summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/24675-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '24675-8.txt')
-rw-r--r--24675-8.txt7278
1 files changed, 7278 insertions, 0 deletions
diff --git a/24675-8.txt b/24675-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..19b591c
--- /dev/null
+++ b/24675-8.txt
@@ -0,0 +1,7278 @@
+Project Gutenberg's Ontboezemingen, by Gabriël
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Ontboezemingen
+
+Author: Gabriël (AKA Carel van Nievelt)
+
+Release Date: February 23, 2008 [EBook #24675]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONTBOEZEMINGEN ***
+
+
+
+
+Produced by Branko Collin and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+ELK DEEL IS AFZONDERLIJK VERKRIJGBAAR
+
+GULDENS-EDITIE.
+
+ONTBOEZEMINGEN
+
+DOOR
+
+GABRIËL.
+
+ARNHEM, D. A. THIEME.
+
+DE PRIJS VAN ELK DEEL IS EEN GULDEN.
+
+
+
+
+ONTBOEZEMINGEN,
+
+DOOR
+
+GABRIËL.
+
+ARNHEM,
+
+D. A. THIEME.
+
+1869.
+
+Snelpersdruk van H. C. A. Thieme, te Nijmegen.
+
+AAN ZIJN BROEDER WILLIBALD.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+OP ZEE.
+
+ Bladz.
+BEREISDE LIEDEN 3.
+AFSCHEID 17.
+AAN DE NOORDZEE 20.
+EEN EERSTE STORM 25.
+PORTSMOUTH BINNEN 41.
+LONDON-BRIDGE 48.
+IN »POETS-CORNER" 51.
+IETS OVER DE ENGELSCHEN 56.
+RUZIE AAN BOORD 70.
+EEN KERSDAG 76.
+ONDER DE LINIE 81.
+DILETTANTISME 86.
+KOMEDIE-SPELEN 103.
+EEN DROOM 107.
+OM DEN ZUID 116.
+EEN SCHEEPSTAFEL 123.
+
+
+DE SLAMAT.
+
+ Bladz.
+
+ONTBOEZEMING VAN EEN »AMBTENAAR
+TER BESCHIKKING" 131.
+
+
+MINNEBRIEVEN.
+
+AAN NONNA FLORA 163.
+AAN TITANIA 169.
+SUZE 175.
+
+
+EEN BLIJSPEL.
+
+DE GETERGDE ZACHTMOEDIGHEID, OF,
+»'T SOP WAS DE KOOL NIET WAARD" 181.
+
+
+
+
+BEREISDE LIEDEN.
+
+EEN PROLOOG.
+
+ Strange! quoth I, debating the matter with myself,
+that one-and-twenty miles sailing, should
+give a man these rights.--
+
+ STERNE.
+
+
+Hebt ge wel eens een neef, of broêr, of vriend van een eerste zeereis
+zien t'huiskomen? Hebt ge, wanneer 't verdoolde schaap per Zierikzeesche
+boot zou arriveren, hem in dat Zeeuwsche stedeken opgewacht, en van dáár
+'t trajekt tot Rotterdam met hem zamen gemaakt?
+
+Zóó iets deed ik onlangs.
+
+De boot slingerde een weinig--doch mijn bereisde neef op 't achterdek
+aan 't wandelen, om te toonen hoe zeevast hij op de beenen stond. 't Was
+gloeijend heet--maar onverstoorbaar hield zich onze held buiten de
+beschuttende zonnetent, opdat 't middagvuur nog een laatste hand mogt
+leggen aan de roode kleur van gelaat en handen, waarop hij zoo trotsch
+was. Straks ging hij zitten--niet, gelijk een gewoon mensch, op een
+bank of krukje--neen, met roekelooze gratie zette zich de waaghals op 't
+ijzeren hekje naast de raderkast, en verrigtte er de ijzingwekkendste
+evolutiën, om toch een iegelijk de overtuiging te schenken, dat _hij_
+niet over boord vallen _kon_. Maar hij had geen rust: zijn koffers
+moesten nagezien worden: zijn koffers, waarop met enorme letters de
+namen van Batavia, Samarang, Tagal en Brouwershaven prijkten; een gesp
+werd losgemaakt en weêr aangetrokken, een touw werd versjord:--want men
+moest 't weten, dat die koffers met die uitheemsche etiquetten _hem_
+toebehoorden!--Aan de stad genaderd, kamde mijn brave zich den
+haveloozen vlasbaard wat uit, trok een norsch, regt cosmopolitisch
+gezigt, gaf zich zooveel mogelijk 't woeste air van een pas
+geretourneerden Marco Paolo, en stapte aan wal met den zwaaijenden gang
+van een op zee gewonnen en getogen zeebonk.--In zijn moeders woning
+geïnstalleerd, behield hij nog geruimen tijd de hebbelijkheid, van net
+te doen alsof hij in zijn geboortestad den weg niet meer kende; ja, wel
+een jaarlang ná zijn terugkomst, bleef hij, tot groot ongerief der
+huisgenooten, een gedecideerde antipathie aan den dag leggen tegen
+aardappelen, groenten, en dergelijke "Hollandsche burgerkosten"; terwijl
+hij zich schadeloos stelde door 't gebruik van aanzienlijke hoeveelheden
+drooge rijst, die hij, in de oogen zijner verbaasde medeaanzitters,
+oneetbaar maakte door toevoeging van _curry_, _lombok_, _sambal_,
+_trassi_, en meerdere zulke stankverspreidende ingrediënten, van wier
+genot--hoewel hij slechts weinig maanden in Indië had doorgebragt--hij
+gemoedelijkweg verzekerde, zijn maag niet meer te kunnen spenen.
+
+Vroeg men dien neef van mij, wat hij eigenlijk op zijn togten alzoo
+gezien had--dan wist hij bitter weinig meê te deelen.
+
+In 't eerst verwonderde mij dit, en vond ik 't zooveel te belagchelijker
+in hem, dat hij roemen dorst op een bereisdheid, waarvan hij blijkbaar
+zóó weinig vruchten had geplukt.
+
+Sedert ik echter zelf een uitstapje naar Java volbragt, leerde ik op 't
+humaanst den onschuldigen reizigerstrots van mijn goeden neef verklaren,
+en tevens de onmogelijkheid waarin hij zich bevond, om op de tallooze
+tot hem gerigte vragen steeds belangwekkende en romaneskklinkende
+antwoorden te geven.
+
+ * * * * *
+
+Er zijn er onder de landmenschen, die zich voorstellen, dat men op zoo'n
+zeereisje--naar Oost-Indië b.v.--al magtig veel te zien krijgt, en die u
+zonder schromen--gelijk wij onzen neef--voor stompzinnig en gevoelloos
+zullen uitmaken, wanneer ge, t'huiskomend, hun niet een menigte curieuse
+bijzonderheden kunt opdisschen. »Vertel ons toch--roepen ze--: hoe ziet
+de zee er uit; hoe hoog zijn de golven; wat eet men aan boord; ontmoet
+men soms zeeslangen en meerminnen; zijn de zilte wateren groen of blaauw
+gekleurd; heeft men ook last van kakkerlakken; braakt een vulkaan
+werkelijk rook en vlammen uit; is een haai heuschelijk zoo'n bloedgierig
+beest; speelt zoo'n scheepskapitein niet erg den bully; en is 't waar,
+dat damespassagiers altoos 't eerst aanleiding geven tot
+krakeelingen--?"--Andere daarentegen, zijn van meening, dat de drie of
+vier maanden aan boord doorgeworsteld, niet anders _kunnen_ opleveren,
+dan een vagevuur tusschen waken en slapen, bestaan en niet bestaan: een
+polaire winter voor ligchaam en geest, waarin geen zon verrijst dan 't
+noorderlicht van eten en drinken, en gedurende welken de mensch niet
+verstandiger zou kunnen doen, dan oogen en ooren sluiten, en in een
+beerehuid kruipen, om te slapen en zich op de duimen te zuigen.
+
+De ware opvatting ligt ook hier, gelijk elders, in 't midden.
+
+Zij, namelijk, die verwachten, op zee iets anders te zullen aanschouwen
+dan lucht en water, moeten zich, uit den aard der zaak, jammerlijk
+bedrogen vinden.--Voor den schilder, den dichter, den natuurminnaar,
+steekt in die woorden, _lucht en water_, een schat van onuitputtelijk
+schoon: zóó iemand ziet dan ook op zee veel meer, dan penseel of pen
+zouden kunnen teruggeven.--Doch wee hem, die, door een alledaagschen
+reis- en kijklust aangespoord, de bevrediging zijner manie op den
+breeden oceaan zou willen zoeken--: die man zal zich gruwelijk vervelen,
+en zijn domheid verwenschen, dat hij de vette weilanden en omwilgde
+slootjes van Holland verliet, om te gaan staren, dagen, weken, maanden
+lang, op een graauwen waterplas, voor _hem_ zoo doodsch en onbewoond,
+als de wolken die er óver drijven.
+
+Vooral op de reis van Holland naar Java beklaagt zich de min diepzinnige
+passagier over de weinige afwisseling, die de togt hem biedt.--Gedurende
+'t zeilen van Indië naar huis, ontmoet men verscheiden malen land, en
+doet 't somwijlen aan. Men passeert dan altijd 't Kaapland digt genoeg,
+om op 't Kaapsche rif naar kabeljaauw te kunnen angelen, en, onder 't
+kruisen, de sombere, in stormen gehulde bergen van Afrika's uithoek te
+kunnen bespieden; te St. Helena neemt 't schip gewoonlijk water in, en
+hebben de reizigers dus gelegenheid, om--'t zij mét of zonder behulp van
+den Engelschen sherry--in geestdrift te geraken bij 't leêge graf van
+den Corsicaanschen gier; kort daarop stuurt men Ascension rakelings
+voorbij; en krijgt ten slotte, als men niet tusschen de Hesperiden
+doorloopt, vaak nog een bergtop van de Azoren in 't oog.--Op de heenreis
+echter--als men ze voorspoedig maakt--geen zweem van dat alles. Juist,
+wanneer 't den nieuweling zoo aangenaam zou zijn: als hij slechts
+uitkijkt naar een ijsberg, een vulkaan, een onbewoond eiland--des noods
+een zaagvisch of cachelot--om zijn stervend dagboek met bladen vol
+schilderachtige beschrijvingen te verrijken----juist dan, niets van dat
+alles! Een armzalige haai, een verdwaalde walvisch, een kudde blazende
+»botskoppen", een vliegend vischje, een troep bruinvisschen of bonieten,
+wat albatrossen, »dominees", »bootsluî", »kleêrmakers", zwaluwen,
+Kaapsche duiven en boebi's[1]----nu ja, die visschen- en vogelwereld
+had hij zich kunnen voorstellen. Land wil hij zien: hooge bergen, verre
+kusten! Hij benijdt den Sindbad van vorige eeuwen, die, door schraalheid
+van water en proviand, _genoodzaakt_ werd, nu en dan 't anker neêr te
+laten; hij zou een ligten aanval van scheurbuik zegenen, waardoor 't
+binnenloopen in een verafgelegen haven onvermijdelijk werd; en hij bidt
+om een goedig orkaantje, dat zijn schip, met behoud van volk en lading,
+aan de kust van la Plata of Madagascar zou vastzetten. Te vergeefs tuurt
+hij aan den horizon naar Teneriffe's spitse piek; te vergeefs tracht
+zijn binocle de nevelen te doorboren, die de tuinen der Gelukkige
+Eilanden wreedelijk omsluijeren; 't bestaan van St. Helena blijft voor
+hem, niet minder dan dat van 't meer Kinibaloe, een punt van blind
+geloof; de Tafelberg eindelijk, weet hij, vertoont zich even zoo weinig
+als de Man in de Maan; en, »na zooveel leed en ommezwerven", zal hij
+zich niet mogen verheugen in den aanblik van zijn natuurlijk element,
+vóór zijn 't rondzien ontwend oog zich verkwikken zal aan 't donkergroen
+der eilanden, die sluimeren in Straat Soenda's schoot--als smaragden,
+los gestrooid in een bekken van kristal.
+
+ * * * * *
+
+Maar 't water--hoor ik vragen--de zee zelf, is zij niet oneindig rijk
+aan treffende verscheidenheden, onbeschrijflijk schoon in de majesteit
+van haar nooit rustende onmeetlijkheid! Is zij niet schoon, wanneer
+golven van dertig voet hoog haar met schuim gekroonde kammen doen
+sprankelen in de zon, als heuvelen van saffier: als nu eens 't hulkje
+wegtuimelt in 't warrelend golfdal--dan weêr----
+
+----Halt, jongeling--strijk uw wieken, wisch u 't dichterlijk angstzweet
+van de slapen! die Pegasus-ridjes naar 't verhevene maken doorgaans den
+ongelukkigen jockey tot een Icarus, en laten, per slot van rekening, den
+aanschouwer zoo koud als een Uranusbewoner!
+
+Ik antwoord u, o dichtlievend lezer, met de--woorden van een ander, zeer
+groot dichter--:
+
+»--------------'t is wel verheven,
+Altans, bij storm! doch ik verkoos de lieve dreven
+Der aarde in zoo'n geval. 't Verheevne wordt ook vrij
+Eentoonig ras, op zee, als in de poëzij."
+
+Wanneer men voor 't eerst aan boord stapt, voelt men zich vervuld van
+een kostelijk enthousiasme voor al wat golft en al wat drijft: men zou
+de peregrinaties van een notedop in een stroopflap kunnen vereeuwigen.
+Getrouwelijk beschrijft men dan ook een eersten storm, mitsgaders de
+poëtische gewaarwordingen, die zoo'n phenomenon in 's menschen boezem
+doet ontbranden.
+
+Edoch, zoodra men eenmaal de stereotype termen van: _klepperende
+touwen_, _loeijende vlagen_, _schuimende wateren_, _donderende
+stortzeeën_, _ratelende bliksemslagen_, en wat dies meer zij, in
+behoorlijke volgorde heeft opééngestapeld--ontwaart men, tot zijn niet
+geringe spijt, dat van een zoo grootsch natuurverschijnsel weinig anders
+te bezingen overblijft, dan de veelmeer in 't oog vallende kleine
+jammeren, die er onvermijdelijk uit voortvloeijen, en die alras den
+rijksten schat van poëzie doen verkeeren tot een hoopje druipend,
+bibberend, diep ongelukkig proza--: als daar zijn: _zeezieke heeren_,
+_zieltogende dames_, _benaauwde hutten_, _door lekwater bedorven
+beddegoed_, _gebroken wijnglazen_, _omgesmeten soepterrienen_,
+_druipnatte matrozen_, _gemelijke stuurlui_, _ongenaakbare kapiteins_,
+en _dronken hofmeesters met builen op 't hoofd_.
+
+Van dáár dan ook, dat geen stormbeschrijving ooit zóó treffend en
+waarachtig gegeven is, als die van den Schoolmeester: want waarlijk--hoe
+grootsch en verheven een onstuimige zee den landbewoner, die haar van
+rots of duin overziet, moge toeschijnen--van een schip bekeken, levert
+ze, met al haar bovengemelden stoet van rampen, zelfs den
+stoutstgewiekten hoogvlieger zóó weinig stof tot geestverheffing, dat de
+enthousiast, die haar met woorden prijzen _wil_, daartoe geen veiliger
+weg kan inslaan dan dien van een aangename parodie. En, wat 't
+onmogelijke en onwaarschijnlijke van zoo'n geparodieerde schilderij
+betreft--men geloove mij, dat zelfs 't dansen van quadrilles met de
+inboorlingen van een onbewoond eiland, in werkelijkheid minder
+onwaarschijnlijk is, dan de vervoering, waarin sommige jeugdige
+dagboekschrijvers voorgeven te geraken, wanneer ze van door hen
+bijgewoonde stormen een tafereel gaan ophangen.
+
+ * * * * *
+
+Kan men dus over 't geheel zeggen, dat bereisdheid ter zee den bezitter
+weinig regt geeft tot zelfverheffing--bereisdheid te land mag daartoe
+evenmin een voorwendsel zijn.
+
+Vroeger, ja--toen men den rid van Londen naar Edinburgh (»_God
+willing_") in drie weken volbragt, was zoo'n togt werkelijk een
+_landreis_. Maar nu, dat men in minder uren dan toen dagen denzelfden
+afstand doorloopt, en gedurende dien tijd geen enkele maal _land_ onder
+de voeten krijgt--nu kan toch de reiziger, die een poos lang op de
+banken van een spoorwegwaggon zat te suffen, moeijelijk spreken van de
+ondervinding die hij op zijn togten opdeed, en van 't vele vreemde dat
+hij in de door hem doortrokken oorden ontmoette.--Een landreis per
+dampwagen is als een zeereis per stoomboot: 't meesterstuk--of
+monsterstuk--van menschelijke vinding, verschrikt de dieren in 't veld
+en de visschen in den schoot der wateren; doet alle natuurschoon
+wegvlieden van voor zijn verschroeijenden adem; verwerkt heuvelen en
+bergen tot afzigtelijk praktische kolenschuren, en zal weldra de reine
+Muse van poëzie en schoonheidsgevoel in de lompen steken van een
+geldverdienende, met roet besmeerde fabriekarbeidster[2].
+
+De éénige landreiziger, die, mijns inziens, nog op bereisdheid bogen
+mag, d. i. die met regt beweren kan, van een land en zijn bewoners iets
+gezien te hebben--is niet hij, die in één dag naar Parijs, en van dáár,
+in drie dagen, naar Moskou stoomt----'t is de _rara avis_, die waarlijk
+_voor zijn pleizier_ reist: de gemoedelijke trekvogel, die, op jonge
+beenen, met een jolig makker aan den arm, den knapzak op den rug, en een
+paar tientjes in de beurs, zijn Geldersch of Rhijnlandsch voetreisje
+maakt.--Deze alléén ziet veel, en »kan ook wat verhalen": hij doorkruist
+de steden, die onze moderne vliegreiziger slechts in de verte als
+hoopjes huizen bespeurt; hij spreekt en leeft met de menschen, die de
+ander als schimmen aan den weg naauw opmerkt. Hij alléén ziet veel:
+omdat hij tijd en lust heeft, in den aard der zaken dóór te dringen;
+terwijl de spoorwegman, in een eeuwig rammelenden roes van 't eene
+station naar 't andere rennend, niet anders kan, dan met Mundungus en
+Smelfungus uitroepen: »_'t is all barren!_"
+
+ * * * * *
+
+Bereisde lieden!--Zie ze er op aan, als ge kunt--onze hedendaagsche
+cosmopolieten! Misschien zult ge aan zekere stijfheid in de knieën den
+man erkennen, die zijn halve leven in een treinwaggon heeft
+doorgebragt;--maar zoek bij hem geen forschgeharde trekken, geen
+vrolijken levensmoed, geen diepe menschen- en wereldkennis meer.
+
+Bereisde lieden!--Ik herinner me, op een mijner mailtogten een
+_commis-voyageur_ ontmoet te hebben, zóó een verwaand en ploertig
+individu, als één zijner ambtgenooten 't ooit was. Die man had twee
+reizen naar de Vereenigde Staten en Californië, twee naar Indië en
+Australië, en even zoovele naar China en Japan gemaakt: hij had meer van
+onzen aardkloot gezien dan een Cook of Bontekoe--maar, met zijn vettige
+bakbaardjes, zijn bleeke gelaatskleur en stijve witte dasjes, geleek hij
+juist zooveel op een wereldburger als mijn goede catechiseermeester
+zaliger.--Een andermaal sprak ik een oude Jufvrouw, die mij vertelde:
+hoe ze te Calcutta geboren, te Melbourne opgevoed, en in Schotland
+gehuwd was; hoe ze in Kaapstad sedert had geleefd, en nu, bij haar
+familie te Padang, rustig haar levenseind hoopte af te wachten. 't
+Mensch toonde voor 't overige, in doen en laten, niet de minste
+superioriteit boven een gewone Delftsche stovenzetster--!
+
+Zulke voorbeelden hebben in _mij_ al spoedig den ontluikenden
+bereisdheidstrots gefnuikt.
+
+ * * * * *
+
+En toch, toch, goedgunstig lezer--ben ook _ik_ niet geheel vrij van dien
+trots: ik kan hem in anderen en mezelf verklaren en door de vingers
+zien.
+
+Wie beseft niet den roem die er in ligt, _bereisd_ te heeten--zij 't dan
+ook per spoortrein of stoomboot! Wie boog nooit onder den hartstogt die
+den aspirantwereldburger aandrijft: om _veel_ te zien, of liever,
+om--hoe oppervlakkig--_velerlei_ te zien! »_That craving desire, natural
+to untravelled men of fresh and lively minds, to see strange lands, and
+to visit scenes famous in history or fable._" Wie, in 't kort, reisde
+nooit tot voldoening van zijn _ijdelheid_--!
+
+Er blijft ons ook van langverleden omzwervingen zoo'n zoete,
+dichterlijke herinnering bij, die ons onwillekeurig 't hoofd doet
+opheffen. De reis, met al haar verveling, met haar bezwaren en
+vermoeijenissen, schuift men op den achtergrond: hitte en koû, gebrek en
+ongemak zijn vergeten. Maar vóóraan op 't schouwtooneel des geheugens
+opent zich in nevelig zachten kleurendos een panorama van 't schoone en
+liefelijke, van 't vreemde en boeijende--hoe weinig ook--dat men
+aanschouwde. Van 't gloeijend Oosten herinnert men zich slechts
+palmboschjes en zwartoogige feeën, van 't barre Noorden ziet men slechts
+sombere sparrewouden, met donzige sneeuw omzoomd, en bevolkt door de
+blonde nymphenwereld die de verbeelding zoo gaarne rond den warmen haard
+'t leven roept.--Men heeft te Rio de Janeiro drie weken met averij
+gelegen--: men denkt er niet aan, hoe warm 't daar was, en hoe duur, en
+hoe afschuwelijk 't logies, en hoe onaangenaam de bevolking;--men
+gelooft slechts aan dien éénen avond, toen men schelpen zocht aan 't
+zeestrand, en de zon zoo prachtig onderging over de bergen en wouden van
+'t onmeetlijk Brazilië. De mailroute heeft men afgelegd van Suez naar
+Alexandrië--: men weet niet meer van de wolken stofs, die mond en neus
+en ooren vullen, noch van de smerige Arabieren waarmeê men zamen in een
+beestewagen werd gestopt;--men ziet droomend slechts de vale woestijn,
+die Israël doortrok, de luchtspiegelingen, en de witte zandheuvels--dan,
+plotseling oprijzend als uit een zee van groen, de koepels en minarets
+van 't groot Caïro; men ziet den Nijl, en de Pyramiden, en de Delta, en
+'t klassiek Alexandrië----tot verbeelding en herinnering elkaâr de hand
+reiken, om uit de dorre Oostersche werkelijkheid den schat van
+Oostersche poëzij te verwekken, die ons in 't Bijbelsch geschiedverhaal
+en in de sprookjes der Duizend-en-Een-Nacht zoo onverklaarbaar boeit en
+meêsleept.
+
+En als men dan is teruggekeerd in den sleur van 't dagelijksch
+leven--dan bewaart men voor zichzelf een rijk en leerzaam souvenir, dat
+de tijd aldóór tot liefelijker vormen afrondt.--En voor anderen?
+Welnu--voor anderen heet men een man van ondervinding, en mag, zoo
+nederig weg, in schrijven en spreken, den »bereisden Roel," den »Heer
+Jurriaan" uithangen, door 't éénig magtwoord: _ik ben er geweest_.--Ja,
+men neme 't hoe men wil--schoon 't reizen ter zee en te land in onzen
+tijd een ware oude-vrijsters-bezigheid is geworden; schoon er
+tegenwoordig meer moed toe noodig is, van zijn huis naar zijn bureau te
+kuijeren--als wanneer men nog blootstaat aan accidenten met rijtuigen
+en dakpannen--dan om een mailtogt naar China te aanvaarden----toch zal
+'t, om _dat_ magtwoord alléén zelfs bij overigens redelijke wezens, een
+toppunt van glorie en zelfvoldoening blijven, den evenmensch te kunnen
+toeroepen: »_ik_ heb mijn oog laten weiden, mijn vleeschelijk oog, over
+landouwen, die gij, huismusch, achter uw moeders kagchel gezeten,
+slechts als stipjes op de wereldkaart bekeken hebt!"
+
+O, ijdelheid der ijdelheden!
+
+ * * * * *
+
+Zeker!--En ook ik, Gabriël, beken volgaarne mijn zwakheid in dit opzigt.
+
+Hebben we niet--broêr Willibald en ik--ons eerste uitstapje naar London
+gemaakt, grootendeels met 't doel, onszelf te mogen opblazen bij de
+gedachte, de zee overgestoken, en op transoceanischen bodem den voet te
+hebben gezet!--Herinnert ge u nog, broêr Willibald, hoe we wandelden
+door de groote wereldstad--wij, jongens in jaren, maar toch moedig,
+onbeschroomd, soms roekeloos! Hoe we er rondzwierven, terend op een pint
+_stout_ en een _mutton-chop_--overal heen--vol verachting voor
+hoofdstraten en omnibussen--_per pedes apostolorum_--geen hol ons te
+donker, geen steeg ons te naauw: opdat we toch met regt er ons op zouden
+kunnen beroemen, »dat we gansch London met voeten gemeten hadden"--!
+
+Besloot _ik_ niet later, bij mijn vertrek uit Indië, met de mail te
+reizen: vooreerst, om spoediger t'huis te zijn, doch, hoofdzakelijk, om
+ééns met een _suprême dédain_ op allen te kunnen neêrzien, die niet, als
+ik, een zeker aantal punten van den aardbol met eigen zolen hebben
+gedrukt!--En zelfs _nu_, terwijl ik deze bekentenis neêrschrijf--heeft
+'t niet al den schijn, of ik mezelf slechts beschuldig, om ongestraft
+alweêr dezelfde dwaasheid te mogen begaan, en--quasi een fout
+opbiechtend--enkel de gelegenheid beoog, aan een iegelijk te vertellen:
+hoe ik, nog zóó jeugdig, reeds te Singapore heb ananas gegeten, te
+Pointe-de-Galles topazen van Candy gekocht, te Aden een regiment
+Fellah's ontmoet, te Suez uit een echte _chibouk_ echten _Ratakia_
+gerookt, in de woestijn te vergeefs naar manna en kwakkelen gezocht, te
+Caïro de moskee van Mehemed-Ali betreden, te Messina mij aan
+_Marsala_-wijn berauscht, te Massilia _Notre-dame-de-la-Garde_ bestegen,
+te Arles de dochters der Phoeniciërs, en te Avignon 't Pauselijk kasteel
+bewonderd, te Dijon _Bourgogne_ gedronken, te Parijs _'t Quartier Latin_
+bezocht--ja, te St. Quentin voor 't eerst artisjokken geproefd heb--!
+
+ * * * * *
+
+IJdelheid der ijdelheden!--Nogmaals en nogmaals galmen we 't den
+ijdelsten aller koningen na.
+
+Doch, daar we minder wijs--hoewel misschien wat verstandiger en
+liefderijker zijn, dan de wijze Joodsche despoot--zoo vergeven we
+onszelf en den naaste ook _deze_ kleine ijdelheid, laten elk in vrede
+zijn stokpaardje berijden, en zegenen voor 't minst hierin onze dorre
+eeuw van stoom- en dommekrachten: dat ze aan elk de gelegenheid biedt,
+om op zijn wijs _bereisd_ te heeten.
+
+[Footnote 1: Ik weet niet, onder welke namen Cuvier en Buffon de
+bovenstaande vogels geclassificeerd hebben; ik laat hen dus de titels
+behouden, die ik hun de zeelui hoorde geven.--Al deze knapen kan men
+gemakkelijk door middel van spek en hoek betrappen--behalve de
+professionele heeren. Inzonderheid de vogel »dominee" staat als een
+toonbeeld van bedachtzaamheid bekend--»voorzigtig gelijk de slangen"; en
+de oudste matrozen herinneren zich niet, dat een dergelijk weleerwaard
+dier zich ooit door den lust der zinnen--den omspekten angel--heeft
+laten verlokken;--Toch, beweert men, zitten ze dik in 't vleesch en warm
+in de vêeren.--Zoodra een Albatros of Kaapsche duif levend aan boord
+komt, wordt hij zeeziek, geeft teekenen van onpasselijkheid, en eindigt,
+met, op zeer menschelijke wijs, zijn maag te ontlasten.]
+
+[Footnote 2: Men vergeve mij deze indirekte lofrede op »de dagen van
+Olim"; doch men sta mij toe, mét mijn oudoom, den organist, en mijn
+oudtante, de met zes dochters gezegende domineesweduwe, van meening te
+zijn: dat we, én 't tegenwoordig verval van de kunst, én den weinigen
+trouwlust onzer huwbare jonge mannen, voor een groot deel te wijten
+hebben aan den gaarkokenden, ziel- en ligchaamcreosoterenden invloed van
+stoom en kolendamp.]
+
+
+
+
+AFSCHEID.
+
+(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
+
+Vaterland! dich musst' ich jung verlassen.--
+
+ »JOSEPH."
+
+
+_Andante affettuoso._
+
+'t Anker werd geligt; de breede lappen werden bijgezet; met een zacht
+briesje dreven we langzaam de zee te gemoet.--De wind nam toe; we gleden
+voorbij de vuurtorens, voorbij ton en baak----nog weinig oogenblikken,
+en Hollands kust zou uit ons oog verdwenen zijn.
+
+ * * * * *
+
+Ik zat, en tuurde naar de verre oeverkanten.
+
+De lucht hing zwoel en dampig, de zee lag kalm en vriendelijk: 't was de
+ziekelijke kalmte van een dier slaperige, half heldere, half mistige
+herfstdagen, die over alles een waas spreiden van kwijnende
+lusteloosheid. Mat en glansloos stond de ondergaande najaarszon aan den
+melkkleurigen hemel: ze straalde niet, ze verborg zich ook niet--doch
+met den glimlach eener stervende scheen ze weemoedig op ons neêr te
+zien, alsof ook zij afscheid nam, en zich terugtrok uit een vreugdeloos
+leven.--Had een orkaan mij door de haren geblazen, had een tropische
+gloed mij de wangen gebrand--'t ware mij liever geweest: onder storm en
+bliksem, als een Vliegende Hollander gedreven, had ik mijn vaderland
+willen verlaten! Maar nu--die slappe koelte, die slechts aarzelend de
+zeilen vulde; die dof glinsterende golfjes, die mij, den nieuweling, zoo
+vreedzaam lonkend welkom heetten--o, 't was of hun kruipende tred mij
+grafwaarts voerde!
+
+Wat zou ze met mij doen, de magtige Zee? Zou ze mij brengen naar een
+land van leven en arbeid, waar ten minste een stoffelijk fortuin en een
+rijke natuur mij de ballingschap zouden verzoeten;--of, naar een land
+van heimwee, en nieuwe, ongedeelde beproeving? Zou ze mij later _nog
+eens_ liefderijk opnemen, en me, zielsverlangend, terugdragen naar 't
+ouderlijk huis;--of, zou ze mij achterlaten in 't verre oord, om mij
+slechts troost en rust te gunnen in 't graf van den vreemdeling--?--Ja,
+had ik Ulieden bij me--gij, die me altoos liever waart dan ziel en
+zaligheid!--met wat vreugd zou ik haar begroeten, die wijde zee; met wat
+vervoering zou ik uitroepen: »_Thalatta, Thalatta, sei mir gegrüsst!_"
+Dan zou geen vreemdelingschap mij hard vallen; ik zou den geboortegrond
+weinig betreuren: want, gelijk de dagen vele zijn, dat droeve mist en
+regen dien bodem omhullen--zóó waren ook talrijk de zorgen, die mijn
+jonkheid er doorworstelen moest. Vol moed en levenslust zouden we zamen
+'t nieuwe leven zijn ingetreden: ligt toch, dat we elders wat meer zon
+en vreugd vonden, dan onder den karigen hemel dien we vaarwel zeiden.
+Ook op den breeden Oceaan, ook in de wildernissen van 't verre Oosten,
+zouden we, in elkaârs stem en blik, in elkaârs warmen handdruk, alles
+blijven vinden wat 't leven ons kostelijks schonk; ook dáár zouden
+liefde en huislijke vrede ons een _t'huis_ hebben geschapen.------Maar
+gij zijt achtergebleven--en ik ben alléén gegaan; alléén ben ik:
+vrijwillig banneling, voor een weinig geld, dat ik altoos
+verachtte!--Moeder, en broêr, en zuster--waar zijt gij! Neen--staat niet
+vóór me als schimmen uit 't verleden, als spookgestalten van beminde
+dooden! We dachten immers ten beste te handelen; 't was immers goed en
+noodig, dat ik heenging, om in den vreemde 't brood te zoeken dat 't
+vaderland mij scheen te weigeren; 't was goed en noodig, dat ik den
+zoeten band verbrak, die ons als één deed leven en ademen; dat ik
+opwaakte uit de droomen en spelen mijner jeugd, om te gaan arbeiden voor
+ons aller toekomst. Verwijt 't mij dan niet, dat ik uw woning gemaakt
+heb als een sterfhuis, waarin er één gemist wordt, die wég is, voor
+jaren, jaren--misschien voor altijd! En is er een plaats ledig aan den
+disch, is de kleine kring gebroken rond den haard--o, moeder, schrei
+niet, tob niet; lach, wees vrolijk--doe, wat ikzelf te vergeefs zal
+trachten: vergeet en hoop!
+
+ * * * * *
+
+Zóó zat ik, en tuurde.--En toen ik uit mijn mijmering ontwaakte, waren
+de oude vuurtorens niet meer daar; doch, door den nevel mijner tranen,
+zag ik--een kleurloos uitspansel en een loodgraauwe zee--lucht en
+water--niets meer!
+
+ * * * * *
+
+Daar klinkt een schorre kreet--»hip hip hip, hoera!"--De laatste baak is
+gepasseerd--»welkom, welkom in zee!"--De kapitein houdt een speech,
+waarin hij spreekt van »eendragt, sympathie, wederzijdsche hoogachting
+en onderling vertrouwen"; de stuurluî volgen, tot bootsman en hofmeester
+toe--alles geeft handjes en wenscht een voorspoedige reis. En roode- en
+rhijnwijn gaan rond, likeuren, bitter en madeira: men klinkt en drinkt,
+men lacht en joolt, en neemt de zaak luchtig op: een overbevolkt moeras
+heeft men immers verlaten--een eeuwig bloeijenden lusthof gaat men te
+gemoet----o zoete waan!--Doch _ik_ wist beter.--Wel nam ik den wijn, en
+klonk en dronk;--maar ik was niet vrolijk, moederlief--vrolijk was
+Gabriël niet.
+
+ October 1865.
+
+
+
+
+AAN DE NOORDZEE.
+
+Heil dir! du junge Königin!
+
+ HEINE.
+
+
+Pomposo e con brio.
+
+Ook U is de kroon der poësie ontroofd, Zee van mijn Vaderland! Ook gij
+zijt niet meer die ge vroeger waart: vroeger, toen 't Godendom troonde
+over de wonderen uwer diepte; als uw strand weêrgalmde van vreugdekreten
+uit Gladheim en Asgard's Reuzenstoet uit peuren toog aan uw oevers, of
+konijnen strikte in uw duin.
+
+Wie heeft de Helden der Edda verstrooid? Wie heeft Krakèn opgeschrikt
+van uit uw afgrond, en Jormungandr[3] uw kolken doen verlaten?--Was 't
+Thor met zijn moker, of Hymer met zijn vischhoek?
+
+De mensch, die worm der schepping, heeft zich meester gemaakt van uw
+gebied; met de Runenspreuken zijns vernufts heeft hij uw golven getemd;
+met den bezem zijner beschaving heeft hij Goden en Monsters weggevaagd,
+tot aan 't uiterste einde van 't bevrozen Thule.--Waar eertijds de
+Weefzang der Walkyren uw strand deed daveren--klinkt thans 't ruischend
+maatgeluid van Botgorschek's kapel; waar, in angst en strijd, de woeste
+Kaninefaat zijn terpen bouwde--ziet men badkoetsjes rijden in zee, en
+schoone dames, lagchend en gerust, zich flodderend vermeijen in uw
+versterkend nat. Waar toen, de fiere Zeekoning zijn met roof beladen
+hulkje zag te gronde gaan, waar de stoute wereldveroveraar zijn beste
+gaven offerde om uw woede te bezweren--vliegen nu, trots wind en
+stroomen, trots Monsters en Goden, duizend scherpgekielde vaartuigen, uw
+golven doorklievend, en spottend met uw verloren grootheid--als waart ge
+niet sterker dan 't plasje, waarop kinderen spelevaren.
+
+ * * * * *
+
+Ja, de kroon der poësie is U ontroofd!
+
+ * * * * *
+
+Maar treur niet, Zee van 't Noorden, treur niet: want een andere kroon
+is U opgezet.
+
+Aanzie wat ge waart in de dagen van Hymer en Thor; aanzie ook wat ge
+_nu_ zijt!--: Zijt ge niet, meer dan toen, de eerste, de Koninginne
+onder de zeeën!--Van dáár, waar ge de Landhoofden vaneenscheidt, om een
+doortogt te banen voor de boden, van weelde en beschaving--tot aan den
+breeden zoom, waar ge, spokend langs Noorweêgs klipgevaarten,
+tezaâmvloeit met de graauwe wateren der ijzige Poolzee--zijt ge niet
+overal 't middenpunt, dat de volkeren van wijd-en-zijd tot zich trekt!
+
+Wél is der Goden veste in puin gevallen;--maar zijn niet de hoofdzetels
+der menschen, zijn niet London en Harwich, Brouwershaven en Katwijk
+verrezen aan uw oevers!--Wél wascht niet meer uw branding eens Odin's
+doorluchtig voetenpaar;--doch hebben niet andere godjes, hebben niet
+Victoria en Napoleon III, Bismarck en Heemstra hun gansche goddelijk
+ligchaam in uw zilt gedompeld!--Wél is der Noren brandfakkel
+uitgebluscht;--maar hebben niet Tromp en de Ruijter, Merrimac en Monitor
+'t lot der natiën beslist op uw vlakte!--Wél verstomde voor goed der
+Skalden harpgetokkel;--maar heeft niet Heinrich Heine u bezongen,
+Noordzee--en ben _ik_ niet bezig uw lof te verkonden, ik, Gabriël--ik!
+
+ * * * * *
+
+En nog wreekt ge U soms, ondankbare, op den mensch, die U den eerelauwer
+rond de slapen vlocht! Nog, wanneer een bode van 't Noordwesten U uit
+den doodslaap wekt, en U heimelijk tijding influistert van de verbannen
+Goden daarginds----trilt en hijgt uw boezem bij de herinnering; dan
+jaagt de toorn nijdige rimpels over uw fronsend voorhoofd; dan staat gij
+op, in blinde woede, en beukt 't schamel bolwerk dat ge opwierpt tegen U
+zelf; of vergrijpt U aan goed en leven van den armen visscher, die van
+Goden noch Godinnen weet.
+
+Zelfs op _mij_ schijnt ge heden vergramd te zijn, omdat ik U spreken
+dorst van langvervlogen heerlijkheid: zelfs _mijn_ barkje schudt en
+schommelt ge, als kon 't zwakke ding 't gebeteren, dat Thor, Thor niet
+meer is.--Zeg, Noordzee--is dát 't loon voor mijn lofzang; betaalt gij
+zóó uw barden, dat ge hen zeeziek maakt!
+
+Toch heb ik U lief, Zee van mijn Vaderland; sombere schoone, met uw
+sluijer van nevel en mist! Moeder van Hollands rijkdom, Schutgodin van
+Engelands magt--ik heb U lief! En ter uwer eere heb ik dit lied
+aangeheven, zamen met de luide stem van den wind die me U te gemoet
+voert!
+
+Want schoon zijt ge nog--als in de ure, toen Caligula schelpjes zamelde
+aan uw strand. En is ook de Krakèn tot panharing geworden, en de
+Zeeslang tot kabeljaauw--toch blijft Gij immer nog de Magtige, de
+Gevreesde, de Hooggeprezene--eeuwig, eeuwig--zoolang er water zal zijn
+in uw bed, en zand aan uw oevers!
+
+Zee van mijn duinen--ik heb U lief!
+
+ October, 1865.
+
+
+
+
+EEN EERSTE STORM.
+
+(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
+
+
+
+I.
+
+Captain, quoth he, for Heaven's sake, let us get ashore.
+
+ STERNE.
+
+
+We zaten nog vrij laat bij elkaâr, in dien gedenkwaardigen nacht van 24
+op 25 October. Reeds driemaal was Judocus sluikelings in zijn kooi
+gekropen, en had geronkt als de Hond der Zeven Slapers; maar ook
+driemaal reeds had men hem er bij de ooren weêr uitgetrokken; een pijp
+was hem in den mond en een glas onder den neus gestopt; zóó, dampend en
+gapend alle drie, als Etna, Hekla en Vesuvius, hadden we ons nog een
+uurtje verplaatst in 't oude Delftsche leven, en voor korten tijd 't
+vreemde en onhuislijke van onzen toestand vergeten.
+
+»Jongen," riep Josua, bij 't goênachtwenschen, »'k mag lijden dat we
+toch ook 'reis een storm bijwonen!"--»O wee," kermde Judocus, van achter
+'t kooigordijntje--.
+
+»_Glücklich der Mann, der den Haven erreicht hat,_
+_Und hinter sich liesz das Meer und die Stürme,_
+_Und jetzo warm und ruhig sitzt_
+_Im guten Rathskeller zu Bremen._"
+
+Vijf minuten daarna sliepen we als regtvaardigen, snorkten als
+bandieten, en droomden als poëten bij maneschijn.
+
+ * * * * *
+
+Naauw hadden we zoo, in volle gerustheid des gewetens, een zekeren tijd
+geslapen, gesnorkt en gedroomd,--lang kon 't niet wezen, want onze
+kajuitslamp brandde nog,--toen ik, Gabriël, gewekt werd door----ja, door
+iets dat me wakker maakte; ik luister: een onbeschrijflijke mengeling
+van trommelvliesscheurende klanken vult mijn oor;--daar volgt een
+slag--een gerinkel als van brekend glas;--ik spring mijn kooi uit, loop
+naar de tafel, en--zie daar vooreerst Josua, juist 't zelfde doende wat
+ik deed, d. w. z.: zich angstig vastklemmend aan 't deurtje van zijn
+hut, en in 't wilde rondstarend als een uitgebroken Meerenberger.
+
+De gewenschte storm was gekomen. De woeste Favonius had zich losgerukt
+van Labrador's ijsvelden, en had, de zee beroerend, en over onze
+»Meermin" blazend, in ons tusschendek al dadelijk een verwarring te weeg
+gebragt, waarvan ik niet gemakkelijk een denkbeeld geven kan.
+
+Een vreeselijk kraken overstemde elk ander geluid: knarsend en donderend
+ging 't bij iedere schommeling door de planken beschotten van ons
+lokaal. We konden ons dus niet dan door schreeuwen verstaanbaar maken;
+doch, waren onze ooren ons van weinig dienst--we zagen beiden nog zeer
+goed uit de oogen, en--wat we zagen was verschrikkelijk. Alles lag 't
+onderst boven: koffers en kisten bonsten tegen elkaâr--want nog niemand
+had er aan gedacht, de noodige klampjes te slaan--, een flesch jenever
+was met eenige glazen van 't schommelbord geslagen, en had 't geklimper
+veroorzaakt, dat ons deed ontwaken; stoelen en pijpen, boeken en
+inktkokers hotsten in bonte mengeling dooreen; daar was een rollen en
+rommelen, een glijden en glibberen, een wippen en wiggelen, een stooten
+en stommelen--als waren de gebroeders Davenport met al hun klopgeesten
+los. Bij alle krachten en resultanten--hier had Galileï zijn hellend
+vlak kunnen bestuderen! Zelfs Judocus was uit zijn kooi gejoept, en
+wedijverde in rolvermogen met zijn wijnkist en vuillinnen-mand!--We
+trachten een-en-ander wat op te rapen, de koffers vast te zetten, en 't
+breekbaar tuig in veiligheid te stellen. Josua bemerkte tot zijn vreugd,
+dat de schiedammerflesch aan alle schokken had weêrstand geboden; in de
+gaauwigheid vergewiste hij zich tevens van den inhoud, en bevond ook
+dien onveranderd. Ikzelf redde nog, juist bij tijds, mijn vioolkist en
+huisapotheek van een wissen en noodlottigen val. Dat alles hield ons wel
+een half uur bezig; we waren koud en slaperig, en oordeelden 't dus
+best, 't voorbeeld van Judocus te volgen, die, met ware Oost-Friesche
+kalmte, besloten had, 't hem beschoren fatum liever liggend dan staand
+te blijven afwachten;----maar, toen ik mijn bed wil instappen, trap ik
+in een killen waterplas: ik vloek, zie rond,--hemel, hebben we een lek
+gemaakt, gaan we te gronde!--neen, Goden en Tritons: 't receptaculum van
+mijn waschwater is omgevallen, de daarin besloten vloeistof heeft zich
+naar alle kanten een weg gebaand, besprenkelt mijn legerstede, doorweekt
+mijn sloffen, en deelt zich overvloediglijk mede aan mijn kleêren, die,
+mét 't krukje waarop ik ze neêrlegde, zijn omgesmeten--!
+
+»Geduld is zulk een schoone zaak"!--Juist, mijn brave Sancte Hieronyme,
+uw kindervaersjens zijn allerliefst, wat ook de Genestet en onze
+geëmancipeerde schooljeugd er van zeggen--maar, als ge mij de daarin
+vervatte waarheden toen waart komen voorrijmelen, geloof ik, dat ik U,
+ondanks mijn ouderwetschen wansmaak, met uw vermakelijken »bondel
+gedichtjens," regt smakelijk om de ooren had geslagen--!
+
+ * * * * *
+
+'s Morgens vonden we den wind naar 't Zuidwesten geloopen, doch in
+hevigheid nog toegenomen. We kleedden ons zoo goed mogelijk, en klommen
+naar boven.--Dáár wachtte ons een prachtig schouwspel.
+
+De zee stond hol, en vloog met stoute golven te loever aan.--Hoe ze
+steigeren en ploffen door elkaâr, jagend voortgestuwd door den magtigen
+Zuidwester; als rollende zandheuvels, stuivend en door een onderaardsche
+kracht geschud, vormen ze dalen en puntig opschietende toppen; dreunend
+beuken ze den zwakken scheepswand; werpen keer-op-keer den in schuim
+gehulden boegspriet ten hemel, of doen den scherpen voorsteven wegzinken
+in den kuil, dien ze zooeven berghoog vulden!--Hoe klein vond ik alles
+aan boord, hoe nietig 't gansche trotsche zeekasteel! Maar hoe groot en
+sterk scheen me, in anderen en mijzelf, de mensch die 't naar zijn wil
+bestuurde: hoe dacht me de man aan 't roer een held; hoe straalde er
+moed uit die kloeke, harde trekken; hoe lustig en bezig waren ze allen,
+als voelden ze zich nu eerst op hun plaats! En ook _mijn_ aanzijn als
+»Koning der Schepselen »gevoelde ik sterker en magtiger dan ooit: want
+ook _ik_ had moed, ook ik was rustig en vertrouwend te midden der woeste
+wateren--gelijk een kind, in moeders armen gewiegd! O, 't was wel zooals
+ik verwacht had: die omgeving deed mij goed. Dat huilen van den wind,
+die geheel bewogen natuur rondom mij, 't opwekkend denkbeeld aan
+mogelijk gevaar--alles prikkelde mijn verbeelding, en deed mijn bloed
+weêr eens warm en jeugdig vloeijen--ja, voor de eerste maal sints 't
+smartlijk scheiden, zweeg de stem van knagend heimwee in mijn borst, en
+voelde ik een fantastische, half onzinnige vreugd, dat ik mijn
+moederlijk huis verlaten had: een vreugd, zooals ze Robinson Crusoe moet
+bezield hebben, toen hij voor 't eerst zich op de groene golven naar de
+verre kust zijner droomen zag heengedragen.--Lang stond ik zóó, me
+vastklemmend aan een touw. En ik telde 't niet, dat de storm me bijna
+omblies, en dat plassen zeewater mij in 't gezigt spatten--: opgetogen,
+boven al 't aardsche verheven, was 't me of ik dien mast had kunnen
+omrukken; of _ik_ 't was, die den wind gebood, en de golven wenkte, en
+als meester bevel voerde over den strijd der elementen--!
+
+ * * * * *
+
+Eilaas--»stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren."
+
+Ik smaakte pas in al zijn volheid 't aetherisch genot van een ongestoord
+bewonderen der worstelende natuurkrachten--toen een hoogst stoffelijk
+voorval mij tot mezelf en de stoffelijke wereld terugriep.
+
+Mijn waardige Judocus, die reeds den vorigen dag zich heel onwel had
+gevoeld, kwam doodsbleek en stervensbenaauwd op de campagne gekropen,
+met 't loffelijk voornemen, om, in vertrouwelijke overgave des harten,
+zijn maag en gemoed eens uit te storten aan den boezem zelf van de hem
+teisterende baren. Juist wilde hij zich over de leuning
+bukken----boem--daar vliegt hem een opspattende zee in 't gezigt, en
+slaat hem, van 't hoofd tot de voeten doornat, terug.--»Hel en dood!"
+vloekte de patiënt.--»Bravissimo!" lachten de omstanders.--»Voelt u zich
+niet wat frisscher nu?" spotte Hupman, die zelf te beroerd was dat hij
+op de beenen stond;--Judocus bromde iets afgrijselijk woedends tusschen
+de tanden, en--bibberend van koû en katterigheid zette hij zich op 't
+kippenhok, om wat bij te komen.--»Wil ik je wat eten boven brengen?"
+vroeg _ik_ toen, welmeenend, doch misschien op wat al te meêwarigen
+toon.--»Stik-jij!" siste hij nijdig.--Kort daarop, na 't trekken van
+eenige allerakeligste gezigten, zag men onzen held langs touwen en
+hekjes naar omlaag scharrelen--om, in zijn kooi, 't voorbeeld van
+zooveel andere braven na te volgen.
+
+ * * * * *
+
+Mij dunkt--ik hoor een afkeurend gemompel onder mijn lezers opgaan, als
+ik met zoo weinig mededoogen spreek van een kwaal, waarvan ik zelf,
+boven verwachting, ben verschoond gebleven. Doch 't is nu eenmaal
+bekend, dat zeeziekte nimmer doodelijk kan zijn--welke overtuiging
+oorzaak is, dat men, onder zeeluî, op een zeezieke ongeveer evenveel
+acht slaat als op een krandjang suiker in 't ruim;--en, van dit beginsel
+uitgaande, ziet men er minder bezwaar in--mits men zelf frisch en gezond
+blijft--een weinig aan _schadenfreude_ toe te geven, en aan een neiging
+tot lagchen ten koste van hen, die, gister nog zoo vol beweging, zoo
+onbevreesd en levenslustig--nu, bleek, doodsbenaauwd, als zooveel
+zieltogenden erbij neêrliggen.
+
+Wáár bleef--vraagt men--toch de reddende kracht van de heerlijke
+probaten, die men, bij stil weêr, als onfeilbaar roemde--? Wáár was die
+heer met zijn gordel rond de maagstreek; wáár die andere met zijn gift
+_A qua Laur. cer._; wáár die bereisde dame met haar zakje zout en
+saffraan--?--Wij, Josua en ik, kenden geen enkel van die magtige
+radicalen; ons zou geen _aqua mirabilis_ sterken; geen _specificium_ uit
+Grootmoeders recepteboek zou ons wapenen tegen de aanvallen van de
+jammerlijkste aller misselijkheden;--en juist dáárom bleven we zoo
+gezond, meende Josua, in zijn overmoed;--hoe dat ook zij, 't was ons
+geen kleine triomf, dat we pal stonden in 't barnen der gevaren--wij,
+buiten de bemanning, naar 't scheen, de eenige levende zielen aan boord:
+want alle passagiers, zelfs de reeds bevaren en dóórvaren Grogmeijer
+inclus, waren naar kooi--zóó hevig was 't stampen.--Hoe kwam 't, dat we
+zelf niets voelden; waren onze hoofden en magen zóó ijzersterk?--»Ik zal
+'t je zeggen," riep Josua; en, na eenige algemeene waarheden, aangaande
+maagschudding, spijsvertering en keelverwarming te hebben vooropgezet,
+begon hij, met een zaakkennis, den apothekerszoon waardig, de draden
+zijner hypothese uit te spinnen, en besprak breedvoerig, met den Doktor
+en mij, zijn zoo versch gevormde stellingen ter beantwoording van de
+groote vraag: hoe de gevreesde zeeziekte te bekampen? Hij hield zich in
+hoofdzaak vast aan 't herhaald toedienen van een dosis
+pommeranzen-spiritus, met moutwijn verdund, _quantum sufficit_, en, om
+de twee à drie uren, in evenwigt gehouden door een stevige gift brood,
+ham, snert of ossetong.
+
+Ik voor mij geloof--indien mij, na 't door Josua betoogde, nog iets
+anders te gelooven mag overblijven--dat niets de zeeziekte kan voorkomen
+of tegengaan, indien 't gestel er vatbaar voor is; en ik ben 't in dit
+opzigt volmaakt ééns met Lepidus--spitsvondiger gedachtenis--die,
+tusschen de buitjes van eigen ongesteldheid door, tot heil der
+menschheid en der wetenschap, allergeestigst en juist meende te moeten
+in 't midden brengen: »hoe _zijn_ ondervinding hem had geleerd, dat men,
+in den regel, de minste gevallen van zeeziekte zag voorkomen onder zulke
+personen, dewelke 't zich tot wet hadden gesteld, hun togten niet buiten
+'t gebied van een met voeten begaanbaren vasten bodem uit te
+strekken."--Zóóveel is zeker, dat 't vóórnoemd behoedmiddel, als 't
+éénig afdoend, mij der vermelding waardig schijnt. Wél mag men 't
+verstandig gebruik van geestrijke dranken en mager voedsel, en 't
+voortdurend verblijf in de open lucht als heilzaam aanraden--edoch, hier
+vooral zal de leer gemakkelijker dan de toepassing bevonden worden:
+want, is de ziekte u eenmaal in maag en hoofd geslagen--ge moogt eten
+wat ge wilt--ham of brood, tong of snert--'t zal u alles opbreken als
+den goeden Sancho de wonderbalsem van Ridder Fierabras--; zoodat, uit de
+tien lijders, negen de gansche schoone theorie van Josua zullen in den
+wind slaan: _niet_ zullen eten, _niet_ drinken--maar te kooi gaan
+liggen, akelig doen, en zichzelf met zee en schip naar den duivel
+wenschen.
+
+
+
+II.
+
+ Mercy on us!--We split, we split------
+--------------------------------
+ Now would I give a thousand furlongs of sea
+for an acre of barren ground: long heath, brown
+furze, any thing; the wills above be done! but I
+would fain die a dry death.
+
+ SHAKSPEARE.
+
+
+Wederom vier-en-twintig uren vervlogen!--wat zeg ik--met den gang van
+een door jicht en podagra verlamde huisjesslak, waren ze ons tergend
+voorbijgekropen, en, spottend met ons snelzeilend clipperschip en onze
+voortvarende wenschen, had hun trage vlugt ons niets gebragt, dan regen,
+koû en snerpend guren tegenwind.
+
+ * * * * *
+
+En 't was Zondag heden, de derde dien we aan boord zouden doorbrengen--:
+Zondag, de lieve Sabbathdag, dien men eerst regt leert op prijs stellen,
+als men zes lange dagen gespit en gezwoegd heeft in den onvruchtbaren
+wijngaard des levens.
+
+Maar voor ons was de Zondag geen dag van welverdiende en welbestede
+rust. Wél had de tweede stuurman, die een dandy was, zijn haren gekamd,
+en, van onder zijn gevulcaniseerden regenjas, een paar duim schoon
+linnen doen uitgluren;--doch de onvermoeibare Zuidwester blies er niet
+minder om: de wind en golven weten niet van Christelijke feestdagen: de
+Natuur, in haar koude onverbiddelijkheid, volbrengt haar taak, in spijt
+van menschelijke belangen en menschelijke aandoeningen: zij rust en
+arbeidt, zij bouwt op en vernietigt--alsof ze den dwerg niet kende, die
+zich »Heer der Schepping" durft noemen.
+
+Zoo moesten we ook heden kruisen, gelijk gister en eergister; en, zou
+geen psalmtoon ons tegenruischen, geen klokgebrom ons tempelwaarts
+roepen--de magtige stem van den orkaan zou ons stichten, en ons des
+Heeren lof voorzingen, met toonen, die weêrklank vinden in 't diepst der
+ziele!
+
+ * * * * *
+
+Mijn slaap was onrustig geweest--of liever, ik had niet geslapen: de
+hevige schommeling, 't vreeselijk razen van wind en golven, 't kraken
+van 't houtwerk, en 't onophoudelijk schreeuwen, smijten en bonsen, dat
+de snel opeenvolgende manoeuvres vergezelde, dreven ver van ons de kans
+tot 't genieten van die zoetste aller verkwikkingen.--Ik stond daarom
+bij tijds op, en ging aan 't dek.
+
+De zon rees juist boven de kim, en kleurde 't stormachtig zwerk met den
+vurigen blos harer eerste stralen. Er hing een zware, zwarte nimbus in
+'t Westen, die, bloedrood verlicht, voor den wind optrok, de zon te
+gemoet--als een van toorn gloeijende reus, ten strijde snellend tegen de
+Koninginne des Daags. Loodgraauw spiegelde zich 't dreigend gevaarte in
+den ziedenden golfkuil; als met vuur en diamanten overgoot Phoebus de
+toppen der stuivende brekers--: 't was of de magten van licht en
+duisternis optogen, om elkaâr te vernietigen, hoog boven 't bruisend
+slagveld van wind en wateren. En zie--waar de zwarte wolkenmassa in
+schuinvallende regenstrepen zich scheen vast te hechten aan den
+horizon--teekenden zich, scherp en dreigend als ijsbergen, de witte
+krijtklippen van Engelands zuidkust.
+
+Hoe zal ik weêrgeven wat ik gevoelde in die ure! Ik vreesde niet--neen,
+mijn hart was te vol--daar was geen plaats voor angst of vreeze in mijn
+boezem;--ik bewonderde, ik aanbad--ik gaf mijn lot over in de handen van
+mijn Schepper, met 't innig vertrouwen, met de blijde, ontembare,
+zelfverloochenende vervoering, die de aangrijpende poësie van 't
+verhevene in ons doet spreken, en die ons--helaas, voor een oogenblik
+slechts--waarlijk doet zijn wat Hij ons maakte: »een weinig minder dan
+de Engelen."--Ik vreesde niet;--maar dan ook--dacht ik weêr aan mijn
+huis, aan mijn moeder en hen die ik lief had, en die ik misschien niet
+zou weêrzien--: want er was gevaar: dáár, op geringen afstand, was de
+kust; de vuren van Wight flikkerden bleek doch helder in 't morgenlicht;
+wit als sneeuw omschuimde een kokende branding de rotsen, die, zonder
+Gods hulp, straks onze lijken zouden opvangen en terugwerpen.
+
+»Josua," sprak ik, half lagchend, half bevend, terwijl ik hem naar
+beneden volgde, om een weinig mijn kleêren te droogen--"Josua,
+onbedachtzame sterveling, uw boude wensen is vervuld: _nu_ wonen we een
+storm bij." Doch Josua antwoordde niet op mijn gedwongen
+aardigheid;--Josua zette zich neêr, plat op den grond, en kroop weg
+achter den grooten mast, om geen gevaar te loopen, een losrakend
+voorwerp op de teenen te krijgen.
+
+Plotseling doet een donderend gekraak ons ineenkrimpen; de splinters
+hout vliegen door 't vertrek, en 't weinige dat nog was blijven staan,
+rolt ons tegen 't lijf. Daar wordt ons luik opengerukt: de tweede
+stuurman valt meer dan hij loopt naar omlaag--»we zijn naar de haaijen!"
+roept hij, en de verwilderde blikken van een paar kerels die hem
+volgen, schijnen niet veel beters te zeggen.--Groote God, we hebben
+gestooten!--Ik spring op;----o, ik was bedaard--maar, pijnlijk als een
+hartewond, doorvlijmde mij inwendig de schok van een nog ongekenden
+doodsangst;--ik zie rond: Josua is verdwenen; onwillekeurig vlieg ik
+mijn hut binnen: ik woû mijn geld en papieren bij me steken--dan zou ik
+een reddingsboei pakken--ik kon zwemmen--of neen, liever zou ik mij in
+de boot trachten te bergen--als er maar plaats was--en niet de hooge
+deining----
+ ----»Gabriël, hier, help meê!" klinkt op eens de stem van
+Josua----------
+ ----dát bragt
+me tot bezinning;--»lafaard", sprak mijn hart, »zijt ge alléén
+hier--wilt ge uzelf 't eerst helpen--voelt ge niet in u de kracht van
+een man, om met de mannen meê te werken, en te redden wat ge kunt--?"
+En de gedachte aan nonna Flora, en aan Kareltje en Josephientje gaf me
+den moed van een Frans Naerebout;--haar, hen allen te redden--met haar
+in de armen de branding te doorklieven, en den lieven bezwijmden last
+aan land en leven weêr te geven----dan naar Gretna-green--een hutje in
+de bergen--met haar, met haar te wonen tusschen de _dens_ en
+_glens_ van Rob Roy's »_Land o' Cakes_"----!
+
+Gelukkig werd mijn heroïsme niet op zóó zware proef gesteld.
+
+'t Bleek alras, dat--ofschoon er wezenlijk gevaar bestond--de roep erger
+was geweest dan de daad.--Een der groote ijzeren waterketels was over de
+klampen heengegleden, had een planken beschot dóórgerammeld, en was
+tegen den wand van 't schip geraakt, met een schok, die 't ergste deed
+vermoeden; hij stond nu los, en een tweede hevige beweging kon hem doen
+terugvallen, om met dubbele vaart, en zeker met noodlottig gevolg, tegen
+de andere zijde te botsen.--Hier was spoedige hulp noodig. Al 't volk
+dat aan de zeilen kon gemist worden, bragt blokken hout bijeen, die voor
+den losgeschoven ketel werden opgestapeld; elk die kon, droeg aan; en,
+zóó duurde 't geen tien minuten, of 't gevaar voor een tweede buiteling
+was voorkomen.
+
+ * * * * *
+
+Ná dit voorval scheen de storm eenigzins te bedaren--een voorkomendheid
+zijnerzijds, waarvan men menigvuldiger in Fransche melodramas dan in de
+werkelijkheid staaltjes aantreft. De golfslag evenwel verminderde niet,
+en maakte onzen toestand nog immer hoogst bedenkelijk. En, wat slimmer
+was: 't schip had door 't hevig stampen en door dien stoot in de ribben
+een lek bekomen, zóó erg, dat 't volk onophoudelijk aan de pompen moest
+staan.--Dit laatste was dan ook de beslissende slag. Van 't voortzetten
+der reis kon geen sprake zijn. Janmaat werd naar achter geroepen; en,
+met algemeene stemmen--voor zoover die gehoord werden--besloot onze
+scheepsraad, de naaste Engelsche haven, Portsmouth, binnen te loopen, om
+dáár, indien 't oordeel van heeren reeders en assurantiers conform zou
+luiden, onze zwaar geteisterde arke in 't drooge dok te doen halen, te
+doen lossen, kalefateren, koperen en verder repareren.
+
+Ik zal niet naar woorden zoeken om te beschrijven, wat al klaagliederen,
+ja, verwenschingen er, na 't vernemen van dit besluit, uit de
+heiligdommen der familiehutten werden opgezonden tegen de hemelsche en
+aardsche magten, die ons zoo jammerlijk van streek hadden geleid;--neen,
+'t barsche stormgeloei versmoort al die uitroepen van pygmeïsche
+verbittering. Wij hooren 't dan ook niet, hoe Grogmeijer buldert: »dat
+hij voor Batavia passage heeft betaald, en niet voor een Engelsche
+kolenhaven"; hoe de Majoor zijn ega troost, die zoo bang is voor de
+winterkoû, en voor dronken Engelsche matrozen; hoe Lepidus zweert bij
+zijn penaten, dat hij zijn promotie zal missen, en zijn neef Asinus hem
+zal voorgaan; hoe Hupman en Judocus, nonna Coba en nonna Keetje----doch
+neen, nogmaals neen--we hooren 't niet: de zang van den storm
+alleen--niet 't gejank dier teleurgestelde myrmidonen--is onzer aandacht
+waardig.
+
+ * * * * *
+
+En, was nu met dit alles de maat van onzen rampspoed vol?
+
+Neen, lezer--ik zal 't u verhalen, hoe dezelfde storm, niet tevreden, 't
+kaartenhuis onzer plannen en berekeningen te hebben omgeblazen, zich
+bovendien nog aan onze personen en roerende goederen vergreep: hoe hij,
+weinig oogenblikken ná 't houden van den scheepsraad, terwijl men begon
+koers te zetten naar Portsmouth, en wij, arme passagiers van 't
+tusschendek, om een weinig lucht in ons vunzig hol te doen stroomen,
+even 't luik hadden opengemaakt--een stortzee bij ons binnenjoeg, die 't
+water een voet hoog in onze kerk en hutten neêrplaste, bij de hevige
+beweging van 't schip in ons lokaal op- en afspoelde, en alles wat ligt
+genoeg was, kleêren, schoenen, enz. op den vloed deed wegdrijven.
+
+Men lacht om zulke voorvallen, als men droog en warm bij 't vuur zit;
+en, ik beken 't--'t zijn geen rampen, waarvoor men een extra-gebed
+behoeft te doen aflezen, of een dames-commissie en
+liefdadigheids-loterij behoeft in 't leven te roepen;--maar zie, toch is
+'t niet om te lagchen, ten minste voor hem, die op dat
+oogenblik--terwijl 't water hem over de knieën spat, en hij te vergeefs
+tracht zijn evenwigt te bewaren op de steigerende, glibberige
+planken--die, zeg ik, rillend van koû en blazend van ergernis, zijn
+éénigen jas en broek uitwringt; zijn sigaarkistjes dobberend ziet op de
+baren van een in zijn hut woedend Zirknitzer-meer; en, erger dan ooit,
+wanhopen moet aan 't behoud van zijn boeken en kleêren, slechts van 't
+nat gescheiden door den dunnen wand van een houten koffer--!
+
+Nog werd, terzelfder gelegenheid en door de eigen stortzee, een drietal
+jeugdige biggen over boord geslagen; en 't droevig lot dezer in den
+bloei huns levens weggerukte viervoetigen, ontlokte aan aller mond de
+hartelijkste betuigingen van sympathie en deelneming.--»Bl..........
+stommerik!" schold de kapitein den timmerman, daar hij 't hok niet vast
+genoeg gesjord had.--»Verduiveld jammer!" meende 't echtelijk paar der
+Grogmeijers.--»_Schade, schade!_" zuchtte Fräulein Einheit, die veel
+hield van worst zonder trichinen.--»_Kasihan!_"[4] lispelde nonna Flora,
+toen de angstkreet der drenkelingen in de verte wegstierf--»_Kasihan_,
+stomme diertjes!"--En _ik_ zweer, Hoogvliet's goddelijke lankmoedigheid
+had met eigen mond dat _kasihan_ niet zachter, niet gevoelvoller, niet
+lankmoediger kunnen uitspreken, dan 't klonk van de rozelippen mijner
+zoete nonna Flora!--Gelukkige biggen, nog te jong om uw geluk te
+beseffen----om harentwille, om nonna Flora's wille, wijd ook de nooit
+spek etende Gabriël u een traan, en snuit, weemoedig snikkend, zijn
+verkouden neus--u, biggetjes, en uwer arme zielen ten requiem--!
+
+ * * * * *
+
+Intusschen beletteden zóó talrijke en veelzijdige aandoeningen ons niet,
+dien nacht, geruster dan den vorigen, ons bedwaarts te
+begeven.--Morpheus ontfermde zich over onze vermoeide ledematen. Aeolus
+over ons afgebeuld clipperschip; en 't gulden ochtendrood vond ons
+veilig voor Spithead ten anker.
+
+ November, 1865.
+
+
+
+
+PORTSMOUTH BINNEN.
+
+(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
+
+
+_The road of Spithead._--Van hier, dacht ik, zeilden Marryat's
+_midshipmen_ uit, om er--na 't verrigten van tallooze exploiten tegen
+Franschen en Hollanders, en 't stoven van onnoemelijke koolen aan hun
+wettig gestelde superieuren--met lauweren gekroond terug te keeren. O,
+schim van Percival Keene, en gij, veelgetrouwe Jacob Eerlijk--hoe
+benijdenswaard was uwlieder lot op aarde: gij, die als contrabande of
+als vondelingen werdt in 't leven geschopt, en voor wien uw schepper
+toch steeds rijkdom, rang en een lieve vrouw in 't vat hield--!--En ik,
+Gabriël, van onberispelijke ouders, onder een welwillende constellatie
+geboren, met de bevalligste talenten toegerust--ik, Gabriël, die nooit
+schulden maakte, nooit bloed vergoot, en nooit jongejufvrouwen den
+zielenvrede stal--zie mij gedwongen, in den gehaten Oost een sober
+bestaan te zoeken--ja, moest onlangs juist dáárom, _mirabile
+dictu!_--ofschoon ik niet aan den drank, doch gereformeerd ben, en geen
+knevels, doch nette blonde bakbaardjes draag--bij een dom burgerkind,
+dat ik met mijn naam, rang en traktement--van mijn persoon sprak ik
+niet--'reis regt gelukkig woû maken, een ijskoud blaauwtje
+oploopen.--»Wee mij," riep ik, in de bitterheid mijner ziele--»wee
+mij!--Gerrit Witse mogt wenschen, een stommeling te zijn--en hij had
+regt. Doch ik, Gabriël, die een stommeling _ben_--ik zou kunnen bidden:
+och, dat ik een Carlo Moor, een Gustaaf de Losbol--dat ik een Percival
+Keene, een Jacob Eerlijk--och, dat ik een romanheld ware!"
+
+ * * * * *
+
+Onder deze en dergelijke hartverscheurende overdenkingen, wandelde ik,
+half wakend, half droomend, de campagne op en af; en niemand kan
+berekenen, tot welke gruwelijk antisociale gevolgtrekkingen mijn
+alleenspraak me zou geleid hebben, noch, in hoe korten tijd mijn geest,
+zoo speculerend, van Spithead tot aan Tawaï-Poenamoe was
+verdwaald--indien niet tijdig mijn aandacht ware afgetrokken door de
+machine, die, steunend en blazend, onze »Meermin" van de buitenreê naar
+de haven ging slepen.--Ik schudde den nevel mijner overpeinzingen van
+me, en overtuigde mij alras, dat mijn vleeschelijk oog, meer nog dan
+mijn geestelijk, hier stof tot opmerking kon vinden.
+
+ * * * * *
+
+'t Was een regt levendig panorama, dat zich vóór en rondom ons
+uitstrekte. Vrolijk scheen de winterzon over de tot rust gebragte
+wateren, lustig dreunde 't geschut van batterij en oorlogsbrik--de
+kogels huppelden over de golven, gelijk steentjes waarmeê we als jongens
+den vijver scheerden; en honderd bonte vlaggen wapperden van steng en
+gaffel, als zooveel huldetolken van de verschillende natiën, die aan
+Albion's kust een veilige schuilplaats hadden gevonden.
+
+Toch stonden de aangezigten onzer scheepsgenooten droeviger dan ooit:
+hun oproerige woede van gister had, even als de storm, uitgeraasd, om
+plaats te maken voor een stille, mokkende onderwerping, die zich 't
+duidelijkst--in een somber, dreigend, onheilbroeijend, angstverwekkend
+zwijgen, had geopenbaard, toen de kapitein, gedurende 't ontbijt, op
+officiëlen toon had meêgedeeld, 't geen elk reeds wist doch niemand
+hooren wilde, namelijk, dat, volgens artikel _zooveel_ van de
+scheepvaartwet: »de passagiers van een schip gehouden zijn, op eigen
+kosten een onderkomen aan den wal te zoeken, ingeval en gedurende den
+tijd, dat meergemelde bodem in eenige haven wegens averij binnenloopt en
+vertoeft."
+
+Voorloopig had wel de Heer Hupman--geconfijt, als hij was, in
+staatsbladen--velen onzer gerustgesteld met de aanhaling van zeker
+Koninklijk Besluit, waarbij, in dergelijke eventualiteiten, aan
+gouvernementspassagiers een tegemoetkoming van f 10.--'s daags wordt
+toegestaan--edoch, niet allen waren zoo gelukkig den rang van
+landsambtenaar te bekleeden--ergo: niet allen zouden de behulpzame hand
+mogen vatten, die een moederlijk bezorgde Regering hier, bij
+uitzondering, slechts haren goede en getrouwe dienstknechten meende te
+moeten toereiken. Daar was Fräulein Einheit, particuliere, wier geheel
+Hessisch vaderland bij verkoop niet zóóveel zou opbrengen, als zij in 't
+dure Engeland zou moeten verteren; en Mevrouw Tripvoet, particuliere,
+die »met den handschoen was getrouwd", en al haar geldje in haar
+uitrusting had gestoken; daar was ook de rampzalige Lepidus,
+particulier, met vrouw en kroost en bijhebbende baboe--maar hij was »van
+Britsche extractie", beweerde hij, en zou in London bij een neef van hem
+gaan logeren.
+
+Na verloop van een half uur lag ons vaartuig in 't dok, en kwamen de
+_custom-officers_ aan boord. »_Sic an host of idle English gaugers and
+excisemen as hae come down to vex and torment us, that an honest man
+canna fetch sae muckle as a bit anker o' brandy frae Leith to the
+Lawnmarket, but he's like to be rubbit o' the very gudes he's bought and
+paid for._"--Niet, dat de menschen onbeleefd waren--doch ze kenden hun
+pligt: al onze sigaren, tabak en dranken moesten afgegeven worden, en
+zagen we in een leêge hut onder zegel weggestopt. Schrijver dezes
+ondervond ook hier weêr, hoe een goed woord en een gulle hand wonderen
+verrigten: een honderdtal sigaren en een pond fijnen Portorico deed hij
+zóó, zonder al te schandelijke machinatiën, van uit de klaauwen der wet
+in de plooijen zijner reistasch overgaan. Zijn medebroeders in de
+verdrukking, waarvan de meeste de tale Babylon's niet magtig waren,
+kwamen er echter minder goed af; en, niet weinig waren de rond orthodoxe
+verwenschingen, die naar 't hoofd werden gesmeten van een natie, zóó
+barbaarsch en ongastvrij, dat ze den vreemdeling, den hulploozen
+schipbreukeling, zelfs de pijp tabak en 't slokje klare, die eenige
+troosters in tegenspoed, willekeurig dorst ontzeggen:--»ze waren toch
+geen marskramers, geen vagebonden, die schagcheren zouden in
+gesmokkelden jenever en tabak; neen--'t was niets dan nijd en afgunst
+van John Bull, die zelf geen redelijke sigaar te rooken, of goeden
+borrel over de lippen kreeg, doch zich met stinkenden _shag_ en slappen
+_whisky_ moest behelpen: en 't daarom een ander niet gunde, dat die zich
+aan beter kost te goed deed."--Zonder nu, in deze hoogst teedere
+kwestie, vóór of tegen John Bull te durven beslissen, en in deze ons
+geheel onderwerpend aan de nadere uitspraak van een bevoegd
+staathuishoudkundig lezer, willen wij ons bepalen tot de vermelding van
+'t feit, dat, na aldus successievelijk ten speelbal te hebben gestrekt
+aan winden, wateren en willekeurige wetten, onze reizigers vrij knorrig
+gestemd aan wal stapten.
+
+Onze eerste gang was naar den Consul, den Heer Q., een Hollander, die
+tevens Consul was voor Frankrijk, Italië, Rusland, Zweden, en, de hemel
+weet 't, waarschijnlijk ook voor Mesopotamië en Monomotapa. Deze Heer
+was ontwijfelbaar eenige duizend jaren te laat in 't leven getreden: hij
+toch had, gedurende den wereldberoemden torenbouw, onbetaalbare diensten
+kunnen presteren, daar hij, volgens algemeen beweren, niet minder dan
+zeventien talen sprak--hoewel geen enkele slechter dan zijn eigen
+moedertaal--behalve misschien 't Patagonisch. In zijn hoedanigheid van
+Consulair Agent beloofde hij ons herhaaldelijk en op 't nadrukkelijkst,
+de belangen zijner landgenooten te zullen behartigen; van welke
+patriotische gezindheid hij ons al dadelijk een doorslaand bewijs gaf,
+door onze goede Hollandsche bankbiljetten wel, tegen een matige provisie
+van 10%, te willen inwisselen.
+
+Een tweede, nog gewigtiger pligt, bestond in 't zoeken van kamers voor
+de verschillende familiën. Dit ging niet zoo gemakkelijk, daar 't
+oordeel van respectieve vaders en moeders, hoofden der huisgezinnen, ten
+opzigte van stand en huurprijs telkens lijnregt vijandig tegenover
+elkander stond. Vooral de Heer Grogmeijer had een zwaren strijd met
+zijn wederhelft te strijden, toen hij, na verscheiden woningen als
+onuitstaanbaar smerig te hebben afgekeurd, ten laatste zijn zinnen
+scheen gezet te hebben op de kamers van zekere _Missis_ North, die een
+paar ooglijke dochters tot assistenten had. De kamp tusschen
+vrouwelijken argwaan en mannelijk gezag was juist op 't vinnigst, toen
+men eindelijk des geduchten Grogmeijer's haan hoorde koning
+kraaijen--dank zij de plotselinge tusschenkomst van den Majoor, die
+zelf, met groote waardigheid, doch in slecht Engelsch, er toe overging,
+voor zich en de zijnen bij genoemde _Missis_ North kamers te bespreken:
+tot loon van welke bemoeijenis hij zich, zoolang de zeereis duurde,
+heeft moeten buigen onder de venijnige schampscheuten, waarmeê de
+overwonnen _she_-Grogmeijer goedvond, zijn reputatie als getrouw en
+onkreukbaar echtgenoot te havenen.--Hem volgden, behalve de Grogmeijers,
+ook Mevrouw Tripvoet, mitsgaders de hoogst gezellige, hoogst sociale en
+galante Heer Hupman.--De door 't geluk verlaten Lepidus, die zijn
+stamboom even scheen nagezien te hebben, en bevonden, dat hij den
+Londonschen neef toch wat al te ver bestond om op gastvrijheid te kunnen
+rekenen--hij, zeg ik, met vrouw, kroost, bijhebbende baboe, en de
+Hessische Einheit aan 't lijntje, sloeg zijn tenten op bij den
+koekbakker Horris. Ik geleidde hem daarheen, om voor hem, tegenover den
+huisbaas, 't woord te doen; en moest bij die gelegenheid 's mans bittere
+klagt aanhooren: hoe hij, die nu, pas drie weken geleden, Duitsch had
+moeten aanleeren, om zich bij zijn beschermelinge, Fräulein Einheit,
+verstaanbaar te maken--nu weêr genoodzaakt was, zich van-meet-af-aan in
+'t Engelsch te gaan oefenen;--dat was dan ook waarlijk te veel voor
+iemand, die zich zelfs in 't Hollandsch niet dan hoogst onvolmaakt
+uitdrukte.--Wij eindelijk, Josua, Judocus en Gabriël, huurden ons een
+nederigen optrek onder de vleugelen van zekere eerzame weduwe Weeks, een
+stijve, puriteinachtig uitziende oude vrouw, die dan ook toonde, meer
+zorg te dragen voor 't heil harer onsterfelijke ziele, dan voor 't
+welzijn en comfort van haar dikwijls hongerige en verkleumde
+commensalen.
+
+ * * * * *
+
+Dús zagen we ons allen op Britsch grondgebied onder dak gebragt.--De
+eerste dagen werd er veel gepreuteld, en klaagde men over verveling.
+Judocus had spijt, dat we niet in een Fransche haven waren
+binnengeloopen: hij haatte de Engelschen, omdat ze Engelsch spraken--'t
+geen hij niet verstond, ofschoon hij 't op de school toch perfect
+geleerd had; en omdat ze groenten zonder zout kookten--'t geen hij niet
+lustte; en vóóral, bóvenal haatte hij ze--omdat ze Engelschen waren.
+Zelfs Josua, de geboren, luchthartige wereldburger, hield nog immer vast
+aan een oud-Europeesch vooroordeel, en bleef zijn sympathie weigeren aan
+'t geen hij noemde »stijve goddam's."--Doch, eilieve, Josua mijn
+vriend--wie u een week na dato had ontmoet, toen ge rondfladderdet als
+de derde Kalender, Koningszoon, in 't tooverpaleis der veertig
+jonkvrouwen----zou u voorwaar eêr hebben doen gelooven aan Nederlandsche
+energie, Pruissische redelijkheid, of Chineesch liberalisme--dan aan
+_Engelsche stijfheid_--?
+
+ November, 1865.
+
+
+
+
+LONDON-BRIDGE.
+
+(GABRIËL AAN ZIJN BROÊR WILLIBALD).
+
+And I think how many thousands
+ Of care-encumbered men,
+Each bearing his burden of sorrow,
+ Have crossed the bridge since then.
+
+ LONGFELLOW.
+
+
+_Andante con moto._
+
+_Toen_--en _nu_!
+
+_Toen_ was ik een arm studentje;--_nu_ was ik »Ambtenaar van den Staat,"
+_Toen_ had ik minder pennies in den zak--dan _nu_ shillings. _Toen_ trok
+ik te voet door straat en steeg, en besproeide in een armelijk bierhuis
+mijn boterlooze boterham met _twopenny_ ale;--_nu_ stond op mijn wenken
+een _cab_ gereed, en kon ik mijn plaats in _Her Majesty's_ betalen, en
+smulde ik, als 't mij lustte, volop den geurigsten _negus_ in _the Royal
+Alhambra_. _Toen_----
+ ----en toch,
+broêr Willibald--had ik gaarne al mijn pas verworven rijkdommen
+gegeven--om nogeens te kruijen door dik en dun, gelijk ik _'t toen_
+deed; ik had mijn schitterendste vooruitzigten, ja, 't lichtend visioen
+van den goudgeranden residentspet, blijmoedig in burgerlijke
+onbeduidendheid zien ondergaan--om nogeens bitter bier te drinken,
+zooals ik 't dronk in de nederige kroegjes die ik _toen_ bezocht.
+
+Want _toen_, broêr Willibald, slenterde en dronk ik met U--en _nu_
+dwaalde ik alléén er rond.
+
+ * * * * *
+
+En weêr toefde ik op de brug: weêr leunde ik mij aan de breede
+balustrade, en zette mij neder op een der steenen banken aan den kant.
+
+ * * * * *
+
+Ja, _London-bridge_ was nog dezelfde gebleven. _Nu_, als toen, broêr
+Willibald, gleed onder mij de snelle rivier, »_the silent highway_";
+_nu_, als _toen_, schemerde in de verte, een berg van zilver, de
+maanverlichte globe van _St. Paul_'s magtigen koepeldom; _nu_, als
+_toen_, raasde vóór mij, langs mij heen, de onafgebroken stroom van
+menschen en menschelijke werken, woelend en in regelmatige verwarring
+zich verdringend, slovend en zwoegend, elk voor zich--dezelfde
+sprekende, schreeuwende, joelende, gonzende, ratelende schilderij van 't
+geen men in onze groote steden _leven_ noemt.
+
+Maar, gelijk de wateren van den Thames gewisseld hadden sedert
+_toen_--gewisseld en nogmaals gewisseld; gelijk de atoompjes die _toen_
+zijn bed vulden, door andere waren vervangen--: zóó ook was de levende
+stroom die mij voorbijholde, niet onveranderd gebleven: nieuwe beekjes
+waren toegeschoten, en de oceaan der eeuwigheid had zijn tol
+geeischt.--Ichabod! hoevele waren er _toen_ onder die drokke
+voorbijgangers, die, als pelgrims op de verraderlijke brug des
+levens,[5] dansend en juichend hun weg vervolgden; andere, die peinzend
+voorttraden; nog andere, ijverig de veelkleurige luchtbellen najagend,
+die hoop en eerzucht hun vóórtooverden; hoevele ook, die _nu_, een korte
+wijle later, reeds gestruikeld waren, en, als ze 't minst er aan
+dachten, voor immer verdwenen in den zwarten vloed des
+tijds.--»_Surely,_" zuchtte ik met Mirza, »_man is but a shadow, and
+life a dream. Alas, how are we given away to misery and
+mortality!--tortured in life, and swallowed up in death!_"
+ ------
+ ------
+ ------_halfpenny Sir, halfpenny!_"
+--En 't schelle stemmetje van een haveloozen straatjongen, gevoegd bij
+de onzachte aanraking waarin hij zijn houten schoentje met mijn likdoorn
+brengt--roept mijn geest terug in de valleijen van 't dagelijksch leven,
+wáár ik, onder grazende ossen, schapen en kameelen, er één vond: een
+blatend bokje--_dat muskus-lucifers verkocht_.
+
+ London. November, 1865.
+
+[Footnote 3: Zie: Staring, »Thor, als Visscher"; en, Walter Scott, »_The
+lay of the last Minstrel_", Note 47.]
+
+[Footnote 4: Maleisch: een uitroep van medelijden.]
+
+[Footnote 5: »_The Vision of Mirza._"]
+
+
+
+
+IN »POETS CORNER."
+
+(GEDEELTELIJK NAAR AANLEIDING VAN WASH. IRVING'S »WESTMINSTER ABBEY").
+
+
+_Religioso_.
+
+Zacht--zacht! Ontdekt uwe hoofden, schudt 't stof van uw voetzolen: de
+grond dien we betreden is heilig. Heilig!--ja: want hier rust 't stof
+van onsterfelijke dooden!--Zie rond, menschenkind, en lees de namen die
+gegrift staan in 't marmer: zie, lees--en buig 't hoofd in eerbied en
+zwijgend nadenken!
+
+ * * * * *
+
+We hebben de Abbey doorgewandeld.
+
+ * * * * *
+
+Niet lang toefden we bij de trotsche kapel van Henry VII; we stonden
+niet in bewondering bij Buckingham's gedenkteeken, noch bij de eerzuilen
+van honderd Helden en Grooten der aarde.
+
+Wat hadden we met U te doen, bloedige mannen van Vuur en Zwaard,
+priesters van geweld en ligchamelijke overmagt; of met U, Koningen en
+Vorsten, die geleefd hebt en gestorven zijt in luiheid en ijdelheid;
+wier graftomben zelfs zijn opgerigt ten koste van 't Volk, dat gij
+verachttet en uitzoogt--!--U, Helden, zal God toeroepen, »dat wie slaat
+met 't zwaard door 't zwaard zal omkomen." U, Koningen, zal de Opperste
+Regter rekenschap vragen van 't talent dat Hij U gaf tot woekeren, en
+dat gij begraven hebt in den grond--!
+
+Wat hadden we met U te doen!--: de dagen uwer heerlijkheid zijn
+vervlogen; en de kinderen dezer eeuw kussen niet meer in slaafsche
+onderwerping de voeten der beulen, die 't bloed en zweet der vaderen
+niets geteld hebben.
+
+ * * * * *
+
+In »Poets' Corner" zijn we teruggekeerd.
+
+ * * * * *
+
+We hebben ons neêrgezet, en om ons heen gezien--en 't was ons, of
+vriendelijke, welbekende geesten ons uitnoodigden, voor een oogenblik
+mét hen de aarde te verlaten, en óm te zweven in de spheren van een
+hoogere wereld.
+
+Hier rust de zachte Goldsmith, de bevallige Addison, Shakspeare, de
+reus; hier rusten Chaucer, Spencer, Milton, Dryden, Gray, Macaulay--en
+zooveel anderen, wier namen ons terugroepen in den tooverlusthof, waar
+zoo vaak hun werken onzen geest deden omdwalen.--Hier, zoo ergens,
+bloeit in overvloed de trage plant die slechts op de graven tiert.
+
+Gelukkige stervelingen, wier roem uw stof overleefde!--: en wat
+roem?--niet de holle roem, door 't bloed van duizenden gekocht;--neen: U
+siert 't dankbaar nageslacht met den eeuwig groenen palmtak van Vrede en
+Wijsheid en Kunst: Uw namen prijken in eeuwentartend gesteent, als de
+namen van hen, wier werken, in Gods hand, de trappen zijn geweest,
+waarlangs de menschheid tot hooger volmaking opklom.
+
+Gelukkige stervelingen!----
+ ----Zwijg, prozaïsche
+Genius onzer eeuw! Spreek mij niet van de vergankelijkheid, die alle
+menschelijke grootheid in 't duister doet wegzinken! Brul mij geen
+»_vanitas vanitatum_" in de ooren! Houd mij geen predikatie over
+de kortheid van 't geen wij _onsterfelijk_ heeten!--_Deze_
+hier _zijn_ onsterfelijk--ten minste voor ons menschenras. Zoolang
+nog de taal zal gesproken worden waarin _zij_ schreven, zoolang
+nog een beschaafd volk den naam zal voeren van de natie waartoe _zij_
+behoorden--zóólang zullen zij, levend en sprekend in hun werken, een
+deel van 't menschdom blijven leeren, stichten, vermaken.
+
+--Ik weet wel: 't marmer hunner praalgraven zal vergaan, gelijk hun
+gebeente vergaan is; maar ook dan nog zullen ze een schooner
+gedenkteeken vinden in de harten der kinderen en kindskinderen van hen,
+die ze hebben liefgehad, toen ze rondwandelden op aarde!--ja, hier
+namaals nog, in de woningen des Vaders, zullen gelouterde zielen hen
+danken, dat zij, van uit 't stof, hun den weg hebben gewezen tot 't
+eeuwig goede en schoone!
+
+ * * * * *
+
+Peinzend stonden we tegenover Haendel's heerlijk standbeeld, en
+neurieden zachtkens de onovertroffen phrase uit den »Messias", _I know
+that my Redeemer liveth_, die 't marmeren muziekblad aan den voet ons te
+binnen bragt.--'t Was reeds laat in den namiddag, en de schemering begon
+te vallen. Er werd dienst gehouden: een plegtige stilte heerschte
+alom--: slechts hier en daar een gesmoorde voetstap, en, in de verte,
+de galmende stem van den leeraar.
+
+Plotseling jaagt de diepe stem des orgels ons een zalige rilling door de
+leden. Een statig preludium;--daar ruischt de zilveren koorzang omhoog,
+en speelt en trilt langs 't beeldhouwwerk der zuilen, en verliest zich,
+zacht jubelend, aan den boog der hemelhooge daken. Dan weêr valt 't
+duizendmondig speeltuig in, losbrekend in een daverend Hallelujah, een
+zwellend, juichend, onweêrstaanbaar Looft den Heer--dat zweept en rolt
+over de zerken, als 't bazuingeschal des laatsten oordeels--dat 't stof
+der dooden doet sidderen in de graven--dat de gewelven vult met den
+stroom der akkoorden, en de zielen der levenden meêsleept op de golven
+van een alvervoerende harmonie--!
+
+ * * * * *
+
+Hoe groot is de magt van een kerkdienst die tot de zinnen spreekt; en
+hoe ligt beseffen we 't, onder de bogen van _zulk_ een heiligdom, dat de
+zinnelijke schare slechts bidden _kan_ en bidden _wil_ in tempelen door
+menschen gebouwd.--'t Ware bidden is in de natuur: onder den blaauwen
+hemel, als God-zelf ons voorbijgaat in 't fluisteren van een zachte
+koelte;--maar _ook_ liefelijk is 't, te bidden in 't huis, waar alles
+zamenwerkt om zelfs in 't hardst gemoed een heilige aandoening op te
+wekken.
+
+Vergeven we 't daarom den vaderen, dat ze zoolang binnen deze muren een
+heerschzuchtige priesterschap hebben vergood, die, Roomsch of Onroomsch,
+den grooten naam van Christus vernederde tot een wachtwoord voor domme
+dogmaprediking en bloedige dweeperij; vergeven we hun een ijveren voor
+dwalingen, uit wier botsing de vonk sprong, die ons 't Christendom in
+een beter licht doet beschouwen! En nemen we hierin een voorbeeld aan
+hun warme geestdrift: dat ze goed en bloed opofferden voor de
+instandhouding van een dienst, die hun heilig en éénig toescheen!--De
+tijden van geloofsdwang zijn voorbij. Wee ons, zoo ze slechts hebben
+plaats gemaakt voor de koude onverschilligheid van een laf
+scepticisme--!
+
+ * * * * *
+
+'t Orgel zweeg; de dienst was afgeloopen.--Reeds waren zijvleugels en
+nissen in schemerdonker gehuld;--maar door de bontgekleurde
+vensterglazen schoot de winterzon een laatsten matten stralenbundel, en
+speelde met spookachtig rooden gloed over de graven van Koningen en
+Helden.
+
+We traden buiten. 't _Memento mori_ dat de kloosterklok ons nariep,
+verstierf in 't gewoel der levenden. De dooden waren
+vergeten.--Dienzelfden avond nog leefden we en zondigden--als ware er
+voor ons aan geen sterven te denken.
+
+ London. November, 1865.
+
+
+
+
+IETS OVER DE ENGELSCHEN.
+
+(EEN DIALOOG TUSSCHEN JUDOCUS EN GABRIËL).
+
+Not so bad as we seem.
+
+ _Bulwer._
+
+
+'t Was op zekeren onvergeetlijken December-namiddag, dat ik mij, met
+mijn vrienden Josua en Judocus, binnen de wallen der Engelsche vesting
+Portsmouth, en, meer speciaal, in de gezellige _parlour_ van de te dier
+stede wélvermaarde _Queen's Arms' Tavern_, te zamen zag. Dáár warmden we
+ons aan den haard, en dronken goudgeelen sherry.--Josua ging,
+loffelijker gewoonte, zich aan dien goeden drank te buiten. Wij echter,
+Judocus en Gabriël--altijd zoekend, 't nuttige met 't aangename te
+veréénen--leverden, al drinkend, elkaâr strijd met de wapenen onzer
+tongen, en schonken, al schenkend, 't leven aan de volgende zeer
+leerzame en zeer aanhoorenswaardige redewisseling.
+
+ * * * * *
+
+JUDOC. Dat is dan alweêr een deugd, die ge bewondert in een volk,
+waarvan ge U schijnt voorgesteld te hebben, niets dan 't goede te
+vermelden.
+
+GABR. Toch niet: ik beweer niet, dat de Engelschman zich minder bezuipt
+dan de Hollander;--'t zal wel gelijk staan; maar, hij doet 't
+fatsoenlijker, draaglijker, aangenamer.
+
+JUDOC. Ge zijt partijdig, en spreekt als zoovele onder ons Hollanders,
+die altijd 't vreemde en den vreemde boven hun eigen verkiezen.
+
+GABR. Minder partijdig dan zij, wier wiegeplek-liefde zóóver gaat, van
+hen te doen gelooven, dat er geen beter land ter wereld bestaat, dan de
+stad en ommelanden van Appingadam.
+
+JUDOC. Spaar je haatlijkheden: je weet zeer goed, dat ik om mijn
+Groningschen geboortegrond evenveel geef als om Doggersbank of
+Biesbosch. Ik ben volstrekt niet zoo Groningsch- of Hollandschgezind; ik
+geef geen volk de voorkeur; mijn streven was steeds, de goeden onder
+elke natie te achten en lieftehebben;--
+
+GABR. Regt cosmopolitisch gesproken!
+
+JUDOC.--Maar ik zie ook geen reden, mijn vaderland te verachten, en 't
+buitenland vóór te trekken, _alleen als zoodanig_.
+
+»Hebt gij een vaderland, zoo kleef niet aan een ander:
+Wees Gal noch Brit--wees Nederlander."
+
+De man, die zijn nationalen trots laat varen, verliest een deel van zijn
+karakter als mensch en burger.
+
+GABR. Ontwijfelbaar, o vrome kampioen van opregte Haarlemmer
+vaderlandsliefde.--Edoch, mijn brave Judocus, we verliezen 't onderwerp
+van ons twistgeding uit 't oog. Er is hier geen sprake van Holland en de
+Hollanders; ik wil geen parallel trekken tusschen mijn landgenooten en
+éénig ander volk. 't Betreft hier een natie, die gij, in navolging van
+de meeste vreemdelingen, instinktmatig verafschuwt; die ik, daarentegen,
+van een zijde heb leeren kennen, welke mij regt geeft, haar tegen uw
+bevooroordeelde aanvallen te verdedigen.--Voeren we nu elk onze gronden
+aan, en wegen we die in de schaal eener onpartijdige regtspraak.
+
+Zoo dan, Judocus--in den naam van al wat Groningsch is, vraag ik u af:
+wáárom haat gij de Engelschen met zóó doodelijk diepen haat?
+
+JUDOC. Om verschillende redenen.--Vooreerst moet ik je zeggen, dat ik
+ontzettend hecht aan eerste indrukken. De eerste indruk nu dien de
+Engelsche natie op mij maakte, was, in alle opzigten, magtig
+onaangenaam.
+
+GABR. De _eerste_ indruk?
+
+JUDOC. _La première impression est toujours la meilleure_, zegt een
+Fransch spreekwoord.
+
+GABR. Ik twijfel, of de zegger dat in _dien_ zin bedoeld heeft.--Doch
+ook dit mag waar zijn voor enkele zeer scherpziende en vlugoordeelende
+typen der zoo diepzinnige Fransche natie;--ik echter, in mijn Noordsche
+botheid, heb nog altijd ondervonden, dat de eerste indruk een verkeerde,
+verwrongen indruk is, geheel afhangend, niet van den aard van 't subjekt
+dat hem te weeg brengt, maar enkel van de omstandigheden waaronder men
+hem ontvangt.
+
+JUDOC. Een hoogst onpopulaire stelling, die met één slag alle gezag
+ontneemt aan den schat van »losse reisindrukken", »schetsjes
+_à-vol-d'oiseau_" etc., waarmeê in onze dagen van spoorwegen en
+luchtballons, zooveel vliegende touristen getracht hebben, de wetenschap
+van land- en volkenkunde te verrijken.
+
+GABR. Daarom alléén reeds zou dus mijn stelling niet geheel verwerpelijk
+te achten zijn: omdat ze mij beletten zou me schuldig te maken aan de
+malle ijdelheid van dergelijke reizende Argussen, die, als ze op de
+vleugelen des stooms een vreemd land van Noord tot Zuid hebben
+doorgerend, zich genoegzaam ingelicht wanen, om een uitspraak te vellen
+over den aard van 't volk, als waren ze onder datzelfde volk
+grootgebragt.--Doch, ga zelf na of ik onregt heb. Immers, wie 't
+karakter van een persoon wil doorgronden, moet lang en oplettend met hem
+omgaan, achtgevend op al zijn wezen tegenover anderen en zichzelf.
+Hoeveel te meer dan, zal hij, die een _volk_ wil leeren kennen, zich
+langdurige studie moeten getroosten, en zich moeten wachten voor de
+sterk gevoelde doch geheel ongegronde indrukken van 't eerste oogenblik.
+
+JUDOC. Uw gevolgtrekking timmert niet hoog. Maar--als ik je daarmeê
+genoegen doe, wil ik mijn eerst ontvangen indruk hier wel buiten
+rekening laten. Ik heb grieven van ernstiger aard.--Wat zult ge mij
+antwoorden, wanneer ik den Engelschman van _stijfheid_ beschuldig?
+
+GABR. Eenvoudig, dat ge er 't regt niet toe hebt. Ik laat 't zijn, dat
+de Franschman of Duitscher--die den Brit alleen beoordeelt naar zijn
+_zeer navolgenswaardige_ wijze van zondagvieren[6]--spreekt van _stijve
+Engelschen_; doch als de _stijve Hollander_ dat doet, is 't waarlijk de
+zwarte pot, die den witten een smeertje verwijt.
+
+JUDOC. En wat zal uw repliek wezen, als ik den Albionees van _grofheid_
+en _ruwe manieren_ beticht?
+
+GABR. Dan zal ik u er aan herinneren, dat ik U gister nog onzen Jozua
+hoorde gelijk geven, die, na minutieuse waarnemingen, meende te mogen
+vaststellen, dat Europa's opinie omtrent de Britsche natie aan twee
+voeten mank ging: de Engelschen waren zwak in 't beefsteak bakken, en
+lang niet sterk in 't _goddammen_.--En, zeg me, hebt ge ooit in de
+matrozenbuurten van Portsmouth, of in de bierknijpen, waar dronken
+zeeluî en soldaten den hoofdtoon voeren, dat lasterend vloeken, die
+walgelijke spraakversieringen gehoord, waarvan bij ons, niet alleen 't
+gepeupel, doch zelfs beschaafde en gegoede jongeluî den mond vol
+hebben--? Ergert men zich hier over 't dierlijk brullen langs de
+straten, op zondagavonden en andere feestdagen? Ziet men hier de
+gruwelijke beestigheden vertoond, waartoe bij ons een Kermis jaarlijks
+aanleiding geeft? Welk denkbeeld toch moet de vreemdeling, die toevallig
+op een Kermis als de Rotterdamsche verdwaald raakt, zich van _onze_
+natie vormen, wanneer hij ziet, hoe de bevolking in massa van een eerste
+koopstad, dagen lang, onder invloed van koek, kroosjes, draaimolens en
+jenever, als dol rundvee dooreen raast--?
+
+JUDOC. Met uw verlof--ik heb minder 't oog op 't gepeupel, dat overal
+brutaal en dierlijk is (getuigen de boxpartijen der Engelschen bij
+verkiezingen)--dan wel op den man uit den middenstand: 't gegoede
+publiek, dat men op de straat, in de herberg, in den spoorwagen--kortom,
+in 't dagelijksch doen ontmoet. Juist onder die klasse, die men teregt
+kan achten, den volksaard 't best te vertegenwoordigen, heb ik mij te
+beklagen over een _terugstootendheid_, een air van _selfsufficiency_,
+dat aan 't stugge en plompe grenst.
+
+GABR. Uw bevinding, mijn waarde, vloeit voort uit de weinige moeite die
+ge u gegeven hebt, met enkele individuen kennis te maken, en uit uw
+onbedrevenheid in de taal.--De Engelschman heeft boven alles zijn
+persoonlijke vrijheid lief: van dáár zijn zucht tot afzondering. In 't
+gewone leven acht hij slechts datgene wat hij kent:--den vreemdeling nu,
+dien hij _niet_ kent, ergo niet acht, valt hij niet met een geveinsde
+belangstelling lastig.--Ik beschouw daarom die natuurlijke
+_stugheid_--of liever, _schuchterheid_, die Goldsmith noemt »_the
+Englishman's malady_"--niet als een fout; veeleer prijs ik zoo'n
+hoedanigheid, als zeer aanbevelenswaardig tegenover de bemoeizucht en
+onbeschaamde indringendheid, die de Franschman en Duitscher voor
+gezelligheid en jovialiteit wil doen doorgaan.
+
+JUDOC. Dat mag gedeeltelijk waar zijn; doch die _schuchterheid_, of
+_plompheid_--zooals ik ze noemen blijf--ontaardt bij den Engelschman in
+verregaande _onbeleefdheid_.
+
+GABR. Ho daar--_beleefdheid_ is een kwestie van persoonlijke opvatting:
+elk meent beleefd te wezen op _zijn_ wijs.
+
+Wanneer b. v. de Londoner een _public-house_ binnentreedt, en de gasten
+die hij niet kent niet groet, is zulks niet uit _onbeleefdheid_--doch
+eenvoudig, omdat de volksgewoonte 't niet meêbrengt, d. i.: omdat geen
+Engelschman 't nodig oordeelt, tegenover anderen een vermoeijende
+vormelijkheid in acht te nemen, waarop hijzelf geen prijs stelt. Doch
+spreek dienzelfden man aan, vraag hem inlichtingen--en hij zal 't zich
+een eer rekenen u teregt te wijzen; wek bij hem een zweempje van
+belangstelling in u op--en hij zal zich uw vriend toonen op een wijze,
+waarvan de Franschman, met zijn lastige koffiehuis-beleefdheid, zich
+geen begrip kan vormen.
+
+Dit laatste hebt gij, Judocus, toch ook meermalen ondervonden.--Was die
+jonge mensch niet beleefd, die ons, als we den eersten avond hier ter
+stede doorbragten, overal den weg wees, en ons op ettelijke pinten
+_Burton_ onthaalde ondanks de stroeve stilzwijgendheid van U en Josua,
+die steeds in angst verkeerdet, dat de man zou eindigen, met ons in 't
+een-of-ander moordhol te lokken--? Was 't geen beleefd oud heer, die
+zijn thee liet koud worden, om voor ons een overbodig
+introductie-briefje te schrijven aan onze Londonsche hospita--? Waren
+die kommiezen (N.B.) niet beleefd, toen we aan 't _Custom-house_
+sigaren kwamen halen, en zij niet ophielden, of we moesten aan hun
+middagmaal deelnemen, zonder dat ze ons wilden veroorloven, hun
+wederkeerig een paar potten ale aan te bieden--? Bleken ook die
+Londonsche _police-men_ niet zeer beleefd, die u, Judocus, telkens
+wanneer uw oudheidzoekend hoofd u in den steek liet, en gij op 't punt
+stond verloren te raken in de meest gecompliceerde labyrinthen van de
+wereldstad--die u, o ondankbaarste van Radboud's zonen, zoo bereidwillig
+den draad reikten, om u terug te leiden tot uw stillen schuilhoek onder
+de herbergzame daken der eerzame Weduwe Eusebia Rackham--?
+
+JUDOC. Val-jij dood met je Weduwe Rackham!
+
+GABR. Nu dan--waren de militairen niet beleefd----
+
+JUDOC.--Militairen! Spreek me in 's hemelsnaam niet van Engelsche
+militairen! Stijver, pedanter, onhebbelijker lummels zag ik mijn leven
+niet--met hun lange carcassen, geoliede haren, en ploertige
+flesschebakjes op één oor--!
+
+GABR. 't Is waar, ze hebben dát met alle militairen gemeen, dat ze--in
+plaats van over hun jammerlijke roeping te schreijen--zich een air van
+fierheid eigen maken, 't welk alleen een dom bewustzijn van physieke
+kracht billijken zou; ook dát is een bitter kwaad onder de zon; en ook
+dát zal niet veranderen, zoolang de roem van een Bonaparte of von
+Bismarck niet zal gelijk gesteld zijn met dien van een
+Herostrates.--Edoch, vergelijk daarbij de vuile aanmatiging van onze
+militairen, die daarin den Pruissen niets gewonnen geven: hoe elk
+korporaaltje, naauwelijks vijf voet hoog, knikkend onder den last van
+zijn geweer, en de kleêren aan 't lijf gegooid als een
+vogelverschrikker, reeds vloekt en bralt als een veteraan; hoe dit
+onzinnig _bullyism_ met den rang opklimt tot den----
+
+JUDOC. Zeg eens, denk er aan--ik heb een broêr die Luitenant is--
+
+GABR.--en die mij, weêrloozen pennelikker, met zijn geduchte strijdlat
+wel eens den kop zou kunnen klieven!--Pardon!--ik wou alleen maar
+zeggen, dat de Engelsche krijgers zich ten minste nog kunnen laten
+voorstaan op meer dan burgerlijke afmetingen in lengte van beenen en
+breedte van schouders--en, behalve dat, ook dikwijls op eenige
+wereldkennis en een soms goede opvoeding.
+
+JUDOC. Ik meende, Gabriël, dat we afgesproken waren, geen contrasten te
+teekenen van Hollandsche en Engelsche toestanden.
+
+GABR. Juist zoo--doch waarom noodzaakt ge mij er toe, door me in de rede
+te vallen!--Ik laat dan die zonen van Mars buiten 't spel, en wil U
+slechts verzoeken, mij, ten overvloede, de volgende vraag naar waarheid
+te beantwoorden. Werdt gij, Judocus, ooit beleedigd, of als vreemdeling
+bespot, de enkele malen dat ge u verwaardigen wildet voor een oogenblik
+uw nationale antipathie ter zijde te zetten, en 't u behaagde, met
+deze-of-gene Dulcinea in een der _boxes_ van Portsmouth's _Music-hall_
+plaats te nemen, alwaar ge toch dikwijls omringd waart door sergeants en
+stuurluî benevens derzelver respectieve uitverkoren beauties--? En
+vertel me verder: zaagt ge zoo iets in Holland een Engelschman wel eens
+proberen, zonder dat de man als een wild dier werd aangegaapt en
+uitgelagchen--?
+
+JUDOC. Laat Holland toch rusten!--Beleedigd--neen, beleedigd juist
+niet--maar toch----
+
+GABR.--Maar toch--?
+
+JUDOC.--Ja, hoor eens,--je moogt zeggen wat je wilt--ik blijf er bij: ik
+heb 't zuur aan de Engelschen. Niets in hen van 't jolige en innemende
+dat den Franschen en Duitschers zoo eigen is, en dat vreemdelingen tot
+broeders maakt;--de Engelschman staat daar, stokstijf, onwrikbaar op
+zijn eiland, voor anderen ongenaakbaar, voor zichzelf algenoegzaam. Hij
+verdient in alle opzigten de naamgenoot te zijn van den breedgemuilden
+kettinghond: hij verschanst zich in zijn hok, slorpt zijn drank, zwelgt
+zijn roastbeef; en, als een speelsch medehondje in onschuldige koutzucht
+hem nadert--»_damn it_", bast hij; of »_what do you want, Sir_", bromt
+hij; of, »_I'll knock your bl.... brains out--boe, woe, woe_", brult de
+bullebijter John Bull--!
+
+GABR. Bravo, mijn zoon--uw verontwaardiging grenst aan 't edele! Voeg er
+bij, om uw hondjes-metaphora te volmaken, dat de wakkere, trouwe
+_bull-dog_ niet altijd ongelijk heeft, wanneer hij 't onbeduidend,
+schelschreeuwend keffertje op een afstand houdt.
+
+Maar, in ernst gesproken, Judocus, uw vooroordeel is even ingeworteld
+als dom.--Dat ge vroeger, vóór uw verblijf in Engeland, zoo dacht, is te
+begrijpen. Gij hebt, in Delft- en Groningerland, de naburige volken
+leeren beoordeelen uit weinige en zeer slecht gekozen gegevens.--De
+Britten meendet ge te kennen: 1°., uit de stokers en zeeluî op de straat
+en in kroegen; 2°., uit de karikaturen, die in sommige geestige boeken
+en tijdschriften te vinden zijn; 3°., uit de verschillende categoriën
+van Sternesche reizigers, die men in onze steden en in Duitsche
+badplaatsen ziet rondtrekken;--die laatste zijn dikwijls dwaas--en, hoe
+zou 't anders kunnen: ze reizen met een ziels- of ligchaamskwaal onder
+de leden, en zijn dus vrij onverschillig omtrent hun omgeving.--De
+Franschen, daarentegen, hebt gij gemeend vertegenwoordigd te zien door
+een corps pluimstrijkende _commis-voyageurs_, taalmeesters, kappers en
+dergelijke poenen. Vooral--en dit pleit noch voor uw smaak, noch voor de
+degelijkheid van uw karakter--hebt gij de Fransche natie lief gekregen
+om de produkten van haar suikerzoete, doch walgingwekkende en
+zwaarvergiftige moderne romanliteratuur, die----
+
+JUDOC. Houd op--blijf niet steken in een tirade, die even zwaar op de
+hand dreigt te worden, als uw veelgeroemde Walter Scottsche novellen!
+
+GABR. Laster niet, Judocus! Drink u in stilte een roes aan de
+maagbedervende likeuren der Fransche stokerij;--maar ik bid u--bazuin 't
+niet zoo rond, dat de fontein des levenden waters voor u gesloten
+blijft: dat ge de meesterstukken van een Fielding, een Scott en Dickens
+niet kennen wilt, en dat uw hart en geest slechts behagen vinden in den
+sentimentelen onzin van een de Balzac, of in de zwarte schilderingen van
+een Xavier de Montépin: verdoolde talenten, die niet schrijven om 't
+volk te onderrigten, doch om 't te bedwelmen; die zich daarbij ten doel
+schijnen gesteld te hebben, alle huislijke deugd en familiebanden te
+vernietigen, door een bandeloozen omgang met vrouwen als 's menschen
+hoogste roeping op aarde te prediken--vooral ook echtbreuk als een zeer
+passende aardigheid en hoogst fashionable tijdkorting aan te
+bevelen.--Ja, ik bidde u, Judocus, ter wille van uw eigen, goeden,
+Delfzijlschen familienaam,----
+
+JUDOC.--Bid mij niets!--Ik lees tot mijn uitspanning, en de Fransche
+lektuur amuseert me nu eenmaal.
+
+GABR. Dan, basta! Met iemand die leest, enkel om zich te _amuseren_, is
+geen ernstige polemiek mogelijk.--Ik bepaal mij tot een "_argumentum
+fistulatorium_."
+
+JUDOC. Holla, bedwing op uw beurt uw verontwaardiging!--Ik vraag u, zijn
+de meeste Fransche klassieken niet boven allen lof verheven?
+
+GABR. Ontwijfelbaar--even als de meeste Fransche romantieken, om de
+strekking hunner werken, er ver beneden staan.
+
+JUDOC. Bah--toch altijd nog Paul Féval boven uw ziekelijke Misses
+Oliphant!
+
+Maar, ik weet wel, uw dolle anglomanie wordt alleen geëvenaard door uw
+haat tegen Franschen en Hollanders.
+
+GABR. Volstrekt niet! Ik vind de Franschen goedig en gul, en, onder
+zekere voorwaarden, vrij hoffelijk; overigens liberaal in doen en
+denken, geestig, artistiek, en begaafd met veel gezond verstand, alias,
+"_household understanding_";--maar, aan den anderen kant, noem ik ze
+oppervlakkig, partijdig, beginselloos, verwaand zonder reden, zinnelijk
+en toch koud, en, behalve tegenover vrouwen, dikwijls plomper dan de
+plompste Bergschot.
+
+Wat aangaat de Hollanders----
+
+JUDOC.--De Hollanders?--wel, zouden er ook onder Bato's zonen enkele
+deugden huisvesten, die hen in uw hoogwijze oogen genade doen vinden--?
+
+GABR. Ge wordt spijtig, Judocus--de gewone toevlugt van hen, die hun
+argument moeten laten glippen.--Ik heb mijn volk en vaderland lief--meer
+dan éénig ander: want in dat vaderland heb ik 't leven ontvangen, en al
+wat 't leven mij schonk; onder dat volk heb ik ouders en vrienden
+gevonden. Ik ben trotsch op de groote rol door onze vaderen gespeeld; ik
+ben overtuigd, dat, ook heden nog, den Hollandschen gentleman niets
+ontbreekt dan een weinig energie, en een op zijde zetten van
+kleinsteedsche vooroordeelen, om zich, bij zijn uitnemenden aanleg en
+veelzijdige studiën, de fijnst beschaafde type van Europa's bewoners te
+toonen. Ik betreur 't alleen, dat bij ons de beschaving van geest en
+inborst zich zoo uitsluitend tot enkele standen bepaalt, en dat in den
+regel, 't gemeen in Holland zoo _ijzingwekkend gemeen_, en de kleine
+burgerman zoo allerjammerlijkst _plat_ en _burgerlijk_ is.
+
+JUDOC. Komaan, die verklaring maakt alles weêr goed. 't Spijt me, dat ik
+ze u alleen heb kunnen ontwringen, door u ten derden male van streek te
+helpen.
+
+GABR. Hoezoo?
+
+JUDOC. Ge zult gelieven op te merken, dat ge uw pleidooi ten voordeele
+van de Engelschen, met een lofrede op de Hollanders besluit.
+
+GABR. Dan wil ik voor mijn afwijkingen boeten, door een tweeden pintje
+sherry te bestellen, dat we zullen ledigen met den hartelijken wensch,
+van nog eenmaal, als een driewerfgezegende leverkwaal ons zal doen
+terugkeeren van uit de ballingschap tusschen _sawah's_ en
+_klappa's_--een tijd te mogen doorbrengen, zóó vrolijk en onbezorgd, als
+dien we sleten in »_old, merry England_"!
+
+JUDOC. Ik heb er niets tegen. Maar toch woû ik, dat onze
+Oost-Indie-vaarder, in plaats van te Portsmouth, te Brest of te Havre
+met averij lag--dan had ik mijn Fransch kunnen perfectionneren,--
+
+GABR.--En den goeden, gullen, Hollandschen boer uithangen tegenover de
+heldinnnen van _Mabille_ en _Rue Bréda_----
+
+ * * * * *
+
+Hier begon Josua, wiens geduld ten einde was, met de tinnen wijnkan zoo
+onmanierlijk op de tafel te hameren, dat _mistur_, _missis_ en _miss_ te
+gelijk binnenvlogen.
+
+'t Edel nat werd genoten; 't gelag betaald. Een wandeling in den kouden
+Noord-Ooster bragt onze hoofden tot den normalen toestand terug; en 't
+heerlijk vischmaal, dat onze restaurateur, Mr. Alexander Howes, ons had
+bereid, verzoende voor 't oogenblik zelfs Judocus, zoo niet met de
+Engelsche taal- en letterkunde--dan toch met de Engelsche tong, die,
+zwemmend in boterige peterselie-saus, door haar stomme, blankvleezige
+welsprekendheid, zelfs een Pool zijn Russenhaat, en een Ier zijn Erin's
+grieven zou hebben doen vergeten.
+
+ Portsmouth. December, 1865.
+
+[Footnote 6: Er wordt veel geroepen tegen 't overdreven streng vieren
+van den Zondag in Engeland. We gelooven dan ook gaarne, dat 't voor den
+vreemdeling regt onaangenaam moet wezen, wanneer hij, één dag van de
+zeven, zich van tooneel en bal verstoken ziet, en slechts vóór en na
+kerkuren zijn honger en dorst kan stillen; even goed als we toestemmen,
+dat de rustdag overal en altijd een onuitstaanbaar vervelende dag is
+voor hen, die geen _werkdag_ kennen. Maar, uit een maatschappelijk
+oogpunt beschouwd, kan men 't gedwongen zondagvieren niet genoeg
+aanbevelen. Onze vaderen heiligden den Sabbath als _den dag des Heeren_,
+en geen policie-reglement was noodig om hen winkel en kantoor te doen
+sluiten. Naarmate echter de behoefte aan kerkdienst voor de praktische
+kinderen onzer praktische eeuw overbodig wordt, ziet de rijke er geen
+bezwaar in, den arme door geld tot werken te _noodzaken_: want de arme
+_kan_ niet achterblijven, waar hem een kans geboden wordt tot leniging
+zijner ellende.--Prijzen we daarom een verordening, die ook den arbeider
+een dag van verpozing schenkt: een verordening, die hem vrijheid geeft,
+zijn menschzijn en zijn hoogere bestemming te gedenken: die hem
+tijdelijk onttrekt aan de slavernij des gelds, en zoodoende hem behoedt
+voor een algeheele verdierlijking.]
+
+
+
+
+RUZIE AAN BOORD.
+
+(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
+
+
+Onze »Meermin" was afgetimmerd, opgetuigd en uit 't dok gehaald.--Wij,
+passagiers, hadden Engeland en onze Engelsche vrienden vaarwel gezegd,
+waren als lammeren ingescheept, en--reden ten tweeden male voor Spithead
+ten anker, om dienzelfden nacht nog onder zeil te gaan.
+
+ * * * * *
+
+Nog een laatsten droeven afscheidsblik had ik geworpen op de lichtjes,
+die, flaauw schemerend in den mistigen Decembernacht, als schreijende
+sterretjes mij hun schijnsel toezonden--ver van over 't koude, breede
+water. En toen ik mijn weemoed genoeg had lucht gegeven--toen werd 't
+mij toch wat guur en eenzaam op 't dek; en ik ging omlaag, om wat
+afleiding te zoeken in den altijd gezelligen kring van Josua en Judocus,
+van Grogmeijer, Hupman, Lepidus en consorten.--Wél zou ik afleiding
+vinden; doch niet van dien aard als ik ze mij had voorgesteld.
+
+Onder 't in de kerk verzameld gezelschap heerschte een ongewone
+stemming: iets sombers, iets dreigends, was op aller aanschijn te lezen.
+De Kapitein hield zich absent--'t geen 's avonds zelden gebeurde--en
+scheen 't ontzettend druk te hebben met in zijn hut eenige papieren dóór
+elkaâr te gooijen.--Ik zette mij neêr, ten hoogste verwonderd en
+eenigzins beangstigd door een stilzwijgen, dat mij voorkwam niet
+ongelijk te zijn aan de loerende onbeweeglijkheid van den tijger, die op
+'t punt is zijn prooi te bespringen; of--om eens een nieuw beeld te
+gebruiken--aan de doodsche kalmte die 't losbreken van den Cycloon
+voorafgaat.--Waarom toch galmde niet 't sonore stemgeluid van den
+onuitputtelijken Josua, en deed zich niet 't blij gegiggel hooren
+waarmeê de meisjes des geestigen Hupman's uijen plagten welkom te
+heeten; waarom zweeg van uit 't paviljoen de suikerzoete zang der
+schwärmerische nonna Flora; waarom solde de Majoor niet zijn Kareltje in
+slaap, en schold der Grogmeijers echtpaar niet op de stommiteiten, door
+Lepidus en ega onder 't quadrilleren begaan--? Waren ze allen zóó
+bedroefd wegens hun vertrek uit Engeland? O neen, tot zóó'n malle
+smartbetuiging was slechts de sentimentele Gabriël in staat. Was er
+iets, broeijend tusschen de passagiers onderling? Ik wist, dat 't
+voorgevallene te Portsmouth met zeker min smakelijk kippeboutje, dat, in
+een paroxismus van ontembare verontwaardiging, door één der gehuwde
+dames op 't bord eener andere was geslingerd, tusschen beide die dames
+de zaden van onmin had gestrooid; doch 't was tevens van algemeene
+bekendheid, dat, dank zij de pogingen der verzoeninglievende
+echtgenooten, die veete sints lang was bijgelegd. Wat mogt dan wel de
+oorzaak wezen, dat er haat en nijd geschreven stonden op die anders
+steeds minzaam lagchende aangezigten?
+
+Terwijl ik zoo gis en peins en rondkijk--staat de Hr. Hupman op,
+verdwijnt in zijn hut, en komt terug met een aangestoken bougie,
+mitsgaders een papieren zakje en een trekpot in de hand; hij verzoekt op
+pathetischen toon één der dames, zoo goed te willen zijn, thee te zetten
+voor 't gezelschap--: van _zijn_ thee, namelijk; vervolgens plaatst hij
+de kaars vóór zich, en vangt aan met zóó geconcentreerde aandacht te
+lezen--: bij 't licht van _zijn_ kaars, namelijk--dat 't scheen, alsof
+zijn eeuwig zieleheil er van afhing, nog dienzelfden avond heel »_les
+Mystères de Londres_" van buiten te leeren.--Intusschen heeft de
+Kapitein, die, met loenschen blik en gespitste ooren, alles zag en
+hoorde, 't noodig geoordeeld, na een dergelijke provocatie uit zijn
+schelp te kruipen, en op leuken, verbaasden toon te vragen, »of de
+scheepsthee niet deugde, dat de heeren en dames van hun eigen thee
+gingen zetten?"--Dáár was de klink van 't schip, de lont in de
+kruidkamer!--Een algemeene uitbarsting volgde: zooveel tongen er waren,
+zóóveel tongen klepperden er, als zeilen in een windhoos; en dermate
+oorverdoovend was 't geraas der stemmen, dat niemand dan ik 't vernam,
+hoe een paar liefhebberij-vogeltjes van den Hr. Grogmeijer, uit hun
+eersten sluimer gewekt, piepend omduikelden rond hun stokjes; en hoe de
+dertien honden op 't dek aansloegen en basten, als zooveel spruiten van
+den boozen Cerberus--!
+
+Hoort hier wat er van de zaak was.
+
+Reeds sedert ons vertrek uit Holland, had 't gezelschap zich beklaagd
+over de slechte kajuitverlichting, alleenlijk daargesteld door twee
+lekkende, middeneeuwsche patent-olielampen. De weinige lezers lazen zich
+hoofd- en oogpijn; de kaartspelers zagen schoppen voor harten aan;
+sommige jongeheeren, door de duisternis misleid, misgrepen zich vaak
+deerlijk in 't waarnemen hunner galante functiën tegenover sommige
+jongedames--ja, wanneer er niet erger geschied is, hebben ouders en
+voogden 't geenszins te danken aan den overvloed van licht gedurende de
+lange avonden aan boord van de »Meermin" doorgebragt. Voeg bij deze
+grief nog 't toedienen van ongefiltreerde keteltjeskoffie, en van thee
+die slechts onder 't veelbeteekenend epitheton van geut- of bordewater
+werd genoten--en ge zult u een denkbeeld kunnen vormen van de lang
+verkropte woede onzer reizigers, en van de billijke verontwaardiging,
+waarmeê ze den schuldigen gezagvoerder in koor aanvielen: immers, de
+thee was ditmaal, meer dan ooit, dunne spoeling gelijk; en de lampen
+verspreidden, om zoo te zeggen, een stralenbundel van tastbaar duister.
+»Hij, de achtelooze schipper, had nu toch, na zóó herhaald en dringend
+betoog, zich in Engeland van betere phosphoren kunnen voorzien; en, wat
+de thee aanging--de thee was goed voor de varkens, als die ze lustten,
+maar niet voor menschen, die nog wel zóó'n hoog passagegeld moesten
+betalen."--Ik vond 't magtig juist geredeneerd.--Mijn edele Josua, die
+toch reeds in een, niet ongewonen, ietwat bacchantischen toestand
+verkeerde, stelde zich aan 't hoofd van de oppositie. Hooge woorden en
+harde waarheden werden van beide kanten met prijzenswaardige
+openhartigheid gewisseld; ieder besprak zijn regt, elk herinnerde zich
+een gruwel; en--ik vrees, hadden de Tritons opgedoken van uit de zee, en
+in schetterende toonen »vrede!" gebazuind--hun geblaas ware om niet
+geweest, en hun kunst zonder uitwerking op de verhitte gemoederen der
+twistende scheepbewoners.--»_Panem et Circenses!_" was de kreet van 't
+Romeinsch gepeupel.--»Kaas en brood!" wilde 't volk van
+Noord-Holland.--»Licht en thee!" klonk 't in de kajuit van de
+»Meermin"--»licht, of uw leven, o Kapitein--thee, of uw bloed!"
+
+ * * * * *
+
+En hoe liep de strijd af?--Werd er bloed gestort; werden Kapitein en
+bemanning over boord gesmeten?--of, zag men de raddraaijers onder de
+passagiers hun muiterij boeten, kromgesloten in 't donkere scheepshol--?
+
+Noch 't een noch 't ander.--Nadat beide partijen zich, gedurende een
+zeker tijdverloop, de keel hadden schorgeschreeuwd, begon men te
+bedenken, dat, men elkaar nog drie à vier maanden lang--zegge, drie à
+vier lange maanden--van aangezigt tot aangezigt zou moeten bekijken; de
+Kapitein zag in, dat hij beter thee en licht _kon_ geven, en de
+passagiers overlegden in 't binnenst hunner harten, dat de thee en 't
+licht nu ook eigenlijk _zoo_ slecht niet waren; kortom--men begreep, dat
+men zich belagchelijk aanstelde--iets, dat de zachtzinnige nonna Flora
+en de levenswijze jongeling Gabriël van den beginne af reeds gegist
+hadden--; daarop verklaarde men, 't zoo niet gemeend te hebben; en
+eindigde, met elkaar de liefderijkst mogelijke concessiën te
+doen.--Zoodat onze vrienden, een uur later, toen een buitengemeene
+_largesse_ van bisschop en koek was rondgediend, vredig zamen zaten tot
+'t maken van een genottelijk Zwarte-Pietje. Na beëindiging van welk
+onschuldig spel de Hr. Josua opstond, die, blakend van bier, grog en
+edelen vriendschapszin, een toepasselijken toast sloeg, welken hij
+besloot, met op de volgende wijs de woorden van den dichter te
+verminken:
+
+»De Liefde zegt soms haatlijkheên,
+Die arme zielen plagen,
+Maar 't is tot nut van 't algemeen,
+En niet uit _zucht_ tot plagen."
+
+»Och", filosofeerde ik, toen ik in mijn bed stapte, »hoe kleingeestig is
+de mensch, dat hij om een handvol thee en een kruikvol olie den lieven
+vrede verstoort! Zouden de stomme visschen, in den schoot des oceaans,
+ook om zulke nietigheden malkander in 't haar vatten?"--»De visschen",
+stamelde Josua, met dubbelslaande tong, »die eten elkaâr op--vin en
+staart".--»En de menschen zuigen elkaâr uit, om slechts vel en been over
+te laten".--»De mensch is een redelijk wezen", stotterde Josua, »en
+neemt de vormen in acht". Dit zeggend, tuimelde hij te kooi, in een
+postuur dat ik liever niet beschrijven zal.
+
+ December, 1865.
+
+
+
+
+EEN KERSDAG.
+
+(GABRIËL AAN ZIJN BROER WILLIBALD).
+
+Home, sweet home--!
+
+
+_Con espressione_.
+
+We kruisten in de Golf van Biscaije: we kruisten tusschen 't land van
+den wijn, en 't rijk der Almaviva's; een ijzige wind blies ons om de
+ooren, een dikke mist stond op de wateren, en somber, als in winterdos
+gehuld, strekte zich een loodgraauw zwerk boven onze hoofden uit.
+
+ * * * * *
+
+En 't was Kersmis: dát, broêr Willibald, herinnerde ik mij maar al te
+goed!
+
+ * * * * *
+
+Ik was 't gewoon, dien dag als een dubbelen feestdag te vieren: als
+Kersdag, en, broêr Willibald--als _uw_ geboortedag.--Helaas, van dubbel
+noch enkel feestvieren kon voor ons sprake wezen.
+
+Verkleumd van koû en nat zaten we, geschommeld en geschud op ons wippend
+krukje: soesend, verlangend, niet wetend hoe ons te wringen van armoê
+en verveling.--'t Eénig teeken van openbare herdenking bestond voor ons
+in 't ontvangen van een kopje chokolaad, welke extra bedeeling ons
+gewoonlijk den Zondag van de overige dagen deed onderscheiden.--Onze
+Kapitein was immers een modern zeeman--heel praktisch en verlicht: »hij
+stoorde zich niet aan die gekheid: 't zat 'em daar toch niet in", zeî
+hij, »en de ééne dag was zoo goed als de ander."----Arme Nederlandsche
+natie,--mét den devoten zin der vaderen, zijn ook uw kracht en glorie
+geweken! Zie dien schipper--: waar vroeger zijn ambtgenoot, gestukadoord
+en gestijfseld, 't psalmboek zwaaide--gaat de verbasterde nazaat vóór,
+als Silenus bij de dienst van den chokoladeketel!--»_Horrible,
+horrible_--_most horrible_--!"
+
+ * * * * *
+
+En toch had _ik_ gaarne een kerkdienst bijgewoond, dien dag. Gaarne had
+ik 't mij getroost, een preek aan te hooren, in de togtigste en
+onhuislijkste aller protestantsche kerken: een preek, opgegalmd door den
+leuterigsten en witbloedigsten aller protestantsche dominees: een
+solied-orthodoxe Kerspreek, in al haar afmetingen van lengte, breedte en
+diepte; met al haar verschrikkingen van punten en deelen en onderdeelen,
+van hoogopgetrokken bouffanten, walmende stoven, en bevrozen
+wintervoeten------ja, onder al dien jammer had ik blijmoedig 't hoofd
+gebogen--ochtend- en middagdienst zonder morren doorworsteld----indien
+ik slechts den avond t'huis had mogen doorbrengen: den lieven, éénigen
+Kersavond had mogen slijten in den kring der mijnen!
+
+Zag ik 't niet, broêr Willibald--zag ik 't niet, met gesloten oogen: hoe
+ze, na kerktijd, allen tot u kwamen, en u de hand drukten, en
+gelukwenschten--U, die toen de oudste en éénige zoon waart in moeders
+huis!--En 's avonds--zag ik ze 's avonds niet aan de ronde tafel
+vergaderd, ooms en tantes, neven en nichtjes--als er gezongen werd, en
+pianogespeeld--en krachtige punch gedronken, en keurigen tulband
+gegeten--en--en misschien, waar 't gesprek kwijnde, ook nog 'reis door
+dezen-of-genen gerept van den verloren zoon, 't _enfant terrible_, die
+zijn moeders vetpotten versmaadde, om, in vreemdelingschap, van den draf
+te gaan eten met de zwijnen--!--Broeder, broeder Willibald, wees ook van
+mij gegroet! Mijn heilwensch roep ik u toe, en den storm maak ik tot
+bode mijner woorden! Wees gezegend op dezen eersten Kersdag; en, is uw
+oor doof voor mijn stem, die wegsterft in 't magtig geluid rondom
+mij--o, broeder, laat in uw hart die stem weêrgalmen met al de kracht
+van een heilige, onverbreekbare vriendschap!
+
+ * * * * *
+
+Maar, ook zonder de viering van eens dierbaren geboortedag--was Kersmis,
+en Kersmis alléén, mij altoos een kerkgang waardig. Kersmis is mij mijn
+grootst, mijn éénig Christelijk feest. Ik heb Paschen lief om de eijers,
+Pinkster om de bloemen;--maar Paschen huldigt een legende, Pinkster
+verstoffelijkt een allegorie. Kersmis alléén is mij heilig, als de
+geboortedag van Jezus den Nazarener, den Apostel der Liefde.
+
+O schoone dag, vol zoete poësie! Ideaaldag van huiselijk geluk, van
+zalige, kinderlijk godsdienstige herinneringen!--: sneeuwvlokjes
+buiten--'t knappend haardvuur binnen; dood en sombere winterkoû in de
+natuur--hernieuwd leven en hopen in 't menschelijk hart!
+
+Zie--de halve wereld juicht als één; secten en kerken vergeten haar
+vijandschap; arm knielt naast rijk, de vrijzinnige naast den drijver:
+want hierin zijn ze allen eensgezind--dat ze God danken willen voor de
+geboorte van _hem_, dien ze noemen met verschillende namen, maar
+die--wie hij ook wezen mag--wat ook kortzigtige of belangzoekende
+dweepzucht hem gemaakt heeft--toch zeker in zóóver Gods Zoon mag heeten,
+dat hij 't eerst ons den Vader heeft leeren kennen: den Vader, die is,
+en eeuwig wezen zal: den God van 't Heelal, die deugd eischt zonder
+magtspreuk, goede werken zonder wet, en geloof zonder openbaring.--Hoe
+liefelijk, op dezen dag zaâm te wezen, als broeders! Komt, laat ons
+zamen opgaan met de schare ter kerke, om den Vorst der Liefde, den
+Stichter der éénige en eeuwige Godsdienst te aanbidden in eenvoudigheid
+des geestes--gelijk we 't deden toen we nog jongskens waren, wijs in
+onze onwetendheid: als moeder ons vertelde van den lieven Kindervriend,
+en we ons Kersfeest vierden, en de blijde vacantie, spelend rond den
+warmen haard!--We willen ons nu niet, ergeren aan dogma en
+formulier;--we hooren alleen 't plegtig orgelruischen, en stemmen in met
+'t »Vrede op aarde!--Vrede voor allen!--Vrede ook voor
+ons!"--------------------------
+ --------doch
+stil----'t waren nevelbeelden, die ik aanschouwde in den zwarten mist;
+St. Elmo's vonken waren 't, die ik hield voor Kerslichtjes; 't was 't
+loeijen van den storm, waarin ik orgeltoonen meende te hooren--!
+
+--Neen--geen vrede voor _mij_--geen vrede voor den balling!--Voor _mij_
+geen winterkoû, geen sneeuwvlokjes, geen knappend haardvuur--voor _mij_
+geen Kersmis meer!--: maar gloeijende zonnehitte en doodend heimwee in
+een land, waar slechts Plutus, Venus en Bacchus als drieëenheid
+voorzitten--!
+
+O God--schreide ik--zijt Gij een God van Liefde, die zóóveel liefde hebt
+uitééngerukt--!
+
+ December. 1865.
+
+
+
+
+ONDER DE LINIE.
+
+(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)
+
+»In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten"--
+
+
+Smorzando e languendo.
+
+--Zegt de Schrift; en onze catechiseermeester maakte er van: »_arbeiden_
+en uw brood _verdienen_"--! Dat wist ik trouwens; 'k had er ook nooit
+iets tegen: en vaak, als ik naauw de pen of den strijkstok tusschen de
+verkleumde vingers kon houden, heb ik den Hemel gebeden, dat de bron van
+licht en warmte mijn zweet wat milder mogt doen vloeijen.
+
+Doch hoe nu!--Moet ik _rusten_ in 't zweet mijns aanschijns? moet ik 't
+zweet mijns aanschijns drinken? moet ik zwemmen in 't zweet mijns
+aanschijns?--Dat toch kan de bedoeling van Genesis niet wezen.
+
+ * * * * *
+
+We dobberen onder de Linie: een gansche week reeds, dobberen, drijven en
+draaijen we, op, onder en boven den Equator.
+
+'t Waren schoone dagen geweest, toen we zeilden met den
+Noord-Oost-Passaat. Toen de lucht zoo blaauw was, en de zee zoo
+glanzend; toen de zon zoo helder straalde over onze bruisende
+vaart!--Schoone dagen waren 't; en gelukkiger dan Keizer Seged, hadden
+we volle tien zulke dagen van ongestoorden vrede mogen beleven.
+
+ * * * * *
+
+Maar nu----we dobberen onder de Linie: de Noord-Oost-Passaat heeft ons
+verlaten, de Zuid-Ooster komt nog niet: een gansche week reeds,
+draaijen, drijven en dobberen we, in den stiltegordel, boven, onder en
+op den Equator.
+
+Geen zuchtje, geen zephyr, geen togtje verkwikt ons--niets dat naar wind
+gelijkt, dan 't blazen van den loggen botskop,[7] die opduikt, snakkend
+naar adem.
+
+Toch--ondanks de stilte--rolt over 't spiegelgladde watervlak een
+deining uit den Noordwesten, die ons schommelt en slingert en zeeziek
+maakt--als ware er een Typhon los.
+
+ * * * * *
+
+En 't is warm, vrienden--warm!
+
+Vraagt niet, of 't warmer is dan in de hondsdagen, warmer dan in een
+kermistent, warmer dan in 't zweetkamertje van Leidsche of Utrechtsche
+academie!----Ik zeg u, vrienden--de hel is hier--de hel van Torquemada!
+
+Een dompige hitte drukt loodzwaar van uit den bewolkten hemel: geen
+drooge felle zonnebrand--maar vochtig, laauw, als stoom uit een ketel
+omringt ons de logge atmospheer. Ieder oogenblik kletteren tropische
+stortregens op 't dek neêr; gezondheidshalve kan men zich niet laten
+natregenen: men gaat dus omlaag; maar, ofschoon de luiken gesloten
+blijven, toch dringt de regen met stroomen binnen--een klamme,
+broeijende pestwalm vult den engen kerker--alles druipt, dampt, zweet en
+riekt!
+
+»Zal de mensch"--zoo spreekt Mohammed, de Veelteprijzene--»zal de
+mensch, voor wien deze dingen zijn toebereid, even als hij wezen, die
+voor altijd in het hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal
+gelescht worden, dat hem de ingewanden zal verscheuren?--En wat zal u
+doen verstaan wat de hel is? Zij laat geen ding onverteerd, noch laat
+eenige zaak ontsnappen. Zij verbrandt des menschen vleesch."[8]
+
+_Met kokend water gelescht_: ik bid U, groote Profeet, wiens neusgaten
+de geurigste van Arabiës reukwerken niet konden bevredigen--ons water
+kookt wel niet--maar 't riekt! _Zij laat geen ding onverteerd_: eilieve,
+zoon van Abdallah--zelfs onze ligchamen niet, want merg en bloed gaan op
+in damp! _Zij verbrandt des menschen vleesch_: ik zweer u, kleinzoon van
+Abdelmottalib, bij al de welgedane maagden die gij tot vrouwen hebt
+gehad--aan ons zullen eerstdaags niets dan uitgedroogde beenderen te
+verbranden overblijven!
+
+ * * * * *
+
+De hel--ja, zoo men ze ergens zoeken mag--de hel is _hier_: _hier_, en
+in de zandvlakten van Sahara, en in 't gemoed van den onverdraagzame, en
+in de Roode zee, en in één huis met een booze wederhelft--maar _hier_
+vooral--_hier_, onder de Linie.
+
+Komt dan, onmenschlijke vischwijven, die kreeften en garnalen
+springlevend durft koken! En gij, nog onmenschlijker godgeleerden, die
+heidenen en ongeloovigen springlevend durft neêrploffen in den ziedenden
+zwavelpoel uws eeuwigen vuurs--komt, doet een uitstapje naar Nederlands
+Overzeesche Bezittingen beoosten de Kaap de Goede Hoop; toeft een weekje
+in den stiltegordel onder den Evenaar of Evennachts-lijn; zweet er,
+smacht er, stikt er en braadt er, zooals _ik_ er gezweet, gesmacht,
+gestikt en gebraden heb----en voelt, en weet wat 't is, springlevend
+gekookt of geroosterd te worden! Komt, orthodoxen van alle
+gezindheden--komt alle, regtgeloovige woordaanbidders, die aan een hel
+gelooft voor anderen, en aan een hemel voor uzelf--komt, en leert _hier_
+'t verschrikkelijke begrijpen van de pijnen, waartoe uw _geloof_ den
+broeder veroordeelt--leert _hier_ 't afschuwelijke inzien van den
+leelijksten, de tastbaarsten, den onchristelijksten uwer leugens--!
+
+ * * * * *
+
+Edoch, zacht wat, Gabriël--wáár holt ge heen! Zal een philippica tegen
+regtgeloovigen u tot kouden omslag rond de slapen dienen--!
+
+Ai, laat idioten en duivelen malkander een hel stoken!--Maar gij--roep
+gij de hulp der Goden in!
+
+ * * * * *
+
+Aeolus, winderige Vader der Winden--slaapt ge--zijt ge dood?
+
+Zie, de Nautilus zelfs heeft in wanhoop zijn rooskleurig zeiltje
+gestreken, en laat zich zachtkens neder in den azuren afgrond.
+
+Hoe benijden we u, kleine Argonaut, als we u zien wegzinken in de diepte
+van uw frisch, doorschijnend bed!
+
+Duik meê in, gestoofde sterveling--duik meê in, en koel u aan den boezem
+der hemelsche Amphitrite, die u wenkt--dáár, zie: spelend met haar
+jonkvrouwen: haar bruingevinde, witgebuikte, wijdgebekte jonkvrouwen!
+Duik--en wees zalig in haar omhelzing, als ze u zullen omvatten, en u
+meêvoeren in triomf--diep, diep--tot in 't koelste diep der blaauwe
+wateren----! O, Tantalus, arme Tantalus--!
+
+ Januarij, 1866.
+
+[Footnote 7: Een kleinere soort van 't geslacht der walvisschen.]
+
+[Footnote 8: Alkoran, H. xlvii. V. 17, en H. lxxiv. V. 27-29.]
+
+
+
+
+DILETTANTISME.
+
+(EEN ARTISTIEKE ONTBOEZEMING VAN GABRIËL AAN ZIJN BROÊR WILLIBALD).
+
+ Hey de diddle
+The cat and the fiddle:
+The cow jump'd over the moon--
+------------------------
+ _Engelsch liedje._
+
+Laat d'Elephant nu vrolijk zingen,
+En 't huppelend rendier in de wei--
+------------------------
+ _Schoolmeester._
+
+
+De afgebeden wind, de krachtige Zuid-Oost-Passaat, was eindelijk
+doorgebroken.--Een paar dagen lang blies hij frisch in de zeilen; en
+toen we kaap Roque in 't oog kregen, en zachtkens voortgleden langs 't
+ruige kustgebergte van Brazilië--toen was 't heerlijk, goddelijk aan
+boord: de dagen glanzend, en liefelijk de nachten, als zouden de
+hemellichten voor 't eerst hun loflied zingen.--Doch, reeds ter hoogte
+van Pernambuco begon de Passaat flaauwer en flaauwer te waaien. Te
+vergeefs werd er gefloten en aan den bezaansmast gekrabt; St. Antonius
+luisterde naar geen rede. De zeilen hingen slap, als vlaggen op
+Koningsverjaardag; de zee lag plat, en glimmerde luiweg in de zon, als
+'t groote kwikbad van Professor Mulder.--Dan was, na den gloeijenden
+dag, de avond een tijd van feestelijk genot. Men vlijde zich onder den
+fonkelenden hemelboog, en, hijgend van wellust, zwelgde men 't suizend
+koeltje in, waarmeê de jonge nacht de zeilen rondt--blank en vol als
+maagdeboezems. Ons bloed stroomde weêr; nieuwe levenskracht verruimde de
+afgematte borst; als met frisschen balsemgeur vulden zich gretig de
+longen.--En de maan dook vrolijk op van uit den plas, lagchend en
+tintelend, verliefder dan ooit--als wist ze 't, dat we haar _nu_ dubbel
+welkom heetten--zij,
+ »--die flonkert--en zwijgt!"
+
+Zoo schonk ons de milde natuur een nacht van rust en koelte na den
+langen benaauwden dag; aan haar lag 't niet: zij heelde waar ze geslagen
+had. Doch--hoe zou 't anders kunnen--de mensch, de domme, eigenzinnige
+mensch, lette niet op haar wenken, verwaarloosde haar beste gaven--en
+volgde zijn eigen verkeerden zin.--In plaats dat men zou genieten van 't
+goede dat de avond bragt: in plaats dat men zou rusten, en toeven, en
+adem scheppen--wat deed men?--: men stelde alle pogingen in 't werk, om,
+door malle potsen en kromme sprongen, 't pas gestelpte zweet op nieuw in
+stroomen te doen uitbreken--: men offerde op de altaren van Euterpe en
+Terpsichore--doch, helaas, zoo vunzigen wierook, dat de schepsels 't wel
+moeten uitgeschreeuwd hebben van razende hoofdpijn.
+
+Reeds meermalen, als onze reizigers over verveling klaagden--'t geen
+niet zelden plaats had--was door den Kapitein gewaagd van zeker
+draaiorgel, dat zich aan boord zou bevinden, en bij welks maatgeluid op
+schoone zomeravonden zou kunnen gedanst worden. Indrukwekkende konde:
+zoetklinkend in de ooren van velen; een mare van angst en schrik op 't
+klassiek-ontwikkeld trommelvlies van den fijnmuziekalen Gabriël.
+
+Lang had ik gehoopt, dat 't orgel in 't diepst van ons scheepshol, en 't
+dansen mét 't orgel zou vergeten blijven----toen, ik op zekeren
+avond--naauw was de zon, omstuwd door rozeroode wolkjes, den grijzen
+Meergod in de armen gezonken--uit mijn overpeinzingen gewekt werd, door
+een piepend, schreeuwend, knarsend geluid: een geluid, waarvan de
+toonen, zuchtend en stootend, de melodie van een Duitschen polka heetten
+aan te geven.--Ik luister--ik geloof mijn ooren niet! Ik zie op--ik
+geloof mijn oogen niet: want, bij St. Vitus, dáár, achter me, vlak
+achter me, alsof ze 't er om gedaan hadden, daar staat 't draaiorgel--en
+naast me, om me heen, zie ik paren van mannen en vrouwen, als draaijende
+poppen hokkend en sjokkend op 't afschuwlijk, maatloos gesnater!--Men
+maakte muziek en men danste!
+
+Mijn vriend Judocus, die, ondanks de stijfheid zijner ledematen, in de
+hedendaagsche trippelkunst een matador bleek te zijn, wierp zich op als
+_maître de ballet_, en maakte zich alras beminnelijk door 't organiseren
+van eenige quadrilles, mazurka's en andere spring-combinatiën, die alle
+tot groot genoegen van executanten werden afgestoken. 't Animo nam
+dagelijks toe: elken avond liet Papageno zijn klokjes hooren; 't
+onderscheid tusschen rang en stand verdween: men zag passagiers,
+kapitein en stuurluî in gonzende mengeling en dwarrelende eendragt een
+galop of pas-de-trois uitvoeren--'t was jammerlijk, 't was
+menschonteerend!--Ziet ze huppelen, hoort ze jodelen!--Nog liever zag ik
+'t St. Elmus-vuur huppelen over de ra's, en hoorde den storm jodelen
+door de touwen!
+
+ * * * * *
+
+Ondanks mijn kwalijk verbergen ergernis, had ik reeds verscheiden
+avonden een dergelijke dans- en zanglustige voorstelling moeten
+bijwonen.--Ten laatste echter, toen dit amusement tot een ware manie
+klom, besloot ik, aan mijn verontwaardiging lucht te geven, en, in een
+gemoedelijken speech, tegen de door mij verafschuwde Baälsdienst der
+populaire kunst te velde te trekken. Ik beklom, na mij met eenige glazen
+Rhijnwijn te hebben gesterkt, een watervat, en, als een jeugdige
+Pickwick, de linkerhand onder de slippen van mijn jasje verbergend en
+met de regter-bevalliglijk gesticulerend--hield ik--natuurlijk uit naam
+der beide diep beleedigde zanggodinnen--de volgende redevoering.
+
+ * * * * *
+
+Mijne vrienden, riep ik--wanneer ik u zoo zie dansen en springen, zoo
+hoor jolen en zingen, voel ik mijn smaak voor 't goede en schoone op 't
+pijnlijkst aangedaan en gekrenkt. Niet, dat ik u een onschuldige
+uitspanning misgun, of met den adderblik van een Calvinist op uw
+Arcadische spelen nêerzie----Sinte Laetitia behoede mij: ik aanbid de
+vreugd: ik heb genoeg geleden, om te weten hoe zalig 't is, _eens blij
+te zijn_. Edoch, ik herhaal 't, mijn schoonheidsgevoel is zóó
+kiesch--vooral waar 't op een verdedigen van de onschendbare
+bekoorlijkheden der negen gezusters aankomt--dat ik niet kan nalaten, uw
+blij genot voor een oogenblik te verstoren, om u te doen opmerken, hoe
+verschrikkelijk leelijk gijlieden doet--gij, mitsgaders de overgroote
+meerderheid uwer diletterende medemenschen--, ik herzegge: hoe
+verschrikkelijk leelijk gijlieden doet, en hoe ergerlijk ge uw
+waardigheid als gezeten burgers versmijt, wanneer ge daar zoo, gelijk ge
+'t noemen durft, _danst_ en _zingt_.
+
+Ikzelf, die tot u spreek, houd veel van dansen--maar, mijne vrienden:
+van dansen, als kunst, waarbij de mensch, bezield en opgewonden door een
+geestige muziek, met edele gebaren en bevallige bewegingen tracht uit te
+drukken wat hij gevoelt. »_Tracer des chiffres d'amour_", noemden 't de
+_Précieuses_--en de uitdrukking is wél gekozen: men zie slechts door
+goede dansers een goed ballet opvoeren!--Om beter te bewijzen, hoe ik 't
+dansen als kunst hoogschat, en om weêr te geven, hoe ik wenschte 't
+toegepast te zien, haal ik hier de woorden van Beaumarchais aan, die ik,
+o vrienden, ter uwer aller leering, expresselijk voor deze gelegenheid
+heb van buiten geleerd:
+
+»_Il est un autre art d'imitation, en général beaucoup moins avancé que
+la musique, mais qui semble en ce point lui servir de leçon. Pour la
+variété seulement, la danse élevée est déjà le modèle du chant._
+
+_Voyez le superbe Vestris ou le fier d'Auberval engager un pas de
+caractère. Il ne danse pas encore, mais d'aussi loin qu'il paraît, son
+port libre et dégagé fait déjà lever la tête aux spectateurs. Il inspire
+autant de fierté qu'il promet de plaisir. Il est parti.--Pendant que le
+musicien redit vingt fois ses phrases et monotone ses mouvements, le
+danseur varie les siens à l'infini._
+
+_Le voyez-vous s'avancer légèrement à petits bonds, reculer à grands
+pas, et faire oublier le comble de l'art par la plus ingénieuse
+négligence? Tantôt sur un pied, gardant le plus savant équilibre, et
+suspendu sans mouvement pendant plusieurs mesures, il étonne, il
+surprend par l'immobilité de son aplomb.--Et soudain, comme s'il
+regrettait le temps du repos, il part comme un trait, vole au fond du
+théâtre, et revient, en pirouettant, avec une rapidité que l'oeil peut
+suivre à peine._
+
+_L'air a beau recommencer, rigaudonner, se répéter, se radoter--il ne se
+répète point, lui! Tout en déployant les mâles beautés d'un corps souple
+et puissant, il peint les mouvements violents dont son âme est agitée:
+il vous lance un regard passionné que ses bras mollement ouverts rendent
+plus expressif: et, comme s'il se lassait bientôt de vous plaire, il se
+relève avec dédain, se dérobe à l'oeil qui le suit, et la passion la
+plus fougueuse semble alors naître et sortir de la plus douce ivresse.
+Impétueux, turbulent, il exprime une colère si bouillante et si vraie,
+qu'il m'arrache à mon siége et me fait froncer le sourcil. Mais,
+reprenant soudain le geste et l'accent d'une volupté paisible, il erre
+nonchalamment avec une grâce, une mollesse et des mouvements si
+délicats, qu'il enlève autant de suffrages qu'il a de regards attachés
+sur sa danse enchanteresse._"[9]
+
+Beaumarchais spreekt hier van »_le superbe Vestris ou le fier
+d'Auberval_." Ik, Gabriël, als ik me een Mozartsch menuet en trio voor
+den geest haal, zie de Sylphen huppelen, en de Nixen haar zwevende rijen
+vormen.--Geen van die allen nu treft men in een gewoon gezelschap,
+evenmin als men ze aan boord van een Oost-Indie-vaarder moet zoeken. Men
+kan dan ook niet vorderen, dat burgermenschen zich op de maat zullen
+voortbewegen met de vlugheid en gratie van artisten of mythologische
+wezens.--Doch wél kan men eischen--aangezien niemand tot beoefening van
+den dans, of van welke kunst ook, wordt gedwongen--dat een iegelijk, die
+zich vrijwillig er op toelegt, zooveel zijn aanleg en vermogens 't
+toelaten, trachten zal, iets schoons, ten minste iets aangenaams voort
+te brengen.--Dit is ook zoo ontzettend moeijelijk niet: een losse
+beweging van de armen, een gracieuse wending van 't bovenlijf, een goed
+op de maat sluitende pas, vormen reeds een aangenaam geheel, zonder dat
+men als een priktol behoeft rond te draaijen, of, met een snelheid van
+tien knoopen, een zaal behoeft dóór te stuiven. 't Is waar, bij _zulk_
+dansen is een weinig oor onmisbaar: een oor, zooal niet voor muziek, dan
+toch voor maat; 't is niet voldoende, van een drie-kwarts tempo den
+neêrslag te kunnen meêtrappen--men moet ook, buiten _'t zware_ tijddeel,
+'t _ligte_ kunnen voelen, en eenig begrip hebben van de gewone
+basbegeleiding, die men, in al haar nuanceringen, met den voet als 't
+ware behoort aan te geven; doch juist daardoor alléén wordt 't mogelijk
+een dans te scheppen, die niet geheel op gelijke hoogte staat met de
+uitvoeringen der broederschap van Atta Troll. _Zóó kan_ 't dansen een
+kunst wezen, die fantasie en hartstogt uitdrukt, »_un art
+d'imitation_"--een kunst, die een Haydn en Mozart, ja, een deftige Bach
+en Haendel, niet geschroomd hebben, door hun onsterfelijke scheppingen
+aan te moedigen en te idealiseren.
+
+En wat, mijne vrienden, wat hebt gijlieden van die kunst gemaakt?--De
+karikatuur van Hogarth--een uitstalling van de stijfste en stokkerigste
+ligchaams-verwringingen.--Ziet, ai ziet daar ginds den geleerden
+Judocus, anders zoo statig; den vluggen Josua, anders zoo galant: ziet,
+hoe ze, als lompe boerepummels, met de beenen verward zitten tusschen de
+rokken van hun danseressen Coba en Keetje! Ziet, hoe Hupman, dat
+toonbeeld van een _preux chevalier_, al dansend den rand van Mevrouw
+Tripvoet's ochtendjapon heeft afgetrapt! Hoe Lepidus, die slankste aller
+sinjo's, daar even, bij 't vertoonen zijner solo-passen, een _culbute_
+maakte, niet ongelijk aan de _cabrioles_ van Don Quichotte in de Sierra
+Morena! Hoe zelfs onze logge Grogmeijer de niet minder vormelooze
+Fräulein Einheit doet rondzwieren: Leviathan, die Behemoth heeft ten
+dans genoodigd! Ziet en hoort, hoe men nu _en corps_ losbreekt, onder
+oorverdoovend geschuifel, en, met geringachting van schoenen en
+pantoffels, de planken onzer campagne glad galopeert!--Ik vraag u, is er
+in dit alles iets van 't uitdrukkingsvolle en afwisselend schoone, dat
+de geniale Franschman als hoofdvereischte van den dans
+aangeeft?--Antwoordt mij, dat ge niet beter dansen _kunt_, en toch
+dansen _wilt_;--goed, 't zij zoo:--dat is, wijl ge domme, ijdele
+schepsels zijt, net als een zekere Gabriël, die ook schrijven _wil_
+zonder 't te _kunnen_. Maar stemt mij ten minste toe, dat ge zoodoende
+de kunst vernedert tot een onbevallig apenspel, en dat ge verkeerd
+doet, _zoo_ te dansen: want dat de mensch--zelfs de burgermensch--die
+dansen wil, als _mensch_ moet dansen, en niet als een brombeer, of als
+een jeugdig mastodon, of als een losgelaten kalf in Grasmaand--!
+
+Zóóveel, mijne vrienden, omtrent de zorgwekkende omstandigheden, waarin,
+door uwlieder toedoen, de snelvoetige Terpsichore verkeert.
+
+Om nu ook over de zachte Euterpe, de inspiratrice en instigatrice van
+den dans, met een enkel woord te spreken, moet ik beginnen u te
+verzekeren, dat 't met haar nog veel treuriger gesteld is, en dat, in
+dezelfde mate als zij verheven is boven haar zuster, in die mate ook de
+Muse der Toonkunst dieper ontheiligd wordt door een wufte menigte, die
+haren naam ijdellijk durft misbruiken.
+
+Muziek!--Dat is een tooverwoord in mijn oor: 't maakt me gelukkig,
+trotsch en rijk; 't sterkt me, en doet me 't hoofd opheffen;--en
+tegelijkertijd doet 't mijn hart overloopen van weemoedige
+herinneringen; doet me bitter pijnlijk gevoelen, wat ik mis--als had ik
+dáárin alléén een wereld achtergelaten!--Muziek, mijne vrienden----
+
+ * * * * *
+
+Doch, ik zie wel--mijn stem is als die van Aäron bij de dienst van 't
+Gouden Kalf! Elk danst zijn dansje, en liedelt zijn liedje;--en de
+hervormer Gabriël babbelt voor mast en touw.
+
+Daarom--ik daal neêr van mijn gestoelte--vloek mijn bekeeringsijver--vat
+de pen op--en spreek tot U, broêr Willibald--tot U, die mij begrijpen
+kunt, omdat gij met me gevoelt.
+
+_Gij_ zult 't weten, hoe mijn gewaarwordingen wezen moeten, als ik, tot
+eenigen troost, de partituren nalees van onze aangebeden meesterstukken.
+Als ik de Zauberflöte-liederen doorloop, die we, sints jaar en dag,
+zamen zongen en speelden; als ik Fidelio volg in den donkeren kerker; of
+met Heiling mijn aardgeesten ter wrake roep! Als Figaro mij voert door
+al de rijke episoden van zijn veelbewogen bruiloft: in de slaapkamer der
+treurende Rosina, en in den geurigen Spaanschen oranjehof,
+
+»_Wo die sanften Abendlüfte_
+_----------weh'n_".
+
+Of, als de heerlijke liederen van den vromen Jacob mij stemmen tot
+ootmoedige bewondering!--En als ik dan verder ga, en ik denk aan al onze
+oude lieve muziek, waarmeê we zoo dweepten, die ons zoo troostte en
+ophief in ons broederlijk gedeeld leed; als ik denk aan onze eigen
+nederige uitvoeringen: onze sonaten en orgelstukken; of, onder de vele
+magtige orkestwerken die we hoorden, aan 't dichtstuk, dat een Godheid
+niet heerlijker had kunnen scheppen: de groote Leonore-ouverture;----als
+me dat alles zoo klingt en zingt door 't hoofd--zie, _gij_ kunt
+beseffen, hoe ik dan _sehnen_ kan, met mijn gansche ziel, om nog éénmaal
+in wezenlijkheid te hooren, wat mijn geheugen me als een zwakke echo
+herhaalt----iets, hoe weinig ook--een goede streek, een ferm akkoord!
+
+En dat ik 't nu den lieden in 't algemeen zoo half kwalijk neem, wanneer
+ze »muziek willen maken", zal me elk ander als een malle pedanterie
+toerekenen.--Gij, amice, zult dat niet. Gij, als musicus, weet toch,
+hoe'n onverdraagzaam pedant wezen een musicus _is_ en _zijn moet_.--Ik
+kan niet oordeelen over de stemming van andere artisten, van den
+schilder of beeldhouwer, wanneer ze hun kunst zien profaneren;--maar wél
+weet ik, hoe de kenner op muziekaal gebied van geen genade hooren mag
+voor alle pretentieuse oningewijden: hoe hij den ongelukkigen liefhebber
+veracht, en lager dan een straatmuziekant stelt, die valsch of buiten de
+maat durft zingen, die speelt zonder opvatting, die doof is voor de
+schoonheden van harmonie en contrapunct, die niet de breede klove
+overziet tusschen een Mozart en een Meijerbeer.
+
+Ditzelfde verwijt ons zeker onsterfelijk Hollandsch schrijver--en,
+hierdoor bewijst de groote man, dat hij minder op 't gebied der noten
+dan op dat der letteren t'huis behoort, daar hij immers op geheel
+anderen toon zou moeten gesproken, en betoogd hebben: hoe de ware
+musicus haast niet te onverdraagzaam _kan_ zijn.
+
+Want, op mijn eer--er is geen kunst, waarvan elk zich spoediger meester
+waant, dan de muziek.--Ga rond bij de meeste welopgevoede lieden, en
+vraag hun, of ze kunnen teekenen, of ze een oordeel kunnen vellen over
+de waarde van een schilderij of marmergroep. Ze zullen u antwoorden:
+»neen", of, »een weinig".--Spreek hun over muziek--en ge zoudt meenen,
+met niets dan Leipziger Professoren te doen te hebben!--Elk prefereert
+zijn komponist, en verwerpt den anderen; kiest zijn stijl en genre;
+haalt de schouders op voor _deze_ opera, en applaudisseert genadiglijk
+_gene_; elk heeft aanleg, smaak, gevoel; elk zingt, en bespeelt zijn
+instrument--of, zoo hij 't _niet_ doet, is 't slechts, omdat hij
+verzuimd heeft er zich meer speciaal op toe te leggen; velen zelfs zijn
+harmonisten op hun wijs, en brommen een baspartij in de kerk; en--zij
+die aan niets van dat alles kunnen meêdoen, weten er toch altijd nog
+genoeg van, om artisten te recenseren, en Wagnersche compositiën
+_fiasco_ te doen maken--!--Ja, ik heb, zoolang ik leef, slechts _drie_
+menschen ontmoet, die er gulweg voor uitkwamen, _geen_ muziekaal begrip
+te bezitten;--en toch durf ik beweren, dat ik, artisten uitgezonderd, er
+_geen_ drie gekend heb, die er met regt op bogen mogten.
+
+Nu vraag ik denzelfden grooten Hollandschen schrijver--hem, wien 't maar
+half schijnt te bevallen, dat men op een concert een symphonie van
+Beethoven speelt; op wien fijne vioolfiguren en geestige fluitpassages
+den indruk maken van kurketrekkers, ziegezagen en krakelingen:--ik vraag
+denzelfden grooten schrijver, waar 't heen zou moeten, indien niet de
+artist en degelijke dilettant een weinig de kunst staande hielden, en
+haar, door een soms overdreven verwaandheid, beschermden tegen 't
+brullend publiek, dat meêbalkt met hoog opgestoken Midas-ooren, zonder
+eens den hoed af te nemen bij 't naderen van den troon waarop de Muse
+gezeten is--!
+
+Dát is 't, wat ons 't Jubals-bloed naar den kop jaagt, met een
+aandoening tusschen bliksemende verontwaardiging en onuitsprekelijk
+dédain: een aandoening, gelijk ze Rembrandt moest gevoeld hebben, had
+hij op een uithangbord de woorden »_Schilder_ en Glazenmaker" gelezen--:
+als elk zot nufje, dat, na jaren hakkens, eindelijk »_les Cloches_" en
+een potpourri uit de »_Martha_" heeft leeren oprammelen, verklaart: »dol
+veel van muziek te houden, en ook ijselijk veel gevoel te hebben." Of,
+als de elleridder getuigt: »den Franschen stijl te verkiezen boven den
+Duitschen, omdat de laatste saai is en niet zangrijk genoeg." Of,
+wanneer de timmermansbaas, die als voorloeijer een _oefening_
+presideert, ook meêpraat, en pertinent beweert: »dat er geen schooner
+_meziek_ bestaat, dan de _wijzen_ van de Psalmen Davids--!"----'t Nufje
+moest kraagjes borduren naar stalen uit de _Gracieuse_; de toonbankheld
+moest gaan potspelen in »Zuid-holland"; de godzalige timmerman moest
+gaan huisjesmelken, of planken zagen, of zijn knechts 't loon
+beknibbelen.----Dat _moesten_ ze doen.--En wat doen ze?--De ezels! Ze
+belasteren, belagen, profaneren en prostitueren, de reinste,
+goddelijkste, meest aetherische en aesthetische van Apollo's negen
+nichten--!
+
+Maar is dan de muziek 't uitsluitend eigendom van artisten?--hoor ik
+vragen. Moet 't vinkje zwijgen, omdat de nachtegaal dáár is, die beter
+slaat? En is niet een vrolijk liedeken, de eenvoudige tolk van een
+opgeruimd gemoed, Gode welgevalliger, dan de strengst klassieke
+_bravour-aria_?
+
+Zeker: vrolijkheid is meer waard dan kunstbeoefening. Laat elk vogeltje
+dus fluiten naar zijn aard; laat elk schepsel den toon aanslaan, dien
+Natuur hem in de keel lag, en tot 't uiten waarvan, zijn gevoel de
+behoefte in hem doet spreken. Wie met gevoel Pan's rietje blaast, is een
+_kunstenaar_; doch wie Apollo's lier wil bespelen als een draaiorgel--is
+zelfs den naam van _orgeldraaijer_ onwaardig.--Weg dan met valsche
+pretenties; weg met een geaffekteerd _jargon_ in den mond van hen, die
+kunst en kunstbegrip tot modestoffen verlagen, waaruit elk »fatsoenlijk
+mensch"--d. w. z.: de vrijer van de keukenmeid inclus--zich voor zijn
+geld een pakje kan snijden! Weg met de Orgeldraaijers, de Schilders en
+Glazenmakers, de van hun leest geloopen Schoenlappers, die niet
+beseffen, dat, tot 't aanleeren van een Kunst, veel meer nog dan van
+een wetenschap, aanleg, studie en talent vereischt worden!--Zie, de Muse
+opent haar tempel voor ieder. Niet enkel voor den virtuoos en den
+kwartetspeler--neen, juist zulke duizendkunstenaars blijven vaak op den
+drempel zitten. Zij ziet niet op uitvoering, en vraagt niet naar
+vingervaardigheid, _embouchure en coup d'archet_;--zij eischt begrip en
+gevoel: slechts waar die wonen, doet zij de wieken van den kunstenaar
+uitbotten. Want haar tempel staat hoog in de wolken, en--hij die wil
+binnentreden, kan niet kruipen of krabbelen naar omhoog;--hij moet
+_vliegen_!--d. i.: zijn geest moet, op de vleugels van aanleg, smaak en
+beschaving, zich kunnen opheffen van uit de lagere spheren van
+tokkelwoede en viedelzucht.--En daar nu, bij verreweg de meeste
+aspiranten, die vleugels _nooit_ uitbotten--zoo treft men er vele, die,
+al viedelend en tokkelend, hun prachtig lange ooren voor vlerken
+aanzien, en er meê klepperen als gekortwiekte ganzen--!
+
+Wie dan vleugels heeft om te vliegen--die vliege!--Wie ze niet
+heeft--blijve beneden--en houde den mond!
+
+ * * * * *
+
+Edoch, genoeg hierover.--Gunnen we ook een oogenblik gehoor aan onze
+musicerende scheepsgenooten, die--terwijl wij op meesterachtigen toon de
+kunst monopoliseerden--zich daaraan volstrekt niet gestoord hebben, en,
+in 't vol bewustzijn hunner vrijheid, reeds verscheiden stukken »op
+aangename voce" hebben uitgevoerd.
+
+'t Orgel is weggeruimd. Nadat 't zijn rol had uitgespeeld, en de
+gillende meisjes haar draailust hadden botgevierd, heeft een andere
+liefhebberij de overhand gekregen: die van zingen en declameren.
+
+Van 't laatste mag ik geen kwaad zeggen, omdat 't ons, _à force_ van
+heroï-komische dwaasheid, waarlijk soms tot schreijens deed lagchen. 't
+Herinnerde mij op 't levendigst aan de scène uit van Effen:
+
+»Mijn held valt aan" enz.
+
+Maar 't zingen--o, 't zingen!
+
+Eerst begonnen de vele personen die aanspraak op stem maakten, om strijd
+hun solo's voor te dragen. Daar waren de dochters van den Majoor, nonna
+Flora, nonna Coba en nonna Keetje, Fräulein Einheit, vervolgens de
+Kapitein, of een van de heeren.--De dametjes, met haar klaaglijk
+trillende stemmetjes, haalden in den maneschijn regt roerend verliefde
+litaniën uit. De kapitein daarentegen--de man had een stem als een
+megatherium--zocht dan de teweeggebragte, smachtend zwaarmoedige
+stemming te verdrijven door 't aanheffen van een-of-ander magtig joviaal
+drink- of matrozenlied. Jammer dat hij, met zijn eenigzins »grokkerig"
+klinkende _basse-taille_, steeds den angstigen indruk maakte, alsof hij,
+onder 't zingen, met een strop werd omhooggehaald, daar hij zijn lied
+meestal eindigde, een terz hooger dan de grondtoon waarin hij begon.
+
+Nog merkwaardiger was 't, als ons gansche personeel zich in koor
+aansloot.--Onze oostersche zangers toch bleken een eigenaardig talent te
+bezitten, om, geheel _ad libitum_, tweede, derde en vierde, ja, vijfde
+en zesde stemmen te formeren: welke stout-harmonische vlugt dan
+gewoonlijk haar azimuth bereikte in 't daarstellen van een dissonant,
+wier oplossing zelfs 't vernuft der nieuwere theoretici had doen
+vertwijfelen.--Dit alles had plaats met zekeren plegtigen ernst, dien de
+strengste kapelmeester zich niet beter had kunnen wenschen. Men zit in
+statige rijen op 't dek; een veelbelovend stilzwijgen heerscht
+vooraf;--dan laat de uitverkoren soliste zich, den daartoe
+gebruikelijken tijd, bidden;--men stemt eindelijk toe, en, ofschoon men
+teregt beweert »niet te _kunnen_ zingen, en ook niets te _weten_",
+schraapt men zich de keel, en zet zich in postuur, alsof men 't »_Ah,
+Perfido!_" ging ten beste geven.--Zóó »raakt de pan aan 't glijën":
+»_Du, du_", en »_le vaillant Troubadour_", »_la Brigantine_", »_Lebe
+Wohl_", »Waar of mijn Dorus blijft"--alles met verrassende fiorituren,
+hoogst vrijzinnige modulatiën, en akkuraat invallende kooren, _tempo
+rubato_ en _senza tempo_.--Men zingt, couplet vóór, couplet ná; zelfs
+Julia, de oude baboe van Grogmeijer, moet haar »_nonna, nina_"[10]
+voordragen. De geestdrift stijgt ten top--och, 't klinkt zoo
+lief--vooral als er ongetrouwde jongeheeren meêstemmen!
+
+»Want is het niet een hemel schier,
+Te zien, hoe dat een geestig dier,
+ Met spel en zang haar man verkwikt,
+ Als 't noodig huiswerk is beschikt!"
+
+Och--'t klinkt zoo lief!--Men zingt en dreunt en doedelt--immer
+sentimenteler----tot eindelijk de Hr. Josua, die volstrekt niet
+muziekaal is, met zijn harmonica, of met den scheepsroeper optreedt, en
+ons muziekavondje met een algemeen kattenconcert doet eindigen--!
+
+ Januarij, 1866.
+
+[Footnote 9: »_Lettre sur la critique du Barbier de Séville._"]
+
+[Footnote 10: Met deze woorden begint een op Java zeer verspreid
+Maleisch wiegeliedje. De melodie, misschien ook hier te lande reeds
+overbekend, luidt als volgt:
+
+[Note Project Gutenberg: music transcribed in Lilypond format]
+\layout {
+ \context {
+ \Score
+ \remove "Bar_number_engraver"
+ } indent = #0
+ line-width = #150
+}
+
+{
+ \override Stem #'direction = #up
+ \clef treble
+ \key g \major
+
+ b'4. a'8 g'4 [a'8 (b'8)]
+ c''4. (b'8) a'4 r4
+ a'4 a'8.[ (a'16)] a'8[ (c''8)] b'8[ (a'8)]
+ b'4. (a'8) g'4 r4
+
+ \break
+
+ b'4 b'8[ (c''8)]
+ \override Stem #'direction = #down
+ fis''4 d''8[ (e''8)]
+ \override Stem #'direction = #up
+ c''4. (b'8) a'4 r8 g'8
+ fis'8[ (d'8)] fis'8[ (g'8)] a'8[ (c''8)] b'8[ (a'8)]
+ g'4 g'4 g'4 \bar "|."
+}
+
+\version "2.7.39" % necessary for upgrading to future LilyPond versions.
+]
+
+
+
+
+KOMEDIE-SPELEN.
+
+(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)
+
+
+Geen ziekte aanstekelijker, dan die der maniën en
+monomaniën.--Konijnenfokkerij, tafeldans, en postzegel-collecties
+hebben, als zooveel epidemiën, in de groote maatschappij gewoed en
+uitgewoed. Aan boord van onze Arke--waar 't geslacht der konijnen niet
+vertegenwoordigd was, waar alle tafels zonder aanraking dansten, en waar
+ook geen brieven ontvangen werden--moest men zich, bij gebrek aan beter,
+met minder belangwekkende liefhebberijen tevreden stellen;--dáár had men
+eenmaal de dienst der Musen tot stokpaardje gekozen--welnu: in stap en
+in draf, in galop en in telgang, zou men dat beestje de tong uit den
+mond rijden.
+
+ * * * * *
+
+'t Draaiorgel en 't dansen begonnen te vervelen. Gabriël, vond men, had
+toch zoo geheel ongelijk niet, toen hij dien speech hield, waar niemand
+naar geluisterd had, doch waarin hij--zóóveel herinnerde men zich
+flaauwelijk--tegen bovengenoemde vermakelijkheden een motie van
+afkeuring had uitgebragt.--Doch hoe dan nu best de avonden zoek
+gemaakt?--Een congres werd bijeengeroepen, onder presidium van den Hr.
+Judocus, die, voorspoediger dan de Fransche keizer, zonder groote
+diplomatieke moeijelijkheden er in slaagde, de door hem genoodigde
+autoriteiten op zijn roepstem te doen toesnellen.--Over en weêr hoorde
+men toen de meest tegenstrijdige beginsels voorstaan. Hierin echter
+kwamen allen overeen: dat 't zóó niet blijven kon. 't Draaiorgel was zoo
+goed als versleten--dank zij de veelvuldige buitengewone obligaten door
+de heeren Josua en Hupman, die beide den slinger wisten te maniëren, met
+een vaardigheid, voorbeeldeloos zelfs onder lieden van 't vak, doch, zoo
+'t scheen, minder bestaanbaar met de soliditeit en duurzaamheid van 's
+instrumenten werktuigelijke zamenstelling;--daarenboven waren de meisjes
+voortdurend verkouden, onlekker en kribbig, ten gevolge van de al te
+subiete afkoeling, waartoe, na 't verhittend dansen, een rustplaats
+onder de zeilen haar gratis de gelegenheid bood.--Wat dan gedaan? Zou
+men een scheepscourant gaan redigeren?--neen, dat zou aanleiding geven
+tot hatelijkheid en oudwijfsche praatjes. Zou men weêr, als vroeger,
+een-of-ander allegaârtje maken?--onmogelijk: men had eenmaal van den
+nektar der schoone kunsten gedronken, en kon dus nooit weêr de pap van
+nietswaardige kinderspelen voor lief nemen.--Maar wacht--hoor ik niet
+des voorzitters stem, die triomfantelijk »Eureka" roept!--ja, _hij_
+heeft 't gevonden:--_men zou komedie-spelen._ Lumineuse idee--met
+acclamatie aangenomen! Hoe zouden de heeren schitteren in de heldenrol,
+die hun zou passen als een handschoen; en wat schoone gelegenheid voor
+de nonna's, om de zijden balgewaden van uit doos en koffer op te duiken;
+en om, zonder compromittatie, tot Josua of Judocus te mogen zeggen:
+_Lysander_, of, _Lindor, gij zijt mij niet onverschillig,_ waarop dan
+Josua of Judocus met jeugdig vuur zouden antwoorden: _Araminta, of,
+Lodoïska, herhaal dat woord--zeg, o zeg, wilt gij de mijne zijn?_--De
+vraag bleef nu slechts, _wat_ men spelen zou: een blijspel, »de Neven";
+of een tooneelspel, »Don Caesar de Bazan"; of een treurspel, »de dood
+van Rollo"----ja nu, wat zou men kiezen?--Ongelukkiglijk bleek 't, dat
+niemand, noch van gemelde stukken, noch van eenig ander tooneelwerk,
+libretto bezat, zoodat men extempore zou moeten spreken, wilde men niet
+dat 't gansche schoone plan in duigen zou vallen.--Te midden van deze
+bedroevende perplexiteit valt nonna Flora's blik op Gabriël, die ter
+kwader ure daar mede vergaderd was; _zij_ glimlacht--_hij_ bloost; doch
+beide begrijpen elkaâr's gedachten. Flora fluistert nonna Keetje iets
+in; men steekt de hoofden bij elkaâr en raadpleegt----ja, zóó zou 't
+wezen--de komedie was gered: hij, Gabriël, zou een blijspel
+schrijven--dat _kon_ hij, dat _moest_ hij----
+
+»Nietwaar, meneer Gabriël, u zal dat wel voor ons doen, ja?" vleijt de
+zwartoogige Sirene.
+
+»Maar, Juffrouw Flora, hoe komt u op 't idée--_ik_ vaudevillen
+schrijven--_ik_, de wandelende zwaarmoedigheid, blijspelen schrijven--!"
+
+»Molière was ook erg zwaarmoedig meen ik----"
+
+»Maar, Juffrouw Flora--nu hoe langer hoe doller!--Molière----"
+
+»Tut, tut, meneer Gabriël", roept een koor van stemmen--»geen woord
+meer!"
+
+»Een profeet is opgestaan in Israël!" brullen Josua en Judocus om
+strijd--»Groot, groot is de Gabriël der Rotterdammenaren!"
+
+Zóó broeder Willibald, hebben ze mij gelijmd, en me aan 't zamenflansen
+gezet van een komedie, waarvoor ik onderwerp, intrigue, karakters--alles
+uit de lucht moest grijpen. Ook weêr een gevolg van mijn
+journaal-schrijverij: men had mij dikwijls groote brokken papier zien
+volkrabben--en hield me nu voor een litterator; misschien ook had
+Judocus geklapt van eenige mislukte proeven uit onzen studententijd--hoe
+'t zij, mijn éénoogig talent gold mij in 't land der blinden de eer, tot
+koning te worden uitgeroepen.
+
+Ik bespaar u een wijdloopig verhaal van de wijze, waarop mijn produkt in
+'t leven trad, en, na tal van repetitiën, werd opgevoerd. De grootste
+moeijelijkheid vond ik in 't scheppen der rollen, zoodanig, dat elk
+mijner schoone actrices een _hoofdrol_ mogt spelen; zeker is 't, dat de
+jalousie onzer vrouwelijke sujetten den regisseur Judocus en mij in een
+net van kleine kabalen wikkelde, waaruit zelfs de geest van een
+Schikaneder zich bezwaarlijk zonder kleêrscheuren had kunnen
+bevrijden.--Na een week tobbens gelukte 't mij, met een soort blijspel
+voor den dag te komen, dat, onder den titel van »de Getergde
+Lankmoedigheid, of, 't Sop is de Kool niet waard", tot handeling stelde:
+hoe twee vrienden, waarvan de één vermomd, die aan de dochter en nicht
+van een ouden _bonhomme_ 't hof maken, dienzelfden vader en voogd, door
+hun pedante krakeelingen, in de uiterste verlegenheid brengen; terwijl
+ten slotte blijkt, dat alles met een goed, edel en grootmoedig doel
+geschied is, en de ééne vrijer den ander slechts tot woede heeft
+getergd, om diens nobel karakter te doen schitteren; al 't welk eindigt
+met de bekeering van een coquet meisje, de ontbolstering van een ruwen
+diamant, zelfopoffering, herkenning, wederzien, vergiffenis, twee
+huwelijken, oudervreugd en kinderblijdschap--tot groote stichting der
+aanschouwers, enz. enz.--zie Kotzebue en Birch Pfeiffer.--De doktor
+speelde voor _pater familias_; Josua en Judocus--welke laatste bewees
+beter acteur dan danser te zijn--figureerden als vrijers; nonna Flora
+nam edelmoediglijk de rol van oude dienstmaagd op zich; de dames Coba en
+Keetje eindelijk stelden de beide vrijsters voor.
+
+Er werd dien avond veel rhijnwijn gedronken, en--wat mij genoegen
+deed--ook hartelijk gelagchen--misschien meer om de acteurs dan om 't
+stukje. De gezamenlijke uitvoerders genoten de eer der terugroeping; ook
+Gabriël moest ten tooneele verschijnen----kortom, daar heerschte groote
+blijdschap onder allen, die daar verzameld waren.
+
+ * * * * *
+
+En de kritiek--wat zeî de kritiek er van?
+
+Eilieve, lezer--zij sprak op hoogen toon, gelijk zulks haar gewoonte is,
+te land en ter zee.--Mevrouw Tripvoet laakte de moraliteit van mijn
+handeling; de Hr. Hupman klaagde over gemis aan strekking; Lepidus vond
+de intrigue te eenvoudig--en--en toen kwam nonna Flora, en bragt hen
+alle tot zwijgen, daar zij niet alleen betoogde, hoe de verhevenste
+strekking van een blijspel hierin ligt, dat 't 'reis lustig de
+lachspieren ontspant--maar zelfs, tot staving dier waarheid, passages
+uit Shakspeare en Beaumarchais citeerde!
+
+ * * * * *
+
+Alweêr nonna Flora--en altijd nonna Flora!--Maar wie hoorde ook ooit
+zóó'n geletterde nonna! Ik bid u, goden en menschen--_kon_ ik in gemoede
+anders, dan op zóó'n zoete nonna verlieven--?
+
+ Maart, 1866.
+
+
+
+
+EEN DROOM.
+
+Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.
+
+ HILDEBRAND.
+
+
+Ik heb in den laatsten tijd te veel gelagchen; en, als
+humoristisch-sentimenteel verteller--d. w. z.: als kwakzalver onder de
+schrijvers--voegt 't mij toch, bij beurten ook 'reis een traan weg te
+pinken--: ligt hield men mij anders voor zoo'n humorist _pur-sang_--en
+daarvoor----de Hemel behoede mij en de mijnen!
+
+ * * * * *
+
+Waren soms de avonden aan boord gekunsteld vrolijk--droef en somber
+volgden de nachten: als droomen mij kwelden--droomen van huis!
+
+Eens op een nacht droomde ik weêr: en zóó een zonderlingen, zóó een
+wijsgeerig bespiegelenden droom droomde ik--dat ik dien te boek
+stelde--in de hoop, daardoor den meest sentimentelen lezer te
+bevredigen.
+
+ * * * * *
+
+--_Adagio patetico._
+
+Ik droomde dan----
+ ----en zie--ik droomde, dat ik
+dood was.
+
+Mij dacht, 't sterven was niet pijnlijk geweest: ik was 's avonds
+vergenoegd naar kooi gegaan, en--toen ik 's nachts meende wakker te
+worden, om me eens van de linker- op de regterzijde te wenden--bemerkte
+ik, tot mijne verbazing, doch zonder leedwezen--dat ik dood was. Ik vond
+'t zonderling, wel ietwat onverwacht ook: de menschen zouden 't een
+treffend sterfgeval noemen; maar onaangenaam vond ik 't niet. 't Was een
+gewaarwording--die ik trouwens niet beschrijven zal, omdat ik elkeen in
+dezen den tijd wil laten voor zichzelf te oordeelen--: een
+gewaarwording, tusschen waken en dommelen, tusschen zijn en niet
+zijn--kortom, zooals ik me altijd had voorgesteld dat de dood wezen
+moest.
+
+Terwijl ik nu peinsde en nadacht over 't geen ze wel met mij doen
+zouden, en wat er toch van mij worden mogt--want, hoe vreemd 't klinke,
+ik zag en hoorde en gevoelde alles inwendig nog duidelijker dan toen ik
+leefde--terwijl ik zoo peinsde en nadacht----verscheen op eens de Engel
+der Verschrikking aan mijn voeteneind. 't Was werkelijk een Engel: geen
+rammelend beenderspook met zeis en zandmeter--doch een vriendelijk,
+hoewel streng uitziend man, met lange witte haren, een zwarte toga, en
+groote vlerken: iemand, die zichzelf zeker niet herkennen zou uit de
+afbeeldsels, welke ik, bij mijn leven, wel van hem meende gezien te
+hebben.
+
+En de Engel des Doods sprak mij aan, zeggend: »Kind, gij zijt in den
+vreemde gestorven; geen ouders of vrienden kunnen voor uw begrafenis
+zorg dragen: zoo maak gebruik van 't voorregt dat ik allen zwervelingen
+schenk: kies u de plaats, waar gij wilt, dat ik u ter aarde bestelle,
+opdat gij, die bij uw leven geen rust vondt, nu ten minste uw hoofd in
+vrede neêr moogt leggen."
+
+»Goede geest", antwoordde ik, »gij hebt mij weggerukt in den bloei
+mijner jaren; smart hebt ge mij niet aangedaan,--en ik ben er u dankbaar
+voor; ook was mij 't leren niet zóó zoet, dan dat ik u verwijten zou 't
+mij te hebben ontnomen;--maar toch had ik gaarne, na volbragte loopbaan,
+mijn vaderland en vrienden weêrgezien. Nu ge mij echter die vreugd niet
+hebt gegund--eilieve, wat raakt 't mij, wáár ge mijn ligchaam bergt!
+Neem mij, als 't u goeddunkt, en plof mij in de zee!"
+
+ * * * * *
+
+En de Engel tilde mij op, en dekte mij met een Hollandsche driekleur tot
+doodswâ, en rolde mij in een lap zeildoek, en bond mij een zwaren kogel
+aan de voeten;--'t was geen werk voor een Engel, zal men zeggen--doch,
+lezer, herinner u, dat ik u den Man beschreef als een vriendelijk man,
+en volstrekt geen bullebak. Daarna greep hij mij in de armen, verhief
+zich hoog in de lucht, en deed mij, als wijlen; Daniël O'Rourke, in zee
+plompen.
+
+Ik gierde naar omlaag, als een pijl uit den boog: als een bruinvisch
+schoot ik door de bovenste lichtblaauwe waterlaag; haaijen zwommen mij
+na, en kantelden zich, en openden hun wijde muilen om mij te
+verslinden;--doch zóó zwaar was de kogel aan mijn voeten, en zóó snel
+trok hij me omlaag, dat geen der vratige monsters mij in mijn vaart kon
+bereiken;--dat deed mij trouwens genoegen; want ik had bij mijn leven
+wel gezien, hoe ze den armen matroos, wiens kogel niet zóó wigtig was
+geweest als de mijne, in stukken hadden gescheurd, vóór de man een vaâm
+diep gezonken was.--Trapsgewijze begon ik minder snel te dalen: reeds
+veel honderd vademen had ik afgelegd in de diepte. Ook werd de kleur van
+'t water immer donkerder; vreemde visschen schoten mij voorbij: visschen
+en monsters, waarvan Buffon noch Bleeker gewagen: visschen en monsters,
+zooals Schiller's _Taucher_ ze in 's aardrijks kolken ontmoette. En ik
+zonk zachter en zachter, en 't waterig uitspansel óm mij hulde zich meer
+en meer in schemerduister; zachter en zachter daalde ik----tot ik
+eindelijk niet meer daalde: de digtheid van 't water was in evenwigt met
+die van mijn lijk en mijn kogel----merkwaardig! zelfs ná mijn dood mijn
+physica nog zóó in 't hoofd te hebben gehouden--!--Intusschen zweefde ik
+daar--regt op-en-neêr, als een Cartesiaansch duikertje in een
+zuurflesch: boven mij 't donkerblaauw watergewelf, onder mij de zwarte
+afgrond, rondom mij een duistere eenzaamheid--want geen visch, geen
+monster bewoog zich in dit Lethe--hier scheen 't rijk der levenden ten
+einde--hier heerschte de vergetelheid der Benedenwereld.
+
+Hoelang ik zoo gezweefd heb in mijn droom, weet ik niet--: gezweefd
+tusschen twee zeeën: duizende vademen van de oppervlakte, duizende
+vademen van den bodem. Zóóveel weet ik--dat ik niet rusten kon in mijn
+waterig graf: ik wentelde mij om-en-om, ik sloot de oogen--maar rusten
+kon ik niet: immer staarde ik vóór mij heen in 't vochtig uitspansel
+rondom mij----maar rusten--neen, rusten kon ik niet.
+
+En de Engel des Doods, zijn woord gedachtig, ontfermde zich over
+mij.--Eensklaps--juist toen ik begon te bespeuren, dat mijn stoffelijk
+overblijfsel fraai aan 't verkalken was onder de werking van millioenen
+onzigtbare schelpdiertjes: want zelfs in deze regionen des doods bleek
+de levende natuur te arbeiden--eensklaps voelde ik mij opgeheven uit 't
+water, en bevond mij wederom in de armen van den gevleugelden Genius.
+
+»Mijn zoon," sprak hij, »ik heb uw billijke klagte vernomen. Rust heb ik
+u beloofd, en rust zal ik u schenken: zoo wijs mij een ander oord, waar
+gij meent die te zullen vinden."
+
+En ik riep tot hem: »O Geest, begraaf mij wáár 't u lust--doch niet weer
+in een killen afgrond als deze: laat mijn stof in de aarde rusten; delf
+mij een bed in 't warme zand van de Sahara!"
+
+Toen geschiedde mij naar mijn wensch. Nog vóór 't zilte vocht mij uit de
+kleêren was gedroogd, vond ik mij huiselijk toegedekt onder een sprei,
+zóó warm en zacht, als iemand, die zooeven van den bodem des Oceaans was
+opgevischt, slechts verlangen kon.
+
+Hier, dacht ik, zou ik slapen--hier zou ik een doô met eere zijn.
+
+Maar, naauw had ik mij neêrgevlijd in de gemakkelijkst mogelijke
+houding--of----
+ ----ai mij--wat wroet er
+den grond boven mij weg--wat knaagt er aan mijn gebeente--wat wringt
+mij den schedel van den romp--wat pikt mij de starre oogen uit 't
+hoofd!--: 't zijn hyenas, en Gouls, en zwarte gieren! Wee--wat gehuil,
+wat gegrijns, wat gekras! Wat doe ik, arme doode, weerloos lijk--wat doe
+ik, tegen zóó'n overmagt van ongedierte!------Doch stil--'k hoor een
+loeijen in de verte--'t verscheurend vee heft de koppen op, en laat af
+van mijn verminkte beenderen--zij vlugten, onder akelig geschreeuw,
+onder helsche kreten van teleurstelling en spijt!--: hoor--'t is de
+Simoun die opzet, die nadert, die hen verjaagt, die de zandzee doet
+golven, die gloeijende stofkolommen opheft tot de wolken, en die,
+stormend over mijn graf, mijn opgewroete knoken zachtkens overdekt met
+'t vale doodskleed van den Bedouin. De pestwind, die honderden pelgrims
+'t leven benam, had mijn geraamte voor schennis en oneer beveiligd.
+
+En ik dankte den Simoun, omdat hij de lijkenroovers verdreef, en mij zoo
+liefderijk een laatste eer bewees.--En nogmaals strekte ik de stramme
+leden uit, en drukte mij 't bekkeneel op de schouders, en sloot de
+oogen, en--------------------maar of ik de oogen sloot, en mij keerde
+van zîj op zîj----rusten kon ik niet: immer hoorde ik hyenas brullen, en
+Gouls tandeknarsen, en gieren den snavel spitsen----en rusten--neen,
+rusten kon ik niet.
+
+ * * * * *
+
+Alsdan verscheen mij ten derden male de Engel des Doods.--»Rust heb ik u
+beloofd, en rust zal ik u schenken", herhaalde hij: »zoo zoek u ten
+derde malen een groeve uit."
+
+En ik antwoordde: »O groote Genius, even goed als groot, gij, dien de
+menschen afschilderen als een gluipenden moordenaar--vergeef mij, zoo ik
+van uw welwillendheid misbruik make. Edoch, ik bid u--zoo gij werkelijk
+hen liefhebt die ge tot u naamt--ik bezweer u--brengt mijn gebeente
+over in 't land mijner kindschheid, waar ik speelde en zong met broeder
+en zuster--met zuster en broeder, en vader en moeder--die nu ook allen
+reeds dood moeten zijn, gelijk ik. Delf mij dáár een graf: een stil
+graf, onder sombere dennen: naast 't kerkje, waar moeder mij ten doop
+hield, als de orgeltoon vrolijk galmde ter mijner eer. Laat mij dáár
+rusten, en slapen aan moeders zijde!--De wormen zullen er mij
+verteren;--doch 't zullen de wormen zijn van mijn geboortegrond; de
+wormen, of de kinderen der wormen, die zich gemest hebben aan 't vleesch
+van mijn vrienden en magen.--En éénmaal, wanneer alles vervuld zal
+wezen, en alles geleden--als de bazuin zal klinken, met magtige stemme,
+met hemelsche muziek--klinken, tot aan 't diepste diep der Poolzee, tot
+aan den uitersten uithoek der Sahara----dan zal ik ontwaken, _zamen_ met
+hen die ik heb liefgehad--en _zamen_, als we geleefd hebben--_zamen_,
+als we begraven zijn--zullen we opstaan, en ingaan tot 't eeuwig
+licht----!----O, goede Genius, laat mij dáár rusten--laat mij dáár
+eindelijk rusten!
+
+ * * * * *
+
+Zóó sprak ik.--En de Engel des Doods verhoorde mijn bede; en begroef mij
+onder de eigen zerk, waar vader en moeder, en broer en zuster sliepen.
+
+En ook ik rustte er en sliep er----ik sliep er en ik rustte er----
+ -----tot ik----
+ ----'s morgens wakker
+werd, en, half verheugd, half spijtig, begrijpen moest--dat 't alles
+slechts een droom was geweest.
+
+ * * * * *
+
+_Mijne vrienden! men zal ons allen begraven._
+
+ * * * * *
+
+Doch is 't u onverschillig, hoe en wáár?
+
+Zegt niet _ja_: want met dat _ja_ zoudt ge iets laakbaars
+zeggen.--Hildebrand heeft 't vóór mij betoogd; en ware 't niet, dat ik
+zoo'n opmerkelijken droom gedroomd had--ik zou 't niet wagen, _zijn_
+taal hem ná te stamelen.
+
+Gij noemt uw ligchaam stof--en ge hebt regt. Maar, is dat stof niet 't
+geen ge boven alles liefhebt, zoolang ge rondwandelt op aarde?--Een
+moeder is u dierbaar; is 't slechts haar geest--of, telt gij ook 't
+stof, dat 't uwe gebaard en gezoogd en gekoesterd en beschermd heeft?
+Gij bemint een jonge vrouw; prijst ge in haar niet, meer dan al 't
+overige, 't schoone stof, dat uw oog en zinnen boeit? Gij schat een
+vriend hoog; is u de stoffelijke hand onverschillig, die zoo vaak de uwe
+in zaâmgedeelde vreugd en droefheid drukte?--En zult ge dan uw eigen
+omhulsel, waarin gij genoten en geleden hebt, waarvoor gij zwoegdet en
+tobdet, ván u werpen, als een afgedragen opperkleed!--: zelfs een ouden
+jas smijt men ongaarne op een mesthoop!
+
+Waartoe dan dat cynisme! Waarom ook niet den dood, dien eindpaal van ons
+streven, een weinig geidealiseerd! Waartoe ons der stoffelijkheid
+geschaamd!--God schiep ons ligchaam; Hij schiep 't goed en krachtig en
+schoon:--mijne vrienden--laat ons dan ook in 't ligchaam Gods werk
+_blijven_ eerbiedigen!
+
+ Januarij, 1866.
+
+
+
+
+OM DEN ZUID[11].
+
+ O Meer!
+Mutter der Schönheit.--
+
+ HEINE.
+
+
+Om den Zuid zeilen we--en onze bark zeilt goed!
+
+Als een wiek neigt ze zich naar den magtigen adem; vlug, als de vrolijke
+dolfijn, schiet ze op en af de toppen der golven; met zachten, snellen
+gang glijdt ze voort; ze lacht met de rollende waterheuvels, en kroont
+de berghooge[12] baar, die dreigde haar te overstelpen.
+
+De zon neigt onder; en aan de westelijke kim, waar ze haar stralen
+voortschiet, als lichtbundels van achter den gulden rand der donkere
+stratus--tintelen de verre golftoppen van schitterend groenen
+goudglans.--En zonderbare wolkengroepen rijzen op, voortgedragen door
+den wind die van de Pool blaast: koppen van reuzen die elkaâr vervolgen,
+monsters en draken die heenspoeden naar 't gebergte Kaf. Zij wisselen
+van gedaante, en pakken zich zaâm tot magtige gevaarten, of spreiden
+zich tot fijne vederstrepen, of wollige schaapjes.--Nog even vertoont
+zich de vurige zonneschijf boven den horizon, en overgiet de schuimende
+wateren met den laatsten hellen purperglans des daags. Dan, als ze is
+weggedoken, kleurt ze nog met duizend tinten 't jagende, stormende
+wolkenheir.--Hoe vormen zich bogen en gouden poorten; heuvelen doemen op
+en boomgroepen, gestalten van lusthoven en kasteelen----als met
+geesteneilanden bevolkt zich de horizon! Wat wisseling van kleuren: hoe
+smelten blaauw en groen en geel te zamen, tot oranje en purper en
+bloedrooden gloed!--Zachtkens doet de schemering de vurige groepen
+verbleeken;--nog slechts stervend teekenen zich de rozige tooverbeelden,
+zich oplossend in 't nachtelijk graauw;--een donker, bloedkleurig waas
+zweeft als een sluijer over den oceaan, en dekt als een rouwfloers de
+ongetemde, hoogslaande zeeën, die opschieten, half nog glorend in den
+schijn van 't bleekend avondrood, half reeds lichtend met den
+electrischen glans van haar spattend schuim.
+
+We zeilen om den Zuid--en onze bark zeilt goed!
+
+Waarom klopt dan ons hart van een vreemde siddering, die we nooit
+kenden--? Is 't angst die ons vervult, bij 't aanschouwen van de woeste
+wateren--? Of, doet de Zuidewind ons rillen, als hij zijn somber lied
+ons voorzingt, in luide, klagende toonen--?
+
+Neen--maar de Bootsman vertelt sprookjes.
+
+We hebben even geluisterd; en 't was, alsof een stem ons in de ooren
+klonk, anders dan die van den ruwen zeeman, den grijzen, grofgespierden
+rob.----Zie, de matroos schaart zich óm hem; hij poogt te lagchen met 't
+geen de Nestor opdreunt--maar hij kan niet: een ongekend gevoel doet hem
+zwijgen. Hij, die spottend opklautert in den slingerenden mast, als de
+zeilen wegslaan uit de lijken; als één misstap in 't duister, één
+misgreep tusschen de natte, zweepende touwen, hem zal begraven, zonder
+afscheid, zonder groet, in de woelende zee----hij siddert bij de
+verhalen van den oude.
+
+Ik was de man aan 't roer.--De nacht was guur en buijig; en de
+opperstuurman, die de hondewacht had, vloekte en bromde in zichzelf--:
+hij wist wel dat de reis slecht zou wezen. En ik wist 't ook: want 't
+schip lag aan bakboord over, en de Kaptein had op Vrijdag willen
+uitzeilen. 't Kon niet anders, of er moest ongeluk zijn op de reis.
+
+De nacht was koud en stormig; de wind nam toe, en er dansten blaauwe
+lichtjes langs 't ijzer van ra's en stangen.
+
+Opeens--zie ik iemand naast me staan, aan lijkant van 't roer; en ik
+voel, hoe 't rad me wordt omgedraaid in de vuist, dat we drie streken
+zuidwaarts loopen buiten den koers.--'k Zeg: »hé, stuurman, wat nou!"
+Want ik meende dat hij 't was.--Maar toen ik weêr keek, was de maat
+verdwenen, en de Stuurman zat rustig op 't kippenhok.--Toen schrok ik,
+en ik vroeg: »Stuurman, heb-je niets gezien?"--Maar hij zeî: »Piet, je
+droomt--hoû je zeilen vol!"--Zoo stond ik een poos, en dacht er over,
+hoe een mensch zich dingen kan inbeelden----toen ik weêr een ruk voel
+aan mijn roer--en weêr zie ik iemand, een zwarten kerel, dáár, naast
+me,--die Zuidelijk wendt.--De Stuurman ziet hem ook; hij schreeuwt:
+»wiedaar?"--Geen antwoord. Hij komt op hem af; maar de vent verdwijnt in
+'t duister.--Toen sloeg ons de schrik in de beenen: »Stuurman, droom ik
+nog?"--»Neen, Piet, ik ga den Kaptein roepen."--»Stuurman, blijf
+hier--'t is de booze--ik kan niet alleen zijn aan 't roer--straks komt
+'ie weêr!"----En, God--daar was 'ie: voor de derde maal zag ik hem; hij
+wringt me 't rad uit de knuisten, en stuurt Zuidelijk, Zuidelijk, met
+bovenmenschlijke kracht.--Een vloek, een bezwering, een woeste
+greep----maar hij belacht ons, en laat ons alleen.
+
+Toen heeft Stuurman de wacht geroepen, en den Kaptein uit kooi gehaald,
+en alle man op 't dek: want we waren verschrikt; en 't werd noodweêr,
+noodweêr! De wind nam toe, en immer dansten de blaauwe lichtjes langs 't
+ijzer van ra's en stangen.
+
+Naauw stonden we zoo bij elkaâr, de Kaptein en al 't volk--of één
+schreeuwt er: »een schip, een schip!" En 't _was_ een schip, dat oprees,
+als een lichtende vlek, aan den zwarten horizon.--Hemel, hoe vreemd; 't
+is of de golven hem niet deren;--hij breekt ze, en snijdt in den wind
+op;--hij vliegt, als door geesten gedreven! Ziet, hoe hij flikkert met
+blaauwen weêrschijn!--Wat zonderling tuig, wat licht aan boord--een
+schip van vuur--wee, als _hij_ 't was!--Hij nadert----hoort hoe 't loeit
+en giert;--de storm verdubbelt;--ons vaartuig botst en stoot en
+stampt----»Ohee, óm je roer!"--Heer Jezus, hij loopt op ons in!--»Schip
+vóór, ohee----schip vóór--óm je roer--ohee----!"
+
+Daar kraakt en dreunt 't in onze kiel; en een schok smijt ons
+overzij--een schok, als was de wereld gespleten!--Een stortzee ploft
+over ons, bruisend en donderend----en in 't huilen van den storm,
+verliest zich de doodskreet van twintig arme kameraden----
+
+ * * * * *
+
+Zóó vertelt de oude Bootsman.
+
+En als hij opstaat, om een pijpje aan te smakken--volgen hem allen naar
+de warme kombuis, waar een oorlam hen sterken zal tegen de malle
+sprookjes van den ongeluksvogel.
+
+Ik echter, sta nog lang aan 't want geleund.--En 't is, alsof 't mij
+toefluistert uit de diepte, van wonderlijke avonturen, van schepen die
+gebleven zijn--men weet niet hoe of waar; alsof de wind mij legenden
+meêbrengt, van 't woeste Eiland der Bekommering--[13], en uit de verre
+streken van 't eeuwig ijs:--legenden, uit een wereld zoo koud en
+stormig: een spokende waterwereld.
+
+ * * * * *
+
+De nacht is gevallen. 't Kleurenspel der ondergaande zon is uitgewischt
+van den hemel; en de bewogen spiegel der golven weêrkaatst 't bleeke
+licht van den Melkweggordel.
+
+Plegtig rollen de hooge zeeën. Orion en 't Kruis flonkeren aan den
+wijden boog. Als geniën van den storm zweven de witte Albatrossen[14],
+de gieren van den Oceaan, de hongerige lijkbezorgers van den
+drenkeling.--En zie, vurige strepen schieten door 't water: ze volgen
+ons, en halen ons in van alle kanten!--'t Zijn Bruinvisschen, goede
+vrienden, die hun breeden rug ons leenen zullen, en ons dragen in den
+veiligen Pyraeus, als ons schip wegzinkt in de diepte[15]. Zij duiken
+op, paarsgewijze, en schijnen, met sierlijk luchtige sprongen, de
+beweging der golven na te bootsen;--wind voorspellen ze--nog meer
+wind![16]
+
+Maar wij vreezen niet. Op God vertrouwen we, en op onze sterke kiel, en
+op ons gunstig gestarnte!
+
+We zeilen om den Zuid--en onze bark zeilt goed!
+
+ 43° OL. 46° ZB. Februarij, 1866.
+
+[Footnote 11: 't Hier volgend sprookje van den Bootsman heb ik een
+Scheepskapitein voor _waar_ hooren vertellen, als zijnde een dergelijk
+voorval een vriends-vriend van een zijner kennissen overkomen, die met
+een zwaar gehavend schip te Port-Louis had moeten------binnenloopen--:
+
+»_Im Lande der Chinezen
+Bin ich niemals gewesen,
+Doch hab' ich einmal Ein' gekannt_", etc.
+
+Zóóveel is zeker, dat 't romantisch en somber karakter der wateren rond
+en bezuiden de Kaap wel geschikt is, den zeeman aanleiding te geven tot
+'t hechten aan velerlei bijgeloovige begrippen. Dáár is de matroos,
+dubbel voorzigtig; daar is 't einde der wereld: zuidelijk de onbekende
+poolzeeën, oostelijk en westelijk de beide groote oceanen, noordelijk de
+woeste Kaapkust, de ongastvrije zetel van den stormgod. Dáár is 't
+gebied van dat spook der spoken, 't schrikkelijkst dat ooit de
+menschelijke fantasie uitdacht: den Vliegenden Hollander. Alles spreekt
+dáár van dood en verderf: 't eeuwig rollen der hooge zeeën, de
+aanhoudende wind, de plotseling opstekende buijen, en 't eigenaardig
+fantastisch aanzien der wolkengroepen »om den Zuid", houden de
+verbeelding gaande, en geven aan 't geheel iets wilds en
+verschrikkelijks. 't Is of de demon dier wateren, door de Camoëns
+bezongen, nog altijd, als in de dagen van Vasco de Gama, zich verzet
+tegen 't omzeilen van den hoek, dien hij als uitpaal tusschen Oost en
+West schijnt gesteld te hebben.]
+
+[Footnote 12: Golven van 30-40 voet hoog en van 300-400 voet lang, zijn,
+bij de heerschende N. W. en Z. W. winden, in 't zuidelijk gedeelte van
+den Indischen oceaan geen zeldzaamheid. Men zie de opgaven in de
+»Onderzoekingen met den zeethermometer enz. uitgegeven door 't
+Meteorologisch Instituut te Utrecht." Pag 92.]
+
+[Footnote 13: Kerguelens-land, of, 't Eiland der Bekommering.]
+
+[Footnote 14: De albatros is een vogel, die slechts in 't zuidelijk
+halfrond, en zelden benoorden den Steenboks-keerkring gevonden wordt.
+Th. Moore, in zijn »_Fire-worshippers_," verplaatst hem in de Persische
+golf; dit is een dwaling, even als zijn beweren, als zou 't dier al
+vliegend in de lucht slapen: de Albatros, gelijk alle van zwemvliezen
+voorziene vogels, slaapt op 't water.--Onder de vele exemplaren die ik
+zag vangen, was er één, die niet minder dan 18 voet vlugt mat.]
+
+[Footnote 15: Dolfijnen en Bruinvisschen staan van ouds bekend, als den
+mensch zeer genegen. Zoo heet Arion, de zanger, door een dezer dieren
+gered te zijn. Zie: _Fables de la Fontaine, »le Singe et le Dauphin."_]
+
+[Footnote 16: Geen vlugger, krachtiger visschen dan deze! Zij zwemmen
+gewoonlijk bij troepen van 20 à 30, doch immer paarsgewijze. Met
+ongelooflijke snelheid schieten ze door 't water, en springen, met
+gelijke tusschenpoozen, twee aan twee, hoog en sierlijk boven de golven
+uit. Ik zag ze, terwijl ons schip een elf-mijls vaart liep, in een
+oogwenk ons inhalen en vooruitloopen.--De rigting waaruit zij naderen,
+is, volgens de zeeluî, tegengesteld aan die van den komenden wind.]
+
+
+
+
+EEN SCHEEPSTAFEL.
+
+(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)
+
+
+Triomf!--Storm, waar is uw prikkel--zee, waar zijn uw
+verschrikkingen!----We zijn Scylla en Charybdis te boven gekomen.--De
+woeste Kaapsche wateren hebben we ver achter ons gelaten; St. Paulus en
+Amsterdam vlogen we als in een nevel voorbij. Reeds is de
+Steenboks-keerkring gepasseerd; ten tweeden male--en nu voor
+goed--koestert en zengt ons een tropische zonnegloed; nog weinig honderd
+mijlen--en we zullen 't land bereikt hebben----'t vette land der
+belofte, 't onuitputbaar Gosen, waarheen onze wenschen ons
+vooruitvliegen, als die van Jason naar 't goudbelovend Colchis!
+
+ * * * * *
+
+Wederom was 't morgen geweest, en middag geweest--de
+honderd-negen-en-veertigste dag.--Acht glazen--vier uur--zijn zoo even
+geslagen. We hebben dus, vóór 't eten, nog een uur den tijd.--De
+bitterglazen en domino-steenen zijn uit de kerk weggeruimd, om plaats
+te maken voor een tafellaken, dat niet kwalijk begint te gelijken op een
+schoolkaart van den Oost-Indischen archipel--: een groote bessesapvlek
+kan gevoegelijk Borneo voorstellen; terwijl een graskleurige streep
+daaronder--waarschijnlijk 't praecipitaat van een bordje snert--een niet
+onjuiste voorstelling geeft van Java's onverwelkbaar groene dreven.
+
+'t Is mooi weêr; en de bitteraars, die mét hun glaasjes zijn geamoveerd,
+klauteren naar boven, om hun liefelijk blozende oliekopjes een weinig
+aan den frisschen Passaat-wind af te koelen.--Ons schip loopt zes
+mijlen. Een prachtige namiddag-zon verguldt de vrolijk huppelende
+golfjes van 't azuren diep; scharen van wiegelende visschen schieten op
+vóór den boeg; de ligte zeezwaluw volgt fladderend ons pad, en scheert
+de glanzende luchtbellen in 't borrelend kielwater.
+
+Doch al de wonderen dezer lagchende natuur zijn niet bij magte, onze
+reizigers doof te maken voor de stemme, die, roepend in hun binnenste
+als een wachter in den nacht, hen, onverbiddelijk waarschuwend, er aan
+herinnert: _dat 't etenstijd wordt_.--Hier hangt er een over de
+verschansing, of rekt zich uit aan een touw; dáár steekt men een sigaar
+op--maar 't rooken smaakt niet: want men heeft honger; ginds kijkt men
+op 't horloge van den stuurman----nog twintig minuten!--maar dat 's een
+eeuwigheid!--Eindelijk valt men, geeuwend en half flaauw, op een bank of
+vouwstoel neêr, om, in magtelooze gelatenheid, de bestemde ure af te
+wachten. Gedurende die periode van algemeene smachting kan men
+gesprekken van 't volgend karakter beluisteren:
+
+Mevr. A. 't Is toch waarachtig geen manier van doen--dat late eten!
+
+Mevr. B. Dat zeg ik, mensch--ik weet niet hoe 'k 't nog uithoû, op den
+duur!
+
+Mevr. A. En als ze je dan nog maar een boterammetje gaven, zoo 's
+middags bij de koffie!
+
+Mevr. B. Juist, dat waren wij altoos gewoon t' huis.
+
+Mevr. A. Dat spreekt--in een burgerhuishouden----
+
+ * * * * *
+
+Dús verwonderen die dames zich beiden, dat ze nog, bij zóó'n
+onmenschelijk dieet, 't leven hebben gehouden; en raken 't bovendien
+vrij wel ééns: dat blikjesvleesch toch niet halen kan bij een versche
+kalfslende; en dat er toch maar niets gaat boven een deftigen burgerpot.
+
+Wij intusschen, Josua, Judocus en Gabriël, houden ons op een andere
+wijze bezig. We gaan voorop, om den Bootsman en 't volk wat in den weg
+te loopen; of--wat we liefst doen--we slepen den Doktor meê naar ons
+tusschendek, en zetten hem er even nog een paar brommen in: zoodat de
+rampzalige meestal te laat en met een besoesden kop aan tafel komt, als
+wanneer hij achterlijk blijft in zijn pligt van voorsnijden, en zich
+ziet blootgesteld aan de verwoede blikken van den Kapitein;--trouwens,
+waartoe dient dan ook de vertegenwoordiger der faculteit aan boord,
+indien 't niet is, om de gezondheid van de hem toevertrouwde leeken door
+genoegzame en tijdige voeding te helpen in stand houden--!
+
+Daar luidt eindelijk de etensbel. Ieder staat op, en beweegt zich
+langzaam, uiterst langzaam--om zijn al te sterk verlangen niet te
+verraden--naar den welvoorzienen disch.
+
+Welvoorzien--ja: want we hebben onzen dag bij uitstek goed gekozen. 't
+Is feest heden, dubbel feest: 't is Zondag, en de Majoor is jarig. Spek
+en pekelvleesch vullen slechts enkele schoteltjes;--de damp van
+wildbraad geurt ons tegen!--Van de soep maakt niemand veel werk, want
+elk is belust op de dingen die komen zullen. Naauwelijks is dan ook die
+kost naar binnen gewerkt, onder 't welbehaaglijk slobberen dat steeds
+aan 't genot er van schijnt te moeten verbonden zijn--of, ja--'t is geen
+zinsbegoocheling, geen _deceptio visus_--: de feestschotels vertoonen
+zich aan de kim--ze naderen--ze worden opgedragen!
+
+Ziet die gans, gister nog snaterend in 't vol besef harer deftigheid, en
+in de zoete herinnering aan Brennus en 't gered Kapitool--ziet haar, hoe
+ze nu prijkt, ontdaan van dons en schachten, in al den glans van een
+bruingebraden opperhuid, in al de heerlijkheid van haar besausde
+ledematen!--Ze wordt ontleed; ze wordt den Kapitein aangeboden.--Eén
+boutje voor hem; één boutje voor de dame die naast hem zit.--Ze gaat
+verder; vier personen hebben den schotel laten passeren: vier boutjes
+zijn er van verdwenen.--Hoe jammer, dat zoo'n beest niet, als een
+Briareus onder de ganzen, tien pootjes en tien vlerkjes heeft--dan
+kregen we ieder wat!--Na nog eenige aanvallen te hebben doorstaan, komt
+ze bij ons--bij ons, jongeluî aan 't lagereind;--dáár is ze--hemel, we
+erkennen 't schepsel niet! Doktor, gij die ze gedecoupeerd hebt--we
+vragen u, wáár is de bruingebraden epidermis, wáár zijn de besausde
+vleeschheuvelkens? Spreek, beschonken zoon van Hippocrates--is dat een
+gans, een eetbaar gevogelte?--Een rif is 't, een naakt _memento mori_,
+dat, zonder twijfel, uitnemend geschikt mag wezen, om te dienen tot
+onderzoekingen betreffende 't beengestel van wijlen de occupante--doch
+geenszins, om een hongerige maag nieuwe stof tot vermaling te bieden!
+
+Maar we protesteren--we wijzen 't scherminkel van de hand!--Mijn vriend
+Josua verheft zijn stem, spreekt van gelijke regten, en roept den
+hofmeester; Judocus slaat ook aan; zelfs Gabriël--de gelijkmoedige
+Gabriël, in bedeesdheid een tweede Joseph: »_schüchtern wie ein
+Lamm_"--waagt 't, een woordje op zijn pas meê in te brengen.
+
+Nu--dat de eerste honger gestild is, begint de wijn rijkelijker te
+vloeijen; ook Doktor en Stuurman zien zich, van wege den jarigen Majoor,
+een extra bierglas ingeschonken. De supplementaire geregten zijn
+verslonden; door 't aanvoeren van enorme hoeveelheden »Jan in den zak"
+is men er in geslaagd, de kinderlijke kreten der jeugdige sinjo-tjes en
+nonna-tjes voor een oogenblik te versmoren. Straks wordt 't nageregt
+opgediend, en--onder 't orberen van muffe amandels en steenharde
+stoofappels, vangt 't gesprek aan eerst regt levendig te worden.
+
+Wat er daar boven wordt afgehandeld--we weten 't niet; en slechts uit
+enkele, ter loops opgevangen, met keukenmaleisch doorspekte rededeelen,
+meenen we te mogen opmaken, dat sprekers zich ten doel stellen, de
+voortreffelijkheden der Indische keuken boven de Nederduitsche in een
+helder daglicht te plaatsen--welk een-en-ander hen niet belet, aan deze
+laatste de noodige eer te bewijzen.--Maar, aan 't benedeneind, achter
+den bezaansmast, wordt druk gebabbeld--en gelagchen. Laat ons hooren,
+of, 't geen de algemeene hilariteit zóó opwekt, ook in staat is, ons,
+zwartgalligen stoïcijntjes, een onwilligen glimlach van de lippen te
+persen. Bezweren we echter allereerst den toorn van hen, die zich aan
+een hoogst frivole en kinderachtige woordenwisseling zullen ergeren,
+door hun de verzekering te geven: dat we _citeren_.
+
+ * * * * *
+
+Hr. Josua. Wel, Keetje, kind--wat kijk-je nijdig van daag!--scheelt er
+wat aan?
+
+Nonna Keetje. Och, kijk naar jezelf! Wat zou er aan me schelen!
+
+Hr. Josua. Nu nu--niet boos worden, hoor--anders raakt 't af met ons.
+
+Hr. Judocus. Ja, en Jufvrouw Coba ook. Zeg, Jufvrouw Coba, hoe heb ik 't
+met U?
+
+Nonna Coba. Och kom, laat me met rust!
+
+Hr. Judocus. Cobaatje, denk er aan--: morgen moet je geslagt worden--je
+bent nu vet genoeg, en 't laatste biggetje is er geweest.
+
+Nonna Coba. Wat maal-je toch--slagt jij jezelf!
+
+Hr. Josua. (Presenteert haar een rotten appel.) Jufvrouw Coba, mag ik U
+dat zoo maar 'reis ter hand stellen--dat 's nu je galgenmaal.
+
+(tot Keetje.) Hier, Keetje--vouw mijn servet 'reis op! (gooit haar 't
+servet naar 't hoofd.)
+
+Nonna Keetje. (Smijt 't servet terug.) Ik dank je--doe jij 't zelf!
+
+ * * * * *
+
+Deze laatste weigering geeft den Hr. Josua 't regt, om, bij wijze van
+_représailles_, der beide jonge dames een hagelbui van notedoppen,
+appelschillen en dergelijke om de ooren te smijten--alles tot groote
+verontwaardiging van Emile, den adjunkt-hofmeester, »die over al die
+_vuiligheid_ dagelijks den nek breekt." De Hr. Judocus--»o
+diepstgevallen Simia!"--trekt een schalksch gezigt, en volgt 't
+loffelijk voorbeeld.
+
+Algemeen kruisvuur van beide kanten.
+
+De Hr. Gabriël ergert zich, en--tot 't uiterste gebragt door 't
+schreeuwen van 't kind Josephientje--staat hij op, en verlaat met
+Aballinische schreden de zaal, »_l'oeïl morne et la tête baissée._"
+
+Projektielen van allerlei karakter en afmetingen verduisteren de lucht.
+
+Groot gelach en vreugdegejuich. Men hoort 't vloeken der hofmeesters, 't
+knappen van lucifers, en 't aansmakken van sigaren. De kajuit vult zich
+met wolken rook.
+
+De verwarring wordt algemeen; de chaos hernieuwd; groote _mutatio
+rerum_. Te vergeefs roept de Kapitein allen tot de orde van den dag.
+Elkeen begrijpt dat de positie onhoudbaar wordt. Men begeeft zich
+joelend en stoeijend naar boven--_sauve qui peut_!
+
+De Hr. Josua speelt voor clown, en vertoont guitestreken, die een
+Panurge zouden beschaamd laten. De Hr. Judocus windt zich op, tot
+galantzijn toe. De meisjes houden beiden voor den gek.
+
+Gabriël, daarentegen, en nonna Flora, hun hoog dichterlijken aard
+getrouw, zetten zich op een rottingstoel, en slaan de oogen hemelwaarts,
+of laten ze aan den horizon dwalen--westelijk, noord-westelijk--waar
+Holland ligt. Zij zuchten, keeren zich af van de kinderlijke spelen
+hunner natuurgenooten, en, aller aardsche genoegens wars, verzinken
+beiden in een sympathetischen dodder, waaruit ze niet verrijzen, vóór de
+thee hen op nieuw tot hun sublunarisch bestaan terugroept.
+
+ Maart, 1866.
+
+
+
+
+DE SLAMAT.
+
+ONTBOEZEMING VAN EEN »AMBTENAAR TER BESCHIKKING",
+
+OF,
+
+EEN EPISODE UIT GABRIËL'S WAARACHTIGE LOTGEVALLEN IN DE BINNENLANDEN VAN
+JAVA.
+
+
+
+I.
+
+
+Triste exilé, sur la terre etrangère,
+ Oh, que de fois, que de fois, j'ai soupiré!!!
+
+ »_La Reine de Chypre._"
+
+
+Hoewel mijn bleeke gelaatskleur en ingevallen wangen genoegzaam mijn
+bewering staafden, dat mijn ongesteldheid me niet toeliet, den afstand
+van veertig paal[17], die mij van Boemi-aijoe, de plaats mijner
+bestemming, scheidde, te paard af te leggen--gaf echter de Resident van
+X... voor, mij geen wagen, ja, zelfs geen bruikbare kar te kunnen
+bezorgen. Maar, hij wist beter raad;--hij, Resident, zou me zijn eigen
+_tandoe_[18] leenen, van welken hij verzekerde, dat er onlangs nog een
+Inspekteur der Cultures meê gereisd had. Ik kon dan op die wijs van de
+hoofdplaats X... tot de _dessa_[19] M... vorderen, en, den volgenden
+dag, mijn togt door 't gebergte naar Boemi-aijoe voortzetten.
+
+Mij bleef natuurlijk niet over, dan, met een profusie van
+dankbaarheidsbetuigingen, dit aanbod, als een ongewoon blijk van
+residentlijke welwillendheid, mij ten nutte te maken.
+
+Tot afscheid kreeg ik Van Zijn-Hoog-Edel-Gestrenge een klammen
+vingerdruk en een genadig »goede reis, meneer Gabriël!"--Toen begaf ik
+mij terug naar 't logement, waar alras de bewuste _tandoe_, door een
+paar gegalonneerde oppassers gedragen, verscheen.
+
+Groote goden!--ik had me wel geen kostelijken, met satijnen kussens
+belegden palankijn voorgesteld--maar zóó'n ding als die _tandoe_
+was--zóó'n smerige bamboezen kooi, door spinnen en kakkerlakken en
+_tjitjaq's_[20] bevolkt, met een rot atappen dakje overhemeld, en
+gepikoeld door middel van een paar lange bamboe-staken----moest ik dáár
+in!--Gelukkig zat er, op dat oogenblik, niemand in de voorgallerij, en
+zou dus niemand mijn schande vernemen.
+
+Uiterlijk dood bedaard, doch inwendig ziedend van verontwaardiging,
+verzocht ik den oppassers, 't ding achter op 't erf te zetten; ik gaf
+hun zelfs, met honingzoeten glimlach, twee kwartjes tot fooi, en
+herhaalde mijn »_trima kassih banjak sama Toean
+Rèsiden!_"[21]--Vervolgens liet ik _koeli's_ halen, en gelastte dezen,
+op minder vleijenden toon, den reisstoel zo spoedig mogelijk tot een
+paal ver buiten de stad te dragen, en dáár op mij te wachten: want 't
+sprak wel van zelf, dat ik den _tandoe_ niet als tot mijn gevolg
+behoorend wilde erkennen, vóór en aleer ik mij buiten den gezigtskring
+van de bespiedende blikken der Europesche bewoners van X... zou hebben
+verwijderd.--Had de Resident mij een »koopje" willen leveren?--Ik
+geloof 't niet: de man was er te magtig en te statig toe: veel te
+deftige kater was hij, om met een muisje als ik te willen spelen; maar,
+in zijn grootheid meende hij, dat zoo'n _mode of conveyance_, die _ik_
+alleen passend oordeelde voor een zieken ambtenaar der vierde-[22], ook
+zeer gevoegelijk dienen kon ten profijte van een gezonden dito der
+tweede klasse.
+
+Na verloop van een half uur onderstelde ik, dat mijn _koeli'_s den
+gewenschten afstand wel zouden achter den rug hebben. Ik betaalde mijn
+rekening--want ook op Java doet men dat in enkele gevallen--en ontsnapte
+door de achterdeur aan een nadere verklaring met de nu aan de
+ontbijttafel vereenigde logeergasten; echter bleef ik niet gespaard van
+de belangstellende onderzoekingen van een paar heeren, die
+waarschijnlijk den _tandoe_ gezien hadden, en mij, met heel onnoozele
+gezigten, vroegen, »waar mijn rijdpaard toch bleef, en of ik misschien
+naar Boemi-aijoe ging _kuijeren_--?"
+
+ * * * * *
+
+Ik liep dan langzaam, met mijn degenstok gewapend, en door mijn
+Bataviaschen jongen gevolgd--die, N.B., wel zoo beleefd was, terwijl
+_ik_ wandelde, _zijn paard_ bij den teugel te leiden--den weg bergwaarts
+op.
+
+De kom der weinige Europesche woningen had ik spoedig achter mij
+gelaten. Doch de _kampong_[23] van X... is groot, en strekt zich
+minstens twee paal ver zuidwaarts langs den straatweg uit; daarenboven
+was er dien dag juist groote _pasar_[24], zoodat, ook buiten de
+limieten van de _kampong_, nog immer de weg bezet bleef door een
+aaneengeschakelde reeks van _warong's_[25].
+
+Daar zie ik, tusschen al 't gejoel en gescharrel, mijn _tandoe_
+voortbewegen; de _koeli's_ die ik spoedig had ingehaald, geven teekenen
+van herkenning--doch ik stap doodleuk voort, alsof ik van geen _tandoe_
+ter wereld afwist--: ik kon toch vóór de oogen van al die inlanders niet
+in dat ding kruipen: zóó mogt ik mijn prestige als landsdienaar toch
+niet weggooijen;--neen, ik was wel doodmoê, maar liever zou ik mij den
+adem uit 't lijf loopen, dan op zóó ongehoorde wijs den zilvergeranden
+pet te onteeren, dien ik, in mijn jeugdigen waan, voor de eerste maal op
+'t restje van mijn blonde lokken had gedrukt.--Maar nog altijd hield die
+gevloekte _pasar_ aan, en digt op elkaâr sluitende gaarkeukentjes
+getuigden van den eet- of snoeplust onzer Javaansche bevolking.
+
+Eindelijk, ja--de breede _waringin's_[26] worden schaarscher langs den
+weg, en mét de schaduw vermindert ook merkbaar 't getal der
+marktventers; nog weinige minuten, en we hebben een punt bereikt, van
+waar de weg, boom- en menschenledig, zich als een zonnige streep
+tusschen 't groen der _sawah's_[27] verloor.--Hier zou ik instappen--'t
+was hoog tijd ook: ik kon niet meer.--De _tandoe_ werd geopend, d. w.
+z.; één der vier atappen matjes die de wanden vormden, werd omhoog
+geslagen; een paar reusachtige spinnen werden verwijderd; de smerige
+_tikar_[28], die de satijnen kussens moest vervangen, bedekte ik met
+mijn regenjas----daar zat ik. De _koeli's_ schreeuwen en kibbelen een
+poos, met de gewone vischwijfachtige gebaren, die den anders zoo kalmen
+inlander eigen zijn, wanneer hij zichzelf of zijn makkers tot werken
+aanmoedigt; daar tillen ze mij op----de _tandoe_ kraakt en waggelt, en
+dreigt onder mijn ligten last te bezwijken----doch neen, 't evenwigt is
+hersteld, de bamboezen _pikoelan's_[29] buigen gracieuslijk
+door----voorwaarts gaat de processie:--mijn jongen aan de spits--als
+adjudant te paard; dan 't achtvoetig gevaarte, waarvan ikzelf de
+bezielende en betalende doch halfdoode kern uitmaak; ten slotte, bij
+wijze van _straggler_, een kerel, die mijn geweer en _minoeman_[30]
+zeult----al 't welk, door wolken stofs omstuwd, over den weg huppelt,
+onder een piepend kraken, en met den eigenaardigen, elastischen pas, die
+den tengeren Oosterling 't uren ver torschen van zware lasten mogelijk
+maakt en vergemakkelijkt.
+
+ * * * * *
+
+We waren slechts weinig schreden gevorderd, toen ik reeds bespeurde, dat
+'t loopen mij minder zou vermoeijen, dan zóó gedragen te worden.
+
+Men verbeelde zich, dat de vier kerels die mijn _tandoe_ geschouderd
+hadden, onderling in afmetingen ½ à ¾ kop verschilden, zoodat mijn arm
+ligchaam, bij elken pas, een epicycloïdische beweging in de ruimte
+beschreef, die mij zeker--ware mijn gestel niet tegen dergelijke
+misselijkheden proef bevonden--allerjammerlijkst aan zeeziekte te
+land[31] had doen lijden. Regtop zitten kon ik in mijn draagstoel niet,
+daar ik, om tot die houding te geraken, mijn hoofd door 't atappen dakje
+zou hebben moeten boren; terwijl ik bovendien gevaar liep, bij 't hevig
+schokkend mouvement, mijn evenwigt te verliezen, en als een koffiebaal
+in 't zand te buitelen. Regtuit liggen was mij eveneens onmogelijk,
+nademaal 't hoog-edel-gestreng vehiculum slechts berekend scheen op den
+vervoer van kinderen of personen beneden de militie-maat.--Bij al de
+miljoenen van 't Batig Slot--ik had dien Inspekteur der Cultures willen
+zien en uitteekenen, die op zóó'n wijs zijn tournée door de Residentie
+X... heeft gemaakt!
+
+Trots al deze ergernissen liet ik me wel een uur lang dragen. Maar, toen
+we een kleine _kampong_ waren genaderd, waar ons van tijd tot tijd
+voetgangers passeerden, en de vrouwen en meisjes nieuwsgierig in den
+_tandoe_ keken, met moeite den schalkschen lach bedwingend, als ze mij
+zagen, kreeftrood van warmte en vermoeidheid, wit bestoven, gehotst en
+geklotst langs 's heeren weg, als een curieus beest uit 't rijk
+Wolanda[32]--toen vond ik mezelf zoo ontzettend ridicuul, dat ik op mijn
+voeten sprong, en----en, na een kwartieruur loopens, mij door de
+gloeijende zonnehitte genoodzaakt zag, op nieuw den draagstoel te
+beklimmen: vloekend en razend tegen de stomme _koeli's_, die 't niet
+helpen konden; en tegen den almagtigen Resident, die niet bij magte was
+geweest, zijn Ambtenaar een ordelijken wagen te bezorgen; en tegen den
+ezel van een Gabriël, die naar Indie moest, om armoê te lijden, terwijl
+hij 't t'huis zoo goed had.
+
+Edoch, ook van murmureren heeft men spoedig den buik vol.
+
+Een ferme teug wijn bragt mijn geschokten geest en nog geschokter
+ligchaam een weinig tot rust; en een tweede dosis deed me zóó goed, dat
+ik--o zoete, nooit missende tooverkracht van 't druivennat!--mijn
+toestand haast intéressant begon te vinden. Ik dacht aan Haeffner, en
+zijn Reize met den Palankijn. Ik vergeleek ook mijn positie met die van
+mijn geliefden Don Quichotte, mijn Ridder van de Droevige Figuur, toen
+hij, in de met ossen bespannen kooi, door zijne bezorgde vrienden werd
+naar huis gebragt. Er was waarlijk eenige overeenkomst: de vernuftige
+Jonker was er--hoewel ver van betooverd--; de kooi was er; de ossen
+waren er--in de gedaante van _koeli's_--; slechts de priester en de
+Barbier ontbraken--en, mijn bruine jongen Ketjiel, geleek bitter weinig
+op den vermakelijken schildknaap Sancho Panza.--Zóó mijmerend, maakte ik
+'t mij in den _tandoe_ zoo gemakkelijk mogelijk: mijn hoofd vlijde ik
+tegen een der harde houten stijlen, mijn beenen liet ik bevalliglijk
+over den rand der draagkoets bengelen;--toen eerst gevoelde ik mij
+gestemd, op 't mij omringend landschap een bedaard contemplerenden blik
+te slaan.
+
+Langzaam aan werd de weg schaduwrijker. Een opstekende zeewind speelde
+door de breede bladeren der _Djati_-boomen; regts en links huppelde een
+vrolijk beekje strandwaarts; en rondom strekten zich onmeetlijk de
+_sawah's_ uit, slechts begrensd door de hoogere en lagere bergruggen,
+die, als zooveel vingers van een reusachtige hand, zamenloopen in 't
+groote middenpunt van den Slamat.----Ik tuurde en soesde;--en zóólang
+tuurde ik over de groene rijstvelden, wier jong gewas zachtkens golfde
+onder de spelende middagkoelte--en naar de palmboschjes, die hier en
+daar een _dessa_ verhullen--en naar de hooge, omwolkte toppen der
+bergen----tot een zalige dommeling mij de oogen sloot, die me, voor
+korten tijd, _tandoe_ en _koeli's_, ja zelfs den gouden _pajong_[33], 't
+vlugge vierspan, en den comfortablen reiswagen van den Resident deed
+vergeten.
+
+ * * * * *
+
+Ik werd uit mijn sluimering opgeschrikt door een schok, die me vrij
+onzacht door de leden voer.--Ik zie opwaarts--daar is 't atappen dakje
+van mijn _tandoe_; ik zie omlaag--daar is de grond;--maar, niet de grond
+op den, ons menschen, als 't hoofd omhoog dragende wezens 't toegemeten
+afstand van vijf à zes voeten--neen, vlak onder mijn facie, op geen
+handbreedte van mijn neus, zie en ruik ik de moederaarde. Was de
+slangenvloek aan mij vervuld; of zou ik, niet ongelijk aan een tweeden
+Nebucadnezar, stof in plaats van gras orberen?--O neen: mijn zorgzame
+_koeli's_ en jongen hadden doodeenvoudig goedgevonden, aan de
+wijdberoemde _warong_ te L... (want tot binnen die _dessa_ waren we
+gevorderd), hun middagmaal te gebruiken: 't was 't achtste of negende
+dien dag; en hadden, zonder eenige ruggespraak, en zonder een
+voorafgaand inwinnen van hoogstdeszelfs consideratiën en advies--den hun
+toevertrouwden civiel-gezaghebbenden last op den platten grond
+neêrgezet.--_Qui dort, qui mange_, hadden ze gemeend.
+
+En ik----daar zat ik--met mijn Radikaal, mijn diploma A en mijn diploma
+B, mijn land- en volkenkunde, mijn natuur- en scheikunde, mijn
+Mohammedaansch Regt, en mijn Regerings-Reglement! Daar zat ik: mijn
+geëxamineerd brein slechts van 't lage stof gescheiden door den bodem
+van een smerig bamboe-getimmerte; aan de willekeur overgelaten van een
+troep schurftige _koeli's_, met wie ik, ondanks mijn Roordasche
+taalgeleerdheid, geen _boe_ of _ba_ Javaansch kon wisselen--: ik, de
+accurate vertolker van Mawerdi, de _amor et deliciae_ van 't Maleisch
+college; de man, die 't onderscheid wist tusschen den Javaschen en den
+Sumatraschen rhinoceros; die de huislijke hebbelijkheden van Dajaks en
+Batta's beter kende, dan van zijn eigen ooms en tantes------daar zat ik!
+En, o, regtschapen Hollandsche ouders en voogden; o, groote Professor
+Keijzer; en gij, vlekkelooze, nooit volprezen maagdentrits van Delft's
+trouwlustige schoonen--waarom hebt gij mij niet _zien_ zitten, toen ik
+daar zat: opdat met één slag ook uw illusiën mogten in rook zijn
+opgegaan, die ge met mij, in den geloovigen eenvoud uwer harten, vormdet
+omtrent de glorie en de heerlijkheid van een _Ambtenaar bij die
+burgerlijke dienst in Nederlandsch Indië_--!
+
+[Footnote 17: Een paal is ongeveer twintig minuten gaans.]
+
+[Footnote 18: Draagstoel of palankijn, in den meest primitieven vorm.]
+
+[Footnote 19: Dorp, gemeente.]
+
+[Footnote 20: Kleine muurhagedis.]
+
+[Footnote 21: »Grooten dank aan meneer den Resident!"]
+
+[Footnote 22: Zóó bestempelen onze Javasche humoristen de inlandsche
+dwang-arbeiders of kettinggangers.]
+
+[Footnote 23: Afzonderlijke, door inlanders bewoonde wijk.]
+
+[Footnote 24: Weekmarkt.]
+
+[Footnote 25: Gaarkeukens of snoeptafeltjes aan den weg.]
+
+[Footnote 26: Een schoone, breedgetakte boom.]
+
+[Footnote 27: Natte rijstvelden.]
+
+[Footnote 28: Van biezen gevlochten matje.]
+
+[Footnote 29: Draagboomen.]
+
+[Footnote 30: Dranken.]
+
+[Footnote 31: Op menschen, wier hoofd en maag niet van de sterkste zijn,
+heeft een wandeling per palankijn, (zoo ook een ridje op den rug van een
+kameel) dezelfde uitwerking als een pleiziertogtje op de Zeeuwsche
+stroomen.]
+
+[Footnote 32: Holland; van 't Portugeesch _Olanda_.]
+
+[Footnote 33: Zonnescherm, 't welk, al naar gelang van de kleur, de
+waardigheid aanduidt van hem, boven wiens hoofd 't gedragen wordt.]
+
+
+
+II.
+
+
+Des avonds ten zes uur hadden we M... bereikt. Dáár was een
+_pasangrahan_[34]: dáár zou ik rusten en overnachten; ik had bijna den
+ganschen dag geloopen, of erger nog, en gevoelde ongewone behoefte aan
+verkwikking en slaap.
+
+Mijn eerste werk was--wijl ik ook hier niet met den verwenschten
+_tandoe_ wilde gezien worden--de _koeli's_ halt te doen maken, met
+verzoek, zoo spoedig hun beenen 't toelieten, 't haatlijk reisgevaarte
+van uit mijn oog te doen verdwijnen; tevens moesten ze 't paard waarop
+mijn jongen gereden had, naar X... meê terugnemen. Dit bevel werd
+stiptelijk nageleefd, vooral daar mijn onwetendheid den schooijers
+gelegenheid gaf, me een driedubbel dagloon af te zetten; ik zag ze
+haastig wegloopen, en, met mijn domme gulheid lagchend, in de naaste
+_warong_ binnensluipen.--Zóó, ontdaan van alle decorum, en, naar de
+wijze der Apostelen--stof op onze hoofden, en stof aan onze
+voetzolen--traden we de _dessa_ binnen, wier bewoners ons aangaapten,
+alsof we uit de lucht waren gevallen, wijl niemand begreep, door middel
+van welke beweegkracht we ons zoo eensklaps in 't hartje der gemeente
+hadden kunnen verplaatsen: paarden, koets of kar toch waren niet te
+zien--en, aan te voet of in een _tandoe_ reizen, _dachten_ de naïve
+kampong-menschen niet eens.
+
+Hoe nu echter den _Wedono_[35] uitgevonden, dien ik noodzakelijk nog
+denzelfden avond spreken moest, om hem te verzoeken, mij den volgenden
+morgen zeer vroeg een paard te doen toekomen, waarop ik de reis door de
+bergen tot aan Boemi-aijoe zou kunnen vervolgen--? Mijn jongen sprak
+geen woord Javaansch; en ikzelf deed te vergeefs alle vormen, van
+Propositief tot Vetatief, mitsgaders de helft van Winter's
+»Zamenspraken" aanrukken, ten einde te weten te komen, in welke rigting
+ongeveer des magistraten verblijf moest gezocht worden.
+
+Straks, zie ik, op een kleine verhevenheid, een ruim gebouwd huis: een
+tempel of paleis tegenover de omringende bamboe-hutjes. Ik nader. Een
+lichtbruin, goed uitziend, bijna inlandsch gekleed man zit deftig onder
+de _pendopo_[36] zijn strootje te rooken: de bitterflesch staat naast
+hem op de tafel, en de _tali-api_-jongen[37] is op eenigen afstand
+neêrgehurkt.--»Dat zal de _Wedono_ wezen", dacht ik. Ik had wel gehoord
+van de blanker gelaatskleur en de fijner trekken, die veel Javaansche
+Hoofden van den kleinen man onderscheiden; en, met deze _idée fixe_
+gewapend, vergat ik 't, als nieuwbakken Delftsch etnograafje, op te
+merken, dat mijn _Wedono_ geen hoofddoek droeg, een kleedingstuk, dat
+toch door den minst ceremonieusen inlander niet zal worden
+afgelegd.[38].
+
+»_Tabé, Wedono_," sprak ik, even buigend, in een mengsel van hoog- en
+laag-maleisch--»_banjak akoe poenja kasoeka-an ketemoe sama Wedono; akoe
+ambtenaar moeda, bahroe dateng deri Batawie, dan akoe mampir di Wedono
+poenja roemah, handaq meminta Wedono poenja pertoeloengan,----_"[39]
+
+Gedurende deze toespraak waren des pseudo-Wedono's groote bruine
+oogappels tot den omvang van theeschoteltjes gezwollen.--»Maar meneer",
+stottert hij eindelijk, half boos, half verlegen--»maar meneer, _toean
+kira apa_--ik ben niet Wedono--ik ben Europeaan--als uwe zoekt 't huis
+van den Wedono, dat is ginder."
+
+Nooit maakte een christelijk-nationaal Kamerlid met zijn speech dwazer
+figuur, dan ik te dezer gelegenheid met mijn mondjevol Maleisch!
+
+»Pardon, meneer", stamelde ik,----
+
+»O", riep mijn goede kleurling--»ik neem niet kwalijk, ik zie wel, u
+_orang bahroe_."[40]
+
+»Maar--wil u zoo goed zijn", hervatte ik--»mij naar de _pasangrahan_ den
+weg te wijzen?"
+
+»De _pasangrahan_--hij is hier."
+
+Aha, dacht ik--u is dus kastelein: dan zal u ook mijn misvatting zoo erg
+boos niet opnemen. En, met evenveel gemakkelijkheid alsof ik ter
+Societeit aan de biljart stond, verzocht ik hem, mij een bittertje te
+willen schenken. Hij deed 't.--Kort daarna drong ik er op aan, dat 't
+eten wat spoedig opgediend zou worden. Hij zeî me, dat hij gewoonlijk
+eerst ten half-acht plagt te avondmalen, maar dat hij den _mandoor_[41]
+zou verzoeken, wat haast te maken; ik moest echter niet veel van de
+tafel verwachten, voegde er bij, want de bediening was slecht; en
+hijzelf moest zich noode in de _pasangrahan_ behelpen, omdat er te M...
+geen beter huis te vinden was; hij had zich wel gaarne een eigen woning
+gebouwd, maar zijn gering ambtenaarstraktement stond hem die weelde niet
+toe, en hij was dus nog heel tevreden, dat hij in de publieke herberg
+zijn definitief verblijf had kunnen opslaan.----_Astaga_![42]--de
+laatste dwaling was erger geweest dan de eerste! Hij was dus evenmin
+herbergier als _Wedono_--maar een gast gelijk ik, tegenover wien ik
+fraai op weg was geweest, de komische vergissing uit zeker Engelsch
+blijspel[43] _in natura_ op te spelen.--Ik maakte nogmaals mijn excuses;
+doch de goede man woû van niets hooren, en kon zich alles best
+begrijpen: de malste bokken schenen hem, meen _baar_ als ik, hoegenaamd
+niet te verwonderen.
+
+We aten regt genoegelijk zamen. Hij stelde mij eenigzins op de hoogte
+van 't geen mij in mijn afdeeling te wachten stond, en schetste mij de
+inlandsche Hoofden, met wie ik zou te doen hebben. Hijzelf, verzekerde
+hij, hoopte nog dikwijls 't vermaak te hebben mij te ontmoeten, daar hij
+mijn naaste buurman was--N.B., van M... tot Boemi-aijoe is niet minder
+dan twaalf paal langs een haast onberijdbaar bergpad--; en hij eindigde
+met de verklaring, dat 't hem speet, hij zoo weinig van Europesche
+toestanden afwist, daar hij nooit te Batavia, laat staan in Holland was
+geweest, en al sints jaren geheel alleen op dezen binnenpost had
+gewoond:--welk een-en-ander _mij_ aanleiding gaf, me over zijne, onder
+zulke omstandigheden, toch nog vrij goede manieren te verbazen.
+
+Zou de Europeaan, dacht ik, die _nu_ een hoogleeraarsplaats bekleedt,
+onder zulke gegevens van opvoeding en leefwijs niet een beer zijn
+geworden; en had deze arme _sinjo_, die zoo slecht Hollandsch sprak, en
+liefst zijn rijst met de vingers at, niet even goed, in des Professors
+luren gebakerd, tot gentleman en artist en geleerde kunnen
+groeijen?[44]
+
+Klokke negen hadden we ons grogje gedronken, en nam ik van mijn nieuwen
+vriend afscheid, om de voor mij zoo noodige rust te gaan zoeken.
+
+Men bragt me in een donker hok, waar, op de aarden vloer, een smerige
+_balé-balé_[45] met een gescheurde _klamboe_[46] mij tot bedstede werd
+aangewezen.
+
+Een vleêrmuis fladdert mij om de ooren; een _tokèk_[47] doet van uit
+mijn bed zijn schorren zevenkreet hooren. En te midden van 't piepen en
+tjilpen, en de duizend stemmen van den nacht, klinkt in de verte een
+_gamelan_--:
+
+[Note Project Gutenberg: Music transcribed in Lilypond format]
+\layout {
+ \context {
+ \Score
+ \remove "Bar_number_engraver"
+ }
+ indent = #0
+ % line-width = #150 }
+
+ \header { piece = \markup { \italic "Andante." }
+}
+
+{
+ \override Stem #'direction = #up
+
+ \clef treble
+ \key d \major
+
+ d'2 a'2 fis'4 e'8 fis'8 a'4 a'4 b'2 a'2 fis'4 e'8 fis'8 d'4 a4
+
+ \override Score.RehearsalMark
+ #'break-visibility = #begin-of-line-invisible
+ \once \override Score.RehearsalMark #'self-alignment-X = #right
+ \mark "etc. sempre da capo."
+}
+
+\version "2.7.39" % necessary for upgrading to future LilyPond versions.
+
+--door den afstand getemperd, ruischt mij de maatlooze, zinnelooze
+melodie weemoedig tegen, als een klagende zang uit den lang vervlogen,
+mythischen Hindoe-tijd.
+
+Mijn nachtlichtje walmt en knettert en blaast den adem uit. Maar vóór
+mijn openstaand venster dansen de vuurtorretjes, die Kersmis vieren in
+den fijngevinden _peté_; en bij haar hellen phosphorschijn zie ik, hoe
+een reusachtige pad zich van mijn schoen een wieg tracht te maken.
+
+Ik sliep er niet minder gerust om.
+
+[Footnote 34: Publieke herberg in de binnenlanden, meestal voor
+Gouvernementsrekening door een inlandschen waard gehouden, en waar de
+reiziger voor weinig geld een armoedig onderkomen vindt.]
+
+[Footnote 35: Districtshoofd.]
+
+[Footnote 36: Voorgallerij.]
+
+[Footnote 37: _Tali api_ = lont. ll. vuurtouw.]
+
+[Footnote 38: Opmerking verdient 't, dat zelfs de overigens geheel naar
+Europesche wijs gekleede Regenten, toch immer den inlandschen hoofddoek
+blijven dragen. 't Schijnt wel, dat de mensch aan geen kleedingstuk zóó
+hecht, als juist aan 't hoofdbedeksel. Zoo zal de Europeaan in de
+binnenlanden schoenen en kousen, broek en jas--doch nimmer hoed of pet
+verloochenen.]
+
+[Footnote 39: »Goeden dag, Wedono! Ik ben zeer verheugd, U aan te
+treffen; ik ben een jong ambtenaar, pas van Batavia gekomen, en ik breng
+U een bezoek, om uw hulp in te roepen,----"]
+
+[Footnote 40: Nieuweling, ll. nieuw mensen; van dáár ons _baar_.]
+
+[Footnote 41: Opzigter, meesterknecht; hier: inlandsche kastelein.]
+
+[Footnote 42: Uitroep van verwondering en schrik.]
+
+[Footnote 43: Zie: Goldsmith's »_She stoops to conquer._"]
+
+[Footnote 44: Dat was regt liberaal gedacht, nietwaar, lezer! haast even
+liberaal als ik dacht, toen ik voor 't eerst eenige inlanders een
+suikerveld zag omspitten, en mij 't hart van verontwaardiging in 't lijf
+omdraaide.--Helaas! een bevinding _in loco_ zou mijn begrippen omtrent
+_uitgezogen Javanen_, _vertrapte sinjo's_, enz. enz. aanmerkelijk
+wijzigen. Zij zou mij meer dan ooit een vriend van den Javaan maken;
+doch mij tevens doen inzien--'t geen trouwens alle redelijke liberalen,
+die van onze koloniën _locale kennis_ bezitten, zonder welke niemand een
+oordeel vellen _kan_, met mij zullen instemmen: dat men niet dan
+trapsgewijze en met de uiterste omzigtigheid mag overgaan tot 't
+verspreiden van Westersche vrijheidsbegrippen onder Oostersche
+natuurkinderen; en tot 't opwekken van nieuwe, misschien onbevredigbare
+behoeften, bij lieden, die op aarde niets hoogers wenschen, dan 't geen
+elk gematigd bewind hun zal toestaan: volop _rijst_ en _rust_.--Maar dan
+te meer, roept men, wordt 't tijd, dat volk van uit zijn dierlijke
+_rust_, door beschaving tot hooger welzijn op te doen waken!--Zeker, dat
+moet ons aller streven zijn. Doch de ware liberaal ziet verder in de
+toekomst dan tien of vijftig jaren: 't ver verleden is zijn school.
+Ja--ééns zal ook de Javaan vrij wezen, en Christen: want, gelijk dogma
+en slavernij, zoo gaan ook Christendom en vrijheid hand aan hand: de
+geest van Christus die slechts vrijheidszin en humaniteit ademt, zal
+alle volkeren doordringen: in dien zin zal 't wezen »één kudde en één
+herder." Wij echter zullen dat niet beleven. Achttien eeuwen lang heeft
+vrouw Europa geleden en gebloed--nog immer lijdt en bloedt ze, en voelt,
+als een zwangere, haar lendenen beroerd door de woelingen van de groote
+vrijheidskiem, waarmeê Jezus van Nazareth haar schoot bevruchtte; God
+alléén weet, hoe ver nog de ure der verlossing verwijderd is. Achttien
+eeuwen!----en wil men den Javaan in weinig jaren wijs en vrij
+maken!--Men bedenke, dat alle vooruitgang onder 't levend geslacht
+martelaren vordert, en eerst den kleinkinderen vrucht oplevert. Elke
+revolutie kost stroomen bloeds. Men vermijde dan, zoo hier als in Indië,
+alle geweldige overgangen. De Tijdgeest zal, ook zonder de bemoeijingen
+van een kibbelende Volksvertegenwoordiging (?), op Indië zijn langzamen,
+doch onweêrstaanbaren invloed uitoefenen.]
+
+[Footnote 45: Rustbank.]
+
+[Footnote 46: Gazen gordijn, om de muskieten te weren.]
+
+[Footnote 47: _Tokèk_ of _tjekko_: een grootere muurhagedis; men
+beweert, dat slechts de grootste exemplaren hun geroep zevenmaal
+achtereen doen hooren.]
+
+
+
+III.
+
+
+Toen ik ontwaakte, en uitkeek door de houten tralies van mijn
+venstertje, blies een frissche luchtstroom mij koelend langs de zware
+oogleden; en in 't fluisteren van den morgenwind hoor ik 't
+afscheidszuchten van den nacht en zijn sluipende gasten, die spoeden om
+zich te verbergen, schuw ineenkrimpend bij den reinen adem van den bode
+der zonne.--Ik zie, hoe de sterren 't zilveren kleed afleggen, en zich
+terugtrekken, na een laatste flikkering, achter den voorhang van eeuwig
+blaauw. Er is een zacht bleeken, een zwakke schijn van rossig licht over
+de _klappa_-boschjes tegen 't Oosten. Reeds even zigtbaar wordt de oude
+_waringin_ op den naasten heuveltop; en vriendelijk wuift 't
+_pisang_-blad mij goeden morgen toe, gedrukt en buigend onder den schat
+van trillende dauwdroppels, waarmeê de sombere nacht de planten tooit,
+als met tranen, en die de dag, de jonge lagchende, met tooverstralen zal
+verkeeren in fonkelende diamanten, heerlijk afgezet op hun kussen van
+fluweelig groen.
+
+ * * * * *
+
+Nu spoedig een bad genomen; de kleêren aan 't lijf; wat _nassi
+goreng_[48] tot ontbijt; dan mijn mede-anachoreet de hand gedrukt,
+en--na een onderzoekenden blik op tuig en stijgbeugels, en een angstig
+vragen of 't beest ook _nakal_[49] is--'t kleine, magere
+_gladak_-paardje[50] bestegen: een rosje, waarbij de paarden van
+Harpagon vet hadden geheeten, en dat, ofschoon 't armelijkst knolletje
+uit des _Wedono's_ stal, toch ook alweêr goed genoeg is voor den
+Ambtenaar »ter beschikking"----ja, wél ter beschikking van elken
+Europeaan, wien 't lust, hem, als _baar_, een loer te draaijen; en van
+elken inlander, die begrijpt, dat onze jeugdige held de taal nog niet
+magtig is, en ook vooreerst nog geen direkt gezag uitoefent.
+
+Als gids werd mij een oud mannetje meêgegeven, dat den ganschen weg over
+niets deed, dan op bibberenden toon zingen of neuriën, en, vóórop
+rijdend, »_gravement, sans songer à rien_", er zich volstrekt niet om
+scheen te bekommeren, of de _toean_[51] hem volgde, al dan niet. Mijn
+jongen schreed, nu eens achter mij dan eens naast mij, voort, en aan 't
+lijntje strompelde nog steeds de _koeli_ met mijn buks en reistasch.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen werd de togt gedurig aan belangwekkender.
+
+Als we de kleine _dessa_ doorrijden, leeft er en joelt er alles:
+zwoegend draaft 't bruine goed dooreen, en pikoelt, en spoedt ter
+_pasar_, en zweet al bij de schuine stralen der pas ontwaakte
+morgenzon.--Rimpelige, sirih-kaauwende _nènè's_[52] zijn er, die haar
+tweeden _klappa_ hebben zien vruchtdragen[53]: met haren, zoo wit als
+rollen van een gepoederde allongepruik, en lippen, rooder nog dan de
+roode lipjes van nonna Flora[54].--Naakte kindertjes, bol en buikig als
+Rubbenssche engeltjes, die zich vasthouden aan moeders _sarong_, en ons
+nastaren, met groote, schuwe, verwonderde oogen.--Ook zijn er jonge
+meisjes, met glimmend zwarte _kondé's_[55], en wangen als goud, en
+oogen, die, als men er lang in keek, een dwaasheid zouden doen
+begaan.--En de mannen, zwijgend en gedwee, zwaaijen de bonte
+_topis's_[56], en groeten plegtig den met insigniën van gezag bekleeden
+heer; sommige zelfs, ouder gewoonte, zetten 't juk van bamboe af, dat
+knellend doorbuigt over den vereelten schouder, en hurken neêr langs den
+weg, gelijk hun vaders 't deden in de dagen van Pakoe Boewono, den
+»Spijker der wereld", of van den geduchten Toean Daendels, den
+»Mannetjes-man."
+
+Zóó voert ons een smal wegje buiten den kring van hoog en laag geboomte,
+waarin 't dorpje verscholen ligt, als een vogelnestje tusschen de digte
+halmen van groengepluimde biezen.
+
+Reeds speelt 't lichter door de takken. Zie--tusschen de stammen dóór
+van gladde, hoogopgaande palmboomen, schitteren de zonnige kleuren der
+vlakte: als de breede trappen van een reuzen-amphitheater klimmen
+rijstvelden op, glinsterend als duizend meirtjes, of, 't helder groen
+ineenmengend met 't zilveren waas, dat de nacht uitspreidde over de
+vochtige akkers.
+
+En vóór ons, boven alles uit, prijkt, in statige hoogte, de groote,
+magtige Slamat!
+
+ * * * * *
+
+Heil, Slamat, heil--wees mij gegroet, gij schoonste van Insulinde's
+bergen! Slamat is uw naam, en met _slamat_[57] wil ik u heilzingen--wees
+heil!
+
+ * * * * *
+
+In dien stijl bragt ik den grijzen vulkaan mijn hulde, toen 't
+opgeslagen bladergordijn hem in al zijn grootheid mij ontdekte.--En als
+ik voortsukkelde over den hobbeligen weg, bragt mij 't bloed van de
+Rossinante die ik bereed, in een gansch ridderlijke vervoering.
+
+ * * * * *
+
+O Slamat, riep ik--hoe schoon zijt ge--hoe eeuwig trotsch en schoon, nu
+de jonge dageraad met goud en purper uw kruin omstraalt! Hoe fier
+verheffen zich uw lijnen, scherp afgeteekend op een grond van rozig
+morgenlicht: eerst zacht glooijend, en dan ten hemel rijzend--steil, en
+hoog, onmeetlijk hoog--een kegel van trachiet!--Laat ik u bezingen en
+bewonderen--bewonderen in al de majesteit uwer naaktheid, vóór de dag
+feller licht: als gij de nevelen zult optrekken uit de dalen, en uw top
+hullen in zware wolken, u sluijerend en omgordend voor de oogen der
+menschenkinderen.--Slamat is uw naam, gij, die uit breede flanken, met
+ontelbre stroomen, den zegen uitgiet over 't land rondom! Slamat is uw
+naam, en met _slamat_ wil ik u heilzingen--wees heil!
+
+Als 's morgens vroeg de landman zijn _patjol_[58] opneemt, en zijn
+buffels wegdrijft, opdat ze waden in den modder, en kaauwen op de natte
+stoppels--dan ziet hij sidderend omhoog naar de witte rookzuil, die den
+koning der bergen kroont.--Want hij weet 't, mijn berg, dat ge heilig
+zijt--hij weet 't, en hij vreest U.--Siwa, de vernieler, zetelt op uw
+top; Djins en Shètans[59] huizen aan uw ingewanden.--Zij
+sluimeren;--ongestoord zaaijen en oogsten de kinderen des lands; vrolijk
+klinkt de _gamelan_ overal, en de _gongs_[60] verkondigen luide, waar
+bruiloft gevierd wordt, en waar slanke meisjes dansen, getooid met
+_boenga raja_[61], en pronkend met nieuwe, rijk gebatikte _salendang's_.
+
+Zij sluimeren.----Maar wee, wee, als zij zullen opwaken uit hun rust, om
+te werken in uw schoot, en de hel aan te blazen, die smeult aan uw
+fondamenten!--Dan zult ge dood en verwoesting spuwen uit uw wijden
+krater; vuur zult ge doen stroomen over de weerlooze _sawah's_;
+verpletterend zult ge gloeijende rotsblokken slingeren op de hoofden der
+rampzaligen, die zich vertrouwend neêrlieten aan uw vruchtbaren voet;
+vloek en verderf zult ge spreiden in 't rond, over duizenden en
+duizenden!--En daar zal een kreet opgaan tegen u: niet meer Slamat zal
+uw naam wezen--maar Tjelaka zal men u noemen--tjelaka, tjelaka!----[62]
+
+ * * * * *
+
+----En zóó uitdrukkingsvol bulderde ik dat ijselijk _tjelaka_; en met
+zóóveel kracht schopte ik mijn lui gladakkertje de hakken in de ribben,
+om op de wieken van een vliegend enthousiasme tegen de bezongen Djins en
+Shètans ten strijde te rennen----dat 't oude mannetje, mijn gids, uit
+zijn soesend geneurie opgeschrikt, plotseling mijn paard bij de teugels
+greep; en mijn jongen op mij toesprong, met de vraag: »_Toean kena
+apa_".[63].--Ik had, in een eerste opwelling van gekrenkte dichterlijke
+eigenwaarde, den dommen lummel wel een muilpeer willen toedienen;
+doch--'t gevaar van tuchthuisstraf daar gelaten--begreep ik, na koelen
+berade, den knaap wel aanleiding te hebben gegeven tot eenig betoon van
+dienstijver, daar hij, bij 't hooren van mijn noodkreet, slechts kon
+vooronderstellen: óf, dat zijn heer en meester door een scorpioen of
+duizendpoot was gestoken; óf wel, dat een der Djins, van uit de
+ingewanden des Slamat's, in hoogstdeszelfs hersenkas was komen varen.
+
+Halfweg tusschen M... en Boemi-aijoe troffen we een paar _warong's_,
+onder wier rookerig dak ik mij in de gelegenheid zag gesteld,
+broederlijk tusschen mijn gids en jongen gezeten, wat rijst uit een
+_pisang_-blad benevens eenige _kwé-kwé_[64] tot mij te nemen.
+
+Toen ging 't weêr verder. Bergop-bergaf liep de weg: nu eens daalden we
+diep in een ravijn, en waadden door 't keijig bed van een koelen
+bergstroom; dan weêr kronkelde ons pad door koffietuinen, of door digte
+bosschen van reusachtige _djati_-en _rasamala_-boomen, van uit wier
+loofdak, slankapen en _loetoeng's_[65] ons knorrend toegrijnsden.
+
+Nog een laatsten heuveltop bestegen, hooger dan elke vorige--en
+zie--welk uitgestrekt vergezigt zich voor ons oog ontrolt: regts de
+wilde kammen van den Goenoeng Kembang, en 't golvend berglandschap,
+boven welks gekartelden horizon, schemerend ver, zich de zachte lijnen
+van den Tjerimaï teekenen; links de Slamat met zijn vertakkingen; en
+vóór ons, diep aan onze voeten, gerugsteund door de hoogten van
+Banjoemaas--prijkt--in kleurige weelde van kampongs en akkers, en
+boschjes en beekjes, 't heerlijk dal van Boemi-aijoe.
+
+Een poos lang liet ik, in stille opgetogenheid, mijn blik weiden over
+den Eden die mij tot verblijf was aangewezen. Ook uit _die_ natuur sprak
+poësie--doch, helaas, niet voor mij: want ik verstond ze niet. Mijn
+hoofd duizelde, toen ik rondzag in dien Oceaan van groen en licht en
+kleuren. Want, gelijk een overmaat van bloemengeur de zinnen
+verdooft--zóó ook overstelpt een al te rijke natuur 't oog van den
+aanschouwer. En hierin, geloof ik, is 't vooral, dat de tropische
+schepping zoo oneindig bij onze Noordsche achterstaat--: _er is te
+veel_: nergens is een leêgte, nergens kan iets gedacht worden dat der
+verbeelding stof tot fantaseren laat, de overvloed zelf maakt hier 't
+landschap doodsch en eentoonig.
+
+Doch kom--welk redelijk wezen staat er, onder een Javasche middagzon,
+op 't topje van een kalen heuvel, over natuurschoon te
+monologeren!--Hoort ge dan niet, Gabriël, dat uw inlandsch geleide uw
+geestdrift aan beschonkenheid toeschrijft! Voelt ge zelf niet 't merg in
+uw dichterlijk ruggestreng tot den derden aggregatie-toestand overgaan!
+
+Zoo dwong mij de alle genot verbiedende warmte, spoediger dan ik
+gewenscht had, in de lommerrijke vallei een toevlugt te zoeken.--Ik
+kamde mijn haren wat op, liet mij 't stof wat van de kleêren slaan, en
+nam, toen ik de _dessa_ binnenstapte, een ietwat fiere houding aan,
+terwijl ik mijn voorrijder en gevolg aanbeval, op te sluiten en den
+behoorlijken afstand te bewaren, opdat we, voor zoover onze uitrusting
+'t toeliet, met betamelijke waardigheid voor de controleurs-woning
+mogten afstijgen.
+
+ * * * * *
+
+De controleur, een jong mensch, ontving mij, gelijk men--in
+Indië--iemand ontvangt, met wien men weet, dat men 't leven in de
+wildernis zal moeten deelen.
+
+Zijn rijsttafel bleek uitnemend.--Doch wat mij 't meest beviel, was, dat
+hij mij een kamer inruimde, vanwaar ik een onverhinderd uitzigt had op
+de hemelhooge massa van den Slamat.
+
+[Footnote 48: Opgebakken rijst.]
+
+[Footnote 49: Ondeugend.]
+
+[Footnote 50: _Gladak_ = al wat bij 't verrigten der heerediensten
+gebruikt wordt; pop: iets dat slecht, gemeen, afgejakkerd is.]
+
+[Footnote 51: Heer, heerschap.]
+
+[Footnote 52: Oud moedertje.]
+
+[Footnote 53: De Javaan weet zelden hoe oud hij is; somtijds echter
+herinnert hij zich, bij overlevering, dat zijn vader, ter viering van 's
+kinds geboorte, dezen-of-genen boom geplant heeft, naar wiens
+vermoedelijken ouderdom hij dan den zijnen afmeet. Zoo lezen we in 't
+Maleische werkje, getiteld »_Pelajeran Abdallah_", van een grijs
+moedertje, dat, gevraagd zijnde hoe oud ze was, op een ouden _klappa_
+wees, welken zij verklaarde de plaatsvervanger te zijn van een anderen,
+die bij haar geboorte was geplant, doch reeds lang, der dagen zat,
+gestorven was. Daar nu de _klappa_ 60 en meer jaren oud wordt, zoo zou
+men uit dit voorbeeld mogen afleiden, dat de Maleijer soms een
+aartsvaderlijken leeftijd bereiken kan.]
+
+[Footnote 54: 't Sirih-kaauwen kleurt 't speeksel en de lippen
+vermiljoenrood.]
+
+[Footnote 55: Haarwrong: natuurlijke _chignon_--zonder _gregarinen_.]
+
+[Footnote 56: Hoofdbedeksel, in den vorm van een bol- of kegel-segment.]
+
+[Footnote 57: _Slamat_ beteekent: heil, zegen.]
+
+[Footnote 58: Houweel, om den grond meê te bewerken.]
+
+[Footnote 59: Djins en Shètans: twee categoriën van booze geesten. Met
+'t oog op de gemengde oud-Hindoesche en Musulmansche geloofsbegrippen
+van den Javaan, nemen we de vrijheid, deze echt Mohammedaansche
+schepsels der verbeelding met god Siwa in eenzelfde nabuurschap te
+plaatsen.]
+
+[Footnote 60: Bekkens.]
+
+[Footnote 61: Een vuurroode bloem, die heerlijk afsteekt in de zwarte
+haren der Javaansche schoonen.]
+
+[Footnote 62: _Tjelaka_ beteekent: ongeluk, ramp, verderf--als
+tegenstelling van _Slamat_ = heil, zegen.]
+
+[Footnote 63: »Wat overkomt meneer?"]
+
+[Footnote 64: Koekjes, inlandsch gebak.]
+
+[Footnote 65: Een aapsoort.]
+
+
+
+IV.
+
+
+Den nacht daarop, droomde ik, als naar gewoonte.
+
+ * * * * *
+
+En zie--ik droomde van den berg, wiens heerlijkheid den ganschen dag
+mijn oog en geest had bezig gehouden.
+
+ * * * * *
+
+Weêr zat ik op mijn knokigen Bucephalus; weêr bragt ik mijn heilgroet
+den Slamat toe. En toen ik mijn »_tjelaka, tjelaka!_" uitgalmde--toen
+hield geen domme jongen mijn strijdros in bedwang.--Maar ik vloog voort,
+als op de wieken van den vogel Rok--met de witte rookzuil tot poolster
+van mijn vlugt--opwaarts, immer opwaarts!
+
+Ik doorkruiste de bosschen, die zich uitstrekken aan uw voet, o reus van
+midden-Java; den tijger verstoorde ik in 't verslinden van zijn prooi,
+den forschen _banteng_[66] streefde ik voorbij; den neushoorn heb ik
+bespied, den loggen vorst der wouden, als hij afdaalde langs 't
+zelfgegraven rotspad, om zijn dorst te stillen aan de koele wateren van
+'t meer Randjeng[67].
+
+En verder ben ik gegaan. Ik heb de Zandzee doorloopen, die opvoert tot
+uw spits.--Toen heb ik mij neêrgezet----
+
+----En ik zag 't verre land uitgestrekt, zoo diep onder me--groen en
+nevelig, bijna onzigtbaar. En verder nog, de groote zee, en de groote,
+witte wolken.----En 't was me, als kende ik dat alles niet meer.----'t
+Land verdween, en de zee, en de wolken.----Een bonte dwarreling sloot
+mij de oogen; een zalig suizen, als van verwijderd snarengetokkel: een
+symphonie van vedels en fluiten en cello's, klonk mij ruischend in de
+ooren.----En ik voelde, en ik hoorde, en ik zag----
+
+----Ik zag, in rozig schemerlicht, de bloeijende dreven van Mohammed's
+Paradijs: hoog, hoog boven de blaauwe lucht--tot in de zevenden Hemel,
+waar Allah troont, die waakt over de Kaäba, en goedig glimlacht over de
+zaligheid van zijn zalige uitverkorenen. Ik zag de Hoeri's, in den
+luchtigen tooi van een onschendbare maagdelijkheid, rustend, op purpren
+avondwolkjes, aan de zijde der gelukzaligen. Ik zag, hoe ze den nooit
+bedwelmenden wijn schonken, uit nooit ledige kannen; en hoe ze, brandend
+van kuischen minnegloed, haar nooit vermoeijende kussen drukten op de
+verjongde lippen der grijs gebaarde Moslem.
+
+----Toen hoorde ik een lied, vierstemmig, wonderschoon, dat de Cherubjes
+zongen, rond Allah's troon. En Salomo, de wijze, sloeg de maat, met
+gouden dirigeerstok. David echter, in herderscostuum, moest den toon
+aangeven, en den zang begeleiden met zijn onnavolgbaar harpspel.
+
+----En mij dacht, als verstond ik de woorden van dat lied: als sprak er
+één stem tot mij, onder al die stemmen: een stem van Israfil[68]--die ik
+kende--en die mij opriep, mij, den ongeloovigen hond, om in te gaan tot
+de vreugde der geloovigen.
+
+----Reeds snuif ik den geur op van muskus en ambergris[69]; reeds breidt
+me een zoete Hoeri, de schoonste der schoonen, haar mollige armen uit;
+reeds sluit zich 't donzig wolkenbedje rond mijn leden; ik slorp met
+volle teugen den eeuwenouden Cypruswijn;----ik smelt, mijn lippen
+trillen, onder de warme omhelzing van 't eigen liefje des profeten----
+
+----»nonna Flora", riep ik, terwijl ik haar aan mijn boezem
+knelde--»nonna Flora, gij hier, onder de schaduwen van den
+onverwelkbaren Lotus[70]! Op aarde, in Gang Patjenongan[71], heb ik u te
+vergeefs gezocht--zal ik u hier, o zoete Pari-banou, de mijne mogen
+noemen!--Kom mét mij, geliefde: we zijn beide nog te jong voor een
+paradijs-leven; kom mét mij--laat ons afdalen tot gindsche bloeijende
+aarde, en ons een tuiltje plukken in de wilde rozeboschjes van
+Simpar[72]! Kom, o kom, veelbeminde nonna----!"
+--------------------------------------------------------------------
+
+Zoo gezegd, zóó gedaan.
+
+De voorgenomen afdaling schijnt echter met zóó groote snelheid, en zóó
+in strijd met alle natuurwetten te hebben plaats gehad--dat we, niet in
+de rozeboschjes van Simpar--doch, nonna Flora, ik weet niet waar, en
+ikzelf, in zeker bed binnen de _dessa_ Boemi-aijoe (Regentschap B...
+Residentie X...) moet zijn teregt gekomen. Dáár ten minste vond ik mij
+wakker, met 't angstig gevoel van iemand die een zwaren val heeft
+gedaan.
+
+Ik keek met verbijsterde blikken rond; en twee-driemalen moest mijn
+jongen mij de nuchtere mededeeling herhalen: dat 't reeds zeven uur was,
+en 't ontbijt mij wachtte.
+
+ Batavia. Junij, 1866.
+
+[Footnote 66: Wilde stier.]
+
+[Footnote 67: Een bergmeer, ter hoogte van 4500 voet.]
+
+[Footnote 68: De Engel Israfil, wiens stem zangrijker heet dan van eenig
+ander schepsel.]
+
+[Footnote 69: Zie over de Hoeri's: Alkoran, Hoofdst. 56.]
+
+[Footnote 70: Zie Alkoran, Hoofdst. 53.]
+
+[Footnote 71: Een laan [of gang] in Batavia.]
+
+[Footnote 72: Te Simpar [Res-Tagal] staat of stond, ter hoogte van ±
+4000 voet, een vervallen _pasangrahan_, geheel omgeven door uitgestrekte
+boschjes van rozestruiken, die zich daar in 't wild hebben
+voortgeplant.]
+
+
+
+
+MINNEBRIEVEN.
+
+
+
+AAN NONNA FLORA.
+
+(GABRIËL'S HULDE- EN MINNEZANG.)
+
+Dusky like night, but night with all her stars.
+
+ _Byron_, »_the Island_."
+
+
+_Con fuoco._
+
+Kon ik schilderen met de kleuren van uw gloeijend morgenland, 't
+heerlijk, zongekroond Sumatra; kon ik mijn pen doen overvloeijen van 't
+vuur, dat tintelt in uw donkere oogen--hoe zou ik U beschrijven, Flora,
+nonna Flora, bruin meisje uit 't rijk Menang-kabau[73]!
+
+Hoe zou ik U beschrijven; met welke beelden uw schoonheid prijzen?--Zal
+ik _pantons_[74] rijmen ter uwer eer? Zal ik uw lof verkonden, met de
+minnenamen van Hafiz?--Of, klinkt een toon uit Gabriël's speeltuig U
+zoeter, dan de lierzang van hem, die Schiraz' tuinen deed sidderen van
+wellust--?
+
+ * * * * *
+
+Toen men U ontrukte, een teeder spruitje, aan den milden schoot der
+moederaarde, om U over te planten op den killen bodem van 't vreemde
+vaderland--toen hebt gij niet getreurd om uw verloren paradijs; geen
+zucht naar 't land der palmen heeft U doen kwijnen, geen traan van
+heimwee bedauwde den rozeblos uwer wangen. Gij hebt getierd en gebloeid,
+geschitterd hebt ge in den Elfenkring uwer blonde zusters--als de hel
+glorende papaver, die 't hoofd opheft tusschen bleeke korenbloemen.
+
+Wél zijt ge vreemd geworden aan den _soekoe_[75] uwer moeder. Ge kent de
+taal niet meer van 't lied, waarmeê Kadidsja U in slaap suste. En de
+jongelingen van Tanahdatar, als ze U zien mogten, zouden opstaan van hun
+spel, en vragen: »wie is zij, wier aangezigt blinkt als
+_pisang-maas_[76], en wier gang is als van een Koningsdochter?"--En ge
+hebt 't lief gekregen, 't stormig duinstrand, dat U gastvrij opnam, als
+een eigen kind. Ze zijn U dierbaar geworden, die uw jonkheid gevormd
+hebben en geleid; die, waar uw stoute geest te wild vloog, en uw bloed
+te vurig bruiste--met wijze hand die vaart beteugeld hebben: gelijk de
+dessaman 't dartel beekje bedwingt, opdat 't, vruchtbaarmakend, de
+_sawah's_[77] besproeije, huppelend in duizend takjes, zegenbrengend, en
+liefelijk voor allen.
+
+Maar toch, Flora, toch heeft de koude mist van 't noorden geen ijs doen
+vloeijen in uw aderen. Toch zijt ge niet verbasterd van den stam die U
+voortbragt. En vrijer straalt uw oog, en hooger zwelt uw boezem, als ge
+'t voelt met iederen polsslag: hoe 't fiere bloed der Padri's warm
+opwelt uit de reine levensbron, die uw hart doet bonzen, sneller en
+heviger, dan dat van de blonde speelnooten uwer jeugd.
+
+ * * * * *
+
+We staan zamen, in den vroegen morgen. We hebben 't Oog des Daags[78]
+zien opgaan over de hoogten van Poeloe Panitan[79]. Alles rust nog; de
+blaauwe wateren sluimeren in de diepte.
+
+Zie--Straat Soenda ligt voor ons open! Hoe prijkt in bonten dos de
+breede wal van Bantam's heuvelen; hoe trekt 't ons, met toomeloos
+begeeren, naar 't groen der eilanden, die opdoemen uit de kalme
+watervlakte, en ons toelagchen, als in Mirza's droom de woningen der
+eeuwige vreugde! Zóó wenken den matten reiziger de dadelboschjes der
+oäse; zóó verkwikt _ons_, na een droeven zwerftogt, de afgebeden aanblik
+van land, land!
+
+En Noordelijk--ver weg, als nevelbeelden aan den trillenden
+horizon--teekenen zich schemerend de graauwe uitlijnen van twee hooge
+bergen--: dat zijn de bergen van de Lampongs, dat is Sumatra,
+Flora--Sumatra, uw rijk geboorteland!
+----------------------------------
+
+Hoort ge den klang van _boenji-boenji-an_[80]; ruischt U heimelijk een
+wiegelied tegen, weemoedig zingend, zacht verstervend, in den wijden
+blaauwen aether, als een stem uit Wishnou's hemel!--Voelt ge U vleugels
+aangebonden: stijgt ge omhoog als een ligte Déwi; jaagt ge vlug door de
+zonnige ruimte----Flora, waarheen?--Over zee en bergen, ver van hier;
+over de kruin van Radja-Basa, over de Piek van Indrapoera--tot aan 't
+land waar de kamferboom[81] bloeit!
+----------------------------------
+
+Dáár zoudt ge U neêrlaten, moêgetogen, om te rusten aan den zoom van 't
+beekje, waarin Kadidsja gebaad heeft--Kadidsja, die uw moeder was--!
+
+ * * * * *
+
+Ik wil mét U gaan, Flora--mét U naar Agam's eeuwig groene hooglanden.
+
+Ik weet er een koele vallei, ringsom tusschen steile bergen gelegen.
+Dáár, onder den geurigen boog der _pandan-rampei_, in de schaduw der
+benzoëbosschen--zullen we ons een hutje bouwen. Ik zal uw leger spreiden
+van _melati_[82] en blaauwe _tjampaka_[83]; uw dorst zal ik lesschen met
+frisschen sherbet; uw honger stillen met de kostelijkste vruchten des
+wouds.
+
+En als uw oog zal schitteren bij den herkenningsgroet van uw bergen en
+bosschen; als uw mond zal juichen en uw hart opspringen van verrukking
+over den Eden dien ik U weêrgeef----Flora--lesch dan ook den dorst
+_mijner_ ziele--stil dan ook den honger die _mij_ verteert!
+
+ * * * * *
+
+Want zóó bemin ik U, bloem van Indalus--: als ge mij vóórzweeft in al de
+weelde van uw Oostersch feeënschoon! O, mijne Sultane, mijne Odaliske,
+zóó bemin ik U--: als ik met U wandel in den droom, aan de boorden van
+Euphraat en Tigris, in de tooverlustwarand der hemelsche Sheherezade:
+waar sappige granaten lokken, smachtend neêrgebogen over beddekens van
+rozen en anjelier; waar kristallen vlietjes murmelen, tusschen kelk en
+blad van dauwgedrenkte lotos; waar de lucht zwaar is van geur; en
+Bulbul, in zangerige toonen, zijn leed klaagt aan de volle maan, die
+stralend opdaagt over Bagdad's gouden transen.
+
+ * * * * *
+
+Wie is de man, dien gij bezaligen wilt met een sprekenden blik, uit 't
+zwart der levende diamanten, die de spiegels zijn van uw gevoel--?
+
+Wie zal de tressen mogen opbinden van uw golvende haren; of met stouten
+arm de volheid omspannen van uw fijn gevormde leest--?
+
+Wie zal roemen op den kus uwer lippen: den eersten, die een zoeten bond
+bezegelt: den warmen, rijpen, albelovenden kus uwer jonge liefde--?
+
+ * * * * *
+
+Zeg, Flora--zal _ik_ 't zijn? Zeg, mijne Balsora--zal Gabriël uw
+Abdallah wezen--?
+
+ * * * * *
+
+Hoe zou ik U beschrijven, bruin meisje uit 't morgenland!--En kon ik
+schilderen met de kleuren van uw gloeijend Oosten; en kon ik mijn pen
+doen overvloeijen van 't vuur, dat tintelt in uw donkere oogen----hoe
+zou ik U beschrijven, U, en mijn liefde voor U--Flora--dochter van de
+slanke Kadidsja--zoet bruidje mijner droomen!
+
+ In Straat Soenda.
+ Maart, 1866.
+
+[Footnote 73: Vroeger een magtig rijk in de Padangsche bovenlanden.]
+
+[Footnote 74: Maleische balladen, meestal van erotischen aard.]
+
+[Footnote 75: Stammen, waarin de Maleijers der Padangsche bovenlanden op
+eigenaardige wijs verdeeld zijn.]
+
+[Footnote 76: Een schoone, goudkleurige banaansoort.]
+
+[Footnote 77: Natte rijstvelden.]
+
+[Footnote 78: Zóó heet in 't Maleisch de Zon.]
+
+[Footnote 79: Prinsen-eiland.]
+
+[Footnote 80: Speeltuig, inlandsche muziek.]
+
+[Footnote 81: De beste kamfer komt uit 't Noorden van Sumatra.]
+
+[Footnote 82: Een zeer welriekende en geliefde Indische jasmijnsoort.]
+
+[Footnote 83: De blaauwe _tjampaka:_ een bloem, die voorondersteld wordt
+alleen in 't Paradijs te bloeijen, doch die, volgens Marsden, ook op
+Sumatra gevonden wordt. Zie: Th. Moore. »_Paradise and the Peri_."
+_Note_.]
+
+
+
+AAN TITANIA.
+
+(ONTBOEZEMING VAN EEN VERLIEFDEN CHEMICUS.)
+
+EEN AANWIJZING TEN DIENSTE DER LEERLINGEN VAN HOOGERE
+BURGERSCHOLEN, HOE, OOK OP DE STUDIE DER SCHEIKUNDE,
+VAN ALPHEN'S »SPELEND LEEREN" TOE TE PASSEN.
+
+ _Naturae ars magistra._
+
+
+Titania--neen, niet langer kan ik zwijgen! Mijn leven, mijn
+_laboratorium_, mijn _retorten_ staan op 't spel: reeds drie
+_quantitatieve analysen_ heb ik fautief berekend, vier zeldzame
+_vetzuur-verbindingen_ doen aanbranden, en zeven kilogram _cacaoboonen_
+verknoeid aan een mislukte bereiding van _theobromine_----alles om U,
+Titania--om U!
+
+ * * * * *
+
+Kalm en doorschijnend was mijn gemoed, rustig en klaar in 't vast
+bewustzijn onzer wederzijdsche _affiniteit_--als een pas _gefiltreerde_
+oplossing van _matig zuur acetas plumbi_. Maar een drop stinkend
+_sulphidum hydrogenii_ is in de reine vloeistof gevallen, en heeft ze
+getroebeld met 't vuilzwart _praecipitaat_ van een
+_zwavellood_-bevattende jalousie!
+
+ * * * * *
+
+Want, weet, trouwelooze, dat ik U bespied heb!--Gister, gisteravond toen
+ik slenterde langs de cingels, peinzend over 't approximatief
+_nickel_-gehalte van de hemelligchamen die men meteoren
+noemt--gisteravond, Titania, heb ik U bespied: wandelend, in 't Delftsch
+plantsoen, onder de schaduwen van een _salicine_-houdend
+popelboschje--wandelend, arm in arm, met een mij onbekenden jongeling:
+wiens aangezigt blonk in 't maanlicht als _kwikzilver_, wiens oogen
+schitterden als _phosphorus_ in _zuurstof_, wiens haar en knevels zwart
+waren als _oxydum cupri_.--Ik heb U bespied met dien jongeling--in meer
+dan vertrouwelijken kout, in meer dan vriendschappelijke
+toenadering----Titania, wat moet ik van U denken--?
+
+Wat moet ik van U denken?--Zijt ge als 't _chamaeleon minerale_, heden
+groen en straks weêr rood? Zijt ge als 't aarzelend _oxydum stanni_, nu
+eens zuur, dan weder _basisch_? Of is uw gehechtheid aan mij als die van
+_zwavelzuur_ aan _metaaloxyden_: sterk op zichzelf, doch zwak en vlugtig
+bij toevoeging van een der _koolzure alcaliën_--? Zeg, wreede schoone,
+is die zwartharige jongeling de magtiger _basis_, die mij 't _zuur_ uwer
+liefde heeft onttrokken? Bestaat er sterker _keurverwantschap_ tusschen
+hem en U, dan tusschen U en mij?--Spreek, onqualificeerbaar zamenstelsel
+van de meest heterogene vrouwelijke grilligheden! Spreek,
+onvergelijkelijke combinatie van _albumine_, _fibrine_, _globuline_,
+_biline_, _creatine_, _chondrine_, en verdere _organische_ en
+_anorganische_ bestanddeelen, die van uw heerlijk ligchaam de
+bouwstoffen zijn! Spreek--antwoord--en maak met dat ééne antwoord uw
+minnaar den gelukkigsten, of den rampzaligsten aller Chemici--!
+
+ * * * * *
+
+Titania--gij, die voorzit als heerscheresse over de gezamenlijke massa
+van de mijn minnend hart vormende _atomen_ en _moleculen_--gij, wier
+naam geëtst staat in 't kristal mijner ziele, als met onuitwischbaar
+schrift van _acidum hydro-fluoricum_--gij, voor wie ik met vreugde al de
+_bloedbolletjes_ zou geven, die in mijn _serum sanguinis_
+ronddrijven----Titania, hoor mij aan, en laat mijn tranen uw steenen
+hart verweeken, als regendroppels 't gebrande _sulphas calcis_!
+
+ * * * * *
+
+Toen ik U voor de eerste maal mijn vlam ontdekte; toen ik U voorsloeg,
+onze respectievelijke _basische_ en _zure_ eigenschappen tot een
+onontleedbaar huwelijks-_zout_ te vereenigen----toen bleekt ge mij niet
+_indifferent_. Integendeel--mijn verliefd geleuter deed U blozen, als
+_rhodaankalium_ 't _chloruretum ferri_; ja--gelijk 't _dimorphe kristal_
+van _jodidum hydrargyri_ bij aanraking met een naald plotseling zijn
+geele kleur voor een hoogroode verwisselt--zóó deed mijn minverklaring
+uw blanke koonen gloeijen met den vurigen blos eener gepaste maagdelijke
+schuchterheid!
+
+Hoe schoon waart ge toen!--Hoe zoet klonk me uw stem, als een toon uit
+de _chemische harmonica_! Hoe zacht was me uw adem, geurig en bedwelmend
+als _stikstof-oxydule_! Hoe zwom uw oogappel in teeder
+_traankliervocht_, als een _kristal_ van _sulphas cupri_, zwemmend in
+een met aqua _destillata_ gevuld _reageerbuisje_--!
+
+En is dat alles nu vergeten?--Of, Titania, hebt ge mij bedrogen: hebt ge
+_mij_ slechts hoop gegeven, om U te gemakkelijker met _hem_ te kunnen
+verbinden--en heb _ik_ de rol gespeeld van _salpeterzuur_ in
+_konings-water_, welks hulp 't _goud_ wél inroept, doch enkel om zich
+door zijn bemiddeling met 't _chlorium_ één te maken--?
+
+ * * * * *
+
+Titania, dierbare, zie toe wat ge doet--neem U in acht voor den
+gistingwekkenden invloed van dien zwartharigen jongeling!--Wél blinkt
+zijn aangezigt als _kwikzilver_--maar 't is de valsche, ras verdwijnende
+glans van _koper_, met _nitras oxyduli hydrargyri_ besmeerd; wél
+schitteren zijn oogen als _phosphorus_ in _zuurstof_--doch 't is de
+helsche vlam van alverpestend _phosphorwaterstofgas;_ wél is zijn knevel
+zwart als _oxydum cupri_--maar 't is 't zwart van 't bedriegelijk,
+_nitras-argenti_-houdend verwmiddel, dat looze kappers Melanogène en Eau
+de Florida bestempelen.--O, neem U voor dien jongeling in acht, vóór
+zijn vleitaal op U inwerkt als _platina-moor_ op zoeten wijn! Wees hard
+voor hem en onverbiddelijk: wees _onoplosbaar_, _onsmeedbaar_ en
+_onsmeltbaar_, als 't _metaal_ waaraan ge uw naam ontleent!
+
+Maar voor mij, Titania----wees oplosbaar voor mij, als _ammonia_ in
+_water_--smeedbaar, als _goud_ van Ophir--smeltbaar, als een
+theelepeltje van _Rose's bismuthlegering_!
+
+ * * * * *
+
+Zie mij aan uw voeten, Titania!--Wat ben ik zonder uw liefde?--: een
+grove brok _graphiet_, een ruwe pijp _zwavel_. Uw liefde moet de _kool_
+tot _diamant_ verkeeren; zal, met de ruwe _zwavel_ gemengd, de prachtig
+roode _cinnaber_ voortbrengen. Ja, gelijk 't _goud_, dat, uit zijn
+oplossing door _sulphas ferrosus_ neêrgeploft, slechts een zwart,
+onooglijk poeder schijnt, doch welhaast, onder de hand des polijsters,
+alle metalen in heerlijkheid overtreft--zóó zal uw Chemicus wezen,
+wanneer uw echtelijke hand hem zal gepoetst en geschuurd en gepolijst
+hebben tot den schoonsten aller mannen.
+
+ * * * * *
+
+_Reageer_ dan op de zuiverheid mijner minnetrouw: breng ze, wat ik U
+bidden mag, in de _buitenste blaaspijpvlam_! _Reageer_, beide volgens
+_natten_ en _droogen weg_, _qualitatief_ en _quantitatief_--en zie, of
+zij die van den zwartharigen jongeling niet verre in gehalte te boven
+gaat!
+
+En als gij voldaan zult wezen na 't onderzoek waaraan ge mij zult
+onderworpen hebben--o, Titania--herhaal dan 't mij gegeven
+jawoord--schrap dien zwartharigen maagdenschenner van de lijst uwer
+aanbiddende _amanuenses_--en laat mij, _mij_ slechts met U kuijeren, 's
+avonds, in 't Delftsch plansoen, onder de schaduwen van 't
+_salicine_-houdend popelboschje!
+
+ * * * * *
+
+Dan zal ik U beminnen boven mijn kostelijkste _platinenkroezen;_
+vereeren zal ik U boven Lavoisier en Liebig. Voor U zal ik arbeiden; ten
+uwen gevalle wil ik al de 63 + x _elementen_ tot een ongehoorde
+reuzenverbinding zamensmelten, die ik doopen zal met den naam van onze
+eerste huwelijksspruit.--Ik zal uw bruidssieradiën smeden uit de
+weêrbarstigste aller _grondstoffen_: van _osmium_ zullen uw oorbellen,
+van _rhodium_ zal uw doekspeld, van _iridium_ zal uw halsketting wezen.
+En uw armbanden zullen zijn van _tallium_, van 't raadselachtig,
+amphybisch _tallium_, dat ik zelf zal afzonderen uit den _residu_ van
+twintig zwavelzuur-fabrieken.
+
+ * * * * *
+
+Edoch--luister, onvermurwbaar pronkjuweel der _bewerktuigde_
+schepping----: mogt gij ontrouw zijn aan 't gegeven woord; mogt ge
+wispelturig zijn als 't _chemisch kameleon_, en vlugtig als 't _acidum
+carbonicum_----dan, Titania--wee U, wee mij, wee den zwartharigen
+ellendeling.
+
+U zal ik overlaten aan de wroegingen van uw ontrust geweten, die U
+zullen bijten en verteren--als _potassa-hydraat_ de wratjes op uw
+vinger.
+
+Hem zal ik een glazen bol naar 't hoofd werpen: een bol, gevuld met 't
+vreesselijkst aller vergiften--gevuld met 't alvernielend _kakodyl_.
+
+En mijzelf----mijzelf wil ik een drank bereiden: uit _morphine_, uit
+_strychnine_, uit _brucine_, _veratrine_, _atropine_, _daturine_,
+_aconitine_, _anthiarine_, _coniïne_, _nicotine_, en al de _inen_, die
+daar genoemd staan onder de ijzingwekkende categorie der _plantaardige
+zoutbases_----dát, Titania, dát zal ik--zoowaar Berzelius groot is, en
+Mulder onfeilbaar!
+
+ * * * * *
+
+P. S. Ik schrijf dezen--niet met inkt--niet met mijn bloed--doch met een
+rozeroode oplossing van sympathetisch _chloor-kobalt_. Onder een kouden
+blik, in een koude hand, zal mijn brief stom wezen;--doch legt ge hem
+aan uw warmen boezem--zoo zullen de woorden verrijzen: blaauw--als 't
+hemelblaauw uwer oogen!
+
+
+
+SUZE.
+
+(AAN EEN ROTTERDAMSCH MODISTJE.)
+
+Haar vader is een zwarte smid,
+ Haar moeder schijnt wat vinnig;
+Maar zij is als de sneeuw zoo wit,
+ En als een duifje aanminnig.
+
+ _Bogaers_.
+
+Blanche et rose comme une Hollandaise.
+
+ _Alex. Dumas_.
+
+
+I.
+
+_Andante cantabile._
+
+Van U wil ik zingen, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk
+burgerkind! Van U--zoete Suze, kleine Suze--kleine, zoete, blonde Suze!
+
+ * * * * *
+
+Schoon waart ge--: niet als een Venus van Canova, of als een Romanheldin
+van Bulwer; geen elpenbeen was uw halsje, uw mondje geen koraal; niet
+fier waart ge als Juno, of rijzig als Diana; ook was uw aangezigtslijn
+verre van volmaakt, en teekende zich geen Grieksch profiel, als ik, bij
+kaarslicht, uw silhouetje natrok aan den wand. Maar in uw frissche,
+jonge, ongekunstelde gratie, waart ge schooner dan preutsche Freules of
+klassieke marmerbeelden: dartel als een Peri, lief als een Madonna,
+verleidelijk als een Sirene--toch, zoo innig, hartelijk, eenvoudig, als
+slechts een burgerkind 't wezen kan.
+
+ * * * * *
+
+Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studententijd--mijn
+levend, lievend, lagchend godinnetje--Suze, van U wil ik zingen--van U,
+en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde!
+
+
+II.
+
+Weet ge 't nog--Suze mijn, liefste mijn--?
+
+ * * * * *
+
+Hoe we zamen zoo zoetjes dreven: hand in hand, oog in oog--op dien
+zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje--?[84]
+
+ * * * * *
+
+De gulden zomerzon ging langzaam ter ruste over de verre zee; moê van
+den langen omloop, en van den eigen vorstelijken glans, leek ze een
+schoone prinses, statig en rijkgesierd, die afdaalt tot 't koelend bad.
+En óm haar, blozend en schuchter, volgden haar in losse groepjes de
+rozeroode wolkjes: als een stoet van jonge maagden: kuische, ongerepte
+hofdames.
+
+Toch, zoet liefje--schooner dan de stralende koningin, schooner dan haar
+luchtigen maagdenrei--vond ik U, toen 't roode avondlicht met vuriger
+blos uw zijden wangen overgoot, en uw lagchende oogen deed schitteren
+van een gloed, die mij dronken maakte--!
+
+ * * * * *
+
+Weet ge 't nog, liefste mijn--?
+
+ * * * * *
+
+Daar was een lispelen in de twijgen, als 't kozen van minnende
+engeltjes; een zacht beven ging ruischend door de hooggepluimde
+popels--: Zephyr ontwaakte, de loome gast. Den ganschen warmen dag had
+hij gesluimerd, op de groene bladeren der waterlelie, in schaûw van
+wuivend oeverriet.
+
+Vergeefs 't zuchten der zweetende menschenzonen--: hij sliep, en droomde
+van Chloris, zijn reine bruid.--Maar een schuinvallende zonnestraal is
+door 't loof gedrongen, en heeft hem gewekt. Frisscher dan ooit blaast
+hij rond: hij schudt de ritselende halmen van zijn biezen beddeken, en
+strooit bonten mispelbloesem over 't plekje dat hem schuil gaf. Hoe
+trilt 't vijvervlak onder zijn spelen; hoe jaagt hij rimpeltjes over 't
+sidderend beeld van wilg en treuresch, die mijmerend zich spiegelden in
+'t effen diep. Vlugtig kust hij de bloemkens goênacht; hij drinkt den
+frisschen dauw uit de halfgeloken kelkjes, en avondmaalt met den geur
+van rozen en jasmijn.--Zóó zweeft hij verder, fluisterend door de
+boschjes--als hij opstijgt, om der Vorstin zijn hulde te brengen, en
+heimelijk te stoeijen met zijn makkertjes, de vlugge, rozeroode
+hofjuffers.
+
+Maar liefelijker dan de koele zephyr, geuriger dan de geur van rozen en
+jasmijn--was me uw adem, zoet liefje--als uw boezem hijgde van stil
+verlangen, en ge, 't kopje geleund op mijn schouder, me uw bloemelipjes,
+uw malsche rozelipjes, hebt te kussen geboôn--!
+
+ * * * * *
+
+Weet ge 't nog, liefste mijn--?
+
+ * * * * *
+
+En, om ons heil te volmaken, is 't maantje verrezen--als wist 't goede
+schepseltje, dat uw blanke koontjes dubbel blank zijn, en uw blauwe
+oogjes heller flonkeren, bij 't spelen van haar vriendelijk licht.
+
+Ook scheen 't wel, of de vleijende, koppelende Luna, u moed insprak met
+haar bleeken tooverschijn: want ik voelde, hoe een ronde arm mij naauwer
+omsloot: en hoe er een kloppen was aan mijn borst, van een ander hartje
+nog dan 't mijne------------------------------
+
+Toen had ik den schoonsten droom mijns levens--:
+
+Ik zag twee gelieven, die zoetjes dreven op den zilverspiegelenden plas:
+kussend en kozend----en _ik_ was één van die twee.--En ik zag, hoe ze
+opstegen, die twee gelieven, van uit 't bootje uit 't Baarsje--hoe ze
+opstegen--als ware deze aarde hun niet goed genoeg--_ligna recta_, naar
+'t rijk der planeten: hoe ze opstegen, oog in oog, arm in arm, mond aan
+mond--hoe ze opstegen, die twee gelieven, en zich verloren in de
+glanzende spheren der fonkelende avondstar------------------------
+
+Weet ge 't nog, liefste mijn--?
+
+ * * * * *
+
+Als we ontwaakten, zoet schatje, stond de maan reeds hooger boven 't
+schemerend hazelboschje. En er was, in 't opgeblazen gezigt van de
+lonkende juffer, iets spottends, dat mij niet beviel. En om ons heen,
+staken de vischjes de glimmende kopjes omhoog, en met de ronde, starre
+oogjes, keken ze ons schalksch en schuintjes aan. Zelfs klonk er een
+honend roepen in 't slaan van den koekoek, die ons bespied had, uit de
+hooge wilgen aan den kant.
+
+En _ik_ vraag: waarom heeft de koekoek gelagchen--wat hadden de vischjes
+te vertellen--en wat kon de maan zoo vreemd doen kijken----toen we zoo
+lang gedreven hadden, gedreven en gedroomd: hand in hand, oog in oog--op
+dien zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje--?
+
+ * * * * *
+
+Zeg, liefste mijn, Suze mijn--weet ge 't nog--?
+
+
+III.
+
+Suze lief--als we oud zullen worden, _eya popeya_! Oud en krom, en vroom
+en dom, _eya popeya_!
+
+--Dan zult _gij_ een log moedertje wezen, dat psalmen opzeurt, en ter
+preek gaat bij dominee Onzin. Dan zult ge bruine koffie drinken--liever
+dan rooden pommier; en een warme stoof zal u beter warmen--dan de gloed
+van al de kussen die ik u gaf.
+
+En _ik_----wat zal _ik_ zijn--?
+
+Een Resident _in ruste_--?
+
+ * * * * *
+
+Maar wat ik ook zijn mag--: hoe oud en krom ook, hoe vroom en dom ook,
+_eya popeya_!----
+ ----toch, Suze,
+toch--zal ik U niet vergeten--: U, Suze, en de hemelsche avondjes: toen we
+kuijerden in volle maantjes, en rhijnwijn dronken in geurige, digtgeloofde
+prieeltjes! Den joligen tijd: toen ik geld verachtte en geleerdheid, mode
+en fatsoen, beschaving en maatschappij, nufjes en conversatie;--toen ik
+geen schat kende, geen schat mij wenschte--dan mijn vrijen geest, en mijn
+krachtig ligchaam, en mijn bonzend hart----en U, Suze--en U! Den
+onvergeetlijken tijd: toen we jong waren en lustig, moedig en minnend--en
+gelukkig, Suze----zóó gelukkig: dat zelfs de vischjes en de koekoek ons
+geluk benijd hebben, als we spelevoeren op den plas--!
+
+ * * * * *
+
+Suze, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk burgerkind--van U wil
+ik zingen!
+
+Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studentetijd--mijn
+levend, lievend, lagchend godinnetje--Suze, van U wil ik zingen--van U,
+en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde----zoete Suze, kleine
+Suze--kleine, zoete, blonde Suze!
+
+ September, 1866.
+
+[Footnote 84: 't Baarsje: een theetuin, gelegen aan den Kralingschen
+plas, bij Rotterdam.]
+
+
+
+
+DE GETERGDE ZACHTMOEDIGHEID,
+
+OF,
+
+»'T SOP WAS DE KOOL NIET WAARD."
+
+BLIJSPEL IN ÉÉN BEDRIJF.
+
+
+
+PERSONEN.
+
+
+_Goedsmoeds._ Rentenierend burgerman. Weduwnaar.--Draagt een kamerjapon.
+
+_Judocus van Der Vlugt._ Doktor in de Letteren en Direkteur van een
+kostschool te Winschoten. Spreekt langzaam en op nasalen toon. Rookt
+voortdurend pijpen.--Draagt een zwarten rok en witte das.
+
+_Alexander Magnus._ Is ploertig en opzigtig gekleed. Gestikuleert hevig;
+spreekt vlug en op geaffekteerden toon.
+
+_Mathilde._ Goedsmoeds' dochter. Een stil, eenvoudig meisje; reeds de
+vijf-en-twintig gepasseerd.
+
+_Clara._ Haar jongere nicht. Een wees, die bij Goedsmoeds inwoont.
+
+_Janneke._ Een oude dienstmaagd.
+
+
+
+EERSTE TOONEEL.
+
+_'t Tooneel stelt voor een eenvoudig doch net gemeubileerd huisvertrek._
+
+_Mathilde, Clara_. _De eerste breijend, de ander met een boek in de hand._
+
+
+_Clara_. Ik kan 't niet helpen, en, hoe je ook praten moogt--ik vind hem
+een bespottelijk, akelig, sullig mensch.
+
+_Mathilde_. Clara, Clara--ik zeg je nogeens: je beoordeelt de menschen te
+oppervlakkig, te veel naar 't uiterlijk, en naar den eersten indruk dien
+ze op je maken. Daarom is je oordeel ook meestal verkeerd: al te gunstig
+of al te hard.
+
+_Clara_. Wel mogelijk. Ik leg me er ook niet op toe, elks karakter te
+doorgronden: daartoe heb ik noch tijd noch lust. Maar, zoolang ik 't
+tegendeel niet bewezen vind, houd ik 't er voor: dat een onaangenaam
+uiterlijk en kalverige manieren bijna altijd de kenteekenen zijn van een
+achterlijken geest en een onedel karakter.
+
+_Mathilde_. Je hebt geen tijd of lust om iemands karakter te
+doorgronden--doch wél tijd en lust, om over elk, op 't uiterlijk af, een
+onherroepelijk vonnis te vellen. Wezenlijk, Clara, ik begrijp niet hoe
+jij zoo spreken kunt. Je hart is te edel, en je verstand te goed
+ontwikkeld, dan dat beide je niet zouden doen gevoelen, hoe _die_ schijn
+bedriegt.
+
+_Clara._ Een vrij afgezaagd spreekwoord! Moet men dan, volgens u, leelijk
+zijn en lomp, om een goed mensch te kunnen wezen?
+
+_Mathilde._ Volstrekt niet;--die stelling zou even dwaas zijn als de uwe.
+Ikzelf ben nog te jong en heb nog te veel smaak, om zóó iets te durven
+beweren. En dat je liever een regten neus ziet dan een scheeven, liever
+blond haar dan rood, liever een welluidend compliment hoort dan een
+boersch gestotter--dát kan ik je niet kwalijk nemen.
+
+_Clara._ Nu, wat dan?
+
+_Mathilde._ Ik woû alleen, dat je een en ander als uitwendige ornamenten
+beschouwdet, die een goed inwendig volmaken, doch op zichzelf hoegenaamd
+geen waarde bezitten. Dan zou-je niet zoo ingenomen zijn met personen,
+van wie je niets kent, dan wat je oogen gezien hebben; en je zoudt niet
+zoo liefdeloos wezen jegens anderen, wier vel minder glad en wier rug
+minder buigzaam is.
+
+_Clara._ 't Kan zijn, Mathilde--ik beken wél, dat ik dikwijls wat scherp
+ben in mijn spreken. Maar ik kan niet, zooals jij, in ieder slechts 't
+goede zien. Kijk--waar 't op genegenheid aankomt, geef ik alles of
+niets. Waar ik deugden tref, moet ik bewonderen; waar ik fouten opmerk,
+moet ik laken--daar is voor mij geen tusschenweg. Maar _als_ ik iemand
+hoogacht--dat weet ge, Mathilde, en je vader--dan doe ik 't met hart en
+ziel, met al de kracht die in me is!
+
+_Mathilde._ Ik weet, Clara, hoe we altoos geweest zijn als dochters van
+één vader. Ik ken je goed hart en je gehechtheid aan vader en mij.
+
+_Clara._ Nu, dan zul-je 't me ook wel vergeven, als ik je zeg, dat ik dien
+mensch niet lijden kan: met zijn sluike haren, zijn uitgestreken gezigt,
+zijn saaije, pedante spreekwijs, zijn quasi onverstoorbare
+gelijkmoedigheid. Die lummel! zou men 'em niet met de zweep smeren, als
+'ie daar soesend voortsukkelt achter de kostschooljongens, en meer kijkt
+naar de straatsteenen dan naar zijn pupillen!
+
+_Mathilde._ En jij, Clara, je zult 't mij niet kwalijk nemen, als ik je
+oordeel weêr ongegrond en voorbarig noem. Die man heeft je nooit
+beleedigd--je kent 'em niet eens--je hebt je nooit verwaardigd hem toe
+te spreken. En, daarenboven, hij is de neef en vriend van je Adolf, die
+altoos hooge achting voor hem betuigt. Dát moest toch bij u voor hem
+pleiten.
+
+_Clara._ In 't geheel niet! 't Spijt me voor Adolf dat 'ie zulke neven, en
+meer nog, dat 'ie zulke vrienden heeft. Maar in geen geval zal bij mij
+de regel gelden: _les amis de mes amis sont mes amis_.
+
+_Math._ Hoe sterk is je vooroordeel, als 't eenmaal _tegen_ iemand werkt!
+Zeg, Clara, heb-je dien man in 't hart gelezen?
+
+_Clara._ Ei, zijn hart! Aha, Matje, zou soms 't hart je zoo doen spreken?
+Ja, ik wist wel, dat er iets gaande was tusschen jelui, ten minste, dat
+_hij_ zijn oogen tot je durft opslaan.
+
+_Math._ Wel, dat moog-je weten. Dat heb ik nooit getracht te verbergen,
+noch voor vader noch voor u.
+
+_Clara._ Maar _ik_ heb nooit durven gelooven, dat je zijn verliefde
+zuchten je zoudt aantrekken, anders dan om er meê te
+lagchen.--Intusschen, 't zou niet kwaad zijn: wanneer hij niet weet hoe
+'ie zelf met een vrouw moet omgaan, zal 'ie je ten minste kunnen zeggen,
+hoe de oude Grieken 't deden. En misschien--als zijn hooggeleerde geest
+hem veroorlooft tot de rudimenta af te dalen--misschien leert 'ie je nog
+wel een mondjevol Latijn. Je wordt nog een savante, Matje--een tweede
+editie van Wolf en Deken.
+
+_Math._ Clara--zijn dat de woorden van een vriendin, van een zuster! Als
+je zonder medelijden wilt zijn voor een man die je achting
+verdient--spaar dan ten minste in mijn bijzijn je ongepaste
+spotternijen.
+
+_Clara._ De éénige manier om je van een zoo absurde neiging te genezen!
+
+_Math._ Geloof dát niet! Spot zooveel je wilt--je zult er niemand dan
+jezelf meê kwetsen. Maar denk niet, dat ik een roepstem van mijn hart
+zou versmoren, dat ik mijn heiligste overtuiging zou verloochenen, uit
+vrees van bloot te zullen staan aan uw meisjesaardigheden. Neen--al zou
+de gansche wereld----
+
+
+
+TWEEDE TOONEEL.
+
+_Goedsmoeds_, _vorigen_.
+
+
+_Goedsm._ Ta ta ta, kinderen, wat nu! Alweêr aan 't kijven en keffen! Wat
+heb-jelui toch aan de hand? Je kunt geen half uur zamen zijn, zonder
+elkaâr in 't haar te vatten.
+
+En Mathilde--wat kijkt ze opgewonden! Zeg, kind, wat is er toch gaande?
+
+_Clara._ Och niets, oom: ze trekt partij voor dien langen lummel, dien
+schoolmeester, die hier altoos met de jongens voorbijsleept; u kent 'em
+wel, dien heer----
+
+_Math._ Stil, Clara!--Vader, 't was niets--ik verzeker 't u. Een
+meisjespraatje. U weet wel, vader: wij, dochters van Eva, hebben 't
+altijd over de mannen, als de mannen er niet bij zijn, en--dan zijn we
+'t ongelukkig zelden eens.
+
+_Goedsm._ Ei zoo,--ha ha ha--ja, dat wist ik. Even goed als ik weet, dat
+'t er in de wereld heel wat beter zou uitzien, als alle vrouwen zoo gul
+en rondweg spraken als jij, Matje.
+
+A propos, ehem--jelui spraakt dus over mannen--: mannen, niet in
+kwaliteit van »heeren der schepping", maar als knechten van je fantasie.
+Natuurlijk!
+
+_Clara._ Precies zooals u zegt, oom--met 't kleine onderscheid alleen, dat
+die lange schoolmeester, op Matje's fantasie----
+
+_Math._ _(driftig)_ Clara, Clara!
+
+_Goedsm._ Ei ja, die schoolmeester--doktor, wil-je zeggen--: die heer
+Judocus.--Nu, Matje, waarom wil-je zijn naam niet hooren? Zou-je denken,
+dat 'ie om _niet_ hier dagelijks voorbij wandelt, naar 't raam kijkt, en
+zoo beleefd salueert als zijn stijve rug 't toelaat!
+
+_Math._ Och--gekheid, vader!
+
+_Goedsm._ Nu nu, er steekt geen kwaad in. De man is wat menschenschuw, en
+wat pedant in zijn spreken; maar toch ken ik hem als een degelijk,
+verstandig en hartelijk mensch. Dat zeî Adolf ook altijd; die sprak niet
+dan goed van hem.--Nietwaar, Clara?
+
+_Clara._ Ja, oom, ik weet niet wat Adolf van hem belieft te vertellen.
+Maar _ik_ ken 'em als den stijfsten boonestaak en de vervelendste tronie
+van heel de stad.
+
+_Goedsm._ Poeh poeh--stijve boonestaak, vervelende tronie! 't Is goed dat
+niemand je hoort. Denk er eens aan: we kunnen niet alle zulke nette
+kereltjes zijn als jou Adolf; alle meisjes treffen 't zóó gelukkig niet
+als jij, kind--en, de meeste kijken ook zoo naauw niet.--Ik voor mij zou
+den hemel danken, als ik 't nog 'reis beleven mogt, hoe mijn dochter me
+een kleinkind op de knie liet wiegen, waarvan zóó'n braaf man de vader
+was!
+
+_Clara._ Nu oom, dat kon nog wel 'reis gebeuren--ten minste, naar
+Mathilde's spreken te oordeelen----
+
+_Math._ Clara, nog eens--je zegt meer dan je betaamt, en ik moet je
+verzoeken----
+
+_Goedsm._ Ta ta ta, in 's hemelsnaam, laat de mannen de mannen, maar vrede
+bovenal! Gelooft me, kinderen--geen huwelijk ter wereld is waard dat men
+er om vecht, en, vriendschap gaat nog duizendmaal boven liefde!
+
+Dáár, handjes geven! Zóó--dat staat jelui beter, dan booze rimpels in de
+gladde koontjes. Vrede bovenal!--Stil, daar is Janneke.
+
+
+
+DERDE TOONEEL.
+
+_Janneke_, _vorigen_.
+
+
+_Jann._ Meneer, daar is een heer die u spreken moet. Hij heeft me een
+kaartje gegeven met zijn naam er op.
+
+_Goedsm._ Een heer die _mij_ spreken moet! Wel, dat 's ook geen
+dagelijksch brood: ik heb geld noch schulden!
+
+Geef hier 't kaartje. _(leest:)_ "Judocus van der Vlugt."--Groote goden,
+dat 's onze schoolmeester!--Vlieg, Janneke, vlieg--jij die haast niet
+loopen kunt--laat 'em boven komen, die brave doktor! Hij brengt me vast
+een nieuwe komedie van Langendijk. _(Janneke af.)_
+
+Komt kinderen, laat ons alleen. Straks kun-je weêr binnen komen; maar
+eerst moet ik den man op zijn gemak zetten, want als 'ie dames ziet,
+wordt 'ie zóó confuus, dat 'ie stoelen en tafels omverloopt.
+
+_Clara._ _(ter zijde)_ Ik gaf een driegulden als ik blijven mogt! _Hij_
+een komedie brengen----ik denk dat 'ie er een komt vertoonen. O, een
+tientje gaf ik, om zijn declaratie te hooren!
+
+_(tot Math.)_ Zeg, Matje, zou een profetische geest daar even uit ons
+gesproken hebben!
+
+_Math._ Hemel, Clara, hoe kun-je zoo talmen: we moeten heel de wasch nog
+rekken en mangelen. _(Math._ en _Clara_ af.)
+
+
+
+VIERDE TOONEEL.
+
+_Goedsmoeds._
+
+
+_Goedsm._ _(roept aan de deur)_ Kom binnen, doktor, kom binnen,
+vriend.--er is volstrekt geen belet!
+
+Breng pijpen en tabak, Janneke!
+
+_(ter zijde)_. Zoo zoo--eindelijk zal 'ie er dan meê voor den dag
+komen. 't Is nu juist een maand geleden, dat neef Adolf me over die zaak
+gesproken heeft. Nu, 'k zal blij zijn, als 't er dóór is: ik ben zeker,
+dat 'ie mijn kind gelukkig zal maken.
+
+
+
+VIJFDE TOONEEL.
+
+_Judocus_, _Goedsmoeds_.
+
+
+_Goedsm._ Ha--en hoe gaat 't, doktor? Waarom heb-je me al niet 'reis eêr
+bezocht? _(Judoc. scharrelt met zijn hoed en parapluie)_.
+
+Geef je hoed maar hier, en maak 't je gemakkelijk _(reikt hem een
+stoel)_.
+
+_Judoc._ Meneer Goedsmoeds--'t is me aangenaam--ik had in lang niet de
+eer--uw huis te betreden. Maar ik was zoo--zoo vol beslommeringen--een
+werk dat ik schrijf--: "Erasmus' laatste levensuren"--en, ehem----
+
+_Goedsm._ Ja ja ja--ik neem 't je volstrekt niet kwalijk. Natuurlijk, je
+hebt meer aan 't hoofd dan burenbezoeken. Werken schrijven! Wel--ik kan
+me voorstellen, hoe dát iemand moet aftrekken van de nietigheden waarmeê
+wij, gewone stervelingen, ons 't hoofd breken!--En dan zóó'n geleerd
+werk als u daar noemt--! Lieve Hemel--ik geloof, ik werd eêr Erasmus
+zelf, dan dat ik een boek schreef over zijn laatste levensuren!
+
+_Judoc._ Toch niet, toch niet, meneer Goedsmoeds! Een weinig studie--een
+doordringen in den geest van 't onderwerp;--en dan--'t is zoo schoon, de
+geschiedenis van 't menschdom na te gaan in haar verhevenste
+lichtpunten, ehem----
+
+_Goedsm._ In haar verhevenste lichtpunten--dat moet zeker schoon zijn!
+
+_Judoc._----Zichzelf als mensch te bewonderen in onze groote medemenschen!
+
+_Goedsm._ Zichzelf als mensch te bewonderen!--Zeker, 'k vind 't wel wat
+ijdel--maar toch--zeker, als u 't zegt, zal 't wel waar zijn.--A propos,
+doktor, je zoudt me laatst 'reis een paar aardige boeken geleend hebben
+van Langendijk of van Effen. Vergeef me dat ik er om vraag--maar je
+kondt 't vergeten zijn.
+
+_Judoc._ Justus van Effen--onze Hollandsche Addison--hij was altijd mijn
+lieveling in dat genre--: zoo geestig, zoo natuurlijk en bevallig in
+zijn teekeningen.--Geheel anders is 't met Langendijk, die--zonder
+bepaaldelijk grof te zijn----
+
+_Goedsm._ O ja, is 't niet--Langendijk is nog al 'reis kwetsend voor
+preutsche ooren?
+
+_Judoc._----Zonder bepaaldelijk grof te zijn, heeft hij in zijn
+kluchtspelen dát met veel schrijvers onzer vorige eeuw gemeen, ehem--dat
+zijn smaak dikwijls mank schijnt te gaan bij 't juiste kiezen zijner
+uitdrukkingen, ehem--en dat zijn kwinkslagen, hoe vol geest en luim,
+ehem----
+
+_Goedsm._ Ja ja--ik heb zijn »Krelis Louwen" wel gelezen, en ik moet
+zeggen, 'k zou 't ding mijn dochters liever niet in handen geven.
+
+_Judoc._ _(schrikt alsof hij zich iets herinnert)_ Uw dochters--ja, uw
+dochters------Meneer Goedsmoeds, ik kwam eigenlijk hier, ehem--ik kwam
+hier, zeg ik, ehem----
+
+_Goedsm._ Welnu, doktor?
+
+_Judoc._ Mijn drokke bezigheden maken mijn tijd uiterst beperkt. 't Werk
+over Erasmus, dat ik onder handen heb, ehem----
+
+_Goedsm._ Je zult toch mijn hulp niet behoeven bij je arbeid?
+
+_Judoc._ Dát niet, meneer Goedsmoeds--niet bij mijn arbeid.
+
+_Goedsm._ Ik zweer je, dat ik even weinig afweet van Erasmus' dood als van
+zijn geboorte.
+
+_Judoc._ Ik kwam eigenlijk hier, meneer Goedsmoeds, om u te vragen,
+ehem----
+
+_Goedsm._ Vraag, doktor,--wees niet bedremmeld! Waarmeê kan ik je helpen?
+Geld, goeden raad? Ik heb van beide niet veel, maar toch altijd nog
+genoeg om een beetje meê te deelen.
+
+_Judoc._ Ik meende, meneer Goedsmoeds--ik kwam--ik woû u vragen----
+
+_Goedsm._ Duivel, spreek dan uit!
+
+_Judoc._ _(moed vattend)_ De staat van ongehuwd man, ehem--is reeds door
+velen--door Cats--en vóór hem door Hippócrates----
+
+_Goedsm._ Cats--ja, een autoriteit. Hippocràtes ken ik minder.
+
+_Judoc._----door Hippo-o-o-crates ten sterkste afgeraden. Ik kwam dus,
+meneer Goedsmoeds--'s grooten dichters »houwelicken staat" gelezen en
+herlezen hebbend--ik kwam, ehem----
+
+_Goedsm._ _(aanmoedigend)_ Welzoo--met die gedachte kwam-je hier? Dus niet
+om geld of goeden raad--niet met Langendijk of van Effen!
+
+_Judoc._ Ik kwam, meneer, om een veel grooter schat--: een schat,
+ehem--waarvan reeds Ovidius----
+
+_Goedsm._ Doktor, wat moet ik denken!
+
+_Judoc._ Meneer Goedsmoeds--de toon waarop u dat zegt--geeft mij moed. Ik
+kwam hier, meneer Goedsmoeds--ik kwam hier, ehem _(staat op)_--om uw
+dochter--Mejuffrouw uw dochter, ehem----
+
+_Goedsm._ _(staat op en schudt hem hartelijk de hand)_ Doktor, meneer v.
+d. Vlugt, ik houd van regt door zee gaan. Adolf Smit heeft me over u
+gesproken, en ik antwoord u wat ik hem geantwoord heb. Uw aanzoek
+verheugt me en vereert me--dat wil ik u niet ontveinzen. Wel ja--_ik_
+geef je mijn dochter, mijn lieve Mathilde, van ganscher harte--en _zij_
+zal je niet weigeren. _Ik_ ken je, en _zij_ zal je leeren kennen voor
+wat je zijt!
+
+_(hij roept aan de deur.)_ Meisjes, meisjes, komt 'reis beneden! 't
+Beddegoed zal nu wel gerekt zijn.
+
+Janneke, luije gans--brengt toch pijpen en tabak, en een flesch wijn--er
+staan er nog twee oude in den kelder!
+
+
+
+ZESDE TOONEEL.
+
+_Mathilde_, _Clara_, _vorigen_.
+
+_Janneke brengt pijpen enz. Daarna af. Judocus staat achter zijn stoel,
+en buigt._
+
+
+_Goedsm._ En nu, komt hier, kinderen! Kom hier, Mathilde! Mijn wensch van
+zoo even kan vervuld worden.
+
+Zeg, Mathilde, kind--dáár is doktor Judocus v. d. Vlugt. Je kent
+'em--zoowel persoonlijk, als van naam en karakter. Hoe denk-je over 'em?
+Wat zou-je zeggen als 'ie je vroeg tot zijn vrouw? Neen--wees niet
+verlegen tegenover je naaste betrekkingen! Zeg fermweg ja, of neen!
+
+Kom, doktor, help me een handje, doe je woord, vriend!
+
+_Judoc._ _(steeds buigend)_ Mejuffrouw----
+
+_Math._ _(zeer bedremmeld)_ Maar vader----
+
+_Clara._ _(tot Math.)_ Wat heb ik je gezeid! Maar wees verstandig--: bij
+al wat je lief is, weiger 'em--maak jezelf en vader en mij niet
+ongelukkig!
+
+_Judoc._ Mejuffrouw, reeds lang----
+
+_Math._ Zoo geheel onverwacht----
+
+_Judoc._----reeds zeer lang----
+
+_Clara._ _(tot Math.)_ Weiger 'em, weiger 'em, vóór 't te laat is!
+
+_Goedsm._ La la, wat getalm! Wat is je antwoord, Mathilde?
+
+_Judoc._ Mejuffrouw, reeds zeer lang heeft mijn hart, ehem----
+
+_Goedsm._ Komaan, doktor, geen speeches--rondweg, op zijn oud-Hollandsch!
+Zóó doen ze 't bij Langendijk ook!
+
+_Clara._ _(tot Math.)_ Weiger 'em! Geef 'em den bezem achterna!
+
+_Goedsm._ Wat mopper-jij er toch tusschen, Clara?
+
+_Math._ Niets, vader, niets.
+
+_(tot Judoc.)_ Och meneer, neem me niet kwalijk--ik ben zoo verrast----
+
+_Clara._ Verrast ook nog!--Zeg verschrikt!
+
+_Judoc._ _(vat moed en roept luide)_ Ja, Mejuffrouw, ik bemin u!--Mijn
+woorden zijn zwak, maar mijn hart is sterk, en mijn daden zullen goed
+maken wat mijn ongeoefende tong te kort schiet!
+
+_Goedsm._ Zóó, goed gezegd! Er zijn er genoeg die 't omkeeren.
+
+_Judoc._ _(tot Math.)_ Ik wil u de eereplaats inruimen in mijn nederig
+huis. Ik wil u verzorgen als de pupillen mijner kostschool!
+
+_Math._ Als vader 't goedvindt----
+
+_Clara._ _(tot Math.)_ Je neemt 't aan!--Wee, wee, mijn arme vriendin!
+
+_Judoc._ _(tot Math.)_ Ja, Mejuffrouw--ik zal u trouw zijn als de doffer
+zijn duifken! Mejuffrouw, wees gij mijn »Roos van Saron, mijn Lelie der
+dalen"--en laat _ik_ u zijn, »als een appelboom onder de boomen des
+wouds--als een tros van Cyprus in de wijngaarden van En-Gedi"!
+
+_Clara._ Hemel, hij wordt hartstogtelijk--vuur en vlam!
+
+_Judoc._ _(tot Math.)_ Want, gelijk de oude Copten, Mejuffrouw, de oude
+Copten en Assyriërs----
+
+_Math._ Wel, meneer, als vader 't goedvindt----
+
+_Goedsm._ Ja, ja--vader vindt 't goed. En vader zou 't niet goed vinden,
+als Mathilde 't ook niet deed.
+
+Komaan, kinderen--'t is nu lang genoeg geschermd met vergezochte
+woorden. Laat 't hart spreken. Kust elkaâr--zóó, zóó--'t is de
+eerste--welnu, dat er nog duizend en duizend na dezen volgen!
+
+_Judocus heeft Mathilde omhelsd, en Goedsmoeds drukt zegenend hun
+hoofden tegen elkaâr; Clara zit op haar stoel, neemt een boek op, smijt
+'t weg, en kijkt 't jonge paar spottend en wrevelig aan._
+
+En nu--we willen dezen avond vieren onder ons. Ik ben in lang zóó
+gelukkig niet geweest! Kom hier, Judocus, schoonzoon--een glas
+wijn?--Dat zal je goeddoen: je ziet waarlijk bleek, alsof je alle geluk
+verspeeld hadt. Wel, in mijn tijd was dat anders--toen waren de jongeluî
+soms al te warm.--Maar, ik zie wel, de schrik zit jeluî nog in 't lijf.
+
+_(tot Clara.)_ Kom, Clara, meid--wat pruil-je daar alleen! Toch niet
+jaloersch?
+
+_Clara._ De hemel bewaar me--ik zoek mijn naaiwerk.
+
+_Goedsm._ In je boek?--Komaan, ook jou vrijer staat voor de deur. Je Adolf
+kan niet lang meer van de reis uitblijven.
+
+_Clara._ _(ter zijde)_ _Mijn_ vrijer--ja, maar als de mijne zóó was!
+
+_Goedsm._ Neemt plaats, kinderen! Judocus, Mathilde--laat 't soezen tot
+volle maan! Hier, de glazen geledigd--ik wil heden avond vreugde zien!
+
+_Judocus heeft al dien tijd stokstijf naast Mathilde gestaan; op
+Goedsmoeds' uitnoodiging stopt hij een pijp._
+
+Kinderen, op ons aller lang en gelukkig zamenzijn! _(tot Judoc.)_ Zeg,
+doktor--ad fundum, hoop ik?
+
+_Judoc._ _(drinkt)_ Van harte--op ons zamenzijn!
+
+_(tot Clara)_. En ook met u, Mejuffvrouw, zal 't me een groote eer zijn,
+ehem--de kennismaking, ehem----
+
+_Clara._ _(kortaf)_ Wel verpligt, meneer--maar 'k houd niet van
+komplimenten.
+
+_Judoc._ _(verschrikt)_ Verschoon me--'t was mijn bedoeling niet----
+
+_Goedsm._ Wel foei, Clara--je zijt niet heel beleefd.
+
+_Clara._ Beleefd of niet beleefd. Laat meneer zich met zijn eigen bruid
+bemoeijen.
+
+_Goedsm._ Maar kind--hoe heb ik 't met je? Moet jij me nu de vreugd
+vergallen!
+
+_Judoc._ _(tot Math.)_ Ik begrijp niet in hoever----
+
+_(tot Goedsm.)_ Meneer Goedsmoeds, indien 't niet tot algemeen genoegen
+is--indien mijn persoon soms aanstoot mogt geven----_(hij staat op.)_
+
+_Goedsm._ Sakkerloot, doktor, wat denk-je wel! Stoor je niet aan hare
+nukken--ik weet niet wat de meid scheelt.
+
+_Math._ En u heeft immers alleen met mij te doen, meneer Judocus.
+
+_Judoc._ _(tot Math.)_ Zeker, Mejuffrouw--doch hoe gelukkig me uw
+gezelschap maakt--ik zou niet gaarne aanleiding geven, ehem--dat de
+vrede in uws vaders huis, ehem----
+
+_Goedsm._ _(drukt hem op zijn stoel)_ Wat praat-je van vrede! Ze weet niet
+wat ze zegt, de meid--ze meent 't niet.
+
+_Math._ Neen, mijn beste Clara meent 't zoo niet. Ze is van harte blij om
+ons geluk. _(naar Clara toegaand)_ Nietwaar, zus?
+
+_Clara._ _(knorrig)_ Je beste Clara meent 't _wel_, en is _niet_ blij!
+_(gaat naar de deur)_.
+
+_Goedsm._ Zoo zoo--als ze 't dan wel meent, en niet blij is, laat ze dan
+zoo goed zijn, dat wat minder te toonen aan menschen, die geen schuld
+hebben aan haar kwaad humeur.
+
+_(gaat naar Clara toe.)_ Wees toch verstandig, kind--st, daar is iemand.
+Houd toch je fatsoen--wat moeten de luî van je denken!
+
+
+
+ZEVENDE TOONEEL.
+
+_Janneke_, vorigen.
+
+
+_Jann._ Meneer--
+
+_Goedsm._ Nu, Janneke, wat was er?
+
+_Jann._ Meneer, daar is een andere heer om u te spreken. Hij zeît dat 'ie
+meneer Magneet hiet.
+
+_Goedsm._ Magneet?
+
+_Clara._ _(tot Jann.)_ Och mensch, kun-je weêr geen naam onthouden!
+
+_Jann._ Nou ja--Magneet of Magus?--weet ik 't!
+
+_Goedsm._ Magneet of Magus?--mij onbekend.--Maar dat treft nu al heel
+onaangenaam; 't is een ramp, dat we zoo klein gehuisd zijn: wáár moet ik
+nu dien man te woord staan!
+
+_Judoc._ Met uw verlof, meneer Goedsmoeds--ik ga--misschien----_(staat
+op)_
+
+_Goedsm._ Toch niet, doktor, blijf--ben-je dwaas geworden! Zal ik mijn
+eigen huisgenooten voor een vreemde verjagen!
+
+_Judoc._ Maar toch--misschien----
+
+_Math._ Neen, blijf zitten, meneer Judocus. Vader zal 't wel kort maken
+met dien heer.
+
+_Clara._ Zeker, blijf zitten.
+
+Maar zeg, Mathilde--misschien heeft meneer Judocus haast: zijn werk over
+Erasmus, de zorg voor zijn pupillen, of andere geleerde bezigheden!
+
+_Goedsm._ Och Janneke, laat die meneer Magneet of Magus maar boven komen.
+'t Doet er ook niet toe--we zijn burgermenschen--en hij moet 't nemen
+zooals 't is.
+
+_(Janneke af.)_
+
+
+
+ACHTSTE TOONEEL.
+
+_Alex. Magnus_, _vorigen_.
+
+
+_Alex._ _(komt met veel geraas binnen)_ Meneer, mijn naam is Alexander
+Magnus.--Uw dienaar, dames. Alexander Magnus is mijn naam. _(tot
+Judoc.)_ Bonsoir, meneer, uw dienaar, zeer uw dienaar! _(smijt hoed en
+stok in een hoek, neemt een stoel en gaat zitten)_.
+
+_Goedsm._ Alexander Magnus?--Ik heb niet de eer U te kennen--'t zou me
+aangenaam zijn----
+
+_Alex._ Alexander Magnus is mijn naam, en, meneer, ik ben er trotsch op 't
+te kunnen zeggen. Ik ben kortelings benoemd tot Leeraar in de
+Staathuishoudkunde, de statistische- en handelswetenschappen aan de
+hoogere burgerschool te Bellingwolde. Eerst sints weinig weken heb ik
+mijn residium aldaar gevestigd, en ik ben expresselijk hierheen gekomen
+om met U, meneer Goedsmoeds, en uw achtenswaardige familie, ehem----
+
+_Goedsm._ Ah zoo!--Zeer veel eer, zeer veel eer, meneer Magnus! Leeraar in
+de Staathuishoudkunde te Bellingwolde?--Mag ik u een glas wijn
+aanbieden? Ik was waarlijk niet voorbereid op de eer van uw bezoek.
+
+_Alex._ Ik weet 't, meneer. Ik kom als ik kom, en ik ga als ik ga. Nog
+slechts zeer weinig connectiën heb ik in deze nabuurschap aangeknoopt:
+omdat de meeste familiën mij niet aanstaan, en ik mij wel wacht, mijn
+vriendschap te prostitueren aan individuen, die niet eenigzins met mij
+op gelijke hoogte staan.
+
+_Goedsm._ Dan, meneer, zult ge u ook hier in uw verwachtingen misschien
+bedrogen vinden. Maar des te grooter onderscheiding voor ons.
+
+_Alex._ Integendeel--ik moet mij verontschuldigen wegens de vrijheid die
+ik neem.
+
+Maar zeg me--heb ik 't genoegen in deze dames uw dochter en uw nicht te
+ontmoeten?--En deze meneer? Stel me aan hem voor. Zeker een dorpsdominee
+uit de environs?
+
+_Goedsm._ Ik vraag verschooning. Deze heer zal u waarschijnlijk bekend
+zijn, daar ook hij zich in 't vak van onderwijs beweegt. Judocus van der
+Vlugt----
+
+_Alex._ _(reikt Judoc. de hand)_ Meneer van der Vlugt--zeer veel genoegen
+uw kennis te maken. Welzoo, ook in 't onderwijs? Waarschijnlijk
+hulpkweekeling, of catechiseermeester?
+
+_Judoc._ Noch 't een noch 't ander--ik ben, ehem----
+
+_Goedsm._ Doktor in de Letteren, en direkteur van de kostschool alhier.
+
+_Alex._ Doktor in de Letteren? Ah, vergeef me, doktor van der Vlugt--ik
+heb u niet gekend aan een der Hoogescholen, die ik successievelijk
+bezocht--en uw uiterlijk, ehem----
+
+_Judoc._----Doktor in de Letteren, summa cum laude--'t zij met gepaste
+zelfwaardering bekend.
+
+_Alex._ Ah, ik ben verrukt in u een collega te treffen.
+
+_Judoc._ Ik had slechts weinig vrienden aan de Leidsche Hoogeschool; en
+door mijn bekrompen omstandigheden, ehem----
+
+_Alex._ Natuurlijk--zoo zijn er veel jongeluî.
+
+_Judoc._----moest ik 't mij ten hoofddoel stellen--dikwijls met opoffering
+van alle genoegens, en eer minder achtend dan voordeel, ehem----
+
+_Alex._ Juist, juist--ik kan me die positie voorstellen.
+
+_Judoc._----zoo spoedig mogelijk de vruchten mijner studiën te plukken,
+door 't aanvaarden van een min of meer winstgevende betrekking, die me
+in staat stelde, in mijn eerste behoeften te voorzien.
+
+_Alex._ Zeer te bejammeren! Zóó gaan dikwijls, door gebrek aan middelen,
+groote talenten voor de maatschappij verloren.
+
+_Goedsm._ Maar mij dunkt, de heeren moeten elkaâr in hun wederzijdsche
+betrekkingen wel kennen.
+
+_Judoc._ Pardon--dat is 't wat ik----
+
+_Alex._ Onbegrijpelijk, niet waar! Maar ik kwam expresselijk te dezer
+stede, om kennis te maken.--Intusschen, ik ben er zeker van, meneer van
+der Vlugt moet mijn naam kennen uit 't werk dat ik geschreven heb.
+
+_Math._ U heeft een boek geschreven, meneer?
+
+_Clara._ Hé, zeg me, als 't niet al te geleerd klinkt--hoe is de titel en
+waarover handelt 't?
+
+_Alex._ Een boek, dames! Zeg, een werk--een werk, zeg! Drie deelen in
+octavo. Ik zal u een exemplaar toezenden, zoodra de zevende herziene
+druk van de pers zal zijn gekomen.
+
+_Judoc._ _(steeds peinzend)_ Zonderling----
+
+_Goedsm._ Groote geregtigheid--waar moet ik, arme van geest, blijven, als
+mijn nederig huis de verzamelplaats wordt van schrijvers en geleerden!
+
+_Alex._ _(tot Goedsmoeds)_ O, weest gerust, meneer Goedsmoeds! Ik ben niet
+als zooveel anderen, die zich op zoo iets laten voorstaan.
+
+_Judoc._ Hoogst zonderling komt 't mij voor----
+
+_Clara._ Nu, meneer, we weten den titel nog niet. Waarover handelt uw
+boek?
+
+_Alex._ Mijn werk handelt, schoone dame, 't handelt over: 1º. »'t
+Wenschelijke eener verhooging van de tarieven van in- uit- en doorvoer
+op handelsartikelen, die door elkeen verbruikt worden."--2º. »Een
+naauwkeurige statistische opgave van 't aantal echte kinderen die zouden
+kunnen geboren worden, als alle menschen trouwden."--3º. »Een
+verhandeling over 't meer voordeelige der zîjwormenteelt, als deze op
+kool- in plaats van op moerbezieblaren kon geschieden."--Al 't welk
+besloten wordt door, 4º. »Een uitgewerkte en met grondige argumenten
+doorspekte lofrede op dwangarbeid en batig slot."
+
+_Terwijl Alex. spreekt, houdt Goedsm. zich 't hoofd vast; Clara slaat de
+handen ineen; Math. zucht; en Judoc. zit als verwilderd en overbluft hem
+aan te staren._
+
+_Goedsm._ Geleerd, zeer geleerd! Ik mag u natuurlijk niet
+tegenspreken--maar toch zou ik gelooven----
+
+_Alex._ Tegenspreken, meneer--waarom niet! Ik weet, mijn stellingen zijn
+den grooten hoop niet duidelijk. Ook wil ik mezelf niet vernederen, door
+mijn overtuiging aan elken oningewijde op te dringen. Maar zijn _wij_
+niet vrienden, meneer Goedsmoeds--en zal 't me niet altijd een genoegen
+zijn, met u te redetwisten, en ook uw naam te schrijven op de groote
+lijst van hen, die ik voor mijn betoog 't hoofd heb doen buigen! _(ziet
+triomfantelijk rond.)_
+
+_Goedsm._ Zeker, meneer, zeker--maar ik meende, ehem----
+
+_Clara._ _(tot Math.)_ Niet onaardig--we hebben lief gezelschap te gast!
+
+_Goedsm._ Ik meende--ziet u--ik woû maar zeggen----
+
+_Alex._ Ja ja--daar valt weinig tegen in te brengen.
+
+_(tot Judoc.)_ Ook met u, doktor, vrees ik niet mij in 't strijdperk te
+wagen.
+
+_Judoc._ (hem verwonderd aanziend) Ehem, hum----
+
+_Alex._ _(tot Clara)_ En u, Mejuffrouw, wat zegt u er van?
+
+_Clara._ Wel, meneer, 't loopt mij wat te hoog. Om u de waarheid te
+zeggen--ik dacht, dat u een nieuwen roman of een bundel gedichten had
+uitgegeven.
+
+_Alex._ Een nieuwen roman?
+
+_Math._ Wezenlijk, meneer, ik wil niets afdingen op de waarde van uw
+boek----
+
+_Alex._ Afdingen?
+
+_Math._----maar u begrijpt--zoo iets valt minder binnen ons bereik, dan
+romantische lektuur.
+
+_Alex._ Romantische lektuur! Is 't mogelijk, Mejuffrouw! Was niet 't
+romanciëren en rijmelen door alle eeuwen heen een werk voor
+kladschrijvers, pruldichters, weggeloopen ondermeesters, ziekelijke
+kostschooljuffrouwen--kortom, van half krankzinnige schwärmers,
+onbruikbare, hun evenmensch opetende bastaard wezens, kankers aan den
+gezonden boom eener practische maatschappij!--Mejuffrouw----
+
+_Clara._ Wel, meneer, 't is toch geen schande, een roman of een gedicht
+geschreven te hebben. Daar hebt ge van Lennep, de Genestet----
+
+_Alex._ _(driftig)_ Wat van Lennep! Wat de Genestet!--Ik zeg u,
+Mejuffrouw, 't _is_ schande!
+
+_Goedsm._ _(angstig)_ Meneer Magnus, u begrijpt ons verkeerd.
+
+_Alex._ Neen, meneer--gij alle schijnt niet 't flaauwst idee te hebben van
+de hooge waarde der wetenschap, boven de zich in 't hof der ijdelheid
+wentelende romantiek en bellétrie!
+
+_Goedsm._ Hemelsche geregtigheid--hoe red ik me hieruit! _(tot Judoc.)_
+Doktor, kom, spreek 'reis meê, en breng meneer Magnus aan 't verstand,
+dat 't onze bedoeling niet was, hem eenigzins te krenken.
+
+_Alex._ Zeker, laat de doktor oordeelen! _(tot Judoc.)_ Heer Judocus v. d.
+Vlugt, tot u rigt ik 't woord. U _moet_ mijn werk gelezen en herlezen
+hebben; 't _moet_ u als de nieuwste autoriteit gegolden hebben, wilt ge
+eenigzins op de hoogte van zaken gebleven zijn.
+
+_Judoc._ _(kucht en zet zich in postuur)_ Ik heb, ehem----
+
+_Alex._ Ge moet, meneer, ik zeg u, ge _moet_! Gij, doktor in de Letteren!
+
+_Judoc._ Ik moet bekennen, ehem----
+
+_Alex._ Gij, opvoeder van een aankomend geslacht, ge _kunt_ uw pupillen
+niet verstoken hebben van een werk, dat opgang gemaakt heeft tot aan de
+hoogere burgerscholen van Rottum en Borkum.
+
+_Judoc._ Rottum en Borkum!--Ik moet bekennen, ehem--als meneer me een
+oogenblik aan 't woord wil laten----_(hij spreekt voortdurend harder en
+windt zich op tot rood-wordens toe)_.
+
+_Alex._ Welnu?
+
+_Judoc._ Tot mijn spijt en leedwezen moet ik bekennen, ehem--dat ik nooit
+een werk van dien aard op eenigen catalogus heb gevonden----
+
+_Alex._ _(zich driftig makend)_ Dat pleit niet voor uw boekenkennis?
+meneer!
+
+_Judoc._----en ook U, meneer, onder den naam dien ge voert, als schrijver
+nooit heb hooren noemen, ehem----
+
+_Alex._ Doktor Judocus!
+
+_Judoc._----noch als leeraar aan een fictieve hoogere burgerschool te
+Bellingwolde.--
+
+_Alex._ } Doktor v. d. Vlugt!
+_Goedsm._ } Is 't mogelijk? Doktor, bezin-je wel!
+
+_Judoc._--Ik heb zelfs gegronde reden te twijfelen----
+
+_Alex._ Twijfelen?
+
+_Judoc._----aan 't bestaan van 't werk, dat ge 't uwe noemt.--
+
+_Alex._ Meneer!
+
+_Judoc._--De onderwerpen, die ge opgeeft daarin te behandelen, komen mij,
+zelfs in uw mond, veel te ongeremd voor----
+
+_Goedsm._ Judocus, weet toch wat je zegt! _(Alex. staat op)_.
+
+_Judoc._ _(staat op)_----dan dat ik zou kunnen gelooven dat u in ernst
+spreekt;--
+
+_Alex._ Meneer v. d. Vlugt--die woorden!
+
+_Goedsm._ } _(staat op)_ Houd u in, doktor!
+_Math._ } In 's hemelsnaam, meneer Judocus!
+_Clara._ } _(ter zijde)_ Bravo!
+
+_Judoc._--en ik moet U gelijk stellen met hen, die van de argeloosheid der
+onwetenden misbruik maken----
+
+_Goedsm._ } Doktor, ben-je razend!
+_Clara._ } _(ter zijde)_ Bravissimo!
+
+_Judoc._ _(met hooge verontwaardiging)_----om hen te bedriegen!
+
+_Alex._ _(springt woedend vooruit)_ Meneer--was 't niet om de dames--ik
+zou je die woorden doen terugslikken----
+
+_Goedsm._ _(smeekend)_ Meneer Magnus!
+
+_Alex._ _(schreeuwt)_----ik zou je doen voelen, hoe menschen als ik gewoon
+zijn, de onbeschoftheid van hun minderen te straffen! Dát zou ik!
+
+_Judoc._ _(plegtig en bedaard)_ Is niet uw naam Alexander Magnus?
+
+_Alex._ Mijn naam is Alexander Magnus Junior, gelijk die mijns vaders
+Alexander Magnus Senior was. Ik ben leeraar in de Staathuishoudkunde, de
+statistische- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te
+Bellingwolde. Dat heb ik u zoo even gezegd--hoe dikwijls zal ik 't nog
+moeten herhalen!
+
+_Judoc._ De persoon van Alexander Magnus is mij bekend----
+
+_Alex._ Als schrijver van 't bovengenoemd geleerd werk.
+
+_Judoc._----in de geschiedenis----
+
+_Alex._ Van de nieuwere letterkunde.
+
+_Judoc._----van 't oude Macedonië----
+
+_Alex._ Macedonië?
+
+_Judoc._----als vorst en wereldveroveraar!
+
+_Alex._ Wereldveroveraar?
+
+_Judoc._--U echter ken ik niet, noch uw geleerd werk, en--ik wensch met
+geen van beide in nader kennis te geraken. _(buigt, gaat zitten, drinkt
+en rookt zijn pijp.)_
+
+_Alex._ _(woedend)_ _(Goedsm. tracht hem te sussen.)_ Meneer v. d. Vlugt,
+doktor Judocus v. d. Vlugt--U is óf een ongehoorde ezel, óf niet regt
+bij zinnen. Ik wil u niet beschamen voor de dames hier, en voor onzen
+waardigen gastheer. Maar ik raad u, neem je beleediging terug, als ge
+niet wilt, dat ik je prijs geef, u en je doktorsgraad summa cum laude,
+aan de woede en verachting van een beschaafd publiek, dat mij kent en
+hoogschat. Bedenk, meneer----
+
+
+
+NEGENDE TOONEEL.
+
+_Vorigen._ _Janneke_ _roept van uit de keuken:_
+
+
+_Jann._ Juffrouw, de eijeren zijn derin. Wil uwe nou is op 't alozie
+kijken, anders worre ze weêr te hard, net als laast, en dan krijgt
+Janneke ze naar 't hoofd.
+
+_Math._ Ik kom, Janneke, ik kom--ik ben dadelijk achter!
+
+_Clara._ En ik volg je op den voet.
+
+_(ter zijde.)_ Ons gezelschap is al te verleidelijk! _(Math. en Clara
+af.)_
+
+_De drie heeren blijven zitten en zien elkaâr een poos zwijgend aan.
+Alex. blaast en tracht tot bedaren te komen; Judoc. steekt een pijp op;_
+_Goedsm._ _ziet beide angstig in 't gezigt._
+
+
+
+TIENDE TOONEEL.
+
+_Goedsm._, _Judoc._, _Alex_.
+
+
+_Goedsm._ _(vult de glazen)_ Komaan, heeren, ledigt de glazen en drinkt
+vriendschap! Laat niet een redeloos stuk papier oorzaak wezen, dat de
+goede verstandhouding tusschen ons verstoord wordt.
+
+_Alex._ Toch niet, meneer Goedsmoeds, toch niet. Ge neemt dat verkeerd
+op--: wij geleerden twisten dikwijls en raken in vuur en vlam--maar 't
+blijft een wetenschappelijk dispuut. Op 't gebied der kennis slaan we
+elkaâr de beenen stuk--daarbuiten zijn we vrienden, als
+vroeger.--Nietwaar, doktor?
+
+_Judoc._ Ehem--wat meneer daar zegt, strookt niet geheel met mijn
+gevoelens.
+
+_Goedsm._ Komaan, doktor--de heer Magnus is 't eerst bereid zijn hand je
+te reiken. Zul-je nu weigeren?
+
+_Judoc._ Dát juist niet--mijn aard is niet wraakzuchtig--edoch----
+
+_Alex._ Kom kom, meneer v. d. Vlugt--sans rancune! Laat ons dit glas
+drinken op onze verdere vriendschap!
+
+Meneer Goedsmoeds, met U in 't bijzonder zal ik 't genoegen van een
+nadere kennismaking op hoogen prijs stellen.
+
+_Goedsm._ Niet meer dan ik, meneer, niet meer dan ik.
+
+_Alex._ Zeer verpligt, zeer verpligt.--En nu, heer Goedsmoeds, nu de vrede
+hersteld en beklonken is, laat mij terugkomen op 't eigenlijk doel van
+mijn bezoek alhier. De vervoering waarin ik geraak, telkens wanneer ik
+van mijn werk gewaag, of op 't terrein van een wetenschappelijk gesprek
+wordt gebragt, doet me steeds al 't overige vergeten.
+
+_Goedsm._ Spreek, meneer Magnus--niets zal me aangenamer zijn.
+
+_Alex._ 't Onderwerp dat ik heb aan te roeren is echter van dien aard,
+dat--enfin, zonder onbeleefd te zijn----_(Judoc. aanziend.)_
+
+_Goedsm._ Zóó waarachtig?--maar voor meneer v. d. Vlugt heb _ik_ volstrekt
+geen geheimen. Ik hoop dus----
+
+_Alex._ Dat wil zeggen--pardon, ik ken uw relatie tot meneer niet, maar de
+zaak die ik behandelen wil, is van een zóó kiesch karakter----_(Judoc.
+staat op)_.
+
+_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Blijf zitten, doktor, blijf zitten!
+
+_Judoc._ Ik zou niet gaarne onbescheiden zijn----
+
+_Goedsm._ Volstrekt niet--blijf zitten!
+
+_(tot Alex.)_ Wel meneer, om u de waarheid te zeggen--ik kan me geen
+onderwerp van een zóó kiesch karakter voorstellen, dan dat mijn
+aanstaande schoonzoon 't niet meê zou mogen aanhooren.
+
+_Alex._ Uw aanstaande schoonzoon?
+
+_Goedsm._ Als zoodanig moet ik u meneer v. d. Vlugt bekendmaken.
+
+_Alex._ Ei ei?--Dát verandert de zaak.
+
+_(tot Judoc.)_ A propos, ik wensch je geluk, collega!
+
+_(tot Goedsm.)_ Dát verandert de zaak geheel, meneer Goedsmoeds; en dit
+heugelijk feit bespaart mij een inleiding: ik kan mijn welsprekendheid
+laten rusten.
+
+_Goedsm._ Hoezoo, meneer, hoezoo?
+
+_Judoc._ Ik doorgrond niet, ehem--hoe mijn verloving met meneer
+Goedsmoeds' dochter, ehem----
+
+_Alex._ Juist, juist!
+
+_(Tot Goedsm.)_ Wat zou u er van zeggen, meneer Goedsmoeds, als _ik_ me
+tot mededinger opwierp naar eenzelfde eer?
+
+_Goedsm._ Tot mededinger?
+
+_Judoc._ _(verontwaardigd)_ Tot mededinger, meneer!
+
+_Goedsm._ Ik begrijp niet----
+
+_Judoc._ Ook mij komt 't onverklaarbaar voor----
+
+_Goedsm._----hoe ik uw voorstel, ehem--moet opvatten.
+
+_Judoc._----hoe ge 't met uw begrippen van Europesche zedelijkheid kunt
+rijmen, ehem----
+
+_Goedsm._ Zeker--ik had toch de eer, u te doen weten, dat meneer v. d.
+Vlugt reeds----
+
+_Alex._ Met uw verlof--hier heeft een misverstand plaats, een schromelijk
+misverstand. Stelt u gerust, meneeren--ik ben geen Turk, geen
+antropophaag, geen onbesneden heiden!--Doch, _pauca verba_, _pauca
+verba_!
+
+Om ter zake te komen, meneer Goedsmoeds--leen mij, bid ik u, een
+oogenblik gehoor; en laat een krachtig en welgemeend aanzoek bij u niet
+minder gelden, dan de met kernachtige phrasen doorbloemde toespraak,
+waarmeê ik u had verrast--indien niet de tegenwoordigheid van een derden
+_(ziet op Judoc.)_ mijn plan eenigzins had gederangeerd.--Hier volgt
+mijn aanzoek (staat op).
+
+_Goedsm._ _(staat op)_ En dat is, meneer?
+
+_Alex._ Dat _ik_, Alexander Magnus Junior, wettige zoon van Alexander
+Magnus Senior, leeraar in de Staathuishoudkunde, de statistische- en
+handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te Bellingwolde--bij
+deze de eer heb te verzoeken om de hand uwer nicht, Mejuffrouw Clara,
+ten einde, na 't jawoord voor magistraat en priester ontvangen te
+hebben, haar als mijn echte vrouw te huwen, en ten mijnent te
+onderhouden.--Ik heb gezegd.
+
+_(buigt en gaat zitten)_
+
+_Goedsm._ _(verwonderd en bedremmeld)_ Meneer Magnus--ik moet u zeggen,
+ehem----
+
+_Alex._ Spreek vrij uit, meneer Goedsmoeds!
+
+_Goedsm._----ik moet u zeggen, dat uw voorstel, ehem--mij verbaast--en
+dat, ehem--
+
+_Alex._ Welnu, dat?
+
+_Goedsm._----en dat, ehem--ik kan--ik moet--ik ben genoodzaakt----
+
+_Alex._ Komaan, meneer Goedsmoeds, wees niet verlegen! Ik begrijp, mijn
+aanzoek moet u vereeren.
+
+_Goedsm._ Zeker, meneer--maar ik ben genoodzaakt--'t spijt me--ik zie me
+als voogd verpligt----
+
+_Alex._ Nu, wat?
+
+_Goedsm._ _(ter zijde)_ Duivel, ben ik een kind geworden!
+
+_(drinkt zijn glas leêg)._
+
+'t Spijt me, meneer Magnus, dat ik uw voorstel niet kan aannemen, en u
+de hand van mijn nicht moet weigeren.
+
+_Alex._ Weigeren?
+
+_Goedsm._ 't Spijt me, maar----
+
+_Alex._ Weigeren--en waarom?
+
+_Goedsm._ Om de eenvoudige reden, dat Clara reeds met een ander verloofd
+is.
+
+_Alex._ Met een ander verloofd?
+
+_Goedsm._ Met een ander verloofd.
+
+_Alex._ _(in één adem)_ En wie is die ander, als ik vragen mag? Wie is
+hij, wat is hij, waar is hij?--Bemint hij haar, bemint zij hem, beminnen
+zij elkaâr?--Of is hun vereeniging slechts een van die koude,
+conventionele koppelingen, die in onze verbasterde maatschappij zoo
+dikwijls den heiligen, gloeijend gesmeeden huwelijksband
+surrogeren?--Spreek, meneer,--ik brand--antwoord me!
+
+_Goedsm._ _(bedaard)_ Meneer Magnus, u vraagt me meer, dan ik u kan of wil
+antwoorden. Daar echter de verloving van mijn nicht niet geheim behoeft
+te blijven, wil ik u gaarne zeggen wie haar aanstaande is. Hij is een
+jongmensch, die haar van harte liefheeft. Hij is nu op een verre reis.
+Zijn naam is Adolf Smit.
+
+_Alex._ Adolf Smit?
+
+_Goedsm._ Adolf Smit.
+
+_Alex._ Adolf Smit van Hoogdorp?
+
+_Goedsm._ Adolf Smit van Hoogdorp.--Voor 't overige verzeker ik u----
+
+_Alex._ _(staat op, woedend)_ Voor 't overige verzeker _ik_ u, meneer, dat
+uw gedrag jegens mij onbehoorlijk is.
+
+_Goedsm._ _(staat op)_ Meneer Magnus!
+
+_Alex._ Ge weigert botweg de eer, mij in uw familie te zien opgenomen,
+_mij_, Alexander Magnus--en, om op uw lompheid de kroon te zetten, doet
+ge mij die weigering in 't bijzijn van dien soesenden schoolmeester,
+dien gemoedelijken kalfskop, die daar in domme deftigheid zijn pijpen
+rookt!
+
+_Goedsm._ Meneer Alexander Magnus--ik was nooit in mijn eigen huis
+beleedigd!
+
+_Judoc._ _(staat op)_ Mijnheer de statisticus----
+
+_Alex._ Laat me uitspreken!--Dat is alles nog niets. Maar dat ge boven mij
+een ellendeling voortrekt, een bedrieger, een losbol, als Adolf Smit
+is--dát, meneer, dát is verschrikkelijk--dát schreit om wraak!
+
+_Goedsm._ Hemelsche goedheid--een losbol--wat zegt ge daar!
+
+_Judoc._ _(steeds heviger)_ Meneer de leeraar, durft ge die beschuldiging
+herhalen?
+
+_Alex._ Meneer de slaapkop, dat durf ik.
+
+_Goedsm._ Stilte meneeren! Als ge voortgaat, op deze wijs den vrede in
+mijn huis te verstoren, moet ik u verzoeken 't oogenblikkelijk te
+verlaten!
+
+_(tot Alex.)_ Zeg, meneer, hoe verdedigt ge uw laster tegen Adolf Smit?
+
+_Alex._ Ik heb niets te verdedigen. Gij weigert me uw nicht--en daarmeê,
+basta!--Maar vóór ik ga, wil ik nog een woordje spreken met dien
+botterik, _(tot Judoc.)_ die zich voor onderwijzer uitgeeft, voor
+wetenschappelijk man, en die niet eens mijn werk kent. Die bovendien----
+
+_Judoc._ Laat uw werk rusten!
+
+_Alex._----die bovendien, om zijn verregaande stomheid te verbergen, mij
+in 't publiek tot leugenaar wil maken.
+
+_Judoc._ Laat uw werk rusten, en herroep uw laster tegen Adolf Smit!
+
+_Alex._ _(hevig)_ Ik _wil_ van mijn werk spreken, en ik wil, dat jij je
+laster intrekt tegen mij. Hoor-je, meneer de roededrager!
+
+_Judoc._ _(besloten)_ Nu dan--wat aangaat uw werk, meneer van
+Bellingwolde----
+
+_Alex._ Mijn heerlijk werk, ja!
+
+_Judoc._----dat nooit geschreven is----
+
+_Alex._ Door een kuiken als jij!
+
+_Judoc._----en waarvan de onderwerpen----
+
+_Alex._ Zoo rijk en verheven!
+
+_Judoc._----zoo plat en onzinnig, niet anders konden opkomen----
+
+_Alex._ Dan in mijn hoofd!
+
+_Judoc._----dan in 't brein van een maniacus----
+
+_Alex._ Van een genie!
+
+_Judoc._----van een monomaan----
+
+_Alex._ Van een wereldkenner!
+
+_Judoc._----of een gewonen gek, _naturaliter idiota_----Wat aangaat, zeg
+ik, dit uw werk, meneer de staathuishoudkundige----
+
+_Alex._ _(hem nabaauwend)_ Dit mijn werk, meneer de jeugdbederver----
+
+_Judoc._----dit uw werk----
+
+_Alex._ _(hem nabaauwend)_----dit mijn werk----
+
+_Judoc._----ik moet lagchen, inderdaad----
+
+_Alex._ Lagchen, lagchen! Dat lagchen zal ik je verleeren! _(vat zijn
+hoed, en slaat er Judoc. meê op 't hoofd)_.
+
+Neem dit, en dat, en dit, en nog eens dat--tot mijn arm stijf, en jou
+kop week is!
+
+_(Intusschen heeft ook Judoc. zijn hoed gegrepen, en slaat Alex. terug;
+Goedsm. tracht hen te scheiden, en roept niets dan: »in 's hemelsnaam,
+meneeren!" »houdt op, meneeren!" »bedenkt wat ge doet!" »brengt geen
+schande over mijn huis!" enz. enz.)_
+
+_Judoc._ _(slaat)_ Gelijk Arminius----
+
+_Alex._ (») Boekworm!
+
+_Judoc._ (»)----de Romeinen versloeg----
+
+_Alex._ (») Kinderkanibaal!
+
+_Judoc._ (»)----en Karel Martel--
+
+_Alex._ (») Hutspotverknoeijer!
+
+_Judoc._ (»)----de woeste Sarracenen----
+
+_Alex._ (») Mottige foliant!
+
+_Judoc._ (»)----zoo wil ik ook----
+
+_Alex._ (») Vogelverschrikker!
+
+_Judoc._ (»)----waar 't op zelfverdediging aankomt----
+
+
+
+ELFDE TOONEEL.
+
+
+_Math._, _Clara_ _en vorigen_.
+
+_Math. en Clara komen haastig binnen, zij vatten Judoc. bij de armen,
+terwijl Goedsm. Alex. vasthoudt._
+
+_Clara._ } Mijn hemel, oom--wat gebeurt er, wat is er
+ } te doen?
+_Math._ } Meneer Judocus--ik bid u, houd-je bedaard--doe
+ } 't ten minste om mijnentwil!
+
+_Alex._ } _(wil zich losrukken)_ Wat er gebeurt, Mejuffrouw--!
+_Judoc._ } _(houdt zijn hoed gereed)_ Ik ben bedaard--maar
+ } die ellendeling--!
+
+_Goedsm._ Stilte heeren!
+
+_(tot Math. en Clara)_. 't Is niets, kinderen, 't is niets.
+
+_(tot Alex.)_ Meneer Magnus, voor de laatste maal verzoek ik u, mijn
+huis te verlaten, en ergens anders je geleerdheid te gaan verkoopen. Na
+'t voorgevallene wil ik u geen oogenblik langer zien.
+
+_Alex._ Ja, ik ga----
+
+_Judoc._ Neen, hij zal niet gaan--de lasteraar!
+
+_Clara._ Lasteraar?
+
+_Math._ Lieve hemel--wat wil die man toch!
+
+_Goedsm._ (houdt Judoc. terug) Doktor--op je plaats--ik zal hier
+beslissen.
+
+_(tot Alex.)_ Meneer Magnus, nogeens, verlaat mijn huis of de
+policie----
+
+_Alex._ De policie! ik lach met de policie!--Ja, ik ga, meneer
+Goedsmoeds--maar je zult nader van me hooren--dat beloof ik je. _(hij
+blijft aan de deur staan)_.
+
+_Clara._ Maar oom, wat is toch de reden--?
+
+_Alex._ De reden, Mejuffrouw----
+
+_Goedsm._ _(tot Clara)_ Niets, kind--ga naar achter.
+
+_(tot Alex.)_ Verwijder u, meneer!
+
+_Alex._ _(komt driftig terug)_ De reden, Mejuffrouw, is----
+
+_Goedsm._ Stil meneer! Ik verbied u tot mijn nicht te spreken!
+
+_(houdt Judoc. terug)_. Bedaar, doktor--laat mij begaan!
+
+_Alex._ En ik _wil_ tot uw nicht spreken. Ik tart u allen, als zij me maar
+regt doet wedervaren.
+
+_(tot Clara)_ De reden, Mejuffrouw, is, dat ik u bemin, dat ik om uw
+hand vroeg, en dat meneer uw oom----
+
+_Clara._ Geregte hemel--is 't waar, oom?
+
+_(tot Alex.)_ Foei, meneer--'t is schandelijk!
+
+_Alex._ _(kruist de armen en zet zich in postuur)_ Schandelijk--ook u
+vindt 't schandelijk! Eilieve, en waarom? Dat u me weigert, laat ik
+daar--maar welke reden kan u hebben, mijn aanzoek schandelijk te vinden?
+
+_Clara._ Ik zeg u, meneer--_'t is_ schandelijk _(keert hem den rug toe)_.
+
+_(tot Math.)_ Kom, Mathilde, wij zullen ons in de keuken retireren, tot
+meneer hier ons 't genoegen zal gedaan hebben, zijn vereerende aanzoeken
+tot meer waardige partijen te gaan rigten. _(zij willen gaan)_.
+
+_Goedsm_. _(houdt hen terug)_ Wacht 'reis--jelui blijft hier. Wou-je mij
+alleen laten met die twee dolle honden!
+
+_(tot Alex.)_ U vergeet te zeggen, meneer Magnus, dat ge, misschien om
+hem den voet te ligten--uw gelukkigen medeminnaar hebt belasterd. U
+heeft ons nog geen rekenschap gegeven van de scheldnamen waarmeê u Adolf
+Smit genoemd heeft.
+
+_Clara._ Wat--scheldnamen? Adolf Smit belasterd? Kent hij Adolf Smit?
+
+_Judoc._ _(terwijl Math. hem voortdurend vasthoudt)_ Ja--de ellendeling,
+de hond, de valsche boekenschrijver, de pseudo-zoon van Minerva!
+
+_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Bedaar, dokter--houd toch al die liefelijke
+bijnamen t' huis!
+
+_Judoc._ Ik ben bedaard!
+
+_(tot Alex.)_ De indringer, de schelmsche vagabundus!
+
+_Clara._ Meneer v. d. Vlugt--denk toch om je gezondheid!
+
+_Judoc._ Ik _ben_ gezond!
+
+_(tot Alex.)_ De uil in arendsveêren, de ezel in een paardehuid!
+
+_Math._ Meneer Judocus--in 's hemelsnaam, heb een oogenblik geduld! Laat
+vader vertellen wat er gebeurd is.
+
+_Judoc._ Ik _ben_ bedaard, ik _ben_ geduldig. Maar hier zou Abou-Zaber
+zelfs zijn geduld verloren hebben!--Mijn besten, éénigen vriend zóó te
+belasteren?
+
+_Alex._ _(spottend, met de armen over elkaâr)_ Bravo, meneer de
+zachtmoedige!
+
+_Judoc._ Hem achter den rug met vuile aantijgingen te besmeren!
+
+_Alex._ Allerliefst, mijn wandelend toonbeeld van geduld!
+
+_Judoc._ Bij zijn dierste vrienden en betrekkingen op clandestine wijs
+zijn goeden naam te komen bekladden----
+
+_Alex._ Voortreffelijk, o non plus ultra van bedaardheid!
+
+_Judoc._----en dan zelf niets meer te zijn dan een onbekende gelukzoeker,
+die zich titels en bekwaamheden aanmatigt, waarop hij evenveel regt
+heeft als mijn schoenpoetser!
+
+_(terwijl Judoc. zich dermate opwindt, kijken Goedsm. c. s. hem verbaasd
+aan)_.
+
+_Alex._ Juist, mijn schoone held--dáár woû ik je hebben! Je vraagt _mij_
+rekenschap van de namen die ik Adolf Smit gaf--ikzelf vraag _u_
+rekenschap van de titels, waarmeê ge mij vereert.
+
+_Judoc._ Die zal ik geven--maar trek eerst uw woorden in!
+
+_Alex._ Nooit!
+
+_Judoc._ Zuiver mijn vriend van alle blaam!
+
+_Alex._ Integendeel!
+
+_Goedsm._ _(tusschen beide komend)_ Een oogenblik!--Mij, als huisvader,
+zal 't wel passen hier een woordje meê te spreken.
+
+_(tot Alex.)_ Heeft u Adolf Smit gekend?
+
+_Alex._ Zoo goed als iemand. Wel een jaar lang heb ik te Brussel met 'em
+saâmgewoond.
+
+_Goedsm._ Te Brussel? Maar op welken grond--enfin, waarvan beschuldigt ge
+hem?
+
+_Alex._ Adolf Smit is een speler.
+
+_Judoc._ _(steeds heviger)_ Hij liegt, de gewetenlooze eerroover!
+
+_Alex._ Adolf Smit is een losbol--
+
+_Judoc._ Hij liegt, de Mephistopheles!
+
+_Alex._--Een doorbrenger.
+
+_Clara._ Groote God--zou 't waar zijn!
+
+_Judoc._ Hij liegt, de naneef van Astaroth, de kleinzoon van Beëlzebub!
+
+_Alex._ Adolf Smit geeft voor, uw nicht hier _(op Clara wijzend)_ te
+beminnen, om van haar vertrouwen misbruik te maken----
+
+_Clara._ Meneer Magnus--uw woorden gaan me als pijlen door 't hart. Maar
+als ge denkt, op deze wijs uw doel te bereiken, en _mij_ te winnen door
+_hem_ te belasteren----
+
+_Judoc._ O, slangetong--
+
+_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Stil, doktor!
+
+_(tot Alex.)_ Weet wat ge zegt, meneer! We hebben hier getuigen en een
+regtbank.
+
+_Alex._----maar op reis, in den vreemde, weten andere meisjes genoeg, dat
+hij zich een scheiding van zijn beminde niet hard aantrekt. Daarenboven
+weet _ik_, dat hij te Brussel in 't geheim met een andere schoone
+verloofd is.
+
+_Judoc._ O, addergebroedsel!
+
+_Clara._ _(tot Math.)_ Mijn god, Mathilde, wat moet ik er van denken!
+
+_(tot Alex.)_ Bij al wat u heilig is, meneer--bedrieg me niet, spot niet
+met me!
+
+_Judoc._ Clara, juffrouw Clara--geloof 'em niet!
+
+_Goedsm._ Stil, doktor!
+
+_Clara._ _(tot Alex.)_ Ik ben u vreemd, ik ken u niet. Maar zoo ge nog een
+greintje eergevoel bezit, zeg me dan--is 't waar, dat ge Adolf kent? Is
+'t waar, dat hij--dat hij slecht is--dat hij ontrouw is?--Want als ge
+liegt, als ge liegt----
+
+_Alex._ 't Is zóó waar als Alexanders liefde voor u--zóó waar, als dat
+Alexander u trouw zou wezen.
+
+_Judoc._ O, waarom bezit mijn arm niet de kracht van Hercules, Rappo en
+Crosso!
+
+_(tot Clara)_. Geloof 'em niet, juffrouw Clara! Hij liegt--en ik zal 't
+u bewijzen.
+
+_Goedsm._ Doktor, laat mij spreken!
+
+_Math._ Meneer Judocus, houd u in!
+
+_Judoc._ Ik houd me in--maar de vent liegt--hij liegt als een Cretenser,
+de domme Beotiër!
+
+_Alex._ _(plotseling zich tot Judoc. wendend)_ Cretenser, domme
+Beotiër!--Meneer, de maat van uw beleedigingen is vol. Ik vraag u
+rekenschap!
+
+_Judoc._ Die zult ge hebben. Zeg hoe en wanneer!
+
+_Alex._ Rekenschap vorder ik. Maar geen scheldwoorden zullen onze wapens
+zijn!
+
+_Judoc._ Rekenschap zal ik u geven van mijn woorden; rekenschap u vragen
+van Adolfs geschonden eer.
+
+_Math._ _(tot Goedsm)_. Vader, kom toch tusschenbeide!
+
+_Alex._ En we zullen zien, of ge de wapens van een man even goed hanteert,
+als die van een vischwijf.
+
+_Goedsm._ _(smeekend)_ Meneer Magnus--meneer v. d. Vlugt!
+
+_Judoc._ Geen bemiddeling, heer Goedsmoeds. De goede naam van mijn vriend,
+'t geluk van uw nicht staan op 't spel.
+
+_(tot Alex.)_ Wat spreekt ge van mannewapens?
+
+_Alex._ Dat zul-je morgen zien.
+
+_Judoc._ Morgen?
+
+_Alex._ Morgenochtend ten zeven uur.
+
+_Judoc._ Ten zeven uur?--Ik begrijp u, meneer. Ik ben vreemd aan den
+wapenhandel----
+
+_Math._ Hemelsche vader--een duel!
+
+_Goedsm._ Zeg eens, heeren--'t is toch gekheid, hoop ik?
+
+_Alex._ Ernst, meneer, bloedige ernst.
+
+_Math._ Lieve God!--Vader--meneer Judocus--'t zal niet gebeuren--hoor me
+toch!
+
+_(zij houdt Goedsm. vast, beide staren in angstige spanning Judoc. en
+Alex. aan)_.
+
+_Judoc._ Wees bedaard, Mathilde.
+
+_(tot Alex.)_ Ik ben vreemd aan den wapenhandel. Maar, gelijk
+Cincinnatus de spade liet rusten voor 't zwaard--zóó zal de gemoedelijke
+schoolmeester zijn vreedzamen scepter verwisselen tegen----
+
+_Alex._ _(spottend)_ Nu, waartegen?
+
+_Judoc._ Tegen een wapen, dat geducht zal worden in de vuist van hem,
+wiens goed regt hem sterken zal in den strijd.
+
+_Alex._ _(spottend)_ En kan mijn ridderlijke held een pistool laden?
+
+_Judoc._ Ik zal, ook zonder dat te kunnen, u toonen, hoe 't mogelijk was,
+dat David Goliath verwon.
+
+_Alex._ _(spottend)_ En zal mijn schuwe David den moed hebben, met andere
+projektielen in 't veld te treden, dan keisteentjes uit de beek? Is 't u
+bekend, o edele gladiator, dat _ik_ een poos lang in 't bestuur zat van
+de vereeniging »Mik wis, schiet niet mis;" en dat ik tweemaal bekroond
+ben als prijsschutter--?
+
+_Judoc._ Al waart ge de fabelachtige Soranus in eigen persoon--ik zal den
+moed hebben, voor mijn vriend te _staan_.
+
+_Alex._ _(lagchend)_ Zult ge, meneer Judocus?
+
+_Judoc._ Dat zal ik.
+
+_Alex._ Wezenlijk, op je woord, meneer v. d. Vlugt?
+
+_Judoc._ Op mijn woord.
+
+_Alex._ Dan, beste doktor, geef ik je den vriendschappelijken raad, morgen
+ten zeven uur----
+
+_Judoc._ Nu, ten zeven uur?
+
+_Alex._ Je nog eens om te keeren in je bed.
+
+_Judoc._ Wat?
+
+_(Goedsm. Math. en Clara zien Alex. verwonderd aan)_.
+
+Hoe moet ik dat opnemen, heer statisticus?
+
+_Alex._ Ma foi, prenez-le comme vous voudrez!--Maar zeg, noem me niet meer
+statisticus--wil je?
+
+_(Judoc. kijkt verbaasd)_.
+
+_Goedsm._ Hemel--wat nu!
+
+_Alex._ Niet meer: hond, of uil in arendsveêren, of ezel in een
+paardehuid.
+
+_Goedsm._ Goddank--dat lijkt naar een verzoening!
+
+_Math._ De hemel geve 't!
+
+_Alex._ Spaar me ook voortaan de hoogst dichterlijke doch in 't gewone
+spraakgebruik min zoetvloeijend klinkende benamingen van: slangetong,
+addergebroedsel, domme Beotiër, kleinzoon van Astaroth, naneef van
+Beëlzebub--en wat dies meer zij.
+
+_Judoc._ Die uitdrukkingen zijn me in drift ontvallen. Maar zoolang----
+
+_Alex._--Zoolang ik Adolf Smit niet den hoogsten lof toezwaai, kan ik
+nooit op uw gunst rekenen.--Welnu, beste doktor, prijs dan, in uw hart,
+uw vriend zooveel ge wilt. _Ik_ mag 't niet doen, zelfs fluisterend:
+want hij zou me hooren.
+
+_Judoc._ U hooren?
+
+_Math._ } Meneer Magnus!
+_Clara._ } Zou 't mogelijk zijn!
+
+_Goedsm._ _(Alex. in de oogen kijkend)_ Ik geloof dat ik hem _zie_! Ei,
+ei--ik geloof dat ik hem _zie_.
+
+_Alex._ Juist geraden, heer Goedsmoeds--want hier staat hij.
+
+_(Hij neemt pruik en baard af, waarmeê hij zich onkenbaar had gemaakt,
+en spreekt op geheel veranderden, natuurlijken toon)_.
+
+
+
+TWAALFDE TOONEEL.
+
+
+_Clara._ Adolf! _(ze omhelzen elkaâr)_. Adolf! En ik heb je niet herkend!
+
+_Goedsm._ } Dacht ik 't niet!
+_Math._ } Wel--dat 's een verrassing!
+_Judoc._ } _(stamelend en met de hoogste verbazing)_ Wat--wat--wat
+ } zie ik!
+
+_Adolf._ Ik ben 't, Clara--en blijtoe dat ge me niet herkend hebt, want
+dan had ik mijn doel gemist.
+
+_Goedsm._ _(boos)_ Maar Adolf, jongen--wat malle potsen! Waartoe al die
+poppenkasterij! Is 't tegenwoordig mode, zijn vrienden te beliegen en te
+bedriegen vóór men zich bekend maakt?
+
+_Adolf._ _(schudt hem de hand)_ Nu, sprak Alexander Magnus geen waarheid,
+toen 'ie Adolf Smit voor een bedrieger uitmaakte!--Maar vergeef me,
+vader Goedsmoeds, al den schrik dien ik u aanjoeg: 't was met een goed
+doel.
+
+_Goedsm._ De duivel hale jou doel--de jongen praat als een Jesuït!--Neen
+maar, hoor 'reis--ik vind 't lang niet aardig, zóó mijn huis in
+opschudding te brengen: ik ben er drie jaar ouder meê geworden!
+
+_Adolf._ _(tot Judoc., hem de hand drukkend)_ En jij, beste vriend, dien
+ik heb getergd tot dolwordens toe--jij zult wel de eerste zijn me te
+vergeven, als ik je verzeker: dat al mijn komediespelen slechts dienen
+moest om u te regtvaardigen, en Clara te beteren.
+
+_Judoc._ Om _mij_ te regtvaardigen?
+
+_Clara._ En _mij_ te beteren?
+
+_Adolf._ Ja Clara, om _u_ te beteren. Want ik wist, hoe mijn vriend
+Judocus de lieve Mathilde beminde. En ik wist ook, hoe mijn fijn
+bruidje--alleen op zijn uiterlijk ziende--hem niet lijden mogt, en zelfs
+hem van lamheid en karakterloosheid plagt te beschuldigen----
+
+_Goedsm._ Ja, ja, daarin had Clara groot ongelijk--maar ik zie nog niet
+in----
+
+_Math._ Luister toch, vader!
+
+_Adolf._ Nu heb ik den doktor in de gelegenheid willen stellen, u allen te
+toonen: dat zijn zachtmoedigheid geen lafheid is, en dat 'ie, onder zijn
+doodgoed uiterlijk, een ferm, edel, mannelijk hart draagt. En ik geloof,
+dat ik, in den persoon van Alexander Magnus, er vrij wel in geslaagd
+ben, zijn schat van geduld ten einde te brengen.
+
+_(tot Judoc.)_ Nietwaar, doktor?
+
+_Clara._ Volkomen, volkomen!
+
+_Judoc._ _(stamelend)_ Dus was alles--alles----
+
+_Adolf._ Alles was maar spel, mijn waarde!
+
+_Goedsm._ _(boos)_ Ja, ja, mooi spel, mooi spel--maar ik zie niet in--ik
+begrijp volstrekt niet----
+
+_Math._ Foei vader--wil-je wel niet boos zijn! Wees liever blîj dat alles
+zoo heerlijk is afgeloopen.
+
+_Clara._ Zeker, oom--je zult er later om lagchen.
+
+Maar _ik_--ik mogt wel in zak en asch mijn schande verbergen! _(gaat
+naar Judoc. en reikt hem de hand)_. Meneer v.d. Vlugt, u is een edel
+mensch--meer kan ik niet zeggen: maar ik ben zeker, dat u mij vergeven
+zal, waar mijn domme oogen zich miskeken, en mijn vinnig tongetje zich
+versprak.
+
+_Judoc._ _(buigend)_ Mejuffrouw--ik verwachtte niet anders, ehem--en als
+vriendin mijner Mathilde, ehem----
+
+_Math._ _(Clara omhelzend)_ Ja Clara, als vriendin uwer gelukkige
+Mathilde----
+
+_Adolf._ _(tot Judoc.)_--Kan ze niet anders, dan ook u lief wezen!
+
+_Goedsm._ Komaan--we eindigen ten minste met een familietableau!--Weet-je
+wat--als jelui 't nu allemaal zóó aardig vindt, dan zal _ik_ de gekheid
+ook maar slikken. Ofschoon ik herhaal, niet te begrijpen, waartoe 't
+noodig was----_(de meisjes trachten hem den mond te stoppen)_----dat
+mijn heele huis op stelten werd gezet----en dat hier een gansche
+rooverroman met duels en dolken en pistolen moest vertoond worden, enkel
+en alleen----
+
+_Math._ Stil, vadertje--vrolijk zijn!
+
+_Clara._ Lagchen!--Kijk 'reis rond: wat gelukkige gezigten om je heen!
+
+_Adolf._ _(tot Goedsm.)_ En heeft 't uw hart geen goed gedaan, 't getergde
+lam tot leeuw te zien worden! _(op Judoc. wijzend)_ Zie hem--hoe zijn
+oog glinstert van edel vuur; hoe de nederige Cincinnatus de spade
+wegsmijt, en 't zwaard vat; hoe de schuwe David tegen Goliath, de
+ongeoefende schutter tegen Soranus te velde trekt--alles, om de eer van
+zijn afwezigen vriend op te houden! Zeg, heer Goedsmoeds--was dat geen
+prachtig spel!
+
+_Math._ _(vat Judoc. bij de hand)_. Ik wist 't, Judocus--ik had niet
+anders verwacht.
+
+_Judoc._ _(met vuur)_ En vondt ook gij 't spel prachtig Mathilde? O, dan
+wil ik verschrikkelijk zijn voortaan! Ik wil een Bayard worden, een
+Hotspur, een Cid Campeador!
+
+_Adolf_ en _Clara._ Bravissimo!
+
+_Goedsm._ La ta ta--daar heb-je 't al! Je zult me met je dwaasheden den
+doktor nog tot een bloedvergieter maken: een Blaauwbaard, een Aballino!
+
+Maar, 't doet er niet toe! Ik wil niet langer de spelbreker wezen. Hier,
+schenkt de glazen in--en zij onze dronk gewijd aan de trouw en liefde
+tusschen de beide huwelijksparen!
+
+_Adolf._ Zoo zij 't: hart om hart----
+
+_Clara._----Ziel om ziel!
+
+_Judoc._ Als Philemon----
+
+_Math._----en Baucis!
+
+_Goedsm._ Maar neemt één raad van mij, jongelui--en jij vooral, Adolf! Als
+jelui weêr mijn vreedzaam huis 't onderst boven keert om komedie te
+spelen--zorgt dan, in den naam van Snoek en Watteer, dat je tot nut en
+vermaak, ten minste met eenige strekking, met een redelijk doel werkt!
+Want, wat jelui me van avond hebt vertoond----hoor eens--'t blijft onder
+ons, maar--ik geef je mijn woord van eer--: »'t Sop was de kool niet
+waard!"
+
+(_De muziek speelt den marsch uit de derde acte van »Figaro's
+Hochzeit."_
+
+_Goedsm., gevolgd door de beide paren, stapt 't tooneel rond._
+
+_De gordijn valt_).
+
+
+
+
+ERRATA.
+
+
+Pag. 6 reg. 1 staat: _everen_ lees: _leveren_
+ » 9 » 19 » _ratelendc_ » _ratelende_
+ » 26 » 2 » _liesz_ » _liess_
+ » 101 onderste lijn muziek, eerste maat, drie laatste
+ noten, staat: _f_, _d_, _e_, lees: _d_, _e_, _d_.
+ » 105 reg. 7 staat: _libretto_ » _een libretto_
+ » 113 » 24 » _derde malen_ lees: _derden male_
+ » 113 » 29 » _brengt_ lees: _breng_
+ » 116 » 10 » _Im Lande der Chinezen_ lees:
+ _In Lande der Chinesen_
+ » 124 » 13 » _wiegelende_ lees: _vliegende_
+ » 128 » 1 » _galligen_ » _gallige_
+ » 148 » 10 » _peté_ » _peté-boom_
+ » 159 » 12 » _Lotus_ » _lotos_.
+
+
+
+
+Nº. 1.--=A. H. v. [onleesbaar].= Levensbeelden. Schetsen en ve[onleesbaar,
+ vermoedelijk: verhalen.]
+ » 2.--=Cremer en Keller.= Vier novellen.
+ » 3.--=De Oude Heer Smits.= Clementine.
+ » 4.--=Gerard Keller.= Het Huisgezin van den Praeceptor.
+ » 5.--=Lodewijk Mulder.= Jan Faessen. 2 deelen.
+ » 6.--=Louise.= Bladen uit Nicht Suze's Schetsenboek.
+ » 7.--=De Oude Heer Smits.= Vervolg op de Brieven.
+ » 8.--Mevr. =Bosboom-Toussaint.= De Alkmaarsche Wees.
+ » 9.--=Boudewijn.= Beelden en Schaduwen.
+ » 10-12.--=H. J. Schimmel.= Mary Hollis. 3 deelen.
+ » 13-15.--Mevr. =Bosboom-Toussaint.= Graaf Pepoli. 3 deel[onleesbaar,
+ vermoedelijk: deelen of dln.]
+ » 16.--=Henriette Maria I.***.= Coquetterie.
+ » 17.--=De Oude Heer Smits.= Tweede vervolg op de Brie[onleesbaar,
+ vermoedelijk: Brieven.]
+ » 18-19.--Mevr. =Bosboom-Toussaint.= Het huis Lauernesse. 2 [onleesbaar,
+ vermoedelijk: deelen.]
+ » 20.--=Celestine.= Twee Novellen.--64. =C. van Schaick.= De [onleesbaar]
+ » 21.--=Gerard Keller.= Oude kennissen. Novellen.
+ » 22-23.--=Elise.= Eene star in den nacht. 2 deelen.
+ » 24.--=Jonckers.= Alkmaar ontzet.
+ » 25-26.--=B. ter Haar Bz.= Antonie van Bockhorst. 2 deele[onleesbaar,
+ vermoedelijk: deelen.]
+ » 27-28.--=N. Donker.= Eind goed, al goed. 2 deelen.
+ » 29.--=De Jong van Rodenburgh.= Tyrol en Italië.
+ » 30-31.--=H. J. Schimmel.= Sproken en vertellingen. 2 deel[onleesbaar,
+ vermoedelijk: deelen.]
+ » 32-33.--=T. van Westrheene.= Hoe 't in de wereld gaat! 2[onleesbaar,
+ vermoedelijk: deelen.]
+ » 34-35.--=J. P. de Keyser.= De Wartburg. 2 deelen Met pl[onleesbaar,
+ vermoedelijk: platen.]
+ » 36.--=J. Hoek.= Drie Novellen.--N°. 69. Mina en Betsy.
+ » 37-38.--=Elise.= Hermine. 2 dln.--58. =Celestine.= Zuster Cat[onleesbaar]
+ » 39.--Mevr. =Bosboom-Toussaint.= Verspreide verhalen.
+ » 40-41.--=Cd.= en =A. Busken Huet.= Schetsen en Verhalen. 2[onleesbaar,
+ vermoedelijk: deelen of dln.]
+ » 42-43.--=Johanna.= De Pleegkinderen. 2 deelen.
+ » 44.--=J. J. Cremer.= Stad en Dorp. Vertellingen.
+ » 45-46.--=J. Hoek.= Louise van der Heide. 2 deelen.
+ » 47.--=J. F. Thieme.= Rozen en Brandnetels.
+ » 48.--=P. F. Brunings.= De Gouverneur.
+ » 49-52.--=H. J. Schimmel.= Mylady Carlisle. 4 deelen.
+ » 53.--Mevr. =Bosboom-Toussaint.= Eene Familie-legende.
+ » 54.--=R. Koopmans van Bockeren.= Schoenen op Keur.
+ » 55--=De Oude Heer Smits.= Derde Vervolg op de Brieven.
+ » 56.--=D. Hartevelt.= Herinneringen uit Algiers. Met plate[onleesbaar,
+ vermoedelijk: platen.]
+ » 57.--=J. P. de Keyser.= Levensvormen. Verzamelde schets[onleesbaar,
+ vermoedelijk: schetsen.]
+ » 59.--Mevr. =Bosboom-Toussaint.= De graaf van Devonshir[onleesbaar,
+ vermoedelijk: Devonshire.]
+ » 60.-- » » De Engelschen te Rome.
+ » 61-62--=Dr. J. ten Brink.= Oost-Ind. Dames en Heeren. 2 [onleesbaar,
+ vermoedelijk: deelen of dln.]
+ » 63.--=J. F. Brunings.= De Gouvernante.
+ » 65-66.--=Gerard Keller.= Een zomer in het Noorden. 2 dln.
+ » 67.--=De Oude Heer Smits.= Brieven en uitboezemingen.
+ » 68.--=Mevr. Bosboom-Toussaint.= Mejonkvr. de Mauléon.
+ » 70.--=Mr. A. H. Verster.= De Familie van Ulvenhout.
+ » 71.--=S. van der Leij.= Henry Wells.
+ » 72.--=Dr. J. ten Brink.= Het vuur dat niet wordt uitgeb[onleesbaar,
+ vermoedelijk: uitgebluscht.]
+ » 73.--=Célestine.= Rob's moeder.
+
+
+
+
+Transcriber's Notes
+
+
+- The errata listed in the back of the book are original errata from the
+ print edition. This appears to be a first edition, so I am not sure why
+ it contains errata in the first place.
+- The cover of the original print copy is damaged; as a result, some of the
+ text from the cover has been restored using guess work.
+- Hand-written note on the title page not included: "Rotterdam, 23./24.
+ December 1901."
+- Variant spellings that are nevertheless correct and used consistenly:
+ Shakspeare for Shakespeare, Appingadam for Appingedam.
+- The book part "Op zee" has no title page, unlike the three other parts
+ (De Slamat, Minnebrieven, and Blijspel).
+- 004.png: Restored "Villibald" (first letter partially obscured by a
+ sticker) to "Willibald."
+- 014.png: Normalised a left-pointing guillemet to a right-pointing one:
+ »God willing".
+- 031.png: Normalised "elkâar" to "elkaâr" (short for "elkander"). See also
+ the note for scan 109.png.
+- 046.png: Normalised a lower double quote to a right-pointing guillemet:
+ »wee mij!".
+- 054.png: May have an extraneous double quote mark; this is the same in
+ the print version. I left it like this, because it wasn't entirely clear
+ what the author was trying to say.
+- 057.png: Changed "mij" to "my" in "I know that my Redeemer liveth" after
+ consulting the official Westminster Abbey website.
+- 081.png: Inserted a space in "ochtend-en", resulting in "ochtend- en
+ middagdienst" (translation: _morning- and afternoon-service_).
+- 094.png: changed "parat" to "paraît" in "mais d'aussi loin qu'il paraît."
+- 105.png: This page contains what the author called a Malay lullaby. The
+ f-sharp in the fifth bar of this song sounds dissonant to Western ears.
+ Considering that the rest of the tune follows the Western I-IV-V (tonic,
+ sub-dominant, dominant) chord progression, such as is used in rock music,
+ folk songs, and indeed lullabies, it is likely that this is a Western
+ song, contrary to the author's claim. In which case the F-sharp should
+ probably be replaced by an E. In the Lilypond source code this can be
+ achieved by replacing "fis''4" by "e''4". However, since I am not sure,
+ I've left the dissonant in.
+- 105.png: The song is called the nanny's "nonna, nina": this is likely to
+ be word play. The Italian for "lullaby" is "ninna nanna," and throughout
+ the book the author refers to young women as "nonna," Italian for
+ "grandmother," "nana." (Baboe is Dutch phonetic spelling for the Malay
+ word for "native nanny"). Young men and boys are often referred to as
+ "sinjo"s.
+- 109.png: Normalised "elkâar" to "elkaâr" (short for "elkander"). See also
+ the note for scan 031.png.
+- 127.png, 135.png, 167.png: Normalised "ë" to "Ë" in "GABRIËL."
+- 138.png: Left out what appeared to be a grave accent on the "n" in
+ "Toean"; the accent glyph looks completely different from the one in
+ "Rèsiden," and I assume it's just a small printing error. Not to mention
+ that everywhere else "Toean" is spelled without an accent.
+- 147.png: I assume the abbreviation "ll" stands for "letterlijk."
+- 159.png: Corrected footnote number from "2" to "1."
+- 182.png: Inserted a thought-break because that seemed to match earlier
+instances of the following line ("Weet ge 't nog, liefste mijn -- ?").
+- 182.png: a previous owner scratched a word so badly with a pencil, that
+ the paper was torn. I am guessing here that the word between "uw" and
+ "oogjes" is "blauwe" (resulting in the Dutch for "your blue eyes").
+- 189.png: Printer's error fixed: "CCARA" to "CLARA."
+- 190.png: Presumed printer's error fixed: "ten min-" to "ten minste"
+ (transl. "at least").
+- 199.png: Normalised the abbreviation "Clar." to "Clara".
+- 224.png: Normalised "Joducus" to "Judocus."
+- 225.png: Was numbered 121 instead of 221 in the print version.
+- 228.png: Normalised: added a "." to "Clara."
+- 232.png (back cover): stage tape to hold the cover together obscured part
+ of the text; we tried to guess in every instance what the text had said.
+- Footnotes have been renumbered throughout the entire work and have been
+moved to the ends of chapters. Renumbering footnotes is standard Project
+Gutenberg practice, as is the moving of footnotes -- although footnotes
+aren't necessarily always moved to the ends of chapters. Please refer to
+the original scans used to create this e-text if you need to know the exact
+footnote numbers or positions.
+- The author/typesetter liberally used long dashes either filled out to the
+end of the line, or starting on the next line where they stopped on the
+previous one. I have not followed this formatting practice for the eBook,
+but elected instead to retain the exact number of dashes from the printed
+book.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Ontboezemingen, Gabriël
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONTBOEZEMINGEN ***
+
+***** This file should be named 24675-8.txt or 24675-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/4/6/7/24675/
+
+Produced by Branko Collin and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.