summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/25495-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '25495-8.txt')
-rw-r--r--25495-8.txt8922
1 files changed, 8922 insertions, 0 deletions
diff --git a/25495-8.txt b/25495-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d34ea88
--- /dev/null
+++ b/25495-8.txt
@@ -0,0 +1,8922 @@
+The Project Gutenberg EBook of Liesje van den Lompenmolen, by W. Heimburg
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Liesje van den Lompenmolen
+
+Author: W. Heimburg
+
+Release Date: May 16, 2008 [EBook #25495]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIESJE VAN DEN LOMPENMOLEN ***
+
+
+
+
+Produced by Anna Tuinman, Branko Collin, Eline Visser,
+Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
+Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Liesje van den Lompenmolen.
+
+ Naar het Hoogduitsch
+
+ Van
+
+ W. Heimburg.
+
+
+
+ Tweede druk.
+
+ Te Sneek. Bij J. F. van Druten.
+
+ 1886.
+
+
+
+
+
+
+
+Eerste Hoofdstuk.
+
+
+In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur
+in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijn ouderwetsche
+meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks.
+
+In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer
+veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood van den korten
+winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen
+achtergrond van het venster. Zij heeft de smalle handen gevouwen,
+en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs.
+
+"Mama," zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde
+krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoel bij den
+haard zit te breien. "Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk
+lang in grootmama's kamer; wij zullen er wel weder niet toe komen,
+naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft
+slechts acht dagen verlof, en daarvan zijn er reeds vier om. Vandaag
+had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;--wat moet Liesje wel denken,
+dat hij daar nog in 't geheel niet geweest is?"
+
+Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder
+genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijk
+gelaat.
+
+"Heb geduld, Nelly!" antwoordde de moeder, en liefkoosde de bloeiende
+wangen der dochter. "Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet
+Army blijven, zoolang zij het wil; grootmama zal hem veel te zeggen
+hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven
+zooveel behoefte.--Steek de lamp aan! Gij weet, er is nog veel aan
+Army's linnengoed te doen."
+
+Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna
+onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichtte de lamp
+het vertrek, 't welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele
+inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheid kenmerkte.
+
+Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu
+viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, dat duidelijke
+sporen droeg van veel kommer en lijden.
+
+Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit
+oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; want in de
+gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop
+werd de deur geopend;--een bevallig, jong officier trad binnen; zijn
+negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet.
+
+"Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den
+molen gaan," zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende,
+de armen om zijn hals; "ik haal schielijk mijn kap en mantel, want
+lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt 's avonds vroeg
+gegeten," en verheugd wilde zij zich heen spoeden.
+
+"Nelly!" riep de jonge man en hield haar terug; "laat dat nu
+blijven! Dat--voegt niet meer," liet hij er eenigszins verlegen
+op volgen.
+
+"Voegt dat niet meer?" Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan.
+
+"Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met
+wien men wil, juist omdat men een kind is; als officier kan dat echter
+niet meer."
+
+"Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd
+zoo graag mede."
+
+"Kom, Army!" sprak de barones, "dat meent gij niet; het zijn
+achtenswaardige lieden daar op den molen, die het altijd goed met u
+gemeend hebben; het zoude ondankbaar zijn."
+
+"Maar, mama, ik bid u," antwoordde hij knorrig, "die lieden behooren
+tot den onbeschaafden stand. Verbeeld u, dat de molenaar eens te
+B. kwam en den ongelukkigen inval kreeg, mij te bezoeken. Ik zou er
+immers dood mee verlegen worden!"
+
+"Het zijn volstrekt geen onbeschaafde menschen," riep Nelly uit;
+"dat kan slechts grootmama u gezegd hebben, die nu eenmaal de
+lompenmolenaars-familie volstrekt niet lijden mag."
+
+"Lompenmolenaars! Daar hebben wij het!" lachte de jonge officier. "Laat
+ieder in zijn eigen stand blijven! Ook gij, Nelly, zult dáár niet
+altijd kunnen blijven verkeeren. Wanneer gij eerst uwe sleepjaponnen
+draagt--dan is het ook met u: adieu, Liesje!"
+
+"Nooit!" antwoordde het jonge meisje heftig, "ik zou des nachts
+naar den molen gaan, wanneer men het mij des daags verbood. Liesje
+is mijn eenigste vriendin. Wat moet ik nu als reden opgeven dat gij
+niet komt?" Zij barstte in tranen uit.
+
+"Daar zal wel een reden voor te vinden zijn, Nelly; schrei toch
+niet!" troostte haar broeder. Zijn stem klonk teeder, evenals vroeger,
+toen hij de pop zijner zuster brak, en niet wist hoe haar te troosten.
+
+"O, niet waar, Army," bad zij en zag vol vertrouwen naar hem op, "gij
+hebt mij slechts willen plagen,--wij gaan naar den molen, aanstonds?"
+
+Hij stond een oogenblik besluiteloos; in zijne verbeelding zag hij
+een kleine meisjesgestalte, zooals hij die vroeger honderdmaal gezien
+had, Liesje, lompenmolenaars Liesje van den papiermolen, daar beneden
+in het dal. Zij zag hem met de helderblauwe kinderoogen aan; de roode
+lippen openden zich: "Army, gaat gij mede? Tante zal ons appelen geven,
+en in het park heb ik een vogelnest gezien; kom Army, kom toch!"
+
+Onwillekeurig maakte hij eene beweging, alsof hij zijne muts
+wilde opnemen, die op de tafel lag. Het licht der lamp viel op een
+fonkelenden ring aan zijn hand, in welks groenachtigen steen het
+wapen der Derenbergs blonk; één vluchtige blik hierop en--haastig
+greep hij zijne muts en wierp die op een nabij staande tafel.
+
+"Kwel mij niet!" zeide hij kortaf en keerde zich om.
+
+Er ontstond een lange pauze; het jonge meisje stond op en zette zich
+op hare vroegere plaats, het hoofdje diep over haar werk gebogen;
+maar de kleine vingers, welke de naald voerden, beefden, en uit de
+oogen vielen groote tranen op het witte naaiwerk. De barones zuchtte,
+en vestigde een smartelijken blik op den zoon, die onophoudelijk de
+kamer op en neder ging. De oude rococo-klok sloeg zes uur en begon
+een lang vergeten liefdesliedje te spelen; de zoete melodie klonk door
+de kamer en nog altijd heerschte er een drukkend stilzwijgen tusschen
+deze drie menschen, door de innigste liefde aan elkander verbonden.
+
+"Army," sprak eindelijk de bleeke vrouw, "wanneer gaf grootmama u
+den ring, dien gij nu aan den vinger draagt?"
+
+Hij bleef voor den haard staan, en met de pook in het vuur stootende,
+dat de vonken omhoog vlogen, zeide hij;
+
+"Heden middag, zooeven, toen ik bij haar was!"
+
+"Weet gij ook, dat het uws vaders ring is, Army?"
+
+De jonge man keerde zich plotseling om. "Neen, mama, dat heeft
+grootmama mij niet gezegd; zij sprak slechts in het algemeen over de
+beteekenis van het wapen en--"
+
+"Nu, mijn kind, dan zal ik het u zeggen," klonk het van de lippen
+der barones, met een van aandoening bevende stem. "Het is de ring,
+dien grootmama eens van de koude, verstijfde hand uws vaders trok,
+toen hij--gestorven was" De laatste woorden klonken als een half
+onderdrukte snik. De spreekster zonk als bezwijmd in haar stoel neder.
+
+"Mijn lieve, goede Mama!" riep Army en stond in een oogenblik naast
+haar, terwijl Nelly, over haar heen gebogen, haar wang tegen het met
+tranen besproeid gelaat drukte. "Ween niet, lieve mama!" bad hij,
+"ik zal den ring zoo hoog in eere houden, als dat slechts een zoon
+vermag, die trotsch is op de nagedachtenis zijns vaders; ik wil mijn
+best doen, even goed, even edel te worden, als hij was."
+
+Uit deze woorden, zoowel als uit den blik, dien hij op zijn weenende
+moeder sloeg, sprak nog de volle overtuiging van een kinderlijk
+gemoed, de innige vereering, die in den gestorven vader den edelste
+der menschen ziet. Maar de uitwerking dier woorden was een bijna
+verpletterende. De slanke gestalte der barones richtte zich overeind;
+als wezenloos zag zij haar zoon aan, en: "Army, almachtige God!" riep
+zij in vertwijfeling uit, "o, slechts _dat_ niet, slechts _dat_ niet!"
+
+"Mama is ongesteld," zeide de zoon en haastte zich naar de
+schellekoord.
+
+Doch een flauw: "Kom hier, Army! het wordt reeds beter," bracht hem
+aan hare zijde terug; zij nam dankbaar een glas water aan en sprak,
+terwijl zij poogde te glimlachen:
+
+"Ik heb u verschrikt, arme kinderen. De herinnering aan den dood uws
+vaders is nog heden voor mij diep treurig; maar nu Army op het punt
+staat zijne intrede in de wereld te doen, moet ik met u over het
+verledene spreken, iets wat ik tot nu toe steeds vermeden heb. Gij
+zult u zeker wel eens in stilte verwonderd hebben," ging zij na een
+korte pauze voort, "over de eenvoudige, ingetogene levenswijze die wij
+voeren, over het volstrekte gemis van weelde en overvloed. Ach, Army,
+niet om mijnent- alleen om uwentwille doet mij dat leed. Gij gaat
+de wereld in onder de drukkendste omstandigheden, die men zich kan
+voorstellen, veroorzaakt door de grenzenlooze lichtzinnigheid uws--"
+
+Zij hield ontsteld op en brak in bittere tranen los.
+
+Army stond met gefronst voorhoofd bij den haard en zag tot de weenende
+vrouw op; de vroolijke uitdrukking was van zijn gelaat als weggevaagd,
+en om zijn mond was een trek van bittere teleurstelling zichtbaar.
+
+"Toen ik hier kwam wonen aan de zijde uws vaders, ik, een kind van
+nauwelijks zeventien jaar," hervatte de barones, "vond ik hier enkel
+pracht en een vroolijk leven. Het slot Derenberg was sedert jaren
+beroemd wegens zijne gastvrijheid, en uwe grootmama verstond de kunst,
+de eer des huizes op te houden. Zij was toen nog beeldschoon, en haast
+even betooverend als op haar portret in de groote familiezaal boven;
+zij hield hartstochtelijk veel van pracht en praal. Jegens mij was zij
+zóó lief en goed, dat ik waarlijk meende, een tweede moeder gevonden te
+hebben. Ach, die korte glansrijke tijd was de schoonste mijns levens,
+en toen ik u aan mijn hart mocht drukken, mijn Army, en u, mijne Nelly,
+toen ontbrak er niets meer aan mijn geluk.--Daarop echter kwam het
+vreeselijke: de dood uws vaders. Plotseling en onverwacht trof ons
+het ongeluk."
+
+Zij huiverde en drukte de bevende handen tegen de slapen, als om
+zich te herinneren, of dat, wat zij verhaalde, werkelijk tot het
+verleden behoorde.
+
+"Na zijn dood werd de oude justitieraad Hellwig mij als curator
+ter zijde gesteld. Het bleek, dat onze zaken meer dan verward
+waren. Waarheen het oog zich ook wendde--hypotheken, pandbrieven,
+onbetaalde rekeningen; het was eene wanorde zonder wederga, waarin
+grootmama en ik ons eensklaps verplaatst zagen. Hoe vele slapelooze
+nachten, hoe vele kommervolle uren zijn sedert verstreken, en toch
+is tot heden, trots alle bemoeiingen van den ouden Hellwig, nog geen
+licht in den chaos gekomen."
+
+"Wind u niet op, lieve mama!" bad de jonge officier, "ik wist het
+immers reeds lang, dat wij in bekrompen omstandigheden leven, hoewel
+ik niet vermoeden kon, dat wij zoo arm zijn; maar houd goeden moed! Er
+komen zeker ook weder andere, betere tijden, en grootmama heeft mij
+nog onlangs gezegd, dat de zaken niet zoo hopeloos stonden, daar wij
+toch nog een rijke erfenis van tante Stontheim te wachten hebben."
+
+"Grootmama gelooft stellig aan deze erfenis, maar--"
+
+"Zij wenscht," viel de jonge man zijne moeder haastig in de rede, "dat
+ik, alvorens naar mijn regiment te gaan, tante Stontheim zal bezoeken."
+
+"Ik heb er niets tegen, mijn kind, en wensch van ganscher harte, dat
+grootmama zich niet bedriegt; maar wij moeten niet vergeten, dat de
+Derenbergs in Koningsbergen evenveel recht op de erfenis hebben als
+wij; de dochter van den overste Derenberg van het zestiende regiment
+heeft hetzelfde recht als gij en Nelly."
+
+Op dit oogenblik opende Sanna, de oude dienstbode der barones, de hooge
+vleugeldeur, en de oude barones Derenberg trad binnen. Nog altijd een
+statige, gebiedende verschijning, ging zij, trots haar zestig jaren,
+nog volkomen rechtop. Zij droeg haar eenvoudig wollen kleed met
+dezelfde waardigheid als vroeger haar zwaar zijden sleepjapon. Haar
+dik, nog altijd donker haar, aan de slapen een weinig naar achteren
+gestreken, werd door een kanten mutsje bedekt, waaronder een paar
+groote zwarte oogen fonkelden. Over haar geheele verschijning lag
+een echt aristocratisch waas, en de fijne trekken drukten een niet te
+buigen trots uit. Hoe oud geleek die lijdende, gedrukte schoondochter
+naast deze indrukwekkende vrouwengestalte!
+
+Army ijlde haar te gemoet; hij ontnam haar een groot boek, dat
+zij in de hand hield, en geleidde haar naar den haard, waar Sanna
+ondertusschen eenige stoelen gereed gezet had. Ook haar kleindochter
+was opgestaan, en de bleeke vrouw veegde in stilte de laatste tranen
+uit haar oogen weg.
+
+"Waarover werd hier gesproken?" vroeg de oude barones, terwijl zij
+plaats nam aan den haard en de dienstbode wenkte, heen te gaan. "Ik
+hoorde zoo iets van 'dezelfde rechten als Army en Nelly.'"
+
+"Wij spraken over tante Stontheim en de erfeniskwestie," antwoordde
+hare schoondochter, zich ook aan den haard zettende, "en ik gaf als
+mijne meening te kennen, dat Blanka van Derenberg uit Koningsbergen
+evenveel recht op de erfenis zou hebben als onze kinderen."
+
+"Blanka? welk een idée!" riep de oude dame schouderophalend, "dat
+roodharige, klierachtige schepsel? Tante Stontheim heeft--goddank!--een
+te goeden smaak, om zulk een dwaasheid te doen;--overigens had zij,
+voor zoover ik mij herinneren kan, een zeer billijken afkeer van dien
+snoevenden overste en zijn hoogblonde gemalin, die hij, God weet! in
+welken hoek van Engeland of Schotland heeft opgedaan. Zij is immers
+een miss Smith of Newman? Nu, zoo iets duisters is het. Neen, Cornelie,
+dat is weer een van die ongehoorde, gezochte geschiedenissen, waarmede
+gij u-zelve en anderen kwelt."
+
+De toon harer stem klonk spotachtig, zooals gewoonlijk, wanneer de
+trotsche vrouw tot haar schoondochter sprak.
+
+"Ik meende slechts," antwoordde deze zacht, "dat men toch niet met
+zekerheid---" hier hield zij op. "Het leven geeft reeds zoo vele
+teleurstellingen, dat men werkelijk--"
+
+"Army zal het bij de oude, knorrige tante wel zoover weten te brengen,
+dat zij hem het waarlijk vorstelijk vermogen vermaakt," viel de oude
+dame haar bits in de rede.
+
+"Hoe bedoelt gij dat, grootmama?" klonk plotseling de stem des jongen
+mans. "Gij verlangt toch, hoop ik, niet, dat ik--een erfenisjager
+worden zal, zooals men dat noemt? Ik zal haar beleefd en hoffelijk
+bejegenen, zooals tegenover eene dame betaamt, maar dat is ook
+alles--kruipen kan ik niet;--wat zij mij vrijwillig niet wil geven,
+mag zij behouden!"
+
+Verbaasd richtte de grootmoeder zich uit haar achtelooze houding op,
+en haar oogen fonkelden van toorn over deze onverbloemde verklaring
+van haren kleinzoon. "Zou men dat wel van zulk een jongen melkbaard
+gedacht hebben?" vroeg zij op een toon, die zij te vergeefs poogde
+schertsend te doen klinken, want haar stem beefde van ergernis. "Wel,
+Army! hebt gij met den cadettenrok ook den eerbied afgelegd en meent
+gij, wijl gij sedert acht dagen de épauletten draagt, nu het recht
+te hebben, uwe grootmoeder te vermanen en haar goede raadgevingen
+te versmaden? Gij zijt nog veel te jong om den toestand, waarin ge
+nu komen zult, juist te kunnen beoordeelen. Is dat jachtmaken op
+erfenissen, wanneer men de liefde eener oude, eenzame bloedverwante
+zoekt te winnen?"
+
+"Ja, grootmama," zeide Army beslist, zonder dat één trek op zijn
+lief gelaat veranderde. "Ja, dat is het, indien men met de liefde,
+ook het geld van iemand zoekt te winnen--"
+
+"Dat men hoog noodig heeft, wil men zijn leven lang geen gebrek
+lijden, en zijne dagen in kommer en ellende slijten, in een slot
+zonder heerlijkheid en inkomsten," viel de oude barones hem toornig
+in de rede en schoof heftig haar stoel achteruit.
+
+"Dat stem ik toe, grootmama; ik zou ook zoo boud niet gesproken hebben,
+zoo er niet nog eene erfgename ware; maar dewijl Blanka--"
+
+"Alweder die Blanka! kent gij haar misschien? Weet gij of zij nog
+leeft, dat ziekelijke schepsel? 't Is akelig, zulke kinderwijsheid
+te hooren uitkramen, die sterk naar de cathechisatie-kamer riekt. Ik
+verlang dringend, Army, dat gij naar Stontheim gaat; ik duld geen
+tegenspraak; heden nog vertrekt de brief, die uwe komst meldt."
+
+"Zeker, grootmama, ik _zal_ gaan," zeide Army beleefd maar koel,
+"zoodra gij het verkiest."
+
+Zij stond op; haar trotsch gelaat gloeide en om den mond plooide zich
+een eigenaardige, hoogmoedige trek; nooit was de overeenkomst tusschen
+grootmoeder en kleinkind meer in het oog vallend geweest. Met vlammende
+oogen en vast op elkander gedrukte lippen, stonden zij tegenover
+elkander, zonder dat de een voor den ander het veld wilde ruimen.
+
+"Gij vertrekt morgen namiddag, met de post van vijf uur," zeide
+de oude koel, en zonder de toestemmende buiging des jongen mans af
+te wachten, groette zij haar ontstelde schoondochter met een nauw
+merkbaar hoofdknikje, en ging heen.
+
+Een pijnlijke stilte volgde, toen de vleugeldeuren achter de hooge
+gestalte der oude barones dicht vielen. Hij, die het gewaagd had,
+de trotsche vrouw tegen te spreken, wier woord een bevel voor alle
+huisgenooten was, hij stond in zoo rustige houding voor den haard,
+en staarde zoo onverschillig in de vlammen, alsof er niets gebeurd
+was. Nelly zag haar broeder verwonderd aan; hij scheen een geheel
+ander mensch te zijn. Niemand sprak een woord, totdat de oude Sanna
+binnentrad met een brief in de hand, en vroeg:
+
+"Heeft Mevrouw de barones ook iets noodig uit het dorp? Hendrik
+moet naar de post; het sneeuwt sterk, en wellicht kon het dan meteen
+geschieden."
+
+De barones antwoordde ontkennend en de oude vertrok. Intusschen was
+Army aan de tafel gaan zitten en bladerde in het boek, dat hij zooeven
+uit de handen zijner grootmoeder genomen had.
+
+"Daar vind ik iets over onze schoone Agnese Mathilde boven in de
+familiezaal," riep hij vroolijk: "kom eens hier, zusje! Dat is
+interressant--hoor maar!"
+
+Het jonge meisje ging naar hem toe, boog zich over de leuning van
+zijn stoel en zag nieuwsgierig naar het geelgeworden papier, dat
+met moeielijk te ontcijferen schrift bedekt was. Hij las, langzaam
+spellende:
+
+"Op den dertigsten November Anno 1694 is hier in het slot Derenberg
+het lijk der hooggeboren vrouwe Agnese Mathilde, barones van en tot
+Derenberg, Schüttenfeld en Braunsbach, geboren vrijvrouwe van Krobitz
+uit het stamhuis Trauen, in den grafkelder plechtig begraven, en wel
+zóó, als zij het bij haar leven zelve beschreven had. En het lijk
+stond in de zaal naast de kapel, en de doodkist was bedekt eerst
+met een fijn wit, en daarover een zwart satijnen lijklaken, waarop
+genaaid was een kruis van zilverdoek. Bovenop lag in het midden een
+verguld zilveren crucifix, en aan elke zijde waren acht kleinere,
+aan het hoofd- en voeteneinde echter grootere op oranjekleurige zijde
+geborduurde wapens van Derenberg en Trauen, bevestigd. De kist werd
+alleen door de adellijken, die in de buurt woonden en hier dikwijls
+feest gevierd hadden, in de kapel gedragen. Daarachter gingen de zes
+zonen der overledene, dan volgde de weduwnaar, die zeer bedroefd was."
+
+"Dat is vervelend," viel de jonge officier zichzelf in de rede,
+"maar wat staat hier?--luister!"
+
+"En de schoone Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg is een
+zeer trotsche en kloeke vrouw geweest, die haar man in alle nooden
+wakker ter zijde stond.
+
+"Zij had een slanke gestalte en rood haar, hetgeen eigenlijk geen
+goed teeken moet zijn, zooals het oude rijmpje zegt:
+
+
+ De schoone vrouw en 't schoone paard,
+ Zijn ongetwijfeld zeer veel waard;
+ En zijn ze zonder booze nuk,
+ Dat is voorwaar een groot geluk.
+ Let daarom op de kleur van 't haar,
+ En is dat rood, dan dreigt gevaar.
+
+
+"Doch zij heeft niet meer gebreken gehad dan andere vrouwen; zij
+was een schoone vrouw; een ridder was voor haar zoodanig in liefde
+ontstoken, dat hij, toen zij zijn smeeken geen gehoor wilde leenen,
+zich uit wanhoop het leven heeft benomen, 't geen God hem moge
+vergeven; en in zijn bloed badende, heeft zij hem voor de deur van
+haar vertrek gevonden, waardoor zij zóó ontstelde, dat haar plotseling
+een zware ziekte is overvallen, zoodat men meende, dat zij ellendig
+zou sterven. De goede God heeft haar echter een spoedige herstelling
+geschonken; maar zij heeft na dien tijd niet weder gelachen, en de
+ridder, een jonker van Streitwitz, is in den slottuin alhier begraven."
+
+"Wat zegt gij daarvan, mamaatje?" riep Army opgewonden; "ik wil graag
+gelooven, dat iemand zich om haar van het leven heeft beroofd; het
+is een wonderschoon gelaat. Ik wenschte wel, dat ik haar beeltenis
+konde meenemen, en op mijne kamer ophangen; zij moet een bekoorlijk
+schepsel geweest zijn, die Agnese Mathilde."
+
+"Wel, Army!" lachte de barones, "ik wist niet dat uw eerste
+verliefdheid eene doode gold! Nu, het is ten minste niet
+gevaarlijk--wat zegt gij, Nelly?"
+
+Nelly zweeg; de opgeruimde stemming wilde niet weder in den kleinen
+kring terugkomen; het jonge meisje zat zwijgend over haar werk gebogen
+en dacht er over, wat zij Liesje ter verontschuldiging zou zeggen;
+Army verdiepte zich weder in de lectuur van het oude boek, en om den
+mond der barones was het vluchtige lachje verdwenen. Nu en dan streek
+zij met de hand over de oogen en zuchtte diep; telkens wanneer zulk
+een bange zucht het oor harer kinderen trof, zagen zij op en rustten
+hun vragende blikken droevig op het bekommerde gelaat der moeder;
+daarop nam elk zijne bezigheid weder ter hand.
+
+"De genadige vrouw barones wenscht op haar kamer thee te drinken,"
+zeide de binnentredende oude Sanna, "zij laat zich bij het avondeten
+verontschuldigen; de barones heeft hoofdpijn."
+
+De oude vrouw droeg een presenteerblaadje met een ouderwetsch kannetje
+en kopje in rococo stijl. Zij was blijkbaar voornemens, haar meesteres
+de thee te brengen en stond nu, op antwoord wachtende, bij de deur;
+zij sloeg een onderzoekenden blik op de drie gestalten, als om te zien,
+welken indruk dit bericht op hen maakte. De peinzende vrouw aan den
+haard scheen haar woorden niet gehoord te hebben en zag verschrikt op,
+toen haar dochter vriendelijk zeide:
+
+"Wij betreuren dat zeer, lieve Sanna, en wenschen grootmama van
+harte beterschap."
+
+"Is uwe genadige vrouw ongesteld, Sanna?" vroeg de barones.
+
+"Ja zeker," antwoordde deze, en de groote, beenige figuur richtte
+zich in haar volle lengte op, terwijl zij met haar grauwe oogen de
+vragende strak aankeek. "De barones was reeds niet wel, toen zij van
+hier ging, want zij kwam met hevige hartkloppingen in haar kamer;
+ik heb haar reeds drie bruispoeders moeten geven. Als het maar niet
+iets ergers wordt!"
+
+Er lag iets verwijtends, onbeschaamds in dit antwoord, minder nog in de
+woorden, dan wel in de stem en de uitdrukking van het gelaat, zoodat de
+barones Derenberg van verontwaardiging kleurde. "Het spijt mij zeer,"
+zeide zij, haar stem verheffende en Sanna met de hand wenkende heen
+te gaan; "ik hoop dat de genadige vrouw morgen weer hersteld zal zijn."
+
+"Zeer goed," antwoordde de oude en verliet het vertrek, maar haar
+houding en de uitdrukking van haar gelaat onder de geplooide muts
+waren eensklaps vijandig geworden.
+
+Army was opgesprongen, en zag met toornige blikken de dienstbode na.
+
+"Army, ik bid u," riep de barones, "laat haar! Gij maakt het er niet
+beter op, wanneer gij haar op hare plaats zet. Zij is altijd zoo
+geweest; het warme zuidelijke bloed verloochent zich bij haar evenmin
+als bij haar meesteres, en bovendien--zij vereert uwe grootmoeder
+afgodisch. Gij weet, Army, dat Sanna reeds met grootmama uit Venetië
+hierkwam, dat zij het tijdperk van grootheid en rijkdom met haar
+doorleefd heeft, en nu trouw haar zorgen en ontberingen deelt. Sanna
+heeft veel goeds; een getrouwheid als de hare is zeldzaam; en u,
+kinderen, vooral Army, heeft zij boven alles lief; zij is buitendien
+ook al zóó oud, dat men haar niet veel kwalijk nemen kan."
+
+Army antwoordde niet; hij nam zijne muts. "Ik moet een oogenblik naar
+buiten, anders slaap ik slecht," zeide hij, kuste zijn moeder de hand
+en verliet het vertrek.
+
+Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar
+hij eigenlijk heen wilde. "Eerst moet ik mijn paletot halen," dacht
+hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te
+moede--voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja,
+hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde,
+maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover
+niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem
+tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog
+eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar
+genoemd had.
+
+Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer
+het rijmpje: "Daarom, let op de kleur van 't haar! En is dat rood,
+dan dreigt gevaar." Het roode haar zou _hem_ toch niet in gevaar
+brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden.
+
+Grootmoeder had gezegd: "Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis
+bouw ik al mijne hoop," en hij had haar iets verweten van jacht maken
+op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka--daar was
+zij alweer--maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka,
+Nelly en hem--ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht
+kunnen komen?
+
+Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op
+het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het
+droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het
+roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen
+helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de
+kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den
+schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde,
+waarop de spreuk:
+
+
+ "Wanhoop nooit aan God!
+ Dan is geluk uw lot;"
+
+
+een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. "Geluk is dan uw lot,"
+herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij
+maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig
+kunnen worden?
+
+Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden--alle waren zij door de
+Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum
+vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand
+had. Maar het was immers mogelijk--waarom niet?--dat hij eenmaal
+weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke
+jachtpartij gehouden hadden.
+
+Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol
+hoop, zoo uitlokkend, en 't geluk kon immers komen.
+
+Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte
+hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich 's levens stormen
+te trotseeren. "Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker
+de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt;
+een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving
+vragen voor dat leelijke woord 'erfenisjacht', ging hij voort; ook
+mama mag niet meer zoo treurig zijn--waarom altijd zoo donker te
+zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar--dat was om
+Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er
+over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat--"
+
+Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne
+moeder terugkeerde.
+
+
+
+
+
+Tweede Hoofdstuk.
+
+
+Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne
+grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij
+lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog
+onbekende Blanka mee zou erven. "Gij zijt een dweeper, Army," zeide
+zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een
+tabouret aan haar voeten. "Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen,
+voor wij scheiden."
+
+De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting
+behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen
+indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware
+purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was,
+maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en
+vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche
+tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd
+met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen;
+'t waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als
+gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze
+herinneringen vergat zij het troostelooze heden.
+
+"Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet
+te zeggen, Army!" ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister
+vermijdende. "Gij zult dit zelf wel weten; breng haar mijne hartelijke
+groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden."
+
+"Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama," zeide Army
+hoffelijk, "ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren."
+
+De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij:
+"Niet spotten met uw oude grootmoeder!"
+
+Army kuste haar de hand. "En wat heeft u mij nog meer te zeggen?"
+
+"Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt
+zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner
+voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u
+voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis
+zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn
+en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige
+wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op
+te richten.--Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te
+schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!"
+
+De jonge officier lachte. "Zeker grootmama, ik schrijf spoedig,
+want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan
+trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst
+onlangs achttien jaar geworden." Hij lachte luid; van zijn gelaat was
+elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. "Mag ik nu afscheid
+nemen, grootmama?" vroeg hij, "ik wilde nog gaarne eens naar de
+familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek
+te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling
+verzekeren," voegde hij er bij, "wanneer ik niet een meisje vind, dat
+haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw."
+
+"Meent gij die Mathilde met het roode haar?" vroeg de oude dame
+verbaasd.
+
+"Ja!" knikte de kleinzoon. "Ik heb eene voorliefde voor rood haar. A
+propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister
+avond beneden bracht?"
+
+"Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had."
+
+"Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!" Hij kuste haar de
+tengere hand, en vertrok.
+
+Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in
+de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den
+donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware,
+goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd
+weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit
+voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling
+contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere
+oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den
+beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een
+verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek;
+Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde,
+en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der
+schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende,
+diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering
+uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster
+werd op zijn schouder gelegd.
+
+"Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat
+immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien."
+
+Hij trok het jonge meisje naar zich toe. "Zie mij eens even aan,
+Nelly!" bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; "zijt gij nog
+boos op mij?"
+
+Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag,
+maar zij schudde lachend het hoofd. "Boos? neen, o neen! Maar kom
+toch--het is hier zoo koud."
+
+Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen, keerde hij zich
+nog eenmaal om, en zag naar het portret.
+
+"Let daarom op de kleur van 't haar, en is dat rood, dan dreigt
+gevaar," mompelde hij zacht voor zich heen.
+
+Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen,
+om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van
+zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly
+ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet
+van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven.
+
+"Precies zijn grootmoeder!" mompelde de oude Sanna zacht; "het hart
+springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet." Zij hield de
+handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. "Het kan hem
+niet mislukken," dacht zij, "hij kan aankloppen, waar hij wil; de
+rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader
+zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens
+mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke
+leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn
+bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!"
+
+Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een
+heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de
+allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door
+een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van
+het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen
+schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan
+de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was
+met een verblindend wit laken bedekt--doodstil was het in de natuur;
+alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen
+omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En
+dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich
+in de verte als in een purperen zee baadde.
+
+De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden. "Zie Nelly,"
+zeide hij, "dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze."
+
+"De papiermolen ook?" vroeg de kleine en wees op het met leien
+gedekte gebouw.
+
+"De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der
+landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht,
+toen hij zich eens in verlegenheid bevond--zoo verhaalde grootmama
+mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij--" hij voer even
+met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten;
+hij wilde er nu eenmaal niet over tobben.
+
+Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en
+zag de groote laan langs.
+
+Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren
+geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve
+vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot
+te voorschijn, als 't ware overstroomd door den rooden gloed der
+ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar
+beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst,
+die zich in zijn hart hadden ontwikkeld.
+
+"Het _moet_ hier weder anders worden," zeide hij, "het _moet_; ik
+wil het."
+
+Hij keerde zich om en volgde zijn zuster.
+
+Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil
+en keek op zijn horloge.
+
+"Zusje," zeide hij, "ik moet spoed maken, als ik de post niet wil
+misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke
+sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!" Hij
+bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. "Pas op, dat de tijd
+u niet lang valt in het oude, eenzame slot!"
+
+Zij schudde het hoofd. "O neen, ik heb Liesje immers."
+
+Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen
+waren, op den grooten weg uitliep. Door het dennenbosch daarboven
+voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de
+weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede
+takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen
+bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn.
+
+
+ "Wijl ik van u scheiden moet,
+ Bied ik u den afscheidsgroet!
+ Meisjelief, adé,
+ 't Scheiden doet wee!"
+
+
+zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje
+uit het dennenbosch te voorschijn.
+
+Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood
+bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe
+oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk
+nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor
+zich twee kuiltjes in de wangen vormden.
+
+"O, Nelly," riep zij, "hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army,"
+voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, "gaat
+gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest
+te zijn?"
+
+De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem
+gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij
+kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken;
+zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje,
+dat hem vragend en verwijtend aanstaarde.
+
+"Army moet heel onverwacht vertrekken," zeide Nelly, "anders--"
+zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te
+bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar
+broeder smeekend aan.
+
+Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. "Goede
+Army," zeide zij gerustgesteld, "ik had u al beschuldigd, dat gij niet
+meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,"--zij
+lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen--"om te vragen
+of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden
+zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag
+of morgen _toch_ gekomen zijn," voegde zij er trouwhartig bij.
+
+Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. "Wat zijt gij groot
+geworden!" zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was
+werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig
+uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij
+bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd:
+
+"Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten,
+Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb." Zij
+stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare;
+hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu
+weder te voorschijn.
+
+"De laatste, Army," riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder
+en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde
+hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar "de laatste" weer te geven,
+zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot
+verliet;--zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter
+zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij
+zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen;
+hij moest zich immers haasten.
+
+Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen
+vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was,
+fluisterde een zacht "vaarwel!"
+
+Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp
+verdween, vroeg zij angstig: "Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op
+Army?" Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje
+en ging zwijgend nevens hare vriendin verder.
+
+Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof
+geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen
+er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren
+droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij
+het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger,
+en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden
+niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: "goeden nacht!"
+
+
+
+
+
+Derde Hoofdstuk.
+
+
+De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen
+omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het
+ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan
+op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw
+en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten
+voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde;
+de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen,
+en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit
+huis "tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving
+en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin." De oude drakenkoppen
+aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater
+uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de
+twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der
+familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen
+omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en
+vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder
+toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke
+appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg
+gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid
+en grootte.
+
+Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de
+oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs
+kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over
+de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke,
+heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en
+was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende
+huisdeur kon ontvangen met een "God zegene u! wat zal dat Mina"--dat
+was de huisvrouw--of: "wat zal dat Frederik"--zoo heette de heer des
+huizes--"genoegen doen!" en dan trippelde zij vooruit om den gast in
+de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van
+haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer.
+
+De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was
+eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had
+het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de
+speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door
+trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld
+en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk
+geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid
+jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de
+linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls
+zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek.
+
+Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier
+handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige
+werkzaamheid in zich vereenigden. Het "bid en werk" was van oudsher
+de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den
+kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen:
+op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en
+dochters. "Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde," was een
+compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe
+oogen der molenaarskinderen hadden reeds sinds jaren menigeen kommer en
+hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel
+levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid.
+
+Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren
+verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander
+achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs
+de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den
+lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek.
+
+Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van
+1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer
+bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen.
+
+Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het
+meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide
+met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als
+godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar
+eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw
+Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen
+speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond,
+die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant,
+hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op
+het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den
+blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan
+het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine
+Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke
+slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen
+in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert
+lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de
+bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de
+jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog
+altijd gaarne in het oude huis terug, om den vriend te bezoeken. De
+kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid;
+zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in
+de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw
+waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien,
+dat zij zijn hart won.
+
+Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de
+huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek
+daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen
+wel lief _moest_ krijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met
+"juffer" en "u" aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het
+vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij
+hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren.
+
+En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin
+kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen
+dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het
+betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette.
+
+Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder
+het rijmpje gehoord:
+
+
+ "Gelijk goed, gelijk bloed,
+ Gelijke jaren, geeft de beste paren,"
+
+
+maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich
+om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde
+voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend
+gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even
+ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw
+en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone
+vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander,
+dat het eene aan zijne wonden bezweek--Lisette sloot haar wonderschoone
+blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd.
+
+Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken,
+en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner
+schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte
+zij dikwijls bij zich zelve: "zij komt immers uit het lichtzinnige
+Italië--hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als
+het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit."
+
+Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den
+molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij
+de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de
+familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen,
+de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden,
+want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde
+hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede,
+en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge
+paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de
+jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen:
+"Daar, tante!"--zoo noemde hij haar steeds--"heb haar ook een weinig
+lief en wees ons beider moeder!"
+
+Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later
+een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote
+blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het
+gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar
+beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje.
+
+Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor,
+die ook de harten in den molen diep schokte--de plotselinge dood
+van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en
+dacht "hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren." Toen nu eens haar
+lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond
+meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd door
+een beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die
+verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam
+het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of
+zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind
+bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje
+bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel
+als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje
+eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met
+glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen
+zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder
+zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende,
+drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met
+tranen in de oogen: "Van avond moeten wij den lieven God hartelijk
+daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt,
+zie die beide kinderen daar, _die_ hebben _geen_ vader meer, en zij
+missen bovendien nog zóóveel!" Van toen af dagteekende de vriendschap
+tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg.
+
+Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje
+groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden
+en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar
+peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken
+en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem
+de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen
+vochtig: "precies Lisette!" zeide zij halfluid in zich zelve.
+
+
+
+Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht,
+verwonderde de oude vrouw niet. "'t Is grootmoeders bloed," zeide
+zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was,
+dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had;
+zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij
+trof de jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op
+het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest
+onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu
+weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon,
+sprak zij: "Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch
+is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op
+reis moest;--ik wist het wel.
+
+"Zoo?" vroeg de oude vrouw.
+
+"Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij--" zeide
+zij pruilend.
+
+"Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen," antwoordde
+deze. "Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?"
+
+"Ja, en Nelly jokt niet."
+
+"Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt;
+zij heeft de trekken en 't gemoed der Derenbergs, dat waren door en
+door brave lieden die Derenbergs, totdat---" Zij zweeg.
+
+"Wat bedoelt gij, tante?"
+
+"Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een
+engel voor."
+
+"Wat zegt gij?"
+
+"Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar
+Zondag van den kansel verkondigd heeft: 'Onze God is een rechtvaardig
+God,' dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk
+liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene
+appels."
+
+
+
+
+
+Vierde Hoofdstuk.
+
+
+Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was
+op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een
+bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de
+jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de
+maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig
+vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de
+vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat,
+en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen
+in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd
+er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een
+oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet
+alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten
+deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone,
+lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer,
+na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was
+alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen
+lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd
+dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als
+de wereld daar buiten.
+
+Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op
+een schilderijtje boven de commode rusten dat in het heldere maanlicht
+de silhouette van een man vertoonde.
+
+"Ja, ja, mijn Christiaan," fluisterde zij zacht, "wij hebben elkander
+liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest,
+vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat
+het ook zoo met u moest gaan--zoo treurig! Lieve hemelsche vader,
+wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de
+mensch een paar jaar gelukkig,--of daar komt de smart; een lading
+vol--mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes,
+mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld
+heerlijk! daar ving het treuren aan.
+
+"Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!" Zij schudde treurig het
+hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte
+grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof.
+
+Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in
+den schoot.
+
+"Ha, wacht! Dat doet Lise," zeide zij, en een schalkachtige
+trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat
+onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd
+een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor
+het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen.
+
+"Zij is hier niet!" sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van
+schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje
+met den vliertak over het verblufte gelaat.
+
+"Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!"
+
+"Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?" vroeg de oude;
+"wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?"
+
+Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: "Zijn vader en moeder
+reeds terug uit de stad?"
+
+"Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik
+blijf immers wacht houden."
+
+"Maar, tante! wat denkt gij wel?" riep het jonge meisje. Op dezen
+wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk
+de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in
+den tuin is."
+
+"Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk
+weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht--blijf
+gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond."
+
+"Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen
+zijn, voor niets ter wereld niet."
+
+"Nu, kom dan, gij dwaas kind!"
+
+Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de
+kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad
+gekleed, trad binnen.
+
+"Daar ben ik, tante!" riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje
+aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en
+bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot
+de oude vrouw opzagen. "Tante," sprak zij toen zacht, "vertel mij
+heden avond iets, bid ik--"
+
+"Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?"
+
+"O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante."
+
+"Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?"
+
+"Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij--toen
+gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?"
+
+"Wel gij--nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te
+weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?"
+
+"Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds
+een bruidegom, en--"
+
+"Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel
+graag een hebben,--ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal--"
+
+"Doe dat maar, tante!" riep het jonge meisje, lachend. "Moeder heeft
+mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles
+voor uw uitzet, Lise."
+
+"Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?"
+
+"Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde
+voor het eerst gezien hebt?"
+
+De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote,
+vochtige oogen vol verwachting tot haar op.
+
+Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk
+met eentonige melodieën uit de verte.
+
+
+ "Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!"
+
+
+zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin.
+
+
+ "Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af."
+
+
+Tante schudde het hoofd. "Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen,
+zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet
+dwingen."
+
+
+ "Och, ruitertje, och, ruitertje!
+ Blijf van mijn bloemen af;
+ Die moet mijn schat, mij allerliefst,
+ Zelf plukken van mijn graf."
+
+
+"Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was,"
+zeide tante; "ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met
+Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon--maar
+gij wildet immers weten," viel zij zich zelve plotseling in de rede,
+"wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond,
+zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer,
+ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong:
+
+
+ "Hij is geen keizer, bij is geen koning;
+ Hij is soldaat, hij is soldaat."
+
+
+"Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en
+vroeg: 'Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?' waardoor ik zóó
+schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij
+echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik
+stilstond en hem aanzag. Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een
+paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde;
+wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht
+was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly,
+die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls
+gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik
+bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch
+moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug
+de hand en zeide hij: 'goeden nacht, Marie!' Wij spraken niet meer,
+maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo
+hard ik kon over de brug naar huis liep."
+
+"Hoe waart gij toen te moede, tante?"
+
+"Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise," zeide de oude
+vrouw; "ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit
+zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer
+zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was
+toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: 'goeden nacht,
+Marie!' klonken mij onophoudelijk in de ooren."
+
+De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. "Zeg
+mij eens, Lise, wat scheelt u toch?"
+
+"Och, niets, tante!" antwoordde zij. "Weet gij wat, ik ga nog even
+naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden
+nacht, tante!"
+
+"Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij
+morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft
+laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het
+mij ook valt. Goeden nacht!"
+
+En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het
+venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar
+de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer,
+zoodat zij die niet meer onderscheiden kon; maar zij wist immers
+nauwkeurig, hoe hij er uitzag.
+
+"Ja, zoo was het," fluisterde zij, "dáár buiten bij de molenbrug,
+daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het
+mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is
+Lise's schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?"---
+
+Lise was buiten onder den lindeboom gaan zitten; het water van de
+molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg,
+die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven,
+achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche,
+door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel,
+zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen--hoe
+kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was?
+
+De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het
+priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te
+lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend
+zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop
+had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk "juffer Lise"
+genoemd. "Juffer Lise!" Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen;
+hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en
+statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het
+laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche
+mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de
+avond van Nelly's verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne
+kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk,
+zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde
+gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij
+waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug,
+evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne
+jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan.
+
+"Goeden nacht, juffer Lise!" Zij had er weder om moeten lachen;
+"goeden nacht, mijnheer Army!" had zij willen zeggen, maar het kwam
+niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij
+als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich
+over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als
+zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude
+linden--'t was alsof zij droomde.
+
+"Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?" vroeg zij bij zich zelve
+en zag naar het slot. "Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen
+het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen," dacht
+zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval.
+
+En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht,
+en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar
+niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers,
+die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen---
+
+Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer
+der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar
+handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot.
+
+"En gij zegt, Army!" sprak zij vragend tot den jongen officier,
+die tegenover haar zat, "tante Stontheim heeft zelve den wensch te
+kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?"
+
+"Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd," antwoordde deze:
+"tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk
+nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van
+den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer
+bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande,
+aanstonds onze gastvrijheid aanbood."
+
+"Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit
+ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een
+genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij een moeielijke zaak
+toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen
+en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen,
+hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen." De oude dame
+lachte bitter.
+
+Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde.
+
+"Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?" vroeg de
+grootmoeder, na eenig stilzwijgen.
+
+Army's gelaat verhelderde zich. "Hoe zal ik u haar beschrijven,
+grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone
+verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste
+maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan
+zich boeit."
+
+"Dat is de taal eens verliefden," sprak de oude dame koel; "zooveel
+ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden."
+
+Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte
+oogen.
+
+"Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets--"
+
+"Genoeg!" viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; "zeg mij
+liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en
+wat heeft deze te hopen?"
+
+"Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid
+heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het
+Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet
+kunnen bespeuren."
+
+De barones haalde minachtend de schouders op.
+
+"Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek
+reeds medegedeeld?"
+
+"Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen--de kleine
+uit den molen was bij haar."
+
+"Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht
+van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande
+is zij de eerste en de laatste bij uwe moeder en zuster, die in haar
+een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld
+zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?"
+
+"Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer
+zou tot zitkamer kunnen worden ingericht."
+
+"De torenkamer? Nooit!" riep de oude dame vertoornd uit; haar
+buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna
+spookachtig aanzien.
+
+Army zag haar verschrikt aan.
+
+"Zooals gij wilt, grootmama!"
+
+"Schik dat met uwe moeder!" liet zij er haastig op volgen, "laat
+Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang
+ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader."
+
+Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen
+de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten
+marmeren vloer.
+
+"Nog altijd het oude liedje," mompelde hij; "wat heeft dat nu weer
+te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld,
+het voor Blanka in te richten--"
+
+"Voor Blanka!" Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen
+terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge
+spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de
+tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu
+zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend,
+en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar
+buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien
+winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend
+met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk
+voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: "Vertrouw
+gerust op God, geluk is dan uw lot." Was het geluk hem reeds ten deel
+gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hoop er op. In
+den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon.
+
+Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen
+doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter
+verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem
+werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling
+beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een
+meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar
+verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed
+van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar
+werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig
+haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij
+was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning
+zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia's
+op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante.
+
+"Agnese!" klonk het in zijn binnenste; "de schoone Agnese Mathilde
+uit de familiezaal 't huis!"
+
+"Is het reeds zóó laat?" vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op
+de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij:
+
+"Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de
+feestdagen onze gast zijn zal!"
+
+De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op
+hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders;
+voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo
+uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer
+links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven,
+als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig
+toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden,
+was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka
+gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret
+in de familiezaal hing, dat haar sprekend geleek, en waarvoor hij als
+knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te
+kunnen verzadigen.
+
+Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef
+te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer
+inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep
+treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die
+onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was
+zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!--Hij volgde haar
+met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een
+goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij
+kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk,
+die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den
+heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was,
+en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen.
+
+Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er
+minder bekoorlijk had uitgezien--zeker niet; de gouden sluier lag
+zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den
+Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach,
+die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige
+Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka's zwarte oogen.
+
+Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij
+vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig
+terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij
+een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was
+zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht
+vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend,
+opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was,
+dat op het portret in de familiezaal, of het hare.
+
+Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek;
+hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwde in het
+maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een
+blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen,
+en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag
+zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast
+hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen,
+en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame
+voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw
+vroolijk leven aankondigende.
+
+Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts
+een droom; en de werkelijkheid?--Army huiverde; zij stelde hem
+eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige
+werkelijkheid.--Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone
+gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld,
+o, dat booze geld!
+
+Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en
+ruischte door de boomen. "Het is tijd om te gaan slapen," zeide
+de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht
+zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese
+Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad,
+en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote,
+treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog:
+
+
+ "Let daarom op de kleur van 't haar,
+ En is dat rood, dan dreigt gevaar."
+
+
+klonk het in zijn oor.
+
+
+
+
+
+Vijfde Hoofdstuk.
+
+
+"Army, wat ben ik blij, ook eens een gast te zullen hebben," sprak den
+volgenden morgen Nelly tot haar broeder, toen zij te zamen door het
+frissche, groene park wandelden. "Wat zal Liesje wel zeggen? Ik moet
+het haar vertellen. Zeg eens, Army! hoe vindt gij Liesje eigenlijk? Is
+zij niet beeldschoon geworden?"
+
+"Ik weet het waarlijk niet," antwoordde hij verstrooid, "ik heb er in
+'t geheel niet op gelet; ja, ik geloof het wel, ik herinner het mij
+nauwelijks meer--"
+
+"Maar, Army!" klonk het van de lippen zijner zuster, "gij zijt
+verstrooid, of misschien bedroefd--is u iets onaangenaams bejegend? Kan
+ik u soms helpen?"
+
+"Neen, zusje," lachte hij en streek haar schertsend met de hand over
+het bloeiend gelaat. "Gij kunt mij wel het allerminste helpen; het is
+een ongelukkige geschiedenis, ik--zie er tegen op het mama te zeggen,
+maar ik kan niet anders."
+
+"Och, spreek er niet tegen mama over, Army!" bad het jonge meisje,
+staan blijvende. Zij legde de kleine hand op zijn schouder, en zag
+hem angstig aan. "Ik bid u, doe het niet! Zij is zoo droevig, en weent
+zooveel; ik smeek u, zeg het niet, als het iets onaangenaams is--"
+
+Army werd verlegen.
+
+"Ja, mijn God!" zeide hij, "wist ik slechts wat te doen? Tot grootmama
+kan ik mij niet wenden; het zou te vergeefsch zijn, daar zij werkelijk
+niet in staat is, mij--"
+
+"Army," fluisterde het meisje, de oorzaak zijner verlegenheid radende,
+"ik geloof, ik kan u helpen; wacht een oogenblik, of neen, ga vooruit
+onder den grooten ahorn aan den dijk! Ik ben aanstonds terug." En vlug
+liep zij naar huis; de zonnestralen dansten over haar eenvoudig kleedje
+en beschenen de blonde lokken; spoedig was zij om den hoek verdwenen.
+
+De jonge man zag haar na en ging verder. Wat meende zij? Zij kon toch
+onmogelijk weten---
+
+Hij zat op de steenen bank en zag naar het heldere water, waarin de
+blauwe hemel en de hooge boomen zoo liefelijk weerkaatsten.
+
+"Hoe schoon is het hier!" sprak hij halfluid; "als zij maar een weinig
+gevoel voor natuurschoon heeft, moet het haar hier bevallen."
+
+Vlugge schreden klonken achter hem, en zich omkeerende, blikte hij
+in het van vreugde stralende gelaat zijner zuster.
+
+"Daar, Army!" zeide zij blozend, en legde een sierlijk zijden
+beursje in zijne hand. "Ik heb het waarlijk niet noodig; neen,
+wezenlijk niet; waarvoor toch? En nu zult gij niets aan mama zeggen;
+niets, nietwaar?" De blijdschap, iets te kunnen geven, straalde het
+lieve meisje uit de oogen. "Goede, lieve Army!" bad zij, "berg het
+spoedig! Het zal zeker voldoende wezen."
+
+"Neen, Nelly, neen!" riep hij, kleurende; "uwe spaarpenningen--"
+
+Zij hield hem de hand voor den mond. "Gij maakt mij boos, Army,"
+zeide zij: "zouden broeder en zuster elkander niet helpen--Wie weet,
+of ik ook niet nog eens bij u kom! Laat ons nu verder gaan, spreek er
+niet meer over! Zie, hoe zoudt gij het vinden, als wij hier eene boot
+hadden? Ik heb het reeds lang gewenscht. Dan konden wij met Blanka
+roeien, en Liesje--nietwaar? Blanka zal toch niet trotsch zijn?"
+
+Hij antwoordde niet; hij kwam zichzelf op dit oogenblik zeer
+verachtelijk voor. Haastig wendde hij het gelaat af.
+
+Zijne zuster bemerkte het. "Army," zeide zij, "volg mij spoedig! Ik
+moet aanstonds naar mama, en--ik heb het druk," en zij sloeg den
+naasten weg naar het slot in.
+
+Hij volgde haar langzaam, diep beschaamd. Hij had haar gister op
+haar geboortedag niet eens een kleinigheid geschonken, en heden gaf
+zij hem blijmoedig al hare bespaarde penningen. Hij bleef staan en
+opende de kleine zijden beurs; een paar losse daalders lagen er in,
+en nog iets in een papier gewikkeld; hij deed het open en vond een
+goudstuk, benevens een paar woorden van de hand zijner moeder op het
+papier. "Voor een nieuw kleedje voor mijne Nelly," las hij. Het jonge
+meisje had klaarblijkelijk de woorden nog niet gelezen; dan had zij
+hem deze vernedering bespaard; hij dacht aan het versleten kleedje,
+dat zij heden en gister droeg, en hoe zij zich over een nieuw verheugd
+zou hebben. Een nieuw kleed voor vijf daalders! Zooveel had ongeveer
+de ruiker gekost, dien hij Blanka gezonden had, en welken zij wellicht
+den morgen na het bal achteloos had weggeworpen; hij dacht aan de
+sierlijke gestalte, welke hij nooit anders dan in zware zijde of licht
+krip had gezien--welke tegenstrijdigheden biedt het leven! Daar lag
+het slot voor hem, zoo indrukwekkend, met zijn reusachtigen gevel,
+zijne torens; en de zoon des huizes bezat niet zóóveel, om,--neen,
+het was om wanhopend te worden.
+
+Hij wendde zich haastig om, en keerde terug; zijne blikken dwaalden
+onwillekeurig over den heuvelachtigen grond en bleven op het leien
+dak van den papiermolen rusten; eensklaps lachte hij hardop. "Ja,
+die hebben des te meer," sprak hij half luid; "men moet zich maar
+met lompen en diergelijk tuig afgeven, dan stroomt iemand het geld
+toe; en dat alles zal de hand vullen van het kleine meisje, met 't
+welk ik eens speelde. Lompenmolenaars Liesje is de rijkste erfgename
+uit den ganschen omtrek--waarachtig, het is om zich dood te lachen,
+zooals het in het leven verdeeld is."
+
+In zijn donkere oogen las men intusschen niets van lachen; hij zag
+er zeer neerslachtig uit, de knappe, jonge officier; het geld zijner
+zuster brandde hem in de handen, terwijl hij haastig voortliep, de
+lippen stijf op elkaar gedrukt. De schoone droom der toekomst was
+vervlogen voor het drukkende heden, en zijn geldelijke ongelegenheid
+had hem geducht aangegrepen. Hij nam het kleine briefje zijner moeder
+en legde het in zijne portefeuille; toen ging hij verder, en den
+hoofdweg inslaande, zag hij den ouden Hendrik, die naar hem toekwam,
+zoo spoedig zijn oude beenen het hem toelieten.
+
+"Uwe grootmama verzoekt mijnheer den luitenant aanstonds bij haar te
+komen," boodschapte hij, den jongen man vriendelijk in het opgewonden
+gelaat ziende.
+
+
+
+De oude barones liep haastig het vertrek op en neer. Haar trotsch
+gelaat was met een blos overtogen en de donkere oogen richtten zich
+ongeduldig naar de deur, waardoor haar kleinzoon moest binnentreden.
+
+In hare hand hield zij een geopenden brief, en van tijd tot tijd
+bleef zij staan en wierp een blik op het papier.
+
+"Het is ongeloofelijk," sprak zij zacht, "deze Koningsberger
+Derenbergs! Zich dáár zoo te nestelen. Dio mio! Wat geeft die Stontheim
+mij daar bittere pillen te slikken in dien korten brief! En toch
+mag ik God nog danken, dat die zaak zich zóó schikt. Hoe verheug ik
+mij, dat ik, trots de koelheid die tusschen ons heerscht, Army heb
+overgehaald haar te bezoeken!"
+
+Zij wierp weder een blik in den brief.
+
+"Ik heb in Armand," las zij, "een beschaafd, beminnelijk mensch
+leeren kennen, die geheel het karakter der Derenbergs bezit, en
+niettegenstaande den betrekkelijk korten tijd onzer kennismaking,
+heb ik hem hartelijk lief gekregen."
+
+De lippen der oude dame plooiden zich tot een minachtenden glimlach.
+
+"Ik ben, zooals gij u wel van vroeger zult herinneren," las zij
+verder, "iemand, die doorgaans eerlijk en openhartig mijne meening
+zeg--dat wij beiden het nooit eens waren, zal wel te wijten zijn aan
+het groote verschil onzer beschouwingen; nu zijn wij beiden oude
+vrouwen geworden, liefste Derenberg, en het wordt waarlijk tijd,
+vrede te sluiten voor de korte spanne tijds, die wij nog te leven
+hebben. Ik bied u de hand der verzoening aan; laat, wat vroeger is
+voorgevallen, vergeten zijn! De schuld lag waarschijnlijk aan beide
+zijden. En nu wil ik u in vertrouwen een lievelingswensch mededeelen,
+die ook Armand betreft. Gij zult door hem wel reeds vernomen hebben,
+dat in mijn huis een jonge moederlooze verwante leeft, die bij mij
+de plaats eener dochter in mijn eenzaam leven vervult, en die ik
+liefheb, alsof zij het werkelijk is. Bedrieg ik mij niet, dan ziet
+Armand zijne nicht niet met onverschillige blikken aan,--het zou
+mij hartelijk verheugen, zoo deze twee elkander leerden liefhebben;
+en ten einde hun daartoe de gelegenheid te geven, zend ik Blanka,
+onder het voorwendsel van hare gezondheid te versterken, naar uwe
+boschrijke woonplaats. Mochten de beide jonge harten elkander daar
+leeren verstaan, en ik in Armand nog eens een zoon begroeten! Gij
+zijt een verstandige vrouw, lieve barones, en ik behoef u niet te
+vragen, alle toespelingen op mijne wenschen bij de jonge lieden te
+vermijden; ik hoop dat zij elkander in waarheid genegen zullen zijn;
+het is mogelijk, dat Blanka met haar helder hoofdje mijne bedoeling
+vermoedt; meegedeeld heb ik ze haar niet. Moge de hemel voor het
+overige zorgen en het tot onze blijdschap doen uitkomen! Terwijl
+ik u in den geest nog eenmaal verzoenend de hand reik, ben ik, in
+afwachting van een spoedig antwoord, lieve Derenberg! uwe
+
+"Ernestine, gravin Stontheim, geboren Derenberg."
+
+"Het is waarlijk grootmoedig," vervolgde de oude dame; "men moet
+nog een vriendelijk gezicht zetten, en dankbaar wezen; het is fijn
+overlegd van tante Stontheim, maar zoo was zij altijd. Blanka is haar
+erfgename--dat is zonneklaar en nu zij den jongen heeft leeren kennen,
+wil zij de zaak zóó regelen; ik moet met een zoet gezicht in dezen
+zuren appel bijten en God danken, dat het zóó geschikt wordt; zij
+heeft een boosaardig karakter. Maar één wenk moet ik hem toch geven;
+het schijnt mij toe, dat deze Blanka hem niet onverschillig is, en--"
+
+Op dit oogenblik trad Army binnen. Zijne grootmoeder zag hem
+vriendelijk aan.
+
+"Ik heb een brief ontvangen van tante Stontheim," sprak zij, staan
+blijvende en hem de hand toestekende; "zij meldt mij Blanka's komst;
+en nu mijn jongen! vergeet, dat ik gister zoo onvriendelijk over
+uwe plannen sprak! Ik had een lichten aanval mijner migraine, en
+dat ontstemde mij; ik verheug mij werkelijk over het bezoek der
+jonge dame."
+
+Army zag haar verrast aan. "Waarlijk, grootmama? Ik dank u; gij neemt
+een centenaarslast van mijn gemoed; het was zeer onaangenaam voor
+mij, u moeite te veroorzaken, die u niet aangenaam was. Mag ik weten,
+wat tante nog meer schrijft?"
+
+De oude dame lachte. "Neen, mijn kind," zeide zij, "het is niet goed,
+dat men te veel vleiends over zichzelven hoort."
+
+"Houdt tante van mij?" vroeg hij opgewonden.
+
+"Tante is van oordeel, dat gij een verstandig jong mensch zijt,
+en zeker eens een echte Derenberg zult worden."
+
+Army's gelaat werd bewolkt. "Is dat alles?"
+
+"Vooral," klonk het schalksch van de dunne lippen der grootmoeder,
+"wanneer u eenmaal een schoone, geliefde vrouw ter zijde staat."
+
+"Heeft zij dat geschreven?" riep hij haastig en greep, hoog blozend,
+hare hand. "Grootmama, wees goed! Zeg mij, meldde zij iets van haar,
+van Blanka? Denkt zij, dat Blanka mij ook bemint?"
+
+"Army! mijn God, hoe onbeschaamd! Bedaar toch! Wie spreekt er van
+Blanka? Ik heb immers niets gezegd--verstaat gij? In het geheel niets;
+wie denkt _dááraan_? Gij zijt pas een-en-twintig jaar!"
+
+Maar Army had de armen om den hals zijner grootmoeder geslagen,
+drukte in weêrwil van haar tegenstreven een paar hartelijke kussen
+op haar mond, en stormde toen zeer onhoffelijk de kamer uit.
+
+"Orribile!" zeide de oude dame, hare muts terecht zettende; "hij
+is zeker al erg verliefd; als tante Stontheim hem nu gezien had,
+zou zij zeker niet aan zijn Derenbergs karakter gelooven."
+
+Zij bleef nadenkend staan en het was, alsof haar iets uit het
+verleden te binnen schoot, dat veel overeenkomst had met het zoo even
+gebeurde. Plotseling herinnerde zij zich, hoe zij, in betere dagen,
+als een schoone jonkvrouw in overmaat van geluk de half blinde duenna
+om den hals viel en haar vurig kuste. En waarom? Omdat buiten op
+het balkon, onder de bloeiende oleanders, in de zoele avondlucht,
+een slanke, blonde man in gebroken Italiaansch haar zooveel verhaald
+had van een oud, Duitsch slot, omgeven door groene eikenbosschen,
+en van een oude, Duitsche vrouw met trouwe, blauwe oogen ... De
+trek om haren mond werd zachter, toen zij aan den jubel van haar
+jeugdig hart dacht. "Hij heeft toch mijn bloed in de ad'ren," zeide
+zij toen, "God geve, dat het leven zijne wenschen beter vervulle, dan
+de mijne!" Daarop zette zij zich aan haar schrijftafel en stelde zich
+de toekomst voor, die weder rooskleurig voor haar begon te schemeren,
+en voor hare oogen stond weder het oude slot in al de betoovering,
+die het vroeger omgaf.
+
+Intusschen doorkruiste Army onrustig het park. Eerst had hij
+zijne zuster bijna platgedrukt door zijne omhelzing en haar iets
+onbegrijpelijks verteld van een nieuw kleed, een blauw, zooals Blanka
+droeg. Hij had zijne moeder, die de opgewondenheid van haren zoon niet
+begreep, de noodzakelijkheid betoogd, om hare zwakke gezondheid door
+een badreis te versterken, was het niet in dit, dan in een volgend
+jaar. Daarop was hij met Nelly en den ouden Hendrik in de kamer
+geweest, die hij voor Blanka had uitgekozen, en had er allerlei
+veranderingen bevolen; zijne zuster had hem haar werktafeltje en
+den bloemenstandaard hunner moeder moeten beloven; toen had hij
+aanmerking gemaakt op de gordijnen en schilderijen, de laatsten
+weggenomen en andere in de plaats gehangen en Nelly meer dan eens
+verzekerd, dat hij gordijnen en tapijten uit zijne garnizoensplaats
+zou laten komen in de plaats van al dat verkleurde tuig, alsook een
+nieuwe livrei voor Hendrik. Eindelijk had hij zijne zuster omhelsd,
+en haar gevraagd, of zij niet dacht, dat het Blanka hier wel bevallen
+zou, en of zij niet vond dat deze kamer het fraaiste uitzicht had? En
+zonder haar antwoord af te wachten, had hij er bijgevoegd: "Wat zult
+gij verbaasd staan, zusje, als gij haar ziet!" Toen was hij naar
+buiten gegaan, naar het oude park, en liep haastig door de met gras
+begroeide paden; bij wenschte het uur zijner afreis te bespoedigen,
+ten einde _haar_ te kunnen zeggen, hoe men zich te huis op hare komst
+verheugde--eindelijk werd het avond, en wandelde hij in den heerlijken
+lentenacht naar het dorpje, om de post op te wachten. Bij het parkhek
+plukte hij nog een bloeienden vliertak, een groet uit zijn huis voor
+Blanka. En eindelijk, eindelijk blies de postillon en reisde hij af,
+vervuld van gelukkige gedachten.
+
+Daarboven echter, in den molen, werd zacht een venster geopend, en een
+donker meisjeshoofd boog zich naar buiten en zag met vochtige oogen
+naar den straatweg. Zij wist, dat hij heden avond weder vertrekken
+zou; hij had het haar immers zelf gezegd, en zij had op hem gewacht,
+den ganschen langen dag gewacht, maar hij was niet gekomen; en
+hoor! daar klonk nu de posthoorn door den stillen nacht Hoe treurig
+klonk dat! Uit het woud kaatste zacht een echo terug, en stil, heel
+stil werd het venster weder gesloten.
+
+
+
+
+
+Zesde Hoofdstuk.
+
+
+Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met
+een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende
+appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar
+kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in
+een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan;
+iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep
+gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet
+gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield,
+die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was;
+de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen
+verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende
+oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer
+Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn,
+en had met de familie het middagmaal gehouden.
+
+Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in
+het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het
+liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene
+uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader
+van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das,
+had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen
+volstrekt niet noodig was; er was gesproken over zijn vader, over
+beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat
+alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor
+de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had
+de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve--wat scheelde
+haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk
+onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd,
+en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen
+had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren;
+ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis
+gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve,
+toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen
+kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den
+postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den
+bok van het rijtuig, waarmede Army--zoo spoedig weder vertrok.
+
+"Dat het nu ook zulk naar weer is," sprak zij op eens halfluid,
+een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende,
+"anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen."
+
+Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder
+de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets
+meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat
+in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige
+gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd.
+
+"Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?" vroeg zij geheel
+buiten adem; "eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en
+nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te
+helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie
+uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die
+zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden;
+gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de
+aspergies te schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te
+leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw
+is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit,"
+viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat
+er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken
+meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer
+uitzag. "Zie eens, hoe uw myrtheboompje in 't water drijft! Daar
+schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een
+briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;" zij nam het uit haar
+zak en gaf het Lise, die het openbrak en las.
+
+"Verbeeld u, tante," riep zij verrast, "zij krijgen bezoek op het
+slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka
+van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik
+haar dan dikwijls zal komen bezoeken.
+
+"Zoo?" vroeg de oude vrouw.
+
+"Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te
+vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest
+de kamers in orde te brengen."
+
+"Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?" sprak de oude vrouw.
+
+"Och neen," zei Lise, "Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly."
+
+"Is Army weer hier geweest?" vroeg tante, en zag verbaasd naar het
+jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; "wanneer dan?"
+
+"Op Nelly's verjaardag," klonk het zacht.
+
+"Ei zoo! en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij
+anders toch alles!" en de stem der oude vrouw klonk angstig. "Zeg Lise,
+waarom hebt gij dat verzwegen?"
+
+"Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en
+voornaam is geworden."
+
+"En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?"
+
+"Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te
+komen--anders had hij het zeker gedaan."
+
+Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar
+weder te binnen.
+
+"Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas,
+dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?"
+
+De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar
+hart bezwaard was. "Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army
+zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe
+kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen
+meisje.--Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?"
+
+Lise viel de oude vrouw om den hals. "Och, tante, wees niet
+boos!" snikte zij; "het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan
+het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het
+slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en
+het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt
+uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly."
+
+De oude vrouw schudde het hoofd. "Kind!" zei zij toen, "och, wist
+gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!"
+
+"Kunnen Army en Nelly dat helpen?"
+
+"Neen--maar--"
+
+"Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven."
+
+"Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u
+zoo van nabij treft, als--"
+
+"Och, spreek daar niet van, tante!" bad Liesje vriendelijk en zag
+haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; "ik zal niet weder
+zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu
+met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze
+zóó braden, als vader ze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit
+den tuin gehaald of zal ik het doen?"
+
+Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij
+de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten
+stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange
+zucht ontglipte haar.
+
+"Dat was Lisette's kamer," zeide zij met zekeren nadruk in haar
+toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had
+immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het
+hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken;
+doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig
+belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over,
+dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel
+gelooven? Misschien wel, dat zij Army---? Zij kleurde en voleindigde
+de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer
+ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde
+haar met angstige blikken. "Heer in den hemel!" bad zij, "bewaar ons
+genadig voor een tweede ongeluk!" Want een ongeluk zou het worden;
+van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot
+leeft. "Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het
+is waar, wat ik zoo even hoorde--zij heeft dien Army lief. Hoe haar
+te helpen?--" Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens
+Liesje's heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd,
+en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende
+gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was
+ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de
+groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes,
+met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat
+hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine,
+zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een
+troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkander volgden,
+en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van
+waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden,
+wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week
+uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den
+dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving
+haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: "Ziedaar,
+lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens
+rusten, en zing een lied voor ons!" En dan zong zij met haar lieve,
+zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig
+weer naar hare breikous en zeide lachend: "laat mij begaan, Mina! Ik
+kan het niet laten." De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder
+wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl
+Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen
+tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren
+niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van
+den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde.
+
+"Weet gij wel, dominé," vroeg de gastheer, "dat ik nu een zoon van
+onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?"
+
+"Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien
+eigenlijk gegaan?"
+
+"Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen."
+
+"Zoo, en de jongen zal--?"
+
+"De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude
+plan heeft eene papierfabriek--eigenlijk lompenmolen--op te zetten. Hij
+is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die
+nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een
+gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk
+karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den
+oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde
+mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag."
+
+"En waar is hij?"
+
+"Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui;
+vanmiddag heeft hij hier gegeten en daarmede basta.--Gij weet, ik
+ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring."
+
+De geestelijke knikte. "Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt
+Liesje wel van hem?" vroeg hij schertsend aan het jonge meisje.
+
+"Niemendal, oom!" antwoordde zij.
+
+"Dat is al heel weinig," lachte hij. "Maar a propos, daar schiet mij te
+binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam;
+wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?"
+
+Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar
+ook zoo doordringend aan!
+
+"Het hindert mij toch," voer de leeraar voort, "dat hij het niet de
+moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem,
+dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen--dat is een aardje
+naar de oude barones."
+
+"Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt," zeide de
+gastvrouw. "Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons."
+
+"Een allerliefst meisje," sprak de predikantsvrouw.
+
+"Precies haar grootvader," riep tante, "_dat_ was een man! Maar wien
+de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden."
+
+"Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?" vroeg Rosine.
+
+"O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet
+alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij
+kommer en zorg berokkend."
+
+"Ja, zij moet dol hebben huisgehouden," sprak de geestelijke:
+"tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen."
+
+"Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?" vroeg
+de heer des huizes.
+
+"Dat weet de Almachtige!" riep de oude vrouw. "Hoevele tranen heeft
+deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld," snikte zij,
+terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet.
+
+"Het kan geen kwaad," meende zij, haar kamertje binnentredende,
+terwijl zij nog eens nadacht over 't geen haar bekommerde, "het kan
+geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan
+misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn."
+
+Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en
+ontsloot de deur van Lisette's kamer.
+
+Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood
+de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene
+commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een
+gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een
+ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op
+drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing,
+onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een
+duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van
+donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein
+werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans
+van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen,
+geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare
+als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster
+had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een
+smartelijke herinnering in het hart der oude.
+
+Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en
+voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was
+haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke
+gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar
+schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. "Hij
+komt, Marie; hij komt--ik heb het licht gezien," had zij toenmaals
+dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin,
+en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend
+paar gezeten, in alle eer en deugd---
+
+En toen?
+
+Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last
+des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende
+van koortshitte.
+
+"Is het niet genoeg, _éénmaal_ zulk lijden te moeten aanzien? O God,
+bewaar mijn lieveling, mijne Lise!" bad zij, de handen in den schoot
+gevouwen, met oogen vol tranen.
+
+Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde
+zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar
+diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: "waarom schreit gij,
+tante, zijt gij nog steeds boos op mij?"
+
+De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik,
+als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: "Wat komt
+gij hier doen, Lise?"
+
+"Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel
+over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen,
+mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen."
+
+"Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar
+praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd;
+wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe
+erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u--kom,
+ga zitten!"
+
+Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij
+als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien,
+en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te
+spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het
+jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen
+in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachting
+naast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel
+spoedig vergeten--neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet
+verhalen. En toch--als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar
+lieveling niet gewaarschuwd!
+
+"Doe eerst het raam open, Lise!" zeide zij: "de lucht is hier
+drukkend."
+
+Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de
+boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht,
+het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje.
+
+"Lise," klonk het halfluid, "Lise, gij--mij dunkt het is beter dat gij
+niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat--naderhand, meen ik; later, als
+Army weer te huis is, en de nicht," voegde zij er vergoelijkend bij,
+toen Liesje haar verrast aanzag. "Zie, het is niet--ik denk--ik--"
+zij stamelde en zweeg.
+
+"Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?" vleide
+het meisje, bevreesd voor het oude thema.
+
+"Wat ik van Lisette wilde vertellen," riep de oude vrouw heftig,
+"dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem
+was, en dat zij sterven moest, alleen omdat--omdat---Hoor, Lise, als
+ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen;
+want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één
+geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd--"
+
+Zij zweeg een poos.
+
+"Ga niet meer naar het slot, Lise," voer zij voort; "zie, ik kan u
+alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen
+komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet
+goed, de oude barones--de---"
+
+"Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te
+staan?" vroeg het meisje. "Zeg het mij, tante, bid ik u!"
+
+"Ik zeg ja noch neen, Lise," antwoordde zij; "maar dit zeg ik," en
+hare stem klonk ernstig, "wij zijn nog niet aan het einde, en ging
+het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als
+bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt,
+brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te
+kunnen zeggen, dat zij eene--"
+
+"Tante!" riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt
+ophield.
+
+"Het is goed," mompelde zij. "Ik zal niets meer zeggen. Maar gij
+moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen
+overleven, wanneer---O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik
+wilde u slechts waarschuwen, Liesje," vervolgde zij en trok het
+snikkende meisje aan hare borst.--"Gij zult uwe vriendin niet
+verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is,
+komen er soms allerlei dwaze gedachten----Liesje, kind," fluisterde
+zij angstig, "zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?"
+
+Liesje knikte: "Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar---"
+Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren---
+
+Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude
+tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine
+predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied:
+
+
+ Bij 't graf staat een linde en die welft er zich over;
+ De vogels en 't windeken fluiten door 't loover,
+ Er zit aan zijn voet--of het feestavond was--
+ Een knaap met zijn liefje, in 't donzige gras;
+ Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend,
+ De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend,
+ En beide gelieven, zij worden dra stom,
+ Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!
+
+
+"Waar is onze Lise toch," vroeg zij daarop, "zij moet ook eens wat
+zingen."
+
+En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het
+gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen--zonder zelve te
+weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin
+twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe
+langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond
+de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met
+de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de
+handen afwijzende: "Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij
+zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk
+aan Lisette, de schoone Lisette en---"
+
+Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op
+het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst
+duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo
+ledig, zoo treurig deed voorkomen.
+
+Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar
+binnen.
+
+"Mijn God," fluisterde zij, "ik had wel goed gezien; zij heeft
+hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd
+hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja--zulk een eerste
+liefde maakt immers zoo gelukkig--"
+
+En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de
+woorden, bij het afscheid gesproken:
+
+"Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!" sprak de predikant; "het
+leven baart vreugde en smart--nu, als wij eens als oude luidjes over
+het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als
+het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen,
+het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u
+waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu,
+God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag--den
+derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje
+en tante van ons." Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer
+had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude
+vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. "Zij slaapt,"
+mompelde zij, "God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd
+veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het
+leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja--voor de meesten!
+
+
+
+
+
+Zevende Hoofdstuk.
+
+
+Het was Zaterdag vóór Pinkster. Lachend zond de zon haar gouden
+stralen op de aarde neder, kuste in den tuin bij den molen de vele
+rozen wakker, keek eventjes door de sneeuwwitte gordijnen in de kamers
+en brandde op de steenen bank voor de huisdeur.
+
+Tante Marie stond in den tuin en plukte bloemen in haar voorschoot;
+Liesje hielp haar; zij had een grooten, ronden stroohoed op, de handen
+gedekt door tuinhandschoenen, en plukte de schoonste bloemen.
+
+Er was een andere uitdrukking op haar gelaat zichtbaar; vooral hare
+oogen zagen er anders uit dan vroeger; lang niet zoo vroolijk, als
+bij zulk een heerlijken lentedag voegde, en hare tante was teederder
+dan ooit jegens haar. Van het dak vlogen twee zwaluwen haar tjilpend
+voorbij en verdwenen toen hoog in de blauwe lucht. In huis glom en
+blonk reeds alles; zelfs de ramen der ouderwetsche pronkkamer stonden
+wijd open, om overal de frissche lucht binnen te laten. Boven in de
+werkplaats en de fabriek had reeds vroeg het klapperen en stampen
+der machines opgehouden; de arbeiders maakten zich te huis voor het
+feest gereed. De heer Erving gaf hun gaarne dien dag vrij af--des te
+vlugger ging het werk later weer van de hand.
+
+De boekhouder was, met de twee andere jonge lieden van het kantoor,
+reeds vroeg vertrokken om een kleinen Pinkstertoer te maken, alleen
+Selldorf was te huis gebleven. Hij wandelde vergenoegd aan den oever
+der beek heen en weer, en verlustigde zich in de zonnestralen,
+die tot op den bodem van het water doordrongen en in het gewemel
+der kleine vischjes, die zoo potsierlijk op die zonnige plek door
+elkander schoten; nu en dan wierp hij een zijdelingschen blik in
+den tuin, of de groote witte stroohoed met korenblauwe linten ook
+weer te voorschijn kwam, en daaronder de liefste, sprekendste oogen,
+die hij nog ooit gezien had.
+
+Aan het open raam, dat op den tuin uitzag, zat de huisvrouw en naaide
+blauwe strikken op een wit kleed, dat haar Lise op het feest moest
+dragen; zij wenkte haren man, die juist binnenkwam, en wees hem de
+beide gestalten in den bloementuin.
+
+"Zie, Erving, hoe Marie het meisje liefkoost," zeide zij lachend;
+"zij heeft haar altijd vertroeteld, maar in den laatsten tijd is het
+veel erger geworden, en sedert een paar dagen, nu Lise wat bleek ziet,
+draagt zij haar letterlijk op de handen."
+
+"Laat haar maar begaan, Mina!" antwoordde Erving, "zij is goed bij haar
+bewaard; maar gij hebt gelijk, zij ziet wat bleek, en weet gij wel,
+wat mij is opgevallen? Zij is in geen week naar het slot geweest,
+en Nelly wel driemaal hier."
+
+"Och, dat zijn meisjesgrillen; misschien hebben die beiden wel
+gekibbeld; maar zij gaat er morgen heen; ik meende, dat zij het
+verteld had."
+
+"Morgen?" vroeg Erving, "hm! dan is immers Selldorf onze gast; wat
+zullen wij beiden alleen met hem beginnen?"
+
+"O, zij blijft immers niet lang boven; ze hebben bezoek op het slot;
+de nicht van wie Nelly vertelde, en Army; maar Liesje is er tot nu
+toe nog altijd geweest om vroolijke feestdagen te wenschen, en kan
+het dus nu niet best nalaten."
+
+Hij knikte verstrooid.
+
+"Die Selldorf is een hupsche jongen," sprak hij toen.
+
+Zijne vrouw zag hem lachend aan, en ook hij lachte.
+
+"Nu weet ik, waaraan gij denkt, oudje," riep zij vroolijk.
+
+"Zoo waarlijk, Mina? Nu, zou dat wel zoo slim zijn? Ik moet toch
+eenmaal een schoonzoon hebben, die verstand van de zaken heeft,
+en hij is een flink mensch; ik heb hem leeren kennen--hetzelfde
+degelijke karakter als zijn vader."
+
+"Man," zeide zij, en hare groote, schoone oogen zagen hem bijna
+smeekend aan, "ik bid u, maak geene plannen! Zij is immers nog bijna
+een kind!"
+
+"Waart gij _ouder_ toen gij mijne vrouw werdt, Mina?"
+
+"Neen, Bernard, maar--"
+
+"En zijn wij samen tot nu toe niet gelukkig geweest, en zullen wij
+het niet nog verder zijn?"
+
+"Zoo bedoelde ik het niet," sprak zij, terwijl hij zijn arm om haar
+middel sloeg; "maar ik zou haar nog zoo gaarne eenigen tijd alleen
+voor mij houden, want wie weet, hoe lang ik--" zij hield op, en poogde
+hare tranen te bedwingen. "Laat mij," sprak zij, bemerkende hoe zijn
+gelaat betrok, "ik voel mij heden zoo angstig--verlaat mij niet! Zie,
+Erving, ik zal mij ook zeer verheugen, als zij een lieven man heeft,
+maar dan moet hij even goed en achtenswaardig zijn als gij."
+
+Hij zag haar teeder aan. "De allerbeste moet het zijn," stemde hij toe,
+"en gij moogt beslissen."
+
+"Erving," sprak zij toen ernstig, en beschouwde de slanke gestalte,
+die met het voorschoot vol bloemen naderde, "Erving, ik moet nu
+nauwkeurig letten op uwen Selldorf."
+
+"Doe dat Mina," antwoordde hij en liet hare hand los. "Gij zult een
+rechtschapen mensch leeren kennen." En daarmede kuste hij haar op
+het voorhoofd en liet haar alleen met hare droomen. Het lichte werk
+gleed van haar schoot; hare gedachten verwijlden in de verre toekomst,
+en langzamerhand plooide een zachte, gelukkige glimlach hare lippen.
+
+En zoo was nu de Eerste Pinksterdag aangebroken; voor de huisdeur
+stonden twee lichtgroene Meiboomen, als kaarsen zoo recht, en van de
+bovenste takken waaiden roode linten in den warmen lentewind; de duiven
+zaten allen naast elkander op het dak, en kirden en koesterden zich,
+en Peter, die van zijne zitplaats de vurige bruinen in toom hield,
+had ook een rood lint om zijne zweep gewonden. Frissche berketakken
+waren ter zijden in het rijtuig gestoken, en toen nu van beneden uit
+het dorpje de kerkklokken luidden, en Mina in haar beste Zondagskleed
+(Doortje moest te huis blijven om te koken) langs den wagen ging,
+knikte zij Peter in stilte toe. Nu kwam ook de heer des huizes, en
+hielp zijne vrouw in den wagen. Liesje en tante volgden. De eerste
+zag er in het luchtige, witte kleed met blauwe linten lieftalliger
+uit dan ooit; tante droeg een zwart zijden japon en hield, nevens
+gezangboek en zakdoek, frissche bloemen in de hand; ook Lise had een
+paar rozeknopjes in de hand. Doortje deed het portier dicht.
+
+"Laat de hoenders niet verbranden," vermaande tante.
+
+"Zeker niet," antwoordde zij, en voegde er, het jonge meisje aanziende,
+bij: "Bid ook voor mij, juffer!"
+
+Liesje knikte: "Waarom moet ik dat juist doen?" vroeg zij lachend.
+
+"O, omdat de lieve God heden zeker welgevallen in u heeft," zei
+Doortje.
+
+De heer Erving lachte.
+
+"Nu, Peter, vooruit;" en de wagen reed naar het dorp, terwijl
+de eigenaars moeite hadden alle groeten te beantwoorden, die zij
+ontvingen. Aan de pastorie gekomen, vloog Lise een ware bloemregen in
+den schoot, en de kleine deugnieten verstopten zich lachend achter de
+haag, en riepen haar vroolijk "goeden morgen, tante Liesje!" achterna,
+toen de wagen voorbij reed.
+
+Selldorf stond bij de kerkdeur; blozend bood hij Liesje bij het
+uitstijgen de hand, en vroeg den heer Erving vergunning in zijne bank
+te mogen plaats nemen. Zoo zat hij gedurende de prediking naast haar,
+en tante Marie zat naast hare ouders, op de voorste stoelen. Eere, wien
+eere toekomt! Juffrouw Erving en de predikantsvrouw knikten elkander
+vriendelijk toe, en toen Selldorf de talrijk opgekomen schaar overzag,
+verbeeldde hij zich, dat aller blikken op zijne beminnelijke buurvrouw
+gevestigd waren. Deze zat intusschen met gebogen hoofd, de handen in
+den schoot gevouwen, en hare lippen bewogen zich zacht; haar buurman
+meende zelfs eens eene traan op het witte kleed te zien vallen.
+
+Maar neen, dat was immers niet mogelijk; waarom zou zulk een lieftallig
+jong wezen tranen storten op zulk een heerlijken Pinksterdag?
+
+En inderdaad, toen de geestelijke den zegen had uitgesproken, en
+de gemeente den slotzang aanhief, sloeg zij hare oogen rustig en
+vroolijk op.
+
+Bij het naar huis rijden vermaakte Liesje zich met het bonte gewoel op
+den weg. Bij den grooten lindeboom moest Peter ophouden, en steeg zij
+uit. "Groet Nelly van ons, Lise!" klonk het, en met rassche schreden
+vervolgde zij haren weg. Haar hart begon sneller te kloppen, toen
+zij de lindenallée intrad; zij zette haar hoed af en ging langzamer;
+daar werd reeds het massieve voorportaal zichtbaar, en de beide
+steenen beren schenen haar heden bijzonder dreigend aan te zien. Zij
+stond stil en legde haar hand op het kloppend hart; het liefst wilde
+zij terugkeeren; maar wat zou Nelly denken, Nelly, die zij vroeger
+bijna dagelijks bezocht? Men zou misschien denken dat zij bang was
+voor de vreemde nicht. Neen, vooruit! Zij liep haastig de laan door,
+bleef echter plotseling verrast staan, want op het grasperk, onder de
+schaduw der zware boomen, die de opene ruimte voor het slot omgaven,
+stond vóór de steenen bank een gedekte tafel, en daaraan zat de
+jonge barones in een leunstoel, echter zóó, dat zij het naderende
+meisje den rug toekeerde; hare schoonmoeder zat tegenover haar en
+las ijverig eene courant. Alles op de tafel toonde duidelijk aan,
+dat men hier ontbeten had. Liesje waagde het niet, verder te gaan. De
+oude dame sloeg de oogen op en bemerkte haar; zij schrikte zoodanig,
+dat zij een sierlijken schotel van de tafel stootte, die kletterend
+op den grond viel.
+
+"Hoe onbescheiden, ons zoo te verschrikken!"
+
+"Goeden morgen, Liesje!" sprak hare schoondochter, opstaande, en gaf
+het jonge meisje de hand.
+
+"Ik vraag vergeving," zeide Liesje, terwijl zij zich tot de oude
+barones wendde; "ik wachtte reeds eenige minuten, voor ik het waagde
+uwe opmerkzaamheid te trekken, wijl ik vreesde u te storen," sprak zij
+kalm, op den hartstochtelijken uitroep der oude barones. "Ik kom,"
+vervolgde zij, "slechts even, om gelukkige feestdagen te wenschen,
+zooals ik vroeger altijd deed, en om Nelly te zien."
+
+"Ga zitten, Liesje," sprak de jonge barones; "Nelly zal wel aanstonds
+hier komen; zij is met Army en Blanka naar het park gegaan, en--maar
+daar is zij reeds, ik hoor hare stem."
+
+De oude dame haalde ongeduldig de schouders op, toen Lise bedaard op
+de steenen bank plaats nam, en vol deelneming naar de gezondheid der
+bleeke vrouw vroeg, wier wangen een oogenblik bedekt waren geweest
+met een vluchtigen blos, door de onaardige woorden harer schoonmoeder
+daarop te voorschijn geroepen. Men hoorde stemmen naderen, en Lise
+onderscheidde duidelijk die van haar vroegeren speelgenoot. Een
+benauwend heet gevoel verwarde een oogenblik haar kalm, helder hoofd;
+toen drukten hare oogen de hoogste verbazing uit; want aan de zijde
+van Army bespeurde zij een jonge dame, wier verschijning haar geheele
+aandacht tot zich trok.
+
+Was dat een volwassen dame, of een kind, dat daar zoo bevallig te
+paard henen zweefde?
+
+En nu klonk een zachte stem, echter met de uitdrukking van een
+bedorven kind:
+
+"Laat los, Army, laat los! Ik wil alléén eenige toeren voor tante
+rijden."
+
+Army trad terug, en het paard begon met langzamen, statigen tred haar
+te naderen; bij elke beweging van het dier werd de sierlijke gestalte
+als 't ware in een wolk gehuld door het luchtige, witte gewaad; de
+oogen hield zij neergeslagen, en over het blanke voorhoofd blonk het
+overvloedig, prachtig goudkleurig haar in den helderen zonneschijn,
+en viel golvend op den rug neder.
+
+"Voortreffelijk, Blanka," riep Army, wiens blik als betooverd aan de
+bekoorlijke verschijning hing; "voortreffelijk; Mamsel Elise bij Renz
+rijdt niet beter."
+
+De oogen der oude barones fonkelden van vreugde, want zij was vroeger
+ook dikwijls bewonderd; en paardrijden is immers een der edelste
+liefhebberijen.
+
+"Meraviglia, mijn engel!" riep zij uit, toen de jonge dame stilstond
+en op Army steunend, vlug uit den zadel sprong. "Gij houdt uw paard
+meesterlijk in bedwang; maar, mia cara, hoe durft gij zonder hoed in
+de zon rijden! Ik bid u--uw schoone teint--buiten moet men altijd--"
+
+"Wees onbezorgd, tante, ik verbrand nooit."
+
+Zij liet zich in den schommelstoel vallen, dien Army haar toeschoof,
+zonder het jonge meisje te bemerken.
+
+"Mejuffer Elisabeth Erving, Nelly's vriendin!" sprak nu de jonge
+barones, haar voorstellende, "en mijne nicht, Blanka van Derenberg!"
+
+Blanka sloeg hare oogleden op, en beantwoordde met een nauw merkbaar
+hoofdknikje, zonder eenigszins van houding te veranderen, de bevallige
+buiging van het jonge meisje. Hare donkere oogen bleven een oogenblik
+verwonderd op haar rusten, daarop greep zij haar waaier, maakte dien
+open, om daarachter een kleinen geeuw te verbergen.
+
+Army had beleefd gegroet, en antwoordde op de vraag zijner moeder,
+waar Nelly bleef, waar zij waarschijnlijk nog in het park vertoefde. Op
+dit oogenblik verscheen Hendrik, om het paard weg te voeren; de oude
+man zag er in zijn nieuwe bruine livrei zoo deftig uit, dat Liesje
+hem eerst niet herkende en verwonderd aanzag. De jonge dame in den
+schommelstoel merkte dit wel op; want een oogenblik vertoonde zich
+een spotachtig lachje om den kleinen mond; zij schommelde wat meer,
+en hield toen in eens op.
+
+"Wat voert gij hier den ganschen dag zoo wat uit?" vroeg zij, opnieuw
+achter haar waaier geeuwende.
+
+"Wij kunnen van middag gaan wandelen," antwoordde Army. "Er zijn hier
+prachtige wandelingen."
+
+"Wandelen?"
+
+"Een rijtuig hebben wij niet ter onzer beschikking," merkte de jonge
+barones aan.
+
+De oude dame lachte spottend:
+
+"Die opmerking is vrij overbodig, Cornelie."
+
+"Houdt gij van wandelen, cousine Blanka?" vroeg Army, die tegenover
+zijne moeder plaats nam.
+
+"Neen," verklaarde zij, zonder de oogen op te slaan.
+
+De jonge officier beet zich op de lippen.
+
+"Zouden wij den burgemeester niet voor een paar uren om zijn rijtuig
+kunnen vragen? Wat dunkt u, grootmama?"
+
+"Wat een kluchtig denkbeeld van u, Army! gij begrijpt toch wel,
+dat niemand in zulk een aartsvaderlijk ding kan zitten."
+
+"Maar grootmama!--Ik geloof trouwens ook, dat de wagen heden niet
+disponibel zou zijn, omdat de familie gewoonlijk Zondags zelve een
+toertje maakt."
+
+"Ik zou er toch ook voor bedanken," hernam de oude dame.
+
+"Mag ik u ons rijtuig aanbieden?" vroeg Liesje, "het zal mijn vader
+zeker veel genoegen doen--"
+
+"Dat zou eene uitkomst zijn," riep Army uit; "als gij lust hebt,
+Blanka, nemen wij het aan. Nietwaar, grootmama?"
+
+"Ik dank," gaf deze ten antwoord.
+
+Blanka zweeg; zij wierp een onderzoekenden, verbaasden blik op het
+eenvoudig gekleede meisje--wie was zij toch?
+
+"Nu, besluit gij dan cousine!" zei Army.
+
+"Ja, besluit gij," voegde de grootmoeder er bij, terwijl zij hatelijk
+lachte. "Het is niet alle dagen Pinkster; op werkdagen hebben die
+paarden geen tijd, omdat zij dan de wagens met lompen moeten aanhalen."
+
+"Vaders rijpaarden zijn geen trekpaarden," sprak Liesje, met bevende
+lippen, "zij hebben daar geen tijd voor, omdat zij uitsluitend ten
+dienste mijner moeder bestemd zijn, wie het loopen moeielijk valt."
+
+"Ik wil liever van daag niet rijden," verklaarde Blanka, die het woord
+"lompen" deed rillen.
+
+"Hebt gij hier vele buren?" vroeg zij.
+
+"O ja," antwoordde Army vriendelijk, "wij verkeeren echter met niemand;
+gij begrijpt, zonder equipage----"
+
+"En in den naasten omtrek is geen enkele familie met welke men
+fatsoenlijk kan omgaan," vulde de oude barones aan.
+
+"Zoo!" sprak Blanka, terwijl zij achterover in haar stoel leunde,
+en haar lange krullen om den vinger wond.
+
+"Ik moet afscheid nemen, zonder Nelly gesproken te hebben."
+
+"Het zal haar spijten, Liesje," sprak de kranke vrouw en reikte haar
+de hand; "misschien vindt gij haar nog in het park. Groet uwe ouders
+en tante van mij!"
+
+"Ik dank u, genadige vrouw," antwoordde Lise, en na de anderen gegroet
+te hebben, vertrok zij.
+
+De donkere oogen der oude dame fonkelden met een onbeschrijfelijke
+uitdrukking van haat.
+
+"Goddank!" riep zij, diep ademhalend, "ik weet niet hoe het komt,
+maar de tegenwoordigheid van dit meisje brengt mij telkens uit mijn
+humeur; welk eene brutaliteit, haar rijtuig aan te bieden! En gij hadt
+dat bijna aangenomen, Army! Ons in de equipage van den lompenmolenaar
+te vertoonen, die ieder kind kent--onbegrijpelijk van u!"
+
+Op dit oogenblik kwam Nelly haastig uit de allée; de blonde lokken
+hingen verward om haar gloeiend gelaat. Het nette, uiterst eenvoudige,
+katoenen kleedje liet den voet in een klein, hoewel niet zeer sierlijk
+lederen schoentje zien, en de zwart zijden boezelaar droeg duidelijk
+blijken, dat de tijd der nieuwheid lang voorbij was.
+
+"Wat is er met Liesje gebeurd?" vroeg zij buiten adem, naderbij
+komende. "Zij weende."
+
+"In de eerste plaats moet ik u vragen, Nelly, waar gij geweest zijt;
+en u zeggen, dat het zeer onfatsoenlijk voor een jonge dame is,
+zoo hard te loopen en in zulk een kleeding!"
+
+"Grootmama!" riep zij, vroolijk lachend, "wat zijt gij koddig! Alsof
+ik ooit een ander toilet bezeten heb! Ik kan toch op dezen heerlijken
+dag mijn zwart avondmaalskleed niet aandoen!"
+
+Blanka wendde het hoofd om, en beschouwde met een kouden blik het
+verachte katoenen kleedje. Haar kamenier zou voor zulk een bedankt
+hebben.
+
+Army echter bloosde hevig; hij herinnerde zich het briefje met het
+goudstuk er in, het verjaarsgeschenk zijner zuster; waar was het
+briefje gebleven?
+
+"Waarom weende Lise?" vroeg Nelly nog eens, ongeduldig; "zij wilde
+het mij niet vertellen."
+
+Allen zwegen. "Army! zeg het mij toch," bad zij, terwijl tranen in
+hare oogen blonken.
+
+"De kleine schijnt wat heel gevoelig te zijn," verklaarde in zijne
+plaats de oude barones; "ik zeide iets in 't algemeen, en daardoor
+meende zij beleedigd te zijn; maar het gaat altijd zoo met zulk volk;
+zij stellen zich met ons gelijk en kunnen niet verdragen, dat men
+hun het verkeerde van zulk een gedrag onder het oog brengt."
+
+Nelly zweeg. Zij had uit den toon, waarop haar grootmoeder "zulk volk"
+uitsprak, genoeg begrepen.
+
+"Het wordt mij hier ook te warm," zeide de oude dame; "ik geef
+de voorkeur aan mijn koele kamer. Bezoek is mij echter ten allen
+tijde welkom," en vriendelijk zag zij naar de jonge dame in den
+schommelstoel. Haar donkere oogen konden zoo betooverend liefelijk
+schitteren.
+
+"Ik ga met u, mama," sprak hare schoondochter opstaande.
+
+"Nelly, gij wilt nu immers wel hier blijven?"
+
+Het jonge meisje ging naast hare nicht zitten. Zij had zich
+deze zoo geheel anders voorgesteld, zich zoo verheugd met haar
+recht meisjesachtig te babbelen; en nu was daar gister uit een
+extra-postrijtuig een jonge dame gestapt, die haar donkere oogen
+onderzoekend en koel over omgeving en personen liet gaan.
+
+Geen enkel hartelijk woord was nog tusschen haar gewisseld. Blanka
+sprak meest met hare oogen, en deze donkere sterren schenen te zeggen:
+wat is het hier vervelend!
+
+Ook hare grootmama en moeder hadden bij hare komst verrast
+opgezien. De eerste had aan Nelly verzekerd, dat zij nooit gedacht
+had dat de "kleine roodharige Blanka, het klierachtige kind," zulk
+een pikante schoonheid zou worden. Een pikante schoonheid! Nelly
+wist ter nauwernood wat de bijvoeging "pikant" beteekende; maar,
+dat zij schoon was, hare cousine, ja! dat zag zij ook; vooral op dit
+oogenblik, nu de koude oogen met de lange wimpers waren neergeslagen;
+het ovaal, bleek gelaat onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen, wier
+zwarte kleur zulk een groot contrast vormde met het hoogblonde haar,
+was onbeschrijfelijk bekoorlijk om aan te zien. Sprekend geleek zij op
+het portret, boven in de zaal; de slanke hals op de teedere schouders,
+de houding van het hoofd waren geheel dezelfde; enkele korte lokken
+vielen naar de mode op het marmerblanke voorhoofd, en om den kleinen
+mond lag een nadenkend lachje. Zij speelde met haar ivoren waaier,
+en streek zich telkens met den gladden kant over hare wangen. Army
+stond onder den grooten lindeboom, en beschouwde haar vol gedachten.
+
+Daar was zij in zijn voorvaderlijk huis! Met welk een vroolijk,
+kloppend hart had hij haar verwacht, en nu had hij een gevoel, alsof
+zij het liefst maar weder, als een gevangen vogel, weg wilde vliegen
+uit deze stilte, naar het vroolijke, drukke leven. Zij was zoo koel;
+zelfs hare zoo keurig ingerichte kamers, die hem zooveel hoofdbreken en
+moeite gekost hadden, had zij ter nauwernood een blik waardig gekeurd.
+
+Het was eigenlijk toch vreeselijk lichtzinnig! De kosten bedroegen meer
+dan zijn geheele inkomen, gedurende twee jaren. Maar bah!--als hij
+maar eerst die kleine hand voor goed in de zijne hield, dan was deze
+geheele zaak immers eene kleinigheid! Dat had grootmama ook tegen zijne
+moeder gezegd, die met angstige blikken de behangers had aangezien,
+evenals de nieuwe livreiën van den ouden Hendrik en den knecht, die
+met Blanka's rijpaard en den goudvos gekomen was. Ook was voor deze
+dagen eene kookvrouw gehuurd, die nu in de groote slotkeuken de baas
+speelde--en dat alles voor het kleine wezen, dat daar zoo onverschillig
+tegenover hem zat! Army zuchtte, en wendde den blik naar het groote,
+indrukwekkende gebouw, dat door de volle middagzon beschenen werd;
+in Blanka's kamer sloot juist hare kamenier de ramen.
+
+"Hoe onverstandig!" riep Blanka uit, en sprong overeind. "Zij weet, dat
+ik van warmte houd, en dan nog die ontzettend vochtige lucht in de oude
+hooge kamers! Nelly, zeg haar--dat zij de vensters open moet laten."
+
+De kleine liep haastig naar het slot, blijde dat zij aan de drukkende
+verveling kon ontkomen.
+
+"Wat zijn eigenlijk mijne kamers, Army? Men kan in dat doolhof van
+ramen geen weg vinden," vroeg Blanka.
+
+"Dáár, cousine, op de tweede verdieping; uwe kleedkamer is dicht bij
+den toren."
+
+"O, dat is die deur, zoo kunstig onder het groene behang verborgen--ik
+kon maar niet gewaar worden of achter de vastgespijkerde plooien een
+oude kast of eene deur verborgen was. Maar, waarom heeft men mij de
+torenkamer niet gegeven? Daar moet een heerlijk uitzicht zijn!"
+
+"Het spijt mij zeer, Blanka; ik had hetzelfde idee; maar grootmama
+schijnt een bijzondere reden--"
+
+"Zoo, spookt het er misschien?" viel zij hem in de rede.
+
+Army lachte. "Dat niet, cousine; ik weet er ten minste niets van;
+of het moest de jonker van Streitwitz zijn, die zich eenmaal om uw
+bekoorlijk evenbeeld heeft doodgeschoten, zooals de overlevering
+luidt."
+
+"Army, ik bid u, maak dat ik de torenkamer krijg!" Hare stem klonk
+zacht, als van een vragend kind.
+
+"Ik zal het grootmama nog eens vragen, Blanka."
+
+"Maar spoedig, Army," riep zij, en zag hem lachend aan.
+
+Hij was verrukt. "Zeker, dadelijk!" stamelde hij; want zóó bekoorlijk
+had zij er nog niet uitgezien, zoolang zij hier was. "Blanka," liet
+hij er op volgen, "ik vrees, dat gij u hier erg verveelt."
+
+"Ik bid u, spreek dat woord niet uit, vertel mij liever wat, neef! tot
+ik naar binnen moet om toilet te maken. Voor wie kleedt men zich hier
+eigenlijk?" zeide zij, schouder ophalend. "Zeg eens," vervolgde zij, en
+schommelde zich weder in haar stoel, "wie is dat meisje, waartegen uwe
+grootmoeder--neem het mij niet kwalijk--zoo onuitsprekelijk lomp was?"
+
+"Liesje Erving."
+
+"Dat weet ik; maar wie is haar vader? Zij sprak van haar rijtuig?"
+
+"Haar vader is de rijkste man in den omtrek, Blanka; bezitter eener
+papierfabriek--vandaar grootmama's spot over de lompen--eigenaar van
+verschillende bosschen waarin wij wandelen kunnen, dewijl zij aan
+ons park grenzen."
+
+"En waarom mag tante het meisje niet lijden?"
+
+"Ja, Blanka, wanneer vraagt grootmama naar een _waarom_? Zij heeft
+altijd een onverklaarbaren afkeer van het jonge meisje gehad;
+buitendien ergert het haar, dat Nelly zoo intiem met haar omgaat;
+zij houdt streng vast aan het onderscheid van stand en heeft, om de
+waarheid te zeggen, daarin gelijk."
+
+Blanka schudde het hoofd. "Gij schijnt hier nog geheel in de oude
+atmosfeer te leven, die daar buiten in de wereld hoe langer zoo meer
+vervliegt. O--een brief," viel zij zichzelve in de rede, en greep
+haastig naar het sierlijke vierkante couvert, dat de oude Hendrik
+haar op een blad aanbood, en die toen, even stil als hij gekomen
+was, weer vertrok. "Van Léonie," sprak zij halfluid, terwijl zij het
+papier losscheurde.
+
+Een donkerrood bedekte een oogenblik haar gelaat, dat daarop bleek
+werd, even wit als het kleed, dat zij droeg; het papier beefde in
+haar sidderende handen; toen barstte zij uit in een schaterend gelach.
+
+"Dat is koddig," riep zij uit, en frommelde den brief in elkaar;
+"daar komt juist een bewijs voor hetgeen ik zoo even zeide; ziet gij,
+Army! zoo exclusief als uwe grootmama denkt de wereld niet meer.--Daar
+schrijft Léonie van Hammerstein mij, dat graaf Seebach verloofd is met
+eene juffer, de dochter van een opperhoutvester, en dat uit liefde,
+zegt Léonie--hoort gij, uit liefde! Zij lachte; hare oogen schoten
+vuur, en de kleine handen scheurden het papier in duizend stukken.
+
+"Wat? graaf Seebach, met wien gij den vorigen winter zoo dikwijls
+danstet?" vroeg Army; "die u letterlijk met bloemen overstelpte?" Hij
+sprak haastig en sloeg een vorschenden blik op het opgewonden gelaat
+zijner cousine.
+
+"Heb ik met hem gedanst? Ik herinner het mij niet meer," antwoordde
+zij losweg; hare neusvleugels trilden zenuwachtig. "Ja, de wereld gaat
+vooruit! Dat een man als Seebach, die altoos over zijn vlekkeloozen
+stamboom sprak, dat zoo iemand uit liefde--ha ha, nietwaar? het is
+bespottelijk--een burgermeisje tot zijne gemalin neemt!" zij schudde
+het hoofd, en weder klonk dat onnatuurlijke, krampachtige lachen
+van hare lippen. Toen stond zij haastig op: "ik ben erg vermoeid,"
+voegde zij er bij en hield hare hand boven de oogen, alsof de zon haar
+hinderde: "ik ben niet gewoon, zoo lang buiten te zitten, en zal wat
+rusten moeten, indien ik tegen het eten weer frisch wil zijn. Adio,
+cousin!"
+
+Zij knikte hem toe, terwijl zij met een afwijzende beweging der
+hand voor zijn geleide bedankte, en ging het voorplein over. Bij de
+torendeur keerde zij zich nog eens om, en Army hoorde haar vroolijk
+lachen. Welk een verschil met den straks gehoorden toornigen lach,
+die hem nog in de ooren klonk! Zij was een raadselachtig wezen;
+wanneer zou hij het recht hebben haar te doorgronden?
+
+Bij den maaltijd verscheen de jonge dame in een schitterend toilet. De
+bleekgroene zijde scheen zacht door het witte overkleed; het prachtige
+haar was met een ivoren kam op het achterhoofd bevestigd, en een
+breede matgouden armband omsloot de fijne pols. Het gelaat vertoonde
+geen spoor meer van de koelheid en verveling van dien morgen. Blanka
+had voor ieder een vriendelijk lachje, en de oude barones zag het
+jonge paar, dat tegenover haar zat, met teedere blikken aan.
+
+De parelende wijn blonk weder in de fijne glazen; Hendrik bediende met
+zijn gewone deftigheid en liet zijn heldere oogen tusschenbeide gaan
+over het kleine gezelschap, en het schoone meisje naast zijn jongen
+meester, dat, naar het zeggen harer kamenier, ééns zeker onmetelijk
+rijk zou worden, en zoovele minnaars als ringen aan de handen had. De
+oude Sanna was overgelukkig; want hare meesteres had haar meer dan
+eens te kennen gegeven, waar het om te doen was, en zij zag voor hare
+barones nog blijde dagen tegemoet. Het vroolijk lachen der jonge dame
+met het goudlokkig hoofdje klonk door het hooge vertrek, en de jonge
+officier, aan hare zijde, klopte het hart onstuimig, als zij hem zoo
+minzaam aanzag en hij haar adem op zijn gelaat voelde. Maar Nelly, wat
+scheelde haar? Nelly, die altijd haar broeder zwijgend gehoorzaamde,
+hem altijd gelijk gaf, wat hij ook sprak of deed; die gewoon was
+den geringsten wensch in zijne oogen te lezen; Nelly was jegens haar
+cousine zoo onverschillig, nam zoo weinig notitie van hare omgeving,
+dat het bijna lomp moest heeten. Haar roode mond, die zoo hartelijk
+kon lachen, bleef gesloten, en hare blikken rustten somtijds angstig
+op het gelukkige gelaat haars broeders, die onuitputtelijk was in
+attenties voor zijne buurvrouw. Voor hare oogen stond nog altijd het
+bleeke gezichtje, met groote tranen in de blauwe oogen; wat hadden zij
+Liesje, haar Liesje, toch gedaan? Neen, zij moest eerst naar haar toe,
+en zij moest het haar zeggen, wie haar beleedigd had.
+
+Het was reeds geheel donker, toen Nelly eenige uren later Liesjes kamer
+verliet, waar zij in de schemering met hare vriendin had zitten praten.
+
+"Het is niets, Nelly," verzekerde Lise meer dan eens, met een zachte
+stem; "het was zeer kinderachtig van mij, dat ik kwalijk nam wat niet
+de moeite is om over te spreken; kom, ik zal u tehuis brengen."
+
+En zoo gingen zij samen over de brug, onder de donkere boomen, den
+bekenden weg langs. Het was een zoele avond; geen windje bewoog zich;
+aan den gezichteinder werd een donkere wolk zichtbaar, een flauw
+weerlicht wierp van tijd tot tijd een geelachtig schijnsel op den
+omtrek; nachtegalen zongen in het struikgewas, en in de verte klonk het
+gezang der jonge knapen, die uit volle borst een avondlied aanhieven.
+
+"Ik weet niet, wat mij scheelt," zeide Liesje, diep ademhalend. "Het
+is alsof ik stik! Wat is de lucht drukkend en zwaar! Ik geloof dat
+tante gelijk heeft--er broeit een onweder."
+
+Nelly knikte toestemmend.
+
+"Mijne moeder klaagt ook, dat zij zoo benauwd is," voer Lise voort;
+"nog nooit ben ik op Pinkster zoo treurig geweest, Nelly! en toch was
+alles evenals vroeger. Als er maar niets ergers gebeurt, wanneer het
+onweer losbarst!"
+
+Zij waren het park genaderd, en betraden zwijgend de donkere
+linden-allée--op eens voelde Liesje haar arm zacht drukken en bleef
+Nelly staan.
+
+"Wacht even, Liesje," sprak zij, "was dat Blanka's stem niet?"
+
+Een poos bleef alles stil, toen naderden schreden, en een zachte
+heldere stem zeide: "Army, mijn lieve Army!"
+
+Hoe verleidelijk klonk dat! Het jonge meisje daar beneden kreeg een
+gevoel, alsof een messteek in hare borst drong; onwillekeurig drukte
+zij de hand op het hart. Daarop volgde een zacht gefluister--_dat_ was
+zijne stem--hoe gelukkig, dat zij niet verstond, wat hij zeide! Och,
+was zij maar niet mee gegaan!
+
+De langzame schreden kwamen nader; zij liet de hand harer vriendin los,
+en vluchtte achter een grooten lindeboom, boog zich voorover en daar,
+bij een helder weerlicht, zag zij eene slanke, mannelijke gedaante,
+en aan zijn arm, als eene fee, zóó teer en licht, de schoone cousine
+met de goudblonde lokken; hij bukte zich en kuste haar.
+
+Het duurde slechts een oogenblik; maar dit was voldoende om de angstige
+meisjesoogen alles te verraden; zij drukte het hoofd tegen den boom en
+sloot de oogen met een gevoel van vurige, nooit gekende smart. Nelly
+echter gilde. "Army, Army--"
+
+Bijna beschuldigend klonk het als eene waarschuwing. Hij antwoordde,
+en hoe opgewekt was zijne stem: "Zusje, waar zit gij toch? Kom, en
+zie wat ik gevonden heb! Kom hier--ga vooruit en zeg aan grootmama,
+dat het geluk werkelijk bij ons is teruggekeerd; dat Blanka de mijne
+is geworden!"
+
+En een nieuwe lichtstraal flikkerde door de boomen, en bescheen een
+meisjesgestalte, die door de laan huiswaarts ijlde.
+
+De kleine Nelly zag haren broeder angstig aan, en toen het weder
+donker was, drong een zucht uit hare borst en met gebogen hoofd begaf
+zij zich naar het slot, om hare moeder te vertellen, dat Blanka en
+Army--haar lieve, goede Army--verloofd waren.
+
+Op de steenen bank voor de deur zat tante Marie op haar lieveling
+te wachten; de heer des huizes en zijne vrouw wandelden in den tuin
+op en neer, en Selldorf vergezelde hen, van zijn huis en familie
+vertellende. De oude vrouw zat in gedachten verdiept, en bij elke
+lichtende straal zuchtte zij, "was Lise maar eerst te huis! O wee,
+het regent morgen," vervolgde zij bij zich zelve, "dan komt er niets
+van de partij in het bosch met de dominé's familie. Nu, dan moeten zij
+zich maar in huis zien te vermaken; dat zal een gewoel geven in den
+ouden molen--hoeveel krijg ik er dan te eten? Uit de pastorie alleen
+acht personen, dan de beide houtvesters en--Goede hemel!" gilde zij,
+"Liesje, wat doet gij mij schrikken!" en zij boog zich over het
+jonge meisje heen, dat aan hare voeten neerviel en het hoofd in haar
+schoot verborg.
+
+"Wat scheelt u toch, mijn kind? Lise, spreek toch! Wat scheelt
+u?" vroeg zij, haar liefkoozende. "Mijn God," vervolgde zij, "zijt
+gij ziek, mijn hartedief?" Maar geen antwoord.
+
+Alleen werden twee armen om haar hals geslagen en gloeiende, sidderende
+lippen drukten de hare--toen was het meisje verdwenen, en de oude
+vrouw hoorde, hoe zij de trap opging en hare kamerdeur sloot.
+
+"Een wonderlijk kind!" mompelde zij en schudde het hoofd. Zij zag
+echter niet, hoe haar lieveling daar boven rusteloos op en neder liep;
+hoe eindelijk het moede hoofdje op het van tranen natte kussen zonk
+en de kleine handen zich vouwden tot een gebed voor Army, met wien
+zij eenmaal als kind gespeeld had en wien zij nu niets meer aanging,
+och, niets, niets meer!
+
+
+
+
+
+Achtste Hoofdstuk.
+
+
+Boven in het slot kwam men nog in lang niet tot rust. De jonge
+verloofde had zich wel is waar in hare vertrekken teruggetrokken;
+het was alles zoo haastig, zoo onverwacht gekomen. Zij liet zich
+trouwens de vleierijen der oude barones welgevallen, en luisterde naar
+de vriendelijke woorden van Army's moeder; toen werd zij zoo moede
+en sloot zich op in haar kamer. De liefelijke lach verdween van het
+schoone gelaat, en Sophie, hare kamenier, had een zeer ongemakkelijke
+gebiedster te bedienen.
+
+Eindelijk zat zij in haar nachtgewaad aan haar schrijftafel, en
+vloog de pen over het papier, terwijl de trekken om den mond bitter
+verdriet teekenden.
+
+In het woonvertrek beneden sloeg Army's moeder hare armen om zijn
+hals en staarde in zijne van geluk stralende oogen.
+
+"Mijn lieve, beste jongen," fluisterde zij, "moogt gij gelukkig
+worden! Het is zoo snel gegaan, en gij zijt nog zoo jong, God
+zegene u!"
+
+De oude barones stond vóór haar, juist toen de jonge man zijne lippen
+op den mond zijner moeder drukte.
+
+"Army," begon zij, blijkbaar geërgerd over dit betoon van
+hartelijkheid, "gij weet, wat gij nu het eerst te doen hebt. Gij
+reist naar tante Stontheim en vraagt formeel om Blanka's hand, en
+dan zal al het andere, hoop ik, zich vanzelf schikken. Aan Blanka's
+vader schrijft gij slechts; met dien mensch zullen wij, hoop ik,
+in ieder geval niet in aanraking komen."
+
+"Zeker, grootmama," viel hij haar met zachte stem in de rede. Hij
+naderde Nelly, die in een grooten leunstoel gehurkt, de handen voor
+de oogen hield; "kleine," sprak hij zacht, "hebt gij geen vriendelijk
+woord voor mij?"
+
+"Och, Army," snikte zij, "ik--ik schrikte zoo, toen ik u samen zag,
+en het bedroeft mij zoo, dat--"
+
+"Maar, Nelly, het is toch voor ons allen zeer gelukkig, dat het zoo
+ver gekomen is, en ik heb Blanka zoo lief--"
+
+"Heeft zij u ook lief?" vroeg zij ernstig, zijne hand vattende,
+"weet gij dat zeker?"
+
+"Maar, kindlief! denkt gij, dat zij mij zonder dat zou willen
+trouwen? Zij, die zoo schoon en gevierd is?"
+
+Nelly schudde het hoofd en zag haar broeder met betraande oogen aan.
+
+"Ik stelde mij alles zoo geheel anders voor," fluisterde zij.
+
+"Kleine gekkin!" sprak hij, en streek haar zacht liefkoozend over
+hare lokken. "Maar, nietwaar Nelly, het is toch heerlijk, dat ik zoo
+gelukkig ben?"
+
+Zij lachte door hare tranen heen en verliet toen schielijk het
+vertrek. Buiten klonk het eerste rollen des donders van het naderende
+onweer in den zwoelen nacht.
+
+"Nelly is ziek, vrees ik," sprak hare moeder bezorgd, "hare handen
+waren gloeiend heet."
+
+"Och kom, zij is in een kwaden luim; zij mokt, omdat haar Liesje,
+naar hare meening, vandaag niet vriendelijk genoeg bejegend is,"
+verklaarde de oude barones wrevelig. "Ik wed, dat zij reeds naar den
+molen geweest is, en het onnoozele kind om verschooning gevraagd heeft;
+het is waarlijk ongehoord."
+
+"Zij scheen er vandaan te komen, toen zij ons zoo onverwacht ontmoette;
+overigens, moet ik bekennen, en Blanka vindt het ook, grootmama! dat
+gij veel te lomp jegens het meisje waart."
+
+Op dit oogenblik doorkliefde een helle bliksemstraal de lucht,
+gevolgd door een zwaren donderslag.
+
+"Misericordia, welk een weer!" riep bevend de oude dame, op wier
+lippen het scherpe antwoord door den schrik bestierf, "zou Blanka
+ook bang zijn?"
+
+Daar vloog de deur open en in het ruime, witte cachemiren kleed stond
+de jonge dame plotseling midden in het vertrek; zij hield de handen
+voor de ooren en zag angstig in het rond.
+
+"Ik ben zoo bang," sprak zij huiverend, en liet zich in den stoel
+vallen, dien Nelly zooeven verlaten had.
+
+Army ijlde naar haar toe; hij zag haar bleek gelaat en vatte hare
+koude, kleine hand.
+
+"Ik zou om niets ter wereld altijd hier willen wonen!" vervolgde zij,
+en stampte met haar klein voetje heftig op den grond.
+
+"Waar wilt gij _dan_ wonen, mijn kind?" vroeg de oude barones
+verwonderd.
+
+"_Dan_ wonen?" herhaalde verbaasd de jonge dame, die voor een oogenblik
+haar angst totaal vergeten scheen te zijn. "Wel, lieve grootmama, meent
+gij dan, dat Army en ik ons hier zullen begraven? Neen, nietwaar,
+Army? Wij gaan eerst reizen en wat van de wereld zien; ik ken nog
+geen der groote badplaatsen, Ems, Baden-Baden, dan Zwitserland,
+Italië--verbeeld u eens Italië, waar gij mij gister nog zooveel van
+verteld hebt, en dan, als wij dat alles gezien hebben, zoeken wij
+een plekje uit, waar het ons bevalt om te wonen." Zij zweeg opeens,
+want een nieuwe bliksemstraal en donderslag deden het oude slot op
+zijne grondvesten schudden.
+
+Army hield de hand zijner verloofde vast; hij stond rechtop naast
+haar en luisterde naar den wegstervenden donder; de oude dame naderde
+echter het jonge paar met een gelaat, waarop de hoogste verbazing
+te lezen stond, terwijl hare schoondochter angstig luisterde naar
+hetgeen die kleine mond zei, als iets dat van zelf sprak.
+
+"Wij zullen wel dáár moeten wonen, Blanka," sprak nu de jonge man kalm,
+"waar tante Stontheim het verkiest."
+
+"Neen, nooit!" antwoordde zij driftig, "ik wil hier in dit oude slot
+niet eens begraven worden; ik ben nog jong, en wil het leven genieten;
+Army! gij zult mij gelijk geven. Hier wonen? Nooit of nimmer! Tante
+is te verstandig, zij zal dit niet van mij vergen; neen, zeker niet,"
+voegde zij er bevestigend bij.
+
+"Zeker, Blanka, wij zullen reizen; maar onze vaste woonplaats heeft
+tante te bepalen."
+
+"En wanneer zij Derenberg kiest, dan--dan ga ik niet mede; ik verzeker
+u, ik ga niet mee; het is hier veel te stil; ik zou sterven in deze
+eenzaamheid."
+
+"En zoudt gij mij hier alléén willen laten?" vroeg Army zacht en bukte
+zich om haar aan te zien. De toon was schertsend, maar klonk toch
+eenigszins angstig; "en gij hebt mij straks in den tuin nog verzekerd,
+dat gij slechts gelukkig zoudt zijn, waar--"
+
+Zijne stem daalde tot zacht fluisteren.
+
+Een heftig hoofdschudden was het antwoord. "Neen, neen," riep zij
+daarop; "zoo meende ik het niet, Army! Mijn weinigje vrijheid laat
+ik mij niet ontnemen, het zou mijn dood zijn, als ik dagelijks door
+de koude, hooge gangen loopen en in het donkere park uitzien moest."
+
+"Als echter uw aanstaande echtgenoot wenscht, dat gij hier
+blijft?" vroeg de oude dame met ingehouden adem; hare handen grepen
+krampachtig de plooien van haar kleed.
+
+"Hij _zal_ het niet wenschen," riep zij hartstochtelijk en sprong
+overeind; haar lief gelaat had een dreigende uitdrukking aangenomen
+en haar voet stampte hevig op het tapijt; geen spoor was er meer van
+de minzaamheid van dien avond. De eigenzinnigheid vertoonde zich op
+eens in hare hatelijkste gedaante, en haar stem klonk scherp en ruw.
+
+"Het is belachelijk, inderdaad belachelijk," ging zij voort, "de
+vrouw als eene slavin te behandelen en tegen haar te zeggen, dáár,
+waar uw man zich gelukkig gevoelt, moet gij het u noodwendig ook
+doen, en doet gij het niet, dan is het uwe zaak te zien hoe gij u
+redt! Army kan en zal mij zoo niet behandelen; ik heb hem mijn woord
+gegeven de zijne te worden, het ligt aan hem, mij gelukkig te maken,
+maar hier _kan_ en _wil_ ik niet wonen."
+
+"Blanka," riep hij, en zijne groote oogen zagen verschrikt het jonge
+meisje aan, dat straks onder duizend liefdesbetuigingen zijne verloofde
+geworden was.
+
+"Blanka! ik bid u, houd op! gij zijt opgewonden van angst en
+schrik." Hij schelde en bracht haar naar haar stoel terug. "Een glas
+water," beval hij Hendrik, die binnentrad.
+
+De oude dame zag als versteend naar de verloofde van haren
+kleinzoon. Zou dit kleine wezen al haar kostelijke plannen in duigen
+werpen? Zou zij evenals vroeger hier eenzaam leven? Zou zij van dien
+schitterenden rijkdom niet genieten? Zich niet koesteren in de stralen,
+die een frisch, vroolijk leven hier zou verspreiden? Ontsteld viel
+zij op een stoel en sloeg een donkeren blik op den jongen officier,
+die juist het glas water uit Hendriks hand aannam en het zijne
+verloofde toereikte.
+
+Plotseling klonk een flauwe kreet uit het belendend vertrek. "Nelly,"
+riep de jonge barones ontsteld, en verdween door de kamerdeur. "Kind,
+wat scheelt u toch?" vroeg zij angstig, terwijl zij zich over het
+op de sofa liggende meisje heenboog en de hand op haar brandend
+voorhoofd legde.
+
+"Och, zij is vreeselijk mama, zij is vreeselijk!" snikte het kind;
+"mijn Army, mijn lieve, goede Army! Zij heeft hem niet lief, mama,
+geloof mij."
+
+"Heb maar geen zorg, liefje!" troostte de moeder zacht; "zij is
+slechts wat nukkig; alles zal nog wel terecht komen."
+
+"Neen, neen, mama! O, toen ik haar aanzag, schoot mij de oude kroniek
+te binnen, en het vers over het roode haar. Och! dat zij weer wegging,
+van avond nog, en maar nooit, nooit weerkwam!"
+
+Liefkoozend poogde de moeder het opgewonden meisje tot bedaren te
+brengen; haar hart was zelf zoo vol angst! De bleeke vrouw boog het
+hoofd en hare oogen vulden zich met tranen. Nelly sliep onder de
+troostredenen harer moeder in. Het was een onrustige, koortsachtige
+slaap, maar toch liet de bezorgde, bleeke vrouw haar dochtertje
+alleen. Zij had immers nog een kind, haar Army. Voorzichtig zag zij
+om den hoek van de deur; de oude dame en de schoone verloofde waren
+verdwenen; maar dáár, in de diepe vensternis, stond _hij_ nog, haar
+lieveling, en staarde naar buiten. Zij naderde hem, en de hand op
+zijn schouder leggende, sprak zij zacht: "Army!" Hij keerde zich om
+en zag haar vragend aan. Zij zweeg, maar hare oogen bleven met een
+angstig onderzoekenden blik op het schoone, trotsche gelaat gevestigd.
+
+"Wees gerust, mama!" zeide hij haastig, hoewel met eenigszins onvaste
+stem, "zij is een bedorven kind, een zeer bedorven kind, maar zij
+heeft mij lief--zeker, ik weet het; zij zal zich veranderen; het
+spijt haar immers al, dat zij zoo driftig werd."
+
+De moeder onderdrukte met geweld hare tranen en streek zacht over
+zijn voorhoofd. "Goeden nacht, Army," fluisterde zij.
+
+"Goeden nacht, mama," antwoordde hij, haar teeder kussende, "wees
+voor mij niet bezorgd."
+
+
+
+Sedert waren veertien dagen verstreken. Storm en regen hadden al de
+frissche bloesems van boomen en heesters geschud en ze als versche
+sneeuw over den grond gestrooid, maar in plaats daarvan bloeiden in
+den tuin des molenaars de rozen allerprachtigst en de lindeboom in
+het slotpark stond in vollen bloei. Zeer dikwijls was Liesje in den
+laatsten tijd dien weg gegaan, welken zij gemeend had niet zoo spoedig
+weer te zullen betreden. Maar Nelly was erg ziek geweest, en de oude
+Hendrik had op haar verlangen hare vriendin bij haar ziekbed moeten
+halen. Uren aaneen had Liesje daar gezeten, in het hooge schemerachtige
+vertrek, en de kleine, van koorts gloeiende hand in de hare gehouden.
+
+De boodschap, die Lise op het slot riep, was juist gekomen midden in
+het gewoel, waarover tante Marie gesproken had. De predikant met vrouw
+en kinderen, alsook de houtvester, waren op hun tijd verschenen, en
+Liesje had al hare vermogens moeten inspannen, om evenals vroeger
+de kinderen bezig te houden, waarbij zij gelukkig in den heer
+Selldorf een goeden steun vond. Op eens was Hendrik binnengekomen
+met zijne boodschap, en Lise had zich slechts even opgehouden om
+de toestemming harer ouders te vragen, die zij natuurlijk aanstonds
+verkreeg, hoe ongaarne men haar juist heden ook miste in den blijden
+kring. "Tante Liesje, kom gauw weer; dag tante Liesje!" hadden de
+vroolijke kinderstemmen haar nageroepen, terwijl achter de gordijnen
+een blonde, jonge man had gestaan, en twee trouwe, heldere oogen de
+slanke gedaante nastaarden, die juist in het bosch verdween, terwijl
+een mismoedige trek op zijn gelaat zichtbaar werd. Wat was er van
+dien zoo vurig verlangden Tweeden Pinksterdag geworden! In plaats van
+eene partij in het bosch--regen; in stede van vriendelijke blikken
+uit blauwe oogen--de plagerijen der wilde jongens, door wie Selldorf
+reeds tot oom was gepromoveerd. Op het slot was in die veertien dagen
+veel gebeurd.
+
+Army had van een kort bezoek bij tante Stontheim, hare toestemming
+en een keurig equipage voor zijne verloofde meegebracht en in een
+vriendelijk schrijven had Blanka's vader de jongelieden zijn zegen
+gegeven. Zij was weder de beminnelijkheid zelve en had uit eigen
+beweging verklaard, dat het haar leed deed, zoo heftig te zijn geweest
+op den avond harer verloving, maar een onweder maakte haar altijd erg
+zenuwachtig; Army was overgelukkig, ten minste zoo scheen het Liesje
+toe. Hij bezocht de donkere ziekenkamer dikwijls, om naar zijne zuster
+te zien en zijn gelaat straalde altijd, als hij zich over haar heenboog
+en een groet bracht van zijne bruid. De laatste was slechts ééns aan
+het ziekbed verschenen; maar hare vluchtige vragen, hoe of het ging en
+of Nelly haast weer kon opstaan, gevoegd bij de drukke verhalen van
+al hare uitstapjes en plannen bij haar huwelijk, maakten het jonge
+meisje zóó zenuwachtig, dat zij bij haar vertrek in tranen uitbarstte.
+
+"Laat haar toch niet weerkomen," klaagde zij, "ik word zoo angstig in
+haar nabijheid, en hare parfumerieën geven mij hoofdpijn." Van Lise had
+Blanka geen notitie genomen, hoewel zij bij het bed stond. Grootmama
+kwam nooit in de ziekenkamer, zoolang zij wist dat Liesje er was;
+en Sanna mompelde zoo iets van eigenzinnigheid, en dat zij even goed
+eene zieke kon verplegen als dat nietige ding, daar uit den molen;
+"dat was weer zoo'n idée van de jonge barones."
+
+Eindelijk was de ziekte geweken; de donkere gordijnen in de
+ziekenkamer waren opgehaald, de ramen geopend en Nelly lag op de sofa
+met welgevallen de frissche boschlucht in te ademen, die het vertrek
+binnendrong, terwijl Liesje naast haar zat en met haar praatte. Zij
+waren alleen. Blanka's vader was gekomen om, zooals Nelly fluisterde,
+met grootmama en Army te spreken op last van tante Stontheim. "Ik
+ben heel blij," voegde zij er bij, "dat ik weg mocht blijven, want
+van het oogenblik af dat de brief kwam, die ooms komst meldde, ziet
+grootmama boos. Maar zeg eens, Liesje, wat ziet gij bleek! gij hebt
+u zeker te veel overspannen, door mij op te passen."
+
+Het jonge meisje ontkende blozend. Stemmen en paardengetrappel werden
+buiten hoorbaar, "O! daar komen zij van hun rit terug," sprak Nelly;
+"kom, dat moeten wij zien."
+
+Zij stond langzaam op en trad aan het venster. Op het voorplein was
+de geheele familie vergaderd; Blanka zat nog te paard in haar zwart
+rijkleed, het kleine hoedje met de lange zwarte veder op het weelderige
+haar, dat op het achterhoofd was vastgestoken, inplaats van, zooals
+gewoonlijk, in lange krullen op den rug te hangen. Army was reeds
+van zijn paard gesprongen, gereed haar bij het afstijgen te helpen,
+en zag opmerkzaam naar haar vader, die langzaam tusschen de beide
+baronessen naderde. Het was een klein, gezet heer, die zeer ijverig
+eene meening scheen te verdedigen; hij gesticuleerde ten minste hevig.
+
+Nelly's moeder zag naar het venster, waar de beide meisjes stonden. Zij
+knikte haar vriendelijk toe, en de oogen der haar vergezellenden
+volgden dien groet. De oude barones zag onverschillig voor zich,
+terwijl de overste staan bleef, zijn hoed afnam en glimlachte. Toen
+hoorden zij, hoe hij naar Liesje vroeg; het antwoord konden zij
+niet verstaan.
+
+Ondertusschen was Blanka afgestegen en had Liesje hare vriendin weder
+naar de sofa gebracht; spoedig daarop verkondigde een luid gesprek,
+dat het gezelschap de kamer daarnaast binnentrad. Liesje nam haar
+boek weer op en wilde hare lectuur weder beginnen, toen stoelen werden
+bijgeschoven en zij plotseling den ouden heer duidelijk hoorden zeggen:
+
+"Het spijt mij, genadige vrouw, dat de zaak zoo weinig in uw smaak
+schijnt te vallen, intusschen--"
+
+"Schijnt zij het des te meer in den uwen te doen, heer overste,"
+viel de oude barones hem in de rede.
+
+"Pardon, ik kom slechts als afgevaardigde der barones Stontheim, en
+heb reeds eenmaal verzekerd, dat ik mij volstrekt niet in de regeling
+der zaak wil mengen; echter wil ik niet ontkennen, dat het mij _zoo_
+het verstandigste voorkomt;" zijne stem verried eenige geraaktheid.
+
+"Meeningen, lieve Derenberg!"
+
+"Gij zult toch zelve toegeven, dat Army nog te jong, te onervaren
+is, om de verwarring--vergeef mij het woord, barones--te ontknoopen,
+in welke trouwens alle Derenbergsche zaken verkeeren. Er behoort een
+ervaren landhuishoudkundige toe, om de verwaarloosde goederen weder in
+orde te brengen, verondersteld, dat wij ze terug kunnen bekomen; het
+bosch bij voorbeeld,--gravin Stontheim sprak er met den justitieraad
+Hellwig over--het bosch is zoo goed als verloren; de tegenwoordige
+bezitter--hoe heet hij ook? gij zult hem wel kennen, een fabrikant
+hier in de buurt--zal onder geen beding het weder willen afstaan;
+het bosch is derhalve voor immer verloren en wat beteekent zulk eene
+bezitting zonder bosschen?"
+
+"Erving zou het niet weer willen verkoopen?" viel de oude dame in:
+"ha, ha, dan kent gij hem niet; het komt er bij zulke lieden slechts
+op aan, hoeveel men biedt; voor een kleine winst verkoopt zulk volk
+zijne zaligheid. Neen, neen, beste overste, dat is een belachelijk
+denkbeeld, dat ik van u niet verwacht had. Ik wil om alles met u
+wedden: bied hem zoo en zooveel meer, en het bosch is 't uwe."
+
+"Gij zoudt de weddingschap verliezen, genadige vrouw, want Hellwig
+heeft er, op last van vrouwe van Stontheim, naar vernomen en een
+bepaalde weigering ontvangen. Voor het overige--"
+
+De oude dame viel hem luid lachende in de rede.
+
+"Gij zoudt toch wel gelijk kunnen hebben, Derenberg," sprak zij,
+"want deze parvenu haat, evenals al zijns gelijken, den adel, en
+ons in het bijzonder. Plebaglio!" voegde zij er verachtelijk bij in
+hare moedertaal.
+
+"Voor het overige," zeide de overste met verheffing van stem--"pardon,
+barones," vervolgde hij beleefd, toen zij zweeg, "ik stel er volstrekt
+geen belang in te weten, op welken voet gij met dien man staat;
+dat verandert niets aan de zaak; ik wilde er slechts bijvoegen,
+dat, wat de goederen betreft, die deerlijk in de war zijn. Het is
+verschrikkelijk--joden, makelaars, koopbrieven, eerste, tweede,
+derde en vierde hypotheek--en wat niet al meer; kort en goed,
+gravin Stontheim verkiest niet zich er mede te bemoeien, omdat de
+zaak slechts met enorme opofferingen te schikken is; zij wenscht,
+zooals ik van morgen vroeg reeds de eer had u mee te deelen, dat Army,
+ook nog na zijn bruiloft, die tegen den herfst bepaald is, in dienst
+zal blijven; zij zal het jonge paar ruim van middelen voorzien, en is
+voornemens, wanneer Army later zin in de landhuishoudkunde heeft, hun
+een landgoed te koopen, dat geheel onbezwaard is. Het slot Derenberg
+is nog altijd een prachtig zomerverblijf voor het jonge paar, en het
+voorvaderlijke slot blijft Army's eigendom. Nietwaar, Army, gij wilt
+nog wel een tijdlang den bonten rok dragen?"
+
+"Zeker, ik moet mij onderwerpen, oom!" sprak de jonge man, "maar
+ik beken dat het mij zwaar valt, er van af te zien op Derenberg te
+wonen--het was altijd mijn lievelings-idée."
+
+"Maar de mijne niet," viel Blanka haastig in; "ik ben het volkomen
+met tante Stontheim eens, dat heb ik vroeger ook al verklaard."
+
+"Gij weet niet, Blanka," hernam Army, en zijne stem beefde; "gij weet
+niet, welk eene bekoorlijkheid zulk een erfgoed heeft! Gij _kunt_
+het niet weten, want gij hebt nooit het trotsche gevoel gekend, den
+voet op eigen grond te zetten. U hebben geen oude muren, geen ledige
+vertrekken, geen eeuwenoude boomen verhaald van lang verloopen tijden,
+toen onze voorouders hier leefden en werkten. Het was mijn liefste
+droom hier te wonen, waar een lange reeks van voorvaderen leefden
+en stierven, en het zal mij zeer smartelijk vallen, dien droom niet
+vervuld te zien; geloof mij."
+
+"Om 's hemels wil!" riep de jonge dame uit, "nu wordt hij waarlijk
+sentimenteel! Mij komt de kleinste villa aan den meest bezochten
+wandelweg onzer residentie duizendmaal aanlokkelijker voor, dan dit
+vervelend, verlaten--"
+
+"Stil, kinderen!" viel de overste sussend in, "laat ieder zijn
+gevoelen voor zich houden! Gij, Blanka, hangt even goed van tante
+Stontheim af, als Army! Wat zij verkiest, geschiedt; daar is niet aan
+te veranderen, en mij dunkt, wij moesten de zaak laten rusten en er
+niet over twisten."
+
+"Zeer verstandig aangemerkt, overste," mengde zich nu de oude dame in
+het gesprek; "maar, hoe zwaar zulk een afhankelijkheid te dragen valt,
+kan alleen hij gevoelen, die gewoon is geweest vrij te gebieden. _Gij_
+gevoelt dat niet; gij hebt nooit op eigen grond gestaan; gij zijt,
+om zoo te spreken, in afhankelijkheid groot geworden, en dan valt het
+gemakkelijk anderen ondergeschiktheid te prediken. Ik vind het vreemd
+van tante Stontheim; zij _heeft_ de middelen en wil niet helpen; Army
+moet officier blijven om de bespottelijke reden, dat hij te jong is;
+alsof geen oudere krachten hem radend en helpend ter zijde stonden?"
+
+"Gij misschien, genadige vrouw?" sprak de overste lachend. "Voorwaar
+niet kwaad bedacht! finantiëele talenten kan men u niet betwisten--dat
+gij ongelukkig zijt geweest in uwe speculaties--wie kan dat helpen?"
+
+"Gij zijt nog even ondeugend, als vroeger, overste! toen ik het
+geluk had u hier eenige malen te ontmoeten; in dit geval echter
+zijn uwe verwijten ongegrond, want het was werkelijk het ongeluk,
+dat ons vervolgde."
+
+"Onverdiend ongeluk!" verbeterde de overste spotachtig.
+
+"Oom, ik bid u, zwijg daarvan! Het maakt mama zenuwachtig," bad Army.
+
+"En, mijn jongen," vervolgde deze onbevangen en met nadruk, "het is
+juist om nog eens zulk een onverdiend ongeluk te vermijden, dat gravin
+Stontheim hoofdzakelijk wenscht, dat gij niet hier--versta mij wel:
+niet _hier_--de eerste jaren van uw huwelijk zult doorleven. Vergeef
+mij, dat ik zoo duidelijk moest spreken! Ik had het gaarne vermeden--"
+
+"Ik begrijp u," zeide de oude dame koel; "gravin Stontheim heeft
+nog het ongelukkige idée, dat ik de oorzaak ben van den ondergang
+der familie; zij heeft mij dit meer dan eens grof en onverbloemd
+verweten, als wij in nood en kommer verkeerden; iemand moest toch de
+schuld dragen," vervolgde zij, met een bitteren lach: "en daar men
+mij van den beginne af als een indringster beschouwde en de vreemde,
+de Italiaansche, niet uitstaan kon, was het gemakkelijk haar ook die
+schuld te verwijten. Va, bene! Gij vertelt mij niets nieuws overste;
+het spijt mij, dat iemand zoo--zoo--" zij hield op; blijkbaar zweefde
+haar een scherpe uitdrukking op de lippen.
+
+De overste zweeg.
+
+"Oom," vroeg Army driftig, "wat beduidt dat? Tante kan toch onmogelijk
+meenen, dat grootmama--"
+
+"Zwijg," riep de oude dame, en tegelijk hoorde men haar stoel over
+den vloer rollen.
+
+Liesje en Nelly zaten bijna ademloos hand in hand naast elkaar. Toen
+de eerste haar vaders naam hoorde noemen, was zij opgesprongen, en
+had rondgezien, of er geen andere uitweg was dan door het vertrek,
+waarin men zoo hatelijk zijn goeden naam bevlekte.
+
+"Waar kan ik heen?" fluisterde zij hare vriendin toe.
+
+"Blijf hier, Liesje," smeekte Nelly en trok haar tot zich; "zij
+weten niet, dat wij hier alles kunnen verstaan; och, schrei toch niet
+zoo! O, dat ik gezond ware, en een man als Army; ik zou antwoorden,
+als zij u beschimpten!"
+
+Daar binnen hoorde men de oude dame op en neder loopen en telkens,
+als zij de deur naderde, zag Liesje angstig de kamer rond, of zij
+ook eene plek vond om zich te verschuilen.
+
+Op eens vernamen zij Blanka's stem, vriendelijk en welluidend als
+immer.
+
+"Grootmoedertje," vleide zij, "ik heb een verzoek aan u; ik had het
+Army opgedragen, maar hij heeft het zeker vergeten, die ondeugd. Ja,
+ja, zie mij maar niet zoo verwonderd aan, gij--" ging zij schalksch
+voort, "nietwaar, grootmama? dat heeft uw bruidegom zeker nooit gedaan;
+die las zeker al uwe wenschen in uwe oogen."
+
+De laatste woorden waren duidelijker dan het begin van haar verzoek;
+blijkbaar stond zij naast de oude dame bij de deur.
+
+"Nu slaat zij hare armen om grootmama's hals, net als een katje,"
+fluisterde Nelly; "o, gij weet niet, hoe zij kan vleien."
+
+"Nu?" klonk de stem der oude barones.
+
+"Ik had Army verzocht u te vragen, mij toe te staan in het
+torenkamertje te wonen, dat aan mijn kamer grenst; o, ik bid u,
+grootmamaatje, amatissima mia!"
+
+"Het was zeer verstandig van Army, dat hij het mij niet vroeg; ik
+had het hem reeds eenmaal geweigerd en kan het ook u niet toestaan."
+
+"Waarom niet?" vroeg Blanka verwonderd.
+
+"Gij zult mij wel toestaan, dat ik de reden voor mij zelve houd."
+
+"Vraag niet verder, Blanka," liet zich de overste hooren; "oude
+kasteelen hebben hunne geheimen, en daaronder zijn er, die men liefst
+laat rusten."
+
+De deur werd heftig opengerukt en de oude dame stond onverwacht voor
+de beide meisjes.
+
+Lise was opgesprongen, zij deed geen moeite meer te ontvlieden,
+maar bleef onbewegelijk staan.
+
+De ondergaande zon wierp hare stralen door het venster en overgoot
+het meisje, als het ware, met een rooskleurig licht. De oude barones
+week terug, alsof zij een spook zag, en stak verschrikt de handen uit.
+
+"Dio mio! Het is ongehoord," riep zij stampvoetend uit. "Zijt gij
+dan altijd hier om mij een schrik aan te jagen?"
+
+"Het doet mij leed, barones, dat ik altijd het ongeluk heb--"
+
+"Wel, dat is vreemd, voor zulk een liefelijke verschijning te
+verschrikken!" sprak de overste, een blik van bewondering op het
+jonge meisje werpende. "Mag ik u verzoeken, genadige vrouw, mij aan
+de jonge dame voor te stellen?"
+
+De aangesprokene trok de schouders op, terwijl zij den ouden heer
+meewarig aanzag en trad naar het venster.
+
+"Nu, dan zal ik mijzelf moeten voorstellen; overste Derenberg!" zeide
+hij vriendelijk.
+
+"Dit is mijne vriendin, oom, Liesje Erving," voleindigde Nelly de
+voorstelling.
+
+Het jonge meisje maakte een lichte buiging.
+
+"Erving?" herhaalde de oude heer vragend.
+
+"De dochter van den tegenwoordigen bezitter der Derenbergsche bosschen,
+oom," bevestigde Nelly, hare oogen op zijn ietwat blozend gelaat
+vestigende.
+
+"Ah zoo," antwoordde hij. "Daarom kwam mij den naam ook al zoo
+bekend voor; uw vader is waarschijnlijk een liefhebber van het edele
+jachtvermaak?"
+
+"Ja, heer overste, en buitendien verbruikt hij veel hout in zijne
+papierfabriek."
+
+"Uw vader bezit dus eene papierfabriek? Maar hout--ik meende dat het
+beste papier uitsluitend van lompen vervaardigd werd?"
+
+Om Liesjes mond speelde een schalksche glimlach.
+
+"Zeker, overste. Daarom heet onze fabriek in den ganschen omtrek de
+lompenmolen, mijn vader de lompenmolenaar en ik lompemolenaars Liesje."
+
+"Lompemolenaars Liesje?" herhaalde de overste lachende, en zag haar
+vroolijk aan. "Dat is toch een naam, die mij voor u minder gepast
+voorkomt."
+
+"Ik draag hem toch gaarne," zeide zij, "ieder kind noemt mij zoo;
+altijd hebben de dochters uit ons huis dezen bijnaam gehad; 't zij
+lompenmolenaars Grietje, of Mina, of Lisette--"
+
+Zij ontstelde, toen zij dezen naam zoo onnadenkend uitsprak, en zag
+beschroomd naar de oude dame, die nog altijd aan het raam stond,
+en zich nu ook opeens omkeerde, als had haar een adder gebeten.
+
+"Lisette?" herhaalde zij. "Op dien naam behoeft gij u niet zoo trotsch
+te beroemen; die Lisette was een lichtzinnig schepsel, dat hare ouders
+veel verdriet heeft aangedaan--"
+
+"De nagedachtenis van tante Lisette is mij heilig," antwoordde het
+jonge meisje, uiterlijk kalm; "zij was niet lichtzinnig; zij was
+slechts zeer ongelukkig, maar, zooals men mij verzekerd heeft, niet
+door eigen schuld, barones."
+
+Hare lippen beefden van aandoening bij het uiten dezer woorden,
+en in hare stem was het kloppen van haar hart hoorbaar.
+
+"Wat is dat voor eene Lisette? Wie was zij?" vroeg Blanka levendig,
+die juist binnentrad. "Wie beleedigt haar, en wat heeft zij toch
+misdaan?" Zij stond nu tusschen Liesje en de grootmoeder, en zag
+beiden beurtelings aan.
+
+"Wees niet zoo vreeselijk nieuwsgierig, mijn kind!" vermaande de
+overste, "ik zeide u immers reeds, dat oude sloten hunne geheimen
+hebben, en--"
+
+"Wie zegt u dan, overste, dat het slot iets met deze zaak te maken
+heeft?" De oude dame was doodsbleek geworden.
+
+"Nu ja," antwoordde hij bedachtzaam, en zag haar scherp aan, "ik
+combineer gaarne--"
+
+"Het is zeer jammer, overste, dat gij geen romanschrijver geworden
+zijt. Gij hebt uwe carrière gemist."
+
+"Vaarwel, Nelly," fluisterde Liesje, terwijl zij haar een kus op de
+wang drukte; zij boog voor de aanwezenden en verliet het vertrek;
+zij vloog letterlijk de gang door en het voorplein over. In de
+linden-allée stond zij plotseling voor--Army.
+
+"Juffer Erving--" zij zag naar hem op; zijn gelaat stond ernstig.
+
+"Juffer Erving--" herhaalde hij, "hebt gij gehoord, wat in onze
+huiskamer gesproken werd?"
+
+"Ja," antwoordde zij bedaard.
+
+"Het is juist niet zeer--hoe zal ik het noemen?--zeer bescheiden,
+te luisteren, wanneer er familie-aangelegenheden besproken worden--"
+
+"Ik heb niet geluisterd, heer baron!" riep zij trotsch, "was er een
+andere uitgang aan de kamer geweest, ik zou die gaarne verlaten hebben,
+voor altijd gaarne, maar--"
+
+"Gij hadt door de huiskamer kunnen gaan--"
+
+"Neen, uwe moeder zelve heeft mij verzocht uwe grootmama uit den weg
+te blijven, want zij kan mij niet uitstaan; ik ben immers de dochter
+uit een huis, waarmede men niet fatsoenlijk verkeeren kan, heer
+luitenant--dat weet gij toch; ik was dus wel gedwongen te blijven;
+het liefst was ik uit het raam gesprongen." Bij deze woorden kwam
+een bittere trek om haar kleinen mond.
+
+"Nu, hoe het ook zij, ik bid u, niet over het gehoorde te spreken. 't
+Is geen gemakkelijke taak, te voldoen aan het verzoek om deze
+openbaringen niet verder te verspreiden--ik geloof het gaarne--onze
+familie bood reeds van vroeger altijd stof genoeg tot praatjes in
+den omtrek; maar ik vertrouw, dat gij u dat offer van geheimhouding
+wel getroosten wilt, als ik u er aan herinner, dat wij vroeger trouwe
+vrienden waren--nietwaar, Liesje?"
+
+Hij stak haar de hand toe, maar het meisje trad eene schrede terug
+en kruiste de armen op de borst.
+
+"Eene belofte zal wel niet noodig zijn," antwoordde zij somber; "ik
+zou toch gezwegen hebben, want uwe gesprekken beleedigden gedeeltelijk
+mijn vader--mijn vader, in wiens huis gij zoo gaarne kwaamt, ook in
+dien tijd, dat wij nog 'trouwe vrienden' waren, zooals gij zegt."
+
+Hij deed ontsteld een stap achterwaarts.
+
+"Wat? Ik heb geen woord over uw vader gesproken."
+
+"Maar aangehoord, dat men hem een parvenu noemde--dat men hem
+beschuldigde den adel en de familie Derenberg in het bijzonder te
+haten en dat hij op wraak zon--en het kalm aanhooren van lasteringen,
+terwijl men van de onwaarheid ten volle overtuigd is, staat gelijk
+met eene bevestiging daarvan. Uw gevoel van recht schijnt onder zekere
+omstandigheden te kort te schieten, heer luitenant!"
+
+Een gevoel van bitterheid, vermengd met diepe smart van hopelooze
+liefde, vervulde haar. Eerst toen zij, met een koele buiging hem den
+rug toekeerende, zonder om te zien haastig een eind weg was, vulden
+hare oogen zich met tranen. Zij zag het niet hoe hij haar nog lang
+nastaarde, en eerst, toen zij verdwenen was, met een somber gelaat
+langzaam naar het slot ging.
+
+Toen Army binnentrad, scheen er eenige rust na den storm gekomen te
+zijn; allen zwegen ten minste. De overste had een sigaar opgestoken en
+lag oogenschijnlijk zeer tevreden in een der ouderwetsche leunstoelen,
+terwijl de oude barones recht als een kaars op de sofa zat, en
+zenuwachtig haar dunne witte vingers bewoog. Blanka stond voor het
+raam en staarde naar buiten in het park; de lange sleep van haar
+donkerblauw rijkleed lag onbewegelijk achter haar over den vloer,
+en zij verroerde zich zelfs niet, toen haar verloofde naast haar
+kwam staan. Hij verstond de knorrige vraag der oude dame niet, die
+hem toeriep, waar zijne moeder was en of zij ook haast kwam. Hij zag
+alleen het bekoorlijke wezen naast hem, dat er in haar rijkleed nog
+sierlijker en kinderlijker uitzag dan anders; hij nam zacht een harer
+goudkleurige vlechten, die los op den rug hingen, en drukte zijne
+lippen er op. De jonge dame schudde, zonder om te zien, heftig het
+hoofd, en trok met haar kleine handen het haar over den schouder.
+
+"Blanka," zeide hij verwijtend, en boog zich voorover om haar in het
+gelaat te zien. Zij wendde het hoofd af en staarde schijnbaar met
+belangstelling naar buiten.
+
+"Heb ik u beleedigd, Blanka?" vroeg hij zacht. "Zijt gij boos op mij?"
+
+Zij hield haar beide handen voor de ooren.
+
+"Neen, neen, om Godswil, neen!" riep zij hartstochtelijk, zich
+opeens omkeerend; "ik bid u, Armand, vraag toch zulke bespottelijke
+dingen niet! Gij ziet immers, dat ik op 't oogenblik geen lust heb,
+uw verliefd gefluister en uwe liefkoozingen aan te hooren; ieder
+ander zou het dadelijk begrepen hebben, en gij vraagt, of ik boos
+ben en al zulken onzin meer." Zij trapte kregel met den voet.
+
+Army's gezicht werd donkerrood. "Vergeef mij," sprak hij en ging naar
+de pianino. Hij opende die en sloeg een paar accoorden aan.
+
+"Ik bid u, speel niet!" riep Blanka, en hield weder de handen voor
+de ooren.
+
+Hij stond op. "Speel gij dan iets!" vroeg hij, "ik zou zoo gaarne
+wat muziek hooren; dat heeft voor mij altijd iets kalmeerends,
+iets verzoenends."
+
+"Ja, speel wat, mijn lieve!" sprak nu ook de overste, die van de
+gansche woordenwisseling slechts het laatste gehoord had, en wien
+het aangenaam zou zijn, hierdoor de pijnlijke spanning tusschen hem
+en de oude dame te kunnen verbergen.
+
+"Op _dat_ instrument _dáár_?" vroeg zij. "Neen, dáárop kan
+ik niet spelen; ik mag die rammelende tonen zelfs niet gaarne
+hooren. Buitendien ben ik ook te vermoeid van den verren rit," voegde
+zij er bij.
+
+Een oogenblik zag Army toornig; toen ging hij naar het oude, versmaadde
+instrument, sloot het en naderde weder zijne verloofde; zij had haar
+kleine rijzweep in de hand genomen en speelde met den zilveren knop,
+terwijl de oude dame opstond en het vertrek verliet.
+
+"Ik wil gelooven, dat gij werkelijk vermoeid zijn, anders was het meer
+dan een bloote luim, dat gij op mijn verzoek weigerdet te spelen,"
+merkte hij met gedwongen houding aan.
+
+"Geloof het, mijn lieve jongen; geloof het," sprak lachend de oude
+heer en sloeg hem op den schouder; "men komt zóó het verste; ik merk
+wel, gij zult het best met haar vinden."
+
+Army beet zich op de lippen.
+
+"Mag ik u naar uwe kamer brengen?" vroeg hij aan zijne verloofde,
+"als gij wat uitgerust zijt, hoor ik na het eten misschien nog wel
+iets van u, nietwaar?"
+
+"Ik geloof het niet," antwoordde zij; "want ik heb hoofdpijn en zal
+heden mijne kamer houden."
+
+De overste lachte. "Nu, goeden nacht dan, en goede _beterschap_,"
+en daarmede ging hij, nog lachend, terwijl hij zijn neef toeknikte,
+uit de kamer.
+
+Blanka nam de sleep van haar rijkleed over den arm en volgde hem;
+zij ging zonder een woord te spreken Army voorbij.
+
+"Blanka," vroeg hij zacht en versperde haar den weg, "wilt gij mij
+niet goeden nacht zeggen?"
+
+"Gij behandelt mij als een ondeugend kind," riep zij driftig: "het
+verwondert mij, dat gij nog niet eischt, dat ik u om vergeving zal
+vragen; het kan u niet schelen of ik hoofdpijn heb of niet."
+
+"Het een zoo min als het ander. Ik verlang noch een verzoek om
+vergeving, noch weiger ik u mijne deelneming in uw hoofdpijn; maar mij
+is het onmogelijk, zoo zonder 'goeden nacht' van u te gaan. Nietwaar,
+Blanka? dat is ook niet aangenaam. Wanneer twee menschen elkander
+zoo liefhebben als wij, dan is het verlangen naar eene opheldering,
+naar een goed begrijpen van elkaar zoo natuurlijk."
+
+Hij was haar bij deze woorden genaderd en wilde haar tot zich trekken,
+maar zij ontweek hem met een ongeduldige beweging en vertrok haar
+mond een oogenblik tot een spotachtigen lach.
+
+"Indien gij mij werkelijk liefhadt, zoudt gij mij zulke dwaze
+zedepreeken niet houden, daar gij immers weet dat ik vermoeid ben. Het
+is verschrikkelijk," vervolgde zij, "welke opvatting gij schijnt te
+hebben van onze onderlinge verhouding; die eeuwige stijve manieren; dat
+voegen van den een naar den ander, zonder een eigene meening te durven
+uiten; dat opgaan in elkander--het is een knellende, ontzettende keten,
+maar geen geluk! Ik wil vrij zijn--hoort gij? vrij zijn!" herhaalde
+zij nog eens, en dreunend viel de zware deur achter haar dicht.
+
+Hij stond als versteend en staarde op de deur door welke zij verdwenen
+was.
+
+Het was stil geworden in de groote kamer; het avondrood wierp zijn
+gloeiend schijnsel door de vensters en vervulde het vertrek met
+een rooskleurige schemering. Langzamerhand verbleekte de purperen
+gloed en daalde de grauwe sluier van den avond op de aarde neder. De
+jonge man trad naar het venster en staarde onafgewend naar buiten,
+de lippen wrevelig op elkander gedrukt; plotseling kromp hij ineen;
+klanken van boven troffen zijn oor. Haastig opende hij het venster
+en nu vernam hij duidelijk de heerlijke tonen eener wals uit den
+Faust, zoo maatvast en opwekkend gespeeld, als zij alleen het kon;
+als parelsnoeren rolden de passages over de piano en daartusschendoor
+verhief zich, met meesterlijke kracht, de melodie.
+
+"Zij speelt," mompelde hij, en zijn gebalde vuist viel toornig op
+de harde vensterbank. "Is zij zonder luim of nuk, 't is voorwaar een
+groot geluk," lachte hij bitter; toen verliet hij de kamer.
+
+Buiten omgaf hem een zachte, zoele avondlucht. Hij richtte zijne
+schreden onwillekeurig langs de slotgracht, waaruit de vlier
+zijn uitgebloeide takken naar boven stak, en bleef toen onder haar
+venster staan. Dicht bij hem verhief zich de oude toren, en de witte
+klimrozen, wier ranken er tegen opklommen, blonken hem helder toe in
+de duisternis--daarboven was het spel opgehouden. Maar neen, daar begon
+het opnieuw--een sombere, zwaarmoedige melodie; hij kende den tekst:
+
+
+ "Daar staat ook een mensch en ziet naar boven.
+ En wringt zich de handen in bittere smart,"
+
+
+Hoe meesterlijk werd dat voorgedragen! Plotseling verstomde de
+muziek met een schrillen wanklank. Army haalde ruimer adem. Hij,
+die zoo trouw en vurig beminde, poogde te vergeefs het gemoed zijner
+bruid te ontraadselen; met geweld drong zich heden avond de bange
+vraag bij hem op: als zij u eens niet liefhad? "Liever sterven,
+dan van haar afstand doen!" mompelde hij, zijn weg vervolgende, en
+dacht onwillekeurig aan de schoone Agnese Mathilde en den jonker van
+Streitwitz, die hier in den tuin begraven moest liggen. Ontstemd trad
+hij de naaste laan in. De verloopen namiddag met al zijn onaangename
+ondervindingen kwamen hem weder voor den geest; tegenstrijdige
+gevoelens maakten zich van hem meester; de herinnering aan het
+gesprek van oom met grootmama, en de vele hatelijke toespelingen op
+het verledene; Blanka's halsstarrige weigering om hier te wonen en dan
+de bestraffende woorden, hem door Liesje daar in de allée toegevoegd,
+toen hij haar verzocht, het gehoorde niet te verraden! Zij hadden hem
+diep beschaamd, die eenvoudige woorden en die smartelijk verwijtende
+blik; hij had den braven man daar in den molen laten belasteren, zonder
+een woord ter zijner verdediging te zeggen--uit gedachteloosheid;
+in gespannen oplettendheid was hij den woordenstrijd gevolgd, die
+zijn lievelingswensch zoo ruw verijdelde, den wensch, met Blanka
+in het voorvaderlijke slot te wonen. Maar Liesje moest wel meenen,
+dat hij juist zoo dacht als--"o neen, neen, zeker niet; haar vader
+is een eerlijke, brave man." Dat was bij slot van rekening dan ook
+vrij onverschillig--neen, het laatst gebeurde, dat had den angel het
+diepst in zijn borst gedrukt. De bittere woorden zijner bruid klonken
+hem weder in de ooren: "Welke opvatting hebt gij toch wel van onze
+wederzijdsche verhouding?" en dan: "een keten is het, een drukkende
+keten, maar geen geluk."
+
+"Een _keten_!" herhaalde hij halfluid, terwijl hij staan bleef;
+snel voegde hij er echter bij:
+
+"Bah! Meisjesgrillen, anders niets! Zij is ook te schoon, te
+trotsch--zij heeft een te eigenaardig karakter, om zich binnen de
+enge grenzen te beperken, die om eene vrouw getrokken zijn." Hij
+had dat moeten bedenken, meende hij; hij moest niet altijd en altijd
+weder trachten, haar tot _zijne_ denkbeelden over te halen, dat was
+vernederend voor haar; zij had gelijk ontstemd te zijn, zijne schoone,
+trotsche verloofde. En zij had hem immers lief; dat had zij hem zoo
+dikwijls op zijn dringende vragen verzekerd. In den herfst, had oom
+Derenberg gezegd, in den herfst zou zij de zijne, onherroepelijk
+de zijne worden. En moest voor dit zalig vooruitzicht niet alle
+tegenwoordig leed wijken?
+
+De nachtwind was opgestoken; boven het hoofd van den jongen man boog
+hij de takken te zamen tot een zacht geruisch, en krulde de oppervlakte
+van den donkeren vijver aan Army's voeten; hij voerde alle droevige
+gedachten naar de verste verte en bracht verzoenende liefde en zoet
+verlangen door den stillen, zoelen zomernacht. "In den herfst,"
+sprak Army nog eens zacht, "in den herfst, dan komt het geluk!"
+
+
+
+
+
+Negende Hoofdstuk.
+
+
+De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen
+bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de
+aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde
+bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en
+dahlia's in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten
+gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der
+ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen
+naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden.
+
+In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die
+zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van
+de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen
+verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers
+allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de
+keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou
+komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat
+de heer Selldorf en "onze Lise" een paar zouden worden. De flinke,
+blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke,
+heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk
+en hartelijk om, en geen zijner collega's ontving zulke vriendelijke
+blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hem steeds
+zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken
+werd, zeide zij altijd: "een flink mensch, die Selldorf!"
+
+Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd
+vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de
+groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht,
+dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de
+liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen,
+welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven.
+
+"Zij houdt zich maar zoo," meende de laatste, "dat is zoo de mode
+bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar,
+tante?"
+
+"Die veel praten, liegen veel!" had deze geantwoord; "bekommer u niet
+om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel
+eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God
+alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond
+over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over,
+dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed:
+
+
+ "Bij vrijen, als bij paarden koopen,
+ Meisje, doe uw oogen open!"
+
+
+De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt.
+
+Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het
+eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed,
+dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren,
+wie gelijk had.
+
+Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad
+in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles
+helpen, "want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaande huishouding,"
+zeide de oude vrouw.
+
+Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en
+getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een
+groot laken gespreid lag; Peter en Christoffel sloegen met lange
+stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen
+en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen.
+
+Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen
+verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het
+huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit
+tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van
+de bank en op de tafel gezet had.
+
+"Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?" vroeg Liesje.
+
+"Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek," antwoordde zij;
+en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar
+te halen. "Zoo vlijtig?" vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een
+korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken.
+
+"Een huwelijksgeschenk voor Army!" antwoordde zij vriendelijk.
+
+"Lieve God, hij is toch nog erg jong," sprak de oude vrouw, terwijl
+zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam. "Het heugt mij nog
+als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje."
+
+Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder
+het water helder en haastig heenliep.
+
+"Wie is daar binnen bij vader?" vroeg zij met een bedrukte stem,
+alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd
+lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het
+venster zichtbaar werd.
+
+"Een vreemd heer,--ik ken hem niet," antwoordde tante; daarop zette
+zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag
+daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. "Heilige
+God," zeide zij, "was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen
+liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen--ik heb haar in
+langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij,
+waarlijk zij is het," en zij wees op de groote vrouw, die met het,
+donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam.
+
+"Sanna!" riep Nelly, en sprong op, "mijn God, wat is er toch gebeurd?"
+
+"Mevrouw de barones laat vragen," klonk het met een vreemd accent
+uit den mond der oude dienstbode, "of de freule niet dadelijk bij
+haar wil komen."
+
+"Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?" vroeg het jonge
+meisje haastig, haar werk opbergende. "Moet ik bij mama komen of
+bij grootmama?"
+
+"Natuurlijk bij grootmama," antwoordde de oude, zonder Liesje of
+hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een
+blik te verwaardigen. "Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te
+huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen,
+omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen
+gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar
+de post brengen."
+
+"Zeg het toch, Sanna!" bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan,
+"is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?"
+
+"De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen,"
+antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere
+blikken aan.
+
+"Om Godswil!" riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; "het is Army toch
+niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel--zeg het toch! Ik bid u,"
+en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen.
+
+Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof
+hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde
+zij met wijd geopende oogen op de groep.
+
+"Ik weet het niet," antwoordde schouderophalend de oude dienstbode,
+terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend
+uitriep:
+
+"Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!"
+
+"Wees gerust, Nelly," troostte tante haar nu, en sloot het weenende
+meisje in hare armen. "Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet
+zoo rustig staan--ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet."
+
+"Och, tante!" snikte zij, "ik kan van angst niet op mijn beenen staan."
+
+"Schrei niet, genadige freule!" zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de
+benaming "genadige freule" drukkende; "gravin Stontheim is overleden,
+maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken,
+daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier--" zij hield het overige
+voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd
+naast het weenende meisje stond.
+
+"Nu," merkte deze aan, "gij moogt het wel voor u houden, juffer
+Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom
+behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw
+doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam."
+
+"Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij
+beveelt," antwoordde de oude dienstbode minachtend.
+
+"O ja! dat weet ik nog van vroeger," sprak tante, wie eensklaps het
+bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan.
+
+"Ik ga een eind met uw mede, Nelly," riep Liesje, als uit een droom
+ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond
+genageld, staan bleef.
+
+"Wat bedoelt gij toch?" vroeg zij, en zag tante met een blik aan,
+vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was
+het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete
+weder ontbrandde.
+
+"Wat ik bedoel?" vroeg de oude tante, terwijl zij hare eerlijke oogen
+op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad,
+"wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna, dat behoeft gij niet te vragen; ik
+zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet--het heeft u toch zeker
+dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd
+te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet
+te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd
+maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen--dat was
+het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden;
+die bijten scherp en diep--"
+
+"O misericordia!" riep Sanna en sloeg hare handen met een
+hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: "dat heb ik er nu voor,
+dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk,
+dat zij mij steeds verbood, mij met het _plebaglio_, het _miserabile_,
+in te laten."
+
+"Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig," verklaarde tante,
+"en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta
+ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna,
+nu het toeval ons te zamen brengt--ik heb er lang naar verlangd,
+het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten,
+die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet;
+wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor
+een jong, bloeiend leven in 't graf moest nederdalen; ik zeg u echter,
+en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een
+tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten,
+en ik--ik, de oude tante uit den papiermolen--ik bid nog iederen
+avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw
+trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene--"
+
+"Cielo!" krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht,
+"het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt,
+dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben."
+
+"Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren," hield de oude vol,
+"en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het
+beter wezen in de wereld."
+
+"_Dat_ zou ik mij hier laten zeggen?" riep Sanna, rood van toorn,
+"wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd
+hebben? Het was juffer Lisette's eigen schuld, dat zij stierf; wat
+behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom
+knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft
+honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje."
+
+"Wat?" riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat
+zij juist had opgenomen, weder neer--"wilt gij den baron Fritz nu
+ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij
+elkaar"--zij wees naar het slot--"en zoo hij een lichtzinnig mensch
+is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft,
+onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave
+bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta,
+zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen,
+erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt."
+
+Sanna lachte onbeschoft en spottend.
+
+"Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij
+lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats
+voor dergelijken."
+
+"Hoogmoed steekt altijd den staart buiten 't nest," antwoordde tante
+Marie minachtend; "ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past
+niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De
+Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet
+alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed,
+totdat--nu, gij weet, wat ik meen--in het graf zouden zij zich hebben
+omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden,
+hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven."
+
+"Tante! tante!" riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het
+venster.
+
+"Aanstonds, Mientje!" antwoordde zij en nam het koffieblad op;
+"ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd,
+vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft,
+als juffer Sanna en ik," en dit zeggende ging zij in huis, zonder
+verder om te zien.
+
+"Maar tante, om Godswil!" sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude
+vrouw met een rood gelaat binnen kwam: "wat praat gij toch! Ik werd
+wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit--"
+
+"Ik niet, Mientje, ik niet," antwoordde de oude vrouw zegepralend,
+"het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop
+gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het
+gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en
+nu vandaag--o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het
+valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad,
+dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina--"
+
+"Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als
+hij u nu hoorde!"
+
+"Ik wil mij niet wreken," sprak de oude vrouw zacht, "want op alle
+wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor
+mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft,
+toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot--"
+Zij hield op, want Liesje trad binnen.
+
+"De gravin Stontheim is werkelijk overleden," verhaalde zij. "Nelly's
+moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft
+geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij
+zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld
+worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die
+ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?"
+
+"Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met
+elkander gehad."
+
+Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het
+raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom
+dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van
+de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond,
+beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen
+tjilpend van tak tot tak.
+
+"Als _hij_ gestorven was?" sprak zij halfluid. "Maar neen--neen--het
+is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden--om der wille zijner
+moeder en zuster!"
+
+Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig
+in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had
+haar heldere lach weder geklonken. "Lach maar, mijn liefje!" had de
+oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, "God heeft den
+blijmoedigen mensch lief." Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het
+overwonnen dacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat
+voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar
+de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch
+door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. "Het
+zou een uitgelezen paar zijn," sprak zij bij zichzelve.
+
+Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg
+met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was;
+zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp
+naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht:
+"Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien."
+
+Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was
+telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het
+middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer,
+toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken,
+wie hem vergezelde.
+
+"Goeden morgen, vadertje!" riep zij vroolijk, "wat brengt gij
+mede?" Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorf achter hem
+stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand
+gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. "Tot heden avond dan,
+beste Selldorf," hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk,
+en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De
+statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch
+af. "Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken," zeide hij haastig.
+
+"Maar Frederik, de soep!" klonk tantes stem uit de keuken.
+
+"Ja zoo--nu, dan later!" sprak hij. Onder het eten streek hij echter
+dikwijls met de hand over het gelaat; dan lachte hij, maar werd op
+eens weder ernstig. Eens zag hij Liesje stijf en zóó treurig aan,
+dat zij de lepel weglegde en vroeg:
+
+"Vader, wat is u overkomen?" en "Erving, is u iets onaangenaams
+bejegend?" vroeg ook zijne vrouw.
+
+"Wel beware, neen!" antwoordde hij vroolijk, alsof er niets bij hem
+gaande was.
+
+Dadelijk toen de maaltijd geëindigd was, volgde hij zijne vrouw in de
+huiskamer. Liesje wandelde in den tuin op en neer en zag tusschenbeide
+angstig naar de ramen der woonkamer; eindelijk ging zij weder in huis,
+maar daar ging ook juist tante de kamer binnen en wenkte haar, buiten
+te blijven.
+
+Vol bange voorgevoelens zette zij zich op de steenen bank onder het
+raam. Daar binnen werd druk gesproken, en eindelijk hoorde zij tante
+zeggen: "Neen Frederik, dit moet gij mij beloven, als zij niet _wil_,
+overreed haar dan niet, want gedwongen trouw geeft eeuwige rouw!"
+
+"Dat spreekt van zelf," antwoordde haar vader, "maar men kan haar
+toch al het voor en tegen onder het oog brengen."
+
+Het jonge meisje daar op de oude steenen bank was plotseling
+doodsbleek geworden. Op eenmaal was het haar helder geworden, wat
+daar binnen werd besproken; had zij dan in een droom geleefd? Hare
+ouders, haar lieve, goede vader--konden die het van zich verkrijgen,
+haar te laten heengaan? Zij zou den ouden geliefden molen verlaten
+moeten met een vreemden man? Weg van hare moeder, van hare tante, en
+alles wat haar lief was? Zij zou niet meer in haar kamertje weenen,
+niet meer dagelijks de torens van het oude slot zien? Zij drukte de
+handen op hare borst, en had een gevoel, alsof haar hart ophield te
+kloppen bij deze gedachten.
+
+"Liesje, kom eens binnen!" klonk nu haars vaders stem. Werktuigelijk
+stond zij op en volgde deze aanmaning. Daar stond zij nu in de
+woonkamer; op de sofa zat hare moeder, bij het venster tante, en
+beiden zagen haar zoo vreemd--zoo teeder aan; ja, het scheen alsof
+hare moeder geweend had.
+
+De oude vrouw aan het venster ging naar buiten, zij wilde zich niet
+mengen in hetgeen de ouders met hun kind hadden te bespreken; zij ging
+stil naar haar kamertje en nam den bijbel van de commode; daarop ging
+zij in den leuningstoel zitten en vouwde de handen op het boek. "God
+alleen weet wat goed is," fluisterde zij; "moge Hij haar hart leiden,
+zoo zal alles ten beste uitkomen." Buiten schenen de zonnestralen
+op de bonte asters, en lange, witte draden weefden als 't ware een
+zilveren sluier om de half ontbladerde besseboomen. "Als het weder
+voorjaar wordt, hoe zal dan alles hier in huis zijn?" Zij dacht aan
+haar lieveling, die daar zoo onverwacht de gewichtigste beslissing
+in haar leven moest nemen. Hoe zou Liesje de tijding ontvangen? Zou
+zij werkelijk niet bemerkt hebben, hoe lief zij den jongen man was
+geworden? En zou zij hem niet een klein weinigje--"Och neen!" De oude
+vrouw schudde het hoofd; zij wist, hoe het in het jonge hart gesteld
+was.--"Neen, zij bemint hem niet, en als zij hem nu toch eens het
+jawoord gaf, wanneer zij zich geweld aandeed, omdat hare ouders het
+wenschten--zou zij dan _gelukkig_ worden? Och, gedwongen liefde en
+geverfde wangen duren niet lang. Het arme kind!" sprak zij bij zich
+zelve. "Als zij haar maar niet zoeken over te halen! Mientje zal het
+niet doen, maar Frederik, die is geheel door den jongen betooverd!"
+
+Zij opende het oude boek en staarde op de geel geworden bladen,
+maar zij kon niet lezen: de letters dansten haar voor de oogen en
+hare handen beefden--daar was zij aan de deur--zal nu het gezicht
+van een vroolijke, jonge bruid, met een donkeren gloed overgoten,
+naar binnen zien? De oude vrouw hield haar adem in; de deur werd
+langzaam geopend en het jonge meisje stond op den drempel; was zij
+dan gegroeid sedert zooeven? Zij trad rustig de kamer binnen: op het
+bleeke gelaat stond diepe ernst te lezen.
+
+"Tante," sprak zij zacht, "ik heb _neen_ gezegd."
+
+Tante antwoordde niet; zij knikte slechts toestemmend met het
+hoofd. "Zijt gij hem niet genegen, mijn kind?" vroeg zij toen. "Zie,
+wat uw hart gevoelt, dat weet gij zelve het beste."
+
+"Ik kan niemand liefhebben, tante," klonk het dicht aan het oor der
+oude vrouw; twee zachte armen omvatten haar hals en een bleek gelaat
+verborg zich aan hare borst. Zoo lag zij op de knieën naast de oude,
+en deze streek met de hand liefkoozend over de bruine vlechten.
+
+"God zegene u, mijne Lise!" fluisterde zij, "gij hebt goed gehandeld."
+
+In de huiskamer liep Erving driftig heen en weer. Zijne vrouw had
+roodgeschreide oogen en bad:
+
+"Als zij hem toch niet liefheeft, Erving?"
+
+"Mina, men kan met eene vrouw niet verstandig over zoo iets spreken,"
+zeide hij, voor haar staan blijvende. "Zie den jongen aan! Hij is knap
+en verdient achting; hij bemint haar en is van een goede familie;
+zijn vader schrijft mij, dat zij het meisje op de handen zullen
+dragen--is dat niet alles, wat zij verlangen kan? Maar daar steekt
+iets anders achter, dat laat ik mij niet uit het hoofd praten."
+
+"Maar ik vraag u, Erving, wat zou dat dan kunnen zijn?"
+
+"En dan, ik herkende het meisje niet meer; zij die altijd zoo gedwee
+en volgzaam was, stond daar, doodsbleek, en zei niets anders dan
+'neen' en nog eens 'neen!' God help mij, wie had dat gedacht?"
+
+"Zij is immers uwe dochter, vaderlief," zeide zijn vrouw, opstaande
+en naar hem toe komende. "Gij weet wel," voer zij voort, terwijl zij
+poogde te glimlachen, "dat uw vader gewild had, dat gij Agnes zoudt
+trouwen, en toen hebt gij evengoed 'neen' gezegd en niets meer."
+
+"Nu, dat was toch heel iets anders, ik kende u toen en beminde u
+reeds, maar zij--zij komt immers pas in de wereld kijken. God weet
+het, zoo zwaar is mij nog niets gevallen, als den jongen van avond
+zulk een antwoord te geven." Hij bleef aan het venster staan en zag
+verdrietig door de ruiten. Hij keerde zich ook niet om, toen de deur
+zachtjes openging en tante binnentrad.
+
+Zij bleef even staan. "Nu, nu, Mientje," sprak zij toen, "gij weent--er
+is immers niemand gestorven, en zulk een haast heeft het vrijen ook
+niet! Er zijn niet een hand vol, maar een land vol mannen--de rechte
+zal wel komen--"
+
+De molenaar aan het venster maakte een heftige beweging, als wilde
+hij een scherp antwoord geven; hij zeide echter kalm: "gij spreekt,
+naar gij verstand hebt, tante!"
+
+"Wel, ik zou meenen, dat ik in die dingen toch niet zoo dom ben;
+ook heb ik wat meer ondervonden dan gij. Lise is zeventien jaar
+geworden--nauwelijks zijn de kinderschoenen uitgetrokken; er zullen
+nog wel honderd vrijers naar den molen komen; waarom zou zij nu den
+eersten den besten nemen? Selldorf is een flinke jongen, ja! maar de
+smaken zijn verschillend, en liefde zonder wederliefde, is als een
+vraag zonder antwoord, en maakt ongelukkig. En daarom, Frederik,
+laat het zóó goed zijn en zie haar niet donker aan; zij is immers
+uw éénigste, waarom wilt gij haar dan dwingen! Al uw boosheid helpt
+u niets, en uw macht kunt ge in deze zaak niet doen gelden; daarom,
+wees tevreden, en verheug u, dat gij uw kind nog behoudt! Heeft zij
+eens een man, dan behoort zij u niet meer toe.
+
+"Stil maar, al genoeg!" antwoordde hij ongeduldig en ving zijne
+wandeling door de kamer weder aan.
+
+De oude vrouw sprak geen woord meer; zij wist, dat haar doel bereikt,
+was; zij nam dan ook haar breiwerk en ging op haar gewone plaats
+zitten.
+
+"Hebt gij haar dan gesproken?" vroeg de moeder na een lang stilzwijgen.
+
+"Natuurlijk! Zij kwam bij mij en vertelde mij, hou het er mee gesteld
+was, en ten laatste heeft zij mij schreiende gebeden, haar toch te
+helpen, dat haar vader weder vriendelijk jegens haar werd."
+
+"Waar is zij dan?" vroeg hij.
+
+"Zij is naar haar kamertje gegaan."
+
+"Zoo," antwoordde hij en liep weer op en neer, tot hij eindelijk de
+deur opende en het vertrek verliet.
+
+"Ik weet al, waar hij heengaat," sprak de oude vrouw lachende. "Hij
+was zeker heel boos?"
+
+"Het ging nog al, tante, maar ik had hem nooit boos gezien--daardoor
+was ik er zoo bang voor."
+
+"Neen, maar zie nu eens, Mina," sprak zij en wees naar den tuin;
+daar liep de molenaar langzaam het pad langs, de arm om zijne dochter
+geslagen, en zij met haar hoofdje tegen zijn schouder geleund en tot
+hem opziende; hij sprak met haar en zij lachte hem toe.
+
+"Mijn beste man! mijn lieve kind!" sprak zacht de vrouw aan het
+venster.
+
+
+
+
+
+Tiende Hoofdstuk.
+
+
+Op het slot had de tijding van den dood der gravin Stontheim niet veel
+droefheid veroorzaakt; de jonge barones en Nelly hadden de gestorvene
+in 't geheel niet gekend. Nelly had een krans van immortellen
+gevlochten en die met eene betuiging van deelneming naar Blanka
+gezonden, daarop hadden de drie dames zich in rouwgewaad gestoken,
+om aan den uiterlijken vorm te voldoen, hoofdzakelijk ter wille
+van Blanka, die, volgens het schrijven van Army, voor een langdurig
+verblijf op Derenberg kon verwacht worden. Army en haar vader zouden
+haar vergezellen.
+
+En thans was de dag hunner komst daar. In Blanka's vertrek waren
+de ramen wijd open gezet, en de frissche herfstlucht vervulde de
+weelderige en gezellige kamer; de zon scheen helder op de bleekgroene,
+zijden behangsels, en op de donzige kussens van dezelfde stof; overal
+prijkten frisch geplukte herfstbloemen in vazen en mandjes, en Nelly
+onderzocht zorgvuldig, of het verwende kind ook aan iets gebrek zou
+kunnen hebben. In haar eenvoudig, zwart wollen kleed geleek zij in dit
+schitterend boudoir bijna een betooverde prinses, die door het toeval
+of door een goede fee weder in de prachtige omgeving geplaatst was,
+waarin zij eigenlijk thuis behoorde. Het ovale, rooskleurige gezichtje
+kwam bekoorlijk uit bij het zwarte kleed, en de blanke handen, die
+uit de krippen manchetten te voorschijn kwamen, waren haast te klein
+voor een volwassen meisje.
+
+"Dit is toch een recht lieve kamer, grootmama," sprak zij, tot de
+oude dame opziende, die juist op den drempel verscheen.
+
+"Zeker! maar voor u, mio cuore, zou ik blauw veel liever vinden."
+
+"O, voor mij!" lachte zij; "ik en een kamer met zijden behangsels
+en kanten gordijnen! Ik zou mij ongelukkig gevoelen in dezen geur
+en glans."
+
+"Gij zoudt het wel leeren, mijn kind, u daarin gelukkig te gevoelen."
+
+Het jonge meisje keek op; dat klonk zoo ernstig.
+
+"Als mijn kleine Nelly heel lief is," vervolgde de oude dame, het
+verbaasde meisje naderende, "en haar best doet, haar onbeschaafde
+manieren af te leggen, dan geef ik haar misschien zulk een prachtig
+kamertje tot een Kerstgeschenk."
+
+"Gij, grootmama?" riep de kleine ongeloovig. "O neen, ik zou veel
+liever een kamertje hebben zooals Liesje, met wit en blauw gebloemd
+katoen--dat ziet er zoo beelderig uit."
+
+De oude barones haalde de schouders op en keerde zich om, want hare
+schoondochter trad binnen.
+
+"Daar wordt mij een groot pak japonstoffen en stalen gezonden; hebt
+gij dat besteld?" vroeg zij; "ik denk dat het eene vergissing is,
+want er zijn zijden meubelstoffen bij, en allerhande dingen, die wij
+onmogelijk kunnen gebruiken."
+
+"_Ik_ heb dat besteld, Cornelie," verklaarde de aangesprokene
+ongeduldig; "laat die zaken op mijne kamer brengen!"
+
+Nelly vloog heen, om het bevel te volvoeren, en de beide vrouwen
+stonden zwijgend tegenover elkander.
+
+"Maar," vroeg eindelijk de jongste, "waartoe is dat noodig?"
+
+"Hebt gij u reeds in den spiegel bezien, Cornelie?" was het bitse
+antwoord; "in die plunje kunt gij u ter nauwernood aan onze lieden
+vertoonen, nog minder op eene bruiloft."
+
+Zij lachte.
+
+"Ik heb reeds inkoopen gedaan, mama; voor Nelly een wit kleed, en
+voor mij een zwart zijden."
+
+"Slechtste kwaliteit, dunne taf, paardrijders zijde, zooals men dat
+noemt, ik ken dat," antwoordde de dame spotachtig. "Genoeg, het blijft
+er bij; ik koop, wat ik oordeel dat noodig is--"
+
+"Maar, mama!"
+
+"Gij zult zeker vragen, waar komt het geld vandaan? Hoor eens,
+Cornelie, die firma heeft vroeger duizenden aan mij verdiend en zal
+ook nu nog wel de gravin Derenberg krediet geven--dat is voorloopig
+voldoende; laat mij voor het overige zorgen. Of wilt gij misschien,
+dat het huwelijk uws zoons plaats hebbe in een ledige zaal, waar de
+gordijnen ternauwernood nog aan de stokken blijven hangen, omdat zij
+door de mot zijn verteerd, en de overtrekken der meubels vol gaten
+zijn, zoo groot als die schotel daar? Uwe schoondochter zou geraakt
+den neus optrekken, denkt gij dat ook niet?"
+
+"O, daaraan dacht ik niet," antwoordde de bleeke vrouw zacht, en
+sloot de deur, daar een koele tocht de zijden gordijnen ver naar
+binnen waaide. "Ik dacht slechts," voegde zij er terugkeerende bij,
+terwijl zij tegen den prachtigen salonvleugel leunde, die Blanka
+voor den zomer had laten komen, omdat zij, volgens haar zeggen,
+op het oude klavier in de woonkamer niet kon spelen, "ik dacht,
+omdat wij zoo geheel _en famille_ zijn--"
+
+"Dat is weer een van uw overdreven denkbeelden, Cornelie! Army is geen
+weggeloopen knaap, die dáár bruiloft viert, waar hij toevallig een
+meisje aantreft; hij stamt af uit een der edelste geslachten des lands
+en zijne bruid is onze bloedverwante; daarom zal ik er voor zorgen,
+dat deze plechtigheid ten minste naar behooren gevierd worde. Uwe
+manier van denken over zulke zaken zou van een lam een tijger maken,
+Cornelie!"
+
+De oude dame ging met een hoogrood gelaat hare schoondochter voorbij
+en trad aan het venster.
+
+"Ik moet u toch dringend verzoeken, Cornelie," ging zij voort,
+"uw burgerlijke denkbeelden in vele zaken te laten varen, wanneer
+Blanka hier is; zij zouden een uitstekend middel zijn om haar het
+verblijf hier te verbitteren; zij kan die eeuwige kleingeestigheid
+en zuinigheid, die zelfs de boter voor iedere boterham afweegt,
+evenmin verdragen als ik, en voor alle dingen moeten wij nu zorgen,
+haar vast te houden--vast te houden tot elken prijs. Is eenmaal het
+'amen' na de inzegening uitgesproken, dan zijn al onze bezwaren uit
+den weg geruimd."
+
+Een donker rood had de wangen der schoondochter bedekt, en tranen
+kwamen haar in de oogen. Voor wie spaarde zij? Voor wie zorgde
+zij? Waarom ging zij zoo slecht gekleed? Opdat die grillige vrouw
+dáár zoo weinig mogelijk het drukkende der armoede zou gevoelen, en
+al was het ook maar gedeeltelijk, zóó zou kunnen leven als vroeger;
+zij zond elken avond Sanna met thee en koudvleesch naar boven terwijl
+Nelly en zij zich met een eenvoudige boterham tevreden stelden.
+
+"Nu schreit gij waarschijnlijk ook nog, Cornelie," klonk weder de
+stem, die het Duitsch zoo hard en hoekig uitsprak, terwijl zij in
+hare moedertaal de zachtheid zelve scheen, "misericordia! wat zijn
+die Duitsche vrouwen toch gevoelige schepsels; ik kan mij zelve
+haast geen meester blijven, als ik dien tranenvloed zie stroomen;
+wat ik u zooeven zeide, was slechts tot ons aller bestwil--als gij
+het maar begrijpen wildet!"
+
+Op dit oogenblik kwam Nelly weder binnen. "Het is al vijf uur, mama,
+en even na zessen kunnen wij hen verwachten; de tafel is beneden
+reeds gedekt, en Hendrik zal zoo dadelijk hier vuur aanleggen en de
+vensters sluiten--ik ben zoo nieuwsgierig," ging zij voort, "wat zij
+al te vertellen zullen hebben, hoe Blanka de rouw staat en hoe het
+testament is uitgevallen." Zij zag bij deze woorden hare moeder aan en
+bespeurde de tranen in hare oogen. "Schrei niet, mama!" fluisterde zij,
+"zoo aanstonds komt Army, onze lieve Army."
+
+"Het testament?" vroeg de grootmoeder, "mon Dieu, Army de helft,
+zij de helft en onderscheidene legaten aan oude bedienden, hospitaal
+enz., en misschien ook aan den overste, die wel opgepast zal hebben
+ook zijn deel te krijgen."
+
+"Ja, grootmoedertje, maar weet u nog wel, dat Army ons indertijd
+vertelde, dat Blanka overal gehouden werd voor de eenige erfgename--?"
+
+"Och kom! Dan staat de zaak nog gunstiger--de man heeft altijd de
+beschikking over het vermogen zijner vrouw; trouwens, ik geloof het
+niet; tante Stontheim hield te veel van Army."
+
+"Maar, wanneer nu het testament eens vóór dien tijd gemaakt is?"
+
+"Dan heeft zij zeker een codicil er aan toegevoegd," antwoordde de
+oude dame ongeduldig.
+
+"Wist ik slechts precies, wanneer zij kwamen!" zeide Nelly; "de
+gewone post komt stipt om half acht aan, maar Army schreef, dat zij
+met extrapost reisden, en dientengevolge aan het station eerst wat
+rusten, en tusschen zeven en acht uur, tegen het middageten, hier
+zouden zijn. Geduld, geduld! Zal ik dat nooit leeren? Zie het heerlijke
+avondrood, nu wordt het gauw donker; ik verlang zoo naar Army."
+
+Langzamerhand werd slot en park in duisternis gehuld, en aan den
+hemel schitterden ster aan ster in fonkelenden glans; in de gezellige
+woonkamer was de lamp nog niet opgestoken, slechts het vuur in den
+haard wierp een schemerachtig licht in het vertrek. Moeder en dochter
+waren alleen: want de oude barones had de kamer verlaten. Het jonge
+meisje daar in de diepe vensternis staarde met groote, peinzende
+oogen naar het lichtend gewemel daar boven; zij knielde naast den
+stoel harer moeder en sloeg den arm om haar heen; de diep bewogen
+vrouw hield haar zakdoek voor het gelaat; haar borst ging op en neer
+onder een zacht geween.
+
+"Mijn goed moedertje," bad de kleine met zoete stem, "schrei
+uw lieve oogen toch niet rood! Wat moet Army denken, als hij
+komt? Och! grootmama meent het niet zoo kwaad--"
+
+"Och, Nelly, dat is het niet," antwoordde zacht de weenende vrouw,
+"maar reeds den ganschen dag vervolgt mij eene onrust, een angst,
+die niet te beschrijven is.--God geve slechts, dat den jongen niets
+is overkomen!"
+
+"Maar, mama," troostte de dochter en drukte haar blond kopje stijf
+tegen hare borst, "wat zou hem dan overkomen zijn? Hij rijdt op dit
+oogenblik zeker in den ouden, gelen postwagen en zit tegenover zijne
+Blanka, in de aangenaamste stemming die hij wenschen kan; de overste
+vertelt anekdoten, en zij verheugen zich allen in het vooruitzicht
+van een warm avondmaal, en van uw vriendelijk gezicht, mijn moedertje."
+
+De barones schrikte opeens. "Wat scheelt u, mama?" vroeg Nelly angstig.
+
+"Ik meende zijn stap te hooren," antwoordde fluisterend de moeder;
+"hebt gij niets gehoord, Nelly?"
+
+"Neen, mama; het is immers ook onmogelijk."
+
+Het werd stil in het ruime vertrek; de fluisterende stemmen zwegen;
+niets werd gehoord als alleen het knetteren van het vuur in den haard,
+en nu en dan een bange zucht uit het beangstigde moederhart. Maar
+dáár--dáár--ja, dat was _zijn_ stap in de gang; "Nelly," riep de
+jonge barones met half gesmoorde stem, en het jonge meisje vloog op
+en naar de deur, die geopend werd--een man trad binnen.
+
+"Army!" jubelde de zuster. "Army!" klonk het ook van de lippen der
+moeder, "Army, zijt gij het?"
+
+"Ja, mama," antwoordde hij met doffe stem, als dwong hij zich met
+moeite om kalm te schijnen.
+
+"Mijn beste jongen," zeide de moeder teeder, en omhelsde hem. "Army,
+lieve Army," vleide Nelly, "maar zeg, waar is Blanka?"
+
+Hij stond bij den haard, nog met mantel en muts, en het flauwe
+schijnsel van het uitgaande vuur was niet voldoende om zijne
+gelaatstrekken te onderscheiden.
+
+"Army," vroeg nu ook zijne moeder, "waar is uwe bruid?"
+
+"Ik heb geene bruid meer." Zijne stem stokte van smart.
+
+Nelly gaf een gil van schrik, zijne moeder sprak geen woord; dat was
+het ongeluk, waarvan zij een voorgevoel had gehad--zij drukte alleen
+zijne hand vast in de hare, als konde zij hem daardoor onttrekken
+aan een woesten, naren droom.
+
+"Maak mij niet week, mama!" bad hij en drong haar zachtjes naar
+een dichtbij staanden stoel, "het helpt niets; hoe kon ik mij
+ook verbeelden--" hij lachte bitter--"dat zij--steek het licht op,
+Nelly!" sprak hij toen kortaf, "en bereid grootmama voor! Ik heb niet
+veel tijd; morgen moet ik weder weg."
+
+Met bevende handen ontstak Nelly de lamp; haar helder licht bescheen
+Army's bleeke trekken; hij stond nog op dezelfde plaats en staarde
+somber voor zich uit.
+
+"Army, mijn lieve Army!" fluisterde zijne zuster, en sloeg snikkend
+hare armen om hem heen.
+
+Hij streek haar gedachtenloos over het haar.
+
+"Daar is grootmama!" riep zij toen en liep de oude dame tegemoet.
+
+"Army," vroeg deze, haastig binnentredende, "wat beteekent dat? Ik
+wilde Sanna niet gelooven, die beweerde, dat zij u in de gang
+ontmoet had. Waar is Blanka? Waar is de overste? Wat beduidt het,
+dat gij alleen--?"
+
+"Dat beteekent," antwoordde hij langzaam, en op elk woord drukkende,
+"dat mijne bruid mij heden morgen even voor ons vertrek, genadig heeft
+ontslagen; zij heeft mij niet lief, liet zij mij zeggen, als grond
+voor haar plotseling besluit, en, die reden is geldig genoeg, bij God!"
+
+Weder lachte hij spotachtig. De oude dame waggelde achteruit, als
+van den bliksem getroffen.
+
+"Het is niet mogelijk," stamelde zij doodsbleek.
+
+"Dat zeide ik heden morgen ook, toen de overste mij dit uiteenzette
+en verklaarde," voer Army voort, "en ik heb wel honderd keer de hand
+aan mijn hoofd gebracht, en mij afgevraagd, of ik ook krankzinnig of
+iets dergelijks geworden was. Maar neen, het is een feit, Blanka van
+Derenberg is mijne bruid _niet_ meer."
+
+"Army, was er dan niets voorafgegaan? vroeg zijne moeder, die als
+verpletterd in haar stoel zat.
+
+"Wat voorafgegaan was?" antwoordde hij op snijdenden toon. "Ja, de
+opening van het testament. Blanka van Derenberg is eenige erfgename
+van het groote vermogen--dat is alles. Waarom zou zij een man huwen,
+dien zij niet bemint? Maar wees gerust, grootmama--" hij naderde de
+sidderende vrouw, die zich met beide handen aan een stoel vastklemde,
+"zij heeft toch een edel karakter; zij vermoedt, dat mijne verloving
+mij onkosten heeft veroorzaakt, en daarom liet zij mij door haar vader
+berichten, dat zij bereid was al mijne schulden te betalen. Dat was
+toch één troost voor den afgedankten bruidegom, voor den dommen jongen,
+die met dwaze liefde aan dit valsche schepsel hing!"
+
+Hij had gedurende het gesprek met een kristallen bokaal gespeeld,
+dien hij gedurig ronddraaide; nu wierp hij dien op den grond, dat hij
+kletterend uit elkander sprong en de scherven over den vloer rolden.
+
+"Army!" klonk het angstig van de lippen zijner moeder, terwijl zij
+hare bevende handen naar den opgewonden jongeling uitstrekte. De
+oude barones had zich in hare volle lengte opgericht. "Dat zullen
+wij ons niet laten welgevallen," sprak zij toornig. "Blanka erft in
+ieder geval slechts onder voorwaarde, dat gij haar echtgenoot wordt;
+ik heb nog een brief van tante Stontheim--"
+
+"Denkt gij dan," vroeg Army, die in een oogwenk voor haar stond,
+"denkt gij dan, dat ik haar ooit weer zou willen aanzien? Al lag
+zij voor mij op de knieën, ik zou haar wegstooten, en al moest ik
+verhongeren, en gij allen met mij, geen cent nam ik van haar aan;
+eerder een kogel door den kop.--Ja wel, een kogel, dat zou nog
+het verstandigste zijn; dat heeft immers mijn vader ook geholpen,
+zooals Blanka mij zeide, toen ik haar nog eenmaal dringend verzocht,
+met mij hier op Derenberg te wonen; zij was bang--verklaarde zij--in
+dit sombere nest, waar de laatste eigenaar zich zelf van het leven
+had beroofd; ha, ha! Allemaal redenen, waar een verstandig mensch
+niets tegen zeggen kan!" Zijn stem klonk heesch en half krankzinnig;
+de felste smart sprak uit zijn ontstelde trekken.
+
+"Mama! mama!" riep het meisje op hartverscheurenden toon, "Army is
+ziek, hij weet niet meer wat hij zegt."
+
+De bleeke vrouw stond op van haar stoel, naderde haren zoon en greep
+zijne hand; zij wilde spreken, maar hare lippen bewogen zich zonder
+geluid voort te brengen; hare oogen zagen hem zoo smartelijk biddend
+aan, alsof zij zeggen wilden: heb medelijden met mij, heb ik nog
+niet genoeg geleden in mijn leven? Hij zag ze niet, die smeekende
+blikken; ongeduldig poogde hij zijn hand uit de hare los te maken:
+"het is genoeg, mama! Ik denk niet aan sterven; ik zal leven--voor
+u. Hier is overigens een brief van den overste voor de baronesse van
+Derenberg," voegde hij er bij, een brief uit zijn borstzak halende
+en die op de tafel werpende, "misschien eene verklaring, waarom het
+zoo het beste is, en zoo al meer."
+
+Hij streek met beide handen door zijn donker haar, en ging naar het
+venster; toen verliet hij haastig het vertrek.
+
+Een oogenblik heerschte er stilte binnen. Het fijne papier van den
+geopenden brief knarste in de handen der oude barones.
+
+"Zie hier, Cornelie!" riep zij, "daar staat het; wat heb ik u zoo even
+gezegd?" "Een andere grond voor het verzoek mijner dochter aan uwen
+kleinzoon," las zij, "om haar de vrijheid terug te geven, is deze, dat
+de Derenbergsche betrekkingen haar niet bevallen; het _waarom?_ zult
+gij mij wel besparen; waarom zullen wij elkander hatelijkheden zeggen,
+nu wij op het punt staan onze betrekking voor het vervolg geheel
+af te breken--" "Ziet gij," viel zij zich zelve toornig in de rede,
+"dat is het gevolg uwer, het gevolg van Nelly's onhandigheid in den
+omgang met het verwende meisje. Daar hebt gij nu de resultaten. Army
+heeft aan u, aan u alleen, het verlies van al zijne vooruitzichten
+te danken! O, het is vreeselijk, aan zoovele domme denkbeelden,
+zulke bekrompen gevoelens geketend te zijn--het ongeluk mijns levens!"
+
+De oude dame balde hare handen en zag met de diepste minachting op
+moeder en dochter neer.
+
+"Mij moogt gij beleedigen, grootmama!"--Nelly ging voor hare moeder
+staan, als om haar te beschermen--"maar laat mama er buiten! Vergeef
+mij dat ik het waag, zóó tot u te spreken! Maar ik kan niet
+anders. Mama was altijd vriendelijk jegens Blanka, vriendelijker
+dan gij het geweest zijt. _Ik_ heb Blanka trouwens nooit liefgehad,
+omdat ik gevoelde, dat zij zich alleen met Army verloofde, omdat tante
+het wenschte. En nu zeg ik: Army mag God op zijne knieën danken, dat
+alles zoo gegaan is. En daarom bid ik u, grootmama, krenk mama niet
+door onverdiende verwijten om der wille van dat valsche, gevoellooze
+schepsel, dat zelfs onzen vader nog in het graf belastert, en hem tot
+een zelfmoordenaar--Almachtige God!" viel zij zichzelve in de rede,
+en was reeds naast hare bewustelooze moeder op den vloer geknield,
+om te trachten de onmachtige op te heffen.
+
+"O, cielo, cielo!" mompelde de oude dame, "welk een leven, welk een
+afgrijselijk leven!"--
+
+
+
+Middernacht had reeds lang geslagen en nog altijd zat Nelly bij
+het bed harer koortsige moeder. Zij was de eenige die hare zinnen
+bij elkander gehouden had bij den treurigen omkeer der zaken. Zij
+had de afgematte, bewustelooze moeder te bed gebracht, en zooveel
+mogelijk alle toebereidselen weggenomen, die men gemaakt had om
+den vorigen avond de bruid van den eenigen zoon te ontvangen. Zij
+was zacht door de gang geslopen en had aan de deur van Army's kamer
+geluisterd; de stappen van den rusteloos heen en weer gaande hadden
+haar geruststellend in de ooren geklonken. En nu zat zij weder te
+luisteren naar de ademhaling der koortsachtige moeder, en drukte
+nu en dan een zachten kus op die magere handen, die zij zoo vast op
+de snel ademende borst gedrukt hield. De grauwe schemering van den
+aanbrekenden dag werd door de gordijnen zichtbaar en kleurde zich
+langzamerhand met een mat rooskleurig licht.
+
+Nelly trad aan het venster; daar beneden lag het park; de bladeren
+der boomen lagen nat en zwaar op den met rijp bedekten grond; de
+roode toppen der sorbeboomen kwamen helder uit het herfstachtig gele
+loof te voorschijn, en over het woud zweefde een fijne, witte nevel,
+die in de toppen der hooge boomen van het park hing als een lichten,
+doorschijnenden sluier, door de opgaande zon zacht gekleurd. Moede
+van het nachtwaken, leunde Nelly met het hoofd tegen de ruiten en
+sloot de oogen--toen zij op eens het geluid van een verschuivenden
+stoel achter zich hoorde.
+
+"Mama," riep zij, toen zij hare moeder met koortsachtige haast het
+eene kleedingstuk na het andere zag aantrekken.
+
+"Ik heb zoo lang geslapen, Nelly, en heb niet eens Army getroost;
+het is reeds morgen--neen, laat mij, ik moet naar hem toe; hij mag
+het geloof aan de menschheid niet geheel verliezen; daar is hij nog
+veel te jong voor. Houd mij niet terug, Nelly; hij zal niet slapen;
+men slaapt niet gemakkelijk na zulk een leed."
+
+Zij gunde het jonge meisje ter nauwernood den tijd, dat zij haar een
+doek omsloeg en ijlde weg. Nelly waagde het niet, haar te volgen;
+zij sloop naar de zijdeur en luisterde; daar weerklonk plotseling
+een gil. Haastig vloog zij de gang door. De deur van haars broeders
+kamer stond open; daar binnen stond hare moeder, zich bevende aan de
+tafel vasthoudende.
+
+In een oogwenk overzag zij het vertrek--dáár het oude ledikant,
+de kussens omgewoeld, op de tafel een half geledigde flesch wijn,
+benevens een glas; boven de sofa het ledige behangsel; het groote
+portret, dat daar gehangen had, stond met de voorzijde tegen den
+muur; daar lagen zijne epauletten naast den degen op een stoel--maar
+Army--waar was Army?
+
+"Hij is weg!" stamelden de bleeke lippen der bevende vrouw; "hij is
+weg, Nelly--als hij--als hij evenals zijn vader--?"
+
+"Wat dan, mama? wat dan, om Gods wil?"
+
+"Wanneer hij, Nelly, wanneer hij--o, ik--mijn God!" sprak zij buiten
+zich zelve.
+
+"Vlieg, Nelly, zoek hem!" smeekte zij haastig, "ik kan het niet; zeg
+hem, dat hij bij mij moet blijven! Eenmaal heb ik het verschrikkelijke
+beleefd--eenmaal, dat is genoeg; een tweede maal zou ik het niet
+overkomen."
+
+"Mama," vroeg Nelly in doodsangst, "wat bedoelt gij?"
+
+"Gauw, gauw! ga toch, vlieg! Hij mag niet sterven; hij moet leven. Ga,
+anders brengen zij mij hem hier ook zoo bleek en bloedend--" zij
+huiverde en wees naar de deur. Het beangste kind had hare moeder
+begrepen, en als met gieren-klauwen greep de vrees haar hart aan;
+zij ijlde weg--waar, waar zou zij het eerste zoeken? Onwillekeurig
+liep zij de trappen af, de toren deur stond aan; haastig vloog zij
+over het voorplein, de stenen beren langs, de linden-allée op. De
+wanhopende gebaren harer moeder, de verschrikkelijke toespeling op
+haar vader, dit alles wekte bij haar een akelig vermoeden op. Zij
+drukte de handen op hare borst en stond stil. Waar zou Army zijn?
+
+"Army," riep zij, maar het was als bleef het geluid in haar keel
+steken. "Army!"--alles was doodstil rondom haar.
+
+Vochtig en nat lagen de verwelkte bladeren aan hare voeten; een paar
+kleine vogels fladderden in de takken en keken met nieuwsgierige oogen
+naar het beangste, jonge menschenkind daarbeneden; "Army!" stootte
+zij nog eenmaal met alle kracht uit, en daarop een lang aangehouden
+galm--als een gejubel klonk het; zóó hadden zij elkander als kinderen
+altijd geroepen; dat _moest_ hij hooren.
+
+Geen antwoord werd echter vernomen; slechts een gefluister ging door
+de oude lindeboomen, als schudden zij ontkennend de hoofden, om te
+zeggen: hij is hier niet. Aan den dijk misschien, aan den dijk--dacht
+zij, en toen zij zich nu door het dichte geboomte voortspoedde,
+greep haar een nooit gevoelde huivering aan in deze stilte, deze
+eenzaamheid. Hoe, als zij hem vond? Als hij niet meer hooren kon,
+dat zij hem riep? Als hij bleek en bloedend--? Haar hart kromp ineen,
+maar toch schreed zij voorwaarts.
+
+Daar lag het kleine donkere water zoo kalm, alsof er storm noch
+onweer in de wereld was; waterplanten en verwelkte bladeren dreven
+onbeweeglijk op de gladde oppervlakte, en de steenen bank aan den oever
+was ledig. Haastig ging zij verder; de omlaag hangende takken sloegen
+haar in het gezicht en schudden de dauw in hare blonde haren. De rand
+van haar kleed sleepte zwaar en vochtig achter haar aan; verder, altijd
+verder! Angstig zag zij rechts en links, en van tijd tot tijd klonk de
+naam haars broeders door de morgenlucht. Luister--schreden--! Gejaagd
+vloog zij verder; daar was het traliehek, de ééne deur was geopend;
+reeds was zij er doorgegaan--het was een arbeider, die, zijne muts
+afnemende, haar voorbij ging, de onverwachte verschijning verwonderd
+aanstarende; toen bleef hij staan; zij had een beweging gemaakt,
+alsof zij iets wilde zeggen; maar daar zij zweeg, vroeg de man:
+
+"Zoekt gij iets, genadige freule?"
+
+"Och neen, neen, ik wilde met mijn broeder eene morgenwandeling
+doen--hebt gij hem misschien gezien?"
+
+"Den luitenant, meent gij? Ja, dien ben ik tegengekomen, een eindje
+achter den lompenmolen."
+
+"Ik dank u!" snikte zij en sloeg den weg naar den molen in; haastig
+schreed zij voorwaarts. Daar zag zij het woonhuis reeds; daar lag
+de brug--voorbij, voorbij! Daar in huis sliepen allen nog. Verder
+maar! Dáár--almachtige God--daar viel een schot; het klonk haar zoo
+duidelijk, zoo vreeselijk in de ooren; zij sloeg, onwillekeurig een
+steun zoekende, den arm om den dichtst bijstaanden boom; toen zonk
+zij ter aarde. Zij zag niet meer, hoe een oude vrouw, zoo schielijk
+als hare beenen haar dragen konden, over den molenbrug kwam aanloopen;
+hoe een goed, vriendelijk gezicht, met een witte muts op, zich angstig
+over haar heenboog; zij hoorde den hulpkreet niet die over de bevende
+lippen kwam:
+
+"O, hemel! Nelly, onze Nelly! wat is er nu weder gebeurd?"
+
+
+
+
+
+Elfde Hoofdstuk.
+
+
+In de woonkamer van het slot waren de donkere gordijnen toegeschoven,
+en dáár, waar vroeger de groote, ouderwetsche sofa geplaatst was,
+stond nu het ziekbed van Nelly's moeder; zij was zeer ziek geworden
+op dien ongelukkigen morgen, toen zij haar zoon zocht en niet vond;
+het zwakke leven worstelde met den somberen engel, wiens
+onheilspellende nabijheid men in het vertrek scheen te bespeuren.
+Als in een cirkel draaide hare verbeelding om dien dag, waarop zij
+bij het bloedige, verstijfde lichaam haars echtgenoots gestaan had;
+nu eens was _hij_ het, dien zij aanzag, dan weder was het den zoon,
+en op hartverscheurenden toon bad zij hem, toch niet te sterven, haar
+ook niet te verlaten; zij kon zonder hem immers niet leven. Het was
+thans stil in het ruime vertrek; een slanke meisjesgestalte, die
+telkens angstig luisterde naar de verwarde woorden der kranke, zweefde
+met bijna onhoorbare schreden over het oude tapijt, legde met zachte
+hand de kussens terecht en boog zich onderzoekend over de zieke heen,
+om naar haar zachte ademhaling te luisteren, als zij ingeslapen scheen.
+Ja--lompenmolenaars Liesje deed voor de tweede maal dienst als
+samaritane op het slot Derenberg, en het was nu al de tiende dag,
+dien zij er doorbracht! Het waren lange, bange dagen en nog bangere
+nachten geweest; heden was de koorts iets afgenomen, zooals de dokter
+zei, en de uitgeputte zieke sluimerde nu.
+
+Liesje nam een boek van de tafel en ging aan het venster zitten,
+dat een weinig licht doorliet; zij leunde met het hoofd tegen haar
+stoel en sloot de oogen. Hoe vreemd was het toch, dat zij nu weer
+hier boven in het slot zat, dat zij gedacht had nooit weer te zullen
+betreden! Tante had haar op een morgen met groot geraas gewekt, en in
+de huiskamer vond zij Nelly, die doornat van den dauw, bewusteloos
+op de sofa lag! Hoe was zij geschrikt! Uren waren verstreken,
+vóór men het arme kind weder tot bewustzijn gebracht had; maar vóór
+het zoover was gekomen, was de deur der huiskamer in de ouderlijke
+woning open gedaan en had _hij_ op den drempel gestaan. Zij had een
+gil gegeven van ontsteltenis en schrik; ja van schrik, want hij, die
+daar binnentrad met dien diep smartelijken trek om den mond, de oogen
+zoo wezenloos op haar gericht--dat was de vroegere Army niet meer,
+de vroolijke levenslustige Army, met de trotsche schoone trekken.
+
+"Is mijne zuster hier niet?" had hij gevraagd, en toen zijn blik op
+haar viel, zooals zij daar bleek en bewusteloos nederlag, had zijn
+gelaat een uitdrukking gekregen van het diepste medelijden.
+
+Wat er verder gebeurde? Tante Marie en hij hadden samen gefluisterd;
+Liesje had echter alleen de woorden verstaan: dat zijne moeder zeer
+ziek was en hulp noodig had; Sanna was zoo onhandig en grootmama
+klaagde over migraine; en nu Nelly ook nog, die arme Nelly!
+
+"Ik ga mede," had Liesje verklaard. En toen was zij met hem zwijgend
+meegegaan. Geen woord had hij toen tot haar gesproken, en geen enkel
+woord was tot nu toe over zijne lippen gekomen, hoe dikwijls hij ook
+zacht de ziekenkamer binnentrad en het bedgordijn opendeed, om zijne
+moeder te zien. En Liesje wist, waarom hij zoo somber en stil was. De
+blinkende verlovingsring ontbrak aan zijne hand, en de droombeelden der
+zieke hadden haar de ongelukkige zaak geheel duidelijk doen kennen. O,
+dat schoone, valsche schepsel! Hoe haatte Liesje die trouwelooze! Wel
+had Nelly gelijk gehad, toen zij beweerde: "zij heeft hem niet
+lief." Maar _hij_, och, kon zij hem maar iets vertroostends zeggen!
+
+Zacht werd de deur der ziekenkamer opengedaan, en Nelly trad binnen.
+
+"Wat slaapt zij gerust!" fluisterde zij, een blik op de zieke werpende,
+en ging op een bankje, aan de voeten harer vriendin zitten. "God
+zij gedankt! De dokter oordeelt, dat het gevaar voorbij is; ach,
+Liesje! wat ben ik gelukkig! Ik gevoel mij nu ook weder sterk, en
+gij zult nu van nacht slapen, gij goedhartig schepsel!"
+
+"Neen, dat zult _gij_ doen, Nelly. Geen tegenspraak!" antwoordde
+Liesje beslist; "de dokter wil er volstrekt niet van hooren, dat gij
+waken zult. Gij slaat een doek om en gaat wat in de frissche lucht;
+uw broeder zal u zeker gaarne vergezellen."
+
+Nelly schudde treurig het hoofdje. "O ja, hij zal wel meegaan--maar
+Liesje, gij weet niet hoe akelig het is, zoo alléén met hem te
+zijn! Hij loopt somber naast mij, en dan begint hij plotseling als in
+vertwijfeling vroolijk te fluiten. Bij u ben ik het liefste. Wanneer
+gij en uwe tante er niet waart, en uwe goede moeder niet zoo voor
+ons gezorgd had, had het hier boven er slecht uitgezien."
+
+"Maar, Nelly!" fluisterde blozend het jonge meisje en lei haar hand
+op den mond harer vriendin---
+
+Terwijl de jonge meisjes zulke woorden in de ziekenkamer wisselden,
+zat de oude barones peinzend boven in hare kamer. "Eenmaal moet het
+toch zijn," sprak zij ten laatste halfluid, "ik moet met hem spreken,
+wat er nu dan toch gedaan moet worden." Zij stond op en belde. "Ik
+verzoek mijn kleinzoon hier te komen," beval zij Sanna kortaf en
+onvriendelijk, en ging weder zitten.
+
+Door de roode gordijnen drong slechts een flauw licht naar binnen,
+want buiten was de lucht betrokken en een scherpe herfstwind begon met
+kracht de bladeren van de boomen te schudden; in den haard flikkerde
+een houtvuur en verlichtte de roode kussens en gordijnen; door dien
+weerschijn was het, alsof de verschoten kleuren weder haar ouden gloed
+hadden verkregen; somber staarde de barones in de spelende vlammen.
+
+"Binnen!" riep zij, toen een haastig tikken op de deur gehoord werd.
+
+"Ik wilde u juist om een kort onderhoud verzoeken, grootmama," begon
+Army, binnentredende met eene buiging en achter den stoel staan
+blijvende, die de oude hem met de hand aanwees. "Mama wordt beter;
+ik moet vertrekken."
+
+"Zoudt gij in dienst kunnen blijven?" vroeg de oude barones
+onverschillig.
+
+Hij zag somber voor zich.--"Ik weet het niet," sprak hij toen,
+"voorloopig hangt dit van de stemming mijner schuldeischers
+af. Trouwens, zoodra het bericht van mijn verbroken engagement
+wereldkundig is, zullen zij wel als een troep jachthonden op mij
+afkomen; de zaak komt bij het regiment; de overste zal mij vragen:
+'betalen of niet?' Dan komt het slot. Het noodlot zal _mij_
+achterhalen, evenals vóór mij reeds zoo menig ander."
+
+De oude dame had even kalm naar hem geluisterd, alsof hij over een
+vroolijke partij sprak.
+
+"Hellwig moet raad schaffen," sprak zij op beslisten toon.
+
+"Hellwig? Ja, als hij geld kon maken! Hij heeft nog onlangs
+de onmogelijkheid erkend, mij tweehonderd daalder te bezorgen;
+eene som, die ik den wagenmaker op een bepaalden tijd moest
+betalen. De man wilde geduld hebben, tot ik--nu, tot ultimo October,"
+eindigde hij kortaf. "O, zij wilden allen wel wachten; het had geen
+haast--beware! Ik was immers de neef van tante Stontheim en op het
+punt, hare nicht te huwen--"
+
+"Hoeveel bedragen uw gezamenlijke schulden?" vroeg zijne grootmoeder.
+
+Hij maakte een afwijzende beweging met de hand. "Wat kan dat
+schelen? Ze kunnen toch niet betaald worden!"
+
+Een lange stilte ontstond. Army beschouwde schijnbaar zeer aandachtig
+een Italiaansch landschap in een vergulde lijst. Buiten was de wind
+hevig opgestoken; hij huilde in den schoorsteen, en joeg de vonken
+over het oude tapijt tot op het zwarte, wollen kleed der oude dame.
+
+"Army, er is slechts één middel, om u en ons te redden!"
+
+Hij keerde zich langzaam om en zag haar vragend aan.
+
+"Gij zoekt zoo spoedig mogelijk een andere rijke partij."
+
+"Wat bedoelt gij, grootmama?"
+
+"Er zijn meisjes genoeg, rijke, knappe meisjes, die zich een man
+koopen, zooals men dat noemt--"
+
+"O, zoo, ik begrijp u," antwoordde hij los weg.
+
+"Bedenk, Army! het betreft hier niet alleen uwe toekomst, het geldt
+ons allen."
+
+"Hebt gij mij nog iets anders mee te deelen?" vroeg hij op een toon,
+die verstommen deed. "Niets? Dan zult gij mij wel vergunnen afscheid
+te nemen; ik wilde graag weten hoe het beneden gaat." Hij boog zich
+en ging heen.
+
+Bijna werktuigelijk richtte hij zijne schreden naar de ziekenkamer;
+in het voorvertrek bleef hij staan; het was alsof hij daar binnen
+hoorde fluisteren; toen ging hij naar het raam en drukte het voorhoofd
+tegen de ruiten.
+
+Hetgeen zijne grootmoeder hem zooeven gezegd had, was als een bijtend
+vocht in de versche wonde, hem toegebracht. De hevige pijn dreef
+hem het bloed naar de wangen, voor zijne oogen zweefde nog steeds
+een aanlokkelijk beeld, dat hem steeds vervolgde, al deed hij ook
+duizendmaal zijn best het te verbannen; hij zag haar steeds voor zich,
+zooals zij er uitzag op dien dag na de opening van het testament,
+toen het zoo kalm en rustig geworden was in de prachtige villa;
+alle bezoekers waren vertrokken, de overste was in een andere
+kamer ingedommeld, en hij bevond zich alleen met haar--voor de
+eerste maal sedert langen tijd. Hoe schoon was zij in dat donkere,
+met krip gegarneerde rouwgewaad, die gouden vlechten, met zwarte
+strikken saamgebonden! Zij lag peinzend in haar stoel, terwijl hij
+tot haar sprak; hij sprak van zijne liefde, van zijn verlangen haar
+te bezitten, van het zalig gevoel dat zijn hart vervulde. Of zij wel
+naar hem geluisterd had? De blik, dien zij op hem vestigde, toen hij
+hare hand greep, was hem als koud ijzer op het hart gevallen, en had
+hem met een angstig voorgevoel vervuld; in den loop van het gesprek
+was zij plotseling opgestaan en achter het deurgordijn verdwenen;
+het prachtige, goudkleurige haar zag hij nog even, toen het gordijn
+door den tocht van de opengaande deur omhoog waaide; toen was hij
+alléén met zijn overvol, bedroefd hart. Zij had hem nooit bemind, liet
+zij hem zeggen; zij had zich slechts naar den wensch harer tante met
+hem verloofd! En dáár boven, die gele, verdorde, vliegende bladeren
+in de lindenlaan, die hadden het gehoord, hoe zij hem trouw zwoer:
+hoe zij hem duizendmaal verzekerde, dat zij hem liefhad, liever dan
+alles op de wereld, en nu--nu was alles voorbij. Verkoopen zou hij
+zich--verkoopen, zooals grootmama hem geraden had!
+
+"Neen, liever nog een kogel--een kogel!"
+
+Hij kreunde en drukte de tanden op elkaar; waar was toch het geluk
+gebleven, waaraan hij zoo hoogmoedig geloofd had? De oude spreuk schoot
+hem te binnen: "Wanhoop nimmer, 't geluk kan iederen dag komen." Hoe
+dwaas, waarom had het geluk hem zoo spoedig verlaten?
+
+Daar klonk een zachte tred achter hem; hij keerde zich om--een
+hoogblozend gelaat zag tot hem op. "Uwe moeder vraagt naar u,
+luitenant," sprak halfluid een heldere stem. Hij ging Liesje voorbij
+naar de ziekenkamer, en zij trad naar het venster, waar hij tot nu
+toe gestaan had. Buiten viel een fijne regen, die den omtrek in een
+vochtigen sluier hulde; zij staarde naar het huis harer ouders daar
+beneden, maar kon het door de dikke lucht niet onderscheiden. "Wat
+zouden zij daar nu wel doen,--mijn moedertje, mijn vader en tante
+Marie? Zou mijn vader niet op de jacht zijn? Och neen, hij heeft
+het zoo druk op het kantoor, sedert de heer Selldorf zoo plotseling
+vertrokken is." Weder vloog een donker rood over hare wangen.
+
+In het nevenvertrek was het eerst stil; de deur stond half open;
+Army lag geknield bij het bed zijner moeder, en nu klonk het:
+"Mijn lief moedertje, dacht gij dat ik doen zou als de jonker van
+Streitwitz? Neen, neen, ik heb u immers nog en Nelly." Zijne stem
+klonk teeder en vertroostend, en toch was het, alsof met moeite
+weerhouden tranen de woorden onverstaanbaar maakten. En daarop de
+zwakke stem zijner moeder; Liesje kon de woorden niet verstaan, maar
+uit den toon der afgebroken woorden klonk het als een zoet vertroosten,
+als een blijde dank, dat zij haar zoon in de armen hield, de gansche
+onovertroffen volheid der moederlijke liefde, die helpen, steunen,
+raden wilde; zoo kalm, zoo zacht klonk het, alsof het gold een ziek
+kind in slaap te sussen.
+
+En daar opeens--was het werkelijk mogelijk? Dat klonk als weenen,
+als met geweld onderdrukt gesnik. Zou Army--? Liesje keerde zich
+plotseling om en luisterde met verbleekend gelaat--weenen de mannen
+dan ook? Zij ijlde naar de deur; zij wilde weg; hij mocht niet weten,
+dat zij gehoord had, hoe hij--Daar kwam hij uit de kamer zijner moeder,
+ernstig en de lippen op elkander gedrukt; maar de oogen--ja, die waren
+nog nat van de tranen, die hij geweend had--om zijn verlorene bruid.
+
+Zij stond vlak voor hem, de handen op de borst gevouwen, als wilde
+zij hem om vergeving vragen, dat zij hem zóó gezien had. Ook hij stond
+stil; hij zag haar aan en las innig medelijden in haar oogen. Kwam de
+herinnering weder bij hem boven aan den tijd, toen het kleine meisje
+den wilden knaap zoo dikwijls troostte, als hij bij hunne kinderspelen
+zijn geduld verloor en van spijt heete tranen weende?
+
+"Liesje," sprak hij vriendelijk en dankbaar, en reikte haar de hand.
+
+"Army, lieve Army," klonk het door snikken half verstikt terug;
+hij voelde een oogenblik haar kleine hand in de zijne; toen was
+zij verdwenen.
+
+
+
+
+
+Twaalfde Hoofdstuk.
+
+
+In het slot Derenberg was alles weder tot het eentonige leven van
+vroeger teruggekeerd. Na Army's vertrek was het zeer stil geworden
+in het oude slot. De nood sloop door de groote, ledige zalen en met
+hem--de zorgen.
+
+"Gij _moet_ raad schaffen, Hellwig," had de oude barones tegen
+den getrouwen raadsman der familie, half biddend, half bevelend
+gezegd. "Gij _moet_! Binnen korten tijd moet er geld zijn, opdat het
+onweder niet nu boven mijn kleinzoon losbarst! Het verdere schikt
+zich later. Komt tijd, komt raad!"
+
+En de oude man had met een bezwaard gemoed de belofte gedaan,
+te zullen beproeven "den duivelschen jongen, dien Army, uit den
+brand te helpen;" maar tevens had hij er naar gevraagd, op welke
+wijze de barones het verdere dacht te schikken? En toen zij op haar
+zenuwachtige manier den vriend der familie eenigszins had laten
+vermoeden, van waar zij redding hoopte, had hij bijna weemoedig
+geglimlacht, en een vragend "nog eens dat gevaarlijke middel?" was
+over zijne lippen gekomen. "God geve," had hij er bij gevoegd, "dat
+het deze maal beter uitvalt! Voor het overige, mevrouw de barones,
+gaat het tegenwoordig zoo gemakkelijk niet meer, als gij denkt; de
+wereld is in den laatsten tijd onaangenaam praktisch geworden; vaders,
+die zulk een jongen adellijken windbuil met open armen ontvangen en
+er eene eer in stellen, zijne kolossale schulden te betalen, worden
+steeds zeldzamer--het geld is schaarsch, zeer schaarsch, mevrouw de
+barones! Maar wat lichtzinnigheid is het ook, om equipages en zijden
+meubels voor mejuffrouw de bruid aan te schaffen! Dat was later vroeg
+genoeg; men moet de huid van den beer niet verkoopen, eer hij gevangen
+is. Gij, barones, die zooveel ondervonden hebt in uw leven, gij hadt
+den jongen bij de ooren moeten krijgen, en hem _mores_ moeten leeren;
+hij was vroeger altijd gemakkelijk te leiden."
+
+De oogen der jongere barones hadden zich verwijtend op hare
+schoonmoeder, smeekend op den ouden man gericht; de smeekende oogen
+hadden hem zoo ver gebracht, dat hij ten minste beloofde, zijn best
+te doen---
+
+Liesje was reeds lang naar het ouderlijke huis teruggekeerd, en
+had den innigsten dank van Nelly en hare moeder meegenomen. Zij
+kwam bijna dagelijks in het slot, en haar vroolijk gekeuvel, haar
+vriendelijke verschijning bracht uren van zonneschijn in die stille,
+hooge vertrekken; Nelly vergat dan voor een poos hare droefheid,
+om zich trouwens later dubbel ellendig te gevoelen.
+
+Hoe goed heeft zij het! dacht zij, wanneer hare vriendin zoo vlug door
+de nu geheel ontbladerde lindenlaan, naar huis ging. Zij stelde zich
+het aangename "te huis" van Liesje voor, en zag in haar verbeelding,
+hoe zij den arm om den heer des huizes heensloeg, en hem haar lief
+vadertje noemde, op wien zij zoo trotsch, zoo trotsch kon zijn--en
+dan vloeiden weder Nelly's oogen over van bittere tranen.
+
+Zoo was November gekomen, met zijn donkere dagen; de stormen huilden
+weder om het oude slot, zooals zij reeds eeuwen gedaan hadden; zwaar
+en vochtig dreven de wolken over het landschap, en regen, vermengd
+met sneeuw, sloeg kletterend tegen de ruiten. Zulk weder oefent zijn
+invloed op elk menschelijk wezen, en vooral op eene zieke, die zoo
+zeer behoefte heeft aan opwekking, en onwillekeurig komt de vraag op
+de lippen: "Zal voor mij wel ooit de zon weer schijnen? Zullen voor
+mij de stormen wel ooit weder zwijgen? Gelukkig de mensch, die hopen
+kan, ook in dagen van diepe smart!" Zij fluistert toch nog altijd
+vertroostende woorden tot de verslagene ziel, en schildert op den
+donkeren achtergrond lichtende arabesken en bekoorlijke bloemkransen,
+waartusschen allerhande gelukkige, vurig verlangde beelden der toekomst
+doorschijnen; de weenende oogen kunnen dan weder met vertrouwen opzien
+en de benauwde borst haalt ruimer adem; alles kan immers nog goed
+worden! En de tijd ging voorbij; eentonig en langzaam kropen de dagen
+voorbij. Wekelijks kwam er van den ver verwijderden zoon een brief,
+dien de moeder met angst en hartkloppingen openbrak; telkens vreesde
+zij, er een slechte tijding uit te zullen vernemen! "Bespeurt gij
+wel, hoe ongelukkig hij is, zoo verstrooid, zoo geheel anders dan
+vroeger?" zuchtte Nelly dan en herlas telkens en telkens weder den
+brief, wiens kortheid een diep bedroefd hart scheen te verraden.
+
+"Het gaat hem goed," was de oude barones gewoon minachtend te
+zeggen; "hij hoopt het ook van ons; hij heeft veel dienstzaken te
+verrichten--_voilà tout!_ Hij is geen man; anders zou hij alle pogingen
+in het werk stellen, om het uiterste te voorkomen. Och hemel! dat ik
+in zijne plaats ware, zóó jong, en het leven vóór mij! Die onzalige
+gevoeligheid, die uit louter droefheid over het verlorene, den moed
+niet heeft om naar een nieuw geluk te streven--Orribile! Het is ons
+aller ongeluk; ik had nooit gedacht, dat hij ook zoo was."
+
+En bevend van ergernis zette de oude dame zich neder om een brief
+aan haar kleinzoon te schrijven, en hem moed in te spreken, en een
+anderen aan Hellwig, ten einde hem aan te sporen, de zaak betreffende
+de schulden zooveel mogelijk op te houden.
+
+November was ten einde en December kwam met zijn stormen; zij huilden
+in de hooge schoorsteenen en deden de roestige weerhanen op de torens
+knarsend gieren; zij bogen en schudden de oude boomen in het bosch;
+de regen kletterde evenals vroeger tegen de ruiten, en doorweekte de
+paden in het park, totdat in een helderen winternacht de felle vorst
+gekomen was, die de wegen zoo hard en glad als een rijbaan maakte;
+hij bedekte den dijk met een spiegelblanke ijskorst, en de velden en
+wegen met de eerste fijne sneeuwvlokjes.
+
+"Het is binnenkort Kerstmis," zeiden de lieden in het dorp en
+verheugden er zich over. "Het is spoedig Kerstmis, mama," sprak ook
+Nelly tot de sukkelende vrouw, die bij den haard zat te breien,
+maar in haar gelaat blonk geene vreugde bij het vooruitzicht van
+het heerlijke feest; "of Army ook zal komen?" vervolgde zij vragend,
+en hare moeder omhelzende, zeide zij: "lieve mama, ik wil geen enkel
+geschenk hebben, als Army maar komt."
+
+"Nu is het spoedig Kerstmis," riep Liesje hare tante juichend tegemoet,
+toen zij des morgens alles met sneeuw bedekt zag--het klonk zoo
+hartelijk opgeruimd, dat de oude vrouw haar verbaasd aanzag. Was
+dat meisje dan in de laatste weken niet geheel veranderd? De oude
+dartelheid, die haar zoo bekoorlijk stond, waarmede zij ieders
+hart won, blonk weer uit hare groote, blauwe oogen; hare wangen
+bloeiden weer even rooskleurig, als vroeger, en dit wonder was
+klaarblijkelijk geschied, toen zij--ja, toen zij uit het slot naar
+huis teruggekeerd was. Evenals vroeger schertste zij met haar vader,
+en voerde allerlei guitenstreken uit, die zelfs hare moeder hartelijk
+deden lachen.
+
+En nu was Kerstmis aanstaande. Toen de oude vrouw haar aanzag,
+fluisterde de kleine mond dicht aan haar oor, en zij verstond zoo iets
+van Christeskindje, van Kerstboomen, en Kerstgeschenken en van iets
+zoo heel, heel fraais voor tante, als zij zich niet kon voorstellen.
+
+En al deze vreugde en dit gejubel was in een enkel oogenblik te
+voorschijn geroepen: het enkele woord "Liesje!" uitgesproken op een
+teederen, dankbaren toon, en een enkele, vluchtige handdruk!--
+
+En eindelijk was de heilige avond aangebroken over de wijde wereld;
+hij bracht in elk huis een helderen lichtglans; hij ontstak de kaarsen
+aan de groene boomen, in paleizen en hutten; en deze wierpen hun
+licht op vroolijke gezichten, op kostbare en eenvoudige geschenken;
+de kerkklokken luidden in de stille, koude winterlucht en noodigden de
+menschen tot een plechtige, dankbare feestviering; en hoog boven de
+verheugde wereld spreidde de hemel zijn donkeren blauwen mantel uit;
+in schitterende, fonkelende pracht straalden de sterren naar beneden,
+en "Eere zij God in den hoogen," klonk het tot haar naar boven,
+"in den menschen een welbehagen en vrede op aarde!"
+
+"Vrede op aarde!" Er waren ook woningen, waar de weldadige gast
+geen ingang vond, en harten, zeer vele harten, die geen ruimten voor
+feestvreugde hadden, omdat leed en smart hen geheel vervulde! En op
+geen dag drukt de zorg zulk een arm menschenkind dieper ter neder,
+gevoelt het de smarten meer dan op dien, waarop zich allen verheugen,
+waarop de vrede moest nederdalen in alle harten, alléén in het zijne
+niet; waarop de bange vraag naar boven rijst; waarom ben ik--waarom
+zijn wij uitgesloten van de feestvreugde?
+
+Diezelfde vraag stond ook te lezen in de oogen van het jonge meisje,
+dat daar aan het venster stond en in den helderen avond naar buiten
+zag. "Daar beneden in den molen zijn de ramen helder verlicht; daar
+brandt de Kerstboom," fluisterde zij zacht, en drukte smartelijk de
+handen op de borst--welk een verlangen overviel haar naar zijne helder
+verlichte en versierde takken! Liesje had haar gevraagd te komen; zij
+moest toch ten minste de lichten op den boom zien branden; maar neen,
+waartoe zou dat dienen? Wat ging haar des molenaars Kerstboom aan? Het
+was de hare toch niet, en waarom zou zij Liesjes gelukkig gelaat
+aanschouwen? Hare sombere, stille woning zou baar daarna nog eens
+zoo treurig hebben toegeschenen. Zij keerde zich om en ging naar den
+stoel harer moeder, om haar wang tegen het lieve gezicht te vlijen. Zij
+tastte met de hand, maar vond slechts het ledige kussen. "Mama," riep
+zij zacht--het bleef stil. "Nu is ook zij naar grootmama gegaan,"
+fluisterde zij en viel in den zachten stoel neder. "Allen verlaten
+zij mij, och, dat ze toch terugkwamen! Mama en Army, o ja, Army is
+dáár"--dat was toch nog een zoete troost. Morgen zou hij zeker wel
+niet meer zooveel met grootmama te spreken hebben over zaken; wat
+kunnen zij toch voor belangrijks te verhandelen hebben sedert zijn
+aankomst? Zou het nog altijd over Blanka zijn?---
+
+Nelly vergiste zich; hare moeder was niet boven, waar de oude barones
+met den jongen officier een onderhoud had over zaken--leelijke, niet
+zeer stichtelijke zaken, die niets gemeen hadden met den geest van
+het Kerstfeest.
+
+"Tot Nieuwjaar--nog maar acht dagen!" sprak de oude dame, en zag
+somber voor zich.
+
+"Tot Nieuwjaar," bevestigde Army, die voor haar stond.
+
+"En gij zegt, Hellwig weet geen raad?"
+
+"Zoo zeide hij--"
+
+"Maar dio mio! Het is toch anders voor een officier niet zoo moeilijk,
+geld te krijgen?"
+
+"Anders? Gij vergeet, grootmama, dat onze omstandigheden voldoende
+bekend zijn. Geen bankier leent mij geld, met de zekerheid, het te
+verliezen, en dan nog zulke sommen! Het eenige, wat ik bewerken kon,
+was--uitstel tot Nieuwjaar."
+
+"En hebt gij geene moeite gedaan het middel te beproeven, dat ik u
+als de éénige redding aanwees?"
+
+Hij zag haar fier aan. "Neen, mijne schuldeischers gaven mij
+werkelijk denzelfden raad en wilden mij er wel behulpzaam in zijn;
+maar duizendmaal liever naar Amerika en werken als een knecht, dan
+zulk een juk op mij te nemen!"
+
+"Zooals gij wilt!" sprak de oude dame koel, "het is uwe zaak en niet
+de mijne."
+
+"Juist zoo!" lachte hij. "Maar laat de geheele historie naar den duivel
+loopen! Ik ben hier niet gekomen om u mijn nood te klagen; ik wil
+het Kerstfeest met u vieren; het Kerstfeest!" herhaalde hij spottend.
+
+"Goed dan!" klonk de stem der grootmoeder. Dan zal ik raad zien
+te schaffen; er zijn nog wel menschen in de wereld, die den naam
+Derenberg niet vergeten hebben. Morgen--neen, van avond nog schrijf
+ik aan den hertog van R.
+
+Om Army's lippen zweefde een bittere lach. Hij dacht aan het schilderij
+boven in de familiezaal, dat zijne grootmoeder voorstelde, hoe zij,
+als een schoone, jonge vrouw, den hertog de hand bood als welkomstgroet
+in haar gastvrij huis. "Bedelarij!" klonk het verachtelijk in zijn
+binnenste; hij voer met de hand over het voorhoofd, en sloeg een
+blik op de statige, zwarte vrouw tegenover hem, die zoo onbewegelijk,
+met een uitdrukking van vastberadenheid op het gelaat, bij de tafel
+stond. Hij had medelijden met haar, de trotsche vrouw; hij wist, dat
+het haar onuitsprekelijk zwaar zou vallen, zulk een brief te schrijven.
+
+"Doe dat niet, grootmama!" bad hij vriendelijk, "gij moogt u niet
+zoo vernederen--"
+
+"Neen, ik laat het niet," was het antwoord, "want ik zie, dat ik de
+eenige ben, die misschien nog uitkomst vinden kan, hoewel ik maar
+een oude vrouw ben."
+
+"Maar, grootmama! zal de oude heer zich uwer nog herinneren?"
+
+Zij lachte. "Zult gij ooit het beeld uwer bruid vergeten?" vroeg zij,
+en de zwarte oogen schoten stralen uit hun brandenden gloed. "Zeker
+niet! Evenmin vergeet de hertog van R. Leonore van Derenberg, want hij
+heeft mij liefgehad, Army! van het oogenblik af, dat hij mij voor het
+eerste zag. Hij was toen nog erfprins; mijn man stelde mij ten hove
+voor; er werd juist een feest gevierd--ik weet niet meer ter eere
+van wie; en, toen ik door de bonte menigte, die de helder verlichte
+zalen vulde, aan den arm uws grootvaders vooruit trad, dewijl het
+hertogelijke paar mij wenschte te zien, en de menschen rechts en links
+ter zijde weken en de vreemde, de Italiaansche, aanzagen, terwijl
+ik eene buiging maakte voor het hooge echtpaar--toen werd mijn oor
+getroffen door een kreet van verrassing, en toen ik mijne oogen ophief,
+ontmoetten zij die van een schoon jong man, welke mij bewonderend
+aanstaarden. Ik was zeventien jaar, Army, en wat bedwelmt eene vrouw
+meer, dan bewonderd te worden en--voorbij, voorbij!" fluisterde zij,
+"waartoe het verledene weer te voorschijn te roepen!"
+
+"En"--vervolgde zij peinzend, zonder acht op zijn gloeiend gelaat te
+geven, "hij kwam dikwijls naar Derenberg; hij was mijn cavalier bij
+elke gelegenheid, tot hij een verre reis ondernam--die goede ouders,
+zij waren bezorgd over hem, en mijn echtgenoot was de belachelijkste
+Othello, dien de wereld ooit zag; hij haatte den levenslustigen
+prins, omdat mijne lippen lachten als hij sprak, en mijne oogen,
+schitterden als ik hem zag, iets dat zij reeds bijna verleerd hadden;
+alles wat mij omgaf, droeg immers den stempel der verveling, de hemel,
+de aarde, de menschen, zelfs de feesten die mijn echtgenoot gaf. Hij
+was het, die in overeenstemming met de vorstelijke ouders, den vlinder
+verwijderde, die zoo onstuimig om de kaars fladderde--echt burgerlijk,
+zooals alles hier te lande! Ik wist het, dat mijn gemaal opmerkzaam
+gemaakt was geworden, ik wist, wie hem in den geheel onschuldigen
+omgang het ergste deed zien. O, ik heb hem gehaat, mijn zwager, dien--"
+
+"Grootmoeder! en aan dien man wilt gij schrijven? Bij hem bedelen,
+omdat hij u eens bewonderde? Bij hem, dien mijn grootvader haatte?"
+
+"Ik ben nu een oude vrouw geworden, mijn kind," antwoordde zij op
+hoogen toon, en wierp het nog altijd schoone hoofd in den nek, "en
+wat ik doe, heb ik slechts mijzelve te verantwoordden. Toen wij voor
+twintig jaar plotseling arm werden, schreef hij mij; hij had de vrouw
+niet vergeten, die eenmaal zijn jong hart verrukt had; ik had ons in
+eens uit alle drukkende omstandigheden kunnen bevrijden--maar ik wist,
+wat ik den naam Derenberg, wat ik mijzelve verschuldigd was." Zij
+stond met opgeheven hand voor haar kleinzoon, en haar groote oogen
+blonken van edelen trots.
+
+"Meent gij, dat het mij licht valt aan hem te schrijven?" ging zij
+voort, "ik doe het om uwentwil, Army, want het weinigje ongeluk, dat u
+trof, heeft uwe hand verlamd, en heeft van u gemaakt een weekhartigen
+droomer in plaats van een sterken man met een vasten wil; daarom zal
+ik in uwe plaats handelen!" Zij ging hem voorbij en verdween in de
+naaste kamer; de deur vloog zoo krachtig en snel achter haar dicht,
+dat de roode gordijnen omhoog waaiden.
+
+Army stond onbeweeglijk bij den schoorsteen; nu en dan schudde hij
+zacht het hoofd, en een bittere lach zweefde om zijn mond. Plotseling
+was het, alsof zijn gebogene gestalte zich in zijn volle lengte
+oprichtte, als trof hem eene gedachte, een besluit dat hem--
+
+"Army," riep een zachte stem, en het blonde hoofdje zijner zuster
+kwam tusschen de plooien van het deurgordijn te voorschijn; "Army,
+kom toch beneden! gauw! Mama stuurt mij." Zij was de kamer ingeslopen,
+en drukte zich tegen hem aan. "Weet gij wat ik geloof?" fluisterde zij,
+"mama heeft zeker een Kerstboom ontstoken; er schijnt zulk een helder
+licht onder de deur door."
+
+Hij staarde in de donkere oogen, die zoo kinderlijk blijmoedig tot
+hem opzagen.
+
+"Spoedig," smeekte zij, "grootmama gaat toch niet mee; zij mag immers
+den Duitschen Kerstboom niet lijden."
+
+"Ja, kom Nelly!" zeide hij, en de arm om zijne zuster heen slaande,
+verliet hij ijlings met haar het vertrek.
+
+
+
+
+
+Dertiende Hoofdstuk.
+
+
+Het begon reeds te schemeren, toen Liesje boven in haar kamertje een
+sierlijk korfje vol kleinigheden pakte; telkens voegde zij er nog
+iets fraais bij; eindelijk sloot zij het, en een halfluid: "zie zoo,
+het is vol marsepein en chocolade--dat lust zij het liefste," kwam
+over hare lippen. Zingend trok zij het met bont gevoerde jakje aan,
+dat gisteravond onder den Kerstboom had gelegen, en zette het daarbij
+behoorende mutsje van zwart fluweel, met een rand van marter omzoomd,
+vluchtig op de bruine vlechten; zij bekeek zich in den spiegel en
+begon op eens te lachen.
+
+"Precies een jongen! Tante heeft wel gelijk," sprak zij en zette het
+sierlijke hoofddeksel wat vaster en midden op het hoofd. "Nu nog de
+mof, en dan spoedig weg; want ik moet tijdig weer terug zijn."
+
+Zij greep mof en mandje en sprong de trappen af. "Ik ga naar Nelly,"
+riep zij, de deur der huiskamer even opendoende.
+
+"Zorg, dat gij op tijd weer tehuis komt, Liesje," vermaande hare
+moeder; "anders wordt oom de dominé boos en worden de kinderen
+ongeduldig. Gij weet, om zeven uur wordt voor hen de Kerstboom
+aangestoken--"
+
+"Ja, ja, zeker," riep Liesje, en weg was zij.
+
+Tante Marie zag haar na, toen zij over den molenbrug ging. "Och lieve
+hemel!" dacht zij, "hoe zal het er daar op het slot uitzien? Daar
+zullen de Kerstgeschenken ook wel niet rijkelijk zijn uitgevallen."
+
+Liesje zat reeds sedert een kwartier naast Nelly bij den haard te
+praten; tegen haar over zat Army op zijn gemak in een grooten stoel;
+hij was in diep gepeins verzonken, en luisterde slechts nu en dan,
+wanneer een der beide meisjes hem met een hartelijken lach uit zijne
+mijmering wekte.
+
+"..... En moeder kreeg van vader een pillendoos," vertelde Liesje,
+"waarop geschreven stond: 'de beste medicijn', en waarin reisgeld lag,
+om naar Italië te gaan.--Gij weet immers, Nelly, de dokter heeft altijd
+tegen mama gezegd, dat zij den winter hier niet moest doorbrengen, maar
+zij was er altijd tegen; nu echter heeft zij half en half toegegeven--"
+
+"Zij gaat toch niet alleen?" vroeg Nelly.
+
+"Neen, papa gaat in ieder geval meê, en--"
+
+"Nu, en?"
+
+"En ik," voegde Liesje er dralend bij.
+
+"En zijt gij daar niet heel blij om?" riep Nelly opgewonden. "Hè,
+naar Italië; hoe mooi moet het daar zijn!"
+
+"Neen, ik blijf liever bij tante tehuis; ik ben immers goed gezond;
+en schooner dan hier, zal het dáár wel niet zijn."
+
+"O, Liesje, hoe dwaas!" bestrafte Nelly.
+
+"Ja zie, Nelly! Gij moet mij niet voor zoo dwaas aanzien, maar ik
+heb er nog een andere reden voor. Gij moogt mij niet verklappen,
+want ik heb er nog niets van tegen vader gezegd. Zie, Bertha van onzen
+meesterknecht in den molen lijdt aan eene borstziekte; de dokter zegt,
+dat alleen een verblijf in Vevey of Montreux haar kan genezen; zij is
+veel zieker dan moeder, en nu zou ik graag zien, dat Bertha in mijne
+plaats meeging; ik ben nog jong, misschien kom ik nog wel eens in
+"_la bella Italia_", zooals uwe grootmama zegt."
+
+Army stond plotseling op en ging naar het venster. Het jonge
+meisje had zachtjes gesproken, maar desniettemin was hem geen woord
+ontgaan. Dat was nog altijd de goedhartige Lise van vroeger, die
+haar boterham aan arme kinderen en hare blinkende driepenningstukken,
+die tante zoo zorgvuldig voor haar verzamelde, aan den eersten den
+besten handwerksjongen weggaf; zij schudde nog zoo, half trotsch,
+half bedeesd, het hoofdje, wanneer zij beknord werd. En dan rees
+een ander beeld voor zijn oog, een kleine, teedere gedaante, met
+goudkleurig haar--die terugdeinsde voor bedelaars, en dat "gemeen",
+met een wenk harer kleine hand onbarmhartig van haar deur verdreef;
+die met minachting haar kleed dicht om zich heen trok, wanneer op de
+wandeling een kreupele smeekend zijne handen naar haar uitstak. "Geef
+hem niets, Army," had zij gezegd, "ik word er wee van, kom, kom--tante
+betaalt overvloedig armengeld." Zóó ging _zij_ den armen natuurgenoot
+voorbij, met haar geparfumeerden kanten zakdoek voor den neus.
+
+Buiten lag het park sneeuwwit en kalm; iedere boom stak duidelijk
+af op den helderen achtergrond, en daar beneden straalde het licht
+uit de vensters van den molen. Dat oude, gezellige huis, wat al
+zoete herinneringen waren daaraan voor hem verbonden! Hoe gerust en
+aangenaam moest het zijn, dáár te wonen, zonder zorgen, zonder angst
+voor de toekomst of aanstaande ellende!
+
+
+ "Uit mijn jeugdig leven,
+ Uit mijn jeugdig leven,
+ Klinkt mij steeds een lied in d' ooren;
+ O, waar is gebleven,
+ O, waar is gebleven,
+ Wat mij ééns mocht toebehooren?"
+
+
+klonk het zacht en teeder achter hem; hij keerde zich om--daar
+stond zij bij de oude pianino, de slanke, tenger gebouwde
+meisjesgestalte,--het hoofdje wat voorover gebogen, en bij het flauwe
+licht, dat de lamp in dien hoek van het vertrok verspreidde, meende
+Army te zien, dat een zachte blos zich over Liesjes gelaat vertoonde.
+
+
+ "Toen ik afscheid nam,
+ Toen ik afscheid nam,--
+ Lachte mij het leven toe;
+ Toen ik weder kwam,
+ Toen ik weder kwam,
+ Was mij alles droef te moê--"
+
+
+Liesjes stem klonk diep weemoedig.
+
+"Nu het laatste vers," verzocht Nelly; "mama hoort het zoo graag."
+
+"Ik kan niet meer," antwoordde zij zacht en verwijderde zich van
+de piano.
+
+"Och, dat spijt mij, Liesje," sprak Nelly's moeder nu, "ook geen
+Kerstlied?"
+
+Aanstonds trad zij weder naar de piano:
+
+
+ "Daarboven fonkelt hel een ster,
+ Die stil op aarde ziet,
+ En 't Eng'lenheir, dat zingt van ver
+ Een jub'lend Kerstnachtlied.
+
+ En om de schaam'le kribbe straalt
+ Een wonderheerlijk licht;
+ Een kindje ligt op 't harde stroo,
+ Met godd'lijk aangezicht.
+
+ Verblijdt u dan in dezen stond,
+ Die vrede op aarde geeft!
+ Zoo klinkt het uit der Eng'len mond,
+ Nu Jezus Christus leeft!
+
+ Knielt neer van verre en van nabij,
+ Gij menschen groot en kleen,
+ En dankt den Heer op zijnen troon,
+ Nu 's werelds licht verscheen!"
+
+
+Zachtkens stierven de tonen van het oude Kerstlied in het hooge vertrek
+weg; geen geluid werd gehoord, bij ieder had dit lied verschillende
+herinneringen opgewekt, die echter alle in denzelfden grond hun
+oorsprong hadden.
+
+De sukkelende vrouw, in dien grooten stoel, zij herinnerde zich den
+tijd, toen zij als jonge moeder haar knaap die woorden leerde, opdat
+hij ze voor zijn vader onder den prachtigen Kerstboom zou opzeggen;
+zij zag weder den fermen jongen, om wien zij haar arm geslagen had,
+voor den knappen man staan; zij was naast het kind neergeknield
+en vouwde zijn kleine handjes biddend saam; van de takken des booms
+straalde licht; en licht werd teruggekaatst uit de helder schitterende
+kinderoogen; hij moest immers wel trotsch zijn op zijn zoon.... "Bid
+nu, mijn jongen!" en de heldere kinderstem had zoo roerend, ernstig
+geklonken:
+
+
+ "Verblijdt u dan in dezen stond,
+ Die vrede op aarde geeft!"
+
+
+Den jongen man stond deze avond niet voor den geest; die was uit zijn
+geheugen gewischt; maar hij zag zich met twee kleine meisjes daar
+beneden in de kamer van tante. Beiden zaten op bankjes aan de voeten
+der oude vrouw, de lieve mondjes wijd geopend, en de oogen ernstig
+voor zich uitziende; zij zongen, hoewel niet volgens de regelen der
+kunst, toch dapper en gloeiend van Kerstvreugde:
+
+
+ "En om de schaam'le kribbe straalt
+ Een wonder heerlijk licht,
+ Een kindje ligt op 't harde stroo--"
+
+
+"Army zingt niet mede, tante!" had de grootste gezegd en haar vragend
+aangezien.
+
+"Dan krijgt hij straks ook geen peperkoeken, als Ruprecht de knecht
+komt," was het antwoord geweest.
+
+Toen was de kleine naar hem toegetrippeld. "Army meezingen!" had zij
+met tranen in de blauwe oogen gewaagd, en toen hij overmoedig de blauwe
+lokken schudde, had zij wanhopig haar gezichtje met de handen bedekt,
+Daarop was Ruprecht de knecht gekomen, met een grooten, zwaren pels
+om; hij had met de noten in den zak gerammeld en dreigend eene roede
+voor den dag gehaald. "Zijn de kinderen zoet, tante?" had hij met
+een diepe basstem gevraagd; "kunnen zij ook bidden?"
+
+Ja, de meisjes wel; maar die daar, die jongen, is een kleine stijfkop,
+die zijn Kerstlied niet zingen wil; neem dien maar stilletjes mee naar
+uw sneeuwhol, heer Ruprecht!" En toen was het kleine meisje, bitter
+schreiend en haar angst vergetend, naar den gevreesden man toegeloopen.
+
+"Neen, neen, lieve oom Ruprecht, neem Army niet mee! Hij is niet
+stout; ik wil ook geen enkelen peperkoek hebben." En Nelly was ook
+gaan schreien, zoodat knecht Ruprecht ten slotte was vertrokken,
+zonder een gebed gehoord te hebben, terwijl de troostwoorden van
+tante en het geween der meisjes hem achterna klonken. Hij alleen,
+die ondeugd, schreide niet; hij lachte, toen de laatste slip van den
+pelsmantel verdwenen was; hij hield stijf en stok staande, dat het
+niet knecht Ruprecht, maar Peter, de koetsier, geweest was, in den
+omgekeerden pelsjas van oom molenaar.
+
+Aan al deze kinderlijke ervaringen dacht Army, en onwillekeurig ontviel
+hem de vraag: "Weet gij nog wel?" Toen zweeg hij, verschrikt over
+zijne woorden, die zoo duidelijk verstaanbaar door het stille vertrek
+klonken; zij waren immers reeds lang voorbij, die kinderdroomen--hij
+was een man geworden. Een man? Neen, een verwijfde droomer, dien een
+weinig tegenspoed verlamd had! Daarboven zat zij nu, de oude vrouw,
+en schreef om hem te redden een brief, die haar moeite kostte, die
+haar zwaar viel, en zij deed het, omdat hij geen man was.
+
+
+
+"Ik moet naar huis." Liesje nam haar jakje van den stoel.
+
+"Och, blijft gij van avond niet?" vroeg Nelly.
+
+"Ik dank je, ik kan helaas niet," antwoordde zij aarzelend; "de
+dominé's-familie komt van avond bij ons, en gij weet wel, Nelly,
+dan durf ik niet wegblijven.
+
+"Dat is zoo, maar komt gij spoedig weer?"
+
+"Zeker!"
+
+"Mag ik u te huis brengen," klonk op eens Army's stem.
+
+"O neen, ik dank u," stamelde zij verlegen, "ik--"
+
+"Het is vandaag een feestdag--gij zoudt beschonken lieden kunnen
+ontmoeten," sprak hij, haar antwoord afsnijdend, en greep naar muts
+en degen.
+
+
+
+Het was een wonderschoone winteravond, die daarbuiten over de
+Kerstnacht-vierende aarde gedaald was; in ademlooze stilte lag het
+landschap in een sneeuwkleed gehuld, overwelfd door een hemel, waaraan
+duizenden starren in de heldere, koude lucht fonkelden. Beneden in
+het dorp kwamen de verlichte vensters onder de besneeuwde daken te
+voorschijn, en hier boven aan den kruisweg, bij de met sneeuw bedekte
+zandsteenen bank, daar stond een rijzig paar; hoe verwonderd breidde
+de kale lindeboom zijne takken over de jeugdige hoofden uit, als om ze
+voor aller oogen te verbergen. Is het nu tijd tot minnekoozen? schijnt
+ieder takje te vragen, thans, nu er geen enkele nachtegaal zingt en
+geen groen takje een liefdegroet kan fluisteren?
+
+En toch--het meisjeshoofdje rust zoo stil aan zijne borst, en in de
+blauwe oogen ligt een oneindige hemel van liefde en geluk.
+
+"Zou ik u kunnen helpen, Army, om uw leven minder somber te maken? Is
+het waar?"
+
+"Als gij dat wilt, Liesje," antwoordde hij zacht en kuste haar op
+het voorhoofd.
+
+"Of ik het wil?" vroeg zij blozend, en vlijde zich dichter aan hem. "Of
+ik gelukkig wil zijn--?"
+
+Hoe was het toch gekomen? Hoe was zij wel te moede, toen zij alléén
+het pad naar den molen insloeg? Als in een droom hoorde zij zijn
+ernstige woorden, voelde zij den kus op haar voorhoofd branden--en
+toch was het de werkelijkheid, zoo even doorleefd, die haar hart zoo
+deed kloppen! En morgen--haar kloppend hart stond haast stil, toen
+zij de verlichte vensters van haar huis zag--dan zal hij bij haar
+vader komen. Zij is verloofd; een gelukkige verloofde, _zijne_ bruid!
+
+Zij bleef staan en zag achterom; daar boven moest hij nu zijn, bij
+den eenzamen, ouden linde, die, trots sneeuw en ijs, heden avond
+het zoetste geluk zag ontluiken. Zou hij haar liefhebben, waarlijk
+lief? Zij schudde het hoofd over dat wonder, dat nooit gehoopte wonder;
+zouden vader, moeder en tante het niet aan haar zien, dat zij--? Neen,
+neen, nu nog niet; als de gasten vertrokken zijn, wil zij het haren
+vader zeggen, dat er morgen iemand komen zal, die--
+
+Zij trad de huisdeur binnen; die oude schel had heden ook zoo
+afschuwelijk hard geklonken, en zij wilde graag eerst stil naar haar
+kamertje gaan. Neen, dat ging niet, want juist deed tante de deur
+der huiskamer open.
+
+"Wel, gij uitblijfster!" klonk vriendelijk de oude stem, "ik wilde
+juist Doortje zenden, want ik was bang, dat iemand u onderweg had
+meegenomen."
+
+"Goeden avond," antwoordde zij, terwijl haar stem bijna verdween
+onder de hevige hartkloppingen, "is het al zóó laat?"
+
+"Nu, dat zou ik denken," sprak de oude vrouw en deed de deur achter
+haar dicht. Dáár zat haar vader aan de ronde tafel, en hare moeder
+met den predikant op de sofa.
+
+"Zoo, zijt gij daar!" sprak haar vader vriendelijk en trok haar naar
+zich toe. "Wat zegt gij daar wel van, Lise? Denk eens, de kinderen
+in de pastorie hebben de scharlakenkoorts en kunnen niet komen,
+is dat niet treurig?"
+
+"Zeer treurig!" herhaalde zij; maar hare oogen schitterden zoo,
+en om haar mond speelde een gelukkig lachje; dat was geheel in
+tegenspraak met hare woorden. Vroeger zou zij in luide weeklachten
+zijn uitgebarsten, maar vandaag--zij lette ternauwernood op hetgeen
+haar werd medegedeeld.
+
+"Een oogenblik slechts--ik zal boven mijn goed afdoen; ik kom dadelijk
+terug," en weg was zij.
+
+"Wat scheelt het kind?" vroeg hare moeder angstig.
+
+Het kind echter stond, diep ademhalend, boven in haar kamertje. Haar
+jakje en muts werden op een stoel gesmeten, en zij zelve viel voor
+haar bed op de knieën, zooals zij elken avond gewoon was te doen; zij
+drukte het gloeiend gelaat in de kussens en vouwde hare handen, maar
+geen woord kwam over hare lippen; slechts in haar hart vermengde zich
+een verward dankgebed met een ongekende vrees en een onuitsprekelijk
+gevoel van geluk. Eindelijk sprong zij op, en opende het raam, "daar
+boven, daar boven," fluisterde zij, en groette met de hand, alsof hij
+haar zien kon. Of hij nu aan haar dacht? Of hij al aan zijne moeder
+bekend had, dat hij de kleine Liesje uit den molen omarmd en gekust
+had? En Nelly?
+
+"Liesje, Liesje!" riep men van beneden.
+
+"Aanstonds!" antwoordde zij; haar stem klonk, alsof ze opgeschrikt was;
+zij nam het licht en zag in den spiegel; een paar gloeiende, donkere
+oogen zagen haar uit het glas aan. "_Zijne_ bruid!" fluisterde zij,
+"zijne verloofde!" en een donkere blos vloog over haar gelaat; zij
+deed snel het licht uit en ijlde naar beneden.
+
+"Zij zijn al in de eetkamer, juffer," riep Doortje haar toe, en
+begon toen op eens hard te schreeuwen: "o Hemel, juffer! er is een
+verborgene bruid in huis; zie maar--een, twee, drie lichten!"
+
+Het jonge meisje, dat reeds de kruk der eetkamerdeur in de hand
+had, keerde zich hoog blozend om--waarlijk, dáár stond Doortje met
+de keukenlamp; hier hing de groen verlakte ganglamp aan den wand,
+en tante was juist uit hare kamer gekomen en hield de hand voor de
+waskaars, waarvan het volle schijnsel op haar oud, goedig gezicht viel.
+
+"'t Is best mogelijk!" sprak zij, alsof ze boos was.
+
+"Meid, ge zijt gek; dat maakt een leven, alsof ze het hoogste lot
+uit de loterij heeft getrokken! Een geheime bruid--domme gans! Gij
+zult zelve wel het beste weten, wie het is! Aan de tuindeur staat
+immers iederen avond een verliefd paar, niettegenstaande de dikke
+sneeuw! Ga binnen, kind! Ik volg u," wendde zij zich tot Liesje,
+die nog talmend bij de deur stond te wachten en toen met de oude
+vrouw naar binnen ging.
+
+Vader, moeder en oom de predikant waren reeds gezeten; de laatste
+deed het tafelgebed en daarna verscheen Doortje met een gebraden gans,
+die de gastheer begon voor te snijden.
+
+"En weet gij, dominé" zeide hij, een afgebroken gesprek voortzettende,
+terwijl hij zijn mes op het slijpstaal aanzette, "het zou een ware
+zegen zijn, als het geschiedde; maar gelooven kan ik het niet; men
+heeft het al tien jaar lang gezegd."
+
+"Ja, ik kan u ook niets verder zeggen, Frederik," antwoordde de
+geestelijke, "als wat ik onlangs te B. van den architect Leonhardt
+hoorde; hij zeide, in het voorjaar zou er eene commissie komen, om de
+landerijen te onteigenen, en zoodra dit geschied zal zijn, gaat het
+bouwen er op los; 't is mij onverschillig, of er een spoorweg komt
+of niet! Ik wenschte maar--" hij streek met de hand over het voorhoofd.
+
+"Maakt gij u bezorgd over de ziekte uwer kinderen, dominé?" vroeg de
+huisvrouw deelnemend.
+
+"Nog al," antwoordde hij en zag er waarlijk bezorgd uit; "wij
+zijn allen in Gods hand, maar het menschelijke hart wordt zoo
+licht moedeloos; die verraderlijke ziekte is dit jaar bijzonder
+gevaarlijk, in het dorp zijn huis aan huis de kleinen aangetast;
+uit menig huisgezin heb ik er één of soms twee ten grave gebracht,
+en bij alle onderwerping aan den wil des Heeren, Mina ... kan men
+den angst toch niet weren."
+
+"Om Gods wil, oom, is het zoo erg?" Liesje zag hem verschrikt aan;
+zij kwam zichzelve eensklaps hoogst liefdeloos voor, dat zij door
+haar geluk zijn angst niet eens bespeurd had. "Zal ik meegaan? Kan
+ik helpen?"
+
+"Wel beware, Liesje! het is eene zeer gevaarlijke, besmettelijke
+ziekte--voor niets ter wereld!" sprak de geestelijke vriendelijk,
+en drukte haar de kleine hand, "neen neen, dat zal mijne Rosine alléén
+wel klaren; men mag zich niet lichtzinnig in gevaar begeven. Gij zijt
+een eenig kind--gij moet u sparen voor uwe ouders; neen, ik dank u,
+Liesje; het zal zich wel schikken. Maar ik moet dadelijk na het eten
+weder weg; Rosine heeft mij met geweld de deur uitgejaagd."
+
+"Kom, dominé," zeide de gastheer hartelijk, en hief zijn glas op,
+"dat het spoedig bij u aan huis beter worde, en alle angst te vergeefs
+geweest zij!"
+
+"God geve het!" Het ernstige gelaat van den leeraar klaarde weder op;
+"maar genoeg daarover," sprak hij, zich geweld aandoende, "ik wil uwe
+feestvreugde niet bederven. Kom, Liesje! lach eens weder. Gij zaagt
+er straks zoo gelukkig uit. Wat hebt gij toch met Nelly uitgevoerd? Uw
+gezicht was louter lust en vreugde."
+
+Liesje kleurde als een roode roos.
+
+"Nu, daar boven zal het er wel niet zoo schitterend uitzien," merkte
+de heer Erving aan.
+
+"Ach ja, daar hebben ze ook een bitter kruis te dragen--dat is waar,"
+zuchtte de predikant; "kleine kinderen, kleine zorgen, groote kinderen,
+groote zorgen! Zoo gaat het in de wereld."
+
+"O ja!" sprak de oude vrouw, "een beetje vertrouwen op God behoort
+daar ook toe; voor den jongen, voor Army, heb ik geen zorg; zulk een
+frisch, jong gemoed laat zich door zoo'n beetje valsche liefde niet
+neerdrukken; liefdesmart doet nieuwe liefde ontluiken; die zal wel
+spoedig een ander liefje hebben."
+
+"O, dat is bijzaak, tante, maar die andere treurige omstandigheden
+nog, en--"
+
+Flap! daar was de deur geopend en het jonge meisje verdwenen; en daar
+zaten de achterblijvenden elkander met stomme verbazing aan te zien.
+
+
+
+
+
+Veertiende Hoofdstuk.
+
+
+De predikant was vertrokken zonder het meisje te hebben weergezien;
+men had haar geroepen, maar geen antwoord ontvangen.
+
+Tante zocht haar Lise overal. In de woonkamer was zij niet, ook niet
+in de kamer waar de Kerstboom stond, en nu opende zij voorzichtig
+de deur van Liesjes kamertje; het was er donker, maar bij het raam
+stond een slanke gedaante, die onbeweeglijk naar buiten staarde.
+
+"Lise!" riep de oude vrouw zacht.
+
+"Tante!" klonk het met een onderdrukte stem.
+
+"Zeg, kind, wat scheelt u toch? Gij hebt toch geen hoofdpijn, gij
+zijt toch niet ziek?"
+
+Als eenig antwoord werden twee meisjesarmen om haar heen geslagen;
+een gloeiend gelaat verborg zich aan haren hals en deed niets anders
+hooren dan een onderdrukt snikken.
+
+"Kind, Liesje, wat scheelt er aan?" vroeg de oude vrouw verschrikt,
+"heeft iemand u kwaad gedaan?"
+
+Zij schudde het hoofd.
+
+"Wat is het dan, mijn hartediefje?" en zij trok de wederstrevende
+naar de sofa, en ging naast haar zitten.
+
+"Och tante, liefste, beste tante--"
+
+"Wat dan, mijn liefje? Nu? Gij lacht immers al weer, dwaas ding? Wat
+moet dat beteekenen?"
+
+"Och, ik zou kunnen lachen en schreien en--ik weet niet wat al,"
+fluisterde zij; "doe de oogen toe, tante! ik wil u zeggen waarom--och,
+ik ben zoo bang voor u--"
+
+"Bang voor mij? Ja, dat begrijp ik; daar zijt gij juist de rechte voor;
+nu--wat hebt gij gedaan?"
+
+"Ik--ik--ben verloofd tante," stamelde zij; "hebt gij dat niet
+duidelijk genoeg aan mij kunnen zien?"
+
+"Verloofd? Kind!"
+
+"Ik ben zoo gelukkig, o zoo gelukkig--Army--"
+
+"Army!" zeide de oude vrouw verbaasd en klappertandde van
+schrik. "Army? gij zijne verloofde?" herhaalde zij dof, "het is
+dus zoo!"
+
+"Tante hebt gij geen vriendelijk woord voor mij? Wij hebben elkander
+zoo lief, o zoo lief!"
+
+"Lief? Heeft hij u lief?"
+
+"Maar tante, hoe kunt gij zoo iets vragen? Zou hij mij dan tot zijne
+bruid willen maken?"
+
+"Barmhartige Hemel!" kreet het in de ziel der oude vrouw; "dat arme,
+dwaze kind! Zij waant zich bemind, en hij--hij wil alleen haar geld,
+om zich te redden." En in stillen angst drukte zij Liesjes brandend
+heete hand in hare ijskoude; was het niet eveneens, als toen Lisette
+haar hare eerste liefde toevertrouwde?
+
+"Bedenk eens, tante, ik kan zijn leven weder opvroolijken; om
+mijnentwille zal hij het weer leeren liefhebben! Is dat niet
+heerlijk? En _ik_ zou dat kunnen, tante; zou dat werkelijk waar
+zijn? O, tante! daar buiten, onder den ouden, besneeuwden lindeboom,
+waar ik voor drie jaar afscheid van hem nam, daar heeft hij mij
+gevraagd. En--nietwaar, gij zult het vader en moeder zeggen? Ik
+bestierf het van--ja van schaamte, als ik hun bekennen moest, dat ik
+een vreemden man liefheb; ik kan het niet--toe, doe gij het toch! Ik
+had het u nooit durven zeggen; als het hier niet zoo donker geweest
+was--tante, spreek toch, en geef mij een enkelen kus--"
+
+"Lisette--Lisette--waart gij het dan niet, die daareven fluisterde? Is
+dit het geluk, dat ik elken morgen en avond voor dat kind van God heb
+afgebeden? Heeft zij niet iets duizendmaal beters verdiend, dan dit
+lot?" Eenige oogenblikken zat zij, stom van smart. "Liesje," sprak
+zij eindelijk somber, "gij weet niet, wat gij gedaan hebt; gij weet
+niet, wat u wacht, als deze onzalige--wees niet boos, maar ik _moet_
+zoo spreken--als deze onzalige verloving tot stand komt. Gij kent de
+oude barones niet, zooals ik haar ken; zij is erger dan een duivel. Zij
+zal u ongelukkig maken, evenals mijn arme Lisette, wier dood zij op
+haar geweten heeft; en ik zou mij zelf beschuldigen, zoo ik u niet
+gewaarschuwd had, nu het nog tijd is, en niemand van uwe liefde weet,
+dan gij beiden en ik. Houd u stil!" vermaande zij, toen Lise poogde
+haar in de rede te vallen--"doe het, ter wille van uw oude tante en
+van u zelve! Wat ik u vertellen wil, smaakt bitter, maar het is een
+geneesmiddel, en God geve, dat gij het inneemt en het u geneze!--Het is
+Lisettes geschiedenis, die ik u moet vertellen.--Gij weet nog wel, dat
+ik het van 't voorjaar wilde doen, omdat ik uwe liefde zag aankomen,
+maar het wilde mij toen niet over de lippen--had ik het maar gedaan!"
+
+Het jonge meisje zette zich zwijgend aan hare voeten neder; geen woord
+liet vermoeden, welk eene huivering haar jeugdig hart doortrilde,
+alsof plotseling een ijskoude wind de lachende lente had ontbladerd.
+
+"Baron Frits dan," begon de oude vrouw met doffe stem, "de broeder
+van Army's en Nelly's grootvader, was Lisettes verloofde; zij hadden
+elkander in stilte het jawoord gegeven, niemand buiten mij wist er
+iets van. Baron Frits wilde eerst na zijne meerderjarigheid aanzoek
+doen bij Lisettes ouders, en met zijn broeder spreken; dan zouden
+zij een landgoed koopen. Het was een schoon en gelukkig paar, Lise;
+en zij hadden elkander zoo innig lief, dat het een lust was hen samen
+te zien daar beneden, in het oude zomerhuisje aan het water. Baron
+Frits lag als huzaren-officier in een naburig stadje in garnizoen;
+hij kwam dikwijls over en tegen den tijd, dat hij komen moest,
+stond Lisette boven in haar kamertje aan het raam, en zag naar den
+toren aan den overkant, en dan brandde daar al spoedig een licht ten
+teeken dat hij kwam. Dan juichte zij van blijdschap, sloeg de handen
+samen en ging hem een eind in het bosch tegemoet. En vervolgens--'t
+was een zomeravond--deed de schoone vrouw van zijn broeder, Nelly's
+grootmoeder, hare intrede in het oude slot. Lisette en ik waren
+heengegaan om haar te zien; het geheele slot was verlicht en de
+dienstboden wachtten met groote fakkels onder aan den voet van het
+bordes; ook baron Frits stond daar met zijn oude moeder, toen het
+jonge paar aankwam. Nu, dat moet gezegd worden: schoon was de jonge
+vrouw; maar trots sprak uit haar houding, uit het bleeke gelaat, en
+blonk uit de groote, zwarte oogen. Lisette was doodsbleek geworden,
+toen zij haar aanzag.
+
+"Die wordt nooit mijne vriendin, Marie," sprak zij tot mij.
+
+En zij sprak waarheid. God weet, waar de jonge vrouw vernomen had,
+dat baron Frits Lisette liefhad, en wie haar het duivelsche plan heeft
+ingeblazen, die twee van elkander te scheiden. Ik weet alleen dit,
+dat het haar gelukte. En hoe--ja, hoe is het haar gelukt!
+
+Het was herfst en in den jachttijd; het slot was vol gasten; men
+kon duidelijk het jachtgeschreeuw door de bosschen hooren weergalmen;
+telken avond waren de vensters van het slot helder verlicht; daar boven
+begon het wilde leven, dat de burchtvrouw zoo beminde en waardoor
+zij de geheele familie tot den bedelstaf bracht. Baron Frits nam
+afscheid van Lisette; hij zou in langen tijd niet wederkomen en zij
+gaf hem een klein gouden hartje, dat zij altijd op hare borst droeg;
+ik hoor haar nog zeggen: "dáár, mijn schat! doe mijn haarlok er in en
+denk aan mij!" Zie Liesje, dit gouden hart was Lisettes dood. Maar
+luister verder! Baron Frits vertrok en er verliepen veertien dagen;
+schrijven konden de beide gelieven elkander niet, want dan was
+alles aan het licht gekomen; in dien tijd deed men ook niet zooveel
+aan het schrijven als tegenwoordig; zij dachten echter des te meer
+aan elkaar; dat zou nu wel eens omgekeerd het geval kunnen zijn. Nu
+dan, Frits was vertrokken en Lisette stond elken avond uit gewoonte
+aan het venster naar het torenkamertje te zien, want dáár logeerde
+Frits altijd, als hij tehuis was. Maar het bleef elken avond duister;
+het kon immers ook niet anders, want hij kon niet dan na verloop van
+vier weken terugkomen, en daarvan waren nog slechts veertien dagen
+verloopen. Daar op een avond, terwijl ik met mijn breikous wat bij
+haar zit te praten, vliegt zij in eens op mij toe en roept: "Daar
+is hij; er is licht in den toren;" en waarlijk, het boogvenster aan
+den overkant was verlicht. Zij sloeg niet eens een doek om, toen zij
+naar buiten vloog. Na eenigen tijd keerde zij terug. "Hij kwam niet,"
+zei zij, "wat zou dat beduiden?" Ik schudde het hoofd. "Nu, wacht
+Lisette! Ik zal het Christiaan morgen vragen." Maar wie niet kwam,
+was Christiaan, en des middags bracht een jongen mij de boodschap,
+dat ik niet op hem moest wachten, want dat hij voor zijn heer op reis
+was gegaan, om een nieuw paard voor mevrouw de barones te halen.
+
+Lisette verkeerde in een onbeschrijfelijke onrust. Zoodra het begon
+te schemeren, stond zij aan het venster, en weder zag men het licht
+daarboven. Nogmaals ging zij naar buiten, en kwam bleek terug; weenend
+wierp zij zich op de sofa. God weet, zij had zeker al een voorgevoel
+van wat haar wachtte, want zij wilde naar geen troost luisteren. "Hij
+is tehuis en komt niet, hij bemint mij niet meer," snikte zij, "o,
+ik sterf, als dat waar is."
+
+Op den derden avond dezelfde geschiedenis; Lisette zag zoo wit als
+de muur. Daarna bleef het donker in het torenkamertje.--Ongeveer vier
+dagen later zaten wij, Lisette en ik, voor de huisdeur ons te koesteren
+in de middagzon en plukten lijsters; zij zag de veertjes na, die in de
+lucht opvlogen, en zuchtte telkens. Daar kwam een meisje aan langs het
+molenpad; eerst herkenden wij haar niet, want haar nieuwe roode rok
+met zwarte streepen verblindde ons de oogen; eindelijk zei Lisette:
+"dat is immers de wilde Francis, wat moet die hier?" Ja, zij was het,
+en zij kwam regelrecht naar ons toehuppelen op haar sierlijke voetjes,
+die in kleine, lage schoenen met kruisbanden en sneeuwwitte kousen
+staken. Zij droeg een zwart jakje, en twee lange, zwarte vlechten
+hingen haar op den rug; het kind met de vlammende oogen en den kleinen
+neus, zag met geveinsde vriendelijkheid Lisette aan. Nu moet gij weten,
+Lise, dat Francis met ons tegelijk was aangenomen; een wilder kind
+was er niet. Zigeuners hadden haar eens op het kerkhof laten liggen,
+toen zij pas acht dagen oud was; zij werd in het armenhuis groot
+gebracht. Zij was altijd een lui, lichtzinnig schepsel, tot ergernis
+van het geheele dorp; zij viel echter in den smaak der barones, toen
+zij eens met een korfje aardbeien op het slot kwam. "Zij herinnerde
+haar aan haar vaderland," meende de barones; zoo kwam Francis in
+dienst bij de genadige vrouw, en ging sedert zoo opgeschikt gekleed,
+alsof zij alleen in de wereld was om zich op te drillen.
+
+Wij hoorden echter al spoedig, dat zij nog altijd de wilde Francis
+was; er kwamen veel vreemde heeren op het slot en schoon was Francis,
+veel te schoon; zeker had zij wel een braven man gevonden, die
+haar in alle eer en deugd had mogen kussen, maar zij was bovenmate
+lichtzinnig en--Goddank! tucht en eerbaarheid worden bij ons nog in
+waarde gehouden.
+
+Zij naderde ons; in de kleine ooren hingen groote, gouden ringen;
+ook had zij een ring aan de hand, waarmede zij zoo in 't oogloopend
+over haar sneeuwwitte voorschoot streek.
+
+"Goeden dag!" riep zij ons tegen, waarop Lisette antwoordde: "goeden
+dag! wat hebt gij ons te vertellen, Francis?"
+
+"Wel, ik zag de juffer hier zitten en wilde eens zien hoe het u
+ging. Gij behoeft u voor mij niet te schamen; wij zijn immers te
+zamen als lidmaten bevestigd--of zijt gij misschien trotsch geworden?"
+
+"Neen," antwoordde Lisette, "ik ben niet trotsch, maar gij komt hier
+nooit zonder bedoeling--zeg mij dus wat gij wilt!"
+
+"Niets, mijn beste!" zeide zij en toonde zich beleedigd; "gij behoeft
+u voor mij niet te schamen; bedelen doe ik niet meer; ik heb alles
+in overvloed;" zij lachte daarbij zoo, dat haar witte tanden te zien
+kwamen, en draaide in de rondte, dat de roode rok en de vlechten
+omhoog vlogen. "Gij ziet zoo bleek," zeide zij opeens en zag Lisette
+strak aan, "hebt gij verdriet van uw liefste, zeg?"
+
+Lisette werd bloedrood. "Wat gaat het u aan, hoe ik er
+uitzie?" antwoordde zij kortaf en stond zóó snel op, dat de fijne
+veeren uit haar voorschoot in de rondte stoven. Eensklaps zag ik, dat
+hare oogen op iets staarden; dat zij doodsbleek met de hand naar haar
+hart voelde en op de bank nederviel; en toen mijne blikken de hare
+volgden, toen vielen zij op een klein gouden hart, dat uit Francis'
+halsdoek te voorschijn kwam.
+
+"Almachtige God!" riep Lisette, en stond met één sprong naast Francis;
+zij greep haar bij den schouder en vroeg met eene stem, die mij door
+merg en been ging--zoo veel zielsangst lag er in--"waar hebt gij dat
+hart van daan, Francis?"
+
+Liesje hing in gespannen verwachting, bijna ademloos, aan de lippen
+der verhaalster.
+
+"Een oogenblik van stilte volgde," ging tante na een korte pauze voort;
+"gij hadt het moeten hooren. Lise, hoe angstig Lisette herhaalde:
+
+"Waar hebt gij dat gouden hart van daan, Francis?" Het was alsof zij
+Francis de woorden uit de keel wilde halen; deze zag haar, het hoofd
+in den nek, met fonkelende oogen aan; zij stond met de armen over
+elkander geslagen, ter wijl een spotachtige lach om haar mond zweefde.
+
+"Wat kan u dat schelen?" vroeg zij, en wilde zich losrukken.
+
+"Wat mij dat schelen kan? Heilige God, zij vraagt dat nog! Marie,
+help mij toch!" riep Lisette, "ik moet het weer hebben; het is het
+mijne immers--neen, het zijne, ik heb het hem immers gegeven."
+
+Ik naderde, stijf van schrik. "Geef dat ding hier, Francis," zeide
+ik. "Zeg, hebt gij het gevonden?"
+
+"Wat meent gij wel?" riep zij, en schudde Liesjes hand af, die zwaar op
+haar schouder lag; "het verwondert mij, dat gij niet zegt, dat ik het
+gestolen heb. Het is mijn eigendom; ik laat het mij slechts ontnemen
+door hem, die het mij gegeven heeft; en nu, raak mij niet aan! Het
+is u zeker nog niet ontgaan, dat ik krabben kan." Zij trad terug en
+balde hare vuisten; toen draaide zij zich om en wilde heengaan.
+
+"Halt!" riep Lisette, en vatte haar weder bij den arm, "ik vraag u,
+in 's Hemels naam: _Wie_ gaf u dat hart?" Zij stond recht op voor
+het meisje en hield haar als bezwerend de hand voor--zij sidderde
+heftig. _Dat_ oogenblik vergeet ik nooit, Lise. Ik wilde naar haar toe
+om haar te steunen, maar ik moest staan blijven om haar aan te zien,
+zóó schoon was zij; door de ontbladerde takken van den lindeboom viel
+een zonnestraal op haar bruine lokken en omgaf haar hoofd als met den
+stralenkrans eener heilige; als een heiligen-beeld stond zij daar;
+als een engel voor eene verlorene.
+
+Francis was doodsbleek geworden, toen zij de oogen van Lisette
+ontmoette; op eens rukte zij zich los en vroeg: "Waarom wilt gij dat
+weten? Heb ik u ooit gevraagd, wie u dien gouden ring gaf, dien gij
+daar straks in den tuin zoo vurig gekust hebt? Ja, ja, ik heb het
+wel gezien," lachte zij, "kan ik ook niet in 't geheim een liefste
+hebben? Denkt gij, omdat gij de schoone Lisette van den lompenmolenaar
+zijt, dat niemand zin heeft aan de wilde Francis? Vaarwel, Lisette,
+en sta niet zoo verwonderd te kijken! Ik zeg niets meer, hoor!"--Zij
+lachte spotachtig, en vloog zoo hard het pad langs, dat we bijna
+niets zagen dan haar roode rok. Lisette stond bleek en stijf haar na
+te staren en toen ik haar naderde en troosten wilde, stiet zij mij
+driftig terug en ijlde naar haar kamer. Ik wist niet wat te doen, kind;
+of ik haar volgen zou of niet; het hart klopte mij, of het barsten
+moest en terwijl ik daar nog stond, kwam Lisettes moeder, die mij
+eene boodschap opdroeg, en knorde omdat de veeren zoo verspreid over
+den grond lagen. Ik deed wat zij mij beval, maar de tranen kwamen mij
+telkens in de oogen om de arme Lisette en haar verdriet--wie zou dat
+gedacht hebben? Zou het werkelijk waar zijn, dat hij het aandenken van
+zijne liefste aan die lichtvaardige deerne geschonken had? Maar, hoe
+zou zij er anders aan komen? En daarbij, het licht had drie avonden
+achter elkander gebrand in de torenkamer! Och Heer! dacht ik, wat
+zal er nu gebeuren? Zoodra ik kon, liep ik naar boven naar Lisette;
+zij stond aan het raam en keek naar de overzijde, naar het slot; en
+toen ik mijn arm om haar heen wilde slaan, sprak zij heel zacht: "Het
+is genoeg, Marietje! Waarmede zoudt gij mij ook kunnen troosten? Ga
+maar naar beneden, ga maar! ik zal mij wel alleen redden."
+
+Ik ging hoofdschuddend weg; ik kon door mijn tranen niet spreken, maar
+juist toen ik de deur wilde dicht doen, gaf zij een vreeselijken gil,
+zoodat ik verschrikt terug liep; al hare leden beefden als van hevige
+kramp; toen zonk zij ineen op den vloer. Ik wilde haar optillen,
+maar zij lag zwaar als een doode in mijne armen; en daar kwam haar
+moeder ook reeds de trappen op, en--
+
+Wat er volgde, kind, hoe zal ik het u schetsen? Het is mij zelf nog als
+een sombere, nare droom. Lisette was zwaar ziek geworden; de dokter
+gaf alle hoop op; dag en nacht zat ik aan haar bed te luisteren
+naar de angstige fantasieën, waarin zij zich zoo gemoedelijk met
+den geliefde onderhield, dat mij het hart bijna brak van smart en
+weemoed; hare moeder vernam eerst door het koortsachtige ijlen het
+geluk en de smart van haar kind--ik moest haar alles vertellen. Zij
+wierp een langen, bekommerden blik op het liefelijke wezen, dat zoo
+ruw uit haar hemel werd gesleurd; haar vader vloekte den meineedige,
+maar haar broeder zeide:
+
+"Daar steekt een duivelsch schelmstuk achter; ik ken Frits; er is
+geen valsch haar aan hem."
+
+"Och kind, wat is hier in dat kleine kamertje al gebeden en geweend in
+die dagen! Wij hebben ons de handen stuk gewrongen om dat jonge leven;
+maar de lieve God laat zich door geen menschen zijn tijd bepalen;
+en op den negenden dag, juist toen het avondrood gloeiend wegstierf,
+viel het schijnsel op een bleek gelaat en de blauwe oogen waren voor
+altijd gesloten.--Zij lag daar zoo vreedzaam, zoo stil, zoo geheel
+bevrijd van alle harteleed; maar ik heb daarboven gejammerd van
+overgroote smart en droefheid--"
+
+De oude vrouw zweeg en droogde hare oogen af. Liesje had het hoofd
+in den schoot harer tante verborgen, ook zij snikte zacht.
+
+"Dienzelfden avond," vervolgde Marie eindelijk, "dat Lisette gestorven
+was, liep ik in den tuin, juist toen in het dorp de doodsklok voor
+haar luidde; want ik had nergens rust noch duur; en terwijl ik daar
+zoo stond, flikkerde op eens een licht in den toren. Ik verschrikte;
+eensklaps vloeiden mijne tranen opnieuw, want zij, die daar nu
+zoo stil ter neder lag, kon het niet meer zien--ik leunde tegen
+den muur en weende bitter. Van binnen in de woonkamer hoorde ik
+den molenaar rusteloos heen en weer loopen--daartusschen het bange
+snikken der moeder en de troostende woorden des zoons; dan was alles
+weer doodstil. Ieder geluid zweeg; de molenraderen stonden reeds den
+geheelen dag stil, en knechten en meiden liepen en fluisterden zoo
+zacht, alsof zij bang waren Lisettes rust te storen.
+
+Op eens hoorde ik iemand van boven afkomen, een vaste mannelijke
+tred--mijn Christiaan, dacht ik; maar op hetzelfde oogenblik begon
+op het molenpad een flinke stem een zacht lied te zingen--het ging
+mij door merg en been--Heer in den hemel! dat was de stem van baron
+Frits! En vóór ik er om dacht, want ik stond versteend van schrik, was
+hij reeds in huis gegaan, en toen ik hem naliep, had hij de kamerdeur
+reeds geopend en stond tegenover den molenaar; zijn gelukkig gezicht
+en zijn fonkelende oogen zochten in alle hoeken naar Lisette.
+
+De vrouw viel met een gil op haar stoel achterover, toen zij hem
+gewaar werd; de molenaar echter wierp zich op hem, en met den
+uitroep: "Vervloekte schurk, komt gij mij nog in mijne droefheid
+bespotten?" trok hij hem de kamer binnen.
+
+De molenaar was een driftig man; maar Lisettes broeder kwam
+tusschenbeiden en sprak:
+
+"Vraag hem eerst, of hij schuldig is, vader!"
+
+De oude man ging voor hem staan en riep:
+
+"Lisette! gij zoekt zeker Lisette, mijnheer de baron? Boven ligt zij;
+ga daar heen en zie haar aan!"
+
+Toen, door smart overstelpt, bedekte hij zijn gelaat met de handen.
+
+"Kom Frits!" sprak onze jongeheer, en voerde den verschrikte in de
+andere kamer, "kom mede! Ik zal u alles vertellen; al de droefheid
+die over ons gekomen is." Hij sloot de deur, en ik bleef alleen bij
+de treurende ouders.
+
+In de andere kamer hoorde men niets, dan een smartelijk gekreun--dat
+was alles; in eindeloozen angst gingen de minuten voorbij. Ik zat
+voor het raam en keek in het donker; op eens ontstelde ik vreeselijk,
+want daar buiten vertoonde zich dicht tegen de ruiten een gezicht,
+dat met twee groote, donkere oogen, waaruit angst en ontzetting
+spraken, naar binnen keek; toen wenkte mij een hand en het gezicht
+was verdwenen. Ik had het herkend--het was de wilde Francis.
+
+"God behoede ons!" dacht ik, "wat wil die nu weer?" Ik ging echter
+zacht naar buiten; daar stond zij en klemde zich met beide handen
+vast aan de posten der huisdeur; het flauwe licht viel door het
+venster der woonkamer op een door angst verwrongen gelaat, terwijl het
+loshangende zwarte haar het verschrikkelijke harer verschijning nog
+vermeerderde. Zij beefde zóó, dat zij haast niet staan kon blijven,
+en toen ik haar vragend en verwonderd aanzag, bewogen zich hare bleeke
+lippen, zonder eenig geluid te geven.
+
+"Lisette--" vroeg zij toen, met doffe stem, "is het waar, wat de
+menschen zeggen, dat er straks voor haar geluid is?"
+
+"Zij ligt boven, in den eeuwigen slaap," antwoordde ik.
+
+"Heilige God!" gilde het meisje, "is het waar, is het werkelijk waar?"
+
+Op dit oogenblik kwam baron Frits door de zijdeur; onze jongeheer,
+die het licht droeg, volgde hem. Hij was bleek als de dood; zijne
+oogen gloeiden hem in het hoofd; hij was blijkbaar voornemens naar
+boven te gaan, waar de doode lag. Zijn blik viel op de ter aarde
+gebogen gestalte, en haar herkennende bleef hij staan.
+
+"_Háár_ zou ik het aandenken mijner bruid gegeven hebben?" sprak hij
+schrikbarend kalm, terwijl zijne oogen diepe verachting uitdrukten;
+"gelooft gij dat, Frederik? Spreek, schepsel," vervolgde hij met
+bevende stem. "Gij hebt het gouden hart gestolen, dat ik even voor
+mijn vertrek vermiste!"
+
+Het meisje hief de handen tot hem op. "Neen, o neen, heer baron--"
+
+"Wilt gij bekennen, nietswaardige deerne!" riep hij en hief zijn
+rijzweep, die hij in de hand hield, op, om haar te slaan.
+
+"Sla toe, heer," riep zij, "ik verdien het, maar bij den eeuwigen
+God! ik heb het niet gestolen! Men heeft het mij gegeven, zoo waar
+als ik hier lig; ik zou het nooit voor de grap om gedaan hebben,
+had ik geweten, waar het op uit loopen zou."
+
+Baron Frits liet den opgeheven arm zinken. "Weg met u!" en hij wees
+haar de deur; "gij moogt wel het allerminste de rust hier in het
+klaaghuis storen; ik zal u vinden."
+
+Zij stond op. "Erbarming, heer!" smeekte zij, "vergeef mij; ik ben
+een dom, ijdel ding, maar slecht ben ik niet--och! mijnheer de baron,
+ik zou gaarne willen sterven, als ik Lisette weder in het leven kon
+terugroepen."
+
+Zij zag er zoo jammerlijk, zoo terneergeslagen uit, zooals zij voor
+hem stond, met de roodgeweende, donkere oogen en gevouwen handen, dat
+onze jongeheer baron Frits verzocht: "vraag haar, wie haar gelastte,
+het kleine hart voor de grap om te hangen! Misschien zegt zij het."
+
+"Wie heeft u bevolen, het gouden hart om te hangen?" herhaalde de
+baron werktuigelijk, en in zijne oogen blonk het op eens als een
+voorgevoel van iets vreeselijks.
+
+"Zeg het, Francis," sprak onze jongeheer haar zacht toe, "als gij wilt,
+dat wij gelooven zullen, dat gij werkelijk niets kwaads in den zin had,
+toen gij--"
+
+"Neen, waarachtig!" kreet zij, "ik heb niets kwaads bedoeld; ik
+wilde alleen maar Lisette eens ergeren, omdat zij altijd zoo trotsch
+jegens mij was; ik kon haar geen kwaad er mede doen, en daarom was
+ik aanstonds bereid, toen zij mij zeide, ik moest--Neen, ik verraad
+het niet; ik durf het niet doen--"
+
+Haar gansche lichaam beefde.
+
+"Ga!" zeide baron Frits plotseling, "nu wil ik het niet meer weten; er
+is een schurkenstreek uitgevoerd, een duivelachtigen schurkenstreek."
+
+Hij wees naar buiten, en het meisje ging snikkend heen in den
+donkeren nacht; ik trad voor de deur, om haar na te zien, ik kon
+nog even hare gestalte op den weg onderscheiden; toen verdween zij
+in de duisternis. Het was een sombere nacht geworden, het huilde en
+gierde door de lucht de hemel was betrokken, geen enkele ster was er
+meer te zien en de takken der oude linden kraakten en bogen onder de
+harde windvlagen; het was recht huiveringwekkend daarbuiten, en toch
+bleef ik staan. Als er zoo plotseling een storm opkomt--zegt men bij
+ons te lande--dan heeft een radeloos menschenkind zich zelven het
+leven benomen en men bidt voor de arme ziel, hoewel men niet weet,
+wie het is; ik vouwde ook mijne handen tot een gebed, toen het mij
+als lood op 't hart viel. Heer in den hemel! als Francis eens--? Op
+het eerste oogenblik wilde ik haar achterna; toen bleef ik staan--waar
+zou ik haar zoeken?
+
+
+
+Binnen in de kamer was de molenaar zijne rustelooze wandeling weder
+begonnen; daar tusschen klonk weder het snikken der moeder en de
+troostende woorden van den zoon, maar waar was baron Frits? Nog
+altijd bij het bed der doode? Boven in het dorp sloeg het tien uur;
+ik hoorde schreden de trappen afkomen, langzaam en slepend, als van
+een oud man. Ik zag in de gang--daar stond hij tegen de trapleuning;
+doodsbleek en nauwelijks herkenbaar was het schoone, levenslustige
+gelaat. Hij zag nog eens naar boven en wendde zijne schreden toen
+naar de deur der woonkamer; toen hij er vóór stond, kromp hij ineen,
+keerde zich haastig om en ging mij voorbij, zonder mij te zien; hij
+ging naar buiten in den duisteren nacht, als een arm, geheel verslagen
+man. Het was de laatste maal dat ik hem zag; hij moet daarna een
+woest, dolzinnig leven geleid hebben--hoe zou hij daar ginder bij die
+menschen hebben kunnen treuren! Op Derenberg is hij nooit meer geweest;
+nu zal hij wel lang dood zijn. Moge God hem een zachte rust schenken!
+
+De wilde Francis was ook verdwenen; niemand wist waar zij gebleven
+was. Op het slot en in het dorp zeiden zij, de jonge baron was met
+haar weggeloopen, en toen heb ik nog eenmaal getwijfeld aan zijne
+trouw. Maar toen Lisette begraven was, ging ik tegen den avond met
+mijn Christiaan naar het kerkhof, en toen ik bij het versche graf
+stond te weenen en al de kransen terecht schikte, die de menschen
+er opgelegd hadden, sprak Christiaan: "Zie Marie, het is alsof daar
+een brief ligt;" en jawel, er was een steentje opgelegd, om het
+wegwaaien te voorkomen; toen ik hem opende, stond er met groote,
+ongeregelde letters:
+
+
+ "Het is niet waar, wat zij zeggen; hij heeft mij zelfs nooit
+ aangezien; ik weet niet waar hij is, en hij niet waar ik
+ ben. Mij ziet niemand uwer ooit weer--denk niet te slecht
+ over mij! Het gouden hart had ik omgehangen, dewijl mijne
+ meesteres het mij bevolen had; zij zeide mij, dat het slechts
+ eene grap met Lisette was. Sanna was er bij--gij kunt het
+ haar navragen. God moge het mij vergeven; ik heb zoo iets
+ kwaads nooit willen doen.
+
+ Franciska."
+
+
+Zoo heeft zij daar boven gehandeld, om te voorkomen dat Lisette van
+den lompenmolenaar in haar trotsche familie zou komen, en--kind--"
+de oude vrouw liefkoosde het aan hare voeten gezeten meisje--"gij,
+onze eenigste--doe u en ons dat niet aan! Geef haar geene gelegenheid
+om weder zulk een duivelswerk uit te voeren! Zij zal het doen--reken
+daar zeker op!--Zij haat ons hier in den molen, omdat, sedert Lisette's
+dood, haar kwaad geweten haar kwelt. Zie, mijn arm hartediefje, hoe
+bitter het mij om u spijt, ik kan u maar één raad geven: vergeet,
+wat gij heden hebt ondervonden!"
+
+"Ik kan het niet, tante," viel haar het jonge meisje droevig maar
+vastberaden in de rede; zij rees eensklaps op en stond in fiere
+houding voor de oude vrouw. "De geschiedenis van tante Lisette is
+treurig. Maar ik heb Army de belofte gedaan, dat ik hem redden zal,
+en die moet ik houden. En als ik hem de geschiedenis van tante Lisette
+verteld zal hebben, dan is hij gewaarschuwd. Heb medelijden, tante,
+en tracht mij niet tegen te houden!" voegde zij er bij, opnieuw voor
+haar op de knieën vallende,--"wij hebben elkander zoo lief, zoo innig
+lief--help ons, om gelukkig te worden! Zeg het vader en moeder, en
+spreek met hen--niet waar, gij doet het, liefste, beste tante, niet
+waar?" En de vochtige oogen van het ontroerde meisje zagen smeekend
+tot haar op, en zij voelde, dat twee teedere handen de hare grepen
+en angstig vasthielden.
+
+"Mijn God!" weerklonk het in het hart der oude vrouw, "het heeft niets
+geholpen; het is de oude liefde, die nooit wijs wordt dan door eigen
+schade. En hij heeft haar toch niet lief; het is niet waar; had ik den
+moed maar haar dat te zeggen!--en Frederik zal het nooit toestaan--"
+
+"Wilt gij met mijne ouders spreken, tante?" fluisterde zij weemoedig
+en liefkoozend.
+
+"Ja, mijn hartedief! Ik zie het wel, er is niets aan te doen--maar
+ga nu rustig slapen! Morgen, morgen--"
+
+"Neen, van avond, nu nog! Morgen komt hij immers," smeekte zij; "vader
+kan van nacht overleggen wat hij hem zeggen zal--ik bid u, tante!"
+
+"Gij hebt gelijk mijn kind; het is beter dadelijk," stemde de oude
+vrouw toe; "laat mij opstaan! Ik ga naar beneden, slaap gij echter
+gerust! Morgen ochtend verneemt gij tijdig genoeg wat zij zeggen,
+mijn lieveling!"
+
+"Hoe zou ik kunnen slapen, tante!" riep zij opstaande en legde de
+kleine, bevende hand op den schouder der oude vrouw.
+
+Deze antwoordde niet, maar ging haastig de deur uit. Liesje volgde
+haar door de donkere voorkamer en boog zich over de trapleuning; daar
+ging zij de breede wenteltrap af, maar hoe langzaam liep zij! De oude
+voeten konden anders zoo vlug trippelen; nu kwamen zij haast niet van
+steê; langzaam--stap voor stap ging het; de trappen kraakten onder
+haar zware voetstappen en hare handen hielden zich zoo stijf aan de
+leuning vast--nu verdween zij uit het gezicht, en Liesje hoorde haar
+slepende schreden in de gang, en nu--dat was de deur der huiskamer;
+nu stond zij voor vader en moeder.
+
+"Zou men hen hier boven kunnen verstaan? Wat zouden zij zeggen?"
+
+Ademloos stond zij over de leuning van de trap gebogen; geen geluid
+drong tot haar door--alleen hoorde zij een paar maal Doortje's stem,
+die zacht een liedje zong, en het rinkelen van borden, lepels en
+vorken in de keuken; toen was het weder stil.
+
+"Maar hoor--dat was vader; zou hij boos zijn? Hij sprak zoo luid;
+en dat was tante." Liesjes's hart begon geweldig te kloppen. "Hoe te
+doen, indien vader eens niet wil toegeven? Maar dat is onmogelijk,
+zuiver onmogelijk; zij bemint Army immers."
+
+Welk een verward gepraat is dat nu daar beneden--nu hoort zij tante's
+stem, die zoo bedarend klinkt, en nu weder haar vader--duidelijk
+drong het tot haar door:
+
+"Neen, neen, duizend maal neen, zeg ik, en al ligt gij allen voor
+mij op de knieën, ik weet zelf, wat mij te doen staat."
+
+Een oogenblik staarden de groote, blauwe oogen als wezenloos in
+de ledige ruimte; toen vloog zij de trappen af, en stond onverwacht
+midden in de kamer; een gloeiend rood en een doodelijk bleek wisselden
+elkander op haar gelaat af. "Vader!" smeekte zij.
+
+Hij bleef staan en zag haar aan; op zijn breed, blank voorhoofd
+vertoonde zich een kleine, blauwe ader; zij kende het wel, dat teeken
+der hoogste opgewondenheid bij hem; zijne oogen vestigden zich als
+bliksemstralen op haar. Tante zag diep neerslachtig, toen zij naar
+het meisje ging: "Kom, Lise, ga naar boven!"
+
+"Neen, tante, laat mij! Ik wil weten, wat mijn vader zegt."
+
+"Wat uw vader zegt?" beet hij haar nu in het oor; "die zegt, dat gij
+een dwaas, dom ding zijt, die te veel haar zin en vrijheid gehad heeft;
+maar het verzuimde zal worden ingehaald--dat verzeker ik u!"
+
+"Dat wil zeggen, dat ik niet Army's verloofde zal worden, vader?" Zij
+ging vlak voor hem staan en zag hem strak aan.
+
+"Neen, mijn kind, om uw eigen bestwil niet. Ik wil niet, dat mijne
+dochter het slachtoffer eener speculatie worde."
+
+"Speculatie?" vroeg Liesje doodsbleek, "ik weet niet, wat gij daarmede
+meent, vader! Gij gelooft misschien, dat Army mij niet bemint; het
+is mogelijk; maar al heeft hij mij ook niet zóó lief, als ik _hem_,
+dat mag bij mij niet in aanmerking komen; ik weet, dat het leven
+eerst dan weer waarde voor hem krijgen zal, wanneer hij--"
+
+"Zijne schulden betaald heeft, mijn kind."
+
+"Tante!" wendde Liesje zich opgewonden tot de oude vrouw, "tante,
+gelooft gij dat van Army? Toe, spreek dan toch; een enkel woord
+slechts!" Zij sprak met zooveel overtuiging, dat de oude vrouw de
+tranen in de oogen schoten.
+
+"Kom, kom, mijn Liesje!" fluisterde zij; "vader is boos en opgewonden;
+morgen zal hij kalmer zijn."
+
+"Neen, neen, tante, gij moet het mijn vader zeggen, hoe gij er over
+denkt; hij hecht zooveel aan uw oordeel."
+
+De oude vrouw stond verlegen; de tranen rolden haar over de gerimpelde
+wangen, en hare handen grepen naar haar voorschoot.
+
+"Gelooft gij het ook, tante--?" kreet zij, zonder dat nog een traan
+haar oog bevochtigde.
+
+"Vader, ik weet, dat het niet zoo is; het is niet mogelijk neen,
+het is niet mogelijk--!"
+
+"Ik begrijp uwe smart, Liesje," sprak hij kalmer; "maar hoe kunt gij
+zoo dwaas zijn aan een plotseling ontstane genegenheid te gelooven? Gij
+zijt anders zoo'n verstandig meisje; zie, hij kent u reeds lang, en
+toch stelde hij eene vreemde boven u; hij heeft er nooit aan gedacht u
+te beminnen, of u te trouwen; het waren kinderspelen, die u eens tot
+elkander brachten, anders niets; en nu, nu hij geen raad meer weet,
+herinnert hij zich het kleine meisje, dat immers rijk is, en vraagt
+hij hare hand, om zich te redden, en zij is zoo dwaas, dit voor liefde
+te houden. Moet ik mij beroepen op uw gevoel van eigenwaarde, Liesje?"
+
+Zij antwoordde niet, maar zag haar vader bijna vertoornd aan.
+
+"Nelly's moeder is ook het slachtoffer van zulke berekening, mijn
+kind! Hebt gij haar ooit beschouwd als iemand, die te benijden
+is? Moet het voor haar niet een vernederend gevoel geweest zijn, te
+weten, dat haar echtgenoot haar slechts als toegift bij haar vermogen
+beschouwde? Omdat hij zijne vrouw niet beminde, leidde hij zulk een
+wild, teugelloos leven, en toen haar geld verteerd was, schoot hij
+zich dood. Is dat niet vreeselijk? Lise, mijn kind, zoudt gij willen,
+dat ik u zoo te gronde liet gaan?"
+
+Liesje liet de gevouwen handen hangen; zij tastten naar de tafel,
+bij welke zij stond; haar bleeke lippen bewogen zich tot spreken,
+maar zij konden geen geluid voortbrengen. De kopjes op de tafel
+rinkelden duidelijk, zoo beefden hare handen.
+
+"Lise, om Godswil!" riep tante, en omvatte haar met hare armen.
+
+"Ik dank u, vader," sprak Liesje op doffen toon, zich losmakende,
+"ik--ik zal u gehoorzamen." Zij keerde zich om en ging langzaam naar
+de deur; alles draaide voor hare oogen; zij hoorde nog de stem van
+tante--toen viel de deur achter haar dicht. Zij wankelde de trap op,
+maar moest zich aan de leuning vasthouden; eindelijk, eindelijk was
+zij boven, op haar kamertje en viel op de sofa neer.
+
+Haar vader kwam boven, streelde haar de wangen en noemde haar
+zijn goed, verstandig kind, dat nog eenmaal heel gelukkig zou
+worden. Tante ging naast haar zitten en sprak nu en dan een woord
+om haar te troosten. Liesje hoorde het alles aan, alsof het klanken
+uit de verte waren; alleen dit ééne weerklonk luid en duidelijk
+in hare ziel: "hij bemint mij niet; hij wil niet mij, maar mijn
+geld--uit nood." Was het dan werkelijk pas een paar uren geleden,
+dat zij onder den ouden lindeboom het hoofd aan zijne borst gelegd
+en geluisterd had naar de woorden, die hij haar toefluisterde? Was
+het niet reeds eene eeuwigheid geleden en lag er tusschen het _nu_
+en _toen_ niet een geheele zee van lijden en wee?
+
+Zij steunde luid en drukte de handen op het hart. Ach, haar
+kortstondige zaligheid, haar zoete liefdedroom--voorbij, voorbij
+voor eeuwig! Hare wangen gloeiden, toen zij er aan dacht, hoe zij
+hem zoo vertrouwelijk bekend had, dat zij hem beminde; het was hem
+immers onverschillig, dit moest het hem zijn; hij vroeg niet om hare
+liefde, hij vroeg alleen haar geld. Waar zou zij zich voor aller
+gezicht verbergen? Zij sloot de oogen en dacht aan het oogenblik,
+dat hij komen en haar vader hem afwijzen zou. Dat schoone, trotsche
+gelaat, hoe zou het er dan wel uitzien? "En dan zal hij gaan," dacht
+zij. In den geest zag zij hem uit haars vaders kamer komen en door
+de gang gaan, de hooge gestalte trotsch opgeheven; hij zal zich niet
+omkeeren en naar hare vensters zien; hij zal gaan--gaan om elkander
+nimmer weder te zien. Nimmer wederzien--een bitter, hard woord,
+een woord dat onuitsprekelijke smart in zich sluit!
+
+"Och, tante," steunde zij in haar ellende, en de oude vrouw boog zich
+tot haar.
+
+"Schrei maar goed uit, mijn hartediefje! dat zal u verlichten."
+
+"Och, was het maar eerst voorbij!" fluisterde zij.
+
+"Ook de moeilijkste uren gaan voorbij, als men maar bidden kan."
+
+"Ik kan niet bidden, tante, ik kan niet---"
+
+De nacht ging voorbij, en de dag brak aan, waarop hij met haar vader
+wilde spreken. Op Liesje's gelaat lag een bijna onnatuurlijke kalmte;
+alleen hare oogen gloeiden koortsachtig; zij nam al haar kleine
+huishoudelijke plichten waar, ging toen naar hare kamer en nam een
+boek; tante Marie kwam boven en begon vriendelijk met haar te praten
+over onverschillige zaken; zij luisterde er naar en antwoordde er op;
+toen ging de oude vrouw weder aan hare bezigheden. Onmerkbaar gingen
+de wijzers der klok vooruit; nu stonden zij op elf uur--plotseling
+bedekte een donker rood hare wangen; zij had zijn stap in den gang
+herkend, en hoorde nu haars vaders stem. Zij maakte eene beweging,
+als wilde zij naar de deur ijlen, maar zij sloeg de oogen weder op
+haar boek; de bladeren trilden onder hare hand; zij legde het boek
+op de tafel en boog er zich over heen.
+
+Werktuigelijk las zij zacht:
+
+
+ O! laat mij, vóór gij henen gaat
+ Op 't duist're pad van 't leven,
+ Vóór gij deez' droeve plek verlaat,
+ Nog eens mijn dank u geven!
+
+ Moog' nooit, in slapeloozen nacht.
+ 't Verleden u bekoren!
+ De toekomst, die u tegenlacht,
+ Is reddeloos verloren!
+
+
+"Is reddeloos verloren," herhaalde zij bijna luid.
+
+
+ "En hoeveel tijd ons hier ook wordt gegeven,
+ Nooit zullen gij en ik dien samen meer doorleven."
+
+
+"Nooit meer!" Het boek viel op den vloer. Was het niet verkeerd van
+haar, hem het leven door te laten gaan zonder haar steun? Zij had hem
+kunnen redden van armoede en schande; het was toch Army, haar oude
+speelkameraad; nog is het niet te laat, alles kan _nog_ te recht komen!
+
+Zij verliet de kamer; bij de trap bleef zij staan.
+
+"Ach neen," sprak zij--"ik vergat het immers; hij heeft mij _niet_
+lief." Weder moest zij haar eergevoel wakker schudden, dat door
+liefde-tonen in slaap gesust was. Wat bleef hij lang bij haar
+vader! Hoor, daar ging de deur--was dat Army? Zij boog zich over de
+leuning; hij ging juist naar de voordeur--zij zag zijn donkere lokken
+onder de muts te voorschijn komen; wat ging hij rechtop! Haar hart
+klopte geweldig; de herinnering aan gisteren overweldigde haar in al
+haar gloed en zaligheid; en nu, nu had hij de deurkruk in de hand;
+wanneer de deur zich achter hem sloot, dan was alles voorbij--voor
+altijd--reddeloos verloren. "Army!" riep zij op eens en vloog de
+trappen af; maar daar sloeg juist de zware eikenhouten deur dreunend
+dicht, zoodat het geluid door de hooge gang klonk. "Army!" herhaalde
+zij nog eenmaal zacht en strekte de armen uit; heete tranen ontrolden
+aan hare oogen en langzaam ging zij weder naar haar kamertje. Reddeloos
+verloren! Hoe ledig, hoe naamloos ledig was de wereld haar geworden!
+
+
+
+
+
+Vijftiende Hoofdstuk.
+
+
+De oude barones verbeidde in haar kamer ongeduldig de komst van
+haar kleinzoon. Reeds driemaal had Sanna bij de dames beneden naar
+hem gevraagd, en telkens was zij met het bericht bij hare meesteres
+teruggekeerd, dat de luitenant nog niet van zijne wandeling terug was.
+
+"God sta mij bij!" klaagde de oude dame, "wat zal er van hem, wat van
+ons worden? Daar gaat hij in alle kalmte wandelen, zonder er aan te
+denken, hoe hij den val van het huis Derenberg kan verhinderen; van
+mij heeft hij waarachtig geen droppel bloed in de aderen--_orribille!_"
+
+Zij zag naar buiten, naar het park, dat daar in doodsche, kille
+winterpracht voor haar lag; de middagzon glinsterde op den ijzel der
+boomen en op den besneeuwden grond. Een doodsche stilte en eenzaamheid
+heerschten in het rond. Wijd en zijd geen levend wezen! Hoogstens een
+paar hongerige vogels op de kale stammen! En zoo eenzaam en verlaten
+was het nu sinds jaren reeds om dit oude slot. Onwillekeurig huiverde
+zij. "Waarom?" vroeg zij zich zelve af; zij was er immers aan gewoon,
+zoo vergeten te leven. Maar zij had in den laatsten tijd zoo veel
+aan vroegere zorgelooze dagen gedacht; en nu zou zij dit zelfde
+eentonige, wellicht nog ellendiger leven moeten blijven leiden,
+indien de hertog van R. haar wensch niet vervulde! Neen, neen, dat
+was immers onmogelijk.
+
+"Als hij niet--" zij balde de kleine vuist. "O die slang, die
+Blanka!" fluisterde zij somber. Hare trekken helderden ook niet
+op, toen op dit oogenblik het roode deurgordijn openging en Army
+binnentrad.
+
+"Zijt gij waarlijk reeds terug van uwe wandeling?" vroeg zij spottend.
+
+"Ik was niet gaan wandelen," antwoordde hij schijnbaar kalm; maar de
+oude dame had zijn bitteren toon opgemerkt en zag hem uitvorschend aan.
+
+"Niet? Waar waart gij dan? ik heb reeds drie- of viermaal naar
+u laten vragen. Een onderhoud met mij was van vrij wat grooter
+noodzakelijkheid dan dat, wat gij van plan waart. Maar het is nu
+eenmaal niet anders; gij hebt het karakter uwer moeder; gij zijt ten
+uiterste onverschillig."
+
+"Integendeel, grootmama--ik heb juist beproefd een uwer raadgevingen
+op te volgen; maar de proef mislukte totaal." Hij streek zich met
+den zakdoek over het verhitte gelaat, en wierp zijne muts op de tafel.
+
+"Wat?" vroeg zij, "ik begrijp u niet--een mijner raadgevingen?"
+
+"Zeker, ik wilde--ik heb zooeven gepoogd een rijk huwelijk te doen,
+maar zooals ik zeg--"
+
+De barones deed een stap achteruit en staarde hem aan.
+
+"Gij zijt verbaasd, grootmama, dat is natuurlijk--ik verwonderde
+mij nog van morgen vroeg, dat gij zelve niet op de gedachte gekomen
+waart; nu merk ik trouwens, dat gij aan niets minder kondt denken,
+dan aan een huwelijk tusschen mij en Liesje Erving."
+
+"Ik geloof, dat gij gek zijt, Army!"
+
+"Hoe dat zoo? Gij hebt mij zelve geraden, mij door een rijk huwelijk
+te redden, en zij heeft geld genoeg, de kleine; naar uwe meening heb
+ik niets anders noodig."
+
+"Daartoe geef ik nooit mijne toestemming," riep de oude dame buiten
+zich zelve; "hoe komt gij op zulk eene gedachte? Dat onuitstaanbare
+ding--uwe vrouw? Het schreit ten Hemel."
+
+"Ik zeide u immers, dat de proefneming mislukt is," stelde hij
+gerust, met zijne vingers door zijn zwarten baard spelende. "Ik heb
+een korf gekregen, grootmama, een zeer verstaanbare korf; ik verzoek
+u nu echter niet meer over onverschilligheid te spreken." Uit zijne
+woorden sprak diep gekrenkte eigenwaarde.
+
+"Een korf?" vroeg zij verwonderd en ongeloovig; "een korf zegt gij,
+Army?"
+
+"Ja, zeker; mijnheer Erving verklaarde mij ten eerste dat hij voor
+zijn kind een man verlangde, die haar liefhad; hij wilde niet, dat
+zij als een lastige toegift bij haar geld beschouwd zou worden--dat
+was duidelijk niet waar? Ik kan het den man niet kwalijk nemen; ik
+gevoelde mij, toen ik voor hem stond, zoo verduiveld verachtelijk,
+als nog nooit in mijn leven."
+
+Zijne grootmoeder keerde hem schouderophalend den rug
+toe. "Hoogdravende praatjes!" sprak zij. "Van de duizend huwelijken
+wordt er nauwelijks één uit een ander inzicht gesloten; ik verwonder
+er mij echter over, dat die mijnheer--mijnheer Erving u zulk een
+antwoord gaf; dat soort van menschen betaalt gaarne driemaal zooveel
+schulden als gij hebt, wanneer de dochter daardoor mevrouw de barones
+wordt--daar steekt vast nog iets anders achter." Zij ging bij den
+haard zitten en poogde onverschillig in de vlammen te zien.
+
+"Gij hebt volkomen gelijk, grootmama, er steekt nog iets anders
+achter. Ik beloofde den vader, Liesje in eere te houden, zooveel
+te doen om haar te beschermen en te verzorgen, als een man vermag,
+en dat was geen leugen, maar mijn vaste voornemen."
+
+"Is het waar?" vroeg zij spottend.
+
+Hij werd bloedrood. "Waarlijk!" antwoordde hij. "Of denkt gij
+misschien, dat ik het meisje, 't welk mij zoo vol vertrouwen hare
+hand schenkt, zou laten gevoelen, dat het niet de liefde was, die
+mij tot haar bracht? En bovenal, als zulk een oprecht, kinderlijk,
+rein hart mij werd geschonken, als het hare?"
+
+"Ei, ei! waar heeft men zulk eene kennis van harten opgedaan?"
+
+"Gij vergeet, grootmama, dat wij te zamen zijn opgegroeid, en dat
+ik in den laatsten tijd dikwijls gelegenheid heb gehad, haar gade te
+slaan--zij heeft van de herfst mama weken lang verpleegd--"
+
+"Zijt gij misschien op de pleegzuster verliefd? Trouwens, de Duitschers
+vinden eene vrouw het bekoorlijkst in de zieken- of kinderkamer. Hoe
+het ook zij, het meisje was voor u een sterk contrast met Blanka."
+
+De jonge man fronste het voorhoofd. "Ik bid u, grootmama, spreek daar
+niet over," zeide hij. "Het is volstrekt onnoodig hier vergelijkingen
+te maken; maar--wij dwalen geheel af. Gij zeidet, daar stak iets
+bijzonders achter, dat Liesje's hand mij geweigerd werd; welnu de
+reden--gij neemt mij niet kwalijk, dat ik het ronduit zeg--is gelegen
+in ervaringen, die men in den molen bij een soortgelijke gelegenheid
+vroeger heeft opgedaan; bittere, harde ervaringen die langen tijd
+rouw over het oude huis brachten; ik zal trouwens mijn best doen,
+die geschiedenis tot klaarheid te brengen."
+
+De jonge officier sprak de laatste woorden langzaam en duidelijk uit,
+en zag daarbij zijne grootmama strak aan. Het kwam hem voor of zij
+eenigszins verbleekte, maar haar gelaat bleef onveranderd.
+
+"Om het even welke redenen den molenaar bewogen hebben uw aanzoek
+af te wijzen," was het scherpe antwoord, "zijne familiekroniek ken
+ik niet; iedere reden is mij welkom, want mijne toestemming tot zulk
+een waanzinnig voornemen zou ik nimmer gegeven hebben."
+
+"Dan zoudt gij mij gedwongen hebben, zonder deze te huwen," sprak
+hij kalm. "Gij begrijpt, dat men met zoo iets niet speelt; _ik_
+heb het meisje mijn woord gegeven, _zij_ mij hare toestemming, en
+dat is voldoende. 't Zou een ander geval zijn, wanneer zij zelve mij
+geweigerd had. Ik ben echter overtuigd, dat ik hare hand verkregen had,
+zonder die treurige voorvallen van vroeger; de ouders willen hun kind
+niet laten gaan naar het huis, waar hun oude vijandin troont--dat
+zijt gij, grootmama!"
+
+"Ik!" De barones sprong driftig overeind. "Bespottelijk!" vervolgde
+zij, en liet zich in haar stoel terugvallen. "_Die_ menschen zijn
+mij steeds volkomen onverschillig geweest, tot op dezen dag--"
+
+Het bleef een oogenblik stil in het vertrek; de oude dame slaakte
+een zucht van verlichting; de angstige trek, die onder de laatste
+woorden haars kleinzoons op haar gelaat zichtbaar was, verdween,
+en vriendelijk--bijna smeekend zag zij hem aan.
+
+"Ik wilde met u spreken, Army," begon zij ten laatste, "wij moeten
+samen overleggen; ik heb den hertog geschreven en ben overtuigd, dat
+hij het geld zal zenden, ik ben echter genoodzaakt, een gedeelte er van
+voor mij zelve te behouden, de rest is voor u; ik wil hopen dat het
+voldoende is, om de meest brullende schuldeischers te voldoen. Maar
+wat dan? En in de eerste plaats wat te doen, als de hulp tegen alle
+verwachting eens uitblijft?"
+
+"Ik geloof niet aan de bereidwilligheid des hertogs," sprak hij somber;
+"maar in het gunstigste geval, zal het nog slechts een druppel water
+zijn op een gloeienden steen. Mij blijft niets over dan--Amerika."
+
+Plotseling voelde hij een hand op zijn schouder, en zijne moeder boog
+zich over hem heen. "Army," vroeg zij angstig, "wat zegt gij? Wilt
+gij weg--weg?"
+
+Hij schrikte en greep hare hand; hij wilde haar geruststellen, maar
+de ontstelde, rood geweende oogen zagen hem uitvorschend aan--hij
+liet hare hand los en wendde zich af.
+
+"Cornelie, gij weet, dat ik dat onhoorbare, plotselinge binnentreden
+niet dulden kan," berispte de oude dame; maar hare schoondochter
+hoorde het niet; haar hart stond bijna stil door dat ééne vreeselijke
+woord--Amerika.
+
+"Almachtige God! is er dan niemand, die ons helpen kan? Army, ik sterf
+immers als gij weggaat!" smeekte zij hem met gevouwen handen. "Dat
+is het laatste, het zwaarste!"
+
+"Ween toch niet, maak u niet ongerust, Mama!" sprak hij, zonder haar
+aan te zien; "ik, ik blijf--"
+
+"Neen, neen, ik weet wel wat gij doen wilt; gij wilt weggaan, stil,
+zonder afscheid te nemen; ik zal eens op een morgen wakker worden,
+en geen zoon meer hebben; Army, kunt gij dat doen? Kunt gij weggaan,
+als gij weet, dat gij mij nimmer zult weerzien?"
+
+Bitter en hartverscheurend lijden sprak uit deze woorden.
+
+"Het zou immers niet voor altijd zijn," antwoordde hij aarzelend;--"ik
+zou eenmaal weer terug komen; wij schrijven elkander; en--"
+
+Op eens voer de jonge man met de handen door zijn haar. "Mijn God,"
+riep hij, "ik bid u, mama, maak door uwe klachten de zaak niet nog
+zwaarder, dan zij reeds is; bedenk toch, ik heb een massa schulden, dat
+is één feit; ik kan ze niet betalen--dat is het tweede. Ik heb al het
+mogelijke beproefd, om een uitweg te vinden--het was te vergeefs. Met
+Nieuwjaar komt de zaak tot eene uitbarsting; er zijn wisselschulden
+onder; de vesting wacht mij--ik kan niet meer dienen--wat blijft mij
+anders over? Denkt gij, dat ik daarbij opgeruimd gestemd ben?" Hij
+verliet haastig het vertrek en wierp de deur dreunend achter zich
+dicht.
+
+Een oogenblik aarzelde hij; hij verbeeldde zich een gil zijner moeder
+te hooren; toen haalde hij, verder gaande, een brief uit zijn uniform
+te voorschijn en opende hem: "Het is zoo; de dans begint," fluisterde
+hij, de regels doorvliegende; somber trad hij zijne kamer binnen,
+en wierp zich in den stoel, die bij den haard stond.
+
+Dezen morgen had er voor hem nog een straal van hoop geschenen--Liesje;
+de woorden, die zij hem den vorigen avond onder den besneeuwden
+lindeboom had toegefluisterd, hadden hem als eene boodschap des vredes
+in het oor geklonken; het waren zulke eenvoudige, kinderlijke woorden
+geweest, gevloeid uit een zalig, opgeruimd meisjeshart; dat was ware,
+echte liefde, die hem tegenblonk! Ware liefde? Neen--die was er bijna
+niet meer. Zij gehoorzaamde haar vader immers zoo gewillig, toen deze
+zeide: Gij wordt ongelukkig--zie van hem af! Maar hij kon het haar niet
+euvel duiden; haar vader zal wel gezegd hebben: hij bemint u niet;
+hij wil alleen uw geld. Dat was al genoeg; maar wat zou dat andere
+zijn met grootmama? Baron Frits en Lisette! Erving had ze dezen morgen
+genoemd, toen hij van de voornaamste reden zijner weigering sprak;
+God weet, wat er is voorgevallen; hij was zeer voorzichtig in zijne
+uitdrukkingen geweest, maar--er is toch niets meer aan te doen! Hoe
+spoedig zal men in zijne garnizoensplaats hooren zeggen: "de luitenant
+van Derenberg is op; hij heeft alles verkwist--natuurlijk schulden,
+dwaze schulden, dat zit in de familie; zijn vader heeft zich ook
+doodgeschoten; dat ziet men dagelijks--het is nauwelijks de moeite
+waard er over te spreken."
+
+Lang zat hij zoo en peinsde. Zijne moeder! Hij had haar tot steun
+moeten zijn; ja, zij zou zeker sterven, als hij heenging--en Nelly,
+die arme kleine--wanneer zij _alleen_ overbleef?--Hij sprong driftig
+op, en rukte zijne uniform los; midden in het vertrek bleef hij staan
+en staarde naar den wand; dáár had het portret der schoone Agnese
+Mathilde gehangen, dat hij uit de familiezaal gehaald had, dewijl het
+zoo sprekend op _haar_ geleek: hij had het afgenomen en omgekeerd op
+den vloer tegen den muur gezet, toen zij haar woord jegens hem brak;
+het stond nog altijd zoo.
+
+Hij ging er heen, nam het op en hing het op zijn plaats; het
+wonderschoone gelaat, met de diep treurige oogen, zag hem weder zoo
+vertrouwelijk, zoo onwederstaanbaar betooverend aan--hij stond met
+over elkaar geslagen armen langen tijd in beschouwing verdiept. Ja,
+het was de schuld van dit prachtige, goudkleurige haar, dat hij werd
+wat hij nu was, door een dwaze, onzalige hartstocht. Een oogenblik
+overviel hem een naamloos verlangen; zou _zij_ een medelijdenden
+blik voor hem over hebben, zoo zij wist, hoe ver het met hem gekomen
+was? Hij lachte luid. Neen, _die_ koude, heldere oogen, zij konden
+niet vriendelijk zien zooals _deze_; het portret geleek niet op
+haar, alleen het haar. Een bittere trek vertoonde zich om zijn mond:
+"Zijn zij zonder nuk," mompelde hij, "zonder nuk?--geen enkele, niet
+ééne!" Hij hoorde niet, hoe zijne kamerdeur zacht en aarzelend geopend
+werd, hoe een bleek meisjesgezicht onzekere blikken naar binnen wierp,
+hoe een slanke gestalte hem zacht en beschroomd naderde. Midden in het
+vertrek stond zij stil; hare oogen staarden stijf op het goudkleurige
+vrouwenhoofd, waarop de jonge man nog onbeweeglijk zijne blikken
+gevestigd hield; onwillekeurig maakte zij eene beweging om zich te
+verwijderen, toen hij zich omkeerde.
+
+"Liesje!" stamelde hij, "Liesje, gij hier?"
+
+Zij zweeg; maar zag hem bedroefd aan.
+
+"Wat wilt gij, Liesje?" zeide hij, "zocht gij Nelly? Zij--ik weet
+niet of----"
+
+"Neen," antwoordde zij, "ik kom om u."
+
+"Om mij?" vroeg hij zacht.
+
+"Ja, ik--de angst dreef mij hierheen, Army. Uwe moeder was bij ons
+en vertelde, dat gij wildet--O, ga niet heen, Army; ga niet heen! ik
+overleef het niet," kreet zij, en sloeg de handen voor het gloeiende
+gelaat.
+
+"Vraagt gij mij dat, Liesje? En toch hebt gij mij dezen morgen laten
+gaan?" vroeg hij bitter.
+
+"O, het deed mij zoo oneindig leed, dat gij heengingt, Army; maar
+duizendmaal meer grieft het mij, dat gij mij niet liefhebt, dat gij
+mij alleen wilt, om---"
+
+"Dat heeft uw vader u gezegd, Liesje!"
+
+"Ja! En is het niet waar, Army? En hoewel ik nog twijfelde--toen
+uwe moeder straks bij ons kwam, om hulp te vragen aan mijn vader,
+opdat gij niet zoudt behoeven weg te gaan, de wijde wereld in, toen
+_moest_ het mij duidelijk worden, _moest_ ik wel gelooven, waartegen
+mijn gansche hart zich verzette."
+
+"Heeft zij bij uw vader voor mij gebedeld?" vroeg hij luid en
+heftig. "Dat is sterk."
+
+"Zij heeft u zoo lief, Army; en zij wist immers niet, dat gij mij--dat
+mijn vader--" zij zag hem angstig, smeekend aan. "Ga niet heen, Army,
+ga niet heen--"
+
+Daar stond zij voor hem; bekoorlijk en eenvoudig zag zij er uit in
+haar korenblauw kleed; de wimpers diep neergeslagen, in maagdelijke
+verwarring; hare borst bewoog zich ontstuimig uit angst voor hem, uit
+opgewondenheid over den stap, dien zij gedaan had; een harer lange
+vlechten was door het haastige loopen losgegaan en hing over haar
+schouder; zij bespeurde het niet; zij strekte de sidderende handen,
+gevouwen, smeekend naar hem uit, en hij waagde het niet die te grijpen.
+
+Dat was zij immers, in den liefelijksten vorm voorgesteld: de groote,
+alles overwinnende liefde van een vrouwenhart, waaraan hij zoo straks
+nog getwijfeld had!
+
+"Wees niet trotsch, Army!" kwam het eindelijk met moeite over hare
+lippen, "om den wille uwer moeder en van mij. Ik zou immers mijn
+gansche leven lang diep ongelukkig zijn door het bewustzijn, u niet
+gered te hebben. Wij zullen goede vrienden zijn, goede vrienden,
+zooals vroeger, Army---"
+
+Eene lange pauze volgde; hij zag met afgewend gelaat voor zich,
+de armen stijf over de borst gekruist. Zij zag hem vragend aan;
+langzamerhand bedekte een gloeiend rood haar gelaat, de gevouwen handen
+lieten los en een paar groote tranen rolden over hare wangen. Een
+pijnlijk gevoel van schaamte vervulde brandend heet haar gemoed, en
+benauwde haar; zij keerde zich om en trad naar de deur. Buiten hoorde
+zij voetstappen; vlugge, welbekende voetstappen. Angstig dwaalden
+hare oogen door de groote kamer, en bleven op de zijne rusten;
+ademloos bleef zij staan. "Tante," fluisterde zij, "zij zoekt mij."
+
+Maar op hetzelfde oogenblik stond Army naast haar en sloeg zijn arm
+beschermend om haar heen; verlegen en angstig zonk haar hoofd tegen
+zijn schouder; zij dacht, dat men het luide kloppen van haar hart
+moest kunnen hooren; daar ging de deur open; onwillekeurig vlijde
+zij zich dichter tegen hem aan, in de verwachting, een welbekende
+stem toornig en verwijtend te hooren spreken. Maar alles bleef stil;
+de oude vrouw op den drempel stond onbeweeglijk, de oogen met een
+smartelijke uitdrukking op het tooneel vóór haar gevestigd; dáár in het
+hooge, halfdonkere vertrek, juist onder de groote, uit hertenhorens
+vervaardigde lichtkroon, stond een jeugdig paar; hij had haar den
+arm om de tengere gestalte geslagen en drukte haar vast aan zich;
+somber zag hij naar de oude vrouw, als was hij boos op de stoorster;
+'t was een toonbeeld van het reinste geluk.
+
+"Dus is het toch zoo! Tegen liefde en dood is geen kruid gewassen." Zij
+had er een voorgevoel van gehad, toen Liesje zoo haastig het huis
+verliet; zij was haar nageijld; maar wie kan met vijf-en-zestig
+jaren nog loopen, als een jong lichtvoetig ding; zij kwam te laat! te
+laat! Het arme kind was met open armen in haar eigen ongeluk geloopen.
+
+"Liesje!" riep zij op een verwijtenden toon.
+
+Het meisje zag op en maakte zich los uit Army's armen.
+
+"Och, knor niet," smeekte zij zacht, "ik kon niet anders, tante,"
+en stak de handen naar haar uit. Zij trachtte daarbij te lachen,
+maar het lukte niet--met geweld kwamen de tranen voor den dag;
+hartstochtelijk sloeg zij de armen om den hals der oude vrouw, en
+snikkend klonk het nogmaals van hare lippen: "Ik kon immers niet
+anders, tante--ik kon niet!"
+
+
+
+
+
+Zestiende Hoofdstuk.
+
+
+De volgende dag bracht slecht weder; het dooide, en de sneeuw was
+in eens verdwenen; de natte, bruine takken strekten zich kaal naar
+den grauwen hemel uit; daarbij stormde en raasde het in de lucht;
+de elzeboomen aan den molenbeek bogen en zwaaiden in den wind.
+
+Op den molen heerschte een gedrukte stemming; de meiden in de keuken
+spraken zacht met elkander, en de koetsier, die zich bij haar gevoegd
+had, krabde zich een paar maal met een veelzeggend gelaat achter
+de ooren. Uit de woonkamer drong de stem van den heer des huizes
+duidelijk tot hier door. De jonge baron was er. Gisteren was hij er
+ook al eens geweest, en sedert zag Liesje zoo wit als de muur. Er
+_moest_ iets niet in orde zijn; dat was zonneklaar; ook tante zag
+zoo zuur als azijn--en dan de meester!
+
+De kamerdeur ging open, en tante klom de trap op, zooals Doortje door
+een kier van de deur zien kon.
+
+"Let op, Mina, onze juffer heeft het doorgedreven," fluisterde zij,
+"tante haalt haar naar beneden; nu--waarom ook niet? Hij is een knap
+en voornaam heer, en lijden mochten zij elkaar al, toen hij nog als
+kadet met verlof te huis kwam."
+
+Peter krabde zich weer achter de ooren.
+
+"Nu," meende hij, "als ik mijnheer was, ik zei neen, om de oude van
+het slot."
+
+"Pst!" waarschuwde Doortje, "waarlijk, zij komt de trap af; nu gaan
+zij in de kamer. Hoezee! een verlovingsfeest--dat zal een pret geven."
+
+Het volgende oogenblik stond zij reeds weder bij de keukentafel,
+met hare borden bezig, want zij hoorde tante komen, die een oogenblik
+daarna de keuken binnentrad. Het oude gelaat teekende zorg, en aan de
+oogen was het te zien, dat zij bitter geweend hadden; zoo dachten de
+meiden ten minste. Zij stond een oogenblik als in gedachten verzonken,
+toen nam zij haar sleutelbos en ging naar de provisiekamer.
+
+"Glazen, Doortje!" beval zij, toen zij met eenige flesschen wijn
+terugkwam, "en doe een schoon voorschoot aan, als gij ze binnenbrengt!"
+
+Zij zette de flesschen op de keukentafel, en ging zich de oogen
+afvegende, weder heen.
+
+"Mijn God!" riep het meisje, toen zij met het ledige blad uit de
+woonkamer terugkwam, "moet dat eene verloving heeten? Het heele
+gezelschap zet een gezicht, als bij een begrafenismaal; onze heer
+bijt zich op de lippen, alsof hij zijne tranen wil wegjagen; de vrouw
+schreit, alsof Liesje dood was, en de tante ook; mijnheer de baron
+zit als een stok naast onze juffer; ik zag juist dat hij haar de
+hand kuste, alsof bij eene verloving niet een flinke kus behoort;
+en onze Lise ziet er uit--God erbarme zich over haar; als dat een
+gelukkige bruid moet wezen!"
+
+Ongeveer een half uur later verliet een jong bruidspaar het oude
+huis; aan het venster stond de oude tante het na te zien, en onder
+de linde keek het bleeke gezichtje nog eenmaal om naar het venster;
+er was niets op te bespeuren van het zoete, zalige geluk, dat een
+jonge, kinderlijke bruid gevoelt; om den mond speelde een smartelijke
+trek, en de oogen spraken angst en lijden. De bruidegom had haar arm
+genomen en in den zijnen gelegd; zwijgend vervolgden zij hun weg;
+bij de oude linde gekomen, beefde de hand van het jonge meisje,
+en werd haar gelaat voor een oogenblik met een donkeren blos overtogen.
+
+"Zijt gij moede, Liesje? Ik liep te schielijk."
+
+"O neen, maar ik--ik ben zoo bang voor uwe grootmoeder."
+
+Hij beet zich op de lippen, maar zweeg; hij verkeerde zelf in een
+angstige spanning, en kende zijne grootmoeder genoeg om te weten, dat
+zij tot elke lompheid in staat was. Zij traden nu de linden-allée in;
+de wind huilde door de hooge boomen en deed de takken krakend tegen
+elkander slaan; het hooge bordes met zijn oude, zandsteenen beren
+lag nat en donker voor hen. Onwillekeurig vielen Liesje's oogen op
+de poort. "Wat beteekent dat?" vroeg zij op eens op de wapenspreuk
+wijzende.
+
+"Nunquam retorsum! Nooit achteruit!" antwoordde hij.
+
+"Dat is goed," sprak zij, diep ademhalend, en versnelde haar tred.
+
+Zoo kwamen zij bij de torendeur; een oogenblik overviel haar een
+gevoel van zwakheid. "Zal ik het kunnen verdragen, als zij mij
+beleedigt?" vroeg zij zich zelve af, en een onuitsprekelijke angst
+voor de trotsche grootmoeder beklemde hare borst; het was haar
+alsof zij nog moest terugkeeren, nog vluchten--eer het te laat was;
+zij gevoelde zich zoo hulpeloos, zoo verlaten; want _hij_, _hij_
+had haar immers niet lief.
+
+"Liesje," riep jubelend een heldere stem, en in tranen uitbarstende,
+sloeg Nelly de armen om haar hals. "Liesje! zuster Liesje!"
+
+Zij duldde hare kussen; als een heldere zonnestraal vloog het over
+haar gelaat, en daar boven, op den drempel der gezellige woonkamer,
+strekten zich een paar armen naar haar uit, en omvatten haar al vaster
+en vaster, terwijl haar oor woorden van liefde opving.
+
+"Mijn lieve moeder," fluisterde zij, en boog zich over de tengere hand,
+"ik zal u altijd een gehoorzame dochter zijn--en voor Army een trouwe
+echtgenoote." Het laatste kwam er aarzelend en zacht uit.
+
+"Een oogenblik geduld, Liesje! Ik wil bij grootmama ons bezoek laten
+melden," zeide Army.
+
+Zij knikte toestemmend; hij ging, en keerde spoedig zwijgend
+terug. Haar hart klopte onstuimig; onwillekeurig vouwde zij de handen,
+terwijl zij beurtelings rood en bleek werd, en op eens stond alles,
+wat de trotsche oude vrouw haar had aangedaan, in vlammend schrift voor
+haren geest, en voor hare oogen verscheen een liefelijk beeld--oudtante
+Lisette en een vroegtijdig graf op het kerkhof daar boven.
+
+"Mevrouw de barones laat zich verontschuldigen; zij heeft hoofdpijn
+van daag en kan niemand ontvangen." Met deze woorden deed Sanna het
+jonge meisje uit haar koortsachtige gedachten opschrikken.
+
+"Dan laat ik verzoeken, mij morgen een uur te bepalen, waarop ik met
+mijne verloofde een bezoek kan brengen," klonk het schijnbaar kalm;
+maar Army's oogen zagen de oude meid dreigend aan, wier blik met een
+uitdrukking bijna van haat op de jonge bruid rustte. Deze had zich
+onwillekeurig hoog opgericht; Nelly greep hare hand en streelde zacht
+hare wangen.
+
+"Mama," begon Army en nam op den stoel naast zijne verloofde plaats,
+"mijn schoonvader laat u om een onderhoud verzoeken, en het zou zeer
+vriendelijk van u zijn, wanneer gij heden avond met Nelly in den
+molen kwaamt, ten einde gemeenschappelijk onze--"
+
+"Zeker, Army, zeker! Ik zou heden toch met Nelly gekomen zijn,
+ingeval het weder het toelaat."
+
+"Mevrouw de barones kan vooruit geen tijd bepalen, maar verzoekt
+mijnheer den luitenant, heden avond een oogenblik bij haar te komen,"
+luidde het antwoord dat de terugkeerende oude dienstmaagd nu bracht.
+
+"Het doet mij leed, Sanna, maar ik ben heden avond, zooals te
+begrijpen is, niet vrij, daar wij beneden in den molen onze verloving
+vieren--hoort gij Sanna, in den molen beneden! Het spijt mij voorts,
+Sanna, dat de barones hoofdpijn heeft, en wij dus hare tegenwoordigheid
+bij het feest moeten missen; voor het overige bevelen wij, verloofden,
+ons aan en wenschen beterschap."
+
+"Si, Signor!" siste de oude en verdween.
+
+Het bleef stil; Army ging in de kamer op en neer; zijne moeder had
+het jonge meisje naast zich op de sofa getrokken, en hield hare handen
+stijf vast.
+
+Vreeselijk zwaar had de boodschap Liesje in de ooren geklonken. Het
+gevoel van haar pijnlijken toestand drukte haar met zijn geheele
+zwaarte; zij meende te zullen bezwijken, wanneer haar vader vernam,
+dat de grootmoeder van haar verloofde haar niet eens had willen zien;
+en dan nog tante! Maar zij had niet anders gewild; zij zou nooit
+klagen, had zij beloofd. Ja, als hij haar ten minste beminde, dan--
+
+"Ik moet naar huis," sprak zij opstaande; zij had een gevoel alsof
+zij stikken zoude.
+
+"Waarom zoo spoedig?" vroeg Army.
+
+"Ik--ik wil te huis bericht brengen, dat mama en Nelly komen," stamelde
+zij. Hij nam zijne muts. "Blijf toch hier!" verzocht zij angstig;
+"ik kan zeer goed alleen gaan; kom dan later met uwe moeder!"
+
+Hij haalde ongeduldig de schouders op. "Adieu, mama, tot weerziens;
+adieu, Nelly!" riep hij, terwijl Liesje, haar sluier voordoende,
+met afgewend gelaat haar de hand reikte.
+
+Buiten gierde nog altijd de storm, en weder gingen zij zwijgend
+naast elkander.
+
+"Gij zijt te dun gekleed," sprak Army, en deed zijn mantel af om haar
+dien over de schouders te hangen.
+
+"Neen, ik ben niet koud, wezenlijk ik dank u." Hij nam den mantel
+over den arm en wandelde naast haar voort.
+
+"De weg lijkt een moeras," begon hij na een poos; "wij moeten trouwens
+haast aan de plek komen, waar de molenbeek buiten hare oevers is
+getreden--wacht! Daar zijn wij er reeds; ik zal zien of er niet een
+pad door het bosch te vinden is."
+
+Zij zag in de schemering zijn slanke gestalte, die zoekende den weg
+langs ging; toen kwam hij terug.
+
+"Het gaat niet; het water komt aan beide kanten over de schoenen;
+ik zal u er over dragen."
+
+"Neen," riep zij achteruit tredende, "dat nooit."
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat ik niet wil, dat gij u om mijnentwille de geringste moeite
+geeft; mij hinderen natte voeten niet, zeker niet; wij zijn immers
+dadelijk te huis."
+
+Hij antwoordde niet, en de duisternis verborg zijn gloeienden blos;
+zij voelde zich echter eensklaps door sterke armen opgetild en
+overgedragen.
+
+"Gij moet mij dit ten goede houden," klonk het haar koel en bitter
+in de ooren, toen zij weer op vasten grond stond. "Eene dame kan deze
+plek onmogelijk zonder hulp voorbij komen."
+
+Het overige van den weg werd zwijgend afgelegd. Toen zij de huisdeur
+binnentraden, gluurden nieuwsgierige gezichten der meiden uit de
+keuken, en kwam tante hun te gemoet: "Wat is dat een weer!" sprak
+zij vriendelijk, en opende hun de deur der woonkamer.
+
+"Goeden avond, tante," zeide Army en wilde hare hand vatten, maar de
+oude vrouw trok ze haastig terug.
+
+"Ga gij maar eerst naar binnen, mijnheer de baron!" antwoordde zij
+koel, "Liesje zal wel volgen; ik heb haar eerst nog wat te zeggen, en
+gij zult ook nog velerlei met uw schoonvader te bespreken hebben." Zij
+trok het jonge meisje aan de hand mede naar haar kamertje.
+
+"Wij krijgen bezoek, tante," sprak deze; "Peter moet Army's moeder
+en Nelly met den wagen halen."
+
+"Goed, ik zal het zeggen."
+
+De oude vrouw ging heen, en toen zij weder binnentrad, viel het
+flikkerende licht der lamp, die zij droeg op een beschreid gelaat,
+'t welk te voren door de schemering onzichtbaar was.
+
+"Gij hebt geweend, tante?" vroeg Liesje en boog zich tot haar over.
+
+"Nu ja, kind, dat gaat zoo--laat dat maar! Ik wilde dezen avond een
+paar woorden tot u spreken, daar het uw verlovingsdag is." Zij zette
+de lamp op de tafel en trad op het jonge meisje toe. "Zie, Liesje,
+ik heb altijd gemeend, dat een dag als deze vroolijker zou zijn,
+en gij een minder bleeke bruid zoudt wezen. Het is uw eigen wil,
+kind; gij zegt immers ook, dat gij gelukkig zijt en hebt uw ouders
+hunne toestemming op de knieën afgesmeekt; maar mij, Liesje, mij
+kunt gij niet misleiden; ik weet zeer nauwkeurig hoe het er in dat
+arme kleine hartje uitziet, en dat doet mij zoo jammerlijk zeer;
+ik zou haast vergaan van harteleed."
+
+Zij keerde zich om, ging naar de commode, trok het kleedje, dat er
+over lag, wat terecht, en deed de laden open en dicht, waarbij haar
+de tranen uit de oogen op de oude handen vielen; Liesje stond nog
+zwijgend midden in het vertrek.
+
+"Dat gij zoo stil zijt en zoo strak, kind," zeide de oude en droogde
+zich de oogen af, "dat kan mij zoo angstig maken; spreek toch mijn
+hartedief! Dat verlicht altijd."
+
+"Wat zal ik zeggen, tante? Ik heb niets, waarover ik graag wil
+spreken," antwoordde zij.
+
+"Kom eens bij mij, Lise!" smeekte de oude vrouw, "beloof mij één
+ding! Als hij ooit vergeten mocht, wat gij voor hem deedt, als hij
+ooit onvriendelijk jegens u is, en ik leef nog, kind, kom dan bij
+mij! Dan zal ik met hem spreken, en ten tweeden male zal hij het niet
+weer wagen."
+
+Zij lachte slechts. "Maak u maar niet bezorgd, tante!"
+
+"En de oude barones, kind, hebt gij haar gesproken?"
+
+"Neen, tante, ik geloof dat zij mij niet wil zien."
+
+De oude vrouw stond haastig op, en haar goedig gezicht zag er een
+oogenblik onbeschrijfelijk bitter uit; zij had een hard woord op
+de lippen, maar een blik op het bleeke meisje vóór haar deed haar
+zwijgen. "Hemelsche goedheid," mompelde zij slechts, "en dat alles
+zonder liefde!" en weder vulden tranen hare oogen.
+
+Buiten reed juist de wagen dreunend over de brug, om de dames van
+het slot te halen; tegelijkertijd werd ook de huisdeur opengedaan,
+en vernam men een luid gesprek en daarop Doortjes beklagenden uitroep:
+
+"Och lieve Hemel!"
+
+"Dat is de oude Thomas uit de pastorie," zeide tante en opende de
+deur. Het was zoo; daar stond de oude, kromme man, met de van regen
+druipende muts in de hand, en Doortje riep tante toe:
+
+"Ach, hoor eens aan, Kareltje van Dominé is gestorven, zoo even;
+wat spijt mij dat!"
+
+"Karel?" vroeg Liesje en stond eensklaps nevens den ouden man; "Karel?"
+
+"Ja, juffer, om zes uur is hij ingeslapen; ach, juffer Lise, die arme
+moeder en vader! Het was zulk een prachtige jongen; God, wat is dat
+een droefheid, daar beneden! Gij kunt het u niet voorstellen!"
+
+Het jonge meisje stond nog met hoed en mantel om. Zonder zich te
+bedenken, ging zij naar de voordeur.
+
+"Waar wilt gij heen, kind? In dit weder?"
+
+"Ik wil naar oom, naar de pastorie; tante--laat mij, bid ik u!"
+
+En reeds stond zij weder buiten en kampte tegen den wind, om vooruit
+te komen. De kreten der oude vrouw stierven weg in den storm, en over
+haar heen bogen zich de takken der elzeboomen aan den ruischenden
+molenbeek in wilden strijd. Daar kwam haar een wagen te gemoet; zij
+ging ter zijde om hem voorbij te laten, en zette toen schielijker
+haar weg voort. Het scheen haar eene weldaad toe, dit stormachtige
+weder; het was immers eene kwelling naast hem in een dichte kamer
+te zitten; oogenschijnlijk was het een beeld van zoet geluk, en
+inderdaad was er geen schaduw van te vinden; hij had haar niet lief;
+hij had haar alleen om den wille van haar geld begeerd. Het gevoel
+van blijde opoffering, waarmede zij hem hare hand had aangeboden,
+maakte plaats voor het vernederende van 't geen zij geleden had;
+en hij zelf, die het offer aannam, wat deed hij om die vernedering
+te verzachten? Was het dan zoo moeilijk, haar goede kameraad te zijn?
+
+Hoe wild schudde de oude linde hare takken, en hoe jaagden de wolken
+aan den donkeren hemel! En daar beneden in het dorp, in de pastorie,
+dáár werden tranen geweend, bittere, heete tranen--door wie maar
+weenen kon!
+
+Maar zij wilde niet, zij wilde immers niet, dat de menschen haar
+medelijdend zouden aanzien, vader en moeder, tante, zelfs Doortje en
+Mina--neen, dat was vreeselijk, dat kon zij niet verdragen.
+
+Klonken daar geen haastige schreden achter haar? Ja, en dan de roep
+"Liesje! Liesje!" Zij stond stil, dat was _zijne_ stem; o, als zij
+hem nu eens te gemoet kon gaan en zich aan zijn arm vastklemmen kon;
+als hij nu eens zeide: "Ik maakte mij bezorgd over u, daarom kom ik,"
+maar neen, vader heeft hem zeker mij achterna gezonden, of misschien
+zou hij ieder ander gevolgd zijn; hij moest immers in zulk een storm
+geene dame alleen hebben laten gaan.
+
+"Maar Liesje, ik bid u," klonk nu zijne stem, "hoe kunt gij in zulk
+weêr uitgaan! Uwe ouders zijn half dood van angst over u; hier is een
+doek van tante voor u, en wacht even, de wagen moet aanstonds hier
+zijn; ik heb gezegd, dat hij oogenblikkelijk zou worden nagezonden. Gij
+zijt toch nog altijd de kleine goedhartige Lise, wier goed hart in
+lichte laaie staat bij het ongeluk van vreemden!" vervolgde hij,
+haar den doek omslaande.
+
+Zij lachte bitter. "De pastoriebewoners zijn geene vreemden voor mij;
+zij behooren als 't ware tot onze familie."
+
+Hij antwoordde niets op dit bitse gezegde; juist kwam ook de wagen
+en hield bij hen stil. "Mag ik met u gaan?" vroeg hij, haar bij het
+instijgen helpende, "of wilt gij liever alleen rijden?"
+
+Zij wilde het laatste toestemmend beantwoorden, toen haar blik op
+hem viel; hij was slechts in zijn rok, zonder overjas.
+
+"Ik wil niet, dat gij om mijnentwille kou vat," zeide zij zacht,
+"ik bid u, ga zitten!"
+
+Na een korten rit hield de wagen stil; Liesje steeg alleen uit en trad
+de pastorie binnen; het was donker in de gang en stil; zij bereikte
+tastend de deur der woonkamer en klopte aan. Bijna huiveringwekkend
+luid klonk het, maar geen vriendelijk "binnen" liet zich hooren. Een
+onverklaarbare angst overviel haar hier in het huis des doods; maar
+moedig tastte zij verder. Daar was de trap, en hierboven, rechts,
+het studeerkamertje; zacht klopte zij aan; weder geen antwoord, maar
+door eene reet scheen licht--zij opende de deur en zag naar binnen;
+daar zat oom de predikant bij de tafel, het gezicht in de handen
+verborgen, en vóór hem lag de opengeslagen bijbel.
+
+"Oom! oom!" riep zij snikkend en legde het hoofd op zijn schouder.
+
+"Lise, gij goed kind! Ja, een zware bezoeking is over ons gekomen,"
+sprak hij ernstig, en streek haar over de natte, bruine vlechten;
+"en zijt gij in dat weer hier gekomen? Wat zijt gij altijd
+medelijdend! Nietwaar--onze Karel, Liesje! onze lieve, flinke
+jongen--o, het valt zwaar, niet tegen God te morren. Mijn arme
+Rosine! Hij was immers haar trots."
+
+"Ach oom, oom!" snikte zij diep bedroefd; "waarom is het leven toch
+zoo treurig, zoo moeilijk!"
+
+"Gij hadt hier niet heen moeten komen, goed kind," werd haar
+toegefluisterd, en de kleine vrouw met vochtige, roodgeweende oogen,
+die binnengekomen was, hief haar hoofd op en kuste haar. "Het maakt
+u van streek, en gij zoudt ziek kunnen worden."
+
+"Mag ik Karel niet nog eens zien? ik bid u tante!" vroeg zij nog
+altijd snikkend.
+
+In de kamer daarnaast lag een bleeke knaap op het sneeuwwitte kussen;
+zij trad zacht naderbij en staarde op de lieve, welbekende trekken--hoe
+dikwijls had die mond "tante Liesje" tegen haar gezegd, hoe vaak
+hadden die groote oogen haar lachend aangezien, en nu zoo stil, zoo
+stom! De kleine vrouw drukte het gelaat weer in de kussens van het
+bedje, en de vader stond aan de andere zijde en staarde op dat, wat
+hem was overgebleven van zijne droomen der toekomst. Liesje's tranen
+echter hielden op te vloeien; er straalde zulk een wondervolle vrede
+van het kinderaangezichtje daar voor haar--hoe schoon moest het zijn,
+zoo zacht te slapen, met zulk een gelukkig lachje, zonder de smart
+des levens te hebben ondervonden!
+
+"Ween niet, tante! Hij slaapt zoo rustig! hij ziet er zoo gelukkig
+uit." Toen keerde zij zich om en ging langzaam heen.
+
+In het kamertje bleef zij staan. "Oom," sprak zij zacht en legde de
+kleine hand op zijn arm, "ik heb een vraag op het hart, die ik niet
+langer onderdrukken kan."
+
+"O, spreek, mijn Liesje. Heb ik gelijk, als ik meen dat het u en
+Army betreft?"
+
+"Ja, oom; o, gij hebt ervan gehoord? Ik kan niet heengaan, zonder
+dat gij mij gezegd hebt, hoe ik handelen moet." Zij ging op de kleine
+sofa zitten. "Mijn vader weigerde zijne toestemming," vervolgde zij,
+"en tante zeide, dat mijne vereeniging met Army een ongeluk was
+voor mij, oom, omdat hij niet aan mij, maar alleen aan mijn geld
+dacht; vader deed een beroep op mijn meisjestrots.--Eerst voegde
+ik mij naar zijn wil; het was zulk een verschrikkelijk gevoel dat
+te ondervinden, ik wilde ook sterk zijn, oom, maar toen--toen kwam
+zijne moeder en jammerde, hij wilde weg naar Amerika, en toen, oom,
+voelde ik mij naar hem toegedreven, en ik bad hem, niet weg te gaan;
+ik was half waanzinnig van angst en smart. Hij moest mij beschouwen
+als een goede kameraad, heb ik tegen hem gezegd. En toen heeft mijn
+vader ingewilligd, omdat ik hem zoo vurig smeekte; op mijne knieën
+heb ik gelegen--ik zou immers gestorven zijn, als Army naar Amerika
+had moeten gaan, zonder dat ik alles beproefd had om hem te redden;
+Army weet niet eens welk een strijd het gekost heeft. En nu valt
+het mij zoo onuitsprekelijk zwaar, als ik naast hem sta; bij elke
+schrede aan zijne zijde doet mij het hart zoo zeer, en nu komt mijn
+trots er tegen op, dat ik wel is waar zijne verloofde ben, maar niet
+zijn beminde. Ach, oom, ik ben zoo ongelukkig!"
+
+Zij barstte in tranen uit en verborg haar hoofd in het canapékussen.
+
+"Kindlief," sprak de geestelijke, en streek haar zacht over het rijke,
+volle haar, terwijl hij zich naast haar zette en hare hand greep;
+"mij schiet een oude spreuk te binnen uit het album mijner Rosine;
+haar oude grootmoeder schreef die er in, toen zij als jong meisje het
+ouderlijk huis verliet, om in den vreemde als onderwijzeres in haar
+levensonderhoud te voorzien. Wanneer gij eens in tweestrijd zijt met
+uw gevoel, mijn geliefd kind, en beleediging of gekrenkte ijdelheid
+strijden met den lust tot vergeven, tot liefhebben, laat dan de
+liefde zegepralen, zelfs al laadt gij den schijn van vernedering op
+u! Het heerlijkste, het schoonste, wat eene vrouw vermag te doen,
+is te beminnen, altijd te beminnen, al wordt haar ook ongelijk
+aangedaan. Heb geduld, kind," vervolgde hij, toen het meisje hem
+met oogen vol tranen aanzag, "hij heeft eerst onlangs een bittere
+teleurstelling ondervonden, en de bewustheid, dat hij een stap doet,
+die in geen enkel opzicht in zijn voordeel kan worden uitgelegd, zal
+pijnlijk genoeg voor hem wezen. Hij zal dat overwinnen, en u dankbaar
+zijn, dat gij hem van schande en gebrek gered hebt en op zekeren
+dag bespeurt gij een vonkje liefde voor u in zijn hart, dat, door
+ootmoed en toegevendheid, met onvermoeide voorkomendheid gekoesterd
+en aangekweekt, eens tot een heldere vlam opflikkert. Maar wacht u er
+voor, dat gij de zwakke vonk niet uitdooft door uwe fijngevoeligheid;
+behandel hem als een ziek kind!"
+
+Liesje was opgestaan. "Ik dank u oom!" sprak zij zacht, "en,
+nietwaar? gij zult mijne ouders en tante geruststellen, dat ik nog
+gelukkig zal worden? Ik wil vriendelijk en voorkomend jegens Army zijn,
+en zal mijne gevoeligheid bestrijden. Ach, als vader slechts niet
+boos op mij en Army wilde zijn! Hij is zoo somber en droefgeestig."
+
+"Het valt hem moeilijk, niet bezorgd te zijn, mijn kind; gij zijt
+zijn eenigste dochter, en gij komt in zulke verwarde omstandigheden,
+in een gansch anderen kring. Maak er hem geen verwijt van, dat zijn
+voorhoofd zich rimpelt, en evenzoomin uwe tante! De oude vrouw heeft
+u zoo lief. Zij zullen weder vroolijk zien, wanneer zij u tevreden
+weten aan Army's zijde, en _dat_ ligt in uwe macht--gij bemint hem, en
+gij weet: de liefde duldt alles, zij verdraagt alles, zij hoopt alles."
+
+"Dat is het rechte woord, oom," sprak zij met verhelderden blik en
+reikte hem de hand; "ik zal het tot waarheid maken. Vaarwel, oom! Ik
+kom morgen terug en---ach, lieve oom! Karel is veel smart bespaard!"
+
+Buiten bij de wagentrede stond Army; hij hielp haar instijgen en
+nam nevens haar plaats. Weder reden zij zwijgend door den nacht
+naar buiten.
+
+"Army," zeide zij eensklaps en legde hare hand op zijn schouder,
+"ik was wel ontstemd en onvriendelijk? Vergeef het mij--ik kom zoo
+even uit een sterfhuis--"
+
+Hij nam hare hand in de zijne en keerde zich naar haar toe.
+
+"Ik heb een verzoek aan u," ging zij voort, eer hij kon
+antwoorden. "Gij weet, mijn vader gaf met een bezwaard gemoed zijne
+toestemming tot onze verbintenis. Vergeef hem Army! Ik ben immers zijn
+eenig kind--help mij de wolken van zijn voorhoofd verdrijven! Houdt
+u slechts een weinig, alsof gij mij liefhebt, en laat hem gelooven,
+dat gij gelukkig zijt! Ik zal het ook doen--ik ben het immers ook,"
+voegde zij er zacht bij.
+
+Hij zweeg.
+
+"Wilt gij dat doen, Army?" vroeg zij aarzelend.
+
+Reeds rolde de wagen over de molenbrug en het fabrieksgebouw voorbij;
+hij reed om de kale linde tot voor de huisdeur. Army hield het hoofd
+afgewend en zag naar buiten. Doortje kwam juist met de lantaarn uit
+de deur, en liet de wagentrede neer; hij sprong er uit en bood Liesje
+de hand om uit te stijgen; een trek van diepe ontroering lag op zijn
+gezicht. Hij zou zich houden, _alsof_ hij haar liefhad! En als hij
+nu tot haar zei: "mijn hart klopt in waarheid warm voor u, voor u,
+beminnenswaardige, met het reinste gemoed; ik voel een adem des vredes
+in uwe nabijheid, die mij de wonden van een onzaligen hartstocht zacht
+verkoelt,"--zou zij dat gelooven? Dat was immers het ellendigste--hij
+had haar vertrouwen verloren--
+
+Hij zag naar haar op--hij wilde haar antwoorden; maar wat? Ja, dat
+wist hij op dit oogenblik niet te zeggen, en reeds boog zich bij het
+schommelende licht der lantaarn een bekoorlijk hoofd uit den wagen;
+de kleine pelsmuts zat eenigszins scheef op de zware, bruine vlechten;
+het fijne gezicht was nog rood van het weenen, toch lag er een zacht
+beschaamd lachje om den bloeienden mond, dat twee bekoorlijke kuiltjes
+nog dieper groefde; de oogen echter staarden, als om antwoord smeekend,
+in de zijne en deden hem getroffen achteruit wijken. Waar had hij
+ooit zulke oogen gezien? Zij zagen hem zoo smartvol aan, als zochten
+zij een verloren geluk.--Bijna ontstuimig trok hij haar tot zich,
+en blikte diep in de droeve sterren, die steeds schitterender werden--
+
+De wagen was weggereden, en Doortje liep haastig uit den storm naar
+binnen. Het was duister om die beide jonge lieden daar buiten; weder
+wilde hij spreken, en weder sloten zich zijne lippen. "Zij zou u toch
+niet gelooven," sprak hij bij zich zelven.
+
+En zij waagde het niet, het hem nog eens te vragen, toen hij hare
+handen langzaam losliet. "Hij wil niet liegen," dacht zij en trad
+over den ouden drempel; "hij wil niets beloven, wat hij niet kan
+volbrengen--hij bemint mij immers niet." En het licht in de stralende
+oogen verdoofde weder, en zij drukte de beide handen op het hart. "Ach
+hij bemint mij immers niet!"
+
+
+
+
+
+Zeventiende Hoofdstuk.
+
+
+"En gij zegt, Hendrik, mijne grootmoeder heeft die beiden te zamen
+gezien?"
+
+"Francis heeft het mij in vertrouwen verteld, heer luitenant, den
+avond vóór haar verdwijnen."
+
+De jonge officier zat in een der groote leunstoelen in zijn kamer en
+zag onderzoekend en met kennelijke belangstelling den ouden man aan,
+die in eerbiedige houding dicht bij hem stond en in wiens trekken
+een lichte verlegenheid zichtbaar was. Army had hem nog laat in
+den avond laten roepen; hij wilde weten, welke beweegredenen zijne
+grootmoeder had, en waarin de haat wortelde, die zich ook heden
+weder geopenbaard had in de minachtende bejegening zijner bruid;
+uit een onpartijdigen mond wilde hij hooren, waarop de toespelingen
+zijns aanstaanden schoonvaders doelden. Hij had besloten, het met
+Hendrik te beproeven, en de oude man was inderdaad op zijne vragen
+aarzelend en verlegen begonnen te verhalen van baron Frits, die de
+schoone Lisette daar beneden in den molen zoo lief had gehad.
+
+"In dien tijd," voer de oude voort, "kwam baron Frits op een avond
+zoo recht vroolijk aanrijden; ik nam hem zijn overjas af, want het
+was koud, deed toen het torenkamertje open en maakte vuur in den
+haard aan--"
+
+"Het torenkamertje?" viel de jonge officier den verhaler driftig in
+de rede.
+
+"Ja, heer luitenant. Baron Frits woonde daar altijd; ik weet ook wel
+waarom; hij kon van daar het venster zijner liefste zien--ik maakte
+dan vuur aan, haalde hem een flesch madera en hielp hem van kleederen
+verwisselen. Hij vroeg naar alles, wat er was voorgevallen, of zijn
+broeder reeds weder te huis was; ik antwoordde hem op alles, en zei
+dat de meester binnen drie dagen terug werd verwacht; en daarop, hoe
+Mevrouw zijne moeder het maakte, benevens zijne schoonzuster en al
+zoo wat meer; ondertusschen zocht hij aanhoudend in de schuifladen
+van zijn schrijftafel, en vroeg eindelijk angstig: "Hendrik, hebt
+gij hier opgeruimd, toen ik onlangs zoo haastig ben vertrokken?"
+
+"Ja, zeker, mijnheer de baron," zeide ik.
+
+"Hebt gij niet een klein gouden hart gevonden?"
+
+"Neen," en hij ging voort met zoeken, en ik zocht mede, maar er werd
+niets gevonden; eindelijk hield hij op, maar zag zeer treurig. "Weet
+gij, Hendrik!" sprak hij toen, "dat is een groot verlies voor mij;
+vijftig daalders geef ik u, als gij mij het hart terug bezorgt; toen
+nam hij hoed en stok, want hij droeg altijd burgerkleeding als hij
+hier was, en zeide, dat hij nog eene wandeling in het park ging doen,
+vóór hij zijne opwachting bij de dames wilde maken; maar ik wist wel,
+waar hij heen wilde."
+
+"Mij spookten de vijftig daalders in het hoofd, heer luitenant,
+en dus begon ik weder te zoeken, en te zoeken, maar ik vond niets;
+daarop nam ik het licht en ging in de aangrenzende slaapkamer, waar
+ik nauwelijks binnen was, of ik verbeeldde mij, dat ik de deur heel,
+heel zachtjes hoorde openen, en toen ik haastig de woonkamer weder
+binnentrad, deinsde ik terug, want daar stond Sanna, die, mij ziende,
+van schrik neerviel."
+
+"Weet gij, heer luitenant, ik ben nu oud en kalm geworden, maar
+toen kon ik het magere vrouwspersoon, met de koude, grauwe oogen,
+het zwarte haar, en de gele kleur niet uitstaan; het was altijd een
+valsch schepsel, en daarom stoof ik in drie duivelsnaam op haar toe,
+en vroeg, wat zij hier te zoeken had. "De genadige vrouw wil weten,
+wanneer baron Frits terugkomt?" Zij noemde mij toen altijd Enrico,
+want zij was trotsch op haar Italiaansche afkomst. "Waar is mijnheer
+de baron?" vroeg zij nog eens. "Loop naar de koekoek!" riep ik,
+"en spioneer hier niet. Ik weet niet, waar hij is;" ik wilde haar
+daarmede de deur uitschuiven. "Hoor!" zeide zij, en toen ik luisterde,
+hoorden wij beneden in het dorp de doodsklokken luiden; zij begon zich
+te bekruisen en een Ave Maria op te zeggen; intusschen schoof ik haar
+evenwel naar buiten: "Maak dat maar buiten af! Verstaat gij?" Toen
+keerde zij zich bij de deur om, en sprak:
+
+"Weet gij, Enrico, wie er gestorven is? Lompenmolenaars Lisette
+is het."
+
+Lompenmolenaars Lisette! Ik beefde van schrik; heilige vader, wat zal
+baron Frits zeggen? was mijne eerste gedachte; hij ging zoo vroolijk,
+zoo gelukkig naar haar toe en nu dood, dat lieve, jonge wezen! Het was
+een prachtstuk, heer, als men dat meisje zag; of men nu lompenmolenaars
+Liesje, ik wil zeggen: de bruid van mijnheer den baron aanziet of
+hare oudtante Lisette, is precies hetzelfde; Liesje is als uit haar
+gezicht gesneden. Terwijl ik daar zoo stond, stak er een storm op,
+dat de boomen bogen, de oude muren kraakten, en men allerlei geluiden
+hoorde. Baron Frits kwam niet en kwam niet, en onderwijl werd het
+weder al erger en erger het scheen alsof de orkaan den toren wilde
+omverrukken; het oog kon in de duisternis geen voorwerp onderscheiden,
+hoe ik mij ook inspande en het gezicht tegen het venster drukte. De
+klok van het slot had reeds tien geslagen, en nog keerde hij niet
+terug. Heer, het was een vreeselijke nacht! Op eens vloog de deur
+open, en toen ik mij omkeerde, vielen mijn ontstelde oogen op baron
+Frits--hij stond reeds midden in de kamer, en voor zijne voeten lag
+bleek en bevend de dolle Francis, die de handen angstig smeekend tot
+hem opgeheven hield.
+
+"Verzoek mijne schoonzuster, Hendrik," sprak hij met toonlooze
+stem, "of zij zich de moeite wil geven, een oogenblik hier te
+komen!" Ik vloog naar de deur, heer luitenant; ik wist, er moest
+iets verschrikkelijks gebeurd zijn, toen ik de verslagen houding van
+het meisje zag, en juist toen ik de deur openrukte, stond mevrouw
+de barones--uwe grootmoeder--buiten en wilde naar binnen gaan. Zij
+deinsde terug, toen zij haar zwager zag; een oogenblik voer een hevige
+schrik haar door de leden. Zij verborg schielijk iets in den zak van
+haar kleed en trad toen schijnbaar kalm het vertrek binnen.
+
+Heer luitenant, een schoonere vrouw dan zij, was er niet; zooals zij
+daar stond in het lange, witte nachtgewaad, de zwarte lokken half
+losgemaakt en met haar groote, donkere oogen in het bleeke gelaat,
+als een engel der onschuld, tegenover het arme, kermende schepsel op
+den vloer.
+
+"Mio caro amico," riep zij den baron toe, "wat beteekent dat?" en
+wees verwondert met de hand naar Francis.
+
+"Kom binnen, schoonzuster!" antwoordde hij ruw. "Ga, Hendrik, en sluit
+de deur!"--Toen eerst keerde hij zijn gelaat naar mij toe--mijnheer;
+ik was toen een ruwe, wilde borst--maar ik heb gesidderd, zoo zag hij
+er uit. De oogen schenen weggezonken; het jonge, bloeiende gelaat was
+oud en vervallen van waanzinnige smart, en de mond beefde van hevigen
+toorn. Van mijn leven vergeet ik dat gezicht niet, noch den doodsangst,
+dien ik gevoelde, toen ik de deur achter de barones sloot; de tanden
+klapperden mij van ontsteltenis, en als vastgenageld bleef ik in de
+gang staan. Sanna sloop ook naderbij, en zoo stonden wij beiden en
+waagden het nauwelijks adem te halen. Eerst was het onverstaanbaar,
+wat zij daarbinnen spraken; men hoorde slechts de zachte stem der
+barones en het snikken van Francis; toen echter vernamen wij de met
+een donderende stem uitgesproken woorden van baron Frits duidelijk;
+moordenares noemde hij de barones en vervloekte haar en haar huis;
+ik stond stom en stijf, toen de deur plotseling openvloog, de barones
+naar buiten stormde, en als een gejaagd ree de gang langs en de
+trappen afvloog; verschrikkelijk zag zij er uit, en daar beneden
+sloeg zij, als naar een steun reikende, de armen om den pilaar en
+gleed bewusteloos ter aarde; ik zie haar nog voor mij, de witte,
+ineengezonkene gedaante, en hoe Sanna haar schreiend volgde en
+op hare armen wegdroeg. Op hetzelfde oogenblik werd Francis naar
+buiten gestooten, en stond de baron in de deur: "Mijn paard!" beval
+hij met heesche stem, en terwijl ik naar beneden ijlde liep Francis
+het portaal door in donker en stormweer naar buiten. Ik bracht den
+baron zijn paard voor; hij wrong er zich op met zijn bleek, ontdaan
+gezicht--het arme dier, het steigerde hoog op, zoo drukte hij het de
+sporen in de zijden, en weg vloog hij, zoodat ik meende er moest een
+ongeluk geschieden. Toen kwam hij op eens terug; ik stond nog in wind
+en weder op de trappen van het bordes en luisterde naar het naderbij
+komende paardengetrappel. Hij wierp mij een geldstuk toe.
+
+"Hoor eens, Hendrik," zeide hij, "ga gij naar mijn oude moeder en
+zeg haar voor mij vaarwel; mij ziet zij nimmer weer--" Het laatste
+verstond ik nauwelijks; de wind verwaaide het, òf zijne stem werd
+door snikken verbroken, ik weet het niet; hij gaf mij de hand, toen
+was hij weg, en is nooit teruggekomen.
+
+Francis zag ik echter nog eens; zij lag daar boven onder de oude boomen
+op de knieën, en toen zij hem in den duisteren nacht zag wegrijden,
+gaf zij zulk een hartverscheurenden gil, dat ik er heen liep. Dáár,
+mijnheer, daar vond ik een arm ongelukkig schepsel, dat van berouw
+en smart verging; toen bemerkte ik, dat zij niet zoo slecht was;
+ik troostte haar in haar ellende--nu, toen heeft zij mij verhaald,
+dat baron Frits en de schoone Lisette gescheiden moesten worden--dat
+zij gestorven was, omdat men haar had doen gelooven, dat hij haar
+ontrouw was en--dat is alles wat ik weet."
+
+"Meent gij, Hendrik, dat mijne grootmoeder werkelijk--"
+
+De stem van den jongen man klonk dof.
+
+"O, mijnheer, mij voegt het niet iets slechts van mijne meesters te
+gelooven; ik heb immers geen bewijs er voor, dat baron Frits reden
+had tot zulk een vreeselijke vervloeking; maar dit weet ik zeker, dat
+hij met de barones sedert eenigen tijd niet op een goeden voet stond,
+omdat--och, hij had zich eens in hare zaken gemengd; daarbij was zij
+gruwelijk trotsch; zij had voor geen geld ter wereld lompenmolenaars
+Lisette als schoonzuster erkend; en daarom--mijnheer de luitenant--neem
+het mij niet kwalijk! ik durf het u immers wel zeggen, ik heb u in
+den wieg zien liggen en tot een jonkman zien opgroeien. Duidt het
+mij niet euvel--Liesje--"
+
+"Is mijne bruid, Hendrik--"
+
+"Ik weet het, en heb mij verblijd, toen ik u beiden zag, zooals ik
+nooit geloofd had, mij ooit weer te zullen verheugen--ach, mijnheer,
+houdt uwe bruid in eere, en laat haar niet uit uwe oogen gaan! Men
+kan angstig worden voor zulk een jong wezen, hier boven in het slot;
+vergeef mij, heer baron! Mijn hart drong mij, u dit te zeggen; zij
+gelijkt zooveel op Lisette, vooral dezelfde oogen, even zoo blauw,
+diep en helder, en dezelfde uitdrukking er in. Zulke oogen vergeet
+men niet. God geve haar enkel vreugdetranen!"
+
+De stem van den oude was ontroerd toen hij weg ging, en het "goeden
+nacht" klonk zeer onduidelijk in Army's ooren; hij lette er ook
+niet op--voor zijn geest stonden zij ook, die blauwe kinderoogen,
+maar zoo smartelijk, zoo bang, en onuitsprekelijk droevig, als hij
+ze dezen avond gezien had.
+
+"Dezelfde oogen," herhaalde hij halfluid, "dezelfde uitdrukking!" en
+hij zag naar de beeltenis der schoone Agnese Mathilde. Het licht was
+diep neergebrand; het flikkerde slechts nu en dan flauw op, en het
+roode, volle haar was bijna onzichtbaar in het matte schijnsel; de
+twee donkere, droevige oogen echter staarden uit het bleeke gelaat
+onafgewend op den jongen man, zoo smartvol, zoo bang, als zochten
+zij een verloren geluk. Dat waren de oogen, waaraan hij gedacht had
+bij het uitstijgen uit den wagen--de oogen der schoone Agnese Mathilde!
+
+
+
+
+
+Achttiende Hoofdstuk.
+
+
+Den volgenden morgen ging Army naar den molen; zijn aanstaande
+schoonvader wenschte een onderhoud met hem. Liesje zag hij niet; tante,
+die uit de keuken kwam, en de kamerdeur voor hem opende, antwoordde
+op zijne vragen, dat het jonge meisje nog sliep; een weinig rust zou
+wel noodig zijn en goeddoen, als men den geheelen nacht geweend had.
+
+Een donkere schaduw lag op zijn gelaat, toen hij de kamer zijns
+schoonvaders binnentrad; hij had verlangd Liesje te zien, na den
+vorigen avond, en de gedachte, dat zij den ganschen nacht geweend had,
+lag hem zwaar op het hart. Hij moest eenige oogenblikken wachten. De
+heer Erving was boven in het kantoor; onwillekeurig sloeg hij zijne
+blikken in het rond; het was een gezellig vertrek, met donkere
+tapijten, groene meubels en gordijnen; op een groote schrijftafel
+stond een portret; het was eene photographie van Liesje uit hare
+kinderjaren; het lieve gezichtje zag er recht schalksch uit. Hij hield
+de beeltenis omhoog, om het beter te zien, en had het nog in de hand,
+toen de heer Erving binnentrad.
+
+Op het gelaat van den statigen man lag eene uitdrukking, die men er
+anders niet op vond, van zorg en spanning; hij had zeker dien nacht
+weinig geslapen. "Vergeef mij, dat ik u liet wachten!" begon hij het
+gesprek en reikte den jonkman zijn hand. "Ga zitten," vervolgde hij,
+"en laat ons dadelijk tot onze zaken overgaan!--Ik zal niet veel
+onnoodige woorden gebruiken," ging hij voort en schoof een stoel voor
+zich bij de tafel. "Vooreerst denk ik, reizen wij te zamen naar uw
+garnizoen, om daar de zaken te regelen; dan dient gij uw ontslag uit
+den dienst in--Gij kunt het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit zoo
+bepaald verlang! zij is mijn eenig kind"--zijne stem beefde bij deze
+woorden--"en ik wil haar ten minste in mijne nabijheid, onder mijne
+bescherming houden."
+
+Army boog toestemmend, maar het bloed steeg hem gloeiend heet naar
+de wangen.
+
+"Ik verlang niets onredelijks," voer de andere voort; "gij weet,
+dat mijne familie in vroegere jaren van de uwe een aanzienlijk deel
+der omliggende landerijen gekocht heeft. Nu is Liesje ons eenig kind,
+en ik heb met mijne vrouw overlegd, dat het het beste zou zijn, dat
+gij weder werdt, wat uwe voorouders waren, heer van Derenberg. Ik heb
+heden morgen vroeg reeds aan Hellwig geschreven, hoe de zaken staan,
+en hem tot eene samenkomst te S. uitgenoodigd, hoofdzakelijk met het
+doel, om te beproeven, hoeveel wij van de landerijen van uw erfgoed,
+die bovendien niet in goede handen zijn, weder machtig kunnen worden,
+om ze dan weder tot één geheel te vereenigen; zooals wij hopen,
+zal het met het meerendeel gelukken. Van u verwacht ik daarvoor,
+dat gij u---" hij hield plotseling op, trad naar de schrijftafel en
+zocht tusschen zijne papieren.
+
+"Ik heb niet lichtvaardig mijne toestemming gegeven," wendde hij zich
+weder tot den jongen man, en zijne stem klonk week en zacht, "want ik
+vrees, dat mijne dochter vele vernederingen tegemoet gaat; maar zij
+wilde niet anders.--Ik ken u eigenlijk alleen uit uw jeugd, want als
+jongeling hebt gij mijn huis niet weer betreden, maar het weinige,
+dat ik van u weet, is niet van dien aard, om u onvoorwaardelijk mijn
+vertrouwen te schenken. Gij hebt tot nu toe getrouw de voetstappen uwer
+grootmoeder gevolgd, die in menschen van mijn stand zeer ondergeschikte
+wezens ziet; uwe voorouders--ik weet het--dachten anders. Ik heb u
+thans het liefste gegeven, dat wij, mijne ziekelijke vrouw en ik,
+op de gansche wereld bezitten, en daarvoor eisch ik, dat gij mijn
+kind zult beschermen en in eere houden; ik wil niet, dat zij door
+uwe grootmoeder zóó behandeld zal worden als uwe ongelukkige moeder;
+deze belofte kan ik van u verlangen, en gij zult mij die nu geven;
+zoodra ik tranen in het oog mijns kinds zie, stel ik u daarvoor
+verantwoordelijk. Kunt gij mij beloven alles te doen, om mijn kind
+voor den hoogmoed dier vrouw te behoeden?"
+
+Hij hield hem de hand toe. Het liefst was Army den man om den hals
+gevallen; Derenberg zou hem weder toebehooren, zijn schoonste droom
+verwezenlijkt worden! En toch lag er een drukkende last op zijne
+blijdschap.
+
+"Het zal Liesje nimmer berouwen, dat zij mij van een donkere toekomst
+redde," antwoordde hij, toen zijne hand in die van Erving lag;
+"ik zal weten haar te beschermen in ieder opzicht--ook voor mijne
+grootmoeder; ik moet dadelijk naar haar toe."
+
+Een snelle, onderzoekende blik van Erving gleed over het gelaat
+van den jongen man vóór hem; hij scheen kalm, alleen zijne oogen
+fonkelden. "Laat u niet door drift vervoeren!" vermaande de oudere man,
+en lag de hand op Army's schouder, "zij is en blijft de moeder uws
+vaders en den ouderdom moet men eeren. Ik verlang niets anders, dan dat
+zij mijn kind geen kwaad doet, voor 't overige mag zij handelen, zooals
+zij wil. Dus bedaard, Army, hoort gij wel? Zij is een oude vrouw."
+
+Het was de eerste maal, dat hij den jongen officier bij zijn voornaam
+aansprak. Diep geroerd zag deze tot hem op; dàt was de man, van wien
+hij eenmaal in dwazen trots gezegd had, dat hij niet onder zijn dak
+kon verkeeren, en nu zorgde hij voor hem als een vader! Hem dankte
+hij nu alles, alles, zijn geheele toekomst.
+
+"Ga nu, Army!" vermaande hij, toen deze zijn hand greep en zwijgend
+drukte, "en heden namiddag vertrekken wij. Ga--en nog eens--bedaard!"
+
+Hij ging als in een droom; boven aan het einde der allée dook reeds
+het slot op en het prachtige met wapens getooide bordes. Één oogenblik
+rustte zijn blik daarop; hij gevoelde zich heden zoo nietig, zoo
+ellendig. Hij richtte het hoofd op, en een trek van vastberadenheid
+lag op zijn gelaat, toen hij de trap opging, die naar de kamer zijner
+grootmoeder voerde. Daar kwam Nelly hem tegemoet loopen; hare oogen
+schitterden als zonneschijn.
+
+"Hoe maakt het Liesje, Army?" vroeg zij, en sloeg de beide armen om
+zijn hals. Hij zag haar in het lachende, gelaat.
+
+"Wilt gij mij een genoegen doen, kleine?" vroeg hij, en streek haar
+de lokken van het voorhoofd. Zij knikte haastig.
+
+"Ga dan naar haar toe--ja? Maar spoedig, aanstonds, en zeg haar dat
+ik haar laat groeten, en zij niet meer moet weenen; ik laat haar dit
+dringend verzoeken--hoort gij?" Hij maakte driftig hare handen los
+en keerde zich om; toen hij een verbaasde, vragende uitdrukking op
+haar gelaat las, riep hij haar toe: "Ga toch spoedig, en blijf wat
+bij haar. Ik moet nu met grootmama spreken."
+
+In de gang sloop Sanna hem voorbij, haar groet was eenigszins snibbig.
+
+"Kan ik grootmama nu spreken?" vroeg hij.
+
+"Ik was reeds tweemaal in uw kamer, heer baron," antwoordde zij,
+"mevrouw uwe grootmama wacht met ongeduld."
+
+Hij ging haar schielijk voorbij en trad binnen. De oude dame zat op
+hare gewone plaats bij den haard: zij knikte vluchtig met het hoofd
+en wees op een stoel. "Gij hebt mij lang laten wachten," sprak zij.
+
+"Ik had een noodzakelijk onderhoud met mijn aanstaanden schoonvader,"
+antwoordde hij, plaats nemende, "hij was zoo goed, mij de plannen
+voor onze toekomst mede te doelen."
+
+"De proef is dus toch gelukt?" vroeg zij, zijn eigene woorden
+gebruikende. "Nu, in ieder geval hebt gij nog geene ringen gewisseld;
+er kan dus nog over de zaak gesproken worden." Hij maakte een
+ongeduldige beweging. "Gij veroorlooft toch, dat ik nog een paar
+woorden spreek?" vroeg zij.
+
+Army maakte een lichte buiging en plotseling viel zijn oog op een
+brief, dien de tengere vingers zijner grootmoeder vasthielden; hij
+kende dat stevige, roomkleurige papier, en op eens vloog het bloed
+hem gloeiend heet naar het hart.
+
+"Vooreerst," begon de oude dame en nam van het nevens haar staand
+tafeltje een tweeden brief, "is hier een zeer minzaam schrijven
+van den hertog; hij wenscht uwe omstandigheden te leeren kennen,
+en belooft mij, in ieder opzicht uwe belangen te zullen bevorderen;
+dat is eene belofte, waarvan gij den omvang, naar ik hoop, op prijs
+zult weten te stellen; uwe plaats als officier is verzekerd, uwe
+carrière buiten allen twijfel." Zij zag hem uitvorschend aan. "Mijn
+raad is deze, gij maakt een einde aan die belachelijke comedie daar
+beneden in den molen en vertrekt dadelijk naar S."
+
+"Grootmama," antwoordde hij bedaard, "dat kan u onmogelijk ernst zijn."
+
+"Dat is het--in waarheid," verzekerde zij, "gij hebt hals over kop de
+laagste betrekkingen aangeknoopt, en ik wil u daarvoor andere geven,
+meer overeenkomstig uwen stand."
+
+"Meer overeenkomstig mijn stand?" vroeg hij, "dat zal bezwaarlijk zijn;
+de betrekkingen, die ik aanvaard, zijn de beste die er zijn."
+
+"Misschien compagnon van mijnheer uw schoonvader--lompenmolenaar
+numero twee! nietwaar?"
+
+"Ik bid u, grootmama, laat ons van dat onderwerp afstappen! Ik zal
+nimmer mijn woord terugnemen, zelfs niet, wanneer uw voorstel mij kon
+verleiden--zoo veel te minder echter, nu ik geen lust gevoel terug
+te treden."
+
+"Dan verlaat _ik_ het huis!" riep zij toornig, "nog voordat uwe vrouw
+er den voet inzet."
+
+"Dat zou mij spijten, grootmama. Gij kunt met een weinig
+vriendelijkheid zooveel goed maken; trouwens wanneer gij--"
+
+"Het is toch beter, dat ik ga, meent gij?" vroeg zij. "Goed, Army,
+dat wil ik ook, ziehier, _dit_ is een uitkomst."
+
+Zij hield hem het roomkleurige briefje onder de oogen; hij herkende
+de sierlijke hand zijner trouwelooze bruid; onwillekeurig trad hij
+terug. "Blanka?" vroeg hij toonloos; "schrijft zij u?"
+
+"Weet gij, wat zij mij schrijft? Zij verzoekt mij, haar op eene
+reis naar Italië te begeleiden, omdat de overste door dienstplichten
+verhinderd wordt, mede te gaan. Het liefste zou ik haar dit vod met
+de vleiendste woorden in het aangezicht smijten, maar onder deze
+omstandigheden is er geen anderen uitweg; ik neem haar aanbod aan."
+
+"Gij wilt--gij kunt dat? Kunt gij tot haar gaan, die mij bedrogen
+heeft, grootmama?" vroeg de jonge man en greep hare hand.
+
+"Mij blijft niets anders over; ik wil met die lieden daar beneden
+geene gemeenschap hebben; ik wil het niet, en ik doe het niet,"
+hield zij vol.
+
+"Dan is het zeker beter dat gij gaat," sprak hij zacht en keerde
+zich om.
+
+"Dat is dan de dank voor al mijne liefde! Dat is de vervulling
+aller verwachtingen, die ik op u gebouwd heb!" bracht zij
+uit. "Incredibile! Als ik mij u voorstel, daar beneden in het
+kantoor op den stoel uws schoonvaders!" vervolgde zij in één adem,
+"schrijvende, of de boeken houdende, gij, die het vooruitzicht op
+een schitterende loopbaan zoo onzinnig verwerpt!"
+
+"Ik had tevreden moeten zijn, zoo mijn schoonvader mij den kantoorstoel
+had aangewezen, maar hij heeft het beter met mij gemaakt; Liesje
+brengt als bruidschat onze oude familiegoederen mede, ik zal weder
+heer op Derenberg wezen."
+
+Hij had langzaam gesproken en op ieder woord gedrukt.
+
+Zij keerde zich met één ruk om; haar groote oogen zagen hem verbaasd
+aan, als geloofde zij zijne woorden niet. "Duur genoeg betaald!" bracht
+zij met moeite uit.
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Omdat gij voor uw leven aan eene vrouw geketend zult zijn, die uws
+gelijken met den nek zal aanzien, en eindelijk, die gij niet liefhebt,
+niet kunt liefhebben!"
+
+"Wie zegt u dat?" vroeg hij, en een fijn lachje speelde om zijn mond,
+"zou het laatste zoo onmogelijk zijn? Mij dacht, gij weet het tegendeel
+uit ondervinding. Denk slechts aan mijn gestorven oudoom Frits en de
+schoone Lisette!--"
+
+De oude dame antwoordde niet; met een driftig gebaar ging zij weder
+in den leunstoel zitten, en hare vingers verkreukelden Blanka's brief;
+maar haar gelaat was wit geworden, zoo wit, als de strooken harer muts.
+
+"Mijn zwager heeft er nimmer aan gedacht, dat meisje te trouwen," sprak
+zij eindelijk, "daarin moet ik hem verdedigen; het was een minnarij,
+zooals heeren die bij dozijnen plegen te hebben; de bekendheid met
+deze geschiedenis moest u juist van de onzinnige gedachte terughouden,
+een meisje uit dat huis tot uwe vrouw te maken!"
+
+"O, toch niet, integendeel! Als iets mij nog in mijn besluit konde
+versterken, dan zou het dit zijn, dat ik daarmede een gedeelte
+van hetgeen zinnelooze hoogmoed en onedele wraak eens misdeden,
+vergoeden zou."
+
+"Deze duistere toespelingen zijn mij geheel onbegrijpelijk," viel zij
+hem in de rede, en stond driftig op; "de broeder uws grootvaders was
+een mensch, die geene zelfbeheersching bezat, die een los, lichtzinnig
+leven leidde--hij is gestorven, God weet waar? Hij was een huichelaar,
+die zijn lichtzinnige gedachten, onder het masker van een rechtschapen,
+achtenswaardig uiterlijk, voortreffelijk wist te verbergen; het spijt
+mij, dat gij u eene legende op den mouw hebt laten spellen, waarin
+deze zedeprekende huzaren-officier met die Lisette de rol van heilige
+vervult.--Maar juist daarom, wijl reeds eenmaal zulke onpassende
+betrekkingen aangeknoopt werden tusschen ons en hen daar beneden,
+betrekkingen die--Gode zij dank!--door een verstandige bemoeiing
+verbroken werden, juist dáárom, herhaal ik u, zal ik nooit of nimmer
+het meisje als uwe bruid beschouwen, nooit of nimmer haar mijne hand
+reiken; en volhardt gij bij uw voornemen--goed, dan ga ik--ik weet nu
+waarheen--" zij hief Blanka's brief omhoog; "en hoewel het mij zwaar
+valt, dezen stap te doen bij haar, die u bedroog, ik verkies dit
+boven het vooruitzicht met deze persoon in hetzelfde huis te leven."
+
+Haar lippen beefden, en haar oogen fonkelden van toorn.
+
+"Goed, ga dan, grootmama! Het doet mij leed, dat de zaken zoo
+loopen. Maar gij zoudt het volste recht hebben te zeggen, dat ik geen
+man ben, slechts een verwijfde droomer, wien het weinigje ongeluk de
+armen verlamd heeft--wanneer ik mijn besluit veranderde; als man van
+eer _kan_ ik het niet; ik _wil_ het niet, omdat ik niet zoo dwaas
+zijn zal, een gansche gelukkige toekomst van mij te werpen."
+
+"Gijzelf beveelt mij dus te gaan?" vroeg de oude dame ademloos.
+
+"O neen, grootmama; het liefste zag ik, dat gij in mijn huis uw
+verder leven vreedzaam doorbracht, maar daar gij mij de keuze laat:
+gij of zij--zeg ik van ganscher harte: "mijne bruid!""
+
+Hij had luid gesproken, en zijne woorden klonken oprecht gemeend.
+
+"Goed," antwoordde zij, "ik ga; en wanneer gij ook op uwe knieën voor
+mij laagt, en gij allen te zamen mij handenwringend smeektet om te
+blijven, ik zou toch gaan. Het is schandelijk; het is ongehoord--"
+zij trok met bevende haast aan de scheldkoord en begon onderscheiden
+laadjes van haar schrijftafel open te trekken: brieven, kistje,
+kleine doosjes vlogen er verward door elkander uit.
+
+"Mijne reiskoffers," beval zij der binnentredende Sanna: "pak uw goed
+ook. Wij vertrekken."
+
+Op dit oogenblik vloog een klein, blinkend voorwerp over het tapijt
+en bleef voor Army's voeten liggen; hij nam het op en beschouwde
+het--het was een klein gouden hart, bekrast en dof, waarop de letters
+L. E. waren gegraveerd. Hij staarde er langen tijd op; het was hem
+onmogelijk een woord te spreken; hij ging naar haar toe, en hield
+haar het kleine, gouden hartje voor. Zij vestigde haar oogen er op;
+toen greep zij opeens het blad van de tafel, om zich vast te houden;
+het rood week uit hare wangen, en een vale bleekheid verspreidde
+zich over haar gelaat. Geen geluid verbrak de stilte; alleen de
+kleine beeldjes op de schrijftafel stootten zacht tegen elkander,
+zóó zwaar leunde de bevende barones er op.
+
+"Ik heb geen recht, u verwijten te doen," sprak hij ten laatste,
+en trok de hand, die het kleine voorwerp vasthield, terug. "Gij
+zijt de moeder mijns vaders, en--het zou ook nutteloos zijn. Maar ik
+zal dubbele moeite doen, aan mijne bruid te vergoeden, wat gij eens
+misdaan hebt aan een jong, beminnelijk schepsel; God geve, dat het
+mij moge gelukken!" Hij keerde zich om en wilde heengaan.
+
+Daar trad Sanna hem in den weg.
+
+"Wat wilt gij van mijne meesteres?" riep zij, "ik heb het gouden
+amulet den baron Frits ontnomen; ik alleen deed het. Mijne signora is
+onschuldig. Jaag mij weg, mijnheer, maar ontneem haar niet haar tehuis,
+de eenige plaats, waar zij haar hoofd kan nederleggen!" De oude meid
+was op den vloer gegleden en strekte smeekend de handen naar hem uit;
+in hare koude, grauwe oogen blonk een traan.
+
+"Ik zend uwe gebiedster niet weg," zeide Army, geroerd door de trouw
+van het oude, hardvochtige schepsel, "integendeel,--"
+
+"Sta op!" beval de barones toornig, "en doe, wat ik u bevolen heb--geen
+woord meer. Ik vertrek nog heden!"
+
+"Misericordia!" snikte de oude in haar doodsangst, en greep de
+plooien van het zwarte kleed harer meesteres; "laat mij medegaan,
+signora Eleonora! Ik sterf zonder u."
+
+Hij zag droevig naar de gebiedende gestalte, die daar midden in
+het vertrek stond, het hoofd trotsch in den nek geworpen; scherp
+en vijandig blikten de zwarte oogen hem aan, als stond een vreemde
+bedelaar voor haar, dien zij de deur wilde wijzen. Hij had haar altijd
+zoo liefgehad, zoo bewonderd, zijne schoone grootmoeder; zelfs thans,
+nu de nimbus, met welke zijn hart haar eens omgaf, geweken was,
+zelfs nu zegepraalde deze liefde; hij vergat haar heerschzucht, hare
+hardheid; hij zag slechts de trotsche, bevelende vrouw, die hem eenmaal
+met afgodische teederheid opvoedde. "Grootmama!" smeekte hij, en trad
+eene schrede nader, "laat vergeten zijn, wat eens gebeurd is! Ik geef
+u de hand er op, niets zal u hier aan het verleden herinneren--"
+
+"Ga!" sprak zij kortaf, en wenkte hem met de hand op hare bevallige
+manier ten afscheidsgroet; "ga! Ik wil alleen zijn; ik heb nog veel
+te regelen."
+
+Hij trad op haar toe. "Vaarwel!" zeide hij, "en zoo gij ooit heimwee
+gevoelt, kom dan! Gij zult--"
+
+"Adieu!" viel zij hem in de rede, en onttrok hem de hand, die hij
+aan zijne lippen wilde brengen. "Gij hebt gekozen." Zij keerde hem
+den rug toe.
+
+"O, de vloek! de vloek! O, mio dio!" snikte de oude dienstmaagd,
+die nog altijd handenwringend op den vloer geknield lag.
+
+"Gekken!" hoorde hij zijne grootmoeder zeggen; toen viel de deur
+tusschen hem en haar in het slot.
+
+
+
+
+
+Negentiende Hoofdstuk.
+
+
+De laatste dag van het oude jaar, heeft hij niet iets plechtig
+weemoedigs? Het is het gevoel van scheiden, dat het menschenhart
+vervult, en een angstig terugdenken en vragen: wat gaf ons het oude
+jaar, hoeveel ontnam het ons, en wat zal het nieuwe brengen? Vreugde
+of smart, geluk of zwaar verlies?
+
+Er is een tijd, waarin men zulke vragen nog niet doet, een tijd, in
+welken men gelooft dat de toekomst met ieder dag schooner moet worden,
+waarin de tuin onzer droomen trotsche bloesems in overvloed draagt,
+en men in zalig ongeduld op het opengaan der bloeiknoppen wacht,
+om zich in een waarlijk fabelachtige bloemenpracht te bedwelmen;
+maar de tijd snelt heen, knop bij knop valt verdord ter aarde;
+slechts enkele bloeien eenzaam en beven, dat ook haar de ruwe hand
+zal vernielen, die hare zusters trof. En die eens zulke bloesems zag
+vallen, staat met een treurig, vragend hart aan den ingang van een
+nieuw jaar, vouwt bezorgd de handen, en vraagt onwillekeurig: wat zal
+de toekomst mij brengen? Zullen de bloesems mijner hoop verwelken of
+bloeien? Het is treurig, als jonge harten deze vragen reeds moeten
+doen, wanneer één vorst in de lente al deze zonnige geluk-belovende
+bloesempracht verstoort.
+
+Het was des namiddags tegen vier uur, toen de onrust Liesje naar het
+slot dreef; sedert vier dagen was Army reeds weg met haar vader en zij
+had nog geen tijding van hem ontvangen. En heden was het oudejaar,
+een dag, die vroeger lieve gasten in huis bracht--maar heden? Vader
+niet tehuis, moeder zoo stil, tante treurig, oom en tante in de
+pastorie in diepe droefheid over hun lieveling. En zij?
+
+Zij ging weder de allée door naar het slot; zij wilde vragen, of
+zijne moeder of Nelly misschien tijding van hem hadden? De brief
+haars vaders was zoo kort geweest; alles was gebleken veel verwarder
+te zijn, dan hij gedacht had, schreef hij; wanneer hij terugkwam,
+was nog onbepaald--geen woord voor haar over Army!
+
+Zij moest heden iets van hem hooren.--Zij zag onder het gaan door
+de kale takken der boomen en de allée naar het bordes, dat juist
+te voorschijn kwam. Aan den hemel hingen zware, grauwe wolken, en
+een onaangename, zoele lucht kwam haar tegemoet; bij de spaarzame
+verlichting zag het oude slot er recht somber uit; zoo ledig, zoo
+verlaten, een waar ongeluksnest, zooals tante zeide. Hoevele jaren
+zijn gekomen en heengevaren over deze oude daken, en hoevele zullen
+nog komen en gaan, en wat zullen zij brengen? Wat men eens verloren
+heeft, keert niet weder, en zij, zij had zoo oneindig veel verloren,
+den ganschen wondervollen lentetijd der liefde; van al de schitterende
+bloeiknoppen waren alleen de doornen overgebleven, die zich in
+haar gewond hart gedrukt hadden; geen zoet geluk aan de zijde des
+geliefden mans, slechts een leven van krachtige zelfverloochening,
+een smartelijke lach, maar geene liefde voor haar. En daarom ook
+geen brief.
+
+Wat zou hij haar ook schrijven? Zij herinnerde zich, hare moeder
+eens gezien te hebben, hoe zij met een gelukkig lachje een pakje
+oude brieven opende, die in een kistje zorgvuldig bewaard werden. "De
+brieven uws vaders," had zij gezegd, toen het jonge meisje haar vroeg,
+"uit den tijd, toen wij nog bruid en bruidegom waren." Welk eene
+zaligheid straalde daarbij uit de oogen harer moeder! Liesje drukte
+de handen op de borst en ging haastig verder.
+
+Nu trad zij uit de allée en richtte hare schreden naar het voorplein;
+een wagen stond voor de zijpoort. "Een wagen, hoe komt hier een
+wagen? Zou Army--? Maar neen, dan zou vader immers ook gekomen zijn."
+
+Zij schudde het hoofd, toen zij om het rijtuig heen liep; het was
+een jammerlijke oude kast, klaarblijkelijk een rijtuig uit het dorp.
+
+Zij trad het slot binnen en bleef opeens in de gang staan; het
+scheen haar toe, alsof zij stemmen en voetstappen hoorde. In de lange
+gewelfde gang schemerde het reeds, alleen viel op de breede treden
+een flauw schijnsel door de trapvensters, die met het groote portaal
+in verbinding stonden; aarzelend ging zij verder.
+
+"Gij hebt het immers niet anders gewild," hoorde zij de eenigszins
+barsche stem der oude barones zeggen, "tranen vind ik heusch geheel
+onnoodig, Cornelie."
+
+Tegelijkertijd vernam Liesje het ruischen van kleederen en lichte
+voetstappen; op de bovenste trede verscheen de oude barones, zich
+half omkeerende naar hare schoondochter en Nelly. Zij was in een oude
+fluweelen pels gewikkeld en het trotsche gelaat kwam even onbewegelijk
+als altijd uit de zwarte kanten sjaal, die zij om het hoofd geslagen
+had, te voorschijn.
+
+"Het is bezorgdheid voor u, mamaatje," sprak de jonge barones, "in
+dit weder! En gij zijt de ongemakken van het reizen niet meer gewoon."
+
+Reizen? Zij ging op reis? Een oogenblik vervulde een gevoel van
+blijdschap Liesje's hart.
+
+"De noodzakelijke gevolgen uwer handelwijze, Cornelie," klonk het
+terug, "heb intusschen geen zorg! Nog ben ik niet zoo zwak, dat ik---"
+
+"Het is te haastig opgekomen, mama, te schielijk."
+
+"Te haastig? Ik heb met ongeduld de oogenblikken geteld; het liefst
+was ik nog op hetzelfde oogenblik vertrokken."
+
+"Het valt mij onuitsprekelijk zwaar, u zonder verzoening te zien
+heengaan."
+
+"Ik meen, de verzoening het meest gezocht te hebben, men wilde
+mij echter niet verstaan. Denkt gij, dat het mij licht valt,
+heen te gaan? In dit oogenblik gevoel ik al het droevige er van,
+welke ellendige tijden ik hier ook beleefd heb. Maar blijven onder
+de voorwaarden, die de toekomstige heer van Derenberg mij stelde;
+blijven om een leven te leiden, zooals hij mij aanbood, om mijne
+grondbeginselen aan zijn nieuwe, zeker niet aristocratische begrippen
+ten offer te brengen--dat nooit! Ik ben nog uit de oude school:
+_Noblesse oblige!_"
+
+"Zij gaat om mij," fluisterde Liesje.
+
+"Ik geloof dat Army vertrok, in de zekere hoop, u nog weder te vinden,
+mama," smeekte hare schoondochter.
+
+De oude dame lachte luidkeels. "_Dio mio!_" riep zij. "Hij weet zeer
+goed, dat hij mij hier niet meer vindt, en het is zoo goed; ik wil
+hem niet weêr zien. Hij wijst een aanbod af, dat hem een schitterende
+loopbaan opent---"
+
+"Ik weet het," viel hare schoondochter in de rede, "de hertog--"
+
+"Geen woord meer!" gebood de barones; zij ging de trappen af.
+
+"Blijf gerust, mevrouw de barones!" zeide een bevende stem, en
+Liesje boog zich in de schemering voor haar. "Blijf, het is nog niet
+te laat; wanneer het zóó gesteld is, dan geef ik Army de vrijheid
+terug; ik wist immers niet, dat er zich nog een middel tot zijne
+redding had opgedaan---" Zij zweeg, en greep onwillekeurig naar de
+gebeeldhouwde leuning der trap. De donkere gestalte der oude dame
+voor haar week verschrikt terug; Nelly echter was met één sprong
+naast haars broeders bruid.
+
+"Wat zegt gij daar, Liesje?" vroeg zij, "wat wilt gij doen?"
+
+"Dat hadt gij vroeger moeten bedenken, mijn kind," zeide de oude dame
+bits, "nu kon uw beter doorzicht te laat komen."
+
+"Ik heb hem willen redden, hem helpen," antwoordde Liesje bedrukt,
+"maar nooit wilde ik zijn geluk in den weg staan.--O, het is zeker
+nog niet te laat, mevrouw de barones!" riep zij smeekend, toen de
+oude dame, het hoofd op hare trotsche, onnavolgbare wijze in den nek
+werpend, haar voorbij ging. "Blijf, tot hij komt, genadige vrouw;
+zeg hem, dat hij geenerlei verplichting jegens mij heeft! Ik zelf
+maak hem vrij, opdat hij elders het geluk vinde, dat ik hem toch niet
+geven kan. Hij heeft mij immers niet lief.--O, blijf, blijf!"
+
+De oude dame schudde de kleine bevende handen niet af, welke haar
+mantel vasthielden; zij stond als betooverd en staarde op het schoone
+gelaat, dat haar zoo ontsteld aanzag in het schemerachtige, sombere
+licht van den verdwijnenden winterdag. Hare trekken bleven onveranderd;
+geen spoor van medelijden met het beangstigde kind blonk in de schoone
+oogen, geen enkel woord kwam over hare lippen.
+
+
+
+Daar klonk een haastige, welbekende voetstap door het portaal, en
+in het schemerlicht van de gang verscheen een slanke, mannelijke
+gedaante. Het jonge meisje zag hem met brandend droge oogen
+tegemoet--kwam hij nog? Zou zij hem hier nog ontmoeten? Moest haar
+deze ure dan nog zwaarder gemaakt worden? Als wilde zij niets meer
+zien, om sterk te blijven, sloeg zij de handen voor het gezicht.
+
+"Wat gebeurt hier?" klonk haar zijne stem haastig en opgewonden in
+'t oor, "mijne verloofde weent?"
+
+Zijne verloofde! Wat deed dat woord haar onuitsprekelijk zeer--was
+zij toch maar weg van hier, duizend mijlen ver, om deze kwelling
+te ontvlieden.
+
+"Zij is verstandiger dan gij," antwoordde de oude dame, "nog ééns
+staat gij aan den kruisweg, want zij is bereid terug te treden--"
+
+"Omdat gij het haar aannemelijk gemaakt hebt?" vroeg hij morrend.
+
+"Neen, Army," kwam zijne moeder er tusschen, "Liesje hoorde toevallig,
+dat grootmama--"
+
+"Wat hebt gij gehoord, Liesje?" vroeg hij, zijn arm om haar heen
+slaande en zich tot haar nederbuigende; wat klonk zijne stem opeens
+teeder!
+
+Zij antwoordde niet, maar de tranen rolden haar nu uit de oogen over de
+teedere vingers, die nog altijd haar gelaat bedekten. Zij zag niet,
+hoe angstig hij haar aanschouwde; zij voelde alleen de brandende
+smart, dat zij hem toch nog moest laten gaan, dat zelfs een leven
+zonder liefde aan zijne zijde nog een paradijs was bij de ledigheid
+die haar wachtte, wanneer zij van hem afzag.
+
+"Liesje," smeekte hij, "kondt gij werkelijk zoo--zoo verstandig zijn,
+als grootmoeder zooeven beweerde?"
+
+Zij knikte.
+
+"Ja, ja!" snikte zij, al hare zelfbeheersching verzamelende, "ik wist
+immers niet, dat de hertog u helpen wilde, anders--och, anders was
+ik nooit hier aangekomen, om--ik geloofde--ik, ik alléén kon u redden."
+
+"Dat kunt gij ook," sprak hij zacht, "gij alleen kunt het, anders
+geen mensch op de gansche wijde wereld."
+
+Hij nam haar de handen voor het gezicht weg en zag haar in de
+betraande oogen.
+
+"Liesje, als gij wist, hoe ongerust ik over u geweest ben--"
+
+Zij schudde het hoofd.
+
+"Mij zweefden," ging hij voort, "onophoudelijk een paar treurige blauwe
+oogen voor den geest, en een lang verleden, droevige geschiedenis
+van twee even zulke blauwe oogen, die van kommer en harteleed
+gestorven zijn; als ik daaraan dacht, greep ontzetting mij aan,
+en mijn angst, mijn voorgevoel was niet ongegrond, bijna was ik te
+laat gekomen--nietwaar?"
+
+"Neen, neen Army; het is medelijden van u; gij weet niet, wat gij van
+u werpt; een schitterend leven, een grootsche loopbaan--laat mij! Nog
+is het niet te laat," smeekte zij.
+
+"Dwaas kind! ik weet zeer goed, wàt ik weiger, ik weet echter ook,
+wat ik daarvoor win--het beste, het edelste, het reinste, wat de
+wereld bezit."
+
+Het was stil geworden op de oude, gewelfde trap, stil en donker;
+beneden reed ratelend een wagen over den straatweg.--De laatste dag
+des jaars liep ten einde; wat zal het nieuwe brengen?
+
+
+
+
+
+Twintigste Hoofdstuk.
+
+
+De aarde stond in volle lentepracht. Het eerste jonge groen tooide boom
+en struik; in Ervings tuin bloeiden narcissen en vlier; de goudenregen
+boog zich over de haag, en de met roode bloemen prijkende takken van
+den hagedoorn hingen zwaar neder onder al hare bloemenpracht. In het
+park echter wiegde de zoele wind de jonge bladeren der lindeboomen, en
+kuste ieder grassprietje op de smaragdgroene weilanden, als wilde hij
+haar vertellen van nieuwen lust en nieuw leven. En nieuwe lust en nieuw
+leven verkondigde ook de waterstraal, die uit het oude zandsteenen
+bekken kristalhelder omhoog steeg, om ruischend en fonkelend weder
+neer te vallen. Evenals in lang verleden tijd, stond het portaal,
+met zijne massieve zware vleugeldeuren, wijd open, als wist het, dat
+spoedig, binnen weinige weken, de gelukkige slotheer zijn jonge schoone
+vrouw over den ouden drempel van zijn voorvaderlijk huis zou leiden;
+van de trappen van het bordes was het groene mostapijt verdwenen,
+en de beide oude beren zagen verwonderlijk trotsch uit onder een paar
+groote eiken kransen, die een schalksche hand hun op de eerwaardige
+hoofden gezet had.
+
+De lange reeks van vensters op het slot waren geopend; slechts voor
+enkele hingen zware gordijnen; deze vertrekken hadden geen behoefte aan
+de voorjaarszon, want hun bewoonster ontbrak; zij was weg, werkelijk
+weg. Geen spier in haar trotsch gelaat had getrild, toen zij op dien
+oudejaarsavond in het ellendige rijtuig steeg, dat haar wegvoerde van
+de plaats, die jaren lang haar tehuis was geweest. Koud en vluchtig
+hadden hare lippen op het voorhoofd van hare schoon- en kleindochter
+gerust; zij wist wel, dat daar boven in de schemering haar kleinzoon
+zich een geluk had verzekerd, bij welks glans al het andere verbleekte,
+en dat hare oogen verblindde--aldus besloot deze eenmaal zoo bewonderde
+ster hare rol, en toen zij het oude bordes voorbij reed, balde zij de
+fijne handen, terwijl Sanna zich snikkend uit den wagen boog--voorbij,
+voorbij! Wat zal háár het komende jaar brengen?
+
+En nu werd de jonge heer iederen dag terug verwacht. Hij was tot aan
+de overname van het landgoed op de bezittingen van een vriend geweest,
+om zonder tijdverlies zich met zijn werkkring bekend te maken. Daar
+boven in het kleine torenkamertje stond Nelly met den ouden Hendrik; de
+beide ronde vensters waren eveneens geopend; zij zag met een glimlach
+van geluk naar buiten over het park, en hare blikken bleven op de in
+'t zonnelicht fonkelende ramen van den papiermolen rustten, die als
+onder bloesems begraven lag.
+
+"Zie, Hendrik," riep zij, "nu weet ik ook, waarom mijn broeder schreef,
+dat wij juist deze kamer voor hem gereed moesten maken."
+
+"O ja, hier is een prachtig uitzicht," zeide de oude, met een
+beteekenisvol lachje op het gerimpelde gelaat; mijnheer de baron zal
+dit vertrek niet weer willen verlaten, wanneer hij er eens in woont."
+
+"Het is hier ook zoo wonderschoon!" riep Nelly, het kleine, ronde
+vertrek beschouwende; "hoe gezellig! en dan het uitzicht!"
+
+Hendrik schoof een paar ouderwetsche stoelen, die bij een klein
+sofatafeltje stonden, voor de honderste maal te recht; "en nu nog de
+eikenkransen buiten om de deur, genadige freule! Dan kan hij komen;
+dan is alles gereed, buiten en binnen; ik had toch niet gedacht,
+dat ik _dat_ nog beleven zou," eindigde hij en schudde vroolijk het
+grijze hoofd; "het gaat wonderlijk op de wereld, genadige freule! ja
+wonderlijk."
+
+Op den molen ging alles uiterlijk den ouden gang, alleen ontbrak
+sedert vele weken de huisvrouw; zij was met de zieke Bertha van den
+meesterknecht naar Italië vertrokken, maar zou spoedig terugkeeren,
+zooals het bericht luidde, gezond en sterk.
+
+Tante echter maakte zich bezorgd over haar lieveling; zij was naar
+hare meening een te stille bruid. Halve dagen lang, kon het meisje
+peinzend en droomend voor zich heen zien; het liefste zat zij alléén in
+haar kamertje en liet tante zich aftobben met de zware rollen linnen,
+die zij om te knippen en te naaien uit de oude kasten te voorschijn
+haalde. "Het is haar alles onverschillig," mompelde zij bedroefd,
+toen hare oogen over deze belangrijke schatten van iedere huishouding
+gleden. "Zij stelt geen belang in haar uitzet; het arme kind, zij mist
+zooveel; zij weet immers niet hoe het is, als iemand zijn schat zoo
+hartelijk liefheeft." Iederen avond echter, sedert dien oudejaarsdag,
+vouwden zich de oude handen tot een dankgebed, dat de oude barones
+weg was.
+
+Weder daalde een geurige, door de maan beschenen Mei-avond op de aarde
+neder, en weder zat de oude vrouw aan het venster van het kamertje,
+de handen gevouwen, en peinsde. Buiten ruischte weder het water op
+de bekende melodie; de oude klok sprak daartusschen haar eentonig
+tiktak en uit den hof klonk het gezang der dienstmeiden.
+
+"Waar is Liesje toch!" vroeg zij bij zich zelve. "Of hij ook geschreven
+heeft, wanneer hij komt?" Zij stond op en dribbelde uit de kamer;
+de stralen der maan dansten over het goede, oude gezicht en de
+sneeuwwitte muts. "Liesje! riep zij in de woonkamer--geen antwoord;
+zij keerde terug door de donkere gang, de trappen op. "Zij zal toch
+niet schreien?" dacht zij,--zij zag in het gezellige meisjeskamertje
+rond, nergens een spoor van de gezochte. Hoofdschuddend keerde zij
+zich om en richtte onwillekeurig hare schreden naar een andere deur;
+zacht opende zij deze; het maanlicht vervulde de kleine ruimte met
+een wit helder schijnsel, en in dit zilveren licht stond onbeweeglijk
+de liefelijke gestalte van het meisje, en zag door het venster naar
+buiten. Als vastgenageld bleef de oude vrouw staan, en staarde de
+zoo goed bekende verschijning aan: was het dan weder de tijd harer
+jeugd? Was het Lisette die daar stond?
+
+"Hij komt," jubelde een zachte stem, "hij komt. Ik heb het licht
+gezien." En vlug was Liesje de oude vrouw voorbijgeslopen, en toen
+als een liefelijke fee verdwenen.
+
+Waarlijk, daarboven flikkerde een licht in het torenkamertje;
+de oude vrouw hield zich vast aan het tafeltje bij het raam en
+tuurde naar de overzijde; de droom harer jeugd was weer ontwaakt;
+"Almachtige God!" zeide zij zacht en sloeg de handen in elkander,
+"droom ik dan, droom ik?"
+
+En toen moest zij naar beneden. Met aarzelende schreden verliet zij
+het huis; de tuin lag in het heldere maanlicht, een bedwelmende
+bloemengeur woei haar tegen; evenals in den lang, lang verleden
+tijd harer jeugd wandelde zij verder; de nachtegalen sloegen zoo
+vertrouwelijk, en van de overzijde van den weg klonk in bevende
+klanken het eentonig gezang der kikvorschen. Nu kwam zij aan het
+grindpad voor het priëel--waarlijk, daar binnen werd gefluisterd;
+zacht sloop zij naderbij, en boog de takken terug--daar zaten zij
+naast elkander op de bank; zij had den arm om zijn hals geslagen,
+terwijl zij haar gelaat aan zijne borst verborg, en hij kuste telkens
+en telkens. Nu hief zij het hoofd op, en in het heldere maanlicht,
+dat haar bestraalde, zag de oude vrouw een paar groote, blauwe oogen,
+die met de uitdrukking van het reinste geluk aan zijn gelaat hingen
+dat zich over haar heen boog.
+
+Behoedzaam liet zij de takken vallen en trad terug--zij had genoeg
+gezien. Zacht, zeer zacht ging zij het pad weder langs, en wischte nu
+en dan de oogen af met haar voorschoot. Onder de lindeboomen voor de
+huisdeur was het donker; zij zette zich op de zandsteenen bank neder
+en zag naar den tuin met gevouwen handen; en hare lippen prevelden
+een vurige dankzegging; wat zij nauwelijks had durven hopen, was
+waarheid geworden.
+
+Van de overzijde des waters klonk een heldere meisjesstem tusschen al
+de melodieën der lente door; een licht gewaad blonk in het maanlicht;
+al nader en nader kwam het gezang, en duidelijk klonk ieder woord in
+de ooren der oude vrouw:
+
+
+ "Stil naakt de liefde--als Lente doet,
+ Wen zij 't gebied herovert,--
+ Terwijl zij rozen, vol van gloed,
+ Aan dorre twijgen toovert.
+
+ Zij wekt de schoonste melodij
+ In 't hart, dat nog zoo even
+ Geen enk'le roos, geen schoone Mei
+ Meer had gehoopt in 't leven.
+
+
+"Liesje! Army!" riep zij luide in den tuin, toen zij onder de
+lindeboomen stond, "waar zijt gij?"
+
+Geen antwoord--alleen de nachtegalen vervolgden hun gezang.
+
+"Laat hen, Nelly," sprak een oude stem naast haar, en eene hand trok
+haar op de bank neder, "laat hen de lente genieten! Er waren reeds
+zoovele stormen, vóór hunne rozen konden bloeien."
+
+En het maanlicht trilde op de toppen der boomen; het water ruischte,
+en "God beware hun de rozen en de lente!" fluisterde de mond der oude
+vrouw, "de rozen en de lente!"
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+J. F. VAN DRUTEN te SNEEK, geeft mede uit:
+
+
+_Wilhelmina Heimburg_, UIT HET LEVEN MIJNER OUDE VRIENDIN, uit het
+Hoogduitsch door Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo,
+f 2,80.
+
+_Wilhelmina Heimburg_, HAAR EENIGE BROEDER, uit het Hoogduitsch door
+Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo., f 3,00.
+
+_Wilhelmina Heimburg_, WOUDBLOEMEN, uit het Hoogduitsch door Mevrouw
+_Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo, f 3,00.
+
+_Wilhelmina Heimburg_, VOORHEEN. Een viertal novellen, met kort
+Levensbericht en Portret van de Schrijfster, uit het Hoogduitsch door
+Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo f 2,75.
+
+_Wilhelmina Heimburg_, EEN ARM MEISJE, uit het Hoogduitsch door
+Mevrouw _Brugsma-Haenenberger_. Een deel in gr. 8vo, f 2,80.
+
+
+ 't Is een eenvoudige geschiedenis, maar de kennisneming
+ ten volle waardig en voor onze huiselijke leeskringen een
+ welkome aanwinst.
+
+ Hier geene onmogelijke of buitensporige karakters of verdachte
+ toestanden, maar menschen en omstandigheden, zooals men ze in
+ 't leven veelvuldig aantreft en in wier deugden en zwakheden we
+ ons zelven en onze vrienden herkennen en uit wier geschiedenis
+ we levenswijsheid kunnen leeren, terwijl de lezing ons een
+ aangename verpoozing schenkt.
+
+ .... Hoe dit alles ten einde loopt en onze heldin ten slotte
+ het geluk vindt, dat ze zoozeer waardig is, mogen we den
+ aanstaanden lezer niet verraden. Dat mocht te kort doen aan
+ het genoegen, dat we hem of haar bij de lezing met volle
+ vrijmoedigheid durven voorspellen.
+
+ _Tijdspiegel._
+
+
+ Dit werk kunnen wij voor leesgezelschappen niet genoeg
+ aanbevelen; ieder zal met voorliefde dit werk van Wilhelmina
+ Heimburg ter lezing vragen. De spanning wijkt onder het lezen
+ geen oogenblik, zonder dat daartoe eenig kunstmiddel behoeft
+ dienst te doen. De schrijfster weet zóó aardig te vertellen,
+ dat de roman in den smaak moet vallen bij elken minnaar van
+ romanliteratuur.
+
+ _Rotterd. Nieuwsblad._
+
+
+ Het werk is ten eenemale vrij van gezochtheid, terwijl het zich
+ ook door kiesheid van vorm en uitdrukking gunstig onderscheidt.
+
+ _Leeswijzer._
+
+
+ Wilhelmina Heimburg is eene der liefelijkste schrijfsters van
+ onzen tijd, en de wijze, waarop zij het vrouwenkarakter weet
+ te schilderen, geeft een bijzondere waarde aan hare verhalen.
+
+ _Kerkel. Courant._
+
+
+ Wilhelmina Heimburg wordt een geduchte concurrente voor
+ Marlitt, Werner en andere populaire Duitsche schrijfsters. Wij
+ voorspellen aan "Een arm meisje", vele lezers en vooral
+ lezeressen. De schrijfster gebruikt geen nieuwe motieven,
+ maar schrijft goed en met gevoel.
+
+ _Vaderland._
+
+
+ "Wilhelmina Heimburg heeft de gave zóó te vertellen, dat
+ men alles om zich heen vergeet. .... Zonder kunstmiddelen
+ weet zij de belangstelling te wekken en gaande te houden;
+ de toestanden waarin zij den lezer verplaatst, zijn altijd
+ _waar_ en _natuurlijk_."
+
+ _Portefeuille._
+
+
+_Josephine Bouberg Wilson-Giese_, DE KRING DER VAN DUIJVESTEINS. 2
+deelen in gr. 8vo, f 5,80.
+
+_Fayr Madoc_, DOKTER TRIAMOND. 2 deelen in gr. 8vo, f 5,20.
+
+_Felix Dahn_, DE KRUISVAARDERS. Eene vertelling uit de 13de eeuw,
+uit het Hoogduitsch door _J. Van Loenen Martinet_. 2 deelen in gr. 8vo
+f 4,90.
+
+ Aanbeveling behoeft het boek niet. De naam van schrijver en
+ vertaler doen reeds iets goeds verwachten, en die verwachting
+ wordt niet beschaamd. Ook hier zal men, de gemakkelijke
+ dialoog, de kernachtige karakter-beschrijving, de sobere,
+ schoone zinsbouw en de dichterlijke vlucht, waaraan Dahn
+ zijne lezers gewend heeft, terugvinden.
+
+ _Ind. Mercuur._
+
+
+ De vertelling--waarom niet roman--speelt in de vijfde
+ kruistocht, ondernomen door Frederik II met de hulp der
+ ridders van de Duitsche Orde. Freytag koos ook dat tijdvak
+ in een deel zijner _Voorouders_. Felix Dahn verplaatst ons,
+ met zijn groot talent, in het _Heilige Land_ en in _Tyrol_ en
+ voert daar personen ten tooneele, die ware portretten vormen
+ uit den zonderling bewogen tijd. Wij hebben met genot kennis
+ gemaakt met dit _aantrekkelijke_ en _onderhoudende_ boek.
+
+ _Kerkel. Courant._
+
+
+_George Taylor_, CLYTIA. Historische Roman uit de 16e eeuw, uit het
+Hoogduitsch door _J. Van Loenen Martinet_. Twee deelen, post 8vo,
+f 4,50. Geb. in twee prachtbanden f 5,80.
+
+ "Een der _degelijkste_, _krachtigste_, in meer dan één opzicht
+ _keurigste_ romans van den jongsten tijd, is het door den heer
+ J. Van Loenen Martinet in het Nederl. vertaalde werk "Clytia"
+ van George Taylor (Prof. D. Hausrath te Heidelberg). Ieder
+ ontwikkeld lezer zal erkennen hier te doen te hebben met
+ een _rijken inhoud_, die beheerscht wordt door een ernstigen
+ geest, een gelukkigen tact van groepeeren en een aangename
+ manier van vertellen."
+
+ _Hoofdartikel Zondagsbl. N. v. d. D._
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Liesje van den Lompenmolen, by W. Heimburg
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIESJE VAN DEN LOMPENMOLEN ***
+
+***** This file should be named 25495-8.txt or 25495-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/5/4/9/25495/
+
+Produced by Anna Tuinman, Branko Collin, Eline Visser,
+Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
+Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.