diff options
Diffstat (limited to '25495-8.txt')
| -rw-r--r-- | 25495-8.txt | 8922 |
1 files changed, 8922 insertions, 0 deletions
diff --git a/25495-8.txt b/25495-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d34ea88 --- /dev/null +++ b/25495-8.txt @@ -0,0 +1,8922 @@ +The Project Gutenberg EBook of Liesje van den Lompenmolen, by W. Heimburg + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Liesje van den Lompenmolen + +Author: W. Heimburg + +Release Date: May 16, 2008 [EBook #25495] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIESJE VAN DEN LOMPENMOLEN *** + + + + +Produced by Anna Tuinman, Branko Collin, Eline Visser, +Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading +Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Liesje van den Lompenmolen. + + Naar het Hoogduitsch + + Van + + W. Heimburg. + + + + Tweede druk. + + Te Sneek. Bij J. F. van Druten. + + 1886. + + + + + + + +Eerste Hoofdstuk. + + +In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur +in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijn ouderwetsche +meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks. + +In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer +veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood van den korten +winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen +achtergrond van het venster. Zij heeft de smalle handen gevouwen, +en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs. + +"Mama," zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde +krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoel bij den +haard zit te breien. "Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk +lang in grootmama's kamer; wij zullen er wel weder niet toe komen, +naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft +slechts acht dagen verlof, en daarvan zijn er reeds vier om. Vandaag +had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;--wat moet Liesje wel denken, +dat hij daar nog in 't geheel niet geweest is?" + +Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder +genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijk +gelaat. + +"Heb geduld, Nelly!" antwoordde de moeder, en liefkoosde de bloeiende +wangen der dochter. "Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet +Army blijven, zoolang zij het wil; grootmama zal hem veel te zeggen +hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven +zooveel behoefte.--Steek de lamp aan! Gij weet, er is nog veel aan +Army's linnengoed te doen." + +Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna +onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichtte de lamp +het vertrek, 't welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele +inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheid kenmerkte. + +Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu +viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, dat duidelijke +sporen droeg van veel kommer en lijden. + +Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit +oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; want in de +gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop +werd de deur geopend;--een bevallig, jong officier trad binnen; zijn +negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet. + +"Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den +molen gaan," zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende, +de armen om zijn hals; "ik haal schielijk mijn kap en mantel, want +lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt 's avonds vroeg +gegeten," en verheugd wilde zij zich heen spoeden. + +"Nelly!" riep de jonge man en hield haar terug; "laat dat nu +blijven! Dat--voegt niet meer," liet hij er eenigszins verlegen +op volgen. + +"Voegt dat niet meer?" Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan. + +"Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met +wien men wil, juist omdat men een kind is; als officier kan dat echter +niet meer." + +"Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd +zoo graag mede." + +"Kom, Army!" sprak de barones, "dat meent gij niet; het zijn +achtenswaardige lieden daar op den molen, die het altijd goed met u +gemeend hebben; het zoude ondankbaar zijn." + +"Maar, mama, ik bid u," antwoordde hij knorrig, "die lieden behooren +tot den onbeschaafden stand. Verbeeld u, dat de molenaar eens te +B. kwam en den ongelukkigen inval kreeg, mij te bezoeken. Ik zou er +immers dood mee verlegen worden!" + +"Het zijn volstrekt geen onbeschaafde menschen," riep Nelly uit; +"dat kan slechts grootmama u gezegd hebben, die nu eenmaal de +lompenmolenaars-familie volstrekt niet lijden mag." + +"Lompenmolenaars! Daar hebben wij het!" lachte de jonge officier. "Laat +ieder in zijn eigen stand blijven! Ook gij, Nelly, zult dáár niet +altijd kunnen blijven verkeeren. Wanneer gij eerst uwe sleepjaponnen +draagt--dan is het ook met u: adieu, Liesje!" + +"Nooit!" antwoordde het jonge meisje heftig, "ik zou des nachts +naar den molen gaan, wanneer men het mij des daags verbood. Liesje +is mijn eenigste vriendin. Wat moet ik nu als reden opgeven dat gij +niet komt?" Zij barstte in tranen uit. + +"Daar zal wel een reden voor te vinden zijn, Nelly; schrei toch +niet!" troostte haar broeder. Zijn stem klonk teeder, evenals vroeger, +toen hij de pop zijner zuster brak, en niet wist hoe haar te troosten. + +"O, niet waar, Army," bad zij en zag vol vertrouwen naar hem op, "gij +hebt mij slechts willen plagen,--wij gaan naar den molen, aanstonds?" + +Hij stond een oogenblik besluiteloos; in zijne verbeelding zag hij +een kleine meisjesgestalte, zooals hij die vroeger honderdmaal gezien +had, Liesje, lompenmolenaars Liesje van den papiermolen, daar beneden +in het dal. Zij zag hem met de helderblauwe kinderoogen aan; de roode +lippen openden zich: "Army, gaat gij mede? Tante zal ons appelen geven, +en in het park heb ik een vogelnest gezien; kom Army, kom toch!" + +Onwillekeurig maakte hij eene beweging, alsof hij zijne muts +wilde opnemen, die op de tafel lag. Het licht der lamp viel op een +fonkelenden ring aan zijn hand, in welks groenachtigen steen het +wapen der Derenbergs blonk; één vluchtige blik hierop en--haastig +greep hij zijne muts en wierp die op een nabij staande tafel. + +"Kwel mij niet!" zeide hij kortaf en keerde zich om. + +Er ontstond een lange pauze; het jonge meisje stond op en zette zich +op hare vroegere plaats, het hoofdje diep over haar werk gebogen; +maar de kleine vingers, welke de naald voerden, beefden, en uit de +oogen vielen groote tranen op het witte naaiwerk. De barones zuchtte, +en vestigde een smartelijken blik op den zoon, die onophoudelijk de +kamer op en neder ging. De oude rococo-klok sloeg zes uur en begon +een lang vergeten liefdesliedje te spelen; de zoete melodie klonk door +de kamer en nog altijd heerschte er een drukkend stilzwijgen tusschen +deze drie menschen, door de innigste liefde aan elkander verbonden. + +"Army," sprak eindelijk de bleeke vrouw, "wanneer gaf grootmama u +den ring, dien gij nu aan den vinger draagt?" + +Hij bleef voor den haard staan, en met de pook in het vuur stootende, +dat de vonken omhoog vlogen, zeide hij; + +"Heden middag, zooeven, toen ik bij haar was!" + +"Weet gij ook, dat het uws vaders ring is, Army?" + +De jonge man keerde zich plotseling om. "Neen, mama, dat heeft +grootmama mij niet gezegd; zij sprak slechts in het algemeen over de +beteekenis van het wapen en--" + +"Nu, mijn kind, dan zal ik het u zeggen," klonk het van de lippen +der barones, met een van aandoening bevende stem. "Het is de ring, +dien grootmama eens van de koude, verstijfde hand uws vaders trok, +toen hij--gestorven was" De laatste woorden klonken als een half +onderdrukte snik. De spreekster zonk als bezwijmd in haar stoel neder. + +"Mijn lieve, goede Mama!" riep Army en stond in een oogenblik naast +haar, terwijl Nelly, over haar heen gebogen, haar wang tegen het met +tranen besproeid gelaat drukte. "Ween niet, lieve mama!" bad hij, +"ik zal den ring zoo hoog in eere houden, als dat slechts een zoon +vermag, die trotsch is op de nagedachtenis zijns vaders; ik wil mijn +best doen, even goed, even edel te worden, als hij was." + +Uit deze woorden, zoowel als uit den blik, dien hij op zijn weenende +moeder sloeg, sprak nog de volle overtuiging van een kinderlijk +gemoed, de innige vereering, die in den gestorven vader den edelste +der menschen ziet. Maar de uitwerking dier woorden was een bijna +verpletterende. De slanke gestalte der barones richtte zich overeind; +als wezenloos zag zij haar zoon aan, en: "Army, almachtige God!" riep +zij in vertwijfeling uit, "o, slechts _dat_ niet, slechts _dat_ niet!" + +"Mama is ongesteld," zeide de zoon en haastte zich naar de +schellekoord. + +Doch een flauw: "Kom hier, Army! het wordt reeds beter," bracht hem +aan hare zijde terug; zij nam dankbaar een glas water aan en sprak, +terwijl zij poogde te glimlachen: + +"Ik heb u verschrikt, arme kinderen. De herinnering aan den dood uws +vaders is nog heden voor mij diep treurig; maar nu Army op het punt +staat zijne intrede in de wereld te doen, moet ik met u over het +verledene spreken, iets wat ik tot nu toe steeds vermeden heb. Gij +zult u zeker wel eens in stilte verwonderd hebben," ging zij na een +korte pauze voort, "over de eenvoudige, ingetogene levenswijze die wij +voeren, over het volstrekte gemis van weelde en overvloed. Ach, Army, +niet om mijnent- alleen om uwentwille doet mij dat leed. Gij gaat +de wereld in onder de drukkendste omstandigheden, die men zich kan +voorstellen, veroorzaakt door de grenzenlooze lichtzinnigheid uws--" + +Zij hield ontsteld op en brak in bittere tranen los. + +Army stond met gefronst voorhoofd bij den haard en zag tot de weenende +vrouw op; de vroolijke uitdrukking was van zijn gelaat als weggevaagd, +en om zijn mond was een trek van bittere teleurstelling zichtbaar. + +"Toen ik hier kwam wonen aan de zijde uws vaders, ik, een kind van +nauwelijks zeventien jaar," hervatte de barones, "vond ik hier enkel +pracht en een vroolijk leven. Het slot Derenberg was sedert jaren +beroemd wegens zijne gastvrijheid, en uwe grootmama verstond de kunst, +de eer des huizes op te houden. Zij was toen nog beeldschoon, en haast +even betooverend als op haar portret in de groote familiezaal boven; +zij hield hartstochtelijk veel van pracht en praal. Jegens mij was zij +zóó lief en goed, dat ik waarlijk meende, een tweede moeder gevonden te +hebben. Ach, die korte glansrijke tijd was de schoonste mijns levens, +en toen ik u aan mijn hart mocht drukken, mijn Army, en u, mijne Nelly, +toen ontbrak er niets meer aan mijn geluk.--Daarop echter kwam het +vreeselijke: de dood uws vaders. Plotseling en onverwacht trof ons +het ongeluk." + +Zij huiverde en drukte de bevende handen tegen de slapen, als om +zich te herinneren, of dat, wat zij verhaalde, werkelijk tot het +verleden behoorde. + +"Na zijn dood werd de oude justitieraad Hellwig mij als curator +ter zijde gesteld. Het bleek, dat onze zaken meer dan verward +waren. Waarheen het oog zich ook wendde--hypotheken, pandbrieven, +onbetaalde rekeningen; het was eene wanorde zonder wederga, waarin +grootmama en ik ons eensklaps verplaatst zagen. Hoe vele slapelooze +nachten, hoe vele kommervolle uren zijn sedert verstreken, en toch +is tot heden, trots alle bemoeiingen van den ouden Hellwig, nog geen +licht in den chaos gekomen." + +"Wind u niet op, lieve mama!" bad de jonge officier, "ik wist het +immers reeds lang, dat wij in bekrompen omstandigheden leven, hoewel +ik niet vermoeden kon, dat wij zoo arm zijn; maar houd goeden moed! Er +komen zeker ook weder andere, betere tijden, en grootmama heeft mij +nog onlangs gezegd, dat de zaken niet zoo hopeloos stonden, daar wij +toch nog een rijke erfenis van tante Stontheim te wachten hebben." + +"Grootmama gelooft stellig aan deze erfenis, maar--" + +"Zij wenscht," viel de jonge man zijne moeder haastig in de rede, "dat +ik, alvorens naar mijn regiment te gaan, tante Stontheim zal bezoeken." + +"Ik heb er niets tegen, mijn kind, en wensch van ganscher harte, dat +grootmama zich niet bedriegt; maar wij moeten niet vergeten, dat de +Derenbergs in Koningsbergen evenveel recht op de erfenis hebben als +wij; de dochter van den overste Derenberg van het zestiende regiment +heeft hetzelfde recht als gij en Nelly." + +Op dit oogenblik opende Sanna, de oude dienstbode der barones, de hooge +vleugeldeur, en de oude barones Derenberg trad binnen. Nog altijd een +statige, gebiedende verschijning, ging zij, trots haar zestig jaren, +nog volkomen rechtop. Zij droeg haar eenvoudig wollen kleed met +dezelfde waardigheid als vroeger haar zwaar zijden sleepjapon. Haar +dik, nog altijd donker haar, aan de slapen een weinig naar achteren +gestreken, werd door een kanten mutsje bedekt, waaronder een paar +groote zwarte oogen fonkelden. Over haar geheele verschijning lag +een echt aristocratisch waas, en de fijne trekken drukten een niet te +buigen trots uit. Hoe oud geleek die lijdende, gedrukte schoondochter +naast deze indrukwekkende vrouwengestalte! + +Army ijlde haar te gemoet; hij ontnam haar een groot boek, dat +zij in de hand hield, en geleidde haar naar den haard, waar Sanna +ondertusschen eenige stoelen gereed gezet had. Ook haar kleindochter +was opgestaan, en de bleeke vrouw veegde in stilte de laatste tranen +uit haar oogen weg. + +"Waarover werd hier gesproken?" vroeg de oude barones, terwijl zij +plaats nam aan den haard en de dienstbode wenkte, heen te gaan. "Ik +hoorde zoo iets van 'dezelfde rechten als Army en Nelly.'" + +"Wij spraken over tante Stontheim en de erfeniskwestie," antwoordde +hare schoondochter, zich ook aan den haard zettende, "en ik gaf als +mijne meening te kennen, dat Blanka van Derenberg uit Koningsbergen +evenveel recht op de erfenis zou hebben als onze kinderen." + +"Blanka? welk een idée!" riep de oude dame schouderophalend, "dat +roodharige, klierachtige schepsel? Tante Stontheim heeft--goddank!--een +te goeden smaak, om zulk een dwaasheid te doen;--overigens had zij, +voor zoover ik mij herinneren kan, een zeer billijken afkeer van dien +snoevenden overste en zijn hoogblonde gemalin, die hij, God weet! in +welken hoek van Engeland of Schotland heeft opgedaan. Zij is immers +een miss Smith of Newman? Nu, zoo iets duisters is het. Neen, Cornelie, +dat is weer een van die ongehoorde, gezochte geschiedenissen, waarmede +gij u-zelve en anderen kwelt." + +De toon harer stem klonk spotachtig, zooals gewoonlijk, wanneer de +trotsche vrouw tot haar schoondochter sprak. + +"Ik meende slechts," antwoordde deze zacht, "dat men toch niet met +zekerheid---" hier hield zij op. "Het leven geeft reeds zoo vele +teleurstellingen, dat men werkelijk--" + +"Army zal het bij de oude, knorrige tante wel zoover weten te brengen, +dat zij hem het waarlijk vorstelijk vermogen vermaakt," viel de oude +dame haar bits in de rede. + +"Hoe bedoelt gij dat, grootmama?" klonk plotseling de stem des jongen +mans. "Gij verlangt toch, hoop ik, niet, dat ik--een erfenisjager +worden zal, zooals men dat noemt? Ik zal haar beleefd en hoffelijk +bejegenen, zooals tegenover eene dame betaamt, maar dat is ook +alles--kruipen kan ik niet;--wat zij mij vrijwillig niet wil geven, +mag zij behouden!" + +Verbaasd richtte de grootmoeder zich uit haar achtelooze houding op, +en haar oogen fonkelden van toorn over deze onverbloemde verklaring +van haren kleinzoon. "Zou men dat wel van zulk een jongen melkbaard +gedacht hebben?" vroeg zij op een toon, die zij te vergeefs poogde +schertsend te doen klinken, want haar stem beefde van ergernis. "Wel, +Army! hebt gij met den cadettenrok ook den eerbied afgelegd en meent +gij, wijl gij sedert acht dagen de épauletten draagt, nu het recht +te hebben, uwe grootmoeder te vermanen en haar goede raadgevingen +te versmaden? Gij zijt nog veel te jong om den toestand, waarin ge +nu komen zult, juist te kunnen beoordeelen. Is dat jachtmaken op +erfenissen, wanneer men de liefde eener oude, eenzame bloedverwante +zoekt te winnen?" + +"Ja, grootmama," zeide Army beslist, zonder dat één trek op zijn +lief gelaat veranderde. "Ja, dat is het, indien men met de liefde, +ook het geld van iemand zoekt te winnen--" + +"Dat men hoog noodig heeft, wil men zijn leven lang geen gebrek +lijden, en zijne dagen in kommer en ellende slijten, in een slot +zonder heerlijkheid en inkomsten," viel de oude barones hem toornig +in de rede en schoof heftig haar stoel achteruit. + +"Dat stem ik toe, grootmama; ik zou ook zoo boud niet gesproken hebben, +zoo er niet nog eene erfgename ware; maar dewijl Blanka--" + +"Alweder die Blanka! kent gij haar misschien? Weet gij of zij nog +leeft, dat ziekelijke schepsel? 't Is akelig, zulke kinderwijsheid +te hooren uitkramen, die sterk naar de cathechisatie-kamer riekt. Ik +verlang dringend, Army, dat gij naar Stontheim gaat; ik duld geen +tegenspraak; heden nog vertrekt de brief, die uwe komst meldt." + +"Zeker, grootmama, ik _zal_ gaan," zeide Army beleefd maar koel, +"zoodra gij het verkiest." + +Zij stond op; haar trotsch gelaat gloeide en om den mond plooide zich +een eigenaardige, hoogmoedige trek; nooit was de overeenkomst tusschen +grootmoeder en kleinkind meer in het oog vallend geweest. Met vlammende +oogen en vast op elkander gedrukte lippen, stonden zij tegenover +elkander, zonder dat de een voor den ander het veld wilde ruimen. + +"Gij vertrekt morgen namiddag, met de post van vijf uur," zeide +de oude koel, en zonder de toestemmende buiging des jongen mans af +te wachten, groette zij haar ontstelde schoondochter met een nauw +merkbaar hoofdknikje, en ging heen. + +Een pijnlijke stilte volgde, toen de vleugeldeuren achter de hooge +gestalte der oude barones dicht vielen. Hij, die het gewaagd had, +de trotsche vrouw tegen te spreken, wier woord een bevel voor alle +huisgenooten was, hij stond in zoo rustige houding voor den haard, +en staarde zoo onverschillig in de vlammen, alsof er niets gebeurd +was. Nelly zag haar broeder verwonderd aan; hij scheen een geheel +ander mensch te zijn. Niemand sprak een woord, totdat de oude Sanna +binnentrad met een brief in de hand, en vroeg: + +"Heeft Mevrouw de barones ook iets noodig uit het dorp? Hendrik +moet naar de post; het sneeuwt sterk, en wellicht kon het dan meteen +geschieden." + +De barones antwoordde ontkennend en de oude vertrok. Intusschen was +Army aan de tafel gaan zitten en bladerde in het boek, dat hij zooeven +uit de handen zijner grootmoeder genomen had. + +"Daar vind ik iets over onze schoone Agnese Mathilde boven in de +familiezaal," riep hij vroolijk: "kom eens hier, zusje! Dat is +interressant--hoor maar!" + +Het jonge meisje ging naar hem toe, boog zich over de leuning van +zijn stoel en zag nieuwsgierig naar het geelgeworden papier, dat +met moeielijk te ontcijferen schrift bedekt was. Hij las, langzaam +spellende: + +"Op den dertigsten November Anno 1694 is hier in het slot Derenberg +het lijk der hooggeboren vrouwe Agnese Mathilde, barones van en tot +Derenberg, Schüttenfeld en Braunsbach, geboren vrijvrouwe van Krobitz +uit het stamhuis Trauen, in den grafkelder plechtig begraven, en wel +zóó, als zij het bij haar leven zelve beschreven had. En het lijk +stond in de zaal naast de kapel, en de doodkist was bedekt eerst +met een fijn wit, en daarover een zwart satijnen lijklaken, waarop +genaaid was een kruis van zilverdoek. Bovenop lag in het midden een +verguld zilveren crucifix, en aan elke zijde waren acht kleinere, +aan het hoofd- en voeteneinde echter grootere op oranjekleurige zijde +geborduurde wapens van Derenberg en Trauen, bevestigd. De kist werd +alleen door de adellijken, die in de buurt woonden en hier dikwijls +feest gevierd hadden, in de kapel gedragen. Daarachter gingen de zes +zonen der overledene, dan volgde de weduwnaar, die zeer bedroefd was." + +"Dat is vervelend," viel de jonge officier zichzelf in de rede, +"maar wat staat hier?--luister!" + +"En de schoone Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg is een +zeer trotsche en kloeke vrouw geweest, die haar man in alle nooden +wakker ter zijde stond. + +"Zij had een slanke gestalte en rood haar, hetgeen eigenlijk geen +goed teeken moet zijn, zooals het oude rijmpje zegt: + + + De schoone vrouw en 't schoone paard, + Zijn ongetwijfeld zeer veel waard; + En zijn ze zonder booze nuk, + Dat is voorwaar een groot geluk. + Let daarom op de kleur van 't haar, + En is dat rood, dan dreigt gevaar. + + +"Doch zij heeft niet meer gebreken gehad dan andere vrouwen; zij +was een schoone vrouw; een ridder was voor haar zoodanig in liefde +ontstoken, dat hij, toen zij zijn smeeken geen gehoor wilde leenen, +zich uit wanhoop het leven heeft benomen, 't geen God hem moge +vergeven; en in zijn bloed badende, heeft zij hem voor de deur van +haar vertrek gevonden, waardoor zij zóó ontstelde, dat haar plotseling +een zware ziekte is overvallen, zoodat men meende, dat zij ellendig +zou sterven. De goede God heeft haar echter een spoedige herstelling +geschonken; maar zij heeft na dien tijd niet weder gelachen, en de +ridder, een jonker van Streitwitz, is in den slottuin alhier begraven." + +"Wat zegt gij daarvan, mamaatje?" riep Army opgewonden; "ik wil graag +gelooven, dat iemand zich om haar van het leven heeft beroofd; het +is een wonderschoon gelaat. Ik wenschte wel, dat ik haar beeltenis +konde meenemen, en op mijne kamer ophangen; zij moet een bekoorlijk +schepsel geweest zijn, die Agnese Mathilde." + +"Wel, Army!" lachte de barones, "ik wist niet dat uw eerste +verliefdheid eene doode gold! Nu, het is ten minste niet +gevaarlijk--wat zegt gij, Nelly?" + +Nelly zweeg; de opgeruimde stemming wilde niet weder in den kleinen +kring terugkomen; het jonge meisje zat zwijgend over haar werk gebogen +en dacht er over, wat zij Liesje ter verontschuldiging zou zeggen; +Army verdiepte zich weder in de lectuur van het oude boek, en om den +mond der barones was het vluchtige lachje verdwenen. Nu en dan streek +zij met de hand over de oogen en zuchtte diep; telkens wanneer zulk +een bange zucht het oor harer kinderen trof, zagen zij op en rustten +hun vragende blikken droevig op het bekommerde gelaat der moeder; +daarop nam elk zijne bezigheid weder ter hand. + +"De genadige vrouw barones wenscht op haar kamer thee te drinken," +zeide de binnentredende oude Sanna, "zij laat zich bij het avondeten +verontschuldigen; de barones heeft hoofdpijn." + +De oude vrouw droeg een presenteerblaadje met een ouderwetsch kannetje +en kopje in rococo stijl. Zij was blijkbaar voornemens, haar meesteres +de thee te brengen en stond nu, op antwoord wachtende, bij de deur; +zij sloeg een onderzoekenden blik op de drie gestalten, als om te zien, +welken indruk dit bericht op hen maakte. De peinzende vrouw aan den +haard scheen haar woorden niet gehoord te hebben en zag verschrikt op, +toen haar dochter vriendelijk zeide: + +"Wij betreuren dat zeer, lieve Sanna, en wenschen grootmama van +harte beterschap." + +"Is uwe genadige vrouw ongesteld, Sanna?" vroeg de barones. + +"Ja zeker," antwoordde deze, en de groote, beenige figuur richtte +zich in haar volle lengte op, terwijl zij met haar grauwe oogen de +vragende strak aankeek. "De barones was reeds niet wel, toen zij van +hier ging, want zij kwam met hevige hartkloppingen in haar kamer; +ik heb haar reeds drie bruispoeders moeten geven. Als het maar niet +iets ergers wordt!" + +Er lag iets verwijtends, onbeschaamds in dit antwoord, minder nog in de +woorden, dan wel in de stem en de uitdrukking van het gelaat, zoodat de +barones Derenberg van verontwaardiging kleurde. "Het spijt mij zeer," +zeide zij, haar stem verheffende en Sanna met de hand wenkende heen +te gaan; "ik hoop dat de genadige vrouw morgen weer hersteld zal zijn." + +"Zeer goed," antwoordde de oude en verliet het vertrek, maar haar +houding en de uitdrukking van haar gelaat onder de geplooide muts +waren eensklaps vijandig geworden. + +Army was opgesprongen, en zag met toornige blikken de dienstbode na. + +"Army, ik bid u," riep de barones, "laat haar! Gij maakt het er niet +beter op, wanneer gij haar op hare plaats zet. Zij is altijd zoo +geweest; het warme zuidelijke bloed verloochent zich bij haar evenmin +als bij haar meesteres, en bovendien--zij vereert uwe grootmoeder +afgodisch. Gij weet, Army, dat Sanna reeds met grootmama uit Venetië +hierkwam, dat zij het tijdperk van grootheid en rijkdom met haar +doorleefd heeft, en nu trouw haar zorgen en ontberingen deelt. Sanna +heeft veel goeds; een getrouwheid als de hare is zeldzaam; en u, +kinderen, vooral Army, heeft zij boven alles lief; zij is buitendien +ook al zóó oud, dat men haar niet veel kwalijk nemen kan." + +Army antwoordde niet; hij nam zijne muts. "Ik moet een oogenblik naar +buiten, anders slaap ik slecht," zeide hij, kuste zijn moeder de hand +en verliet het vertrek. + +Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar +hij eigenlijk heen wilde. "Eerst moet ik mijn paletot halen," dacht +hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te +moede--voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja, +hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde, +maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover +niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem +tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog +eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar +genoemd had. + +Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer +het rijmpje: "Daarom, let op de kleur van 't haar! En is dat rood, +dan dreigt gevaar." Het roode haar zou _hem_ toch niet in gevaar +brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden. + +Grootmoeder had gezegd: "Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis +bouw ik al mijne hoop," en hij had haar iets verweten van jacht maken +op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka--daar was +zij alweer--maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka, +Nelly en hem--ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht +kunnen komen? + +Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op +het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het +droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het +roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen +helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de +kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den +schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde, +waarop de spreuk: + + + "Wanhoop nooit aan God! + Dan is geluk uw lot;" + + +een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. "Geluk is dan uw lot," +herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij +maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig +kunnen worden? + +Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden--alle waren zij door de +Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum +vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand +had. Maar het was immers mogelijk--waarom niet?--dat hij eenmaal +weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke +jachtpartij gehouden hadden. + +Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol +hoop, zoo uitlokkend, en 't geluk kon immers komen. + +Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte +hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich 's levens stormen +te trotseeren. "Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker +de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt; +een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving +vragen voor dat leelijke woord 'erfenisjacht', ging hij voort; ook +mama mag niet meer zoo treurig zijn--waarom altijd zoo donker te +zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar--dat was om +Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er +over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat--" + +Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne +moeder terugkeerde. + + + + + +Tweede Hoofdstuk. + + +Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne +grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij +lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog +onbekende Blanka mee zou erven. "Gij zijt een dweeper, Army," zeide +zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een +tabouret aan haar voeten. "Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen, +voor wij scheiden." + +De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting +behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen +indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware +purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was, +maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en +vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche +tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd +met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen; +'t waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als +gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze +herinneringen vergat zij het troostelooze heden. + +"Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet +te zeggen, Army!" ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister +vermijdende. "Gij zult dit zelf wel weten; breng haar mijne hartelijke +groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden." + +"Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama," zeide Army +hoffelijk, "ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren." + +De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij: +"Niet spotten met uw oude grootmoeder!" + +Army kuste haar de hand. "En wat heeft u mij nog meer te zeggen?" + +"Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt +zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner +voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u +voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis +zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn +en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige +wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op +te richten.--Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te +schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!" + +De jonge officier lachte. "Zeker grootmama, ik schrijf spoedig, +want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan +trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst +onlangs achttien jaar geworden." Hij lachte luid; van zijn gelaat was +elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. "Mag ik nu afscheid +nemen, grootmama?" vroeg hij, "ik wilde nog gaarne eens naar de +familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek +te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling +verzekeren," voegde hij er bij, "wanneer ik niet een meisje vind, dat +haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw." + +"Meent gij die Mathilde met het roode haar?" vroeg de oude dame +verbaasd. + +"Ja!" knikte de kleinzoon. "Ik heb eene voorliefde voor rood haar. A +propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister +avond beneden bracht?" + +"Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had." + +"Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!" Hij kuste haar de +tengere hand, en vertrok. + +Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in +de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den +donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware, +goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd +weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit +voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling +contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere +oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den +beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een +verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek; +Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde, +en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der +schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende, +diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering +uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster +werd op zijn schouder gelegd. + +"Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat +immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien." + +Hij trok het jonge meisje naar zich toe. "Zie mij eens even aan, +Nelly!" bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; "zijt gij nog +boos op mij?" + +Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag, +maar zij schudde lachend het hoofd. "Boos? neen, o neen! Maar kom +toch--het is hier zoo koud." + +Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen, keerde hij zich +nog eenmaal om, en zag naar het portret. + +"Let daarom op de kleur van 't haar, en is dat rood, dan dreigt +gevaar," mompelde hij zacht voor zich heen. + +Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen, +om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van +zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly +ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet +van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven. + +"Precies zijn grootmoeder!" mompelde de oude Sanna zacht; "het hart +springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet." Zij hield de +handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. "Het kan hem +niet mislukken," dacht zij, "hij kan aankloppen, waar hij wil; de +rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader +zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens +mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke +leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn +bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!" + +Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een +heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de +allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door +een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van +het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen +schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan +de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was +met een verblindend wit laken bedekt--doodstil was het in de natuur; +alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen +omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En +dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich +in de verte als in een purperen zee baadde. + +De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden. "Zie Nelly," +zeide hij, "dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze." + +"De papiermolen ook?" vroeg de kleine en wees op het met leien +gedekte gebouw. + +"De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der +landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht, +toen hij zich eens in verlegenheid bevond--zoo verhaalde grootmama +mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij--" hij voer even +met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten; +hij wilde er nu eenmaal niet over tobben. + +Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en +zag de groote laan langs. + +Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren +geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve +vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot +te voorschijn, als 't ware overstroomd door den rooden gloed der +ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar +beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst, +die zich in zijn hart hadden ontwikkeld. + +"Het _moet_ hier weder anders worden," zeide hij, "het _moet_; ik +wil het." + +Hij keerde zich om en volgde zijn zuster. + +Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil +en keek op zijn horloge. + +"Zusje," zeide hij, "ik moet spoed maken, als ik de post niet wil +misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke +sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!" Hij +bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. "Pas op, dat de tijd +u niet lang valt in het oude, eenzame slot!" + +Zij schudde het hoofd. "O neen, ik heb Liesje immers." + +Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen +waren, op den grooten weg uitliep. Door het dennenbosch daarboven +voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de +weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede +takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen +bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn. + + + "Wijl ik van u scheiden moet, + Bied ik u den afscheidsgroet! + Meisjelief, adé, + 't Scheiden doet wee!" + + +zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje +uit het dennenbosch te voorschijn. + +Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood +bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe +oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk +nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor +zich twee kuiltjes in de wangen vormden. + +"O, Nelly," riep zij, "hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army," +voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, "gaat +gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest +te zijn?" + +De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem +gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij +kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken; +zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje, +dat hem vragend en verwijtend aanstaarde. + +"Army moet heel onverwacht vertrekken," zeide Nelly, "anders--" +zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te +bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar +broeder smeekend aan. + +Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. "Goede +Army," zeide zij gerustgesteld, "ik had u al beschuldigd, dat gij niet +meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,"--zij +lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen--"om te vragen +of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden +zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag +of morgen _toch_ gekomen zijn," voegde zij er trouwhartig bij. + +Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. "Wat zijt gij groot +geworden!" zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was +werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig +uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij +bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd: + +"Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten, +Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb." Zij +stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare; +hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu +weder te voorschijn. + +"De laatste, Army," riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder +en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde +hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar "de laatste" weer te geven, +zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot +verliet;--zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter +zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij +zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen; +hij moest zich immers haasten. + +Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen +vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was, +fluisterde een zacht "vaarwel!" + +Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp +verdween, vroeg zij angstig: "Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op +Army?" Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje +en ging zwijgend nevens hare vriendin verder. + +Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof +geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen +er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren +droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij +het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger, +en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden +niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: "goeden nacht!" + + + + + +Derde Hoofdstuk. + + +De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen +omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het +ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan +op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw +en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten +voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde; +de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen, +en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit +huis "tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving +en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin." De oude drakenkoppen +aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater +uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de +twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der +familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen +omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en +vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder +toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke +appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg +gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid +en grootte. + +Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de +oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs +kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over +de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke, +heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en +was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende +huisdeur kon ontvangen met een "God zegene u! wat zal dat Mina"--dat +was de huisvrouw--of: "wat zal dat Frederik"--zoo heette de heer des +huizes--"genoegen doen!" en dan trippelde zij vooruit om den gast in +de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van +haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer. + +De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was +eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had +het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de +speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door +trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld +en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk +geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid +jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de +linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls +zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek. + +Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier +handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige +werkzaamheid in zich vereenigden. Het "bid en werk" was van oudsher +de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den +kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen: +op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en +dochters. "Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde," was een +compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe +oogen der molenaarskinderen hadden reeds sinds jaren menigeen kommer en +hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel +levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid. + +Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren +verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander +achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs +de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den +lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek. + +Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van +1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer +bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen. + +Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het +meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide +met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als +godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar +eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw +Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen +speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond, +die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant, +hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op +het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den +blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan +het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine +Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke +slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen +in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert +lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de +bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de +jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog +altijd gaarne in het oude huis terug, om den vriend te bezoeken. De +kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid; +zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in +de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw +waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien, +dat zij zijn hart won. + +Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de +huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek +daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen +wel lief _moest_ krijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met +"juffer" en "u" aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het +vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij +hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren. + +En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin +kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen +dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het +betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette. + +Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder +het rijmpje gehoord: + + + "Gelijk goed, gelijk bloed, + Gelijke jaren, geeft de beste paren," + + +maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich +om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde +voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend +gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even +ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw +en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone +vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander, +dat het eene aan zijne wonden bezweek--Lisette sloot haar wonderschoone +blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd. + +Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken, +en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner +schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte +zij dikwijls bij zich zelve: "zij komt immers uit het lichtzinnige +Italië--hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als +het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit." + +Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den +molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij +de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de +familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen, +de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden, +want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde +hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede, +en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge +paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de +jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen: +"Daar, tante!"--zoo noemde hij haar steeds--"heb haar ook een weinig +lief en wees ons beider moeder!" + +Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later +een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote +blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het +gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar +beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje. + +Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor, +die ook de harten in den molen diep schokte--de plotselinge dood +van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en +dacht "hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren." Toen nu eens haar +lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond +meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd door +een beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die +verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam +het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of +zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind +bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje +bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel +als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje +eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met +glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen +zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder +zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende, +drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met +tranen in de oogen: "Van avond moeten wij den lieven God hartelijk +daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt, +zie die beide kinderen daar, _die_ hebben _geen_ vader meer, en zij +missen bovendien nog zóóveel!" Van toen af dagteekende de vriendschap +tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg. + +Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje +groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden +en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar +peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken +en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem +de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen +vochtig: "precies Lisette!" zeide zij halfluid in zich zelve. + + + +Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht, +verwonderde de oude vrouw niet. "'t Is grootmoeders bloed," zeide +zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was, +dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had; +zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij +trof de jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op +het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest +onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu +weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon, +sprak zij: "Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch +is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op +reis moest;--ik wist het wel. + +"Zoo?" vroeg de oude vrouw. + +"Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij--" zeide +zij pruilend. + +"Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen," antwoordde +deze. "Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?" + +"Ja, en Nelly jokt niet." + +"Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt; +zij heeft de trekken en 't gemoed der Derenbergs, dat waren door en +door brave lieden die Derenbergs, totdat---" Zij zweeg. + +"Wat bedoelt gij, tante?" + +"Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een +engel voor." + +"Wat zegt gij?" + +"Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar +Zondag van den kansel verkondigd heeft: 'Onze God is een rechtvaardig +God,' dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk +liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene +appels." + + + + + +Vierde Hoofdstuk. + + +Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was +op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een +bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de +jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de +maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig +vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de +vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat, +en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen +in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd +er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een +oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet +alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten +deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone, +lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer, +na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was +alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen +lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd +dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als +de wereld daar buiten. + +Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op +een schilderijtje boven de commode rusten dat in het heldere maanlicht +de silhouette van een man vertoonde. + +"Ja, ja, mijn Christiaan," fluisterde zij zacht, "wij hebben elkander +liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest, +vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat +het ook zoo met u moest gaan--zoo treurig! Lieve hemelsche vader, +wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de +mensch een paar jaar gelukkig,--of daar komt de smart; een lading +vol--mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes, +mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld +heerlijk! daar ving het treuren aan. + +"Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!" Zij schudde treurig het +hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte +grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof. + +Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in +den schoot. + +"Ha, wacht! Dat doet Lise," zeide zij, en een schalkachtige +trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat +onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd +een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor +het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen. + +"Zij is hier niet!" sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van +schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje +met den vliertak over het verblufte gelaat. + +"Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!" + +"Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?" vroeg de oude; +"wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?" + +Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: "Zijn vader en moeder +reeds terug uit de stad?" + +"Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik +blijf immers wacht houden." + +"Maar, tante! wat denkt gij wel?" riep het jonge meisje. Op dezen +wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk +de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in +den tuin is." + +"Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk +weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht--blijf +gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond." + +"Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen +zijn, voor niets ter wereld niet." + +"Nu, kom dan, gij dwaas kind!" + +Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de +kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad +gekleed, trad binnen. + +"Daar ben ik, tante!" riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje +aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en +bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot +de oude vrouw opzagen. "Tante," sprak zij toen zacht, "vertel mij +heden avond iets, bid ik--" + +"Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?" + +"O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante." + +"Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?" + +"Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij--toen +gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?" + +"Wel gij--nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te +weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?" + +"Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds +een bruidegom, en--" + +"Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel +graag een hebben,--ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal--" + +"Doe dat maar, tante!" riep het jonge meisje, lachend. "Moeder heeft +mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles +voor uw uitzet, Lise." + +"Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?" + +"Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde +voor het eerst gezien hebt?" + +De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote, +vochtige oogen vol verwachting tot haar op. + +Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk +met eentonige melodieën uit de verte. + + + "Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!" + + +zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin. + + + "Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af." + + +Tante schudde het hoofd. "Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen, +zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet +dwingen." + + + "Och, ruitertje, och, ruitertje! + Blijf van mijn bloemen af; + Die moet mijn schat, mij allerliefst, + Zelf plukken van mijn graf." + + +"Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was," +zeide tante; "ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met +Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon--maar +gij wildet immers weten," viel zij zich zelve plotseling in de rede, +"wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond, +zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer, +ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong: + + + "Hij is geen keizer, bij is geen koning; + Hij is soldaat, hij is soldaat." + + +"Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en +vroeg: 'Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?' waardoor ik zóó +schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij +echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik +stilstond en hem aanzag. Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een +paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde; +wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht +was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly, +die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls +gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik +bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch +moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug +de hand en zeide hij: 'goeden nacht, Marie!' Wij spraken niet meer, +maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo +hard ik kon over de brug naar huis liep." + +"Hoe waart gij toen te moede, tante?" + +"Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise," zeide de oude +vrouw; "ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit +zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer +zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was +toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: 'goeden nacht, +Marie!' klonken mij onophoudelijk in de ooren." + +De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. "Zeg +mij eens, Lise, wat scheelt u toch?" + +"Och, niets, tante!" antwoordde zij. "Weet gij wat, ik ga nog even +naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden +nacht, tante!" + +"Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij +morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft +laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het +mij ook valt. Goeden nacht!" + +En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het +venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar +de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer, +zoodat zij die niet meer onderscheiden kon; maar zij wist immers +nauwkeurig, hoe hij er uitzag. + +"Ja, zoo was het," fluisterde zij, "dáár buiten bij de molenbrug, +daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het +mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is +Lise's schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?"--- + +Lise was buiten onder den lindeboom gaan zitten; het water van de +molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg, +die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven, +achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche, +door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel, +zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen--hoe +kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was? + +De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het +priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te +lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend +zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop +had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk "juffer Lise" +genoemd. "Juffer Lise!" Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen; +hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en +statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het +laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche +mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de +avond van Nelly's verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne +kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk, +zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde +gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij +waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug, +evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne +jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan. + +"Goeden nacht, juffer Lise!" Zij had er weder om moeten lachen; +"goeden nacht, mijnheer Army!" had zij willen zeggen, maar het kwam +niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij +als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich +over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als +zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude +linden--'t was alsof zij droomde. + +"Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?" vroeg zij bij zich zelve +en zag naar het slot. "Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen +het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen," dacht +zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval. + +En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht, +en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar +niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers, +die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen--- + +Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer +der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar +handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot. + +"En gij zegt, Army!" sprak zij vragend tot den jongen officier, +die tegenover haar zat, "tante Stontheim heeft zelve den wensch te +kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?" + +"Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd," antwoordde deze: +"tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk +nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van +den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer +bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande, +aanstonds onze gastvrijheid aanbood." + +"Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit +ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een +genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij een moeielijke zaak +toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen +en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen, +hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen." De oude dame +lachte bitter. + +Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde. + +"Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?" vroeg de +grootmoeder, na eenig stilzwijgen. + +Army's gelaat verhelderde zich. "Hoe zal ik u haar beschrijven, +grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone +verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste +maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan +zich boeit." + +"Dat is de taal eens verliefden," sprak de oude dame koel; "zooveel +ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden." + +Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte +oogen. + +"Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets--" + +"Genoeg!" viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; "zeg mij +liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en +wat heeft deze te hopen?" + +"Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid +heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het +Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet +kunnen bespeuren." + +De barones haalde minachtend de schouders op. + +"Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek +reeds medegedeeld?" + +"Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen--de kleine +uit den molen was bij haar." + +"Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht +van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande +is zij de eerste en de laatste bij uwe moeder en zuster, die in haar +een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld +zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?" + +"Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer +zou tot zitkamer kunnen worden ingericht." + +"De torenkamer? Nooit!" riep de oude dame vertoornd uit; haar +buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna +spookachtig aanzien. + +Army zag haar verschrikt aan. + +"Zooals gij wilt, grootmama!" + +"Schik dat met uwe moeder!" liet zij er haastig op volgen, "laat +Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang +ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader." + +Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen +de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten +marmeren vloer. + +"Nog altijd het oude liedje," mompelde hij; "wat heeft dat nu weer +te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld, +het voor Blanka in te richten--" + +"Voor Blanka!" Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen +terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge +spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de +tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu +zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend, +en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar +buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien +winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend +met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk +voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: "Vertrouw +gerust op God, geluk is dan uw lot." Was het geluk hem reeds ten deel +gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hoop er op. In +den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon. + +Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen +doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter +verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem +werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling +beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een +meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar +verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed +van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar +werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig +haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij +was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning +zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia's +op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante. + +"Agnese!" klonk het in zijn binnenste; "de schoone Agnese Mathilde +uit de familiezaal 't huis!" + +"Is het reeds zóó laat?" vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op +de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij: + +"Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de +feestdagen onze gast zijn zal!" + +De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op +hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders; +voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo +uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer +links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven, +als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig +toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden, +was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka +gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret +in de familiezaal hing, dat haar sprekend geleek, en waarvoor hij als +knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te +kunnen verzadigen. + +Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef +te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer +inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep +treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die +onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was +zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!--Hij volgde haar +met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een +goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij +kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk, +die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den +heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was, +en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen. + +Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er +minder bekoorlijk had uitgezien--zeker niet; de gouden sluier lag +zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den +Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach, +die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige +Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka's zwarte oogen. + +Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij +vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig +terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij +een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was +zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht +vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend, +opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was, +dat op het portret in de familiezaal, of het hare. + +Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek; +hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwde in het +maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een +blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen, +en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag +zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast +hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen, +en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame +voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw +vroolijk leven aankondigende. + +Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts +een droom; en de werkelijkheid?--Army huiverde; zij stelde hem +eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige +werkelijkheid.--Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone +gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld, +o, dat booze geld! + +Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en +ruischte door de boomen. "Het is tijd om te gaan slapen," zeide +de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht +zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese +Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad, +en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote, +treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog: + + + "Let daarom op de kleur van 't haar, + En is dat rood, dan dreigt gevaar." + + +klonk het in zijn oor. + + + + + +Vijfde Hoofdstuk. + + +"Army, wat ben ik blij, ook eens een gast te zullen hebben," sprak den +volgenden morgen Nelly tot haar broeder, toen zij te zamen door het +frissche, groene park wandelden. "Wat zal Liesje wel zeggen? Ik moet +het haar vertellen. Zeg eens, Army! hoe vindt gij Liesje eigenlijk? Is +zij niet beeldschoon geworden?" + +"Ik weet het waarlijk niet," antwoordde hij verstrooid, "ik heb er in +'t geheel niet op gelet; ja, ik geloof het wel, ik herinner het mij +nauwelijks meer--" + +"Maar, Army!" klonk het van de lippen zijner zuster, "gij zijt +verstrooid, of misschien bedroefd--is u iets onaangenaams bejegend? Kan +ik u soms helpen?" + +"Neen, zusje," lachte hij en streek haar schertsend met de hand over +het bloeiend gelaat. "Gij kunt mij wel het allerminste helpen; het is +een ongelukkige geschiedenis, ik--zie er tegen op het mama te zeggen, +maar ik kan niet anders." + +"Och, spreek er niet tegen mama over, Army!" bad het jonge meisje, +staan blijvende. Zij legde de kleine hand op zijn schouder, en zag +hem angstig aan. "Ik bid u, doe het niet! Zij is zoo droevig, en weent +zooveel; ik smeek u, zeg het niet, als het iets onaangenaams is--" + +Army werd verlegen. + +"Ja, mijn God!" zeide hij, "wist ik slechts wat te doen? Tot grootmama +kan ik mij niet wenden; het zou te vergeefsch zijn, daar zij werkelijk +niet in staat is, mij--" + +"Army," fluisterde het meisje, de oorzaak zijner verlegenheid radende, +"ik geloof, ik kan u helpen; wacht een oogenblik, of neen, ga vooruit +onder den grooten ahorn aan den dijk! Ik ben aanstonds terug." En vlug +liep zij naar huis; de zonnestralen dansten over haar eenvoudig kleedje +en beschenen de blonde lokken; spoedig was zij om den hoek verdwenen. + +De jonge man zag haar na en ging verder. Wat meende zij? Zij kon toch +onmogelijk weten--- + +Hij zat op de steenen bank en zag naar het heldere water, waarin de +blauwe hemel en de hooge boomen zoo liefelijk weerkaatsten. + +"Hoe schoon is het hier!" sprak hij halfluid; "als zij maar een weinig +gevoel voor natuurschoon heeft, moet het haar hier bevallen." + +Vlugge schreden klonken achter hem, en zich omkeerende, blikte hij +in het van vreugde stralende gelaat zijner zuster. + +"Daar, Army!" zeide zij blozend, en legde een sierlijk zijden +beursje in zijne hand. "Ik heb het waarlijk niet noodig; neen, +wezenlijk niet; waarvoor toch? En nu zult gij niets aan mama zeggen; +niets, nietwaar?" De blijdschap, iets te kunnen geven, straalde het +lieve meisje uit de oogen. "Goede, lieve Army!" bad zij, "berg het +spoedig! Het zal zeker voldoende wezen." + +"Neen, Nelly, neen!" riep hij, kleurende; "uwe spaarpenningen--" + +Zij hield hem de hand voor den mond. "Gij maakt mij boos, Army," +zeide zij: "zouden broeder en zuster elkander niet helpen--Wie weet, +of ik ook niet nog eens bij u kom! Laat ons nu verder gaan, spreek er +niet meer over! Zie, hoe zoudt gij het vinden, als wij hier eene boot +hadden? Ik heb het reeds lang gewenscht. Dan konden wij met Blanka +roeien, en Liesje--nietwaar? Blanka zal toch niet trotsch zijn?" + +Hij antwoordde niet; hij kwam zichzelf op dit oogenblik zeer +verachtelijk voor. Haastig wendde hij het gelaat af. + +Zijne zuster bemerkte het. "Army," zeide zij, "volg mij spoedig! Ik +moet aanstonds naar mama, en--ik heb het druk," en zij sloeg den +naasten weg naar het slot in. + +Hij volgde haar langzaam, diep beschaamd. Hij had haar gister op +haar geboortedag niet eens een kleinigheid geschonken, en heden gaf +zij hem blijmoedig al hare bespaarde penningen. Hij bleef staan en +opende de kleine zijden beurs; een paar losse daalders lagen er in, +en nog iets in een papier gewikkeld; hij deed het open en vond een +goudstuk, benevens een paar woorden van de hand zijner moeder op het +papier. "Voor een nieuw kleedje voor mijne Nelly," las hij. Het jonge +meisje had klaarblijkelijk de woorden nog niet gelezen; dan had zij +hem deze vernedering bespaard; hij dacht aan het versleten kleedje, +dat zij heden en gister droeg, en hoe zij zich over een nieuw verheugd +zou hebben. Een nieuw kleed voor vijf daalders! Zooveel had ongeveer +de ruiker gekost, dien hij Blanka gezonden had, en welken zij wellicht +den morgen na het bal achteloos had weggeworpen; hij dacht aan de +sierlijke gestalte, welke hij nooit anders dan in zware zijde of licht +krip had gezien--welke tegenstrijdigheden biedt het leven! Daar lag +het slot voor hem, zoo indrukwekkend, met zijn reusachtigen gevel, +zijne torens; en de zoon des huizes bezat niet zóóveel, om,--neen, +het was om wanhopend te worden. + +Hij wendde zich haastig om, en keerde terug; zijne blikken dwaalden +onwillekeurig over den heuvelachtigen grond en bleven op het leien +dak van den papiermolen rusten; eensklaps lachte hij hardop. "Ja, +die hebben des te meer," sprak hij half luid; "men moet zich maar +met lompen en diergelijk tuig afgeven, dan stroomt iemand het geld +toe; en dat alles zal de hand vullen van het kleine meisje, met 't +welk ik eens speelde. Lompenmolenaars Liesje is de rijkste erfgename +uit den ganschen omtrek--waarachtig, het is om zich dood te lachen, +zooals het in het leven verdeeld is." + +In zijn donkere oogen las men intusschen niets van lachen; hij zag +er zeer neerslachtig uit, de knappe, jonge officier; het geld zijner +zuster brandde hem in de handen, terwijl hij haastig voortliep, de +lippen stijf op elkaar gedrukt. De schoone droom der toekomst was +vervlogen voor het drukkende heden, en zijn geldelijke ongelegenheid +had hem geducht aangegrepen. Hij nam het kleine briefje zijner moeder +en legde het in zijne portefeuille; toen ging hij verder, en den +hoofdweg inslaande, zag hij den ouden Hendrik, die naar hem toekwam, +zoo spoedig zijn oude beenen het hem toelieten. + +"Uwe grootmama verzoekt mijnheer den luitenant aanstonds bij haar te +komen," boodschapte hij, den jongen man vriendelijk in het opgewonden +gelaat ziende. + + + +De oude barones liep haastig het vertrek op en neer. Haar trotsch +gelaat was met een blos overtogen en de donkere oogen richtten zich +ongeduldig naar de deur, waardoor haar kleinzoon moest binnentreden. + +In hare hand hield zij een geopenden brief, en van tijd tot tijd +bleef zij staan en wierp een blik op het papier. + +"Het is ongeloofelijk," sprak zij zacht, "deze Koningsberger +Derenbergs! Zich dáár zoo te nestelen. Dio mio! Wat geeft die Stontheim +mij daar bittere pillen te slikken in dien korten brief! En toch +mag ik God nog danken, dat die zaak zich zóó schikt. Hoe verheug ik +mij, dat ik, trots de koelheid die tusschen ons heerscht, Army heb +overgehaald haar te bezoeken!" + +Zij wierp weder een blik in den brief. + +"Ik heb in Armand," las zij, "een beschaafd, beminnelijk mensch +leeren kennen, die geheel het karakter der Derenbergs bezit, en +niettegenstaande den betrekkelijk korten tijd onzer kennismaking, +heb ik hem hartelijk lief gekregen." + +De lippen der oude dame plooiden zich tot een minachtenden glimlach. + +"Ik ben, zooals gij u wel van vroeger zult herinneren," las zij +verder, "iemand, die doorgaans eerlijk en openhartig mijne meening +zeg--dat wij beiden het nooit eens waren, zal wel te wijten zijn aan +het groote verschil onzer beschouwingen; nu zijn wij beiden oude +vrouwen geworden, liefste Derenberg, en het wordt waarlijk tijd, +vrede te sluiten voor de korte spanne tijds, die wij nog te leven +hebben. Ik bied u de hand der verzoening aan; laat, wat vroeger is +voorgevallen, vergeten zijn! De schuld lag waarschijnlijk aan beide +zijden. En nu wil ik u in vertrouwen een lievelingswensch mededeelen, +die ook Armand betreft. Gij zult door hem wel reeds vernomen hebben, +dat in mijn huis een jonge moederlooze verwante leeft, die bij mij +de plaats eener dochter in mijn eenzaam leven vervult, en die ik +liefheb, alsof zij het werkelijk is. Bedrieg ik mij niet, dan ziet +Armand zijne nicht niet met onverschillige blikken aan,--het zou +mij hartelijk verheugen, zoo deze twee elkander leerden liefhebben; +en ten einde hun daartoe de gelegenheid te geven, zend ik Blanka, +onder het voorwendsel van hare gezondheid te versterken, naar uwe +boschrijke woonplaats. Mochten de beide jonge harten elkander daar +leeren verstaan, en ik in Armand nog eens een zoon begroeten! Gij +zijt een verstandige vrouw, lieve barones, en ik behoef u niet te +vragen, alle toespelingen op mijne wenschen bij de jonge lieden te +vermijden; ik hoop dat zij elkander in waarheid genegen zullen zijn; +het is mogelijk, dat Blanka met haar helder hoofdje mijne bedoeling +vermoedt; meegedeeld heb ik ze haar niet. Moge de hemel voor het +overige zorgen en het tot onze blijdschap doen uitkomen! Terwijl +ik u in den geest nog eenmaal verzoenend de hand reik, ben ik, in +afwachting van een spoedig antwoord, lieve Derenberg! uwe + +"Ernestine, gravin Stontheim, geboren Derenberg." + +"Het is waarlijk grootmoedig," vervolgde de oude dame; "men moet +nog een vriendelijk gezicht zetten, en dankbaar wezen; het is fijn +overlegd van tante Stontheim, maar zoo was zij altijd. Blanka is haar +erfgename--dat is zonneklaar en nu zij den jongen heeft leeren kennen, +wil zij de zaak zóó regelen; ik moet met een zoet gezicht in dezen +zuren appel bijten en God danken, dat het zóó geschikt wordt; zij +heeft een boosaardig karakter. Maar één wenk moet ik hem toch geven; +het schijnt mij toe, dat deze Blanka hem niet onverschillig is, en--" + +Op dit oogenblik trad Army binnen. Zijne grootmoeder zag hem +vriendelijk aan. + +"Ik heb een brief ontvangen van tante Stontheim," sprak zij, staan +blijvende en hem de hand toestekende; "zij meldt mij Blanka's komst; +en nu mijn jongen! vergeet, dat ik gister zoo onvriendelijk over +uwe plannen sprak! Ik had een lichten aanval mijner migraine, en +dat ontstemde mij; ik verheug mij werkelijk over het bezoek der +jonge dame." + +Army zag haar verrast aan. "Waarlijk, grootmama? Ik dank u; gij neemt +een centenaarslast van mijn gemoed; het was zeer onaangenaam voor +mij, u moeite te veroorzaken, die u niet aangenaam was. Mag ik weten, +wat tante nog meer schrijft?" + +De oude dame lachte. "Neen, mijn kind," zeide zij, "het is niet goed, +dat men te veel vleiends over zichzelven hoort." + +"Houdt tante van mij?" vroeg hij opgewonden. + +"Tante is van oordeel, dat gij een verstandig jong mensch zijt, +en zeker eens een echte Derenberg zult worden." + +Army's gelaat werd bewolkt. "Is dat alles?" + +"Vooral," klonk het schalksch van de dunne lippen der grootmoeder, +"wanneer u eenmaal een schoone, geliefde vrouw ter zijde staat." + +"Heeft zij dat geschreven?" riep hij haastig en greep, hoog blozend, +hare hand. "Grootmama, wees goed! Zeg mij, meldde zij iets van haar, +van Blanka? Denkt zij, dat Blanka mij ook bemint?" + +"Army! mijn God, hoe onbeschaamd! Bedaar toch! Wie spreekt er van +Blanka? Ik heb immers niets gezegd--verstaat gij? In het geheel niets; +wie denkt _dááraan_? Gij zijt pas een-en-twintig jaar!" + +Maar Army had de armen om den hals zijner grootmoeder geslagen, +drukte in weêrwil van haar tegenstreven een paar hartelijke kussen +op haar mond, en stormde toen zeer onhoffelijk de kamer uit. + +"Orribile!" zeide de oude dame, hare muts terecht zettende; "hij +is zeker al erg verliefd; als tante Stontheim hem nu gezien had, +zou zij zeker niet aan zijn Derenbergs karakter gelooven." + +Zij bleef nadenkend staan en het was, alsof haar iets uit het +verleden te binnen schoot, dat veel overeenkomst had met het zoo even +gebeurde. Plotseling herinnerde zij zich, hoe zij, in betere dagen, +als een schoone jonkvrouw in overmaat van geluk de half blinde duenna +om den hals viel en haar vurig kuste. En waarom? Omdat buiten op +het balkon, onder de bloeiende oleanders, in de zoele avondlucht, +een slanke, blonde man in gebroken Italiaansch haar zooveel verhaald +had van een oud, Duitsch slot, omgeven door groene eikenbosschen, +en van een oude, Duitsche vrouw met trouwe, blauwe oogen ... De +trek om haren mond werd zachter, toen zij aan den jubel van haar +jeugdig hart dacht. "Hij heeft toch mijn bloed in de ad'ren," zeide +zij toen, "God geve, dat het leven zijne wenschen beter vervulle, dan +de mijne!" Daarop zette zij zich aan haar schrijftafel en stelde zich +de toekomst voor, die weder rooskleurig voor haar begon te schemeren, +en voor hare oogen stond weder het oude slot in al de betoovering, +die het vroeger omgaf. + +Intusschen doorkruiste Army onrustig het park. Eerst had hij +zijne zuster bijna platgedrukt door zijne omhelzing en haar iets +onbegrijpelijks verteld van een nieuw kleed, een blauw, zooals Blanka +droeg. Hij had zijne moeder, die de opgewondenheid van haren zoon niet +begreep, de noodzakelijkheid betoogd, om hare zwakke gezondheid door +een badreis te versterken, was het niet in dit, dan in een volgend +jaar. Daarop was hij met Nelly en den ouden Hendrik in de kamer +geweest, die hij voor Blanka had uitgekozen, en had er allerlei +veranderingen bevolen; zijne zuster had hem haar werktafeltje en +den bloemenstandaard hunner moeder moeten beloven; toen had hij +aanmerking gemaakt op de gordijnen en schilderijen, de laatsten +weggenomen en andere in de plaats gehangen en Nelly meer dan eens +verzekerd, dat hij gordijnen en tapijten uit zijne garnizoensplaats +zou laten komen in de plaats van al dat verkleurde tuig, alsook een +nieuwe livrei voor Hendrik. Eindelijk had hij zijne zuster omhelsd, +en haar gevraagd, of zij niet dacht, dat het Blanka hier wel bevallen +zou, en of zij niet vond dat deze kamer het fraaiste uitzicht had? En +zonder haar antwoord af te wachten, had hij er bijgevoegd: "Wat zult +gij verbaasd staan, zusje, als gij haar ziet!" Toen was hij naar +buiten gegaan, naar het oude park, en liep haastig door de met gras +begroeide paden; bij wenschte het uur zijner afreis te bespoedigen, +ten einde _haar_ te kunnen zeggen, hoe men zich te huis op hare komst +verheugde--eindelijk werd het avond, en wandelde hij in den heerlijken +lentenacht naar het dorpje, om de post op te wachten. Bij het parkhek +plukte hij nog een bloeienden vliertak, een groet uit zijn huis voor +Blanka. En eindelijk, eindelijk blies de postillon en reisde hij af, +vervuld van gelukkige gedachten. + +Daarboven echter, in den molen, werd zacht een venster geopend, en een +donker meisjeshoofd boog zich naar buiten en zag met vochtige oogen +naar den straatweg. Zij wist, dat hij heden avond weder vertrekken +zou; hij had het haar immers zelf gezegd, en zij had op hem gewacht, +den ganschen langen dag gewacht, maar hij was niet gekomen; en +hoor! daar klonk nu de posthoorn door den stillen nacht Hoe treurig +klonk dat! Uit het woud kaatste zacht een echo terug, en stil, heel +stil werd het venster weder gesloten. + + + + + +Zesde Hoofdstuk. + + +Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met +een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende +appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar +kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in +een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan; +iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep +gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet +gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield, +die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was; +de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen +verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende +oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer +Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn, +en had met de familie het middagmaal gehouden. + +Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in +het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het +liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene +uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader +van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das, +had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen +volstrekt niet noodig was; er was gesproken over zijn vader, over +beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat +alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor +de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had +de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve--wat scheelde +haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk +onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd, +en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen +had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren; +ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis +gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve, +toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen +kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den +postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den +bok van het rijtuig, waarmede Army--zoo spoedig weder vertrok. + +"Dat het nu ook zulk naar weer is," sprak zij op eens halfluid, +een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende, +"anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen." + +Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder +de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets +meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat +in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige +gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd. + +"Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?" vroeg zij geheel +buiten adem; "eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en +nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te +helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie +uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die +zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden; +gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de +aspergies te schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te +leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw +is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit," +viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat +er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken +meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer +uitzag. "Zie eens, hoe uw myrtheboompje in 't water drijft! Daar +schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een +briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;" zij nam het uit haar +zak en gaf het Lise, die het openbrak en las. + +"Verbeeld u, tante," riep zij verrast, "zij krijgen bezoek op het +slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka +van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik +haar dan dikwijls zal komen bezoeken. + +"Zoo?" vroeg de oude vrouw. + +"Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te +vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest +de kamers in orde te brengen." + +"Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?" sprak de oude vrouw. + +"Och neen," zei Lise, "Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly." + +"Is Army weer hier geweest?" vroeg tante, en zag verbaasd naar het +jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; "wanneer dan?" + +"Op Nelly's verjaardag," klonk het zacht. + +"Ei zoo! en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij +anders toch alles!" en de stem der oude vrouw klonk angstig. "Zeg Lise, +waarom hebt gij dat verzwegen?" + +"Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en +voornaam is geworden." + +"En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?" + +"Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te +komen--anders had hij het zeker gedaan." + +Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar +weder te binnen. + +"Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas, +dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?" + +De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar +hart bezwaard was. "Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army +zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe +kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen +meisje.--Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?" + +Lise viel de oude vrouw om den hals. "Och, tante, wees niet +boos!" snikte zij; "het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan +het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het +slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en +het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt +uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly." + +De oude vrouw schudde het hoofd. "Kind!" zei zij toen, "och, wist +gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!" + +"Kunnen Army en Nelly dat helpen?" + +"Neen--maar--" + +"Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven." + +"Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u +zoo van nabij treft, als--" + +"Och, spreek daar niet van, tante!" bad Liesje vriendelijk en zag +haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; "ik zal niet weder +zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu +met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze +zóó braden, als vader ze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit +den tuin gehaald of zal ik het doen?" + +Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij +de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten +stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange +zucht ontglipte haar. + +"Dat was Lisette's kamer," zeide zij met zekeren nadruk in haar +toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had +immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het +hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken; +doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig +belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over, +dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel +gelooven? Misschien wel, dat zij Army---? Zij kleurde en voleindigde +de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer +ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde +haar met angstige blikken. "Heer in den hemel!" bad zij, "bewaar ons +genadig voor een tweede ongeluk!" Want een ongeluk zou het worden; +van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot +leeft. "Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het +is waar, wat ik zoo even hoorde--zij heeft dien Army lief. Hoe haar +te helpen?--" Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens +Liesje's heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd, +en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende +gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was +ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de +groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes, +met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat +hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine, +zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een +troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkander volgden, +en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van +waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden, +wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week +uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den +dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving +haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: "Ziedaar, +lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens +rusten, en zing een lied voor ons!" En dan zong zij met haar lieve, +zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig +weer naar hare breikous en zeide lachend: "laat mij begaan, Mina! Ik +kan het niet laten." De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder +wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl +Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen +tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren +niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van +den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde. + +"Weet gij wel, dominé," vroeg de gastheer, "dat ik nu een zoon van +onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?" + +"Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien +eigenlijk gegaan?" + +"Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen." + +"Zoo, en de jongen zal--?" + +"De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude +plan heeft eene papierfabriek--eigenlijk lompenmolen--op te zetten. Hij +is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die +nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een +gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk +karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den +oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde +mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag." + +"En waar is hij?" + +"Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui; +vanmiddag heeft hij hier gegeten en daarmede basta.--Gij weet, ik +ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring." + +De geestelijke knikte. "Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt +Liesje wel van hem?" vroeg hij schertsend aan het jonge meisje. + +"Niemendal, oom!" antwoordde zij. + +"Dat is al heel weinig," lachte hij. "Maar a propos, daar schiet mij te +binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam; +wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?" + +Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar +ook zoo doordringend aan! + +"Het hindert mij toch," voer de leeraar voort, "dat hij het niet de +moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem, +dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen--dat is een aardje +naar de oude barones." + +"Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt," zeide de +gastvrouw. "Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons." + +"Een allerliefst meisje," sprak de predikantsvrouw. + +"Precies haar grootvader," riep tante, "_dat_ was een man! Maar wien +de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden." + +"Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?" vroeg Rosine. + +"O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet +alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij +kommer en zorg berokkend." + +"Ja, zij moet dol hebben huisgehouden," sprak de geestelijke: +"tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen." + +"Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?" vroeg +de heer des huizes. + +"Dat weet de Almachtige!" riep de oude vrouw. "Hoevele tranen heeft +deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld," snikte zij, +terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet. + +"Het kan geen kwaad," meende zij, haar kamertje binnentredende, +terwijl zij nog eens nadacht over 't geen haar bekommerde, "het kan +geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan +misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn." + +Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en +ontsloot de deur van Lisette's kamer. + +Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood +de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene +commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een +gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een +ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op +drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing, +onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een +duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van +donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein +werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans +van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen, +geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare +als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster +had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een +smartelijke herinnering in het hart der oude. + +Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en +voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was +haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke +gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar +schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. "Hij +komt, Marie; hij komt--ik heb het licht gezien," had zij toenmaals +dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin, +en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend +paar gezeten, in alle eer en deugd--- + +En toen? + +Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last +des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende +van koortshitte. + +"Is het niet genoeg, _éénmaal_ zulk lijden te moeten aanzien? O God, +bewaar mijn lieveling, mijne Lise!" bad zij, de handen in den schoot +gevouwen, met oogen vol tranen. + +Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde +zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar +diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: "waarom schreit gij, +tante, zijt gij nog steeds boos op mij?" + +De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik, +als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: "Wat komt +gij hier doen, Lise?" + +"Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel +over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen, +mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen." + +"Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar +praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd; +wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe +erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u--kom, +ga zitten!" + +Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij +als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien, +en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te +spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het +jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen +in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachting +naast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel +spoedig vergeten--neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet +verhalen. En toch--als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar +lieveling niet gewaarschuwd! + +"Doe eerst het raam open, Lise!" zeide zij: "de lucht is hier +drukkend." + +Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de +boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht, +het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje. + +"Lise," klonk het halfluid, "Lise, gij--mij dunkt het is beter dat gij +niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat--naderhand, meen ik; later, als +Army weer te huis is, en de nicht," voegde zij er vergoelijkend bij, +toen Liesje haar verrast aanzag. "Zie, het is niet--ik denk--ik--" +zij stamelde en zweeg. + +"Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?" vleide +het meisje, bevreesd voor het oude thema. + +"Wat ik van Lisette wilde vertellen," riep de oude vrouw heftig, +"dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem +was, en dat zij sterven moest, alleen omdat--omdat---Hoor, Lise, als +ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen; +want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één +geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd--" + +Zij zweeg een poos. + +"Ga niet meer naar het slot, Lise," voer zij voort; "zie, ik kan u +alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen +komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet +goed, de oude barones--de---" + +"Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te +staan?" vroeg het meisje. "Zeg het mij, tante, bid ik u!" + +"Ik zeg ja noch neen, Lise," antwoordde zij; "maar dit zeg ik," en +hare stem klonk ernstig, "wij zijn nog niet aan het einde, en ging +het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als +bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt, +brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te +kunnen zeggen, dat zij eene--" + +"Tante!" riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt +ophield. + +"Het is goed," mompelde zij. "Ik zal niets meer zeggen. Maar gij +moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen +overleven, wanneer---O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik +wilde u slechts waarschuwen, Liesje," vervolgde zij en trok het +snikkende meisje aan hare borst.--"Gij zult uwe vriendin niet +verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is, +komen er soms allerlei dwaze gedachten----Liesje, kind," fluisterde +zij angstig, "zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?" + +Liesje knikte: "Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar---" +Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren--- + +Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude +tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine +predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied: + + + Bij 't graf staat een linde en die welft er zich over; + De vogels en 't windeken fluiten door 't loover, + Er zit aan zijn voet--of het feestavond was-- + Een knaap met zijn liefje, in 't donzige gras; + Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend, + De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend, + En beide gelieven, zij worden dra stom, + Zij weenen, en geen van de twee weet waarom! + + +"Waar is onze Lise toch," vroeg zij daarop, "zij moet ook eens wat +zingen." + +En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het +gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen--zonder zelve te +weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin +twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe +langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond +de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met +de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de +handen afwijzende: "Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij +zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk +aan Lisette, de schoone Lisette en---" + +Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op +het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst +duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo +ledig, zoo treurig deed voorkomen. + +Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar +binnen. + +"Mijn God," fluisterde zij, "ik had wel goed gezien; zij heeft +hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd +hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja--zulk een eerste +liefde maakt immers zoo gelukkig--" + +En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de +woorden, bij het afscheid gesproken: + +"Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!" sprak de predikant; "het +leven baart vreugde en smart--nu, als wij eens als oude luidjes over +het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als +het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen, +het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u +waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu, +God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag--den +derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje +en tante van ons." Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer +had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude +vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. "Zij slaapt," +mompelde zij, "God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd +veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het +leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja--voor de meesten! + + + + + +Zevende Hoofdstuk. + + +Het was Zaterdag vóór Pinkster. Lachend zond de zon haar gouden +stralen op de aarde neder, kuste in den tuin bij den molen de vele +rozen wakker, keek eventjes door de sneeuwwitte gordijnen in de kamers +en brandde op de steenen bank voor de huisdeur. + +Tante Marie stond in den tuin en plukte bloemen in haar voorschoot; +Liesje hielp haar; zij had een grooten, ronden stroohoed op, de handen +gedekt door tuinhandschoenen, en plukte de schoonste bloemen. + +Er was een andere uitdrukking op haar gelaat zichtbaar; vooral hare +oogen zagen er anders uit dan vroeger; lang niet zoo vroolijk, als +bij zulk een heerlijken lentedag voegde, en hare tante was teederder +dan ooit jegens haar. Van het dak vlogen twee zwaluwen haar tjilpend +voorbij en verdwenen toen hoog in de blauwe lucht. In huis glom en +blonk reeds alles; zelfs de ramen der ouderwetsche pronkkamer stonden +wijd open, om overal de frissche lucht binnen te laten. Boven in de +werkplaats en de fabriek had reeds vroeg het klapperen en stampen +der machines opgehouden; de arbeiders maakten zich te huis voor het +feest gereed. De heer Erving gaf hun gaarne dien dag vrij af--des te +vlugger ging het werk later weer van de hand. + +De boekhouder was, met de twee andere jonge lieden van het kantoor, +reeds vroeg vertrokken om een kleinen Pinkstertoer te maken, alleen +Selldorf was te huis gebleven. Hij wandelde vergenoegd aan den oever +der beek heen en weer, en verlustigde zich in de zonnestralen, +die tot op den bodem van het water doordrongen en in het gewemel +der kleine vischjes, die zoo potsierlijk op die zonnige plek door +elkander schoten; nu en dan wierp hij een zijdelingschen blik in +den tuin, of de groote witte stroohoed met korenblauwe linten ook +weer te voorschijn kwam, en daaronder de liefste, sprekendste oogen, +die hij nog ooit gezien had. + +Aan het open raam, dat op den tuin uitzag, zat de huisvrouw en naaide +blauwe strikken op een wit kleed, dat haar Lise op het feest moest +dragen; zij wenkte haren man, die juist binnenkwam, en wees hem de +beide gestalten in den bloementuin. + +"Zie, Erving, hoe Marie het meisje liefkoost," zeide zij lachend; +"zij heeft haar altijd vertroeteld, maar in den laatsten tijd is het +veel erger geworden, en sedert een paar dagen, nu Lise wat bleek ziet, +draagt zij haar letterlijk op de handen." + +"Laat haar maar begaan, Mina!" antwoordde Erving, "zij is goed bij haar +bewaard; maar gij hebt gelijk, zij ziet wat bleek, en weet gij wel, +wat mij is opgevallen? Zij is in geen week naar het slot geweest, +en Nelly wel driemaal hier." + +"Och, dat zijn meisjesgrillen; misschien hebben die beiden wel +gekibbeld; maar zij gaat er morgen heen; ik meende, dat zij het +verteld had." + +"Morgen?" vroeg Erving, "hm! dan is immers Selldorf onze gast; wat +zullen wij beiden alleen met hem beginnen?" + +"O, zij blijft immers niet lang boven; ze hebben bezoek op het slot; +de nicht van wie Nelly vertelde, en Army; maar Liesje is er tot nu +toe nog altijd geweest om vroolijke feestdagen te wenschen, en kan +het dus nu niet best nalaten." + +Hij knikte verstrooid. + +"Die Selldorf is een hupsche jongen," sprak hij toen. + +Zijne vrouw zag hem lachend aan, en ook hij lachte. + +"Nu weet ik, waaraan gij denkt, oudje," riep zij vroolijk. + +"Zoo waarlijk, Mina? Nu, zou dat wel zoo slim zijn? Ik moet toch +eenmaal een schoonzoon hebben, die verstand van de zaken heeft, +en hij is een flink mensch; ik heb hem leeren kennen--hetzelfde +degelijke karakter als zijn vader." + +"Man," zeide zij, en hare groote, schoone oogen zagen hem bijna +smeekend aan, "ik bid u, maak geene plannen! Zij is immers nog bijna +een kind!" + +"Waart gij _ouder_ toen gij mijne vrouw werdt, Mina?" + +"Neen, Bernard, maar--" + +"En zijn wij samen tot nu toe niet gelukkig geweest, en zullen wij +het niet nog verder zijn?" + +"Zoo bedoelde ik het niet," sprak zij, terwijl hij zijn arm om haar +middel sloeg; "maar ik zou haar nog zoo gaarne eenigen tijd alleen +voor mij houden, want wie weet, hoe lang ik--" zij hield op, en poogde +hare tranen te bedwingen. "Laat mij," sprak zij, bemerkende hoe zijn +gelaat betrok, "ik voel mij heden zoo angstig--verlaat mij niet! Zie, +Erving, ik zal mij ook zeer verheugen, als zij een lieven man heeft, +maar dan moet hij even goed en achtenswaardig zijn als gij." + +Hij zag haar teeder aan. "De allerbeste moet het zijn," stemde hij toe, +"en gij moogt beslissen." + +"Erving," sprak zij toen ernstig, en beschouwde de slanke gestalte, +die met het voorschoot vol bloemen naderde, "Erving, ik moet nu +nauwkeurig letten op uwen Selldorf." + +"Doe dat Mina," antwoordde hij en liet hare hand los. "Gij zult een +rechtschapen mensch leeren kennen." En daarmede kuste hij haar op +het voorhoofd en liet haar alleen met hare droomen. Het lichte werk +gleed van haar schoot; hare gedachten verwijlden in de verre toekomst, +en langzamerhand plooide een zachte, gelukkige glimlach hare lippen. + +En zoo was nu de Eerste Pinksterdag aangebroken; voor de huisdeur +stonden twee lichtgroene Meiboomen, als kaarsen zoo recht, en van de +bovenste takken waaiden roode linten in den warmen lentewind; de duiven +zaten allen naast elkander op het dak, en kirden en koesterden zich, +en Peter, die van zijne zitplaats de vurige bruinen in toom hield, +had ook een rood lint om zijne zweep gewonden. Frissche berketakken +waren ter zijden in het rijtuig gestoken, en toen nu van beneden uit +het dorpje de kerkklokken luidden, en Mina in haar beste Zondagskleed +(Doortje moest te huis blijven om te koken) langs den wagen ging, +knikte zij Peter in stilte toe. Nu kwam ook de heer des huizes, en +hielp zijne vrouw in den wagen. Liesje en tante volgden. De eerste +zag er in het luchtige, witte kleed met blauwe linten lieftalliger +uit dan ooit; tante droeg een zwart zijden japon en hield, nevens +gezangboek en zakdoek, frissche bloemen in de hand; ook Lise had een +paar rozeknopjes in de hand. Doortje deed het portier dicht. + +"Laat de hoenders niet verbranden," vermaande tante. + +"Zeker niet," antwoordde zij, en voegde er, het jonge meisje aanziende, +bij: "Bid ook voor mij, juffer!" + +Liesje knikte: "Waarom moet ik dat juist doen?" vroeg zij lachend. + +"O, omdat de lieve God heden zeker welgevallen in u heeft," zei +Doortje. + +De heer Erving lachte. + +"Nu, Peter, vooruit;" en de wagen reed naar het dorp, terwijl +de eigenaars moeite hadden alle groeten te beantwoorden, die zij +ontvingen. Aan de pastorie gekomen, vloog Lise een ware bloemregen in +den schoot, en de kleine deugnieten verstopten zich lachend achter de +haag, en riepen haar vroolijk "goeden morgen, tante Liesje!" achterna, +toen de wagen voorbij reed. + +Selldorf stond bij de kerkdeur; blozend bood hij Liesje bij het +uitstijgen de hand, en vroeg den heer Erving vergunning in zijne bank +te mogen plaats nemen. Zoo zat hij gedurende de prediking naast haar, +en tante Marie zat naast hare ouders, op de voorste stoelen. Eere, wien +eere toekomt! Juffrouw Erving en de predikantsvrouw knikten elkander +vriendelijk toe, en toen Selldorf de talrijk opgekomen schaar overzag, +verbeeldde hij zich, dat aller blikken op zijne beminnelijke buurvrouw +gevestigd waren. Deze zat intusschen met gebogen hoofd, de handen in +den schoot gevouwen, en hare lippen bewogen zich zacht; haar buurman +meende zelfs eens eene traan op het witte kleed te zien vallen. + +Maar neen, dat was immers niet mogelijk; waarom zou zulk een lieftallig +jong wezen tranen storten op zulk een heerlijken Pinksterdag? + +En inderdaad, toen de geestelijke den zegen had uitgesproken, en +de gemeente den slotzang aanhief, sloeg zij hare oogen rustig en +vroolijk op. + +Bij het naar huis rijden vermaakte Liesje zich met het bonte gewoel op +den weg. Bij den grooten lindeboom moest Peter ophouden, en steeg zij +uit. "Groet Nelly van ons, Lise!" klonk het, en met rassche schreden +vervolgde zij haren weg. Haar hart begon sneller te kloppen, toen +zij de lindenallée intrad; zij zette haar hoed af en ging langzamer; +daar werd reeds het massieve voorportaal zichtbaar, en de beide +steenen beren schenen haar heden bijzonder dreigend aan te zien. Zij +stond stil en legde haar hand op het kloppend hart; het liefst wilde +zij terugkeeren; maar wat zou Nelly denken, Nelly, die zij vroeger +bijna dagelijks bezocht? Men zou misschien denken dat zij bang was +voor de vreemde nicht. Neen, vooruit! Zij liep haastig de laan door, +bleef echter plotseling verrast staan, want op het grasperk, onder de +schaduw der zware boomen, die de opene ruimte voor het slot omgaven, +stond vóór de steenen bank een gedekte tafel, en daaraan zat de +jonge barones in een leunstoel, echter zóó, dat zij het naderende +meisje den rug toekeerde; hare schoonmoeder zat tegenover haar en +las ijverig eene courant. Alles op de tafel toonde duidelijk aan, +dat men hier ontbeten had. Liesje waagde het niet, verder te gaan. De +oude dame sloeg de oogen op en bemerkte haar; zij schrikte zoodanig, +dat zij een sierlijken schotel van de tafel stootte, die kletterend +op den grond viel. + +"Hoe onbescheiden, ons zoo te verschrikken!" + +"Goeden morgen, Liesje!" sprak hare schoondochter, opstaande, en gaf +het jonge meisje de hand. + +"Ik vraag vergeving," zeide Liesje, terwijl zij zich tot de oude +barones wendde; "ik wachtte reeds eenige minuten, voor ik het waagde +uwe opmerkzaamheid te trekken, wijl ik vreesde u te storen," sprak zij +kalm, op den hartstochtelijken uitroep der oude barones. "Ik kom," +vervolgde zij, "slechts even, om gelukkige feestdagen te wenschen, +zooals ik vroeger altijd deed, en om Nelly te zien." + +"Ga zitten, Liesje," sprak de jonge barones; "Nelly zal wel aanstonds +hier komen; zij is met Army en Blanka naar het park gegaan, en--maar +daar is zij reeds, ik hoor hare stem." + +De oude dame haalde ongeduldig de schouders op, toen Lise bedaard op +de steenen bank plaats nam, en vol deelneming naar de gezondheid der +bleeke vrouw vroeg, wier wangen een oogenblik bedekt waren geweest +met een vluchtigen blos, door de onaardige woorden harer schoonmoeder +daarop te voorschijn geroepen. Men hoorde stemmen naderen, en Lise +onderscheidde duidelijk die van haar vroegeren speelgenoot. Een +benauwend heet gevoel verwarde een oogenblik haar kalm, helder hoofd; +toen drukten hare oogen de hoogste verbazing uit; want aan de zijde +van Army bespeurde zij een jonge dame, wier verschijning haar geheele +aandacht tot zich trok. + +Was dat een volwassen dame, of een kind, dat daar zoo bevallig te +paard henen zweefde? + +En nu klonk een zachte stem, echter met de uitdrukking van een +bedorven kind: + +"Laat los, Army, laat los! Ik wil alléén eenige toeren voor tante +rijden." + +Army trad terug, en het paard begon met langzamen, statigen tred haar +te naderen; bij elke beweging van het dier werd de sierlijke gestalte +als 't ware in een wolk gehuld door het luchtige, witte gewaad; de +oogen hield zij neergeslagen, en over het blanke voorhoofd blonk het +overvloedig, prachtig goudkleurig haar in den helderen zonneschijn, +en viel golvend op den rug neder. + +"Voortreffelijk, Blanka," riep Army, wiens blik als betooverd aan de +bekoorlijke verschijning hing; "voortreffelijk; Mamsel Elise bij Renz +rijdt niet beter." + +De oogen der oude barones fonkelden van vreugde, want zij was vroeger +ook dikwijls bewonderd; en paardrijden is immers een der edelste +liefhebberijen. + +"Meraviglia, mijn engel!" riep zij uit, toen de jonge dame stilstond +en op Army steunend, vlug uit den zadel sprong. "Gij houdt uw paard +meesterlijk in bedwang; maar, mia cara, hoe durft gij zonder hoed in +de zon rijden! Ik bid u--uw schoone teint--buiten moet men altijd--" + +"Wees onbezorgd, tante, ik verbrand nooit." + +Zij liet zich in den schommelstoel vallen, dien Army haar toeschoof, +zonder het jonge meisje te bemerken. + +"Mejuffer Elisabeth Erving, Nelly's vriendin!" sprak nu de jonge +barones, haar voorstellende, "en mijne nicht, Blanka van Derenberg!" + +Blanka sloeg hare oogleden op, en beantwoordde met een nauw merkbaar +hoofdknikje, zonder eenigszins van houding te veranderen, de bevallige +buiging van het jonge meisje. Hare donkere oogen bleven een oogenblik +verwonderd op haar rusten, daarop greep zij haar waaier, maakte dien +open, om daarachter een kleinen geeuw te verbergen. + +Army had beleefd gegroet, en antwoordde op de vraag zijner moeder, +waar Nelly bleef, waar zij waarschijnlijk nog in het park vertoefde. Op +dit oogenblik verscheen Hendrik, om het paard weg te voeren; de oude +man zag er in zijn nieuwe bruine livrei zoo deftig uit, dat Liesje +hem eerst niet herkende en verwonderd aanzag. De jonge dame in den +schommelstoel merkte dit wel op; want een oogenblik vertoonde zich +een spotachtig lachje om den kleinen mond; zij schommelde wat meer, +en hield toen in eens op. + +"Wat voert gij hier den ganschen dag zoo wat uit?" vroeg zij, opnieuw +achter haar waaier geeuwende. + +"Wij kunnen van middag gaan wandelen," antwoordde Army. "Er zijn hier +prachtige wandelingen." + +"Wandelen?" + +"Een rijtuig hebben wij niet ter onzer beschikking," merkte de jonge +barones aan. + +De oude dame lachte spottend: + +"Die opmerking is vrij overbodig, Cornelie." + +"Houdt gij van wandelen, cousine Blanka?" vroeg Army, die tegenover +zijne moeder plaats nam. + +"Neen," verklaarde zij, zonder de oogen op te slaan. + +De jonge officier beet zich op de lippen. + +"Zouden wij den burgemeester niet voor een paar uren om zijn rijtuig +kunnen vragen? Wat dunkt u, grootmama?" + +"Wat een kluchtig denkbeeld van u, Army! gij begrijpt toch wel, +dat niemand in zulk een aartsvaderlijk ding kan zitten." + +"Maar grootmama!--Ik geloof trouwens ook, dat de wagen heden niet +disponibel zou zijn, omdat de familie gewoonlijk Zondags zelve een +toertje maakt." + +"Ik zou er toch ook voor bedanken," hernam de oude dame. + +"Mag ik u ons rijtuig aanbieden?" vroeg Liesje, "het zal mijn vader +zeker veel genoegen doen--" + +"Dat zou eene uitkomst zijn," riep Army uit; "als gij lust hebt, +Blanka, nemen wij het aan. Nietwaar, grootmama?" + +"Ik dank," gaf deze ten antwoord. + +Blanka zweeg; zij wierp een onderzoekenden, verbaasden blik op het +eenvoudig gekleede meisje--wie was zij toch? + +"Nu, besluit gij dan cousine!" zei Army. + +"Ja, besluit gij," voegde de grootmoeder er bij, terwijl zij hatelijk +lachte. "Het is niet alle dagen Pinkster; op werkdagen hebben die +paarden geen tijd, omdat zij dan de wagens met lompen moeten aanhalen." + +"Vaders rijpaarden zijn geen trekpaarden," sprak Liesje, met bevende +lippen, "zij hebben daar geen tijd voor, omdat zij uitsluitend ten +dienste mijner moeder bestemd zijn, wie het loopen moeielijk valt." + +"Ik wil liever van daag niet rijden," verklaarde Blanka, die het woord +"lompen" deed rillen. + +"Hebt gij hier vele buren?" vroeg zij. + +"O ja," antwoordde Army vriendelijk, "wij verkeeren echter met niemand; +gij begrijpt, zonder equipage----" + +"En in den naasten omtrek is geen enkele familie met welke men +fatsoenlijk kan omgaan," vulde de oude barones aan. + +"Zoo!" sprak Blanka, terwijl zij achterover in haar stoel leunde, +en haar lange krullen om den vinger wond. + +"Ik moet afscheid nemen, zonder Nelly gesproken te hebben." + +"Het zal haar spijten, Liesje," sprak de kranke vrouw en reikte haar +de hand; "misschien vindt gij haar nog in het park. Groet uwe ouders +en tante van mij!" + +"Ik dank u, genadige vrouw," antwoordde Lise, en na de anderen gegroet +te hebben, vertrok zij. + +De donkere oogen der oude dame fonkelden met een onbeschrijfelijke +uitdrukking van haat. + +"Goddank!" riep zij, diep ademhalend, "ik weet niet hoe het komt, +maar de tegenwoordigheid van dit meisje brengt mij telkens uit mijn +humeur; welk eene brutaliteit, haar rijtuig aan te bieden! En gij hadt +dat bijna aangenomen, Army! Ons in de equipage van den lompenmolenaar +te vertoonen, die ieder kind kent--onbegrijpelijk van u!" + +Op dit oogenblik kwam Nelly haastig uit de allée; de blonde lokken +hingen verward om haar gloeiend gelaat. Het nette, uiterst eenvoudige, +katoenen kleedje liet den voet in een klein, hoewel niet zeer sierlijk +lederen schoentje zien, en de zwart zijden boezelaar droeg duidelijk +blijken, dat de tijd der nieuwheid lang voorbij was. + +"Wat is er met Liesje gebeurd?" vroeg zij buiten adem, naderbij +komende. "Zij weende." + +"In de eerste plaats moet ik u vragen, Nelly, waar gij geweest zijt; +en u zeggen, dat het zeer onfatsoenlijk voor een jonge dame is, +zoo hard te loopen en in zulk een kleeding!" + +"Grootmama!" riep zij, vroolijk lachend, "wat zijt gij koddig! Alsof +ik ooit een ander toilet bezeten heb! Ik kan toch op dezen heerlijken +dag mijn zwart avondmaalskleed niet aandoen!" + +Blanka wendde het hoofd om, en beschouwde met een kouden blik het +verachte katoenen kleedje. Haar kamenier zou voor zulk een bedankt +hebben. + +Army echter bloosde hevig; hij herinnerde zich het briefje met het +goudstuk er in, het verjaarsgeschenk zijner zuster; waar was het +briefje gebleven? + +"Waarom weende Lise?" vroeg Nelly nog eens, ongeduldig; "zij wilde +het mij niet vertellen." + +Allen zwegen. "Army! zeg het mij toch," bad zij, terwijl tranen in +hare oogen blonken. + +"De kleine schijnt wat heel gevoelig te zijn," verklaarde in zijne +plaats de oude barones; "ik zeide iets in 't algemeen, en daardoor +meende zij beleedigd te zijn; maar het gaat altijd zoo met zulk volk; +zij stellen zich met ons gelijk en kunnen niet verdragen, dat men +hun het verkeerde van zulk een gedrag onder het oog brengt." + +Nelly zweeg. Zij had uit den toon, waarop haar grootmoeder "zulk volk" +uitsprak, genoeg begrepen. + +"Het wordt mij hier ook te warm," zeide de oude dame; "ik geef +de voorkeur aan mijn koele kamer. Bezoek is mij echter ten allen +tijde welkom," en vriendelijk zag zij naar de jonge dame in den +schommelstoel. Haar donkere oogen konden zoo betooverend liefelijk +schitteren. + +"Ik ga met u, mama," sprak hare schoondochter opstaande. + +"Nelly, gij wilt nu immers wel hier blijven?" + +Het jonge meisje ging naast hare nicht zitten. Zij had zich +deze zoo geheel anders voorgesteld, zich zoo verheugd met haar +recht meisjesachtig te babbelen; en nu was daar gister uit een +extra-postrijtuig een jonge dame gestapt, die haar donkere oogen +onderzoekend en koel over omgeving en personen liet gaan. + +Geen enkel hartelijk woord was nog tusschen haar gewisseld. Blanka +sprak meest met hare oogen, en deze donkere sterren schenen te zeggen: +wat is het hier vervelend! + +Ook hare grootmama en moeder hadden bij hare komst verrast +opgezien. De eerste had aan Nelly verzekerd, dat zij nooit gedacht +had dat de "kleine roodharige Blanka, het klierachtige kind," zulk +een pikante schoonheid zou worden. Een pikante schoonheid! Nelly +wist ter nauwernood wat de bijvoeging "pikant" beteekende; maar, +dat zij schoon was, hare cousine, ja! dat zag zij ook; vooral op dit +oogenblik, nu de koude oogen met de lange wimpers waren neergeslagen; +het ovaal, bleek gelaat onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen, wier +zwarte kleur zulk een groot contrast vormde met het hoogblonde haar, +was onbeschrijfelijk bekoorlijk om aan te zien. Sprekend geleek zij op +het portret, boven in de zaal; de slanke hals op de teedere schouders, +de houding van het hoofd waren geheel dezelfde; enkele korte lokken +vielen naar de mode op het marmerblanke voorhoofd, en om den kleinen +mond lag een nadenkend lachje. Zij speelde met haar ivoren waaier, +en streek zich telkens met den gladden kant over hare wangen. Army +stond onder den grooten lindeboom, en beschouwde haar vol gedachten. + +Daar was zij in zijn voorvaderlijk huis! Met welk een vroolijk, +kloppend hart had hij haar verwacht, en nu had hij een gevoel, alsof +zij het liefst maar weder, als een gevangen vogel, weg wilde vliegen +uit deze stilte, naar het vroolijke, drukke leven. Zij was zoo koel; +zelfs hare zoo keurig ingerichte kamers, die hem zooveel hoofdbreken en +moeite gekost hadden, had zij ter nauwernood een blik waardig gekeurd. + +Het was eigenlijk toch vreeselijk lichtzinnig! De kosten bedroegen meer +dan zijn geheele inkomen, gedurende twee jaren. Maar bah!--als hij +maar eerst die kleine hand voor goed in de zijne hield, dan was deze +geheele zaak immers eene kleinigheid! Dat had grootmama ook tegen zijne +moeder gezegd, die met angstige blikken de behangers had aangezien, +evenals de nieuwe livreiën van den ouden Hendrik en den knecht, die +met Blanka's rijpaard en den goudvos gekomen was. Ook was voor deze +dagen eene kookvrouw gehuurd, die nu in de groote slotkeuken de baas +speelde--en dat alles voor het kleine wezen, dat daar zoo onverschillig +tegenover hem zat! Army zuchtte, en wendde den blik naar het groote, +indrukwekkende gebouw, dat door de volle middagzon beschenen werd; +in Blanka's kamer sloot juist hare kamenier de ramen. + +"Hoe onverstandig!" riep Blanka uit, en sprong overeind. "Zij weet, dat +ik van warmte houd, en dan nog die ontzettend vochtige lucht in de oude +hooge kamers! Nelly, zeg haar--dat zij de vensters open moet laten." + +De kleine liep haastig naar het slot, blijde dat zij aan de drukkende +verveling kon ontkomen. + +"Wat zijn eigenlijk mijne kamers, Army? Men kan in dat doolhof van +ramen geen weg vinden," vroeg Blanka. + +"Dáár, cousine, op de tweede verdieping; uwe kleedkamer is dicht bij +den toren." + +"O, dat is die deur, zoo kunstig onder het groene behang verborgen--ik +kon maar niet gewaar worden of achter de vastgespijkerde plooien een +oude kast of eene deur verborgen was. Maar, waarom heeft men mij de +torenkamer niet gegeven? Daar moet een heerlijk uitzicht zijn!" + +"Het spijt mij zeer, Blanka; ik had hetzelfde idee; maar grootmama +schijnt een bijzondere reden--" + +"Zoo, spookt het er misschien?" viel zij hem in de rede. + +Army lachte. "Dat niet, cousine; ik weet er ten minste niets van; +of het moest de jonker van Streitwitz zijn, die zich eenmaal om uw +bekoorlijk evenbeeld heeft doodgeschoten, zooals de overlevering +luidt." + +"Army, ik bid u, maak dat ik de torenkamer krijg!" Hare stem klonk +zacht, als van een vragend kind. + +"Ik zal het grootmama nog eens vragen, Blanka." + +"Maar spoedig, Army," riep zij, en zag hem lachend aan. + +Hij was verrukt. "Zeker, dadelijk!" stamelde hij; want zóó bekoorlijk +had zij er nog niet uitgezien, zoolang zij hier was. "Blanka," liet +hij er op volgen, "ik vrees, dat gij u hier erg verveelt." + +"Ik bid u, spreek dat woord niet uit, vertel mij liever wat, neef! tot +ik naar binnen moet om toilet te maken. Voor wie kleedt men zich hier +eigenlijk?" zeide zij, schouder ophalend. "Zeg eens," vervolgde zij, en +schommelde zich weder in haar stoel, "wie is dat meisje, waartegen uwe +grootmoeder--neem het mij niet kwalijk--zoo onuitsprekelijk lomp was?" + +"Liesje Erving." + +"Dat weet ik; maar wie is haar vader? Zij sprak van haar rijtuig?" + +"Haar vader is de rijkste man in den omtrek, Blanka; bezitter eener +papierfabriek--vandaar grootmama's spot over de lompen--eigenaar van +verschillende bosschen waarin wij wandelen kunnen, dewijl zij aan +ons park grenzen." + +"En waarom mag tante het meisje niet lijden?" + +"Ja, Blanka, wanneer vraagt grootmama naar een _waarom_? Zij heeft +altijd een onverklaarbaren afkeer van het jonge meisje gehad; +buitendien ergert het haar, dat Nelly zoo intiem met haar omgaat; +zij houdt streng vast aan het onderscheid van stand en heeft, om de +waarheid te zeggen, daarin gelijk." + +Blanka schudde het hoofd. "Gij schijnt hier nog geheel in de oude +atmosfeer te leven, die daar buiten in de wereld hoe langer zoo meer +vervliegt. O--een brief," viel zij zichzelve in de rede, en greep +haastig naar het sierlijke vierkante couvert, dat de oude Hendrik +haar op een blad aanbood, en die toen, even stil als hij gekomen +was, weer vertrok. "Van Léonie," sprak zij halfluid, terwijl zij het +papier losscheurde. + +Een donkerrood bedekte een oogenblik haar gelaat, dat daarop bleek +werd, even wit als het kleed, dat zij droeg; het papier beefde in +haar sidderende handen; toen barstte zij uit in een schaterend gelach. + +"Dat is koddig," riep zij uit, en frommelde den brief in elkaar; +"daar komt juist een bewijs voor hetgeen ik zoo even zeide; ziet gij, +Army! zoo exclusief als uwe grootmama denkt de wereld niet meer.--Daar +schrijft Léonie van Hammerstein mij, dat graaf Seebach verloofd is met +eene juffer, de dochter van een opperhoutvester, en dat uit liefde, +zegt Léonie--hoort gij, uit liefde! Zij lachte; hare oogen schoten +vuur, en de kleine handen scheurden het papier in duizend stukken. + +"Wat? graaf Seebach, met wien gij den vorigen winter zoo dikwijls +danstet?" vroeg Army; "die u letterlijk met bloemen overstelpte?" Hij +sprak haastig en sloeg een vorschenden blik op het opgewonden gelaat +zijner cousine. + +"Heb ik met hem gedanst? Ik herinner het mij niet meer," antwoordde +zij losweg; hare neusvleugels trilden zenuwachtig. "Ja, de wereld gaat +vooruit! Dat een man als Seebach, die altoos over zijn vlekkeloozen +stamboom sprak, dat zoo iemand uit liefde--ha ha, nietwaar? het is +bespottelijk--een burgermeisje tot zijne gemalin neemt!" zij schudde +het hoofd, en weder klonk dat onnatuurlijke, krampachtige lachen +van hare lippen. Toen stond zij haastig op: "ik ben erg vermoeid," +voegde zij er bij en hield hare hand boven de oogen, alsof de zon haar +hinderde: "ik ben niet gewoon, zoo lang buiten te zitten, en zal wat +rusten moeten, indien ik tegen het eten weer frisch wil zijn. Adio, +cousin!" + +Zij knikte hem toe, terwijl zij met een afwijzende beweging der +hand voor zijn geleide bedankte, en ging het voorplein over. Bij de +torendeur keerde zij zich nog eens om, en Army hoorde haar vroolijk +lachen. Welk een verschil met den straks gehoorden toornigen lach, +die hem nog in de ooren klonk! Zij was een raadselachtig wezen; +wanneer zou hij het recht hebben haar te doorgronden? + +Bij den maaltijd verscheen de jonge dame in een schitterend toilet. De +bleekgroene zijde scheen zacht door het witte overkleed; het prachtige +haar was met een ivoren kam op het achterhoofd bevestigd, en een +breede matgouden armband omsloot de fijne pols. Het gelaat vertoonde +geen spoor meer van de koelheid en verveling van dien morgen. Blanka +had voor ieder een vriendelijk lachje, en de oude barones zag het +jonge paar, dat tegenover haar zat, met teedere blikken aan. + +De parelende wijn blonk weder in de fijne glazen; Hendrik bediende met +zijn gewone deftigheid en liet zijn heldere oogen tusschenbeide gaan +over het kleine gezelschap, en het schoone meisje naast zijn jongen +meester, dat, naar het zeggen harer kamenier, ééns zeker onmetelijk +rijk zou worden, en zoovele minnaars als ringen aan de handen had. De +oude Sanna was overgelukkig; want hare meesteres had haar meer dan +eens te kennen gegeven, waar het om te doen was, en zij zag voor hare +barones nog blijde dagen tegemoet. Het vroolijk lachen der jonge dame +met het goudlokkig hoofdje klonk door het hooge vertrek, en de jonge +officier, aan hare zijde, klopte het hart onstuimig, als zij hem zoo +minzaam aanzag en hij haar adem op zijn gelaat voelde. Maar Nelly, wat +scheelde haar? Nelly, die altijd haar broeder zwijgend gehoorzaamde, +hem altijd gelijk gaf, wat hij ook sprak of deed; die gewoon was +den geringsten wensch in zijne oogen te lezen; Nelly was jegens haar +cousine zoo onverschillig, nam zoo weinig notitie van hare omgeving, +dat het bijna lomp moest heeten. Haar roode mond, die zoo hartelijk +kon lachen, bleef gesloten, en hare blikken rustten somtijds angstig +op het gelukkige gelaat haars broeders, die onuitputtelijk was in +attenties voor zijne buurvrouw. Voor hare oogen stond nog altijd het +bleeke gezichtje, met groote tranen in de blauwe oogen; wat hadden zij +Liesje, haar Liesje, toch gedaan? Neen, zij moest eerst naar haar toe, +en zij moest het haar zeggen, wie haar beleedigd had. + +Het was reeds geheel donker, toen Nelly eenige uren later Liesjes kamer +verliet, waar zij in de schemering met hare vriendin had zitten praten. + +"Het is niets, Nelly," verzekerde Lise meer dan eens, met een zachte +stem; "het was zeer kinderachtig van mij, dat ik kwalijk nam wat niet +de moeite is om over te spreken; kom, ik zal u tehuis brengen." + +En zoo gingen zij samen over de brug, onder de donkere boomen, den +bekenden weg langs. Het was een zoele avond; geen windje bewoog zich; +aan den gezichteinder werd een donkere wolk zichtbaar, een flauw +weerlicht wierp van tijd tot tijd een geelachtig schijnsel op den +omtrek; nachtegalen zongen in het struikgewas, en in de verte klonk het +gezang der jonge knapen, die uit volle borst een avondlied aanhieven. + +"Ik weet niet, wat mij scheelt," zeide Liesje, diep ademhalend. "Het +is alsof ik stik! Wat is de lucht drukkend en zwaar! Ik geloof dat +tante gelijk heeft--er broeit een onweder." + +Nelly knikte toestemmend. + +"Mijne moeder klaagt ook, dat zij zoo benauwd is," voer Lise voort; +"nog nooit ben ik op Pinkster zoo treurig geweest, Nelly! en toch was +alles evenals vroeger. Als er maar niets ergers gebeurt, wanneer het +onweer losbarst!" + +Zij waren het park genaderd, en betraden zwijgend de donkere +linden-allée--op eens voelde Liesje haar arm zacht drukken en bleef +Nelly staan. + +"Wacht even, Liesje," sprak zij, "was dat Blanka's stem niet?" + +Een poos bleef alles stil, toen naderden schreden, en een zachte +heldere stem zeide: "Army, mijn lieve Army!" + +Hoe verleidelijk klonk dat! Het jonge meisje daar beneden kreeg een +gevoel, alsof een messteek in hare borst drong; onwillekeurig drukte +zij de hand op het hart. Daarop volgde een zacht gefluister--_dat_ was +zijne stem--hoe gelukkig, dat zij niet verstond, wat hij zeide! Och, +was zij maar niet mee gegaan! + +De langzame schreden kwamen nader; zij liet de hand harer vriendin los, +en vluchtte achter een grooten lindeboom, boog zich voorover en daar, +bij een helder weerlicht, zag zij eene slanke, mannelijke gedaante, +en aan zijn arm, als eene fee, zóó teer en licht, de schoone cousine +met de goudblonde lokken; hij bukte zich en kuste haar. + +Het duurde slechts een oogenblik; maar dit was voldoende om de angstige +meisjesoogen alles te verraden; zij drukte het hoofd tegen den boom en +sloot de oogen met een gevoel van vurige, nooit gekende smart. Nelly +echter gilde. "Army, Army--" + +Bijna beschuldigend klonk het als eene waarschuwing. Hij antwoordde, +en hoe opgewekt was zijne stem: "Zusje, waar zit gij toch? Kom, en +zie wat ik gevonden heb! Kom hier--ga vooruit en zeg aan grootmama, +dat het geluk werkelijk bij ons is teruggekeerd; dat Blanka de mijne +is geworden!" + +En een nieuwe lichtstraal flikkerde door de boomen, en bescheen een +meisjesgestalte, die door de laan huiswaarts ijlde. + +De kleine Nelly zag haren broeder angstig aan, en toen het weder +donker was, drong een zucht uit hare borst en met gebogen hoofd begaf +zij zich naar het slot, om hare moeder te vertellen, dat Blanka en +Army--haar lieve, goede Army--verloofd waren. + +Op de steenen bank voor de deur zat tante Marie op haar lieveling +te wachten; de heer des huizes en zijne vrouw wandelden in den tuin +op en neer, en Selldorf vergezelde hen, van zijn huis en familie +vertellende. De oude vrouw zat in gedachten verdiept, en bij elke +lichtende straal zuchtte zij, "was Lise maar eerst te huis! O wee, +het regent morgen," vervolgde zij bij zich zelve, "dan komt er niets +van de partij in het bosch met de dominé's familie. Nu, dan moeten zij +zich maar in huis zien te vermaken; dat zal een gewoel geven in den +ouden molen--hoeveel krijg ik er dan te eten? Uit de pastorie alleen +acht personen, dan de beide houtvesters en--Goede hemel!" gilde zij, +"Liesje, wat doet gij mij schrikken!" en zij boog zich over het +jonge meisje heen, dat aan hare voeten neerviel en het hoofd in haar +schoot verborg. + +"Wat scheelt u toch, mijn kind? Lise, spreek toch! Wat scheelt +u?" vroeg zij, haar liefkoozende. "Mijn God," vervolgde zij, "zijt +gij ziek, mijn hartedief?" Maar geen antwoord. + +Alleen werden twee armen om haar hals geslagen en gloeiende, sidderende +lippen drukten de hare--toen was het meisje verdwenen, en de oude +vrouw hoorde, hoe zij de trap opging en hare kamerdeur sloot. + +"Een wonderlijk kind!" mompelde zij en schudde het hoofd. Zij zag +echter niet, hoe haar lieveling daar boven rusteloos op en neder liep; +hoe eindelijk het moede hoofdje op het van tranen natte kussen zonk +en de kleine handen zich vouwden tot een gebed voor Army, met wien +zij eenmaal als kind gespeeld had en wien zij nu niets meer aanging, +och, niets, niets meer! + + + + + +Achtste Hoofdstuk. + + +Boven in het slot kwam men nog in lang niet tot rust. De jonge +verloofde had zich wel is waar in hare vertrekken teruggetrokken; +het was alles zoo haastig, zoo onverwacht gekomen. Zij liet zich +trouwens de vleierijen der oude barones welgevallen, en luisterde naar +de vriendelijke woorden van Army's moeder; toen werd zij zoo moede +en sloot zich op in haar kamer. De liefelijke lach verdween van het +schoone gelaat, en Sophie, hare kamenier, had een zeer ongemakkelijke +gebiedster te bedienen. + +Eindelijk zat zij in haar nachtgewaad aan haar schrijftafel, en +vloog de pen over het papier, terwijl de trekken om den mond bitter +verdriet teekenden. + +In het woonvertrek beneden sloeg Army's moeder hare armen om zijn +hals en staarde in zijne van geluk stralende oogen. + +"Mijn lieve, beste jongen," fluisterde zij, "moogt gij gelukkig +worden! Het is zoo snel gegaan, en gij zijt nog zoo jong, God +zegene u!" + +De oude barones stond vóór haar, juist toen de jonge man zijne lippen +op den mond zijner moeder drukte. + +"Army," begon zij, blijkbaar geërgerd over dit betoon van +hartelijkheid, "gij weet, wat gij nu het eerst te doen hebt. Gij +reist naar tante Stontheim en vraagt formeel om Blanka's hand, en +dan zal al het andere, hoop ik, zich vanzelf schikken. Aan Blanka's +vader schrijft gij slechts; met dien mensch zullen wij, hoop ik, +in ieder geval niet in aanraking komen." + +"Zeker, grootmama," viel hij haar met zachte stem in de rede. Hij +naderde Nelly, die in een grooten leunstoel gehurkt, de handen voor +de oogen hield; "kleine," sprak hij zacht, "hebt gij geen vriendelijk +woord voor mij?" + +"Och, Army," snikte zij, "ik--ik schrikte zoo, toen ik u samen zag, +en het bedroeft mij zoo, dat--" + +"Maar, Nelly, het is toch voor ons allen zeer gelukkig, dat het zoo +ver gekomen is, en ik heb Blanka zoo lief--" + +"Heeft zij u ook lief?" vroeg zij ernstig, zijne hand vattende, +"weet gij dat zeker?" + +"Maar, kindlief! denkt gij, dat zij mij zonder dat zou willen +trouwen? Zij, die zoo schoon en gevierd is?" + +Nelly schudde het hoofd en zag haar broeder met betraande oogen aan. + +"Ik stelde mij alles zoo geheel anders voor," fluisterde zij. + +"Kleine gekkin!" sprak hij, en streek haar zacht liefkoozend over +hare lokken. "Maar, nietwaar Nelly, het is toch heerlijk, dat ik zoo +gelukkig ben?" + +Zij lachte door hare tranen heen en verliet toen schielijk het +vertrek. Buiten klonk het eerste rollen des donders van het naderende +onweer in den zwoelen nacht. + +"Nelly is ziek, vrees ik," sprak hare moeder bezorgd, "hare handen +waren gloeiend heet." + +"Och kom, zij is in een kwaden luim; zij mokt, omdat haar Liesje, +naar hare meening, vandaag niet vriendelijk genoeg bejegend is," +verklaarde de oude barones wrevelig. "Ik wed, dat zij reeds naar den +molen geweest is, en het onnoozele kind om verschooning gevraagd heeft; +het is waarlijk ongehoord." + +"Zij scheen er vandaan te komen, toen zij ons zoo onverwacht ontmoette; +overigens, moet ik bekennen, en Blanka vindt het ook, grootmama! dat +gij veel te lomp jegens het meisje waart." + +Op dit oogenblik doorkliefde een helle bliksemstraal de lucht, +gevolgd door een zwaren donderslag. + +"Misericordia, welk een weer!" riep bevend de oude dame, op wier +lippen het scherpe antwoord door den schrik bestierf, "zou Blanka +ook bang zijn?" + +Daar vloog de deur open en in het ruime, witte cachemiren kleed stond +de jonge dame plotseling midden in het vertrek; zij hield de handen +voor de ooren en zag angstig in het rond. + +"Ik ben zoo bang," sprak zij huiverend, en liet zich in den stoel +vallen, dien Nelly zooeven verlaten had. + +Army ijlde naar haar toe; hij zag haar bleek gelaat en vatte hare +koude, kleine hand. + +"Ik zou om niets ter wereld altijd hier willen wonen!" vervolgde zij, +en stampte met haar klein voetje heftig op den grond. + +"Waar wilt gij _dan_ wonen, mijn kind?" vroeg de oude barones +verwonderd. + +"_Dan_ wonen?" herhaalde verbaasd de jonge dame, die voor een oogenblik +haar angst totaal vergeten scheen te zijn. "Wel, lieve grootmama, meent +gij dan, dat Army en ik ons hier zullen begraven? Neen, nietwaar, +Army? Wij gaan eerst reizen en wat van de wereld zien; ik ken nog +geen der groote badplaatsen, Ems, Baden-Baden, dan Zwitserland, +Italië--verbeeld u eens Italië, waar gij mij gister nog zooveel van +verteld hebt, en dan, als wij dat alles gezien hebben, zoeken wij +een plekje uit, waar het ons bevalt om te wonen." Zij zweeg opeens, +want een nieuwe bliksemstraal en donderslag deden het oude slot op +zijne grondvesten schudden. + +Army hield de hand zijner verloofde vast; hij stond rechtop naast +haar en luisterde naar den wegstervenden donder; de oude dame naderde +echter het jonge paar met een gelaat, waarop de hoogste verbazing +te lezen stond, terwijl hare schoondochter angstig luisterde naar +hetgeen die kleine mond zei, als iets dat van zelf sprak. + +"Wij zullen wel dáár moeten wonen, Blanka," sprak nu de jonge man kalm, +"waar tante Stontheim het verkiest." + +"Neen, nooit!" antwoordde zij driftig, "ik wil hier in dit oude slot +niet eens begraven worden; ik ben nog jong, en wil het leven genieten; +Army! gij zult mij gelijk geven. Hier wonen? Nooit of nimmer! Tante +is te verstandig, zij zal dit niet van mij vergen; neen, zeker niet," +voegde zij er bevestigend bij. + +"Zeker, Blanka, wij zullen reizen; maar onze vaste woonplaats heeft +tante te bepalen." + +"En wanneer zij Derenberg kiest, dan--dan ga ik niet mede; ik verzeker +u, ik ga niet mee; het is hier veel te stil; ik zou sterven in deze +eenzaamheid." + +"En zoudt gij mij hier alléén willen laten?" vroeg Army zacht en bukte +zich om haar aan te zien. De toon was schertsend, maar klonk toch +eenigszins angstig; "en gij hebt mij straks in den tuin nog verzekerd, +dat gij slechts gelukkig zoudt zijn, waar--" + +Zijne stem daalde tot zacht fluisteren. + +Een heftig hoofdschudden was het antwoord. "Neen, neen," riep zij +daarop; "zoo meende ik het niet, Army! Mijn weinigje vrijheid laat +ik mij niet ontnemen, het zou mijn dood zijn, als ik dagelijks door +de koude, hooge gangen loopen en in het donkere park uitzien moest." + +"Als echter uw aanstaande echtgenoot wenscht, dat gij hier +blijft?" vroeg de oude dame met ingehouden adem; hare handen grepen +krampachtig de plooien van haar kleed. + +"Hij _zal_ het niet wenschen," riep zij hartstochtelijk en sprong +overeind; haar lief gelaat had een dreigende uitdrukking aangenomen +en haar voet stampte hevig op het tapijt; geen spoor was er meer van +de minzaamheid van dien avond. De eigenzinnigheid vertoonde zich op +eens in hare hatelijkste gedaante, en haar stem klonk scherp en ruw. + +"Het is belachelijk, inderdaad belachelijk," ging zij voort, "de +vrouw als eene slavin te behandelen en tegen haar te zeggen, dáár, +waar uw man zich gelukkig gevoelt, moet gij het u noodwendig ook +doen, en doet gij het niet, dan is het uwe zaak te zien hoe gij u +redt! Army kan en zal mij zoo niet behandelen; ik heb hem mijn woord +gegeven de zijne te worden, het ligt aan hem, mij gelukkig te maken, +maar hier _kan_ en _wil_ ik niet wonen." + +"Blanka," riep hij, en zijne groote oogen zagen verschrikt het jonge +meisje aan, dat straks onder duizend liefdesbetuigingen zijne verloofde +geworden was. + +"Blanka! ik bid u, houd op! gij zijt opgewonden van angst en +schrik." Hij schelde en bracht haar naar haar stoel terug. "Een glas +water," beval hij Hendrik, die binnentrad. + +De oude dame zag als versteend naar de verloofde van haren +kleinzoon. Zou dit kleine wezen al haar kostelijke plannen in duigen +werpen? Zou zij evenals vroeger hier eenzaam leven? Zou zij van dien +schitterenden rijkdom niet genieten? Zich niet koesteren in de stralen, +die een frisch, vroolijk leven hier zou verspreiden? Ontsteld viel +zij op een stoel en sloeg een donkeren blik op den jongen officier, +die juist het glas water uit Hendriks hand aannam en het zijne +verloofde toereikte. + +Plotseling klonk een flauwe kreet uit het belendend vertrek. "Nelly," +riep de jonge barones ontsteld, en verdween door de kamerdeur. "Kind, +wat scheelt u toch?" vroeg zij angstig, terwijl zij zich over het +op de sofa liggende meisje heenboog en de hand op haar brandend +voorhoofd legde. + +"Och, zij is vreeselijk mama, zij is vreeselijk!" snikte het kind; +"mijn Army, mijn lieve, goede Army! Zij heeft hem niet lief, mama, +geloof mij." + +"Heb maar geen zorg, liefje!" troostte de moeder zacht; "zij is +slechts wat nukkig; alles zal nog wel terecht komen." + +"Neen, neen, mama! O, toen ik haar aanzag, schoot mij de oude kroniek +te binnen, en het vers over het roode haar. Och! dat zij weer wegging, +van avond nog, en maar nooit, nooit weerkwam!" + +Liefkoozend poogde de moeder het opgewonden meisje tot bedaren te +brengen; haar hart was zelf zoo vol angst! De bleeke vrouw boog het +hoofd en hare oogen vulden zich met tranen. Nelly sliep onder de +troostredenen harer moeder in. Het was een onrustige, koortsachtige +slaap, maar toch liet de bezorgde, bleeke vrouw haar dochtertje +alleen. Zij had immers nog een kind, haar Army. Voorzichtig zag zij +om den hoek van de deur; de oude dame en de schoone verloofde waren +verdwenen; maar dáár, in de diepe vensternis, stond _hij_ nog, haar +lieveling, en staarde naar buiten. Zij naderde hem, en de hand op +zijn schouder leggende, sprak zij zacht: "Army!" Hij keerde zich om +en zag haar vragend aan. Zij zweeg, maar hare oogen bleven met een +angstig onderzoekenden blik op het schoone, trotsche gelaat gevestigd. + +"Wees gerust, mama!" zeide hij haastig, hoewel met eenigszins onvaste +stem, "zij is een bedorven kind, een zeer bedorven kind, maar zij +heeft mij lief--zeker, ik weet het; zij zal zich veranderen; het +spijt haar immers al, dat zij zoo driftig werd." + +De moeder onderdrukte met geweld hare tranen en streek zacht over +zijn voorhoofd. "Goeden nacht, Army," fluisterde zij. + +"Goeden nacht, mama," antwoordde hij, haar teeder kussende, "wees +voor mij niet bezorgd." + + + +Sedert waren veertien dagen verstreken. Storm en regen hadden al de +frissche bloesems van boomen en heesters geschud en ze als versche +sneeuw over den grond gestrooid, maar in plaats daarvan bloeiden in +den tuin des molenaars de rozen allerprachtigst en de lindeboom in +het slotpark stond in vollen bloei. Zeer dikwijls was Liesje in den +laatsten tijd dien weg gegaan, welken zij gemeend had niet zoo spoedig +weer te zullen betreden. Maar Nelly was erg ziek geweest, en de oude +Hendrik had op haar verlangen hare vriendin bij haar ziekbed moeten +halen. Uren aaneen had Liesje daar gezeten, in het hooge schemerachtige +vertrek, en de kleine, van koorts gloeiende hand in de hare gehouden. + +De boodschap, die Lise op het slot riep, was juist gekomen midden in +het gewoel, waarover tante Marie gesproken had. De predikant met vrouw +en kinderen, alsook de houtvester, waren op hun tijd verschenen, en +Liesje had al hare vermogens moeten inspannen, om evenals vroeger +de kinderen bezig te houden, waarbij zij gelukkig in den heer +Selldorf een goeden steun vond. Op eens was Hendrik binnengekomen +met zijne boodschap, en Lise had zich slechts even opgehouden om +de toestemming harer ouders te vragen, die zij natuurlijk aanstonds +verkreeg, hoe ongaarne men haar juist heden ook miste in den blijden +kring. "Tante Liesje, kom gauw weer; dag tante Liesje!" hadden de +vroolijke kinderstemmen haar nageroepen, terwijl achter de gordijnen +een blonde, jonge man had gestaan, en twee trouwe, heldere oogen de +slanke gedaante nastaarden, die juist in het bosch verdween, terwijl +een mismoedige trek op zijn gelaat zichtbaar werd. Wat was er van +dien zoo vurig verlangden Tweeden Pinksterdag geworden! In plaats van +eene partij in het bosch--regen; in stede van vriendelijke blikken +uit blauwe oogen--de plagerijen der wilde jongens, door wie Selldorf +reeds tot oom was gepromoveerd. Op het slot was in die veertien dagen +veel gebeurd. + +Army had van een kort bezoek bij tante Stontheim, hare toestemming +en een keurig equipage voor zijne verloofde meegebracht en in een +vriendelijk schrijven had Blanka's vader de jongelieden zijn zegen +gegeven. Zij was weder de beminnelijkheid zelve en had uit eigen +beweging verklaard, dat het haar leed deed, zoo heftig te zijn geweest +op den avond harer verloving, maar een onweder maakte haar altijd erg +zenuwachtig; Army was overgelukkig, ten minste zoo scheen het Liesje +toe. Hij bezocht de donkere ziekenkamer dikwijls, om naar zijne zuster +te zien en zijn gelaat straalde altijd, als hij zich over haar heenboog +en een groet bracht van zijne bruid. De laatste was slechts ééns aan +het ziekbed verschenen; maar hare vluchtige vragen, hoe of het ging en +of Nelly haast weer kon opstaan, gevoegd bij de drukke verhalen van +al hare uitstapjes en plannen bij haar huwelijk, maakten het jonge +meisje zóó zenuwachtig, dat zij bij haar vertrek in tranen uitbarstte. + +"Laat haar toch niet weerkomen," klaagde zij, "ik word zoo angstig in +haar nabijheid, en hare parfumerieën geven mij hoofdpijn." Van Lise had +Blanka geen notitie genomen, hoewel zij bij het bed stond. Grootmama +kwam nooit in de ziekenkamer, zoolang zij wist dat Liesje er was; +en Sanna mompelde zoo iets van eigenzinnigheid, en dat zij even goed +eene zieke kon verplegen als dat nietige ding, daar uit den molen; +"dat was weer zoo'n idée van de jonge barones." + +Eindelijk was de ziekte geweken; de donkere gordijnen in de +ziekenkamer waren opgehaald, de ramen geopend en Nelly lag op de sofa +met welgevallen de frissche boschlucht in te ademen, die het vertrek +binnendrong, terwijl Liesje naast haar zat en met haar praatte. Zij +waren alleen. Blanka's vader was gekomen om, zooals Nelly fluisterde, +met grootmama en Army te spreken op last van tante Stontheim. "Ik +ben heel blij," voegde zij er bij, "dat ik weg mocht blijven, want +van het oogenblik af dat de brief kwam, die ooms komst meldde, ziet +grootmama boos. Maar zeg eens, Liesje, wat ziet gij bleek! gij hebt +u zeker te veel overspannen, door mij op te passen." + +Het jonge meisje ontkende blozend. Stemmen en paardengetrappel werden +buiten hoorbaar, "O! daar komen zij van hun rit terug," sprak Nelly; +"kom, dat moeten wij zien." + +Zij stond langzaam op en trad aan het venster. Op het voorplein was +de geheele familie vergaderd; Blanka zat nog te paard in haar zwart +rijkleed, het kleine hoedje met de lange zwarte veder op het weelderige +haar, dat op het achterhoofd was vastgestoken, inplaats van, zooals +gewoonlijk, in lange krullen op den rug te hangen. Army was reeds +van zijn paard gesprongen, gereed haar bij het afstijgen te helpen, +en zag opmerkzaam naar haar vader, die langzaam tusschen de beide +baronessen naderde. Het was een klein, gezet heer, die zeer ijverig +eene meening scheen te verdedigen; hij gesticuleerde ten minste hevig. + +Nelly's moeder zag naar het venster, waar de beide meisjes stonden. Zij +knikte haar vriendelijk toe, en de oogen der haar vergezellenden +volgden dien groet. De oude barones zag onverschillig voor zich, +terwijl de overste staan bleef, zijn hoed afnam en glimlachte. Toen +hoorden zij, hoe hij naar Liesje vroeg; het antwoord konden zij +niet verstaan. + +Ondertusschen was Blanka afgestegen en had Liesje hare vriendin weder +naar de sofa gebracht; spoedig daarop verkondigde een luid gesprek, +dat het gezelschap de kamer daarnaast binnentrad. Liesje nam haar +boek weer op en wilde hare lectuur weder beginnen, toen stoelen werden +bijgeschoven en zij plotseling den ouden heer duidelijk hoorden zeggen: + +"Het spijt mij, genadige vrouw, dat de zaak zoo weinig in uw smaak +schijnt te vallen, intusschen--" + +"Schijnt zij het des te meer in den uwen te doen, heer overste," +viel de oude barones hem in de rede. + +"Pardon, ik kom slechts als afgevaardigde der barones Stontheim, en +heb reeds eenmaal verzekerd, dat ik mij volstrekt niet in de regeling +der zaak wil mengen; echter wil ik niet ontkennen, dat het mij _zoo_ +het verstandigste voorkomt;" zijne stem verried eenige geraaktheid. + +"Meeningen, lieve Derenberg!" + +"Gij zult toch zelve toegeven, dat Army nog te jong, te onervaren +is, om de verwarring--vergeef mij het woord, barones--te ontknoopen, +in welke trouwens alle Derenbergsche zaken verkeeren. Er behoort een +ervaren landhuishoudkundige toe, om de verwaarloosde goederen weder in +orde te brengen, verondersteld, dat wij ze terug kunnen bekomen; het +bosch bij voorbeeld,--gravin Stontheim sprak er met den justitieraad +Hellwig over--het bosch is zoo goed als verloren; de tegenwoordige +bezitter--hoe heet hij ook? gij zult hem wel kennen, een fabrikant +hier in de buurt--zal onder geen beding het weder willen afstaan; +het bosch is derhalve voor immer verloren en wat beteekent zulk eene +bezitting zonder bosschen?" + +"Erving zou het niet weer willen verkoopen?" viel de oude dame in: +"ha, ha, dan kent gij hem niet; het komt er bij zulke lieden slechts +op aan, hoeveel men biedt; voor een kleine winst verkoopt zulk volk +zijne zaligheid. Neen, neen, beste overste, dat is een belachelijk +denkbeeld, dat ik van u niet verwacht had. Ik wil om alles met u +wedden: bied hem zoo en zooveel meer, en het bosch is 't uwe." + +"Gij zoudt de weddingschap verliezen, genadige vrouw, want Hellwig +heeft er, op last van vrouwe van Stontheim, naar vernomen en een +bepaalde weigering ontvangen. Voor het overige--" + +De oude dame viel hem luid lachende in de rede. + +"Gij zoudt toch wel gelijk kunnen hebben, Derenberg," sprak zij, +"want deze parvenu haat, evenals al zijns gelijken, den adel, en +ons in het bijzonder. Plebaglio!" voegde zij er verachtelijk bij in +hare moedertaal. + +"Voor het overige," zeide de overste met verheffing van stem--"pardon, +barones," vervolgde hij beleefd, toen zij zweeg, "ik stel er volstrekt +geen belang in te weten, op welken voet gij met dien man staat; +dat verandert niets aan de zaak; ik wilde er slechts bijvoegen, +dat, wat de goederen betreft, die deerlijk in de war zijn. Het is +verschrikkelijk--joden, makelaars, koopbrieven, eerste, tweede, +derde en vierde hypotheek--en wat niet al meer; kort en goed, +gravin Stontheim verkiest niet zich er mede te bemoeien, omdat de +zaak slechts met enorme opofferingen te schikken is; zij wenscht, +zooals ik van morgen vroeg reeds de eer had u mee te deelen, dat Army, +ook nog na zijn bruiloft, die tegen den herfst bepaald is, in dienst +zal blijven; zij zal het jonge paar ruim van middelen voorzien, en is +voornemens, wanneer Army later zin in de landhuishoudkunde heeft, hun +een landgoed te koopen, dat geheel onbezwaard is. Het slot Derenberg +is nog altijd een prachtig zomerverblijf voor het jonge paar, en het +voorvaderlijke slot blijft Army's eigendom. Nietwaar, Army, gij wilt +nog wel een tijdlang den bonten rok dragen?" + +"Zeker, ik moet mij onderwerpen, oom!" sprak de jonge man, "maar +ik beken dat het mij zwaar valt, er van af te zien op Derenberg te +wonen--het was altijd mijn lievelings-idée." + +"Maar de mijne niet," viel Blanka haastig in; "ik ben het volkomen +met tante Stontheim eens, dat heb ik vroeger ook al verklaard." + +"Gij weet niet, Blanka," hernam Army, en zijne stem beefde; "gij weet +niet, welk eene bekoorlijkheid zulk een erfgoed heeft! Gij _kunt_ +het niet weten, want gij hebt nooit het trotsche gevoel gekend, den +voet op eigen grond te zetten. U hebben geen oude muren, geen ledige +vertrekken, geen eeuwenoude boomen verhaald van lang verloopen tijden, +toen onze voorouders hier leefden en werkten. Het was mijn liefste +droom hier te wonen, waar een lange reeks van voorvaderen leefden +en stierven, en het zal mij zeer smartelijk vallen, dien droom niet +vervuld te zien; geloof mij." + +"Om 's hemels wil!" riep de jonge dame uit, "nu wordt hij waarlijk +sentimenteel! Mij komt de kleinste villa aan den meest bezochten +wandelweg onzer residentie duizendmaal aanlokkelijker voor, dan dit +vervelend, verlaten--" + +"Stil, kinderen!" viel de overste sussend in, "laat ieder zijn +gevoelen voor zich houden! Gij, Blanka, hangt even goed van tante +Stontheim af, als Army! Wat zij verkiest, geschiedt; daar is niet aan +te veranderen, en mij dunkt, wij moesten de zaak laten rusten en er +niet over twisten." + +"Zeer verstandig aangemerkt, overste," mengde zich nu de oude dame in +het gesprek; "maar, hoe zwaar zulk een afhankelijkheid te dragen valt, +kan alleen hij gevoelen, die gewoon is geweest vrij te gebieden. _Gij_ +gevoelt dat niet; gij hebt nooit op eigen grond gestaan; gij zijt, +om zoo te spreken, in afhankelijkheid groot geworden, en dan valt het +gemakkelijk anderen ondergeschiktheid te prediken. Ik vind het vreemd +van tante Stontheim; zij _heeft_ de middelen en wil niet helpen; Army +moet officier blijven om de bespottelijke reden, dat hij te jong is; +alsof geen oudere krachten hem radend en helpend ter zijde stonden?" + +"Gij misschien, genadige vrouw?" sprak de overste lachend. "Voorwaar +niet kwaad bedacht! finantiëele talenten kan men u niet betwisten--dat +gij ongelukkig zijt geweest in uwe speculaties--wie kan dat helpen?" + +"Gij zijt nog even ondeugend, als vroeger, overste! toen ik het +geluk had u hier eenige malen te ontmoeten; in dit geval echter +zijn uwe verwijten ongegrond, want het was werkelijk het ongeluk, +dat ons vervolgde." + +"Onverdiend ongeluk!" verbeterde de overste spotachtig. + +"Oom, ik bid u, zwijg daarvan! Het maakt mama zenuwachtig," bad Army. + +"En, mijn jongen," vervolgde deze onbevangen en met nadruk, "het is +juist om nog eens zulk een onverdiend ongeluk te vermijden, dat gravin +Stontheim hoofdzakelijk wenscht, dat gij niet hier--versta mij wel: +niet _hier_--de eerste jaren van uw huwelijk zult doorleven. Vergeef +mij, dat ik zoo duidelijk moest spreken! Ik had het gaarne vermeden--" + +"Ik begrijp u," zeide de oude dame koel; "gravin Stontheim heeft +nog het ongelukkige idée, dat ik de oorzaak ben van den ondergang +der familie; zij heeft mij dit meer dan eens grof en onverbloemd +verweten, als wij in nood en kommer verkeerden; iemand moest toch de +schuld dragen," vervolgde zij, met een bitteren lach: "en daar men +mij van den beginne af als een indringster beschouwde en de vreemde, +de Italiaansche, niet uitstaan kon, was het gemakkelijk haar ook die +schuld te verwijten. Va, bene! Gij vertelt mij niets nieuws overste; +het spijt mij, dat iemand zoo--zoo--" zij hield op; blijkbaar zweefde +haar een scherpe uitdrukking op de lippen. + +De overste zweeg. + +"Oom," vroeg Army driftig, "wat beduidt dat? Tante kan toch onmogelijk +meenen, dat grootmama--" + +"Zwijg," riep de oude dame, en tegelijk hoorde men haar stoel over +den vloer rollen. + +Liesje en Nelly zaten bijna ademloos hand in hand naast elkaar. Toen +de eerste haar vaders naam hoorde noemen, was zij opgesprongen, en +had rondgezien, of er geen andere uitweg was dan door het vertrek, +waarin men zoo hatelijk zijn goeden naam bevlekte. + +"Waar kan ik heen?" fluisterde zij hare vriendin toe. + +"Blijf hier, Liesje," smeekte Nelly en trok haar tot zich; "zij +weten niet, dat wij hier alles kunnen verstaan; och, schrei toch niet +zoo! O, dat ik gezond ware, en een man als Army; ik zou antwoorden, +als zij u beschimpten!" + +Daar binnen hoorde men de oude dame op en neder loopen en telkens, +als zij de deur naderde, zag Liesje angstig de kamer rond, of zij +ook eene plek vond om zich te verschuilen. + +Op eens vernamen zij Blanka's stem, vriendelijk en welluidend als +immer. + +"Grootmoedertje," vleide zij, "ik heb een verzoek aan u; ik had het +Army opgedragen, maar hij heeft het zeker vergeten, die ondeugd. Ja, +ja, zie mij maar niet zoo verwonderd aan, gij--" ging zij schalksch +voort, "nietwaar, grootmama? dat heeft uw bruidegom zeker nooit gedaan; +die las zeker al uwe wenschen in uwe oogen." + +De laatste woorden waren duidelijker dan het begin van haar verzoek; +blijkbaar stond zij naast de oude dame bij de deur. + +"Nu slaat zij hare armen om grootmama's hals, net als een katje," +fluisterde Nelly; "o, gij weet niet, hoe zij kan vleien." + +"Nu?" klonk de stem der oude barones. + +"Ik had Army verzocht u te vragen, mij toe te staan in het +torenkamertje te wonen, dat aan mijn kamer grenst; o, ik bid u, +grootmamaatje, amatissima mia!" + +"Het was zeer verstandig van Army, dat hij het mij niet vroeg; ik +had het hem reeds eenmaal geweigerd en kan het ook u niet toestaan." + +"Waarom niet?" vroeg Blanka verwonderd. + +"Gij zult mij wel toestaan, dat ik de reden voor mij zelve houd." + +"Vraag niet verder, Blanka," liet zich de overste hooren; "oude +kasteelen hebben hunne geheimen, en daaronder zijn er, die men liefst +laat rusten." + +De deur werd heftig opengerukt en de oude dame stond onverwacht voor +de beide meisjes. + +Lise was opgesprongen, zij deed geen moeite meer te ontvlieden, +maar bleef onbewegelijk staan. + +De ondergaande zon wierp hare stralen door het venster en overgoot +het meisje, als het ware, met een rooskleurig licht. De oude barones +week terug, alsof zij een spook zag, en stak verschrikt de handen uit. + +"Dio mio! Het is ongehoord," riep zij stampvoetend uit. "Zijt gij +dan altijd hier om mij een schrik aan te jagen?" + +"Het doet mij leed, barones, dat ik altijd het ongeluk heb--" + +"Wel, dat is vreemd, voor zulk een liefelijke verschijning te +verschrikken!" sprak de overste, een blik van bewondering op het +jonge meisje werpende. "Mag ik u verzoeken, genadige vrouw, mij aan +de jonge dame voor te stellen?" + +De aangesprokene trok de schouders op, terwijl zij den ouden heer +meewarig aanzag en trad naar het venster. + +"Nu, dan zal ik mijzelf moeten voorstellen; overste Derenberg!" zeide +hij vriendelijk. + +"Dit is mijne vriendin, oom, Liesje Erving," voleindigde Nelly de +voorstelling. + +Het jonge meisje maakte een lichte buiging. + +"Erving?" herhaalde de oude heer vragend. + +"De dochter van den tegenwoordigen bezitter der Derenbergsche bosschen, +oom," bevestigde Nelly, hare oogen op zijn ietwat blozend gelaat +vestigende. + +"Ah zoo," antwoordde hij. "Daarom kwam mij den naam ook al zoo +bekend voor; uw vader is waarschijnlijk een liefhebber van het edele +jachtvermaak?" + +"Ja, heer overste, en buitendien verbruikt hij veel hout in zijne +papierfabriek." + +"Uw vader bezit dus eene papierfabriek? Maar hout--ik meende dat het +beste papier uitsluitend van lompen vervaardigd werd?" + +Om Liesjes mond speelde een schalksche glimlach. + +"Zeker, overste. Daarom heet onze fabriek in den ganschen omtrek de +lompenmolen, mijn vader de lompenmolenaar en ik lompemolenaars Liesje." + +"Lompemolenaars Liesje?" herhaalde de overste lachende, en zag haar +vroolijk aan. "Dat is toch een naam, die mij voor u minder gepast +voorkomt." + +"Ik draag hem toch gaarne," zeide zij, "ieder kind noemt mij zoo; +altijd hebben de dochters uit ons huis dezen bijnaam gehad; 't zij +lompenmolenaars Grietje, of Mina, of Lisette--" + +Zij ontstelde, toen zij dezen naam zoo onnadenkend uitsprak, en zag +beschroomd naar de oude dame, die nog altijd aan het raam stond, +en zich nu ook opeens omkeerde, als had haar een adder gebeten. + +"Lisette?" herhaalde zij. "Op dien naam behoeft gij u niet zoo trotsch +te beroemen; die Lisette was een lichtzinnig schepsel, dat hare ouders +veel verdriet heeft aangedaan--" + +"De nagedachtenis van tante Lisette is mij heilig," antwoordde het +jonge meisje, uiterlijk kalm; "zij was niet lichtzinnig; zij was +slechts zeer ongelukkig, maar, zooals men mij verzekerd heeft, niet +door eigen schuld, barones." + +Hare lippen beefden van aandoening bij het uiten dezer woorden, +en in hare stem was het kloppen van haar hart hoorbaar. + +"Wat is dat voor eene Lisette? Wie was zij?" vroeg Blanka levendig, +die juist binnentrad. "Wie beleedigt haar, en wat heeft zij toch +misdaan?" Zij stond nu tusschen Liesje en de grootmoeder, en zag +beiden beurtelings aan. + +"Wees niet zoo vreeselijk nieuwsgierig, mijn kind!" vermaande de +overste, "ik zeide u immers reeds, dat oude sloten hunne geheimen +hebben, en--" + +"Wie zegt u dan, overste, dat het slot iets met deze zaak te maken +heeft?" De oude dame was doodsbleek geworden. + +"Nu ja," antwoordde hij bedachtzaam, en zag haar scherp aan, "ik +combineer gaarne--" + +"Het is zeer jammer, overste, dat gij geen romanschrijver geworden +zijt. Gij hebt uwe carrière gemist." + +"Vaarwel, Nelly," fluisterde Liesje, terwijl zij haar een kus op de +wang drukte; zij boog voor de aanwezenden en verliet het vertrek; +zij vloog letterlijk de gang door en het voorplein over. In de +linden-allée stond zij plotseling voor--Army. + +"Juffer Erving--" zij zag naar hem op; zijn gelaat stond ernstig. + +"Juffer Erving--" herhaalde hij, "hebt gij gehoord, wat in onze +huiskamer gesproken werd?" + +"Ja," antwoordde zij bedaard. + +"Het is juist niet zeer--hoe zal ik het noemen?--zeer bescheiden, +te luisteren, wanneer er familie-aangelegenheden besproken worden--" + +"Ik heb niet geluisterd, heer baron!" riep zij trotsch, "was er een +andere uitgang aan de kamer geweest, ik zou die gaarne verlaten hebben, +voor altijd gaarne, maar--" + +"Gij hadt door de huiskamer kunnen gaan--" + +"Neen, uwe moeder zelve heeft mij verzocht uwe grootmama uit den weg +te blijven, want zij kan mij niet uitstaan; ik ben immers de dochter +uit een huis, waarmede men niet fatsoenlijk verkeeren kan, heer +luitenant--dat weet gij toch; ik was dus wel gedwongen te blijven; +het liefst was ik uit het raam gesprongen." Bij deze woorden kwam +een bittere trek om haar kleinen mond. + +"Nu, hoe het ook zij, ik bid u, niet over het gehoorde te spreken. 't +Is geen gemakkelijke taak, te voldoen aan het verzoek om deze +openbaringen niet verder te verspreiden--ik geloof het gaarne--onze +familie bood reeds van vroeger altijd stof genoeg tot praatjes in +den omtrek; maar ik vertrouw, dat gij u dat offer van geheimhouding +wel getroosten wilt, als ik u er aan herinner, dat wij vroeger trouwe +vrienden waren--nietwaar, Liesje?" + +Hij stak haar de hand toe, maar het meisje trad eene schrede terug +en kruiste de armen op de borst. + +"Eene belofte zal wel niet noodig zijn," antwoordde zij somber; "ik +zou toch gezwegen hebben, want uwe gesprekken beleedigden gedeeltelijk +mijn vader--mijn vader, in wiens huis gij zoo gaarne kwaamt, ook in +dien tijd, dat wij nog 'trouwe vrienden' waren, zooals gij zegt." + +Hij deed ontsteld een stap achterwaarts. + +"Wat? Ik heb geen woord over uw vader gesproken." + +"Maar aangehoord, dat men hem een parvenu noemde--dat men hem +beschuldigde den adel en de familie Derenberg in het bijzonder te +haten en dat hij op wraak zon--en het kalm aanhooren van lasteringen, +terwijl men van de onwaarheid ten volle overtuigd is, staat gelijk +met eene bevestiging daarvan. Uw gevoel van recht schijnt onder zekere +omstandigheden te kort te schieten, heer luitenant!" + +Een gevoel van bitterheid, vermengd met diepe smart van hopelooze +liefde, vervulde haar. Eerst toen zij, met een koele buiging hem den +rug toekeerende, zonder om te zien haastig een eind weg was, vulden +hare oogen zich met tranen. Zij zag het niet hoe hij haar nog lang +nastaarde, en eerst, toen zij verdwenen was, met een somber gelaat +langzaam naar het slot ging. + +Toen Army binnentrad, scheen er eenige rust na den storm gekomen te +zijn; allen zwegen ten minste. De overste had een sigaar opgestoken en +lag oogenschijnlijk zeer tevreden in een der ouderwetsche leunstoelen, +terwijl de oude barones recht als een kaars op de sofa zat, en +zenuwachtig haar dunne witte vingers bewoog. Blanka stond voor het +raam en staarde naar buiten in het park; de lange sleep van haar +donkerblauw rijkleed lag onbewegelijk achter haar over den vloer, +en zij verroerde zich zelfs niet, toen haar verloofde naast haar +kwam staan. Hij verstond de knorrige vraag der oude dame niet, die +hem toeriep, waar zijne moeder was en of zij ook haast kwam. Hij zag +alleen het bekoorlijke wezen naast hem, dat er in haar rijkleed nog +sierlijker en kinderlijker uitzag dan anders; hij nam zacht een harer +goudkleurige vlechten, die los op den rug hingen, en drukte zijne +lippen er op. De jonge dame schudde, zonder om te zien, heftig het +hoofd, en trok met haar kleine handen het haar over den schouder. + +"Blanka," zeide hij verwijtend, en boog zich voorover om haar in het +gelaat te zien. Zij wendde het hoofd af en staarde schijnbaar met +belangstelling naar buiten. + +"Heb ik u beleedigd, Blanka?" vroeg hij zacht. "Zijt gij boos op mij?" + +Zij hield haar beide handen voor de ooren. + +"Neen, neen, om Godswil, neen!" riep zij hartstochtelijk, zich +opeens omkeerend; "ik bid u, Armand, vraag toch zulke bespottelijke +dingen niet! Gij ziet immers, dat ik op 't oogenblik geen lust heb, +uw verliefd gefluister en uwe liefkoozingen aan te hooren; ieder +ander zou het dadelijk begrepen hebben, en gij vraagt, of ik boos +ben en al zulken onzin meer." Zij trapte kregel met den voet. + +Army's gezicht werd donkerrood. "Vergeef mij," sprak hij en ging naar +de pianino. Hij opende die en sloeg een paar accoorden aan. + +"Ik bid u, speel niet!" riep Blanka, en hield weder de handen voor +de ooren. + +Hij stond op. "Speel gij dan iets!" vroeg hij, "ik zou zoo gaarne +wat muziek hooren; dat heeft voor mij altijd iets kalmeerends, +iets verzoenends." + +"Ja, speel wat, mijn lieve!" sprak nu ook de overste, die van de +gansche woordenwisseling slechts het laatste gehoord had, en wien +het aangenaam zou zijn, hierdoor de pijnlijke spanning tusschen hem +en de oude dame te kunnen verbergen. + +"Op _dat_ instrument _dáár_?" vroeg zij. "Neen, dáárop kan +ik niet spelen; ik mag die rammelende tonen zelfs niet gaarne +hooren. Buitendien ben ik ook te vermoeid van den verren rit," voegde +zij er bij. + +Een oogenblik zag Army toornig; toen ging hij naar het oude, versmaadde +instrument, sloot het en naderde weder zijne verloofde; zij had haar +kleine rijzweep in de hand genomen en speelde met den zilveren knop, +terwijl de oude dame opstond en het vertrek verliet. + +"Ik wil gelooven, dat gij werkelijk vermoeid zijn, anders was het meer +dan een bloote luim, dat gij op mijn verzoek weigerdet te spelen," +merkte hij met gedwongen houding aan. + +"Geloof het, mijn lieve jongen; geloof het," sprak lachend de oude +heer en sloeg hem op den schouder; "men komt zóó het verste; ik merk +wel, gij zult het best met haar vinden." + +Army beet zich op de lippen. + +"Mag ik u naar uwe kamer brengen?" vroeg hij aan zijne verloofde, +"als gij wat uitgerust zijt, hoor ik na het eten misschien nog wel +iets van u, nietwaar?" + +"Ik geloof het niet," antwoordde zij; "want ik heb hoofdpijn en zal +heden mijne kamer houden." + +De overste lachte. "Nu, goeden nacht dan, en goede _beterschap_," +en daarmede ging hij, nog lachend, terwijl hij zijn neef toeknikte, +uit de kamer. + +Blanka nam de sleep van haar rijkleed over den arm en volgde hem; +zij ging zonder een woord te spreken Army voorbij. + +"Blanka," vroeg hij zacht en versperde haar den weg, "wilt gij mij +niet goeden nacht zeggen?" + +"Gij behandelt mij als een ondeugend kind," riep zij driftig: "het +verwondert mij, dat gij nog niet eischt, dat ik u om vergeving zal +vragen; het kan u niet schelen of ik hoofdpijn heb of niet." + +"Het een zoo min als het ander. Ik verlang noch een verzoek om +vergeving, noch weiger ik u mijne deelneming in uw hoofdpijn; maar mij +is het onmogelijk, zoo zonder 'goeden nacht' van u te gaan. Nietwaar, +Blanka? dat is ook niet aangenaam. Wanneer twee menschen elkander +zoo liefhebben als wij, dan is het verlangen naar eene opheldering, +naar een goed begrijpen van elkaar zoo natuurlijk." + +Hij was haar bij deze woorden genaderd en wilde haar tot zich trekken, +maar zij ontweek hem met een ongeduldige beweging en vertrok haar +mond een oogenblik tot een spotachtigen lach. + +"Indien gij mij werkelijk liefhadt, zoudt gij mij zulke dwaze +zedepreeken niet houden, daar gij immers weet dat ik vermoeid ben. Het +is verschrikkelijk," vervolgde zij, "welke opvatting gij schijnt te +hebben van onze onderlinge verhouding; die eeuwige stijve manieren; dat +voegen van den een naar den ander, zonder een eigene meening te durven +uiten; dat opgaan in elkander--het is een knellende, ontzettende keten, +maar geen geluk! Ik wil vrij zijn--hoort gij? vrij zijn!" herhaalde +zij nog eens, en dreunend viel de zware deur achter haar dicht. + +Hij stond als versteend en staarde op de deur door welke zij verdwenen +was. + +Het was stil geworden in de groote kamer; het avondrood wierp zijn +gloeiend schijnsel door de vensters en vervulde het vertrek met +een rooskleurige schemering. Langzamerhand verbleekte de purperen +gloed en daalde de grauwe sluier van den avond op de aarde neder. De +jonge man trad naar het venster en staarde onafgewend naar buiten, +de lippen wrevelig op elkander gedrukt; plotseling kromp hij ineen; +klanken van boven troffen zijn oor. Haastig opende hij het venster +en nu vernam hij duidelijk de heerlijke tonen eener wals uit den +Faust, zoo maatvast en opwekkend gespeeld, als zij alleen het kon; +als parelsnoeren rolden de passages over de piano en daartusschendoor +verhief zich, met meesterlijke kracht, de melodie. + +"Zij speelt," mompelde hij, en zijn gebalde vuist viel toornig op +de harde vensterbank. "Is zij zonder luim of nuk, 't is voorwaar een +groot geluk," lachte hij bitter; toen verliet hij de kamer. + +Buiten omgaf hem een zachte, zoele avondlucht. Hij richtte zijne +schreden onwillekeurig langs de slotgracht, waaruit de vlier +zijn uitgebloeide takken naar boven stak, en bleef toen onder haar +venster staan. Dicht bij hem verhief zich de oude toren, en de witte +klimrozen, wier ranken er tegen opklommen, blonken hem helder toe in +de duisternis--daarboven was het spel opgehouden. Maar neen, daar begon +het opnieuw--een sombere, zwaarmoedige melodie; hij kende den tekst: + + + "Daar staat ook een mensch en ziet naar boven. + En wringt zich de handen in bittere smart," + + +Hoe meesterlijk werd dat voorgedragen! Plotseling verstomde de +muziek met een schrillen wanklank. Army haalde ruimer adem. Hij, +die zoo trouw en vurig beminde, poogde te vergeefs het gemoed zijner +bruid te ontraadselen; met geweld drong zich heden avond de bange +vraag bij hem op: als zij u eens niet liefhad? "Liever sterven, +dan van haar afstand doen!" mompelde hij, zijn weg vervolgende, en +dacht onwillekeurig aan de schoone Agnese Mathilde en den jonker van +Streitwitz, die hier in den tuin begraven moest liggen. Ontstemd trad +hij de naaste laan in. De verloopen namiddag met al zijn onaangename +ondervindingen kwamen hem weder voor den geest; tegenstrijdige +gevoelens maakten zich van hem meester; de herinnering aan het +gesprek van oom met grootmama, en de vele hatelijke toespelingen op +het verledene; Blanka's halsstarrige weigering om hier te wonen en dan +de bestraffende woorden, hem door Liesje daar in de allée toegevoegd, +toen hij haar verzocht, het gehoorde niet te verraden! Zij hadden hem +diep beschaamd, die eenvoudige woorden en die smartelijk verwijtende +blik; hij had den braven man daar in den molen laten belasteren, zonder +een woord ter zijner verdediging te zeggen--uit gedachteloosheid; +in gespannen oplettendheid was hij den woordenstrijd gevolgd, die +zijn lievelingswensch zoo ruw verijdelde, den wensch, met Blanka +in het voorvaderlijke slot te wonen. Maar Liesje moest wel meenen, +dat hij juist zoo dacht als--"o neen, neen, zeker niet; haar vader +is een eerlijke, brave man." Dat was bij slot van rekening dan ook +vrij onverschillig--neen, het laatst gebeurde, dat had den angel het +diepst in zijn borst gedrukt. De bittere woorden zijner bruid klonken +hem weder in de ooren: "Welke opvatting hebt gij toch wel van onze +wederzijdsche verhouding?" en dan: "een keten is het, een drukkende +keten, maar geen geluk." + +"Een _keten_!" herhaalde hij halfluid, terwijl hij staan bleef; +snel voegde hij er echter bij: + +"Bah! Meisjesgrillen, anders niets! Zij is ook te schoon, te +trotsch--zij heeft een te eigenaardig karakter, om zich binnen de +enge grenzen te beperken, die om eene vrouw getrokken zijn." Hij +had dat moeten bedenken, meende hij; hij moest niet altijd en altijd +weder trachten, haar tot _zijne_ denkbeelden over te halen, dat was +vernederend voor haar; zij had gelijk ontstemd te zijn, zijne schoone, +trotsche verloofde. En zij had hem immers lief; dat had zij hem zoo +dikwijls op zijn dringende vragen verzekerd. In den herfst, had oom +Derenberg gezegd, in den herfst zou zij de zijne, onherroepelijk +de zijne worden. En moest voor dit zalig vooruitzicht niet alle +tegenwoordig leed wijken? + +De nachtwind was opgestoken; boven het hoofd van den jongen man boog +hij de takken te zamen tot een zacht geruisch, en krulde de oppervlakte +van den donkeren vijver aan Army's voeten; hij voerde alle droevige +gedachten naar de verste verte en bracht verzoenende liefde en zoet +verlangen door den stillen, zoelen zomernacht. "In den herfst," +sprak Army nog eens zacht, "in den herfst, dan komt het geluk!" + + + + + +Negende Hoofdstuk. + + +De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen +bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de +aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde +bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en +dahlia's in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten +gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der +ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen +naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden. + +In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die +zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van +de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen +verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers +allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de +keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou +komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat +de heer Selldorf en "onze Lise" een paar zouden worden. De flinke, +blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke, +heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk +en hartelijk om, en geen zijner collega's ontving zulke vriendelijke +blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hem steeds +zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken +werd, zeide zij altijd: "een flink mensch, die Selldorf!" + +Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd +vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de +groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht, +dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de +liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen, +welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven. + +"Zij houdt zich maar zoo," meende de laatste, "dat is zoo de mode +bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar, +tante?" + +"Die veel praten, liegen veel!" had deze geantwoord; "bekommer u niet +om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel +eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God +alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond +over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over, +dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed: + + + "Bij vrijen, als bij paarden koopen, + Meisje, doe uw oogen open!" + + +De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt. + +Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het +eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed, +dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren, +wie gelijk had. + +Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad +in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles +helpen, "want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaande huishouding," +zeide de oude vrouw. + +Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en +getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een +groot laken gespreid lag; Peter en Christoffel sloegen met lange +stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen +en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen. + +Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen +verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het +huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit +tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van +de bank en op de tafel gezet had. + +"Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?" vroeg Liesje. + +"Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek," antwoordde zij; +en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar +te halen. "Zoo vlijtig?" vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een +korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken. + +"Een huwelijksgeschenk voor Army!" antwoordde zij vriendelijk. + +"Lieve God, hij is toch nog erg jong," sprak de oude vrouw, terwijl +zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam. "Het heugt mij nog +als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje." + +Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder +het water helder en haastig heenliep. + +"Wie is daar binnen bij vader?" vroeg zij met een bedrukte stem, +alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd +lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het +venster zichtbaar werd. + +"Een vreemd heer,--ik ken hem niet," antwoordde tante; daarop zette +zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag +daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. "Heilige +God," zeide zij, "was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen +liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen--ik heb haar in +langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij, +waarlijk zij is het," en zij wees op de groote vrouw, die met het, +donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam. + +"Sanna!" riep Nelly, en sprong op, "mijn God, wat is er toch gebeurd?" + +"Mevrouw de barones laat vragen," klonk het met een vreemd accent +uit den mond der oude dienstbode, "of de freule niet dadelijk bij +haar wil komen." + +"Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?" vroeg het jonge +meisje haastig, haar werk opbergende. "Moet ik bij mama komen of +bij grootmama?" + +"Natuurlijk bij grootmama," antwoordde de oude, zonder Liesje of +hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een +blik te verwaardigen. "Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te +huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen, +omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen +gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar +de post brengen." + +"Zeg het toch, Sanna!" bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan, +"is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?" + +"De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen," +antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere +blikken aan. + +"Om Godswil!" riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; "het is Army toch +niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel--zeg het toch! Ik bid u," +en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen. + +Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof +hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde +zij met wijd geopende oogen op de groep. + +"Ik weet het niet," antwoordde schouderophalend de oude dienstbode, +terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend +uitriep: + +"Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!" + +"Wees gerust, Nelly," troostte tante haar nu, en sloot het weenende +meisje in hare armen. "Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet +zoo rustig staan--ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet." + +"Och, tante!" snikte zij, "ik kan van angst niet op mijn beenen staan." + +"Schrei niet, genadige freule!" zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de +benaming "genadige freule" drukkende; "gravin Stontheim is overleden, +maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken, +daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier--" zij hield het overige +voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd +naast het weenende meisje stond. + +"Nu," merkte deze aan, "gij moogt het wel voor u houden, juffer +Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom +behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw +doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam." + +"Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij +beveelt," antwoordde de oude dienstbode minachtend. + +"O ja! dat weet ik nog van vroeger," sprak tante, wie eensklaps het +bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan. + +"Ik ga een eind met uw mede, Nelly," riep Liesje, als uit een droom +ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond +genageld, staan bleef. + +"Wat bedoelt gij toch?" vroeg zij, en zag tante met een blik aan, +vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was +het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete +weder ontbrandde. + +"Wat ik bedoel?" vroeg de oude tante, terwijl zij hare eerlijke oogen +op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad, +"wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna, dat behoeft gij niet te vragen; ik +zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet--het heeft u toch zeker +dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd +te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet +te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd +maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen--dat was +het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden; +die bijten scherp en diep--" + +"O misericordia!" riep Sanna en sloeg hare handen met een +hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: "dat heb ik er nu voor, +dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk, +dat zij mij steeds verbood, mij met het _plebaglio_, het _miserabile_, +in te laten." + +"Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig," verklaarde tante, +"en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta +ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna, +nu het toeval ons te zamen brengt--ik heb er lang naar verlangd, +het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten, +die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet; +wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor +een jong, bloeiend leven in 't graf moest nederdalen; ik zeg u echter, +en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een +tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten, +en ik--ik, de oude tante uit den papiermolen--ik bid nog iederen +avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw +trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene--" + +"Cielo!" krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht, +"het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt, +dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben." + +"Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren," hield de oude vol, +"en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het +beter wezen in de wereld." + +"_Dat_ zou ik mij hier laten zeggen?" riep Sanna, rood van toorn, +"wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd +hebben? Het was juffer Lisette's eigen schuld, dat zij stierf; wat +behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom +knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft +honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje." + +"Wat?" riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat +zij juist had opgenomen, weder neer--"wilt gij den baron Fritz nu +ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij +elkaar"--zij wees naar het slot--"en zoo hij een lichtzinnig mensch +is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft, +onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave +bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta, +zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen, +erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt." + +Sanna lachte onbeschoft en spottend. + +"Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij +lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats +voor dergelijken." + +"Hoogmoed steekt altijd den staart buiten 't nest," antwoordde tante +Marie minachtend; "ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past +niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De +Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet +alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed, +totdat--nu, gij weet, wat ik meen--in het graf zouden zij zich hebben +omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden, +hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven." + +"Tante! tante!" riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het +venster. + +"Aanstonds, Mientje!" antwoordde zij en nam het koffieblad op; +"ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd, +vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft, +als juffer Sanna en ik," en dit zeggende ging zij in huis, zonder +verder om te zien. + +"Maar tante, om Godswil!" sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude +vrouw met een rood gelaat binnen kwam: "wat praat gij toch! Ik werd +wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit--" + +"Ik niet, Mientje, ik niet," antwoordde de oude vrouw zegepralend, +"het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop +gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het +gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en +nu vandaag--o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het +valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad, +dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina--" + +"Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als +hij u nu hoorde!" + +"Ik wil mij niet wreken," sprak de oude vrouw zacht, "want op alle +wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor +mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft, +toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot--" +Zij hield op, want Liesje trad binnen. + +"De gravin Stontheim is werkelijk overleden," verhaalde zij. "Nelly's +moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft +geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij +zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld +worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die +ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?" + +"Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met +elkander gehad." + +Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het +raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom +dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van +de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond, +beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen +tjilpend van tak tot tak. + +"Als _hij_ gestorven was?" sprak zij halfluid. "Maar neen--neen--het +is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden--om der wille zijner +moeder en zuster!" + +Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig +in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had +haar heldere lach weder geklonken. "Lach maar, mijn liefje!" had de +oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, "God heeft den +blijmoedigen mensch lief." Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het +overwonnen dacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat +voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar +de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch +door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. "Het +zou een uitgelezen paar zijn," sprak zij bij zichzelve. + +Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg +met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was; +zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp +naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht: +"Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien." + +Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was +telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het +middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer, +toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken, +wie hem vergezelde. + +"Goeden morgen, vadertje!" riep zij vroolijk, "wat brengt gij +mede?" Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorf achter hem +stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand +gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. "Tot heden avond dan, +beste Selldorf," hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk, +en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De +statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch +af. "Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken," zeide hij haastig. + +"Maar Frederik, de soep!" klonk tantes stem uit de keuken. + +"Ja zoo--nu, dan later!" sprak hij. Onder het eten streek hij echter +dikwijls met de hand over het gelaat; dan lachte hij, maar werd op +eens weder ernstig. Eens zag hij Liesje stijf en zóó treurig aan, +dat zij de lepel weglegde en vroeg: + +"Vader, wat is u overkomen?" en "Erving, is u iets onaangenaams +bejegend?" vroeg ook zijne vrouw. + +"Wel beware, neen!" antwoordde hij vroolijk, alsof er niets bij hem +gaande was. + +Dadelijk toen de maaltijd geëindigd was, volgde hij zijne vrouw in de +huiskamer. Liesje wandelde in den tuin op en neer en zag tusschenbeide +angstig naar de ramen der woonkamer; eindelijk ging zij weder in huis, +maar daar ging ook juist tante de kamer binnen en wenkte haar, buiten +te blijven. + +Vol bange voorgevoelens zette zij zich op de steenen bank onder het +raam. Daar binnen werd druk gesproken, en eindelijk hoorde zij tante +zeggen: "Neen Frederik, dit moet gij mij beloven, als zij niet _wil_, +overreed haar dan niet, want gedwongen trouw geeft eeuwige rouw!" + +"Dat spreekt van zelf," antwoordde haar vader, "maar men kan haar +toch al het voor en tegen onder het oog brengen." + +Het jonge meisje daar op de oude steenen bank was plotseling +doodsbleek geworden. Op eenmaal was het haar helder geworden, wat +daar binnen werd besproken; had zij dan in een droom geleefd? Hare +ouders, haar lieve, goede vader--konden die het van zich verkrijgen, +haar te laten heengaan? Zij zou den ouden geliefden molen verlaten +moeten met een vreemden man? Weg van hare moeder, van hare tante, en +alles wat haar lief was? Zij zou niet meer in haar kamertje weenen, +niet meer dagelijks de torens van het oude slot zien? Zij drukte de +handen op hare borst, en had een gevoel, alsof haar hart ophield te +kloppen bij deze gedachten. + +"Liesje, kom eens binnen!" klonk nu haars vaders stem. Werktuigelijk +stond zij op en volgde deze aanmaning. Daar stond zij nu in de +woonkamer; op de sofa zat hare moeder, bij het venster tante, en +beiden zagen haar zoo vreemd--zoo teeder aan; ja, het scheen alsof +hare moeder geweend had. + +De oude vrouw aan het venster ging naar buiten, zij wilde zich niet +mengen in hetgeen de ouders met hun kind hadden te bespreken; zij ging +stil naar haar kamertje en nam den bijbel van de commode; daarop ging +zij in den leuningstoel zitten en vouwde de handen op het boek. "God +alleen weet wat goed is," fluisterde zij; "moge Hij haar hart leiden, +zoo zal alles ten beste uitkomen." Buiten schenen de zonnestralen +op de bonte asters, en lange, witte draden weefden als 't ware een +zilveren sluier om de half ontbladerde besseboomen. "Als het weder +voorjaar wordt, hoe zal dan alles hier in huis zijn?" Zij dacht aan +haar lieveling, die daar zoo onverwacht de gewichtigste beslissing +in haar leven moest nemen. Hoe zou Liesje de tijding ontvangen? Zou +zij werkelijk niet bemerkt hebben, hoe lief zij den jongen man was +geworden? En zou zij hem niet een klein weinigje--"Och neen!" De oude +vrouw schudde het hoofd; zij wist, hoe het in het jonge hart gesteld +was.--"Neen, zij bemint hem niet, en als zij hem nu toch eens het +jawoord gaf, wanneer zij zich geweld aandeed, omdat hare ouders het +wenschten--zou zij dan _gelukkig_ worden? Och, gedwongen liefde en +geverfde wangen duren niet lang. Het arme kind!" sprak zij bij zich +zelve. "Als zij haar maar niet zoeken over te halen! Mientje zal het +niet doen, maar Frederik, die is geheel door den jongen betooverd!" + +Zij opende het oude boek en staarde op de geel geworden bladen, +maar zij kon niet lezen: de letters dansten haar voor de oogen en +hare handen beefden--daar was zij aan de deur--zal nu het gezicht +van een vroolijke, jonge bruid, met een donkeren gloed overgoten, +naar binnen zien? De oude vrouw hield haar adem in; de deur werd +langzaam geopend en het jonge meisje stond op den drempel; was zij +dan gegroeid sedert zooeven? Zij trad rustig de kamer binnen: op het +bleeke gelaat stond diepe ernst te lezen. + +"Tante," sprak zij zacht, "ik heb _neen_ gezegd." + +Tante antwoordde niet; zij knikte slechts toestemmend met het +hoofd. "Zijt gij hem niet genegen, mijn kind?" vroeg zij toen. "Zie, +wat uw hart gevoelt, dat weet gij zelve het beste." + +"Ik kan niemand liefhebben, tante," klonk het dicht aan het oor der +oude vrouw; twee zachte armen omvatten haar hals en een bleek gelaat +verborg zich aan hare borst. Zoo lag zij op de knieën naast de oude, +en deze streek met de hand liefkoozend over de bruine vlechten. + +"God zegene u, mijne Lise!" fluisterde zij, "gij hebt goed gehandeld." + +In de huiskamer liep Erving driftig heen en weer. Zijne vrouw had +roodgeschreide oogen en bad: + +"Als zij hem toch niet liefheeft, Erving?" + +"Mina, men kan met eene vrouw niet verstandig over zoo iets spreken," +zeide hij, voor haar staan blijvende. "Zie den jongen aan! Hij is knap +en verdient achting; hij bemint haar en is van een goede familie; +zijn vader schrijft mij, dat zij het meisje op de handen zullen +dragen--is dat niet alles, wat zij verlangen kan? Maar daar steekt +iets anders achter, dat laat ik mij niet uit het hoofd praten." + +"Maar ik vraag u, Erving, wat zou dat dan kunnen zijn?" + +"En dan, ik herkende het meisje niet meer; zij die altijd zoo gedwee +en volgzaam was, stond daar, doodsbleek, en zei niets anders dan +'neen' en nog eens 'neen!' God help mij, wie had dat gedacht?" + +"Zij is immers uwe dochter, vaderlief," zeide zijn vrouw, opstaande +en naar hem toe komende. "Gij weet wel," voer zij voort, terwijl zij +poogde te glimlachen, "dat uw vader gewild had, dat gij Agnes zoudt +trouwen, en toen hebt gij evengoed 'neen' gezegd en niets meer." + +"Nu, dat was toch heel iets anders, ik kende u toen en beminde u +reeds, maar zij--zij komt immers pas in de wereld kijken. God weet +het, zoo zwaar is mij nog niets gevallen, als den jongen van avond +zulk een antwoord te geven." Hij bleef aan het venster staan en zag +verdrietig door de ruiten. Hij keerde zich ook niet om, toen de deur +zachtjes openging en tante binnentrad. + +Zij bleef even staan. "Nu, nu, Mientje," sprak zij toen, "gij weent--er +is immers niemand gestorven, en zulk een haast heeft het vrijen ook +niet! Er zijn niet een hand vol, maar een land vol mannen--de rechte +zal wel komen--" + +De molenaar aan het venster maakte een heftige beweging, als wilde +hij een scherp antwoord geven; hij zeide echter kalm: "gij spreekt, +naar gij verstand hebt, tante!" + +"Wel, ik zou meenen, dat ik in die dingen toch niet zoo dom ben; +ook heb ik wat meer ondervonden dan gij. Lise is zeventien jaar +geworden--nauwelijks zijn de kinderschoenen uitgetrokken; er zullen +nog wel honderd vrijers naar den molen komen; waarom zou zij nu den +eersten den besten nemen? Selldorf is een flinke jongen, ja! maar de +smaken zijn verschillend, en liefde zonder wederliefde, is als een +vraag zonder antwoord, en maakt ongelukkig. En daarom, Frederik, +laat het zóó goed zijn en zie haar niet donker aan; zij is immers +uw éénigste, waarom wilt gij haar dan dwingen! Al uw boosheid helpt +u niets, en uw macht kunt ge in deze zaak niet doen gelden; daarom, +wees tevreden, en verheug u, dat gij uw kind nog behoudt! Heeft zij +eens een man, dan behoort zij u niet meer toe. + +"Stil maar, al genoeg!" antwoordde hij ongeduldig en ving zijne +wandeling door de kamer weder aan. + +De oude vrouw sprak geen woord meer; zij wist, dat haar doel bereikt, +was; zij nam dan ook haar breiwerk en ging op haar gewone plaats +zitten. + +"Hebt gij haar dan gesproken?" vroeg de moeder na een lang stilzwijgen. + +"Natuurlijk! Zij kwam bij mij en vertelde mij, hou het er mee gesteld +was, en ten laatste heeft zij mij schreiende gebeden, haar toch te +helpen, dat haar vader weder vriendelijk jegens haar werd." + +"Waar is zij dan?" vroeg hij. + +"Zij is naar haar kamertje gegaan." + +"Zoo," antwoordde hij en liep weer op en neer, tot hij eindelijk de +deur opende en het vertrek verliet. + +"Ik weet al, waar hij heengaat," sprak de oude vrouw lachende. "Hij +was zeker heel boos?" + +"Het ging nog al, tante, maar ik had hem nooit boos gezien--daardoor +was ik er zoo bang voor." + +"Neen, maar zie nu eens, Mina," sprak zij en wees naar den tuin; +daar liep de molenaar langzaam het pad langs, de arm om zijne dochter +geslagen, en zij met haar hoofdje tegen zijn schouder geleund en tot +hem opziende; hij sprak met haar en zij lachte hem toe. + +"Mijn beste man! mijn lieve kind!" sprak zacht de vrouw aan het +venster. + + + + + +Tiende Hoofdstuk. + + +Op het slot had de tijding van den dood der gravin Stontheim niet veel +droefheid veroorzaakt; de jonge barones en Nelly hadden de gestorvene +in 't geheel niet gekend. Nelly had een krans van immortellen +gevlochten en die met eene betuiging van deelneming naar Blanka +gezonden, daarop hadden de drie dames zich in rouwgewaad gestoken, +om aan den uiterlijken vorm te voldoen, hoofdzakelijk ter wille +van Blanka, die, volgens het schrijven van Army, voor een langdurig +verblijf op Derenberg kon verwacht worden. Army en haar vader zouden +haar vergezellen. + +En thans was de dag hunner komst daar. In Blanka's vertrek waren +de ramen wijd open gezet, en de frissche herfstlucht vervulde de +weelderige en gezellige kamer; de zon scheen helder op de bleekgroene, +zijden behangsels, en op de donzige kussens van dezelfde stof; overal +prijkten frisch geplukte herfstbloemen in vazen en mandjes, en Nelly +onderzocht zorgvuldig, of het verwende kind ook aan iets gebrek zou +kunnen hebben. In haar eenvoudig, zwart wollen kleed geleek zij in dit +schitterend boudoir bijna een betooverde prinses, die door het toeval +of door een goede fee weder in de prachtige omgeving geplaatst was, +waarin zij eigenlijk thuis behoorde. Het ovale, rooskleurige gezichtje +kwam bekoorlijk uit bij het zwarte kleed, en de blanke handen, die +uit de krippen manchetten te voorschijn kwamen, waren haast te klein +voor een volwassen meisje. + +"Dit is toch een recht lieve kamer, grootmama," sprak zij, tot de +oude dame opziende, die juist op den drempel verscheen. + +"Zeker! maar voor u, mio cuore, zou ik blauw veel liever vinden." + +"O, voor mij!" lachte zij; "ik en een kamer met zijden behangsels +en kanten gordijnen! Ik zou mij ongelukkig gevoelen in dezen geur +en glans." + +"Gij zoudt het wel leeren, mijn kind, u daarin gelukkig te gevoelen." + +Het jonge meisje keek op; dat klonk zoo ernstig. + +"Als mijn kleine Nelly heel lief is," vervolgde de oude dame, het +verbaasde meisje naderende, "en haar best doet, haar onbeschaafde +manieren af te leggen, dan geef ik haar misschien zulk een prachtig +kamertje tot een Kerstgeschenk." + +"Gij, grootmama?" riep de kleine ongeloovig. "O neen, ik zou veel +liever een kamertje hebben zooals Liesje, met wit en blauw gebloemd +katoen--dat ziet er zoo beelderig uit." + +De oude barones haalde de schouders op en keerde zich om, want hare +schoondochter trad binnen. + +"Daar wordt mij een groot pak japonstoffen en stalen gezonden; hebt +gij dat besteld?" vroeg zij; "ik denk dat het eene vergissing is, +want er zijn zijden meubelstoffen bij, en allerhande dingen, die wij +onmogelijk kunnen gebruiken." + +"_Ik_ heb dat besteld, Cornelie," verklaarde de aangesprokene +ongeduldig; "laat die zaken op mijne kamer brengen!" + +Nelly vloog heen, om het bevel te volvoeren, en de beide vrouwen +stonden zwijgend tegenover elkander. + +"Maar," vroeg eindelijk de jongste, "waartoe is dat noodig?" + +"Hebt gij u reeds in den spiegel bezien, Cornelie?" was het bitse +antwoord; "in die plunje kunt gij u ter nauwernood aan onze lieden +vertoonen, nog minder op eene bruiloft." + +Zij lachte. + +"Ik heb reeds inkoopen gedaan, mama; voor Nelly een wit kleed, en +voor mij een zwart zijden." + +"Slechtste kwaliteit, dunne taf, paardrijders zijde, zooals men dat +noemt, ik ken dat," antwoordde de dame spotachtig. "Genoeg, het blijft +er bij; ik koop, wat ik oordeel dat noodig is--" + +"Maar, mama!" + +"Gij zult zeker vragen, waar komt het geld vandaan? Hoor eens, +Cornelie, die firma heeft vroeger duizenden aan mij verdiend en zal +ook nu nog wel de gravin Derenberg krediet geven--dat is voorloopig +voldoende; laat mij voor het overige zorgen. Of wilt gij misschien, +dat het huwelijk uws zoons plaats hebbe in een ledige zaal, waar de +gordijnen ternauwernood nog aan de stokken blijven hangen, omdat zij +door de mot zijn verteerd, en de overtrekken der meubels vol gaten +zijn, zoo groot als die schotel daar? Uwe schoondochter zou geraakt +den neus optrekken, denkt gij dat ook niet?" + +"O, daaraan dacht ik niet," antwoordde de bleeke vrouw zacht, en +sloot de deur, daar een koele tocht de zijden gordijnen ver naar +binnen waaide. "Ik dacht slechts," voegde zij er terugkeerende bij, +terwijl zij tegen den prachtigen salonvleugel leunde, die Blanka +voor den zomer had laten komen, omdat zij, volgens haar zeggen, +op het oude klavier in de woonkamer niet kon spelen, "ik dacht, +omdat wij zoo geheel _en famille_ zijn--" + +"Dat is weer een van uw overdreven denkbeelden, Cornelie! Army is geen +weggeloopen knaap, die dáár bruiloft viert, waar hij toevallig een +meisje aantreft; hij stamt af uit een der edelste geslachten des lands +en zijne bruid is onze bloedverwante; daarom zal ik er voor zorgen, +dat deze plechtigheid ten minste naar behooren gevierd worde. Uwe +manier van denken over zulke zaken zou van een lam een tijger maken, +Cornelie!" + +De oude dame ging met een hoogrood gelaat hare schoondochter voorbij +en trad aan het venster. + +"Ik moet u toch dringend verzoeken, Cornelie," ging zij voort, +"uw burgerlijke denkbeelden in vele zaken te laten varen, wanneer +Blanka hier is; zij zouden een uitstekend middel zijn om haar het +verblijf hier te verbitteren; zij kan die eeuwige kleingeestigheid +en zuinigheid, die zelfs de boter voor iedere boterham afweegt, +evenmin verdragen als ik, en voor alle dingen moeten wij nu zorgen, +haar vast te houden--vast te houden tot elken prijs. Is eenmaal het +'amen' na de inzegening uitgesproken, dan zijn al onze bezwaren uit +den weg geruimd." + +Een donker rood had de wangen der schoondochter bedekt, en tranen +kwamen haar in de oogen. Voor wie spaarde zij? Voor wie zorgde +zij? Waarom ging zij zoo slecht gekleed? Opdat die grillige vrouw +dáár zoo weinig mogelijk het drukkende der armoede zou gevoelen, en +al was het ook maar gedeeltelijk, zóó zou kunnen leven als vroeger; +zij zond elken avond Sanna met thee en koudvleesch naar boven terwijl +Nelly en zij zich met een eenvoudige boterham tevreden stelden. + +"Nu schreit gij waarschijnlijk ook nog, Cornelie," klonk weder de +stem, die het Duitsch zoo hard en hoekig uitsprak, terwijl zij in +hare moedertaal de zachtheid zelve scheen, "misericordia! wat zijn +die Duitsche vrouwen toch gevoelige schepsels; ik kan mij zelve +haast geen meester blijven, als ik dien tranenvloed zie stroomen; +wat ik u zooeven zeide, was slechts tot ons aller bestwil--als gij +het maar begrijpen wildet!" + +Op dit oogenblik kwam Nelly weder binnen. "Het is al vijf uur, mama, +en even na zessen kunnen wij hen verwachten; de tafel is beneden +reeds gedekt, en Hendrik zal zoo dadelijk hier vuur aanleggen en de +vensters sluiten--ik ben zoo nieuwsgierig," ging zij voort, "wat zij +al te vertellen zullen hebben, hoe Blanka de rouw staat en hoe het +testament is uitgevallen." Zij zag bij deze woorden hare moeder aan en +bespeurde de tranen in hare oogen. "Schrei niet, mama!" fluisterde zij, +"zoo aanstonds komt Army, onze lieve Army." + +"Het testament?" vroeg de grootmoeder, "mon Dieu, Army de helft, +zij de helft en onderscheidene legaten aan oude bedienden, hospitaal +enz., en misschien ook aan den overste, die wel opgepast zal hebben +ook zijn deel te krijgen." + +"Ja, grootmoedertje, maar weet u nog wel, dat Army ons indertijd +vertelde, dat Blanka overal gehouden werd voor de eenige erfgename--?" + +"Och kom! Dan staat de zaak nog gunstiger--de man heeft altijd de +beschikking over het vermogen zijner vrouw; trouwens, ik geloof het +niet; tante Stontheim hield te veel van Army." + +"Maar, wanneer nu het testament eens vóór dien tijd gemaakt is?" + +"Dan heeft zij zeker een codicil er aan toegevoegd," antwoordde de +oude dame ongeduldig. + +"Wist ik slechts precies, wanneer zij kwamen!" zeide Nelly; "de +gewone post komt stipt om half acht aan, maar Army schreef, dat zij +met extrapost reisden, en dientengevolge aan het station eerst wat +rusten, en tusschen zeven en acht uur, tegen het middageten, hier +zouden zijn. Geduld, geduld! Zal ik dat nooit leeren? Zie het heerlijke +avondrood, nu wordt het gauw donker; ik verlang zoo naar Army." + +Langzamerhand werd slot en park in duisternis gehuld, en aan den +hemel schitterden ster aan ster in fonkelenden glans; in de gezellige +woonkamer was de lamp nog niet opgestoken, slechts het vuur in den +haard wierp een schemerachtig licht in het vertrek. Moeder en dochter +waren alleen: want de oude barones had de kamer verlaten. Het jonge +meisje daar in de diepe vensternis staarde met groote, peinzende +oogen naar het lichtend gewemel daar boven; zij knielde naast den +stoel harer moeder en sloeg den arm om haar heen; de diep bewogen +vrouw hield haar zakdoek voor het gelaat; haar borst ging op en neer +onder een zacht geween. + +"Mijn goed moedertje," bad de kleine met zoete stem, "schrei +uw lieve oogen toch niet rood! Wat moet Army denken, als hij +komt? Och! grootmama meent het niet zoo kwaad--" + +"Och, Nelly, dat is het niet," antwoordde zacht de weenende vrouw, +"maar reeds den ganschen dag vervolgt mij eene onrust, een angst, +die niet te beschrijven is.--God geve slechts, dat den jongen niets +is overkomen!" + +"Maar, mama," troostte de dochter en drukte haar blond kopje stijf +tegen hare borst, "wat zou hem dan overkomen zijn? Hij rijdt op dit +oogenblik zeker in den ouden, gelen postwagen en zit tegenover zijne +Blanka, in de aangenaamste stemming die hij wenschen kan; de overste +vertelt anekdoten, en zij verheugen zich allen in het vooruitzicht +van een warm avondmaal, en van uw vriendelijk gezicht, mijn moedertje." + +De barones schrikte opeens. "Wat scheelt u, mama?" vroeg Nelly angstig. + +"Ik meende zijn stap te hooren," antwoordde fluisterend de moeder; +"hebt gij niets gehoord, Nelly?" + +"Neen, mama; het is immers ook onmogelijk." + +Het werd stil in het ruime vertrek; de fluisterende stemmen zwegen; +niets werd gehoord als alleen het knetteren van het vuur in den haard, +en nu en dan een bange zucht uit het beangstigde moederhart. Maar +dáár--dáár--ja, dat was _zijn_ stap in de gang; "Nelly," riep de +jonge barones met half gesmoorde stem, en het jonge meisje vloog op +en naar de deur, die geopend werd--een man trad binnen. + +"Army!" jubelde de zuster. "Army!" klonk het ook van de lippen der +moeder, "Army, zijt gij het?" + +"Ja, mama," antwoordde hij met doffe stem, als dwong hij zich met +moeite om kalm te schijnen. + +"Mijn beste jongen," zeide de moeder teeder, en omhelsde hem. "Army, +lieve Army," vleide Nelly, "maar zeg, waar is Blanka?" + +Hij stond bij den haard, nog met mantel en muts, en het flauwe +schijnsel van het uitgaande vuur was niet voldoende om zijne +gelaatstrekken te onderscheiden. + +"Army," vroeg nu ook zijne moeder, "waar is uwe bruid?" + +"Ik heb geene bruid meer." Zijne stem stokte van smart. + +Nelly gaf een gil van schrik, zijne moeder sprak geen woord; dat was +het ongeluk, waarvan zij een voorgevoel had gehad--zij drukte alleen +zijne hand vast in de hare, als konde zij hem daardoor onttrekken +aan een woesten, naren droom. + +"Maak mij niet week, mama!" bad hij en drong haar zachtjes naar +een dichtbij staanden stoel, "het helpt niets; hoe kon ik mij +ook verbeelden--" hij lachte bitter--"dat zij--steek het licht op, +Nelly!" sprak hij toen kortaf, "en bereid grootmama voor! Ik heb niet +veel tijd; morgen moet ik weder weg." + +Met bevende handen ontstak Nelly de lamp; haar helder licht bescheen +Army's bleeke trekken; hij stond nog op dezelfde plaats en staarde +somber voor zich uit. + +"Army, mijn lieve Army!" fluisterde zijne zuster, en sloeg snikkend +hare armen om hem heen. + +Hij streek haar gedachtenloos over het haar. + +"Daar is grootmama!" riep zij toen en liep de oude dame tegemoet. + +"Army," vroeg deze, haastig binnentredende, "wat beteekent dat? Ik +wilde Sanna niet gelooven, die beweerde, dat zij u in de gang +ontmoet had. Waar is Blanka? Waar is de overste? Wat beduidt het, +dat gij alleen--?" + +"Dat beteekent," antwoordde hij langzaam, en op elk woord drukkende, +"dat mijne bruid mij heden morgen even voor ons vertrek, genadig heeft +ontslagen; zij heeft mij niet lief, liet zij mij zeggen, als grond +voor haar plotseling besluit, en, die reden is geldig genoeg, bij God!" + +Weder lachte hij spotachtig. De oude dame waggelde achteruit, als +van den bliksem getroffen. + +"Het is niet mogelijk," stamelde zij doodsbleek. + +"Dat zeide ik heden morgen ook, toen de overste mij dit uiteenzette +en verklaarde," voer Army voort, "en ik heb wel honderd keer de hand +aan mijn hoofd gebracht, en mij afgevraagd, of ik ook krankzinnig of +iets dergelijks geworden was. Maar neen, het is een feit, Blanka van +Derenberg is mijne bruid _niet_ meer." + +"Army, was er dan niets voorafgegaan? vroeg zijne moeder, die als +verpletterd in haar stoel zat. + +"Wat voorafgegaan was?" antwoordde hij op snijdenden toon. "Ja, de +opening van het testament. Blanka van Derenberg is eenige erfgename +van het groote vermogen--dat is alles. Waarom zou zij een man huwen, +dien zij niet bemint? Maar wees gerust, grootmama--" hij naderde de +sidderende vrouw, die zich met beide handen aan een stoel vastklemde, +"zij heeft toch een edel karakter; zij vermoedt, dat mijne verloving +mij onkosten heeft veroorzaakt, en daarom liet zij mij door haar vader +berichten, dat zij bereid was al mijne schulden te betalen. Dat was +toch één troost voor den afgedankten bruidegom, voor den dommen jongen, +die met dwaze liefde aan dit valsche schepsel hing!" + +Hij had gedurende het gesprek met een kristallen bokaal gespeeld, +dien hij gedurig ronddraaide; nu wierp hij dien op den grond, dat hij +kletterend uit elkander sprong en de scherven over den vloer rolden. + +"Army!" klonk het angstig van de lippen zijner moeder, terwijl zij +hare bevende handen naar den opgewonden jongeling uitstrekte. De +oude barones had zich in hare volle lengte opgericht. "Dat zullen +wij ons niet laten welgevallen," sprak zij toornig. "Blanka erft in +ieder geval slechts onder voorwaarde, dat gij haar echtgenoot wordt; +ik heb nog een brief van tante Stontheim--" + +"Denkt gij dan," vroeg Army, die in een oogwenk voor haar stond, +"denkt gij dan, dat ik haar ooit weer zou willen aanzien? Al lag +zij voor mij op de knieën, ik zou haar wegstooten, en al moest ik +verhongeren, en gij allen met mij, geen cent nam ik van haar aan; +eerder een kogel door den kop.--Ja wel, een kogel, dat zou nog +het verstandigste zijn; dat heeft immers mijn vader ook geholpen, +zooals Blanka mij zeide, toen ik haar nog eenmaal dringend verzocht, +met mij hier op Derenberg te wonen; zij was bang--verklaarde zij--in +dit sombere nest, waar de laatste eigenaar zich zelf van het leven +had beroofd; ha, ha! Allemaal redenen, waar een verstandig mensch +niets tegen zeggen kan!" Zijn stem klonk heesch en half krankzinnig; +de felste smart sprak uit zijn ontstelde trekken. + +"Mama! mama!" riep het meisje op hartverscheurenden toon, "Army is +ziek, hij weet niet meer wat hij zegt." + +De bleeke vrouw stond op van haar stoel, naderde haren zoon en greep +zijne hand; zij wilde spreken, maar hare lippen bewogen zich zonder +geluid voort te brengen; hare oogen zagen hem zoo smartelijk biddend +aan, alsof zij zeggen wilden: heb medelijden met mij, heb ik nog +niet genoeg geleden in mijn leven? Hij zag ze niet, die smeekende +blikken; ongeduldig poogde hij zijn hand uit de hare los te maken: +"het is genoeg, mama! Ik denk niet aan sterven; ik zal leven--voor +u. Hier is overigens een brief van den overste voor de baronesse van +Derenberg," voegde hij er bij, een brief uit zijn borstzak halende +en die op de tafel werpende, "misschien eene verklaring, waarom het +zoo het beste is, en zoo al meer." + +Hij streek met beide handen door zijn donker haar, en ging naar het +venster; toen verliet hij haastig het vertrek. + +Een oogenblik heerschte er stilte binnen. Het fijne papier van den +geopenden brief knarste in de handen der oude barones. + +"Zie hier, Cornelie!" riep zij, "daar staat het; wat heb ik u zoo even +gezegd?" "Een andere grond voor het verzoek mijner dochter aan uwen +kleinzoon," las zij, "om haar de vrijheid terug te geven, is deze, dat +de Derenbergsche betrekkingen haar niet bevallen; het _waarom?_ zult +gij mij wel besparen; waarom zullen wij elkander hatelijkheden zeggen, +nu wij op het punt staan onze betrekking voor het vervolg geheel +af te breken--" "Ziet gij," viel zij zich zelve toornig in de rede, +"dat is het gevolg uwer, het gevolg van Nelly's onhandigheid in den +omgang met het verwende meisje. Daar hebt gij nu de resultaten. Army +heeft aan u, aan u alleen, het verlies van al zijne vooruitzichten +te danken! O, het is vreeselijk, aan zoovele domme denkbeelden, +zulke bekrompen gevoelens geketend te zijn--het ongeluk mijns levens!" + +De oude dame balde hare handen en zag met de diepste minachting op +moeder en dochter neer. + +"Mij moogt gij beleedigen, grootmama!"--Nelly ging voor hare moeder +staan, als om haar te beschermen--"maar laat mama er buiten! Vergeef +mij dat ik het waag, zóó tot u te spreken! Maar ik kan niet +anders. Mama was altijd vriendelijk jegens Blanka, vriendelijker +dan gij het geweest zijt. _Ik_ heb Blanka trouwens nooit liefgehad, +omdat ik gevoelde, dat zij zich alleen met Army verloofde, omdat tante +het wenschte. En nu zeg ik: Army mag God op zijne knieën danken, dat +alles zoo gegaan is. En daarom bid ik u, grootmama, krenk mama niet +door onverdiende verwijten om der wille van dat valsche, gevoellooze +schepsel, dat zelfs onzen vader nog in het graf belastert, en hem tot +een zelfmoordenaar--Almachtige God!" viel zij zichzelve in de rede, +en was reeds naast hare bewustelooze moeder op den vloer geknield, +om te trachten de onmachtige op te heffen. + +"O, cielo, cielo!" mompelde de oude dame, "welk een leven, welk een +afgrijselijk leven!"-- + + + +Middernacht had reeds lang geslagen en nog altijd zat Nelly bij +het bed harer koortsige moeder. Zij was de eenige die hare zinnen +bij elkander gehouden had bij den treurigen omkeer der zaken. Zij +had de afgematte, bewustelooze moeder te bed gebracht, en zooveel +mogelijk alle toebereidselen weggenomen, die men gemaakt had om +den vorigen avond de bruid van den eenigen zoon te ontvangen. Zij +was zacht door de gang geslopen en had aan de deur van Army's kamer +geluisterd; de stappen van den rusteloos heen en weer gaande hadden +haar geruststellend in de ooren geklonken. En nu zat zij weder te +luisteren naar de ademhaling der koortsachtige moeder, en drukte +nu en dan een zachten kus op die magere handen, die zij zoo vast op +de snel ademende borst gedrukt hield. De grauwe schemering van den +aanbrekenden dag werd door de gordijnen zichtbaar en kleurde zich +langzamerhand met een mat rooskleurig licht. + +Nelly trad aan het venster; daar beneden lag het park; de bladeren +der boomen lagen nat en zwaar op den met rijp bedekten grond; de +roode toppen der sorbeboomen kwamen helder uit het herfstachtig gele +loof te voorschijn, en over het woud zweefde een fijne, witte nevel, +die in de toppen der hooge boomen van het park hing als een lichten, +doorschijnenden sluier, door de opgaande zon zacht gekleurd. Moede +van het nachtwaken, leunde Nelly met het hoofd tegen de ruiten en +sloot de oogen--toen zij op eens het geluid van een verschuivenden +stoel achter zich hoorde. + +"Mama," riep zij, toen zij hare moeder met koortsachtige haast het +eene kleedingstuk na het andere zag aantrekken. + +"Ik heb zoo lang geslapen, Nelly, en heb niet eens Army getroost; +het is reeds morgen--neen, laat mij, ik moet naar hem toe; hij mag +het geloof aan de menschheid niet geheel verliezen; daar is hij nog +veel te jong voor. Houd mij niet terug, Nelly; hij zal niet slapen; +men slaapt niet gemakkelijk na zulk een leed." + +Zij gunde het jonge meisje ter nauwernood den tijd, dat zij haar een +doek omsloeg en ijlde weg. Nelly waagde het niet, haar te volgen; +zij sloop naar de zijdeur en luisterde; daar weerklonk plotseling +een gil. Haastig vloog zij de gang door. De deur van haars broeders +kamer stond open; daar binnen stond hare moeder, zich bevende aan de +tafel vasthoudende. + +In een oogwenk overzag zij het vertrek--dáár het oude ledikant, +de kussens omgewoeld, op de tafel een half geledigde flesch wijn, +benevens een glas; boven de sofa het ledige behangsel; het groote +portret, dat daar gehangen had, stond met de voorzijde tegen den +muur; daar lagen zijne epauletten naast den degen op een stoel--maar +Army--waar was Army? + +"Hij is weg!" stamelden de bleeke lippen der bevende vrouw; "hij is +weg, Nelly--als hij--als hij evenals zijn vader--?" + +"Wat dan, mama? wat dan, om Gods wil?" + +"Wanneer hij, Nelly, wanneer hij--o, ik--mijn God!" sprak zij buiten +zich zelve. + +"Vlieg, Nelly, zoek hem!" smeekte zij haastig, "ik kan het niet; zeg +hem, dat hij bij mij moet blijven! Eenmaal heb ik het verschrikkelijke +beleefd--eenmaal, dat is genoeg; een tweede maal zou ik het niet +overkomen." + +"Mama," vroeg Nelly in doodsangst, "wat bedoelt gij?" + +"Gauw, gauw! ga toch, vlieg! Hij mag niet sterven; hij moet leven. Ga, +anders brengen zij mij hem hier ook zoo bleek en bloedend--" zij +huiverde en wees naar de deur. Het beangste kind had hare moeder +begrepen, en als met gieren-klauwen greep de vrees haar hart aan; +zij ijlde weg--waar, waar zou zij het eerste zoeken? Onwillekeurig +liep zij de trappen af, de toren deur stond aan; haastig vloog zij +over het voorplein, de stenen beren langs, de linden-allée op. De +wanhopende gebaren harer moeder, de verschrikkelijke toespeling op +haar vader, dit alles wekte bij haar een akelig vermoeden op. Zij +drukte de handen op hare borst en stond stil. Waar zou Army zijn? + +"Army," riep zij, maar het was als bleef het geluid in haar keel +steken. "Army!"--alles was doodstil rondom haar. + +Vochtig en nat lagen de verwelkte bladeren aan hare voeten; een paar +kleine vogels fladderden in de takken en keken met nieuwsgierige oogen +naar het beangste, jonge menschenkind daarbeneden; "Army!" stootte +zij nog eenmaal met alle kracht uit, en daarop een lang aangehouden +galm--als een gejubel klonk het; zóó hadden zij elkander als kinderen +altijd geroepen; dat _moest_ hij hooren. + +Geen antwoord werd echter vernomen; slechts een gefluister ging door +de oude lindeboomen, als schudden zij ontkennend de hoofden, om te +zeggen: hij is hier niet. Aan den dijk misschien, aan den dijk--dacht +zij, en toen zij zich nu door het dichte geboomte voortspoedde, +greep haar een nooit gevoelde huivering aan in deze stilte, deze +eenzaamheid. Hoe, als zij hem vond? Als hij niet meer hooren kon, +dat zij hem riep? Als hij bleek en bloedend--? Haar hart kromp ineen, +maar toch schreed zij voorwaarts. + +Daar lag het kleine donkere water zoo kalm, alsof er storm noch +onweer in de wereld was; waterplanten en verwelkte bladeren dreven +onbeweeglijk op de gladde oppervlakte, en de steenen bank aan den oever +was ledig. Haastig ging zij verder; de omlaag hangende takken sloegen +haar in het gezicht en schudden de dauw in hare blonde haren. De rand +van haar kleed sleepte zwaar en vochtig achter haar aan; verder, altijd +verder! Angstig zag zij rechts en links, en van tijd tot tijd klonk de +naam haars broeders door de morgenlucht. Luister--schreden--! Gejaagd +vloog zij verder; daar was het traliehek, de ééne deur was geopend; +reeds was zij er doorgegaan--het was een arbeider, die, zijne muts +afnemende, haar voorbij ging, de onverwachte verschijning verwonderd +aanstarende; toen bleef hij staan; zij had een beweging gemaakt, +alsof zij iets wilde zeggen; maar daar zij zweeg, vroeg de man: + +"Zoekt gij iets, genadige freule?" + +"Och neen, neen, ik wilde met mijn broeder eene morgenwandeling +doen--hebt gij hem misschien gezien?" + +"Den luitenant, meent gij? Ja, dien ben ik tegengekomen, een eindje +achter den lompenmolen." + +"Ik dank u!" snikte zij en sloeg den weg naar den molen in; haastig +schreed zij voorwaarts. Daar zag zij het woonhuis reeds; daar lag +de brug--voorbij, voorbij! Daar in huis sliepen allen nog. Verder +maar! Dáár--almachtige God--daar viel een schot; het klonk haar zoo +duidelijk, zoo vreeselijk in de ooren; zij sloeg, onwillekeurig een +steun zoekende, den arm om den dichtst bijstaanden boom; toen zonk +zij ter aarde. Zij zag niet meer, hoe een oude vrouw, zoo schielijk +als hare beenen haar dragen konden, over den molenbrug kwam aanloopen; +hoe een goed, vriendelijk gezicht, met een witte muts op, zich angstig +over haar heenboog; zij hoorde den hulpkreet niet die over de bevende +lippen kwam: + +"O, hemel! Nelly, onze Nelly! wat is er nu weder gebeurd?" + + + + + +Elfde Hoofdstuk. + + +In de woonkamer van het slot waren de donkere gordijnen toegeschoven, +en dáár, waar vroeger de groote, ouderwetsche sofa geplaatst was, +stond nu het ziekbed van Nelly's moeder; zij was zeer ziek geworden +op dien ongelukkigen morgen, toen zij haar zoon zocht en niet vond; +het zwakke leven worstelde met den somberen engel, wiens +onheilspellende nabijheid men in het vertrek scheen te bespeuren. +Als in een cirkel draaide hare verbeelding om dien dag, waarop zij +bij het bloedige, verstijfde lichaam haars echtgenoots gestaan had; +nu eens was _hij_ het, dien zij aanzag, dan weder was het den zoon, +en op hartverscheurenden toon bad zij hem, toch niet te sterven, haar +ook niet te verlaten; zij kon zonder hem immers niet leven. Het was +thans stil in het ruime vertrek; een slanke meisjesgestalte, die +telkens angstig luisterde naar de verwarde woorden der kranke, zweefde +met bijna onhoorbare schreden over het oude tapijt, legde met zachte +hand de kussens terecht en boog zich onderzoekend over de zieke heen, +om naar haar zachte ademhaling te luisteren, als zij ingeslapen scheen. +Ja--lompenmolenaars Liesje deed voor de tweede maal dienst als +samaritane op het slot Derenberg, en het was nu al de tiende dag, +dien zij er doorbracht! Het waren lange, bange dagen en nog bangere +nachten geweest; heden was de koorts iets afgenomen, zooals de dokter +zei, en de uitgeputte zieke sluimerde nu. + +Liesje nam een boek van de tafel en ging aan het venster zitten, +dat een weinig licht doorliet; zij leunde met het hoofd tegen haar +stoel en sloot de oogen. Hoe vreemd was het toch, dat zij nu weer +hier boven in het slot zat, dat zij gedacht had nooit weer te zullen +betreden! Tante had haar op een morgen met groot geraas gewekt, en in +de huiskamer vond zij Nelly, die doornat van den dauw, bewusteloos +op de sofa lag! Hoe was zij geschrikt! Uren waren verstreken, +vóór men het arme kind weder tot bewustzijn gebracht had; maar vóór +het zoover was gekomen, was de deur der huiskamer in de ouderlijke +woning open gedaan en had _hij_ op den drempel gestaan. Zij had een +gil gegeven van ontsteltenis en schrik; ja van schrik, want hij, die +daar binnentrad met dien diep smartelijken trek om den mond, de oogen +zoo wezenloos op haar gericht--dat was de vroegere Army niet meer, +de vroolijke levenslustige Army, met de trotsche schoone trekken. + +"Is mijne zuster hier niet?" had hij gevraagd, en toen zijn blik op +haar viel, zooals zij daar bleek en bewusteloos nederlag, had zijn +gelaat een uitdrukking gekregen van het diepste medelijden. + +Wat er verder gebeurde? Tante Marie en hij hadden samen gefluisterd; +Liesje had echter alleen de woorden verstaan: dat zijne moeder zeer +ziek was en hulp noodig had; Sanna was zoo onhandig en grootmama +klaagde over migraine; en nu Nelly ook nog, die arme Nelly! + +"Ik ga mede," had Liesje verklaard. En toen was zij met hem zwijgend +meegegaan. Geen woord had hij toen tot haar gesproken, en geen enkel +woord was tot nu toe over zijne lippen gekomen, hoe dikwijls hij ook +zacht de ziekenkamer binnentrad en het bedgordijn opendeed, om zijne +moeder te zien. En Liesje wist, waarom hij zoo somber en stil was. De +blinkende verlovingsring ontbrak aan zijne hand, en de droombeelden der +zieke hadden haar de ongelukkige zaak geheel duidelijk doen kennen. O, +dat schoone, valsche schepsel! Hoe haatte Liesje die trouwelooze! Wel +had Nelly gelijk gehad, toen zij beweerde: "zij heeft hem niet +lief." Maar _hij_, och, kon zij hem maar iets vertroostends zeggen! + +Zacht werd de deur der ziekenkamer opengedaan, en Nelly trad binnen. + +"Wat slaapt zij gerust!" fluisterde zij, een blik op de zieke werpende, +en ging op een bankje, aan de voeten harer vriendin zitten. "God +zij gedankt! De dokter oordeelt, dat het gevaar voorbij is; ach, +Liesje! wat ben ik gelukkig! Ik gevoel mij nu ook weder sterk, en +gij zult nu van nacht slapen, gij goedhartig schepsel!" + +"Neen, dat zult _gij_ doen, Nelly. Geen tegenspraak!" antwoordde +Liesje beslist; "de dokter wil er volstrekt niet van hooren, dat gij +waken zult. Gij slaat een doek om en gaat wat in de frissche lucht; +uw broeder zal u zeker gaarne vergezellen." + +Nelly schudde treurig het hoofdje. "O ja, hij zal wel meegaan--maar +Liesje, gij weet niet hoe akelig het is, zoo alléén met hem te +zijn! Hij loopt somber naast mij, en dan begint hij plotseling als in +vertwijfeling vroolijk te fluiten. Bij u ben ik het liefste. Wanneer +gij en uwe tante er niet waart, en uwe goede moeder niet zoo voor +ons gezorgd had, had het hier boven er slecht uitgezien." + +"Maar, Nelly!" fluisterde blozend het jonge meisje en lei haar hand +op den mond harer vriendin--- + +Terwijl de jonge meisjes zulke woorden in de ziekenkamer wisselden, +zat de oude barones peinzend boven in hare kamer. "Eenmaal moet het +toch zijn," sprak zij ten laatste halfluid, "ik moet met hem spreken, +wat er nu dan toch gedaan moet worden." Zij stond op en belde. "Ik +verzoek mijn kleinzoon hier te komen," beval zij Sanna kortaf en +onvriendelijk, en ging weder zitten. + +Door de roode gordijnen drong slechts een flauw licht naar binnen, +want buiten was de lucht betrokken en een scherpe herfstwind begon met +kracht de bladeren van de boomen te schudden; in den haard flikkerde +een houtvuur en verlichtte de roode kussens en gordijnen; door dien +weerschijn was het, alsof de verschoten kleuren weder haar ouden gloed +hadden verkregen; somber staarde de barones in de spelende vlammen. + +"Binnen!" riep zij, toen een haastig tikken op de deur gehoord werd. + +"Ik wilde u juist om een kort onderhoud verzoeken, grootmama," begon +Army, binnentredende met eene buiging en achter den stoel staan +blijvende, die de oude hem met de hand aanwees. "Mama wordt beter; +ik moet vertrekken." + +"Zoudt gij in dienst kunnen blijven?" vroeg de oude barones +onverschillig. + +Hij zag somber voor zich.--"Ik weet het niet," sprak hij toen, +"voorloopig hangt dit van de stemming mijner schuldeischers +af. Trouwens, zoodra het bericht van mijn verbroken engagement +wereldkundig is, zullen zij wel als een troep jachthonden op mij +afkomen; de zaak komt bij het regiment; de overste zal mij vragen: +'betalen of niet?' Dan komt het slot. Het noodlot zal _mij_ +achterhalen, evenals vóór mij reeds zoo menig ander." + +De oude dame had even kalm naar hem geluisterd, alsof hij over een +vroolijke partij sprak. + +"Hellwig moet raad schaffen," sprak zij op beslisten toon. + +"Hellwig? Ja, als hij geld kon maken! Hij heeft nog onlangs +de onmogelijkheid erkend, mij tweehonderd daalder te bezorgen; +eene som, die ik den wagenmaker op een bepaalden tijd moest +betalen. De man wilde geduld hebben, tot ik--nu, tot ultimo October," +eindigde hij kortaf. "O, zij wilden allen wel wachten; het had geen +haast--beware! Ik was immers de neef van tante Stontheim en op het +punt, hare nicht te huwen--" + +"Hoeveel bedragen uw gezamenlijke schulden?" vroeg zijne grootmoeder. + +Hij maakte een afwijzende beweging met de hand. "Wat kan dat +schelen? Ze kunnen toch niet betaald worden!" + +Een lange stilte ontstond. Army beschouwde schijnbaar zeer aandachtig +een Italiaansch landschap in een vergulde lijst. Buiten was de wind +hevig opgestoken; hij huilde in den schoorsteen, en joeg de vonken +over het oude tapijt tot op het zwarte, wollen kleed der oude dame. + +"Army, er is slechts één middel, om u en ons te redden!" + +Hij keerde zich langzaam om en zag haar vragend aan. + +"Gij zoekt zoo spoedig mogelijk een andere rijke partij." + +"Wat bedoelt gij, grootmama?" + +"Er zijn meisjes genoeg, rijke, knappe meisjes, die zich een man +koopen, zooals men dat noemt--" + +"O, zoo, ik begrijp u," antwoordde hij los weg. + +"Bedenk, Army! het betreft hier niet alleen uwe toekomst, het geldt +ons allen." + +"Hebt gij mij nog iets anders mee te deelen?" vroeg hij op een toon, +die verstommen deed. "Niets? Dan zult gij mij wel vergunnen afscheid +te nemen; ik wilde graag weten hoe het beneden gaat." Hij boog zich +en ging heen. + +Bijna werktuigelijk richtte hij zijne schreden naar de ziekenkamer; +in het voorvertrek bleef hij staan; het was alsof hij daar binnen +hoorde fluisteren; toen ging hij naar het raam en drukte het voorhoofd +tegen de ruiten. + +Hetgeen zijne grootmoeder hem zooeven gezegd had, was als een bijtend +vocht in de versche wonde, hem toegebracht. De hevige pijn dreef +hem het bloed naar de wangen, voor zijne oogen zweefde nog steeds +een aanlokkelijk beeld, dat hem steeds vervolgde, al deed hij ook +duizendmaal zijn best het te verbannen; hij zag haar steeds voor zich, +zooals zij er uitzag op dien dag na de opening van het testament, +toen het zoo kalm en rustig geworden was in de prachtige villa; +alle bezoekers waren vertrokken, de overste was in een andere +kamer ingedommeld, en hij bevond zich alleen met haar--voor de +eerste maal sedert langen tijd. Hoe schoon was zij in dat donkere, +met krip gegarneerde rouwgewaad, die gouden vlechten, met zwarte +strikken saamgebonden! Zij lag peinzend in haar stoel, terwijl hij +tot haar sprak; hij sprak van zijne liefde, van zijn verlangen haar +te bezitten, van het zalig gevoel dat zijn hart vervulde. Of zij wel +naar hem geluisterd had? De blik, dien zij op hem vestigde, toen hij +hare hand greep, was hem als koud ijzer op het hart gevallen, en had +hem met een angstig voorgevoel vervuld; in den loop van het gesprek +was zij plotseling opgestaan en achter het deurgordijn verdwenen; +het prachtige, goudkleurige haar zag hij nog even, toen het gordijn +door den tocht van de opengaande deur omhoog waaide; toen was hij +alléén met zijn overvol, bedroefd hart. Zij had hem nooit bemind, liet +zij hem zeggen; zij had zich slechts naar den wensch harer tante met +hem verloofd! En dáár boven, die gele, verdorde, vliegende bladeren +in de lindenlaan, die hadden het gehoord, hoe zij hem trouw zwoer: +hoe zij hem duizendmaal verzekerde, dat zij hem liefhad, liever dan +alles op de wereld, en nu--nu was alles voorbij. Verkoopen zou hij +zich--verkoopen, zooals grootmama hem geraden had! + +"Neen, liever nog een kogel--een kogel!" + +Hij kreunde en drukte de tanden op elkaar; waar was toch het geluk +gebleven, waaraan hij zoo hoogmoedig geloofd had? De oude spreuk schoot +hem te binnen: "Wanhoop nimmer, 't geluk kan iederen dag komen." Hoe +dwaas, waarom had het geluk hem zoo spoedig verlaten? + +Daar klonk een zachte tred achter hem; hij keerde zich om--een +hoogblozend gelaat zag tot hem op. "Uwe moeder vraagt naar u, +luitenant," sprak halfluid een heldere stem. Hij ging Liesje voorbij +naar de ziekenkamer, en zij trad naar het venster, waar hij tot nu +toe gestaan had. Buiten viel een fijne regen, die den omtrek in een +vochtigen sluier hulde; zij staarde naar het huis harer ouders daar +beneden, maar kon het door de dikke lucht niet onderscheiden. "Wat +zouden zij daar nu wel doen,--mijn moedertje, mijn vader en tante +Marie? Zou mijn vader niet op de jacht zijn? Och neen, hij heeft +het zoo druk op het kantoor, sedert de heer Selldorf zoo plotseling +vertrokken is." Weder vloog een donker rood over hare wangen. + +In het nevenvertrek was het eerst stil; de deur stond half open; +Army lag geknield bij het bed zijner moeder, en nu klonk het: +"Mijn lief moedertje, dacht gij dat ik doen zou als de jonker van +Streitwitz? Neen, neen, ik heb u immers nog en Nelly." Zijne stem +klonk teeder en vertroostend, en toch was het, alsof met moeite +weerhouden tranen de woorden onverstaanbaar maakten. En daarop de +zwakke stem zijner moeder; Liesje kon de woorden niet verstaan, maar +uit den toon der afgebroken woorden klonk het als een zoet vertroosten, +als een blijde dank, dat zij haar zoon in de armen hield, de gansche +onovertroffen volheid der moederlijke liefde, die helpen, steunen, +raden wilde; zoo kalm, zoo zacht klonk het, alsof het gold een ziek +kind in slaap te sussen. + +En daar opeens--was het werkelijk mogelijk? Dat klonk als weenen, +als met geweld onderdrukt gesnik. Zou Army--? Liesje keerde zich +plotseling om en luisterde met verbleekend gelaat--weenen de mannen +dan ook? Zij ijlde naar de deur; zij wilde weg; hij mocht niet weten, +dat zij gehoord had, hoe hij--Daar kwam hij uit de kamer zijner moeder, +ernstig en de lippen op elkander gedrukt; maar de oogen--ja, die waren +nog nat van de tranen, die hij geweend had--om zijn verlorene bruid. + +Zij stond vlak voor hem, de handen op de borst gevouwen, als wilde +zij hem om vergeving vragen, dat zij hem zóó gezien had. Ook hij stond +stil; hij zag haar aan en las innig medelijden in haar oogen. Kwam de +herinnering weder bij hem boven aan den tijd, toen het kleine meisje +den wilden knaap zoo dikwijls troostte, als hij bij hunne kinderspelen +zijn geduld verloor en van spijt heete tranen weende? + +"Liesje," sprak hij vriendelijk en dankbaar, en reikte haar de hand. + +"Army, lieve Army," klonk het door snikken half verstikt terug; +hij voelde een oogenblik haar kleine hand in de zijne; toen was +zij verdwenen. + + + + + +Twaalfde Hoofdstuk. + + +In het slot Derenberg was alles weder tot het eentonige leven van +vroeger teruggekeerd. Na Army's vertrek was het zeer stil geworden +in het oude slot. De nood sloop door de groote, ledige zalen en met +hem--de zorgen. + +"Gij _moet_ raad schaffen, Hellwig," had de oude barones tegen +den getrouwen raadsman der familie, half biddend, half bevelend +gezegd. "Gij _moet_! Binnen korten tijd moet er geld zijn, opdat het +onweder niet nu boven mijn kleinzoon losbarst! Het verdere schikt +zich later. Komt tijd, komt raad!" + +En de oude man had met een bezwaard gemoed de belofte gedaan, +te zullen beproeven "den duivelschen jongen, dien Army, uit den +brand te helpen;" maar tevens had hij er naar gevraagd, op welke +wijze de barones het verdere dacht te schikken? En toen zij op haar +zenuwachtige manier den vriend der familie eenigszins had laten +vermoeden, van waar zij redding hoopte, had hij bijna weemoedig +geglimlacht, en een vragend "nog eens dat gevaarlijke middel?" was +over zijne lippen gekomen. "God geve," had hij er bij gevoegd, "dat +het deze maal beter uitvalt! Voor het overige, mevrouw de barones, +gaat het tegenwoordig zoo gemakkelijk niet meer, als gij denkt; de +wereld is in den laatsten tijd onaangenaam praktisch geworden; vaders, +die zulk een jongen adellijken windbuil met open armen ontvangen en +er eene eer in stellen, zijne kolossale schulden te betalen, worden +steeds zeldzamer--het geld is schaarsch, zeer schaarsch, mevrouw de +barones! Maar wat lichtzinnigheid is het ook, om equipages en zijden +meubels voor mejuffrouw de bruid aan te schaffen! Dat was later vroeg +genoeg; men moet de huid van den beer niet verkoopen, eer hij gevangen +is. Gij, barones, die zooveel ondervonden hebt in uw leven, gij hadt +den jongen bij de ooren moeten krijgen, en hem _mores_ moeten leeren; +hij was vroeger altijd gemakkelijk te leiden." + +De oogen der jongere barones hadden zich verwijtend op hare +schoonmoeder, smeekend op den ouden man gericht; de smeekende oogen +hadden hem zoo ver gebracht, dat hij ten minste beloofde, zijn best +te doen--- + +Liesje was reeds lang naar het ouderlijke huis teruggekeerd, en +had den innigsten dank van Nelly en hare moeder meegenomen. Zij +kwam bijna dagelijks in het slot, en haar vroolijk gekeuvel, haar +vriendelijke verschijning bracht uren van zonneschijn in die stille, +hooge vertrekken; Nelly vergat dan voor een poos hare droefheid, +om zich trouwens later dubbel ellendig te gevoelen. + +Hoe goed heeft zij het! dacht zij, wanneer hare vriendin zoo vlug door +de nu geheel ontbladerde lindenlaan, naar huis ging. Zij stelde zich +het aangename "te huis" van Liesje voor, en zag in haar verbeelding, +hoe zij den arm om den heer des huizes heensloeg, en hem haar lief +vadertje noemde, op wien zij zoo trotsch, zoo trotsch kon zijn--en +dan vloeiden weder Nelly's oogen over van bittere tranen. + +Zoo was November gekomen, met zijn donkere dagen; de stormen huilden +weder om het oude slot, zooals zij reeds eeuwen gedaan hadden; zwaar +en vochtig dreven de wolken over het landschap, en regen, vermengd +met sneeuw, sloeg kletterend tegen de ruiten. Zulk weder oefent zijn +invloed op elk menschelijk wezen, en vooral op eene zieke, die zoo +zeer behoefte heeft aan opwekking, en onwillekeurig komt de vraag op +de lippen: "Zal voor mij wel ooit de zon weer schijnen? Zullen voor +mij de stormen wel ooit weder zwijgen? Gelukkig de mensch, die hopen +kan, ook in dagen van diepe smart!" Zij fluistert toch nog altijd +vertroostende woorden tot de verslagene ziel, en schildert op den +donkeren achtergrond lichtende arabesken en bekoorlijke bloemkransen, +waartusschen allerhande gelukkige, vurig verlangde beelden der toekomst +doorschijnen; de weenende oogen kunnen dan weder met vertrouwen opzien +en de benauwde borst haalt ruimer adem; alles kan immers nog goed +worden! En de tijd ging voorbij; eentonig en langzaam kropen de dagen +voorbij. Wekelijks kwam er van den ver verwijderden zoon een brief, +dien de moeder met angst en hartkloppingen openbrak; telkens vreesde +zij, er een slechte tijding uit te zullen vernemen! "Bespeurt gij +wel, hoe ongelukkig hij is, zoo verstrooid, zoo geheel anders dan +vroeger?" zuchtte Nelly dan en herlas telkens en telkens weder den +brief, wiens kortheid een diep bedroefd hart scheen te verraden. + +"Het gaat hem goed," was de oude barones gewoon minachtend te +zeggen; "hij hoopt het ook van ons; hij heeft veel dienstzaken te +verrichten--_voilà tout!_ Hij is geen man; anders zou hij alle pogingen +in het werk stellen, om het uiterste te voorkomen. Och hemel! dat ik +in zijne plaats ware, zóó jong, en het leven vóór mij! Die onzalige +gevoeligheid, die uit louter droefheid over het verlorene, den moed +niet heeft om naar een nieuw geluk te streven--Orribile! Het is ons +aller ongeluk; ik had nooit gedacht, dat hij ook zoo was." + +En bevend van ergernis zette de oude dame zich neder om een brief +aan haar kleinzoon te schrijven, en hem moed in te spreken, en een +anderen aan Hellwig, ten einde hem aan te sporen, de zaak betreffende +de schulden zooveel mogelijk op te houden. + +November was ten einde en December kwam met zijn stormen; zij huilden +in de hooge schoorsteenen en deden de roestige weerhanen op de torens +knarsend gieren; zij bogen en schudden de oude boomen in het bosch; +de regen kletterde evenals vroeger tegen de ruiten, en doorweekte de +paden in het park, totdat in een helderen winternacht de felle vorst +gekomen was, die de wegen zoo hard en glad als een rijbaan maakte; +hij bedekte den dijk met een spiegelblanke ijskorst, en de velden en +wegen met de eerste fijne sneeuwvlokjes. + +"Het is binnenkort Kerstmis," zeiden de lieden in het dorp en +verheugden er zich over. "Het is spoedig Kerstmis, mama," sprak ook +Nelly tot de sukkelende vrouw, die bij den haard zat te breien, +maar in haar gelaat blonk geene vreugde bij het vooruitzicht van +het heerlijke feest; "of Army ook zal komen?" vervolgde zij vragend, +en hare moeder omhelzende, zeide zij: "lieve mama, ik wil geen enkel +geschenk hebben, als Army maar komt." + +"Nu is het spoedig Kerstmis," riep Liesje hare tante juichend tegemoet, +toen zij des morgens alles met sneeuw bedekt zag--het klonk zoo +hartelijk opgeruimd, dat de oude vrouw haar verbaasd aanzag. Was +dat meisje dan in de laatste weken niet geheel veranderd? De oude +dartelheid, die haar zoo bekoorlijk stond, waarmede zij ieders +hart won, blonk weer uit hare groote, blauwe oogen; hare wangen +bloeiden weer even rooskleurig, als vroeger, en dit wonder was +klaarblijkelijk geschied, toen zij--ja, toen zij uit het slot naar +huis teruggekeerd was. Evenals vroeger schertste zij met haar vader, +en voerde allerlei guitenstreken uit, die zelfs hare moeder hartelijk +deden lachen. + +En nu was Kerstmis aanstaande. Toen de oude vrouw haar aanzag, +fluisterde de kleine mond dicht aan haar oor, en zij verstond zoo iets +van Christeskindje, van Kerstboomen, en Kerstgeschenken en van iets +zoo heel, heel fraais voor tante, als zij zich niet kon voorstellen. + +En al deze vreugde en dit gejubel was in een enkel oogenblik te +voorschijn geroepen: het enkele woord "Liesje!" uitgesproken op een +teederen, dankbaren toon, en een enkele, vluchtige handdruk!-- + +En eindelijk was de heilige avond aangebroken over de wijde wereld; +hij bracht in elk huis een helderen lichtglans; hij ontstak de kaarsen +aan de groene boomen, in paleizen en hutten; en deze wierpen hun +licht op vroolijke gezichten, op kostbare en eenvoudige geschenken; +de kerkklokken luidden in de stille, koude winterlucht en noodigden de +menschen tot een plechtige, dankbare feestviering; en hoog boven de +verheugde wereld spreidde de hemel zijn donkeren blauwen mantel uit; +in schitterende, fonkelende pracht straalden de sterren naar beneden, +en "Eere zij God in den hoogen," klonk het tot haar naar boven, +"in den menschen een welbehagen en vrede op aarde!" + +"Vrede op aarde!" Er waren ook woningen, waar de weldadige gast +geen ingang vond, en harten, zeer vele harten, die geen ruimten voor +feestvreugde hadden, omdat leed en smart hen geheel vervulde! En op +geen dag drukt de zorg zulk een arm menschenkind dieper ter neder, +gevoelt het de smarten meer dan op dien, waarop zich allen verheugen, +waarop de vrede moest nederdalen in alle harten, alléén in het zijne +niet; waarop de bange vraag naar boven rijst; waarom ben ik--waarom +zijn wij uitgesloten van de feestvreugde? + +Diezelfde vraag stond ook te lezen in de oogen van het jonge meisje, +dat daar aan het venster stond en in den helderen avond naar buiten +zag. "Daar beneden in den molen zijn de ramen helder verlicht; daar +brandt de Kerstboom," fluisterde zij zacht, en drukte smartelijk de +handen op de borst--welk een verlangen overviel haar naar zijne helder +verlichte en versierde takken! Liesje had haar gevraagd te komen; zij +moest toch ten minste de lichten op den boom zien branden; maar neen, +waartoe zou dat dienen? Wat ging haar des molenaars Kerstboom aan? Het +was de hare toch niet, en waarom zou zij Liesjes gelukkig gelaat +aanschouwen? Hare sombere, stille woning zou baar daarna nog eens +zoo treurig hebben toegeschenen. Zij keerde zich om en ging naar den +stoel harer moeder, om haar wang tegen het lieve gezicht te vlijen. Zij +tastte met de hand, maar vond slechts het ledige kussen. "Mama," riep +zij zacht--het bleef stil. "Nu is ook zij naar grootmama gegaan," +fluisterde zij en viel in den zachten stoel neder. "Allen verlaten +zij mij, och, dat ze toch terugkwamen! Mama en Army, o ja, Army is +dáár"--dat was toch nog een zoete troost. Morgen zou hij zeker wel +niet meer zooveel met grootmama te spreken hebben over zaken; wat +kunnen zij toch voor belangrijks te verhandelen hebben sedert zijn +aankomst? Zou het nog altijd over Blanka zijn?--- + +Nelly vergiste zich; hare moeder was niet boven, waar de oude barones +met den jongen officier een onderhoud had over zaken--leelijke, niet +zeer stichtelijke zaken, die niets gemeen hadden met den geest van +het Kerstfeest. + +"Tot Nieuwjaar--nog maar acht dagen!" sprak de oude dame, en zag +somber voor zich. + +"Tot Nieuwjaar," bevestigde Army, die voor haar stond. + +"En gij zegt, Hellwig weet geen raad?" + +"Zoo zeide hij--" + +"Maar dio mio! Het is toch anders voor een officier niet zoo moeilijk, +geld te krijgen?" + +"Anders? Gij vergeet, grootmama, dat onze omstandigheden voldoende +bekend zijn. Geen bankier leent mij geld, met de zekerheid, het te +verliezen, en dan nog zulke sommen! Het eenige, wat ik bewerken kon, +was--uitstel tot Nieuwjaar." + +"En hebt gij geene moeite gedaan het middel te beproeven, dat ik u +als de éénige redding aanwees?" + +Hij zag haar fier aan. "Neen, mijne schuldeischers gaven mij +werkelijk denzelfden raad en wilden mij er wel behulpzaam in zijn; +maar duizendmaal liever naar Amerika en werken als een knecht, dan +zulk een juk op mij te nemen!" + +"Zooals gij wilt!" sprak de oude dame koel, "het is uwe zaak en niet +de mijne." + +"Juist zoo!" lachte hij. "Maar laat de geheele historie naar den duivel +loopen! Ik ben hier niet gekomen om u mijn nood te klagen; ik wil +het Kerstfeest met u vieren; het Kerstfeest!" herhaalde hij spottend. + +"Goed dan!" klonk de stem der grootmoeder. Dan zal ik raad zien +te schaffen; er zijn nog wel menschen in de wereld, die den naam +Derenberg niet vergeten hebben. Morgen--neen, van avond nog schrijf +ik aan den hertog van R. + +Om Army's lippen zweefde een bittere lach. Hij dacht aan het schilderij +boven in de familiezaal, dat zijne grootmoeder voorstelde, hoe zij, +als een schoone, jonge vrouw, den hertog de hand bood als welkomstgroet +in haar gastvrij huis. "Bedelarij!" klonk het verachtelijk in zijn +binnenste; hij voer met de hand over het voorhoofd, en sloeg een +blik op de statige, zwarte vrouw tegenover hem, die zoo onbewegelijk, +met een uitdrukking van vastberadenheid op het gelaat, bij de tafel +stond. Hij had medelijden met haar, de trotsche vrouw; hij wist, dat +het haar onuitsprekelijk zwaar zou vallen, zulk een brief te schrijven. + +"Doe dat niet, grootmama!" bad hij vriendelijk, "gij moogt u niet +zoo vernederen--" + +"Neen, ik laat het niet," was het antwoord, "want ik zie, dat ik de +eenige ben, die misschien nog uitkomst vinden kan, hoewel ik maar +een oude vrouw ben." + +"Maar, grootmama! zal de oude heer zich uwer nog herinneren?" + +Zij lachte. "Zult gij ooit het beeld uwer bruid vergeten?" vroeg zij, +en de zwarte oogen schoten stralen uit hun brandenden gloed. "Zeker +niet! Evenmin vergeet de hertog van R. Leonore van Derenberg, want hij +heeft mij liefgehad, Army! van het oogenblik af, dat hij mij voor het +eerste zag. Hij was toen nog erfprins; mijn man stelde mij ten hove +voor; er werd juist een feest gevierd--ik weet niet meer ter eere +van wie; en, toen ik door de bonte menigte, die de helder verlichte +zalen vulde, aan den arm uws grootvaders vooruit trad, dewijl het +hertogelijke paar mij wenschte te zien, en de menschen rechts en links +ter zijde weken en de vreemde, de Italiaansche, aanzagen, terwijl +ik eene buiging maakte voor het hooge echtpaar--toen werd mijn oor +getroffen door een kreet van verrassing, en toen ik mijne oogen ophief, +ontmoetten zij die van een schoon jong man, welke mij bewonderend +aanstaarden. Ik was zeventien jaar, Army, en wat bedwelmt eene vrouw +meer, dan bewonderd te worden en--voorbij, voorbij!" fluisterde zij, +"waartoe het verledene weer te voorschijn te roepen!" + +"En"--vervolgde zij peinzend, zonder acht op zijn gloeiend gelaat te +geven, "hij kwam dikwijls naar Derenberg; hij was mijn cavalier bij +elke gelegenheid, tot hij een verre reis ondernam--die goede ouders, +zij waren bezorgd over hem, en mijn echtgenoot was de belachelijkste +Othello, dien de wereld ooit zag; hij haatte den levenslustigen +prins, omdat mijne lippen lachten als hij sprak, en mijne oogen, +schitterden als ik hem zag, iets dat zij reeds bijna verleerd hadden; +alles wat mij omgaf, droeg immers den stempel der verveling, de hemel, +de aarde, de menschen, zelfs de feesten die mijn echtgenoot gaf. Hij +was het, die in overeenstemming met de vorstelijke ouders, den vlinder +verwijderde, die zoo onstuimig om de kaars fladderde--echt burgerlijk, +zooals alles hier te lande! Ik wist het, dat mijn gemaal opmerkzaam +gemaakt was geworden, ik wist, wie hem in den geheel onschuldigen +omgang het ergste deed zien. O, ik heb hem gehaat, mijn zwager, dien--" + +"Grootmoeder! en aan dien man wilt gij schrijven? Bij hem bedelen, +omdat hij u eens bewonderde? Bij hem, dien mijn grootvader haatte?" + +"Ik ben nu een oude vrouw geworden, mijn kind," antwoordde zij op +hoogen toon, en wierp het nog altijd schoone hoofd in den nek, "en +wat ik doe, heb ik slechts mijzelve te verantwoordden. Toen wij voor +twintig jaar plotseling arm werden, schreef hij mij; hij had de vrouw +niet vergeten, die eenmaal zijn jong hart verrukt had; ik had ons in +eens uit alle drukkende omstandigheden kunnen bevrijden--maar ik wist, +wat ik den naam Derenberg, wat ik mijzelve verschuldigd was." Zij +stond met opgeheven hand voor haar kleinzoon, en haar groote oogen +blonken van edelen trots. + +"Meent gij, dat het mij licht valt aan hem te schrijven?" ging zij +voort, "ik doe het om uwentwil, Army, want het weinigje ongeluk, dat u +trof, heeft uwe hand verlamd, en heeft van u gemaakt een weekhartigen +droomer in plaats van een sterken man met een vasten wil; daarom zal +ik in uwe plaats handelen!" Zij ging hem voorbij en verdween in de +naaste kamer; de deur vloog zoo krachtig en snel achter haar dicht, +dat de roode gordijnen omhoog waaiden. + +Army stond onbeweeglijk bij den schoorsteen; nu en dan schudde hij +zacht het hoofd, en een bittere lach zweefde om zijn mond. Plotseling +was het, alsof zijn gebogene gestalte zich in zijn volle lengte +oprichtte, als trof hem eene gedachte, een besluit dat hem-- + +"Army," riep een zachte stem, en het blonde hoofdje zijner zuster +kwam tusschen de plooien van het deurgordijn te voorschijn; "Army, +kom toch beneden! gauw! Mama stuurt mij." Zij was de kamer ingeslopen, +en drukte zich tegen hem aan. "Weet gij wat ik geloof?" fluisterde zij, +"mama heeft zeker een Kerstboom ontstoken; er schijnt zulk een helder +licht onder de deur door." + +Hij staarde in de donkere oogen, die zoo kinderlijk blijmoedig tot +hem opzagen. + +"Spoedig," smeekte zij, "grootmama gaat toch niet mee; zij mag immers +den Duitschen Kerstboom niet lijden." + +"Ja, kom Nelly!" zeide hij, en de arm om zijne zuster heen slaande, +verliet hij ijlings met haar het vertrek. + + + + + +Dertiende Hoofdstuk. + + +Het begon reeds te schemeren, toen Liesje boven in haar kamertje een +sierlijk korfje vol kleinigheden pakte; telkens voegde zij er nog +iets fraais bij; eindelijk sloot zij het, en een halfluid: "zie zoo, +het is vol marsepein en chocolade--dat lust zij het liefste," kwam +over hare lippen. Zingend trok zij het met bont gevoerde jakje aan, +dat gisteravond onder den Kerstboom had gelegen, en zette het daarbij +behoorende mutsje van zwart fluweel, met een rand van marter omzoomd, +vluchtig op de bruine vlechten; zij bekeek zich in den spiegel en +begon op eens te lachen. + +"Precies een jongen! Tante heeft wel gelijk," sprak zij en zette het +sierlijke hoofddeksel wat vaster en midden op het hoofd. "Nu nog de +mof, en dan spoedig weg; want ik moet tijdig weer terug zijn." + +Zij greep mof en mandje en sprong de trappen af. "Ik ga naar Nelly," +riep zij, de deur der huiskamer even opendoende. + +"Zorg, dat gij op tijd weer tehuis komt, Liesje," vermaande hare +moeder; "anders wordt oom de dominé boos en worden de kinderen +ongeduldig. Gij weet, om zeven uur wordt voor hen de Kerstboom +aangestoken--" + +"Ja, ja, zeker," riep Liesje, en weg was zij. + +Tante Marie zag haar na, toen zij over den molenbrug ging. "Och lieve +hemel!" dacht zij, "hoe zal het er daar op het slot uitzien? Daar +zullen de Kerstgeschenken ook wel niet rijkelijk zijn uitgevallen." + +Liesje zat reeds sedert een kwartier naast Nelly bij den haard te +praten; tegen haar over zat Army op zijn gemak in een grooten stoel; +hij was in diep gepeins verzonken, en luisterde slechts nu en dan, +wanneer een der beide meisjes hem met een hartelijken lach uit zijne +mijmering wekte. + +"..... En moeder kreeg van vader een pillendoos," vertelde Liesje, +"waarop geschreven stond: 'de beste medicijn', en waarin reisgeld lag, +om naar Italië te gaan.--Gij weet immers, Nelly, de dokter heeft altijd +tegen mama gezegd, dat zij den winter hier niet moest doorbrengen, maar +zij was er altijd tegen; nu echter heeft zij half en half toegegeven--" + +"Zij gaat toch niet alleen?" vroeg Nelly. + +"Neen, papa gaat in ieder geval meê, en--" + +"Nu, en?" + +"En ik," voegde Liesje er dralend bij. + +"En zijt gij daar niet heel blij om?" riep Nelly opgewonden. "Hè, +naar Italië; hoe mooi moet het daar zijn!" + +"Neen, ik blijf liever bij tante tehuis; ik ben immers goed gezond; +en schooner dan hier, zal het dáár wel niet zijn." + +"O, Liesje, hoe dwaas!" bestrafte Nelly. + +"Ja zie, Nelly! Gij moet mij niet voor zoo dwaas aanzien, maar ik +heb er nog een andere reden voor. Gij moogt mij niet verklappen, +want ik heb er nog niets van tegen vader gezegd. Zie, Bertha van onzen +meesterknecht in den molen lijdt aan eene borstziekte; de dokter zegt, +dat alleen een verblijf in Vevey of Montreux haar kan genezen; zij is +veel zieker dan moeder, en nu zou ik graag zien, dat Bertha in mijne +plaats meeging; ik ben nog jong, misschien kom ik nog wel eens in +"_la bella Italia_", zooals uwe grootmama zegt." + +Army stond plotseling op en ging naar het venster. Het jonge +meisje had zachtjes gesproken, maar desniettemin was hem geen woord +ontgaan. Dat was nog altijd de goedhartige Lise van vroeger, die +haar boterham aan arme kinderen en hare blinkende driepenningstukken, +die tante zoo zorgvuldig voor haar verzamelde, aan den eersten den +besten handwerksjongen weggaf; zij schudde nog zoo, half trotsch, +half bedeesd, het hoofdje, wanneer zij beknord werd. En dan rees +een ander beeld voor zijn oog, een kleine, teedere gedaante, met +goudkleurig haar--die terugdeinsde voor bedelaars, en dat "gemeen", +met een wenk harer kleine hand onbarmhartig van haar deur verdreef; +die met minachting haar kleed dicht om zich heen trok, wanneer op de +wandeling een kreupele smeekend zijne handen naar haar uitstak. "Geef +hem niets, Army," had zij gezegd, "ik word er wee van, kom, kom--tante +betaalt overvloedig armengeld." Zóó ging _zij_ den armen natuurgenoot +voorbij, met haar geparfumeerden kanten zakdoek voor den neus. + +Buiten lag het park sneeuwwit en kalm; iedere boom stak duidelijk +af op den helderen achtergrond, en daar beneden straalde het licht +uit de vensters van den molen. Dat oude, gezellige huis, wat al +zoete herinneringen waren daaraan voor hem verbonden! Hoe gerust en +aangenaam moest het zijn, dáár te wonen, zonder zorgen, zonder angst +voor de toekomst of aanstaande ellende! + + + "Uit mijn jeugdig leven, + Uit mijn jeugdig leven, + Klinkt mij steeds een lied in d' ooren; + O, waar is gebleven, + O, waar is gebleven, + Wat mij ééns mocht toebehooren?" + + +klonk het zacht en teeder achter hem; hij keerde zich om--daar +stond zij bij de oude pianino, de slanke, tenger gebouwde +meisjesgestalte,--het hoofdje wat voorover gebogen, en bij het flauwe +licht, dat de lamp in dien hoek van het vertrok verspreidde, meende +Army te zien, dat een zachte blos zich over Liesjes gelaat vertoonde. + + + "Toen ik afscheid nam, + Toen ik afscheid nam,-- + Lachte mij het leven toe; + Toen ik weder kwam, + Toen ik weder kwam, + Was mij alles droef te moê--" + + +Liesjes stem klonk diep weemoedig. + +"Nu het laatste vers," verzocht Nelly; "mama hoort het zoo graag." + +"Ik kan niet meer," antwoordde zij zacht en verwijderde zich van +de piano. + +"Och, dat spijt mij, Liesje," sprak Nelly's moeder nu, "ook geen +Kerstlied?" + +Aanstonds trad zij weder naar de piano: + + + "Daarboven fonkelt hel een ster, + Die stil op aarde ziet, + En 't Eng'lenheir, dat zingt van ver + Een jub'lend Kerstnachtlied. + + En om de schaam'le kribbe straalt + Een wonderheerlijk licht; + Een kindje ligt op 't harde stroo, + Met godd'lijk aangezicht. + + Verblijdt u dan in dezen stond, + Die vrede op aarde geeft! + Zoo klinkt het uit der Eng'len mond, + Nu Jezus Christus leeft! + + Knielt neer van verre en van nabij, + Gij menschen groot en kleen, + En dankt den Heer op zijnen troon, + Nu 's werelds licht verscheen!" + + +Zachtkens stierven de tonen van het oude Kerstlied in het hooge vertrek +weg; geen geluid werd gehoord, bij ieder had dit lied verschillende +herinneringen opgewekt, die echter alle in denzelfden grond hun +oorsprong hadden. + +De sukkelende vrouw, in dien grooten stoel, zij herinnerde zich den +tijd, toen zij als jonge moeder haar knaap die woorden leerde, opdat +hij ze voor zijn vader onder den prachtigen Kerstboom zou opzeggen; +zij zag weder den fermen jongen, om wien zij haar arm geslagen had, +voor den knappen man staan; zij was naast het kind neergeknield +en vouwde zijn kleine handjes biddend saam; van de takken des booms +straalde licht; en licht werd teruggekaatst uit de helder schitterende +kinderoogen; hij moest immers wel trotsch zijn op zijn zoon.... "Bid +nu, mijn jongen!" en de heldere kinderstem had zoo roerend, ernstig +geklonken: + + + "Verblijdt u dan in dezen stond, + Die vrede op aarde geeft!" + + +Den jongen man stond deze avond niet voor den geest; die was uit zijn +geheugen gewischt; maar hij zag zich met twee kleine meisjes daar +beneden in de kamer van tante. Beiden zaten op bankjes aan de voeten +der oude vrouw, de lieve mondjes wijd geopend, en de oogen ernstig +voor zich uitziende; zij zongen, hoewel niet volgens de regelen der +kunst, toch dapper en gloeiend van Kerstvreugde: + + + "En om de schaam'le kribbe straalt + Een wonder heerlijk licht, + Een kindje ligt op 't harde stroo--" + + +"Army zingt niet mede, tante!" had de grootste gezegd en haar vragend +aangezien. + +"Dan krijgt hij straks ook geen peperkoeken, als Ruprecht de knecht +komt," was het antwoord geweest. + +Toen was de kleine naar hem toegetrippeld. "Army meezingen!" had zij +met tranen in de blauwe oogen gewaagd, en toen hij overmoedig de blauwe +lokken schudde, had zij wanhopig haar gezichtje met de handen bedekt, +Daarop was Ruprecht de knecht gekomen, met een grooten, zwaren pels +om; hij had met de noten in den zak gerammeld en dreigend eene roede +voor den dag gehaald. "Zijn de kinderen zoet, tante?" had hij met +een diepe basstem gevraagd; "kunnen zij ook bidden?" + +Ja, de meisjes wel; maar die daar, die jongen, is een kleine stijfkop, +die zijn Kerstlied niet zingen wil; neem dien maar stilletjes mee naar +uw sneeuwhol, heer Ruprecht!" En toen was het kleine meisje, bitter +schreiend en haar angst vergetend, naar den gevreesden man toegeloopen. + +"Neen, neen, lieve oom Ruprecht, neem Army niet mee! Hij is niet +stout; ik wil ook geen enkelen peperkoek hebben." En Nelly was ook +gaan schreien, zoodat knecht Ruprecht ten slotte was vertrokken, +zonder een gebed gehoord te hebben, terwijl de troostwoorden van +tante en het geween der meisjes hem achterna klonken. Hij alleen, +die ondeugd, schreide niet; hij lachte, toen de laatste slip van den +pelsmantel verdwenen was; hij hield stijf en stok staande, dat het +niet knecht Ruprecht, maar Peter, de koetsier, geweest was, in den +omgekeerden pelsjas van oom molenaar. + +Aan al deze kinderlijke ervaringen dacht Army, en onwillekeurig ontviel +hem de vraag: "Weet gij nog wel?" Toen zweeg hij, verschrikt over +zijne woorden, die zoo duidelijk verstaanbaar door het stille vertrek +klonken; zij waren immers reeds lang voorbij, die kinderdroomen--hij +was een man geworden. Een man? Neen, een verwijfde droomer, dien een +weinig tegenspoed verlamd had! Daarboven zat zij nu, de oude vrouw, +en schreef om hem te redden een brief, die haar moeite kostte, die +haar zwaar viel, en zij deed het, omdat hij geen man was. + + + +"Ik moet naar huis." Liesje nam haar jakje van den stoel. + +"Och, blijft gij van avond niet?" vroeg Nelly. + +"Ik dank je, ik kan helaas niet," antwoordde zij aarzelend; "de +dominé's-familie komt van avond bij ons, en gij weet wel, Nelly, +dan durf ik niet wegblijven. + +"Dat is zoo, maar komt gij spoedig weer?" + +"Zeker!" + +"Mag ik u te huis brengen," klonk op eens Army's stem. + +"O neen, ik dank u," stamelde zij verlegen, "ik--" + +"Het is vandaag een feestdag--gij zoudt beschonken lieden kunnen +ontmoeten," sprak hij, haar antwoord afsnijdend, en greep naar muts +en degen. + + + +Het was een wonderschoone winteravond, die daarbuiten over de +Kerstnacht-vierende aarde gedaald was; in ademlooze stilte lag het +landschap in een sneeuwkleed gehuld, overwelfd door een hemel, waaraan +duizenden starren in de heldere, koude lucht fonkelden. Beneden in +het dorp kwamen de verlichte vensters onder de besneeuwde daken te +voorschijn, en hier boven aan den kruisweg, bij de met sneeuw bedekte +zandsteenen bank, daar stond een rijzig paar; hoe verwonderd breidde +de kale lindeboom zijne takken over de jeugdige hoofden uit, als om ze +voor aller oogen te verbergen. Is het nu tijd tot minnekoozen? schijnt +ieder takje te vragen, thans, nu er geen enkele nachtegaal zingt en +geen groen takje een liefdegroet kan fluisteren? + +En toch--het meisjeshoofdje rust zoo stil aan zijne borst, en in de +blauwe oogen ligt een oneindige hemel van liefde en geluk. + +"Zou ik u kunnen helpen, Army, om uw leven minder somber te maken? Is +het waar?" + +"Als gij dat wilt, Liesje," antwoordde hij zacht en kuste haar op +het voorhoofd. + +"Of ik het wil?" vroeg zij blozend, en vlijde zich dichter aan hem. "Of +ik gelukkig wil zijn--?" + +Hoe was het toch gekomen? Hoe was zij wel te moede, toen zij alléén +het pad naar den molen insloeg? Als in een droom hoorde zij zijn +ernstige woorden, voelde zij den kus op haar voorhoofd branden--en +toch was het de werkelijkheid, zoo even doorleefd, die haar hart zoo +deed kloppen! En morgen--haar kloppend hart stond haast stil, toen +zij de verlichte vensters van haar huis zag--dan zal hij bij haar +vader komen. Zij is verloofd; een gelukkige verloofde, _zijne_ bruid! + +Zij bleef staan en zag achterom; daar boven moest hij nu zijn, bij +den eenzamen, ouden linde, die, trots sneeuw en ijs, heden avond +het zoetste geluk zag ontluiken. Zou hij haar liefhebben, waarlijk +lief? Zij schudde het hoofd over dat wonder, dat nooit gehoopte wonder; +zouden vader, moeder en tante het niet aan haar zien, dat zij--? Neen, +neen, nu nog niet; als de gasten vertrokken zijn, wil zij het haren +vader zeggen, dat er morgen iemand komen zal, die-- + +Zij trad de huisdeur binnen; die oude schel had heden ook zoo +afschuwelijk hard geklonken, en zij wilde graag eerst stil naar haar +kamertje gaan. Neen, dat ging niet, want juist deed tante de deur +der huiskamer open. + +"Wel, gij uitblijfster!" klonk vriendelijk de oude stem, "ik wilde +juist Doortje zenden, want ik was bang, dat iemand u onderweg had +meegenomen." + +"Goeden avond," antwoordde zij, terwijl haar stem bijna verdween +onder de hevige hartkloppingen, "is het al zóó laat?" + +"Nu, dat zou ik denken," sprak de oude vrouw en deed de deur achter +haar dicht. Dáár zat haar vader aan de ronde tafel, en hare moeder +met den predikant op de sofa. + +"Zoo, zijt gij daar!" sprak haar vader vriendelijk en trok haar naar +zich toe. "Wat zegt gij daar wel van, Lise? Denk eens, de kinderen +in de pastorie hebben de scharlakenkoorts en kunnen niet komen, +is dat niet treurig?" + +"Zeer treurig!" herhaalde zij; maar hare oogen schitterden zoo, +en om haar mond speelde een gelukkig lachje; dat was geheel in +tegenspraak met hare woorden. Vroeger zou zij in luide weeklachten +zijn uitgebarsten, maar vandaag--zij lette ternauwernood op hetgeen +haar werd medegedeeld. + +"Een oogenblik slechts--ik zal boven mijn goed afdoen; ik kom dadelijk +terug," en weg was zij. + +"Wat scheelt het kind?" vroeg hare moeder angstig. + +Het kind echter stond, diep ademhalend, boven in haar kamertje. Haar +jakje en muts werden op een stoel gesmeten, en zij zelve viel voor +haar bed op de knieën, zooals zij elken avond gewoon was te doen; zij +drukte het gloeiend gelaat in de kussens en vouwde hare handen, maar +geen woord kwam over hare lippen; slechts in haar hart vermengde zich +een verward dankgebed met een ongekende vrees en een onuitsprekelijk +gevoel van geluk. Eindelijk sprong zij op, en opende het raam, "daar +boven, daar boven," fluisterde zij, en groette met de hand, alsof hij +haar zien kon. Of hij nu aan haar dacht? Of hij al aan zijne moeder +bekend had, dat hij de kleine Liesje uit den molen omarmd en gekust +had? En Nelly? + +"Liesje, Liesje!" riep men van beneden. + +"Aanstonds!" antwoordde zij; haar stem klonk, alsof ze opgeschrikt was; +zij nam het licht en zag in den spiegel; een paar gloeiende, donkere +oogen zagen haar uit het glas aan. "_Zijne_ bruid!" fluisterde zij, +"zijne verloofde!" en een donkere blos vloog over haar gelaat; zij +deed snel het licht uit en ijlde naar beneden. + +"Zij zijn al in de eetkamer, juffer," riep Doortje haar toe, en +begon toen op eens hard te schreeuwen: "o Hemel, juffer! er is een +verborgene bruid in huis; zie maar--een, twee, drie lichten!" + +Het jonge meisje, dat reeds de kruk der eetkamerdeur in de hand +had, keerde zich hoog blozend om--waarlijk, dáár stond Doortje met +de keukenlamp; hier hing de groen verlakte ganglamp aan den wand, +en tante was juist uit hare kamer gekomen en hield de hand voor de +waskaars, waarvan het volle schijnsel op haar oud, goedig gezicht viel. + +"'t Is best mogelijk!" sprak zij, alsof ze boos was. + +"Meid, ge zijt gek; dat maakt een leven, alsof ze het hoogste lot +uit de loterij heeft getrokken! Een geheime bruid--domme gans! Gij +zult zelve wel het beste weten, wie het is! Aan de tuindeur staat +immers iederen avond een verliefd paar, niettegenstaande de dikke +sneeuw! Ga binnen, kind! Ik volg u," wendde zij zich tot Liesje, +die nog talmend bij de deur stond te wachten en toen met de oude +vrouw naar binnen ging. + +Vader, moeder en oom de predikant waren reeds gezeten; de laatste +deed het tafelgebed en daarna verscheen Doortje met een gebraden gans, +die de gastheer begon voor te snijden. + +"En weet gij, dominé" zeide hij, een afgebroken gesprek voortzettende, +terwijl hij zijn mes op het slijpstaal aanzette, "het zou een ware +zegen zijn, als het geschiedde; maar gelooven kan ik het niet; men +heeft het al tien jaar lang gezegd." + +"Ja, ik kan u ook niets verder zeggen, Frederik," antwoordde de +geestelijke, "als wat ik onlangs te B. van den architect Leonhardt +hoorde; hij zeide, in het voorjaar zou er eene commissie komen, om de +landerijen te onteigenen, en zoodra dit geschied zal zijn, gaat het +bouwen er op los; 't is mij onverschillig, of er een spoorweg komt +of niet! Ik wenschte maar--" hij streek met de hand over het voorhoofd. + +"Maakt gij u bezorgd over de ziekte uwer kinderen, dominé?" vroeg de +huisvrouw deelnemend. + +"Nog al," antwoordde hij en zag er waarlijk bezorgd uit; "wij +zijn allen in Gods hand, maar het menschelijke hart wordt zoo +licht moedeloos; die verraderlijke ziekte is dit jaar bijzonder +gevaarlijk, in het dorp zijn huis aan huis de kleinen aangetast; +uit menig huisgezin heb ik er één of soms twee ten grave gebracht, +en bij alle onderwerping aan den wil des Heeren, Mina ... kan men +den angst toch niet weren." + +"Om Gods wil, oom, is het zoo erg?" Liesje zag hem verschrikt aan; +zij kwam zichzelve eensklaps hoogst liefdeloos voor, dat zij door +haar geluk zijn angst niet eens bespeurd had. "Zal ik meegaan? Kan +ik helpen?" + +"Wel beware, Liesje! het is eene zeer gevaarlijke, besmettelijke +ziekte--voor niets ter wereld!" sprak de geestelijke vriendelijk, +en drukte haar de kleine hand, "neen neen, dat zal mijne Rosine alléén +wel klaren; men mag zich niet lichtzinnig in gevaar begeven. Gij zijt +een eenig kind--gij moet u sparen voor uwe ouders; neen, ik dank u, +Liesje; het zal zich wel schikken. Maar ik moet dadelijk na het eten +weder weg; Rosine heeft mij met geweld de deur uitgejaagd." + +"Kom, dominé," zeide de gastheer hartelijk, en hief zijn glas op, +"dat het spoedig bij u aan huis beter worde, en alle angst te vergeefs +geweest zij!" + +"God geve het!" Het ernstige gelaat van den leeraar klaarde weder op; +"maar genoeg daarover," sprak hij, zich geweld aandoende, "ik wil uwe +feestvreugde niet bederven. Kom, Liesje! lach eens weder. Gij zaagt +er straks zoo gelukkig uit. Wat hebt gij toch met Nelly uitgevoerd? Uw +gezicht was louter lust en vreugde." + +Liesje kleurde als een roode roos. + +"Nu, daar boven zal het er wel niet zoo schitterend uitzien," merkte +de heer Erving aan. + +"Ach ja, daar hebben ze ook een bitter kruis te dragen--dat is waar," +zuchtte de predikant; "kleine kinderen, kleine zorgen, groote kinderen, +groote zorgen! Zoo gaat het in de wereld." + +"O ja!" sprak de oude vrouw, "een beetje vertrouwen op God behoort +daar ook toe; voor den jongen, voor Army, heb ik geen zorg; zulk een +frisch, jong gemoed laat zich door zoo'n beetje valsche liefde niet +neerdrukken; liefdesmart doet nieuwe liefde ontluiken; die zal wel +spoedig een ander liefje hebben." + +"O, dat is bijzaak, tante, maar die andere treurige omstandigheden +nog, en--" + +Flap! daar was de deur geopend en het jonge meisje verdwenen; en daar +zaten de achterblijvenden elkander met stomme verbazing aan te zien. + + + + + +Veertiende Hoofdstuk. + + +De predikant was vertrokken zonder het meisje te hebben weergezien; +men had haar geroepen, maar geen antwoord ontvangen. + +Tante zocht haar Lise overal. In de woonkamer was zij niet, ook niet +in de kamer waar de Kerstboom stond, en nu opende zij voorzichtig +de deur van Liesjes kamertje; het was er donker, maar bij het raam +stond een slanke gedaante, die onbeweeglijk naar buiten staarde. + +"Lise!" riep de oude vrouw zacht. + +"Tante!" klonk het met een onderdrukte stem. + +"Zeg, kind, wat scheelt u toch? Gij hebt toch geen hoofdpijn, gij +zijt toch niet ziek?" + +Als eenig antwoord werden twee meisjesarmen om haar heen geslagen; +een gloeiend gelaat verborg zich aan haren hals en deed niets anders +hooren dan een onderdrukt snikken. + +"Kind, Liesje, wat scheelt er aan?" vroeg de oude vrouw verschrikt, +"heeft iemand u kwaad gedaan?" + +Zij schudde het hoofd. + +"Wat is het dan, mijn hartediefje?" en zij trok de wederstrevende +naar de sofa, en ging naast haar zitten. + +"Och tante, liefste, beste tante--" + +"Wat dan, mijn liefje? Nu? Gij lacht immers al weer, dwaas ding? Wat +moet dat beteekenen?" + +"Och, ik zou kunnen lachen en schreien en--ik weet niet wat al," +fluisterde zij; "doe de oogen toe, tante! ik wil u zeggen waarom--och, +ik ben zoo bang voor u--" + +"Bang voor mij? Ja, dat begrijp ik; daar zijt gij juist de rechte voor; +nu--wat hebt gij gedaan?" + +"Ik--ik--ben verloofd tante," stamelde zij; "hebt gij dat niet +duidelijk genoeg aan mij kunnen zien?" + +"Verloofd? Kind!" + +"Ik ben zoo gelukkig, o zoo gelukkig--Army--" + +"Army!" zeide de oude vrouw verbaasd en klappertandde van +schrik. "Army? gij zijne verloofde?" herhaalde zij dof, "het is +dus zoo!" + +"Tante hebt gij geen vriendelijk woord voor mij? Wij hebben elkander +zoo lief, o zoo lief!" + +"Lief? Heeft hij u lief?" + +"Maar tante, hoe kunt gij zoo iets vragen? Zou hij mij dan tot zijne +bruid willen maken?" + +"Barmhartige Hemel!" kreet het in de ziel der oude vrouw; "dat arme, +dwaze kind! Zij waant zich bemind, en hij--hij wil alleen haar geld, +om zich te redden." En in stillen angst drukte zij Liesjes brandend +heete hand in hare ijskoude; was het niet eveneens, als toen Lisette +haar hare eerste liefde toevertrouwde? + +"Bedenk eens, tante, ik kan zijn leven weder opvroolijken; om +mijnentwille zal hij het weer leeren liefhebben! Is dat niet +heerlijk? En _ik_ zou dat kunnen, tante; zou dat werkelijk waar +zijn? O, tante! daar buiten, onder den ouden, besneeuwden lindeboom, +waar ik voor drie jaar afscheid van hem nam, daar heeft hij mij +gevraagd. En--nietwaar, gij zult het vader en moeder zeggen? Ik +bestierf het van--ja van schaamte, als ik hun bekennen moest, dat ik +een vreemden man liefheb; ik kan het niet--toe, doe gij het toch! Ik +had het u nooit durven zeggen; als het hier niet zoo donker geweest +was--tante, spreek toch, en geef mij een enkelen kus--" + +"Lisette--Lisette--waart gij het dan niet, die daareven fluisterde? Is +dit het geluk, dat ik elken morgen en avond voor dat kind van God heb +afgebeden? Heeft zij niet iets duizendmaal beters verdiend, dan dit +lot?" Eenige oogenblikken zat zij, stom van smart. "Liesje," sprak +zij eindelijk somber, "gij weet niet, wat gij gedaan hebt; gij weet +niet, wat u wacht, als deze onzalige--wees niet boos, maar ik _moet_ +zoo spreken--als deze onzalige verloving tot stand komt. Gij kent de +oude barones niet, zooals ik haar ken; zij is erger dan een duivel. Zij +zal u ongelukkig maken, evenals mijn arme Lisette, wier dood zij op +haar geweten heeft; en ik zou mij zelf beschuldigen, zoo ik u niet +gewaarschuwd had, nu het nog tijd is, en niemand van uwe liefde weet, +dan gij beiden en ik. Houd u stil!" vermaande zij, toen Lise poogde +haar in de rede te vallen--"doe het, ter wille van uw oude tante en +van u zelve! Wat ik u vertellen wil, smaakt bitter, maar het is een +geneesmiddel, en God geve, dat gij het inneemt en het u geneze!--Het is +Lisettes geschiedenis, die ik u moet vertellen.--Gij weet nog wel, dat +ik het van 't voorjaar wilde doen, omdat ik uwe liefde zag aankomen, +maar het wilde mij toen niet over de lippen--had ik het maar gedaan!" + +Het jonge meisje zette zich zwijgend aan hare voeten neder; geen woord +liet vermoeden, welk eene huivering haar jeugdig hart doortrilde, +alsof plotseling een ijskoude wind de lachende lente had ontbladerd. + +"Baron Frits dan," begon de oude vrouw met doffe stem, "de broeder +van Army's en Nelly's grootvader, was Lisettes verloofde; zij hadden +elkander in stilte het jawoord gegeven, niemand buiten mij wist er +iets van. Baron Frits wilde eerst na zijne meerderjarigheid aanzoek +doen bij Lisettes ouders, en met zijn broeder spreken; dan zouden +zij een landgoed koopen. Het was een schoon en gelukkig paar, Lise; +en zij hadden elkander zoo innig lief, dat het een lust was hen samen +te zien daar beneden, in het oude zomerhuisje aan het water. Baron +Frits lag als huzaren-officier in een naburig stadje in garnizoen; +hij kwam dikwijls over en tegen den tijd, dat hij komen moest, +stond Lisette boven in haar kamertje aan het raam, en zag naar den +toren aan den overkant, en dan brandde daar al spoedig een licht ten +teeken dat hij kwam. Dan juichte zij van blijdschap, sloeg de handen +samen en ging hem een eind in het bosch tegemoet. En vervolgens--'t +was een zomeravond--deed de schoone vrouw van zijn broeder, Nelly's +grootmoeder, hare intrede in het oude slot. Lisette en ik waren +heengegaan om haar te zien; het geheele slot was verlicht en de +dienstboden wachtten met groote fakkels onder aan den voet van het +bordes; ook baron Frits stond daar met zijn oude moeder, toen het +jonge paar aankwam. Nu, dat moet gezegd worden: schoon was de jonge +vrouw; maar trots sprak uit haar houding, uit het bleeke gelaat, en +blonk uit de groote, zwarte oogen. Lisette was doodsbleek geworden, +toen zij haar aanzag. + +"Die wordt nooit mijne vriendin, Marie," sprak zij tot mij. + +En zij sprak waarheid. God weet, waar de jonge vrouw vernomen had, +dat baron Frits Lisette liefhad, en wie haar het duivelsche plan heeft +ingeblazen, die twee van elkander te scheiden. Ik weet alleen dit, +dat het haar gelukte. En hoe--ja, hoe is het haar gelukt! + +Het was herfst en in den jachttijd; het slot was vol gasten; men +kon duidelijk het jachtgeschreeuw door de bosschen hooren weergalmen; +telken avond waren de vensters van het slot helder verlicht; daar boven +begon het wilde leven, dat de burchtvrouw zoo beminde en waardoor +zij de geheele familie tot den bedelstaf bracht. Baron Frits nam +afscheid van Lisette; hij zou in langen tijd niet wederkomen en zij +gaf hem een klein gouden hartje, dat zij altijd op hare borst droeg; +ik hoor haar nog zeggen: "dáár, mijn schat! doe mijn haarlok er in en +denk aan mij!" Zie Liesje, dit gouden hart was Lisettes dood. Maar +luister verder! Baron Frits vertrok en er verliepen veertien dagen; +schrijven konden de beide gelieven elkander niet, want dan was +alles aan het licht gekomen; in dien tijd deed men ook niet zooveel +aan het schrijven als tegenwoordig; zij dachten echter des te meer +aan elkaar; dat zou nu wel eens omgekeerd het geval kunnen zijn. Nu +dan, Frits was vertrokken en Lisette stond elken avond uit gewoonte +aan het venster naar het torenkamertje te zien, want dáár logeerde +Frits altijd, als hij tehuis was. Maar het bleef elken avond duister; +het kon immers ook niet anders, want hij kon niet dan na verloop van +vier weken terugkomen, en daarvan waren nog slechts veertien dagen +verloopen. Daar op een avond, terwijl ik met mijn breikous wat bij +haar zit te praten, vliegt zij in eens op mij toe en roept: "Daar +is hij; er is licht in den toren;" en waarlijk, het boogvenster aan +den overkant was verlicht. Zij sloeg niet eens een doek om, toen zij +naar buiten vloog. Na eenigen tijd keerde zij terug. "Hij kwam niet," +zei zij, "wat zou dat beduiden?" Ik schudde het hoofd. "Nu, wacht +Lisette! Ik zal het Christiaan morgen vragen." Maar wie niet kwam, +was Christiaan, en des middags bracht een jongen mij de boodschap, +dat ik niet op hem moest wachten, want dat hij voor zijn heer op reis +was gegaan, om een nieuw paard voor mevrouw de barones te halen. + +Lisette verkeerde in een onbeschrijfelijke onrust. Zoodra het begon +te schemeren, stond zij aan het venster, en weder zag men het licht +daarboven. Nogmaals ging zij naar buiten, en kwam bleek terug; weenend +wierp zij zich op de sofa. God weet, zij had zeker al een voorgevoel +van wat haar wachtte, want zij wilde naar geen troost luisteren. "Hij +is tehuis en komt niet, hij bemint mij niet meer," snikte zij, "o, +ik sterf, als dat waar is." + +Op den derden avond dezelfde geschiedenis; Lisette zag zoo wit als +de muur. Daarna bleef het donker in het torenkamertje.--Ongeveer vier +dagen later zaten wij, Lisette en ik, voor de huisdeur ons te koesteren +in de middagzon en plukten lijsters; zij zag de veertjes na, die in de +lucht opvlogen, en zuchtte telkens. Daar kwam een meisje aan langs het +molenpad; eerst herkenden wij haar niet, want haar nieuwe roode rok +met zwarte streepen verblindde ons de oogen; eindelijk zei Lisette: +"dat is immers de wilde Francis, wat moet die hier?" Ja, zij was het, +en zij kwam regelrecht naar ons toehuppelen op haar sierlijke voetjes, +die in kleine, lage schoenen met kruisbanden en sneeuwwitte kousen +staken. Zij droeg een zwart jakje, en twee lange, zwarte vlechten +hingen haar op den rug; het kind met de vlammende oogen en den kleinen +neus, zag met geveinsde vriendelijkheid Lisette aan. Nu moet gij weten, +Lise, dat Francis met ons tegelijk was aangenomen; een wilder kind +was er niet. Zigeuners hadden haar eens op het kerkhof laten liggen, +toen zij pas acht dagen oud was; zij werd in het armenhuis groot +gebracht. Zij was altijd een lui, lichtzinnig schepsel, tot ergernis +van het geheele dorp; zij viel echter in den smaak der barones, toen +zij eens met een korfje aardbeien op het slot kwam. "Zij herinnerde +haar aan haar vaderland," meende de barones; zoo kwam Francis in +dienst bij de genadige vrouw, en ging sedert zoo opgeschikt gekleed, +alsof zij alleen in de wereld was om zich op te drillen. + +Wij hoorden echter al spoedig, dat zij nog altijd de wilde Francis +was; er kwamen veel vreemde heeren op het slot en schoon was Francis, +veel te schoon; zeker had zij wel een braven man gevonden, die +haar in alle eer en deugd had mogen kussen, maar zij was bovenmate +lichtzinnig en--Goddank! tucht en eerbaarheid worden bij ons nog in +waarde gehouden. + +Zij naderde ons; in de kleine ooren hingen groote, gouden ringen; +ook had zij een ring aan de hand, waarmede zij zoo in 't oogloopend +over haar sneeuwwitte voorschoot streek. + +"Goeden dag!" riep zij ons tegen, waarop Lisette antwoordde: "goeden +dag! wat hebt gij ons te vertellen, Francis?" + +"Wel, ik zag de juffer hier zitten en wilde eens zien hoe het u +ging. Gij behoeft u voor mij niet te schamen; wij zijn immers te +zamen als lidmaten bevestigd--of zijt gij misschien trotsch geworden?" + +"Neen," antwoordde Lisette, "ik ben niet trotsch, maar gij komt hier +nooit zonder bedoeling--zeg mij dus wat gij wilt!" + +"Niets, mijn beste!" zeide zij en toonde zich beleedigd; "gij behoeft +u voor mij niet te schamen; bedelen doe ik niet meer; ik heb alles +in overvloed;" zij lachte daarbij zoo, dat haar witte tanden te zien +kwamen, en draaide in de rondte, dat de roode rok en de vlechten +omhoog vlogen. "Gij ziet zoo bleek," zeide zij opeens en zag Lisette +strak aan, "hebt gij verdriet van uw liefste, zeg?" + +Lisette werd bloedrood. "Wat gaat het u aan, hoe ik er +uitzie?" antwoordde zij kortaf en stond zóó snel op, dat de fijne +veeren uit haar voorschoot in de rondte stoven. Eensklaps zag ik, dat +hare oogen op iets staarden; dat zij doodsbleek met de hand naar haar +hart voelde en op de bank nederviel; en toen mijne blikken de hare +volgden, toen vielen zij op een klein gouden hart, dat uit Francis' +halsdoek te voorschijn kwam. + +"Almachtige God!" riep Lisette, en stond met één sprong naast Francis; +zij greep haar bij den schouder en vroeg met eene stem, die mij door +merg en been ging--zoo veel zielsangst lag er in--"waar hebt gij dat +hart van daan, Francis?" + +Liesje hing in gespannen verwachting, bijna ademloos, aan de lippen +der verhaalster. + +"Een oogenblik van stilte volgde," ging tante na een korte pauze voort; +"gij hadt het moeten hooren. Lise, hoe angstig Lisette herhaalde: + +"Waar hebt gij dat gouden hart van daan, Francis?" Het was alsof zij +Francis de woorden uit de keel wilde halen; deze zag haar, het hoofd +in den nek, met fonkelende oogen aan; zij stond met de armen over +elkander geslagen, ter wijl een spotachtige lach om haar mond zweefde. + +"Wat kan u dat schelen?" vroeg zij, en wilde zich losrukken. + +"Wat mij dat schelen kan? Heilige God, zij vraagt dat nog! Marie, +help mij toch!" riep Lisette, "ik moet het weer hebben; het is het +mijne immers--neen, het zijne, ik heb het hem immers gegeven." + +Ik naderde, stijf van schrik. "Geef dat ding hier, Francis," zeide +ik. "Zeg, hebt gij het gevonden?" + +"Wat meent gij wel?" riep zij, en schudde Liesjes hand af, die zwaar op +haar schouder lag; "het verwondert mij, dat gij niet zegt, dat ik het +gestolen heb. Het is mijn eigendom; ik laat het mij slechts ontnemen +door hem, die het mij gegeven heeft; en nu, raak mij niet aan! Het +is u zeker nog niet ontgaan, dat ik krabben kan." Zij trad terug en +balde hare vuisten; toen draaide zij zich om en wilde heengaan. + +"Halt!" riep Lisette, en vatte haar weder bij den arm, "ik vraag u, +in 's Hemels naam: _Wie_ gaf u dat hart?" Zij stond recht op voor +het meisje en hield haar als bezwerend de hand voor--zij sidderde +heftig. _Dat_ oogenblik vergeet ik nooit, Lise. Ik wilde naar haar toe +om haar te steunen, maar ik moest staan blijven om haar aan te zien, +zóó schoon was zij; door de ontbladerde takken van den lindeboom viel +een zonnestraal op haar bruine lokken en omgaf haar hoofd als met den +stralenkrans eener heilige; als een heiligen-beeld stond zij daar; +als een engel voor eene verlorene. + +Francis was doodsbleek geworden, toen zij de oogen van Lisette +ontmoette; op eens rukte zij zich los en vroeg: "Waarom wilt gij dat +weten? Heb ik u ooit gevraagd, wie u dien gouden ring gaf, dien gij +daar straks in den tuin zoo vurig gekust hebt? Ja, ja, ik heb het +wel gezien," lachte zij, "kan ik ook niet in 't geheim een liefste +hebben? Denkt gij, omdat gij de schoone Lisette van den lompenmolenaar +zijt, dat niemand zin heeft aan de wilde Francis? Vaarwel, Lisette, +en sta niet zoo verwonderd te kijken! Ik zeg niets meer, hoor!"--Zij +lachte spotachtig, en vloog zoo hard het pad langs, dat we bijna +niets zagen dan haar roode rok. Lisette stond bleek en stijf haar na +te staren en toen ik haar naderde en troosten wilde, stiet zij mij +driftig terug en ijlde naar haar kamer. Ik wist niet wat te doen, kind; +of ik haar volgen zou of niet; het hart klopte mij, of het barsten +moest en terwijl ik daar nog stond, kwam Lisettes moeder, die mij +eene boodschap opdroeg, en knorde omdat de veeren zoo verspreid over +den grond lagen. Ik deed wat zij mij beval, maar de tranen kwamen mij +telkens in de oogen om de arme Lisette en haar verdriet--wie zou dat +gedacht hebben? Zou het werkelijk waar zijn, dat hij het aandenken van +zijne liefste aan die lichtvaardige deerne geschonken had? Maar, hoe +zou zij er anders aan komen? En daarbij, het licht had drie avonden +achter elkander gebrand in de torenkamer! Och Heer! dacht ik, wat +zal er nu gebeuren? Zoodra ik kon, liep ik naar boven naar Lisette; +zij stond aan het raam en keek naar de overzijde, naar het slot; en +toen ik mijn arm om haar heen wilde slaan, sprak zij heel zacht: "Het +is genoeg, Marietje! Waarmede zoudt gij mij ook kunnen troosten? Ga +maar naar beneden, ga maar! ik zal mij wel alleen redden." + +Ik ging hoofdschuddend weg; ik kon door mijn tranen niet spreken, maar +juist toen ik de deur wilde dicht doen, gaf zij een vreeselijken gil, +zoodat ik verschrikt terug liep; al hare leden beefden als van hevige +kramp; toen zonk zij ineen op den vloer. Ik wilde haar optillen, +maar zij lag zwaar als een doode in mijne armen; en daar kwam haar +moeder ook reeds de trappen op, en-- + +Wat er volgde, kind, hoe zal ik het u schetsen? Het is mij zelf nog als +een sombere, nare droom. Lisette was zwaar ziek geworden; de dokter +gaf alle hoop op; dag en nacht zat ik aan haar bed te luisteren +naar de angstige fantasieën, waarin zij zich zoo gemoedelijk met +den geliefde onderhield, dat mij het hart bijna brak van smart en +weemoed; hare moeder vernam eerst door het koortsachtige ijlen het +geluk en de smart van haar kind--ik moest haar alles vertellen. Zij +wierp een langen, bekommerden blik op het liefelijke wezen, dat zoo +ruw uit haar hemel werd gesleurd; haar vader vloekte den meineedige, +maar haar broeder zeide: + +"Daar steekt een duivelsch schelmstuk achter; ik ken Frits; er is +geen valsch haar aan hem." + +"Och kind, wat is hier in dat kleine kamertje al gebeden en geweend in +die dagen! Wij hebben ons de handen stuk gewrongen om dat jonge leven; +maar de lieve God laat zich door geen menschen zijn tijd bepalen; +en op den negenden dag, juist toen het avondrood gloeiend wegstierf, +viel het schijnsel op een bleek gelaat en de blauwe oogen waren voor +altijd gesloten.--Zij lag daar zoo vreedzaam, zoo stil, zoo geheel +bevrijd van alle harteleed; maar ik heb daarboven gejammerd van +overgroote smart en droefheid--" + +De oude vrouw zweeg en droogde hare oogen af. Liesje had het hoofd +in den schoot harer tante verborgen, ook zij snikte zacht. + +"Dienzelfden avond," vervolgde Marie eindelijk, "dat Lisette gestorven +was, liep ik in den tuin, juist toen in het dorp de doodsklok voor +haar luidde; want ik had nergens rust noch duur; en terwijl ik daar +zoo stond, flikkerde op eens een licht in den toren. Ik verschrikte; +eensklaps vloeiden mijne tranen opnieuw, want zij, die daar nu +zoo stil ter neder lag, kon het niet meer zien--ik leunde tegen +den muur en weende bitter. Van binnen in de woonkamer hoorde ik +den molenaar rusteloos heen en weer loopen--daartusschen het bange +snikken der moeder en de troostende woorden des zoons; dan was alles +weer doodstil. Ieder geluid zweeg; de molenraderen stonden reeds den +geheelen dag stil, en knechten en meiden liepen en fluisterden zoo +zacht, alsof zij bang waren Lisettes rust te storen. + +Op eens hoorde ik iemand van boven afkomen, een vaste mannelijke +tred--mijn Christiaan, dacht ik; maar op hetzelfde oogenblik begon +op het molenpad een flinke stem een zacht lied te zingen--het ging +mij door merg en been--Heer in den hemel! dat was de stem van baron +Frits! En vóór ik er om dacht, want ik stond versteend van schrik, was +hij reeds in huis gegaan, en toen ik hem naliep, had hij de kamerdeur +reeds geopend en stond tegenover den molenaar; zijn gelukkig gezicht +en zijn fonkelende oogen zochten in alle hoeken naar Lisette. + +De vrouw viel met een gil op haar stoel achterover, toen zij hem +gewaar werd; de molenaar echter wierp zich op hem, en met den +uitroep: "Vervloekte schurk, komt gij mij nog in mijne droefheid +bespotten?" trok hij hem de kamer binnen. + +De molenaar was een driftig man; maar Lisettes broeder kwam +tusschenbeiden en sprak: + +"Vraag hem eerst, of hij schuldig is, vader!" + +De oude man ging voor hem staan en riep: + +"Lisette! gij zoekt zeker Lisette, mijnheer de baron? Boven ligt zij; +ga daar heen en zie haar aan!" + +Toen, door smart overstelpt, bedekte hij zijn gelaat met de handen. + +"Kom Frits!" sprak onze jongeheer, en voerde den verschrikte in de +andere kamer, "kom mede! Ik zal u alles vertellen; al de droefheid +die over ons gekomen is." Hij sloot de deur, en ik bleef alleen bij +de treurende ouders. + +In de andere kamer hoorde men niets, dan een smartelijk gekreun--dat +was alles; in eindeloozen angst gingen de minuten voorbij. Ik zat +voor het raam en keek in het donker; op eens ontstelde ik vreeselijk, +want daar buiten vertoonde zich dicht tegen de ruiten een gezicht, +dat met twee groote, donkere oogen, waaruit angst en ontzetting +spraken, naar binnen keek; toen wenkte mij een hand en het gezicht +was verdwenen. Ik had het herkend--het was de wilde Francis. + +"God behoede ons!" dacht ik, "wat wil die nu weer?" Ik ging echter +zacht naar buiten; daar stond zij en klemde zich met beide handen +vast aan de posten der huisdeur; het flauwe licht viel door het +venster der woonkamer op een door angst verwrongen gelaat, terwijl het +loshangende zwarte haar het verschrikkelijke harer verschijning nog +vermeerderde. Zij beefde zóó, dat zij haast niet staan kon blijven, +en toen ik haar vragend en verwonderd aanzag, bewogen zich hare bleeke +lippen, zonder eenig geluid te geven. + +"Lisette--" vroeg zij toen, met doffe stem, "is het waar, wat de +menschen zeggen, dat er straks voor haar geluid is?" + +"Zij ligt boven, in den eeuwigen slaap," antwoordde ik. + +"Heilige God!" gilde het meisje, "is het waar, is het werkelijk waar?" + +Op dit oogenblik kwam baron Frits door de zijdeur; onze jongeheer, +die het licht droeg, volgde hem. Hij was bleek als de dood; zijne +oogen gloeiden hem in het hoofd; hij was blijkbaar voornemens naar +boven te gaan, waar de doode lag. Zijn blik viel op de ter aarde +gebogen gestalte, en haar herkennende bleef hij staan. + +"_Háár_ zou ik het aandenken mijner bruid gegeven hebben?" sprak hij +schrikbarend kalm, terwijl zijne oogen diepe verachting uitdrukten; +"gelooft gij dat, Frederik? Spreek, schepsel," vervolgde hij met +bevende stem. "Gij hebt het gouden hart gestolen, dat ik even voor +mijn vertrek vermiste!" + +Het meisje hief de handen tot hem op. "Neen, o neen, heer baron--" + +"Wilt gij bekennen, nietswaardige deerne!" riep hij en hief zijn +rijzweep, die hij in de hand hield, op, om haar te slaan. + +"Sla toe, heer," riep zij, "ik verdien het, maar bij den eeuwigen +God! ik heb het niet gestolen! Men heeft het mij gegeven, zoo waar +als ik hier lig; ik zou het nooit voor de grap om gedaan hebben, +had ik geweten, waar het op uit loopen zou." + +Baron Frits liet den opgeheven arm zinken. "Weg met u!" en hij wees +haar de deur; "gij moogt wel het allerminste de rust hier in het +klaaghuis storen; ik zal u vinden." + +Zij stond op. "Erbarming, heer!" smeekte zij, "vergeef mij; ik ben +een dom, ijdel ding, maar slecht ben ik niet--och! mijnheer de baron, +ik zou gaarne willen sterven, als ik Lisette weder in het leven kon +terugroepen." + +Zij zag er zoo jammerlijk, zoo terneergeslagen uit, zooals zij voor +hem stond, met de roodgeweende, donkere oogen en gevouwen handen, dat +onze jongeheer baron Frits verzocht: "vraag haar, wie haar gelastte, +het kleine hart voor de grap om te hangen! Misschien zegt zij het." + +"Wie heeft u bevolen, het gouden hart om te hangen?" herhaalde de +baron werktuigelijk, en in zijne oogen blonk het op eens als een +voorgevoel van iets vreeselijks. + +"Zeg het, Francis," sprak onze jongeheer haar zacht toe, "als gij wilt, +dat wij gelooven zullen, dat gij werkelijk niets kwaads in den zin had, +toen gij--" + +"Neen, waarachtig!" kreet zij, "ik heb niets kwaads bedoeld; ik +wilde alleen maar Lisette eens ergeren, omdat zij altijd zoo trotsch +jegens mij was; ik kon haar geen kwaad er mede doen, en daarom was +ik aanstonds bereid, toen zij mij zeide, ik moest--Neen, ik verraad +het niet; ik durf het niet doen--" + +Haar gansche lichaam beefde. + +"Ga!" zeide baron Frits plotseling, "nu wil ik het niet meer weten; er +is een schurkenstreek uitgevoerd, een duivelachtigen schurkenstreek." + +Hij wees naar buiten, en het meisje ging snikkend heen in den +donkeren nacht; ik trad voor de deur, om haar na te zien, ik kon +nog even hare gestalte op den weg onderscheiden; toen verdween zij +in de duisternis. Het was een sombere nacht geworden, het huilde en +gierde door de lucht de hemel was betrokken, geen enkele ster was er +meer te zien en de takken der oude linden kraakten en bogen onder de +harde windvlagen; het was recht huiveringwekkend daarbuiten, en toch +bleef ik staan. Als er zoo plotseling een storm opkomt--zegt men bij +ons te lande--dan heeft een radeloos menschenkind zich zelven het +leven benomen en men bidt voor de arme ziel, hoewel men niet weet, +wie het is; ik vouwde ook mijne handen tot een gebed, toen het mij +als lood op 't hart viel. Heer in den hemel! als Francis eens--? Op +het eerste oogenblik wilde ik haar achterna; toen bleef ik staan--waar +zou ik haar zoeken? + + + +Binnen in de kamer was de molenaar zijne rustelooze wandeling weder +begonnen; daar tusschen klonk weder het snikken der moeder en de +troostende woorden van den zoon, maar waar was baron Frits? Nog +altijd bij het bed der doode? Boven in het dorp sloeg het tien uur; +ik hoorde schreden de trappen afkomen, langzaam en slepend, als van +een oud man. Ik zag in de gang--daar stond hij tegen de trapleuning; +doodsbleek en nauwelijks herkenbaar was het schoone, levenslustige +gelaat. Hij zag nog eens naar boven en wendde zijne schreden toen +naar de deur der woonkamer; toen hij er vóór stond, kromp hij ineen, +keerde zich haastig om en ging mij voorbij, zonder mij te zien; hij +ging naar buiten in den duisteren nacht, als een arm, geheel verslagen +man. Het was de laatste maal dat ik hem zag; hij moet daarna een +woest, dolzinnig leven geleid hebben--hoe zou hij daar ginder bij die +menschen hebben kunnen treuren! Op Derenberg is hij nooit meer geweest; +nu zal hij wel lang dood zijn. Moge God hem een zachte rust schenken! + +De wilde Francis was ook verdwenen; niemand wist waar zij gebleven +was. Op het slot en in het dorp zeiden zij, de jonge baron was met +haar weggeloopen, en toen heb ik nog eenmaal getwijfeld aan zijne +trouw. Maar toen Lisette begraven was, ging ik tegen den avond met +mijn Christiaan naar het kerkhof, en toen ik bij het versche graf +stond te weenen en al de kransen terecht schikte, die de menschen +er opgelegd hadden, sprak Christiaan: "Zie Marie, het is alsof daar +een brief ligt;" en jawel, er was een steentje opgelegd, om het +wegwaaien te voorkomen; toen ik hem opende, stond er met groote, +ongeregelde letters: + + + "Het is niet waar, wat zij zeggen; hij heeft mij zelfs nooit + aangezien; ik weet niet waar hij is, en hij niet waar ik + ben. Mij ziet niemand uwer ooit weer--denk niet te slecht + over mij! Het gouden hart had ik omgehangen, dewijl mijne + meesteres het mij bevolen had; zij zeide mij, dat het slechts + eene grap met Lisette was. Sanna was er bij--gij kunt het + haar navragen. God moge het mij vergeven; ik heb zoo iets + kwaads nooit willen doen. + + Franciska." + + +Zoo heeft zij daar boven gehandeld, om te voorkomen dat Lisette van +den lompenmolenaar in haar trotsche familie zou komen, en--kind--" +de oude vrouw liefkoosde het aan hare voeten gezeten meisje--"gij, +onze eenigste--doe u en ons dat niet aan! Geef haar geene gelegenheid +om weder zulk een duivelswerk uit te voeren! Zij zal het doen--reken +daar zeker op!--Zij haat ons hier in den molen, omdat, sedert Lisette's +dood, haar kwaad geweten haar kwelt. Zie, mijn arm hartediefje, hoe +bitter het mij om u spijt, ik kan u maar één raad geven: vergeet, +wat gij heden hebt ondervonden!" + +"Ik kan het niet, tante," viel haar het jonge meisje droevig maar +vastberaden in de rede; zij rees eensklaps op en stond in fiere +houding voor de oude vrouw. "De geschiedenis van tante Lisette is +treurig. Maar ik heb Army de belofte gedaan, dat ik hem redden zal, +en die moet ik houden. En als ik hem de geschiedenis van tante Lisette +verteld zal hebben, dan is hij gewaarschuwd. Heb medelijden, tante, +en tracht mij niet tegen te houden!" voegde zij er bij, opnieuw voor +haar op de knieën vallende,--"wij hebben elkander zoo lief, zoo innig +lief--help ons, om gelukkig te worden! Zeg het vader en moeder, en +spreek met hen--niet waar, gij doet het, liefste, beste tante, niet +waar?" En de vochtige oogen van het ontroerde meisje zagen smeekend +tot haar op, en zij voelde, dat twee teedere handen de hare grepen +en angstig vasthielden. + +"Mijn God!" weerklonk het in het hart der oude vrouw, "het heeft niets +geholpen; het is de oude liefde, die nooit wijs wordt dan door eigen +schade. En hij heeft haar toch niet lief; het is niet waar; had ik den +moed maar haar dat te zeggen!--en Frederik zal het nooit toestaan--" + +"Wilt gij met mijne ouders spreken, tante?" fluisterde zij weemoedig +en liefkoozend. + +"Ja, mijn hartedief! Ik zie het wel, er is niets aan te doen--maar +ga nu rustig slapen! Morgen, morgen--" + +"Neen, van avond, nu nog! Morgen komt hij immers," smeekte zij; "vader +kan van nacht overleggen wat hij hem zeggen zal--ik bid u, tante!" + +"Gij hebt gelijk mijn kind; het is beter dadelijk," stemde de oude +vrouw toe; "laat mij opstaan! Ik ga naar beneden, slaap gij echter +gerust! Morgen ochtend verneemt gij tijdig genoeg wat zij zeggen, +mijn lieveling!" + +"Hoe zou ik kunnen slapen, tante!" riep zij opstaande en legde de +kleine, bevende hand op den schouder der oude vrouw. + +Deze antwoordde niet, maar ging haastig de deur uit. Liesje volgde +haar door de donkere voorkamer en boog zich over de trapleuning; daar +ging zij de breede wenteltrap af, maar hoe langzaam liep zij! De oude +voeten konden anders zoo vlug trippelen; nu kwamen zij haast niet van +steê; langzaam--stap voor stap ging het; de trappen kraakten onder +haar zware voetstappen en hare handen hielden zich zoo stijf aan de +leuning vast--nu verdween zij uit het gezicht, en Liesje hoorde haar +slepende schreden in de gang, en nu--dat was de deur der huiskamer; +nu stond zij voor vader en moeder. + +"Zou men hen hier boven kunnen verstaan? Wat zouden zij zeggen?" + +Ademloos stond zij over de leuning van de trap gebogen; geen geluid +drong tot haar door--alleen hoorde zij een paar maal Doortje's stem, +die zacht een liedje zong, en het rinkelen van borden, lepels en +vorken in de keuken; toen was het weder stil. + +"Maar hoor--dat was vader; zou hij boos zijn? Hij sprak zoo luid; +en dat was tante." Liesjes's hart begon geweldig te kloppen. "Hoe te +doen, indien vader eens niet wil toegeven? Maar dat is onmogelijk, +zuiver onmogelijk; zij bemint Army immers." + +Welk een verward gepraat is dat nu daar beneden--nu hoort zij tante's +stem, die zoo bedarend klinkt, en nu weder haar vader--duidelijk +drong het tot haar door: + +"Neen, neen, duizend maal neen, zeg ik, en al ligt gij allen voor +mij op de knieën, ik weet zelf, wat mij te doen staat." + +Een oogenblik staarden de groote, blauwe oogen als wezenloos in +de ledige ruimte; toen vloog zij de trappen af, en stond onverwacht +midden in de kamer; een gloeiend rood en een doodelijk bleek wisselden +elkander op haar gelaat af. "Vader!" smeekte zij. + +Hij bleef staan en zag haar aan; op zijn breed, blank voorhoofd +vertoonde zich een kleine, blauwe ader; zij kende het wel, dat teeken +der hoogste opgewondenheid bij hem; zijne oogen vestigden zich als +bliksemstralen op haar. Tante zag diep neerslachtig, toen zij naar +het meisje ging: "Kom, Lise, ga naar boven!" + +"Neen, tante, laat mij! Ik wil weten, wat mijn vader zegt." + +"Wat uw vader zegt?" beet hij haar nu in het oor; "die zegt, dat gij +een dwaas, dom ding zijt, die te veel haar zin en vrijheid gehad heeft; +maar het verzuimde zal worden ingehaald--dat verzeker ik u!" + +"Dat wil zeggen, dat ik niet Army's verloofde zal worden, vader?" Zij +ging vlak voor hem staan en zag hem strak aan. + +"Neen, mijn kind, om uw eigen bestwil niet. Ik wil niet, dat mijne +dochter het slachtoffer eener speculatie worde." + +"Speculatie?" vroeg Liesje doodsbleek, "ik weet niet, wat gij daarmede +meent, vader! Gij gelooft misschien, dat Army mij niet bemint; het +is mogelijk; maar al heeft hij mij ook niet zóó lief, als ik _hem_, +dat mag bij mij niet in aanmerking komen; ik weet, dat het leven +eerst dan weer waarde voor hem krijgen zal, wanneer hij--" + +"Zijne schulden betaald heeft, mijn kind." + +"Tante!" wendde Liesje zich opgewonden tot de oude vrouw, "tante, +gelooft gij dat van Army? Toe, spreek dan toch; een enkel woord +slechts!" Zij sprak met zooveel overtuiging, dat de oude vrouw de +tranen in de oogen schoten. + +"Kom, kom, mijn Liesje!" fluisterde zij; "vader is boos en opgewonden; +morgen zal hij kalmer zijn." + +"Neen, neen, tante, gij moet het mijn vader zeggen, hoe gij er over +denkt; hij hecht zooveel aan uw oordeel." + +De oude vrouw stond verlegen; de tranen rolden haar over de gerimpelde +wangen, en hare handen grepen naar haar voorschoot. + +"Gelooft gij het ook, tante--?" kreet zij, zonder dat nog een traan +haar oog bevochtigde. + +"Vader, ik weet, dat het niet zoo is; het is niet mogelijk neen, +het is niet mogelijk--!" + +"Ik begrijp uwe smart, Liesje," sprak hij kalmer; "maar hoe kunt gij +zoo dwaas zijn aan een plotseling ontstane genegenheid te gelooven? Gij +zijt anders zoo'n verstandig meisje; zie, hij kent u reeds lang, en +toch stelde hij eene vreemde boven u; hij heeft er nooit aan gedacht u +te beminnen, of u te trouwen; het waren kinderspelen, die u eens tot +elkander brachten, anders niets; en nu, nu hij geen raad meer weet, +herinnert hij zich het kleine meisje, dat immers rijk is, en vraagt +hij hare hand, om zich te redden, en zij is zoo dwaas, dit voor liefde +te houden. Moet ik mij beroepen op uw gevoel van eigenwaarde, Liesje?" + +Zij antwoordde niet, maar zag haar vader bijna vertoornd aan. + +"Nelly's moeder is ook het slachtoffer van zulke berekening, mijn +kind! Hebt gij haar ooit beschouwd als iemand, die te benijden +is? Moet het voor haar niet een vernederend gevoel geweest zijn, te +weten, dat haar echtgenoot haar slechts als toegift bij haar vermogen +beschouwde? Omdat hij zijne vrouw niet beminde, leidde hij zulk een +wild, teugelloos leven, en toen haar geld verteerd was, schoot hij +zich dood. Is dat niet vreeselijk? Lise, mijn kind, zoudt gij willen, +dat ik u zoo te gronde liet gaan?" + +Liesje liet de gevouwen handen hangen; zij tastten naar de tafel, +bij welke zij stond; haar bleeke lippen bewogen zich tot spreken, +maar zij konden geen geluid voortbrengen. De kopjes op de tafel +rinkelden duidelijk, zoo beefden hare handen. + +"Lise, om Godswil!" riep tante, en omvatte haar met hare armen. + +"Ik dank u, vader," sprak Liesje op doffen toon, zich losmakende, +"ik--ik zal u gehoorzamen." Zij keerde zich om en ging langzaam naar +de deur; alles draaide voor hare oogen; zij hoorde nog de stem van +tante--toen viel de deur achter haar dicht. Zij wankelde de trap op, +maar moest zich aan de leuning vasthouden; eindelijk, eindelijk was +zij boven, op haar kamertje en viel op de sofa neer. + +Haar vader kwam boven, streelde haar de wangen en noemde haar +zijn goed, verstandig kind, dat nog eenmaal heel gelukkig zou +worden. Tante ging naast haar zitten en sprak nu en dan een woord +om haar te troosten. Liesje hoorde het alles aan, alsof het klanken +uit de verte waren; alleen dit ééne weerklonk luid en duidelijk +in hare ziel: "hij bemint mij niet; hij wil niet mij, maar mijn +geld--uit nood." Was het dan werkelijk pas een paar uren geleden, +dat zij onder den ouden lindeboom het hoofd aan zijne borst gelegd +en geluisterd had naar de woorden, die hij haar toefluisterde? Was +het niet reeds eene eeuwigheid geleden en lag er tusschen het _nu_ +en _toen_ niet een geheele zee van lijden en wee? + +Zij steunde luid en drukte de handen op het hart. Ach, haar +kortstondige zaligheid, haar zoete liefdedroom--voorbij, voorbij +voor eeuwig! Hare wangen gloeiden, toen zij er aan dacht, hoe zij +hem zoo vertrouwelijk bekend had, dat zij hem beminde; het was hem +immers onverschillig, dit moest het hem zijn; hij vroeg niet om hare +liefde, hij vroeg alleen haar geld. Waar zou zij zich voor aller +gezicht verbergen? Zij sloot de oogen en dacht aan het oogenblik, +dat hij komen en haar vader hem afwijzen zou. Dat schoone, trotsche +gelaat, hoe zou het er dan wel uitzien? "En dan zal hij gaan," dacht +zij. In den geest zag zij hem uit haars vaders kamer komen en door +de gang gaan, de hooge gestalte trotsch opgeheven; hij zal zich niet +omkeeren en naar hare vensters zien; hij zal gaan--gaan om elkander +nimmer weder te zien. Nimmer wederzien--een bitter, hard woord, +een woord dat onuitsprekelijke smart in zich sluit! + +"Och, tante," steunde zij in haar ellende, en de oude vrouw boog zich +tot haar. + +"Schrei maar goed uit, mijn hartediefje! dat zal u verlichten." + +"Och, was het maar eerst voorbij!" fluisterde zij. + +"Ook de moeilijkste uren gaan voorbij, als men maar bidden kan." + +"Ik kan niet bidden, tante, ik kan niet---" + +De nacht ging voorbij, en de dag brak aan, waarop hij met haar vader +wilde spreken. Op Liesje's gelaat lag een bijna onnatuurlijke kalmte; +alleen hare oogen gloeiden koortsachtig; zij nam al haar kleine +huishoudelijke plichten waar, ging toen naar hare kamer en nam een +boek; tante Marie kwam boven en begon vriendelijk met haar te praten +over onverschillige zaken; zij luisterde er naar en antwoordde er op; +toen ging de oude vrouw weder aan hare bezigheden. Onmerkbaar gingen +de wijzers der klok vooruit; nu stonden zij op elf uur--plotseling +bedekte een donker rood hare wangen; zij had zijn stap in den gang +herkend, en hoorde nu haars vaders stem. Zij maakte eene beweging, +als wilde zij naar de deur ijlen, maar zij sloeg de oogen weder op +haar boek; de bladeren trilden onder hare hand; zij legde het boek +op de tafel en boog er zich over heen. + +Werktuigelijk las zij zacht: + + + O! laat mij, vóór gij henen gaat + Op 't duist're pad van 't leven, + Vóór gij deez' droeve plek verlaat, + Nog eens mijn dank u geven! + + Moog' nooit, in slapeloozen nacht. + 't Verleden u bekoren! + De toekomst, die u tegenlacht, + Is reddeloos verloren! + + +"Is reddeloos verloren," herhaalde zij bijna luid. + + + "En hoeveel tijd ons hier ook wordt gegeven, + Nooit zullen gij en ik dien samen meer doorleven." + + +"Nooit meer!" Het boek viel op den vloer. Was het niet verkeerd van +haar, hem het leven door te laten gaan zonder haar steun? Zij had hem +kunnen redden van armoede en schande; het was toch Army, haar oude +speelkameraad; nog is het niet te laat, alles kan _nog_ te recht komen! + +Zij verliet de kamer; bij de trap bleef zij staan. + +"Ach neen," sprak zij--"ik vergat het immers; hij heeft mij _niet_ +lief." Weder moest zij haar eergevoel wakker schudden, dat door +liefde-tonen in slaap gesust was. Wat bleef hij lang bij haar +vader! Hoor, daar ging de deur--was dat Army? Zij boog zich over de +leuning; hij ging juist naar de voordeur--zij zag zijn donkere lokken +onder de muts te voorschijn komen; wat ging hij rechtop! Haar hart +klopte geweldig; de herinnering aan gisteren overweldigde haar in al +haar gloed en zaligheid; en nu, nu had hij de deurkruk in de hand; +wanneer de deur zich achter hem sloot, dan was alles voorbij--voor +altijd--reddeloos verloren. "Army!" riep zij op eens en vloog de +trappen af; maar daar sloeg juist de zware eikenhouten deur dreunend +dicht, zoodat het geluid door de hooge gang klonk. "Army!" herhaalde +zij nog eenmaal zacht en strekte de armen uit; heete tranen ontrolden +aan hare oogen en langzaam ging zij weder naar haar kamertje. Reddeloos +verloren! Hoe ledig, hoe naamloos ledig was de wereld haar geworden! + + + + + +Vijftiende Hoofdstuk. + + +De oude barones verbeidde in haar kamer ongeduldig de komst van +haar kleinzoon. Reeds driemaal had Sanna bij de dames beneden naar +hem gevraagd, en telkens was zij met het bericht bij hare meesteres +teruggekeerd, dat de luitenant nog niet van zijne wandeling terug was. + +"God sta mij bij!" klaagde de oude dame, "wat zal er van hem, wat van +ons worden? Daar gaat hij in alle kalmte wandelen, zonder er aan te +denken, hoe hij den val van het huis Derenberg kan verhinderen; van +mij heeft hij waarachtig geen droppel bloed in de aderen--_orribille!_" + +Zij zag naar buiten, naar het park, dat daar in doodsche, kille +winterpracht voor haar lag; de middagzon glinsterde op den ijzel der +boomen en op den besneeuwden grond. Een doodsche stilte en eenzaamheid +heerschten in het rond. Wijd en zijd geen levend wezen! Hoogstens een +paar hongerige vogels op de kale stammen! En zoo eenzaam en verlaten +was het nu sinds jaren reeds om dit oude slot. Onwillekeurig huiverde +zij. "Waarom?" vroeg zij zich zelve af; zij was er immers aan gewoon, +zoo vergeten te leven. Maar zij had in den laatsten tijd zoo veel +aan vroegere zorgelooze dagen gedacht; en nu zou zij dit zelfde +eentonige, wellicht nog ellendiger leven moeten blijven leiden, +indien de hertog van R. haar wensch niet vervulde! Neen, neen, dat +was immers onmogelijk. + +"Als hij niet--" zij balde de kleine vuist. "O die slang, die +Blanka!" fluisterde zij somber. Hare trekken helderden ook niet +op, toen op dit oogenblik het roode deurgordijn openging en Army +binnentrad. + +"Zijt gij waarlijk reeds terug van uwe wandeling?" vroeg zij spottend. + +"Ik was niet gaan wandelen," antwoordde hij schijnbaar kalm; maar de +oude dame had zijn bitteren toon opgemerkt en zag hem uitvorschend aan. + +"Niet? Waar waart gij dan? ik heb reeds drie- of viermaal naar +u laten vragen. Een onderhoud met mij was van vrij wat grooter +noodzakelijkheid dan dat, wat gij van plan waart. Maar het is nu +eenmaal niet anders; gij hebt het karakter uwer moeder; gij zijt ten +uiterste onverschillig." + +"Integendeel, grootmama--ik heb juist beproefd een uwer raadgevingen +op te volgen; maar de proef mislukte totaal." Hij streek zich met +den zakdoek over het verhitte gelaat, en wierp zijne muts op de tafel. + +"Wat?" vroeg zij, "ik begrijp u niet--een mijner raadgevingen?" + +"Zeker, ik wilde--ik heb zooeven gepoogd een rijk huwelijk te doen, +maar zooals ik zeg--" + +De barones deed een stap achteruit en staarde hem aan. + +"Gij zijt verbaasd, grootmama, dat is natuurlijk--ik verwonderde +mij nog van morgen vroeg, dat gij zelve niet op de gedachte gekomen +waart; nu merk ik trouwens, dat gij aan niets minder kondt denken, +dan aan een huwelijk tusschen mij en Liesje Erving." + +"Ik geloof, dat gij gek zijt, Army!" + +"Hoe dat zoo? Gij hebt mij zelve geraden, mij door een rijk huwelijk +te redden, en zij heeft geld genoeg, de kleine; naar uwe meening heb +ik niets anders noodig." + +"Daartoe geef ik nooit mijne toestemming," riep de oude dame buiten +zich zelve; "hoe komt gij op zulk eene gedachte? Dat onuitstaanbare +ding--uwe vrouw? Het schreit ten Hemel." + +"Ik zeide u immers, dat de proefneming mislukt is," stelde hij +gerust, met zijne vingers door zijn zwarten baard spelende. "Ik heb +een korf gekregen, grootmama, een zeer verstaanbare korf; ik verzoek +u nu echter niet meer over onverschilligheid te spreken." Uit zijne +woorden sprak diep gekrenkte eigenwaarde. + +"Een korf?" vroeg zij verwonderd en ongeloovig; "een korf zegt gij, +Army?" + +"Ja, zeker; mijnheer Erving verklaarde mij ten eerste dat hij voor +zijn kind een man verlangde, die haar liefhad; hij wilde niet, dat +zij als een lastige toegift bij haar geld beschouwd zou worden--dat +was duidelijk niet waar? Ik kan het den man niet kwalijk nemen; ik +gevoelde mij, toen ik voor hem stond, zoo verduiveld verachtelijk, +als nog nooit in mijn leven." + +Zijne grootmoeder keerde hem schouderophalend den rug +toe. "Hoogdravende praatjes!" sprak zij. "Van de duizend huwelijken +wordt er nauwelijks één uit een ander inzicht gesloten; ik verwonder +er mij echter over, dat die mijnheer--mijnheer Erving u zulk een +antwoord gaf; dat soort van menschen betaalt gaarne driemaal zooveel +schulden als gij hebt, wanneer de dochter daardoor mevrouw de barones +wordt--daar steekt vast nog iets anders achter." Zij ging bij den +haard zitten en poogde onverschillig in de vlammen te zien. + +"Gij hebt volkomen gelijk, grootmama, er steekt nog iets anders +achter. Ik beloofde den vader, Liesje in eere te houden, zooveel +te doen om haar te beschermen en te verzorgen, als een man vermag, +en dat was geen leugen, maar mijn vaste voornemen." + +"Is het waar?" vroeg zij spottend. + +Hij werd bloedrood. "Waarlijk!" antwoordde hij. "Of denkt gij +misschien, dat ik het meisje, 't welk mij zoo vol vertrouwen hare +hand schenkt, zou laten gevoelen, dat het niet de liefde was, die +mij tot haar bracht? En bovenal, als zulk een oprecht, kinderlijk, +rein hart mij werd geschonken, als het hare?" + +"Ei, ei! waar heeft men zulk eene kennis van harten opgedaan?" + +"Gij vergeet, grootmama, dat wij te zamen zijn opgegroeid, en dat +ik in den laatsten tijd dikwijls gelegenheid heb gehad, haar gade te +slaan--zij heeft van de herfst mama weken lang verpleegd--" + +"Zijt gij misschien op de pleegzuster verliefd? Trouwens, de Duitschers +vinden eene vrouw het bekoorlijkst in de zieken- of kinderkamer. Hoe +het ook zij, het meisje was voor u een sterk contrast met Blanka." + +De jonge man fronste het voorhoofd. "Ik bid u, grootmama, spreek daar +niet over," zeide hij. "Het is volstrekt onnoodig hier vergelijkingen +te maken; maar--wij dwalen geheel af. Gij zeidet, daar stak iets +bijzonders achter, dat Liesje's hand mij geweigerd werd; welnu de +reden--gij neemt mij niet kwalijk, dat ik het ronduit zeg--is gelegen +in ervaringen, die men in den molen bij een soortgelijke gelegenheid +vroeger heeft opgedaan; bittere, harde ervaringen die langen tijd +rouw over het oude huis brachten; ik zal trouwens mijn best doen, +die geschiedenis tot klaarheid te brengen." + +De jonge officier sprak de laatste woorden langzaam en duidelijk uit, +en zag daarbij zijne grootmama strak aan. Het kwam hem voor of zij +eenigszins verbleekte, maar haar gelaat bleef onveranderd. + +"Om het even welke redenen den molenaar bewogen hebben uw aanzoek +af te wijzen," was het scherpe antwoord, "zijne familiekroniek ken +ik niet; iedere reden is mij welkom, want mijne toestemming tot zulk +een waanzinnig voornemen zou ik nimmer gegeven hebben." + +"Dan zoudt gij mij gedwongen hebben, zonder deze te huwen," sprak +hij kalm. "Gij begrijpt, dat men met zoo iets niet speelt; _ik_ +heb het meisje mijn woord gegeven, _zij_ mij hare toestemming, en +dat is voldoende. 't Zou een ander geval zijn, wanneer zij zelve mij +geweigerd had. Ik ben echter overtuigd, dat ik hare hand verkregen had, +zonder die treurige voorvallen van vroeger; de ouders willen hun kind +niet laten gaan naar het huis, waar hun oude vijandin troont--dat +zijt gij, grootmama!" + +"Ik!" De barones sprong driftig overeind. "Bespottelijk!" vervolgde +zij, en liet zich in haar stoel terugvallen. "_Die_ menschen zijn +mij steeds volkomen onverschillig geweest, tot op dezen dag--" + +Het bleef een oogenblik stil in het vertrek; de oude dame slaakte +een zucht van verlichting; de angstige trek, die onder de laatste +woorden haars kleinzoons op haar gelaat zichtbaar was, verdween, +en vriendelijk--bijna smeekend zag zij hem aan. + +"Ik wilde met u spreken, Army," begon zij ten laatste, "wij moeten +samen overleggen; ik heb den hertog geschreven en ben overtuigd, dat +hij het geld zal zenden, ik ben echter genoodzaakt, een gedeelte er van +voor mij zelve te behouden, de rest is voor u; ik wil hopen dat het +voldoende is, om de meest brullende schuldeischers te voldoen. Maar +wat dan? En in de eerste plaats wat te doen, als de hulp tegen alle +verwachting eens uitblijft?" + +"Ik geloof niet aan de bereidwilligheid des hertogs," sprak hij somber; +"maar in het gunstigste geval, zal het nog slechts een druppel water +zijn op een gloeienden steen. Mij blijft niets over dan--Amerika." + +Plotseling voelde hij een hand op zijn schouder, en zijne moeder boog +zich over hem heen. "Army," vroeg zij angstig, "wat zegt gij? Wilt +gij weg--weg?" + +Hij schrikte en greep hare hand; hij wilde haar geruststellen, maar +de ontstelde, rood geweende oogen zagen hem uitvorschend aan--hij +liet hare hand los en wendde zich af. + +"Cornelie, gij weet, dat ik dat onhoorbare, plotselinge binnentreden +niet dulden kan," berispte de oude dame; maar hare schoondochter +hoorde het niet; haar hart stond bijna stil door dat ééne vreeselijke +woord--Amerika. + +"Almachtige God! is er dan niemand, die ons helpen kan? Army, ik sterf +immers als gij weggaat!" smeekte zij hem met gevouwen handen. "Dat +is het laatste, het zwaarste!" + +"Ween toch niet, maak u niet ongerust, Mama!" sprak hij, zonder haar +aan te zien; "ik, ik blijf--" + +"Neen, neen, ik weet wel wat gij doen wilt; gij wilt weggaan, stil, +zonder afscheid te nemen; ik zal eens op een morgen wakker worden, +en geen zoon meer hebben; Army, kunt gij dat doen? Kunt gij weggaan, +als gij weet, dat gij mij nimmer zult weerzien?" + +Bitter en hartverscheurend lijden sprak uit deze woorden. + +"Het zou immers niet voor altijd zijn," antwoordde hij aarzelend;--"ik +zou eenmaal weer terug komen; wij schrijven elkander; en--" + +Op eens voer de jonge man met de handen door zijn haar. "Mijn God," +riep hij, "ik bid u, mama, maak door uwe klachten de zaak niet nog +zwaarder, dan zij reeds is; bedenk toch, ik heb een massa schulden, dat +is één feit; ik kan ze niet betalen--dat is het tweede. Ik heb al het +mogelijke beproefd, om een uitweg te vinden--het was te vergeefs. Met +Nieuwjaar komt de zaak tot eene uitbarsting; er zijn wisselschulden +onder; de vesting wacht mij--ik kan niet meer dienen--wat blijft mij +anders over? Denkt gij, dat ik daarbij opgeruimd gestemd ben?" Hij +verliet haastig het vertrek en wierp de deur dreunend achter zich +dicht. + +Een oogenblik aarzelde hij; hij verbeeldde zich een gil zijner moeder +te hooren; toen haalde hij, verder gaande, een brief uit zijn uniform +te voorschijn en opende hem: "Het is zoo; de dans begint," fluisterde +hij, de regels doorvliegende; somber trad hij zijne kamer binnen, +en wierp zich in den stoel, die bij den haard stond. + +Dezen morgen had er voor hem nog een straal van hoop geschenen--Liesje; +de woorden, die zij hem den vorigen avond onder den besneeuwden +lindeboom had toegefluisterd, hadden hem als eene boodschap des vredes +in het oor geklonken; het waren zulke eenvoudige, kinderlijke woorden +geweest, gevloeid uit een zalig, opgeruimd meisjeshart; dat was ware, +echte liefde, die hem tegenblonk! Ware liefde? Neen--die was er bijna +niet meer. Zij gehoorzaamde haar vader immers zoo gewillig, toen deze +zeide: Gij wordt ongelukkig--zie van hem af! Maar hij kon het haar niet +euvel duiden; haar vader zal wel gezegd hebben: hij bemint u niet; +hij wil alleen uw geld. Dat was al genoeg; maar wat zou dat andere +zijn met grootmama? Baron Frits en Lisette! Erving had ze dezen morgen +genoemd, toen hij van de voornaamste reden zijner weigering sprak; +God weet, wat er is voorgevallen; hij was zeer voorzichtig in zijne +uitdrukkingen geweest, maar--er is toch niets meer aan te doen! Hoe +spoedig zal men in zijne garnizoensplaats hooren zeggen: "de luitenant +van Derenberg is op; hij heeft alles verkwist--natuurlijk schulden, +dwaze schulden, dat zit in de familie; zijn vader heeft zich ook +doodgeschoten; dat ziet men dagelijks--het is nauwelijks de moeite +waard er over te spreken." + +Lang zat hij zoo en peinsde. Zijne moeder! Hij had haar tot steun +moeten zijn; ja, zij zou zeker sterven, als hij heenging--en Nelly, +die arme kleine--wanneer zij _alleen_ overbleef?--Hij sprong driftig +op, en rukte zijne uniform los; midden in het vertrek bleef hij staan +en staarde naar den wand; dáár had het portret der schoone Agnese +Mathilde gehangen, dat hij uit de familiezaal gehaald had, dewijl het +zoo sprekend op _haar_ geleek: hij had het afgenomen en omgekeerd op +den vloer tegen den muur gezet, toen zij haar woord jegens hem brak; +het stond nog altijd zoo. + +Hij ging er heen, nam het op en hing het op zijn plaats; het +wonderschoone gelaat, met de diep treurige oogen, zag hem weder zoo +vertrouwelijk, zoo onwederstaanbaar betooverend aan--hij stond met +over elkaar geslagen armen langen tijd in beschouwing verdiept. Ja, +het was de schuld van dit prachtige, goudkleurige haar, dat hij werd +wat hij nu was, door een dwaze, onzalige hartstocht. Een oogenblik +overviel hem een naamloos verlangen; zou _zij_ een medelijdenden +blik voor hem over hebben, zoo zij wist, hoe ver het met hem gekomen +was? Hij lachte luid. Neen, _die_ koude, heldere oogen, zij konden +niet vriendelijk zien zooals _deze_; het portret geleek niet op +haar, alleen het haar. Een bittere trek vertoonde zich om zijn mond: +"Zijn zij zonder nuk," mompelde hij, "zonder nuk?--geen enkele, niet +ééne!" Hij hoorde niet, hoe zijne kamerdeur zacht en aarzelend geopend +werd, hoe een bleek meisjesgezicht onzekere blikken naar binnen wierp, +hoe een slanke gestalte hem zacht en beschroomd naderde. Midden in het +vertrek stond zij stil; hare oogen staarden stijf op het goudkleurige +vrouwenhoofd, waarop de jonge man nog onbeweeglijk zijne blikken +gevestigd hield; onwillekeurig maakte zij eene beweging om zich te +verwijderen, toen hij zich omkeerde. + +"Liesje!" stamelde hij, "Liesje, gij hier?" + +Zij zweeg; maar zag hem bedroefd aan. + +"Wat wilt gij, Liesje?" zeide hij, "zocht gij Nelly? Zij--ik weet +niet of----" + +"Neen," antwoordde zij, "ik kom om u." + +"Om mij?" vroeg hij zacht. + +"Ja, ik--de angst dreef mij hierheen, Army. Uwe moeder was bij ons +en vertelde, dat gij wildet--O, ga niet heen, Army; ga niet heen! ik +overleef het niet," kreet zij, en sloeg de handen voor het gloeiende +gelaat. + +"Vraagt gij mij dat, Liesje? En toch hebt gij mij dezen morgen laten +gaan?" vroeg hij bitter. + +"O, het deed mij zoo oneindig leed, dat gij heengingt, Army; maar +duizendmaal meer grieft het mij, dat gij mij niet liefhebt, dat gij +mij alleen wilt, om---" + +"Dat heeft uw vader u gezegd, Liesje!" + +"Ja! En is het niet waar, Army? En hoewel ik nog twijfelde--toen +uwe moeder straks bij ons kwam, om hulp te vragen aan mijn vader, +opdat gij niet zoudt behoeven weg te gaan, de wijde wereld in, toen +_moest_ het mij duidelijk worden, _moest_ ik wel gelooven, waartegen +mijn gansche hart zich verzette." + +"Heeft zij bij uw vader voor mij gebedeld?" vroeg hij luid en +heftig. "Dat is sterk." + +"Zij heeft u zoo lief, Army; en zij wist immers niet, dat gij mij--dat +mijn vader--" zij zag hem angstig, smeekend aan. "Ga niet heen, Army, +ga niet heen--" + +Daar stond zij voor hem; bekoorlijk en eenvoudig zag zij er uit in +haar korenblauw kleed; de wimpers diep neergeslagen, in maagdelijke +verwarring; hare borst bewoog zich ontstuimig uit angst voor hem, uit +opgewondenheid over den stap, dien zij gedaan had; een harer lange +vlechten was door het haastige loopen losgegaan en hing over haar +schouder; zij bespeurde het niet; zij strekte de sidderende handen, +gevouwen, smeekend naar hem uit, en hij waagde het niet die te grijpen. + +Dat was zij immers, in den liefelijksten vorm voorgesteld: de groote, +alles overwinnende liefde van een vrouwenhart, waaraan hij zoo straks +nog getwijfeld had! + +"Wees niet trotsch, Army!" kwam het eindelijk met moeite over hare +lippen, "om den wille uwer moeder en van mij. Ik zou immers mijn +gansche leven lang diep ongelukkig zijn door het bewustzijn, u niet +gered te hebben. Wij zullen goede vrienden zijn, goede vrienden, +zooals vroeger, Army---" + +Eene lange pauze volgde; hij zag met afgewend gelaat voor zich, +de armen stijf over de borst gekruist. Zij zag hem vragend aan; +langzamerhand bedekte een gloeiend rood haar gelaat, de gevouwen handen +lieten los en een paar groote tranen rolden over hare wangen. Een +pijnlijk gevoel van schaamte vervulde brandend heet haar gemoed, en +benauwde haar; zij keerde zich om en trad naar de deur. Buiten hoorde +zij voetstappen; vlugge, welbekende voetstappen. Angstig dwaalden +hare oogen door de groote kamer, en bleven op de zijne rusten; +ademloos bleef zij staan. "Tante," fluisterde zij, "zij zoekt mij." + +Maar op hetzelfde oogenblik stond Army naast haar en sloeg zijn arm +beschermend om haar heen; verlegen en angstig zonk haar hoofd tegen +zijn schouder; zij dacht, dat men het luide kloppen van haar hart +moest kunnen hooren; daar ging de deur open; onwillekeurig vlijde +zij zich dichter tegen hem aan, in de verwachting, een welbekende +stem toornig en verwijtend te hooren spreken. Maar alles bleef stil; +de oude vrouw op den drempel stond onbeweeglijk, de oogen met een +smartelijke uitdrukking op het tooneel vóór haar gevestigd; dáár in het +hooge, halfdonkere vertrek, juist onder de groote, uit hertenhorens +vervaardigde lichtkroon, stond een jeugdig paar; hij had haar den +arm om de tengere gestalte geslagen en drukte haar vast aan zich; +somber zag hij naar de oude vrouw, als was hij boos op de stoorster; +'t was een toonbeeld van het reinste geluk. + +"Dus is het toch zoo! Tegen liefde en dood is geen kruid gewassen." Zij +had er een voorgevoel van gehad, toen Liesje zoo haastig het huis +verliet; zij was haar nageijld; maar wie kan met vijf-en-zestig +jaren nog loopen, als een jong lichtvoetig ding; zij kwam te laat! te +laat! Het arme kind was met open armen in haar eigen ongeluk geloopen. + +"Liesje!" riep zij op een verwijtenden toon. + +Het meisje zag op en maakte zich los uit Army's armen. + +"Och, knor niet," smeekte zij zacht, "ik kon niet anders, tante," +en stak de handen naar haar uit. Zij trachtte daarbij te lachen, +maar het lukte niet--met geweld kwamen de tranen voor den dag; +hartstochtelijk sloeg zij de armen om den hals der oude vrouw, en +snikkend klonk het nogmaals van hare lippen: "Ik kon immers niet +anders, tante--ik kon niet!" + + + + + +Zestiende Hoofdstuk. + + +De volgende dag bracht slecht weder; het dooide, en de sneeuw was +in eens verdwenen; de natte, bruine takken strekten zich kaal naar +den grauwen hemel uit; daarbij stormde en raasde het in de lucht; +de elzeboomen aan den molenbeek bogen en zwaaiden in den wind. + +Op den molen heerschte een gedrukte stemming; de meiden in de keuken +spraken zacht met elkander, en de koetsier, die zich bij haar gevoegd +had, krabde zich een paar maal met een veelzeggend gelaat achter +de ooren. Uit de woonkamer drong de stem van den heer des huizes +duidelijk tot hier door. De jonge baron was er. Gisteren was hij er +ook al eens geweest, en sedert zag Liesje zoo wit als de muur. Er +_moest_ iets niet in orde zijn; dat was zonneklaar; ook tante zag +zoo zuur als azijn--en dan de meester! + +De kamerdeur ging open, en tante klom de trap op, zooals Doortje door +een kier van de deur zien kon. + +"Let op, Mina, onze juffer heeft het doorgedreven," fluisterde zij, +"tante haalt haar naar beneden; nu--waarom ook niet? Hij is een knap +en voornaam heer, en lijden mochten zij elkaar al, toen hij nog als +kadet met verlof te huis kwam." + +Peter krabde zich weer achter de ooren. + +"Nu," meende hij, "als ik mijnheer was, ik zei neen, om de oude van +het slot." + +"Pst!" waarschuwde Doortje, "waarlijk, zij komt de trap af; nu gaan +zij in de kamer. Hoezee! een verlovingsfeest--dat zal een pret geven." + +Het volgende oogenblik stond zij reeds weder bij de keukentafel, +met hare borden bezig, want zij hoorde tante komen, die een oogenblik +daarna de keuken binnentrad. Het oude gelaat teekende zorg, en aan de +oogen was het te zien, dat zij bitter geweend hadden; zoo dachten de +meiden ten minste. Zij stond een oogenblik als in gedachten verzonken, +toen nam zij haar sleutelbos en ging naar de provisiekamer. + +"Glazen, Doortje!" beval zij, toen zij met eenige flesschen wijn +terugkwam, "en doe een schoon voorschoot aan, als gij ze binnenbrengt!" + +Zij zette de flesschen op de keukentafel, en ging zich de oogen +afvegende, weder heen. + +"Mijn God!" riep het meisje, toen zij met het ledige blad uit de +woonkamer terugkwam, "moet dat eene verloving heeten? Het heele +gezelschap zet een gezicht, als bij een begrafenismaal; onze heer +bijt zich op de lippen, alsof hij zijne tranen wil wegjagen; de vrouw +schreit, alsof Liesje dood was, en de tante ook; mijnheer de baron +zit als een stok naast onze juffer; ik zag juist dat hij haar de +hand kuste, alsof bij eene verloving niet een flinke kus behoort; +en onze Lise ziet er uit--God erbarme zich over haar; als dat een +gelukkige bruid moet wezen!" + +Ongeveer een half uur later verliet een jong bruidspaar het oude +huis; aan het venster stond de oude tante het na te zien, en onder +de linde keek het bleeke gezichtje nog eenmaal om naar het venster; +er was niets op te bespeuren van het zoete, zalige geluk, dat een +jonge, kinderlijke bruid gevoelt; om den mond speelde een smartelijke +trek, en de oogen spraken angst en lijden. De bruidegom had haar arm +genomen en in den zijnen gelegd; zwijgend vervolgden zij hun weg; +bij de oude linde gekomen, beefde de hand van het jonge meisje, +en werd haar gelaat voor een oogenblik met een donkeren blos overtogen. + +"Zijt gij moede, Liesje? Ik liep te schielijk." + +"O neen, maar ik--ik ben zoo bang voor uwe grootmoeder." + +Hij beet zich op de lippen, maar zweeg; hij verkeerde zelf in een +angstige spanning, en kende zijne grootmoeder genoeg om te weten, dat +zij tot elke lompheid in staat was. Zij traden nu de linden-allée in; +de wind huilde door de hooge boomen en deed de takken krakend tegen +elkander slaan; het hooge bordes met zijn oude, zandsteenen beren +lag nat en donker voor hen. Onwillekeurig vielen Liesje's oogen op +de poort. "Wat beteekent dat?" vroeg zij op eens op de wapenspreuk +wijzende. + +"Nunquam retorsum! Nooit achteruit!" antwoordde hij. + +"Dat is goed," sprak zij, diep ademhalend, en versnelde haar tred. + +Zoo kwamen zij bij de torendeur; een oogenblik overviel haar een +gevoel van zwakheid. "Zal ik het kunnen verdragen, als zij mij +beleedigt?" vroeg zij zich zelve af, en een onuitsprekelijke angst +voor de trotsche grootmoeder beklemde hare borst; het was haar +alsof zij nog moest terugkeeren, nog vluchten--eer het te laat was; +zij gevoelde zich zoo hulpeloos, zoo verlaten; want _hij_, _hij_ +had haar immers niet lief. + +"Liesje," riep jubelend een heldere stem, en in tranen uitbarstende, +sloeg Nelly de armen om haar hals. "Liesje! zuster Liesje!" + +Zij duldde hare kussen; als een heldere zonnestraal vloog het over +haar gelaat, en daar boven, op den drempel der gezellige woonkamer, +strekten zich een paar armen naar haar uit, en omvatten haar al vaster +en vaster, terwijl haar oor woorden van liefde opving. + +"Mijn lieve moeder," fluisterde zij, en boog zich over de tengere hand, +"ik zal u altijd een gehoorzame dochter zijn--en voor Army een trouwe +echtgenoote." Het laatste kwam er aarzelend en zacht uit. + +"Een oogenblik geduld, Liesje! Ik wil bij grootmama ons bezoek laten +melden," zeide Army. + +Zij knikte toestemmend; hij ging, en keerde spoedig zwijgend +terug. Haar hart klopte onstuimig; onwillekeurig vouwde zij de handen, +terwijl zij beurtelings rood en bleek werd, en op eens stond alles, +wat de trotsche oude vrouw haar had aangedaan, in vlammend schrift voor +haren geest, en voor hare oogen verscheen een liefelijk beeld--oudtante +Lisette en een vroegtijdig graf op het kerkhof daar boven. + +"Mevrouw de barones laat zich verontschuldigen; zij heeft hoofdpijn +van daag en kan niemand ontvangen." Met deze woorden deed Sanna het +jonge meisje uit haar koortsachtige gedachten opschrikken. + +"Dan laat ik verzoeken, mij morgen een uur te bepalen, waarop ik met +mijne verloofde een bezoek kan brengen," klonk het schijnbaar kalm; +maar Army's oogen zagen de oude meid dreigend aan, wier blik met een +uitdrukking bijna van haat op de jonge bruid rustte. Deze had zich +onwillekeurig hoog opgericht; Nelly greep hare hand en streelde zacht +hare wangen. + +"Mama," begon Army en nam op den stoel naast zijne verloofde plaats, +"mijn schoonvader laat u om een onderhoud verzoeken, en het zou zeer +vriendelijk van u zijn, wanneer gij heden avond met Nelly in den +molen kwaamt, ten einde gemeenschappelijk onze--" + +"Zeker, Army, zeker! Ik zou heden toch met Nelly gekomen zijn, +ingeval het weder het toelaat." + +"Mevrouw de barones kan vooruit geen tijd bepalen, maar verzoekt +mijnheer den luitenant, heden avond een oogenblik bij haar te komen," +luidde het antwoord dat de terugkeerende oude dienstmaagd nu bracht. + +"Het doet mij leed, Sanna, maar ik ben heden avond, zooals te +begrijpen is, niet vrij, daar wij beneden in den molen onze verloving +vieren--hoort gij Sanna, in den molen beneden! Het spijt mij voorts, +Sanna, dat de barones hoofdpijn heeft, en wij dus hare tegenwoordigheid +bij het feest moeten missen; voor het overige bevelen wij, verloofden, +ons aan en wenschen beterschap." + +"Si, Signor!" siste de oude en verdween. + +Het bleef stil; Army ging in de kamer op en neer; zijne moeder had +het jonge meisje naast zich op de sofa getrokken, en hield hare handen +stijf vast. + +Vreeselijk zwaar had de boodschap Liesje in de ooren geklonken. Het +gevoel van haar pijnlijken toestand drukte haar met zijn geheele +zwaarte; zij meende te zullen bezwijken, wanneer haar vader vernam, +dat de grootmoeder van haar verloofde haar niet eens had willen zien; +en dan nog tante! Maar zij had niet anders gewild; zij zou nooit +klagen, had zij beloofd. Ja, als hij haar ten minste beminde, dan-- + +"Ik moet naar huis," sprak zij opstaande; zij had een gevoel alsof +zij stikken zoude. + +"Waarom zoo spoedig?" vroeg Army. + +"Ik--ik wil te huis bericht brengen, dat mama en Nelly komen," stamelde +zij. Hij nam zijne muts. "Blijf toch hier!" verzocht zij angstig; +"ik kan zeer goed alleen gaan; kom dan later met uwe moeder!" + +Hij haalde ongeduldig de schouders op. "Adieu, mama, tot weerziens; +adieu, Nelly!" riep hij, terwijl Liesje, haar sluier voordoende, +met afgewend gelaat haar de hand reikte. + +Buiten gierde nog altijd de storm, en weder gingen zij zwijgend +naast elkander. + +"Gij zijt te dun gekleed," sprak Army, en deed zijn mantel af om haar +dien over de schouders te hangen. + +"Neen, ik ben niet koud, wezenlijk ik dank u." Hij nam den mantel +over den arm en wandelde naast haar voort. + +"De weg lijkt een moeras," begon hij na een poos; "wij moeten trouwens +haast aan de plek komen, waar de molenbeek buiten hare oevers is +getreden--wacht! Daar zijn wij er reeds; ik zal zien of er niet een +pad door het bosch te vinden is." + +Zij zag in de schemering zijn slanke gestalte, die zoekende den weg +langs ging; toen kwam hij terug. + +"Het gaat niet; het water komt aan beide kanten over de schoenen; +ik zal u er over dragen." + +"Neen," riep zij achteruit tredende, "dat nooit." + +"Waarom niet?" + +"Omdat ik niet wil, dat gij u om mijnentwille de geringste moeite +geeft; mij hinderen natte voeten niet, zeker niet; wij zijn immers +dadelijk te huis." + +Hij antwoordde niet, en de duisternis verborg zijn gloeienden blos; +zij voelde zich echter eensklaps door sterke armen opgetild en +overgedragen. + +"Gij moet mij dit ten goede houden," klonk het haar koel en bitter +in de ooren, toen zij weer op vasten grond stond. "Eene dame kan deze +plek onmogelijk zonder hulp voorbij komen." + +Het overige van den weg werd zwijgend afgelegd. Toen zij de huisdeur +binnentraden, gluurden nieuwsgierige gezichten der meiden uit de +keuken, en kwam tante hun te gemoet: "Wat is dat een weer!" sprak +zij vriendelijk, en opende hun de deur der woonkamer. + +"Goeden avond, tante," zeide Army en wilde hare hand vatten, maar de +oude vrouw trok ze haastig terug. + +"Ga gij maar eerst naar binnen, mijnheer de baron!" antwoordde zij +koel, "Liesje zal wel volgen; ik heb haar eerst nog wat te zeggen, en +gij zult ook nog velerlei met uw schoonvader te bespreken hebben." Zij +trok het jonge meisje aan de hand mede naar haar kamertje. + +"Wij krijgen bezoek, tante," sprak deze; "Peter moet Army's moeder +en Nelly met den wagen halen." + +"Goed, ik zal het zeggen." + +De oude vrouw ging heen, en toen zij weder binnentrad, viel het +flikkerende licht der lamp, die zij droeg op een beschreid gelaat, +'t welk te voren door de schemering onzichtbaar was. + +"Gij hebt geweend, tante?" vroeg Liesje en boog zich tot haar over. + +"Nu ja, kind, dat gaat zoo--laat dat maar! Ik wilde dezen avond een +paar woorden tot u spreken, daar het uw verlovingsdag is." Zij zette +de lamp op de tafel en trad op het jonge meisje toe. "Zie, Liesje, +ik heb altijd gemeend, dat een dag als deze vroolijker zou zijn, +en gij een minder bleeke bruid zoudt wezen. Het is uw eigen wil, +kind; gij zegt immers ook, dat gij gelukkig zijt en hebt uw ouders +hunne toestemming op de knieën afgesmeekt; maar mij, Liesje, mij +kunt gij niet misleiden; ik weet zeer nauwkeurig hoe het er in dat +arme kleine hartje uitziet, en dat doet mij zoo jammerlijk zeer; +ik zou haast vergaan van harteleed." + +Zij keerde zich om, ging naar de commode, trok het kleedje, dat er +over lag, wat terecht, en deed de laden open en dicht, waarbij haar +de tranen uit de oogen op de oude handen vielen; Liesje stond nog +zwijgend midden in het vertrek. + +"Dat gij zoo stil zijt en zoo strak, kind," zeide de oude en droogde +zich de oogen af, "dat kan mij zoo angstig maken; spreek toch mijn +hartedief! Dat verlicht altijd." + +"Wat zal ik zeggen, tante? Ik heb niets, waarover ik graag wil +spreken," antwoordde zij. + +"Kom eens bij mij, Lise!" smeekte de oude vrouw, "beloof mij één +ding! Als hij ooit vergeten mocht, wat gij voor hem deedt, als hij +ooit onvriendelijk jegens u is, en ik leef nog, kind, kom dan bij +mij! Dan zal ik met hem spreken, en ten tweeden male zal hij het niet +weer wagen." + +Zij lachte slechts. "Maak u maar niet bezorgd, tante!" + +"En de oude barones, kind, hebt gij haar gesproken?" + +"Neen, tante, ik geloof dat zij mij niet wil zien." + +De oude vrouw stond haastig op, en haar goedig gezicht zag er een +oogenblik onbeschrijfelijk bitter uit; zij had een hard woord op +de lippen, maar een blik op het bleeke meisje vóór haar deed haar +zwijgen. "Hemelsche goedheid," mompelde zij slechts, "en dat alles +zonder liefde!" en weder vulden tranen hare oogen. + +Buiten reed juist de wagen dreunend over de brug, om de dames van +het slot te halen; tegelijkertijd werd ook de huisdeur opengedaan, +en vernam men een luid gesprek en daarop Doortjes beklagenden uitroep: + +"Och lieve Hemel!" + +"Dat is de oude Thomas uit de pastorie," zeide tante en opende de +deur. Het was zoo; daar stond de oude, kromme man, met de van regen +druipende muts in de hand, en Doortje riep tante toe: + +"Ach, hoor eens aan, Kareltje van Dominé is gestorven, zoo even; +wat spijt mij dat!" + +"Karel?" vroeg Liesje en stond eensklaps nevens den ouden man; "Karel?" + +"Ja, juffer, om zes uur is hij ingeslapen; ach, juffer Lise, die arme +moeder en vader! Het was zulk een prachtige jongen; God, wat is dat +een droefheid, daar beneden! Gij kunt het u niet voorstellen!" + +Het jonge meisje stond nog met hoed en mantel om. Zonder zich te +bedenken, ging zij naar de voordeur. + +"Waar wilt gij heen, kind? In dit weder?" + +"Ik wil naar oom, naar de pastorie; tante--laat mij, bid ik u!" + +En reeds stond zij weder buiten en kampte tegen den wind, om vooruit +te komen. De kreten der oude vrouw stierven weg in den storm, en over +haar heen bogen zich de takken der elzeboomen aan den ruischenden +molenbeek in wilden strijd. Daar kwam haar een wagen te gemoet; zij +ging ter zijde om hem voorbij te laten, en zette toen schielijker +haar weg voort. Het scheen haar eene weldaad toe, dit stormachtige +weder; het was immers eene kwelling naast hem in een dichte kamer +te zitten; oogenschijnlijk was het een beeld van zoet geluk, en +inderdaad was er geen schaduw van te vinden; hij had haar niet lief; +hij had haar alleen om den wille van haar geld begeerd. Het gevoel +van blijde opoffering, waarmede zij hem hare hand had aangeboden, +maakte plaats voor het vernederende van 't geen zij geleden had; +en hij zelf, die het offer aannam, wat deed hij om die vernedering +te verzachten? Was het dan zoo moeilijk, haar goede kameraad te zijn? + +Hoe wild schudde de oude linde hare takken, en hoe jaagden de wolken +aan den donkeren hemel! En daar beneden in het dorp, in de pastorie, +dáár werden tranen geweend, bittere, heete tranen--door wie maar +weenen kon! + +Maar zij wilde niet, zij wilde immers niet, dat de menschen haar +medelijdend zouden aanzien, vader en moeder, tante, zelfs Doortje en +Mina--neen, dat was vreeselijk, dat kon zij niet verdragen. + +Klonken daar geen haastige schreden achter haar? Ja, en dan de roep +"Liesje! Liesje!" Zij stond stil, dat was _zijne_ stem; o, als zij +hem nu eens te gemoet kon gaan en zich aan zijn arm vastklemmen kon; +als hij nu eens zeide: "Ik maakte mij bezorgd over u, daarom kom ik," +maar neen, vader heeft hem zeker mij achterna gezonden, of misschien +zou hij ieder ander gevolgd zijn; hij moest immers in zulk een storm +geene dame alleen hebben laten gaan. + +"Maar Liesje, ik bid u," klonk nu zijne stem, "hoe kunt gij in zulk +weêr uitgaan! Uwe ouders zijn half dood van angst over u; hier is een +doek van tante voor u, en wacht even, de wagen moet aanstonds hier +zijn; ik heb gezegd, dat hij oogenblikkelijk zou worden nagezonden. Gij +zijt toch nog altijd de kleine goedhartige Lise, wier goed hart in +lichte laaie staat bij het ongeluk van vreemden!" vervolgde hij, +haar den doek omslaande. + +Zij lachte bitter. "De pastoriebewoners zijn geene vreemden voor mij; +zij behooren als 't ware tot onze familie." + +Hij antwoordde niets op dit bitse gezegde; juist kwam ook de wagen +en hield bij hen stil. "Mag ik met u gaan?" vroeg hij, haar bij het +instijgen helpende, "of wilt gij liever alleen rijden?" + +Zij wilde het laatste toestemmend beantwoorden, toen haar blik op +hem viel; hij was slechts in zijn rok, zonder overjas. + +"Ik wil niet, dat gij om mijnentwille kou vat," zeide zij zacht, +"ik bid u, ga zitten!" + +Na een korten rit hield de wagen stil; Liesje steeg alleen uit en trad +de pastorie binnen; het was donker in de gang en stil; zij bereikte +tastend de deur der woonkamer en klopte aan. Bijna huiveringwekkend +luid klonk het, maar geen vriendelijk "binnen" liet zich hooren. Een +onverklaarbare angst overviel haar hier in het huis des doods; maar +moedig tastte zij verder. Daar was de trap, en hierboven, rechts, +het studeerkamertje; zacht klopte zij aan; weder geen antwoord, maar +door eene reet scheen licht--zij opende de deur en zag naar binnen; +daar zat oom de predikant bij de tafel, het gezicht in de handen +verborgen, en vóór hem lag de opengeslagen bijbel. + +"Oom! oom!" riep zij snikkend en legde het hoofd op zijn schouder. + +"Lise, gij goed kind! Ja, een zware bezoeking is over ons gekomen," +sprak hij ernstig, en streek haar over de natte, bruine vlechten; +"en zijt gij in dat weer hier gekomen? Wat zijt gij altijd +medelijdend! Nietwaar--onze Karel, Liesje! onze lieve, flinke +jongen--o, het valt zwaar, niet tegen God te morren. Mijn arme +Rosine! Hij was immers haar trots." + +"Ach oom, oom!" snikte zij diep bedroefd; "waarom is het leven toch +zoo treurig, zoo moeilijk!" + +"Gij hadt hier niet heen moeten komen, goed kind," werd haar +toegefluisterd, en de kleine vrouw met vochtige, roodgeweende oogen, +die binnengekomen was, hief haar hoofd op en kuste haar. "Het maakt +u van streek, en gij zoudt ziek kunnen worden." + +"Mag ik Karel niet nog eens zien? ik bid u tante!" vroeg zij nog +altijd snikkend. + +In de kamer daarnaast lag een bleeke knaap op het sneeuwwitte kussen; +zij trad zacht naderbij en staarde op de lieve, welbekende trekken--hoe +dikwijls had die mond "tante Liesje" tegen haar gezegd, hoe vaak +hadden die groote oogen haar lachend aangezien, en nu zoo stil, zoo +stom! De kleine vrouw drukte het gelaat weer in de kussens van het +bedje, en de vader stond aan de andere zijde en staarde op dat, wat +hem was overgebleven van zijne droomen der toekomst. Liesje's tranen +echter hielden op te vloeien; er straalde zulk een wondervolle vrede +van het kinderaangezichtje daar voor haar--hoe schoon moest het zijn, +zoo zacht te slapen, met zulk een gelukkig lachje, zonder de smart +des levens te hebben ondervonden! + +"Ween niet, tante! Hij slaapt zoo rustig! hij ziet er zoo gelukkig +uit." Toen keerde zij zich om en ging langzaam heen. + +In het kamertje bleef zij staan. "Oom," sprak zij zacht en legde de +kleine hand op zijn arm, "ik heb een vraag op het hart, die ik niet +langer onderdrukken kan." + +"O, spreek, mijn Liesje. Heb ik gelijk, als ik meen dat het u en +Army betreft?" + +"Ja, oom; o, gij hebt ervan gehoord? Ik kan niet heengaan, zonder +dat gij mij gezegd hebt, hoe ik handelen moet." Zij ging op de kleine +sofa zitten. "Mijn vader weigerde zijne toestemming," vervolgde zij, +"en tante zeide, dat mijne vereeniging met Army een ongeluk was +voor mij, oom, omdat hij niet aan mij, maar alleen aan mijn geld +dacht; vader deed een beroep op mijn meisjestrots.--Eerst voegde +ik mij naar zijn wil; het was zulk een verschrikkelijk gevoel dat +te ondervinden, ik wilde ook sterk zijn, oom, maar toen--toen kwam +zijne moeder en jammerde, hij wilde weg naar Amerika, en toen, oom, +voelde ik mij naar hem toegedreven, en ik bad hem, niet weg te gaan; +ik was half waanzinnig van angst en smart. Hij moest mij beschouwen +als een goede kameraad, heb ik tegen hem gezegd. En toen heeft mijn +vader ingewilligd, omdat ik hem zoo vurig smeekte; op mijne knieën +heb ik gelegen--ik zou immers gestorven zijn, als Army naar Amerika +had moeten gaan, zonder dat ik alles beproefd had om hem te redden; +Army weet niet eens welk een strijd het gekost heeft. En nu valt +het mij zoo onuitsprekelijk zwaar, als ik naast hem sta; bij elke +schrede aan zijne zijde doet mij het hart zoo zeer, en nu komt mijn +trots er tegen op, dat ik wel is waar zijne verloofde ben, maar niet +zijn beminde. Ach, oom, ik ben zoo ongelukkig!" + +Zij barstte in tranen uit en verborg haar hoofd in het canapékussen. + +"Kindlief," sprak de geestelijke, en streek haar zacht over het rijke, +volle haar, terwijl hij zich naast haar zette en hare hand greep; +"mij schiet een oude spreuk te binnen uit het album mijner Rosine; +haar oude grootmoeder schreef die er in, toen zij als jong meisje het +ouderlijk huis verliet, om in den vreemde als onderwijzeres in haar +levensonderhoud te voorzien. Wanneer gij eens in tweestrijd zijt met +uw gevoel, mijn geliefd kind, en beleediging of gekrenkte ijdelheid +strijden met den lust tot vergeven, tot liefhebben, laat dan de +liefde zegepralen, zelfs al laadt gij den schijn van vernedering op +u! Het heerlijkste, het schoonste, wat eene vrouw vermag te doen, +is te beminnen, altijd te beminnen, al wordt haar ook ongelijk +aangedaan. Heb geduld, kind," vervolgde hij, toen het meisje hem +met oogen vol tranen aanzag, "hij heeft eerst onlangs een bittere +teleurstelling ondervonden, en de bewustheid, dat hij een stap doet, +die in geen enkel opzicht in zijn voordeel kan worden uitgelegd, zal +pijnlijk genoeg voor hem wezen. Hij zal dat overwinnen, en u dankbaar +zijn, dat gij hem van schande en gebrek gered hebt en op zekeren +dag bespeurt gij een vonkje liefde voor u in zijn hart, dat, door +ootmoed en toegevendheid, met onvermoeide voorkomendheid gekoesterd +en aangekweekt, eens tot een heldere vlam opflikkert. Maar wacht u er +voor, dat gij de zwakke vonk niet uitdooft door uwe fijngevoeligheid; +behandel hem als een ziek kind!" + +Liesje was opgestaan. "Ik dank u oom!" sprak zij zacht, "en, +nietwaar? gij zult mijne ouders en tante geruststellen, dat ik nog +gelukkig zal worden? Ik wil vriendelijk en voorkomend jegens Army zijn, +en zal mijne gevoeligheid bestrijden. Ach, als vader slechts niet +boos op mij en Army wilde zijn! Hij is zoo somber en droefgeestig." + +"Het valt hem moeilijk, niet bezorgd te zijn, mijn kind; gij zijt +zijn eenigste dochter, en gij komt in zulke verwarde omstandigheden, +in een gansch anderen kring. Maak er hem geen verwijt van, dat zijn +voorhoofd zich rimpelt, en evenzoomin uwe tante! De oude vrouw heeft +u zoo lief. Zij zullen weder vroolijk zien, wanneer zij u tevreden +weten aan Army's zijde, en _dat_ ligt in uwe macht--gij bemint hem, en +gij weet: de liefde duldt alles, zij verdraagt alles, zij hoopt alles." + +"Dat is het rechte woord, oom," sprak zij met verhelderden blik en +reikte hem de hand; "ik zal het tot waarheid maken. Vaarwel, oom! Ik +kom morgen terug en---ach, lieve oom! Karel is veel smart bespaard!" + +Buiten bij de wagentrede stond Army; hij hielp haar instijgen en +nam nevens haar plaats. Weder reden zij zwijgend door den nacht +naar buiten. + +"Army," zeide zij eensklaps en legde hare hand op zijn schouder, +"ik was wel ontstemd en onvriendelijk? Vergeef het mij--ik kom zoo +even uit een sterfhuis--" + +Hij nam hare hand in de zijne en keerde zich naar haar toe. + +"Ik heb een verzoek aan u," ging zij voort, eer hij kon +antwoorden. "Gij weet, mijn vader gaf met een bezwaard gemoed zijne +toestemming tot onze verbintenis. Vergeef hem Army! Ik ben immers zijn +eenig kind--help mij de wolken van zijn voorhoofd verdrijven! Houdt +u slechts een weinig, alsof gij mij liefhebt, en laat hem gelooven, +dat gij gelukkig zijt! Ik zal het ook doen--ik ben het immers ook," +voegde zij er zacht bij. + +Hij zweeg. + +"Wilt gij dat doen, Army?" vroeg zij aarzelend. + +Reeds rolde de wagen over de molenbrug en het fabrieksgebouw voorbij; +hij reed om de kale linde tot voor de huisdeur. Army hield het hoofd +afgewend en zag naar buiten. Doortje kwam juist met de lantaarn uit +de deur, en liet de wagentrede neer; hij sprong er uit en bood Liesje +de hand om uit te stijgen; een trek van diepe ontroering lag op zijn +gezicht. Hij zou zich houden, _alsof_ hij haar liefhad! En als hij +nu tot haar zei: "mijn hart klopt in waarheid warm voor u, voor u, +beminnenswaardige, met het reinste gemoed; ik voel een adem des vredes +in uwe nabijheid, die mij de wonden van een onzaligen hartstocht zacht +verkoelt,"--zou zij dat gelooven? Dat was immers het ellendigste--hij +had haar vertrouwen verloren-- + +Hij zag naar haar op--hij wilde haar antwoorden; maar wat? Ja, dat +wist hij op dit oogenblik niet te zeggen, en reeds boog zich bij het +schommelende licht der lantaarn een bekoorlijk hoofd uit den wagen; +de kleine pelsmuts zat eenigszins scheef op de zware, bruine vlechten; +het fijne gezicht was nog rood van het weenen, toch lag er een zacht +beschaamd lachje om den bloeienden mond, dat twee bekoorlijke kuiltjes +nog dieper groefde; de oogen echter staarden, als om antwoord smeekend, +in de zijne en deden hem getroffen achteruit wijken. Waar had hij +ooit zulke oogen gezien? Zij zagen hem zoo smartvol aan, als zochten +zij een verloren geluk.--Bijna ontstuimig trok hij haar tot zich, +en blikte diep in de droeve sterren, die steeds schitterender werden-- + +De wagen was weggereden, en Doortje liep haastig uit den storm naar +binnen. Het was duister om die beide jonge lieden daar buiten; weder +wilde hij spreken, en weder sloten zich zijne lippen. "Zij zou u toch +niet gelooven," sprak hij bij zich zelven. + +En zij waagde het niet, het hem nog eens te vragen, toen hij hare +handen langzaam losliet. "Hij wil niet liegen," dacht zij en trad +over den ouden drempel; "hij wil niets beloven, wat hij niet kan +volbrengen--hij bemint mij immers niet." En het licht in de stralende +oogen verdoofde weder, en zij drukte de beide handen op het hart. "Ach +hij bemint mij immers niet!" + + + + + +Zeventiende Hoofdstuk. + + +"En gij zegt, Hendrik, mijne grootmoeder heeft die beiden te zamen +gezien?" + +"Francis heeft het mij in vertrouwen verteld, heer luitenant, den +avond vóór haar verdwijnen." + +De jonge officier zat in een der groote leunstoelen in zijn kamer en +zag onderzoekend en met kennelijke belangstelling den ouden man aan, +die in eerbiedige houding dicht bij hem stond en in wiens trekken +een lichte verlegenheid zichtbaar was. Army had hem nog laat in +den avond laten roepen; hij wilde weten, welke beweegredenen zijne +grootmoeder had, en waarin de haat wortelde, die zich ook heden +weder geopenbaard had in de minachtende bejegening zijner bruid; +uit een onpartijdigen mond wilde hij hooren, waarop de toespelingen +zijns aanstaanden schoonvaders doelden. Hij had besloten, het met +Hendrik te beproeven, en de oude man was inderdaad op zijne vragen +aarzelend en verlegen begonnen te verhalen van baron Frits, die de +schoone Lisette daar beneden in den molen zoo lief had gehad. + +"In dien tijd," voer de oude voort, "kwam baron Frits op een avond +zoo recht vroolijk aanrijden; ik nam hem zijn overjas af, want het +was koud, deed toen het torenkamertje open en maakte vuur in den +haard aan--" + +"Het torenkamertje?" viel de jonge officier den verhaler driftig in +de rede. + +"Ja, heer luitenant. Baron Frits woonde daar altijd; ik weet ook wel +waarom; hij kon van daar het venster zijner liefste zien--ik maakte +dan vuur aan, haalde hem een flesch madera en hielp hem van kleederen +verwisselen. Hij vroeg naar alles, wat er was voorgevallen, of zijn +broeder reeds weder te huis was; ik antwoordde hem op alles, en zei +dat de meester binnen drie dagen terug werd verwacht; en daarop, hoe +Mevrouw zijne moeder het maakte, benevens zijne schoonzuster en al +zoo wat meer; ondertusschen zocht hij aanhoudend in de schuifladen +van zijn schrijftafel, en vroeg eindelijk angstig: "Hendrik, hebt +gij hier opgeruimd, toen ik onlangs zoo haastig ben vertrokken?" + +"Ja, zeker, mijnheer de baron," zeide ik. + +"Hebt gij niet een klein gouden hart gevonden?" + +"Neen," en hij ging voort met zoeken, en ik zocht mede, maar er werd +niets gevonden; eindelijk hield hij op, maar zag zeer treurig. "Weet +gij, Hendrik!" sprak hij toen, "dat is een groot verlies voor mij; +vijftig daalders geef ik u, als gij mij het hart terug bezorgt; toen +nam hij hoed en stok, want hij droeg altijd burgerkleeding als hij +hier was, en zeide, dat hij nog eene wandeling in het park ging doen, +vóór hij zijne opwachting bij de dames wilde maken; maar ik wist wel, +waar hij heen wilde." + +"Mij spookten de vijftig daalders in het hoofd, heer luitenant, +en dus begon ik weder te zoeken, en te zoeken, maar ik vond niets; +daarop nam ik het licht en ging in de aangrenzende slaapkamer, waar +ik nauwelijks binnen was, of ik verbeeldde mij, dat ik de deur heel, +heel zachtjes hoorde openen, en toen ik haastig de woonkamer weder +binnentrad, deinsde ik terug, want daar stond Sanna, die, mij ziende, +van schrik neerviel." + +"Weet gij, heer luitenant, ik ben nu oud en kalm geworden, maar +toen kon ik het magere vrouwspersoon, met de koude, grauwe oogen, +het zwarte haar, en de gele kleur niet uitstaan; het was altijd een +valsch schepsel, en daarom stoof ik in drie duivelsnaam op haar toe, +en vroeg, wat zij hier te zoeken had. "De genadige vrouw wil weten, +wanneer baron Frits terugkomt?" Zij noemde mij toen altijd Enrico, +want zij was trotsch op haar Italiaansche afkomst. "Waar is mijnheer +de baron?" vroeg zij nog eens. "Loop naar de koekoek!" riep ik, +"en spioneer hier niet. Ik weet niet, waar hij is;" ik wilde haar +daarmede de deur uitschuiven. "Hoor!" zeide zij, en toen ik luisterde, +hoorden wij beneden in het dorp de doodsklokken luiden; zij begon zich +te bekruisen en een Ave Maria op te zeggen; intusschen schoof ik haar +evenwel naar buiten: "Maak dat maar buiten af! Verstaat gij?" Toen +keerde zij zich bij de deur om, en sprak: + +"Weet gij, Enrico, wie er gestorven is? Lompenmolenaars Lisette +is het." + +Lompenmolenaars Lisette! Ik beefde van schrik; heilige vader, wat zal +baron Frits zeggen? was mijne eerste gedachte; hij ging zoo vroolijk, +zoo gelukkig naar haar toe en nu dood, dat lieve, jonge wezen! Het was +een prachtstuk, heer, als men dat meisje zag; of men nu lompenmolenaars +Liesje, ik wil zeggen: de bruid van mijnheer den baron aanziet of +hare oudtante Lisette, is precies hetzelfde; Liesje is als uit haar +gezicht gesneden. Terwijl ik daar zoo stond, stak er een storm op, +dat de boomen bogen, de oude muren kraakten, en men allerlei geluiden +hoorde. Baron Frits kwam niet en kwam niet, en onderwijl werd het +weder al erger en erger het scheen alsof de orkaan den toren wilde +omverrukken; het oog kon in de duisternis geen voorwerp onderscheiden, +hoe ik mij ook inspande en het gezicht tegen het venster drukte. De +klok van het slot had reeds tien geslagen, en nog keerde hij niet +terug. Heer, het was een vreeselijke nacht! Op eens vloog de deur +open, en toen ik mij omkeerde, vielen mijn ontstelde oogen op baron +Frits--hij stond reeds midden in de kamer, en voor zijne voeten lag +bleek en bevend de dolle Francis, die de handen angstig smeekend tot +hem opgeheven hield. + +"Verzoek mijne schoonzuster, Hendrik," sprak hij met toonlooze +stem, "of zij zich de moeite wil geven, een oogenblik hier te +komen!" Ik vloog naar de deur, heer luitenant; ik wist, er moest +iets verschrikkelijks gebeurd zijn, toen ik de verslagen houding van +het meisje zag, en juist toen ik de deur openrukte, stond mevrouw +de barones--uwe grootmoeder--buiten en wilde naar binnen gaan. Zij +deinsde terug, toen zij haar zwager zag; een oogenblik voer een hevige +schrik haar door de leden. Zij verborg schielijk iets in den zak van +haar kleed en trad toen schijnbaar kalm het vertrek binnen. + +Heer luitenant, een schoonere vrouw dan zij, was er niet; zooals zij +daar stond in het lange, witte nachtgewaad, de zwarte lokken half +losgemaakt en met haar groote, donkere oogen in het bleeke gelaat, +als een engel der onschuld, tegenover het arme, kermende schepsel op +den vloer. + +"Mio caro amico," riep zij den baron toe, "wat beteekent dat?" en +wees verwondert met de hand naar Francis. + +"Kom binnen, schoonzuster!" antwoordde hij ruw. "Ga, Hendrik, en sluit +de deur!"--Toen eerst keerde hij zijn gelaat naar mij toe--mijnheer; +ik was toen een ruwe, wilde borst--maar ik heb gesidderd, zoo zag hij +er uit. De oogen schenen weggezonken; het jonge, bloeiende gelaat was +oud en vervallen van waanzinnige smart, en de mond beefde van hevigen +toorn. Van mijn leven vergeet ik dat gezicht niet, noch den doodsangst, +dien ik gevoelde, toen ik de deur achter de barones sloot; de tanden +klapperden mij van ontsteltenis, en als vastgenageld bleef ik in de +gang staan. Sanna sloop ook naderbij, en zoo stonden wij beiden en +waagden het nauwelijks adem te halen. Eerst was het onverstaanbaar, +wat zij daarbinnen spraken; men hoorde slechts de zachte stem der +barones en het snikken van Francis; toen echter vernamen wij de met +een donderende stem uitgesproken woorden van baron Frits duidelijk; +moordenares noemde hij de barones en vervloekte haar en haar huis; +ik stond stom en stijf, toen de deur plotseling openvloog, de barones +naar buiten stormde, en als een gejaagd ree de gang langs en de +trappen afvloog; verschrikkelijk zag zij er uit, en daar beneden +sloeg zij, als naar een steun reikende, de armen om den pilaar en +gleed bewusteloos ter aarde; ik zie haar nog voor mij, de witte, +ineengezonkene gedaante, en hoe Sanna haar schreiend volgde en +op hare armen wegdroeg. Op hetzelfde oogenblik werd Francis naar +buiten gestooten, en stond de baron in de deur: "Mijn paard!" beval +hij met heesche stem, en terwijl ik naar beneden ijlde liep Francis +het portaal door in donker en stormweer naar buiten. Ik bracht den +baron zijn paard voor; hij wrong er zich op met zijn bleek, ontdaan +gezicht--het arme dier, het steigerde hoog op, zoo drukte hij het de +sporen in de zijden, en weg vloog hij, zoodat ik meende er moest een +ongeluk geschieden. Toen kwam hij op eens terug; ik stond nog in wind +en weder op de trappen van het bordes en luisterde naar het naderbij +komende paardengetrappel. Hij wierp mij een geldstuk toe. + +"Hoor eens, Hendrik," zeide hij, "ga gij naar mijn oude moeder en +zeg haar voor mij vaarwel; mij ziet zij nimmer weer--" Het laatste +verstond ik nauwelijks; de wind verwaaide het, òf zijne stem werd +door snikken verbroken, ik weet het niet; hij gaf mij de hand, toen +was hij weg, en is nooit teruggekomen. + +Francis zag ik echter nog eens; zij lag daar boven onder de oude boomen +op de knieën, en toen zij hem in den duisteren nacht zag wegrijden, +gaf zij zulk een hartverscheurenden gil, dat ik er heen liep. Dáár, +mijnheer, daar vond ik een arm ongelukkig schepsel, dat van berouw +en smart verging; toen bemerkte ik, dat zij niet zoo slecht was; +ik troostte haar in haar ellende--nu, toen heeft zij mij verhaald, +dat baron Frits en de schoone Lisette gescheiden moesten worden--dat +zij gestorven was, omdat men haar had doen gelooven, dat hij haar +ontrouw was en--dat is alles wat ik weet." + +"Meent gij, Hendrik, dat mijne grootmoeder werkelijk--" + +De stem van den jongen man klonk dof. + +"O, mijnheer, mij voegt het niet iets slechts van mijne meesters te +gelooven; ik heb immers geen bewijs er voor, dat baron Frits reden +had tot zulk een vreeselijke vervloeking; maar dit weet ik zeker, dat +hij met de barones sedert eenigen tijd niet op een goeden voet stond, +omdat--och, hij had zich eens in hare zaken gemengd; daarbij was zij +gruwelijk trotsch; zij had voor geen geld ter wereld lompenmolenaars +Lisette als schoonzuster erkend; en daarom--mijnheer de luitenant--neem +het mij niet kwalijk! ik durf het u immers wel zeggen, ik heb u in +den wieg zien liggen en tot een jonkman zien opgroeien. Duidt het +mij niet euvel--Liesje--" + +"Is mijne bruid, Hendrik--" + +"Ik weet het, en heb mij verblijd, toen ik u beiden zag, zooals ik +nooit geloofd had, mij ooit weer te zullen verheugen--ach, mijnheer, +houdt uwe bruid in eere, en laat haar niet uit uwe oogen gaan! Men +kan angstig worden voor zulk een jong wezen, hier boven in het slot; +vergeef mij, heer baron! Mijn hart drong mij, u dit te zeggen; zij +gelijkt zooveel op Lisette, vooral dezelfde oogen, even zoo blauw, +diep en helder, en dezelfde uitdrukking er in. Zulke oogen vergeet +men niet. God geve haar enkel vreugdetranen!" + +De stem van den oude was ontroerd toen hij weg ging, en het "goeden +nacht" klonk zeer onduidelijk in Army's ooren; hij lette er ook +niet op--voor zijn geest stonden zij ook, die blauwe kinderoogen, +maar zoo smartelijk, zoo bang, en onuitsprekelijk droevig, als hij +ze dezen avond gezien had. + +"Dezelfde oogen," herhaalde hij halfluid, "dezelfde uitdrukking!" en +hij zag naar de beeltenis der schoone Agnese Mathilde. Het licht was +diep neergebrand; het flikkerde slechts nu en dan flauw op, en het +roode, volle haar was bijna onzichtbaar in het matte schijnsel; de +twee donkere, droevige oogen echter staarden uit het bleeke gelaat +onafgewend op den jongen man, zoo smartvol, zoo bang, als zochten +zij een verloren geluk. Dat waren de oogen, waaraan hij gedacht had +bij het uitstijgen uit den wagen--de oogen der schoone Agnese Mathilde! + + + + + +Achttiende Hoofdstuk. + + +Den volgenden morgen ging Army naar den molen; zijn aanstaande +schoonvader wenschte een onderhoud met hem. Liesje zag hij niet; tante, +die uit de keuken kwam, en de kamerdeur voor hem opende, antwoordde +op zijne vragen, dat het jonge meisje nog sliep; een weinig rust zou +wel noodig zijn en goeddoen, als men den geheelen nacht geweend had. + +Een donkere schaduw lag op zijn gelaat, toen hij de kamer zijns +schoonvaders binnentrad; hij had verlangd Liesje te zien, na den +vorigen avond, en de gedachte, dat zij den ganschen nacht geweend had, +lag hem zwaar op het hart. Hij moest eenige oogenblikken wachten. De +heer Erving was boven in het kantoor; onwillekeurig sloeg hij zijne +blikken in het rond; het was een gezellig vertrek, met donkere +tapijten, groene meubels en gordijnen; op een groote schrijftafel +stond een portret; het was eene photographie van Liesje uit hare +kinderjaren; het lieve gezichtje zag er recht schalksch uit. Hij hield +de beeltenis omhoog, om het beter te zien, en had het nog in de hand, +toen de heer Erving binnentrad. + +Op het gelaat van den statigen man lag eene uitdrukking, die men er +anders niet op vond, van zorg en spanning; hij had zeker dien nacht +weinig geslapen. "Vergeef mij, dat ik u liet wachten!" begon hij het +gesprek en reikte den jonkman zijn hand. "Ga zitten," vervolgde hij, +"en laat ons dadelijk tot onze zaken overgaan!--Ik zal niet veel +onnoodige woorden gebruiken," ging hij voort en schoof een stoel voor +zich bij de tafel. "Vooreerst denk ik, reizen wij te zamen naar uw +garnizoen, om daar de zaken te regelen; dan dient gij uw ontslag uit +den dienst in--Gij kunt het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit zoo +bepaald verlang! zij is mijn eenig kind"--zijne stem beefde bij deze +woorden--"en ik wil haar ten minste in mijne nabijheid, onder mijne +bescherming houden." + +Army boog toestemmend, maar het bloed steeg hem gloeiend heet naar +de wangen. + +"Ik verlang niets onredelijks," voer de andere voort; "gij weet, +dat mijne familie in vroegere jaren van de uwe een aanzienlijk deel +der omliggende landerijen gekocht heeft. Nu is Liesje ons eenig kind, +en ik heb met mijne vrouw overlegd, dat het het beste zou zijn, dat +gij weder werdt, wat uwe voorouders waren, heer van Derenberg. Ik heb +heden morgen vroeg reeds aan Hellwig geschreven, hoe de zaken staan, +en hem tot eene samenkomst te S. uitgenoodigd, hoofdzakelijk met het +doel, om te beproeven, hoeveel wij van de landerijen van uw erfgoed, +die bovendien niet in goede handen zijn, weder machtig kunnen worden, +om ze dan weder tot één geheel te vereenigen; zooals wij hopen, +zal het met het meerendeel gelukken. Van u verwacht ik daarvoor, +dat gij u---" hij hield plotseling op, trad naar de schrijftafel en +zocht tusschen zijne papieren. + +"Ik heb niet lichtvaardig mijne toestemming gegeven," wendde hij zich +weder tot den jongen man, en zijne stem klonk week en zacht, "want ik +vrees, dat mijne dochter vele vernederingen tegemoet gaat; maar zij +wilde niet anders.--Ik ken u eigenlijk alleen uit uw jeugd, want als +jongeling hebt gij mijn huis niet weer betreden, maar het weinige, +dat ik van u weet, is niet van dien aard, om u onvoorwaardelijk mijn +vertrouwen te schenken. Gij hebt tot nu toe getrouw de voetstappen uwer +grootmoeder gevolgd, die in menschen van mijn stand zeer ondergeschikte +wezens ziet; uwe voorouders--ik weet het--dachten anders. Ik heb u +thans het liefste gegeven, dat wij, mijne ziekelijke vrouw en ik, +op de gansche wereld bezitten, en daarvoor eisch ik, dat gij mijn +kind zult beschermen en in eere houden; ik wil niet, dat zij door +uwe grootmoeder zóó behandeld zal worden als uwe ongelukkige moeder; +deze belofte kan ik van u verlangen, en gij zult mij die nu geven; +zoodra ik tranen in het oog mijns kinds zie, stel ik u daarvoor +verantwoordelijk. Kunt gij mij beloven alles te doen, om mijn kind +voor den hoogmoed dier vrouw te behoeden?" + +Hij hield hem de hand toe. Het liefst was Army den man om den hals +gevallen; Derenberg zou hem weder toebehooren, zijn schoonste droom +verwezenlijkt worden! En toch lag er een drukkende last op zijne +blijdschap. + +"Het zal Liesje nimmer berouwen, dat zij mij van een donkere toekomst +redde," antwoordde hij, toen zijne hand in die van Erving lag; +"ik zal weten haar te beschermen in ieder opzicht--ook voor mijne +grootmoeder; ik moet dadelijk naar haar toe." + +Een snelle, onderzoekende blik van Erving gleed over het gelaat +van den jongen man vóór hem; hij scheen kalm, alleen zijne oogen +fonkelden. "Laat u niet door drift vervoeren!" vermaande de oudere man, +en lag de hand op Army's schouder, "zij is en blijft de moeder uws +vaders en den ouderdom moet men eeren. Ik verlang niets anders, dan dat +zij mijn kind geen kwaad doet, voor 't overige mag zij handelen, zooals +zij wil. Dus bedaard, Army, hoort gij wel? Zij is een oude vrouw." + +Het was de eerste maal, dat hij den jongen officier bij zijn voornaam +aansprak. Diep geroerd zag deze tot hem op; dàt was de man, van wien +hij eenmaal in dwazen trots gezegd had, dat hij niet onder zijn dak +kon verkeeren, en nu zorgde hij voor hem als een vader! Hem dankte +hij nu alles, alles, zijn geheele toekomst. + +"Ga nu, Army!" vermaande hij, toen deze zijn hand greep en zwijgend +drukte, "en heden namiddag vertrekken wij. Ga--en nog eens--bedaard!" + +Hij ging als in een droom; boven aan het einde der allée dook reeds +het slot op en het prachtige met wapens getooide bordes. Één oogenblik +rustte zijn blik daarop; hij gevoelde zich heden zoo nietig, zoo +ellendig. Hij richtte het hoofd op, en een trek van vastberadenheid +lag op zijn gelaat, toen hij de trap opging, die naar de kamer zijner +grootmoeder voerde. Daar kwam Nelly hem tegemoet loopen; hare oogen +schitterden als zonneschijn. + +"Hoe maakt het Liesje, Army?" vroeg zij, en sloeg de beide armen om +zijn hals. Hij zag haar in het lachende, gelaat. + +"Wilt gij mij een genoegen doen, kleine?" vroeg hij, en streek haar +de lokken van het voorhoofd. Zij knikte haastig. + +"Ga dan naar haar toe--ja? Maar spoedig, aanstonds, en zeg haar dat +ik haar laat groeten, en zij niet meer moet weenen; ik laat haar dit +dringend verzoeken--hoort gij?" Hij maakte driftig hare handen los +en keerde zich om; toen hij een verbaasde, vragende uitdrukking op +haar gelaat las, riep hij haar toe: "Ga toch spoedig, en blijf wat +bij haar. Ik moet nu met grootmama spreken." + +In de gang sloop Sanna hem voorbij, haar groet was eenigszins snibbig. + +"Kan ik grootmama nu spreken?" vroeg hij. + +"Ik was reeds tweemaal in uw kamer, heer baron," antwoordde zij, +"mevrouw uwe grootmama wacht met ongeduld." + +Hij ging haar schielijk voorbij en trad binnen. De oude dame zat op +hare gewone plaats bij den haard: zij knikte vluchtig met het hoofd +en wees op een stoel. "Gij hebt mij lang laten wachten," sprak zij. + +"Ik had een noodzakelijk onderhoud met mijn aanstaanden schoonvader," +antwoordde hij, plaats nemende, "hij was zoo goed, mij de plannen +voor onze toekomst mede te doelen." + +"De proef is dus toch gelukt?" vroeg zij, zijn eigene woorden +gebruikende. "Nu, in ieder geval hebt gij nog geene ringen gewisseld; +er kan dus nog over de zaak gesproken worden." Hij maakte een +ongeduldige beweging. "Gij veroorlooft toch, dat ik nog een paar +woorden spreek?" vroeg zij. + +Army maakte een lichte buiging en plotseling viel zijn oog op een +brief, dien de tengere vingers zijner grootmoeder vasthielden; hij +kende dat stevige, roomkleurige papier, en op eens vloog het bloed +hem gloeiend heet naar het hart. + +"Vooreerst," begon de oude dame en nam van het nevens haar staand +tafeltje een tweeden brief, "is hier een zeer minzaam schrijven +van den hertog; hij wenscht uwe omstandigheden te leeren kennen, +en belooft mij, in ieder opzicht uwe belangen te zullen bevorderen; +dat is eene belofte, waarvan gij den omvang, naar ik hoop, op prijs +zult weten te stellen; uwe plaats als officier is verzekerd, uwe +carrière buiten allen twijfel." Zij zag hem uitvorschend aan. "Mijn +raad is deze, gij maakt een einde aan die belachelijke comedie daar +beneden in den molen en vertrekt dadelijk naar S." + +"Grootmama," antwoordde hij bedaard, "dat kan u onmogelijk ernst zijn." + +"Dat is het--in waarheid," verzekerde zij, "gij hebt hals over kop de +laagste betrekkingen aangeknoopt, en ik wil u daarvoor andere geven, +meer overeenkomstig uwen stand." + +"Meer overeenkomstig mijn stand?" vroeg hij, "dat zal bezwaarlijk zijn; +de betrekkingen, die ik aanvaard, zijn de beste die er zijn." + +"Misschien compagnon van mijnheer uw schoonvader--lompenmolenaar +numero twee! nietwaar?" + +"Ik bid u, grootmama, laat ons van dat onderwerp afstappen! Ik zal +nimmer mijn woord terugnemen, zelfs niet, wanneer uw voorstel mij kon +verleiden--zoo veel te minder echter, nu ik geen lust gevoel terug +te treden." + +"Dan verlaat _ik_ het huis!" riep zij toornig, "nog voordat uwe vrouw +er den voet inzet." + +"Dat zou mij spijten, grootmama. Gij kunt met een weinig +vriendelijkheid zooveel goed maken; trouwens wanneer gij--" + +"Het is toch beter, dat ik ga, meent gij?" vroeg zij. "Goed, Army, +dat wil ik ook, ziehier, _dit_ is een uitkomst." + +Zij hield hem het roomkleurige briefje onder de oogen; hij herkende +de sierlijke hand zijner trouwelooze bruid; onwillekeurig trad hij +terug. "Blanka?" vroeg hij toonloos; "schrijft zij u?" + +"Weet gij, wat zij mij schrijft? Zij verzoekt mij, haar op eene +reis naar Italië te begeleiden, omdat de overste door dienstplichten +verhinderd wordt, mede te gaan. Het liefste zou ik haar dit vod met +de vleiendste woorden in het aangezicht smijten, maar onder deze +omstandigheden is er geen anderen uitweg; ik neem haar aanbod aan." + +"Gij wilt--gij kunt dat? Kunt gij tot haar gaan, die mij bedrogen +heeft, grootmama?" vroeg de jonge man en greep hare hand. + +"Mij blijft niets anders over; ik wil met die lieden daar beneden +geene gemeenschap hebben; ik wil het niet, en ik doe het niet," +hield zij vol. + +"Dan is het zeker beter dat gij gaat," sprak hij zacht en keerde +zich om. + +"Dat is dan de dank voor al mijne liefde! Dat is de vervulling +aller verwachtingen, die ik op u gebouwd heb!" bracht zij +uit. "Incredibile! Als ik mij u voorstel, daar beneden in het +kantoor op den stoel uws schoonvaders!" vervolgde zij in één adem, +"schrijvende, of de boeken houdende, gij, die het vooruitzicht op +een schitterende loopbaan zoo onzinnig verwerpt!" + +"Ik had tevreden moeten zijn, zoo mijn schoonvader mij den kantoorstoel +had aangewezen, maar hij heeft het beter met mij gemaakt; Liesje +brengt als bruidschat onze oude familiegoederen mede, ik zal weder +heer op Derenberg wezen." + +Hij had langzaam gesproken en op ieder woord gedrukt. + +Zij keerde zich met één ruk om; haar groote oogen zagen hem verbaasd +aan, als geloofde zij zijne woorden niet. "Duur genoeg betaald!" bracht +zij met moeite uit. + +"Hoe zoo?" + +"Omdat gij voor uw leven aan eene vrouw geketend zult zijn, die uws +gelijken met den nek zal aanzien, en eindelijk, die gij niet liefhebt, +niet kunt liefhebben!" + +"Wie zegt u dat?" vroeg hij, en een fijn lachje speelde om zijn mond, +"zou het laatste zoo onmogelijk zijn? Mij dacht, gij weet het tegendeel +uit ondervinding. Denk slechts aan mijn gestorven oudoom Frits en de +schoone Lisette!--" + +De oude dame antwoordde niet; met een driftig gebaar ging zij weder +in den leunstoel zitten, en hare vingers verkreukelden Blanka's brief; +maar haar gelaat was wit geworden, zoo wit, als de strooken harer muts. + +"Mijn zwager heeft er nimmer aan gedacht, dat meisje te trouwen," sprak +zij eindelijk, "daarin moet ik hem verdedigen; het was een minnarij, +zooals heeren die bij dozijnen plegen te hebben; de bekendheid met +deze geschiedenis moest u juist van de onzinnige gedachte terughouden, +een meisje uit dat huis tot uwe vrouw te maken!" + +"O, toch niet, integendeel! Als iets mij nog in mijn besluit konde +versterken, dan zou het dit zijn, dat ik daarmede een gedeelte +van hetgeen zinnelooze hoogmoed en onedele wraak eens misdeden, +vergoeden zou." + +"Deze duistere toespelingen zijn mij geheel onbegrijpelijk," viel zij +hem in de rede, en stond driftig op; "de broeder uws grootvaders was +een mensch, die geene zelfbeheersching bezat, die een los, lichtzinnig +leven leidde--hij is gestorven, God weet waar? Hij was een huichelaar, +die zijn lichtzinnige gedachten, onder het masker van een rechtschapen, +achtenswaardig uiterlijk, voortreffelijk wist te verbergen; het spijt +mij, dat gij u eene legende op den mouw hebt laten spellen, waarin +deze zedeprekende huzaren-officier met die Lisette de rol van heilige +vervult.--Maar juist daarom, wijl reeds eenmaal zulke onpassende +betrekkingen aangeknoopt werden tusschen ons en hen daar beneden, +betrekkingen die--Gode zij dank!--door een verstandige bemoeiing +verbroken werden, juist dáárom, herhaal ik u, zal ik nooit of nimmer +het meisje als uwe bruid beschouwen, nooit of nimmer haar mijne hand +reiken; en volhardt gij bij uw voornemen--goed, dan ga ik--ik weet nu +waarheen--" zij hief Blanka's brief omhoog; "en hoewel het mij zwaar +valt, dezen stap te doen bij haar, die u bedroog, ik verkies dit +boven het vooruitzicht met deze persoon in hetzelfde huis te leven." + +Haar lippen beefden, en haar oogen fonkelden van toorn. + +"Goed, ga dan, grootmama! Het doet mij leed, dat de zaken zoo +loopen. Maar gij zoudt het volste recht hebben te zeggen, dat ik geen +man ben, slechts een verwijfde droomer, wien het weinigje ongeluk de +armen verlamd heeft--wanneer ik mijn besluit veranderde; als man van +eer _kan_ ik het niet; ik _wil_ het niet, omdat ik niet zoo dwaas +zijn zal, een gansche gelukkige toekomst van mij te werpen." + +"Gijzelf beveelt mij dus te gaan?" vroeg de oude dame ademloos. + +"O neen, grootmama; het liefste zag ik, dat gij in mijn huis uw +verder leven vreedzaam doorbracht, maar daar gij mij de keuze laat: +gij of zij--zeg ik van ganscher harte: "mijne bruid!"" + +Hij had luid gesproken, en zijne woorden klonken oprecht gemeend. + +"Goed," antwoordde zij, "ik ga; en wanneer gij ook op uwe knieën voor +mij laagt, en gij allen te zamen mij handenwringend smeektet om te +blijven, ik zou toch gaan. Het is schandelijk; het is ongehoord--" +zij trok met bevende haast aan de scheldkoord en begon onderscheiden +laadjes van haar schrijftafel open te trekken: brieven, kistje, +kleine doosjes vlogen er verward door elkander uit. + +"Mijne reiskoffers," beval zij der binnentredende Sanna: "pak uw goed +ook. Wij vertrekken." + +Op dit oogenblik vloog een klein, blinkend voorwerp over het tapijt +en bleef voor Army's voeten liggen; hij nam het op en beschouwde +het--het was een klein gouden hart, bekrast en dof, waarop de letters +L. E. waren gegraveerd. Hij staarde er langen tijd op; het was hem +onmogelijk een woord te spreken; hij ging naar haar toe, en hield +haar het kleine, gouden hartje voor. Zij vestigde haar oogen er op; +toen greep zij opeens het blad van de tafel, om zich vast te houden; +het rood week uit hare wangen, en een vale bleekheid verspreidde +zich over haar gelaat. Geen geluid verbrak de stilte; alleen de +kleine beeldjes op de schrijftafel stootten zacht tegen elkander, +zóó zwaar leunde de bevende barones er op. + +"Ik heb geen recht, u verwijten te doen," sprak hij ten laatste, +en trok de hand, die het kleine voorwerp vasthield, terug. "Gij +zijt de moeder mijns vaders, en--het zou ook nutteloos zijn. Maar ik +zal dubbele moeite doen, aan mijne bruid te vergoeden, wat gij eens +misdaan hebt aan een jong, beminnelijk schepsel; God geve, dat het +mij moge gelukken!" Hij keerde zich om en wilde heengaan. + +Daar trad Sanna hem in den weg. + +"Wat wilt gij van mijne meesteres?" riep zij, "ik heb het gouden +amulet den baron Frits ontnomen; ik alleen deed het. Mijne signora is +onschuldig. Jaag mij weg, mijnheer, maar ontneem haar niet haar tehuis, +de eenige plaats, waar zij haar hoofd kan nederleggen!" De oude meid +was op den vloer gegleden en strekte smeekend de handen naar hem uit; +in hare koude, grauwe oogen blonk een traan. + +"Ik zend uwe gebiedster niet weg," zeide Army, geroerd door de trouw +van het oude, hardvochtige schepsel, "integendeel,--" + +"Sta op!" beval de barones toornig, "en doe, wat ik u bevolen heb--geen +woord meer. Ik vertrek nog heden!" + +"Misericordia!" snikte de oude in haar doodsangst, en greep de +plooien van het zwarte kleed harer meesteres; "laat mij medegaan, +signora Eleonora! Ik sterf zonder u." + +Hij zag droevig naar de gebiedende gestalte, die daar midden in +het vertrek stond, het hoofd trotsch in den nek geworpen; scherp +en vijandig blikten de zwarte oogen hem aan, als stond een vreemde +bedelaar voor haar, dien zij de deur wilde wijzen. Hij had haar altijd +zoo liefgehad, zoo bewonderd, zijne schoone grootmoeder; zelfs thans, +nu de nimbus, met welke zijn hart haar eens omgaf, geweken was, +zelfs nu zegepraalde deze liefde; hij vergat haar heerschzucht, hare +hardheid; hij zag slechts de trotsche, bevelende vrouw, die hem eenmaal +met afgodische teederheid opvoedde. "Grootmama!" smeekte hij, en trad +eene schrede nader, "laat vergeten zijn, wat eens gebeurd is! Ik geef +u de hand er op, niets zal u hier aan het verleden herinneren--" + +"Ga!" sprak zij kortaf, en wenkte hem met de hand op hare bevallige +manier ten afscheidsgroet; "ga! Ik wil alleen zijn; ik heb nog veel +te regelen." + +Hij trad op haar toe. "Vaarwel!" zeide hij, "en zoo gij ooit heimwee +gevoelt, kom dan! Gij zult--" + +"Adieu!" viel zij hem in de rede, en onttrok hem de hand, die hij +aan zijne lippen wilde brengen. "Gij hebt gekozen." Zij keerde hem +den rug toe. + +"O, de vloek! de vloek! O, mio dio!" snikte de oude dienstmaagd, +die nog altijd handenwringend op den vloer geknield lag. + +"Gekken!" hoorde hij zijne grootmoeder zeggen; toen viel de deur +tusschen hem en haar in het slot. + + + + + +Negentiende Hoofdstuk. + + +De laatste dag van het oude jaar, heeft hij niet iets plechtig +weemoedigs? Het is het gevoel van scheiden, dat het menschenhart +vervult, en een angstig terugdenken en vragen: wat gaf ons het oude +jaar, hoeveel ontnam het ons, en wat zal het nieuwe brengen? Vreugde +of smart, geluk of zwaar verlies? + +Er is een tijd, waarin men zulke vragen nog niet doet, een tijd, in +welken men gelooft dat de toekomst met ieder dag schooner moet worden, +waarin de tuin onzer droomen trotsche bloesems in overvloed draagt, +en men in zalig ongeduld op het opengaan der bloeiknoppen wacht, +om zich in een waarlijk fabelachtige bloemenpracht te bedwelmen; +maar de tijd snelt heen, knop bij knop valt verdord ter aarde; +slechts enkele bloeien eenzaam en beven, dat ook haar de ruwe hand +zal vernielen, die hare zusters trof. En die eens zulke bloesems zag +vallen, staat met een treurig, vragend hart aan den ingang van een +nieuw jaar, vouwt bezorgd de handen, en vraagt onwillekeurig: wat zal +de toekomst mij brengen? Zullen de bloesems mijner hoop verwelken of +bloeien? Het is treurig, als jonge harten deze vragen reeds moeten +doen, wanneer één vorst in de lente al deze zonnige geluk-belovende +bloesempracht verstoort. + +Het was des namiddags tegen vier uur, toen de onrust Liesje naar het +slot dreef; sedert vier dagen was Army reeds weg met haar vader en zij +had nog geen tijding van hem ontvangen. En heden was het oudejaar, +een dag, die vroeger lieve gasten in huis bracht--maar heden? Vader +niet tehuis, moeder zoo stil, tante treurig, oom en tante in de +pastorie in diepe droefheid over hun lieveling. En zij? + +Zij ging weder de allée door naar het slot; zij wilde vragen, of +zijne moeder of Nelly misschien tijding van hem hadden? De brief +haars vaders was zoo kort geweest; alles was gebleken veel verwarder +te zijn, dan hij gedacht had, schreef hij; wanneer hij terugkwam, +was nog onbepaald--geen woord voor haar over Army! + +Zij moest heden iets van hem hooren.--Zij zag onder het gaan door +de kale takken der boomen en de allée naar het bordes, dat juist +te voorschijn kwam. Aan den hemel hingen zware, grauwe wolken, en +een onaangename, zoele lucht kwam haar tegemoet; bij de spaarzame +verlichting zag het oude slot er recht somber uit; zoo ledig, zoo +verlaten, een waar ongeluksnest, zooals tante zeide. Hoevele jaren +zijn gekomen en heengevaren over deze oude daken, en hoevele zullen +nog komen en gaan, en wat zullen zij brengen? Wat men eens verloren +heeft, keert niet weder, en zij, zij had zoo oneindig veel verloren, +den ganschen wondervollen lentetijd der liefde; van al de schitterende +bloeiknoppen waren alleen de doornen overgebleven, die zich in +haar gewond hart gedrukt hadden; geen zoet geluk aan de zijde des +geliefden mans, slechts een leven van krachtige zelfverloochening, +een smartelijke lach, maar geene liefde voor haar. En daarom ook +geen brief. + +Wat zou hij haar ook schrijven? Zij herinnerde zich, hare moeder +eens gezien te hebben, hoe zij met een gelukkig lachje een pakje +oude brieven opende, die in een kistje zorgvuldig bewaard werden. "De +brieven uws vaders," had zij gezegd, toen het jonge meisje haar vroeg, +"uit den tijd, toen wij nog bruid en bruidegom waren." Welk eene +zaligheid straalde daarbij uit de oogen harer moeder! Liesje drukte +de handen op de borst en ging haastig verder. + +Nu trad zij uit de allée en richtte hare schreden naar het voorplein; +een wagen stond voor de zijpoort. "Een wagen, hoe komt hier een +wagen? Zou Army--? Maar neen, dan zou vader immers ook gekomen zijn." + +Zij schudde het hoofd, toen zij om het rijtuig heen liep; het was +een jammerlijke oude kast, klaarblijkelijk een rijtuig uit het dorp. + +Zij trad het slot binnen en bleef opeens in de gang staan; het +scheen haar toe, alsof zij stemmen en voetstappen hoorde. In de lange +gewelfde gang schemerde het reeds, alleen viel op de breede treden +een flauw schijnsel door de trapvensters, die met het groote portaal +in verbinding stonden; aarzelend ging zij verder. + +"Gij hebt het immers niet anders gewild," hoorde zij de eenigszins +barsche stem der oude barones zeggen, "tranen vind ik heusch geheel +onnoodig, Cornelie." + +Tegelijkertijd vernam Liesje het ruischen van kleederen en lichte +voetstappen; op de bovenste trede verscheen de oude barones, zich +half omkeerende naar hare schoondochter en Nelly. Zij was in een oude +fluweelen pels gewikkeld en het trotsche gelaat kwam even onbewegelijk +als altijd uit de zwarte kanten sjaal, die zij om het hoofd geslagen +had, te voorschijn. + +"Het is bezorgdheid voor u, mamaatje," sprak de jonge barones, "in +dit weder! En gij zijt de ongemakken van het reizen niet meer gewoon." + +Reizen? Zij ging op reis? Een oogenblik vervulde een gevoel van +blijdschap Liesje's hart. + +"De noodzakelijke gevolgen uwer handelwijze, Cornelie," klonk het +terug, "heb intusschen geen zorg! Nog ben ik niet zoo zwak, dat ik---" + +"Het is te haastig opgekomen, mama, te schielijk." + +"Te haastig? Ik heb met ongeduld de oogenblikken geteld; het liefst +was ik nog op hetzelfde oogenblik vertrokken." + +"Het valt mij onuitsprekelijk zwaar, u zonder verzoening te zien +heengaan." + +"Ik meen, de verzoening het meest gezocht te hebben, men wilde +mij echter niet verstaan. Denkt gij, dat het mij licht valt, +heen te gaan? In dit oogenblik gevoel ik al het droevige er van, +welke ellendige tijden ik hier ook beleefd heb. Maar blijven onder +de voorwaarden, die de toekomstige heer van Derenberg mij stelde; +blijven om een leven te leiden, zooals hij mij aanbood, om mijne +grondbeginselen aan zijn nieuwe, zeker niet aristocratische begrippen +ten offer te brengen--dat nooit! Ik ben nog uit de oude school: +_Noblesse oblige!_" + +"Zij gaat om mij," fluisterde Liesje. + +"Ik geloof dat Army vertrok, in de zekere hoop, u nog weder te vinden, +mama," smeekte hare schoondochter. + +De oude dame lachte luidkeels. "_Dio mio!_" riep zij. "Hij weet zeer +goed, dat hij mij hier niet meer vindt, en het is zoo goed; ik wil +hem niet weêr zien. Hij wijst een aanbod af, dat hem een schitterende +loopbaan opent---" + +"Ik weet het," viel hare schoondochter in de rede, "de hertog--" + +"Geen woord meer!" gebood de barones; zij ging de trappen af. + +"Blijf gerust, mevrouw de barones!" zeide een bevende stem, en +Liesje boog zich in de schemering voor haar. "Blijf, het is nog niet +te laat; wanneer het zóó gesteld is, dan geef ik Army de vrijheid +terug; ik wist immers niet, dat er zich nog een middel tot zijne +redding had opgedaan---" Zij zweeg, en greep onwillekeurig naar de +gebeeldhouwde leuning der trap. De donkere gestalte der oude dame +voor haar week verschrikt terug; Nelly echter was met één sprong +naast haars broeders bruid. + +"Wat zegt gij daar, Liesje?" vroeg zij, "wat wilt gij doen?" + +"Dat hadt gij vroeger moeten bedenken, mijn kind," zeide de oude dame +bits, "nu kon uw beter doorzicht te laat komen." + +"Ik heb hem willen redden, hem helpen," antwoordde Liesje bedrukt, +"maar nooit wilde ik zijn geluk in den weg staan.--O, het is zeker +nog niet te laat, mevrouw de barones!" riep zij smeekend, toen de +oude dame, het hoofd op hare trotsche, onnavolgbare wijze in den nek +werpend, haar voorbij ging. "Blijf, tot hij komt, genadige vrouw; +zeg hem, dat hij geenerlei verplichting jegens mij heeft! Ik zelf +maak hem vrij, opdat hij elders het geluk vinde, dat ik hem toch niet +geven kan. Hij heeft mij immers niet lief.--O, blijf, blijf!" + +De oude dame schudde de kleine bevende handen niet af, welke haar +mantel vasthielden; zij stond als betooverd en staarde op het schoone +gelaat, dat haar zoo ontsteld aanzag in het schemerachtige, sombere +licht van den verdwijnenden winterdag. Hare trekken bleven onveranderd; +geen spoor van medelijden met het beangstigde kind blonk in de schoone +oogen, geen enkel woord kwam over hare lippen. + + + +Daar klonk een haastige, welbekende voetstap door het portaal, en +in het schemerlicht van de gang verscheen een slanke, mannelijke +gedaante. Het jonge meisje zag hem met brandend droge oogen +tegemoet--kwam hij nog? Zou zij hem hier nog ontmoeten? Moest haar +deze ure dan nog zwaarder gemaakt worden? Als wilde zij niets meer +zien, om sterk te blijven, sloeg zij de handen voor het gezicht. + +"Wat gebeurt hier?" klonk haar zijne stem haastig en opgewonden in +'t oor, "mijne verloofde weent?" + +Zijne verloofde! Wat deed dat woord haar onuitsprekelijk zeer--was +zij toch maar weg van hier, duizend mijlen ver, om deze kwelling +te ontvlieden. + +"Zij is verstandiger dan gij," antwoordde de oude dame, "nog ééns +staat gij aan den kruisweg, want zij is bereid terug te treden--" + +"Omdat gij het haar aannemelijk gemaakt hebt?" vroeg hij morrend. + +"Neen, Army," kwam zijne moeder er tusschen, "Liesje hoorde toevallig, +dat grootmama--" + +"Wat hebt gij gehoord, Liesje?" vroeg hij, zijn arm om haar heen +slaande en zich tot haar nederbuigende; wat klonk zijne stem opeens +teeder! + +Zij antwoordde niet, maar de tranen rolden haar nu uit de oogen over de +teedere vingers, die nog altijd haar gelaat bedekten. Zij zag niet, +hoe angstig hij haar aanschouwde; zij voelde alleen de brandende +smart, dat zij hem toch nog moest laten gaan, dat zelfs een leven +zonder liefde aan zijne zijde nog een paradijs was bij de ledigheid +die haar wachtte, wanneer zij van hem afzag. + +"Liesje," smeekte hij, "kondt gij werkelijk zoo--zoo verstandig zijn, +als grootmoeder zooeven beweerde?" + +Zij knikte. + +"Ja, ja!" snikte zij, al hare zelfbeheersching verzamelende, "ik wist +immers niet, dat de hertog u helpen wilde, anders--och, anders was +ik nooit hier aangekomen, om--ik geloofde--ik, ik alléén kon u redden." + +"Dat kunt gij ook," sprak hij zacht, "gij alleen kunt het, anders +geen mensch op de gansche wijde wereld." + +Hij nam haar de handen voor het gezicht weg en zag haar in de +betraande oogen. + +"Liesje, als gij wist, hoe ongerust ik over u geweest ben--" + +Zij schudde het hoofd. + +"Mij zweefden," ging hij voort, "onophoudelijk een paar treurige blauwe +oogen voor den geest, en een lang verleden, droevige geschiedenis +van twee even zulke blauwe oogen, die van kommer en harteleed +gestorven zijn; als ik daaraan dacht, greep ontzetting mij aan, +en mijn angst, mijn voorgevoel was niet ongegrond, bijna was ik te +laat gekomen--nietwaar?" + +"Neen, neen Army; het is medelijden van u; gij weet niet, wat gij van +u werpt; een schitterend leven, een grootsche loopbaan--laat mij! Nog +is het niet te laat," smeekte zij. + +"Dwaas kind! ik weet zeer goed, wàt ik weiger, ik weet echter ook, +wat ik daarvoor win--het beste, het edelste, het reinste, wat de +wereld bezit." + +Het was stil geworden op de oude, gewelfde trap, stil en donker; +beneden reed ratelend een wagen over den straatweg.--De laatste dag +des jaars liep ten einde; wat zal het nieuwe brengen? + + + + + +Twintigste Hoofdstuk. + + +De aarde stond in volle lentepracht. Het eerste jonge groen tooide boom +en struik; in Ervings tuin bloeiden narcissen en vlier; de goudenregen +boog zich over de haag, en de met roode bloemen prijkende takken van +den hagedoorn hingen zwaar neder onder al hare bloemenpracht. In het +park echter wiegde de zoele wind de jonge bladeren der lindeboomen, en +kuste ieder grassprietje op de smaragdgroene weilanden, als wilde hij +haar vertellen van nieuwen lust en nieuw leven. En nieuwe lust en nieuw +leven verkondigde ook de waterstraal, die uit het oude zandsteenen +bekken kristalhelder omhoog steeg, om ruischend en fonkelend weder +neer te vallen. Evenals in lang verleden tijd, stond het portaal, +met zijne massieve zware vleugeldeuren, wijd open, als wist het, dat +spoedig, binnen weinige weken, de gelukkige slotheer zijn jonge schoone +vrouw over den ouden drempel van zijn voorvaderlijk huis zou leiden; +van de trappen van het bordes was het groene mostapijt verdwenen, +en de beide oude beren zagen verwonderlijk trotsch uit onder een paar +groote eiken kransen, die een schalksche hand hun op de eerwaardige +hoofden gezet had. + +De lange reeks van vensters op het slot waren geopend; slechts voor +enkele hingen zware gordijnen; deze vertrekken hadden geen behoefte aan +de voorjaarszon, want hun bewoonster ontbrak; zij was weg, werkelijk +weg. Geen spier in haar trotsch gelaat had getrild, toen zij op dien +oudejaarsavond in het ellendige rijtuig steeg, dat haar wegvoerde van +de plaats, die jaren lang haar tehuis was geweest. Koud en vluchtig +hadden hare lippen op het voorhoofd van hare schoon- en kleindochter +gerust; zij wist wel, dat daar boven in de schemering haar kleinzoon +zich een geluk had verzekerd, bij welks glans al het andere verbleekte, +en dat hare oogen verblindde--aldus besloot deze eenmaal zoo bewonderde +ster hare rol, en toen zij het oude bordes voorbij reed, balde zij de +fijne handen, terwijl Sanna zich snikkend uit den wagen boog--voorbij, +voorbij! Wat zal háár het komende jaar brengen? + +En nu werd de jonge heer iederen dag terug verwacht. Hij was tot aan +de overname van het landgoed op de bezittingen van een vriend geweest, +om zonder tijdverlies zich met zijn werkkring bekend te maken. Daar +boven in het kleine torenkamertje stond Nelly met den ouden Hendrik; de +beide ronde vensters waren eveneens geopend; zij zag met een glimlach +van geluk naar buiten over het park, en hare blikken bleven op de in +'t zonnelicht fonkelende ramen van den papiermolen rustten, die als +onder bloesems begraven lag. + +"Zie, Hendrik," riep zij, "nu weet ik ook, waarom mijn broeder schreef, +dat wij juist deze kamer voor hem gereed moesten maken." + +"O ja, hier is een prachtig uitzicht," zeide de oude, met een +beteekenisvol lachje op het gerimpelde gelaat; mijnheer de baron zal +dit vertrek niet weer willen verlaten, wanneer hij er eens in woont." + +"Het is hier ook zoo wonderschoon!" riep Nelly, het kleine, ronde +vertrek beschouwende; "hoe gezellig! en dan het uitzicht!" + +Hendrik schoof een paar ouderwetsche stoelen, die bij een klein +sofatafeltje stonden, voor de honderste maal te recht; "en nu nog de +eikenkransen buiten om de deur, genadige freule! Dan kan hij komen; +dan is alles gereed, buiten en binnen; ik had toch niet gedacht, +dat ik _dat_ nog beleven zou," eindigde hij en schudde vroolijk het +grijze hoofd; "het gaat wonderlijk op de wereld, genadige freule! ja +wonderlijk." + +Op den molen ging alles uiterlijk den ouden gang, alleen ontbrak +sedert vele weken de huisvrouw; zij was met de zieke Bertha van den +meesterknecht naar Italië vertrokken, maar zou spoedig terugkeeren, +zooals het bericht luidde, gezond en sterk. + +Tante echter maakte zich bezorgd over haar lieveling; zij was naar +hare meening een te stille bruid. Halve dagen lang, kon het meisje +peinzend en droomend voor zich heen zien; het liefste zat zij alléén in +haar kamertje en liet tante zich aftobben met de zware rollen linnen, +die zij om te knippen en te naaien uit de oude kasten te voorschijn +haalde. "Het is haar alles onverschillig," mompelde zij bedroefd, +toen hare oogen over deze belangrijke schatten van iedere huishouding +gleden. "Zij stelt geen belang in haar uitzet; het arme kind, zij mist +zooveel; zij weet immers niet hoe het is, als iemand zijn schat zoo +hartelijk liefheeft." Iederen avond echter, sedert dien oudejaarsdag, +vouwden zich de oude handen tot een dankgebed, dat de oude barones +weg was. + +Weder daalde een geurige, door de maan beschenen Mei-avond op de aarde +neder, en weder zat de oude vrouw aan het venster van het kamertje, +de handen gevouwen, en peinsde. Buiten ruischte weder het water op +de bekende melodie; de oude klok sprak daartusschen haar eentonig +tiktak en uit den hof klonk het gezang der dienstmeiden. + +"Waar is Liesje toch!" vroeg zij bij zich zelve. "Of hij ook geschreven +heeft, wanneer hij komt?" Zij stond op en dribbelde uit de kamer; +de stralen der maan dansten over het goede, oude gezicht en de +sneeuwwitte muts. "Liesje! riep zij in de woonkamer--geen antwoord; +zij keerde terug door de donkere gang, de trappen op. "Zij zal toch +niet schreien?" dacht zij,--zij zag in het gezellige meisjeskamertje +rond, nergens een spoor van de gezochte. Hoofdschuddend keerde zij +zich om en richtte onwillekeurig hare schreden naar een andere deur; +zacht opende zij deze; het maanlicht vervulde de kleine ruimte met +een wit helder schijnsel, en in dit zilveren licht stond onbeweeglijk +de liefelijke gestalte van het meisje, en zag door het venster naar +buiten. Als vastgenageld bleef de oude vrouw staan, en staarde de +zoo goed bekende verschijning aan: was het dan weder de tijd harer +jeugd? Was het Lisette die daar stond? + +"Hij komt," jubelde een zachte stem, "hij komt. Ik heb het licht +gezien." En vlug was Liesje de oude vrouw voorbijgeslopen, en toen +als een liefelijke fee verdwenen. + +Waarlijk, daarboven flikkerde een licht in het torenkamertje; +de oude vrouw hield zich vast aan het tafeltje bij het raam en +tuurde naar de overzijde; de droom harer jeugd was weer ontwaakt; +"Almachtige God!" zeide zij zacht en sloeg de handen in elkander, +"droom ik dan, droom ik?" + +En toen moest zij naar beneden. Met aarzelende schreden verliet zij +het huis; de tuin lag in het heldere maanlicht, een bedwelmende +bloemengeur woei haar tegen; evenals in den lang, lang verleden +tijd harer jeugd wandelde zij verder; de nachtegalen sloegen zoo +vertrouwelijk, en van de overzijde van den weg klonk in bevende +klanken het eentonig gezang der kikvorschen. Nu kwam zij aan het +grindpad voor het priëel--waarlijk, daar binnen werd gefluisterd; +zacht sloop zij naderbij, en boog de takken terug--daar zaten zij +naast elkander op de bank; zij had den arm om zijn hals geslagen, +terwijl zij haar gelaat aan zijne borst verborg, en hij kuste telkens +en telkens. Nu hief zij het hoofd op, en in het heldere maanlicht, +dat haar bestraalde, zag de oude vrouw een paar groote, blauwe oogen, +die met de uitdrukking van het reinste geluk aan zijn gelaat hingen +dat zich over haar heen boog. + +Behoedzaam liet zij de takken vallen en trad terug--zij had genoeg +gezien. Zacht, zeer zacht ging zij het pad weder langs, en wischte nu +en dan de oogen af met haar voorschoot. Onder de lindeboomen voor de +huisdeur was het donker; zij zette zich op de zandsteenen bank neder +en zag naar den tuin met gevouwen handen; en hare lippen prevelden +een vurige dankzegging; wat zij nauwelijks had durven hopen, was +waarheid geworden. + +Van de overzijde des waters klonk een heldere meisjesstem tusschen al +de melodieën der lente door; een licht gewaad blonk in het maanlicht; +al nader en nader kwam het gezang, en duidelijk klonk ieder woord in +de ooren der oude vrouw: + + + "Stil naakt de liefde--als Lente doet, + Wen zij 't gebied herovert,-- + Terwijl zij rozen, vol van gloed, + Aan dorre twijgen toovert. + + Zij wekt de schoonste melodij + In 't hart, dat nog zoo even + Geen enk'le roos, geen schoone Mei + Meer had gehoopt in 't leven. + + +"Liesje! Army!" riep zij luide in den tuin, toen zij onder de +lindeboomen stond, "waar zijt gij?" + +Geen antwoord--alleen de nachtegalen vervolgden hun gezang. + +"Laat hen, Nelly," sprak een oude stem naast haar, en eene hand trok +haar op de bank neder, "laat hen de lente genieten! Er waren reeds +zoovele stormen, vóór hunne rozen konden bloeien." + +En het maanlicht trilde op de toppen der boomen; het water ruischte, +en "God beware hun de rozen en de lente!" fluisterde de mond der oude +vrouw, "de rozen en de lente!" + + + + + + + + + + + + + +J. F. VAN DRUTEN te SNEEK, geeft mede uit: + + +_Wilhelmina Heimburg_, UIT HET LEVEN MIJNER OUDE VRIENDIN, uit het +Hoogduitsch door Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo, +f 2,80. + +_Wilhelmina Heimburg_, HAAR EENIGE BROEDER, uit het Hoogduitsch door +Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo., f 3,00. + +_Wilhelmina Heimburg_, WOUDBLOEMEN, uit het Hoogduitsch door Mevrouw +_Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo, f 3,00. + +_Wilhelmina Heimburg_, VOORHEEN. Een viertal novellen, met kort +Levensbericht en Portret van de Schrijfster, uit het Hoogduitsch door +Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo f 2,75. + +_Wilhelmina Heimburg_, EEN ARM MEISJE, uit het Hoogduitsch door +Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo, f 2,80. + + + 't Is een eenvoudige geschiedenis, maar de kennisneming + ten volle waardig en voor onze huiselijke leeskringen een + welkome aanwinst. + + Hier geene onmogelijke of buitensporige karakters of verdachte + toestanden, maar menschen en omstandigheden, zooals men ze in + 't leven veelvuldig aantreft en in wier deugden en zwakheden we + ons zelven en onze vrienden herkennen en uit wier geschiedenis + we levenswijsheid kunnen leeren, terwijl de lezing ons een + aangename verpoozing schenkt. + + .... Hoe dit alles ten einde loopt en onze heldin ten slotte + het geluk vindt, dat ze zoozeer waardig is, mogen we den + aanstaanden lezer niet verraden. Dat mocht te kort doen aan + het genoegen, dat we hem of haar bij de lezing met volle + vrijmoedigheid durven voorspellen. + + _Tijdspiegel._ + + + Dit werk kunnen wij voor leesgezelschappen niet genoeg + aanbevelen; ieder zal met voorliefde dit werk van Wilhelmina + Heimburg ter lezing vragen. De spanning wijkt onder het lezen + geen oogenblik, zonder dat daartoe eenig kunstmiddel behoeft + dienst te doen. De schrijfster weet zóó aardig te vertellen, + dat de roman in den smaak moet vallen bij elken minnaar van + romanliteratuur. + + _Rotterd. Nieuwsblad._ + + + Het werk is ten eenemale vrij van gezochtheid, terwijl het zich + ook door kiesheid van vorm en uitdrukking gunstig onderscheidt. + + _Leeswijzer._ + + + Wilhelmina Heimburg is eene der liefelijkste schrijfsters van + onzen tijd, en de wijze, waarop zij het vrouwenkarakter weet + te schilderen, geeft een bijzondere waarde aan hare verhalen. + + _Kerkel. Courant._ + + + Wilhelmina Heimburg wordt een geduchte concurrente voor + Marlitt, Werner en andere populaire Duitsche schrijfsters. Wij + voorspellen aan "Een arm meisje", vele lezers en vooral + lezeressen. De schrijfster gebruikt geen nieuwe motieven, + maar schrijft goed en met gevoel. + + _Vaderland._ + + + "Wilhelmina Heimburg heeft de gave zóó te vertellen, dat + men alles om zich heen vergeet. .... Zonder kunstmiddelen + weet zij de belangstelling te wekken en gaande te houden; + de toestanden waarin zij den lezer verplaatst, zijn altijd + _waar_ en _natuurlijk_." + + _Portefeuille._ + + +_Josephine Bouberg Wilson-Giese_, DE KRING DER VAN DUIJVESTEINS. 2 +deelen in gr. 8vo, f 5,80. + +_Fayr Madoc_, DOKTER TRIAMOND. 2 deelen in gr. 8vo, f 5,20. + +_Felix Dahn_, DE KRUISVAARDERS. Eene vertelling uit de 13de eeuw, +uit het Hoogduitsch door _J. Van Loenen Martinet_. 2 deelen in gr. 8vo +f 4,90. + + Aanbeveling behoeft het boek niet. De naam van schrijver en + vertaler doen reeds iets goeds verwachten, en die verwachting + wordt niet beschaamd. Ook hier zal men, de gemakkelijke + dialoog, de kernachtige karakter-beschrijving, de sobere, + schoone zinsbouw en de dichterlijke vlucht, waaraan Dahn + zijne lezers gewend heeft, terugvinden. + + _Ind. Mercuur._ + + + De vertelling--waarom niet roman--speelt in de vijfde + kruistocht, ondernomen door Frederik II met de hulp der + ridders van de Duitsche Orde. Freytag koos ook dat tijdvak + in een deel zijner _Voorouders_. Felix Dahn verplaatst ons, + met zijn groot talent, in het _Heilige Land_ en in _Tyrol_ en + voert daar personen ten tooneele, die ware portretten vormen + uit den zonderling bewogen tijd. Wij hebben met genot kennis + gemaakt met dit _aantrekkelijke_ en _onderhoudende_ boek. + + _Kerkel. Courant._ + + +_George Taylor_, CLYTIA. Historische Roman uit de 16e eeuw, uit het +Hoogduitsch door _J. Van Loenen Martinet_. Twee deelen, post 8vo, +f 4,50. Geb. in twee prachtbanden f 5,80. + + "Een der _degelijkste_, _krachtigste_, in meer dan één opzicht + _keurigste_ romans van den jongsten tijd, is het door den heer + J. Van Loenen Martinet in het Nederl. vertaalde werk "Clytia" + van George Taylor (Prof. D. Hausrath te Heidelberg). Ieder + ontwikkeld lezer zal erkennen hier te doen te hebben met + een _rijken inhoud_, die beheerscht wordt door een ernstigen + geest, een gelukkigen tact van groepeeren en een aangename + manier van vertellen." + + _Hoofdartikel Zondagsbl. N. v. d. D._ + + + + + + +End of Project Gutenberg's Liesje van den Lompenmolen, by W. Heimburg + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIESJE VAN DEN LOMPENMOLEN *** + +***** This file should be named 25495-8.txt or 25495-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/5/4/9/25495/ + +Produced by Anna Tuinman, Branko Collin, Eline Visser, +Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading +Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
