ik ook in zijn buik begraven +worden,--dat zou een zalige dood zijn!» sprak de augurk. + +'s Nachts werd het een verschrikkelijk weer; kippen, kuikentjes en +zelfs de haan zochten beschutting; de wind rukte de plank tusschen de +beide plaatsen weg, dat het kraakte; de dakpannen vielen naar beneden, +maar de weerhaan zat vast; hij draaide niet eens in de rondte, hij +kon niet in de rondte draaien, en toch was hij nog jong, pas gegoten, +maar stil en bedaard; hij was oud geboren, begreep volstrekt niets van +de vogels, die in de lucht vlogen, de musschen, de zwaluwen,--neen, +die verachtte hij; dat waren piepvogels van geringe grootte, gewone +piepvogels! De duiven, vond hij, waren groot en blank, en schitterend +als paarlemoer, zij zagen er uit als een soort van weerhanen; maar zij +waren dik en dom; al haar denken en streven was er slechts op gericht, +haar buik te vullen; ook waren zij vervelend in den omgang. + +Ook de trekvogels hadden den weerhaan een bezoek gebracht en +hem verteld van vreemde landen, van luchtkaravanen en ijselijke +rooversgeschiedenissen met de roofvogels; dat was nieuw en interessant, +namelijk de eerste maal; maar later, dat wist de weerhaan, +herhaalden zij het, vertelden steeds dezelfde geschiedenissen, +en dat is vervelend! Zij waren vervelend, en alles was vervelend, +met niemand kon men omgang hebben, allen waren laf en bekrompen. + +«De wereld deugt niets!» zei hij. «Alles is maar dwaasheid!» + +De weerhaan was opgeblazen, en deze eigenschap zou hem zeker bij de +augurk interessant gemaakt hebben, als zij het geweten had; maar zij +had slechts oogen voor den anderen haan, en die was nu op de plaats +bij haar. + +De wind had de plank omgeblazen; maar de storm was voorbij. + +«Wat zegt ge wel van dat gekraai?» vroeg de haan aan de kippen en de +kuikentjes. «Het was een weinig ruw, de elegantie ontbrak er aan.» + +En kippen en kuikentjes betraden den mesthoop, en de haan betrad dien +ook met een deftigen stap. + +«Tuingewas!» zeide hij tegen de augurk, en uit dit eene woord werd +haar zijn hooge beschaving duidelijk, en zij vergaf het, dat hij in +haar pikte en haar opat. + +«Een zalige dood!» + +De kippen en de kuikentjes kwamen, en als de een gaat loopen, dan +doet de ander het ook; zij klokten en piepten, en zij zagen den haan +aan en waren er trotsch op, dat hij van hun soort was. + +«Kukelekuku!» kraaide hij, «de kuikentjes worden terstond tot groote +kippen, als ik het uitkraai in den kippenren der wereld!» + +En kippen en kuikentjes klokten en piepten, en de haan verkondigde +een groot nieuws. + +«Een haan kan een ei leggen! En weet je, wat er in het ei zit?--In het +ei zit een basilisk. Den aanblik van zulk een beest vermag niemand uit +te houden; dat weten de menschen, en nu weet je het ook; nu weet je, +dat ik een ferme kerel ben!» + +Daarop sloeg de haan met zijn vleugels, deed zijn hanekam opzwellen en +kraaide weer; en allen huiverden, de kippen en de kleine kuikentjes; +maar zij waren er wat trotsch op, dat een hunner zulk een ferme kerel +was; zij klokten en piepten, zoodat de weerhaan het wel moest hooren; +hij hoorde het dan ook, maar verroerde zich daarbij niet. + +«Alles is maar dwaasheid!» zei de weerhaan bij zich zelf. «De haan +legt geen eieren, en ik ben er te lui toe; als ik wilde, dan kon ik +wel een windei leggen, maar de wereld is geen windei waard. Alles is +maar dwaasheid!--Nu mag ik hier niet eens lang meer zitten.» + +Dit zeggende, brak de weerhaan af, maar hij sloeg den anderen haan +niet dood, ofschoon hij er plan op had, zooals de kippen zeiden. En +wat zegt de moraal? «Het is altijd nog beter te kraaien, dan opgeblazen +te zijn en af te breken.» + + + + +ER BESTAAT EEN ONDERSCHEID. + + +Het was in de Meimaand, de wind blies nog koud; maar «de lente is er,» +zeiden boomen en planten, bosch en beemd; het wemelde van bloemen, +tot zelfs in de boomgaarden, en daar bepleitte de lente zelve haar +zaak; zij predikte van een kleinen appelboom: daaraan zat een enkele +tak, frisch en bloeiend, met fijne, rozeroode knoppen als bezaaid, +die op het punt waren zich te ontsluiten; hij wist zeer goed, hoe +schoon dit was, want het zit in het blad zoowel als in het bloed; +daarom verwonderde het hem ook niet, toen er een deftig rijtuig voor +hem stilhield en de jonge gravin zei, dat een appeltak het prachtigste +was, wat men zien kon; het was de lente zelve in haar heerlijkste +openbaring. De tak werd afgebroken, zij nam dien in haar fijne hand +en beschaduwde hem met haar zijden parasol,--toen reden zij naar het +kasteel, waarin zich hooge zalen en prachtige kamers bevonden; heldere, +witte gordijnen hingen er voor de ramen, en heerlijke bloemen stonden +er in schitterende, doorzichtige vazen, en in een daarvan, die als +uit versch gevallen sneeuw gesneden was, werd de appeltak tusschen +frissche, lichte beuketakken gestoken; het was een lust om hem te zien. + +Nu werd de tak trotsch, en dat is immers menschelijk! + +Er kwamen menschen van verschillende soort in de kamer, en al naardat +zij iets golden, durfden zij hun bewondering te kennen geven. Eenigen +zeiden niets, anderen weer te veel, en de appeltak begreep, dat er een +onderscheid tusschen verschillende planten en gewassen bestaat. «Enkele +zijn voor den pronk en andere om te voeden; er zijn er ook zulke, +die men geheel zou kunnen missen,» dacht de appeltak, en daar hij vlak +voor het open raam stond, waaruit hij in den tuin en op het land kon +zien, had hij bloemen en planten genoeg om te bekijken en daarover +na te denken; daar stonden rijke en arme, eenige zelfs te armoedige. + +«Arme, verstooten planten!» zei de appeltak; «er bestaat toch een +onderscheid! Hoe ongelukkig moeten zij zich gevoelen, als zij ten +minste zoo gevoelen als ik en mijns gelijken. Wel bestaat er een +onderscheid; maar dat moet er ook wezen; want anders waren zij immers +allemaal gelijk!» + +En de appeltak zag met een zeker medelijden inzonderheid op een +soort van bloemen neer, die in menigte op de velden en aan de +slooten stonden. Niemand maakte er een ruiker van; zij waren veel te +alledaagsch, ja, men kon ze zelfs tusschen de straatsteenen vinden. Zij +schoten als het ergste onkruid te voorschijn en droegen den leelijken +naam: paardenbloemen. + +«Arme, verachte plant!» zei de appeltak, «je kunt er niets tegen doen, +dat je dien leelijken naam, dien je draagt, gekregen hebt. Maar met +de planten is het evenals met de menschen: er moet onderscheid wezen!» + +«Onderscheid!» zei de zonnestraal en kuste den bloeienden appeltak, +maar kuste ook de gele paardenbloemen buiten op het land; alle broeders +van den zonnestraal kusten ze de arme bloemen zoowel als de rijke. + +De appeltak had nooit over Gods oneindige liefde jegens alles, +wat er leeft en zich beweegt, nagedacht, hoe veel schoons en goeds +er verborgen, maar niet vergeten kan liggen,--doch ook dat was +menschelijk! + +De zonnestraal, de straal des lichts wist het beter: «Je ziet niet +ver, je ziet niet duidelijk!--Wat is de verachte plant, die je vooral +beklaagt?» + +«De paardenbloem!» zei de appeltak. «Nooit wordt daarvan een ruiker +gemaakt, zij wordt met voeten getreden; er zijn er te veel van, en als +zij in het zaad schieten, dan vliegen zij als klein gesneden wol over +den weg en hechten zich aan de kleeren der menschen. Onkruid is het, +maar ook dat moet er zijn.--Ik ben er werkelijk zeer dankbaar voor, +dat ik niet een van die bloemen geworden ben! + +En over het land huppelde een troep kinderen. Het jongste daarvan was +nog zoo klein, dat het door een der oudere gedragen moest worden. Toen +het tusschen de gele bloemen in het gras neergezet werd, lachte +het luid van vreugde, trappelde met zijn voetjes, wentelde zich +in de rondte, plukte slechts de gele bloempjes en kuste ze met een +bekoorlijke onschuld. De grootere kinderen braken de bloemen van de +lange stelen af, bogen deze rond en schakelden ze aan elkaar vast, +zoodat daarvan een ketting ontstond; eerst een voor den hals, toen +een, om dien over de schouders en om het lijf te hangen, en toen nog +een, om dien op de borst en op het hoofd vast te maken; dat was een +pracht van groene schakels en kettingen! Maar de grootste kinderen +grepen de uitgebloeide bloem voorzichtig bij den steel vast, waarop +de gevederde zaadkroon stond: deze losse, luchtige wollen bloem, +die een echt kunststuk is, hielden zij voor den mond, om haar in eens +geheel uit te blazen, en wie dat kon, kreeg, zooals grootmoeder zei, +nieuwe kleeren voordat het jaar ten einde was. + +De verachte bloem was bij deze gelegenheid een profetes. + +«Zie je wel?» zei de zonnestraal. «Zie je haar schoonheid, zie je +haar macht?» + +«Ja, voor kinderen!» antwoordde de appeltak. + +En een oude vrouw kwam op het land en groef met haar stomp, bot mes +rondom de wortels der plant en haalde deze uit den grond; van eenige +van die wortels wilde zij koffie zetten, de andere wilde zij aan den +apotheker verkoopen. + +«Schoonheid is toch iets hoogers!» zei de appeltak. «Slechts de +uitverkorenen komen in het rijk van het schoone! Er bestaat een +onderscheid tusschen de verschillende planten, evenals er een +onderscheid tusschen de verschillende menschen bestaat!» + +De zonnestraal sprak van Gods oneindige liefde, die zich in het +geschapene openbaart, en van alles, wat leven heeft, en van de gelijke +verdeeling van alle dingen in tijd en eeuwigheid. + +«Ja, dat is nu uw meening!» zei de appeltak. + +Er kwamen menschen in de kamer, en de jonge schoone gravin kwam ook; +zij, die den appeltak in de doorzichtige vaas neergezet had, waar het +zonlicht scheen; zij bracht een bloem, of wat het anders wezen mocht, +mee, het voorwerp werd door drie of vier groote bladeren verborgen +gehouden, die als een zakje daaromheen zaten, opdat geen tocht of +windvlaag daaraan schade zou toebrengen, en het werd zoo voorzichtig +gedragen, als dit met een appeltak nooit gebeurd was. Voorzichtig +werden nu de groote bladeren verwijderd, en men zag de fijne, gevederde +zaadkroon van de gele, verachte paardenbloem. Deze was het, die zij +zoo voorzichtig afgeplukt had, zoo zorgvuldig droeg, opdat niet een +van de vele fijne vezeltjes, waaruit zij bestaat en die los zitten, +zou wegwaaien. Ongedeerd droeg zij deze en bewonderde haar schoonen +vorm, haar eigenaardig samenstel, haar schoonheid, die zoo in den +wind zou verwaaien. + +«Zie eens, hoe verwonderlijk liefelijk God haar gemaakt heeft!» +zeide zij. «Ik wil haar met den appeltak tegelijk uitschilderen; +dezen vinden allen zoo onbeschrijfelijk schoon, maar ook deze arme +bloem heeft op een andere wijze even veel van den goeden God gekregen; +hoe verschillend zij ook wezen mogen, toch zijn zij beiden kinderen +in het rijk der schoonheid!» + +De zonnestraal kuste de verachte bloem en den bloeienden appeltak, +welks bladeren daarbij schenen te blozen. + + + + +HET IS STELLIG WAAR! + + +«Dat is een ontzettende geschiedenis!» zei een kip, en zij zeide het +in een stadswijk, waar de geschiedenis niet voorgevallen was. «Dat +is een ontzettende geschiedenis in het kippenhok! Ik kan van nacht +niet alleen slapen! Het is goed, dat er velen van ons op den stok +bij elkaar zitten!»--En nu vertelde zij zoo iets verschrikkelijks, +dat de andere kippen de veeren te berge rezen en de haan zijn kam +liet hangen. Het is stellig waar! + +Maar wij willen met het begin beginnen, en dit is in een kippenhok in +een andere stadswijk te zoeken. De zon ging onder, en de kippen vlogen +op haar stok; een kip met witte veeren en met korte pooten legde haar +eieren zeer geregeld en was in alle opzichten een achtenswaardige kip; +terwijl zij op den stok vloog, plukte zij zich met den snavel en viel +er haar een veertje uit. + +«Daar vliegt het weg!» zeide zij, «hoe meer ik mij pluk, des te +mooier word ik!» Zij zeide dit op vroolijken toon; want zij was de +vroolijkste van al de kippen; overigens was zij, zooals gezegd is, +zeer achtenswaardig, en nu viel zij in slaap. + +Donker was het in het rond; de eene kip zat naast de andere, maar +die, welke het dichtst bij de vroolijke zat, sliep niet; zij hoorde +en hoorde ook niet, zooals men immers in deze wereld moet doen, om +rustig en kalm te leven; maar aan haar andere buurvrouw moest zij +het toch eens vertellen: «Heb je wel gehoord, wat er hier gezegd +is? Ik wil geen namen noemen, maar er is hier een kip, die zich de +veeren wil uitplukken, om er goed uit te zien! Als ik een haan was, +dan zou ik haar verachten!» + +Vlak tegenover de kippen zat de uil met de uilenmoeder en de +uilenkinderen; die familie heeft scherpe ooren, zij hoorden allen ieder +woord, dat de naburige kip sprak; en zij lieten hun oogen rollen, en +de uilenmoeder sloeg met de vleugelen en zeide: «Slaat er maar geen +acht op! Maar je hebt toch wel gehoord, wat daar gezegd werd? Ik heb +het met mijn eigen ooren gehoord, en men moet veel hooren, voordat zij +iemand afvallen! Daar is er een onder de kippen, die zoozeer vergeten +heeft, wat voor een kip passend is, dat zij al haar veeren uitplukt +en het den haan laat zien!» + +«_Prenez garde aux enfants!_» zei de uilenvader, «dat is niet geschikt +voor kinderooren!» + +«Ik zal het toch eens aan den naburigen uil vertellen; dat is een +uil, die zeer achtbaar in den omgang is!» antwoordde de uilenmoeder, +en daarop vloog zij weg. + +«Hu, hu, uhu!» krasten zij beiden in de duiventil van den buurman, +zoodat de duiven het hoorden. «Heb je het gehoord? Heb je het +gehoord? Uhu: Er is een kip, die zich ter wille van den haan al de +veeren uitgeplukt heeft, zij zal wel doodvriezen, als zij al niet +doodgevroren is. Uhu!» + +«Waar? waar?» kirden de duiven. + +«Op de plaats van den buurman! Ik heb het zoo goed als zelf gezien. Het +is bijna ongepast, de geschiedenis te vertellen. Het is stellig waar!» + +«Gelooft, gelooft ieder woord!» zeiden de duiven en zij kirden de +kippen toe: «Er is een kip, ja, eenigen zeggen, dat er twee zijn, +die zich alle veeren uitgeplukt hebben, om er niet even als de anderen +uit te zien, en om de opmerkzaamheid van den haan te trekken. Dat is +een gewaagd spel; men kan dan kou vatten en aan de koorts sterven, +en zij zijn beiden gestorven!» + +«Wordt wakker, wordt wakker!» kraaide de haan en vloog op de plank; +de slaap zat hem nog in de oogen, maar hij kraaide toch: «Drie kippen +zijn door een ongelukkige liefde voor een haan gestorven! Zij hadden +al haar veeren uitgeplukt! Dat is een verschrikkelijke geschiedenis; ik +wil haar niet voor mij zelf houden; zij mag gerust verspreid worden!» + +«Laat zij bekend worden!» zeiden de vleermuizen, en de kippen kakelden +en de hanen kraaiden: «Laat zij bekend worden! Laat zij bekend worden!» +En zoo ging de geschiedenis van kippenhok tot kippenhok, en kwam +eindelijk op de plaats terug, vanwaar zij eigenlijk uitgegaan was. + +«Vijf kippen,» heette het, «hebben zich alle veeren uitgeplukt, om +te toonen, wie van haar van liefde voor den haan het magerst geworden +is,--en toen vochten zij duchtig met elkaar en vielen dood neer, tot +spot en schande voor haar familie, tot groot verlies van den bezitter!» + +De kip, die het losse veertje verloren had, herkende haar +eigen geschiedenis daarin natuurlijk niet meer, en daar zij een +fatsoenlijke kip was, zeide zij: «Ik veracht die kippen; maar er zijn +er verscheidene van dien aard! Zoo iets moet men niet verzwijgen, +en ik zal er het mijne toe bijdragen, dat de geschiedenis in de krant +komt, dan worden zij door het geheele land bekend, en dat hebben de +kippen wel verdiend en haar familie ook.» + +Het kwam in de krant, het werd gedrukt, en het is stellig waar; +een klein veertje kan wel tot vijf kippen aangroeien! + + + + +DE ELFENHEUVEL. + + +Eenige groote hagedissen liepen vlug in de spleten van een ouden +boom rond; zij konden elkaar goed verstaan, want ze spraken de +hagedissentaal. + +«Wat is er een rumoer en een gebrom in den ouden elfenheuvel!» zei +een der hagedissen. «Ik heb van het leven al in twee nachten geen oog +dicht kunnen doen: ik kon even goed kiespijn hebben, want dan slaap +ik ook niet.» + +«Daar binnen is iets aan 't handje!» zei een andere hagedis. «Zij +laten den heuvel, totdat 's morgens de haan kraait, op vier roode +palen staan; hij wordt goed gelucht; en de elfenmeisjes hebben nieuwe +dansen geleerd. Daar is iets aan 't handje!» + +«Ja, ik heb er met een regenworm van mijn kennis over gesproken,» zei +een derde hagedis; «de regenworm kwam regelrecht uit den heuvel, waar +hij dag en nacht in de aarde gewoeld had; die had veel en velerlei +gehoord; zien kan hij wel is waar niet, dat ellendige dier, maar +voelen en luisteren kan hij goed. Zij verwachten vreemdelingen in den +elfenheuvel, deftige vreemdelingen; maar wie, dat wilde de regenworm +niet zeggen, of hij wist het niet. Al de dwaallichten zijn besteld, +om een fakkeltocht te houden, zooals men het noemt; het zilver en +goud, waarvan genoeg in den heuvel voorhanden is, wordt opgepoetst +en in den maneschijn tentoongesteld.» + +«Wie zouden die vreemdelingen wel zijn?» vroegen al de hagedissen. «Wat +zou er toch aan 't handje zijn? Hoor eens, hoe het gonst! Hoor eens, +hoe het bromt!» + +Op hetzelfde oogenblik ging de elfenheuvel open, en nu kwam er een oude +elf uittrippelen; het was de huishoudster van den ouden elfenkoning; +zij was een verre bloedverwante van de familie en droeg een hart +van barnsteen voor het voorhoofd. Haar beenen bewogen zich zoo vlug: +trip, trip! Sakkerloot! Wat kon zij trippelen! Zij ging regelrecht +naar het moeras naar den nachtuil toe. [16] + +«Ge wordt op den elfenheuvel uitgenoodigd, en wel tegen van avond,» +zeide zij, «maar wilt ge ons eerst niet een dienst bewijzen en het +doen van uitnoodigingen op u nemen? Gij moet ook iets doen, daar +gij zelf geen gasten ontvangt. Wij krijgen eenige deftige vrienden, +toovenaars, die iets te beteekenen hebben, en daarom wil de elfenkoning +zich vertoonen!» + +«Wie moeten er uitgenoodigd worden?» vroeg de nachtuil. + +«Op het groote bal kan iedereen komen, zelfs menschen, wanneer zij +slechts in den slaap spreken of iets dergelijks kunnen doen, wat in +onzen geest valt. Maar bij het eerste feest moet er een strenge keuze +gedaan worden; wij willen alleen de allervoornaamsten hebben. Ik heb +er met den elfenkoning woorden over gehad; want ik dacht, dat wij niet +eens spoken konden toelaten. De zeegeest en zijn dochters moeten het +eerst uitgenoodigd worden. Zij zullen het wel niet plezierig vinden, +op het droge te komen; maar zij zullen wel een natten steen om op +te zitten of nog iets beters krijgen, en dan, denk ik, zullen zij +voor dezen keer wel niet bedanken. Al de oude demonen van de eerste +klasse met staarten, den alruin en de kobolden moeten wij hebben, +en dan kunnen wij, dunkt mij, het grafzwijn, het doodenpaard, [17] +en den kerkdwerg ook niet weglaten; zij behooren wel is waar tot de +geestelijkheid, die niet tot de onzen gerekend wordt; maar dat is +slechts hun ambt; zij zijn toch nauw aan ons verwant en leggen druk +bezoeken bij ons af.» + +«Goed!» zei de nachtuil en vloog weg, om de uitnoodigingen te doen. + +De elfen dansten reeds op den elfenheuvel, en zij dansten met +sjaals, die uit nevel en maneschijn geweven waren, en dat staat +heel mooi voor hen, die daarvan houden. Midden in den elfenheuvel +was de groote zaal prachtig opgesierd; de vloer was met maneschijn +geschrobd en de muren waren met heksenvet afgewreven, zoodat zij +als tulpebladeren in het licht fonkelden. In de keuken waren volop +kikvorschen aan het braadspit, slakkehuiden met kindervingers er in, +sla van paddestoelen, vochtige muizesnoeten en dolle kervel, bier van +het brouwsel der moerasvrouw, fonkelende salpeterwijn uit grafkelders, +alles overheerlijk; verroeste spijkers en kerkramenglas behoorden +tot de lekkernijen. + +De oude elfenkoning liet zijn gouden kroon met het afschraapsel van +tufsteen oppoetsen; het was best tufsteenschraapsel, en het is voor +den elfenkoning zeer moeilijk, tufsteenschraapsel te verkrijgen. In +de slaapkamer werden de gordijnen opgehangen en met slakkenslijm +vastgemaakt. Ja, er heerschte een geducht gegons en gebrom. + +«Nu moet er hier met paardenharen en zwijnenborstels gerookt worden, +dan geloof ik het mijne gedaan te hebben,» zei de huishoudster. + +«Vaderlief!» zei de jongste der dochters; «mag ik nu ook weten, +wie de deftige vreemdelingen zijn?» + +«Nu ja,» zei hij, «nu moet ik het wel zeggen. Twee van mijn dochters +moeten zich op het huwelijk voorbereid houden; twee zullen er zeker +trouwen. De oude kobold uit Noorwegen, die in het oude Dovre-gebergte +woont en vele klippenkasteelen van veldsteenen en een gouden sieraad +bezit, dat beter is dan men wel denkt, komt met zijn beide zonen, +die een vrouw moeten uitzoeken, hier naar toe. De oude kobold is een +echte, oude, eerlijke Noorweegsche grijsaard, vroolijk en eenvoudig; +ik ken hem uit vroegere dagen, toen wij broederschap met elkander +dronken; hij was hier om zijn vrouw af te halen; nu is zij dood; zij +was een dochter van den koning der krijtrotsen van Möen. Hij nam zijn +vrouw op krijt, zooals men pleegt te zeggen. O, wat verlang ik naar +den Noorweegschen ouden kobold! Zijn zonen moeten, naar men zegt, nog +al ondeugende, neuswijze jongens zijn; maar men kan hun wel ongelijk +aandoen, en zij zullen wel beter worden, als zij wat ouder zijn. Ik +hoop, dat je hen beleefd zult behandelen!» + +«En wanneer komen zij?» vroeg een der dochters. + +«Dat hangt van weer en wind af,» zei de elfenkoning. «Zij komen met +scheepsgelegenheid hier naar toe. Ik wilde, dat zij over Zweden zouden +gaan; maar de oude man had daar geen ooren naar. Hij gaat niet met +zijn tijd mee, en dat kan ik niet velen!» + +Daar kwamen twee dwaallichtjes aanhuppelen, het eene vlugger dan het +andere, en daarom kwam het eene het eerst. + +«Zij komen, zij komen!» riepen beiden uit. + +«Geef mij mijn kroon en laat mij in den maneschijn staan!» zei de +elfenkoning. + +Zijn dochters hieven haar sjaals in de hoogte en bogen zich tot op +den grond. + +Daar stond de grijze kobold van Dovre met de kroon van geharde +ijsklompen en gepolijste pijnappels; overigens had hij een berenpels +en groote warme laarzen aan; zijn zonen daarentegen liepen met blooten +hals en met broeken zonder bretels, want het waren krachtige mannen. + +«Is dat een heuvel?» vroeg de kleinste der jongelingen en wees naar +den elfenheuvel. «Dat noemen wij bij ons in Noorwegen een gat.» + +«Wel, jongen!» zei de grijsaard. «Een gat gaat naar binnen, en een +heuvel gaat naar boven. Heb je dan geen oogen in je hoofd?» + +Het eenige, wat hun verwondering hier wekte, zeiden zij, was, dat +zij de taal konden verstaan. + +«Men zou haast denken,» zei de grijsaard, «dat je niet goed uitgeslapen +waart.» + +En nu gingen zij den elfenheuvel in, waar het waarlijk deftige +gezelschap zich reeds verzameld had, en wel met zulk een haast, +dat men zou denken, dat zij samengewaaid waren. Maar voor iedereen +was het keurig en netjes ingericht. De zeemeerminnen zaten in groote +tobben aan tafel; zij zeiden, dat het precies was, alsof zij thuis +waren. Allen namen de tafelwetten in acht, alleen de beide kleine +Noorsche kobolden niet; deze legden hun beenen op de tafel; want zij +dachten, dat alles hun goed stond. + +«De voeten van het tafellaken af!» zei de oude kobold, en nu +gehoorzaamden zij wel is waar, maar toch niet terstond. De dames, +die naast hen aan tafel zaten, kittelden zij met pijnappels, die zij +in den zak bij zich droegen, en toen trokken zij hun laarzen uit, +om gemakkelijker te zitten. Maar hun vader, de oude kobold van Dovre, +was een heel ander man; hij vertelde zoo mooi van de trotsche Noorsche +rotsen en van watervallen, die wit schuimend met een gedruisch als +donderslagen en orgelgeluid neerstortten; hij vertelde van den zalm, +die tegen de neervallende wateren opspringt, als de reus op de gouden +harp speelt; hij vertelde van de heldere winternachten, wanneer de +bellen der sleden klinken en de jongens met brandende fakkels over het +ijs loopen, dat zoo doorzichtig is, dat zij de verschrikte visschen +onder hun voeten zien zwemmen. Ja, hij kon zoo vertellen, dat men zag, +wat hij beschreef; het was juist zoo, alsof er zaagmolens maalden, +alsof er jongens en meisjes liedjes zongen en dansten. En nu gaf de +oude kobold aan de oude elf een hartelijken kus. En toch bestonden +zij elkaar niet. + +Nu moesten de elfen dansen, en dat zoowel eenvoudig als met +stampen. Dat ging haar goed af, en toen kwam de kunstmatige dans. O, +wat konden zij haar beenen ver uitsteken; men wist niet, waar het +einde en waar het begin was, wist niet, wat armen en wat beenen waren; +dat ging alles zoo wonderlijk door elkaar; en toen draaiden zij zoo +hard in de rondte, dat het doodenpaard en het grafzwijn er misselijk +van werden en van tafel moesten gaan. + +«Sakkerloot!» zei de oude kobold, «wat kunnen zij die beenen wonderlijk +door elkaar haspelen! Maar wat kunnen zij meer dan dansen, de beenen +uitstrekken en wervelwind maken?» + +«Dat zult ge spoedig te weten komen,» zei de elfenkoning. En toen +riep hij de oudste van zijn dochters. Zij was zoo behendig en klaar +als maneschijn; zij was de knapste van al de zusters. Zij nam een +witten spaander in den mond, en toen was zij geheel verdwenen: dat +was haar kunst. + +Maar de oude kobold zei, dat hij deze kunst bij zijn vrouw niet zou +willen dulden, en hij geloofde ook niet, dat zijn jongens daarvan +hielden. + +De andere kon zich zelf ter zijde gaan, alsof zij een schaduw had, +en die hebben de kobolden niet. + +De derde was van een heel andere soort; zij had in de brouwerij +der moerasvrouw geleerd, en zij was het, die er verstand van had, +elzenhout met glimwormpjes te lardeeren. + +«Dat zou een goede vrouw zijn,» zei de oude kobold, en daarop knikte +hij haar toe. + +Nu kwam de vierde; die had een groote harp om te spelen; en toen zij +de eerste snaar aansloeg, tilden allen het linkerbeen op; want de +kobolden zijn linksch, en toen zij de tweede snaar aansloeg, moesten +allen doen, wat zij wilde. + +«Dat is een gevaarlijke vrouw!» zei de oude kobold; maar zijn beide +zonen gingen den heuvel uit, want nu hadden zij er genoeg van. + +«En wat kan uw dochter, die nu volgt?» vroeg de grijze kobold. + +«Ik heb geleerd, Noorwegen lief te hebben,» zeide zij, «en nimmer +zal ik trouwen, als ik niet naar Noorwegen kan gaan.» + +Maar de jongste der zusters fluisterde den grijsaard toe: «Dat is +maar, omdat zij uit een Noorweegsch lied gehoord heeft, dat, als de +wereld vergaat, de Noorsche klippen toch als gedenksteenen zullen +blijven staan, en daarom wil zij er naar toe, want zij is erg bang +voor den dood.» + +«Wel zoo!» zei de oude kobold, «was het zoo gemeend? Maar wat kan de +zevende en laatste?» + +«De zesde gaat voor de zevende!» zei de elfenkoning, want hij kon +goed rekenen; maar de zesde wilde niet recht voor den dag komen. + +«Ik kan de menschen slechts de waarheid zeggen,» zeide zij. «Om +mij bekommert niemand zich, en ik heb er genoeg mee te doen, mijn +lijkkleed te naaien.» + +Nu kwam de zevende en laatste, en wat kon die? Ja, die kon sprookjes +vertellen, en wel zooveel, als zij maar wilde. + +«Hier zijn mijn vijf vingers,» zeide de oude kobold; «vertel mij er +nu een van elken vinger!» + +En zij greep hem om zijn pols vast, en hij lachte, dat hij schudde, +en toen zij aan den ringvinger kwam, die een gouden ring om zijn lijf +had, alsof hij al wist, dat er een verloving zou plaats hebben, zei +de oude kobold: «Houd vast, wat ge hebt; deze hand behoort aan u toe; +u wil ik zelf tot vrouw hebben!» + +En het elfenmeisje zei, dat het sprookje van den ringvinger en van +den pink nog ontbraken. + +«Die zullen wij van den winter wel hooren,» zei de oude kobold, +«en van den denneboom zullen wij hooren en van den berk en van de +geestengeschenken en van den vorst! Gij moet maar vertellen; want +daar heeft niemand bij ons zoo goed den slag van!--En dan zullen wij +in de steenen kamer, waarin pijnhout brandt, zitten en mee uit de +gouden horens der oude Noorweegsche koningen drinken; de reus heeft +mij een paar gegeven; en als wij daar zitten, dan komt de heks een +bezoek afleggen; zij zingt voor u al de liedjes der herdersmeisjes in +het gebergte. Dat zal vroolijk worden! De zalm zal tegen den waterval +opspringen en met zijn staart tegen de steenen muren aanslaan; maar +hij komt er toch niet in!--Ja, het is plezierig wonen in het lieve, +oude Noorwegen! Maar waar zijn de jongens?» + +Ja, waar waren die? Zij liepen op het veld rond en bliezen de +dwaallichtjes uit, die zoo goedhartig geweest waren om den fakkeltocht +te brengen. + +«Waarom loop je toch zoo rond te dwalen?» vroeg de oude kobold. «Ik heb +mij een moeder voor je genomen, nu kun jelui een van de tantes nemen.» + +Maar de jongens zeiden, dat zij het liefst een redevoering wilden +houden en op de verbroedering drinken; in trouwen hadden zij geen +lust.--En nu hielden zij redevoeringen, dronken op hun verbroedering en +deden de nagelproef, om te bewijzen, dat zij hun glazen leeggedronken +hadden. Later trokken zij hun jassen uit en legden zich op de tafel +neer, om te slapen, want zij maakten geen omslag. Maar de oude kobold +danste met zijn jonge bruid de kamer rond en wisselde laarzen met haar; +want dat staat deftiger, dan ringen te wisselen. + +«Nu kraait de haan!» zei de oude elf, die het huishouden waarnam. «Nu +moeten wij de luiken sluiten, opdat de zon ons niet verbrande!» + +En nu sloot de heuvel zich. + +Maar buiten liepen de hagedissen in den gebarsten boom op en neer, +en de eene zei tegen de andere: + +«O! wat is die Noorweegsche oude kobold mij uitmuntend bevallen!» + +«Mij bevallen de jongens beter!» zei de regenworm. Maar hij kon immers +niet zien, het ellendige dier! + + + + +DE ENGEL. + + +«Zoo dikwijls een goed kind sterft, daalt er een engel uit den hemel +op de aarde neer, neemt het doode kind in zijn armen, spreidt zijn +groote, witte vleugelen uit, vliegt over alle plaatsen, die het kind +heeft liefgehad, en plukt een handvol bloemen, waarmee hij naar God +opstijgt, opdat zij daar nog schooner dan op aarde mogen bloeien. De +goede God drukt al de bloemen aan Zijn hart, maar de bloem, welke +Hem het liefst is, geeft Hij een kus, en dan krijgt zij een stem en +kan in het groote hemelkoor meezingen!» + +Dat alles vertelde een engel Gods, terwijl hij een dood kind naar den +hemel droeg, en het kind hoorde hem aan, als ware het in den droom; +en zij vlogen voort over die plekjes, waar de kleine gespeeld had, +en kwamen door tuinen met heerlijke bloemen. + +«Welke bloem zullen wij nu meenemen en in den hemel planten?» vroeg +de engel. + +Daar stond een slank, prachtig rozeboompje, maar een moedwillige hand +had den stam geknakt, zoodat al de takken vol half ontplooide knopjes +er verdord aan hingen. + +«Dat arme rozeboompje!» zei het kind. «Neem het mede, opdat het +daarboven bij God moge bloeien!» + +En de engel nam het, kuste het kind daarvoor, en de kleine deed zijn +oogen half open. Zij plukten van de prachtigste bloemen, maar namen +ook het verachte boterbloempje en het wilde vergeet-mij-nietje mee. + +«Nu hebben wij bloemen!» zei het kind, en de engel knikte; maar +hij vloog nog niet naar God op. Het was nacht, het was doodstil; +zij bleven in de groote stad en zweefden in een der nauwe straten +rond, waar hoopen stroo, asch en vuilnis lagen; het was verhuisdag +geweest. Daar lagen scherven van borden, stukken gips, lompen, oude +hoeden en alles, wat als nutteloos weggeworpen was. + +De engel wees te midden van deze verwarring naar eenige scherven van +een bloempot en naar een klomp aarde, die er uitgevallen was en door +de wortels van eene groote, verdorde veldbloem, die niets waard was +en die men daarom op straat geworpen had, bij elkaar gehouden werd. + +«Die zullen wij nog meenemen!» zei de engel. «Ik zal je vertellen +waarom, terwijl wij verder vliegen!» + +Zij vlogen voort, en de engel vertelde nu: + +«Daar in die nauwe straat, in dien lagen kelder woonde eens een arme +knaap; van zijn kindsheid af was hij altijd bedlegerig geweest; als hij +het gezondst was, kon hij het kleine vertrek een paar malen op krukken +rondloopen: dat was alles. Op enkele dagen in den zomer drongen de +zonnestralen gedurende een half uur tot in den kelder door; en als dan +de arme knaap daar zat en zich in de zon koesterde en het roode bloed +door zijn dunne vingers zag, wanneer hij deze voor de oogen hield, dan +heette het, dat hij dien dag uit geweest was. Hij kende het bosch met +zijn heerlijk lentegroen slechts daardoor, dat het zoontje van zijn +buurman hem den eersten beuketak bracht; dien hield hij boven zijn +hoofd en droomde dan, dat hij onder beuken zat, waar de zon scheen +en de vogels zongen. Op zekeren lentedag bracht het zoontje van zijn +buurman hem ook eenige veldbloemen; onder deze bevond zich toevallig +een met den wortel er aan, en daarom werd zij in een bloempot geplant +en dicht bij het bed voor het raam geplaatst. De bloem was door een +gelukkige hand geplant: zij groeide, kreeg nieuwe scheuten en droeg +ieder jaar bloemen. Zij werd de heerlijkste bloemtuin voor den zieken +knaap, zijn kleine schat hier op aarde; hij begoot en verpleegde haar, +en zorgde er voor, dat zij iederen zonnestraal tot den laatsten, die +door het kleine raampje scheen, kreeg; en de bloem zelf groeide in +zijn droom; want voor hem bloeide en geurde zij; tot haar wendde hij +zich in den dood, toen de Heer hem riep.--Een jaar is hij nu bij God +geweest; een jaar heeft de bloem vergeten voor het raam gestaan en +is verdord; zij werd daarom bij het verhuizen op den vuilnishoop op +de straat geworpen. En dit is de bloem, de arme, verdorde bloem, die +wij in onzen bloemruiker opgenomen hebben, want deze bloem heeft meer +vreugde verschaft dan de prachtigste bloem in den tuin eener koningin!» + +«Maar hoe weet ge dit alles?» vroeg het kind, dat door den engel naar +den hemel gedragen werd. + +«Ik weet het,» zei de engel. «Want ik was zelf die kleine, zieke knaap, +die op krukken liep! Mijn bloem ken ik wel!» + +Het kind deed zijn oogen wijd open en keek den engel in het schoone, +vroolijke gelaat; en op hetzelfde oogenblik bevonden zij zich in Gods +hemel, waar vreugde en zaligheid heerschten. En God drukte het doode +kind aan Zijn hart, en nu kreeg het vleugels, evenals de andere engel, +en vloog aan zijn hand mee. En God drukte al de bloemen aan Zijn hart; +maar de arme, verwelkte veldbloem kuste Hij; en zij kreeg een stem en +zong met al de engelen, die Gods troon omzweefden, enkelen dichtbij, +anderen om hen heen in groote kringen, gedurig verder en verder, +in het oneindige, maar allen even gelukkig. En allen zongen zij, +kleinen en grooten, het goede, gezegende kind en de arme veldbloem, +die daar verwelkt gelegen had, weggeworpen in het vuilnis, onder het +ontuig van den verhuisdag, in de nauwe donkere straat. + + + + +DE NIEUWE KLEEREN VAN DEN KEIZER. + + +Daar was eens--'t is al vele jaren geleden--een keizer, die zoo +ontzaglijk veel van nieuwe kleeren hield, dat hij al zijn geld uitgaf +om mooi gekleed te gaan. Hij bekommerde zich niet om zijn soldaten, +hij bekommerde zich niet om den schouwburg, en hield er slechts van, +uit rijden te gaan, om zijn nieuwe kleeren te laten zien. Hij had +voor ieder uur van den dag een afzonderlijken rok, en, evenals men +van een koning zegt, dat hij in den raad is, zoo zei men hier altijd: +«De keizer is in zijn kleedkamer!» + +In de groote stad, waar hij woonde, ging het zeer vroolijk toe: iederen +dag vertoonden zich daar vele vreemdelingen. Op zekeren dag kwamen +er ook twee bedriegers; dezen gaven zich voor wevers uit en zeiden, +dat zij de mooiste stoffen, die men zich maar kon voorstellen, konden +weven. De kleuren en het fatsoen waren niet alleen allerprachtigst, +maar de kleeren, welke van die stoffen vervaardigd werden, bezaten +de verwonderlijke eigenschap dat zij voor iedereen, die niet voor +zijn ambt deugde of die oliedom was, onzichtbaar waren. + +«Dat zullen wel prachtige kleeren zijn,» dacht de keizer; «als ik deze +had, dan zou ik er achter kunnen komen, welke mannen in mijn rijk voor +het ambt, dat zij bekleeden, niet deugen; dan zou ik de verstandigen +van de dommen kunnen onderscheiden. Ja, zulke kleeren moeten er +terstond voor mij geweven worden!» En hij gaf aan de beide bedriegers +veel geld vooruit, opdat zij een begin met hun arbeid konden maken. + +Zij stelden nu twee weefgetouwen op en deden alsof zij werkten, maar +zij hadden volstrekt niets op deze weefgetouwen. Toch verlangden zij +de fijnste zijde en het prachtigste goud: dit staken zij in hun eigen +zakken en werkten tot laat in den nacht aan de leege weefgetouwen. + +«Ik zou toch wel eens willen weten, hoe ver zij al met de kleeren +zijn!» dacht de keizer. Maar het was hem werkelijk bang te moede, +als hij er aan dacht, dat diegene, die dom was of niet voor zijn +ambt deugde, ze niet zou kunnen zien. Nu geloofde hij wel is waar, +dat hij voor zich zelf niets te vreezen had; doch hij wilde toch +eerst maar een ander zenden, om eens te zien, hoe het er mee gesteld +was. Alle menschen in de geheele stad wisten, welk een bijzondere +kracht die kleeren bezaten, en allen waren verlangend om te zien, +hoe slecht of hoe dom hun buurman was. + +«Ik zal mijn ouden, eerlijken minister naar de wevers toe zenden!» +dacht de keizer. «Hij kan het best beoordeelen, hoe de kleeren er +uitzien; want hij bezit verstand, en niemand is beter voor zijn ambt +geschikt dan hij!» + +Nu trad de goede, oude minister de zaal binnen, waarin de beide +bedriegers zaten en aan de leege weefgetouwen arbeidden. + +«De Hemel beware mij!» dacht de oude minister en spalkte zijn oogen +wijd open; «ik kan er niets van zien!» Maar dat zei hij niet. + +De beide bedriegers verzochten hem naderbij te komen, en vroegen, +of het geen prachtige stof en geen fraaie kleuren waren. Daarop wezen +zij naar het leege weefgetouw, en de arme, oude minister spalkte zijn +oogen nog wijder op; maar hij kon niets zien, want er was ook niets +te zien. «Lieve hemel!» dacht hij, «zou ik nu zoo dom zijn? Dat had +ik nooit gedacht, en dat mag niemand weten! Zou ik niet voor mijn ambt +deugen? Neen, het gaat niet aan, te vertellen, dat ik de kleeren niet +heb kunnen zien!» + +«Welnu, ge zegt er niets van,» zei een der wevers. + +«O, 't is prachtig, 't is allerkeurigst!» antwoordde de oude minister +en keek door zijn bril. «Welk een fijne stof! Welke levendige +kleuren!--Ja, ik zal tegen den keizer zeggen, dat het mij best bevalt.» + +«Nu, dat doet ons genoegen,» zeiden de beide wevers, en daarop noemden +zij de kleuren met name en gaven een verklaring van het zonderlinge +fatsoen. De oude minister paste goed op, dat hij hetzelfde zou kunnen +zeggen, als hij bij den keizer terugkwam, en dat deed hij ook. + +Nu verlangden de bedriegers meer geld, meer zijde en meer goud, dat +zij bij het weven moesten gebruiken. Zij staken alles in hun eigen +zakken. Op het weefgetouw kwam geen enkele draad; maar zij gingen +voort, evenals tot hiertoe, aan het leege weefgetouw te arbeiden. + +De keizer zond er al spoedig daarop weer een anderen eerlijken +staatsman naar toe, om eens te zien, hoe het met het weven ging en +of zijn kleeren haast gereed waren. Het ging met dezen evenals met +den eerste: hij keek al en keek al, maar omdat er behalve het leege +weefgetouw niets was, kon hij ook niets zien. + +«Dom ben ik niet!» dacht de man. «Dus deug ik niet voor mijn ambt. Dat +is gek genoeg, maar ik moet dit niet laten blijken!» en zoo roemde hij +het kleed, dat hij niet zag, en betuigde hun zijn ingenomenheid met de +heerlijke kleuren en het sierlijke fatsoen. «O, 't is allerkeurigst!» +zei hij tegen den keizer. + +Alle menschen in de stad spraken over de prachtige kleeren. + +Nu wilde de keizer ze zelf zien, terwijl ze nog op het weefgetouw +waren. Met een geheele schare van uitgelezen mannen, waaronder zich +ook de beide eerlijke staatslieden bevonden, die er reeds vroeger +geweest waren, ging hij naar de beide listige bedriegers toe, die +uit al hun macht weefden, maar zonder draden. + +«Is dat niet prachtig?» zeiden de beide oude staatslieden, die er reeds +eenmaal geweest waren. «Kijk eens, Uwe Majesteit! welk een keurige +stof, welke schitterende kleuren!» En daarbij wezen zij naar het ledige +weefgetouw, want zij dachten, dat de anderen de stof wel konden zien. + +«Hoe nu?» dacht de keizer, «ik zie niets hoegenaamd! Ben ik +dan zoo dom? Deug ik dan volstrekt niet voor keizer? Dat zou +het verschrikkelijkste zijn, wat mij kon overkomen.»--«O, het +is allerprachtigst,» zei hij daarop overluid. «Het heeft mijn +allerhoogsten bijval!» En hij knikte tevreden en keek naar het leege +weefgetouw; want hij wilde niet zeggen, dat hij niets kon zien. Het +geheele gevolg, dat hij bij zich had, keek en keek, en wist evenmin, +wat het er aan had, als al de anderen; maar zij zeiden, evenals de +keizer: «O, dat is prachtig!» En zij rieden hem deze nieuwe prachtige +kleeren bij gelegenheid van den plechtigen optocht, die er zou gehouden +worden, voor het eerst aan te trekken. «Het is heerlijk, prachtig, +schitterend!» zoo ging het van mond tot mond; men scheen er overal +hoog mee ingenomen te zijn, en de keizer verleende de bedriegers den +titel van keizerlijke hofwevers. + +Den geheelen nacht, die vooraf ging aan den morgen, waarop de +feestelijke optocht zou gehouden worden, waren de bedriegers op en +hadden wel zestien lichten opgestoken. De menschen konden zien, +dat zij druk bezig waren, de nieuwe kleeren van den keizer af te +werken. Zij deden, alsof zij de stof van het weefgetouw afnamen, +zij knipten met groote scharen in de lucht, zij naaiden met naalden +zonder draden en zeiden eindelijk: «Nu zijn de kleeren klaar!» + +De keizer ging er met de voornaamste heeren van zijn hof zelf naar toe, +en de beide bedriegers hieven hun eenen arm in de hoogte, alsof zij +iets vasthielden en zeiden: «Kijk eens! Hier is de broek! Hier is de +rok! Hier is de mantel!» En zoo voort. «Het is zoo licht als spinrag; +men zou zeggen, dat men niets aan het lijf had; maar dat maakt er +juist het mooie van uit!» + +«Prachtig!» riepen al de heeren uit; maar zij konden er niets van zien; +want er was ook niets te zien. + +«Gelieft Uwe Majesteit thans uw kleeren uit te trekken,» zeiden de +bedriegers, «dan zullen wij ze u aantrekken, hier voor den grooten +spiegel. + +De keizer trok al zijn bovenkleeren uit, en de bedriegers deden, alsof +zij hem ieder stuk der nieuwe kleeren, die gereed waren, aantrokken; +en de keizer bekeek zich in den grooten spiegel. + +«O, wat staan zij goed, wat zitten zij prachtig!» zeiden allen. «Welk +een keurig fatsoen, welke schitterende kleuren! Dat is een prachtig +pak!» + +«Buiten staan ze met den troonhemel, die bij gelegenheid van den +plechtigen optocht boven Uwe Majesteit gedragen zal worden,» meldde +de opperceremoniemeester. + +«Kijk maar eens, ik ben al klaar!» zei de keizer. «Staan ze mij niet +goed?» En daarop begaf hij zich nogmaals naar den spiegel want het +moest den schijn hebben, alsof hij zijn sierlijke kleeding daarin +eens goed bekeek. + +De kamerheeren, die den sleep moesten dragen, grepen met de handen +naar den grond, alsof zij den sleep optilden; zij deden, alsof zij +iets in de hoogte hielden; zij waagden het niet, te laten merken, +dat zij niets konden zien. + +Zoo ging de keizer in een plechtigen optocht onder den prachtigen +troonhemel, en alle menschen op de straat en voor de ramen zeiden: «O, +wat zijn de kleeren van den keizer mooi! Wat staan ze hem goed! Welk +een langen sleep heeft hij er aan!» Niemand wilde laten merken, dat +hij niets zag, want dan zou hij immers niet voor zijn ambt gedeugd +hebben of oliedom geweest zijn. Nooit waren de kleeren van den keizer +zoozeer bewonderd als dezen keer. + +«Maar hij heeft immers niets aan!» zei eindelijk een klein kind. «Hoor +de stem der onschuld nu eens aan!» zei zijn vader; en de een fluisterde +den ander toe, wat het kind gezegd had. + +«Maar hij heeft immers niets aan!» riep eindelijk het geheele volk. Dit +trof den keizer; want het kwam hem voor, dat men gelijk had; maar +hij dacht bij zich zelf: «Nu moet ik mij goed blijven houden!» En de +kamerheeren liepen nog deftiger en droegen den sleep, die er niet was. + + + + +DE MESTKEVER. + + +Het lievelingspaard van den keizer kreeg een gouden beslag, een gouden +hoefijzer aan iederen poot. + +Maar waarom dat? + +Het was een verwonderlijk mooi beest, had fijne pooten, +schrandere, heldere oogen en manen, die als een sluier over zijn +hals neerhingen. Het had zijn meester door kruitdamp en kogelregen +gedragen, had de kogels hooren zingen en fluiten, had gebeten, +geslagen en meegestreden, toen de vijanden op hem indrongen, was met +zijn keizer over het gevallen paard van den vijand heengesprongen, +had de kroon van goud, het leven van zijn keizer gered,--en daarom +kreeg het paard van den keizer gouden hoefijzers. + +Er kwam een mestkever aankruipen. «Eerst de grooten, dan de kleinen,» +zeide hij; «maar in de grootte alleen zit het hem niet.» En daarbij +strekte hij zijn dunne pooten uit. + +«Wat moet je hebben?» vroeg de hoefsmid. + +«Een gouden hoefbeslag,» antwoordde de mestkever. + +«Och, je bent zeker niet wijs!» riep de smid uit. «Wil je ook een +gouden hoefbeslag hebben?» + +«Een gouden hoefbeslag, jawel!» zei de mestkever. «Ben ik dan +niet even goed als dat groote dier daar, dat opgepast en geroskamd +wordt en dat men eten en drinken voorzet? Behoor ik ook niet in den +keizerlijken stal?» + +«Maar waarom krijgt het paard een gouden hoefbeslag?» vroeg de +smid. «Begrijp je dat niet?» + +«Begrijpen?--Ik begrijp, dat het een geringschatting van mijn persoon +is,» zei de mestkever; «het geschiedt om mij te krenken, en daarom +ga ik ook de wijde wereld in.» + +«Ga je gang maar!» zei de smid. + +«Gemeene kerel, die je bent!» zei de mestkever, en toen ging hij den +stal uit, vloog een klein eindje weg en bevond zich al spoedig daarop +in een mooien bloemtuin, waar het van rozen en lavendel geurde. + +«Is het hier niet allerprachtigst?» vroeg een der kleine insecten, +die met hun roode, sterke, met zwarte stipjes bezaaide vlerkjes daarin +rondvlogen. «Wat is het hier heerlijk, wat is het hier schoon!» + +«Ik ben het beter gewend,» zei de mestkever. «Noem je het hier mooi. Er +is niet eens een mesthoop?» + +Daarop ging hij verder onder de schaduw van een groote violier: +daar kroop een rups. + +«Wat is de wereld toch schoon!» zei de rups. «De zon is zoo warm, +alles zoo vergenoegd! En als ik eenmaal in slaap val en sterf, zooals +zij het noemen, dan ontwaak ik als een kapel.» + +«Wat verbeeldt je je wel,» zei de mestkever, «als kapel rond te +vliegen? Ik kom uit den stal van den keizer; maar niemand daar, +zelfs niet het lievelingspaard van den keizer, dat toch mijn +afgelegde gouden schoenen draagt, beeldt zich zoo iets in. Vleugels +krijgen! Vliegen! Ja, maar nu vliegen wij!» En hierop vloog de +mestkever weg. «Ik wil mij niet ergeren, maar erger mij toch!» zei +hij onder het wegvliegen. + +Al spoedig daarop streek hij op een groot grasperk neer; hier lag +hij een poos; eindelijk viel hij in slaap. + +Een stortregen stroomde er eensklaps uit de wolken neer. De mestkever +ontwaakte van het rumoer en wilde zich in den grond verschuilen, +maar dit gelukte hem niet: hij werd al om en om gekeerd; nu eens +dreef hij op den buik, dan weer op den rug, aan vliegen viel niet te +denken;--hij twijfelde er aan, of hij wel levend van deze plaats zou +wegkomen. Hij lag, waar hij lag, en bleef daar ook liggen. + +Toen het weer een weinig tot bedaren gekomen was en de mestkever het +water uit zijn oogen weggepinkt had, zag hij iets wits schemeren: +het was een stuk linnen, dat op de bleek lag; hij ging er heen en +kroop tusschen een plooi van het natte linnen. Daar lag hij wel +is waar anders dan op den warmen mesthoop in den stal; maar iets +beters was hier niet voorhanden, en daarom bleef hij, waar hij +was, bleef er een geheelen dag, een geheelen nacht, en ook de regen +bleef. Tegen den morgen kroop hij tevoorschijn; hij ergerde zich over +de weersgesteldheid. + +Op het linnen zaten twee kikvorschen; hun heldere, oogen straalden +van louter plezier. «Wat is het heerlijk weer!» zei de eene, «hoe +verfrisschend! En het linnen houdt het water zoo mooi bij elkander; +het krabbelt mij in de achterpooten, alsof ik moest zwemmen.» + +«Ik zou wel eens willen weten,» zei de andere, «of de zwaluw, die zoo +ver rondvliegt, op haar vele reizen in het buitenland een beter klimaat +dan het onze gevonden heeft. Zulk een nattigheid! Het is waarlijk, +alsof men in een natte sloot lag! Wie zich daarin niet verheugt, +heeft zijn vaderland niet lief.» + +«Ben je dan niet in den stal van den keizer geweest?» vroeg de +mestkever. «Daar is de vochtigheid warm en geurig: dat is mijn klimaat; +maar dat kan men niet op reis meenemen. Is er hier in den tuin geen +mesthoop, waar personen van een aanzienlijken stand zooals ik zich +te huis kunnen voelen en logeeren?» + +De kikvorschen begrepen hem niet of wilden hem niet begrijpen. + +«Ik vraag nooit tweemaal!» zei de mestkever, nadat hij reeds driemaal +gevraagd en geen antwoord gekregen had. + +Daarop ging hij een eindje verder en stiet nu op een potscherf, die +daar wel is waar niet had moeten liggen, maar zooals zij lag, gaf zij +een goede beschutting tegen weer en wind. Hier woonden verscheidene +familiën van oorwormen; deze hadden geen hooge eischen,--alleen +gezelligheid. De vrouwelijke individuen zijn vol van de teederste +moederliefde, en daarom prees ook iedere moeder haar kind als het +schoonste en verstandigste. + +«Ons zoontje heeft zich verloofd!» zei een moeder. «Het is een beste +jongen. Zijn geheele streven is daarheen gericht, eenmaal in het +oor van een geestelijke te komen. Zijn verloving bewaart hem voor +uitspattingen! Welk een vreugde voor een moeder!» + +«Onze zoon,» sprak een andere moeder, «was, zoodra hij uit het ei +gekropen was, ook dadelijk in de weer; het is alles leven en vuur +aan hem! Hij loopt zich de horens af! Welk een vreugde voor een +moeder! Niet waar, mijnheer de mestkever?» + +«Je hebt beiden gelijk!» zei de mestkever; en nu verzocht men hem, +de kamer binnen te treden, zoo ver hij namelijk onder de potscherf +kon komen. + +«Nu zie je ook mijn klein oorwurmpje!» zeiden een derde en een vierde +van de moeders. «Het zijn lieve kinderen en zij houden veel van een +grapje. Zij zijn nooit ondeugend, als zij ten minste geen buikpijn +hebben; maar op hun leeftijd krijgt men dat maar al te gemakkelijk!» + +Op deze wijze sprak iedere moeder over haar kindertjes, en de +kindertjes spraken mee en gebruikten hun kleine scharen, die zij aan +den staart hebben, om den mestkever aan den baard te trekken. + +«Ja, zij moeten ook altijd wat doen, die kleine schalkjes!» zeiden +de moeders. Maar dat verveelde den mestkever; hij vroeg daarom, +of hij nog ver van den mesthoop verwijderd was. + +«Die is buiten in de wijde wereld, aan gene zijde van de sloot,» +antwoordde een oorworm; «zoo ver zal, naar ik hoop, geen mijner +kinderen gaan; dat zou mij den dood aandoen!» + +«Zoo ver zal ik toch trachten te komen,» zei de mestkever en +verwijderde zich zonder afscheid te nemen; want dat staat immers +deftig. + +Bij de sloot trof hij verscheidene van zijn soort aan, allemaal +mestkevers. + +«Hier wonen wij!» zeiden zij. «Wij hebben het hier heel gezellig! Mogen +wij je ook uitnoodigen, in het vette slijk af te klimmen? De reis is +zeker vermoeiend voor je geweest!» + +«Zeker!» sprak de mestkever. «Ik was aan den regen blootgesteld en heb +op linnen moeten liggen. Ook heb ik scheuren in mijn eenen vleugel, +omdat ik onder een potscherf in den tocht gestaan heb. Het is inderdaad +een waar genot voor mij, weer eens onder mijns gelijken te zijn.» + +«Kom je misschien van den mesthoop?» vroeg de oudste. + +«Van heel wat deftiger plaats!» zei de mestkever. «Ik kom uit den stal +van den keizer, waar ik met gouden schoenen aan de pooten geboren ben; +ik ben op reis ter volbrenging van een geheimen last; doch je moet +mij daarover maar niet uithooren, want ik verraad het toch niet.» + +Daarop klom de mestkever in het vette slijk af. Daar zaten drie +jonge mestkeverinnen; zij meesmuilden, omdat zij niet wisten, wat +zij zouden zeggen. + +«Geen van de drie is nog verloofd,» zei de moeder; en de jonge dames +meesmuilden op nieuw, ditmaal uit verlegenheid. + +«Ik heb ze in de keizerlijke stallen niet mooier gezien,» zei de +mestkever, terwijl hij uitrustte. + +«Bederf mijn dochters niet; spreek niet tegen haar, of het moest zijn, +dat je werkelijk plan op een van haar hadt!--Maar dat heb je zeker wel, +en ik geef er mijn zegen op!» + +«Hoera!» riepen al de andere mestkevers uit, en onze mestkever was +nu verloofd. Op de verloving volgde de bruiloft dadelijk; want er +bestond geen reden om deze uit te stellen. + +De volgende dag verliep zeer aangenaam, de daarop volgende ook nog +al; maar den derden dag moest hij reeds op voedsel voor zijn vrouw, +misschien zelfs wel voor zijn kinderen bedacht zijn. + +«Ik heb mij laten misleiden!» dacht de mestkever; «er blijft mij dus +niets anders over, dan ze ook te misleiden!» + +Zoo gezegd, zoo gedaan! Weg was hij, den heelen dag bleef hij uit, +den heelen nacht bleef hij uit,--en zijn vrouw zat daar als een +weduwe. «O,» zeiden de andere mestkevers, «hij, dien wij in de familie +opgenomen hebben, is een echte landlooper: hij is weggegaan en laat +zijn vrouw ten onzen laste achter!» + +«Welnu, dan moet zij maar weer voor een meisje doorgaan,» zei de +moeder, «en als mijn kind hier blijven. Schande over den booswicht, +die haar verlaten heeft!» + +De mestkever was ondertusschen gedurig verder gereisd en op een +koolblad over de sloot gezeild. Den volgenden morgen kwamen er twee +personen bij de sloot; toen zij hem zagen, tilden zij hem op, draaiden +hem om en om, stelden zich beiden heel geleerd aan, inzonderheid +een van hen,--een jongen. «Allah ziet de zwarte mestkevers in den +zwarten steen, in de zwarte rots! Niet waar, zoo staat er in den +Koran geschreven?» Daarop vertaalde hij den naam van den mestkever +in het Latijn en verdiepte zich in diens geslacht en aard. De tweede +persoon, een oudere geleerde, was er voor, hem mee naar huis te nemen; +zij hadden daar, zei hij, even goede exemplaren noodig, en dat--zoo +kwam het onzen mestkever voor,--was niet beleefd gesproken, en daarom +vloog hij hem plotseling uit de hand. Daar hij nu droge vleugels had, +vloog hij een vrij groot eind voort en bereikte den mesthoop, waarop +hij plaats nam en zich in den verschen mest begroef. + +«Hier is het heerlijk!» zei hij. + +Al spoedig daarop viel hij in slaap, en nu droomde hij, dat het +lievelingspaard van den keizer doodgevallen was en hem zijn gouden +hoefijzers gegeven en de belofte gedaan had, zijn andere twee pooten +ook te laten beslaan. + +Dat was zeer aangenaam. Toen de mestkever wakker werd, kroop hij te +voorschijn en keek eens in het rond. Welk een pracht heerschte er +op den mesthoop! Op den achtergrond groote palmen, die zich hoog +verhieven; de zon maakte, dat zij doorzichtig schenen, en wat was +daaronder een menigte groen en frissche bloemen, rood als vuur, +geel als barnsteen, wit als versch gevallen sneeuw! + +«Dat is een onvergelijkelijke plantenpracht; dat zal smaken, als het +verrot!» zei de mestkever. «Dat is een goede provisiekamer. Hier +wonen zeker bloedverwanten; ik zal eens zien, of ik iemand vind, +met wien ik omgang kan hebben. Trotsch ben ik; dat is mijn trots!» +En nu drentelde hij over den mesthoop rond en dacht aan zijn schoonen +droom van het doode paard en de geërfde hoefijzers. + +Daar pakte een hand den mestkever eensklaps beet, drukte hem en +draaide hem om en om. + +De zoon van den tuinman en een vriendinnetje van dezen waren bij +den mesthoop gekomen, hadden den mestkever gezien en wilden nu een +grapje met hem hebben. Eerst werd hij in een wingerdblad gewikkeld +en toen in een warmen broekzak gestopt; hij kriebelde en krabbelde +daar naar zijn beste vermogen; daarvoor echter kreeg hij een druk van +de hand van den knaap en werd op deze wijze tot bedaren gebracht. De +knaap ging daarop met rassche schreden naar den grooten vijver toe, +die zich aan het einde van den tuin bevond. Hier werd de mestkever in +een ouden, halfgebroken klomp gezet, daarop werd er een stokje voor +mast ingestoken, en aan dezen mast bond men den mestkever nu met een +wollen draadje vast. Nu was hij schipper en moest zeilen. + +De vijver was zeer groot, den mestkever scheen het een oceaan toe, +en hij verwonderde zich daarover zoozeer, dat hij op zijn rug viel +en met zijn pooten lag te trappelen. + +Het scheepje zeilde af; de stroom van het water voerde het mee; maar +als deze het te ver van den wal deed afdrijven, dan stroopte een +der jongens zijn broek dadelijk op, stapte in het water en haalde +het weer aan land terug. Eindelijk echter, juist toen het weer in +volle vaart voorwaarts ging, werden de jongens geroepen, dringend +geroepen; zij haastten zich om te komen, liepen van het water weg en +lieten het scheepje aan zijn lot over. Dit dreef nu gedurig meer van +den oever af, gedurig meer naar het midden van den vijver toe; het +was verschrikkelijk voor den mestkever, daar hij niet kon vliegen, +omdat hij aan den mast vastgebonden was. + +Daar kreeg hij bezoek van een vlieg. «Wat is het vandaag mooi weer!» +zei de vlieg. «Hier wil ik uitrusten en mij in de zon koesteren. Je +hebt het hier heel prettig.» + +«Je spreekt naar je verstand! Zie je dan niet, dat ik vastgebonden +ben?» + +«Ik ben niet vastgebonden,» zei de vlieg en vloog weg. + +«Ja, nu ken ik de wereld!» sprak de mestkever. «Het is een booze +wereld! Ik ben de eenige fatsoenlijke man op de wereld! Eerst weigert +men mij gouden schoenen; vervolgens moet ik op nat linnen liggen en in +den tocht staan, en eindelijk dringen zij mij nog een vrouw op! Doe +ik daarop een schrede in de wereld en verneem, hoe ik het daar kan +krijgen en hoe ik het graag wou hebben, dan komt er een menschenjongen, +bindt mij vast en geeft mij aan de woeste golven ten prijs, terwijl +het lievelingspaard van den keizer met gouden schoenen rondloopt! Dat +ergert mij nog het meest! Maar op deelneming mag men in deze wereld +niet rekenen! Mijn levensloop is zeer interessant; maar wat baat het, +als niemand dien kent? De wereld verdient het niet, dien te leeren +kennen; zij zou mij anders wel gouden schoenen in den stal van den +keizer gegeven hebben, toen het lievelingspaard beslagen werd en +ik mijn pooten daarom uitstak. Als ik gouden schoenen gekregen had, +dan zou ik een sieraad van den stal geworden zijn; nu heeft de stal +mij verloren, nu heeft de wereld mij verloren. Alles is uit!» + +Maar alles was nog niet uit. Er kwam een schuitje, waarin eenige +meisjes zaten, aanroeien. + +«Kijk! Daar zeilt een oude klomp!» zei een der meisjes. + +«Er zit een diertje aan vastgebonden!» riep een ander uit. + +Het schuitje kwam dicht in de nabijheid van het scheepje van +onzen mestkever; de meisjes vischten dit uit het water op; een van +haar haalde een schaartje uit haar zak, knipte het wollen draadje +doormidden, zonder den mestkever eenig leed te doen, en toen zij aan +land kwam, zette zij hem in het gras neer. + +«Kruip, kruip! Vlieg, vlieg, als je kunt!» zeide zij. «Vrijheid is +een heerlijk ding!» + +De mestkever vloog op en door een openstaand raam van een groot gebouw; +daar viel hij mat en moede neer op de fijne, zachte manen van het +lievelingspaard van den keizer, dat in den stal stond, waar het te +huis was, evenals dit met den mestkever het geval was. De mestkever +klampte zich aan de manen vast, zat een korten tijd doodstil en kwam +wat tot kalmte. + +«Hier zit ik op het lievelingspaard van den keizer, zit als keizer op +hem! Maar wat wilde ik ook weer zeggen? Ja, nu schiet het mij weer te +binnen! Dat is een goede gedachte. Waarom krijgt het paard een gouden +hoefbeslag? Zoo vroeg de smid mij immers. Nu wordt deze vraag mij eerst +duidelijk. Ter wille van mij kreeg het paard het gouden hoefbeslag.» + +En nu kwam de mestkever in een goede luim. «Men krijgt een ruimen +blik op reis!» zei hij. + +De zon wierp haar stralen in den stal op hem neer en maakte het daar +licht en vriendelijk. + +«De wereld is, wel bezien, toch zoo boos niet,» zei de mestkever, +«men moet haar maar weten te vatten!» + +Ja, de wereld was schoon, omdat het lievelingspaard van den keizer +slechts daarom een gouden hoefbeslag gekregen had, opdat de mestkever +zijn ruiter kon zijn. + +«Nu zal ik naar de andere kevers toe gaan en hun vertellen, hoe veel +men voor mij gedaan heeft: ik zal hun al de onaangenaamheden vertellen, +die ik op mijn reis in het buitenland doorgestaan heb, en hun zeggen, +dat ik nu zoo lang te huis zal blijven, totdat het paard zijn gouden +hoefbeslag afgesleten heeft. + + + + +DE IJSJONKVROUW. + +I. + +De kleine Rudy. + + +Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis +doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden +aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden +en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken +voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden +bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal, +en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa's brandt zij, zoodat +deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich +tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee +zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den +Schreckhorn en den Wetterhorn, bij het bergstadje Grindelwald; +zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in +den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe; +zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook +uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en +terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer, +alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken +dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden +in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan, +nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn +doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en +bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit, +alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden. + +Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten +huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar: +want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte, +die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en +scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of +in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de +kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die, +welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn +wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren. + +Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op +eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die +ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig +gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast, +alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist +deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de +aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak +den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet +waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader, +die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer +stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte: +notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen, +juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap--Rudy +heette hij--keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks, +die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem +beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot +en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren. + +Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden, +en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet +te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig +hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog +boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar +glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval +stond of het neerrollen van een lawine hoorde. Hij speelde nooit met +de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als +zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den +handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de +bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden +tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats, +vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van +oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun +stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al +wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen, +en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht +behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy's +vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij +Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd. + +«Kom maar eens met mij op het dak!» had de kater gezegd, en wel +duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet +kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed; +de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als +vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs +grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop, +pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan +bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en +heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet! + +«Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!» was zeker wet hel eerste, +wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. «Wat de menschen van het +naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet, +als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw +anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop +en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar +en houd u vast. Zoo doe ik het!» + +En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de +dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja, +hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen. + +«Hooger op!» zeiden boom en struik. «Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen +reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant +van de rots!» + +Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en +daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht, +dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de +menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat: +de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en +den tijm van het dal.--Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken +in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen, +de geest van den geur gaat in de lucht over, om haar lichter en +frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy's morgendrank. + +De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn +wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem +te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop +niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op +en zongen: «Wij en gij! Gij en wij!» Zij brachten groeten van huis, +van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels +in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet. + +Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor +zoo'n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton +Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort +geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een +zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg, +de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten +gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar +vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke +vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. «Toen de jongen nog +geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,» had zijn moeder +geschreven; «van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had, +was er een andere geest in hem gevaren.» Zijn grootvader sprak hierover +maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte. + +De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de +kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den +Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rhônedal, in het +kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van +Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende +gids.--Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en +zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het +Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald +af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo +veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind, +in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald +toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den +hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het +dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog +slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch +gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen +grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een +manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar +beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men +vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er, +voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen +en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na +veel inspanning haalde men uit de ijskloof twee lijken te voorschijn, +naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte, +het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo +kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees, +denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof +hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker +in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge +ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag +ingekerkerd zijn,--zooals de Zwitsersche boer gelooft. + +Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot +groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het +andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom +van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote +kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen +paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij, +de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de +machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich +met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te +verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het +ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het +dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het +eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte +lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de +diepe meren van Zwitserland schittert. + +«Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!» spreekt zij. «Een +schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust, +maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt +de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de +anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!» + +Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was +de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt +groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich +een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters, +een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die +velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de +balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de +kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in +de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in +den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden +naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar +nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen. + +«Ja, dien grijpen!» zei de duizeligheid. «Daartoe ben ik niet in +staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit +menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot, +ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven +den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolen kittelen of +hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet +in staat!» + +«Wij zullen het wel gedaan krijgen,» zei de ijsjonkvrouw. «Gij of +ik! Ik, ik!» + +«Neen, neen,» klonk het om haar heen, alsof het een echo van het +gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was +een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke +geesten,--het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich +iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij +haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig +schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden; +de menschen noemen dat «Alpengloed.» Als de zon dan gezonken is, +verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar, +totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral +hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze +laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren. + +«Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!» zeiden zij. + +«Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!» zei de ijsjonkvrouw. + +Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens +mantel de stroom wegvoerde,--de wind nam het hulsel, maar den man +niet; «ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen +der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan +de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan +banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt +het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!» + +Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok. + +Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis +van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters +der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen +smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem +gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe +ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd. + + + +II. + +De reis naar de nieuwe woning. + + +Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen +in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij +iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn +grootvader goed en deze liet hem vertrekken. + +Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog +anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats +Ajola, den ouden hond. + +«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn +ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de +menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak +geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen +hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis +vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet, +en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe; +zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet +heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet +allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken; +ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo'n hondje wel eens in den +postwagen zien meerijden en daarin de plaats van een mensch innemen; +de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij +zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het, +maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er +niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik +liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond +maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet +zooals het behoort;--maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is, +zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het +rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit +niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen, +noch door huilen!» + +Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem +hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm, +maar deze verzette zich hiertegen. + +«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet +gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers +geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen, +dan blijft ge wel hangen!» + +Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou +merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond. + +De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart +verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien +afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien. + +«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip. + +«Hij heeft altijd zoo'n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag +afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg. + +Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en +wilden meegaan: dat was zeer treurig. + +Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den +anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te +voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had +goede krachten, en zijn moed begaf hem niet. + +De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen +zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine +stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als +bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen +zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te +beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had, +en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy +moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn +oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn +met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor +moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher +achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was, +maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men +moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd, +gevormd hadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een +groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag; +dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de +echo's uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken. + +Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in +de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa's, +die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een +oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder +diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig +werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere +geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en +dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk +voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet +moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden +nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer +tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende +nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier +namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die +streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo +hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee +betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan +de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de +golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken, +hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier +macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm, +de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende +diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen, +lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog +gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude +stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde +naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan, +vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis, +het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar +het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden, +de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in +het geheugen van Rudy. + +Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende +hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en +rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger +gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om +het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank, +dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den +drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland, +van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van +het heirleger van nachtspoken verteld, dat den slapende door de +lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van +den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef; +al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het +geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde +vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees; +deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor, +alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig +duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op, +luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen. + +Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af +in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes +waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen +slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten. + +Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar +nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis, +viel hij als op kommando in slaap. + +Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen +op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden; +zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan +gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet, +maar zij waren nog ver van Rudy's nieuwe woning verwijderd. Er +vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden; +ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat +voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle, +geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet, +die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten +zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken +aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen +in zijn nieuwe woonplaats? + + + +III. + +De oom. + + +In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er, +Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een +enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige +schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd +van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven; +de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam. + +De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien +het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw +met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar +begroeiden hals. + +Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken, +zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig +leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met +zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de +muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren; +boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden +frissche Alpenrozen en een brandende lamp. + +Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers +uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis +zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk +een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de +jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede +eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het +beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde +den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was +Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al +spoedig wortelen in het huis en in het hart. + +«Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,» zei de +oom, «en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de +steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel +er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn +toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons +ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het +afgesletene vervalt!» zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn +nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op +tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals +hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen, +beklagenswaardige kroplijders; «maar de Fransche soldaten kwamen hier, +zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood, +en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen +verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en +de meisjes hebben er ook verstand van!» Daarbij knikte de oom zijn +vrouw, die een geboren Française was, al lachend toe. «De Franschen +hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den +Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een +kind van drie jaar kan zeggen: «Ga eens naar Italië toe! Houd den +grooten weg maar!» En het kind zal goed en wel in Italië aankomen, +als het den grooten weg maar houdt!» Daarop zong zijn oom een Fransch +lied en riep «Hoera!» en «Leve Napoleon Bonaparte!» + +Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk +en van Lyon, de groote stad aan de Rhône; daar was zijn oom geweest. + +Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend +gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze +leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken en het schieten; +hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van +het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid +beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op +de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, 's middags of +'s avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem, +op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de +voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof +geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen, +met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon +men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij +zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van +het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag, +toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn +hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan. + +Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een +smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag, +was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn +oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder +stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong +en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de +diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom +stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij +een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn +oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde +werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen +voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof +te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd, +hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks +af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en +het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong +weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest +was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt, +een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin +hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit. + +Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom +een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig +geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich +in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich +in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De +sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden +nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen +wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine, +die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in +hun nabijheid, vlak in hun nabijheid. + +«Houd je vast, Rudy!» zei de oom, «houd je met alle macht vast!» + +En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde +boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de +lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking, +de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek, +alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts +heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield, +was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar, +tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd, +zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy +stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens, +de eerste huivering, die hem over de leden ging. + +Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat +nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen; +eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De +arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden +dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe. + +«Schrijf een brief voor mij!» zeide hij. «Saperli kan niet +schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!» + +«Een brief van jou?» vroeg Rudy. «En aan wien?» + +«Aan den Heer Christus.» + +«Aan wien, zeg je?» + +En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen +en zeide op een plechtigen en vromen toon: + +«Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen, +of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.» + +Rudy drukte hem de hand en zei: «De brief komt daar niet aan en geeft +ons hem niet terug!» + +Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te +doen inzien. + +«Nu ben je de steun des huizes!» zei zijn tante en pleegmoeder, +en Rudy werd dit ook. + + + +IV. + +Babette. + + +Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de +gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste +schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet: +«Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens, +want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was +hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand, +zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe +jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet, +als hij zwom; als een visch kon hij zich in het water wenden en +keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand +vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat +toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en +later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men +zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids +kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd +had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze +bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide, +als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij +was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene +zelfs wakend in haar gedachten omdroegen. + +«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van +den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet +moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet +gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een +zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy, +hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had +hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen. + +«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A +begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!» + +Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre +tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust, +en toch was zij niet de bloem van zijn hart. + +Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een +kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het +woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine +torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren, +welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der +torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had: +dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en +welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de +dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven: +zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn +hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar +vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand +ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de +molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had: +zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken. + +De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog +zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men +kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet, +als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn +kindsheid ingeprent. + +Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen +had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijds +nog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet +van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt +zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône, +die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen +voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen +de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt +zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat +er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een +oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland, +dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis +aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste, +niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap, +dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in +een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen +en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke +warmte, alsof men zich in Italië bevond. + +Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek +eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan +Babette, kreeg hij te zien. + +Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm +en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het +ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en +zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was, +alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat +zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond +van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de +boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad, +die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde +een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam +had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op +dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij +dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den +telegraafdraad vliegen,--levensmomenten van gewicht voor den enkele, +zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,--zoo +doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns +levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich +op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den +molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy +hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte; +maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang, +als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling, +wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en +zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem. + +«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden +avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden, +als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal +zien, als ik haar man zal worden!» + +Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist, +wat hij wilde: hij wilde Babette hebben. + +De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden +hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar +het huis van den molenaar toe.--Maar, zooals, de kinderen zingen: + + + «Niemand was er thuis, + Dan 't katjen en de muis!» + + +De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar +Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem, +niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog +een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen +hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest +hij naar den molen toe, om te vragen, en daar kreeg hij het bericht, +dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat +Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest, +dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen +uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn. + +Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor +zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed +hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal, +naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den +volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze +was nog nooit verdwenen. + +«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich +zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg +langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en +dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook +al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn +grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil +daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn, +als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!» + +Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug, +met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den +korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst +op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren; +gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun +bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den +Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen. + +Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de +frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en +dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar +weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende +iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde +vingers hoog in de blauwe lucht steekt. + +Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten +zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was +licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen, +zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood +te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig +als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen, +evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en +wij!» Alles was vreugde en blijdschap. + +Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid +met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den +gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de +diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De +kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in +het land, waar hij zijn jeugd doorgebracht had, toeroepen; zijn hart +klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor +een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld +van herinneringen. + +Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met +de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar +boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van +moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen +hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood +hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken +aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de +beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter, +de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen, +het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het +hebben; en voor hem lag Interlaken. + +Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy, +een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de +andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam; +neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het +groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden +stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar +toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van +alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier +als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit +al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de +kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en +krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis +was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de +ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk, +en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen +geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan +den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het +gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om +den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge +bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat +men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de +Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien. + +Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen, +welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder +schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was +muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen +en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden +vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren, +en de schoten waren in Rudy's ooren de mooiste muziek. Hij vergat in +deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil +hier naar toe gegaan was. + +De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al +spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen; +altijd was zijn schot raak. + +«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt +het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»--«Hij +weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden +enkelen.--«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald +gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen. + +En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn +blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft +moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een +kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees +hem hulde,--Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar +klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in +de Fransche taal aan. + +«Zijt ge uit het kanton Walliserland?» + +Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man: +het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg +hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn +kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken +molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de +beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was +wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was, +maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op. + +Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen +zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn +schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex +de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de +beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden; +ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar +hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor +hevig bloosde. + +De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd +hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden +naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot, +met den spoortrein en ook met de diligence gereisd. + +«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen +gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.» + +«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist +naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig +als ge zijt!» + +«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!» +zei Rudy. + +De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar +en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen +af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat +was voor Rudy een gewenscht aanbod, het geluk was hem gunstig, gelijk +het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt, +dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.» + +Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij +ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op +het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy +bedankte voor den toost. + +Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de +oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een +gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er +zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had, +zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met +elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo +hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de +hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen; +zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy, +zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den +gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om +te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen +onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei, +die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen +Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette +de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal +had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en +haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren +ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,--zij telde +immers nog maar achttien jaren. + +Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette +zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en +hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex +geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette +gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en +onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten, +die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg, +maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen +klimmen, die den weg lang maakte. + +Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar +mocht lijden,--en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van +het schuttersfeest gekomen was. + +Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog +ophemelde. + +Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand +neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den +boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en +sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden +zich daarin. + +«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette. + +«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan. + +«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later. + +«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader +zeker genoegen doen.» + + + +V. + +Op den terugweg. + + +O, hoeveel had Rudy te dragen, toen hij den daaropvolgenden dag over de +hooge bergen naar huis terugkeerde. Ja, hij had drie zilveren bekers, +twee mooie buksen en een zilveren koffiekan; deze kan zou goed te +gebruiken zijn, als hij een huishouden opzette; maar dat alles was nog +niet het gewichtigste: iets gewichtigers, machtigers droeg hij of droeg +hem over de hooge bergen naar huis. Het weder was echter ruw, grauw +en regenachtig; de wolken hingen als een rouwfloers op de berghoogten +neer en omhulden de stralende toppen. Uit het bosch klonken de laatste +bijlslagen, en langs de helling van den berg rolden boomstammen, die +er, van de hoogte af gezien, als dunne stokjes uitzagen, maar met +dat al de stevigste scheepsmasten waren. De Lütschine bruiste haar +eentonige accoorden, de wind suisde, de wolken zeilden. Daar kwam er +eensklaps een jong meisje naar Rudy toe; hij had haar niet eer bemerkt, +voordat zij vlak in zijn nabijheid was; zij wilde insgelijks over +de rotsen klimmen. De oogen van het meisje oefenden een eigenaardige +kracht op hem uit; hij was wel gedwongen, haar aan te kijken. + +«Hebt ge een minnaar?» vroeg Rudy, want al zijn gedachten draaiden +om de liefde heen. + +«Ik heb er geen!» antwoordde het meisje en lachte; maar het was, alsof +zij de waarheid niet sprak. «Maken we geen omweg?» zeide zij. «Wij +moeten meer links houden, dan is de weg korter.» + +«Jawel, om in een ijskloof neer te storten!» zei Rudy. «Kent gij dien +weg misschien beter en wilt gij gids zijn?» + +«Ik ken den weg heel goed,» zei het meisje, «en ik heb mijn gedachten +bij elkaar. De uwe zijn zeker wel beneden in het dal, hierboven +moet men aan de ijsjonkvrouw denken; zij houdt niet van de menschen, +zegt men.» + +«Ik ben niet bang voor haar!» zei Rudy. «Zij heeft mij weer terug +moeten geven, toen ik nog een kind was; ik zal mij thans niet aan +haar overgeven, nu ik ouder ben!» + +En de duisternis nam toe, de regen viel neer, en het begon te sneeuwen. + +«Geef mij uw hand,» zei het meisje, «ik zal u bij het klimmen +behulpzaam zijn,» en hij voelde, dat hij door ijskoude vingers +aangeraakt werd. + +«Gij mij bijstaan!» zei Rudy. «Nog heb ik de hulp van een vrouw niet +noodig om te klimmen!» En hij liep sneller voort, van haar weg; de +sneeuwstorm hulde hem als in een sluier, de wind gierde, en achter zich +hoorde hij het meisje lachen en zingen; het klonk heel zonderling. Dat +moest een spookgezicht zijn, dat in den dienst der ijsjonkvrouw was; +Rudy had daarvan hooren spreken, toen hij, destijds nog een knaap, +bij de reis over de bergen hier boven den nacht doorbracht. + +De sneeuw viel dunner, de wolk lag onder hem, hij keek om, er was +niemand meer te zien; maar hij hoorde gelach en gezang, en dit klonk +niet, alsof het uit een menschelijke borst voortkwam. + +Toen Rudy eindelijk de bovenste bergvlakte bereikte, vanwaar het pad +naar beneden naar het Rhônedal voerde, zag hij in de richting van +Chamouny, in de heldere, blauwe lucht twee heldere sterren staan; +deze glinsterden en fonkelden, en hij dacht aan Babette, aan zich +zelf en aan zijn geluk, en het werd hem bij deze gedachte warm. + + + +VI. + +Het bezoek in den molen. + + +«Wat zijn dat prachtige dingen, waar je mee thuis komt!» zei de oude +pleegmoeder, en haar zonderlinge arendsoogen fonkelden, zij draaide +haar mageren hals nog sneller dan gewoonlijk in allerlei zonderlinge +bochten. «Je hebt geluk, Rudy! Ik moet je een kus geven, beste jongen!» + +En Rudy liet zich kussen, maar op zijn gezicht stond te lezen, dat hij +zich in het onvermijdelijke, in dit kleine huiselijke lijden schikte. + +«Wat ben je mooi!» zei de oude vrouw. + +«Maak mij dat niet wijs!» zei Rudy en lachte,--maar het deed hem +toch plezier. + +«Ik zeg het nogmaals!» sprak de oude vrouw, «het geluk loopt je mee!» + +«Ja, daarin zoudt ge wel eens gelijk kunnen hebben!» zei hij en dacht +aan Babette. + +Nog nooit had hij zulk een verlangen gehad om naar het diepe dal +te gaan. + +«Zij moeten nu al thuis zijn!» zei Rudy bij zich zelf. «Het is al +twee dagen over den tijd, waarop zij terug zouden zijn. Ik moet naar +Bex toe.» + +Rudy ging naar Bex toe, en in den molen waren zij te huis. Hij +werd goed ontvangen, en groeten van hun familie te Interlaken +hadden zij voor hem meegebracht. Babette sprak niet veel, zij was +geducht stil geworden; maar haar oogen spraken, en dat was voor +Rudy voldoende. Het scheen, alsof de molenaar, die anders graag +het hoogste woord had,--hij was er aan gewoon, dat men altijd om +zijn invallen en woordspelingen lachte, hij was immers de rijke +molenaar,--toch liever de jachtavonturen van Rudy hoorde vertellen, +en deze sprak van de zwarigheden en de gevaren, die de gemzenjagers op +de hooge bergtoppen door te staan hadden, hoe zij langs de onzekere +sneeuwhellingen, die door weer en wind als het ware aan den kant +der rotsen vastgekleefd zijn, en over de gevaarlijke bruggen moesten +kruipen, die de sneeuwstorm over diepe kloven geslagen heeft. De oogen +van den stoutmoedigen Rudy fonkelden, terwijl hij van het jagersleven +vertelde, van de slimheid der gemzen en haar stoute sprongen, van den +hevigen orkaan en de rollende lawinen; hij merkte het wel, dat hij bij +iedere nieuwe beschrijving den molenaar gedurig meer voor zich innam, +en vooral gevoelde deze zich bijzonder aangetrokken door hetgeen hij +van den lammergier en den koningsadelaar vertelde. + +Niet ver weg, in het kanton Walliserland, was een arendsnest, dat zeer +kunstig onder een hooge vooruitspringende rots gebouwd was; in dit +nest bevond zich een jong, maar dit was er niet uit te krijgen. Een +Engelschman had Rudy eenige dagen geleden een heele hand vol goud +aangeboden, als hij hem den jongen arend levend wilde bezorgen, «maar +alles heeft zijn grenzen,» zei Rudy, «de arend is niet te krijgen, +het zou een dwaasheid zijn dat te beproeven.» + +De wijn vloeide en de gesprekken vloeiden, maar de avond was veel te +kort, kwam het Rudy voor, en toch was het na middernacht, toen hij +van dit eerste bezoek terugkeerde. + +Het licht straalde nog een korten tijd door het raam van den molen door +de groene boomtakken heen; uit het geopende luik in het dak kwam de +kamerkat naar buiten en langs de dakgoot kwam de keukenkat aanloopen. + +«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen?» zei de kamerkat. «Hier in huis +heeft een heimelijke verloving plaats gehad. De oude molenaar weet er +nog niets van; Rudy en Babette hebben elkaar den heelen avond op de +voeten getrapt; mij trapten zij tweemaal, maar ik mauwde toch niet; +want dat zou de aandacht getrokken hebben.» + +«Ik zou toch gemauwd hebben!» zei de keukenkat. + +«Wat in de keuken gaat, gaat niet in de kamer!» zei de kamerkat. «Ik +ben echter nieuwsgierig, wat de molenaar zal zeggen, als hij de +verloving verneemt.» + +Ja, wat zou de molenaar er wel van zeggen? Dat zou Rudy ook wel graag +geweten hebben, maar lang wachten, voordat hij dit vernam, kon hij +niet. Toen de omnibus eenige dagen later over de Rhônebrug tusschen +Walliserland en Waadland voortratelde, zat Rudy daarin, goedsmoeds +evenals altijd, en verdiepte zich in liefelijke gedachten over het +jawoord, dat hij dien zelfden avond nog dacht te krijgen. + +En toen de avond daar was en de omnibus denzelfden weg terugreed, zat +Rudy er ook in; maar in den molen liep de kamerkat met nieuwtjes rond. + +«Weet je het al, jij, die altijd in de keuken zit?--De molenaar +weet nu alles. Maar dat heeft een mooien afloop gehad! Rudy kwam +hier tegen den avond, en hij en Babette hadden veel met elkaar te +fluisteren en heimelijk te spreken, zij stonden in de gang voor de +kamer van den molenaar. Ik lag aan hun voeten, maar zij hadden noch +oogen noch gedachten voor mij. «Ik ga, zonder mij langer te bedenken, +naar je vader toe.»--«Wil ik meegaan?» vroeg Babette; «dat zal je +moed geven.»--«Ik heb moed genoeg,» zei Rudy, «maar als jij er bij +bent, dan moet hij wel vriendelijk zijn, of hij wil of niet.»--Daarop +traden zij binnen. Rudy trapte mij geducht op den staart! Rudy is erg +onhandig; ik mauwde, maar noch hij noch Babette hadden ooren om dit +te hooren. Zij deden de deur open en traden de kamer samen binnen. Ik +liep voorop; ik sprong op een stoel, want ik kon immers niet weten, +hoe Rudy zich misschien zou verweren. Maar de molenaar verweerde zich, +hij gaf een duchtigen schop en zei: «De deur uit en den berg op naar +de gemzen!» Daarop mag Rudy nu mikken en niet op onze Babette!» + +«Maar wat spraken zij met elkaar? Wat zeiden zij?» vroeg de keukenkat. + +«Wat zij zeiden?--Alles werd er gezegd, wat de menschen zoo plegen te +zeggen, als zij verliefd zijn: «Ik heb haar lief, en zij heeft mij +lief! En als er melk voor een in de kan is, dan is er ook melk voor +twee!»--«Maar zij zit je te hoog!» zei de molenaar, «zij zit op zand, +op goudzand, zooals je weet, je zult haar niet bereiken!»--«Niets zit +zoo hoog, of men kan het wel bereiken, als men maar wil!» antwoordde +Rudy; want hij is een onverschrokken man.--«Maar het arendsnest kan +je toch niet bereiken, zooals je zelf onlangs gezegd hebt: Babette +zit nog hooger!»--«Ik neem ze allebei!» zei Rudy.--«Ik zal je Babette +geven, als je mij het levende arendsjong geeft!» zei de molenaar en +lachte, dat de tranen hem langs de wangen liepen. «Maar nu bedank ik +je voor je bezoek, Rudy! Bezoek mij morgen weer, morgen is er niemand +thuis. Vaarwel, Rudy!»--En Babette zei hem ook vaarwel, maar zoo +klagend als een klein katje, dat zijn moeder nog niet kan zien. «Een +man een man, een woord een woord!» zei Rudy. «Ween niet, Babette! ik +zal het arendsjong brengen!»--«Je zult den nek breken, hoop ik!» zei +de molenaar, «en dan zijn wij van je bezoeken ontslagen!»--Dat noem ik +een duchtigen schop! Nu is Rudy weg en Babette zit te huilen; maar de +molenaar zingt Duitsch, dat heeft hij laatst op zijn reis geleerd. Ik +zal er maar niet treurig over zijn, want dat baat toch niets!» + +«Maar zoo is er dan toch altijd nog mogelijkheid op!» zei de keukenkat. + + + +VII. + +Het arendsnest. + + +Van het rotspad af klonk het gezang, lustig en krachtig, het wees op +een goede luim en een onversaagden moed; het was Rudy; hij ging zijn +vriend Vesinand opzoeken. + +«Je moet mij behulpzaam zijn! Wij nemen Nagli mee, ik moet het +arendsjong boven aan den kant van de rots uit het nest halen.» + +«Zou je dan niet eerst het mannetje uit de maan halen? Dat zal +even gemakkelijk gaan!» zei Vesinand. «Je schijnt in een goede luim +te zijn!» + +«Dat ben ik ook! Ik denk er aan te gaan trouwen!--Maar om ernstig te +spreken, ik zal je zeggen, hoe het met mij gesteld is.» + +En al spoedig wisten Vesinand en Nagli, wat Rudy wilde. + +«Je bent een onverschrokken kerel!» zeiden zij. «Maar dat gaat niet! Je +zult den nek breken!» + +«Men valt niet naar beneden, als men het zich niet verbeeldt!» +zei Rudy. + +Te middernacht rukten zij met stokken, ladders en touwen op; de weg +liep tusschen boomen en struiken door, over naakte rotsen, steeds +opwaarts, opwaarts in den donkeren nacht. Het water bruiste beneden, +het water stroomde boven, vochtige wolken dreven eraan de lucht. De +jagers bereikten den steilen kant der rots, hier werd het donkerder, +de rotswanden kwamen bijna tegen elkander aan, en slechts hoog in de +smalle kloof was de lucht te zien; dicht naast hen, onder hen lag de +diepe afgrond met het bruisende water. Het drietal zat op de rotsen, +zij wilden het aanbreken van den dag afwachten, als de arend uitvloog; +de oude moest eerst doodgeschoten worden, voordat zij er aan konden +denken, zich van het jong meester te maken. Rudy zat daar op zijn +hurken, zoo stil, alsof het een stuk van de rots was, waarop hij zich +bevond, het geweer met den gespannen haan hield hij voor zich om te +schieten, zijn blik vestigde zich onafgebroken op de bovenste kloof, +waar het adelaarsnest onder de overhellende rotsen verborgen zat. De +drie jagers moesten lang wachten. + +Maar nu kraakte en suisde het hoog boven hen; een groot, zwevend +voorwerp verduisterde de lucht om hen heen. Twee buksloopen mikten, +terwijl de zware arendsgestalte uit het nest vloog;--er viel een schot, +een oogenblik bewogen zich de uitgespreide vleugels, daarop streek de +vogel langzaam neer, en het was, alsof hij door zijn grootte en met +zijn wijd uitgespreide vleugels de geheele kloof wilde beslaan en de +jagers in zijn val met zich meesleepen. De arend viel in de diepte +naar beneden, boomtakken en struiken braken door den val van den vogel. + +Nu kwamen de jagers in beweging; drie van de langste ladders werden +aan elkaar vastgebonden,--deze zouden wel lang genoeg zijn; men zette +ze op de uiterste vaste punt neer, op den rand van den afgrond, maar +zij waren niet lang genoeg, en de rotswand liep hooger op en was daar, +waar het nest zich onder den vooruitspringenden top verborg, glad als +een muur. Na eenige beraadslagingen werd men het daaromtrent eens, +dat twee aan elkaar gebonden ladders van boven in de kloof neergelaten +en deze wederom in verbinding met de drie van beneden neergezette +gebracht moesten worden. Met groote moeite sleepte men de twee ladders +naar boven en maakte boven de touwen vast; de ladders werden over de +vooruitspringende rots heengeschoven en hingen daar zwevend boven den +afgrond; Rudy zat reeds op de onderste sport. Het was een ijskoude +morgen; nevels stegen er uit den donkeren afgrond op. Rudy zat daar, +evenals een vlieg op den waggelenden stroohalm zit, dien de een of +andere vogel bij het bouwen van zijn nest op den rand van den hoogen +fabrieksschoorsteen verloren heeft; maar de vlieg kan meevliegen, +als de stroohalm loslaat, doch Rudy kon slechts zijn nek breken. De +wind suisde om hem heen, en beneden in den afgrond bruisten de wateren +van den ontdooienden gletscher, het paleis der ijsjonkvrouw. + +Nu bracht hij de ladder in een schommelende beweging, evenals de spin +zich schommelt, wanneer zij, aan haar langen, zwevenden draad hangende, +iets wil vastgrijpen, en toen Rudy ten vierden male het boveneind der +van beneden neergezette, aaneengebonden ladders aanraakte, had hij dit +gegrepen; zij werden met een zekere en krachtige hand samengevoegd, +maar zij waggelden en klapperden geweldig. + +De vijf lange ladders, die tot aan het nest reikten en loodrecht tegen +den rotswand aanstonden, schenen een waggelend riet te zijn, en nu +kwam het gevaarlijkste werk nog aan; er moest geklauterd worden, +zooals de kat kan klauteren, maar Rudy had daar juist verstand +van, want de kat had het hem geleerd; hij bemerkte niets van de +duizeligheid, die in de lucht achter hem zweefde en haar poliepenarmen +naar hem uitstrekte. Thans stond hij op de bovenste sport der ladder +en bemerkte, dat hij hier nog niet hoog genoeg kon reiken, om in het +nest te zien, alleen met de hand kon hij eraan komen; hij probeerde, +hoe vast de onderste, dikke, in elkaar gevlochten takken zaten, +die het onderste gedeelte van het nest vormden, en nadat hij een +dikken en vasten tak beetgepakt had, hief hij zich van de ladder naar +boven, leunde over den tak heen en had nu zijne borst en zijn hoofd +over het nest gebogen; hier stroomde hem een verstikkende stank van +aas tegen; in het nest lagen lammeren, gemzen en vogels, die tot +verrotting overgegaan waren. De duizeligheid, die geen invloed op +hem kon oefenen, blies hem de giftige uitwasemingen in het gezicht, +opdat hij verward en bedwelmd zou worden, en beneden in de zwarte, +gapende diepte op de voortstroomende wateren zat de ijsjonkvrouw +zelve met haar lange, witachtig groene haren en staarde hem aan met +oogen als twee buksloopen. + +«Nu vang ik u!» + +In een hoek van het arendsnest zag hij, groot en forsch, het jong +van den arend zitten, dat nog niet kon vliegen. Rudy vestigde zijn +oogen daarop, hield zich met alle kracht met één hand vast en wierp +met zijn andere den strik om den jongen arend heen; gevangen was hij, +levend gevangen; zijn pooten staken in het touw, en Rudy wierp den +strik met den vogel over den schouder, zoodat het beest een heel eind +beneden hem hing, terwijl hij zich aan een neerhangend touw vasthield, +totdat zijn voeten de bovenste sport van de ladder weer aanraakten. + +«Houd je vast! Denk maar niet, dat je naar beneden kunt vallen, dan val +je ook niet!» Dat was de oude les, en deze volgde hij op, klauterde, +was overtuigd, dat hij niet zou vallen, en hij viel ook niet. + +Nu deed zich een krachtig en vroolijk gezang hooren. Rudy stond met +zijn arendsjong op de vaste rotsen. + + + +VIII. + +Welke nieuwtjes de kamerkat wist te vertellen. + + +«Hier is het verlangde!» zei Rudy, terwijl hij bij den molenaar te Bex +binnentrad, een groote mand op den grond neerzette en den doek, die +er overheen lag, oplichtte. Twee gele oogen met zwarte randen kwamen +er uitkijken, fonkelend en wild, als wilden zij zich vastbranden en +vastbijten, waar zij heenkeken; de korte, krachtige snavel was tot +bijten opgesperd, de hals was rood en met stoppels bezet. + +«Het arendsjong!» riep de molenaar uit. Babette gaf een luiden gil +en deinsde terug; maar zij kon toch haar oogen noch van Rudy noch +van den arend afhouden. + +«Je laat je niet licht door iets afschrikken!» zei de molenaar. + +«En gij houdt altijd woord!» zei Rudy. «Ieder heeft zijn +eigenaardigheid!» + +«Maar waarom heb je den nek niet gebroken?» vroeg de molenaar. + +«Omdat ik vasthield!» antwoordde Rudy, «en dat doe ik nog! Ik houd +Babette vast!» + +«Maak eerst maar, dat je haar krijgt!» zei de molenaar en lachte; +en dat was een goed teeken, dat wist Babette. + +«We moeten hem uit de mand halen,--het is om razend te worden, zooals +hij ons aankijkt! Maar hoe heb je hem weten te krijgen?» + +Nu moest Rudy vertellen, en de molenaar zette gedurig grooter oogen op. + +«Met je moed en je geluk kan je wel drie vrouwen onderhouden!» zei +de molenaar. + +«Ik dank u!» riep Rudy uit. + +«Maar Babette heb je nog niet!» zei de molenaar en klopte den jongen +Alpenjager schertsend op den schouder. + +«Weet je het nieuwste nieuwtje al, dat er in den molen is?» zei de +kamerkat tegen de keukenkat. «Rudy heeft ons het arendsjong gebracht +en neemt Babette daarvoor in ruil. Zij hebben elkander een kus gegeven +en hebben het den ouden molenaar laten zien. Dat is zoo goed als een +verloving. De oude man was goed gemutst; hij hield zijn klauwen binnen, +deed zijn middagdutje en liet de twee bij elkaar zitten vrijen; zij +hebben elkaar zooveel te vertellen, dat zij met Kerstmis nog niet +klaar zullen zijn!» + +Zij kwamen met Kerstmis ook niet klaar. De wind stuwde de bruine +bladeren op; de sneeuw stoof in het dal, evenals op de hooge bergen; de +ijsjonkvrouw zat in haar trotsch kasteel, dat gedurende den wintertijd +in grootte toeneemt; de rotswanden stonden daar met ijzel bedekt, +en dikke ijskegels, zwaar als olifanten, hingen daar naar beneden, +waar de rotsstroom in den zomer zijn watersluier laat waaien; +ijsguirlandes, uit phantastische ijskristallen samengesteld, hingen +fonkelend aan de met sneeuw bepoederde dennen. De ijsjonkvrouw reed op +den suizenden wind over de diepste dalen heen. Het sneeuwdek strekte +zich heelemaal tot aan Bex uit, de ijsjonkvrouw kwam ook daarheen +en zag Rudy in den molen zitten, hij zat dezen winter meer in huis, +dan anders zijn gewoonte was, hij zat bij Babette. Den volgenden +zomer zou er bruiloft gehouden worden; zijn ooren suisden hem vaak, +zoo druk spraken zijn vrienden daarover. In den molen was zonneschijn, +de schoonste Alpenroos gloeide er, de vroolijke, glimlachende Babette, +schoon als de naderende lente, de lente, die alle vogels doet zingen +van zomertijd en bruiloft. + +«Wat zitten die twee toch altijd bij elkander en steken hun hoofden +bij elkaar!» zei de kamerkat. «Nu heb ik genoeg van hun gemauw!» + + + +IX. + +De ijsjonkvrouw. + + +De lente had haar sappige, groene guirlandes van walnote- en +kastanjeboomen ontplooid; zwellend slingerden zij zich van de brug +bij Saint-Maurice tot aan den oever van het meer van Genève langs de +Rhône, die met een geweldige vaart voortstroomt van haar bron onder +den groenen gletscher, het ijspaleis, waarin de ijsjonkvrouw woont, +en vanwaar zij zich door den scherpen wind laat opstuwen tot op het +hoogste sneeuwveld, om daar te rusten op haar sneeuwzetel; daar zat +zij en staarde met een doordringenden blik in de diepste dalen neer, +waar de menschen ijverig in beweging waren, evenals mieren op de +steenen, die de zon beschijnt. + +«Geesteskrachten, zooals de kinderen der zon u noemen!» zei de +ijsjonkvrouw. «Wormen zijt gij! Een rollende sneeuwbal,--en gij, uw +huizen en uw steden zijn verpletterd en verdwenen!» Hooger verhief +zij haar trotsch hoofd en keek wijd en zijd met oogen, die van dood +en verderf straalden. Maar uit het dal deed zich een rollen hooren, +rotsen liet men springen: dit was menschenwerk! Wegen en tunnels voor +spoorwegen werden er aangelegd. + +«Zij wroeten als mollen in den grond,» zeide zij; «zij graven gangen +onder de aarde, van daar dat geknal als van geweerschoten. Als ik +mijn kasteelen verzet, dan druischt het sterker dan het geratel van +den donder!» + +Uit het dal steeg een dikke rook op, die zich voorwaarts bewoog als een +fladderende sluier, een wuivende pluim der locomotief, die op den nog +pas geopenden spoorweg zijn stoet voorttrok, deze kronkelende slang, +wier ledematen wagens aan wagens zijn. Pijlsnel vloog zij voorwaarts. + +«Zij beschouwen zich daar beneden als heeren, die geesteskrachten!» +zei de ijsjonkvrouw. «De macht der natuurkrachten is toch grooter +dan de hunne!» Zij lachte, en het dreunde in het dal. + +«Daar rolt een lawine naar beneden!» zeiden de menschen. + +Maar de kinderen der zon zongen nog luider van de menschen_gedachte_, +die de zee aan banden legt, bergen verzet, dalen effent; de +menschengedachte, die de beheerscheres der natuurkrachten is. Omstreeks +dezen tijd trok over het sneeuwveld, waar de ijsjonkvrouw zat, +een gezelschap van reizigers; de menschen hadden zich met touwen aan +elkaar vastgebonden, opdat zij als 't ware een grooter lichaam zouden +vormen op de gladde ijsvlakte aan den rand van den diepen afgrond. + +«Wormen!» zei de ijsmaagd. «Gij, de beheerschers der natuurkrachten!» +En zij wendde den blik van het gezelschap af en keek gramstorig in +het diepe dal, waar de spoortrein voortbruiste. + +«Daar zitten zij, de _gedachten_! Zij zitten in de macht der +natuurkrachten! Ik zie ze, elk en een ieder!--de een zit trotsch +als een koning alleen! Ginds zitten zij op een hoop! Daar slaapt de +eene helft! En als de stoomdraak stilhoudt, dan stappen zij er uit en +gaan allen huns weegs! Deze gedachten verspreiden zich in de wereld!» +En zij lachte. + +«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal. + +«Ons bereikt zij niet!» zeiden er twee, die op den rug van den +stoomdraak zaten; «twee harten en één slag,» zooals het heet. Het +waren Rudy en Babette; ook de molenaar was er bij. + +«Als bagage!» zei hij. «Ik ben er bij als het noodige aanhangsel!» + +«Daar zitten die twee!» zei de ijsjonkvrouw. «Vele gemzen heb ik +verpletterd, millioenen Alpenrozen heb ik geknakt en gebroken, +zelfs de wortels spaarde ik niet! Ik wisch ze uit, die gedachten, +die geesteskrachten!» En zij lachte. + +«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal. + + + +X. + +De petemoei. + + +Te Montreux, een der naastbijgelegen steden, die met Clarens, Vevay en +Crin een krans om het noordoostelijke gedeelte van het meer van Genève +vormen, woonde de petemoei van Babette, de Engelsche, deftige dame met +haar dochters en een jeugdigen bloedverwant; zij waren daar nog slechts +kort geleden aangekomen, maar de molenaar had ze reeds bezocht, hun +de verloving van Babette medegedeeld en van Rudy en het arendsjong, +van het bezoek te Interlaken, in één woord de geheele geschiedenis +verteld, en deze had haar in de hoogste mate verblijd en haar ten +zeerste voor Rudy en Babette en ook voor den molenaar ingenomen; +alle drie moesten eens overkomen, en daarom gingen zij er dan ook +naar toe. Babette zou haar petemoei, de petemoei zou Babette zien. + +Bij het stadje Villeneuve, aan het einde van het meer van Genève, +lag de stoomboot, die, na een vaart van een half uur van daar naar +Vevay, ten zuiden van Montreux, aanlegt. De kust alhier is door +de dichters bezongen; hier onder de walnoteboomen, aan het diepe, +blauwachtig groene meer zat Byron en schreef zijn welluidende verzen +van den gevangene in het donkere rotsachtige kasteel Chillon. Daar, +waar Clarens zich met zijn treurwilgen in het water afspiegelt, +wandelde Rousseau, terwijl hij van Heloïse droomde. De Rhône stroomt +onder de hooge, met sneeuw bedekte bergen van Savoye voort; hier, +niet ver van haar oorsprong, ligt in het meer een klein eiland; +dit is zoo klein, dat het van de kust gezien, een vaartuig op het +water schijnt te zijn. Het eiland is een rotsgrond, dien een dame +voor omstreeks honderd jaren met steenen liet indammen, met aarde +bedekken en met drie acaciaboomen beplanten; deze overschaduwen nu +het geheele eiland. Babette was verrukt over deze plek, deze scheen +haar de schoonste op den geheelen tocht, daar moest zij naar toe, +het moest daar verwonderlijk schoon zijn, dacht zij. Maar de stoomboot +voer voorbij en legde aan, waar zij moest aanleggen en wel te Vevay. + +Het kleine gezelschap wandelde van hier verder tusschen de +witte, door de zon bestraalde muren, die de wijngaarden voor +het bergstadje Montreux omgeven, waar de vijgeboomen het huis +van den boer beschaduwen, laurierboomen en cipressen in de tuinen +groeien. Halverwege op den berg stond het huis, waarin de petemoei +woonde. + +De ontvangst was hartelijk. De petemoei was een vriendelijke vrouw +met een rond, glimlachend gezicht; als kind was zij zeker een echt +engelenkopje van Raphaël geweest. Nu was zij een oud engelenhoofd, +met weelderige zilverwitte lokken. Haar dochters waren lieve, mooie, +lange en slanke meisjes. De jonge neef, dien zij meegebracht hadden, +was van het hoofd tot de voeten in het wit gekleed, had blond haar +en zulke lange roode bakkebaarden, dat er wel genoeg was voor drie +heeren; hij bewees Babette terstond de grootste opmerkzaamheid. + +Rijk gebonden boeken, muziek en teekeningen lagen er op de groote tafel +verspreid; de deur, die naar het balkon voerde, stond open en gaf het +uitzicht op het schoone, uitgestrekte meer, dat zoo blank en stil was, +dat de bergen van Savoye met steden, bosschen en sneeuwtoppen zich +daarin afspiegelden. + +Rudy, die anders overmoedig, vroolijk en opgewekt was, gevoelde +zich hier volstrekt niet thuis; hij bewoog zich, alsof hij op +erwten over een gladden vloer liep. Wat viel de tijd hem lang, wat +ging deze langzaam voorbij, als in een tredmolen! En nu werd er een +wandeling gedaan! Dat ging even langzaam en vervelend; Rudy had wel +twee schreden vooruit en een achteruit kunnen doen, om met de anderen +in den stap te blijven. Zij wandelden naar Chillon, het oude, sombere +kasteel op het rotsachtige eiland, alleen om de foltertuigen te zien, +de gevangenissen, de verroeste kettingen in de rotsachtige muren, de +steenen britsen voor de ter dood veroordeelden, de valluiken, waardoor +de ongelukkigen naar beneden geworpen en op ijzeren spitse pennen +opgevangen werden. Dat alles te zien noemden zij een genoegen. Een +gerechtsplaats was het, die door Byrons gezang in de wereld der poëzie +opgenomen is. Rudy had slechts gevoel voor de gerechtsplaats; hij +stak het hoofd uit een der groote steenen vensterramen en keek neer +in het diepe, blauwachtig groene water en naar het kleine eiland met +de drie acacia's; daarheen wenschte hij zich wel verplaatst te zien, +vrij van het geheele pratende gezelschap; maar Babette was bijzonder +vroolijk gestemd. Zij had zich uitstekend geamuseerd, zeide zij; +de neef, vond zij, was een alleraardigst mensch. + +«Ja, een echte lafbek!» zei Rudy; en dit was de eerste maal, dat Rudy +iets zei, wat haar niet beviel. De Engelschman had haar een klein +boekje tot aandenken aan Chillon gegeven, het was Byrons gedicht: +«De gevangene van Chillon,» in het Fransch vertaald, zoodat Babette +het kon lezen. + +«Het boek kan wel heel mooi zijn,» zei Rudy, «maar de keurig gekleede +mijnheer, die het je gegeven heeft, staat mij niet aan.» + +«Hij zag er net uit als een meelzak zonder meel!» zei de molenaar, +en lachte om zijn eigen aardigheid. Ook Rudy lachte en zei, dat hij +er juist zoo over dacht. + + + +XI. + +De neef. + + +Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen, +vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem +gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie +versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was +volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde de Engelschman hier? Wat had +hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?--Rudy +was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen, +al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel +als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met +het hart van Rudy, en toch was hij,--dat moet gezegd worden,--haar +geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en +heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik +zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden +Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij +daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou +haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet +goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij +dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag +door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden, +dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste. + +Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige +hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen, +niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was +evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het +groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid, +die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte +en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven, +in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den +snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water, +dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood +aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den +molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de +Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde +hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit +de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd, +en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het +water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen +en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder +het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de +stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet +nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnen naar +buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen, +wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij +blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de +ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde. + +Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!--Maar +Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak +onder de linde. Er werd luid gesproken, het waren toornige woorden, er +kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen. + +Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht +hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef, +zeide zij. + +«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus +afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam +je, Babette!» + +«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga +heen, ga heen!» + +«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn +hart brandden als vuur. + +Babette wierp zich op haar bed neer en weende. + +«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!» + +Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders +zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten, +den verkwikkenden slaap der jeugd slapen. + + + +XII. + +Booze machten. + + +Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in +de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw +heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij +aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier +boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke +strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op +zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf. + +Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden, +zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht +genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op +waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide; +de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn +schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond +hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen. + +Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al +zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig; +hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de +bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had +hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde +neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal +stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te +komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpen voor zijn oogen; +daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had, +een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was; +voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben, +dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het +dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje +vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond, +toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde. + +«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij. + +«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!» + +«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw +en rotsen.» + +«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier +achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn +geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij +is, blijft van mij!» + +«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy. + +«Gij ook!» antwoordde het meisje. + +«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een +ondraaglijken dorst!» + +«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u +geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een +half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen +het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!» + +En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte +dezen aan Rudy over. + +«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden, +vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed +vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche +menschennatuur ontwaakte in hem. + +«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!» + +«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.» + +«Mijn verlovingsring?» + +«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den +beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde +levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe, +dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen, +opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des +levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden, +dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel +en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het +noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op +den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos +en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen, +evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde +haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde +deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft +het in woorden weer?--was het het leven des geestes of des doods, +dat hem vervulde?--werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe, +doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een +blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte, +en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig +blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van +het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte +er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,--en het werd nacht +voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden +haar spel met hem gedreven. + +Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het +water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom; +Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring +was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn +buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar +afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als +vaste sneeuwmassa's in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde +op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof +er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met +zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden. + +Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen +geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis +moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad. + + + +XIII. + +In den molen. + + +«Wat gaat het toch wonderlijk bij de menschen toe!» zei de kamerkat +tegen de keukenkat. «Nu zijn zij weer van elkaar af, Babette en +Rudy. Zij weent, en hij denkt zeker niet meer aan haar.» + +«Dat bevalt mij niet!» zei de keukenkat. + +«Mij ook niet!» zei de kamerkat, «doch ik zal het mij maar niet +aantrekken! Babette kan zich immers met dien roodbaard verloven! Maar +die is hier ook niet meer geweest, sedert hij op het dak wilde +klimmen!» + +Booze machten drijven haar spel om ons en in ons; dat had Rudy wel +eens gehoord en veel daarover nagedacht; wat was er in hem en om hem +heen gebeurd daar op den berg? Waren het spoken of koortsachtige +droomen? Hij had vroeger noch koorts, noch eenige andere ziekte +gekend. Maar toen hij Babette veroordeelde, had hij een blik in +zijn eigen binnenste geslagen. Hij had de wilde jacht in zijn hart, +den heeten orkaan, die daar huisgehouden had, nagespeurd. Zou hij aan +Babette ook alles kunnen biechten, iedere gedachte biechten, die in de +ure der verzoeking bij hem tot daad zou kunnen worden? Haar ring had +hij verloren, en juist door dit verlies had zij hem teruggekregen. Zou +zij hem alles kunnen opbiechten? Het was, alsof zijn hart zou breken, +als hij aan haar dacht; hoevele herinneringen rezen er niet bij +hem op! Hij zag haar, alsof zij bij levenden lijve voor hem stond, +lachend als een moedwillig kind; menig vriendelijk woord, dat zij +uit de volheid haars harten gesproken had, drong als zonnestralen in +zijn borst door, en al spoedig was alles daarin slechts zonneschijn +bij de gedachte aan Babette. + +Ja, zij moest hem alles kunnen biechten, en zij zou dit ook doen. + +Hij ging naar den molen toe en kwam tot de biecht. Deze begon met +een kus en eindigde daarmee, dat Rudy de zondaar bleef; het was +afschuwelijk van hem! Zulk een wantrouwen, zulk een heftigheid kon +hen beiden in het ongeluk storten. Ja zeker, dat kon! En daarom +hield Babette hem een kleine boetpredikatie, waarin zij zelf schik +had en die haar zeer goed afging, doch op één punt had Rudy gelijk: +de neef der petemoei van Babette was een lafbek; zij wilde het boek +verbranden, dat hij haar gegeven had, en zij wilde niet het minste +bezitten, dat haar aan hem kon herinneren. + +«Nu is het gevaar voorbij!» zei de kamerkat. «Rudy is weer hier, +zij verstaan elkaar, en dat is toch het grootste geluk, zeggen zij.» + +«Ik hoorde van nacht van de rotten,» zei de keukenkat, «dat het +grootste geluk is, vetkaarsen te eten en volop spek te hebben. Wie +moet men nu gelooven, de rotten of het verliefde paar?» + +«Geen van beiden,» zei de kamerkat, «dat is altijd het veiligste!» + +Het grootste geluk van Rudy en Babette, de schoonste dag, zooals zij +hem noemden, de trouwdag, was ophanden. + +Maar niet in de kerk te Bex zou de trouwplechtigheid plaats hebben, +niet in den molen zou er bruiloft gehouden worden; de petemoei +wilde, dat de bruiloft in haar huis zou gevierd worden en dat de +trouwplechtigheid in de mooie kleine kerk te Montreux zou plaats +vinden. De molenaar stond er op, dat deze wensch zou vervuld worden; +hij alleen wist, wat de petemoei voor de jonggehuwden bestemd had; +zij zouden van haar een bruidsgeschenk krijgen, dat wel waard was, +dat men zich naar haar wil schikte. De dag was bepaald. Reeds den +avond te voren zouden zij naar Villeneuve vertrekken, om den daarop +volgenden dag tijdig naar Montreux te rijden, opdat de dochters der +petemoei de bruid aan haar toilet zouden kunnen helpen. + +«Hier in huis zal er toch ook wel wat lekkers afvallen,» zei de +kamerkat; «als dit niet gebeurt, dan geef ik geen miauw voor de +heele geschiedenis!» + +«Hier zal wel gesmuld worden!» zei de keukenkat. «Er zijn eenden +geslacht, duiven geplukt, en een heele reebok hangt er aan den muur. Ik +watertand er al van, als ik daaraan denk! Morgen begint de reis!» + +Ja, morgen!--Op dezen avond zaten Rudy en Babette voor de laatste +maal als verloofden in den molen. + +Buiten gloeiden de Alpen, luidden de avondklokken en zongen de +dochteren der zon: «Moge het beste geschieden!» + + + +XIV. + +Nachtelijke droomgezichten. + + +De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de +hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika +kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken +scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik +doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen +de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom; +zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende +adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij +daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en +zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met +zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was +de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom +draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere +bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten +der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten, +zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze +kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den +ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot +in het open meer. + +«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water. + +Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren +droom. + +Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert +vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar +woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij +haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht, +hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het +huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede, +alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd; +het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond +zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd, +haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven, +en op den rotswand zag zij Rudy;--zij strekte haar armen naar hem uit, +maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet +gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was, +maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen, +dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in +grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag, +mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een +groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij +en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!» En +in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er +sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon... + +Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,--maar zij wist +toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman +gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien +zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou +zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er +over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar +al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten +er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk, +en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy. + +Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig +daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig, +en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een +goed vader en een eerlijke ziel. + +«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat. + + + +XV. + +Besluit. + + +Het was nog geen avond, toen de drie vroolijke menschen Villeneuve +bereikten en daar hun middagmaal hielden. De molenaar zette zich in +den leuningstoel neer, rookte zijn pijp en deed een kort dutje. Het +jonge bruidspaar liep gearmd de stad uit en ging den straatweg langs +onder de met struiken begroeide rotsen langs het blauwachtig groene, +diepe meer; het sombere Chillon spiegelde zijn grauwe muren en zijn +logge torens in den helderen vloed af; het kleine eiland met de drie +acacia's lag nog dichter bij: het zag er uit als een bloemruiker op +het meer. + +«Het moet daarboven verrukkelijk schoon zijn!» zei Babette. Zij +had weer heel veel lust om daar naar toe te gaan, en deze wensch kon +terstond in vervulling komen; aan den oever lag een schuitje; het touw, +waarmee het was vastgebonden, was gemakkelijk los te maken. Men zag +niemand, dien men vergunning kon vragen om het te gebruiken, en zoo +stapten zij dan zonder verder beraad in het schuitje. Rudy had er +wel verstand van, de roeiriemen te gebruiken. + +De roeiriemen grepen als vinnen van een visch in het water, dat zoo +buigzaam en toch zoo sterk is, dat een rug tot dragen en een mond +tot verslinden heeft, dat vriendelijk glimlacht, de zachtzinnigheid +zelve is, en toch schrik inboezemt en sterk tot verbrijzelen is. Een +schuimend zog vertoonde zich achter het schuitje, dat beiden in weinige +minuten naar het eilandje overbracht, waar zij aan land stapten. Hier +was niet meer plaats dan voor een dans voor twee personen. + +Rudy draaide met Babette een paar malen in de rondte; daarop gingen +zij hand in hand op de kleine bank onder de neerhangende acacia's +zitten, keken elkaar in de oogen, en alles in het rond straalde in den +glans der ondergaande zon. De dennenbosschen der bergen kleurden zich +paarsachtig rood als bloeiend heidekruid, en waar de boomen ophielden +en de steenen te voorschijn kwamen, daar gloeiden deze, alsof de rots +doorzichtig was; de wolken aan den hemel fonkelden als rood vuur, het +geheele meer was als het frissche, gloeiende rozeblad. Langzamerhand +rezen de schaduwen langs de met sneeuw bedekte bergen van Savoye +naar boven en kleurden ze zwartachtig blauw; maar de bovenste toppen +fonkelden als gloeiende lava, zij vertoonden een oogenblik uit de +vormingsgeschiedenis der bergen, toen deze massa's zich gloeiend uit +den schoot der aarde verhieven en nog niet afgekoeld waren. Rudy en +Babette meenden, zulk een Alpengloed nog nooit gezien te hebben. De +met sneeuw bedekte Dent du midi had een glans als de schijf der volle +maan, wanneer zij aan den horizon oprijst. + +«Zooveel schoonheid! Zooveel geluk!» zeiden beiden.--«De aarde heeft +mij niets meer te geven!» zei Rudy. «Een avond als deze is toch een +geheel leven! Hoe dikwijls gevoelde ik mijn geluk, zooals ik het nu +gevoel, en dacht, hoe gelukkig ik zou geleefd hebben, al kwam er nu +ook aan alles een einde! Hoe heerlijk is deze wereld! En de dag liep +ten einde, maar een nieuwe begon, en het kwam mij voor, alsof _deze_ +nog schooner was! Hoe oneindig goed is God, Babette!» + +«Ik gevoel mij zoo van heeler harte gelukkig!» zeide zij. + +«Meer heeft de aarde mij niet te geven!» riep Rudy uit. + +En de avondklokken klonken van de bergen van Savoye, van de Zwitsersche +bergen; in het Westen verhief zich in den gouden glans het zwartachtig +blauwe Juragebergte. + +«God geve je het heerlijkste en het beste!» zei Babette. + +«Dat zal Hij doen!» zei Rudy. «Morgen zal ik het hebben! Morgen ben +je geheel de mijne, mijn eigen, lief vrouwtje!» + +«Het schuitje!» riep Babette plotseling uit. + +Het schuitje, dat hen moest terugbrengen, was losgeraakt en dreef +van het eilandje weg. + +«Ik zal het wel terughalen!» zei Rudy, trok zijn jas en zijn laarzen +uit, sprong in het meer en zwom het schuitje met krachtige slagen +achterna. + +Koud en diep was het heldere, blauwachtig groene ijswater van den +gletscher van het gebergte. Rudy keek in het water neer; slechts een +enkele blik, en het was hem, alsof hij een gouden ring zag rollen, +glinsteren, fonkelen,--zijn verlovingsring kwam hem in de gedachten, +en de ring werd grooter, breidde zich in een fonkelenden kring uit, +en hierin schitterde de heldere gletscher; diepe kloven gaapten er in +het rond, en het was, alsof het water geluid gaf als een klokkenspel +en van witachtig blauwe vlammetjes fonkelde; in een oogenblik zag +hij, wat wij met vele woorden moeten zeggen. Jonge jagers en jonge +meisjes, mannen en vrouwen, die eenmaal in de kloven der gletschers +neergezonken waren, stonden hier levend met een open en glimlachenden +mond, en diep beneden klonken de kerkklokken van weggezonken steden; +de gemeente knielde onder de gewelven der kerk, stukken ijs vormden +de orgelpijpen, de rotsstroom speelde op het orgel; de ijsjonkvrouw +zat op den helderen, doorzichtigen grond, zij hief zich naar Rudy op, +kuste zijn voeten, en een ijskoude huivering ging hem door de leden, +een electrieke schok--ijs en vuur! Men kan tusschen deze bij de +kortstondige aanraking geen onderscheid merken. + +«Gij zijt de mijne!» klonk het om hem en in hem. «Ik kuste u, toen +ge nog klein waart, op uw mond!--Nu kus ik u op uw teenen en op uw +hielen, nu behoort ge mij geheel toe!» + +En hij verdween in het heldere blauwe water. + +Alles was stil, de kerkklokken verstomden, de laatste tonen verdwenen +met den glans aan de roode wolken. + +«De mijne zijt gij!» klonk het in de diepte; «de mijne zijt gij!» +klonk het in de hoogte. + +Wat is het heerlijk van liefde tot liefde, van de aarde naar den +hemel te vliegen. + +Er sprong een snaar, er klonk een rouwtoon, de ijskus des doods overwon +het vergankelijke; het voorspel eindigde, opdat het levensdrama zou +kunnen beginnen, de wanklanken losten zich in de schoonste harmonie op. + +Noemt ge dat een treurige geschiedenis? + +Die arme Babette! Zij verkeerde in een nameloozen angst. Het +schuitje dreef gedurig verder weg. Niemand aan den vasten wal wist, +dat het bruidspaar naar het kleine eilandje gevaren was. De wolken +daalden, de avond was donker. Alleen, wanhopig, jammerend stond +zij daar. Een onweder hing boven haar, de eene bliksemstraal na +den anderen fonkelde over het Juragebergte, over Zwitserland en +over Savoye heen; van alle kanten schoten er bliksemstralen, van +alle kanten deden zich donderslagen hooren, zij rolden in elkaar, +minuten lang. De bliksemstralen hadden vaak den glans der zon, men +zag iederen wijnstok, evenals op den tijd van den middag, en terstond +daarop was alles weer in duisternis gehuld. De bliksemstralen sloegen +in het meer in, zij flikkerden van alle kanten, terwijl het gedreun, +door de echo's weerkaatst, nog heviger werd. Op het land trok men de +schuitjes op den oever; alles, wat leven had, zocht beschutting! En +nu stroomde de regen neer. + +«Waar zouden Rudy en Babette toch in dit onweer zijn?» zei de molenaar. + +Babette zat met gevouwen handen, met het hoofd in den schoot, +sprakeloos van smart; zij weende, zij jammerde niet meer. + +«In het diepe water!» sprak zij bij zich zelve. «Diep beneden is hij +onder den gletscher!» + +Het kwam haar in de gedachten, wat Rudy van den dood van zijn moeder +en van zijn redding verteld had, toen hij als een lijk uit de kloof +van den gletscher gedragen werd. «De ijsjonkvrouw heeft hem weer.» + +Er kwam een bliksemstraal, even verblindend als zonneschijn op de witte +sneeuw. Babette sprong op; het meer verhief zich op dit oogenblik als +een vlammende gletscher, de ijsjonkvrouw stond daar vol majesteit, +blauwachtig bleek, stralend, en aan haar voeten lag het lijk van +Rudy. «Hij behoort mij toe!» zeide zij, en ver in het rond zag zij +weer niets anders dan duisternis en voortbruisende wateren. + +«Hoe wreed!» jammerde Babette. «Waarom moest hij juist sterven, +nu de dag van ons geluk aanbrak? God, mijn God! verlicht mijn +verstand! Straal in mijn hart! Ik begrijp Uw wegen niet! Ik tast rond +in de besluiten van Uw almacht en wijsheid!» + +En God verhoorde haar bede. Een gedachtebliksem, een genadestraal, +haar droom van den afgeloopen nacht, levendig als deze geweest was, +kwam haar weer voor den geest; zij herinnerde zich de woorden, den +wensch, dien zij uitgesproken had omtrent datgene, wat voor haar en +Rudy het beste zou zijn. + +«Wee mij! Was dat de kiem der zonde in mijn hart? Was mijn droom een +leven der toekomst, welks snaar ter mijner redding moest breken? Ik +ellendige!» + +Jammerend zat zij daar in den donkeren nacht. Door de diepe stilte +schenen de woorden van Rudy nog te klinken, de laatste, die hij hier +sprak: «Meer heeft de aarde mij niet te geven!» Zij klonken in de +volheid der vreugde, zij werden herhaald in diepe smart. + + + +Jaren zijn er sedert verloopen. Het meer glimlacht, zijn oevers +glimlachen; de wijnstok krijgt zwellende druiven; stoombooten met +wapperende vlaggen jagen voorbij, plezierbootjes met hun gezwollen +zeilen vliegen over den waterspiegel als witte vlinders; de spoorweg +over Chillon is geopend en voert diep het Rhônedal in. Aan ieder +station stappen vreemdelingen uit; zij houden hun in rood gebondene +reisboeken in de hand en lezen daarin, wat zij al zoo merkwaardigs +te zien hebben. Zij bezoeken Chillon, zij zien buiten in het meer +het kleine eiland met de drie acacia's, en lezen in het boek van +het bruidspaar, dat daar op een avond van het jaar 1856 langs voer, +van den dood van den bruidegom en: «eerst den volgenden morgen hoorde +men aan den oever het wanhopige jammeren der bruid.» + +Maar het reishandboek vertelt niets van het stille leven van Babette +bij haar vader, niet in den molen,--want daar wonen nu andere +menschen,--maar in het mooie huis in de nabijheid van den spoorweg, +uit welks ramen zij nog menigen avond over de kastanjeboomen naar +de sneeuwbergen kijkt, waarover Rudy zich eenmaal voortspoedde; zij +ziet des avonds den Alpengloed, de kinderen der zon legeren zich +op de hooge bergen en herhalen het lied van den reiziger, wien de +wervelwind den mantel afrukte, het hulsel ontnam, maar niet den man. + +Hier is rozenglans op de sneeuw van den berg, rozenglans in ieder hart, +waarin de gedachte woont: «God laat het beste voor ons geschieden!» +Maar het wordt ons niet altijd geopenbaard, zooals het Babette in +haar droom geopenbaard werd. + + + + +DE NACHTEGAAL. + + +In China, moet je weten, is de keizer een Chinees en allen, die hij om +zich heen heeft, zijn ook Chineezen. Het is nu al vele jaren geleden, +maar juist daarom is het de moeite wel waard, de geschiedenis eens +te hooren, voordat zij vergeten wordt. Het keizerlijk paleis was +het prachtigste van de wereld, geheel en al van fijn porselein, zeer +kostbaar, maar zoo broos, zoo gevaarlijk om er aan te raken, dat men +zich zeer in acht moest nemen. In den tuin zag men de wonderlijkste +bloemen, en aan de prachtigste waren zilveren klokjes vastgebonden, +die altijd bengelden, opdat men niet zou voorbijgaan, zonder op de +bloemen te letten. Ja, alles was in den tuin van den keizer keurig +ingericht. En hij strekte zich zoo ver uit, dat de tuinman zelf het +einde daarvan niet wist. Als men maar steeds verder ging, dan kwam +men in het heerlijkste bosch met hooge boomen en diepe meren. Het +bosch strekte zich tot aan de zee uit, die blauw en diep was; groote +schepen konden tot onder de takken der boomen voortzeilen, en in +deze boomen woonde een nachtegaal, die zoo prachtig zong, dat zelfs +de arme visscher, die toch drukke bezigheden had, met werken ophield +en luisterde, als hij 's nachts uitgevaren was, om zijn net uit te +werpen, en dan den nachtegaal hoorde. «Och, och! wat is dat mooi!» +zei hij; maar hij moest op zijn zaken acht geven en vergat den vogel +daardoor. Maar als deze den volgenden nacht weer zong en de visscher +daarheen kwam, dan zei hij hetzelfde weer. + +Uit alle landen der wereld kwamen er reizigers naar de stad van den +keizer en bewonderden deze, en vooral het paleis en den tuin. Maar +als zij den nachtegaal hoorden, dan zeiden zij toch allen: «Dat is +nog het mooiste van alles!» + +De reizigers vertelden daarvan, als zij weer thuis kwamen; en +de geleerden schreven vele boeken over de stad, het paleis en den +tuin. Maar ook den nachtegaal vergaten zij niet: deze werd het hoogst +gesteld; en zij, die verzen konden maken, schreven de prachtigste +gedichten over den nachtegaal in het bosch bij de diepe zee. + +Deze boeken werden door de geheele wereld verspreid, en enkele daarvan +kwamen ook den keizer in handen. Deze zat op zijn gouden stoel en +las; ieder oogenblik knikte hij met het hoofd, want het deed hem +genoegen, de prachtige beschrijvingen van de stad, het paleis en den +tuin te lezen. «Maar de nachtegaal is nog het mooiste van alles!» +stond daar geschreven. + +«Wat is dat?» riep de keizer uit. «Den nachtegaal ken ik niet eens! Is +er zulk een vogel in mijn keizerrijk en zelfs in mijn tuin? Dat heb +ik nog nooit gehoord! Dat ik zoo iets eerst uit boeken moet vernemen!» + +En hierop riep hij zijn kamerheer. Deze was zoo voornaam, dat hij, +als iemand, die minder dan hij was, tegen hem wilde spreken of hem +naar iets vragen, niets anders ten antwoord gaf dan: «P!» en dat +beteekent niets. + +«Er moet hier een uiterst merkwaardige vogel zijn, die nachtegaal +genoemd wordt!» zei de keizer. «Men zegt, dat deze het mooiste van +alles in mijn groot rijk is. Waarom heeft men mij daarvan nooit +iets gezegd?» + +«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Hij is +nooit ten hove voorgesteld.» + +«Ik wil, dat hij heden avond in het paleis komt en voor mij zingt!» +zei de keizer. «De heele wereld weet, wat ik heb, en ik weet het niet.» + +«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Ik zal +hem zoeken, ik zal hem vinden!» + +Maar waar zou hij te vinden zijn? De kamerheer liep alle trappen op en +neer, door zalen en gangen, maar geen van allen, die hij ontmoette, +had over den nachtegaal hooren spreken. En de kamerheer keerde naar +den keizer terug en zei, dat het zeker een verzinseltje moest zijn +van hen, die boeken schreven. «Uwe Keizerlijke Majesteit kan niet +begrijpen, wat er al zoo geschreven wordt! Dat zijn verdichtselen en +iets, wat men de zwarte kunst noemt.» + +«Maar het boek, waarin ik dit gelezen heb,» zei de keizer, «is mij +door den grootmachtigen keizer van Japan gezonden; en het kan dus +geen onwaarheid zijn. Ik wil den nachtegaal hooren! Hij moet heden +avond hier zijn. Hij bezit mijn hoogste genade! En als hij niet komt, +dan moet het geheele hof met stokslagen gestraft worden, wanneer men +den avondmaaltijd genuttigd heeft!» + +«Tsing pe!» zei de kamerheer en liep nogmaals alle trappen op en +neer, door al de zalen en gangen; en het halve hof liep mee, want zij +wilden niet graag stokslagen krijgen. Nu werd er aan ieder gevraagd +naar den merkwaardigen nachtegaal, dien de heele wereld kende, maar +aan het hof niemand. + +Eindelijk troffen zij een klein, arm meisje in de keuken aan, dat +tegen hen zei: «Och, hemel! den nachtegaal ken ik heel goed! O, +wat kan die zingen! Iederen avond mag ik de restjes van de tafel +aan mijn arme, zieke moeder brengen; zij woont aan het strand, en +als ik terugkom, moe ben en in het bosch uitrust, dan hoor ik den +nachtegaal zingen! Daarbij komen mij de tranen in de oogen, en het +is mij, alsof mijn moeder mij kuste!» + +«Beste meid!» zei de kamerheer, «ik zal je een post in de keuken +bezorgen en de vergunning, den keizer te zien eten, als je ons naar +den nachtegaal kunt brengen, want deze is tegen van avond aan het +hof ontboden!» + +En zoo liepen zij met hun allen het bosch in, waar de nachtegaal +placht te zingen; het halve hof was er bij. Toen zij een eindje +geloopen hadden, begon er een koe te loeien. + +«Ziezoo!» zeiden de hovelingen, «daar hebben we hem! Wat zit er toch +een stem in zoo'n klein beestje! Ik moet dit vroeger zeker als eens +meer gehoord hebben.» + +«Neen, dat is een koe, die loeit!» zei het meisje. «We zijn nog ver +van de plaats verwijderd.» + +Nu kwaakten de kikvorschen in het moeras. + +«Prachtig!» riep de Chineesche hofprediker. «Nu hoor ik hem; het +klinkt precies als kleine kerkklokken.» + +«Neen, dat zijn kikvorschen!» zei het meisje. «Maar nu denk ik, +dat we hem gauw zullen hooren.» + +Daar begon de nachtegaal te zingen. + +«Dat is hij!» zei het meisje. «Hoort! Hoort! Daar zit hij!» En hierbij +wees zij naar een kleinen, grauwachtigen vogel boven in de takken. + +«Hoe is 't mogelijk?» zei de kamerheer. «Zoo had ik hem mij niet +voorgesteld! Wat ziet hij er eenvoudig uit! Hij heeft zeker zijn +kleur verloren, doordat hij zoo vele deftige heeren om zich heen ziet!» + +«Lieve nachtegaal!» zeide het meisje overluid; «onze genadige keizer +verlangt, dat ge voor hem zingt.» + +«Met het meeste genoegen!» antwoordde de nachtegaal en zong daarop, +dat het een lust was om te hooren. + +«Het klinkt precies als glazen klokjes!» zei de kamerheer. «En kijk +dat kleine keeltje eens, hoe het op en neer gaat! Het is zonderling, +dat wij hem vroeger nooit gehoord hebben. Hij zal aan het hof zeker +wel veel opgang maken!» + +«Moet ik nog eens voor den keizer zingen?» vroeg de nachtegaal, +die dacht, dat de keizer er ook bij was. + +«Mijn voortreffelijke kleine nachtegaal!» zei de kamerheer, «ik heb +het genoegen, u heden avond tot een feest ten hove uit te noodigen, +waar ge Zijne Keizerlijke Majesteit door uw verrukkelijk gezang +ongetwijfeld zult betooveren.» + +«Dit laat zich het best te midden van het geboomte hooren!» zei de +nachtegaal; maar hij ging toch mee, toen hij hoorde, dat de keizer +het wenschte. + +In het paleis was alles in orde gebracht. De wanden en de vloeren, +die van porselein waren, fonkelden in den glans van vele duizenden +gouden lampen; de prachtigste bloemen, die goed konden klingelen, +waren in de gangen neergezet. Daar was een geloop en gedraaf, en alle +klokjes klingelden zoo, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan. + +Midden in de groote zaal, waar de keizer zat, was een gouden stok +geplaatst: daarop moest de nachtegaal zitten. Het geheele hof was er, +en de kleine keukenmeid had vergunning verkregen, om achter de deur +te staan, daar zij nu den titel van een werkelijke hofkeukenmeid +gekregen had. Allen waren in feestgewaad gedost, en allen keken naar +den kleinen, grauwachtigen vogel, dien de keizer toeknikte. + +De nachtegaal zong zoo prachtig, dat den keizer de tranen in de oogen +kwamen en langs de wangen biggelden; en nu zong de nachtegaal nog +mooier: het ging hem zoo recht van harte. De keizer was zoo verrukt, +dat hij zei, dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel om den hals +moest dragen. Maar de nachtegaal bedankte hiervoor: hij was al +genoeg beloond. + +«Ik heb tranen in 's keizers oogen gezien, dat is voor mij de grootste +schat! De tranen van een keizer hebben een bijzondere kracht! God weet +het, ik ben genoeg beloond!» Daarop zong hij weer met zijn liefelijke, +prachtige stem. + +«Dat is de beminnelijkste coquetterie, die ik ken!» zeiden de dames in +de rondte, en toen namen zij water in den mond om daarmee te klokken, +als iemand tegen haar sprak. Zij meenden, dat zij dan ook nachtegalen +waren. Ja, de lakeien en de kameniers lieten berichten, dat ook zij +tevreden waren; dat wil veel zeggen, want die zijn het moeilijkst te +voldoen. In één woord, de nachtegaal vond algemeenen bijval. + +Hij zou nu aan het hof blijven, zijn eigen kooi hebben en de vergunning +krijgen, er overdag tweemaal en 's nachts eenmaal uit te komen. Hij +kreeg daarop twaalf bedienden, die allen een zijden draadje om een van +zijn pooten gebonden hadden, waaraan zij hem stevig vasthielden. Er +was volstrekt geen plezier in zulk een wandeling. + +De geheele stad sprak over den merkwaardigen vogel, en als twee elkaar, +ontmoetten, dan zei de een niets anders dan «Nacht!» en dan zei de +ander: «Gaal» [18]. En dan zuchtten zij en begrepen elkaar. Ja, elf +kinderen werden er naar hem genoemd; maar niet een van hen had eenig +geluid in zijn keel. + +Op zekeren dag kreeg de keizer een groot pakket, waarop geschreven +stond: «De nachtegaal.» + +«Daar hebben we nu een nieuw boek over onzen beroemden vogel!» zei +de keizer. Maar het was geen boek, maar een klein kunstwerk, dat +in een doosje lag: een kunstmatige nachtegaal, die op den levenden +moest gelijken, maar overal met diamanten, robijnen en saffieren als +bezaaid was. Zoodra men den kunstmatigen vogel opwond, kon hij een +der stukken, die de werkelijke vogel zong, zingen: en dan bewoog zijn +staart op en neer en fonkelde van zilver en goud. Om zijn hals hing +een klein lint, en daarop stond geschreven: «De nachtegaal van den +keizer van Japan is arm, bij dien van den keizer van China vergeleken.» + +«Dat is prachtig!» zeiden allen; en de persoon, die den kunstmatigen +vogel gebracht had, kreeg dadelijk den titel van Keizerlijken +Opper-Nachtegaalbrenger. + +«Nu moeten zij eens samen zingen. Wat zal dat een mooi duet worden!» + +En zoo moesten zij samen zingen; maar het eene gezang paste niet goed +bij het andere, want de werkelijke nachtegaal zong op zijn wijze +en de kunstmatige vogel bracht geluid voort door het ronddraaien +van een cilinder. «Het is zijn schuld niet,» zei de muziekmeester; +«hij blijft goed in de maat en zingt geheel volgens mijn methode!» +Nu moest de kunstmatige vogel alleen zingen. Hij vond evenveel bijval +als de werkelijke, en daarbij kwam nog, dat hij er veel mooier uitzag: +hij fonkelde als armbanden en doekspelden. + +Drie-en-dertig maal zong hij één en hetzelfde stuk en was nog niet +moe. De aanwezigen zouden hem graag nog eens gehoord hebben, maar de +keizer beweerde, dat nu ook de levende nachtegaal eens iets moest +zingen.---Maar waar was die? Niemand had gemerkt, dat hij door het +openstaande raam naar zijn groene bosschen weggevlogen was. + +«Wat is dat?» riep de keizer uit. En al de hovelingen waren geërgerd +en beweerden, dat de nachtegaal een heel ondankbaar beest was. «Den +besten nachtegaal hebben we toch!» zeiden zij; en zoo moest dan de +kunstmatige vogel weer zingen, en dat was de vier-en-dertigste maal, +dat zij hetzelfde stuk te hooren kregen. Zij kenden het met dat al toch +niet van buiten; want het was veel te moeilijk. En de muziekmeester +prees den vogel hemelhoog; ja, hij verzekerde, dat hij beter dan +een levende nachtegaal was, niet alleen wat zijn veeren en de vele +prachtige diamanten betreft, maar ook innerlijk. + +«Want ziet ge, Mijne Heeren! en bovenal gij, Uwe Majesteit! bij den +werkelijken nachtegaal kan men nooit berekenen, wat er zal komen; maar +bij den kunstmatigen vogel is alles bepaald! Men kan het verklaren, +men kan hem opendoen en het aan de menschen begrijpelijk maken, +hoe de cilinders zitten, hoe zij omdraaien, en hoe het een uit het +ander volgt.» + +«Zoo denken wij er ook over!» zeiden allen, en de muziekmeester +kreeg de vergunning, den vogel den volgenden Zondag aan het volk +te laten zien. Het moest hem ook hooren zingen, beval de keizer. En +het volk hoorde hem; en het werd zoo uitgelaten, alsof het zich aan +thee bedronken had, want dat is Chineesch. Nu zeiden allen: «O!» +en hielden hun wijsvinger in de hoogte en knikten daarbij. De arme +visschers echter, die den werkelijken nachtegaal gehoord hadden, +zeiden: «Dat klinkt niet onaardig; de zangwijzen gelijken ook op +elkaar; maar er ontbreekt toch iets aan, ik weet niet wat.» + +De werkelijke nachtegaal werd uit het land verbannen. + +De kunstmatige vogel had zijn plaats op een zijden kussen dicht bij het +bed van den keizer; al de geschenken, die hij gekregen had, lagen om +hem heen, en in den titel was hij tot een «Keizerlijken Kamerzanger» +geklommen, in den rang tot nummer één aan de linkerzijde. Want de +keizer rekende die zijde voor de voornaamste, waar het hart zit, en +het hart zit ook bij een keizer links. En de muziekmeester schreef +een werk van vijf-en-twintig deelen over den kunstmatigen vogel; dit +was zoo geleerd en zoo lang, vol van de allermoeilijkste Chineesche +woorden, dat alle menschen zeiden, dat zij het gelezen en begrepen +hadden; want anders zouden zij immers dom geweest zijn en stokslagen +gekregen hebben. + +Zoo ging het een geheel jaar door. De keizer, het hof en al de andere +Chineezen kenden het gezang van den kunstmatigen vogel nu heelemaal +van buiten. Maar juist daarom beviel het hun ook het allerbest; zij +konden zelf meezingen, en dat deden zij dan ook. De straatjongens +zongen: «Tititi, tititi!» En de keizer zong het insgelijks. Ja, +dat was allerprachtigst! + +Op zekeren avond echter, toen de kunstmatige vogel overheerlijk zong +en de keizer te bed lag en daarnaar luisterde, ging het van binnen +in den vogel «Knap!» Daar sprong iets! «Rrrrr!» alle raderen liepen +in de rondte, en toen stond de muziek stil. + +De keizer sprong dadelijk uit zijn bed en liet zijn lijfarts roepen; +maar wat kon _die_ er aan doen? Toen lieten zij den horlogemaker halen, +en na veel praten en bekijken kreeg hij den vogel een beetje in orde; +maar hij zeide, dat hij ontzien moest worden, want de pennetjes waren +afgesleten, en het was onmogelijk, er nieuwe zóó in te zetten, dat de +muziek goed bleef gaan. Nu heerschte er een diepe treurigheid! Slechts +eenmaal in het jaar mocht men den kunstmatigen vogel laten zingen, +en dat was bijna nog te veel. Maar dan hield de muziekmeester een +korte toespraak vol vreemde woorden en zeide, dat hij even goed was +als vroeger; en toen was hij ook even goed als vroeger. + +Nu waren er vijf jaren verloopen, en het land werd in diepe treurigheid +gedompeld. De Chineezen hielden in den grond allen veel van hun keizer, +en nu was hij ziek en zou het wel niet lang meer maken, zei men. Er +was al een _nieuwe_ keizer gekozen, en het volk stond buiten op de +straat en vroeg aan den kamerheer, hoe het met hun ouden keizer ging. + +«P!» zeide hij en schudde met het hoofd. + +Koud en bleek lag de keizer in zijn groot, prachtig ledekant; het +geheele hof dacht, dat hij dood was, en ieder van hen liep weg, om den +nieuwen keizer te begroeten. De kamerdienaars liepen naar buiten, om +daarover te praten, en de kameniers hadden een groote koffievisite. In +al de zalen en gangen was laken neergelegd, opdat men geen voetstap +zou hooren, en daarom was het er stil! Maar de keizer was nog niet +dood; stijf en bleek lag hij in het prachtige ledekant met de lange +fluweelen gordijnen en de zware gouden kwasten; in de hoogte stond +er een raam open, en de maan scheen daardoor heen op den keizer en +den kunstmatigen vogel. + +De arme keizer kon tenauwernood ademhalen; het was, alsof er iets +op zijn borst zat; hij deed de oogen open, en nu zag hij, dat het +de dood was, die op zijn borst zat en zich zijn gouden kroon opgezet +had en in de eene hand zijn gouden sabel, in de andere zijn prachtig +vaandel hield. En uit de plooien van de groote, fluweelen bedgordijnen +kwamen wonderlijke hoofden kijken: enkele leelijk, andere liefelijk +en vriendelijk. Dat waren al 's keizers booze en goede daden, die +hem aanstaarden, terwijl de dood hem op het hart zat. + +«Herinnert ge u dit?» fluisterde de een na den ander. «Herinnert ge +u dat?» En dan vertelden zij hem zoo veel, dat hem het zweet van het +voorhoofd gutste. + +«Dat heb ik niet geweten!» zei de keizer. «Muziek! Muziek! De groote +Chineesche trommel!» riep hij, «opdat ik niet alles behoef te hooren, +wat zij zeggen!» + +En zij gingen voort, en de dood knikte als een Chinees bij alles, +wat er gezegd werd. + +«Muziek! Muziek!» schreeuwde de keizer. «Och, kleine, prachtige +gouden vogel! Zing toch, zing toch! Ik heb u immers goud en +kostbaarheden gegeven; ik heb u zelfs mijn gouden pantoffel om den +hals gehangen. Zing toch, zing toch!» + +Maar de vogel hield zich stil, er was niemand om hem op te winden, +en anders zong hij niet; maar de dood ging voort, den keizer met zijn +groote, holle oogen aan te staren; en stil was het, akelig stil. + +Daar deed zich op eens van den kant van het raam het heerlijkste +gezang hooren: het was de kleine, levende nachtegaal, die buiten op een +tak zat. Hij had van de ziekte van zijn keizer gehoord en was daarom +gekomen, om hem troost en hoop toe te zingen. En terwijl hij zong, +werden de spooksels gedurig bleeker en bleeker; het bloed begon gedurig +sneller en sneller door 's keizers zwakke leden te vloeien, en zelfs +de dood luisterde en zei: «Zing door, kleine nachtegaal! Zing door!» + +«Wilt ge mij dan de prachtige gouden sabel geven? Wilt ge mij het +mooie vaandel geven? Wilt ge mij de kroon van den keizer geven?» + +En de dood gaf ieder kleinood voor een lied; en de nachtegaal ging +nog steeds met zingen voort; hij zong van den stillen akker Gods, +waar de witte rozen groeien, waar de vlier geurt, en waar het frissche +gras door de tranen der achterblijvenden bevochtigd wordt. Nu kreeg de +dood verlangen naar zijn tuin en zweefde, als een koude, witte nevel, +uit het raam. + +«Dank, dank!» zei de keizer. «Gij hemelsche, kleine vogel! Ik +ken u wel! Ik heb u uit mijn land verjaagd! En toch hebt gij de +booze gezichten van mijn bed weggezonden, den dood van mijn hart +verdreven! Hoe kan ik u daarvoor beloonen?» + +«Ge hebt mij beloond!» zei de nachtegaal. «Ik heb aan uw oogen tranen +ontlokt, toen ik de eerste maal zong: dat vergeet ik nimmer! Dat zijn +juweelen, die een zangershart verheugen! Maar slaap nu en word weer +frisch en sterk! Ik zal u iets voorzingen!» + +En hij zong,--en de keizer viel in een zoete sluimering. O, hoe mild +en weldadig was die slaap! + +De zon scheen door het raam naar binnen, toen hij gesterkt en gezond +ontwaakte. Geen van zijn bedienden was nog teruggekomen, want zij +dachten, dat hij dood was; alleen de nachtegaal zat nog bij hem +en zong. + +«Altijd moet ge bij mij blijven!» zei de keizer. «Ge moet nu maar +zingen, als ge zelf wilt, en den kunstmatigen vogel sla ik in duizend +stukken.» + +«Doe dat niet!» zei de nachtegaal. «Hij heeft immers het goede gedaan, +zoo lang als hij kon. Behoud hem, evenals tot hiertoe! Ik kan in het +paleis mijn nest niet bouwen en daar wonen; maar laat mij komen, als +ik zelf lust heb; dan zal ik 's avonds op den tak daar bij het raam +zitten en iets voor u zingen, opdat ge vroolijk kunt worden en tevens +leert nadenken. Ik zal van de gelukkigen zingen en van hen, die in +lijden zijn. Ik zal van het kwade en van het goede zingen, dat om u +heen verborgen blijft. De kleine zangvogel vliegt ver in de rondte, +naar den armen visscher, naar den nijveren landman, naar iedereen, +die ver van u en uw hof verwijderd is. Ik heb uw hart liever dan uw +kroon, en toch heeft die kroon een stralenkrans van heiligheid om +zich heen!--Ik zal dus komen en iets voor u zingen!--Maar dan moet +ge mij één ding beloven!» + +«Alles!» zei de keizer en stond daar in zijn keizerlijk gewaad, dat +hij zelf aangetrokken had, en drukte de sabel, die zwaar van het goud +was, aan zijn hart. + +«Om één ding smeek ik u! Vertel aan niemand, dat ge een kleinen vogel +hebt, die u alles zegt; dan zal het nog beter gaan!» + +Nu vloog de vogel weg. + +De bedienden kwamen binnen, om naar hun dooden keizer te kijken,----ja, +daar stonden zij, en de keizer zei: «Goeden morgen!» + + + + +EEN GESCHIEDENIS. + + +In den tuin bloeiden al de appelboomen; zij hadden zich gehaast, +bloesems te krijgen, voordat hun bladeren ontsproten; en in den tuin +gingen al de eendjes wandelen, en ook de kat; zij bakerde zich in de +zon en likte den zonneschijn van haar eigen poot af. En als men een +blik op de velden sloeg, wat stond daar het koren heerlijk te prijken, +en wat was alles onbeschrijfelijk prachtig, en wat was er een getjilp +en een gekwinkeleer van al de kleine vogeltjes, alsof het een groot +feest was, en dat was het ook, want het was Zondag. De klokken luidden +en al de menschen gingen in hun beste kleeren naar de kerk en zagen +er vergenoegd uit; ja, aan alles was iets vroolijks; het was een dag, +zoo warm en gezegend, dat men wel zeggen kon: De goede God is toch +onbeschrijfelijk goed voor ons menschen! + +Maar binnen in de kerk stond de dominee op den preekstoel en sprak +heel luid en toornig; hij zei, dat de menschen allemaal goddeloos +waren, God zou ze daarom straffen, en als ze stierven, dan zouden +de boozen allemaal in de hel komen, om eeuwig te branden. Hij wees +er met nadruk op, «dat hun worm niet zou sterven en hun vuur niet +uitgebluscht worden, dat zij nimmer rust zouden vinden!» + +Dat was vreeselijk om aan te hooren, en hij zei dit op zulk een toon +van overtuiging; hij beschreef hun de hel als een verpeste plaats, +waarheen al het ontuig uit de geheele wereld samenvloeit,--daar was +geen andere lucht, dan de heete brandende zwavelvlam, daar was geen +grond, zij--de boozen--zonken en zonken al dieper en dieper bij een +eeuwig stilzwijgen!--Het was reeds vreeselijk daarvan te hooren; +want de dominee sprak het uit het volle hart, en al de menschen in +de kerk waren daarover ontzet. + +Buiten intusschen zongen al de vogeltjes zoo vroolijk, en de zon +scheen zoo warm, het was alsof ieder bloempje zei: «God! Gij zijt zoo +onbeschrijfelijk goed voor ons allen!»--Ja, buiten was het volstrekt +niet, zooals de dominee preekte. + +Dien zelfden avond bij het naar bed gaan keek de dominee zijn vrouw +aan en zag, dat zij peinzend en in gedachten verdiept zat. + +«Wat scheelt er aan?» vroeg hij haar. + +«Ja, wat mij scheelt?» zeide zij. «Dit scheelt mij, dat ik mijn +gedachten niet goed weet te verzamelen, dat ik datgene, wat je +vandaag in de kerk gesproken hebt, niet goed kan begrijpen, «dat er +zoovele goddelooze menschen zijn en dat zij eeuwig zullen branden!» +Eeuwig! Ach, wat is dat lang!--Ik ben maar een mensch, een zondares +voor God, maar ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen, zelfs +den snoodsten zondaar eeuwig te laten branden, en hoe zou God dit dan +kunnen, die zoo oneindig goed is, en die immers weet, hoe het booze van +buiten en van binnen komt? Neen ik kan het mij zoo niet voorstellen, +ofschoon gij het zegt!» + + + +Het was herfst, de boomen lieten hun bladeren vallen, de ernstige, +strenge dominee zat aan de legerstede van een stervende; een vrome, +geloovige vrouw sloot de oogen: het was de echtgenoote van den dominee. + +«Als er iemand rust in het graf en genade voor zijn God vindt, dan +zal zij het wel zijn!» zei de dominee; hij vouwde haar handen en las +een psalm voor de overledene. + +Men droeg haar ten grave; twee groote tranen biggelden er langs de +wangen van den strengen man, en in de pastorie was het stil en ledig: +de zon des huizes was uitgebluscht, zij was huiswaarts gegaan. + +Het was nu nacht, een kille wind blies over het hoofd van den dominee; +hij sloeg de oogen op, en het was hem, alsof de maan in zijn kamer +scheen, maar deze scheen niet. Een gestalte was het, die voor zijn +bed stond, hij zag den geest van zijn overleden vrouw; zij keek hem +zoo innig bedroefd aan; het was, alsof zij iets tegen hem wilde zeggen. + +De dominee richtte zich terstond in zijn bed op en strekte de armen +naar haar uit. «Zoo is dan ook aan u de eeuwige rust niet vergund! Ge +lijdt, gij, de beste, de vroomste!» + +De doode knikte bevestigend met het hoofd en legde de hand op de borst. + +«En ben ik bij machte om u de rust in het graf te schenken?» + +«Ja!» luidde het antwoord. + +«En op welke wijze?» + +«Geef mij een haar, maar een enkel haar van het hoofd van den zondaar, +wiens vuur nimmer zal uitgebluscht worden; van _dien_ zondaar, dien +God tot eeuwige pijn in de hel zal werpen.» + +«Ja, zoo gemakkelijk moet gij verlost kunnen worden, gij reine en +vrome!» zeide hij. + +«Volg mij dan!» zei de doode. «Het is ons vergund. Aan mijn zijde +zweeft ge, waarheen uw gedachten maar willen: voor de menschen +onzichtbaar, dringen wij hun geheimste vertrekken binnen,--maar met +vaste hand moet ge hem opsporen, die tot eeuwige kwelling uitverkoren +is, en voor het hanengekraai moet hij gevonden zijn!» + +Snel, als door de gevleugelde gedachten gedragen, bevonden zij +zich in de groote stad, en van de muren der huizen straalden hun in +vlammend schrift de namen der doodzonden tegen: hoogmoed, gierigheid, +dronkenschap, wellust, in één woord de geheele zevenkleurige boog +der zonde. + +«Ja, daarbinnen, zooals ik wel dacht, zooals ik wel wist,» zei de +dominee, «daarbinnen wonen zij, die voor het eeuwige vuur bestemd +zijn!»--En zij stonden voor het prachtig verlichte portaal, de breede +trappen prijkten met tapijten en bloemen, en door de feestelijk +versierde zalen ruischte de dansmuziek. De portier, in zijde en +fluweel gekleed, stond met zijn grooten, met zilver beslagen stok +aan den ingang. + +«Ons bal kan zich met dat van den koning meten!» zei hij en wendde zich +verachtelijk tot de gapende menigte, die op de straat stond; wat hij +dacht, bleek genoegzaam uit zijn gedragingen en bewegingen. «Schooiers, +die daar alles staat aan te gapen, bij mij vergeleken ben je allemaal +kanalje!» + +«Hoogmoed!» zei de doode, «ziet ge hem?» + +«Dien daar?» antwoordde de dominee. «Het is immers maar een arme gek, +een dwaas, en niet voor de kwellingen van het eeuwige vuur bestemd.» + +«Maar een dwaas!» klonk het door het geheele huis van den hoogmoed; +dat waren zij daar allen. + +Zij zweefden tot binnen de vier kale muren van den gierigaard. Mager +als een geraamte, van koude sidderend, hongerig klampt de grijsaard +zich met al zijn gedachten aan zijn geld vast; zij zagen hem +koortsachtig van zijn ellendige legerstede opspringen en een lossen +steen uit den muur nemen, daar lagen gouden munten in een oude kous; +zij zagen hem zijn gescheurden rok, waarin de goudstukken genaaid +waren, angstig betasten, en zijn vochtige vingers sidderden! + +«Die is ziek! Dat is waanzinnigheid, een droevige waanzinnigheid, +door angst en booze droomen omgeven!» + +Zij verwijderden zich snel en kwamen voor de kribben der misdadigers; +in lange rijen sliepen de ongelukkigen naast elkander. Als een wild +dier sprong er een uit zijn slaap op en stiet een afschuwelijken gil +uit, hij gaf zijn kameraad met den elleboog een duchtigen stoot in +de ribben, en deze keerde zich slaperig om, zeggende: + +«Houd je mond, onmensch, en slaap!--Dat is hier iederen nacht!...» + +«Iederen nacht!» herhaalde de ander. «Ja, iederen nacht komt hij en +kwelt mij!--In mijn drift heb ik dit en dat gedaan, met een boos hart +ben ik geboren, dit heeft mij ten tweeden male hier gebracht; maar als +ik kwaad gedaan heb, dan onderga ik daarvoor immers mijn straf.--Er is +echter één ding, dat ik niet bekend heb. Toen ik de laatste maal hier +uitkwam en het huis van mijn vroegeren heer voorbijging, toen kookte +het in mij, omdat mij een en ander in de gedachten kwam,--en ik streek +een lucifer zoo wat tegen den muur af; alles verbrandde, de hitte kwam +daarover, zooals zij menigmaal over mij komt. Ik hielp zelf redden, +vee en meubelen. Niets levends verbrandde er dan een troep duiven, +die in het vuur vlogen, en de kettinghond, waaraan ik niet gedacht +had. Men hoorde hem te midden van den brand huilen, en... dit huilen +hoor ik nog altijd, als ik wil slapen, en als ik in slaap gevallen ben, +dan komt de hond groot en ruw, en legt zich op mij neer, en huilt, +en drukt mij, en kwelt mij!--Hoor dan toch, wat ik je vertel! Snorken +kan je; den heelen nacht snork je, maar ik nog geen kwartier!»--En +het bloed kwam den verhitten gevangene in de oogen, hij wierp zich +op zijn kameraad en sloeg hem met zijn gebalde vuist in het gezicht. + +«De booze Matz is weer eens dol geworden!» heette het nu in de rondte, +en de andere misdadigers grepen hem, worstelden met hem, drukten hem +krom, zoodat zijn hoofd tusschen zijne knieën zat, en daar bonden +zij dit vast, zoodat het bloed Matz bijna uit de oogen en uit alle +poriën kwam. + +«Gij doodt hem, den ongelukkige!» riep de dominee uit, en terwijl +hij zijn hand beschermend over dengene uitstrekte, die reeds te zwaar +boette, veranderde het tooneel. Zij vlogen door rijke zalen en arme +kamertjes; wellust en nijd, alle doodzonden liepen hun voorbij; een +engel van het strafgericht las hun schuld, hun verdediging; deze was +wel is waar niet schitterend, maar zij werd voor God gebracht, voor +dien God, die in het harte leest en alles weet en kent, het booze, +dat van binnen en van buiten komt, dien God, die de genade en de +liefde zelf is. + +De hand van den dominee beefde, hij waagde het niet, haar uit te +strekken, hij had den moed niet, een enkel haar uit het hoofd van +den zondaar te trekken.--En de tranen vloeiden hem uit de oogen als +een stroom der genade en der liefde, welks verkoelende wateren het +eeuwige vuur der hel uitbluschten. + +Daar kraaide de haan. + +«Barmhartige God! Geef Gij haar den vrede, dien ik haar niet heb +kunnen verschaffen!» + +«Dien heb ik nu!» zei de doode. «Het was een hard woord, uw wanhoop +aan de menschheid, uw somber geloof aan God en Zijn schepping, dat +mij naar u toe dreef! Leer de menschen kennen! Zelfs in de boozen +leeft een deel van God, dat de vlam der hel uitbluscht en overwint!» + + + +De dominee voelde een kus op zijn lippen, er verspreidde zich een +schemering om hem heen; de heldere zon van God scheen in de kamer, +waar zijn vrouw, levend, vriendelijk en vol liefde, hem uit een droom +wakker maakte, die hem door God gezonden was! + + + + +TWAALF MET DE DILIGENCE. + + +Het was snerpend koud; de sterren fonkelden aan den onbewolkten hemel; +geen windje was er aan de lucht. + +«Bom!» daar werd een oude pot tegen de voordeur van den buurman +geworpen. «Piefpafpoef!» daar knalde een pistool; men begroette het +nieuwe jaar! Het was oudejaarsavond! Nu sloeg de torenklok twaalf +slagen! + +«Ratatatatata!» De diligence kwam aanrijden en hield voor de stadspoort +stil. Zij bracht twaalf personen mee; al de plaatsen waren bezet. + +«Hoera! Hoera!» riepen de menschen in de huizen der stad, waar de +oudejaarsavond gevierd werd en men met klokslag van twaalven het +gevulde glas omhoog hief, om het nieuwe jaar het welkom toe te roepen. + +«Een gelukkig nieuwjaar!» heette het. «Een mooie vrouw! Veel geld! Geen +verdriet en geen smart!» + +Dat wenschte men elkaar van weerskanten toe, en daarop klonk men met +de glazen, zoodat het een geducht gerinkel gaf,--en voor de stadspoort +hield de diligence met de vreemde gasten, de twaalf reizigers, stil. + +En wie waren deze vreemdelingen? Ieder had zijn reispas en zijn bagage +bij zich; ja, zij brachten zelfs geschenken mee voor mij en voor u +en voor alle menschen, die er in het stadje woonden. Wie waren zij, +wat wilden zij en wat brachten zij? + +«Goeden morgen!» riepen zij den schildwacht toe, die bij den ingang +van de stadspoort stond. + +«Goeden morgen!» antwoordde deze, want de klok had immers twaalf +uur geslagen. + +«Uw naam? Uw beroep?» vroeg de schildwacht aan hem, die het eerst +uit de diligence stapte. + +«Kijk dat zelf maar in den pas na!» antwoordde de man. «Ik ben ik!» +En het was ook een flinke kerel, die een berenpels en laarzen met +bont gevoerd aanhad. «Ik ben de man, waarop zeer veel menschen hun +hoop bouwen. Kom morgen bij mij, dan zal ik je een nieuwjaarsgeschenk +geven! Ik werp penningen en daalders onder de menschen, ja, ik geef +ook bals, een en dertig bals, want meer avonden kan ik daarvoor niet +afstaan. Mijn schepen zijn vastgevroren, maar in mijn kantoor is het +warm en gezellig. Ik ben koopman, heet _Januari_ en breng slechts +rekeningen met mij mee.» + +Nu stapte de tweede uit. Dit was een lustige kwant; hij was +directeur van een komedie, directeur van gemaskerde bals en van alle +vermakelijkheden, die men zich maar kan voorstellen. Zijn bagage +bestond uit een groote ton. + +«Uit de ton,» zei hij, «zullen wij op vastenavond de kat jagen. Ik +zal jelui het leven wel prettig maken en mij zelf ook; alle dagen +vroolijk! Ik heb juist niet lang te leven, van den heelen troep +den kortsten tijd: ik word namelijk maar acht-en-twintig dagen +oud. Somtijds voegen zij er nog wel eens een dag aan toe,--maar dat +kan mij weinig schelen. Hoera!» + +«Ge moogt niet zoo schreeuwen!» zei de schildwacht. + +«Och kom! Ik mag wel schreeuwen,» riep de man uit. «Ik ben prins +Carnaval en reis onder den naam _Februari_.» + +Nu stapte de derde uit de diligence; deze zag er als de +verpersoonlijkte vasten uit, maar hij zette een hooge borst; want hij +was familie van de «veertig ridders» en bovendien een weerprofeet. Maar +dat is geen vet postje, en daarom roemde hij ook de vasten. In een +knoopsgat droeg hij ook een ruikertje van viooltjes, maar deze waren +zeer klein. + +«_Maart_! _Maart_!» riep de vierde hem achterna en klopte hem op +den schouder; «ruik je niets? Gauw de wachtkamer in; daar drinken ze +pons, je lievelingsdrank; ik kan het hier buiten al ruiken. Komaan, +mijnheer _Maart_!» + +Maar het was niet waar; de vierde wilde hem slechts den invloed van +zijn naam laten voelen en hem eens beetnemen, want daarmee begon +_April_ zijn levensloop in de stad. Hij zag er over 't algemeen zeer +vroolijk uit; werken deed hij maar heel weinig; maar des te meer maakte +hij feestdagen. «Als het maar wat bestendiger in de wereld was,» zei +hij; «maar nu eens is men goed, dan weer slecht geluimd, al naar het +valt; nu eens regen, dan weer zonneschijn! Ik ben ook zoo'n soort van +een agent van een verhuurkantoor, ook een aanspreker; ik kan lachen en +huilen, al naar het te pas komt. In mijn koffer heb ik een zomertoilet, +maar het zou heel dwaas zijn, dit aan te trekken. Hier ben ik nu!» + +Na hem stapte er een dame uit het rijtuig. Juffrouw _Mei_ noemde zij +zich. Zij droeg een zomertoilet en overschoenen, een lindebladgroene +japon en anemonen in het haar, en daarbij rook zij zoo geducht naar +de muskus, dat de schildwacht moest niezen. «Op uw gezondheid en Gods +zegen!» zeide zij; dat was haar groet. Wat zag zij er allerliefst +uit! En zangeres was zij, geen operazangeres, ook geen kermiszangeres, +neen, zangeres van het bosch: zij doolde het frissche, groene bosch +door en zong daar voor haar eigen plezier. + +«Nu komt de jonge vrouw!» riepen ze binnen in het rijtuig, en nu +stapte de jonge vrouw, die er fijn, fier en lief uitzag, er uit. Men +kon het haar, mevrouw _Juni_, wel aanzien, dat zij het gewoon was, +door luie slaapkoppen bediend te worden. Op den langsten dag van het +jaar gaf zij een groote partij, opdat de gasten tijd zouden hebben om +de vele gerechten, die er op de tafel stonden, te nuttigen. Zij had +wel is waar haar eigen equipage; maar zij reisde toch met diligence, +evenals de anderen, omdat zij wilde toonen, dat zij niet hoogmoedig +was. Maar zonder gezelschap was zij niet; haar jongere broeder _Juli_ +was bij haar. + +Dit was een welgedane jongeling, op zijn zomersch gekleed en met +een stroohoed op. Hij had maar weinig bagage bij zich, omdat dit bij +een hevige warmte te lastig is; daarom had hij zich slechts van een +zwembroekje voorzien, en dat is niet veel. + +Daarop kwam de moeder zelf, mevrouw _Augustus_, fruitverkoopster in het +groot, eigenares van een menigte vischvijvers, een landhuishoudkundige +in een groote crinoline; zij was dik en had het warm, maar toch pakte +zij alles aan en bracht de arbeiders op het land zelf bier. «In het +zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten!» zeide zij, «dat staat +in den bijbel. Later komen de pleziertochtjes, dans en spel in het +groen en de oogstfeesten!» Zij was een knappe huishoudster. + +Na haar stapte er weer een man uit het rijtuig, een schilder van +beroep, mijnheer _September_; die moest naar het bosch; de bladeren +moesten van kleur wisselen; maar hoe schoon werd alles, als hij het +wilde; al spoedig prijkte het bosch in rood, geel of bruin. De schilder +floot als een lijster, was een ervaren kunstenaar en slingerde de +bruinachtig groene hopranken om zijn bierglas. Dat sierde het glas op, +en van opsieren hield hij veel. Daar stond hij nu met zijn verfpot: +dat was zijn heele bagage! + +Op hem volgde de landeigenaar, die aan het beploegen en bezaaien van +den grond, maar ook aan het jachtvermaak dacht; mijnheer _October_ +had een hond en een geweer bij zich en noten in zijn weitasch. Hij +had veel bagage bij zich, zelfs een Engelschen ploeg, hij sprak over +landhuishoudkunde, maar door het hoesten van zijn buurman hoorde men +daar niet veel van. + +Mijnheer _November_ was het, die zoo hoestte, terwijl hij uit het +rijtuig stapte. Deze had heel veel last van verkoudheid; hij snoot +zijn neus aldoor en toch, zeide hij, moest hij de dienstmeisjes +vergezellen en ze in haar nieuwen dienst brengen; die verkoudheid, +dacht hij, zou wel weer overgaan, als hij maar aan het houthakken +ging, en hout moest hij zagen en hakken, want hij was meesterknecht +bij een houtkooper. De avonden bracht hij met het snijden van hout +voor schaatsen door; want hij wist wel, zei hij, dat men over eenige +weken behoefte aan deze soort van schoenen zou hebben. + +Eindelijk kwam de laatste passagier te voorschijn, het oude moedertje +_December_ met een stoof onder den arm; de oude vrouw had het koud; +maar haar oogen fonkelden als twee heldere sterren. Zij droeg een +bloempot in de hand, waarin een kleine dennenboom geplant was. «Dien +boom wil ik opkweeken, dan kan hij groeien en groot worden tegen +den Kerstavond, van den vloer tot hoog aan de zoldering reiken en +opschieten met vlammende lichten, gouden appelen en uitgesneden +figuurtjes. De stoof geeft evenveel warmte als een kachel; ik haal +het sprookjesboek uit mijn zak en lees daaruit overluid voor, zoodat +alle kinderen in de kamer stil en de figuurtjes aan den boom vroolijk +worden, en de kleine engel van was op de uiterste punt zijn gouden +vleugelen uitspreidt, van zijn groenen zetel afvliegt en kleinen en +grooten in de kamer kust, ja, ook de arme kinderen, die buiten op de +straat staan en het Kerstlied van de ster van Bethlehem zingen.» + +«Ziezoo! Nu kan de diligence wegrijden,» zei de schildwacht. «Wij +hebben ze alle twaalf. De bijwagen kan voorkomen.» + +«Laat de twaalf eerst bij mij binnenkomen!» zei de kapitein, die de +wacht had, «de een na den ander! De passen houd ik hier; zij zijn +ieder voor een maand geldig; als deze verstreken is, zal ik het gedrag +op den pas aanteekenen. Mijnheer _Januari_! mag ik u maar verzoeken, +nader te komen?» + +En mijnheer Januari kwam nader. + +Als er een jaar verloopen is, zal ik u eens zeggen, wat die twaalf +u, mij en ons allen gebracht hebben. Nu weet ik het nog niet, en +misschien weten zij het zelf niet eens,--want het is een zonderlinge +tijd, waarin wij leven. + + + + +DOMME HANS. + + +Diep in het binnenste van het land stond een oud ridderkasteel; +daarin woonde een oude grondeigenaar, die twee zonen had, die zich +zoo knap en geleerd waanden, dat de helft al voldoende geweest zou +zijn. Dezen wilden nu naar de hand van de koningsdochter dingen, +want de prinses had openlijk laten aankondigen, dat zij dengene tot +echtgenoot zou kiezen, die zijn woorden het best klaar had. + +Beiden bereidden zich nu volle acht dagen daarop voor; dit was een +lange, maar toch ook voldoende tijd, die hun vergund was; want zij +waren in het bezit van voorloopige kundigheden, en hoezeer deze +te stade komen, weet iedereen. De een kende het heele Latijnsche +woordenboek en bovendien nog drie jaargangen van het dagblad van het +stadje van buiten, en wel zoo, dat hij alles van voren naar achteren +en van achteren naar voren, al naar men het wilde, kon opzeggen. De +ander had zich de gildewetten in het hoofd geprent en kende van buiten, +wat iedere gildemeester moet weten, waarom hij dacht, dat hij over +staatszaken mee kon spreken en daarover ook een duit in het zakje +leggen. Bovendien had hij nog ergens verstand van: hij kon rozen en +andere bloempjes en arabesken op wapenrustingen borduren, want hij +was ook vindingrijk en kunstvaardig. + +«Ik krijg de koningsdochter!» riepen zij allebei, en zoo gaf hun oude +vader ieder van hen een prachtig paard. Hij, die het woordenboek en +het dagblad van buiten kende, kreeg een zwart paard; hij, die met de +gildewetten bekend was, kreeg een wit paard, en daarop smeerden zij de +hoekjes van hun mond met traan in, opdat deze heel buigzaam zou worden. + +Al de bedienden stonden beneden op het voorplein en waren er getuigen +van, hoe zij te paard stegen, en als bij toeval kwam ook de derde +broer er bij, want de oude grondeigenaar had eigenlijk drie zonen, +maar niemand telde dezen derden broer bij de andere broers, omdat hij +niet zoo geleerd als deze was, en men gaf hem dan ook gewoonlijk den +naam van dommen Hans. + +«Wel zoo!» zei domme Hans, «waar moet je naar toe? Je hebt je +Zondagskleeren immers aangetrokken.» + +«Naar het hof van den koning, om de koningsdochter door praten te +krijgen. Weet je dan niet, wat er in het geheele land bekend gemaakt +is?» En nu vertelden zij hem alles. + +«Wel drommels! Dan ben ik ook van de partij!» riep domme Hans; maar +zijn broers lachten hem uit en reden weg. + +«Vader,» zei domme Hans, «ik moet ook een paard hebben. Wat krijg +ik een lust in trouwen! Als zij mij neemt, dan neemt zij mij, en als +zij mij niet neemt, dan neem ik haar,--krijgen zal ik haar toch!» + +«Houd met die dwaze praatjes op!» zei de grijsaard. «Jou geef ik geen +paard. Je kunt immers niet spreken, je hebt je woorden immers niet +klaar; neen, je broers zijn andere kerels!» + +«Welnu,» zei domme Hans, «als ik geen paard kan krijgen, dan neem ik +den bok; die behoort mij zoo goed als toe, en dragen kan hij mij ook!» + +Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij zette zich schrijlings op den bok, drukte +zijn hakken in diens zijden, reed weg en vloog den grooten straatweg +als een stormwind langs. Hei, hop, dat was een tocht. «Hier kom ik!» +schreeuwde domme Hans en zong, zoodat het wijd en zijd in den omtrek +weerklonk. + +Maar zijn broers reden hem langzaam vooruit; zij spraken geen woord, +zij moesten eens over al de goede invallen nadenken, die zij voor +den dag zouden brengen; want dat moest alles keurig uitgedacht zijn. + +«Heidaar!» schreeuwde domme Hans, «hier ben ik! Kijkt eens, wat ik +op den straatweg gevonden heb!» En hij liet hun een doode kraai zien, +die hij gevonden had. + +«Domoor!» zeiden de broers, «wat wil je daarmee beginnen?» + +«Met de kraai?--Die wil ik aan de koningsdochter geven!» + +«Ja, doe dat maar!» zeiden zij, lachten en reden verder. + +«Hei, hop! Hier ben ik! Zie eens, wat ik nu gevonden heb. Dat vindt +men niet alle dagen op den straatweg!» + +En de broers keerden zich om, ten einde te zien, wat hij nu weer kon +gevonden hebben. «Domoor!» zeiden zij, «dat is immers een oude klomp, +waarvan het bovengedeelte nog wel ontbreekt; wil je dat ook aan de +koningsdochter geven?» + +«Zeker wil ik dat!» antwoordde domme Hans, «het wordt al mooier en +mooier! O, het is allerprachtigst!» + +«Wat heb je nu dan weer gevonden?» vroegen de broers. + +«O,» zei domme Hans, «dat is niet om te zeggen! Wat zal de +koningsdochter blij zijn!» + +«Ba!» zeiden de broers, «dat is immers slijk, dat uit de sloot komt.» + +«Zeker is het dat!» sprak domme Hans, «en wel van het fijnste +soort. Kijk maar, het loopt iemand tusschen de vingers door!» En +daarbij vulde hij zijn zak met het slijk. + +Maar zijn broers reden voort, zoodat keisteentjes en vonken om hen +heen sprongen, daardoor kwamen zij ook een uur vroeger dan domme Hans +aan de stadspoort. Daar kregen al de vrijers nommers terstond na hun +aankomst, en werden in het gelid geschaard, zes op iedere rij, en +zoo dicht op elkaar gedrongen, dat zij hun armen niet konden bewegen; +dat was wijselijk zoo ingericht, want anders zouden zij elkaar zeker +wel het vel over de ooren getrokken hebben, alleen omdat de een voor +den ander stond. + +De geheele volksmenigte stond rondom het koninklijk kasteel in dichte +massa's op elkaar gedrongen tot aan de ramen toe, om de vrijers door +de koningsdochter te zien ontvangen; telkens wanneer er een van hen +de zaal binnentrad, stond hij met zijn mond vol tanden. + +«Die past mij niet!» sprak de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!» + +Eindelijk kwam de beurt aan dien van de broeders, die het woordenboek +van buiten kende, maar hij wist het niet meer; hij had het heelemaal +vergeten, terwijl hij daar in het gelid geschaard stond; en de +planken van den vloer kraakten en de zoldering der zaal was van +louter spiegelglas, zoodat hij zich zelf op het hoofd zag staan, +en bij ieder raam stonden drie secretarissen en een oppersecretaris, +en ieder van hen schreef alles op, wat er gesproken werd, opdat het +terstond in de krant zou komen en voor een kleinigheid op de hoeken +der straten verkocht worden. Het was ontzettend, en daarbij hadden +zij de kachel zoo geducht opgestookt, dat het er gloeiend warm was. + +«Het is hier verschrikkelijk heet!» zei de vrijer. + +«Dat is ook zoo; maar mijn vader braadt vandaag ook jonge haantjes!» +zei de koningsdochter. + +Op zulk een gesprek was hij niet voorbereid geweest; geen woord wist +hij te zeggen, ofschoon hij iets geestigs had willen zeggen. + +«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!» +En hij moest de deur uit. + +Nu trad de andere broer binnen. + +«Wat is het hier ontzaglijk heet!» zeide hij. + +«Dat is ook zoo; maar wij braden vandaag jonge haantjes!» merkte de +koningsdochter aan. + +«Wat? Bra....? Wat?» zeide hij, en de secretarissen schreven: +«Wat? Bra....? Wat?» + +«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!» + +Nu kwam domme Hans aan; hij reed op den bok regelrecht de zaal +binnen. «Wat is het hier gloeiend heet!» zeide hij. + +«Dat is zoo; maar ik braad ook jonge haantjes!» antwoordde de +koningsdochter. + +«Wel, dat treft goed!» hernam domme Hans, «dan kan ik wel een kraai +mee braden.» + +«Met alle genoegen!» zei de koningsdochter; «maar hebt ge iets waarin +ge kunt braden? Want ik heb geen pot of pan.» + +«O, dat heb ik wel!» zei domme Hans. «Hier is kookgereedschap met een +tinnen beugel,» en nu haalde hij den klomp voor den dag en legde er +de kraai in. + +«Dat is een deftige maaltijd,» zei de koningsdochter, «maar waar +moeten wij de saus vandaan krijgen?» + +«Die heb ik in mijn zak!» zei domme Hans. «Ik heb zoo veel, dat ik +er zelfs wel wat van kan weggooien!»--En nu goot hij wat slijk uit +zijn zak. + +«Dat bevalt mij!» zei de koningsdochter. «Gij weet antwoord te geven, +en gij weet te spreken, en u wil ik tot man hebben! Maar weet ge wel, +dat ieder woord, dat wij spreken en gesproken hebben, opgeschreven +wordt en morgen in de krant komt? Bij ieder raam staan, zooals ge ziet, +drie secretarissen en een oppersecretaris, en deze oude oppersecretaris +is nog de ergste, want hij kan niets begrijpen!» En dat zeide zij maar, +om dommen Hans angst aan te jagen. En de secretarissen grinnikten en +spatten daarbij ieder een inktvlek op den vloer. + +«Zoo! Dat is dus de voornaamste!» zei domme Hans. «Welnu dan zal ik +aan den oppersecretaris het beste geven!» En dit zeggende keerde hij +zijne zakken om en wierp hem het slijk vlak in het gezicht. + +«Dat was slim bedacht!» zei de koningsdochter. «Dat zou ik niet hebben +kunnen doen; maar ik zal het wel leeren!» + +Domme Hans werd koning, kreeg een vrouw en een kroon en zat op een +troon, en dat hebben wij versch uit de krant van den oppersecretaris +en de secretarissen,--maar op hen valt geen staat te maken! + + + + +DRIE SPRINGERS. + + +De vloo, de sprinkhaan en de hup-op [19] wilden eens zien, wie van +hen wel het hoogst kon springen. Nu noodigden zij de heele wereld +uit en wie nog meer wilden komen, om die pracht mee aan te zien. Het +waren drie duchtige springers, die in de kamer bijeenkwamen. + +«Ik geef mijn dochter aan hem, die het hoogst springt!» zei de +koning. «Want het zou te gierig zijn, als deze lui voor niet moesten +springen.» + +De vloo kwam het eerst voor; zij had zeer beschaafde manieren en +groette naar alle kanten, want zij had damesbloed in haar aderen en +was er aan gewoon, slechts met menschen om te gaan; en dat deed zeer +veel af. + +Toen kwam de sprinkhaan; deze was wel is waar veel zwaarder; maar hij +had toch een knappe figuur en droeg een groene uniform. Bovendien +beweerde deze persoon, dat hij in het land van Egypte tot een zeer +oude familie behoorde, en dat hij daar hooggeschat werd. Hij was +van het veld genomen en in een kaartenhuis van drie verdiepingen +gezet, alle samengesteld van kaartebladen, waarvan de bonte kant +naar binnen gekeerd was. Daar waren zoowel deuren als ramen, en wel +in het lichaam van hartenvrouw uitgesneden. «Ik zing zoo,» zeide hij, +«dat zestien inlandsche krekels, die van der jeugd af gezongen en toch +geen kaartenhuis gekregen hadden, van ergernis nog magerder werden, +dan zij al waren, toen zij mij hoorden!» + +Allebei, de vloo en de sprinkhaan, deden behoorlijk uitkomen, wie zij +waren, en dat zij dachten, dat zij wel met een prinses konden trouwen. + +De hup-op zei niets; maar men vertelde van hem, dat hij des te meer +dacht; en toen de bulhond hem alleen maar besnuffeld had, wilde hij +er wel voor instaan, dat de hup-op van eene goede familie en van +het borstbeen van een echte gans gemaakt was. De oude raadsheer, +die drie ridderordes voor zijn stilzwijgen gekregen had, verzekerde, +dat de hup-op met de gave der voorzegging bedeeld was; men kon aan +zijn been onderkennen, of men een zachten of een strengen winter +zou krijgen; en dat kan men niet eens aan het borstbeen van hem, +die den kalender schrijft, zien. + +«Ik zeg maar niets!» zei de oude koning, «ik ga altijd maar stil mijn +gang en denk er het mijne van!» + +Nu was het om den sprong te doen. De vloo sprong zoo hoog, dat niemand +het kon zien; nu beweerden zij, dat zij in 't geheel niet gesprongen +had. Dat was toch schandalig! + +De sprinkhaan sprong maar half zoo hoog; maar hij sprong den koning +vlak in het gezicht, en deze zei, dat zoo iets afschuwelijk was. + +De hup-op stond lang stil en bedacht zich: eindelijk begon men te +gelooven, dat hij niet kon springen. + +«Als hij maar niet ongesteld geworden is!» zei de bulhond, en toen +besnuffelde hij hem weer. Ritsch! daar sprong hij met een kleinen +scheeven sprong op den schoot der prinses, die laag op een gouden +voetbankje zat. + +Nu zei de koning: «De hoogste sprong bestaat daarin, naar mijn dochter +op te springen, want daarin ligt het fijne van de zaak. Maar er behoort +een goede kop toe, om daar op te komen. En de hup-op heeft getoond, +dat hij een goeden kop heeft.» + +En daarom kreeg hij de prinses. + +«Ik heb toch het hoogst gesprongen!» zei de vloo. «Maar dat doet +er niet toe! Laat haar het ganzebeen met het stokje en het pik maar +hebben. Ik heb toch het hoogst gesprongen! Maar er behoort in deze +wereld een groot lichaam toe, om gezien te kunnen worden.» + +En daarop ging de vloo in vreemden krijgsdienst, waar zij, naar men +zegt, gedood moet zijn. + +De sprinkhaan zette zich buiten in de sloot neer en dacht er over +na hoe het eigenlijk in de wereld toegaat. En hij zei ook: «Een +groot lichaam behoort daartoe! Een groot lichaam behoort daartoe!» +En toen zong hij zijn eigen, droefgeestig lied, en daaraan hebben wij +deze geschiedenis ontleend, die toch wel niet waar zou kunnen zijn, +al is zij ook gedrukt. + + + + +DE WATERDROPPEL. + + +Ge zult toch wel weten, wat een vergrootglas is, zoo'n rond brilleglas, +dat alles honderdmaal grooter maakt dan het is? Als men het in de hand +neemt en voor zijn oog houdt en daardoor een droppel water uit den +vijver bekijkt, dan ziet men meer dan duizend zonderlinge diertjes, +die men anders nooit in het water waarneemt. Maar zij zijn er toch +in, en het is geen zinsbedrog. Het ziet er bijna uit als een bord vol +krabben, die door elkander rondspringen, en wat zijn zij woedend! Zij +rukken elkaar armen en beenen, stukken en brokken af, en toch zijn +zij op hun wijze vroolijk en vergenoegd. + +Nu was er eens een oud man, dien alle menschen Kriebel-Krabbel noemden; +want zoo heette hij. Hij wilde altijd het beste van iedere zaak hebben, +en als dit volstrekt niet ging, dan nam hij het door tooverij. + +Daar zit hij nu op zekeren dag en houdt zijn vergrootglas voor de oogen +en bekijkt een waterdroppel, die uit een waterput genomen was. Maar +wat kriebelde en krabbelde het daarin! Al de duizenden kleine diertjes +huppelden en sprongen, verscheurden en verslonden elkaar. + +«Maar dat is toch afschuwelijk!» zei de oude Kriebel-Krabbel; «kan +men ze er dan niet toe brengen, in rust en vrede te leven, zoodat +iedereen zich slechts met zich zelf bemoeit?» Hij peinsde en peinsde, +maar het wilde niet gaan, en hij moest dus tooveren. «Ik moet hun +een kleur geven, zoodat zij duidelijker te zien zijn!» zeide hij, +en nu goot hij iets, dat er als een droppeltje rooden wijn uitzag, +in de waterdroppel; maar het was heksenbloed van de fijnste soort, +die er bestaat. En nu werden al de zonderlinge diertjes heelemaal +rozerood; het zag er uit als een stad vol naakte, wilde mannen. + +«Wat heb je daar?» vroeg een andere oude toovenaar, die geen naam had; +en dat was juist het fijne van hem. + +«Ja, als je kunt raden, wat dat is,» zei Kriebel-Krabbel, «dan zal +ik het je geven. Maar het is niet gemakkelijk te verklaren, als men +het niet weet.» + +En de toovenaar, die geen naam had, keek door het vergrootglas. Het +zag er daarin werkelijk uit als een stad, waarin al de menschen zonder +kleeren rondliepen! Het was afgrijselijk! Maar nog afgrijselijker +was het, te zien, hoe de een den ander duwde en stiet, trapte en +beet. Wat beneden was, moest naar boven, en wat boven was, moest +naar beneden. Zie, zie! Zijn been is langer dan het mijne! Bah! Weg +daarmee! Daar is er een, die een puistje achter zijn oor heeft. Maar +dat doet hem zeer, en daarom moet het nog meer zeer doen. Zij hieuwen +op hem los, rukten aan hem, en verslonden hem om dat puistje. Daar +zat er een zoo stil als een meisje en wenschte slechts naar rust en +vrede. Maar nu moest zij voor den dag! Zij duwden haar, trokken haar +in de rondte en verslonden haar. + +«Dat is kluchtig!» zei de toovenaar. + +«Ja. Maar wat denk je wel, dat het is?» vroeg Kriebel-Krabbel. «Kan +je het verklaren?» + +«Nu, dat kan men toch wel zien!» zei de ander. «Dat is immers Parijs +of een andere groote stad;--want ze gelijken allemaal op elkaar. Een +groote stad is het!» + +«Het is putwater!» zei Kriebel-Krabbel. + + + + +EEN BLAD VAN DEN HEMEL. + + +Hoog boven in de ijle, heldere lucht vloog een engel met een bloem uit +den tuin van den hemel. Terwijl hij de bloem kuste, viel er een heel +klein blaadje af, kwam in den weeken grond midden in het bosch neer, +schoot terstond wortelen en groeide tusschen andere planten op. + +«Dat is een kluchtig ding, dat daar staat,» zeiden de planten. En +niemand wilde haar als zijn gelijke erkennen, noch distelen noch +brandnetels. + +«Dat zal zeker een soort van tuinplant zijn,» zeiden zij, en nu werd +de plant als tuingewas bespot. + +«Waar wil je naar toe?» vroegen de hooge distelen, wier bladeren +allemaal met stekels gewapend zijn. + +«Je strekt je nog al ver in het rond uit. Dat is een dwaasheid! Wij +staan hier niet om je te dragen!» + +De winter kwam, de sneeuw bedekte de plant; maar van haar kreeg +het sneeuwdek een glans, alsof zij ook van beneden door zonlicht +doorstroomd werd. Toen het voorjaar kwam, vertoonde zich een bloeiend +gewas, zoo heerlijk, als geen ander in het bosch. + +Nu verscheen de botanische professor, die het zwart op wit had, +dat hij datgene was, waarvoor hij zich uitgaf. Hij bekeek de plant, +hij proefde haar; maar zij stond niet in zijn plantenleer; het was +hem niet mogelijk te ontdekken, tot welke soort zij behoorde. + +«Dat is een bastaardsoort!» zei hij. «Ik ken haar niet. Zij is niet +in het systeem opgenomen.» + +«Niet in het systeem opgenomen?» zeiden distelen en brandnetels. De +hooge boomen, die in de rondte stonden, zagen en hoorden het, +doch zeiden niets,--noch kwaad noch goed, en dat is altijd het +verstandigste, als men dom is. + +Nu kwam er door het bosch een arm, onschuldig meisje: haar hart +was rein, haar verstand groot door het geloof; haar geheele erfdeel +was een oude bijbel; maar uit de bladen van dien bijbel sprak Gods +stem tot haar: «Als de menschen ons kwaad willen doen, dan heet +het immers van Jozef: «Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar +God heeft het ten goede gedacht.» Als wij onrechtvaardig lijden, +als wij miskend en bespot worden, dan klinkt het woord van hem, +den reinste, den beste, van hem, dien zij bespotten en aan het kruis +nagelden, ons tegen: «Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, +wat zij doen!»» Het meisje bleef voor de zonderlinge plant staan, wier +groene bladeren heerlijk en verkwikkend geurden, wier bloemen in den +helderen zonneschijn als een veelkleurig vuurwerk straalden, en uit +elke kwam een geluid, als verborg zij de diepe bron der melodieën, +die duizenden jaren niet vermogen uit te putten. Met vrome aandacht +bekeek zij al deze heerlijkheid Gods, zij boog een der takken naar +zich neer, om de bloem goed te kunnen bekijken en haar geur te kunnen +genieten. Het werd helder in haar verstand; het deed haar harte goed; +gaarne zou zij een bloem afgeplukt hebben; maar zij kon het niet van +zich verkrijgen, haar af te breken: zij zou immers spoedig bij haar +verwelken; het meisje nam slechts een enkel blaadje en legde dit te +huis in haar bijbel; daar lag het frisch, altijd groen en onverwelkt. + +Tusschen de bladen van den bijbel lag het bewaard; met den bijbel +werd het onder het hoofd van het meisje gelegd, toen zij na verloop +van eenige weken in haar doodkist lag met den heiligen ernst des doods +op het vrome gezicht, alsof het zich in het aardsche stof afspiegelde, +dat zij nu voor haar God stond! + +Maar buiten in het bosch bloeide de zonderlinge plant; zij zag er +bijna als een boom uit, en alle trekvogels bogen er zich voor. + +«Wat zijn dat nu weer voor vreemde kunsten!» zeiden de distelen en +de klissen. «Zoo doen wij hier te lande toch nooit!» + +De zwarte slakken uit het bosch spuwden op de bloem. + +Toen kwam de zwijnenhoeder. Deze verzamelde distelen en struiken, +om daarvan asch te branden. De geheele zonderlinge plant met al haar +wortelen kwam in zijn bezit. «Zij moet ook nuttig worden,» zei hij, +en zoo gezegd, zoo gedaan! + +Maar sedert jaar en dag leed de koning van het land aan de diepste +zwaarmoedigheid; hij was vlijtig en arbeidzaam, maar het hielp hem +niets; men las hem diepzinnige, geleerde geschriften voor, men las +de oppervlakkigste, de lichtzinnigste, die men maar vinden kon,--het +baatte niets! Nu zond een van de wijsten der wereld, tot wien men zich +gewend had, een bode af en liet zeggen, dat er toch een middel was, om +hem leniging te verschaffen en hem te doen herstellen: «In het eigen +rijk van den koning groeide in het bosch een plant van hemelschen +oorsprong; zoo en zoo zag zij er uit; men kon zich niet vergissen.» + +«Zij is zeker door mij uitgetrokken,» zei de zwijnenhoeder, «en al +lang tot asch vergaan, maar ik wist niet beter!» + +«Wist ge niet beter? O, welk een diepte van onkunde!» En deze woorden +kon de zwijnenhoeder in zijn zak steken; hem en geen ander golden zij. + +Geen blad was er meer te vinden, het eenige lag in de doodkist der +overledene, en daarvan wist niemand iets. + +En de koning zelf wandelde in zijn mismoedigheid naar de plaats in +het bosch toe. + +«Hier heeft de plant gestaan!» zei hij. «Het is een heilige plaats!» + +En de plaats werd met een gouden hek omgeven, en een schildwacht werd +er bij geposteerd! + +De botanische professor schreef een lange verhandeling over de +hemelsche plant, en daarvoor werd hij in goud beslagen, en dit +verguldsel stond hem en zijn familie zeer goed; en dat was het +verblijdendste van de heele geschiedenis; want de plant was verdwenen, +en de koning bleef mismoedig en bedroefd,--«maar dat was hij vroeger +ook,» zei de schildwacht. + + + + EINDE VAN HET EERSTE DEEL. + + + + + + +INHOUD + + +Het leelijke jonge eendje. +De oude straatlantaarn. +De ooievaars. +Zooals manlief doet, is het altijd goed. +De groote Klaas en de kleine Klaas. +De vliegende koffer. +Vijf uit één schil. +De tondeldoos. +Het meisje, dat op het brood trapte. +De bloemen van de kleine Ida. +De onwrikbare tinnen soldaat. +De gouden schat. +De droom van den ouden eik. +Zij deugde niet. +De herderin en de schoorsteenveger. +De flesschehals. +Het minnende paar. +De prinses op de erwt. +Ole Luk-Oie. +Het oude huis. +De gelukkige familie. +Twee juffers. +De wilde zwanen. +Het madeliefje. +De geschiedenis van een moeder. +Uitstel is geen afstel. +De tuin van het Paradijs. +De kleine Tuk. +De burinnetjes. +Grootmoeder. +De schim. +Het vlas. +Kinderpraat. +De stopnaald. +De oude torenklok. +Het metalen varken. +Het vriendschapsverbond. +Het lucifersmeisje. +De sneeuwman. +De vogel Phoenix. +De rozenelf. +Iets. +Het doornenpad der eer. +De goddelooze koning. +Twee hanen. +Er bestaat een onderscheid. +Het is stellig waar! +De elfenheuvel. +De engel. +De nieuwe kleeren van den keizer. +De mestkever. +De ijsjonkvrouw. +De nachtegaal. +Een geschiedenis. +Twaalf met de diligence. +Domme Hans. +Drie springers. +De waterdroppel. +Een blad van den hemel. + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Daar een drijftol en een bal hier te lande beide tot het mannelijke +geslacht behooren en dus niet met elkaar kunnen trouwen, is de bal +in dit sprookje van een heer in een dame gemetamorphoseerd. + +[2] Ole de Oogensluiter. + +[3] Een oude en barbaarsche militaire straf. + +[4] Kjöge, een stadje aan de Kjöge-baai. «Kjögekippen zien» noemt men, +de kinderen door het omvatten van het hoofd met beide handen in de +hoogte tillen. Bij Kjöge werd bij den overval der Engelschen in het +jaar 1807 tusschen dezen en de ongedisciplineerde Deensche landweer +een niet zeer roemrijke slag geleverd. + +[5] Prästöe, een nog kleiner stadje. Omstreeks honderd schreden daar +van daan staat het adellijk kasteel Nysöe, waar Thorwaldsen zich +gedurende zijn verblijf in Denemarken gewoonlijk ophield en vele +onsterfelijke werken in het aanzijn riep. + +[6] Wordingborg, onder koning Waldemar een aanzienlijke plaats, +thans een onbeteekenend stadje. Slechts een eenzaam staande toren en +eenige overblijfselen van muren wijzen aan, waar het kasteel vroeger +gestaan heeft. + +[7] Korsöer, aan den Grooten Belt, vroeger, vóór het in zwang komen +der stoomvaart, toen de reizigers dikwijls een geruimen tijd op een +gunstigen wind moesten wachten, de vervelendste der steden genoemd +en door een geestige vaudeville van Heiberg tot het Deensche Schilda +gestempeld. Hier is de dichter Baggesen geboren. + +[8] Roeskilde (Roesbron, verkeerdelijk Rothschild genoemd), vroeger de +hoofdstad van Denemarken. De stad heeft haar naam van koning Hroar en +de vele bronnen in den omtrek. In den prachtigen dom liggen de meeste +koningen en koninginnen van Denemarken begraven. Te Roeskilde kwamen +ook de Deensche stenden bij elkaar. + +[9] Soröe, een zeer stil stadje, dat prachtig gelegen en door bosschen +en meren omgeven is. Denemarkens Molière, Holberg, stichtte hier +een ridderacademie. De dichters Hauch en Ingemann werden hier als +professoren aangesteld. + +[10] Het woord _schim_ is hier, in strijd met den aard onzer taal, +maar in overeenstemming met den inhoud van dit sprookje, manlijk +genomen. Vert. + +[11] De Deensche beeldhouwer Thorwaldsen. + +[12] Tegenover het graf van Galilei bevindt zich dat van Michaele +Angelo. Op het monument is zijn buste aangebracht en bovendien drie +figuren: de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de bouwkunst; dicht +daarnaast is het grafteeken van Dante (zijn lijk bevindt zich te +Ravenna); op het monument ziet men Italië, dat wijst op het kolossale +standbeeld van Dante; de poëzie weent over zijn verlies. Eenige +schreden verder ziet men het monument van Alfieri, dat met lauweren +versierd is; Italië weent boven zijn graf. Macchiavelli besluit hier +de rij der beroemde mannen. + +[13] Deze wordt van kippen, rijst en kerrie klaargemaakt. + +[14] Het Grieksche bijgeloof laat dit monster uit de onopengesneden +maag van geslachte schapen ontstaan, die op het veld geworpen worden. + +[15] Een boer, die kan lezen, wordt dikwijls priester, en men noemt +hem dan «allerheiligste heer»: de geringere stand kust den grond, +dien hij betreden heeft. + +[16] Als er zich in vroegere tijden een spook vertoonde, dan bande de +predikant het in den grond; als dit gebeurd was, heide men op deze +plaats een paal in. Te middernacht klonk dan het geschreeuw: «Laat +los!» De paal werd uit den grond gehaald, en de gebannen geest vloog +in de gedaante van een uil weg, met een gat in den linkervleugel. Deze +spookvogel werd nachtuil genoemd. + +[17] Het is in Denemarken een volksbijgeloof, dat er onder iedere +kerk, die er gebouwd wordt, een levend paard begraven moet worden; +het spooksel daarvan is het doodenpaard, dat iederen nacht op drie +pooten naar het huis toe hinkt, waar iemand moet sterven. Onder +enkele kerken werd ook een levend varken begraven; het spooksel +daarvan heette het grafzwijn. + +[18] Dit is in het oorspronkelijke dubbelzinnig, daar «gaal» in het +Deensch «krankzinnig» beteekent. + +[19] Een kinderspeelgoed, van het been van een ganzeborst, een houtje +en pik vervaardigd. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Andersens Sproken en vertellingen, by +Hans Christian Andersen + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ANDERSENS SPROKEN EN VERTELLINGEN *** + +***** This file should be named 25580-8.txt or 25580-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/5/5/8/25580/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
